VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3065

Surat · 856 pages · 175 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3065_0210 view scan ↗

English

From Amboina, dated 26 May 1762. ...case, or other predatory peoples might be dealt a sensible blow, to the booty of all who are captured or taken, both Papuans and vessels; and whereof, therefore, they shall also be given notice by way of encouragement; while furthermore, with regard to the distinct security of the Manipa station during the absence of the aforesaid resident on this his commission, it was also understood to have Sergeant Teeke Gosling transfer thither in the capacity of commanding sergeant, to maintain authority and direction there in the meantime and until the return of the aforementioned resident, and after that, returning hither, to serve in like manner here at the main castle; and finally, that the aforesaid letter from Sawai shall also be communicated in copy to the neighboring governments at the first opportunity. Below stood: Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria on the date aforesaid, and resumed on 25 May 1762. Was signed: M. J. van Plusinga, P.s van Jongstal, G.r L. van Beusechem, J. A. de Villeneuve, Johan Emants, W. D. Bouvoust, C.l F.r Treno, and J.s Houttuijn. Below stood: Agrees. Was signed: W. J. van Lingen. Tuesday, 25 May 1762. Absent: the Honorable Senior Merchants Petrus van Jongstal and Gobert Ludolph van Beusechem, together with Captains Bandouin and de Mares, on account of indisposition; furthermore, the chiefs of Saparua, Haruku, and Buru. Pursuant to and in accordance with the recent separate secret resolution of the 19th of this month, the Governor having communicated the instruction drafted by His Honor for the commissioners named therein to Sawai, Captain-Lieutenant Hendrik van den Brink and Manipa's Resident Jan Hendrik Knop, of the following content: Instruction for the Military Captain-Lieutenant Hendrik van den Brink and the Bookkeeper and Resident at Manipa, Jan Hendrik Knop, by which they are to regulate themselves in their commission along Ceram's north coast to Sawai. From letters received from the Sergeant Commandant at the post of Sawai, Fredrik Franke, dated 26 April, learning of such a state of affairs there, which, in the present unrest in these eastern quarters in general, requires our particular attention as well as, for the present, as much as possible, no less than some prompt assistance to the small garrison stationed there, we have therefore thought fit in our assembly of the 19th of this month to prepare and dispatch the bark De Draak under the command of Chief Mate Hendrik van Ewijk for your conveyance as our commissioners thither. On which account you will also be able to fly a pennant from the main topmast of that vessel, the command of which, with respect to the required ship's management and seamanship, is left entrusted to the aforesaid commander, pursuant to and in accordance with the sailing orders handed to him, and with the addition of an experienced sailor seasoned in those parts, the provisional Second Mate Mattheus de Jong; furthermore, in prevention of all unpleasant differences regarding rank between both of you during this commission, we have at the same time determined that the same on board and everywhere shall belong to the first-named of you, the Military Captain-Lieutenant van den Brink; but on the other hand, in all meetings at general assemblies with the native chiefs, whether at Sawai or elsewhere in those regions, to the Bookkeeper Jan Hendrik Knop, since as resident of Manipa he is also regarded and recognized as head of that post and the common quarters, and such will therefore to that extent also be best and most convenient to satisfy the notions and customs of this native population, who do not know how to distinguish other titles or functions in the Honorable Company's administration so well, and also always prefer to deliberate their affairs first with the heads of their districts; and whereof you must therefore, under the present circumstances, especially seek to avail yourselves with all patience and friendliness as well as with all caution, and thus entirely, and above all, in no over-hasty declaration regarding the entire and actual purpose of this your commission. With respect then to this voyage, our order is that first the course shall be set for Manipa, and the second-named of you having come on board there without delay, the prow shall then as quickly as possible be turned eastward along the island of Boano and North Ceram toward the aforesaid post, Sawai, accompanied by all such and as many native vessels as any of those peoples might show themselves inclined to man, both to be of required service to you in case of calms and in any event to have such light craft readily at hand upon occasionally encountering these or those Papuan rovers. In which special regard we do not think it necessary to set down anything else here for your particular guidance, other than that it will be self-evident that upon any catching of such, as they are now all around engaged in committing...

