Inventory 3028
Surat · 640 pages · 154 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Maccasser the 18th October 1761. lands, where matters since my humble letter mentioned above have greatly changed their appearance to the advantage of that realm; for although I continuously sought to urge that prince to peace, this could nevertheless not prevent Bonij from marching against Aroé Penekij, as I had expressed my fears that this would happen in my more cited missive; after, however, all means had first been undertaken to reach an agreement, but the pretensions of Aroe Penekij were so manifold, insolent, and unreasonable, that no other recourse remained than to settle the dispute by the sword, towards which the Boneh also inclined the most and consequently won the king over to their opinion; to now detail at length all that progressively occurred regarding this war would be of too great an extent and too tedious for your Right Excellencies, wherefore I shall respectfully take the liberty to refer both to the copy of the daily journal kept in my own hand, and to the resolutions progressively adopted, together with the letters exchanged both with the king of Bonij and the collective Grandees of the Realm, by which everything can be seen in detail and at pleasure, showing that after several outcomes, both advantageous and disadvantageous, fortune finally seems inclined to declare itself for the Boneh; they having, according to a letter of the 24th August, not only recaptured Tjinrana Bonij on the 6th of that month, but according to a subsequent letter of the 4th September, having several days prior engaged in battle with the sons of Aroe Penekij for three days and two nights, achieving a complete victory, capturing the water castle, crossing the river, taking all the enemy's bentings, and taking as booty fifteen large gorabs, one sloop, and fourteen small pieces of iron ordnance; which fortunate event gives me hope, if the king proceeds cautiously and does not become too haughty by this banner of prosperity, that everything will yet turn out for the best, without the Honorable Company having to meddle therein other than with the assistance of war ammunition and some money and rice, just as I, upon the requests of the said prince, in conformity with the promises made to him so many times and according to the resolution in our meeting held on the 27th August last, accurately dispatched to him Four Picols of gunpowder, an equal quantity of Lead, and fifty bar shot, together with six hundred and twenty-five rixdollars in new Netherlands currency, upon their promise to repay the same after the war; I have also found myself compelled to promise His Majesty to send one of the sloops belonging here, with a cargo of rice, and a greater quantity of gunpowder and lead, at the breaking of the West monsoon, for which he has repeatedly petitioned me, but which I have continuously sought to decline; hoping that all of this will likewise meet with your Right Excellencies' approval, and not only that, but also that I may be permitted to continue therewith, under the serious assurance that I shall act therein as sparingly as possible, although I consider myself obliged not to conceal from your Right Excellencies my thoughts that the frequently mentioned prince will now need more assistance than before, being now upon enemy soil, and it being still uncertain whether the Wadjoese will take the side of Aroe Penekij or not; if the former should happen, it is well foreseeable that Bonij will face a hard trial, wherefore I have also advised that Prince to fortify Tjinrana, and especially the water castle, so that in the event he should be repulsed, he may have a safe retreat and shelter, in order to remain master of the river, and consequently also of the sea. Meanwhile, being at Maros, in order to further assure the king and the grandees of Bonij of the Company's goodwill, I ordered all the mountain regents to march with the greatest part of their subjects into the interior to reinforce His Majesty's army, and gave notice thereof in a letter to that prince; and since this amounts to a number of about Two thousand men, I was kindly thanked for that succor. The king also communicated to me in a letter of the 26th August that his brother, the deposed Datu of Soppeng, had sent Aroe Panjilij to him, professing that he remembered being a slave of Bonij, intending thereby to make known that he would gladly submit, requesting His Majesty that I send an envoy.
Dutch transcription
Van Maccasser den 18:' October 1761. landen, alwaar de zaeken zedert mijn submisschzij= vens hier boven gem:t grootelijx van gedaante ten voor deele van dat rijk verandert zijn; want alhoewel ik dien vorst bij Continuatie hebbe getragt tot vreede aan te maanen, heeft zulx egter niet konnen beletten, dat Bonij tegens Aroé Penekij is opgetrokken, zoo als ik bij mijn meer geciteerde missive mijne vriese daar voor te kennen gegeven hebben, dat geschieden zoude; na dat egter voor af alle middelen bij der hand waren ge= nomen, om een vergelijk te treffen, maar de pretentien van Aroe Penekij waaren zoo meenig vuldig, brutaal en onreedelijk, dat er geen anderen uijtwegh overbleef, als door het swaard het geschil te besligten, waar toe ook de Boniers het meeste inclineerden en gevolgelijk den konink in haar gevoelen overhaalden; omme nu wijdloopig in deesen te detailleeren; alle het geene successive omtrend deesen krygzig heeft toegedragen, zoude van een al te groote extensie en voor uw hoog Edelheedens te Ennuant zijn, weshalven ik met eerbied de vrijheijd zal nemen mij te refe= zoo wel aan het afschrift van mijn eygenhandig gehouden dagregister, als de successive genomen resolutien, mitsgaders de gewisselde brieven zoo met bonijs koning als de gesament lyke Rijxgrooten, waar bij alles omstandig, en des beha= gende kan werden gesien, dat na verscheijdene zoo voor als nadeelige uijtkomsten 't fortuin zig eyndeliik voor de Bonyze schijnt te willen de Clareren; als hebbende als hebbende zyl: niet alleen volgens schrijvens van den 24:' Augustus op den 6:e dier maand Tjinrana bonij heroverd, maar volgens een nadere brief van den 4: Sep= tembr: eenige dagen bevoorens met de zoons van Aroe„ Penekij drie dagen en twee nagten slaags geweest, en een Compleete overwinninge behaald, het water Casteel bemagtigd, de revier overgetrokken alle de bentinks van de vijanden ingenomen, vijftien groote gorabs, een Chialoup en veertien stukjes ijzer geschut tot buijt gemaakt; welke geluckig evenement mij hoop geeft, als den koning voorsigtig te werk gaat, en zig door deese vlag van voorspoed niet te zeer verhoovaardigt; dat alles z: nog ten besten zal schikken, zonder dat d'E Comp:e zig daar meede, anders dan met onderstand van oorlogs ammotie en watgelden rijst zal behoeven te mesleesen, zoo als ik dan ook op de versoeken van gem: vorst Conform de aan hem zoo meenigmaalen geda„ ne beloften, en volgens besluit in onse gehoudene vergadering op den 27 aug:s I:o L/aan hem op nauw hebbe laa= Vertrekken Vier Picols buskruid Een gelijke quantiteit Lood en vijftig knuppelkogels, benevens seshondert vijfen twintig rijd:s aan nieuw nederlands paijement 119 Van Maccasser den 18:' October 1761. paijement, onder toezegginge van haar kant, na den onrlogh zulx te zullen voldoen; ook heb ik mij genood= saakt gezien, zijn majesteijd te beloven, Eene der alhier thuijshoorende Chialoupen, met een lading rijst, en een meerdere quantiteijd buskruijd, en lood te zullen toe= zenden, met het doorbreeken van de West mousson, waar= omme hij mij eterative maalen heeft versogt, maar het geene ik telkens hebbe getragt, van de hand te wijsen; willende verhoopen dit alles almeede zal wegdragen uw Hoog Edelhedens goedkeuringe, niet alleen maar ook dat het mij gepermitteerd mag zijn daer mede te continueeren, onder serieuse versekering dat ik daar inne zoo spaarsamelijk zal handelen, als mogelijk zij, hoe wel ik mij verpligt reekene uw Hoog Edehee= dens niet te moeten verbergen, mijne gedagten, dat dikger: voorst nu meer onderstand, als bevorens zal — noodig hebben, als zijnde nu op 's vijands bodem, en nog onseker of de wadjoreesen zig de partij van Aroe Penekij zullen aantekken ofte niet; komt het eerste te gebeuren is het wel te voorsien, dat Bonij Een harde noodt zal te geraaken hebben, waaromme ik ook dien Vorst geraaden hebbe, Tjinrana, en Jnsonderheijd het water casteel te versterken, omme dus in gevalle hij eens mogte werden gerepousseerd, een veijlige retraite en schuijlplaats te hebben, om meester te zijn van de revier, en Gevolgelijk ook van de zee. ondertusschen heb ik, op maros zijnde, om den koning en rijxgrooten van Bonij van 's Comp:s wel= meenentheijd al verderte versekeren, de gezamentlijke berg regenten g'ordonneert, omme met het grootste gedeelte harer onderdaanen nade binnen landen te vertrecken, tot versterkinge van zijn majesteids leger, en heb daar van bij een briefje aan dien vorst kennisse gegeven; en dewijl zulx wel een getal van Twee duijzent man uijtmaakt, ben ik voor dat secours genegentlijk bedankt geworden. Den koning heeft mij ook een brief van den 26=ten aug„s communicatie gegeven, dat zijn Broeder, den afgezet ten Datoea Sopping, Aroe Panjilij bij hem hadde Gezonden, met betuiging, dat hij zig herinnerd had een slaaf van Bonij te zijn /:willende daar meede te kennen gegeven, dat hij wel gaarne in submissie wil= de komen /:versoekende zijn majesteijd, dat ik een zendeling schrij= voor dien ante dat als out entien e bl ook de konink gin trend groote zijn, te refe= ouden sgaders am voor r e p t aal ge 1 daar uijt 2 den— soeken geda¬ dering ke ds de,
English
From Maccasser, the 18th of October 1761. wanted to send an envoy to Maria Riawa, that is, the place where the aforementioned Aroe Panzilij is staying, in order to consider whether his intention is sincere, and then at the same time to bring him into submission; which, in turn, indicated the king's misguided mercy and poor statecraft, whereby he would completely damage his credit with his grandees, since they, and with very great reason, are bitter against the aforementioned Aroe Panjilij, as he has brought down upon the king's neck all the difficulties that oppress him. For this reason, in my reply of the 20th of September, I declined that request in polite terms, on the grounds that it seemed suspicious to me to place trust in such a person when it was known and proven that he was the cause of this entire war, and now, noticing that it was about to turn out contrary to his expectations, gladly wished to withdraw his hands from the game, or possibly, under the appearance of friendship, not only to give fresh courage to his faction, which was now beginning to fare too badly, through his advice, but if possible to strengthen it; and that for all the alleged reasons, I judged it best simply to let him continue to wander. That I advised the king for the best in this matter is evident from the fact that the queen, the day after the departure of that letter, very kindly conveyed her thanks to me for the good advice I had given her husband. And since it appeared to me that the king was in a good humor regarding the course of affairs and on account of the recent victory, I made use of that opportunity to suggest to His Majesty whether it might not now suitably be brought about that Aroe Mampoe be declared Young King and successor to the realm, in order thereby not only to arouse his courage further, but also to win over the Boniers, who would gladly see this, and even to relieve him of a part of the difficulties of the government. Since this is now one of the articles cited by Mr. Blok in his memorandum, the execution of which Your High Nobilities have been pleased to recommend to me, I shall use my utmost endeavor to persuade the king to it, as I am convinced of how much importance it would be for the tranquility of the country and the Honorable Company, as it will thereby be prevented, and Aroe Palatta, the mother of the present king of Goa, will be barred from the Bonian throne, to which she is the closest according to the laws of the country; and in due time, should the present monarch happen to pass away, that which concerns the possession of the loaned lands, as well as that which concerns Boneratte and Calauwt, will likewise be dutifully observed. Furthermore, I take the liberty to communicate under this heading that, for weighty reasons, namely to obtain reliable intelligence regarding the state of affairs in the inland regions, I was obliged to send trusted natives thither, and have disbursed to them for the reimbursement of their travel expenses a sum of 78 rixdollars and 16 stuivers; just as the interpreter Pieter Barteltsz., on his voyage to Bouton, to be mentioned below, spent 16 rixdollars in fractional currency, or 20 florins in heavy money, making together 165 rixdollars and 22 stuivers, respectfully requesting that this may be reimbursed to me here from the treasury. Regarding the court of Goach in itself, there is not much to be said, other than that on the 10th of July, early in the morning, an audience was unexpectedly requested of me for deputies concerning a matter that they claimed was very pressing; which then having been granted, shortly thereafter came the syahbandar, accompanied by two grandees, who, after exchanging some compliments, said that whenever the fear of their king became too great, their custom required.
Dutch transcription
Van Maccasser den 18:' October 1761. zendeling na Maria Riawa: C: de plaets daar gem: Aroe Panzilij zig is ophoudende :/ wilde zenden om- te pondeeren, off zijn meening opregt zij, en hem dan teffens in submissie te brengen; het geene dan weder te kennen geevende 's koning verkeerde barmhartigheijd, en quaade staat kunde, waar door hij zijn credit bij zijne rijxgrooten ten eenemaal een knak soude geven, dewijl dezelve, en met zeer veel fundament, op den— voorsz: Aroe Panjilij verbitterd zijn, als hebbende den koning alle de swarigheeden, die hem drukken op den hals gehaald; Weshalven ik aan den vorst in mijn and= woord van den 20:' 7ber: dat versoek in beleefde termen„ hebben afgeslagen, om reedenen, dat het mij suspect voorquam, zoodanig een perzoon te willen vertrouwen daar men wist, en overtuijgd was dezelve te zijn de oorzaak van deeze gantschen oorlog, en nu bemerken= de, dat die teegens zijne verwagting stond uijt te vallen, welgaarne zijne handen uijt het spel wilde trecken, of mogelijk onderschijn van vriendschap, zijne parthij, die het nu te quaad begon te krijgen, door zijne advisen, niet alleen weer moed te geven, maar zoo het mogelijk was te sterken; en dat ik om alle d' g'alle gueerde reedenen bestoordeelen hem maar te laten voort dwaalen. Dat ik nu in deezen den koning ten besten geraaden hebbe, is daar uijtgebleeken, dat mij de Koninginne, daags na het afgaan van dien brief zeer vriendelyk heeft laaten bedanken voor den goeden raad, die ik haar gemaal gegeven had. — En dewijl het mij toescheen dat den koning over den loopder zaaken, en wegens de Jongste overwinning in een Goede luijm was, heb ik die gelegentheijd g'em= plecteerd omme zijne majsteit in bedenken te ge= ven, of 't nu niet gevoeglijk zoude konnen geschieden dat Aroe Mampoe tot Jong koning en rijx opvolger wierd verklaard, om daar door desselfs couragie niet alleen meerder op te wecken, maar ook omme de. 121 Maccasser den 18:' Octob„r 1761 voorleeden Jaar Eek uijtgeschooten voor rijk een montant de boniers (:die zulx gaarne zoude zien:/ te capoleeren; en hem zelfs te ontlasten van een gedeelte der moeijlijk= heeden van de reegering vermits dit nu is eene der articulen door de heer Blok in zijn memorie g'allegueerd, en welkers uijtvoering uw: Hoog Edelheedens mij hebben gelieven aan te bevelen, zal ik mijn uijterste devoir aanwenden, omme den kon ning daar toe over te halen, dewijl ik overtuigd ben„ van hoe veel gewigt het zelve zoude zijn voor de rust van het land, en d' E: Comp:e, als daar door zullende werden geprevenieerd, dat Aroe Palatta, de moeder van de teegenswoordige koning van Goa, van de Bonij= ze troon, waar toe zij volgens 's lands wetten de- naaste, geweert werd, zullende in der tid, als den tegenswoordigen vorst mogt komen te overlijden, insgelijks het geene de possissie der geleende landerijen, zoo wel als het geene boneratte en calauwt betreftschuld pligtig g'observeerd werden. Wijders neeme de vrijheid onder dit hoofd deel nog te communiceeren, dat ik om gewigtige reedenen, na= mentlijk, om secuure kundschap weegens den staat der zaaken in de binnen landen te krijgen, genoodsaakt geweest ben, derwaards te zenden vertrouwden inlan= ders, en aan dezelve hebbe uijtgeschoten tot het goed= maaken haarer reijsekosten een zomma van rd:s agt en zeventig en zestien stver:s zoo als ook door den tolk Pieter Barteltsz: op zijn voijagie na bouton hier onder te melden, aan de tolcken aldaar ge= spendeert heeft sestien rd:s paijement of rd:s Een hon=ƒ 20. groot geld, ma dert vijff en sestig en twee en twintig stuijv:s versoe= kinde te samen kende Eerbiediglijk, dat mij zulx alhier uijt Cassa met Octtb: 67:6:, die mag werden te rug gegeven. wegens het hoff van Goach op zig zelve, vald niet veel te zeggen, als tuijrvolker Vaar„ dat op den 10. ' Iulij vroeg in den morgenstond mij onverwagt tuijgen na dat wierd gevraagd acces voor gecomitteerdens weegens een zaak, die zij voor gaven, zeer presseerde, 't geene dan van bitts:. geaccordeerd zijnde, quam kort daar op den siabandhaar, verseld van twee Rijxgrooten, dewelke na het wisselen van eenige complimenten zeijden, dat wanneer de vreeze voor haare konink te groot wierd, haar gewoonte mede bragt. 9 ede rn n= lde en schieden volgen gie omme -
English
From Maccasser the 18:' Octob„r 1761. intended, and brought it about to separate themselves from the same, but before they wished to proceed to that, out of the trust which they placed in the Honourable Company, they had wanted to give notice of it first, for fear that it might sometimes be of consequence, whereupon I, not knowing where they were heading with that preamble, asked in reply whether they reckoned both the kings of Goa and Tello as such, by virtue of the close alliance that had always existed between those realms, but that in this case they only wanted to speak of the evil deeds of Caraeng Kandjilo; I replied to that, that the realm of Tello according to the contracts concluded depended solely upon the Honourable Company and on that account the same was regarded as its own country, although they were always left the freedom to abide by their laws and to elect a king, provided that not only proper notice thereof was given, but also approval was requested, and since this had not happened since the death of the last king, we still did not know that a king had been elected there, and that for the reasons alleged I could not agree that the realm of Tello was attacked, but if they wanted to remove Caraeng Kandjilo, who was considered a bad subject by all inhabitants, that such would find no obstacle with the Company, but would be considered as if the country had been cleansed of a great evildoer; I therefore rejoiced to have obtained the opportunity to make a redress through the channel of the Macassars in the confused state of the court of Tello, for which I otherwise, as I had the honour to report in my respectful letter of 25:' May, saw no chance without applying violent means, wherefore then, letting the grandees of Goa proceed with connivance; it has come so far that the said Caraeng Kandjilo was chased away, and his son was deposed by the Tellonese grandees, who had all fled to the first-mentioned court, 123 From Maccasser the 18:' Octob 1756. of which they giving me notice on the 17:' July, I added to them that I had told them multiple times, and now repeated again, that the Honourable Company did not know that there was a king of Tello, but if they wanted an election, that I had nothing against that provided that such took place in the presence of commissioners and with approval according to the tenor of the contracts; In order to make the least commotion, I would gladly have wished to direct it in such a way that the son of Caraeng Kandjilo was elected anew, and the latter had been cleared out of the way, but seeing that such could not well be executed because the bitterness was too great, I let such slip, but on the 20:' thereafter it was reported to me that the matter was concocted in such a way that the Tellonese were inclined to elect as their king the well-known Caraeng Madjannang, against which I first protested strongly, and had already brought it so far that I would have elected a king myself, had I not on the 22:' thereafter learned from private reports the little likelihood there was of being able to obtain a noteworthy reinforcement from the main place, in case it should happen that some commotion arose from this and had to be sustained by force of men; also considering the uncertainty and at that time precarious state of affairs in the inland, as well as the good promises of the aforementioned Caraeng Madjannang, that in case he were accepted by the Company, he would fulfill in all respects the content of the contracts, I deemed it necessary to yield in this, and therefore the election took place in the presence of two commissioners from the Political Council, and the contracts were sworn in the full Council of Policy in the presence of the Regent and the grandees of the realm of
Dutch transcription
van Maccasser den 18:' Octob„r 1761. ¶meenden, en krug zij zoowel de koningen „bragt zig van dezelve te separeren, maar voor dat ze daar toe wilden treeden, hadden zij uijt hoofden van het vertrou= wen het geene zijn dE: Comp:e stelden, daar van eerst willen kennis geven, uijt vreese, dat het somtijds van gevolge zoude konnen zijn, waar op ik niet weetende, waar zij met tot antwoord, dat preambule heen wilden, vroeg, wil zij met haare konin= gen van Goa als Tello sodanig reekenden, uijthoofden der naauwe verbintenis, die tusschen die rijken althoos ge= weest was, dog dat ze in dit geval maar alleenlijk wil= den spreeken van de quaade gedoentens van Caraeng— kandjilo; Ik repliceerde, daar op, dat het rijk van Tello volgens de gemaakte contracten alleen dependeerde van d' E: Comp:e en uijt dien hoofde het zelve als haar eijgen= land wierd aangemerkt, alhoewel haar altoos den vrijheijd gelaten was, bij haar wetten te blijven, en een koning te verkiesen, mits daar van behoorlijk niet alleen kennisse gegeven, maar ook approbatie verzogt wierd, en dewijl dit zedert de dood van den laasten &c= ning niet geschied was, wij nog ignoreerde aldaar een koning ver koren te zijnen dat ik om g'alligueerde reedenen niet konde steme men, dat het rijk van Tello wierd aangetast, maar wilden zij Caraeng Kandssilo, die bij alle inwoonders voor een slegt subject doorging, uijt de pruijmen, dat zulx bij de Comp:e geen obstacul vinden, maar geconsidreerd- werden sou, als of het land van een groot quaaddoender gezuijverd was; Ik verheugde mij dus gelegentheijd aan handen te heb= ben gekreegen, omme door het canaal der Maccasaren Een reddres te konnen maaken in den verwarden toe= stand: van 't hoff van Fello waar toe ik anders, zoo als ik d' eere gehad heb bij mijn eerbiedig schrijvens van den 25:' maij te melden zonder geweldige middelen te appliceeren, geen kans zag, waar omme dan de rijxgrooten van Goa daar meede oogluijkende latende begaan; is 't zoo verre gekoomen, dat gem: caraeng Kandjilo verjaagd:, en zijn zoon door de Tellonieze groote, die alle aan het Eerst gem: hoff gevlugt waaren, afgeset is geworden 123 Van Maccasser den 18:' Octob 1756. geworden, waar van zij op den 17:' Iulij mij kennisse gevende, voegde ik haar toe, dat ik haar te meer ma= len gezegd. hadde, en nu weder repeteerde dat de d'E Comp:e niet wist, dat er een koning van Tello was„ maar wilde zij eene verkiesing, dat ik daar niets teegen had mits zulxs geschiede ter presentie van gecom= mitteerd=s en met approbatie volgens den teneur der contracten; Ik hadde het om de minste opschuddinge te maaken wel gaarne sodanig willen dirigeren, dat den zoon van caraang kandjilo op nieuw verkoren, en den laas= ten uijt den weggruijmt was geworden, maar ziende dat zulx niet wel zoude konnen geëxecuteerd werden om dat de verbittering te groot was, liet ik zulx slip= pen, maar den 20:' daar aan wierd mij gerapporteerd, dat het werkje zoodanig was gebrouwen, dat de Tellonee= sen genegen waaren tot haaren koning te verkiesen den welbekenden Caraeng Madjannang, waar teegen ik eerst sterk hebbe geprotesteerd, en 't zoo verre reeds hadde gebragt, dat ik zelve een koning zouw hebben verkooren, Indien ik niet op den 22:' daar aen uijt de particuliere berigten vernomen hadde, de weinige apparentie, dieer was, omme een naamwalr= dige versterking van de hoofd plaats te konnen krij= gen, ingevalle 't eens quam te gebeuren, dat daar uijt eenige commotie ontstond, en door magt van volck zulx moest gesouteneerd werden; ook consi= dererende de onsekerheijd, en ter dier tijd hage= lijken staat der zaaken in de binnen landen, mits= gaders de goede beloften van voormelde caraeng Madjannang, omme ingevalle hij bij de Comp:e wierd aangenomen, in allen deelen te zullen voldoen aan den inhoud der contracten, heb ik g'oordeelt in deezen te moeten botvieren, en dierhalven is de ver= kiezing in presentie van twee Gecommitteerdens — uijt den politicquen raad geschied, ende contracten in den vollen raad van politie beswooren ten over= staan van den Rijxbestierder en de Rijxgrooten 1 van ze daar vertrou= t willen gevolge zij met konin= fden der hoos ge= lijk wil= eng Tello van eijgen= den en een niet verzogt en &o= ng von stem= wilden een xbij eerd doender te heb= casaren toe brij en s rre E heb : - -
