Inventory 3028
Surat · 640 pages · 154 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
85. From Macassar, 25 May 1761. I believe I may flatter myself that the renewal of the contracts will take effect, and be accomplished entirely to satisfaction, especially now that it has pleased Your Right Honourables to qualify me to use mitigation regarding what was previously demanded. The principal point that will come into consideration in this matter will be the erection of a stronghold in those lands whenever the Company shall deem it necessary, in the manner dictated by the tenth article of the contract, as they infer from this that as soon as the said contract is concluded, a beginning will immediately be made therewith; just as that was indeed the principal reason why in the year 1756, in the company of Captain Reijsweben, being at the said place, I was unable to carry out my commission to satisfaction. Wherefore, in the hope of a favourable interpretation, I take the liberty respectfully to submit to Your Right Honourables whether it would not be most advisable for the said article to be so altered, or clarified, that no evil suspicion can arise from it; for although it is sufficiently apparent that the present King is not ill-disposed toward the Company, there nevertheless remains a kind of jealousy, which must be removed in time and through friendly treatment, as what they have undergone is still too fresh in their memory to be so quickly forgotten. The demand of one thousand slaves will also, so I trust, be hard to digest, yet I shall continue to insist upon it, and if it cannot be the full number, at least try to stipulate as many as may be possible, to serve as a token of their confession of guilt and submission. The aforesaid From Macassar, 25 May 1761. The aforesaid envoys I have cajoled as much as was possible, and at their request presented them with a Prince's flag and compass, under the favourable approval of Your Right Honourables, amounting to f. 23. 16. 8, and I dispatched them on 24 February last with a Company letter and one written by me in private, both to be found among the translations, and to which I reverently refer; I have also paid for the hire of the vessel sent thither by me, and to those who manned the same, a small sum of rds 67: 6. or f. 161. 2., very dutifully requesting that this may be reimbursed to me here from the Company's treasury. Bima. The envoys of that realm returned to their country on 31 October, taking with them a letter written to their King in reply to his. Pursuant to the esteemed authorization of Your Right Honourables, I caused to be supplied to them: 575 pieces of swivel-gun balls, 425 ditto of 8 lb lead, 750 lb or 6 picols of gunpowder, and 375 lb or 3 picols of lead, which they paid in cash with a substantial advance into the treasury, out of a sum of rds 500: or f. 1200, which was advanced to them according to the council resolution of 20 October of the past year, in order to be settled against the forthcoming delivery of sappanwood. Since then, Resident Tinne, by a letter of 10 March last, has informed me 87. From Macassar, 25 May 1761. informed me that the expedition to Manggarai has proceeded and that they, with a formidable force consisting of upwards of 40 vessels and 3,000 men, besides the fleet of Sapeh and Komodo, had landed there without hindrance, already taken up a position, and erected a benteng for storing their goods; though they had not yet seen any Macassars, but several chiefs of negorijen, who had been subdued by that nation, are submitting themselves again under the King of Bima. It must be awaited from time what success this fortunate beginning will have. Meanwhile, I have for some time already refused to grant passes to the Macassars of this country to go thither, notwithstanding that they have had requests made to me for that purpose under various pretexts, as well as to Sumbawa, where matters remain just as confused. The Queen of that realm was dangerously wounded by a runner of amok about a month before the past New Year, though she has fortunately recovered; yet the Rijksbestierder Nene Renga still retains his great authority, not only against the wishes of the princes and grandees of the realm, but also of the Queen herself, who would gladly appoint a Dato Jenere as the successor; but she is prevented therein by the said minister, who would prefer to have the grandson of that princess, born of a Prince of Paliwang, chosen for that purpose, being certain that, if he succeeds therein, he will be able to direct everything according to his pleasure. Also complains the
Dutch transcription
85. Van Macassar Den 25:' Meij 1761: meene te mogen flatteeren, het verneuwen der Contracten vall zal gevolg neemen, en teen Genoegen verrigt werden, voor namentlijk nu het uw hoog Edelheedens behaagd heeft, mij te qualificeeren, omme omtrend het voor heen G'eijschte mitigatie te mogen gebruijken. Het voornoemste poinct dat indezen zal komen in consideratie zal sijn het opreg ten van eene vastigheijd daer te landen, wanneer het deComp zal nodig oordeelen, in voegen het thiende articul van't Contract dicteerd, alzoo zij daer uijt opmakende, dat het Gem: Contract Geslooten, „ al aenstonts daer mede een begin zal werden Gemaekt, zoo als dat dan ook wel de Principaalste redenen is geweest, waeromme ik in den Jaere 1756. in Comp: vanden Capitain Reijsweben, ter Gem plaetse zijnde mijne Commissie niet na ge„ noegen hebbe konnen uijt voeren; weshalven ik in hoope van gunstige wel duijding: de vrijleijk neeme ik uw hoog Edelheedens met Eerbiedigheijd in heeden seen te geven of't niet raedzaemst zoude sijn, het Gemelde articul zodanig verschikt, ofte opgeheldead te werden, dat er geen quade suspicie uijt kan voortkomen; want alhoe wel 't genoegzaem blykt, dat den tegenswoordigen ko„ ning de Comp: niet ongenegen is, resteerd en nogthans een zoort van jalousie, die voorde tijd en een vriendelijke behandeling moet werden weggenomen alzo 't haer nog te versch in't Geheugen legd, 't geene zij hebben ondergaen, om zo schielijk vergeeten te worden, den Eijsch van duijzent slaven zal ook, zo ik vertrouwe van een harde di„ gestie zijn, dog zal ik daerop blijven aanhouden, en is 't niet het volle Getal, ten minsten zo veel zien te bedingen, als mogelijk zij om testrecken tot een teeden van haere schuld bekentenisse en onder werping De voorsz Van Cacassar Den 25 Meij 1761. De voorsz Gezanten heb jk zo veel zij is mogelijk geweest Gecajoleert, en op haer verzoek, beschonken met een prince vlagen Compas onder de Gunstige approbatie van uw hoog Edelheedens, bedragende ƒ.23 16. 8, en heb haer op den 24: febr: /I: L:/ Gedepecheerd — met een sComp:s in een van mij in't particulier Gesz: missive, bijde onder de translaten te vinden, en waer aan ik mij reverentelijk Gedrage; ook heb ik voor huur van't vaertuijg, door mij derwaerts gezonden, en aan de geene, die 't zelve hebben bemand:t betaald een zommetje van rds 67: 6. — of ƒ161. 2. — verzoekende zeer gedienstiglijk, dat mij zulx alhier uijt sComp: Cassa mag werden te rug gegeven. Binna de Gezanten vandat rijk zijn op den 31. van 8ber na haer Land Geretourneerd, mede nemende een brief aan haeren Coning tot antwoord op de zijne Gesz: ik heb aan dezelve, volgens de G'Eerde qualificatie van uw hoog Edelheedens, laten verstrecken 575. p:s basskoegels 425. „ do van 8 lb Loodd. 750 „ of 6 picols buskruijt, en 375. „ „ 3 _o Lood. het geene zij in Contant met een Capitaal advans in Cassa betaald hebben uijt eene zomma van rds 500: of ƒ1200—, die aan haer volgens raedsbee sluijt vanden 20: 8ber ao pass:o Geschooten zijn, om„ me in de aenstaende leverantie van sappanhout te voldoen zeedert heeft mij den Resident Tinne, bijschaij vens van den 10: maert laestleeden, kennisse Gegevan mij . 87. Van Maccassar Den 25: Meij 1761. gegeven, dat de Expeditie nade mangarij voortgang geno men en zijl: met een formidable magt, beslaende in ruijm 40: vaertuijgen en 3000 man, behalven nogde vloot van sapee, een Cammodo, mitsgaders dat zealdaer zouder linden Geland, reets post gevat, en een bentink tot berging hacala goederen hadden opgerigt, dog dat ze nog geen macassaeren vernomen, maer dat verscheijdene hoofden van Nego„ rijen, die door die natie te ondergebragt waren, begevende zig weder onder den Coning van bima„ moetende, vanden tijd werden afgewagt, wat succes dit Ge„ luckig begin zal hebben, ondertusschen heb ik al 't zedert eenige tijd de macassaeren van dit Land Geweijgerd het verleenen van pascen, nader waerts, niet tegenstaende zijl: mij daer om onder verscheijden voorgevens hebben laten verzoeken, en ook na — Cumbauwa, al waer de zaken nog even verwaad staen, zijnde de koninginne van dat rijk omtrend een maend voor 't Gepasseerde nieuw Jaer door een Amook speel„ der Gevaerlijk gequest geworden, hoe wel weder Ge luckig geweezen; dog blijft den Rijkheft ierden Nene renga nog behouden zijn groot Gezag, niet alleen tegens den zin der princen en grooten des rijx, maer ook vande Coninginne zelfs, die gaerne Eenen datoua Jenere tot den bezoon wilde benoemen, dog word daer inne vermid„ terlijk door Gem: ministers bellet, diede klein zoon van die vorstinne, gebooren van eene Prins van Pali„ wang liefst daer toe verkooren wilde hebben, verzekerd zijnde, als hem zulx Geluckende, alles te kunnen dirigeeren na zijn welgevallen; ook klaagd G den
English
From Macassar, 25 May 1761. the resident in the said letter complained very strongly about the multitude of pirates who make the sea unsafe in those parts, requesting at the same time some seafaring men and small artillery, such as swivel guns and similar firearms, believing that he would then be able to overpower some of them. However, in my letter of the 25th I answered him regarding all this, recommending that he keep a watchful eye on the actions of that regent of the realm, but rejecting his project to conduct the cruising there himself, for the reasons that we here are devoid of such artillery, have few sailors to spare, and because it is apparent that, once the said regent of the realm is stripped of his power, all these acts of violence would presumptively also cease; and since in this matter, on account of the far remoteness of that realm, nothing else can be done, I shall now pass on to the land of Dompo, whose King still continues in the immoderate use of opium, whereby everything runs wild, and little thought is given to attending to the delivery of sappanwood, to the unbearable burden of his subjects, who are terribly fleeced thereby. I have, as has already occurred repeatedly, recommended to the resident that he do his best to exhort that prince by amicable means to a more proper conduct, and I hope the same will have a good effect. Meanwhile, those of Tambora have sent envoys to me, not only to felicitate me upon my accession as Governor, but also to settle a certain dispute with the Lapekatters concerning 100 Tamborese. However, since this matter has repeatedly been brought to the table, and in the year 1757 was reasonably pronounced upon by the resident Burggraaf in full assembly in favor of the Lapekatters, I have written to them that they must conduct themselves in conformity with the laws of the land; and this being all that is to be said of the overseas princes, I shall with respect pass on to the residency of Saleijer, where the Galarrings and subjects of the village of Balleboele have brought forward numerous complaints against their regent and requested that he might be deposed, and another chosen in his place. These complaints having been examined in the presence of all the regents of that island, they unanimously declared that the conduct of the cited regent was so outrageous and unbearable that he could not well hold that office any longer, or it would run the risk that all, or at least the greatest number of his subjects, would absent themselves and flee the land, as stands noted in the daily register of 24 October of the past year. Whereupon the said subjects proposed, to rule over them as regent, the person of Dani Massikij, who was then also appointed thereto by resolution of 25 November, subject to the honored approval of Your Right Noblenesses; and at their urgent request, it was granted to the collective regents not to come down in the coming month of October, because their presence at home was necessary in order to renovate the post and the house of the resident, under this condition, however, that the usual laborers should come to this Castle at the usual time with their deputy and the customary tribute to perform the court services. Of the Southern Provinces there is nothing real to note, other than that the respectful subscriber of this performed the tithing there, and, on that occasion, settled some disputes of no great importance, and also, at the request of the subjects of the village of Boute Tanga, appointed as their Crain the widow of the regent of that village who had died a few days previously. And with respect to the Northern Provinces, everything is in a desirable state of tranquility, nothing having occurred there except that late in the preceding month of April the regent of the village of Marrang passed away, and upon the proposal of the resident Z浏览engrebel, by letter of the 30th of the said month, and the petition of the subjects, the soelewattang or deputy Daeng Malimpo was appointed in his place by resolution of the 12th of this month, subject to the honored approval of Your Right Noblenesses. In Galisjong and Poelembankeeng everything is likewise in good order, nothing having occurred there except that some of the subjects addressed themselves to me with some complaints regarding paddy fields, but all of these were amicably settled by the interpreter Brugman, whom I sent thither for investigation. But in Turatte everything is completely in turmoil, because Crain Binamoe has been deposed by the King of Boni.
Dutch transcription
Van Macassar Den 25:' Meij 1761. den resident bij gem schrijvens zeer sterk over de menigte van zeer overs, die daer om streeks dezee onven„ lig makende verzoekende teffens om eenige zeevarende en klein Geschut, als van draaijbassen en dierge„ lijke schiet Geweiren, vermeenende als dan instaat te zul„ len zijn eenige daer van magtig te komen werden, dog ik heb„ be den zelven op dit alles bij mijn schrijvens vanden 25 daer aan Geantwoord, en Gerecommandeat op 't gedoen te van dien Rijxbestierden Een wakend ooge te houden, dog zijn project, om de bekruijsing aldaer zelfs te ver„ rigten vande hand Gewezen, om redenen, dat men al„ hier van zodanig Geschut ontbloot is weijnig mat„ troosen te missen heeft, en om dat het apparent is, want neer den Gem: rijxbestierder eens van zijn magt ontblood raekte, als dan alle dese Gewel den arijt ook na presumptie zouden ophouden; en aengezien hierinne, om de wille vande verre afgelegentheijd van dat rijk„ niets anders tedoen is, zoo zal nu overgaen tot het land van Dompo, welkers Coning nog Continueerd in 't onmatig gebruijk der anifioen, waer door alles in het wild loopt, en weijnig Gedagt word, om de Leverantie van sappanhout te behartigen, tot een ondragelijke last zijner onderdanen, die daerdoor vreeselijk geplukt worden, ik hebbe, zo als te meermalen reets Geschied is, den resident gerecommandeert, zij heft te doen dien prins door minnelijke weegen tot een ge schikter gedrag aan te maanen, en venhoope het zelve van een goed Effect zal zijn; ondertussen hebben die van Tambora bij mij Gezanten gezonden, niet al„ leen tot delicitatie met mijne optreeding als Gou„ vlaieua ƒ 89. Maccasssar Den 25:' Meij 1761. Van S ƒ verneur maer ook omme zeeker verschil met de Lafe„ kasters weegens 100 tamboreesen uijt de weg te ruijmen, dan aengezien dese questie te meermalen op 't tapijt Ge„ weest, en inden Jaere 1757. door den resident burggraef in de volle vergadering ten voordeele den Lapekatters nabillijkheijd is uijt Gesprooken, hebbe Jk haer aenge schreeven, dat ze sig daer aan Conform 'slands wetten moeten Gedragen; en dit het al zijnde 't geene van de over walsche vorsten vald: te zeggen, zal ik met eerbied overgaen tot de residentie Zaleijer, al waer de Galarrings en onderdanen van de Negorij balleboele menigvuldige klagten tegens haren regent ingebragt en verzogt hebben, de zelve mogte werden afgezet, en een ander indesselfs plaetze verkoonen werde, welke klagten dan in„ presentie van alle de regenten van dat Eijland Gehamin:d zijnde zoo verclaerden zijl: Een parig, dat het gedrag van Gecit:d regent zo buijten spoorig en onverdragelijk was, dat hij niet wel langer dat ampt konde beklae„ den, of't zoude pericul loopen, dat alle often minsten het grootste getal zijner onderdanen zig zouden absenteeren, en van 't Land vlugten, zo als zulx genoteerd staat bij dag register vanden 24 8ber: des Gepasseerden Jaers; waerop dan door Gemelde onderdanen voorgedragen is, omme als regent overhaer te Gebieden, den perzoon van Dani Massikij, die dan ook bij resolutie vanden 25 november, op de G'eerde approbatie uwer hoog Edel„ heedens, daer toe is aengesteld, en aende Gezamentlijke Regenten op haere instantee Geaccordeert, in de aenstaende maend van octob: niet of te komen deewijl Van Macassar Den 25 Meij 1761. dewijl haere presentie te huijs noodzakelijk was, om de post en't huijs vanden resident te vernouwen, onder dese Conditie egter, dat het gewoone arbeijds volk ter Gewoone tijd met hune stedehouder en gewoone tribuijt ter verrigtinge de hof diensten aan dit Casteel quamen; van de zuijder Provincien valk niets reels te noteeren als dat den Eerbiedigen teekenaer deses aldaer de vertie„ ninge gedaen, en, hij die gelegentheijt, eenige verschillen van geen groot belang vereffend, mitsgad:s, op 't ver zoek vande onderdanen der negorij boute tanga, tot haeren Crain de wed vanden eenige dagen bevorens overleden regent dien negorij aengesteld heeft; en ten opzigte vande. Noorder Provintien is alles uieen Gewenschte rust zijnde aldaer niets voorgevallen, als dat in het Laast vande voorgaende maend april overleeden is dan regent den Negorij Marrang, en op de voorstelling van den resident Zwellingrebel, bijschrijvens vanden 30 des Gem maend en desolicilatie der onderdanen, in desselfs plaets bij besluijt vanden 12: dezer aange steld den soelewattang ofte stede houden danin Ma„ limpo, op de G'eerde appriobatie van uw hoog Edelh:s op Galisjong en Poelembankeeng is alles mede wel Gesteld, zijnde aldaer niets voorgevallen, als dat zommige der onderdaenen zig bij mij geaddresseerd hebben met eenige klagten weegens zadij velden dog die alle door den tolcq brugman /:die ik ter onderzoek heb derwaerts gezonden / in der minne vereffend zijn: maer in Turatte segt 't ten Eenemaal overhoop, door dien Crain binamoe door den Koning van boneij abge het ou kort alle res ander ceen dit vl tot en Lag 1
English
91. From Macassar, 25 May 1761. placed, and no other has yet been appointed in his stead; as the same is recorded in detail in the daily register under date of 15 November last, to which I, in order to observe brevity as much as possible, reverently refer: And having now rendered as concise an account as possible of all that has transpired, I will here add with respect that the resident of Bima, among other matters, has requested to be authorized to purchase 50 head of male slaves on the terms as the same are delivered by the burghers here; but since I am unaware whether your Right Excellencies are pleased to be served by that nation, I have provisionally declined this, until I have received orders from your Right Excellencies in this regard, for which I then respectfully petition:— wherewith concluding this, I take the liberty with profound respect to remain (below stood) Right Honourable, Rigorous, Highly Esteemed, Valiant, Gallant, Wise, Provident, Most Generous, Far-Commanding Lord and Lords (lower) your Right Excellencies' humble and obedient servant (was signed) C Sinkelaar (in the margin) Macassar in Castle Rotterdam, 25 May 1761. To - From Macassar, 24 May 1761. Batavia To his Excellency The Right Honourable, Rigorous, Highly Esteemed Lord Jacob Mossel General of Infantry in the service of the State of the United Netherlands, as well as, on behalf of the same and the General Chartered East India Company, Governor-General. Together with The Honourable Gentlemen Councillors of the Netherlands Indies Right Honourable, Highly Esteemed, Rigorous, Valiant, Gallant, Wise, Provident, Most Generous, Far-Commanding Lord and Lords On 5 March of this current year we had the honour, alongside other letters and papers, likewise brought there overland from Boelecomba by the ship De Waakzaamheid, properly to receive your Right Excellencies' much honoured missive dated 17 January prior, accompanied by an extract of a secret letter to Ternate dated 31 December 1759, and on 10 April following, via the native Intje Jacoet, the duplicate thereof, to which we now in all reverence take the liberty to reply, and that 93. From Macassar, 24 May 1765. firstly by expressing to your Right Excellencies our most humble gratitude for the communication provided therewith, as also most humbly assuring the same that we shall by no means fail, upon occurring opportunities, promptly to observe that which is mentioned both in the aforementioned missives and in the extract: In which manner we have also given the necessary notice to all subordinate residents by sending the above-mentioned extract and an earnest recommendation, when required, to conduct themselves strictly according to its contents, and at the same time we have also sent them a template of a protest, so that, if required, they can make use of it. While we furthermore hereby, in line of duty, bring to the knowledge of your Right Excellencies that on 16 April, toward evening, a two-masted sloop appeared in sight of this Government, to which the licence master Jan Hendrik Voll, by virtue of his office, had sent an emissary to inquire whence the same came or to whom it belonged, who then, having returned thence the next morning at about eight o'clock, brought along a letter written in the English language, sent herewith in original among the appendices, and also reported orally that it was an English sloop, which, according to the statement of its officers, was in the utmost distress for rice and water and had therefore also been compelled to call at this Government. As the previously cited Voll immediately gave communication of all this, From Macassar, 24 May 1761. communication having been given, we thereupon, after we had assembled together, as appears from the resolution of that date, which we in all reverence allow to accompany this, immediately resolved to send our burgher ensign Jan Carel van Drost (as being well-versed in the English language) to that small vessel, with orders to notify the officers thereof in our name to depart from this coast again immediately, as also not to call at any places subordinate to this Government, much less to let any crew go ashore, but rather to turn their bows toward the place of their destination. Whereupon the commander of that small vessel returned the answer that he once again most urgently requested that he might please be assisted with some provisions and water, for otherwise he and his remaining crew would have to perish of hunger, the same having furthermore dropped his anchor behind the small island of Leijleij. After receiving this answer, we then once again sent the above-mentioned Van Drost thither, providing him with a letter addressed to the commander of the frequently mentioned sloop (also accompanying this), in which we wrote to the same that we were willing to assist him with the necessities, provided that he would then immediately leave this coast again, and in the meantime ensure that none of his crew went off board, nor that any person came on
Dutch transcription
91. Van Macassar Den 25 Meij 1761. zet, en nog geen ander indes zelfs plaets gesteld is; zoo als sulx omstandig Genoteerd staat bij het dag register de dato 15 November pass:o, waer aan ik, om zo veel mogelijk de kortheijd te betragten, met reverentie mij gedraage: Ende als nu zoo Concis mij Mogelijk zij verslag van alle 't Gepasseerde gedaen hebbende, zal ik hier nog met resplct bij voegen, dat den resident van bima, onder meer andere zaeken, verzogt heeft, te mogen werden Gequalifi„ ceerd tot den inkoop van 50 stux mans slaven op de Con„ ditien zodanig dezelve door de burgers alhier gele„ rend werden; danaengezien ik onkundig ben of uw hoog Edelheed:s wel Gelieven Gedient te wezen van die natie heb ik bij provisie zulx vande hand geweezen, tot dat ik van uw hoog Edelheedens hier omtrend erlangde, waeromme ik dan met eerbied ben verzoekende:— waer mede deze besluijtende, soo Ge bruijke de vrijheijd met profond respect te verblij ren (onderstond) Hoog Edele Gestrenge Groot agtb: Erntfeste, manhafte wijze voorzienige zeer Genereuze wijdgebiedende Heere en Heeren /ager) uw hoog Edelheedens onderdanige en Gehoor„ zaamen Dienaar (was Getekent) C Sinkelaar in margine) Macasser in't Casteel Rotterdam den 25 Meij 1761. Aan - Van Macassar den 24:' Meij 1761. Batavia Aan zijn Excellentie Den Hoog Edelen Gestr: Groot agtb: Heere Jacob Mossel Generaal over de infanterie ten dienste van den staat den zen Eenigde Nederlanden mits„ gaders weegens dezelve ende Generale Geoctroijeerde oost Jn„ dische Comp: Gouverneur Generaal. Nevens D' Wel Edele Heeren Raden van Nederlands Jndia Hoog Edele Groot Agtb: Gestrenge Erntfeste, Manhafte wijze voorzienige, seer Genereuse Uijdgebiedende Heere en Heeren Den 5 Maert anno stantij hadden wij de Eere, ne vens andere brieven en Papieren, almede over den Land„ weg van boelecomba, Per 't schip D' waakzaem„ heijd aldaer aengebragt, uw hoog Edelheedens seer G'eerde missive indato 17: Janu: daer bevoorens, verzeld met een Extract secreete brief na Ternaten in dato 31: December 1759. en den 10 april daer aan per den inlander Jntje Jacoet dies duplicaat, wel 't ontfangen, waer op wij thans in alle Eer„ bied de vrijheijd neemen t' antwoorden, en wel Voor 93. Van Macassar Den 24:' Maij 1765. voor Eerst uw hoog Edelheedens ookmoedigst dank„ betuijgen voor de daer bijgegevene Communicatie, als ook hoogst dezelve ootmoedigst verzekeren dat w' geensints ingebreeke zullen blijven bij voorkomende Geleegentheeden, het gene zo wel bij dven Gemelde missives als bij eet Extract Gemen„ tioneerde, promptelijk t' observeeren: Jn welkeer voegen wij ook alle onderhoorige residenten de nodige weet hebben gedaan met toezending van bovengem: Extract en Ernstige recommandatie, wanneer het verEijscht werdende sig stiptelijk na dies inhoude te gedragen, en teffens hun ook toegezonden hebben Een model van een protest, om des Gerequireerd werdende zig daer van te konnen bedienen. Terwijl wij verder bij dezen uw hoog Edelheedens dan ook nog pligts schuldig ter kennisse brengen, dat zig op den 16 april teegens den avond in't gezigt van dit Gouvernement verthoonde den twee maste Chialoup, na welke den licentmeester Ian hendrik Voll, ampts halven, Eenen zendeling gezonden hadde, om te laaten verneemen, van waerdezelve quam, of wie was toe„ behoorende, die dan des anderen morgens omtrend agt uuren van daer te rug Gekeert weezende; meede bragt Een briefje inde Engelse taal Geschreeven, onder de bijlagen in origineel overgaende :/ als meede mondelings rapporteerde, dat het eene Engelse Chialoup was, de welke, volgens zeggen vandies over heeden ten hoogsten verleegen waere, om rijst en water en daerom ook genoodzaekt was geweest, om dit Gouvernement aan te doen van welk een en ander den voorgeciteerden val opstonds Communicatie Van Macassar Den 24:' Meij 1761. communicatie heeft gegeven zo hebben wij daerop na dat bij den andere vergaderd waeren, blijkens resolutie vandien datum, die wij in alle Eerbied dezen laten verzellen, ten Eersten beslooten onzen burger vaenderig Ian Carel van Drost (als de Engelse taal wel kundig zijnde :/ nadat bodemptje te zenden, met last om de overheeden van dien, uijt onzen naem„ aante zeggen om zig ten Eersten van dese Custe weder om te verwijderen; als mede niet aan te doen Eenige plaetzen onder dit Gouvernement sorteerende, nog minder Eenig volk aande wal te laaten gaan, maer wel hunne steevenen te wenden na de plaetse haere destinatie Waerop de Gezaghebber vandat Kieltje dat ant„ woord liet weeten, dat hij nogmaals seer Jnstan„ tig verzogte, om dog met eenige Provisie en water Geholpen te mogen werden: want dat hij anders met zijn overhebbend volk van honger zou moeten vergaen, hebbende dezelve voorts zijn anker laten vallen agter het eijlandje leijleij, na welk ontfangen antwoord wij dan bovengemelde van drost nogmaals derwaerts gezonden hebben, meede gevende Eenen brief, gerigt aanden Gezaghebber van dik gerepte Chialoup /:deeze almede verzellende :/ bij welken wij den zelven geschreeven hebben, dat wij hem wel wilden helpen met het benodigde, mits, dat hij als dan wederom ten eersten deese Custe quam te verlaten, en in middens besorgde, dat niemand van zijn volk van boord ging, nog te ook Geen mensch aan 1 K en den van de alo en om
English
From Macassar, 24 May 1761. permitted to approach it, and, in order to be secure therein, we have stationed alongside it as a guard the scows Adam and Kaaskooper, each manned with a sergeant and twelve privates, as well as a quartermaster and 4 sailors, with orders that these sergeants should take care not to allow anyone to go from or on board that sloop. Furthermore, we have also prepared some notices as quickly as possible, in order to forbid everyone, whether European, Chinese, subject, or ally, in any way or pretext to go on board that sloop, or indeed, on occasion here ashore, to engage in any talk or conversation with any of them, on penalty of proceeding against the offenders with all rigor and without connivance, and having them punished according to custom. Furthermore, the often-mentioned Ensign van Drost returned in the evening at about eight o'clock, bringing along a letter, annexed hereto, from the so often-cited commander of that vessel; wherein he submitted to everything that was written to him in the letter sent to him, with a repeated request to be provided with what was demanded; thus we have, in accordance with what was decided at our meeting of 18 April, whereof an extract is attached hereto, since one could in some way ascertain that he must be in distress, as it was that very same sloop whereof the ten English crew members sent to us from Bima, mentioned in their declaration inserted in our resolution of 25 March, made mention, and of which the resident of Saleyer, Burggraaf, also makes mention in his letter of 10 March, sent solely two lasts of rice and some leagers of water, and rejected the remainder of the demands, under repeated recommendation, after the receipt of the aforementioned goods, to continue his voyage immediately, and in case he did not comply with this, then he would have no one else to blame for whatever might happen to him but himself. Whereupon he left this government on the 20th thereafter in the morning at six o'clock, after having saluted the Castle with 9 cannon shots, and, according to his statement, continued the voyage to Madras. Wherewith, with deeply bound respect, we remain Underneath stood: High Noble, Right Honorable, Severe, Steadfast, Valiant, Wise, Provident, Very Generous, Widely Commanding Lord and Lords. Lower: Your High Noblenesses' very humble and faithful servants. Was signed: C. Sinkelaar, J. P. Rick, D. Bacheracht, J. Beynon, T. A. Woll, Hendrik Wolff, Helmkamp, F. W. H. Bleydenberg. In the margin: Macassar, in Fort Rotterdam, 24 May 1761. Resolution Separate G S From Macassar, dated 24 May 1761. Separate Resolution Taken Friday, 17 April in the year 1761. In the morning at eight o'clock, all Present. After the prayer, the Governor made known to this assembly that early this morning the collector of customs Ian Hendrik Voll had handed over to his Honor a letter written in the English language, which the aforementioned Voll had just received from a certain native named Doerahim, whom he, in his official capacity, had sent the day before to a two-masted sloop sailing in sight of this government, to inquire where it came from and whither it intended to set its course. The aforementioned letter, translated immediately by order of his Honor and then read out, was found to be of the following content: Sir, This serves solely to accompany a sloop belonging to the service of the Noble Company of England, which with a ship that continued its voyage from China to Europe, and which was shipwrecked in the Sapeh Strait, district of Macassar, therefore requests very humbly of whoever this shall be shown to, all help and assistance, such as for firewood, water, etc., while the often-mentioned sloop must still cruise to find another ship destined for Madras. I am, Sir, Lower: Your Honor's most humble servant. Was signed: A. Dalrymple. In the margin: Cuddalore, 16 April 1761. Underneath: P.S. In expectation that this sloop, which is mounted with 9 pieces of cannon, will show all respect and obedience to all fortresses by an equal number of shots. The superscription is: To the honorable Governor, in Castle Rotterdam at Macassar. Translated from the English. Signed: Andries de Gorgier, T. Caclet was outside the coat of arms, signed with the letters T.I.R.M.I. Whereupon extensive discussion took place, and everything concerning this having been maturely considered, and it having also been taken into account that one was above all duty-bound promptly to observe the orders of our Lords and Masters successively given concerning foreign nations, and afterwards renewed so many times, indeed even with the latest missive of the aforementioned High Nobilities sent to us under date of 17 January last; it was, for the reasons mentioned hereinbefore, unanimously resolved to send our burgher ensign Ian Carel van Drost, as he is knowledgeable in the English language, as quickly as possible to that vessel, with orders to the officer commanding that sloop. Macassar, dated 24 May 1761.