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 26: meij 1762 „ase of andere roof volkeren eens een goevoeligen neep volk zoude kunnen of mogen werden toegebragt, tot k buijte, van alle gevangen ofte genomen werdende; zoo Papouas als vaartuijgen: en waar van der halven, hun dan ook ten encouragement zal werden konnis gegeven; Terwijl voorts niet op zigte den zekerheid aparte van 't Comptoir Manipa, gedui„ rende d' absentie van meir voorm: resident in voorsz deze zyne Commissie, almede nog verstaen wierde den zerg:t Teeke Gosling, derwaards te laten overgaan om in qual:t als commanderend zergeants;, in tusschen en tot weder te rug komst van evengem: resident al„ daar t gezag en directie te houden, en na zulx als dan weder herwaards komende, indiervoegen alhier ten hoofd kasteele dienst te doen: en eijndelijk, dat al mede 't meervoorm: briefje van zawaeij in Copia aan de nabuurige gouvernementen ter eerster gele„ gentheden gecommuniceert zal werden. /onderstond/ Aldus gedaan en geresolveert tot amboina aen t Casteel victoria dato voors: en geresumeert den 25. meij 1762. /was getekend:/ M. I. v: Pdsinga, P.:s V: Ioug„ stal, G:r L. V. Bensechem. I. A: D: Villeneuve Johan Emants, W. D: Bouvoust, C 199 99 Van Amboina onder dato 26 meij 1762: C=l F=r Treno en J:s Houttuijn /onderstond:/ Accordeerd /was getekend:/ W. J. V: lingen Dingsdag den 25: Maij 1762. abzent d'E oppercooplieden Petrus van Iongstal en Gobert Ludolph van Beuse chem, nevens de Capitains Bandouin en de Mares, mits Jndispositie: Voorts de hoofden van Saparoea, Haroeko en Bouro. Na en ingevolge Jongst aparte secrete Resolutie van 19 dezes, door den heer gouverneur gecommuni„ ceert zijnde, de door zijn Ed: gecoucheerde jnstructie voor de daar bij genoemde gecommitteerdens naar Zawaeij, den Cap.tn lieutenant Hendrik van den Brink en Mamipas Resident Jan Hendrik Knop, van Jnhoud als volgd Instructie voor den Capitain Lieut=r militair Hendrik van den Brink en den boekhouder en resident tot Ma„ „nipa sev:s Van Amboina onder dato 26 meij 1762: „nipa Jan Hendrik Knop, waar na in hunne commissie langs Cerois Noord Cust, na zawaeij zig hebben te reguleeren Door ontfangen schrijvens van den zergeant Com„ mandant ten poste Zawalij Fredrik Franke, de dato 26. april, aldaar eene zodanigen toestand van zaken vernemende, die in den tegenswoordigen onrust ter dezer oosderse quartieren in 't gemeen zoo wel onze bijzondere attentie; als teffens voor 't presente, zo veel mogelijk, ook niet min, wel eenigen gereden ad„ „sistentie aan t aldaar leggende guarnisoentie verrijse zoo hebben wij dan ter onzer vergadering van 19. dezer goedgevonden, den barcq de draak onder t gezalg van den opperstuurman Hendrik van Ewijk, aan te legge en af te zenden tot VE:s Transport als onze ge„ committeerdens na derwaards; En uijt welken hoofde dan ook een winpel zullen kunnen doen afwaeijen van den grote steng op dat bodemptie, waar van 't Commando, met betrekking den vereijsten scheeps huijshouding en zeemanschap aan voorm: gezagheb„ ber, na en ingevolge denzelven ter hand gestelde Zeijlaas 201 Van Amboina onder dato 26. meij 1762. Zeijlaas ordre, en onder toevoeging, van een, aan dien oord, oud bevaren Zeeman, den p:l onderstuurman Mattheus de Iong bevolen latende; voorts in voorkoming van alle onaangename differenten in opzigte den rang onder VE.: beyden geduurende deze Commissie, al teffens bepaald hebben; dat den zelven aan boort en over al zal zijn aan eerstgem: Vwer Ed:a den Cap:n lieut= militair van den Brink; dog daar en tegen in alle bij eenkomsten, ter gemene vergaderingen met d' Inlandse hoofden, t zij op zawaen ofte in die Com„ trijen elders, aan den boekhouder Ian Hendrik Knop, vermits als resident van manipa ook als hoofd ter dier poste en gemene quartieren aan„ gezien en gekend werdende, zulks derhalven dan in zoo verre ook wel t best en gevoeglijkste wezen zal, in voldoening de denkbeelden, en gewennes van dezen inlander; die Juist andere qualiteiten of dien„ sten in 's E Comp:s huijshouding zoo niet te onderscheij„ den wetende, ook altoos hunne zaken wel t liefst en voor de eerst met de hoofden hunner districten over„ leggen willen; en waar van, VE. zig derhalven dan ter tegenswoordige tijds gelegentheeden met alle patien„ tie en vriendelykheid zo wel als teffens ook met alleen Voorzig„ Van Amboina onder dato 26 mey 1762: voorsigtigheid, en dus gehelijk, en wel voor al, in ge„ ne te schielijke declaratie omtrent t geheele en eigent lijke oogmerk dezer VE: Commissie; voornamentlijk moeten zoeken te bedienen. Met betrekking dan tot dit reijsje zoo is onze ordre dat voor t eerst den Cours genomen werde na Manipa en aldaar den tweden genoemden Vwer E:s zonder ver toeff aanboort overgekomen zynde, als dan ten spoe„ digsten langs heen t eijland Boano en noord Ceram„ den steven oostwaards aan, na voors: poste, Zauaeij gewend werde; verzeld van alle zodanige en zoo vele Jnlandse vaartuigen als tot welkers bemanning zig een of onder dier volkeren zoude mogen genegen tonen; zo wel om VE: te zijn tot vereijschte dien„ sten in Cas van stiltens als om in allen gevalle diergelijk lichte vaartuijgh, ook dan geredelyk aan handen te hebben, bij zomwijlen den ontmoeting van deze of gene Papouase zwervers Ten welken spicialen opzigte, niet denken nodig te zijn, iets anders tot VE. s bijzonder narigt, al„ hier ter neder te stellen, dan dat 't genoeg van zelfs sprekende zal wezen dat bij allen ottrappe van zulx immers thans rondsom, allen gemeld „plegend