English
From Maccasser, the 18. Octob:r 1761. of Goach, as well as the second Tomilalang of the Bonese court, and the deeds drawn up thereof being signed by all of them, which I have the honour to present among the enclosures to Your High Nobilities; and thus, for the future, all the excuses made by both those of Goach and Tello to render illusory the contract separately concluded by the last-mentioned court on the 9:th March 1668: have now been cut off for good. However, in order to leave a thorn in the foot of the Macassars and to keep them in respect, I have permitted, at the request of the Queen of Bonij, that the deposed, but by the Hon: Company not recognized, King of Tello, together with his father Caraeng Kandjilo, remain under protection, under the condition that the last-mentioned would have to keep himself quiet and peaceful in case he wished to preserve his life; moreover, at the election of the aforesaid Caraeng Madjannang, I declared to the Tellonese that it was by no means the Company's intention to disadvantage the son of the said Caraeng Kandjilo by that election, but on the contrary, that he retained full right to aspire thereto when the throne became vacant again and he had reached the years of discretion, with which the party of that prince was very well pleased, but by no means the Macassars, who would gladly have seen him remain excluded forever. This is in brief all the principal matters that occurred with those two courts, of which all particulars are recorded at large both in the secret daily register under the dates of the 10:th, 12:th, 14:th, 15:th, 16:th, 17:th, 20:th, 21:st, 22:nd, 23:rd, 25:th, 27:th, and 29:th July, as well as the 3:rd August, and also the resolutions taken concerning these affairs on the 13:th, 17:th, 23:rd, and 25:th July, item 3:rd August last, to which I then From Maccasser, the 18:th Octob:r 1761. with the greatest respect, in order not to be tedious, refer myself; hoping my actions in this delicate affair will merit Your High Nobilities' favorable approval, not doubting that it will be of great influence upon the accession to this government of the present young King of Goach to make them swear to the contracts as is proper, though whether it will proceed so smoothly to persuade the Macassars on that occasion to make a border demarcation, or rather a fixed determination regarding the lands situated around the castle, I believe I may rightly doubt, especially since in such a long series of years nothing has been made of it; however, Your High Nobilities may rest assured that, should it occur during my presence, I will employ everything within my power to comply with the honored order in this matter; thus passing on to the realm of Tanette, nothing else can be said of it than that it remains at peace there, and the Queen, who for some time stayed with the King of Bonij in the interior, has departed again for Loewoe, notwithstanding she showed very much inclination some time ago to leave that realm and return to her old residence, in accordance with her letter of the 16:th May last, in which she also showed some apprehension, as if something were being brewed to her disadvantage; but in my reply dated 18:th May I tried to put her mind at rest as much as possible, and having heard no further news from her since then, I shall pass on to the realm of Bouton, whereto we, according to the resolution concerning the report that the English had occupied one of the Papuan islands named Salwathij, and were busy there with the erection of a castle, From Maccasser, the 18:th Octobr 1761. and that their ships were roaming in those regions, have dispatched the sloop the Verlooren Zoon, to turn its course from here to Mangarij, and thus cruise along the coast, and at a convenient latitude cross over to the aforesaid realm, principally to inquire on that route, or at the said place, whether any English were staying there or had been there; sending with that vessel also the assistant interpreter Pieter Bartels with a letter to the King of that realm, and to the latter, as well as the steersman, an instruction to be found among the enclosures, which vessel having then returned on the 13:th of the recently passed month of September, both the steersman and the aforesaid interpreter declared to have noticed no English there, and also could not discover that that nation had been there or was expected, all to be viewed more fully in the account of the interpreter, likewise humbly referring myself thereto, I will only cite here with respect that I received no reply to my letter from the King, since His Majesty had not yet moved into the castle, and was staying so far inland that the steersman could not wait for it, as his provisions had been consumed. Furthermore, there appeared here at the castle on the 12:th June a certain Johannes Adam and Tsisjang, a peranakan Chinese, both native of Amboina, the first having been steersman and the other boatswain on a certain sloop belonging to the Chinese Kanzang residing at Batavia, relating that they were attacked in the straits of that realm by pirates, who captured the aforesaid vessel, but that the crew who had been on it had saved themselves on land, as is to be seen more fully from the written account which the aforesaid persons gave, to be found among the enclosures; also
Dutch transcription
Van Maccasser den 18. Octob„r 1761. van Goach, mitsgaders den tweeden Tomila lang van het bonysche hoff, en door hun alle ondertekend de daar van gemaakte acten, dewelke onder de bij= laagen d'eere hebbe UW Hoog Edelheedens te presente= ren, en dus is hier meede nu in den aanstaande zoo wel aan die van Goach als Tello voor althoos gecoupeerd, alle haare gemaakte uijtvlugten omme het door laast gem: hoff op den 9:' maart 1668: separaart— gemaakt contract illusoor te maaken. om egter de maccassaren nog een door in de voet te laten, en in respect te houden heb ik op versoek van de koningin van bonij gepermitteerd, dat den afgezetten„ dog bij dE: Comp:e niet erkenden koning van Tello, benevens dessefs vader caraeng kandjilo, in protexie =bleeven, onder dezee conditie, dat den laastgem: zig zouw hebben stil en gerust te houden, ingevalle hij zijn leeven wilde behouden; daar en boven heb ik bij de verkiesing van voorsz: Caraeng Madjannang de telloneezen verklaard, dat 't's Comp:s intentie= geenzins was, om door die verkiesing, de zoon van hem Caraeng Kandjilo te benadeelen, maar ter contrarie„ dat hy in het volle regt bleef, als den troon weder't vacant raakte, en hij de Jaaren van bescheijdendheijd bereijkt hadden, daar na te aspireeren, waar meede de partij van dien prins zeer wel in haar schik was, dog geenzins de maccassaren, die gaarne hadden gesien, dat den zelven voor althoos was gesecludeert gebleeven. — Dit is in 't korte alle het gene met die twee hooven ten principaalsten is voorgevallen, waar van alle particulariteiten in 't breede genoteerd saan zoo in 't secreet dag register onder de datums van den 10e: 12e: 14e: 15e: 16e: 17e: 20e: 21e: 22e: 23e: 25e: 27e: en 29e: Julij mitsgaders 3:' augustus, als mede de omtrend dezee affaires genomene resolutien op den 13:' 17:' 23:' en 25:' Iulij, item 3:' aug:s Jongstleeden, waar aan ik dan met. 125 Van Maccasser den 18:' Octob„r 1761. met de meeste eerbied; om niet langwijlig te zijn, mij refereere; verhoopende mijne behandelingen in deezen delicate affaire zullen meriteren Uw Hoog Edelheedens gunstige approbatie, niet twijffelden of het zal bij de aanvaarding deezer reegering van den presenten Jongen koning van Goach van grooten in vloed zijn, omme hen de Contracten zoo als het behoord te doen b'Edigen, dog of 't zoo wel zal vlotten omme de maccassaren bij die gelegentheijd te per= suadeeren tot het maaken van een limietscheijding ofte Eijgentlijk eene vaste bepalinge omtrent de landerijen rondom het casteel geleegen, daar aen vermeene ik met regt te mogen twijffelen, voorna= mentlijk dewijl in zoo een grooten reex van Jaaren daar van geen werk gemaakt is, egter kenne uw Hoog Edelheed:s verseekerd zijn, dat ik het zelve bij mijn aan weesen komende voor te vallen alles zal aan uan= den, wat in mijn vermogens is, omme aan het g'eerd bevel in cas subject, te voldoen; dus overgaande tot rijk van. Tanette, zoo vald daar van niets anders te zeggen, als dat het daar nog in rust en d' koninginne, die Eenige tijd bij den koning van Bonij in de binnen landen zig heeft ophouden, weeder na. Loewoe Vertrocken is, niet teegenstaande zij voor eeni= ge tijd zeer veel genegentheijd gethoont heeft, om dat rijk te verlaten en na haar oude residentiek kee= ren, conform haar schrijvens van den 16:' maij Jongst= leeden, waar bij zij teffens eenige bekommering betoond, als ofer ten haaren nadeele iets zoude gebrouwen werden; dog ik hebbe haar daar op bij mijn andwoord, gedatteerd Is:' maij zoo veel mogelijk gerust tragten te stellen, en 't zeederd geen nadere tijding van haar gehoord hebbende, zal ik overgaan tot het rijk van. Boúton, werwaard's Wij volgens besluijt van den Engelschen eene der papoe asche eijlande dat de Genaamd sal wathij g'occupeerd hadden, en aldaar met het opregten van een Casteel bezig. 1 Van Maccasser den 18:' Octobr 1761. beezig, mitsgaders haare scheepen in die contrijen swervende waaren, hebben gesonden de Chialoup de verlooren zoon, omme van hier de steven te wenden na de mangarij, en dus langs de wal te kruijzen, en ter bequamer hoogte over te steeken na 't voorsz: rijk, ten principaale, om in die route, dan wel ter gemelde plaatze te vernemen, of er geen engelsche aldaar zig ophielden ofte geweest waren; geevende met dat vaartuig meede den ondertolk Pieter bartels met een brief aan den koning van dat rijk, en aan den laasten, zoo wel als den stuurman Eene Instructie onder de bijlagen te vinden, welk vaartuig dan op den 13:' van de Jongst verweeke maand september ge= retourneerd zijnde, heeft zoo wel den stuurman als toliq voorn:t gedeclareerd, geen Engelsche aldaar te hebben vernomen, en ook niet konnen ontdekken, dat die natie daar geweest waaren of verwagt wierden, alles breeder te beoogen, bij het relaas van den tolcq daar aan mij almeede ondaniglijk refererende, hier maar nog met eerbied aanhalen zal, dat ik op mijn brief van den koning geen antwoord erlangd hebben vermits zijn majesteit nog niet in 't Casteel getroc= ken is, en zoo verre landwaards in zig onthoudende was, dat den stuurman daar na niet konde wag= ten, vermits zijn randsoen geconsumeert was. — Wijders zijn op den 12:' Junij alhier aan 't Casteel ver= scheenen zeekere Johannes Adam, en Tsisjang parnaekang Chinees, beijde van Amboina ge= boortig zynde den eerste geweest stuurman, en den andere bootsman op zeekere chialoup, toebehoorende den tot batavia remorerende Chinees, kanzang, ver= halende, dat ze in de straat van dat rijk door zee= Roovers g'attacqueerd, die het voorsz: vaartuijg veroverd hadde, dog dat dedaar op geweest zijnde manschap zig hadden gesalveerd op het land, zoo als breeder te zien is uijt het schriftelijk relaas het geene voorsz: per= soonen hebben gegeven onder de bijlagen te vinden; ook
English
From Makassar, the 18th of October 1761. Also arrived in this roadstead at the same time a certain Malay named Soekoer, relating that he had been attacked near the island of Cabijna by some pirates, but that he had escaped them by the strength of sailing, the first-mentioned chaloup above being the very one which under the subject of Bonij is mentioned to have been robbed by the people of Aroe Penekij, who, it is said, make the entire coast of Bouton unsafe, and are said to be supported by the king of Pangasana, although I have difficulty believing the latter, since that prince on all other occasions has shown himself to be a friend of the Honourable Company. Concerning the princes and allies beyond the straits I have nothing to report except what resident Tinne communicated in his letter of the 17th of the past month of September, delivered here on the 1st of this month, namely that at Bima, the king begins to turn to his advantage the so frequently reiterated admonitions to depart from his loose way of living, now attending to the welfare of his land and people; upon which followed a complete submission of the grandees of the realm to the good pleasure of the king, who has managed thereby to direct matters in such a way that his son was chosen and inaugurated as successor to the throne in a solemn assembly of the realm on the 25th of April, but that no notice thereof has been given and no approval requested up to now, because they were still too preoccupied with the war on the Mangarij, which did not proceed as prosperously as the beginning had given reason to hope, the Makassarese having beaten the Bimans twice, so that it is to be expected that the costs will have been in vain again. Meanwhile, it is a very desirable thing that through this election From Makassar, the 18th of October 1761. election of the King's son as successor to the realm, the succession of the son of Caraeng Kandjilo, begotten by the last deceased queen of that realm named Boemi Partiga, who would otherwise be the closest, and on account of his Makassarese faction the most dangerous to the interests of the Honourable Company and that realm, for the present, and possibly forever, will remain excluded. He also says that they suffer much damage there from a certain Aroe TimoodJong who last year went on an embassy to Batavia on behalf of the court of Bonij, and having made himself guilty of thefts and slave-raiding took flight, who stays in the Strait of Papij with several well-armed vessels, and by his robberies makes that passage very unsafe, as has also been confirmed here by several traders who came from there, it being to be wished that on Sumbawa things could also be brought to rest at last, which however is not to be expected as long as the very notorious Nesserenga continues to exercise supreme authority there; the mentioned resident complaining that this increases more and more as time goes on, and also that recently his son, against the will and wish of the grandees of the realm, having been appointed commander-in-chief, finds himself master of the standard of the realm and thereby keeps the common people under his control; furthermore protecting all sorts of pirates and illicit traders, whereby it swarms with that sort of people there. The means of redress that the mentioned resident suggests for this would be the removal of the mentioned prime minister, and the interdiction of passes to the Wajoese staying there, who would thereby be forced to leave the country, and prevent scheming with the English nation, presently sailing back and forth and to Bankaoeloe, and bringing therewith opium, linens, and ammunition of war. From Makassar, the 18th of October 1761. War in such abundance that one can buy everything there at a low price, and opium for three hundred rix-dollars, with several other circumstances to be observed from the mentioned letter. It is certain that the state of affairs in that place begins to become more dangerous from time to time; also, Your Right Excellencies have been pleased to order me by the frequently mentioned extract resolution to have such cruising carried out as Mr. Blok has proposed in his memorandum as being of the utmost utility and necessity, to which order I shall very gladly comply, as well as to secure the Strait of Bouton, which is also beginning to be very disturbed. But since this would require at least a number of six good and well-mounted vessels, and here no more than the two chaloups recently arrived from Rembang are at hand, I humbly request that I may be accommodated with two chaloups of 60 feet and an equal number of sturdy pantchialangs, all of which well-mounted and provided with the necessary sails, cordage, and other ship requisites, in order not to be in embarrassment when they must be rigged out here, as I was upon the arrival of the aforementioned two small vessels, which I managed to supply with difficulty with the missing items as best as possible. Likewise, I take the liberty to submit dutifully to Your Right Excellencies' consideration whether it would not require to decree and dispatch a commission to the aforementioned realm in order, if possible, to apprehend by ruse the aforementioned usurper Nenirenga with his principal adherents, and thereby bring about the election of a king who is not so strongly engaged with the Makassarese.
Dutch transcription
127 Van Maccasser den 18:' Octob„r 1761. ook quam ter zelver tijd op deeze rheede zeekere ma= lijer soekoer genaamt, verhalende onder het eijland cabijna door eenige piraten te zijn g'attaqueerd ge= worden, dog dat hij door de kragt van zeijlon haar ont= snapt was, zijnde de boven Eerst gem: Chialoup deselve, waar van onder de matterie van Bonij vermeld word te zijn geroofd door het volkje van Aroe Penekij, die zoo gezegd word de gantsche strand van Bouton onveijlig maakt, en door den koning van Pangasana zoude ondersteund worden, alhoewel ik moeijte hebbe het laatste te geloven, vermitsdien vorst bij alle andere gelegentheeden blijken gegeven heeft een vriend te zijn van d' E: Comp: van de overwalsche vorsten en Bondgenoten heb ik niets te berigten, als het geene den resident Tinne wij desselfs schrijvens van den 17:' der gepasseerde maand september, op den 1:' deezer alhier besteld., heeft gecommuniceerd, dat tot. Bima, den koning de zoo meenigmaalen gereite= reerde vermaningen, om van zijne losse leevens= wijze afte stappen, zig begint ten nutte te maken, behartigende thans het welweesen van zijn land en volk; waar op gevolgd is een compleete onder wer= ping der rijxgrooten aan het wel behagen des ko= nings, die daar door het soodanig heeft weeten te de= rigeren, dat zijn zoon op den 25:' april in eene solemnele rijx vergadering tot op volgen van den throon verkooren, en gehuldigd is, maer dat daar van tot nog toe geene kennisse gegeven en approbatie versogt was, om dat ze /: nog te zeer waren g'occupeerd met den oorlogh op de mangarij, dewelke zoo voorspoedig niet voortging als het begin wel hadde doen hoopen, hebbende de mac= cassaren de Bimanezen tot twee maalen geklopt, soo dat het te denken zij, dat het weder kosten voor niet zullen geweest zijn. — ondertusschen is een zeer gewenste zaak, dat door deze Verkiezing. Van Maccassar den 18:' Octob„r 1761. Verkising van 's Konings zoon tot rijxopvolger, de succes= sie van de zoon van Caraeng Kandjilo, geteeld bij de laast overleedene koninginne van dat rijk genaamt Boemi Par= tiga die anders de naaste, en uijthoofde van zijn Maccas Iaarsche aanhang voor de belangen van d' E Comp=e en dat rijk, de gevaarlijkste zoude zijn, voor teegenswoordig, en mogelijk wel althoos zal gesecludeerd blijven: — ook zegdhij, dat ze aldaar veel afbreuk leijden door zeekere Aroe TimoodJong /: die voorledene Jaar wee= gens het Bonijze hoff= tot Batavia in gesantschap geweest, en zig schuldig gemaakt hebbende aan diverijen slaaven roof de vlugt genomen heeft:/ dewelke zig met verscheijdene wel g'armeerde vaartuijgen in de straat Papij onthoud, en door zijne roverijen, die door togt zeer onveijlig maakt, zoo als zulx ook van verschydene van daar gekomen handelaars alhier is geconfirmeerd geworden, zijnde het te wensschen, dat het op. Sumbawa meede eens tot rust konde gebragt worden, dat egter niet te verwagten is, zoo lange den zeer berugten Nesserenga het hoogste gezag aldaar blijft oeffenen; klagende den gem: resident dat zulx hoe langs, hoe meer toeneemd, ook dat nu Jongst desselfs zoon teegens wil en dank den Rijx grooten tot veld overste aangesteld zijnde, zig meester van den Rijxstaandaar bevind en daar door het gemeen aan zijn snoek houd; protegerende wijders alle soorten van zeerovers en ongepermitteerde handelaars, waar door het van dat zoort van volk aldaar krield. De middelen van redres, die gem: resident daar toe op geeft, zoude zijn het dimoveren van gem: Eersten minister, en het interdiceeren van pascen aan de al= daar zig ophoudende wadjoereesen, die daar door zoude genoodzaakt worden het land te verlaten, en belet het konkelen met de Engelse natie, vaarende thans over en weder en na Bankaoeloe, en daar mede brengen= de Amphioen, lijwaten, en ammenitie van oorloogh. - 129 Van Maccassar den 18:' Octob„r 1761. Oorloogh in zoodanigen overvloed, dat men alles daar tot een gering prijs, en de Amphioen voor drie hondert rijx ds koopen kan met meer andere omstandigheeden bij ge= melde missive te beoogen; Het is zeeker, dat den staat der zaaken ter dier plaatse van tijd tot tijd gevaarlijker begint te worden, ook hebben UW Hoog Edelheedens gelieven goed te vinden mij bij dik gerepte Extract resolutie te ordonneren, zoodanige bekruijsingen te laaten doen, als d' heer Blok in desselfs memorie als ten uijterste nuttig en nood= saakelijk heeft voorgesteld, aan welk bevel ik zeer gaarne zal voldoen, zoo wel als om de straat van Bouton, dier mede zeer ontrust begint te worden, te beveijligen. maar dewijl daar toe ten minsten zoude vereijs= schen een getal van ses goede en wel gemonteerde vaartuijgen en hier niet meer als de twee Jongst van rembang gekomen Chialoupen aanhanden zijn zoo versoeke ootmoeteig dat nog mag geriefd werden met twee Chialoupen van 60: voeten en een gelyke getal kloecke pantchialangs, alle welke wel gemon= teerd, en met de nodige zijlagie touwerk, en andere scheeps behoeftens voorsien, ten eijnde niet in verle= gentheijd te zijn, wanneer dezelve alhier moeten toegetakeld werden, zoo als ik geweest ben op de komst der voorschreve twee kieljes, die met veel moeijte telle quelle van 't ontbrekende versorgd hebbe gekregen: — Insgelyx neme de vrijheijd uw Hoog Edelheedens pligt schuldig in bedenken te geven, off 't niet zoude vereijsschen na 't voorschreve rijk te decerneren, en aan te leggen Eene Commissie om des mogelijk door list den voorn: Usurpateur Nenirenga met zijne voornaamste aanhangers op te ligten, en daar door te bewerken, de verkiesing van een koning die zoo sterk net met de maccassaren g'engageerd.