Dutch transcription
95 Van Macassar Den 24:' Maij 1761. aan het zelve toeliet te komen, en, om daer insecuur te weezen, hebben, mijde schouwen de adam ende Kaas„ kooper, ijder bemant met een Zergeant en twaalf gemeenen, als mede Een quartier meester„ „ 4: matroosen op zeij vanden zelven op brandwagt gelegt, met ordre, dat die zergeanten zouden hebben zorge te dragen, om niemand van, nog aan boord„ van die Chialoup te laaten gaen: Voorts hebben wij ook ten spoedigsten Eenige be„ kendmakingen in gereedheijd Gebragt, ten Eijnde eenen ijgelijken, zo Europees; Chinees, onderdaen, en bondgenooten t' interdiceeren om haer op eenigerlij wijze of pretext te begeven aanboort van die Chialoup, dan wel, bij occasie, hier aen de wal, met Eenige derzelve ingespeek of Con„ versatie telaten, op pane om tegens de overtreders met alle rigeur, en zonder Conniventie te procedeeren, en dezelve ten lasten laten afbigeeren na uzantie zijnde wijders dik Gerepte van drost 's avonds omtrend agt uuren wederom te rug gekomen, mede brengende Eenen brief deeze bijgevoegd vanden zo menigmaal geciteerden gezaghebber van dat kieltje; waer bijden zelven zig aan alles, het geene hem inden toegezondenen brief Gesz: was, onder wierp, met herhaald verzoek, om tog met het GeEijschte gerieft te werden; zo hebben wij dan agter volgens het beslootene ter onzer zitting vanden 18: april / waer van Extract hier nevens hegd (hem om heden men Eenigsints konde nagaen, dat hij in't naeuw moeste weezen, als zijnde diet die Eijgenste Chialoup, waar vande thien Engelsche scheepelingen dues Van Macassar Den 24 Maij 1761 ons van bima, toegezonden, bij derzelver gegeven ver Cla„ ring ter onzer resolutie vanden 25: maert geinsereert, gewag Gemaekt, hebben, en waer van ook den resid:t van salijer burggraaf, bij desselfs brief vanden 10 maert melding doed Eenelijk toegezonden twee lasten rijst en Eenige leggers water en het overige G'eijschte vande hand Gewesen hebben, onder her„ haalde recommandatie, naden ontfangst van Evengem Goederen, ten Eersten sijne reijse te vervorderen, En in„ gevalle, hij zulx niet naquam, als dan het geene hem mogte overkomen, niemand anders dan zig zelven te wijten hadde, hebbende den zelven dan voorts op den 20 daer aan Smorgens ten ses uuren, na dat met 9 Canon schooten het Casteel Gesalueert hadde, dit Gouvernement verlaten, en volgens sijn zeggen, de rhijze vervordert na Madras. Waermede met diep schuldige Respect verbelijkeen (:onderstond Hoog Edele Groot Agtb: Gestrengen Ernk„ feste manhafte wijze voorzienige zeer Genereuze wijd gebiedende Heere en Heeren (lager) uw hoog Edelens zee ootmoedige en Getrouwe Dienaeren (was Getek:) CSiickelaer J=n P Rick D' bacheracht J:s beijnon T: A Woll Hendrik Wolff Helmkamp, F W H: Bleijdenberg in margine Macassar int Casteel Rotterdam Den 24 meij 1761. —. Resolutie Apart G S 97. Van Macassar onder dato den 24:' Maij 1761. Aparte Resolutie Genoomen Vrijdag den 17: April anno 1761. des morgens ten agt uuren alle Present. Na het Gebed, maakte den heere Gouverneur deese vergadering bekent, dat zijn Edele agtb: door den Licentmeester Ian Hendrik Voll heeden morgen vroeg een briefje Gesz: inde Engelsche saak was ter hand Gesteld, het welk erengemelde Voll soo opstond ontfangen hadde van zeker inlander met naemen Doerahim, die hij ampts halvens daags bevoorens, Gezonden hadde na Eene in't Gesigt van dit Gouvernement zeijlende twee maste Chialoup, om te laten vernemen van waer dezelve kwam, en verwaerds haer Cours wilde neemen, zijnde evengemelde briefje ter ordre van zijn Edele agtb: ten eersten Getrans lateerd, en daer na opgeleesen, bevonden wierd, van ondervolgende inhoude te zijn. Mijn Heer Diende dezes Eenelijk ter Geleijde van een Chialoup, die in dienst der Edele Comp: van Engeland toebehoord, die met een schip die van China zijn rheijze bevordert heeft naer Europa, en die verongelukt is inde straat sapij, district van Maccassar, dierhalven verzoekt seer ootmoedigst aan die geenen, deeze zal verthoond te worden alle hul„ pe en bijstand als voor brandhout, wat er &:, ter wijl meermelde op meermelde Chialoup moete nog kruijssen, om een ander schip die zijne destinatie heeft naer madras te kunnen vinden Ik Een Mijn Heer (Lager) u w Edele ook moedigste dienaer (was getek:) A Dakzijmpel (in margine) Cudalore den 16: april 1761. (daer onder) P:S: In verwagting dat dese Chialoup die met 9 stux Canons Gemonteerd is, alle respect en obedientie aan alle fortresse de wijzen van een Egual nombres van schooten. /:Teuperscriptie is / aanden honorable Gouverneur, in 't Casteel Rotterdam tot Maccassar Van 't Engels vertaalt (Getekent) andrie D' Gorgier 'T Caclet was buijten 't wapen Getekent met letters t'IRMI: Waar over dan breedvoerig Geraisonneerd, en alles, dien aengaende, rijpelijk over woogen wezende, als mede nog in aenmerking gekomen zijnde, dat men voor al wel pligtschuldig de ordres onzer heeren en Meesters successive, betreffende de vleemde natien gegeven, en naderhand nog, zoo menigmaal gerenoveerd, Ja zelfs met delaetste missive van hoog Gem: haar hoog Edelheed:s sub dato 17 Ianu: Iongstleden, ons toegezonden, diende promptelijk t' observeeren, so is, om de hier vooren Gementioneerde ree„ denen Een parig beslooten, onzen burger vaendrig Ian Ca„ rel van Drost /als de Engelse Taal kundig zijn„ de /op het spoedigste na dien bodem te zenden, met last, om den op die Chialoup Gezagvoerenden Macassar onderdato den 24:' Meij 1761. officier Van
English
From Macassar, the 24th of May 1761. officer, in our name, to order him to depart from this coast, as well as not to call at any places belonging under this Government, still less to permit any crew to go ashore, but rather to continue his voyage immediately to the place of his destination, since he could not at the same time be unaware that the Dutch East India Company has for many years exercised sovereignty over the whole of Celebes to the exclusion of all foreign nations. And it was further resolved, in case it should happen that the abovementioned English sloop should come to anchor, then as speedily as possible the scows de Adam and Kaaskoper, each manned with a sergeant and twelve soldiers, besides a quartermaster and four sailors, shall be placed on watch, with orders to pay close attention and to prevent as far as possible anyone from going on board the same or coming off from it, without however using live ammunition until further orders, unless they should attempt to go ashore at night by force, in which case they shall then repel force with force. Likewise it was resolved to have certain notices prepared as soon as possible, in order to forbid everyone, Europeans as well as Chinese subjects and allies, from going on board the said vessel under any pretext or manner whatsoever, or, in the event of meeting any of them ashore, engaging in any speech or conversation with them, on pain of proceeding against the offenders with all rigor and without connivance, and further to have the same posted as soon as possible according to custom. (beneath was written:) Macassar in Castle Rotterdam, date as above. /was signed/ Clinkelaer, I: L: Dick, D' Bacleracht, E I: beijnon, I:n H:k Voll, H: Wolff, J: C: Helmkamp, and Secretary J Willem Hend:k van bleijdenberg. (beneath was written: Agreed /was signed/ I: C: Helmkamp.) Separate Resolution taken Saturday the 18th of April 1761. In the morning at 9 o'clock, all present. Initially, the Honorable Governor informed this assembly that, pursuant to the resolution taken yesterday, as soon as the English sloop named the Cattaloer, commanded by Commander Dal reijmphe, which had now come to anchor behind the island of Zeijleij, had arrived there, His Honorable had immediately dispatched the scows de Adam and Kaaskoper thither under a written order according to which they are to conduct themselves, reading in verbis as follows: 101 From Macassar, dated the 24th of May 1761. To the Sergeants Iohan Frederik Westhuijzen and Barend Claasen. You are hereby ordered, with the men under your command, to embark upon the scows de Adam and Kaaskoper, and therewith to take position behind Ceijleij, on the starboard and port sides of the English sloop, in order to pay close attention there that nobody from the same sails ashore or goes thither, and to prevent such as much as possible, without however using live ammunition for that purpose until further orders, unless they should attempt to go ashore at night by force, in which case Your Honors shall then, according to the custom of war, repel force with force. (beneath was written:) Macassar in Castle Rotterdam, the 17th of April 1761. /was signed/ C Sinkelaar. Further, His Honorable presented for reading the report made by the burgher ensign Ian Carel van Drost concerning his experiences yesterday on board the aforementioned English sloop, the same reading as follows: Report made by the ensign of the local burghery, Ian Carel Van Drost, by order of the Honorable Cornelis Sinkelaar, Governor and Director of this Celebes, together with From Macassar, dated the 24th of May 1761. together with the Council, coming from the two-masted English sloop that arrived today at anchor behind the island of Zeijleij. The Relator declares that, after receiving Your Honorable's esteemed order, he immediately went and proceeded to the English sloop mentioned at the head of this document, and there made clearly known to the officers of that vessel in the English language the verbal orders and commission of Your Honorable; whereupon the commander of the said sloop, named Dalrimple, declared and gave in answer that he with his sloop, named Kataloen, manned with seventy-eight men, had departed from China on the 1st of January last in company with five English ships laden with tea and porcelain, the five aforementioned ships being destined for England and named Griffjong, Valentijn, 103 From Macassar, the 24th of May 1761. Valentijn, Suffolk, Zogkat, and Oxeshort, commanded by Captain De dik, the first; Farnell, the second; Toewin, the third; Dipiok, the fourth; Wijklewre, the fifth; but that he, Dalrimple, with his aforementioned sloop intended to go to Madras; further, that through storm and contrary winds at the latitude of the Poelelants they had become separated from one another, and he, Dalrimple, with his sloop was subsequently compelled by a great lack of rice, water, and firewood, as well as other provisions, to seek any safe harbor, but on account of contrary winds could make no other than this coast, and therefore kindly requested the Honorable Government of this Celebes that a helping hand might be offered to him and his crew, in order that they might be provided with the aforementioned provisions together with some materials for the maintenance of their vessel, so that they might then continue their voyage again. (beneath was written:)
Dutch transcription
D Van Macassar Den 24. Meij 1761. officier, uijt onzen naem, aante zeggen, om zig van deeze Custe te verwijderen, als mede niet aante doen, Eenige plaetzen, onder dit Gouvernement sorteerende, nog minder Eenig volk aande wal te laten Gaan, maer wel ten eersten sijne rheijse te vervorderen nade plaetse sijner destinatie, ter wijl hem teffens niet onbekent konde zijn, dat de Nederlandsche oostjndische Comp. al van veele Jaeren de souverainiteijt heeft grexcerceerd met Exclusie van alle vleemde natien van Geheel Celebes. — En wierd al aerder beslooten, om ingevalle het mogte komen te Gebeuren, dat boven Gemelde Engelse Chialoup voor anker ging Leggen, als dan ten spoedigste„ deschouwen de adam en Kaaskoper, ijder met een zergeant en twaalf militairen, neven een quar„ tierweester en vier mattroozen, bemant, op brand wagt te zeggen, met last, wel agt te moeten slaan en zo veel mogelijk te beletten, dat niemand aanboord vande zelve; nog daer van afgaa, zonder Egter scherp te Gebruijken, tot nader ordre, ten zij dezelve 's nagts met Geweld aande wal wilden gaen; wanneer zij als dan Gewelt met Gewel t zullen keeren. Gelijk ook Gearresteerd is, om ten spoedigsten Eenige bekentmakingen in gereedheijt telaaten brengen; ten zijnde eenen iggelijken so Euroopeesen, Chineezen onder daenen en bondgenooten t' interdiceeren, om haer op Eenigerlij wijse of pretext te begeven aan het scheeps boort van dien bodem, dan wel bij oc„ cagie hier aanland met Eenige derzelve inge„ sprek of Conversatie te laten, op paene, om teegens de overtreeders, met alle rigeur en sonder Con„ rirentie . . Van Macassar Den 24:' Maij 1761. inventie te Procedeeren, en voorts dezelve zoo spoe„ dig doenlijk telaten affigeeren, na volgens usantie (onderstond:) Macassar in't Casteel Rotter dam dato voorsz: /was Getekent/ Clinkelaer I: L: Dick D' Bacleracht E I: beijnon I:n H:k Voll H: Wolff J: C: Helmkamp en Secretaris J Willem Hend:k van bleijdenberg (daer onder Accordeert was Getekent I: C: Helmkamp. Aparten Resolutie genomen Saturdag den 18. April 1761. Des morgen ten 9 uuren alle present. Aanvankelijk gaf den heere Gouverneur deeze ver„ gadering te kennen, dat ingevolge het genomen be„ sluijt op gisteren de schouwen, de adam ende kals kooper, so dra de tans agter het Eijlandse zeijlen ten anker Gekomene Engelse Chialoup Genaemt de Cattaloer, gecommandeert werdende door den Gezaghebber Dal reijmphe aldaer Gearri reerd weezende, zijn Edele agtb: al aenstonds der waerts hadde laten vertrecken, onder Eene schriftelijke ordonnantie, waer na zij sig moetende gedragen, Luijdende in verbis als volgd, vte of C 101 Van Macassar onderdato den 24: Meij 1761. De Zergeanten Iohan Frederik, Westhuijzen en Barend Claasen. werden bij desen Geordonneerd, met hun ijhebbende wolk zig t' En„ barqueeren op de schouwen de adam, en kaaskoper, en daer mede ag„ ter Ceijleij, aan stuur en bakboord zeij vande Engelsche Chialoup te gaan leggen, om aldaer wel agt te slaen, dat niemand vande zel„ re of nog daer na toe vaeren en zulx zo veel mogelijk is te beletten, zouden egter scherp daer toe te Gebruijken, tot nadere ordre, ten zij dezelve snagts aande wal met Gewelt wilden gaan, wanneer VE: dan volgens krijgsgebruijkt gewelt niet Gewelt zult keeren. — (onderstond) Macassar in't Casteel Rot„ terdam den 17: april 1761. (was Getekent/C Sinkelaar ƒ Wijders wierd door zijn Edele agtb: ter lecture ge„ geven het relaas, door den burger vaenderig Ian Carel van Drost, weegens desselfs weeder vaeren, op gisteren aan boort van Evengem: Engelsche Chialoup, luijdende, het selve aldus— Relaas Gedaan door den Vaendrig der borgerij al„ hier Ian Carel Van Drost ter ordre van den wel Edele agtb: Heere Cornelis Sinkelaar Gouverneur en Directeur deser Celebes, benevens 6 Van Macassar onderdato den 24. Meij 1761. benevens: den Raed, ko„ mende vande opheeden ag„ ter het Eijlandse Zeijleij ten anker Gearriveerde twee maste Engelsche Chialoup Den Relatant verklaerd, dat hij naer den ontfangst van uw wel Edele agtb: G'eerde ordre, zig immediaat ver voegd, en begeeven hadde na de inden hoofde deses Gementioneerde Engelsche Chialoup, en aldaer aande overheeden van dat kieltje inde Engelsche taale, duijdelijk, te verstaen gegeven de mondelingen ordre en Commis sie van uw wel Edele agtb:; zo hadde den gezaghebber van Gemelde Chialoup in naeme, Dalrimple, daer op verclaerd en, in in'te antwoord gegeven, dat hij met zijn Chialoup, Genaemt Kataloen, bemant met zagtentig koppen, op den 1: Janu: I:o leeden, ingezelschap van vijf Engelsche scheepen, belaaden met Thee en Porcelijnen, van China vertrocken was, zijnde de vijf gem: scheepen Gedesti„ neerd na Engeland, en Genaamt Griffjong, Valentijn 103 Van Macassar Den 24: Meij 1761. Valentijn, suffolk, zogkat en oxeshort, gecommandeert door Capitain De dik „d: Eerste, farnell, de tweede, toe win, dederde, „Dipiok, de vierde, wijklewre de vijbde „dog dat hij, Dalrimple, met zijn voor„ „melde Chialoup de wil hebbende naer „Madaas; voorts dat zij door storm „en tegen wind op de hoogte der Poele „lants van malkanderen Geraakt, en hij Dal rimple vervolgens met desselfs Chialoup, door Groot Gebrek van rijst, „water, En brandhout, nevens meer andere „lerensmiddelen, genoodzaekt was Gewor„ „den, ten goed en haren te kiesen, dog ver„ „mits Contrarie wind en meer geen andere dan „deeze Cust kunnende op doen, en dierhalven „raude Edele agtb: Regeeringe deser Celebes vriendelijk versogte, dat hem En desselfs op hebbende „maaschappen de behulpzaeme hand mogte wer„ „den gebooden, ten eijnde met de voormelde „leerens middelen neevens Eenige materiae„ „len, ten onderhoud van hun Kieltje mogten werden voorzien, op dat ze hun „ne rheijse als dan weder vervolgen konde, (onderstond)
English
From Macassar under date of 24 May 1761. Thus done and reported in Castle Rotterdam at Macassar this 17 April 1761. Signed Johann Carel van Drost. Lower down, to my knowledge, was signed Johan Christiaan Helmkamp Secretary. In the margin, in our presence, signed Alexander Weijts and Ian Daniel Beijnon. And whereas, upon the aforementioned report, a letter in the French language had already been prepared yesterday afternoon and the frequently aforementioned van Drost was sent thither with it for the second time, the contents of the same being in our language as follows: Sir, This morning a letter from your Honour in the English language was delivered to us, and having no one to translate the same, although we have understood that your Honour is in need of water, firewood, etcetera, and notwithstanding the orders of our superiors not to admit any foreign nations to approach the Celebes coast, we have nevertheless been willing to assist your Honour with the aforementioned necessary articles, on condition that your Honour shall let no one, whosoever it may be, leave your board, and likewise receive no one, to prevent all of which, and to keep watch on your Honour, we send two barks, informing your Honour that if your Honour should fail to observe the aforementioned conditions, whatever may then befall your Honour will be for your own account, so that your Honour can provide us in writing with the bearer of this whatever your Honour is absolutely and most urgently in need of, whereupon we will let your Honour have it as much as possible, against payment; in the expectation that your Honour will observe all the aforementioned. Underneath, by order of the Lord Governor and Council of this Coast of Celebes, was signed Johan Christiaan Helmkamp Secretary. In the margin, Macassar in Fort Rotterdam, the 17 April 1761. To which letter the oft-mentioned van Drost then brought back in answer yesterday evening around eight o'clock from the officer commanding the sloop a letter written in the English language, and now, by order of His Honourable Worship, having already been translated by the aforementioned van Drost, was found to be of the following content: Sir, I have had the honour duly to receive your Honour's letter of today's date written in French, and to my regret I have been unable to answer the same again in that language, being master of no other than the English, commending myself further to your Honour's courtesy. It has never been my intention to establish any laws in your Honour's garrison, and I shall not fail to comply with your Honour's orders not to let any person go ashore, and also to receive none on board. I request that I may be assisted as an ally according to the articles contracted between our two nations and concluded by your Honours. According to your Honour's requisition I now send a list of what I am in great need of, as well for the service of my vessel as for my person, leaving it however to your Honour's discretion, as: 50 Picols of rice 2 head of cattle 10 Picols of dry fish 6 rolls of canvas of No 4 2 topmasts, each 36 English feet long and 26 English inches in thickness at the bottom 6 Picols of pitch 1 leaguer of arrack 2 Picols of sugar 6 pieces of blocks of 8 to 10 inches 6 ditto for the top halliards of 8 to 9 inches 6 ditto double of 10 to 14 inches Some pump nails 1 copper rice kettle A little sweet oil For my person I request some fruits, 5 to 6 dozen fowls, one or two goats, whoever has them. Sir, it grieves me to the heart that I am obliged to give your Honour so much trouble; requesting in the meantime to have the honour to be, Lower down, your Honour's much obliged and very humble servant, was signed Dalrymple. In the margin, on the sloop the Cuddalore, 17 April 1761. Still lower down, P. S. I very kindly request that you communicate to me whether there might be any news here of the French ships that have sailed through the straits, having the honour to remain. Underneath, for the translation, was signed J: C:l van Drost. All of which having been extensively discussed, and everything regarding it being maturely considered, it was unanimously resolved, of the goods mentioned in the last-named letter, solely to provide the English with 2 lasts of rice and some leaguers of water, and regarding the remainder demanded, to excuse ourselves from it. Wherefore it was further resolved to send the ensign van Drost at once back to the vessel with the above-mentioned goods, and to have the officers thereof once more seriously recommended to betake themselves away from the jurisdiction of this government immediately after receipt of the same, and to pursue their voyage. Underneath stood: Macassar in Castle Rotterdam, date as aforesaid. Was signed Suckelaer, J: L: Rick, D' Bacleradet, E: J:s Heijncon, J: Skroll, Hend:k Wolff, J: C: Helmkamp Secretary, and J: W:m K: van Blijdenberg. Underneath, agrees, was signed J C Helmkamp Secretary.