NL-HaNA_1.04.02_3065_0215 view scan ↗

English

From Amboina, dated 26 May 1762: practicing scum, they should merely be treated in such manner as shall best serve, whether by chasing them away, overpowering them, striking them down in an attack, or otherwise, upon returning in due time, bringing some of them back here alive. However, on board your transport vessel, this may and should not happen otherwise than with a few individuals only, and, if fortune permits, chiefly their heads or leaders, well secured in the leg-irons that were supplied on board. Meanwhile, it would be very agreeable to us if the native vessels accompanying you were to overpower them, capturing as much as they might wish to take in such a case for their own plunder and benefit, of which they should therefore be informed for their encouragement. Having reached the latitude of Nomaly, and there being an opportunity for you to make provisional inquiries into the state of affairs further up, this must be attended to without loss of time, so that you may be all the better assured in your mutual deliberations for the best success of your commission, which is principally directed towards Zaway. Its primary aim and purpose is that, upon your arrival there, First of all, you inform the young raja of that village, as well as the old and frank orangkaya of Hatuwe, along with the other village chiefs present, that you have been sent by us, in response to the aforementioned letter, to ascertain how matters stand regarding both those roving bands of robbers and the state of their villages. Furthermore, you must declare to all of them in general that, having received word that such people were gathering there in great numbers, and therefore being uncertain whether any assistance might be required, we wished to come to their aid with the greatest possible haste. You must not, for the time being, disclose anything further, but on the contrary, wait attentively and with all patience to see how or of what nature the explanations they offer us might turn out, whether tending toward despondency, anxiety, fearfulness, or by declaring their own troubled condition. In this way, you may beforehand gain the necessary opening and lead to arrange the arguments you are subsequently to present with prudence. Concerning this, you must first confer among yourselves in private, and at the same time inquire of the sergeant-commander Franke how far he and his garrison might dare rely on the loyalty and immediate assistance of those natives in the event of an attack on the post by all those roving robbers. Then, upon a further opportunity and meeting, you are to bring up for discussion and mention once again the aforesaid matter, namely our benevolent intention to assist them, and especially in remembrance of the resolute answer they gave in the past year to the so-called envoy of the king of Batjan who appeared there at the time, namely that they would not abandon their villages as long as the Honourable Company maintained the post there. Secondly, to be further and as fully assured as possible whether our garrison there may be considered safe, or whether it might have to be regarded as entirely jeopardized by the unstable and volatile state of affairs in which almost the entire coast of Ceram currently finds itself due to the instigations of various conspirators. If it should be the former case, namely that, in accordance with our hope and wish, the common natives, but especially the raja of Zaway and the orangkaya of Hatuwe—along with a certain Moorish priest who is called Imam Rahim among them and carries considerable influence there, who should also be well regarded by you in this matter—demonstrate and declare a goodwill for their own defense and the repelling of all violence against their villages, and thus also for providing the required assistance to our garrison, then: Thirdly, it is our intention and pleasure that, in such a case, in order to give immediate and true proof of our aforementioned assurances and goodwill toward them, you shall then add six common soldiers to that garrison of ours for its greater security and reinforcement, taken from those who are stationed on board with you, as well as the supply of provisions and ammunition that we have likewise had shipped at this time, so that we may not be forced, at times that might not be convenient for us or the station at Manipa, to send a lighter vessel there at great risk, as was recently done in great haste with the cargo prahu. However, if on the contrary, and against our aforementioned wish and hope—though, under the present uncertain circumstances, not without concern—it should appear to you that our aforesaid garrison, whether through evident faint-heartedness, fear, or anxiety, or, as you must above all seek to penetrate by all possible means, through some instigation or other, is not supported or is abandoned by those natives, or