English
From Maccasser the 18:' October 1761. was engaged, as the present ministry is devoted to it, and there could also at the same time in the kingdom of Dompo another arrangement be made; and instead of the present king who is more intent on the ruin than the well-being of his land and people, another prince could be appointed, by whom the Honorable Company would be better served regarding the supply of Sappanwood, on which matter I shall then respectfully await the pleasure of Your High Nobilities. Concerning the remaining small realms of Tambora, Sangar, Papekat, there is nothing to note, except that the last-mentioned king is married to the daughter of Sangar, the claim of the first-mentioned of those kings against the last regarding some slaves having already been rejected as unlawful, as I had the honor to note in my respectful letter of the 25:' May of this year. Passing then from there to Salijer, there is likewise nothing extraordinary to note concerning it, except that everything there is peaceful, as well as in the Southern and Northern Provinces, in the latter of which, upon approval of Your High Nobilities, there has been appointed as chief over the negorij Marrang, the former soelewatang Daeng Malimpo, and at the negorij Mangalloeng, in place of the deceased caraeng of that negorij, the soelewatang Daeng Mandjeng; also the tithing of rice and paddy was conducted there by the undersigned, the harvest being even worse than that of 131 From Macasser the 18:' October 1761. last year turned out, as is noted in detail in the general letter, and so I also fear it will turn out with the Indigo Culture, which has not yet completely concluded so as to be able to form an exact account of what the same will cost, as only the first cutting has just been processed, from which has come a quantity of five pounds, which I take the liberty to send herewith as a sample; the same appears to me, under correction, to be reasonably good, it being to be wished that the native could be encouraged to prepare it thus, but it is not likely that they will ever proceed to do so, and therefore it would have to be undertaken for the account of the Honorable Company at great expense, and it is to be feared that the heavy costs would yield no profit, which could best be seen when in the coming month of May I shall find myself in a position to send Your High Nobilities an accurate account thereof. Having thus dealt with everything concerning what has occurred with the Native princes, and having shown to Your High Nobilities with all respect the state of affairs, as well as how far compliance has been made with what was ordered by Your High Nobilities' respected resolution on the proposal made by Mr. Blok in the aforementioned Memorandum, it only remains for me to report that a beginning has already been made on the work of the drawbridge, which will separate the Ravelin from the public road, hoping to have the same brought to readiness towards the end of this month. 6 From Maccasser the 18:' October 1761. brought, therefore concluding herewith, I remain with the greatest respect underneath was written: High Noble, Right Honorable, Far-Ruling Lord and Lords lower: Your High Nobilities' humble and obedient servant, was signed: C:s Sinkelaar in the margin: Maccasser in Castle Rotterdam the 18:' October 1761. Tuesday the 11:' November A:o 1760, Separate meeting, in the morning at 9:' o'clock, all present. After the conclusion of the general affairs, the Lord Governor communicated to the assembly how, after what occurred in the Castle on the 28: of the past month of October, and the next day in the Company's garden, the king of Bonij had sent to His Honor with the request that for the service of Bonij and Sopping they might provisionally be assisted with a Picol of Gunpowder, an equal quantity of Lead and some iron cannonballs, in order to be better able to resist the Wadjoese as well as those of Mario Riwawa, wherefore His Honor submitted to the members the necessity of not leaving Bonij in distress, and also recalled the promises made repeatedly to His Highness to accommodate that realm as well as Sopping with the necessary ammunition of war if the unrest in the inland districts, which has now lasted more than two years, should happen to burst into hostilities; therefore, on the proposal of His Honor, it was unanimously approved not only to have the aforementioned quantity of gunpowder and bullets delivered, but
Dutch transcription
Van Maccasser den 18:' „ Octo b:r 1761. g'engageerd was, als het teegenswoordige ministerse daar aan is overgegeven, en zoude almeede ter zel= vertijd in 't rijk van. Dompo Een ander schicking gemaakt; en insteede van den presenten koning die meer op 't verderff als wel zijn van zijn land en volk 't toelegd Een ander vorst konnen aangesteld werden, daar d' Ecomp: omtrent de leverantie van Sappanhout meer van gedient was, waar op ik dan met respect het goed vinden van uw Hoog Edelhedens zal afwagten wegens de overige Rijkjes van. Tambora, Sangar, Papekat, vald niets te noteren, als dat de laast= gemelde koning met de dogter van Sangar getrouwt is, zijnde de pretentie van den eerst gem: dier koningen op den laasten wegens eeni= ge slaaven als onregtmatig reeds afgeweesen, mijn gelijk bij eerbiedig schrijvens van den 25:' maij dee= zes Jaars de Eede gehad hebbe te noteeren, dierhalven dan overgaande tot. zalijer, zoo vald dier weegens meede niets sonder= lings te noteren, als dat het daar alles Gerust is, zoo meede in de Zuijder en Noorder Provintien, in welke laatste op ap= probatie van uw Hoog Edelheedens aangesteld is tot hoofd over de negorij Marrang, den geweesen sodewatang Daeng Malimpo, en op de negorij Mangalloeng in steede van den overleeden caraeng dier negorij den soelewatang Daeng Mandjeng; ook is aldaar de verthiening van rijst en Padij door den ondergetekende — verrigt, zijnde to blaet weesen nog slegter als - het. 131 Van Macasser den 18:' Octob:r 1761. het voorleeden Jaar uijtgevallen, zoo als bij de ge= meene brief omstandig genoteerd staat, en zoo vree= ze ik ook, dat het sal slagen met de. Indigo Culture, dewelke nog niet ten eenemaal is afgeloopen omme Eene nette requenning te konnen formeeren wat dezelve zal komen te kosten, als zijnde de eerste snijde nog maar eerst verwerk waar van gekomen is een quantiteijd van vijf ponden, die ik de vrijheijd neme hier nevens te zeiden tot een een monster, dezelve komt mij onder Correctie gezegd redelijk goed voor, te wenschen zijnde, dat den in= lander konde g'annimeerd werden, dezelve soodanig te prepareren, maar het is niet apparent, dat zij daar ooijt toe zullen overgaan, en dierhalven zoude het voor reecq: van d' E: Comp:e met een grooten omslag moeten ondernomen worden, en te vreesen zijn, dat de swaare kosten geen voordeel zoude geeven, het geen best zoude konnen gezien werden, als ik in den aanstaande maand Maij, mij instaat zal gesteld zien uE Hoog Edel= heedens een accurate reecq: daar van overtezenden. Dus dan alles verhandeld hebbende het geene betreft het voorgevallene met de Inlandse vorsten, en UW Hoog Edelheedens met alle eerbied verthoond hebbende den staat der zaaken, mitsgaders ook hoe verre voldaan is aan het g'ordonneerde bij uw Hoog Edelheedens gerespecteerde resolutie op de gedaane propositie door den ^ Blok bij voormelde Memorie genomen, resteert mij niet meer te bedeelen, als dat met het werk der ophaal brugge, die 't Ravelijn van de gemeene wegh zal afsnijden, reeds een begin gemaakt is, verhoopende dezelve teegens 't uijteijnde deezer maand in geereedheijd te zullen gebragt. 6 Van Maccasser den 18:' October 1761. gebragt zijn, dierhalven dan hier meede besluij= tende, verblijve ik met de meeste Eerbied /:onder= stond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare Wydgebie= „dende Heere; en Heeren /:laager:/ UW Hoog Edelheedens onderdanige en Sehoorsaame Dienaar, /:was geteekend:/ C„s Sinkelaar /:in margine:/ maccasser in het Casteel Rotterdam den 38:' october 1761. Dingsdag den 11:' November A:o 1760, Apparte besoigne, smorgens ten 9:' uuren alle present. Na het afloopen der gemeene zaaken communiceer= de den heer gouverneur de vergadering, hoe na het voorgevallene in 't Casteel op den 28: der verwee= ke maand october, en 's anderen daags in 's Comp:s thuijn, den koning van Bonij bij zijn Agtb: hadde gesonden, met versoek omme ten dienste van Bonij en sopping bij provitie te mogen werden g'adsisteerd met een Picol Buskruijdt, een gelijke quantiteit Loode en eenige ijzer baskoegels, om te beeter in staat te zijn de wadjoreesen zoo wel als die van Mario riwawa te wederstaan, dierhalven zijn Agtb: de leeden in bedenking gaf de noodsa= kelijkheijd om bonij niet verleegen te laaten, en ook de gedaane beloften te meermaalen aan zijn Hoogheijd gedaan, herinnerden, omme dat rijk zoo wel als sopping met de nodige ammonitie van oorlogh te gerieven als de nu meer als twee Jaaren geduurd hebbende onlusten inde binnen lam= den eens tot dadelijkheeden quamen uijt te bersten; dierhalven wierd op de propositie van zijn agt= baare eenparig goedgevonden niet alleen de voorsz: quantiteid buskruidenkogels te laten afgeven, maar
English
133 From Maccasser the 18th of October 1761. but also if the danger should become greater, and circumstances should require it, to accommodate His Highness, upon request, with everything necessary for the defense of his lands. Was below: Thus transacted and resolved at Maccasser in Fort Rotterdam on the date aforesaid. Was signed: Cornelis Sinkelaar, Elias Jacob Beynon, David Bacheracht, Fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg, Jan Hendrik Vall, Willem Defhout, and Hendrik Wolff. Lower: present before me. Was signed: Jacob Bikkes Bakker, sworn clerk. Tuesday the 25th of November in the year 1760, in the morning at nine o'clock, all present, except for the junior merchant and license master Willem Deefhout, due to indisposition. After dealing with common affairs, the Lord Governor informed the members that yesterday he had paid a visit to the King of Boni, and on that occasion had been addressed by His Majesty, in accordance with the promises made to that monarch, to be assisted on his journey to the inland territories with a quantity of 160 muskets and flints, as well as 375 rixdollars in currency for himself and an equal sum of 375 rixdollars for the Boni grandees, under the promise of returning the said weapons upon return, and to pay the advanced money in cash or in slaves, calculating one slave at thirty rixdollars currency or 37½ rixdollars heavy money, and that therefore His Honorable, in accordance with the resolution taken recently on the 11th of this month, had not only condescended to this request of From Maccasser the 18th of October 1761. the King of Boni, but had also ordered the provision of both; giving the assembly hereby the necessary notice thereof; for which communication His Honorable was thanked, and it was further persisted in the aforementioned resolution, to assist His Majesty with everything necessary, except manpower, if further requested, all subject to the esteemed approval of Their High Excellencies. Was below: Macasser in Fort Rotterdam, date aforesaid. Was signed: Cornelis Sinkelaar, Elias Jacob Beynon, David Bacheract, Fredrik Willem Hendrik van Bleydenbergh, Jan Hendrik Voll, and Hendrik Wolff. Friday the 17th of April in the year 1765, in the morning at eight o'clock, all present. After prayer, the Lord Governor made known to this assembly that early this morning a short letter written in English had been delivered to His Honorable by the license master Jan Hendrik Voll, which the aforementioned Voll had received just then from a certain native named Doerahim, whom he had sent in an official capacity the day before to a two-masted sloop sailing in sight of this government to inquire where it came from and whither it intended to take its course; the aforementioned letter having been translated at once by order of His Honorable and thereafter read aloud, was found to be of the following content: Sir, Serving solely to accompany a 135 From Maccasser the 18th of October 1761. a sloop which belongs in the service of the Honorable English Company, which with a ship that had made its voyage from China to Europe, and which was wrecked in the Sapeh Strait, district of Macasser, therefore most humbly requests those to whom this shall be shown for all aid and assistance, such as for firewood, water, etc., while the said sloop must still cruise to find another ship destined for Madras. I am. Was below: Sir. Lower: Your Honor's most humble servant. Was signed: A Dah Zymphl. In the margin: Cuddalore the 16th of April in the year 1761. Lower: P.S. In expectation that this sloop, which is mounted with 9 pieces of cannon, will show all respect and obedience to all fortresses, for an equal number of shots. Below that: Translated from the English. Signed: Andrie de Gorgier. The superscription is: To the Honorable Governor, in Fort Rotterdam at Maccasser. The seal outside the coat of arms was marked with the letters F. P. R. VI. After extensive discussion on the matter and mature consideration of everything concerning it, and taking further into account that it is duty-bound to promptly observe above all the orders of our lords and masters given successively concerning foreign nations, and thereafter renewed so often, indeed even sent to us with the latest missive of Their High Excellencies dated the 17th of January last, it was for the reasons mentioned above unanimously resolved to send our burgher ensign Jan Carel van Drost, as he is knowledgeable in the English language, as quickly as possible to that vessel, with orders to notify the officer commanding that sloop from here in our name, to
Dutch transcription
133 Van Maccasser den 18:' Octob„r 1761. maar ook als het gevaar grooter mogte werden, en de omstandigheeden zulxs vereijschten, zijn Hoog= heijd, des versoekende met alle het nodige tot de= fencie zijner landen te gerieven /:onderstond:/ Aldus besoigneerde en geresolveerd op maccasser ten Casteele Rotterdam dato voorsz: :/ was geteekend:/ Cornelis Sinkelaar, Elias Jacob Beijnon, David Bacheracht, Fredrik Willem Hendrik van Blij denberg, Jan Hendrik Vall, willem Defhout, en Hendrik Wolff /:laager:/ mij present /:was ge= tekend:/ Jacob Bikkes Bakker E: gesw: Clercq: Dingsdag den 25:' november a:o 1760, smorgens ten negen uuren, alle present, dempto den onder= koopman en Lecentmeester Willem Deefhout, door indispositie. — Na het verhandelen van de gemeene zaaken gaf den heer Gouverneur de leeden kennisse dat gisteren bij den koning van Bonij hadde afgelegd eene visite, en bij die opleegentheijd door zijn majesteit was aangesprooken, omme ingevolge de aan dien vorst gedaane beloften te werden g'adsisteert op zijn rheijse na de binnen landen met een quanteid van 160. p:s snaphanen en vuur= steenen, mitsgaders 375. rijxd:s aan paijement voor hem en een gelijke Somma of rijxd:s 375. voor de Bonijse halfgrooten, onder beloften van bij retour de gem:e geweeren te restitueeren, en de ger: penn: in Contanten dan wel in slaven te zullen voldoen, gerekend zijnde een Lijf= eygene tegens rd:s dertigh paijement of rd:s 37½ groot geld, en dat dierhalven zijn Agtb: in Con= formitie van het Jongst of op den 11: deezer genomen besluijt niet alleen in dit versoek van - Van Maccasser 18:' Octob:r 1761. den koning van Bonij hadde gecondescendeert; maar— ook het eene en andere hadde laaten verstrekken; geevende daar van bij deesen de vergadering de nodige kennisse; voor welke communicatie zijn Edele Agt= bare wierd bedankt, en als nog bij evengem:t besluit gepersisteert, omme nader versogt werdende, gem: zijn majesteyt met alle het nodige, behalven manschap te adsisteren, alles op de geëerde approbatie van haar Hoog Edelhedens /:onderstond:/ macasser in 't Casteel Rotterdam dato voorsz /:was getekend :/ Cornelis Sin= kelaar, Elias Jacob Beijnon, David Ba= cheract, Fredrik Willem Hendrik van Bleij= denbergh, Jan Hendrik Voll en Hendrik Vrijdag den 17:' April A:o 1765, des morgens ten agt uuren alle present. na het gebed maakte den Heere Gouverneur deeze vergadering bekend, dat zijn Edele Agtb: door den Licentmeester Jan Hendrik voll, heeden mor= gen vroeg, een briefje geschreven inde Engelsche was ter hand gesteld, het welk evengem: voll zoo opstond ontfangen hadde van zeekere Jnlander met naeme doerahim die hij amptshalven 'sdaags bevoorens gesonden hadde, na eene in het gesigt van dit gouvernement zeijlende twee maste Chialoup om te laten vernemen van waar dezelve kwam, en werwaards haar Cours Wilde nemen; zijnde even gemelde briefje ter ordre van zijn Edele Agtb:re ten eerste getrans= lateerd en daar na opgeleesen, bevonden wierd van ondervolgende inhoude te zijn. — Wolff. Dienende deeze eenelijk ten geleijde van mijn Heer een 135 Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. een Chialoup dies in dienst der Edele Compagnie van Engeland toebehoord, die met een schip die van China zijn zijn reijse bevordert heeft naar europa, en die verongelukt is in de straat sapij, district van macasser, dierhalven ver= soekt zeer ootmoedigst aan die geene deze zal vertoond te werden alle hulpe en bijstand, als voor brandhoud, water &:a terwijl meer mel= de Chialoup moete nog kruijsen om een an= der schip die zijne distinatie heeft naar madras te kunnen vinden ik ben /:onder= stond:/ mijn heer /:lagger:/ uw Edele ootmoe= digste Dienaar /:was getekend :/ A Dah= Zijmphl, in margine:/ Cuddalore den 16 en April a:o 1761 /:laager:/ P: S: in verwagting dat deeze Chialoup die met 9 stux Canon gemon= teerd is, alle respect en obedientie aan alle fortresse bewijsen, voor een eguaal nom= bres van schooten /:daar onder:/ van 't Engels vertaald /:geteekend:/ Andriede Gorgier /: T su= perschriptie is:/ aan den Honorable Gouver= neur, in 't Casteel Rotterdam tot maccas= ser, Icachet was buijten het wapen geteekend met de letter F: P: R: VI. Waar overdan breedvoerig gereisenneerd en alles dien aangaande rijpelijk overwogen wesende als mede nog in aanmerking gekoomen zijnde, dat men voor al wel pligtschuldig de ordres onser heeren en meesters successive, betreffende de vreemde natien gegeven, en naderhand nog soo — menigmaal gerenoveerd, Ja selfs met de laaste missive van hooggem: haar hoog Edelheedens sub dato 17:' Januarij Jongst leeden ons toegesonden diende promptelijk te observeeren, soo is om de hier vooren gementioneerde reedenen een parig beslooten onsen burger vaandrig Jan Carel van Drost: /: als de engelse taal kundig zijnde:/ op het spoedigste nadien bodem te zenden, met last om den op die Chialoup gesagvoerende offe hier uijt onsen naam aan te zeggen, om zig. =
English
From Maccasser 18 October 1761. to depart from this coast, as well as not to call at any places belonging under this government, much less to allow any crew to go ashore, but rather to continue his journey as soon as possible to the place of his destination, while at the same time it could not be unknown to him that the Dutch East India Company has for many years exercised sovereignty over the whole of Celebes, to the exclusion of all foreign nations. And it was furthermore resolved that, in case it should happen that the abovementioned English sloop should come to anchor, then as quickly as possible the scows the Adam and Kaaskooper, each manned with a sergeant, twelve soldiers, as well as a quartermaster and four sailors, shall be placed on guard duty, with orders to pay close attention and to prevent as much as possible anyone from going on board the same, or leaving it, without however using live ammunition until further orders, unless they should wish to go ashore by force at night; in which case they shall then repel force with force. Just as it is also decreed to have some public notices prepared as soon as possible, in order to forbid everyone, Europeans, Chinese, subjects and allies alike, from going on board that vessel under any manner or pretext, or engaging in conversation or dialogue with any of them if the occasion arises here on land, under penalty of proceeding against the offenders with all rigor and without connivance, and furthermore to have the same posted as soon as possible, according to custom. Beneath stood: Maccasser in Castle Rotterdam, the date aforesaid. Was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beijnon, Jan Hendrik Voll, Hendrik Wolffer, Johann Christiaan Gelmkampff, Secretary, and Fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg. Saturday the 18 April Anno 1761. In the morning at 9 o'clock, all present. At the outset, the Governor informed this assembly that, pursuant to the resolution taken yesterday, as soon as the English sloop named the Cattaloer, commanded by the commander Dalrijmple, which has now come to anchor behind the small island of Lij-Lij, had arrived there, His Honorable Worship had immediately dispatched the scows the Adam and Kaaskoper thither, under a written order according to which they must conduct themselves, reading verbatim as follows: The Sergeants Johan Fredrik Westhuijsen and Barend Claassen are hereby ordered, with the men under their command, to embark upon the scows the Adam and Kaaskooper and with them go and lie behind Leij-Leij, on the starboard and port sides of the English sloop, to take good care there that no one leaves it or sails toward it, and to prevent such as much as possible, without however using live ammunition for that purpose until further orders, unless they should wish to go ashore by force at night, in which case you shall then, according to military custom, repel force with force. Beneath stood: Maccasser in Castle Rotterdam, the 17 April Anno 1761. Was signed: Cornelis Sinkelaar. Furthermore, His Honorable Worship presented for reading the report by the civic Ensign Jan Carel van Drost concerning his experiences yesterday on board the aforementioned English sloop, the same reading as follows: Report made by the Ensign of the civic guard here, Jan Carel van Drost, by order of the Right Honorable, Respected Lord Cornelis Sinkelaar, Governor and Director of this Celebes, along with the Council, coming from the two-masted English sloop that arrived and anchored today behind the small island of Leij-Leij. The declarant states that, after receiving Your Right Honorable Worships' esteemed order, he immediately went and proceeded to the English sloop mentioned in the heading of this document, and having there clearly conveyed in the English language to the officers of that small vessel the verbal order and commission of Your Right Honorable Worships, the commander of the said sloop, named Dalrimple, had thereupon declared and answered that he, with his sloop named Kataloer, manned with eighty men, had departed from China on the first of January last in the company of five English ships laden with tea and porcelain, the five said ships being destined for England, and named Grifsong, Valenteijn, Susfolk, Pogkat, and Oxfort, commanded.
Dutch transcription
Van Maccasser 18:' October 1761. van deze Custe te verwijderen, als mede niet aan te doen eenige plaatsen onder dit gouvernement sorteerende, nog minder eenig volk aande wal te laten gaan, maar wel ten eersten zeijne reijse te vervorderen na de plaatse zijner dis tinatie, terwijl hem teffens niet onbekend konde zijn, dat de nederlandsche oostindische Comp:e al van veele Jaaren de souverainiteijd heeft g'Excer= ceerd, met exclusie van alle vreemde natien van geheel Celebes. En wierd al verder besloten om in gevalle het mogte komen te gebeuren, dat boven gem: Engelse Chialoup voor anker ging leggen, als dan ten spoe= digsten de schouwen de Adam en kaaskooper, ijder met een sergeant Twaalff militairen nevens een quartier meester en vier matroosen bemand, op brandwagt te leggen, met last wel agt te moeten slaan, en zooveel mogelijk te beletten dat niet mand aan boord van deselve, nog daar van af= gaan, sonder egter scherp te gebruijken tot nader ordre, ten zy dezelve snagts met ge= Weld. aande wal wilde gaan; wanneer zij als dan geweld met geweld zullen keeren. gelijk ook g'arresteerd is om ten spoedigste eenige bekendmakingen in gereedheijd te laaten brengen; ten eijnde eenen ijgelijken zoo europeesen, Chineesen, onderdanen en bond= genoten, te interdiceeren, om haar op eeni= gerlij wijze of pretext te begeeven aan het scheepsboord van dien bodem, dan wel bij occagie hier aanland met eenige derselver in gesprek of Conversatie te laaten, op paene om teegens de overtreeders met alle rigeur zonder Conni= ventie te procederen, en Voots dezelve zoo spoedig 137 Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. — spoedig doenlijk te laten affigeeren, na volgens usantie. /:onderstond:/ maccasser in't Casteel rot= terdam Dato voorsz /:was getekend Cornelis Sin= kelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht Elias Jacob Beijnon, Jan Hendrik Voll, Hen¬ drik wolff„r Johann: Christiaan gelmkampff Secretaris en fredrik Willem hendrik van blijden Saturdag den 18:' April A:o 1761. des smorgens ten 9: uuren alle present. Aan vankelijk gaf den heer gouverneur deze vergadering te kennen, dat ingevolge het genoo= men besluijt op gisteren de schouwen de Adam en kaaskoper zoo dra de thans agter het eijlandje Lij- Lij, ten anker gekomen Engelse Chialoupe genaamt de Cattaloer, gecommandeert wordende door den gesaghebber Dalrijmple, aldaar g'arriveerd weesende, zijn Edele Agtbaare al aanstonds derwaarts hadde laaten vertrekken, onder eene schriftelijke ordonnantie, waar na zij zig moeten gedragen, luijdende in verbis als volgd. De Sergeanten Johan fredrik Westhuijsen en Barend Claassen werden bij deezen g'ordonneert, met hun bij hebbende volk zig te embarqueeren op de schouwen de Adam en Kaaskooper en daar meede agter lesij-leij, aan stuurboord en batboord zeij van de Engelsche Chialoup te gaan leggen, om aldaar wel agt te slaan dat niemand van deselve of nog daar na toe vaaren, en zulx zoo veel mogelijk is, te belet= ten, sonder egter scherp daar toe te gebruijken, tot nadere ten zij dezelve snags aan de wal met geweld wilde gaan, wanneer UWE: dan volgens krijgs gebruik, gewelt met gewelt. berg. Van Maccasser 18:' October 1761. gewelt zult keeren. /:onderstond:/ maccasser in't Casteel rotterdam den 17:' april a:o 1761. /: was ge teekend:) Cornelis Sinkelaar. Wyders wierd door zijn Edele Agtbaare ter lectum re gegeven het relaas door den burger Vaendrig Jan Carel van Drost weegens desselfs wedervaren opgis¬ teren aan boord van Evengem: Engelsche Chialoupe luijdende het zelve aldus. Relaas gedaan door den Vaen¬ drig der borgerij alhier Ian Ca= rel van drost, ter ordere van den Wel Edelen, Agtb: Heere Cornelis Sinkelaar Gouver= neur en directeur deeser Celebes, benevens den raad, koomende van de op heeden agter 't eijlandje Leij-Leij ten anker g'arriveerd twee maste Engelsne Chialoup. Den relatant verklaard, dat hij naar den ontfangst van uwel Edele Agtb: g'eerde ordre„ zig immediaat vervoegd en begeven hadde, na de in den hoofde deezes gementioneerde Engels e Chialoup, en aldaar aan de overheeden van dat kieltje in de engelsche taale deugdelijk te ver„ staan gegeven de mondelinge ordre en Com= missie van uwel Edele Agtb: zoo hadde den gesaghebber van gem: Chialoup in name dal= rimple daar op verklaard en ten antwoord gegeven, dat hij met zijn Chialoup genaamt — kataloer bemand met tagtig koppen, op den eersten Jann: Jongsleeden ingeselschap van vijff engelsche scheepen beladen met thee en porcelijnen, van China vertrokken was zijnde de vijff gem: scheepen gedesti= neerd na Engeland, en genaamt, Grifsong, valenteijn, Susfolk, Pogkat, en oxfort, gecommandeert.