Dutch transcription
Van Macassar onderdato den 24:' Meij 1761. (onderstond) Aldus Gedaan en Gerelateerd In 't Casteel Rotterdam tot Macassar desen 17. april 1761. Getekent/ Johann Carel van Drost (lager inkennisse van mij was Ge„ tekend/ Iohan Christiaan Helm„ kamp Secretaris (in margine) ons present /geteekent/ Alexander Weijts en Ian Daniel Beijnon. En nademaal op Erengemelte Relaas gisteren middag bereeds Een brief inde france taal ingereedheijk gebragt en daer mede voor de 'tmeeden zeer evengem: van Drost derwaerds Gezonden was, zijn„ de de inhoudt van zien in onse Taal invoegen als volgt. Mijn Heer Deezen morgen is ons besteld Gewor„ den Een briefje van uE inde Engelse taale, en niemand gehad, om 't zelve over te zetten, hoe wel wij verstaan hebben @ 105. Macassar onder dato den 24 Meij 1761. Van hebben, dat VE verleegen zijk om waater, brandhout &a, en niet teegenstaende „de ordres onzen superieuten, van geen vreemde Natien te admitteeren, om de Chelobesche Cust te naderen, hebben wij egter VE: wel willen helpen niet voor melde benoodigde articulen, onder Con„ ditie, dat VE niemand, wie het ook mogte weezen, van desselfs boord zal laten gaan, mitsgaders ook niemand te ontfangen, tot voorkominge van al 't geene, en op VE: te letten, zenden wij twee barcquen, VE bekent makende, dat in„ dien VE de voormelde Conditien niet alst komen te onderhouden, VE: als dan„'t VE mogte overkomen voor desselfs eijge Reek: zal zijn, al zoo dat VE: met bren„ ger deses ons schriftelijk kan opgeven het geene VE absolut, en ten alder hoogsten van Nooden hebben, wanneer wij het UE zoo veel mogelijk, mits betaaling zullen laaten toekomen; in verwagting dat VE: al het geene voorsz: zal onderhouden. — /daer onder / Ter ordre vanden Heere Gou„ verneur en Raad deser Custe Celebes was Gete„ kent Johan Christiaan Helmkamp secret:s 9 (in margine/ Macassar in het fort Rot, terdam den 17: April 1761. op welcken brief dan dikgerepte van drost gis„ e „teren avond omtrend agt uuren tot antwoord gebragt heeft vanden op de Chialoup Comman„ deerenden officier Eenen brief inde Engelse Taal Geschreeven, en thans op ordere van zijn Ed agtb: bereeds door Evengem: van drost ge„ translateerd bevonden wierd van ondervolgende Jnhoude te zijn. Mijn Heer Ik heb de een Gehad, van wel te ontfangen VE:s in het fransch Geschreeven Letteren van hnijdigen datum, en tot mijn Leedweezen ben ik onbe„ quaam Geweest, om dezelve weeder in die 6 taal te konnen beantwoorden, als geen andere dan de Engelsche magtig zijnde, houdende mij voor 't verdere aan VE:s beleeftheijt Mijne intentie is nooijt geweest, om Eenig ge wetten in VE:s besetting te stellen, en zal ik niet onderlaaten VE:s ordres na tekomen om geen mens aande wal te laaten gaan, en ook Geen aenboord te ontfangen Macassar onder dato den 24: Meij 1761. R Van . 6 107. Van Macassar onder dato den 24:' Meij 1765. Ik verzoek dat ik als een bondgenoot volgens de articulen, tusschen ons beijde natien Gecontrac„ teerd, en beslooten door VEd:s, mag Geassisteerd werden. volgens VEd: requisit zende ik thans Een Notitie van't geene ik grootelijx verleegen hen zoo wel ten dienste van mijn vaertuijg, als voor mijn perzoon, laatende 't Egter aan VEd:s goedvinden als. 50 Picols Rijst 2 koebeesten 10 Picols drooge vis 6 rollen zeijldoek van No 4. 2 Topmasten ider 36. engelse voet langen 26: engelse duijn inde dikte van onder 6 Liccols harpuijs 1 Legger arack 2 Picols zuijker 6 P:s blocken van 8 tot 10 duijm 6 „ _o tot de topervallen van 8 tot 9: d:m 6 „ _o dubbelde van 10: tot 14. Eenige Pompspijkers 1 Kopere Rijstketel den weijnig zijn olij Voor mijn perzoon verzoeke om Eenige vrulij tagien Van Macassar Den 24. Maij 1761. tagin 5 @ 6. do zijn hoenderen Een of twee geijten die welk hebben. Mijn heer 't doed mij van herten Leed, dat ik genood„ zaekte ben VE zo veel moeijte te geven; verzoekende in middens deEere te mogen hebben van te zijn /Lager/ VEd: veel verpligte en zeer onderdanige Dienaer /was Getekent Dal reijmple /in margine/ op de Chialoup de Cadaloere 17 april 1761. (nog lager/ L: S: Ik ver zoeke zeer vriendelyk, van mij te willen Commu„ niceeren; of er ook alhier eenige tijding mogte weezen vande fransche schepen, de welkee door de straat zijn Gezeijld, hebbende de Eere te blijven daeronder voorde ventaling /was Getekent/ In C:l van Drost. OVer welk een en ander aan wijdloopig Geraison„ neerd, en alles, dien aengaende, ripelijk over wogen we zende unaminiter beslooten wierd vande goederen hij Laest gem: Letteren Gementioneerd, Eenelijk aande Engelschen te laten toekomen 2 Lasten rijst, en Eenige leggers water en omtrend het verdere GeEijschte dies te Excuseeren. Waerom dan verders beslooten wierd, den vaendrig van d'rost, nadat net de hier bovengem: Goederen, ten Eersten weeder om „ bodemptje te zenden, ende overheden daer van nog m:ts Serieuslijk te laaten aan recommandeeren, om nade ontfangst van deselve, ten Eer sten zig onderde Jurisdictee van dit Gouvernement vandaen te begeeven, en haere reijse te vervorderen. onderstond Macassar in 't Casteel Rotterdam dato voorsz was Getekent / Suckelaer I: L: Rick D' Bacleradet, E J:s heijncon I: Sk voll Hend:k Wolff J C Helmkang seceel:s en I. W:m K: van blijdenberg /onderstond/ Ac„ cordeert /was Getekent/ I C Helm Camp Secret Souratta . 8 6
English
From Souratta, 10 April 1761. To his Excellency the Most Noble, Right Honourable Lord Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of the United Netherlands, as well as on behalf of the same and its General East India Company, Governor-General, together with the Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies, Batavia. Noble, Wide-ruling Lords! We have always imagined that the dismantling of the Amed Abaad trading post would be accompanied by difficulties, and that we accordingly had to handle that matter with great circumspection. It is for that reason that, in order at least to make a beginning with it, we had the second in command, together with an assistant, come here last year, ostensibly to reduce the establishment, and from then on were contemplating means to have the rest follow as soon as possible. The extraordinarily sluggish sale of sugar, the only article of merchandise that the Company still held there, has thwarted our intention to summon the factor hither immediately after the rainy season, seeing that as of the end of August last there was still a remainder of 39149½ lb., which we believed ought not to be exposed to the greed of the Regents, in case they, catching wind of it, might want to detain those sweets, in order thereby to prevent the departure of the servants all the more effectively. Moreover, there was all the less opportunity for the transport of those voluminous goods, as even assuming the consent of the Regents for the transport, they would have run great risk on the way of being robbed, and even if that did not happen, would be so burdened by the heavy monetary extortions, costs of transport, and spoliation that the Company would never have been able to recover its own money for them. These considerations moved us to wait a little longer and to recommend to the factor, as was done in the instructions in our letters from time to time, to dispose of the sugar for ready cash as quickly as possible. Seeing that the stock of those sweets had been reduced to around 16000 lb., and the weather was approaching the rainy season again, we thought it time to order the factor to relax the conditions of sale and to instruct him definitively to prepare for the departure and on the last of March, together with the under-surgeon, to travel to Souratta, taking along all papers and other effects of the Company, except whatever of the sugar might then still remain, and leaving there the assistant Smit to have such small remainder change hands, and, after performing what is necessary, likewise to return hither upon our further orders. We furthermore gave the said factor the necessary instructions as to how he should conduct himself in this case towards the Regents, so that without promising anything, he might instill the notion that the intention was by no means to dismantle the trading post, as your Honours may be pleased to see with all its particulars from our secret resolution of 20 February and secret letter to Amed Abaad dated 4 March, both last past, which we have the honour to present to you herewith in copy. However circumspectly we have proceeded in this matter, the outcome nevertheless has not answered our expectation, as appears from the enclosed copy of the answer from the factor. We have also received concerning that matter a letter from the Governor and another from the collector of the fourth, the translations of which accompany this, and from which it appears that it will be a piece of good fortune if the Company's servants obtain permission to return hither before the rainy season. Meanwhile we shall spare no effort, if possible, to obtain a license for at least two of them to come here, and put into effect all means to execute your Honours' orders concerning this. Our humble general letter having spoken of the conditions that we proposed to the Raja of Kets, we must state here in that regard that there are 3 articles among them which we ourselves can hardly believe he will ever accept as they are phrased; namely the 1st, 7th, and 9th. Not that he would be unwilling to grant the abolition of what has passed before, but because he will undoubtedly, for the sake of his own honour and in order to maintain his credit and prestige among his subjects and the neighbouring princes, demand some restitution of the goods and cash that were taken by force by our men in the Mandvi Roads, even if only pro forma, or however little. It is also to be presumed that, since 5 per cent was already offered to him by the under-merchant Blaaukamer at the time of the disputes arisen over the customs and the gifts, he will now by no means be willing to be satisfied with the offered 2½ per cent. And finally that he will never agree that goods manufactured or purchased outside his country be brought into the same duty-free, opened there, repacked, and subsequently shipped away again free of all duties, as this would conflict too much with the interests of his own subjects. We have nevertheless proposed these hard articles to him, if only to be able to judge the sincerity of his intentions, and to keep matters in suspense until we shall be strengthened by your Honours' venerated orders regarding the restoration of that trading post. The Swedish supercargoes, having concluded their business here and being engaged in sending the purchased goods on board in order to continue their voyage along the Malabar Coast to China, found themselves with the captain and their servants, together with some of their crew
Dutch transcription
109 Van Souratta Den 10 April 1761. Aan zijn Excellentie Den Hoog Edelen Groot Agtb: Heere Jacob Mossel Generaal over d' Jnfanterie ten dienste vanden staat der vereenigde Nederlan„ den mitsgaders wegens dezelve en haere algemeene oostJndische Comp:e Gouverneur Generaal nevens D Wel Edele Heeren Raden van Neder„ lands India Batavia Edele Wijdgebie„ dende Heeren! Wij hebben ons altoos wel voorgesteld, dat het opbreeken van 't Comptoir Amed Abaad met zwaarigheeden & zoude verseld gaan, en dat wij over zulks, die zaek met veel omzigtigheijd moesten behandelen; Het is, om die reeden, dat wij om ten minste een begin daer mede te maken, in't voorlede Jaer den Tweede, nevens een adsistent, hier lieten komen, quasi, om den omslag te verminderen, en van toen af, op middelen bedagt waren, om, zospoedig mogelijk, de rest te doen volgen. De ongemeene trage vertier van de suiker, het eenige articul van koop„ manschap, dat de Comp aldaer nog hadde, heeft onze intentie, van den factoor immediaat na de Van Souratta Den 10:e April 1761. de regentijd herwaerts te ontbieden, verijdelt; aengesien er onder ultimo aug:s Jongstleeden nog een restant was van 39149½. lb. , die wij vermeenden niet bloot te moe„ ten stellen aande imnhaligheijd der Regenten, bij al„ dien zij, lout ruijkende, die zoetigheijd mogten willen aanhouden, om daer door het vertrek der bedienden des te kragtiger te beletten. Tot den afbreng van die volumineuse waere was, daer en boven, des te minder occasie, alzo die voor ondersteld het Consent der Regenten tot den vervoer groote risico onder weg soude hebben Geloopen, van Geroofd te worden, en zulks al niet Gebeurende, door de zwaere Geld afperssingen, on„ gelden van het Transport, en spiclagie zodanig beswaerd zoude worden, dat de Comp: nooit haer eigen Geld daer voor zoude hebben kunnen krijgen. Deeze Consideratien bewogen ons, het nog een weinig inte zien, en den factoor te recommandeeren, Gelijk in't wijzens onze brieven van tijd tot tijd, is gedaen, de suiken, zo spoedig mogelijk, voor Contante penn: aande man te helpen. In ziende, dat de voorraad van die zaetigheijt tot op Circa 16000 lb was omgezet, en het weder naer de regentijd toeliep, hebben wij het gedagt, tijd te zijn, den factoor te Gelasten, de hand met den verkoop te ligten en hem positie aan te schrijven, zig tot den aftogt Gereed te maken en ulto Maert, ne„ vens den onder Chirurgij naer souratta op reis te gaan, mede nemende, alle Papieren en andere effecten vande Comp:s ex cepto, 't geene vande suijker als dan nog mogte overschie„ ten, en laatende aldaer den assistent Smit, om zo„ danig restantje van meester te doen veranderen, en, na ver„ rigting van het nodige, op onse nadere ordre, mede herwaerts te 111 1761 Van Souratta Den 10:' April te keeren; Wij gaven voorts Gem: Factoor de noodige jn„ structien, hoedanig hij zig, indit geval, Jegens de Regenten zoude Gedragen, ten eijnde, Een, zouden iets te beloven, in het denkheeld te brengen, dat de Jntentie geen zins was, het Comtoir op te breeken: Gelijk uwe Hoog Ed:s dit met alle desselfs omstandigheeden Gelieven te zien uit onse secreete Resolutie van den 20:' febr: en secreete brief naer Amed: abaad sub dato 4: Maert beide Jongstleeden, die wijde Eere hebben, Hoog dezelve, hier nevens in Copia aan te bieden. Hoe omzigtigheijt wij in dezen zijn te werk gegaan, heeft de uijtkomst egter onze verwagting niet beantwoord, Gelijk consteert uijt het bijgevoegd Copieel ant„ woord van den factoor: wij hebben ook aengaende die stofffe een schrijven van den Gouverneur, en een ander vanden quart Invorderaar bekomen, welker verduitsching deeze verseld, en waer uit blijkt, dat het een Geluk zal weezen, bij aldien sComp: Bediendens nog voor de Regentijd permissie erlangen, om herwaerts te keeren: Jntusschen zullen wij geene moeite sparen, om, is het mogelijk, ten minste voor twee vandezelve licentie te obtineeren, om hier te komen, en alle middelen in't werk stellen, om uwer hoog Ed:s ondre dien aengaende te executeeren. Bij onse een biedige Gemeene Letteren Gesprooken zijnde vande Conditien, die wij den Radja van Kets hebben voorgesteld moeten wij dien aengaende hier zeggen, dat daer bij 3 artikuls zijn die wij zelve ons niet wel kun„ neen persuadeeren, dat hij oit zal toe staen, zo als zij Gecoucheerd zijn; te weeten het 1s:te 7:d en 9:e, niet, dat hij de abolitie van het bevorens Gepasseerde niet zoude willen toestaen N ƒ Souratta Den 10: April 1761. Van O toestaan, maer, omdat hij ongekwijffeld, zijn eigen eer shalre„ en ten einde zijn Credit en ontsag byj zijne onderdanen en die naburige vorsten te mainctineeren, eenige restitutie zal eisschen vande Goederen en Contanten, die ter Manduische Rheede doorde onzen net Geweld zijn genomen, al was het maer pro forma, of nog zo weinig Ook is te vermoeden, dat, na demaal hem door den onderkoopman Blaaukamer, ten tijde der verschillen over de Zal en de Geschenken Gereezen, reeds 5 P: C: Geoffe reerd zijn, hij zig nu geenzins zal willen te vreede houden met de aengebode 2½. p: C: En eindelijk dat hij nimmer zal accordeeren, dat goederen, die buiten zijn Land aengemaakt of ingekogt zijn, tol vrij in het zelve Gebragt, aldaer Geopend, weder afgepakt, en vervolgens, vrij van alle Regten, weder afgescheept wor„ den, alzoo zulks te veel zoude strijden tegens het be lang zijner lijge onderdanen. Wij hebben, des niet tegenstaende, hem deze harde articulen geproponeerd, als was het maer, om vande opregtheijd zijner intentien te kunnen oordeelen, en, omde zaken traineerende te houden, tot dat wij met uwer hoog Ed:s Geaenereerde ondere, weegens de herstelling vandat Comtoir, zullen Gesterkt De Zweedsche Cargas hunne zaaken alhier verrigt E E hebbende, en bezig zijnde, de ingekogte Goederen naer boord te zenden, om hunne reize langs de Mallabaasche kust naer China te vervolgen, zagen zig met den Capitain en hunne bediendens, nevens eenige hunner scheepelingen zijn.
English
113 From Souratta, the 30th of April 1761. most unexpectedly on the 20th of February, in the morning in their lodgings, surrounded and arrested by 5 to 600 sepoys or native soldiers, without access to anyone, and without knowing what the cause was of that strange treatment. The government had at the same time laid an arrest upon all their goods and purchased merchandise, so that it was easy to guess that it was about a sum of money. Under these circumstances the first two supercargoes addressed themselves on that same day to us, by a letter of which a translation is enclosed herewith, to request us to employ our good offices with the rulers to have these proceedings stopped. But since the Moorish government, on account of its absolute dependence on the English, would not have dared to undertake anything of the sort unless they had been incited thereto by the latter, we satisfied them the more with such an answer, likewise accompanying this in copy, because they themselves later testified not to have expected otherwise on account of the present state of affairs in Souratta. The British, to cover their game, have upon a similar letter written to them by the supercargoes caused two deputies to complain in the Durbar about the violence done to the Swedes, without anything further following than an easing of the arrest, such that they were permitted to see and speak to those who wished to come to them. They were even made to move out of a lodge, which was actually the residence of their factor here, the French free merchant Mr. Boucard, into an adjacent small and uncomfortable little house, where they had to make do with their people until the 8th of March last, when they were finally released. From Souratta, the 10th of April 1761. The day after their detention, people were astonished to learn that all ships and vessels lying in the Sourat roadstead, except those of the Honourable Company or those standing under its protection, flew English flags. On the 23rd of February the first supercargo Sandberg sent through the French Capuchin, Father Medard, a letter written in Dutch and enclosed with this in copy, to the first undersigned, requesting to have an enclosed sealed letter delivered by a trusted person to their ship; but since it was impossible to know whether there might not be contained therein an order to undertake this or that against the Moorish ships, and it might bring trouble upon us if it were later discovered that this order had come aboard through our doing, we therefore politely excused ourselves while returning the aforementioned letter. It was later understood, however, that the English gentlemen rendered them this very service refused by us, possibly because they had already made up their minds and taken their measures against all eventualities. What we had thought, however, did not happen, the Swedish ship even, in order to remove all suspicion in that regard, having first gone to lie about a mile outside the roadstead, and subsequently off the latitude of Daman, until it undoubtedly, upon orders received, sailed for Goa, to await there the Sourat arrestees and in the meantime attend to necessary matters on the coast. From Souratta, the 10th of April 1761. The latter, having finally understood after many negotiations that the rulers formed a claim of a lakh of rupees for the free trade they had conducted here, at first would not lend an ear to anything of that nature; but seeing that the time for the China voyage was swiftly slipping away, and they might lose the voyage, which to all appearances was one of the intentions of those who had plotted this game against them, they began to listen and finally made an end of matters by compromise. It is not rightly known how much they had to pay to the rulers, as some estimate that sum at 17, but others at 25000 rupees. In addition, they had to sell all their goods purchased here at a loss, since their ship was gone and the transport to Goa would have been charged too dearly to them; and after having taken leave of Mr. Price and the first undersigned, they went ashore on the 23rd past to an English ship destined for Bengal, with whose captain they contracted for 5000 rupees to convey them with their people and baggage en passant to Goa. Having nothing further to report that merits Your Right Honourable attention, we have the honour to be, with the deepest respect and veneration, (was signed below) Right Honourable, Widely Commanding Sirs, (lower) Your Right Honours' very humble and very obedient servants, (was signed) I Drabbe, D: Kellij (in the margin) Souratta the 18th of April 1761.