Dutch transcription

203 Van Amboina onder dato 26: meij 1762: „plegend / schuimvolk, dezelve maar behandelt werden zodanig als ten besten vallen zal willen, t zij met dezelve te verjagen, te overmeesteren, in den aanval ter neder te leggen; dan wel bij te rug komst in tijds ook anders deze of gene levendigh herwaards mede te brengen; dog t welk aan boort van VE transport bodemptie, nogthans met anders, noch gehe„ lijk zal moeten, nog mogen geschieden; dan alleen van ange enkelde, en zoo t geluk zoo willen zoude, voornamentlijk derzelver hoofden off aanvoerders wel verzekerd in de boeijbouts; die aanboort zijn mede gegeven; Terwijl 't daar, en tegens ons zeer aangenaam zoude wezen, dat d' VE verzillend inlandse vaartuijgen zig maar van dezelve mee„ „ster zoude kunnen maken; voor zoo veel als in zulken gevalle bergen zouden willen; tot hun eigen buijt en voordeel; en waar van derhalven ten der„ zelver en Couragement hun ook kennis zal moeten gegeven werden Op de Hoogte van nomaly gekomen, en aldaar wel den gelegentheid zullende wezen, VE. s bij provisie eens te informeeren, na d' omstandigheden van zo„ ken verder opwaards, zoo zal dan zulx, zonder tid Van Amboina onder dato 26 meij 1762 tyd verzuijm wel dienen te werden in agt genomen om des te beter verzekerd te kunnen zijn in onder „ling beraad, tot verder 't beste succes dezer VE. Com„ missie: die ten spaelen (:als gezegt / aangelegt zijnde na zawaeij. dan voornamentlijk ten oogmerk en doel heeft, dat VE:s aldaar aangekomen In den eersten voor al den jongen radja dier nego„ „rie, en zo mede den ouden openhertigen orangkaija van Hatuwe, nevens verdere praesente negories hoofden kennis gevende, van door ons, op t voors: schrijvens te wezen afgezonden, tot 't vernemen hoe„ danig de zaken zoo in opzigte al dat zwervende roofvolk als den staat hunner negorien gesteld mogte wezen; dan voorts ook allen in 't gemeen, zullen moeten betuigen dat voor ons den tijding hebbende ontvangen, dat aldaar zoo menigvuldig diergelijk volk quame te zamen te rotten, der hal„ ven dan in den onzekerheid off ook eenigen ad„ sistentie vereyst zoude mogen werden, hun ook ten spoedigsten zeer gaarne te hulje hebben willen komen; zonder bij provisie, en voor 't eerst, VE en eenigen wijze verder uyt te laten, maar ter con„ trarie daar op dan eens met opmerking en al„ „len 205 Van Amboina onder dato 26: meij 1762. len patrentie aftewagten, hoedanig of van welken na tuur, hunne ons bedeelde raijonnementen, t zij ten swaarmoedigheid; bekommernis; vreesagtigheid, dan wel met te kennen geving, of declaratie hunner zelfs ongerusten toestand wel lopen ofte vallen zouden mogen; om dusdanig voor aff eenigermaten den vereijsten opening en aanleijding te vinden, tot 't verder voorzigtig inrichten vwer in vervolg te houdene raisonnementen; waar over en omtrent ekkanderen dan voor 't eerst aparte te spreken, en teffens mede zigh te informeren hebben, bij den zergeant Command:r