English
From Maccasser 18:' October 1761. commanded by Captain, the thick the first, farnell the second Loewin the third, dipiok the fourth Wuijk hewra the fifth, but that he dal rimple, with his aforementioned Sloop having the intention to go to madras; furthermore that they became separated from one another by storm and adverse wind at the latitude of the Poele Lants, and he dalrimple consequently with his Sloop had been forced through great lack of rice, water, and firewood, alongside several other provisions, to choose a good harbor, but since contrary wind and weather could make no other than this coast, and therefore kindly requested of the Honorable Worshipful Government of this Celebes that the helping hand might be offered to him and his crew on board, to the end that they might be provided with the aforementioned provisions, alongside some materials for the maintenance of their vessel, so that they could then resume their journey again. Stood below: Thus done and related in Castle Rotterdam at maccasser this 17:' April A:o 1761. Was signed: Johan Carel van drost, lower: known to me was signed: Iohann Cristiaan helmkampff secretary in the margin: present with us was signed: Alexander Whijts and Jan daniel Beijnon. And whereas, upon the just-mentioned report, yesterday afternoon a letter in the French language had already been prepared, and with it for the second time the just-mentioned van drost had been sent thither, the content thereof in our language being as follows. Sir This morning a letter from Your Honour in the English Language was delivered to us, and 139 From Maccasser 18:' Octob„r 1761. and having had no one to translate the same, although we have understood that Your Honour is in distress for water, firewood, etcetera, and notwithstanding the orders of our Superiors not to admit any foreign nations to approach the Celebes coast; we have nonetheless been willing to help Your Honour with the aforementioned necessary articles, on condition that Your Honour shall let no one, whoever it might be, go from his board, as well as receive no one, to prevent all of that, and to watch Your Honour, we send two barks, informing Your Honour that if Your Honour does not maintain the aforementioned conditions, all that might befall Your Honour shall then be for his own account, so that Your Honour can provide in writing with the bearer of this whatever Your Honour absolutely and most highly requires, whereupon we shall let it come to Your Honour as much as possible, against payment, in the expectation that Your Honour shall maintain all that is written above. Stood below: By order of the governor and council of this Coast of Celebes was signed: Johan Cristiaan helmkampsf secretary in the margin: maccasser in Fort Rotterdam the 17 april 1761. To which letter the oft-mentioned van drost yesterday evening around eight o'clock brought in reply from the officer commanding that Sloop a letter written in the English language and now by order of His Honorable Worship already translated by the just-mentioned van drost, was found to be of the following content. — Sir. I have had the honor of receiving well Your Honour's letter written in French of today's date and to my regret I have been unable to answer the same again in that language, having command of no other than the English, commending myself for the rest to Your Honour's politeness. My intention has never been to impose any laws in Your Honour's garrison, and I shall not fail to comply with Your Honour's orders to let no person go ashore, and also to receive none on board. I request that I, as an ally according to the articles contracted and concluded between both our nations, may be assisted by Your Honour. According to Your Honour's request I now send a list of that which I greatly need, both for the service of my vessel as well as for my person, leaving it however to Your Honour's discretion, as: 50. Picols rice 2. cows 10. Picols dry Fish 6. rolls of sailcloth of n:o 4 2. topmasts, each 36. English feet long and 26 English inches thick at the bottom 6. picols pitch 1. leaguer Arrack 2 picols sugar 6 pieces blocks of 8 to 10 inches 6. ditto for the top halyards of 8 to 9 inches 6 ditto double of 10 to 14 inches Some pump nails 1 piece copper rice kettle A little Linseed oil for my person I request some fruits, From Maccasser 18:' Octob„r 1761 5 to 6 dozen chickens, One or two goats that have milk. Sir it grieves me from my heart that I am forced to give Your Honour so much trouble, requesting in the meantime to have the honor to be stood below: Your Honour's much obliged and very humble servant, was signed: dal rijmple in the margin: on the Sloop the Caddeloore the 17:' April a:o 1761 underneath: P: S: I very kindly request to communicate to me whether there might be any news here of the French ships which have sailed through the strait; having the honor to remain stood below: for the translation was signed: Johan Carel van drost.— Upon which one and the other having been extensively reasoned and everything concerning it having been maturely considered, it was unanimously resolved to let the English have only two lasts of rice and some leaguers of water from the goods mentioned in the last-mentioned letter, and to excuse ourselves regarding the further demand. Wherefore it was then further resolved to send the ensign van drost with the above-mentioned goods at once back to that vessel, and once again seriously to recommend to the commanders thereof to depart from the Jurisdiction of this Government immediately after the receipt of the same and to proceed on their journey. Stood below maccasser in Castle Rotterdam date as above.
Dutch transcription
Van Maccasser 18:' October 1761. gecommandeert door Capitein, de dik de eerste, farnell de tweede Loewin de derde, dipiok de vierde Wuijk hewra de vijfde, dog dat hij dal rimple, met zijn voorn: Chi= loup de wil hebbende na madras; voorts dat zij door storm en tegenwind op de hoogte der Poele Lants van malkanderen opraakt, en hij dalrimple overvolgens desselfs Chialoup door groot gebrek, van rijst, water, en brandhout, nevens meer andere leversmiddelen genoodsaakt was geworden een goede haven te kiesen, dog vermits Contrarie wind en weer geen an= dere dan deze kust kunnen op doen, en dierhalven aande Edele Agtbaare Reegeringe deezer Celebes vriendelijk versogte, dat hem en desselfs op hebbende manschappen de behulpsaame hand mogte werden geboden, ten eijnde met de voormelde leevens middelen, nevens eenige matteriaalen ten onder= houd van hun kieltje mogten werden voorsien, op datze hunne reijze als dan weder vervolgen konde /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerelateerd in 't Casteel Rotterdam tot maccasser desen 17:' April A:o 1761. /:was getekend:/ Johan Carel van drost, /:laager :/ inkennisse van mij /:was geteekend:/ Iohann Cristiaan helmkampff secre= taris /:in margine:/ ons present /:was geteekend:/ Alexander Whijts en Jan daniel Beijnon. En nademaal op evengem: relaat gisteren middag bereets een brief in de france taal in gereedheijd gebragt, en daar meede voor de tweede keer even gem:t van drost derwaarts gesonden was, zijnde den inhoud van dien in onse taal in voegen als Volgd. m Mijn Heer Deezen morgen is ons besteld geworden een brief van UE in de engelsche Taale, en 139 Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. en niemand gehad om het zelve over te zetten, alhoewel wij verstaan hebben dat uEd: verlee= gen zijt om water, brandhout &=a en niet tee= genstaande de ordres onser Superieúren van geen vreemde natien te admitteren om de Cele= besche custe te naderen; hebben wij egter uE wel willen helpen met voormelde benodigde articulen, onder Conditie dat uE niemand wie het ook mogte weesen van desselfs boord zal laaten gaan, mitsgaders ook niemand te ontfangen, tot voorkoominge van al het ge= ne, en op uE: te letten, senden wij twee barken, UE: bekend maakende, dat indien uE: de voor= melde Conditien niet koomen te onderhouden, UE: als dan al het geene uE: mogte over= koomen voor desselffs eijgen reecq: zal zijn, alzoo dat uE: met brenger deezes ons schriftelijk kan opgeven het geene UE: absolut en ten alderhoogsten van nooden heb= ben, wanneer wij het uE: zoo veel moge= lijk, mits betaling zullen laten toekomen, in verwagting dat UE al het gene voorschr= ve zal onderhouden /:onderstond:/ Ter ordre van den heere gouverneur en raad deezer Custe Celebes /:was getegend:/ Johan Cristi= aan helmkampsf secretaris /:in margine:/ maccasser in 't fort Rotterdam den 17 april 1761. Op welke brief dan dikgerepte van drost gisteren avond omtrend agt uuren tot antwoord gebragt heeft van den op die Chialoup Comman= deerenden officier eene brieff in de engelse taale geschreven en thans op ordre van zijn Edele Agtb= bereets door evengem: van drost getranscorteert, bevonden wierd van 141 Van Maccasser 18:' October 1761. van ondervolgende inhoude te zijn. — Mijn Heer. Ik heb de eer gehad van wel te ontfangen uEd: in het fransch geschreeven letteren van huijdigen datum en tot mijn leetweesen ben ik onbequam geweest dezelve weeder in die taal te konnen beantwoorden, als geen andere dan de engelsche magtig zijnde, houdende mij voor het verdere aan uEd:s beleefdheijd. mijn intentie is nooijt geeweest om eenige wetten in uEd:s besetting te stellen, en zal ik niet onder= laaten uEd: ordres na te komen om geen mens aan de wal te laaten gaan, en ook geen aanboord te ontfangen. Ik versoeke dat ik als een bondgenood volgens de articulen tusschen ons beijde natien gecom tracteerd en beslooten, door uEd: mag g'adsis= teerd werden. Volgens UEd: requisit zende ik thans een noti= tie van het geene ik grootelijx verleegen ben„ zoo wel ten dienste van mijn vaartuijg als voor mijn persoon, laatende het egter aan vinden UEd: goedt vrienden als. 50. Picols rijst 2. koebeesten 10. Picols drooge Visch 6. rollen zeijldoek van n:o 4 2. topmasten, ieder 36. Engelsche voet lang en 26 engelsche duijm dik van onder 6. picols harpuijs 1. legger Akrak 2 picols zuijker 6 p:s blocken van 8 tot 10 duijm 6. „ _:o tot de t op vallen van 8 tot 9 dhim 6„ _:o dubbelde van 10 tot 14 d=m Eenige pomp spijkers 1 p:s koopere rijst keetel Een weinig Lijnolij voor mijn persoon versoeke om eenige vruij= tagien Van Maccasser 18:' Octob„r 1761 tagien, 5a 6 douzijn hoenderen, Een of twee gijten die melk hebben. mijn heer 't doet mij van herte leed, dat ik ge= noodsaakt ben U Ed: zoo veel moeijte tegeven, versoekende in middens d' eere te mogen hebben, van te zijn /:onderstond:/ uEd:s veel verpligte en zeer onderdanige dienaar, /:was getekend:/ dal rijmple /:inmargine:/ op de Chialoup de Caddeloore den 17:' April a:o 1761 /: daar onder :/ P: S: ik versoeke zeer vriendelijk van mij te willen Communiceeren, of 'er ook alhier eenige tijding mogte weesen van de france scheepen, dewelke door de straat zijn gezeijldt; hebbende de eere te blijven /:onderstond:/ voor de vertaalinge /:was getee= kend :/ Johan Carel van drost.— Over welk eene ander dan wijdloopig geraisooneerd en alles dien aangaande rijpelijk overwoogendwesen= de unanimiter besloten wierd van de goederen bij laast gem:te letteren gementioneerd Eenlijk aan de engelschen te laaten toekoomen twee lasten rijst en eenige leggers water, en omtrent het verdere g'eyste ons te Excuseeren. Waarom dan verders beslooten wierd den vaendrig van drost met de hier bovengemelde goederen ten eersten weederom na dat bodemsje te senden, en de overheeden daar van nogmaals serieuselijk te laaten aan recommandeeren, om na den ontfangst van dezelve, ten eersten zig onder de Jurisdictie van dit Gouvernement van daan te begeven en haar reijse te vervorderen /:onder stond maccasser in 't Casteel Rotterdam dato voorsz:
English
143 From Maccasser 18 October 1761. aforesaid was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beijnon, Jan hendrik Voll, hendrik Wolff, Johann Christiaan helmkampff secretary, and frederik Willem Hendrik van Blydenberg. Friday the 29 May in the year 1761. In the morning at 9 o'clock, all present except the junior merchant and provisionally serving pay bookkeeper Hermanus Burg- graaf due to indisposition. The lord Governor submitted for reading a missive along with two declarations and a resolution brought the day before yesterday from amboina by a private citizen, all concerning the constant and frequent roaming about of the English in these waters, as well as that said nation is already reported to have settled on one of the Papuan islands named saluatti, and were busy there building a fortress; upon which, having extensively reasoned and taken into consideration the latest incident with the English two-masted sloop, and what was communicated by the resident at Bima concerning vessels that had passed through the straits of Papi, as well as the revered letter of their Right Honorables on this point: thus it was approved and agreed to equip the sloop de ver- looren zoon, which within two to three days will be brought into readiness to make a voyage, in order from here From Maccasser 18 October 1761. to navigate to the mangarij, down beneath the land of timor, and then to cross over to the straits of Bouton, in order to ascertain whether along the route, or at the latter-mentioned place, any English ships or lesser vessels are staying, and upon encountering the same to notify them that they will have to retreat, without setting foot ashore anywhere, and in case they do not heed such, and according to the arrogant nature of this nation come to mock it, then to hand them such a written protest as relates to this encroachment and violation of the treaties made with the European powers, as well as giving to the commanding officer an instruction on how he shall have to conduct himself; also causing to cross over with that vessel the interpreter Pieter Bartelsz with a letter to the king of that realm, the latter solely directed to remind His Majesty of his duty according to the tenor of the contract concluded in the year 1667 with Admiral speelman Governor-General, as these are the only means which we can employ here to counter the enterprises of this proud nation, which thinks that everything is permissible to it. Beneath stood maccasser in Castle Rotterdam, date as aforesaid, was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip rick, david Bacheract, Elias Jacob Beijnon, Jan Hendrik Voll, hendrik Wolff, Johan Christiaan helmkampff secretary, and 145 From Maccasser 18 October 1761. and Fredrik hendrik van Bleijdenberg. Monday the 13 July in the year 1761, in the morning at 9 o'clock, all present, except the Captain Commandant David Bacheracht and the junior merchant and pay bookkeeper Herma- nus Burggraaff due to indisposition. After the handling of the ordinary matters, the lord Governor made known to the members that the Macassars the day before yesterday, or the 10th of this month, had applied to His Honorable Worship through a deputation of several grandees of the realm, of whom the first syahbandar was the head, in order that Charaeng Candjilo being the father of the present, although without consent of the Company chosen, King of Tallo might be removed and punished as an evildoer, which, because said Charaeng Candsilo is a harmful subject and is also known as such to everyone on this coast of Celebes, was granted to them with the interdiction that they should do no harm to Tallo; yet that yesterday there appeared again before His Honorable Worship on behalf of the court of Gowa the same persons, with a written commission, to make known how they had attempted to clear the evildoer Charaeng Candsilo out of the way, but that the same having now gone inside Tallo with his aforesaid son, without being willing to leave him, they were greatly at a loss: how they should conduct themselves in this matter, and therefore requested His Honorable Worship's further
Dutch transcription
143 Van Maccasser 18: Octob=r 1761. voorsz: /:was geteekend:/ Cornelis Pinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beijnon, Jan hendrik Voll, hendrik Wolff, Johann Christiaan helmkampff secretaris en frederik Willem Hendrik van Blydenberg. Vridag den 29:' maij A:o 1761. T Des smorgens ten 9: uuren, alle present dempto den onderkoopman en p=l zoldij Boekhouder Hermanus Burg= graaf mits indispositie. Den heer Gouverneur leijde over ter lecturen een missive benevens twee declaratien en een resolutie op eer gisteren van amboina met een particulire burger aangebragt, alles roul= levende, over het gestadig en meenigvuldig— rondswerven der Engelschen in deze zeer, mits= gaders, dat die natie, reeds zig zoude hebben ter neder geslagen op eene der papoese eij landen genaamt saluatti, en aldaar besig waaren een fortresse te bouwen; waarover dan wijdloopig geraisoneerd en in aanmerking gekoome zijnde het Jongste voor val met de engelse twee maste Chialoup, en het gecommuniceerde door den resident tot Bima„ wegens scheepen die door straat Papij waren gepasseerd, mitsgaders ook het gevenereerd schrij vens haarer hoogedelheedens op dit poinct: zoo is goedgevonden en verstaan de Chialoup de ver= looren zoon, die binnen twee a drie dagen tot het doen eener rheijse in gereedhijd zal gebragt zijn, aan te leggen, omme van hier Van Maccasser 18: October 1761. te navigeeren nade mangarij, tot onder het land van timor en als dan over te steeken naar de straat Bouton, ten eijnde te vernemen of in de route, dan wel ter laastgemelde plaatse geene Engelsche scheepen of mindere vaartuij gen sig ophouden, en bij ontmoeting van dezelven haar aan te zeggen dat ze zig zullen hebben te retiteren, zonder ergens voet aan land te zet= ten, en ingevalle zij Lieden zulx niet agter= de, en volgens den hoogmoedigen aard deezer natie„ daar meede koomen te spotten, als dan haar te overhandigen, zoodanig een schriftelijk protest als op deeze inkruiping en violeering der met de Europeesche mogentheeden gemaakte trac= taten, relatie heeft, mitsgaders ook aan den gesag hebber meede geevende een Jnstructie, hoedanig hij zig zal hebben te gedragen; saa= tende teffens ook met dat vaartuijgen over= gaan, den Tolk Pieter Bartelsz: met een brieff aan den koning van dat rijk, de laaste enkel alleen gerigt, omme zijn majesteit indagtig te maaken desselfs pligt, volgens den teneur van het Contract in den Jaare 1667. met den admiraal speelman /:G: G: /geslooten als zijnde dit de eenigste middelen dewelke wij alhier kunnen in 't werk stellen, om de Entreprisis van dese trotse natie, die denkt dat haar alles g'oorloofd is tegen te gaan /onder= stond maccasser in 't Casteel Rotterdam dato voors:z /:was geteekend::/ Cornelis Sinkelaar, Jan Philip rick, da vid Bacheract, Elias Jacob Beijnon, Jan Hendrik Voll, hendrik Wolff, Johan Christiaan helmkampff secretaris — en 145 Van Maccasser 18:' October 1761. en Fredrik hendrik van Bleijdenberg. Maandag den 13:' Julij A:o 1761, smorgens ten 9:' uuren alle Present, dempto den Capitain Commandant David Bacheracht en den ondercoopman en soldij Boekhouder Herma= nus Burggraaff door indispositie. Na het verhandelen van de ordinaire zaaken, gaf den heer Gouverneur de Leeden te kennen, dat de maccassaren voor Eergisteren of den 10:' dezer aan bij zijn Edele Agtb=re hadden gehouden, door een besending van eenige rijxgrooten, waar van den eers= ten sjiabandhaar het hoofd was, omme Charaeng Candjilo /:zijnde de vader van den presenten hoe wel zonder toestemminge van de Comp:e ge= kooren Tellos Coning:/ als een quaaddoender te mogen wegdoen, en te straffen, 't geene haar om de wille hij Charaeng Candsilo een schadelijk subject, en ook bij een ieder te deezer Custe Celebes daar voor bekend staat, is geaccordeerd geworden met interdictie, dat zij lieden Tello geen leet zoude moogen aandoen; dog dat op gistiren wederom bij zijn Edele Agtb=ren uijt naame van 't goassche hoff verscheenen waaren deselve persoonen, met een schriftelijke Com= missie, ter bekend making, hoe zij lieden ge= tragt hadden den quaaddoender Charaeng Candsilo uijt den weg te ruijmen, maar dat den zel„ ven zig nu binnen tello bij voorsz: zijn zoon begeven hebbende, zonder hem te willen verlaten, zij lieden zeer verleegen waaren: hoedanig zig in deezen zoude moeten gedragen, Versogten dierhalven zijn Edele Agtb=re naderen k
English
From Maccasser 18 October 1761. further orders in that regard; while they in the meantime intended to propose another king of Tello instead of the present one and to present him to the Governor, the Honourable took into consideration the difficulties that might result from this; since the aforementioned Caraing Candjilo would not lack the opportunity, if he should escape this dance, to assemble a party of evildoers and thereby render the country unsafe through robbery and murder, and that it was not advisable for the Honourable Company in these troubled times to meddle too much therein, or to send a deputation to the Tellonese, besides the fact that it would be disreputable, since they had not observed their duty thus far to give proper notice of the election of their king; his Honour therefore submitted for consideration whether it would not be best to have this message delivered to the Maccassars by two commissioners. That, since the Company is unaware of the state of affairs at the Tellonese court, and to whom one must address oneself when there is something to propose, it is deemed advisable that the king of Goach send two persons from his assembly to the court of Tello, and there demand the custody of the mentioned Caraeng Candjilo, or else banish him from the land, in order by that means to find an opportunity to deal with him according to his merits; and if they are inclined to do so, that they might let the election they may have made stand, provided that they first request commissioners from the Company to attend the election, as well as its approval, in conformity with the tenor of the contracts; but in case the Tellonese are unwilling to listen to this, or see no possibility of satisfying that requirement, that they should then be set at liberty to hold another election for a king; which was unanimously approved, and at the same time it was resolved to commission the junior merchants, the provisional shahbandar Jan Hendrik Voll and Frederik Willem Hendrik van Blijdenbergh, to carry out this mission, providing them with instructions of the following content: Instructions for the junior merchants, the provisional shahbandar Jan Hendrik Voll and Frederik Willem Hendrik van Blijdenberg, proceeding on a mission to the court of Goa. In accordance with the secret resolution adopted yesterday morning in the Council of Policy, you shall proceed to the court mentioned in the heading hereof, and deliver the following message to the king as well as to his grandees, who have already been informed of your coming: That the undersigned, having brought the written report submitted by the first shahbandar before the council and having maturely considered it, it was there deemed fit to serve in reply: That the best means to bring matters to an end is judged to be, since the Company does not know how affairs stand at that court of Tello and to whom one must address oneself there when something is to be proposed, that the king and his grandees send two persons from their assembly to the aforementioned court, and there demand the notorious Caraeng Candjilo, in order to punish him according to the laws of the land, or else banish him from the country, so as to have the opportunity to get him into their hands; and if they are inclined to do so, that they may let the election they may have made of a king remain as it is, provided that they immediately give notice thereof and request commissioners to present the new king to them, in order to obtain approval for his election; but in case the Tellonese are disinclined to do this, that they must then be set at liberty to appoint another as their king, after commissioners have first been requested from the undersigned at this Castle to attend the said election, not only in accordance with the ancient customs, but also in conformity with the separate contract made between the Company and Tello in the year 1668, which was also confirmed by the court of Goach; to this you may also add that the Company is not so much concerned with seeing a new king chosen, notwithstanding that the one whom they have placed on the throne has no right to the same before and until the Company has granted its approval to the election, but rather to preserve its rights and to make the Tellonese observe their duty. Expecting a written reply upon your return, I remain, underneath: Your Honour's good friend, was signed: Cornelis