Dutch transcription
113 Van Souratta Den 30 April 1761. op het onvoorzienste den 20: februarij, 'S morgens in hun Loge„ ment, door 5 a 600 Cipaijs of Jnlandsche Zoldaten omringt en Gearresteerd, zonder acces van iemand, en zonder te weeten wat de oorzaek was van die vreemde behande ling. De Regeering hadde teffens arrest Gelegd op alle hunne Goederen en ingekogte koopmanschappen, zulks het Gemackelijk te raden was, dat het om eene zomma gelds zoude te doen zijn; Indeeze omstandigheeden addres seerden zig de twee eerste Cargas dien zelven dag aen ons, bij een brief, welkers vertaaling hier nevens legt, om ons te verzoeken, onze goede officier bijde Regenten aan te wenden, om deze proced uuren te doen op Maer, vermits de Moorsche Regeering, weegens haere absolute de pendentie van de Engelschen, niets diergelijk zoude hebben durven ondernemen, bij aldien zij niet door dezen daer toe was aengezet, hebben wij Een met een zolik antwoord, insgelijks deeze in Copia verzellende, des te meer te vreede Gesteld, om dat zij naderhand zelve hebben betuijgd, zulks om reden vande tegenwoor dige Gesteldheijd van zaken in Souratta niet anders te hebben vaer wagt. De Britten, om hun spel te bedecken, hebben op een diergelijke, door de Cargas aan hen Geschreeve brief door 2 Gecommitteerdens in Den Derbhaer laaten klagen, over het Geweld, de zoreeden aangedaen: zonder dat daer meer Gevolgd zij, als eene verzag„ ting van 't arrest, zodanig, dat hen Gepermitteerd wierd, de zulken te zien en te spreeken, die bij hen wilden komen. Men heeft ten zelfs uijt Eene Logie, zijnde eigentlijk de wooning van hunnen Factoor alhier, den franschen vrijkoop„ man houden. - Van Souratta Den 10: April 1761. man M: Boucard, doen overgaen in een na bijstaende klein en ongemackelijk Huisje, daer zij zig met de hun„ ne hebben moeten behelpen tot den 89 Maert J: L:, dat zij eijndelijk zijn ontslagen. Saags, na hunne detentie, was men verwonderd, te ver„ staan dat alle scheepen en vaertuigen ter souratse rheede Leg gende, buiten die vande E Comp:, of die onder haere protec„ tie staan, Engelsche vlaggen voerden; Den 23. Febr: zond de Eerste Carga Sandberg door den franschen capuijner, Pater Medard, een in't Nederd uitsch Geschreeve, en desen in Copia bijgelegde brief aan den eerst ondergetekende, met versoek, een daer nevens gevoegd verzeguld briefje door een vertrouwd perzoon op hun schip te willen laten bezorgen, dog vermits men onmogelijk konde weten, of daer in zomtijds niet een ^ een rr order onthouden was, om het ^ of, onder tegens de Moorsche scheepen te onderneemen, en het ons ongemak konde toe„ brengen, wanneer men naderhand kwam te weeten, dat die last, door ons toedoen, was aenboord Gekomen: zo hebben wij ons ook, onder teruggeeving van voorsz briefje, op een beleefde wijze Gelocuseerd. Men heeft eg„ ter naderhand verstaan, dat de Heeren Engelschen hen ook deeze door ons Geweigerde dienst hebben be weezen, mogelijk, om dat zij tegens alle evenementen reeds hun besluit en maakregulen hadden genomen Het Geene Wij Gedagt hadden is egter niet Ge beurd, zijnde zelfs het 'zweedsche schip, om alle suspicie dien aengaende te benemen, eerst omtrend eene wijl buiten de rheede, en vervolgens op de hoogte van Daman gaan leggen tot dat het oeget wijffeld Souratta Den 10:' April 1761 Van ongetruijffeld op ontfangene ordere nala Goa is gezeild, om aldaer de souratse arrestanten inte wagten, en in middels het nodige op de kust te verrigten. Deeze na veele onderhandelingen eindelijk ver staan hebbende, dat de Regenten eene pretensie for„ meerden van een Lacq ropijen voorde vrije Negocie, die zij hier hadden Gedreeven, wil den eerst het oor aan niets van die natuur leenen; dog ziende dat de der tijd ^ Chinase togt sterk verliep, en zij mogelijk de reize konden verliezen, het welke na alle appa„ rentie eene der inzigten was van die hen dat spel hebben berockend, begonden te luisteren, en hebben lin„ delijk, bij Compositie, een einde van zaken Gemaakt; Men weet niet regt, hoe veel zij aen de Regenten hebben moeten betalen, dewijl zonningen die som op 17. maer andere op 25000 Ropijen begrooten; Daer en boven hebben zij alle hunne hier ingekogte goederen met schade moeten verkoopen, vermits heen schip weg was, en men een het transport naer Goa te duur in reekening zoude Gebragt hebben, en, nadat zij bijden heer Price en den Eerst ondergetekende, afscheid hadden genomen, zijn zij den 23: pass:o van de wal Gegaen, maer een Engelsch schip„ voor bengale Gedestineerd, met welkers Capitain zij voor Ro/a 5000 hebben Gecontracteerd, om hen met hun volk en bagagie, en passant op Goa te brengen. Wijders niet te melden hebbende, dat uwer hoog Ed: atten„ tie meriteerd, hebben wij de eere, met de diepste eerbieden verre„ ratie te zijn / onderstond/ Hoog Edele wijd gebiedende Heere /Lager) uwer hoog Edelens zeer nedrige en zeer Gehoorzame dienaeren (was Getekend/ I Drabbe, D: Kellij (in margine/ Souratta den 18 ap:l 1761. , d
English
From Souratta dated 10 April 1761. The 20th of February, the year 1761. Afternoon. Present: The Honorable, Venerable Lord Jan Drabbe, Senior Merchant and Commander; David Kellij, Merchant, Second and Head Administrator; Master Gerbrand D' Jonge, Junior Merchant and Fiscal; Johannes Sanderus, Junior Merchant; Willem Blaaukamer, Junior Merchant; Otto Hendrik Ruperti, Junior Merchant and Secretary of Policy; Hendrik Kroonenberg, Junior Merchant; Philip Wargaren, Junior Merchant and Pay Bookkeeper; Ian Oudenhoorn, Junior Merchant, Cashier and Invoice Keeper; Martinus Johan Bosman, Junior Merchant and Warehouse Master. The execution of the order to definitively dissolve the factory at Amedabaad having hitherto had to be delayed on account of the slow sale of the quantity of powdered sugar still lying there in the Company's warehouses; first, to attempt if possible to collect the ƒ5850: 2 — still owed to the Company for sold sugar by the Company's broker Girderdas Doosje and his son Mietalaal; secondly, because one had to endeavor as much as possible to dispose of the sugar, which on account of its bulk could not be transported back here without heavy expenses; and thirdly, because even if one had wished to transport it to Souratta, this would immediately have caused the Regents and everyone to suspect that it was aimed at the complete dissolution of that factory, which one nevertheless had to try to conceal from them as much as possible until the Company's best effects and most servants were in safety, on account of the difficulties that there was reason to fear from the Regents in that regard, or the extortions that the servants would have to endure, both in Amedabaat and on the road; as well as, in order to facilitate this dissolution, the Second, De Wind, together with an assistant, having already been summoned here in the previous year, and it finally becoming high time to put the order of the Supreme Indian Government into effect; so the Lord Commander submitted for consideration in what manner this ought best to be done in order to avoid the difficulties that had been foreseen from the very beginning. About which, having spoken at length and having considered everything maturely, it was finally judged best, for the time being, to summon here the Factor De Beellon, together with the Assistant Surgeon, leaving the Assistant Smit to remain there provisionally for another month or so, ostensibly to attend to affairs until the return of the Factor; but to notify the latter by secret letter of the repeated orders of their Right Excellencies and whatever else he needs to know, and to instruct him, upon receipt of that letter, to make the necessary preparations for his departure, and to do his utmost, not only to collect the debt in question, but also to bring about the prompt and cash sale of the remaining sugar, taking a light hand with the price; but whether the aforementioned debt be paid and the sugar sold or not, to set out on the journey at the latest by the end of March together with the Assistant Surgeon, taking along all papers and other effects of the Company, except for the sugar if anything of that sweetness should still remain, and leaving behind the Assistant Smit to dispose of such small remainder, and subsequently, after completing what is necessary, to return here as well upon further orders, but not before. And in order to prevent that the said Factor, upon his departure and during the journey, be encumbered with superfluous cash, it being a dangerous commodity to travel overland with, it was approved to order him to retain no more of it than is necessary for the expenses of the journey, as well as to hand over to the Assistant Smit Rupees 300 or ƒ450. — for expenses and travel costs, and to remit the remainder here by bill of exchange, there being allocated to the said assistant during his stay at Amedabaad ƒ100. – per month for all expenses. Furthermore, it was decided to recommend most strongly to the Factor secrecy and an exact compliance with the order, he having to pretend to have been summoned to account verbally for the poor progress of trade and the debt of the business managers; as well as to see whether he might also be able to obtain a portion for Amed-abaat in the upcoming commissioning of return goods, and to give more semblance of truth to the latter, to record and bring along the prices of the cloths; but in case one might ask why he [illegible]
Dutch transcription
Van Souratta onder dato den 10 April 1761. Den 20:' Februarij Ao 1761. Narmddag Present. . - Pan Drabbe Den E: E agtb: Heer. . opperCoopman en Gezaghebber „ Koopman secunde en hoofd administrateurs David Kellij „ onderkoopman en fiscaal - M:r Gerbrand D' Ionge „ onderkoopman- . . . Iohannes Sanderus „ onderkoopman. Willem Blaaukamer . „ onder koopman en secret:s van Politie Otto Hendrik Ruperti „ onderkoopman Hendrik Kroonenberg „ onder koopman, en soldij boekhouder Philip Wargaren „onderkoopman Cassier en factuur houder Ian Oudenhoorn „onder koopman en Pakhuijs meester Martinus Johan Bosman D'Executie der ordre, om het Comtoir Amed= abaad finaal op te breeken, weegens de traage verkoop der aldaer nog in sComp: Pakhuizen leggende quantiteit Poeder siiken, tot nog toe hebbende moeten uijtgesteld worden; eerstelijk, om te tragten door s Comp: Makelaer Girderdas Doosje, en zijner zoon Mietalaal aan de Comp: voor verkogte suiker nog verschul„ digde ƒ5850: 2 —. des mogelijk in te palmen; ten tweede, om dat men de suiker, die wegens desselfs volumineus„ heid niet zonder zwaere ongelden weder her waerds konde vervoerd worden, zo veel mogelijk moest trag„ ten, aan de man te helpen, en derdens, om dat al hadde men dezelve willen naca zouratta transporteeren, zulks aenstonds de Regenten, en ieder een zoude hebben Si doen M. 117. 1761 Van Souratta onder dato den 10:' April doen suspecteeren, dat het op de volkome opbrake van dat Comptoir Gemunt was, 't welke men egter, zo veel mo„ gelijk door hen moest tragten te verbergen, tot 's Comp: beste Effecten en meeste Dienaeren in salvo waren wegens de moeijelijkheeden, die men reeden hadde daer omtrend vande regenten te vreezen, of de knevelarijen, die de bediendens, zo wel in Amedabaat als onder weg, zouden moeten ondergaen; Mitsgaders omdeeze opbrave te faci„ liteeren reeds in Ao p:o de Tweede De Wind nevens een adsistent herwaerds ontboden zijnde en het eindelijk hoog tijd wordende de ordre van de Hooge Jndiasche Regee„ ring werkstellig te maken, zo gaf de heer Gezaghebber in overweginge, op hoedanige wijze zulks best behoorde te Geschieden om de moeijelijkheeden te ontgaen, die men daer in van eerst af aan heeft voorzien. Waer over in't breeve Gesprooken, en alles rijpelijk Geconsidereerd zijnde, wierd eijndelijk Geoordeelt, best te wezen, voor eerst den factoor De Beellon, nevens den onder Chirurgijn, herwaerts te ontbieden laatende al„ daer bij provisie, nog een maend of wat blijven den adsis„ tent Smit, om quasie, dezaaken tot de wederkomst van den factoor waer te neemen, dog dezen, hij secreete brief vande Eerhaalde ordres van haere hoog Ed:s en wat hij verder dient te weten, te adverteeren, en hem te gelasten, opontfangst dier Letteren, de nodige toe„ stel, tot zijn vertrek, te maaken, en zijn uiterste best te doen, niet alleen, tot inpalming vande be„ wuste schuld, maer ook, tot den spoedigen en Contanten verkoop der nog overige siiker, met de hand daer mede te Ligten; dog het zij de voorsz Debet voldaen Van Souratta onder dato 10:' April 1761. voldoen ende suiker verkogt zij, of niet, uiterlijk ult:o Maert nevens den onder Chirurgijn op reis te gaen, me de nemende alle Papieren en andere effecten vande Comp: excepto de suijker, zo er dan nog iets van die zoetig„ heijd mogte vaerschieten, en laatende al daer den adsistent Smit, om zodanig restantje aande man te helpen, en vervolgens, na verrigting van het nodige, op nadere or„ dre, dog niet eerder, mede herwaerts te keeren. En om voortekomen, dat Gem factoor, bij zijn vertrek, en Geduurende de afreize, niet belemmerd zij met overtollige Contanten, als een Gevaerlijke waere zijn„ de, om daer mede overland te reizen, wierd goedgevon„ den heem te ordonneeren, daer van niet meer te behouden als tot de ongelden der afreize nodig is, mitsgaders aan den adsistent Smit Ro/a. 300: of ƒ450. — voor guastos en Reiskosten ter hand te stellen, en het overi„ ge per wissel herwaerts te remitteeren, zijnde aengem adsistent Geduurende zijn overblijven op DEe Med- abaad toegelegd ƒ100. – smaends voor alle guastos Voorts wierd beslooten, den factoor dese cretesse, en eene ex„ acte voldoening aande ordere, ten hoogsten te recommandee„ „ren, moetende hij voorgeeven, ontboden te zijn, om zig mon„ deling te verantwoorden over den slegten voortgang der Negocie en deschuld der zaek bezorgers; mitsgaders, om te zien, of hij inde ophanden zijnde aen besleeding van Retouren ook eene portie voor Amed-abaat zoude kunnen bekomen, en om aen dit laetste meer schijn te geeven, de prijzen der Doeken opnemen en mede brengen; dog bij aldien men mogte vragen, waerom „ —„ issel hij
English
119 From Surat under date 10 April 1761. can procure. he should take the assistant surgeon and so much goods with him, feign his poor health, and that he could easily fall ill on the way in a place where no comfort or relief is to be found, except for that which they can procure for themselves. The two first supercargoes of the present Swedish Company's ship, named the Riksens Ständer, David Sandberg and Christiaan Hendrik Braad, having complained to the Lord Commander and Council in a French letter under today's date, of which the original is to be found among the Incoming Western Letters and its translation among the Translations, regarding the bad treatment of the Regents in their respect; their dwelling being surrounded by some 100 men of the city Governor's soldiers, as well as they and all their crew who are ashore having been arrested, without their knowing the reason for it or having given cause for it, with the request that this Ministry, by virtue of the friendship between both nations, would interpose its good offices with the said Regent on their behalf, as well as secure for them the freedom to send their goods and effects on board and to continue their voyage. Whereupon it being considered that the city Governor, who at present depends completely in all respects on the English, would not have dared to undertake this if they were opposed to it, or rather, if he had not been incited thereto, probably to dissuade the Swedes from returning, and consequently that this Ministry with that Regent, who in this matter only acts as a tool From Surat under date 10 April 1761. satisfied and whether the sugar be sold or not, to set out on the journey at the latest by the end of March together with the assistant surgeon, taking with him all the papers and other effects of the Company, except for the sugar if some of that sweetness should still be left over, and leaving there the assistant Smit to dispose of such small remainder, and subsequently, after having accomplished what is necessary, to return hither likewise upon further orders, but not earlier. And in order to prevent the said factor, upon his departure and during the journey, from being encumbered with superfluous cash, as it is dangerous merchandise to travel with overland, it was approved to order him to retain no more thereof than is needed for the expenses of the journey, as well as to hand over to the assistant Smit Rs. 300 or ƒ450 for expenses and travel costs, and to remit the remainder hither by bill of exchange, the said assistant being granted ƒ100 per month for all expenses during his stay at Ahmedabad. Furthermore, it was resolved to recommend to the factor in the strongest terms secrecy and an exact compliance with the orders, he having to pretend to have been summoned to account verbally for the poor progress of the trade and the debt of the business administrators; as well as to see whether he might also obtain a share for Ahmedabad in the upcoming contracting of return goods, and to give more appearance of truth to the latter, to take down and bring along the prices of the piece goods; but in case one should ask why he 119 ƒ ƒ From Surat under date 10 April 1761 can procure. he should take the assistant surgeon and so much goods with him, feign his poor health, and that he could easily fall ill on the way in a place where no comfort or relief is to be found, except for that which they can procure for themselves. The two first supercargoes of the present Swedish Company's ship, named the Riksens Ständer, David Sandberg and Christiaan Hendrik Braad, having complained to the Lord Commander and Council in a French letter under today's date, of which the original is to be found among the Incoming Western Letters and its translation among the Translations, regarding the bad treatment of the Regents in their respect; their dwelling being surrounded by some 100 men of the city Governor's soldiers, as well as they and all their crew who are ashore having been arrested, without their knowing the reason for it or having given cause for it, with the request that this Ministry, by virtue of the friendship between both nations, would interpose its good offices with the said Regent on their behalf, as well as secure for them the freedom to send their goods and effects on board and to continue their voyage. Whereupon it being considered that the city Governor, who at present depends completely in all respects on the English, would not have dared to undertake this if they were opposed to it, or rather, if he had not been incited thereto, probably to dissuade the Swedes from returning, and consequently that this Ministry with that Regent, who in this matter only acts as a tool
Dutch transcription
119 Van Souratta onder dat Den 10 April 1761. kan procureeren. — hij den onder Chirurgijn en zo veel Goed mede neemt zijne zwakke Gezondheijd voor wenden, en dat ligtelijk onder„ weg konde ziek worden op een plaats daer Geen Gemak of soulagement te vinden is, als 't geene zij sig selve De twee eerste Cargas van 't aen weezend 'z weeds Comp:s schip, de Rijkstenden genaemt, David Sandberg en Christiaan Hendrik Braad, aanden heer Gezaghebber en Raed, bij een Fransche brief onder den datum van heden waer van 't origineel onder de Aankomende Westersche brieven en dier vertaaling onder de Translaten te vinden is, Geklaagd hebbende over de Quade behandeling der Regenten ten hunnen op zigte; zynde hunne wooning door eenige 100 man vandes stads Gouverneur krijgsvolkeren rondsom bezet, mitsgaders zij, en al hun aanland zijnde volk, Gear„ resteerd, zonder dat zij de reeden daer van weeten, of daer toe aenleiding hebben Gegeven, met versoek, dat dit „ministerie, uit hoofde van de vriendschap tusschen beide Natien, haere goede officien bij Gem: Regent, ten hunnen behoeve, wilde interponeeren, mitsgaders Een de vrijheijd bezorgen, hunne Goederen en eeffecten naar boord te zenden, en hun ne reize te vervolgen. Waerop Geconsideerd zijnde, dat de stades Gou„ verneur, die thans in alle op zigten volkomen vande Engelschen dependeert, dit niet zoude hebben durven onderneemen hij aldien deeze daertegen waeren, of liever, indien bij daertoe niet was aengezet, waerschijnelijke om de Zweeden het wederomkomen te verleeren en Gevolglijk dat dit ministerie bijdien Regent, die indezen maer als een werkstuig e Van Souratta onder dato 10:' April 1761. voldaen ende suiker verkogt zij, af niet, uiterlijk ult:o Maert nevens den onder Chirurgijn op reis te gaen, me de nemende alle Papieren en andere effecten vande Comp: excepto de suijker, zo er dan nog iets van die zoetig„ heijd mogte overschieten, en laatende al daer den adsistent Smit, om zodanig restantje aande man te helpen, en vervolgens, na verrigting van het nodige, op nadere or„ dre, dog niet eerder, mede herwaerts te keeren. En om voortekomen, dat Gem factoor, bij zijn vertrek, en Geduurende de afreize, niet belemmerd zij met overtollige Contanten, als een Gevaerlijke waere zijn„ de, om daer mede overland te reizen, wierd goedgevon„ den heem te ordonneeren, daer van niet meer te behouden als tot de ongelden der afreize nodig is, mitsgaders aan den adsistent Smit Ro/a. 300: of ƒ450. — voor guastos en Reiskosten ter hand te stellen, en het overi„ ge per wissel herwaerts te remitteeren, zijnde aengem adsistent Geduurende zijn over blijven op D Med- abaad toegelegd ƒ100. – smaends voor alle guastos Voorts wierd beslooten, den factoor dese cretesse, en eene ex„ acte voldoening aande ordere, ten hoogsten te recommandee„ „ren, moetende hij voorgeeven, ontboden te zijn, om zig mon„ deling te verantwoorden over den slegten voortgang der Negocie en deschuld der zaek bezorgers; mitsgaders, om te zien, of hij inde ophanden zijnde aen besteeding van Retouren ook eene portie voor Amed-abaat zoude kunnen bekomen, en om aen dit laetste meer schijn te geeven, de prijzen der Doeken opnemen en mede brengen; dog bij aldien men mogte vragen, waerom hij , —„ — issel 119 ƒ ƒ Van Souratta onder dat Den 10 April 1761 ee kan procureeren. hij den onder Chirurgijn en zo veel Goed mede neemt! zijne zwakke Gezondheijd voor wenden, en dat ligtelijk onder„ weg konde ziek worden op een plaats daer Geen Gemak of soulagement te vinden is, als 't geene zij sig selve De twee eerste Cargas van 't aen weezend zweeds Comp:s schip, De Rijkstenden genaemt, David Sandberg en Christiaan Hendrik Braad, aanden heer Gezaghebber en Raed, bij een Fransche brief onder den datum van heden waer van 't origineel onder de Aankomende Westersche brieven en dier vertaaling onder de Translaten te vinden is, Geklaagd hebbende over de Quade behandeling der Regenten ten hunnen op zigte; zynde hunne wooning door eenige 100 man vandes stads Gouverneur krijgsvolkeren rondsom„ bezet, mitsgaders zij, en al hun aanland zijnde volk, Gear„ resteerd, zonder dat zij de reeden daer van weeten, of daer toe aenleiding hebben Gegeven, met versoek, dat dit ministerie, uit hoofde van de vriendschap tusschen beide Natien, haere goede officien bij Gem: Regent, ten hunnen behoeve, wilde interponeeren, mitsgaders Een de vrijheijd bezorgen, hunne Goederen en eeffecten naar boord te zenden, en hun ne reize te vervolgen. Waerop Geconsideerd zijnde, dat de stades Gou„ verneur, die thans in alle op zigten volkomen vande Engelschen dependeert, dit niet zoude hebben durven onderneemen, hij aldien deeze daer tegen waeren, of liever, indien bij daertoe niet was aengezet, waerschijnelijke om de Zweeden het wederomkomen te verleeren en Gevolglijk dat dit ministerie bij dien Regent, die indezen maer als een werktug
English
From Surat, under date the 10th of April 1761. could be considered an instrument, would not only fail to accomplish anything, but, moreover, afford the English an opportunity on one occasion or another, if not openly, at least in an indirect manner, to thwart them, while we presently live in good harmony with them, and it is not advisable to embroil ourselves with anyone for the sake of another, especially since Their High Excellencies have expressly ordered to keep those friends in a good humor as much as possible, it was unanimously understood not to interfere in that matter in any way, and to write in reply to the said Supercargoes: That, although it grieves this administration to see that they encounter such obstacles, and however much one is inclined to cultivate on all occasions the friendship that subsists between both Nations, one cannot, however, see what use the intervention of this Administration in this matter could be to them, as the regents, so it seems, act solely according to the custom of these lands toward all European Nations that have obtained no special freedoms and privileges from the Mughal court, as Mr. Braad, who previously resided here for a considerable time, could not be unaware; That it would therefore ill become this administration to meddle in a matter to the detriment of the Regents under whose protection we reside here, and that we are, therefore, compelled to limit the tokens of friendship in this matter to the wishes that they may be relieved of this labyrinth and soon find a conclusion to their affairs, as can be seen more at large in the outgoing western letters. Below stood: In the Netherlands Office Surat on the day aforesaid. Was signed: I. Drabbe, D. Kellij, G. D. Jonge, I.s Sanderus, W.m Blaaukamer, O. H. Ruperti, H.k Kroonenberg, Philip Wargaren, I. Oudenhoorn, and M.r I.n Bosman. In the margin stood: Agrees. Was signed: I. H. Ruperti, 1st Secretary. Monday the 2nd of March Anno 1761. Afternoon. All Present. The Director communicated to the assembly that on the 23rd past his Honor had received a letter from the First Supercargo of the Swedish Company's ship, the Rijkstenden, of such content as had become known to the Members by circular reading, containing a request to have another sealed letter, addressed to the chief mate and the two supercargoes on board, delivered quickly and safely to their ship, or otherwise to return the same to the bearer; That the French Capuchin Father Medard, having been charged with this commission, had also strongly insisted upon a prompt answer, so that there had been neither time nor opportunity to take the advice of the Members living in town by circular inquiry thereon, and even less to formally convene the assembly about it; but that his Honor, in order not to act arbitrarily in this matter, had presented the case to most of the members living at the wharf and just then present, together with two of those from town who happened to be outside; that because the aforesaid letter sent for delivery was closed, and one was consequently ignorant of its contents, the matter could very easily be of consequence, and possibly contain an order to seize some Moorish ships in order thereby to promote the release of the persons and goods arrested in Surat, as the English themselves seemed to have apprehended, not giving their flag to all native ships and vessels; and that, the matter being so, and it becoming known afterward that this administration had lent a hand to the sending of such an order, this would at times be counted a crime against it and could be the cause of all kinds of inconveniences; that therefore it was resolved to return the said letter to the said Father with a polite compliment, since it would not be advisable and even irresponsible to bring the Company into inconvenience solely to do a service to another. The collective Members, having heard everything with attention, those who had not been present at the aforesaid conference declared themselves in agreement with the decision taken, and it was approved to make a note thereof hereby. Below stood: In the Netherlands Office at Surat on the day aforesaid. Was signed: J. Drabbe, D. Kellij, G. D. Jonge, I.s Sanderus, W. Blaaukamer, O. H. Ruperti, H. Kroonenberg, Philip Wargaren, I.n Oudenhoorn, and M. J. Bosman. In the margin stood: Agrees. Was signed: O. H. Ruperti, Secretary.