Franke; mat staat hij en zijn onderhebbend Guarnisoentie, zomwyjlen bij aanval van den post door al dat zwervende roofvolk, in allen gevalle op dier Jnlanderen trouwhertigheid en dadelijken adsistentie, wel ma„ ken zondene durven, Ten eijnde omme dan na zulx by naederen gelegentheid en zamenkomste even 't voorzegde, te weten onzen welmenenden Jntentie ter hunner bijstand /: en wel voor al, mits ons aandenken van 't door hun a.:o p„o zoo cordatelijk gegeven antwoord, aan den doenmaals aldaar verscheenen zogenaamden zendeling van Van Amboina onder dato 26:' meij 1762. van den koning van Battjang; namentijk dat zijt. hunne negorien niet zouden verlaten zo lange d E Comp: aldaar den Post hielde. /. nog al eens weder ten discours te opperen en aan te voeren; omme dus Ten tweeden, al nader en zo veel mogelyk ten vollen verzikert te werden, 't zij off ons guarnisoentie aldaar wel veijlig gerekent, ofte getauxeert dan wel zouwij„ „len niet wel gehelyk gehazardeert gehouden zoude moeten werden; aan dien zoo wankelbaren en wis„ selvalligen toestand van zaken; als waar in men thans, genoeg t gantsche boot Ceram door de instiga„ tien van diverse conspirateurs reeds gesteld ziet. vermits in dat eerste geval off dat namentlijk na onzen hoop en wens, den gemenen inlander, dog wel voor al den radja van Zawaeij, en orangkaija van Htatuur /: nevens mede, nog ten dezen bij VE. wel geregardeert mogende werden, zekeren moorsen Paap die bij hun Iman Rahim genoemd werd, en aldaar al vrij wat in te brengen heeft:/ een goeden gemoedig„ heid ten eigen defensie en afwering van allen ge„ weld aan hunne negorien; en dus dan mede ten ver„ eysten adsistentie aan ons guarnisoentie vertonen„ en declareeren zouden mogen; dan Ten 207 Van Amboina onder dato 26. meij 1762. Ten derden onze intentie en goedvinden is, dat om in zulken gevalle, dadelijk eenige ware blyken van onze voorsz betuigingen en welmenentheid ten hun„ nen opzigte te geven, VE als dan, aen die onze be„ zetting ten meerderen verzekering en versterking nog toezetten, ses gemeene militairen, uijt die welke bij VE:s aanboort gecommandeert zyn; nevens almede ook dien voorraad van vivres en ammonitie als ins„ „gelijx thans hebben doen afschepen; om zomwijlen in tyden, die ons, of 't Comptoir Manipa zoo wel niet gelegen zoude kunnen komen, met zoo zeer gedrongen te werden, daar toe een lichter vaartuijgh ten veel gevaar /:gelijk Jongst den Lastprauw, op„ stel, en sprong. / te moeten afzenden: dog wanneer t daar en tegen; off tegens die onzen voorsz wens en Hoop /.dog in tegenswoordige zoo onzekere tijds= omstandigheeden egter niet zonder bekommering VE: in 't Contrarie voorkwame, dat t meer voorm. ons guarnisoentie, t zij door blikelijken kleenmoedigheid, vrees, off bekommernis, dan wel /gelijk VE. Voor al met alle mogelijke middelen moeten te penetreren zoeken /door deze of gene instigatien; zomwylen niet ondersteund dan wel, als van dien inlander verlaten ofte