Dutch transcription
Van Maccasser 18:' October 1761. nadere ordere dien aangaande; terwijl zijlieden intus= schen van intentie waaren, om een andere koning van Tello instede van den presenten te proponeeren en die by den Heere Gouverneur voor te dragen„ zoo Leijde zijn Edele agtb=re in Consideratie de swarigheeden, dewelke hier uijt zouden kunnen resulteeren; alzoo het den voorsz: Caraing Candjilo niet zoude ontbreeken aangelegentheijd, als hij deesen dans mogten ontspringen, om een partij quard doender bij malkanderen te versamelen en daar mede het land onveilig maaken, met rooven en moorden, en dat het met raadsaam voor d' E Comp=e in deeze trouble tijden daar meede zig veel te bemoeijen, of aan de Telloneesen een besendinge te doen behalven dat het disreputatius zoude zijn, dewylse tot nog toe haare pligt met had= den g'observeerd, om van de verkiesing haares ko= nings behoorlijk kennisse te geven; geevende zijn Edele Agtb=re dierhalven in overweging of het niet bist was door twee gecommitteerdens aan de maccassaren te laaten doen deeze boodschap. Dat aangesien de Comp:e onweetende is van de gesteldheijd van het Telloneese hoff, en wien men zig moet addresseren, als er iets voor te dragen is, raadsaam geoordeelt word, dat den koning van goach twee uijt het lichaam van zijne vergadering zeude na het hoff van Tello, en aldaar laten opeijsschen den gem: Caraeng Cand' silo, dan wel dat hem het land weed ontsegt, om door dat middel geleegentheijd te vinden den zelven na merites te handelen; en zoo zij lieden daar toe inclinceren, dat ze dan de verkiesing dise mogte gedaan hebben, konde laaten stand grijpen, mits de Comp:e alvoorens te versoeken om 147 Van Maccasser 18:' October 1761. gecommitteerdens ter bijwooninge van de verkiesing, mitsgaders desselfs approbatie, in Conformite den teneur van de Contracten, dog ingevalle de Tellooneese hier na niet willen luisteren, of geen kans zien aan dat requisit te voldoen, dat zij lieden, als dan zoude moeten werden gesteld op vrije Voeten, om een ander Verkiesing te doen van een koning; het welk unanime g'avoueerd en teffens geresolveerd wierd, omme tot doen van deeze besending te Committeren de onderkooplieden, den p=l sjabandhaar Jan hendrik voll en frederik Willem, Hendrik van Blijdenbergh, haar meede geevende een Jnstructie van de volgende inhoud. Instructie voor de onderkoop lieden den p:l sjabandhaar Jan hendrik Voll en Frede¬ rik Willem Hendrik van Blijdenberg, gaande in Com= missie naar het hoff van Goa Conform het secreet besluijt op gisteren ogtend in vergadering van Politie genomen zullen UEd: zig begeven, na het hoff in den hoofde dezes gemeld, en aan den koning benevens zijne Rijxgrooten /:dewelke reets van UEd: komste, verwittig zijn :/ doende volgende bood= schap Dat den ondergetekende het aangebragte schriftelijk verhaalde van den eersten Sjabandhaar in vergadering gebragt en rijpelijk overwogen hebbende, aldaar goedgevonden is te laaten dienen in antwoord. Dat het beste middel omme een eynde van zaaken te maaken, g'oordeeld word te zijn, alzoo d' Comp:e niet weet. hoe= danig het aan dat hoff van Tello gestld is, en aan wien zig aldaar moet addres= seren, als er iets vald voor te draagen, den e Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. den koning en zijne Rijxgrooten, twee uijt het lic= haam van haare vergadering zenden, na het voor= schreve hoff, en aldaar laaten opeysschen den berugten Caraeng Candjilo, om de selve, na 'slands en wetten te straffen, dan wel het land ontslagen, om dus gelegentheijd te hebben denselven in han= den te krijgen, en zoo zij lieden daar toe in Cli neeren, dat ze dan de Verkiesing dieze mogte ge¬ daan hebben van eene koning, konnen laaten blij= ven sodanig dezelve is mits dat zij lieden daar„ van aanstonds kennisse geeven gecommitteerdens versoeken, om aan dezelve den nieuwen koning te verthoonen, ten eynde op desselfs electie, approbatie te kunnen erlangen, dog ingevalle de Telloneese hier toe ongenegen zijn, dat ze dan dienen te werden gesteld: op vrije voeten, omme een ander tot haaren koning te benoemen, na dat voor af aan dit Casteel bij den ondergetee= kende zal zijn versogt om gecommitteerdens, ten eijnde bij dezelve verkiesing te adsisteeren na volgens de al oude gebruijken niet alleen; maar ook in Conformitie van het met de Comp:e en Tello inden Jaare 1668. separaat gemaakte Contracte, het gene ook door het hof van Goach is geconfirmeert geworden; hier bij kunnen UEd:s nog wel voegen, dat het de Comp:e Juijst zoo zeer niet te doen is om een nieuw koning verkoren te zien, niet tegenstaande den ge= nen die zij op den troon gezet hebben, tot dezelve geen regt heeft, voor en al eer de Comp e tot de ver= kiesing zijne goedkeuring verleend heeft, maar omme haar regt te behouden, en de Tellonces= sen haar pligt te doen observeeren. verwagtende bij uEd: te rugkomst eer schriftelyk antwoord, verblijve ik /:onderstond:/ U Ed: goede vriend /:was geteekend:/— Cornelis
English
From Maccasser 18 October 1761. Cornelis Sinkelaar. In the margin: At Maccasser in Castle Rotterdam, the 14 July 1761. Lastly, the Lord Governor also gave notice that the first interpreter of the court of Boni had visited His Honorable, communicating in the name of the queen that she had received a letter from the frequently mentioned Caraeng Candsilo containing a request to be taken into protection by that court, asking to know how they ought to conduct themselves in this matter, and that His Honorable had replied that he judged it best to leave the letter unanswered, with which given reply the members likewise agreed. Wherewith the meeting was ended. Below was written: Maccasser in Castle Rotterdam, date as above. Was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip, Elias Jacob Beynon, Jan Hendrik Voll, Hendrik Wolff and Fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg. Friday the 17 July in the year 1761. In the morning at eight o'clock all present, except for the junior merchant and paymaster Hermanus Burggraff due to illness. The ordinary business having been transacted, the Lord Governor produced the report of the commissioners, the junior merchants, the provisional Shahbandar Jan Hendrik Voll and Fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg, who departed on the 14 of this month according to resolution with written instructions to the court of Goach, reading as follows: To the Honorable Lord Cornelis Sinkelaar, Governor. From Maccasser 18 October 1761. Governor and Director of this Celebes, together with the Council thereof. Honorable Lord and Lords, Pursuant to the Council's decision of the 13 of this month and Your Honorable's further esteemed order, we the undersigned, upon receipt of written instructions, proceeded this morning to the court of Goach, and there, after taking our seats and exchanging the ordinary compliments, clearly presented to the king and grandees of the realm our written commission annexed hereto; whereupon the Tommilalang spoke and replied on behalf of the Goach court as follows: That regarding the sending of two commissioners to Tello, they had used all means to advise the Tellonese for the best, having even sent thither the grandmother of the present king of Goach, Aroe Palacca, and her high priest Zehe for that purpose, which according to our religion is such an embassy that those who will not listen to it cannot be pardoned according to our laws, even though they might later wish to submit again, unless they first receive the punishment they have deserved in this regard, since the court of Goach cannot live in good harmony with its friends when they have no respect for the Honorable Company, which they are obliged to observe; for we have placed our trust in no one else but only in the Honorable Company. They have also made every effort to summon the son of Caraeng Candsilo, or the present king of Tello, from there, and to separate him from his father. As to the desire of His Honorable to send two commissioners from our assembly thither, we shall comply with that, but not to the Tellonese, but to the second Tommilalang and to the Anrong Goeroe of Toc-acadjanang-gang, who is staying in Tello, and make known to them the message and intention of Your Honorable, and when we have obtained an answer, we shall not fail to make it known to His Honorable. Wherewith we hope to have fulfilled our commission and satisfied the esteemed order of Your Honorable, we have the honor to remain, signing this. Below was written: Honorable Lord and Lords. Lower: Your Honorable's obedient servants. Was signed: Jan Hendrik Voll and Fredrik Willem Hendrik van Blijdenbergh. In the margin: Maccasser, the fourteenth of July in the year 1761. After the reading of which, His Honorable gave a brief account of all that had occurred with that court since the demise of the late Tellonese king, and read all the resolutions that had been taken regarding it, together with the contract made with that court on 9 March 1668, in order to give the members of this assembly a good understanding of these matters, so as to be able to advise thoroughly in this regard. Whereafter the Lord Governor further communicated that finally, the evening before yesterday, being the 15 of this month, deputies from the above-mentioned court had appeared before His Honorable, consisting of six so-called [illegible]
Dutch transcription
149 Van Maccasser 18: October 1761. Cornelis Sinkelaar /in margine:/ AMaccasser in 't Casteel Rotterdam den 14 Julij 1761. Laastelijk gaf: den heere Gouverneur nog ken= nisse, dat ook bij zijn Edele Agtb:e was geweest, den eersten Tolk van Bonijs hoff, uijt naam van de koninginne, Communicatie geevende, van dik gem: baralng Candsilo te hebben ontfangen een brief„ inhoudende, instantie omme aan dat hoff in pro= texie te werden genomen, versoekende te mogen wetens hoedanig zig in deeze te moeten ge= draagen, en dat zijn Agtb:e daar op hadde laten antwoorden, best te oordeelen, dien brief onbeantwoord te laaten, met welk gegeeven antwoord zig de leeden almeede Confirmeerden. Waarmeede de vergadering geëijndigt is /:onderstond:/ maccasser in het Casteel Rotterdam dato voorsz: /was getekend:) Cornelis Sinkelaar, Jan Philip . . , Elias Jacob beijnon, Jan hen= Rick... drik Voll, Hendrik Wolff en Fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg. — Vrijdag den 17:' Julij A:o 1761. des morgens ten agt uuren alle present, dempto den onderkoopman en zoldij Boek houder Hermanus Burggraff door indispositie. De ordinaire zaaken verhandelt zijnde, produceerde den heer gouverneur het rapport der gecommitteerdens de onderCooplieden den p:l Siabandhaar Jan Hendrik Voll en fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg, dewelke op den 14:' deezer volgens resolutie met een schrif telyke Jnstructie na het hoff van Goach vertroc= ken zijn, luijdende aldus. Aan den Wel Edele Agtb=re heer Cornelis Sinkelaar Gouverneur - .. - Van Maccasser 18:' October 1761. Gouverneur en Directeur dezer Celibes, benevens den Raad van dien Wel Edele Agtbaaren Heere en Heeren Ingevolge Raads besluyt van den 13: deezer en uwel Edele Agtbare nadere g'eerde ordre, hebben„ Wij ondergetekende op den ontfangst van een schrif= telyke Jnstructie, ons heeden morgen vervoegd aan het hoff van goach en aldaar na genome zis plaats, en gewisselde ordinaire, Complimente„ aan den koning en rijxgrooten duijdelijk voorge houden onse schriftelijke Commissie deesen annex; zoo heeft den Tommilalang het woord gedaan, en van wegens het goasche hoff g'ant„ woord als. Dat wat betreft het zenden van twee gecom= mitteerdens na Tello, zij alle middelen daar toe hadde aangewend, om de Telloneesen ten bes= ten te raaden, als hebbende zelvs de grootmoeder van den Presenten koning van Goach Aroe Palaica, en haaren hooge priester zehe, ten dien eijnde naderwaarts gesonden, het geen volgens ons re= ligie sodanig een besending is, dat de geene, die daar na niet willen luijsteren, na onse wetten niet konnen gepardonneert werden, alschoon zij naderhand weeder wilde in submissie koomen, of ze moeten eerst ontfangen de straffe, die zij lieden dien aangaande hebben verdiend, alzoo het hoff van goch met zijnen vrienden niet kunnen leeven in een goede harmonie, wam= neer zij geen agting voor d'E Comp:e hebben, 't geen zij verpligt zijn te observeren; want wij hebben op niemand anders ons vertrouwen dan alleen op d E Comp:e. hebben ook alle devoiren aangewend, om den zoon van Caraeng en Candsilo :/ of den presenten 151 Van Macasser 18:' October 1761. presenten koning van Tello :/ van daar te roepen, en van desselfs vader te separeren. Wat aangaat de begeerte van zijn Edele Agtb=re om twee gecommitteerdens uijt onse vergadering der= waards te senden, zullen wij zulx nakoomen, dog niet aan de tolloneesen, maar aan de tweede Tommilalang en aan den Anrong Goeroe van Toc-a =kadjanang=gang, die zig in Tello ophoud, en deselve laaten weeten de boodschap en intentie van uwelEd= Agtb:e, en wanneer wij antwoord bekoomen hebben, zullen wij niet manqueeren zijn Edele Agtb:re zulx bekend te maaken. Waar meede wij verhoopen aan onse Commissie voldaan en d' g'eerde ordre van uwel Edele Agtb=re ten genoegen voldaan te hebben, hebben wij d' eere dese onderteekenende te zijn /:onderstond:/ Wel. Edele Agtb=re Heere en Heeren /:laager:/ uW: WelEdele Agtb:e gehoorsaame Dienaaren /:was geteekend:) Jan hendrik Volk en Fredrik Willem Hendrik van Blijdenbergh. — /:in margine:/ maccasser den veertiende Julij A:o 1761. Na Welkers lectuura zijn Edele Agtbre een kort verhaal deed, van all het geene seedert het overlyden van den laasten Telloneesen koning met dat hoff was voorgevallen; en op leesen alle de besluijten die daar over waaren genoomen, mitsgaders ook het Contract op den 9:' maart 1668 met dat hoff gemaakt, ten eynde daar door de leeden deser vergadering te geeven een goed denkbeeld deezer „zaaken, om met fundament dier wegens te kunnen adviseeren. Waar na den heere gouverneur alverder Communiceerde, dat eijndeleijk op eergisteren avond zijnde den 15:' deezer bij zijn Edele waaren verschenen, gedeputeerdens van bovengem: hoff, bestaande in zes zoogenaamde gd e ten „ 1
English
From Maccasser 18 October 1761. galarangs with a message, but that they had been turned away with the addition that custom dictated that whenever anything of importance was to be proposed by the courts, access had to be requested in advance in such a case, so that preparations could be made for it as the matters required, and that for this time it would be accommodated as a request for access, which was then granted to them, and they were appointed to appear today to deliver their message. That furthermore his Honorable had expressly convened this meeting, not only to hear their report, but also to bring home in emphatic terms their misconduct to that rabble, who were a bunch of vagabonds and unlawful glarraengs appointed by Caraen Candjilo in place of those who had fled, and to make known to them our decision, so as to finally bring an end to these vexing affairs. Which being unanimously approved, the aforementioned envoys, being Charaeng Bamolikang, half-brother of Charaeng barombong, Caralenge Socanga Glarrang bone lenga, ditto patjerakkang, ditto mangempang, ditto rapperkalling, ditto rappodjawaija, and ditto Sampeang, were admitted together into the assembly room and asked what they had to propose. Whereupon they said that they had been expressly sent by their king to request delegates so that, according to custom, their newly elected sovereign might be presented to them; that they would have proceeded with this sooner, but that they had only recently found the papers from which they had seen their duty, requesting pardon on that account and that they might be received in submission. Whereupon the Governor replied to them that the people of Tello could not be unaware of how much patience the Company had exercised toward them, and how many times they had been advised for the best; that even during the presence of the Governor Blok, when they came to give notice of the demise of their previous king, delegates were expressly sent to them with copies of the contracts made between the Honorable Company and Tello, so that they might see from them their duty in the election of a new king; that they had declared at that time that they did not know of those contracts, and yet refused to accept copies thereof; that subsequently further deputations had been made for that same purpose by the present Governor and Council, as well as on various occasions in private by his Honorable, urging them to their duty, but that they had fundamentally always kept the matter dragging on, alleging now one obstacle and then another, finally going so far as to even appoint Charaeng Candselo as regent, requesting him from the King of Boni, with whom he was staying at that time, and all of that in direct contravention of the contracts, without even informing the Honorable Company. That therefore the last nomination had been made by a bunch of rabble, pirates, and other scoundrels, while in the meantime the legitimate glarrangs, who alone were authorized to hold the election, had already fled to Charang mancivoij due to the acts of violence by him, Charaeng Candsilo; all of which could not be unknown to them, on account of which the Governor and Council were very astonished how they still dared to appear here to deliver such a message. However, since it appeared from this that they now began to understand what the duty of Tello toward the Company entailed, they were now told that the Company, after mature deliberation for the welfare of the country of Tello and its inhabitants, had thought fit to consider the king unlawfully elected by them as already deposed, and consequently leaving the freedom to those who are authorized to do so to hold another election, provided that the same takes place in the presence of delegated members from our Assembly, for which they could make a prior request to this Castle; that this favor was still granted to them in abundance, so that they might see thereby how leniently and accommodatingly they were treated, since the Company would possess the undisputed right in this matter, according to the tenor of the Contract of 9 March 1668 with Tello.
Dutch transcription
Van Maccasser 18:' October 1761. galarangs, met een boodschap, dog dat dezelve van de hand waaren geweesen met toevoeging dat het gebruijk mede bragt; wanneer er iets door de hooven van belang was voor te draagen, dat in sodanigen ge= val moeste voor af werden gevraagd acces, ten„ eijnde zig daar toe te kunnen prepareren, zoo= danig, als de zaaken vereijschte, dat het voor deesen keer ingeschikt zoude werden, als versoekende acces„ het welk haar dan wierd g'accordeert, en zij lieden g'appoincteerd omme op heeden te Compareren om haar boodschap te doen. — Dat wijders zijn Edele Agtbare Expres deeze vergadering hadde laaten beleggen, omme niet alleen haare aanbrengen te hooren, maar ook dat volkje het welke een parthij vagebonden en onwettige glarraengs waaren, door Caraen Candjilo in stede van de uijt geweekene aangesteld, in nadelrukkelijke tomen haar mis drijf vooroogen te stellen en ons be= sluijt te kennen te geven, om dus eens een eynde te krijgen van deeze quastige affairres, 't geene een= paarig goed gevonden zijnde, wierden de voorschreve afgesondene; zijnde Charaeng Bamolikang /:halve broeder van Charaeng barombong — Caralenge Socan=ga Glarrang bone lenga _:o patje rakkang _:o mangempang _:o rapperkalling. _:o rappo: djawaija en _. o Sampeang gader in de verzaal gelaaten en gevraagd na het geene zij hadden voor te draagen: zoo zeijden zij lieden expres te zijn gesonden, door haaren koning, om te versoe= ken gecommitteerdens ten eijnde aan dezelve na den gebruike haar nieuw verkooren vorst te vertoonen, dat ze daar toe wel eerder zoude - - zijn . . .„ : 153 van Maccasser 18:' Octob„r 1761.. zijn getreeden, maart dat ze nu eerst Jongst de papieren gevonden hadden, uijt dewelke zij haare pligt hadien gesien; versoekende dier wegens om verschoot ning, en dat ze in submissie mogte aangenomen worden. Waar op den heere Gouverneur haar ten antwoord. gaf, dat de Telloneesen niet onbewust konde weesen hoeveel geduld de Comp:e met haarlieden hadden gehad, en hoe meenigmaalen dezelve ten beste waaren ge= raden, dat zelfs nog bij het aanweesen van den heere Gouverneur Blok, wanneer zij lieden quaemen ken= nisse geeven van het overlyden van haar voorigen koning, aan haar express gecommitteerdens — waaren toegesonden met de afschriften der Contracten tusschen d' E: Comp:e en Telloge maakt, ten eijnde zij lieden daar uijt zoude konnen zien haare pligt bij verkiesing van eenen nieuwen koning; dat zij als toen gedeclareerd, van die Contracten niet te weeten, en egter Copijen daar van refuseerde te accepteren, dat naderhand door den presenten heere Gouverneur en raad nadere besendingen ten dien zelven eijnde gedaan waaren, als meede tot differente keeren in 't parti= culier door zijn Edele Agtb=e tot hun pligt zijn aangemaand, dog dat ze de zaak ten principaale altoos hadden traineerende ge= houden; dan het eene en dan weeder het ander beletselt voor wenderd hun zelfs ten laasten zoo verre vergrijpende, dat ze ook tot rijx bestierder hadelen aangesteld Charaeng Candselo, met hem van bonis koning /:bij wien hij zig te dien tijd was onthoudende :/ te versoekent en dat alles regtdraets strijdig teegens de Con= tracten, sonder selvs d' E Comp=e te kennen; dat g „3 Van Maccasser 18: October 1761 dat over zulx de laaste benoeminge geschied was door een partije opgeraapte volkje, zee roo= vers en andere gespuijs; terwijl intusschen de wettige glarrangs, dewelke tot de verkiesing alleen bevoegd waaren, door de geweldenarijen van hem Charaeng Candsilo reets de vlugt geno= men hadden, na Charang mancivoij; alle het Welke haar lieden niet onbekend konde weesen, welhalven den heer Gouverneur en raad zeer verwondert waaren; hoe zijlieden nog alhier dorsten verschijnen met sodanig een boodschap te doen; dog aangesien hier uijt quam te blij= ken, dat ze nu begonnen te begrijpen. Wat de pligt van Tello omtrend de Comp=t was, mede brengende, haar lieden als nu wierd aan= gesegt, dat de Comp:e na rijpe overwaeginge tot welstand van het land van Tello, en dus ingesetene, heeft goedgevonden, omme den door haar onwettige verkooren koning te houden voor reets afgeset, en dien volgende aan de gene, dewelke daar toe gewettigt zijn, de vrijheijd laatende, om een ander verkiesing te doen, mits 't zelve geschiede in presen= tie van gecommitteerde Leeden uijt onse Vergadering, waaromme zij lieden voor af aan dit Casteel konde versoek doen, dat haar deese gunst nog ten overvloeden wierd bewesen, om daar door te zien hoe lankmoedig en inschikkende met haar gehandeld wierd, de= wijl de Comp:e het onbetwistbaare regt in deeze zoude Competeeren, omme volgens den teneur van het Contract op den 9:' maart 1668, met Tello.