Dutch transcription
Van Souratta onder dato den 10 April 1761. werktuig kan aengemerkt worden niet alleen niet zouden kunnen intregten, maer ook, daer en boven aande Engelschen gelegentheijd verschaffen, om haer bij d' eene of andere occasie, zo al niet opentlijk, ten minste op eene indirecte wijse d' voet dwars te zetten, ter wijl men tegenwoordig in een goede harmonie met hen leeft, en het niet geraden is, zig om een anders wille, met Een te brouilleeren, voor al, dewijl Haare hoog Ed:s Exprees hebben gelast, die vrienden zo veel mogelijk in een goede Luim te houden, zo wierd eenparig verstaan, zig met die zaek in geenen deele te bemoeijen, en aen gem: Cargas in antwoord te schrijven, Dat, schoon het dit ministerie Leed doet, te zien, dat zy sulcke obstaculen ontmoeten, en hoe zeer men genegen is, om de vriendschap, die tusschen heide Natien subsisteert, bij alle Gelegent„ heeden te cultiveeren, men, egter, niet kan zien, van wat nit de tusschen komst van dit Ministere in deeze zaak voor hen zoude kunnen weezen, alzo de regenten na't schijnt, eenlijk volgens de Costumade deezer Landen, te werk gaen omtrent alle Europeesche Natien, die geene bijzondere vrijleeden en privili„ gien vant mogolsche hof verkreegen hebben, Gelijk den Heer Braad, die zig hevoorens een Geruime tijd hier heeft opgehouden, niet konde onbe„ wust zijn, Dat het oversulks dit ministerie zeer qualijk zoude voegen zig met eene zaek te bemoeijen ten nadeele den Regenten onder welken protextie men hier is Gezeeten, en dat men, over zulks, Genood„ zaekt is, de blijken van vriendschap in deezen te bepaalen, tot de wenschen„ dat zij uit dit labij rints mogen verlast worden en spoedig een einde van zaaken vinden, Gelijk dit breeden kan Gezien worden bij de afgaen de westersche brieven. (:onderstond:) Int Nederlands Comptoir Souratta ten dage voorsz: (was Getekent) I: Drabbe, D Kellij G: D: Joege I:s Sanderus, W:m Blaaukamer O. H: Ruperti, H:k Kroonenberg Philip Wargaren, I: ou„ denhoorn, en M:r I:n Bosman (ter zijde stond) Accordeert (was Getekent:) I. H: Ruperti E secret:s Maendag le 121 Van Souratta onder dato den 10:' April 1761 Maendag Den 2 Maert Ao 1761 Namiddag Alle Present. De Heer Gezaghebber Communiceerde aande vergadering, dat zijn s: den 23: Pass:o van den Eersten Carga van't Zweeds Comp: schip, de Rijkstenden, een brief hadde ontfangen, van zoodanigen inhoud, als aan de Laden, bij rondlaezing, was bekent geworden, behelelende een verzoek, om een an„ dere verzegulde brief, besz: aan den opperstuurman en de „zijnde twee aen boord„s Cargas, spoedig en zeker op hun schip te willen laaten bestellen, of anders, dezelve aan den brenger te rug te geven; Dat de fransche Capucijner Later Me„ dard met deze Commissie Gelast zijnde, ook sterk hadde Geinsteerd, op een promp't antwoord, zulks er geene tijd of Gelegentheijt was Geweest, om het advis der Leden, binnen destad wonende, bij rondorage, daer op in te neemen, en nog minder, om de vergadering for„ meel daer over te beleggen; dog dat zijn E. om indezen niet willekeurig te handelen, de zaek hadde voorgesteld aande meeste op de werf woonende, en, Juist present, zijnde Leeden mitsgaders aan twee vandie uijt de slad, die Gevallig buijten waren, dat vermits de voorsz:, ter bestel„ ling, Gezonde brief geslooten, en men bijgevolge onkundig was van dies inhoud, de zaek zeer Ligtelijk van Conse„ quentie konde zijn, en mogelijk een ordre behelsen, om Eenige Moorsche scheepen in beslag te neemen, ten einde daer door het ontslag den insouratta Gearresteerde Perzoonen en Goederen te bevorderen, Gelijk de Engelschen zelve 6 maer Van Souratta onder dato den 10:' April 1761. zelve scheenen Geapprehendeerd te hebben, niet aan alle Jnlandsche scheepen en vaertuigen hunne vlag te geven, en dat de zaak dus zijnde, en naderhand geweten wordende, dat dit ministerie de land hadde Geleend aan't verzen„ „den van zodanige ordre, zulks haer zomtijds tot een misdaad zoude Gerekent worden, en oorzalk kin„ nen weezen van allerleij in convenienten; dat over zulks beslooten was gem brief onder een beleeft Compli„ ment aan gem: Laten wederom te geven, de wijl het niet Geraden en zelfs onverantwoordelijk zoude sijn„ de Comp: in ongelegentheijt te brengen, eenlijk, om een ander dienst te doen. De Gezamentlijke Leeden alles met attentie aenge boord hebbende, betuigden de geene die bij voorsz: Confe„ rentie niet present waren Geweest, zig met het genoemen besluijt te conformeeren en wierd Goedgevonden daer van bij deeze aentekening te houden. /onderstond:/ In't Nederlands Comtoir te Souratta ten dage voorsz: (was Getekent:) J: Drabbe, D: Kellij G: D: Jonge, I:s Sanderus W: Blaau„ Kamer, d: H: Ruperti H: Kroonenberg, Philip wargaren I:n Oudenhoorn, en M: J Bosman ter zijde stond) Accordeert (was Getekent) O: H: Ruperti Secretaris. — Amed
English
From Souratta, 10 April 1761. Amed: Abaad To the Junior Merchant Piere Anthoine de Bellon. Factor there Good friend, By our letter of 18 December of the year 1759 we already informed Your Honour in secrecy that the evacuation of the factory at Amed:abaat was likely near at hand. That we did not much mistake ourselves in that regard appears from the accompanying Extract under Letter A, whereby the High Indian Government once again repeats its already given orders, and instructs this administration to abandon Amedabaad at the earliest opportunity, if the same continuously remained in such a desolate state, or if there was no hope that the prices, both in purchasing and selling, all charges deducted, could at least equal those of Souratta. In the month of November 1758 we had already made a trial to see whether the collection for the year 1759 would proceed smoothly there, but the memorandum of prices sent to us being anything but satisfactory, we wished in January of the last-mentioned year to make another small trial regarding the Gessiapaats, but also could not succeed; wherefore we, here and at Brootchia, proceeded with the contracting at the usual time, and have since that time also not sought 10 April 1761. From Souratta to make any contracting of linens at Amedabaat, both on account of the aforesaid order for the evacuation of that factory, and because we could not advance cash to people who paid so poorly for the goods sold to them and were sufficiently without credit. Since, however, the monies owed to the Company by the brokers Mietalaal and Tellikjent for the last 100 canassers of sugar sold to them were not paid, and there was also still a remainder of that sweet stuff lying in the Company's warehouse to be sold, we were satisfied in March of the past year 1760 to reduce the establishment of Your Honour's factory by summoning hither the Second, De Wind, and the assistant Vermeulen, and leaving there solely for Your Honour's assistance in his sickly condition a clerk and an under-surgeon, trusting that Your Honour in the then upcoming season would not only find means to collect the debt of the brokers, but also to make the little sugar still on hand change owners, in order subsequently, everything being brought into a settled state, to be able to come hither. However, since Your Honour could not bring matters to a conclusion in all that time, and not only has nothing of the said debt been received since, but also the piecemeal sales have only furnished just enough cash as was necessary to pay the charges, without the least part thereof having been able to be remitted; and thus the capital, along with the profit, has been absorbed by From Souratta, 10 April 1761. the factory, we can no longer delay complying with the repeated order of the High Indian Government, the more so because Their High Excellencies are in the expectation that this has already taken effect and that the factory has been completely evacuated, as the Extract under Letter B further demonstrates. Consequently we order Your Honour, upon receipt of this, to make the necessary preparations for your departure hither, and to do your utmost best, not only for the collection of the debt in question, but also for the speedy and cash sale of the remaining sugar, taking care to lower the price; but whether the aforesaid debt be paid and the sugar sold or not, at the latest by the end of this month, together with the under-surgeon, to set out on the journey, taking along all papers and other effects of the Company, except the sugar should any of that sweet stuff still remain, and leaving there the assistant Smit to dispose of such a small remainder and subsequently, after performing what is necessary, upon our further order, but not earlier, likewise to return hither. In order that upon Your Honour's departure and during the journey you may not be encumbered with superfluous cash, Your Honour must not keep more thereof than is necessary for the expenses of the journey, as well as handing over to the assistant Smit, to whom we grant during his stay at Amedabaad 100 guilders per month for everything, 300 rupees for expenses and traveling costs, to give a proper 10 April 1761. From Souratta accounting thereof upon his return here, remitting the remainder hither by bill of exchange. We have devised this arrangement in order to facilitate the evacuation of the factory, in case the rulers might sometimes wish to oppose it, although this is less to be feared from the Mahrattas than from the Moors; wherefore Your Honour must also let nothing at all transpire concerning the complete evacuation of the factory to whomsoever it may be, but pretend that Your Honour has been summoned, on the one hand to account orally for the poor progress of the trade and the debt of the brokers, and on the other hand to see whether Your Honour, in the impending contracting for returns, might also be able to obtain a portion for Amedabaat, to which end Your Honour, to give more appearance of truth to the latter, may record and bring along the prices of the Amedabaat cloths. We do not doubt that all these reasons, if the matter is managed well and properly, as we expect from Your Honour's prudence, will appear satisfactory to the rulers, assuming that they might otherwise make any difficulty regarding your departure: we leave it to Your Honour to make use thereof in such manner and places as shall be best and most convenient, in order to secure for yourself an unhindered departure; Your Honour being able, if one should ask why Your Honour takes the under-surgeon and so many goods along, to plead your weak health
Dutch transcription
123 Van Souratta Den 10 April 1761. Amed: Abaad Aan den onderkoopman Piere Anthoine de Bellon. Factoor aldaer Goede vriend Bij onze brief van den 18: december des Jaers 1759 hebbeen wij uEd: reets in secretesse bedeeld, dat de opbrake van 't Compt=r Amed:abaat mogelijk na hij was, Dat wij ons, dien aen„ gaende, niet veel vergifft hebben belijkt uit het nevensgaende Extrac=t sub L A: waer bij de Hoge Indiasche Regloring haere reeds Gegevene ordres nogmaals repeteert, en dit ministerie gelast, amedabaad ten eersten te ligten, zo 't zelve by Continuatie, indien de zolate staat mogte Gebleven zijn, of, wanneer en geen hoope was, dat de prijzen, zo wel bij In als verkoop„ alle ongelden afgereikent, niet ten minsten die van souratta ega liseeren kunnen. In de maend November 1758. hadden wij reeds een ten„ tamen Gedaen, om te zien, of den inzaem voor 't Jaer 1759. @ costi wilde vlotten, maer de ons toegezondene Memorie der Rijzen, niet minder als voldoende zijnde, hebben wij in Januarij vant laatst vermelde Jaer nog een proefje willen neemen omtrend de Gessiapaats, alleen dog ook niet kunnen slagen; weshalven wij, hie ente broot chia, met de aenbesteeding op de Gewoone tijd zijn voort gegaan, en zedert ook niet nader hebben besogt Den 10 April 1761. Van Souratta eenige aen besteeding van Lijwaten te Amedabaat te doen, zo wel weegens voorsz: ordre tot de opbrake van dat Comptoir, als, om dat wij geene Contanten kon„ den bieeren aenlieden die zoo slegt op de betaling der aen hen verkogte Goederen pasten, en genoeg zaem zonden credit waren. De wijl egter de Penn: door de zaekkezorgers Mietalaal en Tellikjent, aende Comp:e ver schuldigt, voor de laatste aan hen verkogte 100 Cannassers sinker niet voldaen waeren, en der ook nog een restant van die zoetigheijt in 'sComp: Pakhuijs lag, om te verkopen, zo hebben wij ons in maert van 't Gepasseerde Jaer 1760. vergenoegd, den omslag van uE: Comptoir te verminderen, door het herwaer 'ts datbieden van den Tweede De wind, en den adsistent vermeulen, en tot uE adsistentie in zijne ziekelijke staet al„ daer eenlijk gelaaten, een Pennist en een ondermeester, in vertrouwen, dat uE: in het toen op handen zijnde saizoen niet alleen middel zoude vinden, den bit der zack bezorgers te innen, maar ook, de weinig„ ge nog aan handen zijnde suiker van meester te doen veranderen, om vervolgens alles in eene Liquide staat Gebragt zijnde, herwaerts te kunnen komen. Edog dewijl uE mal die tijd geen einde van zaaken heeft kunnen maaken, en niet alleen, zedert niets van Gem: schuld is te binnen gekomen, maer ook de kruijmelige verkoop maer even zo veel Con„ tanten Gefourneerd heeft, als nodig waren tot voldoening der ongelden, zonder, dat daer van het minste heeft kunnen worden overge„ maakt; en dus het Capitaal, met de winst, door het 125 Van Souratta Den 10' April 1761. het Comptoir is Geabsorbeerd, zo kunnen wij niet langer uitstellen aen de Eerhaalde ordre vande hooge Jn„ diasche Regeering te voldoen, te meer, nademaal Haere hoog Ed:s inde verwagting zijn, dat zulks reeds effect heeft Gesorteerd, en dat het Comptoir vol„ komen is opgebroken, Gelijk het Extract sub L: B. nader komt aen te wijzen. Over zulx Gelasten wij uE, op ontfangst deser, de nodige toestel tot zij vertrek herwaerts te maken, en zijn uiterste beest te doen, niet alleen tot inpalming vande bewuste schuld, maer ook, tot den spoedigen en Contanten verkoop den nog overige suiker, NB: met de hand daar mede te ligten; dog het zij den voorsz: Jebet voldaen en de suiken verkogt zij of niet, uiterlijk ulto deeze, nevens den onder chirurgijn, op rees te gaen, mede namende alle Papieren en andere effecten vande Comp:, Excepto de suiken zo ee dan nog iets van die zoetigheijt mog te overschieten, en laatende aldaer den adsistent Smit, om zodanig restantje aan de man te helpen, en, ver„ volgens, na verrigting van het nodige, op onze nadere ordre, dog niet eerden, mede herwaerts te keeren Om bij uE vertrek en Gedurende de afreize niet met overtollige Contanten belemmerd te zijn moet uE: daer van niet meer behouden, als tot de ongelden den reize nodig is, mitsgaders aen den adsistent Smit, aan den welken wij geduurende zijn overblijven op smed abaad ƒ100. —. Smaends voor alles toeleggen, 300 ropijen voor guastos en Reiskosten ter hand stellen, omme daar van, bij zijn retour alhier, behoorlijk Den 10 ' April 1761. Van Souratta behoorlijk reekening te doen, remitteerende het overige per wissel herwaerts. Wij hebben deeze schicking beraemd, om des op brake van het Comptoir te faciliteeren, bij aldien de regenten zig zomtijds daer tegen wil den opposeeren, alhoewel zulks minder van de Marettcas als vande mooren tedugten is; weshalven ook uE zig absolut niets van de volkome opbree„ king van 't Comtoir tegens wie het mogte wee zen, moet laten verlinden, mat voorgeven, dat uE. ont„ boden is, eens deels, om zig mondeling te verant woorden overden slegten voortgank den negocie„ en deschuld der zaek bezorgers; en anderdeels, om te zien, of uE:, in de ophanden zijnde aenbesteeding van retouren, ook eene portie voor Amedabaat zoude kunnen bekomen, ten welken einde uE, om aen dit laatste meerschijn tegeven, de prijzen der A„ medabaatse doeken kan opneemen, en mede brengen Wij twijffelen niet of alle deze redenen, als de zaek wel en behoorlijk word Gemenageerd, Gelijk wij van uE: voorzigtigheijt verwagten, zullen de regenten vol„ doende voorkomen; Gesteld dat zij andersal eenige zwarigheijt, nopens zijn vertrek, mogten maaken: wij laaten aan uE Gedemandeerd, om zig daer van op zodanige wijze en plaetzen te bedienen, als best en gevoeglijkst zal weezen, om zig zelve een onbe lemmerde aftogt te bezorgen; kunnende uE:, als men mogte vragen, waerom uE den onder Chi„ rurgijn, en zo veel Goed, mede neemt! zijne zwacke Gezondheijd
English
127. The 10th of April 1761. From Souratta plead health, and that one could easily fall ill on the way, in a place where no comfort or relief is to be found other than what Your Honour can procure for yourself. For the rest, we await this punctual fulfillment of the aforementioned orders and remain after greetings, Your Honour's Good friends. Was signed: D. Jonge, J. Drabbe, D. Kellij, V. Blaaukamer, the Lord Ruperti, H. Kroonenberg, J. Oudenhoorn. And in the margin: Souratta, the 4th of March 1761. Lower: P.S. Your Honour's letters, as well as those from the Governor and quart collector, are also to be answered shortly. Underneath: Agrees. Signed: P. Wenkink, First Sworn Clerk. Souratta, the 10th of April 1761. From Souratta To the Honourable, Right Worshipful Lord, Mr. Jan Drabbe, Senior Merchant and Commander over the Honourable Company's Weighty Interests, together with The Council there. Honourable, Worshipful Lord and Esteemed Councilors. Your Honourable, Right Worshipful, highly esteemed secret reply of the 1st of this month, with its enclosures, duly reached me on the 9th thereafter, from which is perceived the intentions of Their High Excellencies, along with Your Honours, regarding the breaking up of this office, because the prices of the goods produced here, as well as the heavy expenses in the open export, came to run all too high, so that the same could be provided considerably cheaper at your place, as well as the bankruptcies of the brokers, and chicanery of the regents; therefore Your Honours not having made an end to the contracting, and having completely abandoned it. Thus, to my regret, I must dutifully inform Your Honours that I have done nothing with both the purchase and sale except through the brokers assigned to me by Your Honours; who have had no other intention than that the purchase and sale of the goods should be conducted solely through them, without standing in that regard under the orders of the superiors appointed from the other side, for which reason they have so burdened the goods that they would stand far above the prices of the goods being prepared at your place, besides the expenses that would still fall upon them en route. And while I observed this, I had the sugar that was on hand upon the departure of the second ship retailed through my house servant, because they are not able to dispose of a single canasser for cash payment and have not a penny of credit. And since Your Honours' intentions are to break up the office, I cannot carry out my views regarding the collection; and Your Honours' orders were observed. But since it is more than two months ago that due to my indisposition I have not been able to leave the lodge, I sent the assistant Smit to the Durbar, and made known to the Governor, as well as the quart collector, Your Honours' commands, and requested to be permitted to make a short journey to your place, because I have been summoned, on the one hand to account in person for the poor progress of trade, and on the other hand to see if a portion for Amedabaat might also be obtained from the pending contracting. Whereupon those on behalf of the Governor, Genees Appa, replied that they would come to the lodge the next day to speak with me in person, which they also did, and said that it was only three to four months ago that they took charge of the administration here, and what reason we had to be dissatisfied with them. Whereupon I answered that we were in no way dissatisfied with their administration, and also did not intend to break up the office entirely, as proof of which an assistant, together with the Honourable Company's merchandise, would be left here for their reassurance. Further having made known to them how the Governor, Ramtjiuder, and his brother Seddoe Bawa, promised the Honourable Company that they would restitute the 1461 1/3 rupees extorted en route by the robbers, as well as other promises, merely to pacify the Honourable Company, but that as little has come of the one as of the other, and on such a footing the Honourable Company could not continue its trade with peace of mind; therefore once again requested to obtain perwannas for my departure. Whereupon they replied that as soon as Appa Genees shall have reappeared here, they would see to it that the tyrannies taking place en route would come to an end; also, that it was not in their power to give permission for my departure without their master's order. As regards the quart collector, I must respectfully report to Your Honours that when I made known to him Your Honours' highly respected order, and requested to be allowed to make a journey to your place to account in person to Your Honours, His Honour seemed very embarrassed in that matter, and requested to be allowed
Dutch transcription
127. Den 10 April 1761. Van Souratta gezondheijd voorwenden, en dat ligtelijk onder weg konde ziek worden, op een plaets, daer geen gemak of soulagement te vinden is, als 't geene uE zig zelve kan procureeren. Voor 't overige verwagten wij deeze ponctueele voldoening aende voorsz: ordresen blijven na groete (onderstond:) uE Goede vrienden /was Getekent) D Jonge.. I: Drabbe D: Kellij v blaaukamer, d' H: Ruperti, H. Kroo„ nenberg. . . . . , I: Oudenhoorn en /in margine/ Souratta den 4 Maert 1761. (Lager) P. S. uE. brieven als mede die vanden Gouverneur en quart in vorderaar staan mede eerstdaags beantwoord te worden daer onder accordeert (Getekent/ P: wenkink E G Clercq. E . . . . Souratta Den 10:' April 1761. Van Souratta Aan den E: E: Agtb: Heer Den Hetr Jan Grable OpperCoopman en Gezaghebber over sComp: swaer wigtige Belangens benevens Den Raad aldaar E: Agtb:re Heir en G' Eerde Raden. 6 VE E: agtb: hoog G'eerde Secreete rescriptie van den 1: dezer zijn mij, met dies bijlagen, den 9 daer aan, wel geworden, waer uit beoogd haer hoog Edelheedens, beneffens uw E E agtb: intentien, wegen den opbrake van dit Comptoir, door dien de krijzen der alhier val„ lende goederen, als ook de swaae ongelden, bij den open afvoer al te hoog quamen te lopen, dat dezelve, vrij heeter koopa Costij konde werden besorgt, gelijk mede de banqueroeten der Makelaers, als kne„ relarijen den Regenten dierhalven VW:E: E: agtb: niet de aenbesteeding een Eijnde heeft Gemaekt, en daer van ten Eenemaal afgezien, zo moet tot mijn leed„ weezen uwE E: agtb: schuldpligtig ter kennisse brengen, dat niets buijten dedoor VW: E: E: agtb: aen mij ter hand Geschik te Makelaers, heb Gedaen, zo wel met den In-als verkoop; welke niets anders van zints zijn Geweest, als dat den In-als verkoop der Goe„ denen als Eenig door haar mogte geschieden, zonder daer omtrend, onder de ordres van de overhalv Gestelde 88 129 Van Souratta Den 10:' April 1761. gestelde hoofden te staan, om welke reden, hebben zij lieden, de goederen zo beswaert, dat ver boven de Prijzen der @ Costij aengemaekt werdende Goederen zoude komen te staen, buijten de ongelden, die daer nog op ouder weeg zoude vallen, en Terwijl zulks heb ontwaerd, zo hebbe de zuiker, die met het vertreek van de tweede de wind aan handen zijn Geweest door mijn huijs dienaer laaten verdebiteeren, door dien zij lieden niet instaat zijn een Canasser, tegens Contante betaling, van de hand te zetten, en geen Penning Credit hebben; En nadien VW. E: E: agtb Intentien zijn, om het Comptoir op te breken kanik mijn gevoelens, wegens den Jnzaam niet volbrengen; en uw EE: agtb: ordres Geobeserveert; maer dewijl het ruijm twee maenden is Geleeden, ik door mijne indispositie niet in staat ben, uijt de logie te gaen; zo heb den adsistent Smit naden Deerbaer Gezonden, en den Gouverneur, als quart in vorderaen, uw E: E: agtb: beveelens, laaten te kennen Geven, en versogt een springtogtje na Costij te mogen doen, door dien ik ontboden hen, Eens deels om mijn mondelings te verantwoorden over de slegte voortgang der Negotie, als anderdeels, om te zien, of wat van de ophouden zijnde aenbesteding ook een Portie voor Amedabaat mogt kunnen bekomen, waer op die van wegens den Gouverneur Genees Appa Geant„ woord hebben, dat zij des anderen daags in de Lagie zoude komen, om mijn mondelings te kunnen spree„ ken, het welk ook hebbe Gedaen, en Gezegt, dat het nog maer drie a vier maenden is geleeden, zij lie„ den het bewint alhier hebben Gehad, wat reden wij Van Souratta Den 10 April 1761. wij hadden over haer onvergenoegd te weezen, waer op Geantwoord heb, dat wij in geenen deelen over haere regeering onvergenoegd waeren, en ook niet vanzints zijn, het Comptoir ten Eenemaal op te breeken, ten blijke van dien een adsistent, beneffens s. EComp: Coop„ manschappen alhier, tot haere gerustheijt zoude laeten, verders haer tekennen Gegeven hebbende, hoe den Gouverneur, Ramtjiuder en zijnen broeder Seddoe Bawa, de E Comp: hebbe be„ looft de onder weg door de Lagters afgedwongene Ro/a. 1461 1/3. wederom zoude restitueeren, Gelijk meer andere beloften, om d'E: Maetschappij maer te vieden te stellen, maar dat, zo min van het een als van het ander iets van gekomen is, en op zo een voet dE Comp: met Gerustheijt haere handel niet konde voortzetten, dierhalve nogmaals versogt, Perwannas voor mijne aftogt te mogen Erlangen; waer op zij repliceerden, dat zoo dra Appa Genees weder alhier zal verscheenen weezen, zij lieden zoude maken dat de dwingelandijen, die onder weeg Ge schieden, een eijnde zoude neemen; ook, dat het in haer magt niet en was, om zonder haer meesters ordere Permissie tot mijn vertrek te kunnen Geven. Het geen den quart invorderaer betreft, moet VW E E: agtb: Eerbiedig melden, dat wanneer ik aen hem uw E E: agtb: hoogst Gerespecteerde ordre heb te kennen Gegeven, en verzogt, een reijsje naer Castij te mogen doen, om mijn mondelings bij VwE: E: agtb: te verantwoorden, zo scheen zijn Ed in die zalk zeer verleegen te weezen, en verzogt te mogen