English
From Maccasser 18 October 1761 Tello separately was able to appoint and make a king and a regent itself. Whereupon the said deputies, becoming somewhat perplexed, replied that it was not so much their fault as that of Goach, with whom they had always consulted, along with other trumped-up excuses which were found best to leave unanswered, telling them that they could accurately report what had been presented to them, allowing them thereupon to depart; and herewith this meeting ended. At the bottom stood: Maccasser in Castle Rotterdam, date as above. Was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beijnon, Jan Hendrik Voll, Hendrik Wolff, and Fredrik Willem Hendrik van Blydenberg. Thursday the 23rd of July Anno 1761, in the morning at eight o'clock, all present except the Junior Merchant and Pay Bookkeeper, the Honorable Hermanus Burggraaff, due to indisposition. The council being assembled, the Honorable Governor informed the members that since the last meeting of the 17th of this month, the Tellonese, through the cooperation of the Macassars, had proceeded to the election of Chaeraang Madjannang as their king; that they had made this known, but had received in reply that the Company could not well approve this election, for reasons given; that they consequently had to abandon it, but that they showed an inclination to insist upon it, and had requested an audience for this morning in order to request commissioners to attend the election. That His Honorable had firmly intended not to condescend in this matter, but to elect a king himself according to the tenor of the Contract of 1668, according to the power that the Company held for that purpose, but that yesterday evening, alongside the Company's letter, having received some private reports concerning the weak state of the garrison at the main station, and having considered the little likelihood there was of being able to be reinforced if something were to occur around the Castle, and moreover also the precarious state of affairs in the interior; had judged it best to choose the gentlest path in this matter and to let the election proceed under this condition: that the contents of the aforementioned Contract must be fulfilled in every part, and that this appointment should also not prejudice those who were most legitimately entitled to it once they reached the required age to be able to rule themselves. Whereupon this was extensively discussed, and it being noted in addition how greatly Karaeng Madjannang was obliged and committed to the Company by the protection which His Excellency had enjoyed here ever since his dethronement, or from the year 1743 onwards, besides the fact that he was also powerful enough to be able to act against the unexpected undertakings of any ill-disposed persons; it was thus unanimously resolved to grant the Tellonese their request. Shortly thereafter, according to the audience obtained, the deputies of the Regent of Goach appeared inside the Castle and in the council chamber, namely the First and Second Goan Shahbandar, and the Glarangs of Tjamba and Mangasse, who, having taken their seats and conveyed the greetings of their Regent, declared to have been sent to make known to the Honorable Governor and Council that the Tellonese had now elected as their king Karaeng Madjannang, and that for this purpose they came to request commissioners, but insisted that the election might take place at Thain, since it would be too difficult for Karaeng Madjannang to go to Tello on account of his advanced age. His Honorable replied to this that the audience, according to custom, was requested and granted not only to the Macassars, but indeed and especially also to the Tellonese, and that the latter, but by no means the former, were permitted to elect a king of Tello, and to request commissioners on behalf of the Honorable Company to attend and assist at his coronation, and that all of this had to take place at Tello and not at the Goan court; and His Honorable furthermore asked for the reasons why the Tellonese had not appeared here together with them; to which they replied that they did not know of this, and that they had waited for them. Whereupon the Honorable Governor added to them that His Honorable fixed the day after tomorrow to expect the Tellonese, so that they might properly and as required discharge their duty, and if they did not resolve to do so on the appointed day, that the Company would then take another measure in hand; upon this the Shahbandar replied that he would make a good report of everything, after which, having remained seated a little longer and having enjoyed some cups of tea with preserves, they requested their leave and departed again under reciprocal greetings.
Dutch transcription
155 Van Maccasser 18:' Octob„r 1761 Tello separaat gemaakt selfs een koning en rijksbestierder te kunnen en aanstellen. Waar op de gemelde gedeputeerdens eeniger maaten perplierakende ten antwoord gaven, dat het haar schuld zoo zeer niet was, als wel die van Goach, met dewelke zij althoos hadden geraadt plugt, en meer andere opgeraapte Excu= sen, die goed gevonden wierden maar onbeantwoord te laaten, haar aanseggende, dat ze naukeurig konde rapport doen van het geene haar was voor= gehouden, laatende haar daar meede vertrekken; en eijndigde hier mede deze vergadering. /:onderstond:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam dato voorsz: /:was getekend:/ Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Ja= cob Beijnon, Jan Hendrik Voll Hendrik Wolff en fredrik Willem hendrik van Blydenberg. Donderdag den 23:' Julij A:o 1761. des morgens ten agt uuren alle present, dempto den ondercoop= man en zoldij Boekhouder DE Hermanus Burg= graaff door indispositie. Den raad vergadert zijnde, gaf den Heere gou= verneur de Leeden te kennen, dat de Tellonee= sen zeedert de laaste vergadering van den 17:' deezer door meede werking der maccasaren waaren getreeden, tot de verkiesing van Chaeraang madjannang tot haaren koning, dat zi zulx hadden laaten weeten, maar daar op ten antwoord hadden gekregen, dat de Comp=e deeze verkiesing niet wel konde approbeeren, om redenen; dat zij over zulx daar van moesten afsien, dog dat ze geenegen toonden daar op te blijven staan, en tegens deeze ogtend hadden laaten versoeken om acces, ten eynde te versoeken gecomitteerdens om de Verkusing Van Maccasser 18:' Octob„r 1764. verkiesing bij te woonen, dat zijn Edele Agtb=re vastelyk van voornemen geweest was, in deese niet te zullen Con= descenderen, maar selve volgens den teneur van het Contract 1668. een koning te verkiesen, volgens de magt die de Comp:e daar toe was hebbende, dog dat gis= teren avond nevens 'sComp:s brieff ontfangen hebbende eenige particuliere berigten wegens de swakke gestild= heijd van Volk op de hoofd plaats, en geconsidreerd hebbende de weynige apparentie dieer was om te zullen kunnen g'adsisteerd werden, als er omtrend het Casteel iets quam voor te vallen, daar en boven ook de sorgelijke staat der zaaken in de binnen landen; g'oordeelt hadden best te zijn, in deesen sagste weg te kiesen, en de verkiesing maar te laaten voortgaang neemen onder dit beding, dat in allen deele aan den inhoud van het voorsz: Contract moest werden voldaan, en dat ook deese aanstelling niet zoude prejudiceeren de geene die daar toe in het meest gewettigd waaren, wanneer dezelve de vereijschte ouderdom om zelve te kunnen regeren hadde bereijkt waar over dan wijdloopig gediscoureerd en daar en boven nog aangemerkt zijnde, hoe grootelijks bij Caerang madjannang aan de Comp:e verpligt en g'engageerd was, door de protexie, dewelke zijn Excellentie als zedert desselvs detroneering, of van den Jaare 1743, herwaats genooten heeft, buijten en behalven dat hij ook magtig genoeg— waaren, om teegens de onverwagte ondernemingen van eenige quaad gesinden te konnen aggeren; zoo wierd eenparig geresolveerd de Telloneesen haar versoek toe te staan. kort daar op verscheenen, volgens g'obtineerd occes, de gedeputeerdens van den Ryxbestierder van goach binnen 't Casteel en in de Vergader zaale, namentlijk den Eersten en tweeden goasche Siabandhaar, en de glarrangs 't Jamba en 157 Van Maccasser 18: Octob„r 1761: en mangasse, dewelke na genomen zitplaats en afgelegde groete van hun Rijxbestierder betuijgt den gesonden te zijn, om den heere Gouverneur en raad bekend te maaken, dat de Telloneesen thans tot naaren koning verkooren hadden, Charaeng madjanang, in datse ten dien eynde quamen versoeken om gecom= mitteerdens, maar insteerde, dat ^ de verkiesent op Thain mogte geschieden, aangesien 't hem Caraeng— madsannang vermits zijn ouderdom te swaar vallen zouw= „de na tells te gaan. — zijn Edele Agtb=re repliceerde hier op, dat het acces volgen gebruykt versogt en verleend was, niet alleen aan de maccassaren, maar wel en insonderheijd ook aan de Telloneesen, en dat de laaste, maar geensints d' eerste, gepermitteerd was, te verkie= een koning van Tillo, en van wegens d' EComp:e ge= committeerdens ter bijwooninge en adsistentie van desselvs krooning te versoeken, en dat dit alles moeste geschieden op tello, en niet aan het gaasche hoff. s en vroeg zijn Ed: Agtb=re mitsdien wijders na de reedenen, waaromme de Telloneesen niet teffens met haar lieden te zaamen alhier ver= schenen waaren; zoo gaven zij Lieden ten antwoord, van zulx niet te weeten, en ze na deselve ge= wagt hadden! Waar op den heere Gouverneur haar toe voegde, dat zijn Edele Agtb=re den dag van overmorgen vast stelden om de Tello= neesen te verwagten, op dat ze behoorlijk en na den eijsch sig mogte quijten van haare pligt, en zoo zij daar toe niet ten gestelden dage resol= veerden, dat de Comp:e dan een ander middel bij der hand soude nemen; hier op gaf den s ja= bandhaar ten antwoord, dat hij van alles goed rapport zoude doen, waar na deselve nog een weynig gezeeten, en eenige koppies theewater met Confituuren genooten hebbende hun af= scheijd versogten, en weder onder reciproque groete g
English
From Maccasser 18 October 1761. greetings, departed for Goach. Underneath stood: Maccasser in Fort Rotterdam, date as above. Was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beynon, Jan Hendrik Voll, Hendrik Wolff, and Fredrik Willem Hendrik van Bleijdenbergh. Saturday the 25th of June in the year 1761. In the morning at ten o'clock all present, except the junior merchant and pay-bookkeeper Hermanus Burggraaff due to indisposition. This being the appointed day of this convocation, that the Macassars combined with the Tallo people would come to present an official communication regarding the election of a king of Tello, as well as, pursuant to the contracts, to request commissioners on behalf of the Company to attend and assist in the ceremonial of the coronation, there appeared again within the meeting hall the first and second Goanese Shahbandar and other dignitaries of that realm, together with all realm dignitaries of the court of Tello. Who, after taking their seats and delivering greetings from Goach's regent, stated that they had come here expressly in the company of the Tallo people, in order now, combined, to present and propose to the Honorable Governor and Council how the Tallo people had seen fit 159 From Maccasser 18 October 1761. had seen fit to elect Charaeng Madjannang as their king, requesting therefore, according to ancient custom and in conformity with the tenor of the contracts, for next Monday, being the 27th of this month, if it should please His Honorable Worship together with the Council, to send commissioners to the court of Tello to assist in the ceremonial of the coronation. For which communication and maintenance of ancient customs His Honorable Worship gave friendly thanks, and promised them to send the requested commissioners for the appointed day; whereunto were then also immediately appointed the junior merchants, the Shahbandar Jan Hendrik Voll and Fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg, in order upon their return to serve with a written report. Underneath stood: Maccasser in Fort Rotterdam, date as above. Was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beijnon, Jan Hendrik Voll, Hendrik Wolff, and Fredrik Willem Hendrik van Blydenbergh. Monday the 3rd of August 1761. In the morning at eight o'clock all present, except the junior merchant and pay-bookkeeper Hermanus Burggraaf, due to indisposition. Subsequently, after the transaction of the ordinary business, the report was read of the junior merchants, the provisional Shahbandar Jan Hendrik Voll and Frederik Willem Henderik van Blydenbergh, who at the session of the 25th of July last were commissioned to the court of Tello, in order at the request From Maccasser 18 October 1761. request of the Tallo people to attend there the coronation of the newly elected Tello King Caraeng Madjennang, being of the following content. To the Right Honorable Mr. Cornelis Sinkelaar Governor and Director of this Coast of Celebes. Right Honorable Sir, We have the honor herewith to serve with the report that today in the early morning, in conformity with the very esteemed order given yesterday by Your Right Honorable Worship, under the ordinary escort of the cavalry guard we proceeded to the court of Tello. Where, when we had approached the royal house, we found drawn up in ranks and files the royal bodyguards with their muskets and bayonets fixed upon them, having in front of them five ensigns with flying banners and some drummers with beating drums, and as soon as we approached them, they did us the honor of presenting arms. We passed in that manner between them up to and before the gate of the king's Dalam, when there came to meet us the first and second Shahbandar of Goach, receiving and welcoming us very amiably and respectfully, and subsequently having escorted us inside the Dalam of the king and there before the standing elected King of Tello, Caraeng Madjannang, by whom we, together with all His Highness's court dignitaries, were first, and thereafter by the Goanese regent, likewise welcomed and reverently received. And a chair on the king's right hand having been presented to the first undersigned, the first undersigned reciprocally
Dutch transcription
Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. groete na goach vertrokken, /:onderstond:/ maccas ser in het Casteel Rotterdam dato voorsz: /:was ge= te kend:/ Corn:s sinkelaar, Jan Philip Rick, David- Bacheracht, Elias Jacob Beynon, Jan Hendk Voll, Hendrik Wolff en Fredrik Willem hendk: van Bleijdenbergh. Satuurdag den 25. Junij A. o 1761. des smorgens ten thien uuren alle Present, Dempto den ondercoopman en zoldij boekhouder Hermanus Burg= graaff door Jndispositie. Wesende de g'appoincteerden dag deesen Con= vocatie, dat de maccassaren gecombineerd met de Tolloneesen, soude komen te presenteeren een wettigre Communicatie, nopens het verkiesen van een koning van Tello, mitsga= ders daar toe Conform de Contracten van we gens de Comp=e te versoeken om gecommitteer= deens, ter bijwooninge en adsistentie van het Ceremonieel der krooning, zoo verscheenen wee= der binnen de vergader zaale, de eerste en twee de Goasche Siabandhaar en verdere grooten van dat Rijk, benevens alle Rijxgrooten van het hoff van Tello, dewelke na genomen zit plaats, en gedaane groete van goachs rijxbestierder betuijgde expres in Compagnie van de Telloneesen alhier te zijn gekomen, ten eijnde als nu gecombineerd den heere Gouverneur en raad te presenteeren en voor te dragen? hoe de Telloneesen hadden goedgevonden 159 Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. goedgevonden om Charaeng madjannang tot hun koning te verkiesen, versoekende dierhalven na— volgens oud gebruyk en in Conformite, den teneur der Contracten teegens maandag aanstaande /:zynde den 27:' deeser: / indien het zijn Edele Agtb=re benevens den raad geliefden te behagen, om gecommitteerdens naar het hoff van Tello te zenden, om bij het Cere= monieel der Crooning te adsisteeren. Voor welke Communicatie ende onderhoudinge der oude gebruijken zijn Edele Agtb=re Vriende= lijkt bedankte, en haar lieden beloofde de versogte gecommitt=s teegens den gestelde dag te zullen toezenden; waar toe dan ook immediaat benoemd wierden de ondercooplieden den sjabanhaar Jan hendrik Voll en fredrik Willem Hendrik van Blijdenberg, omme bij hun retour te dienen van schriftelijk rapport /:onderstond:/ maccasser in 't Casteel Rotterdam dato voorsz: /:was ge= teekend:/ Corn:s Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beijnon, Jan Hendrik Voll, Hendrik Wolff en fredrik Willem hendrik van Blydenbergh. — Maandag den 3:' Aug=o 1761. Des smorgens ten agt uuren alle present dempte den ondercoopman en zoldij Boek= houder Hermanus Burggraaf, door indispe„ sitie: Vervolgens na het verhandelen der ordin=re zaaken, wierd opgelesen het rapport der onder Cooplieden den p:l Siabandhaar Jan hendrik Voll en frederik Willem henderik van Blydenbergh, dewelke bij zitting van den 25:' Julij J:o leeden na het hof van Tello ge Committeerd waaren, ten eynde op het Versoek - - Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. versoek der Tolloneesen aldaar bij te woonen de Croonn= ge van den nieuw verkooren Tellos koning Caraeng mad= Jennang, zijnde van de volgende inhoud. — AAan den Wel Edele Agtb=re Heer Cornelis Pinkelaar Gouverneur en directeur deeser Custe Celebes. Wel Edele Agtbaare Heer Wij hebben de Eere by deezen te dienen van berigt dat heeden in den vroegen morgen Conform de door uw. Wel Edele Agtb=re op gisteren gegevene zier g'eerde ordre, ons onder het ordinaire Escorte der ruijter„ guarde begeven hebben naar het hoff van Tello, al= waar wij het koningklijke huijs genadert waaren, vonden wij in rijen en geleederen gerangeerd staan de koningklijke de guardes Corps met derselver geweeren en daar op geplante baajanetten voor haar frond hebbende vyf vaendrigs met vliegende vaendels en eenige tamboers met slaande trom= mels en zoodra wij dezelve naderden, dieden zij ons de eere aan met het presenteeren der wapens„ passeerden in die postuur tusschen dezelve tot aan en voor de Poort van 's konings Dalm wanneer ons te gemoed quamen, den eersten en tweeden Siabandhaar van gaach ons zeer min= nelijk en respectueuselijk recipieerende en ver= Welle komende en vervolgens ons begeleijd heb= bende binnen den dalm des konings en aldaar voor den staande verkorme koning van Tello, Caraeng madjannang, door wien wij nevens alle zijne hoogheijds hoffgrooten voor af en daar na door den godsche rijxbesteerders /: C: S: / insge„ lijx verwelle komten, reverentelijk ontfan= gen, mitsgaders aan den eerst ondergeteekende gepresenteerd zijnde een stoel ter hoogerhand des konings, zoo heeft hij eerst geteekende reciproque
English
161 From Maccasser 18: October 1761. politely thanked in reciprocal terms for this offer, declaring that it was sufficient if the Tolloneesen merely showed that they understood to what extent the Company ought to be considered in the election of a king according to the tenor of the Contracts; the king thereupon refused, as a further token of respect, even to sit upon the said chair, having it set aside in the meantime, whereupon His Highness took a seat directly opposite us, and once seated and everything was brought to silence, the first undersigned delivered the address, saying that he had been expressly sent by the Honorable Governor and Council in order to assist at and attend the coronation of their newly chosen king, in accordance with the request made on the 25th of this month on behalf of the Tello court; after which Glarrang Tello stood up, pointing to Carraing Madjannang, and testified with all respect that he was the person whom the Telloneesen in general wanted to have as their king and had chosen, whereupon we asked the Telloneesen whether they were all of one mind and agreed with this, which they answered in the affirmative fully and in a raised voice with "Yes", upon which we provisionally congratulated the newly chosen king and promised to make a good report of what had passed to the Honorable Governor; adding thereto that we now had no doubt whatever that His Highness would sacredly observe the Contracts according to their content and come to swear to them within Castle Rotterdam; which was kindly promised by His Excellency, who likewise promised to comply with this without fail, requesting very much, however, to be indulged with a few days' patience, as they were still busy with their ceremonies and festivities, at which time His Highness also assured us that he would let the Honorable Governor know by the day after tomorrow the precise day on which he would be in a state From Maccasser 18: October 1761 to be able to swear to the Contracts. On which occasion we reminded the Telloneesen that the Company had nothing to say against the birth and legitimacy of Prince Totimo to the crown of Tello, especially not if the Telloneesen had only conducted themselves in their election after the example of the solemnities as had now been observed with this new King of Tello, Caraeng Madjannang; further, that they could firmly trust the Company in due course that, doing so, it would choose him, Totimo, after reaching the age of majority upon a vacancy of this crown, as the most legitimate thereto; for which they collectively expressed their gratitude, and said: if it shall please God so to wish, and at the same time the collective Telloneesen request that Your Right Honorable will please issue orders concerning Caraeng Candsilo, since he and his accomplices no longer hesitate to rob and violently assault people, as well as commit other misdeeds, both within the territory of Tello and the jurisdiction of the Company, requesting therefore that that evildoer might be removed from the way. Lastly, the King of Tello, Caraeng Madjannang, requested the first undersigned to persuade the Honorable Governor in private, with his friendly greetings, that His Right Honorable may please be assured that His Highness would now show his obligations to 163 From Maccasser 18: October 1761. the Honorable Company for its protection, which he had so long favorably enjoyed from it, which we promised to report properly, whereupon we took our leave and, with friendly greetings from His Highness and all the grandees of the realm, both Goan and Telloan, to His Right Honorable, departed again. Hoping herein to have satisfied Your Right Honorable's respected orders to your satisfaction, we have the honor to subscribe this /:underneath was written:/ Right Honorable Sirs /:lower:/ Your Right Honorable's dutiful servants /:was signed:/ Jan Henderik Voll and Frederik Willem Hendrik van Blijdenbergh, in the margin Maccasser the 26th July Anno 1761. Thereafter the Governor communicated to the members that, according to requested and obtained access, the King of Tello was to appear here this morning in order to swear to the Contracts, and who also, after a short wait, arrived shortly thereafter before the water gate of this Castle, accompanied by: The Goan Regent, and the Bone Tommilalang, as well as the first Tommilalang of Goach. Second ditto Caraing di Carranikang ditto Mangelekange ditto Palemba ditto Dato ditto Alangesoe The first Shahbandar of Goach Caraing Bontomanaij Glarrang Mangassa the Sea Lord Patsalaija, and of the Tello court: Glarrang Tello Daing Ripatina Glarrang Montson Lowe Bering Kannaija and Glarrang Rappo Rappo di Jaiva. The Goan Regent being escorted into the Castle by the chief interpreter and the King of Tello by the second interpreter, and subsequently, upon receiving the ordinary military honors, brought into the government house, and there into the council chamber where they were kindly received by His Right Honorable; and being invited to take seats at the table opposite the members of the Political Council, each according to rank, the first Goan Shahbandar spoke after a short silence and said he had expressly appeared because the newly chosen King of Tello, Caraeng Madjannang, had resolved with an unfeigned heart to swear to and renew at present the Contracts concluded between the former kings of Tello and the Company, for which friendly announcement and maintenance of the old customs, His Right Honorable