English
From Surat, 10 April 1761. might know what reasons there were for it, which was made known to him, both regarding the extortions along the way and concerning the promises of the Regents in that regard; as well as that your Right Honorable Worships would gladly wish to see the promised restitution follow, to which he answered very politely, and said that this extortion did not take place under his administration, but indeed during the time of Sewokram, and that he could not refund those moneys, but that the Honorable Company could be assured that if, for the present, anything were taken at the place of General Damagie, His Honor would stand surety for it and would satisfy it out of his own treasury, and if the Honorable Company did not wish to place trust in him, he would give one of the most substantial merchants as a guarantor, so that the Honorable Company could be assured. Since the brothers of General Damagie, Kedarouw and Chandaauw, as well as his son, Sicagie Rouw, all three were staying close to this city, he would arrange that Their Honors should grant such parwanas to the Honorable Company that no hindrance could be caused by any toll farmers along the way. I would dutifully not have failed to reply to your Right Honorable Worships in my own hand, but I hope my aforementioned indisposition will obtain your Right Honorable Worships' excuse. Wherewith, while offering two Persian Surat, 10 April 1761. From Persian letters, one from the Governor and one from the revenue collector, I have the honor to remain with all high esteem, (was below:) Right Honorable Sir and Esteemed Councilors, (lower:) your Right Honorable Worships' humble and very obedient servant, (was signed) Pierre Antoine Dehellon. In the margin: Ahmedabad, this 25 March 1761. Below it: Agrees, (signed) P. I. Wenkink, Chief Clerk. Java From Java's East Coast, 16 August 1761. Batavia To the High Noble, Valiant, and Right Honorable Lord, His High Nobility Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Right Honorable Lords Councilors of the Dutch East Indies. High Noble, Valiant, Right Honorable, Wide-ruling Lord and Lords. In dutiful reply, this serves to state that it could do no harm on occasion to inform the princes of Your High Nobilities' decision regarding the recall of Raden Hassoerodo from his banishment, as in time it would come to Their Majesties' ears anyway and at times, according to their suspicious nature, might cause unrest, although for my part I would never be in favor of the recall of such lads unless one can restore them fully and immediately to their imagined dignity; for at the slightest ill will, or notion of not having enough according to their birth or lineage, they are able at once to incite the common man From Java's East Coast, 16 August 1761. into motion, just as today Raden Wira Midjo, alias Langerang Goentoer, nephew of Raden Maas Grendi, the former Chinese Emperor now on Ceylon, departed from the court of the Susuhunan together with his wife, the daughter of a Pangeran Adipati Mangkunegara. As it is said, he had become somewhat too familiar with one of his father-in-law's concubines; others say it was because he did not have enough maintenance to his liking. After all friendly recalls or requests, he refused to listen, but managed to gather some highwaymen together and reduced the main settlement of Blora and Jipang to ashes; in the latter district, one of the Sultan's regents perished. Now the Prince's men are pursuing him, and according to the latest reports they have surrounded him in the Blora forest. Whether they will seize that young man of 20 years, either dead or alive, according to the order, time will tell. I do not see any immediate difficulty in it, nor can I imagine that anything else lies behind it; yet these are sparks by which the fire has repeatedly burst into full flame. The most lamentable thing is still that the peasant is once again unsettled by it and the countryside ruined. Furthermore, enclosed herewith are the Susuhunan's and the Sultan's reply letters, sewn in yellow silk; just as here, upon Your High Nobilities' requisition, there is also respectfully enclosed a brief memorandum showing in what manner, virtually without expense, these From Java's East Coast, 16 August 1761. the pirates could be countered and dislodged in the spring, as the time has now passed, and all the more so since the native chiefs require their own vessels to travel to Batavia, and I expect that because of that movement they will be somewhat deterred this autumn. Wherewith, with deep respect, I remain, (was below:) Your High Nobilities' obedient and faithful dutiful servant, (was signed) N. Hartingh. In the margin: Semarang, 16 August 1761. Draft proposal to stop the acts of piracy along Java's coast in the easiest and least expensive manner, namely: From Surabaya onward, or from the corner of Ujung Pangkah, two good Company pancalangs, doubly manned with Europeans, even if there were six soldiers on each, and from each regency according to its size, a pair or more of payangs or other light vessels, provided with a wooden breastwork covered with a buffalo hide, open at the front, with two small cannons; manned, besides the Javanese, with two European sailors or each serving as gunners, and thus together, in company, cruising back and forth until
Dutch transcription
131. Van Souratta Den 10:' April 1761. mogen weten, wat reden daer voor waren, het wel bee hem, zo wel aende kuevelarijen onder weg als van de beloften der Regenten dien aengaende, heb doen te verstaan geven; mitsgaders, dat uw E: E: agtb: Gaerne de beloofde restitutie zoude willen zien volgen, waer op hij seer beleefd antwoorden, en zeijde die afpersing onder zijn bestie niet is Geschied, maer wel inde tijd van se wokram„ en, dat hij die penn: niet konde restitueeren, maer dat de 3 Maatschappij konde versekert wezen, zo, indien en voor tegenwoordig, iets op de plaetse van de Generaal Damagie met Gemeld wierd afgenomen, zijn Ed daer voor insting, en uijt des„ selfs Cassa, zoude voldoen, en zo, indien d E Comp: op hem Geen betrouwen wilde stellen, een vande zwaersten Cooplieden tot borge wilde geven, en dat d'E imaetschappij konde verzekert weezen. Terwijl de broeders vande Generaal Damagie Kedarouw en Chandaauw, beneffens desselfs zoon, Sicagie Rouw alle drie digte bij deeze stad waren leggende, hij zoude bewerken, dat haer Ed:s aende E Maatschappij zodanige Per wannasqua„ men te verleenen, dat door Geen Pagters onderweegs eenige verhinderinis zoude kunnen toebrengen Ik zoude schuldpligtigd niet gemanqueerd hebben, u E: E: agtb: Eijgenhandig te beantwoorden, maer mijne voorengem: indispositie hoope bij uw E E: agtb: verschooning zal erlangen Waer mede onder aenbieding van twee Per Siaensche Souratta Den 10 April 1761. Van Siaansche Missive, als een vanden Gouverneur, en een vanden quart invorder aen, de Eere heb van niet alle hoog agting te blijven (onderstond:/ E E: agtb: heer en G'Eerde beieen Raden (lager:) uw E E agtbares onderdanige en zeer Gehoor zamen dienaer (was Getekent Pierre anthoine De hellon /in margine Amedabaat dien 25. Maert 1761. daer onder Accordeert (Getekent P I: Wenkink RGe Clercq. aVas 133. Van Iavas oost Cust den 16 aug:s 1761. Batavia Aan den Hoog Edelen Gestr: Groot agtb Heere zijn Hoog Edelheijt Petrus Albertus van der Larra Gouverneur Ge neraal en de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Hoog Edelen Gestrengen Grootacht„ baaren wijdgebiedenden Heere & Heeren In schuldig antwoord diend deeze, dat bij occasie niet kwaed kan, om de vorsten ken„ nis te geven van uw hoog Edelheedens besluijt omtrent Radein Haas soerodo 's te rug roe„ =ping uijt desselfs bannissement, alzo inder tijd Haer Majesteiten doch ter ooren zoude komen en bij wijle, volgens haer agter den kend naturel, rug waer zoude geven, schoon ik voor mij nooijt voor detrug roeping van diergelijke knapen zoude wezen, ten zij men dezelve in haer ver beelde waerdigheijt ten vollen al aenstonds kan hersteelen, want konnende, bijde minste kwaed Gezindheijt, of verbeeling van niet Genoeg te hebben na haer Geboorte of afstamming, ten eersten de gemeene man in Van Iavas Oost Cust Den 16:' Augs 1761. in beweeging brengen, Gelijk heeden den Radeen Wira Midjo (alias) Langerang Goentoer Neef van Maas Grendi opb Chineesche Keizer thans tot Ceijlon zich van het hof vanden soesoehoenang heeft begeeven, nevens desselfs vrouw dogter van een Pangerang Adipattij Mancoenagara, zo men zegt, sig wat te gemeen zoude hebben Gemaekt met een van zijn schoonvader bij wijven anderen weler, om dat geen onderhoud Genoeg, na zijn zin„ had, heeft na alle vriendelijke te rug roeping of verzoeken niet willen zuisteren, maer eenig volk afstruijk rovers bij den anderen weten te schommelen, en de hoofd negorij van blora en Jipan inde afsche Gelegt; zijnde in het Laeste district een van sulthan Pregenten Gebelee ven, nu sit svorsten volk hem na, en volgens de laeste rapporten zoude zijn hem in't blorasche- bosch om cingeld hebben, of zij dien Jongman van 20 Jaeren nu zullen oppakken, het zij levendig of dood, na de ordre zal de tijd leeren; ik zie er Juist nog Geen zwarigheijt er inne, en kan ook niet bevroeden, en iets anders zoude onderschuilen„ egter vonkjes, waar door meermalen het vuur in volle flam is geraekt, het beklagenste is als nog, dat de boer er weer word door ont„ rusten het Land geruineerd Voorts leggen hier nevens s soe soehoenangs en sulthan santwoord brieven ingeele zijde aenaid; Gelijk hier ook op uw hoog Edelheed:s requi sit in Eerbied nevens legt een memorik je, op wat wijze genoegz aem zonder kosten, deze d 135. Van Iavas Oostcust den 16 aug 1761. de zeer schinmers zoude tegen konnen tegen gaen en de logeeren inhet voorhaer, als zijnde de tijd nu verlopen, en te meer, de inlandsche hoofden haer eige vaertuigen benodigt heb„ ben, om na batav:a te gaen, en stel door die beweeging indit na Jaer wel wat afge schuwt zullen werden Waer mede met diep ontzag verblijve (onderstond:) uw hoog Edelheed:s Gehoorzaeme en Trouw Schuldige Dienaer (was Getekent N:s Hartingh, (in margine) Samarang den 16: augs 1761. Couceptje, om op de Makke„ lijckste en onkostbaere wijse de zeeroverijen, langs Javas kuste testuijten, als: van sourabaija af, dan wel van de hoek van oedjong Pangka, twee goede Comp: Pantjallangs du b„ beld bemand met Europeezen, als was het ook op ijder nog zes soldaaten, en van ijder regent schap na haer groote, een paer, of meer Paijmaij rngs of andere ligte vaertuijgen, daer bij met een borst waring van hout overtrocken met en buffelshuit, voor open, met twee stuck jes; buiten de Javaenen, met twee matroosen, bemand, of ijder als bosschieters, en dus Geza„ menderhand bij den anderen, over en weerkruijzen tot „
English
From Java's East Coast, 16 August 1761. into the bay of Rambang; over this small fleet there should be a good commander, along with a couple, at least, of coast regents who possess some courage and are seafaring men; likewise, who know all the creeks and inlets that can still be found. The regents will be willing to do this, as will the Prince of Madura. One could also, for encouragement, let them divide the plunder among themselves, though the greatest concern is that they themselves do not commit acts of wantonness and mistake friend for foe. A similar small fleet should be fitted out from Samarang, cruising eastwards in the same manner as far as Poelo Mandalika, and westwards also a similar one as far as Cheribon. Indeed, upon sighting those prime culprits or upon presumption, pursuing them all the way into the Boompjes Islands and even to Crimon Java, where they are wont to hide a great deal; Cali Maritja near the red corner of Japara, Tajoe, etc.; and to the west the rivers Soembar near Pamalang and Kalli Gouzo between Tagal and Cheribon should be kept under observation. This cruising should commence from primo April until mid-June, and further, a double watch should be kept by the regents and toll farmers at all river mouths and suspicious coves. The toll 137 From Java's East Coast, 16 August 1761. farmers will gladly contribute vessels to this, and the residents even their pantjallangs; thus it would cost the Company little or nothing except for some gunpowder and ammunition. At least I succeeded in such a manner in the year 1755, and a Governor can have daily news and know what is happening with such a pantjallang from east and west, for the master's eye makes the horse thrive; and even if one does not entirely master them, it will nevertheless serve as a deterrent, for it is quite certain that our own folk and foreign traders do engage in some illicit trade. Frans Zaal Translation of a Javanese letter written by the Susuhunan Pakubuwana, holding court at Surakarta Adiningrat, to his grandfather, the Lord Governor-General Petrus Albertus van der Parra and the Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Brought on 21 August 1761. After the customary preamble: Further, I have duly received from the hands of my brother, Mr. Nicolaas Hartingh, Councillor Extraordinary of the Netherlands Indies and Governor of Samarang, their High Right Excellencies' letter, from which I have understood that it has pleased the Almighty to summon the Lord Governor-General Jacob Mossel from this temporal life into eternity. Over this I was utterly distraught, the reason being that I had heard nothing of his illness. On the other hand, I have learned with joy of the election and accession of my grandfather, the Lord Petrus Albertus van der Parra, as Governor-General, and therefore I cannot refrain from congratulating His High Right Excellency on that illustrious dignity, and I wish my grandfather not only a happy but also a long-lasting reign. Meanwhile, I have duly received their High Right Excellencies' pleasant gift, consisting of: From Java's East Coast, dated 16 August 1761. 139 From Java's East Coast, dated 16 August 1761. 61½ ells green flowered velvet 63 ells blue 25 ells red cloth 13 ells broad gold lace narrow 1 piece gilded chintz 2 pieces fine malmalls 2 pieces mores 2 pieces armozines 1 alegias with silver stripes, and 16 lb spices, for which I express my heartfelt gratitude. Further, I very humbly beg pardon that on this occasion I have not yet been able to send any envoys, the reason being that up to now the necessities required for this purpose have not been made ready. However, as soon as they are ready, I shall not fail to dispatch envoys with a letter to my grandfather, the Lord Governor-General, and the Lords Councillors of the Netherlands Indies. Everything that lies upon my heart is mentioned in this letter. End. (Written underneath: Written on Wednesday the 19th of the month Besar, the year Je 1686, which according to the Dutch style was 22 July 1761. Lower down: Translated by me, was signed: J:s Gouduijn, Translator.) Java's East Coast, dated 16 August 1761. Translation of a Javanese letter written by the Sultan Hamengkubuwana, holding court at Yogyakarta Adiningrat, to His High Right Excellency the Lord Governor-General Petrus Albertus van der Parra and the Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Brought on 21 August 1761. After the customary preamble: Further, the Sultan has duly received their High Right Excellencies' letter, and understood therefrom that it has pleased the Almighty to summon the Lord Governor-General Jacob Mossel from the temporal life into eternity, and that the Lord Petrus Albertus van der Parra has again been chosen in the Council of the Indies to that illustrious dignity. Therefore the Sultan cannot refrain from congratulating His High Right Excellency hereby, the Sultan always striving to draw the true friendship and alliance closer and closer and to make it unbreakable, while the Sultan also does not doubt that their High Right Excellencies will likewise always show themselves to be sincere friends of the Sultan; which has already been shown by the pleasant gift that their High Right Excellencies have so generously deigned to send to the Sultan, which the From
Dutch transcription
Van Java's Oost Cust Den 16 Aug=s 1761. tot inde bogt van Rambang; over dit vloot je zoude een goed hoofd moeten weezen, nevens een paer, ten minsten, onderstrand regenten, die wat moeden Couragie hebben, en zee luij zijn; Jtem die alle krieken en gaten bekent zijn, die nog al te vinden zijn: hier toe zullen de regen„ ten Gewillig wezen, als mede den Prins van Madura, men zoude ook tot en Couragement de buit onder haer konnen laten verdeelen doch de meeste zorg is, dat men zelfs maer geen baldadigheeden pleegen en vriend voor vijand Een dito vlootse zoude van Samarang, oostw:rds op den ingelijke voegen tot Poelo Mandalika„ mede moeten uijtgerust werden en kruijssen, en west waerds ook een dito tot Cheribon toe, Ja, bij ontwaring van die hoof vogels of presump„ tie, nazetten tot in de boomtjes Eijlanden ook wel tot Crimon Java, waer te men wil zich veel schuilhouden, cali maritja bij de roode hoek van Japara, Tajoe enz: en omde west de revieren. soembar bij pamalang en kalli Gouzo, Jusschen Tagal en Cheribon dienen in't oog gehouden te werden; Deeze bekruizing zoude moeten beginnen van Primo april tot half Junij toe, en voorts zoude door de regenten en pagters aen alle monden van de revieren en suspecte in hammen dubbelde wagt moeten werden Gehouden. De Tolle„ aenlast.. naers 137 Van Iava's oost Cust den 16: aug:s 1761. naers zullen hier mede Gaerne vaertuigen toegeven uit Iade residenten zelfs wel haer pantjallangs, dus zoude het de Comp: weinig of niets kosten als wat kruijt en ammunutie ten minsten het is mij op zo een wijs Gelukt in anno 1755. en Een Gouverneur kan dagelijks tijding hebben en weeten, wat er omgaat; met zo een pannaijang van oost en west want het oog vande meester maekt dach het peerdaet, en word men dezelve niet al meester, zo sal het doch afschrik Geven, want dat ons eigen volkje en overwalsche handelaers en wel wat onder roeijen is wel zeker Frans Zaal Translaat Javaense brief Gesz: door den Soesoehoenang Lacoeboeana k: k:a hoff houdende tot Soera Carta adinnge vat aan zijn Groot vadee den heere Gouvern:r Generaal Deblus Albertus van der Larra ende wel Edele Heeren Raden van Neder„ lands Jndia. aengebragt den 21 aug:s 1761. 7 Na Gewoone voor reeden Wijders hebbe Jk uijthanden van mijn broeder, den Heer Nicolaas Hartingh: raed Extra ord:r van neder„ lands Jndia en Gouverneur van Samarang, wel ont„ fangen haer hoog Edelheed:s missive waer uijt verstaen hebbe, dat het den almogende behaegt heeft den heere Gouverneur Generaal Iacob Kossel uijt dit tijdelijke in het eeuwige overte haalen, waer over ten uijtersten ontstelt bengeweest, reeden, ik van desselfs ziek te niets vernomen hebbe, en we„ „den om hebbe ik met beijdschap vernomen de verkiezinge en optreedinge van mijn groot vader den heere Petrus Albertus vander Parra tot Gouverneur Generaal, en dierhalven kan ik niet afzijn, zijn hoog Edelheijd in die luijstenreijke waerdigheijt te feliciteeren en wensche mijn groot vaeder niet alleen een Geluckige maer ook een lang eeduurige regeering. Intusschen hebbe ik wel ontfangen haer hoog Edelheedens aengenaem Geschenk bestaende in. Van Iava's oost Cust onderdato den 16 aug 1761. 139 Van Javas oost Cust onderdato 16 augs 1761. 61½. ell groen fluwel Gebloemd 63 „ blauw 25 „ roodlaken 13. „ goud passement breede Smalle 1 P:s vergulde Chits 2 „ fijne malle mallen 2 „ moris 2 „ armozijnen 1 alegis met zilvere Strepen, en 16 lb: specerijen, waer voor mijne hert grondige dankbaerheijt betuijge, voorts verzoeke zeer onderdanig Excuus, dat ik, bij deese Gelegentheijt, nog geen zendelinge hebbe kunnen zenden, waer vande reeden zijn, dat tot nog toe de daertoe vereijschte benodigthee„ den niet ingereedheijt zijn Gebragt, dog zo dra, dezelve ingereedheijt zijn, zal ik niet manqueeren, om rendelingen met een brief aen mijn Groot vader den heere Gouven Gener:l ende heeren Raden van nederlands Jndia afte zenden, al wat op mijn herte ligt staet in desen brief vermelt Eijnde (onderstond Gesz op woensdag den 19. vande maend bisjaer 't Jaer Djee 1686. 't welk Geweest is volgens de hollandse stijl den 22 Julij 1761. lager Getranslateerd door mij was Getekent I:s Gouduijn Frans latenn 4. 13 „ Iavas Oost Cust onderdato den 16 aug:s 1767. „brief Translaak Javaense gesz: door den Sulthan Hamingcoeboeana & k hoff houdende tot DJogja Karta adiningrat aen zijn Hoog Edelheijt den Heere Gouvern Gener Petrus Albertus van der Parra ende wel Edele Heeren Raden van Ne derlands Jndia aengbragt den 21: augs 1761. Na Gewoone voorreeden Wijders heeft den sulthan wel ontfangen haer hoog Edelheedens missive, en daer uit verstaan dat het den almogende behaegt heeft den heere Gouvern:r Genel Jacob Mossel uyt het tydelijke in't Eeuwi„ ge over te halen, en dat wederom in raden van Jndia tot die luijsterrijke waerdigheijt is verkooren den heere Petrus Albertus van der Parra, dierhalven kanden sulthan niet afzijn, zijn hoog Edelheijt bij desen te feliciteeren, zullende den zulthan altoos tragten, de waere vrienden bondgenoot schap meer en meer toe te haalen en onverbreekelijk te maaken, Terwijl den sulthan ook niet en't wijsbelt of haer hoog Edelheedens zul„ len mede altoos toonen, opregte vrienden van den zulthan te zijn; 't welk al ree Geblee ken is door het aengenaem Geschenk dat haer hoog Edelheedens, een sulthan zo Gul„ hertig hebben Gelieven toe te zenden, het welke den Van
English
141. From Java's East Coast dated 16 August 1761. the Sultan received very well, and expressed his heartfelt gratitude for it; the Sultan very humbly requesting excuse that His Highness, on this occasion, has sent no envoys, for the reason that the Sultan until now has not been able to arrange this, while the Sultan subsequently becomes able to do so with the requisite respect. Written at Djogja Karta adiningrat on Tuesday the 11th of the month [illegible] the year Djee 1686, which was according to the Dutch style the 24th of July 1761. Below stood: Translated by me, was signed: I. Gordijn, Translator. Batavia E From Cape of Good Hope, 30 May 1761. Batavia To His Excellency, the High Noble, Right Honorable, Well-Born Lord Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of Their High Mightinesses the Lords States General of the United Netherlands, as well as on behalf of the same and the East India Company Governor General, and the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Well-Born Lord and Noble Lords. The arrival here of the English royal ships, Liverpool and the Seahorse, having been duly brought to the notice of Your Right Honorable Nobles by the letters which, during my indisposition, were consigned to Your Right Honorable Nobles by the Council of this place under dates of the 6th and 23rd of this month, I find myself obliged, with respect to those ships, to set down further herewith that, just as the first-mentioned was dispatched solely to England by Admiral Steevens to bring thither the news of the conquest of Pondicherry, so the other, or the Seahorse, was likewise only sent to India to transport the gentlemen Charles Mason and Jeremias Dixon to Bencoolen, in order to make some astronomical observations there; but since these observations mainly had to consist of observing the transit of the planet Venus across the sun, which is to occur on the 8th of the coming month of June, and the voyage of the aforesaid ship in the Channel was delayed by various sea-disasters, so that it was not feasible to be at Bencoolen at the aforesaid time, the captain of that vessel was therefore forced to put into this place, in order that the mentioned gentlemen might thus have the opportunity to make the intended observations here, which one then also took the liberty to grant them. Meanwhile, with the said arrived warship no other news was brought here that might in any way merit the attention of Your Right Honorable Nobles, other than solely that at their departure there was spoken, more than before, of an impending peace with France, and that mainly on the occasion that by the last-mentioned Court, the requested passports had been sent to My Lord Hamilton and two other prominent English gentlemen to travel through France to Italy; which journey, however, it was generally presumed, was undertaken by the mentioned gentlemen solely to treat regarding the preliminaries offered by France; which all I would further not have failed to bring to the notice of Your Right Honorable Nobles earlier according to duty, had I not until now been prevented therein by my aforesaid severe indisposition. In the meantime, as I can presently advise Your Right Honorable Nobles of nothing else or further, I shall take the liberty to conclude herewith, remaining with due respect, underneath stood: High Noble, Right Honorable, Well-Born Lord and Noble Lords, lower: Your Right Honorable Nobles' very humble and obedient servant, was signed: R. Tulbagh. In the margin: In the Castle of Good Hope, 30 May 1761. 145. From Palembang, 29 August 1761. Batavia To His High Nobility, the High Noble, Right Honorable, and Wide-Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor General, and the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord and Noble Lords. It was on the 16th of this month that the undersigned had the honor to be favored with Your High Nobilities' revered letter dated 28 July prior; from its honored contents Your High Nobilities' humble servant perceived, to his great joy, a token of confidence that Your High Nobilities' distinguished assembly placed in him, in order to entrust an important commission to him regarding the Pangerang Nata Casoema here. No sooner did I find myself honored with those high orders than I immediately had an audience requested with this Sultan, which I also had the honor to obtain the next day. When I presented myself to the monarch, His Highness in private
Dutch transcription
141. Van Javas oost Cust onderdato den 16 augs 1761. den zulkhan zeer wel heeft ontfangen, en daer voor zijne hert grondige dank baerheijt betuijgd; verzoekende den zul„ kan zeer onderdanig excuus, dat zij hoogheijt, bij dese Gelegentheijt, Geen zen„ delingen heeft Gezonden, om reden, den zul„ khan sulx tot nog toe niet heeft kun nen bij brengen, somwijle dat den sulthan Naderhand instaet raekt, om zulx met de vereijschte Eerbied te kunnen doen zijnde Gesz: te Djogja Kanta adiningrat op Dingsdag den 11 vande maend bit jaer 't Jaer Djee 1686. 't welk Geweest is volgens de hollandse stijl den 24: Julij 1761. (onderstond Getranslateerd door mij (was Getekent) I: Gordijn Translateere. Batavia E Van Cabo de Goede Hoop den 30:' Maij 1761. Batavia Aan zijn Excellentie Den Hoog Edelen Groot Agtb: welgebooren Heere Jacob Mossel Generaal over d' Jnfanterie ten dienste van den sert Haer Hoog Mogende de Heeren Staaten Gene„ raal der vereenigde Neder„ landen, mitsgaders wegens dezelve en de oost Jndische Comp: Gouverneur Gene raal ende d' Edele Hee„ ren Raden van Ne derlands Jndia Hoog Edelen Groot Agtb:, welgebooren Heere en Edele Heeren. Het arrivement alhier der Engelse konings scheepen, Leverpool en thee Seahorse, aan uwel wol Edele groot agtb: behoorlijk ter kennisse Gebragt zijnde, bijde brieven, die geduurende mijne in dis„ positie, door den raed deser plaetze sub datis 6 en 23. deeser maend, aan uwe wel Edele groot agtb: zijn geconsigneert, vinde ik mij ver pligt, om ten opsigte dier scheepen, bij desen nog ten needer testellen, dat, Gelijk het eerst 143 Hoop den 30 Maij 1761. Cabo de Goede Van eerstgem: door den admiraal steevens eenelijk naer Engeland is afgevaerdigt, om aldaer de tijding der verovering van zondicherij tebrengen, dus den ande ren, afthe seahorse, ook maer alleen naer Jndia is gezonden, om de heeren Charles Mason en Je remias Dikson, naer bancoelen over te voeren, ten einde aldaer eenige Asteonomische observa tien te doen; dog de wijl dese observatien hoofd za kelijk moesten bestaan, om den loop der Pla„ niet venus over de zon, (:'t welk op den 8 den aenstaende maend Junij staat te Ge„ schieden :/ waer te neemen, en de reijze van 't voorsz schip in't Canaal door diverse de Castres derzimaaten is vertraagd geworden, dat het niet doenelijk geweest is, op voorsz: tijd te Bencoelen te kunnen zijn, is den Cap: dier kiel over zulx Genoodsaekt Geweest, dese plaats aan te doen, ten eijnde Gementioneerde Heeren dus occagie mogten hebben, de voor„ vaerstigen observatien alhier te kunnen doen, t geen men dan ook de vrijheijt genomen heeft, aandezelve t' accordeeren: Terwijl met het Gedagte uijtgekomene oorlogschip alhier geen andere nouvelles, die uwer wel Edlle Groot Agtb: attentie eenigsints zoude mogen meri=teeren, zijn aengebragt, als eenelijk, dat er bij hun depart meer dan bevoorens van een op handen zijnde vreede met vrankrijk wierd gesprooken, ende zulx ten principaale ter occagie, dat door het laastGem: Hof aan Cabo d Goede Hoop den 30 Maij 1761 Van aan Mijlord Hamilton, en nog twee andere voornaeme Engelse heeren, de versogte Paspoor„ ten waeren toegezonden, om door vrankrijk, naer Jtalien te reijzen; welke reijse egter uit al gemeen Gepresumeert wierd, dat door Gem Heeren Enkel stand aengenomen te werden, om„ over de door vrankrijk aengebodene peeli„ minaire te handelen; welk een en ander ik wijders niet in Gebreeken zoude zijn Gebleven, uwe wel Edele groot agtb. al eerder volgens pligt ter kennisse te brengen, bij aldien daer inne niet tot nu toe door voorsz wij ne zwaere Jndispositie was verhindert geworden. Ondertusschen, dat ik voor tegenwoordig uwe wel Edele Groot agtb: niet anders of naders kunnende ad„ viseeren, de vlijheijd zal neemen, desen hier mede te besluijten blijvende met verschul„ digt Eerbied /onderstond/ Hoog Edele Groot agtb: wel Gebooren Heere en Edele Heeren lager) u wel Edele Groot agtb: seer onder danigen en Gehoorzamen Dienaer (:was (Getekent) R Tulbagh. /in: margine) Jnt Casteel de Goede hoop den 30 Maij 1761. — - 145 Van Palembang den 29. ' Augustus 1761 Batavia Aan zyn Hoog Edelheyd den Hoog Edelen Gestr Groot Achtbaeren en Weijdgebiedende Heere Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal en de Wel Edelen Heeren Raden van Nederlands Jndia Hoog Edel gestr: Groot Achtba„ ren Weydgebiedende Heer en Wel Edele Heeren T was op den 16 dezer, dat den ondergetekende d' eer had, vereert te worden met uw Hoog Edelheedens gevenereerde letteren dato 28. Julij bevorens, uijt deszelven g'eerden inhoud ontwaarde uw Hoog Edelheedens geringe Dienaar, tot zijn groote Blijdschap een blijk van vertrouwen, dat uw hoog Edelheedens aansienelijke vergadering in hem stelde; ten eijnde een importante Commissie, aan hem op te dragen nopens den Pangerang Nata Casoema alhier. Jk vond mij niet zoo ras vereert met die hoge ordres off liet inmediaat audientie vragen bij dezen sulthan„ en 't geen ook d'eer had des anderen daags te obtineeren. Wanneer ik mij bij den vorst vervoegde, zijn hoogheid in stilte
English
From Palembang, the 29th of August 1761 quietly communicated the decision that your Right Excellencies had pleased to take favorably in favor of his brother Pangerang Nata Casoema, to place that Highness upon the Jambise throne. After I had made known your Right Excellencies' orders to the Sultan, as ordered by your Right Excellencies' respected letters, His Highness was pleased to reply, to my utter astonishment, that he, the Sultan, was very much obliged to your Right Excellencies for the attention that your Right Excellencies had bestowed upon his brother, being a clear proof of the esteem that your Right Excellencies bore toward His Highness as well as his brother. Yet that the matter could hardly be carried out, on the one hand because he had recently been very accurately informed that the Tambijnese, both great and small, were quite different in their innermost thoughts than they showed outwardly, and that he was very fearful that when it came to the matter for which they had asked, one would not be able to rely upon them; that all their words and requests which they had made were pure deceit, in order to expose His Highness to ridicule, and that they would rather keep their old prince than be governed by a Palembang prince. And concerning Pangerang Nata at Jambij, who was the head of that project, that one could rely upon him less than upon someone from the common people, and thus his brother would be exposed to the greatest affronts in the world by the conduct of such wretched people. That he, a few days ago, had maturely deliberated on this and that with his princes and grandees, and they all had advised His Highness rather to extricate himself from that matter in which he had become involved, if it should go so far From Palembang, the 29th of August 1761 that your Right Excellencies came to satisfy the request of the Jombijnoese, and that he presently saw himself thereby compelled humbly to thank your Right Excellencies for the favorable considerations in favor of his brother. How astonished your Right Excellencies' humble servant was at such an answer from the Sultan, I am not capable of expressing, seeing myself suddenly deprived of carrying out the most complete design that could be put into practice; and I could not refrain, Right Honorable Lords, from answering the Sultan that I could not understand how His Highness could be so fickle in such a weighty matter, whereas, not two months ago, he spoke in a completely different tone and at that time looked forward with longing to the outcome of your Right Excellencies' positive resolution in that regard; what your Right Excellencies will surely think of His Highness, who is so changeable of plans and allowed himself to be persuaded by his ministers, and that such actions were indeed downright contrary to the character of so great a prince as His Highness was, and From Palembang, the 29th of August 1761 several other arguments, which I took the liberty to present amiably to the king, but all of which had as much effect on the Sultan as if I were speaking to a wooden statue, he persisting in his initial discourse without changing a single jot, only adding that he had been misled by the Jambijneesen. Noticing this, I asked His Highness what I should report to your Right Excellencies regarding that matter, and whether it pleased His Highness that I should write down everything just as he had expressed himself, to which I received the answer, what else; a convincing proof, Right Honorable Lords, of the fickleness of the native princes, and from which it is evident that one can rely as little upon this one as upon his Jambijse Highness. Being unable to gain anything from the Sultan, I requested His Highness to reconsider this matter once more, and that I would come later to learn the king's firm resolution; which the Sultan promised me to do within two days; and I took leave of the prince and departed for that time. Coincidentally, the following day an embassy appeared here from Jambij from Pangerang Soeria Agama, formerly called Radeen Boham, along with a small retinue, who From Palembang, the 29th of August 1761 had been sent by the Jambijse king to fetch the Pangerang Nata Casoema, namely, to come to Jambyj in order to live as brothers with the Jambijnese Sultan and to govern together, but not to surrender the government entirely to the said Pangirang Casoema; A message and compliment, Right Honorable Lords, which suddenly made the Sultan here abandon the project, as His Highness finally declared to the undersigned on the 24th of this month, yet with this addition: that he, the Sultan, would order the envoys present here to depart immediately and to tell their faction and those who were truly inclined toward his brother, in the name of His Highness, that if the Jambijnesen will resolve to arrest their king and to hand him over into the hands of the Resident Van Solms, he, the Sultan, will immediately release his brother, in order to place him, with your Right Excellencies' pleasure, upon the Jambijse throne, but failing that, His Majesty would have nothing more to do with them directly or indirectly; with the request that I should give notice of this to your Right Excellencies, and plead that the Sultan may not fall into disfavor with your Right Excellencies' honorable assembly over this, having never thought beforehand that the matter would be accompanied by so many difficulties. The aforementioned envoys also addressed the undersigned, after they had previously been in audience with the Sultan, and handed over a letter from Pangerang Nata, which contains nothing other than that he
Dutch transcription
Van Palembang den 29 Augustus 1761— stilte Communiceerde het besluijt, dat uw hoog Edel heedens gunstig hadden gelieven te nemen; ten faveure van zin broeder pange„ rang Nata Casoema, om die Hoogheid op den Jambisa troon te gaan plaatsen. Na dat ik uw hoog Edelheedens beveelen den Zulthan bedeeld had, zodanig als g'ordonneerd word bij uw Hoog Edelheedens qua„ de letteren, geliefde zijn hoogheid tot mijn uijterste verwoude ring te antwoorden, dat hij zulthan uw Hoog Edelheedens zeer verpligt was, voor d' attentie, die uw hoog Edelheedens had„ den geslagen op zijn broeder, als een klaar bewijs zynde van d'ag„ ting, die uw Hoog Edelheedens, zoo wel zijn hoogheid als des„ selfs broeder toe draegde Dog dat die zaak bezwaarlyk zoude uijtgevoert kunnen wor„ den, eensdaels, om dat kortelings zeer nauwkeurig onderrigt was, dat de Tambijnese, zoo grote als klijne, heel anders in hun binnenste waren, dan zij uijterlijk lieten blyken, en dat hy zeer bedugt was, dat als tot de zaak kwam, daer zij om verzogten, men op haar geen staat zoude kunnen maken; dat al hun „woorden en verzoeken, die zij gedaan hadden, en kel bedrog was, om zijn hoogheid ten toon te stellen, en zij haren onden vorst liever zoude houden, dan van een Palembangse prins geregeert te worden En wat pangaang Nata tot Jambij betreft, die het hoofd van dat project was, dat met daar op minder staat kon„ maken, als op iemand: van de gemeene, en dus zijn broeder door zulk misselijk volk haar gedrag g'exponeert zoude worden vaar de grootste affronten des werelts Dat hij dit een en ander met zijn Princen en grooten, over eenige dagen geleden, rypelijk overmoogen had, en zij alle zijn hoogheid hadden aangeraden, van zig liever in die zaak daar ingewikkelt was, uijt te redden, zoo het zo verre mogte komen 7 147. Van Palembang den 29. augustus 1761 komen, dat uw hoog Edelheedens aan de Jom„ bijnoese hun verzoek quamen te voldoen, en thans daar door genoodzaakt zig zag, uw hoog Edelheedens ootmoedig te bedanken voor de gunstige reflexien, ten faveure zijnes broeders. — Hoedanig uw Hoog Edelheedens geringe dienaar ver baast stond over zoo een antwoord des zulthans ben niet Capabel om uijt te drukken, als ziende eens klaps mij verstoken, tot het uijtvoeren, van een aller voekomenst Dessein, dat kon ge„ practiseert worden; en Ik kon mij niet onthouden Hoog Edele Heeren tegen den zulthan te antwoorden, dat ik niet kon begrijpen, hoe dat zijn hoogheid zoo wispeltun„ rig in zo een gewigtige zaak kon zijn, daar nog, geen twee maanden geleden, op een heel onder toon rede„ neerden, en als doen met verlangen te gemoet zag na d' uijtslag van uw Hoog Edelheedens positeve resolutie daar omtrent; wat dat uw Hoog Edel„ heedens van zijn hoogheid wel zullen denken, dat zoo veranderlijk van concepten is, en zig door zijn minis„ „ters liet overpraten, en dat zulke gedoentens im„ mers regt strydig waren tegen het Caracter van zoo een groot Vorst, zoo als zijn hoogheid was, en meer Van Palembang den 29 Augustus 1761 meer andere redenen, die ik de vrijheid gebruijkte, tegen den koning vriendelijk te voeren, dog welke alle zo veel uijtwerking op den zulthan hadden, als of tegen een houte beeld sprak, blyvende bij zijn eerste discours, zonder een gram te veranderen, enkel voegen„ de daar bij, dat door de Jambijneesen mislijd was, Dit dus bemerkende, vraagde ik zijn hoogheid, wat ik uw hoog Edelheedens zoude rapporteeren nopens die zaak, en off zijn hoogheid behaagde dat ik alles zoo zoude ter neer stellen, als zig geuijt had, maar op ten antwoord bekwam, wat anders; Een overtuijgendt bewijs, Hoog Edele Heeren, hoedanig de wispeltuurigheid der Jnland„ se vorsten is, en waar uijt op een evidente wijs con„ steert dat men alzo min op deezen, als zijn Jambijse hoogheid van staat maken. nen Niets op den zulthan verwerven konde, verzogt zijn hoogheid zig over deze zaak andermaal te bedenken; en dat nader na den koning zijn vaste resolutie zoude komen vernemen; 't geen den zulthan mij beloofde binnen twee dagen te zullen doen; en nam afscheyd van den vorst en vertrok voor die tijd Gevallig des anderen daags verscheen alhier van Jambij een gezantschap van Pangerang soeria Agama bevorens genaamt radeen Boham, nevens eenig klijn gevolg, die 149 Van Palembang den 29 augustus 1761 die door den Jambijse koning worden afgezonden, ter afhaal van den Pangerang Nata Casoema, nament„ lijk, om op Jambyj te komen; ten eynde met den Jam„ bijnese zulthan als broeders te leven en zamen te re„ geeren, maar niet, om finaal de regeering af te staen, aan gemelde Pangirang Casoema; Een boodschapj en Compliment, Hoog Edele heeren, die eens klaps den zulthan alhier van het project doen afzien, zoo als zijn Hoogheid op den 24. dezer fi„ naal aan den ondergetekende declareert, egter met deze bij voeging, dat hij zulthan aan d' alhier aanwezende gezanten zoude ordonneeren, ten eersten te vertrekken, en aan hun aanhang en die gene die wezentlijk voor zijn broeder genegen waren, te zeggen, uijt Naam van zijn hoogheid, dat bij aldien de Jambijnesen willen resolveeren, om hun koning te arresteeren, en die in handen van den resident van Solms over te geven, hij zulthan inmediaat zijn broeder zal los laten, om, met believen van uw Hoog Edelheedens, op den Jambijse troon te plaatsen, dog dat niet willende alvorens, dan zijn ma„ jestijd. direct of indirect met hun meer te doen wil„ de hebben; met verzoek, dat ik uw hoog Edelheedens hier van kennis zoude geven, en smeeken, dat den zulthan hier over niet in ongunst bij uw hoog Edel„ heedens aansienelyke vergadering mag raken, als nooijt bevoorens gedagt hebbende, dat de zaak met zo veel swarigheeden zoude verzelt gaan. D'even gerepte gezanten addresseeren zig mede bij den ondergetekende, na dat bevorens bij den zulthan ter audientie waren geweest, overhandigde een Missive van Pangerang Nata, die niet anders behelst, als dat hij
English
From Palembang, the 29th of August 1761. he requests that Pangeran Nata Kusuma would come thither, and that the undersigned will be of assistance to him therein, and that they came to fetch His Highness. I asked the said envoys to what end they came to request and fetch Pangeran Nata Kusuma, whereto they replied, to come settle down in Jambi, and to live there with the sultan as brothers and rule together. I asked them further, then is your intention not to place His Highness upon the throne and to abandon your other sovereign; whereto was answered again that they had heard nothing of the kind, but that such may well happen in the course of time. Hearing such language from that embassy, I thought it best not to let anything at all be known of Your High Noblenesses' resolution, as foreseeing from all these dubious circumstances that nothing would come of the matter if they did not comply with the Sultan's aforementioned orders. This so-called embassy having learned that he had also been granted an audience with Pangeran Nata Kusuma, I deemed it necessary to speak with the said prince, to see and ascertain whether there was anything else afoot that might be unknown to me, and which had caused the matter to change its appearance. As I then had the honor to receive His Highness in the Company's lodge, and that in private; the prince saying that many grandees here, and particularly the Crown Prince and various mantris of the realm, had incited the Sultan; and had presented His Highness with many difficulties, and out of malice contrived many things to prevent the work from being carried into execution, so that the Sultan allowed himself to be duped by his ministers and grandees, and that he had likewise, to his unspeakable grief, noticed in his brother the Sultan that His Highness had changed his mind, and that this arrived embassy, through its language, was aggravating the wound more and more, and that his brother wished first to be assured that the Jambi Sultan would be delivered into the hands of the Honorable Company, and that there was now nothing left for him but to have patience, rejoicing however, in this his fateful circumstance, somewhat in the esteem that Your High Noblenesses seemed to bear toward him, the prince, and for which His Highness declared he would always be grateful to Your High Noblenesses, although he could not profit from the same's favor, being a subject of his brother, according to whose orders he was obliged to conduct himself, and the prince further requested that I keep the matter secret, which His Highness also promised, judging it to be necessary. Having communicated everything to Your High Noblenesses thus far that has occurred to me in this matter, and finding myself in these circumstances, I am obliged to give Your High Noblenesses notice thereof as speedily as possible by the bearer of this, the sloop de Golconda, and to ask for the same's highly honored orders as to how I shall have to conduct myself in this dubious matter, whilst it entirely appears this Sultan does not wish to proceed with the execution of the objective unless the Jambi Sultan is first in the hands of Your High Noblenesses. Having, in hopes of a favorable interpretation, dispatched the bark Noordwijk to Jambi, in order to execute there whatever Your High Noblenesses might have ordered to Resident von Solms, as well as provided our tanjepour for service, to be able to unload that vessel, as it is laden to the point of sinking, and thus unable to enter the Jambi River without having that lighter craft at its service. Requesting the speedy return of the bearer, as it is most serviceable for cruising. On this occasion I also have the honor to inform Your High Noblenesses that I have made precise inquiries as to whether there had arrived or returned here, or around this place, a vessel that is disabled, or has had dead or wounded, such as is mentioned in Your High Noblenesses' esteemed secret missive dated the 28th of July last, but have heard or learned nothing in the least thereof, assuring Your High Noblenesses that, were this so, it would be impossible to be kept secret, as it would be brought out by the native himself. However, that the Belitung fairway swarms with pirates, this I can firmly assure Your High Noblenesses, who must consist of Johorese, and those of Linggi, lying in wait for the Javanese and other trading vessels. Wherewith I remain with deep respect. Below stood: High Noble, Valiant, Right Honorable, Far-Commanding Lord and Right Noble Lords. Lower: Your High Noblenesses' humble and obedient servant. Was signed: H. W. Heere. In the margin: Palembang, the 29th of August 1761. The 7th of September 1761. From Banda. Batavia. To His Excellency the High Noble, Valiant, Right Honorable Lord Jacob Mossel, General of the Infantry on behalf of the State of the United Netherlands, as well as Governor-General, together with the Right Noble Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Valiant, Right Honorable, Steadfast, Brave, Highly Wise, Prudent, Discreet, Very Generous, Far-Commanding Lord and Right Noble Lords. Enclosed herewith is the duplicate and sailing letter of the 6th of June last, dispatched to Your High Noblenesses by the ship the Erfprins, wherein we furthermore most humbly inform Your High Noblenesses that the burgher Floris Versteegh has addressed himself to us with a petition, requesting permission to remain here until the coming year, which we, see secret resolution annexed hereto of the 18th of July last, have also granted him, as Your High Noblenesses, if it pleases you, will find more extensively described therein.