Dutch transcription
161 Van Maccasser 18: October 1761. reciprocques voor deeser presentatie beleefdelijk be„ dankt onder betuiginge, het genoeg was, wanneer de Tolloneesen maar lieten blijken van het begrip te hebben, in hoe verre d' Comp:e na volgens den teneur der Contracten bij verkiesing van een koning dient geconsidereert te werden; de koning resuseerde hier op, tot meerder blijk van agting, zelfs om op gem: stoel te zitten, laatende desel= we intusschen op een zijde stellen, waar op zijn hoogheijd zitplaats regt teegen ons over genomen hebbende, en dus geseeten en alles tot Sillentin gebragt wesende, deede den eerstonder= geteekende de aanspraak, en zeijde door den heer gouverneur en raad expres gesonden te wesen/ ten eynde volgens het versoek op den 25. deeser uijt naam van het Tellos hoff gedaan, bij de kroot ninge van hun nieuw verkooren koning te adsis= teeren en bij te woonen; waarna glarrang Tello opstond, wijsende op Carraing madjannang, en met alle Eerbiedigheijd betuijgde, dat zij zulx tot haar koning was de persondie zij telloneesen in het generaal, wilden hebben of zij lieden alle eens gesint daar mede overeen en gekoopen hadden, quamen, 't geen zij volmondigt en met een opge=wij vrager hierop heevene stemme met Ja beantwoord hebbende, aan de tillonce, hebben wij den nieuw verkooren koning bij provisie sen gefeliciteerd en beloofd, om aan der heere gou= verneur van het gepasseerde goed rapport te zullen doen; daar bij voegende, dat wij thans geen= sints wilden twiffelen, of zijn hoogheijd zou de Contracten heyligleik na dies inhoud onder= houden en dezelve binnen het Casteel Rotterdam koomen besweeken; het geene door zijn Excellen= tie vriendeleyk toegezegd, en teffens beloofd zulx zonder manquement te zullen nakoomen, Egter dat hij zeer versogte, daar mede nog eenige dagen te willen pattienteeren, aangezien zij lieden nog beesig waaren met hun Ceremonien en vreugde bedrivingen, als wanneer zijn hoog= heijd ons dan ook verseekerde van den heere gouverneur teegens overmorgen te willen laaten weeten, den praecisen dag wanneer instaat zoude Van Maccasser 18: Octob„r 1761 zoude weesen omme de Contracten te kunnen be sweeren. Bij welke gelegentheyd wij de Telloneesen te gemoed voerden!? hoe de Comp:e op de geboorte en wettigheijd van den Prins Totimo tot de kroon van Tello niet hadde te zeggen, voor al niet, indien de telloneesen bij haar Verkiesing zig maar hadde gedragen naar het voorbeeld de solemniteiten, soodanig die nu bij deesen nieuw wen koning van Tello Caeraeng madjannang g'observeerd geworden waaren; voorts dat zij luden in der tijd zoo doende op de Comp:e vast konde vertrouwen, dat ze hem totimo na vershege mon dige Jaaren, bij vecatie deezer kroon, als de wettigste daar toe verkiesen zoude; waar voor zijlieden gesamentlijk hunne dank= baarheijd betuijgden, en zeijden! als god zulx zal gelieven te behaagen, en teffens versoeke gesamentlijke Telloneesen, dat UWel Edele Agtb=re gelieven order te stellen over Caraeng Candsilo, aangesien hij en desselvs Complicen, zig nu niet meer ont= zien, zoo binnen het gebied van Tello, als de Jurrisdictie van de Comp=e te rooven en menschen met geweld aan te randen mitsgaders meer andere booscheeden te drij= ven versogten dierhalven, dat dien quaad„ doender uijt den weg mogt geruijmt werden Laastelik versogten den koning van Tello — baracen madjannang den eerst ondergeteekenden om den heere Gouverneur in het particulier onder desselvs vrindelijke groete te willen persuadeeren, dat zijn Edele Agtb=re wil gelieven versekerd te zijn, dat zijn hoog= heijd als nu zoude toonen, zijne verpligtingen aan 163 Van Maccaser 18: Octob„r 1761. d'E Comp:e voor derselver protexie, die hij zoo lange van haar gunstiglijk genooten hadde, het geene wij beloofden behoorlijk te zullen rapporteeren en waar mede wij afscheijd nemen en onder vriendelij= ke groete van zyn hoogheijd en alle zoo goasche als telloose Ryxgrooten aan zyn Edele Agtb=re weder vertrokken. Verhoopende in deesen aan uw Edele Agtb=re gerespecteerde ordre ten genoegen te hebben voldaan, zoo hebben wij de eere deese te ondertee kenen /:onderstond:/ Wel Edele Agtb=re heere /:laager:/ uwel Edele Agtb=re Trouwrchul= dige dienaaren /:was geteekend:/ Jan henderik Voll en frederik willem hendrik van Blijden= bergh, in margine Maccasser den 26:' Julij A:o 1761. Daar na Communiceerde den heer Gouver= neur de leeden dat den koning van Tello volgens versogt en g'obtineerd acces heeden morgen alhier stond te verschijnen, ten eynde de Contracten te beswieren, en dewelke ook na een weijnig ver= toevens kort daar op voor de water poort deeses Casteels aanquam verseld van. Den goassche Rijxbestierder, en den Bo= nijsen Tommilalang, mitsgaders den eersten Tommilalang van goach. „ Tweeden Caraing d' Carranikang _:o man=gelekange _:o Palemba _ o dato _:o alangesoe den eersten sjabandhaar van goack Caraing Bontomanaij glarrang Mangassa _:o „ — _:o den de - - Van Maccasser 18:' Octob„r 1761. den ziesheer Patsalaija, en van het Tellosehoff Glarrang Tello Daing Ripatina glarrang montson lowe Bering Kannaija en glarrang rappo rappo d' Jaiva— Wordende den goussche Rijxbestierder door den oppertolk en den koning van Tello door den tweeden Tolik begeleyd binnen het Casteel, en vervolgens onder ontfangen der ordinaire militaire honneur gebragt in het gouvernement, en aldaar in de vergader zaale alwaar zij leeden door zijn Edele Agtb=re vriendelyk gerecipieerd; en aan de tier Taffel teegens over de Leeden van den poliquen Raad ieder na rang ter seet genodigt zijnde, zoo deede na een weijnig stelswij= gens den eersten goassche Sjabandhaar het woord, en zeijde expres te zijn verscheenen om de wille den nieuw verkooren koning van Tello Caraeng Madjannaeeng met een ongeveijnste hert; voorgenomen hadde om de Contracten tusschen de voorigen koningen van Tello en de Comp:e geslooten teegens woor= dig te besweeren en te vernieuwen, voor Welke Vriendelijke bekendmaking en onderhoudinge der oude gebruiken, zijn Edele 6
English
165 From Maccasser 18 October 1761 Having thanked His Honourable Worship, the contracts prepared for that purpose were read aloud by order of His Honourable Worship, both in the Dutch and Malay languages, and thereupon by the priest the chapter from the Quran containing the form of the oath of the Mohammedans, whereafter the newly elected King of Tello laid both his hands wrapped in a small cloth on that book and again placed them against his face, and thus the only thing remaining of that ceremony being the drinking of the kris water, the Governor had a porcelain cup on a saucer with a gold lid placed on the table, and had water poured into it from a clean hand glass, whereupon the King of Tello drew his kris and dipped its point into the water; subsequently the Regent of Goa took his cloth and wiped the point of the kris of him, Caraleng Madjennang, clean again, and having sheathed it afterwards, the Governor congratulated the king, for which that monarch politely offered his mutual thanks and at the same time assured His Honourable Worship that he would henceforth endeavour always to live with the Honourable Company as true friends and faithful allies, and to maintain the old customs, for which that monarch politely offered his mutual thanks and at the same time assured His Honourable From Maccasser 18 October 1761 Worship that he would henceforth endeavour always to live with the Honourable Company as true friends and faithful allies, and to maintain the old customs; the Governor replied that such was the sole aim of the Honourable Company, and that it strived for nothing else than merely to make peace and tranquility grow and flourish among the allies, and furthermore that, in order to make the same continue, no other or better means could be found than strictly and sacredly maintaining and observing the contracts; the King of Tello and the Regent of Goa expressed their humble gratitude for this wholesome doctrine, and after some further, though indifferent, discourses had taken place back and forth while enjoying the ordinary refreshments, they took their leave and departed. And with this, this convocation came to an end, underneath stood: Maccasser date as above, was signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheract, Elias Jacob Beynon, Jan Hendrik Voll, Hendrik Wolff, Johann Christiaan Helmkampff and Fredrik Willem Hendrik van Blydenbergh. Thursday 27 August 1761 In the morning at 9 hours all present, except the Junior Merchant and Licence Master Jan Hendrik Voll on commission: after - 167 From Maccasser 18 October 1761. After the conclusion of the ordinary business, the Governor further informed the members of this board that recently or since His Honourable Worship's presence at Maros, the King of Boni had requested His Honourable Worship by letter to be accommodated with 625 rix-dollars in new Dutch currency, at 48 heavy stuivers each, and a sloop's cargo of rice for all the grandees of the court of Boni, as they had requested His Highness, being in great need thereof, and which amount they would repay in slaves. Furthermore that His Honourable Worship, in conformity with the resolution taken on 25 November of the past year to assist the King of Boni with everything necessary according to ability, had already delivered the abovementioned sum of six hundred and twenty-five rix-dollars while still at Maros, and concerning the rice, had let that Highness know, since the monsoon currently did not permit sending a sloop thither, that it would therefore be much easier if His Highness were to send some vessels from his present place of residence to Boele Comba to have that grain fetched from there, while the Governor had also already given orders that upon the arrival of His Highness's vessels at Boele Comba, merely upon presenting the king's seal, up to ten to twelve lasts would be shipped by the Resident Meurs; for which given communication all the members thanked the Governor, and they at the same time
Dutch transcription
165 Van Maccasser 18:' Octaber 1761 Edele Agtb=re bedankt hebbende, wierden ter ordre van zijn Edele Agtb=re de ten dien eynde in geereedheid gebragte Contracten, zoo wel in- de hollandsche, als maleijdsche taale in 't luijd opgeleesen, en daar op door den Priester het Cappittel uijt den alkoran behelsende het formulier van den Eed der mahumetaa nen, waar naa den nieuw verkoren tellos koning op dat boek desselvs beijde handen met een omwonden doekleen en weeder ge= legd, en teegens desselvs aangesigt gebragt hebbende, en dus aan dat Ceremonieel nog maar alleen manqueerde het drinken van kristwaater, zoo liet den heeren Gou= verneur een porcelijne kop in een piering met een goude deksel op de tafel zetten, en daar in uijt een suijvere hand glas, water gieten, waar op den koning van Tello zijn krist ontscheeden en met dies punt in het water doopte, vervolgens nam goasch Rijx= bestierder zijn doek, en wiste de punt der kriste van hem Caraleng Madjennang weeder af, en daar na dezelve opgestorken= hebbende filiciteerde den heere Gouver= neur den koning, daar voor dien vorst reciproque vriendelijk bedankte en teffens zijn Edele Agtb=re versekerde — c dat hij als nu zoude tragten met d' E Comp:e althoos als waare vrinden en getrouwe bondgenoten te leeven, en te onderhouden de oude gebruiken den heere Gouverneur den koning, daar voor dien vorst reciproc= que vrindelyk bedankte en teffens zijn Edele Van Maccasser 18: Octab„ 1761 Edele Agtb=re versekerde dat hij als nu zou= de tragten met d'E Compagnie althoos als — waar vrinden en getrouwe bondgenoten te leeven, en te onderhouden de oude gebruiken, den heere gouverneur repliceerde dat zulx het eenigste ookmerk de E: Comp=e waare, en ook niet anders betragtede, dan allee„ om de rust en vreeden: onder de Bondgenoten te doen groeijen en bloeijen, mitsgaders dat er, omme het zelve te doen Continueeren, geen ander of beeter middel konde werden uijt gevonden als de Contracten stipt en heij= ligleijk te onderhouden en na te koomen; betuygende den koning van Tello en den goachs Rijxbestierder voor deeze heijlsaame leer, hunne nederige dankbaarheijd, en na dat er nog eenige verdere, hoewel onverschillige discoursen over en weder, onder het genot van de ordinaire defroijementen gevallen waaren, versogte zij lieden hun afscheijd en vertrocken. En waar meede, deese Convocatie een eijnde nam, /onderstond:/ maccasser dato voorsz: /:was geteekend:/ Cornelis Sinkelaar, Jan Phi= lip Rick, David Bacheract, Elias Jacob Beijnon, Jan hendrik Voll, hendrik Wolff, Johann Christiaan helmkampff en fredrik Willem hendrik van Blydenbergh. Donderdag den 27:' Aug=s 1761 des morgens ten 9:' uuren alle present, dempto, den ondercoopman en licent Meester Jan hendk Voll in Commissie: na - 167 Van Maccasser 18:' Octo„b„r 1761. Na het afloopen der gemeene Besoignes, be= deelde den heere gouverneur nog de Leeden de= ser taafel dat Jongst of zedert zijn Edele Agtb: aan wesen op maros de koning van Bonij zijn Edele Agtb=re bij een brief versgt hadde, om met 625, Rijxdaalders nieuw nederlands paijement /: a 48 swaare stuyvers ieder:/ en eene Chialoups lading met rijstgerieft te mogen werden voor de gesamentlijke hofgrooten van Bonij, terwijl dezelve zijn hoogheyd versogt hadden, als gro= telijx daar om verleegen zijnde en welk bedraagen zij in slaaven wederom zoude voldoen. Voorts dat zyn Edele Agtb=re in Conformite van het besluyt op den 25:' november A:o pass=o genomen, om den koning van Bonij met alle het nodige na vermogen te adsisteeren, boven gemelde somma van seshondert vijf en twintig rijxdaalders nog op maros zijnde bereeds hadde afgegeven en omtrend de rijst, die hoogheyd laa= ten weeten, terwijl de mousson thans niet permitteerde om een Chialoup derwaarts te zenden, dierhalven het veel gemakkelyker soude weesen, wanneer zijn hoogheijd van des= selvs tegenwoordige verblijf plaats, eenige vaartuijgen naar boele Comba soud om dien korl van daar te laaten haalen, terwilden heer gouverneur ook bereids al ordre hadde gesteld bij arrive van zijn hoogheids vaartuij= gen op Boele Comba, wanneer maar des konings 's Jap vertoonden, tot thien a twaalf lasten toe, door den resident Meurs souden afgescheept werden; voor welke gegevene Communicatie de gesamentlijke leeden den heere gouverneur bedankten en zij teffens
English
From Maccasser, 18 October 1761. likewise confirmed therewith. Below stood: Maccasser, date as above. Signed: Cornelis Sinkelaar, Jan Philip Rick, David Bacheracht, Elias Jacob Beijnon, Hendrik Wolff, Johann Cristiaan Helmkampff, Secretary, and Fredrik Willem Hendrik van Blydenberg. Lower: Agrees. Signed: J. C. Helmkampf. Whereas the King of Tello, Sulthan Tapioeding, departed this world and at the same time his realm with his life on 16 April of the year 1760, so I, Sulthaen Abdul Cadir, in accordance with the country's customary laws, and in the presence of the Honorable Company's express commissioners, the Junior Merchants, the fleet master Jan Hendrik Vollen, and Frederik Willem Hendrik van Blijdenberg, chosen over the district of Tello with the resort thereof; and swearing holily and uprightly, both for myself, blood relatives, magnates of the realm, glarrangs, and the rest of my subjects, to maintain and cause to be maintained in all parts and points the two last-concluded contracts, namely the first at Bongaja in the year 1667, and the other recently beneath the Great Castle of Samboppo in the Jacatra Quarter in the year 1669, entered into and sworn by the previous kings and other magnates of the Maccassar realm with the Honorable Company, and specifically the ratification of the first concluded contract on the 25th of the month of Roemallang of the year 1078, or according to our Dutch calculation the 9th of March 1668, sworn by Sirij Sulthan Harro Narrachit, then King of Tello; and toward the compliance therewith I have confirmed this with my customary signature, and holily sworn upon the Quran while drinking the kris water, in the presence of the undersigned Bonian and other Goan and Tello magnates of the realm, together with the Governor and Council. Thus done, signed, and sworn at Maccasser in Castle Rotterdam on 3 August, anno 1761. Signed: C. Sinkelaar, J. P. Rick, D. Bacheracht, E. J. Beynon, J. H. Voll, Hendrik Wolff, and Sr. Willem Hendrik van Blydenbergh. To the side, the Company's seal stamped in red wax, and thereunder by ordinance of the Governor and Council. Signed: J. Smoder, First Sworn Clerk. 169 From Ternate, the 31st of August 1761. Batavia To His Excellency The High Noble, Valiant, Highly Esteemed, and Widely Ruling Lord, Jacob Mossel, General over the Infantry in the service of the State of the United Netherlands, as well as Governor-General on behalf of the same and the General Dutch Chartered East India Company, together with the Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Valiant, Highly Esteemed, Valiant, Wise, Prudent, Discreet, Very Generous Lord and Lords! In our last respectful letter of the ultimate of June last, of which a duplicate accompanies this, we had, among other things, the honor to bring most obediently to the attention of Your High Noble and Great Esteem that the Papuan nation became increasingly worse and more disobedient against His Highness the King of Tidor and would no longer listen to his orders, which that prince attributed to From Ternate, the 31st of August 1761. the appearance of the foreign equipages in those regions, now since two years ago. At present we are further strengthened in that opinion, since we obtain reports from all sides that it was the King of the large island of Salwattij who committed the robberies on Boeroe and the Xullas, and for which reason also Tidore's Highness caused some negorijen belonging under Salwattij to be despoiled, and nearly two hundred people to be brought from there, both to Pattanien and Weda, among whom, according to the Tidorese court's allegation, the ones guilty of the earlier robberies were supposedly also included, whom His Highness had firmly promised us to deliver over to the King of Ternaten to receive their deserved punishment; and pursuant to that promise we were also daily expecting them, when we received further notice that the aforementioned King of Salwattij, together with several other Papuan magnates, having learned that since his absence those robberies had been committed upon his territories, immediately proceeded to Paptanij and rounded up all the stolen people, as some maintain in trade for those he captured on Boeroe and the Xullas, which the Pattanier are said to have already satisfied, and that by those of Weda, according to many thoughts, compliance will also likely be made, although the King of Tidor has caused all the chiefs with their subordinates to gather together there to offer resistance to those fierce barbarians, as Your High Noblenesses for the greatest part in
Dutch transcription
Van Maccasser 18: Octobr 1761. teffens daar mede confirmeerden /:onderstond:/ Maccasser dato voors:z /:was geteekend:/ Cornelis Sinkelaar Jan Philip Rick, David Bac= heracht, Elias Jacob Beijnon,.. hendrik Wolff„ Johann: Cristiaan helmkampff Secretaris, en Fredrik Willem Hendrik van Blydenberg. om /Laager: Accordeert:/ /:Geteekend:/ J:n C„r helmkampf Alzoo den Kooning van Tello Sulthan Tapioeding op den 16 April des Jaars 1760, met zyn Leeven deese Wereld en te Gelijk zyn rykdat ruym heeft so beloove Ik sulthaen abdul Cadir naar slands wyzen Wetten, en ten ooverstaen van 'sE. Comp=s Expresse Gecomitteerdens de OnderCooplieden den vLieend mes„ „ter Jan Hendrik Vollen Freederik willem Hendrik van Blijdenberg verkooren over het Disbrict Tello, met den Resorte van dien/ en sweerende heiliglyk en opregte„ „lijk, soo voor mijn zelven, bloedverwanten ryxgrooten, Glarrangs, en ver„ „dere myne onderdunen, te zulen onderhouden en doen, onderhouden in alen deelenen poincten, de twee laast gemaakte Contracten te weeten het Eerste op Bongaga A:o 1667, en het andere Jongst onder het Groote Casteel Samboppo: in het Quartier Jacatra A:o 1669 door de voorige Kooningen en verdere grooten, vant Maccassarse Ryk met D'E Comp:s aangegaan en beswooren, en wel spetiaal de nade be„ kragting van het Eerst Gemaakte Contract op den 25 van de Maand Roemal„ lang des Iaars 1078. of volgens onse Neederlandsche Reek: den 9 Maart 1668. door Sirij sulthan Harro Narrachit, doenmals Koning van Tello beswooren, en tot naarkooming vant zelve heb ik dit met myn ge„ woonelijke zignature bevestigt, en onder het drinken van 't Kritzen Water op den alkoran heijliglijk beswooren, ter Presentie van de ondergeteekende bonyschen en verdere Goasche en Tellosche Rix„ „grooten mitsgaders den Heer Gouverneur en Raad. Aldus gedaan Geteekent en beswooren tot Maccasser In't Casteel Rotterdam den 3 Augustus anno 1761. /: was geteekent Co sinke¬ laar J=n P„k Rick, D=d Bacheracht E=s Jb: Beynon I: H„n Voll, Hendk. Wolff, en Sr. Willem Hendrik van Blydenbergh s ter zyden 's Comp=s zeegel in Roode Lacque Gedrukt, en en daar onder ter ordonnantie van de Gouverneur en Raad /was geteekent:/ I=b Smoder Eerste Geswoorne Clerq. — : 169 Van Ternate den 31:' aug:s 1761. Batavia Aan zijn Excellentie Den Hoog Edelen gestrengen Groot Agtbaren en Wijd Gebiedende Heere Jacob Mossel. Generaal over de Infanterij ten dienste van den staat der vereenigde nederlanden, mitsgaders wegens dezelve en de generaale nederlandsche geoctroijeerde oost Jndische Comp: Gouverneur Generaal, benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India. Hoog Edele Gestrenge groot Agtbaare Man= hafte wel wyse voorzie= nige Discrete zeer Gene= reuse Heere en Heeren! Bij onse laaste Eerbiedige van ult:o Iunij J:o lee= den, welkers wedergade dezen verseld, hebben Wij onder meer anderen de Eere gehad UW Hoog Edele groot Agtbare gehoorsaamst onder het oog te brengen, dat de papoese natie, hoe langer hoe slimmer en dis obedienter tegen zijn hoogheijd den konink van Tidor wierd en niet na desselvs bevelen meer zuisteren Wilden, 'T welk dien vorst toeschreef aan het ten mes„ ver gte„ en ta e mal„ llo ge„ de „ gh en aad - Van Ternate den 31:' Aug:s 1761. het verschijn der vreemde Equipanten in die ge= westen, nu zeedert twee Jaaren herwaards Thans worden wij in dat gevoelen meerder versterkt, naar dien wij van alle kanten berigt erlangen, dat het den koning van het groot Eiland sal= wattij geweest is die de roverijen op Boeroe en de Xullas gepleegt heeft, en waarom ook Tidors hoogheijd eenige negorijen, onder sal= wattij gehorende, heeft laten spolieren, en van daar bij na Twee hondert menschen, zoo te pattanien als weda, aanbrengen, waar onder, volgens voorgeven van het Tidorese hof, de schul= dige aan de vroegere roverijen mede begrepen zoude wesen, die zijn Hoogheijd ons vast beloofd had ter Erlanging hunner verdiende straffe aan den koning van Ternaten te zullen overge= ven, en wij ingevolge die belofte ook dagelyks verwagtende waaren, wanneer wij nadere berigt kregen, dat voorn: koning van Salwattij met nog meer andere papoese grooten, vernomen hebbende, da't zedert zijn absentie die rove= rijen op zijn territoria gepleegt waaren, zig aanstonds na paptanij begeven en alle de geroofde menschen opgelischt had, zoo zom= mige willen introucque voor die hij op boe= roe en de xullas gekregen heeft, waaraan de pattanier reeds voldaan zouden hebben en dat door die van weda, na veel gedagten, ook wel gevoeg zal worden, alschoon den — koning van Tidor alle de opperhoofde met hun onderhorige aldaar bij een heeft laaten versamelen om die Woeste barbaren tegenstand te bieden zoo als uw hoog Edelhedens dat voor 't meeste gedeelte in