Dutch transcription
Van Palembang den 29 augustus 1761. hij verzoekt, dat pangerang Nata Casoema na derwaarts wilde komen, en dat den ondergetekende, daer in hem behulpsaem zal zijn, en dat zij die hoogheid kwamen affhalen Jk vraagde de gemelde gezanten, ten wat eijnde zy Pangerang Nata Casoema kwamen verzoeken en affhalen, repliceerende daar op, om op Jambij zig te komen ter neder te zetten, en met den zulthan al„ daar als broeders te leven en zamen te regeeren: Vraagde hun verder, dan is uw lieden intentie niet, om die hoogheid op den troon te zetten, en uw ander vorst te verlaten; waar op weder g'antwoord wierd, dat zij daar niets van gehoort hadden, maar dat zulx wel kan gebeuren bij verloop van tid. Diergelijke taal van dat gezantschap dus hoorende dagt ik best te zijn, niets het minste van uw hoog Edelheedens resolutie te laten blyken, als voorziende uijt alle de misselijke om„ standigheeden, dat er niets van de zaak zoude komen, bij aldien zij niet en voldeeden aen des zulthans evengem: ordres. Dit zo genoemde gezantschap vernomen hebbende, dat bij den pangerang Nata Casoema mede ter audientie was geweest agte ik het nodig, om gemelde prins te spreken, om te zien en te vernemen, of er iets anders op het tapijt was, dat mij onbe„ kent mogte wezen, en de zaak van gedaante had doen verande„ ren gelijk ik dan d' eer had, om die hoogheid in Comp. s Logie te ontfan„ gen, en dat wel, onder Vier oogen; zeggende dien prins dat er veele grote alhier en wel voornamentlijk den kroon prins en diverse Mantries des rijks, den zulthan het hooft had„ den warmn gemaakt; en zijn hoogheid veel zwarigheeden hadden voorgehouden, en veele dingen uijt quaadaardigheid gepractiseert, om het werk niet ter uijtvoer te brengen dat den zulthan zig liet 151. Van Palembang den 29: augustus 1761 liet duperen: door zijn ministers en grooten, en dat hij mede tot zijn on„ uijtsprekelijke smerte aan zijn broeder den zulthan gemerkt had, zijn hoogheid van Concept verandert was, en dat uw dit aangekome gezant„ schap door haar taal, de wonde meer en meer kwamen te vrergeren, en dat zijn broeder alvorens wilde gesecurreert wezen, dat den Jambijsen zulchan in handen van d' E Comp:e soude overgelevert worden, en dat er voor hem tans niets over was, als gedult te nemen, verheugende zig egter in dit zijn noodlottig geval, eenig met de agting die uw hoog Edelheedens hem prins scheen toe te dragen, en waar voor zijn hoogheijd betuijgde uw hoog Edelheedens altoos dankbaar voor te zullen zijn, schoon van der zelver gunst niet kon profitee„ ren, als zijnde een onderdaen zijns broeders, en, na wiens Or„ dres hij zig diende te gedragen, en verzogt den prins ver„ der, dat ik de zaak maar secreet zoude houden, dat zijn hoogheid ook beloofde, als oordeelende noodzakelijk te zijn.— Tot dus verre uw Hoog Edelheedens alles gecommuniceert te hebben, wat mij in deze zaak ontmoet is en in die omstan„ digheid mij bevindende, ben ik verpligt uw hoog Edelheedens, daer van ten spoedigste kennis te geven p:r brenger dezes, de Chia„ loup de Golconda, en derzelver hoog g'eerde ordres te vragen, hoedanig mij in deeze misselyke zaak zal hebben te gedragen, terwijl het volkomen schijns dezen zulthan tot het volveeren van het oogmerk niet wild overgaan, ten zij alvorens den Jam„ bijse zulthan in handen van uw hoog Edelheedens is. — Hebbende, in hope van Welduyding, de barcq Noordwijk na Jambij maar afgedepecheert, ten eynde aldaar te volvoeren, 't geen uw Hoog Edelens aan den resident van Solms mogte g'ordonneert hebben, als mede onze tanjepour ten dienste gegeven, om dat vaartuijg te konnen lossen, als tot sinkens toe geladen zynde, en alzoo buijten staat, om in de Jambijse rivier te komen, zonder dat los vaarthuijg tot zijn dienst te hebben Verzoekende Van Palembang den 29: augustus 1761 Verzoekende spoedig den brenger te rug, als ten hoogsten dienstig om te kruijsen Bij deze Occasie hebbe mede d' eer uw hoog Edelheedens te bedeelen dat naaukeurig mij g'informeert heb, of alhier, dan omtrend deze plaats, was g'arriveert of te rug gekomen een vaartuijg dat ontramponeert is, dan wel doden of ge„ questen heeft gehad, zoodanig als vermelt staat bij uw hoog Edelheedens g'agte secreete missive in dato den 28 Ju„ lij J.:o dog daar niets het minste van gehoort off vernomen heb, verzekerende uw Hoog Edelheedens, dat dit zoo zijnde het onmogelijk zoude wezen van te kunnen gesecreteert worden, dewijl door den Jnlander zelfs zoude uijtgebragt worden. maer dat het blitouse vaar water krielt van zeerovers dit kan ik uw Hoog Edelheedens voor vast verzekeren dewelke moest bestaan uijt Johoresen, en die van Lingie, passende op de Javaanse en andere handel vaarthuijgen Waar mede met diep ontsag blijve. . /:onderstond:/ Hoog Edel gestr: Groot Achtbaeren Weijd gebiedende Heer en wel Edele Heeren. /laager/ uw Hoog Edel„ heedens ootmoedige en gehoorsame Dienaar /:was getekend:/ H. W. Heere /:in margine:/ Salem„ bang den 29. augustus 1761— 153 den 7:' September 1761 Van Banda 7 Batavia Aan zyn Excellentie den Hoog Edelen Gestrengen Groot Agtb: Heer Jacob Mossel Generaal over d' Infanterie van we„ gens den staat der vereenigde Needer„ landen mitsg:s gouverneur generaal benevens de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Hoog Edele gestrenge Groot Agtbare Erntfeste, manhafte wel wijze voorsienige discreete zeer genereuse wid gebiedende Heer en Wel Edele Heeren Onder deezes is geslooten de duplicaat en zeijn brief van den 6 Junij Jongst aan uw Hoog Edelheedens per het schip de Ervprins afgevaardigt, waar wij wij„ ders uw hoog Edelheedens needrigst bedeelen dat den burger floris Versteegh zig met een request aan ons heeft g'addresseert, met verzoek, om tot het aanstaande Jaar alhier te mogen verblijven, 't welk wij hem ook, vide secreete resolutie hier annex van den 18. Julij jongst hebben g'accordeert, gelijk uw hoog Edel„ heedens, des gelievende, wijdloopiger bij zult beschreeven vinden
English
From Banda, 7 September 1761. to be found, while during the ordinary session of 18 July of this year we delivered the plan of the post De Voorzigtigheid into the hands of the Ensign Engineer Gideon Dulez, who will also have to make a start on its construction, as soon as the necessary workmen and coolies can be obtained here for that work, or failing which it will have to remain lying idle until the new Governor Pelters has arrived. Wherewith we remain, underneath: Your High Excellencies' humble and obedient servants, was signed: I:s Barriel, G. Aansorg, H. C. D. V. D Hamer, I:s Damius, D. Lacaze, and S. Vlaming. In the margin: Banda Nassauw, 7 September 1761. From Bantam, 30 September 1761. Batavia To His High Excellency, the High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General etc., etc., etc., together with the Noble Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Noble Lords. This afternoon there arrived in this roadstead an English two-masted vessel named the Goeconda, commanded by Captain Alex Balneauw, manned by six Europeans and 36 natives, and shortly thereafter its commander came ashore in his boat, requesting provisions and permission to enter inside the fortress, to which I had him answered that I could not grant this, given that the Sultan permitted no foreign nations to enter this roadstead, much less to come ashore. Which statement of mine was confirmed by the emissaries of His Highness, who upon my notice had also come to the boom. Against which he stated he had nothing to object, but was nevertheless obliged to request the protection of the flag, because they had learned in the Sunda Strait that recently three French ships had sailed to Batavia, and thus he dared not venture to proceed on his voyage thither, lest he might encounter his enemies along the way, while it was likewise not possible for him to return to Bencoolen (whence he had last departed), since they had provisions for no more than 3 to 4 days, thus most urgently requesting me to make his plight known to Your High Excellencies, and in the meantime he would resign himself to remaining on board with all hands. Of which I therefore have the honor dutifully to inform Your High Excellencies, with humble solicitation to be provided as soon as possible with Your High Excellencies' respected orders, the more so because a second keel of that nation has also appeared in sight of this place, according to the verbal report of the soldier from Tjerita, named the Succes, coming from Madras. In the meantime I have the honor to remain with the utmost submission, underneath: High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, and Noble Lords, lower: Your High Excellencies' humble and dutiful servant, was signed: H: p. Faure. In the margin: Bantam, 30 September 1761. From Bantam, 1 October 1761. Batavia To the same as before. I respectfully take the liberty of submitting herewith to Your High Excellencies a protest sent to me this afternoon by the Captain of the English two-masted vessel, on the grounds that this morning two emissaries of the King, accompanied by a European as interpreter, came on board to him to notify him in the name of their prince that he would have to depart the roadstead de facto, though at the same time permitting him to remain lying inside Poele Panjang, so that, in case the French ships should happen to appear, he might then take his retreat again under the cannon of this fortress. But he declared he could not resolve to do so, because there he ran the risk of being taken by surprise at night before there would be an opportunity to escape, seeing that his enemies would undoubtedly find out about it. Therefore, rather than resolve to do that, he would abandon his vessel and leave it to the Company's or the King's custody. I have endeavored to keep myself out of it as much as possible, under the pretext that I would gladly grant him the protection of the flag and have him provided with provisions, but that I could lay down no laws for the prince in his realm. Meanwhile I eagerly await Your High Excellencies' respected orders, and remain with the utmost submission, underneath: High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Noble Lords, lower: Your High Excellencies' humble and dutiful servant, was signed: H: p: Faure. In the margin: Bantam, 1 October 1761. Lower: P.S. The other English vessel was already out of sight today at sunrise. From Bantam, under date 30 September 1761. Translation from the English to the Governor and Council at Bantam. Sir and Gentlemen. Whereas I, Alexander Balneavis, commanding the Goeconda, have entered this Roadstead of Bantam upon news that there were three French ships at Batavia, and to claim the protection of the Dutch fort here, on which account, as soon as we had come to anchor, after having saluted the fort (whereupon you did not even deign to show your flag), I came ashore to make my arrival known to the Governor, and also to claim protection as long as I lay in this roadstead; but to my great astonishment admission inside was refused me; by the waterside there was an officer waiting, who led me into a nearby small house, and asked what my business was there, and who, after I had told him the reasons for my arrival,
Dutch transcription
Van Banda den 7: ' september 1761. vinden, terwijl wij den vaandrigh Ingenieur Gideon Dulez bij d'ordinaire zittinge van den 18 Julij J=o het plaan van de post de voorzigtigheid ter hand gesteld hebben, die ook met dies opbouwing een begin zal moeten maken, zo daa men hier de nodige werk lieden en Koelis tot dat werk konnen krijgen, dan wel bij manquement van dien zo lange zal moeten blijven leggen tot den nieuwe gouverneur Pelters g'arriveert is. Waar mede verblyven. /:onderstond:/ uw hoog Edel heedens onderdanige en gehoorzame Dienaaren /was getekend:/ I:s Barriel G. Aansorg h. C. D. V. D Hamer I:s Damius: D. Lacaze en S. Vlaming /in margine :/ Banda Nassauw den 7. september 1761 2 155 Van Bantam van den 30. September 1761. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den hoog Edelen Hoog Achtbaren Wijdgebiedende Heere Petrus Albertus van der Parra gouverneur generaal E. a E. r Er nevens de Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Hoog Edelen Hoog Agtbaren Wydgebiedenden Heere en Wel Edele Heeren Heeden nademiddag arriveerden te dezer rheede een Engels Twee mast vaartuijg, genaamt d' Goeconda, gecommandeert door Capt=n Alex Balneauw, bemand met zes Europee„ sen en 36. inhooren, en kort na dato kwam dies gezag. hebber met zijn schuijt aan de wal, verzoek doende, om verversing, en om binnen het fortres te mogen ko„ men, waar op ik hem hebbe laten antmoorden, dat ik zulx niet konde accordeeren gemerkt de sulthan aan Van Bantam den 30 september 1761 aan geene vreemde natien permitteerde, te dezer rheede veel minder aan de wal te mogen komen, welk mijn ge„ zegde door de zendelingen van zijn hoogheid; die op mijne waarschouwing mede aan de boom gekomen waren geconfirmeerd wierd, waar tegens betuijgde niets inte brengen hadde, maar egter verpligt was de protectie van de vlag te moeten verzoeken, uijt hoofden in t straat zunda vernomen hadden, dat er on„ langs drie france scheepen na Batavia gezeeld waren, en zig dus niet dorst verstonten zyn reis na derwaarts te vervorderen, ten eijnde zyne vijanden bijwijlen onder weeg niet t' ontmoetens, terwijle het hem insg:s niet mogelijk was na Bancoelen (van waar het laast vertrokken is, te rug te keeren, dewijle niet meer dan voor 3 a 4. dagen levens middelen hadden, mij dus op het instantigste verzoekende, zyn nood aan uw Hoog Edelens te kennen te willen geven, en zeg intus„ sen zoude getroosten met alle man aan boort te blijven, waar van ik dierhalven d' eer hebbe uw hoog Edelens schuldpligtig kennisse te ge„ ven met nedrige instantie ten spoedigste met uw hoog Edelens gerespecteerde beveelen gemunieerd te 157. Van Bantam den 30. september 1761 te mogen werden, te meer, na dien een tweede Kiel van die natie, zig almede in 't gezigt van deze plaats verthoond zynde volgens mondelings berigt, van den soldaat van Tjerita, genaamt de succes komende van madras Jntusschen hebbe ik d' eers met d' uitterste onder„ werping te verblyvens. /:onderstond:/ Hoog Edelen Hoog Achtbaren Wijdgebiedende Heere, en wel /lager:/ uw Hoog Edelhee„ Edele Heeren dens onderdanige en trouwschuldigen Dienaar /was getekend:/ H: p. Caure /in margine:/ Bantam den 30. september 1761. Van Bantam den Eersten october 1761. Batavia aan Als Vooren Deeme Eerbiedig de vrijheid uw Hoog Edelens hier nevens submis aan te bieden, een protest door den Capitain van het Engelsch twee mast vaartuijg: dezen na de middag aan mij toegezon„ den, uijt hoofden heeden morgen twee zende„ lingen van den koning, verzeld van een Euro„ pies als tolk, bij hem aan boort gekomen zijn, om hem uijt naam van hun vorst, aantezeggen, dat de facto van de rheede zoude hebben te ver„ trecken, dog hem teffens permitterende binnen Poele Panjang te blijven leggen, om, ingevalle de france scheepen mogte komen opdagen, als dan zijne retraite weder onder 't geschut van dit for„ tres te konnen nemen, maar den zelve be„ tuijgde daar toe niet te konnen resolveeren, uit hoofde aldaar gevaar liep om bij nagt overrom„ peld te werden, al eer gelegendheid zoude wezen om t' Echapieren, gemerkt zijne vijanden zulx ongetwijffeld te weten zoude krijgen dierhalven veel 159. Bantam den eersten october 1761. Van veel eer van daar toe te besluijten, zijn vaartuijg verlaaten, en zulx aan 's Comp. s of 's koning bewa„ ring wilde overlaten, ik hebbe zoo veel doenlijk mij daar buijten tragten te houden, onder voor wendzel dat ik hem gaarne de Protexie van de vlag wilde vergunnen, en van levens middelen laten voorzien, maar dat ik den vorst geen wetten in zijn Rijk konde stellen Intusschen verwagt ik met verlangen uw Hoog Edelens gerespecteerde ordre, en verblijve met d' uijtterste onderwerping: /:onderstond:/ Hoog Edele hoog Achtbaren wyd gebieden den Heere en Wel Edele Heeren /laager:/ uw: Hoog Edelens onderdanige en Trouw schuldigen Dienaar /:was getekend:/ H: p: faure /:in margine:/ Bantam den eersten 8ber: 1761. /lager:/ P. S. het ander Engelsch vaartuijg is heeden met zons opgang al uit het gezigt geweest — Van Bantam onder dato 30. september 1761. Translaat uijt het Engelsch aan den Gouverneur en Raad Tot Bantam Myn Heer en mijner Heeren. Alzoo ik Alex:r Balneavis commandeerende. de Goeconda binnen deeze Rheede van Bantam geloopen ben, op berigt, dat er drie fransche scheepen op Batavia waren en om de protectie van het hollandsch fort hier t' eijsschen, waarom ik zo dra wij ten anker gekomen waren, na het fort te hebben gegroet. /. waar op VE zig niet eens verwaardigde uu vlag te toonen/ aan de wal kwam, om den gouverneur mijne komst be„ kend te maken, en ook protectie te eijsschen zo lange ik te dier rheede lag, maar tot mijn groote verwon„ dering wierd mij d'admissie tot invent geweijgerd; by de water kant was er een officier, wagtende, die mij in een na bij- zijnde kleijn huijsje geleijde, en vroeg wat mijne bezigheeden aldaar waren, en de welke na hem de redenen mijner kompt gezegd te hebben
English
161. From Bantam under date 30 September 1761 to have, and what I demanded, went away and made it known to Your Honour, who sent word back by the same man that I should enjoy the protection of the flag, but that I must on no account remain ashore. Whereupon I answered him that I suffered from a want of wood, water, and provisions; his answer was that with respect to wood and water the same would be sent on board, but that if I lacked provisions there were none there except the Company's. Whereupon I assured him that I demanded nothing without payment, even at your own prices, but that I insisted on some rice for my people, as I had no more than three bags left on board. So he left me a second time to make it known to Your Honour, and brought back the answer that I should receive rice, but that it would be sent on board, and that I must not take it ill, but that I could not remain ashore, as it was a special order from the King of Bantam that no foreigner was allowed to enter any of these three forts (which, however, does not extend to any other part of the town, where foreigners are always accommodated, nor to the country, but only to the fort, had it From Bantam under date 30 September 1761. been so). Although I am ordered on board at all hazards, and I am unaware whether Your Honour will grant me those provisions or not, seeing Your Honour so suspicious in all respects, it aroused some suspicion in me. However, to secure myself as much as possible, I made it known to the officer and requested him to speak with Your Honours and obtain permission to land my treasure; to which he brought me the answer that I must entertain no doubts as long as I lay in this roadstead, that Your Honours would take care that no harm should befall me as long as I remained there, which I regarded as equivalent to a refusal, particularly as all this was conveyed to me by a third person, who interpreted all the messages brought by the officer, and not in the name of Your Honour yourself or the Council. I found it very strange that Your Honour maintained three French ships at Batavia, and that I, a subject of Great Britain, which is not only at peace but in a close alliance with the States of Holland, should not only be refused the liberty to purchase a few necessary provisions for my ship, 163 From Bantam under date 30 September 1761. but even to bring my money ashore, which I indeed did previously at Batavia on a similar occasion, without the least objection from that place. Finally, I deem it a point of my duty, on behalf of my country and my employers, to protest against the said Governor and Council of Bantam, and do hereby solemnly protest against Hugo Pieter Faure and the Council of the said roadstead of Bantam, on account of the refusal made to me regarding the landing of the treasure that I have on board in the name of the King of Great Britain, for the service of whose fleet I have come here, and on behalf of the Governor of Bengal etc. and owners of the said ship Golconda, for all and every loss that the said fleet now in India, or the said Governor and owners of the said ship Golconda, shall sustain, directly or indirectly suffered, through this conduct of yours in the aforesaid roadstead of Bantam. In witness whereof, my signature on board the said ship in the roadstead of Bantam, the 30th of September 1761. Signed: Alex: Balneavis Below stood: Translated by Signed: J. L. Garrisson, Sworn Translator. From Java's East Coast the 15 September 1761. To the same as before. Since my last of the 16th of the past month, it indeed appears that the Susuhunan's or Sultan's people have not yet been able to apprehend the fugitive Wiramidjo, as he, although his following has been made very small, still manages to hide in caves and forests. He is, however, still untiringly pursued, in the hope that they will capture him. In the meantime, I request of Your High Excellencies to be relieved from here to India's capital, as well as to assist at the High Council, etc., as I have now borne the great burden of this governorship here for seven years; yea, I may say, when total ruin stood at the door, I took it up as a hot iron, as is not unknown to Your High Excellencies, yet now hope to be able to hand it over in as flourishing and advantageous a state for the Company as it has ever been in. And whereas the welfare of this blessed country, in which I have tasted the sweet and the sour for nearly thirty-one years, lies very close to my heart, as well as the Company's precious 165. From Java's East Coast the 15 September 1761. interests for its granaries and timber sheds, I take the liberty, in the hope of a favourable accommodation, to propose to Your High Excellencies as my successor Mr. van Ossenberch, as long since recommended by me for that purpose, in the firm trust that His Honour, with God before him, will be able to govern this land and people further in peace and quiet, and, being known here, having spent a year with me as field commander in those perilous times. I pray that Your High Excellencies will be pleased favourably to crown this petition of mine with your approval, with the assurance that nothing else lies beneath it than the duty of a faithful servant and fellow member of the Government. The Prince of Madura and all other coastal regents are prepared to cross over with me. Wherewith I subscribe myself with deep respect and esteem, Below stood: Your High Excellencies' obedient and dutiful servant, Signed: N. Hartingh In the margin: Samarang the 15th of September 1761. Batavia
Dutch transcription
161. Van Bantam onder dato 30. September 1761 hebben, en wat ik eijste heen ging en het bekend maak„ te, aan VE, die met dezelfde man tot antwoord zouden, dat ik de protectie van de vlag genieten zou„ maar dat ik om geen de minste reden niet aan de wal moest blijven, waar op ik hem antwoorde, dat ik ge„ brek aan hout, water, en provisie leed, zijn antwoord was, dat den opzigte van hout en water dezelve aan boord zouden ge„ zouden werden, maar dat zoo ik gebrek aan provisien had a geen aldaar waren als Compagnies, waar op ik hem ver„ seekerde, dat ik niets eysschte zonder betaling, zelfs tegens uw Eygen prijzen, maar dat ik in sterde op wat Rijst voor mijn volk, alzo ik niet meer als drie zak„ ken overig aanboord had, zoo verliet hij mij een tweede maal, om het VE bekend te maken en bragt ant„ woord te rug, dat ik rijst zou krijgen, maar dat het na boord gezonden zou werden, en dat ik het niet enwel moest nemen, maar dat ik niet aan de wal konde blyven, alzo het een byzonder ordre van den koning van Bantam was, dat gemn vreemdeling binnen eene dezer drie forten mogt komen (t welk egter niet strekt tot eenig ander gedeelte der stad, waar vreemdelangen altoos gehuijsvest worden, nog tot het land, maar alleen tot het fort, was het zoo Van Bantam onder dato 30:' september 1761. zoo geweest. / schoon ik ten allen gevaaren naar boord g'ordonneert, en ik onkundig ben, of uE mij die provisien vergunnen willen of niet, uwE. zoo schuw in alleen opzigte ziende, zoo verwekte het in mij eenige agterdogt, egter, om mij te secureeren; zoo veel mogelijk was, zoo maakte ik den officier be„ kend, en verzogt hem om uw Ed. s te spreeken en permissie te verkrijgen, om mijn schat te landen; waar op hij mij ten antwoord bragt, dat ik onder geene bedenkingen moest weezen, zoo lange ik te dier Rheede lag, dat uw Ed:s zorge zouden dragen, dat mij niets quaads zou ooverkoomen, zoo lang ik aldaar verbleef, t: geen ik gelijkstandig met een weijge ring aanmerkte, bezonderlijk alzoo dit alles my door een derde man overgebragt wierd dewelke alle de tijdingen, die den officier bragt vertolkte, en niet uijt name van uE zelve of den Raad, ik vond zeer wonderlijk dat VE drie fransche scheepen: te Batavia onderhield, en dat ik een onderdaan van groot Brittannien, dewelke niet alleen en vreede„ maar in een naauw. verbond met de staaten van Hol„ land is, niet alleen geweijgerd zou werden de vrijheid, om een weinig benodigde provisien voor mijn schip in te 163 Van Bantam onder dato 30. September 1761. in te kopen, maar zelfs mijn geld van land te brengen, 't welk ik wel eertijds te batavia gedaan heb, in dezelfde gele„ gendheid, zonder de minste bedenking van die plaats, Eyndelyk ik agte het een poinct van mijn pligt te weezen, in faveur van mijn land en mijne betaals heeren tegens de gemelde gou„ verneur en raad van Bantam te protesteeren en protesteere bij deezen solemneelijk, tegens Hugo Pieter Faure en den Raad van de gezegde haaren van Bantam, wegens de weijge„ ring aan mij gedaan wegens de lading van de schap die ik aanboord hebbe in den name van den koning van groot Brittanien, voor den dienst van Welkers vloot ik hier gekomen ben, en in faveure van den gouverneur van bengalen &:a eijgenaren van het gemelde schip Golconda voor alle en een ijder verlies, die de gemelde vloot thans in Jndia, dan wel den gem: Gouverneur en eijgenaars van het gemelde schip Golconda zullen sustineeren, directelijk of indirectelijk geleeden te hebben, door dit uwe gedrag ter rheede voorschreeven van Bantam, en getuijgenisse mijn handteekening aanboord van het gemelde schip ter rheede van Bantam den 30:e september 1761. /was getekend:/ Alex: Balneavis /onderstond:/ getranslateerd door /was getekend:/ J. L. Garrisson gelsw: Transz. Van Iavas Oost Cust den 15 september 1761. Aan als vooren Sedert myne laatste van den 16. der Jongst verweeke maand, schijnt het wel, dat soesoehoenang of sul„ thans volk den vlugteden Wiramidjo nog niet hebben kunnen oppakken, dewijl hij zich, schoon heel kleijn is ge„ maakt, nog al in hoolen en bosschen weet schuijl te houden: Hi werd echter nog onvermoeijd nagezet, in hoope zij hem magtig zullen worden. Jntusschen verzoeke ik van uw Hoog Edelheedens, om van hier naaar Jndiaas hoofdplaats verlost te werden zo ter adsisten„ tie van de hooge tafel enz: alzoo ik hier nu zeven jaaren groot de last van dit gouvernement heb getorst; Iaa ik mag zeggen toen de totale ruine voor de deur stont, als en heet hang izer heb aangevaard, uw hoog Edelheedens niet on„ bekend, dat egter nu hoope over te kunnen geven, florisantsen in voordeeligen staat voor de Maatschappij, als het ooit zig heeft bevonden En nademaal de welstand van dit gezegend land, waar in ik genoegzaam een en dertig Jaaren zoet en tuur hebbe ge„ smaakt, mij al te na om het herte speelt, als mede Comp:s dier „baren 165. Van Iavas Oost Cust den 15 September 1761. baare belangen voor desselfs kooren en houtschuuren , zoo neeme de vrijheid in hope van gunstige inschicking, tot mijnen vervanger UW Hoog Edelheedens voor te dragen den Heer van Ossenberch, als voor lange bij mij daar toe gerecom„ mandeerd, in vast vertrouwen, dat zijn Edele met God voor zig heeft dit land en volk verder in rust en vrede te zul„ len kunnen regeeren, en, hier bekend zijnde, als een jaar lang in die hagchelijke tijden als veldoeste bij mij heeft doorgebragt Ik bidde uw Hoog Edelheedens deze mijne instantie gunstig zullen gelieven met fiat te bekroonen, met ver zeekering, dat daar niets anders onder Resideert als de pligt van een getrouw dienaar en mede lidt van de Regeering Den Prins van Madura en alle andere strant Re„ genten staan met mij over te komen. Waar mede mij met diepe eerbied en ontzag onderschrijven /onderstond:/ uw Hoog Edel. heedens gehoorzame en Trouwschuldige Dienaar /was getekend:/ N. hartingh /in margine:/ Samarang den 15. september 1761 Batavia