English
171 From Ternate, the 31st of August 1761. Please consider the details thereof in our secret resolutions of the 15th and 19th of this month, and the reports annexed thereto from our commissioners sent to the court of Tidore, to which, for the sake of brevity, we take the liberty to refer. Meanwhile, by their letter of the 18th of July last, we also received information from the ministers of Amboina that the English, with three ships, were said to have taken possession in these regions by erecting a fort on Salwatty, according to two depositions, namely one by the burgher Captain de Koning and the other by the burghers Walram and Cornelisz, together with a letter from the ensign engineer Dullitz. Regarding this—although those reports are based merely on the statements of the natives without any further elucidating proof, and therefore little reliance can be placed on them, besides the fact that they also vary greatly among themselves, as well as with the news that we received from the Tidorese court according to the record of the resolution of the 7th of this month, namely that they were only supposed to have begun it in the past month of July, or rather that they were to return in the coming month of September to begin it, an agreement having been made to that effect with the king of Salwatty, who was said to have been on board there—we nevertheless judged it irresponsible, however much we lack vessels, not to send an expedition thither to ascertain the certainty of all those rumors, and at the same time to order them From Ternate, the 31st of August 1761. to depart from there under proper protest. But so that this would carry more weight, we at the same time deemed it expedient to request the king of Tidore to join us in protesting, and to that end to sign a protest drafted by us and translated into the Malay language, which His Highness immediately accepted very willingly and sealed not only himself but also with the grandees of his realm, as both these documents are inserted in our resolution of the aforementioned date. We do not doubt that Your Right Nobilities will not only regard the aforementioned protest of His Highness as a good matter, but also perceive therefrom the king's sincere affection for the Honorable Company. Whereas, pursuant to our resolution of the 7th of this month, we have prepared the bark Nassau for the execution of that project, and alongside it deemed it expedient to appoint as commissioners from our Council the junior merchant and secretary of policy Van Massow and to send along the junior merchant Gregorij, with whom Major Djouw Kottoe will also cross over from the side of the king of Tidore, which in these circumstances is not inappropriate, but, as we think, very useful; but whether Your Right Nobilities will approve of the erection of a fort on Salwatty as a guard against the arrival of foreign ships there and the smuggling trade in spices, as the king of Tidore has proposed to us, we have much reason to doubt, because, besides all other inconveniences, 173 From Ternate, the 31st of August 1761. such would cause great expense and waste of personnel, the more so because those islands are not the healthiest and the natives often know how to poison the drinking water. With regard to the demanded satisfaction by the court of Ternate concerning the successive robberies committed, the Tidorese court still persists equally with promises, and we must also report that while on the one hand we clearly see that it shows its embarrassment and regret over this more and more, on the other hand the court acts perversely to apprehend the guilty, so that if now and then one falls into their hands, they hide him away, so that little real progress is to be expected in that regard, though the king of Ternate keeps that matter constantly alive; it were desirable that only a few fell into our hands, then we would see to settling the rest by means of compromise, regarding which we nevertheless have hope not without reason. Meanwhile, after having commended Your Right Nobilities' illustrious persons to God's provident care, we subscribe ourselves with the utmost esteem and respect. Below stood: Right Noble, Valiant, Right Honorable, Brave, Prudent, Wise, Foreseeing, Discreet, very Generous Sir and Sirs. Lower: Your Right Noble, Valiant, Right Honorable, very humble and much obliged servants. Was signed: J: V: Schoonderwoert, P: J: Valkenaer, H: V: Ossenberg, From Ternate, 31st of August 1761. and director of these Moluccas, I: C: V: Ossenberch, M: D: van der Haak, J: G: van Raesveldt, Jan Jonkers, J: S: van Massow, A: Hk Gregorij. In the margin: Ternate, in Castle Orange, this last day of August Anno 1761. The Honorable Worshipful Governor Jacob van Schoonderwoert, The Honorable Merchant and Second Paulus Jacobus Valckenaar, The Honorable Brave Captain-Military Jan Cornelis van Ossenberch, The Merchant and Fiscal Matthias Diderik van Haak, Junior Merchant and Storekeeper Jan Georg van Raesveld, Junior Merchant and Secretary Johan Sebastiaan van Massow, Junior Merchant and Purveyor Jan Jonkers, and Junior Merchant August Hendrik Gregorij. The ordinary business having been concluded, the Governor produced a letter from the Amboina ministers dated the 18th of the past month of July, concerning the contents of which the greater part has already been dealt with in the general resolution of today's date. Now proceeding to the discussion of the separate matter conveyed therewith, it was taken into consideration that on the 24th of April last they had learned Friday the 7th of August Anno 1765. In the morning, around half past eight o'clock, meeting present the
Dutch transcription
171 Van Ternate den 31. ' Aug:s 1761. in zijn omstaande gelieven te beschouwen bij onse secreette resolutien van den 15=de en 19:' deeser Ende daar bij ingelijfde rapporten van onse na Tidors hof gesonden Commissianten waar aan ons korts= heijdshalven de vrijheijd nemen te gedragen. Intusschen dat wij door de ministers van Amboi= na bij hunne letteren van den 18:' Iulij J:o leeden mede narigt. erlangden, hoe de engelschen met drie scheepen door het opwerpen van een fort op salwattij possessie in deese gewesten zoude genomen hebben, blijkens twee verklaaringen als eene van den burger Capitain de koning en de andere van de burgeren Walram en Cornelisz. nevens een brief van den vaendrig Ingenieur Dullitz waar omtrend wij, alschoon, die berigten g'adstrueert zijn op enkelde gesegdens van den inlandez, zonder eenig verder Elucide= rend bewijs, en dus weinig staat daar op te ma= ken zij, behalven dat die ook op zig zelve zeer varieeren, met de tijding, die wij volgens # aangetekende bij besluit van den 7: dezer van 't fidoraese hof gekreegen hebben, na= mentlijk dat zij eerst in de gepasseerde maand Iulij daar aan begonnen zoude zijn, dan wel in de maand van september aanstaande stonden te rug te komen, om daar aan te beginnen, als met den koning van Salwattij, die daar aan boord geweest zouw zijn, daar omtrent over een gekomen Wesende, egter onverandwoordelijk geoordeelt hebben, hoe zeer wij ook gebrek aan vaar„ tuigen hebben geen Equipagie derwaarts te zenden van de zekerheijd van alle die ge= rugten te ervaren, en met eenen ook om haar aan Van Ternate den 31:' Aug:s 1761. aan te zeggen van daar op te breken, onder behoorlijke protestatie; dog op dat die te bieter kleinzouw hebben, hebben wij t effens diens= tig g'oordeelt, den koning van tidoor te ver= soeken met ons te gelijk te willen protes= teren; en ten dien eijnde te onderteikenen een door ons ontworpen en in de malijdse Taal overgeset protest, 't geen zijn hoogheijd aans tonds ook zeer gewillig g'accepteerd en niet alleen selfs maar ook met zijn rijxgrooten versegelt heeft, zoo als beide die geschriften bij onse resolutie van even gemelde datum g'insereert zijn. Wij twijffelen met of uw Hoog Edelheedens zullen voormelt protest van zijn hoogheijd niet alleen als een goede zaake aanmerken maar ook 's konings opregte geneigheijd voor d' Ed Comp:e daar uijt bespeuren. Terwijl wi dan bij ons besluijt van den 7:' deeser, ter uijtvoer van dat project aangelegd hebben de Bark nassauw en waar nevens uijt onsen raade als Commissianten dienstig geagt hebbe # den ondercoopman en secret:s van politie van massonen mede te geven den onderkoopmaan Gregort met wien ook van Tidoas konings zijde zal overgaan den majoor djouw kottoe, 't geen in deeze omstandigheijd niet oneijgen, maar zoo wij denken zeer dienstig is, maar of Uw Hoog Edelheedens dat wel vinden zullen in 't opwerpen van een fort op salwattij tot een wagt teegens d' aankomst der vrumde scheepen aldaar en moashandel in specerijen, zoo als den koning van Tidor ons dat heeft laaten voordragen, hebben wij veel redenen te twijffelen, want zulks, buiten alle andere ongemak _o 173 Van Ternate den 31:' Aug:s 1761. ongemak, veel lasten baaren en volk verspillen zoude, te meer om dat die eijlanden de gesonds te niet zijn en den inlander ook dikwils het drink= water weet te vergiftigen. Met betrekking tot de gepretendeerde satisfactie door het hof van Ternaten over de successive t het Tidoalse hof gepleegde roverijen, blij nog al even zeer aanhouden met beloften, en wij moeten daar bij ook melden, dat wij aan de eene kant wel zien, het zelve hoelanger hoe meer zijne verlegentheijd en Leetweesen daar over laat blijken, maar daar en tegen aan de andere zijde ook dat het hof verkeerd werkt, om de schuldige magtig te worden, zoo er nu en dan aleenighanden komt, dat men die weg stopt, dus daar omtrend weinig — reels te verwagten is, daar den koning van Ternaten egter die zaak steeds leevendig houd; wenschelijk was het dat er maar eenige weijnige in handen quamen, dan zouden Wij zien de rest bij middel van assopiatie te beslissen, op welk eenen ander wij nog= tans niet zonder redenen hope hebben. Intusschen, na uw Hoog Edelheedens Il= „lustre personen in de prosidente hoede Godes bevolen te hebben, met de uijterste acting en Eerbied ons onderschrijven /:onder stond:/ Hoog Edele Gistrenge Groot Acht= baare, manhafte, wel, wijse, voorsienige Discrete, zeer genereuse heere en heeren /:laager:/ uw Hoog Ed: Gestr: groot Agtbaare, zeer onderdanige en veel verplig= te Dienaaren /:was geteekend:/ J: V: Schoonderwoert, P: J: Valkenaer. H: V: Ossenberg re Van Teernaten 31:' Aug„s 1761. en direct deser molucos I: C: V: Osenberch, M: D: van der Haak, J: G van Raastveldt. , Jan Jonkers, J: S: van Masson, A: H=k Gregorij. /:in mar= gine:/ Ternaten In't Casteel orange adij laas= ten aug„s A:o 1761: den E: E: agtbgouvern: Jacob van Schoonderwoert den E: Coopm:n en secunde Paulus Iacobus valckenaar „ E manh: Capmilitair Ian Cornelis van Ossenberch „ Coopman & fiscaal Matthias Diderik van haak Ondercoopm: & winkel lier _:o „ secretaris Jan Gerog van Raesveld Johan Sebastiaan van Masson _:o „ p:s „ dispencier Ian Ionkers en _o. . . . . August Hendrik Gregorij De gemeene zaaken afgelopen wesende prouceerde den heer Gouverneur eene mis= sive van de Ambonse ministers ged„t 18: der even gepasseerde maand Julij, over welkers inhoud voor het meeste gedeelte reets ge= besoigneert is ter geemeene resolutie van C hedigen datum, Thans ter verhandeling van het apart daar bij bedeelde overgaande, zoo wierd in remarque genomen, dat zij op de 24: april Jongstleeden vernomen hadde Vrijdag den 7:' aug:s a:o 1765. 'S voor de middags, tegens —. halv negen uuren vergadering present de
English
175 From Ternate, the 31st August 1761. that the English would not hesitate to force an entrance into these regions with three heavy ships and some light vessels through the erection of a fort on Salwattij, sending in proof thereof four statements, the first from the burgher Captain de Koning and the others from the burghers Walram and Cornelis, alongside a report from the Ensign Engineer Gideon Dulitin. Which subject having been discussed in detail, caused some consternation in this council, for the reason that news had indeed been received here of the passage of the English, but not of the constructing of a fortress; however, when one considers that the first statement and the latest report are only supported by the mere assertions of the native, without any further elucidating proof, little reliance can be placed on that news. After which the Governor gave to understand that he had received a short letter from the Sergeant Commandant on Tidor, Jan Pieter Zeijlen, dated the 31st of the just passed month of July, merely containing that on the 27th of the same month, a certain Tidorese named Panie had arrived on Tidor with his prahu from the Papuan lands, with a letter whose contents were, however, known to no one, and on the 29th thereafter from Salwattij, the kimelaha named Valaraha, of which one can also obtain no further reports; which had moved His Honour From Ternate, the 31st August 1761. to send the Interpreter to that kingdom in order to inform that monarch of the rumour regarding the constructing of a fortification on Salwattij, and at the same time to learn what His Highness would reply thereto; who, after his return, had related that the aforementioned Tidorese Banie had brought report that the brother of the king of Salwattij had been on board with those foreign traders, and they had agreed among one another that they would come with the past new moon, either in the past month of July or else the upcoming month of September, in order to erect a fort; His Highness having been of the opinion to send his commissioners to us, but that he currently deems the same not to be necessary, requesting furthermore good counsel concerning how to conduct himself; Furthermore, that he wished to send the goegoegoe Captain Lauwt, or else another of his grandees of the realm, thither within a time of one to two months, by which time he supposed his kora-koras would have been brought into complete readiness, with further report as appears here below. Account in the form of a Report. To the Right Honourable Lord Jacob van Schoonderwoert, Governor and Director, alongside the Council of Moluccos. Right Honourable commanding Lord and Lords. After I had obtained my dismissal from 177 From Ternate, the 31st August 1761. Your Honours on Saturday, being the first of August, I betook myself to the court and to His Highness the King of Tidor, and after the preceding customary compliments and courtesies, made known to that monarch in the name of Your Honours that all kinds of news was heard of foreign navigators, and among others also that they would construct a fort on Salwattij. Whereupon His Highness served in reply that recently two prahus had come from the Papuan lands, belonging to the Tidorese Bana, who had also given report to His Highness that the brother of the king of Salwattij, named Mohiraman, had charged him to report to His Highness that his brother, the King of Salwattij, had been on board with those foreign navigators, and among other things agreed that they would come with the past new moon, or the month of July, or else the upcoming month of September, in order to erect a fort there; His Highness having been of the intention to send his envoys to Your Honours regarding this, but presently refrained therefrom, since it now took place through the undersigned. His Highness therefore requesting good counsel from Your Honours concerning this and how he shall conduct himself, thinking that his kora-koras will be brought into readiness within one to two months, intending that they send the goegoegoe Captain Lauwt, or else another of his foremost grandees of the realm, thither. Furthermore, I asked His Highness in polite terms in the name of Your Honours whether the quimalaho Vallarha had not also come to Tidor from the Papuan lands with him, Bana, bringing along a letter to His Highness. Whereupon From Ternate, 31st August 1761. Whereupon His Highness replied that he, Bana, had come from there alone, but Valbaraha had remained behind, and that he, Bana, had brought along a letter from the king of Salwattij. Beseeching His Highness to be allowed to hear the contents thereof, so that I might also inform Your Honours of it. Which letter His Highness immediately showed to me and read aloud, wherein it stood mentioned that he, the king of Salwattij, requested pardon many times on account of the robberies committed three times on Xulla and Boeroe, namely, two times on Xulla and once on Boeroe, because such was not done by him, but by those of Wameka, Amaro, Waro, Sai, Ambie, being a village under Geben, two villages of Saron named Masamber, the interpreter Sandames, and those of Wakere; and that he would therefore await whatever His Highness of Tidor wished to do to him, be it white or black, according to his pleasure, which His Highness of Tidor regarded as a great affront; just as if he would wait for his Tidorese Highness in order to wage war with him. Furthermore, His Highness testified that he had again sent various emissaries thither to fulfill his promises to the cartel commissioners who had been there regarding the apprehended robbers who have not yet turned up, which His Highness promised to deliver up at once to the Honourable Company for punishment as soon as they arrived there. Finally, His Highness charged me to inform Your Honour
Dutch transcription
175 Van Ternate den 31:' Aug:s 1761. d' Engelschen hun niet zouden ontsun, om met drie swaare scheepen, en eenige ligte vaarthuijgen daar het opwerpen van een fort op sul wattij ingang in deze gewesten te wa= ken, zendende ten bewijse van dien over tiere verklaringen d' eerste van den burger Capitain de koning ende andere van de burgers Walram en Cornelis, nevens een berigt van den Vaendrik Ingenieur gideon Dulitin. Over welk sibject omstandig gesproken zoo baarde zulx bij desen raade eenige Consterna= tie, om reden men hier wel tijding aan de passagie der Engelschen, maar niet van 't Extrueeren eener Vesting heeft, Edog als — men agt slaat, dat de eerste verklaring en 't laaste berigt alleen maar g'adstrueert zijn op enkelde gesegdens van den Inlander, zonder eenig verder elucideerend bewijs is weinig staat op die tijding te maaken. Waar na den heer gouverneur te kennen gaf, een briefjie van den sergeant Comman= dant op tidor Jan Pieter Zeijlen, ged=t 31. der even verwoekene maand Julij gerecipieert te hebben, eenlijk behelsende dat op den 27: egusdem mesisis, zekeren Tidorees, genoemt Panie, met zijn prauw uijt de papoe op tidor gearriveerd was, met een briefje inhoud egter niemand bekend was, en den 29:' daar aan van Salwattij, de kimelaha gew=t Valaraha, waar van men ook geene nadere berugten kan erlangen; 'T welk zijn Edele bewogen had Van Ternate den 31:' Aug=s 1761. had den Tolk na dat koningkrijk te senden om dien vorst de mare nopens 't Exestritee= ren eener fortificatie op sal wattij te bedeelen, en 'teffens te vernemen, wat zijn hoogheijd daar op zoude antwoorden, Dewelke na desselvs retour gerelateert had, dat voorn: Tidorees— banie na rigt gebragt had den Broeder van den koning van salwattij bij die vreemde traffriquanten aanboord geweest was, en onder elkanderen besloten hadden, hoe zij met het vergangen nieuw ligt of in de verledene maand Julij dan wel de aanstaande maar September zoude komen om een fort opte reg= ten, zijnde, zijn hoogheijd van sentiment geweest, desselvs gecommitteerdens tot ons te senden„ dog dat hij 't selve thans niet nodig agt te zijn versoekende verders goeden raad daar om= trend hoe zig te gedragen; Voorts dat den goegoegoe Capitain Lauwt, dan wel een ander van zijne rijxgrooten derwaarts zenden, wilde, binnen een a twee maanden tijds, als wanneer vermeende zijne Carre Carres volkoomen in gereedheijd zouden gebragt zijn, met verder berigt als hier onder Consteert Relaas bijforma van Rapport. Aan den Wel Edele agtb=re Heer Jacob van Schoonderwoert Gouverneur en directeur nevens den raad van Moluccos. — wel Ed: agtb=re gebiende heere & heeren. na dat op zaturdag zijnde primo aug:s mijn demissie van 177 Van Ternate den 31:' Aug„s 1761. van UWE: agtb=re hadde erlangd, heb ik mij na het hof en bij zijn hoogheijd den koning van Tider begeven en naar voor afgaan de gewoone Complimenten en pligt= plegingen dien vorst uijt naam van uwE: Agtb=re be„ kent gemaakt, dat 'er alderhande tijding gehoort wierd, van vreemde equipanten en onder anderen ook dat dezelve een fort zoude Extrueeren op sal wattij: Waar op zijn hoogheid in antwoord, diende dat nu onlangs twee prauwen uijt de papae waaren gekomen, toebehoorende den Tidorees bana, die zijn hoogheijd ook berigt gedaan had, dat de broeder van den koning van salwattij mohira= man gen=t: hem had gelast om zijn hoogheijd te rapporteeren, dat desselvs broeder den ko= ning van salwattij, bij die vreemde equipanten aan boord was geweest en onder anderen besloten dat zij met vergangen nieuw ligt ofde maand Julij, dan wel de aanstaande maand sebtember zoude komen, ten fine aldaar een fort op te regten, zijnde zijn hoogheijd van meening geweest, dit aan gaande desselfs afgesanten tot uwE: agtb: te sen= den, dog Jegenswoordig daar van afsag, voordien het nu door den ondergeteekende geschiede. versoekende zijn hoogheijd dierhalven aan uwE: agtb=re een goeder raad daar omtrend, en hoe zig zal gedragen, den kende dat zijn Corre Corres bin= nen, een a twee maanden in gereedheijd zullen zijn gebragt, willende dat zij den goegoegoecac= pitain lauwt, dan wel een ander van zijn voor= naamste rijxgrooten, derwaarts zenden Wijders vraagde ik zijn hoogheijd in beleefde termen uijt naam van uw E: agtb: of niet den quimalaho vallarha, mede uijt de papoe met hem bana, op tidor was gekomen meede brengende een briefie aan zijn hoogheijd. waar Van Ternate 31:' Aug:s 1764. Waar op zijn hoogheijd repliceerde, dat hij bana alleen van daar gekomen maar valbaraha quiter verbleven was, en dat hij bana een brieffie had meede gebragt aan den koning van salwattij. smeekende zijn hoogheijd om den inhoud van dien te mogen hooren, op dat uWE: agtb:r daar van meede mogte bedeelen. Welke brief zijn hoogheijd terstond aan mij ver= thoonde en voorleesd=n, waar in vermelt sting als dat hij koning van salwattij veel keeren om Exccus versogt wegens de drie keeren gepleegde ro= verijen op xulla en boroe te weten, twee keeren opvulla en eens op boeroe, want zulxs niet door hem maar door die van wameka, amaro, Waro, sai, ambie, zijnde een negorij staande onder geben, twee negorijen van saron masamber gen=t den tolk sandames en die van wakere, en dat hij dier halven afzoude wagten, 't geen zijn — hooghyd van Tidor aan hem wilde doen, 't was wit of swart, nadies welbehagen, het geen zijn hoogheijd van Tidor voor een groot affrond aan Hooghuijs merkte; even als of hij zijn tidorsheijd zoude wagten om met hem te oorlogen. Wijders betuijgde zijn hoogheijd als dat hij weder om verscheyde afzendelingen had heen gesonden om zijn beloften aan de Cartelings daar geweest zynde Commissianten /:weegens de opgevatte roo= vers die nog niet zijn komen op dagen:/ te voldoen, 't geen zijn hoogheijd beloofde zoodra e aldaar quamen ten eersten aan d' E Comp=e ter straffe overleveren. Eijndelyk gelasten mij zijn hoogheyd, om aan. UWed