NL-HaNA_1.04.02_3065_0220 view scan ↗

English

From Amboina, dated 26 May 1762. or abandoned; and thus rely solely and exclusively on their own strength within the simple palisaded pagger located there; and at the same time must therefore provide as well for their own security as for that of the negorij Zawaeij located mostly adjacent to it: so it is Fourthly, then, our decision and understanding that Your Honours, with all prudence and according to the customary manner of the native, through this or that roundabout way appearing most convenient to Your Honours, entirely as if from your own thoughts and notions—and thus especially avoiding letting it appear that you have received our order to that effect, or have been so instructed by us—shall gradually direct their discourses thither; in order, by way of a casual question as it were, to venture as much as possible, or to investigate and penetrate How, or in what manner, and also for what or which reasons, they would think it best, whether with or without this our post and garrison, to keep themselves assured and secured against all aforesaid molestation or disasters to their negorijen; since 209 From Amboina, dated 26 May 1762. since they will have to answer one thing or another to that; Your Honours will then in the first case have the opportunity thereby to have them jointly, and consequently also solemnly and after the country's custom, promise; that as people of sincerity and loyalty, they will in due time fulfill their word and assurances for the requisite mutual assistance to our garrison: in which case, if those matters are confirmed in such manner, we shall furthermore not deem ourselves to have so much reason to be so very concerned about our men stationed there. Whereas on the contrary, or if to the contrary—whether through simple fear evident to Your Honours, or through threats possibly already made to them at times, or otherwise, or perhaps temptations to general riot in the present unrest—they might show that their negorijen, on account of our garrison, might perhaps be in greater danger; Your Honours may then also conveniently have it asked whether they would then rather see, and may consider themselves safe, if our people for the present were taken along from there by From Amboina, dated 26 May 1762 by Your Honours; but at the same time, then, must above all not forget to add alongside it by way of a compliment that such a question arises by no means from any doubt of their good intentions and loyalties, but solely and exclusively to enable Your Honours to know how best on your part care could be taken for the best welfare of them all together, as is so desired by us; since if something of that nature should then still remain affirmative, such Fifthly, will thus also give Your Honours the full opening regarding the necessity that could or might exist, rather to evacuate that post in present times than to see our weak garrison or few men—stationed there so far out of the way—sometimes too greatly hazarded, considering the superior power of the large bands of roaming scoundrels currently in the field continuously, of whom so many acts of violence and murders have already been seen, and regarding whose more and 211 From Amboina, dated 26 May 1762. and less dangerous plots and conspiracies certain matters have also recently come to light; which Sixthly, have then also caused us to think fit, after Your Honours' strictly held observation of the aforementioned procedure—and in such latter case—to qualify Your Honours primarily and especially through this as well, to evacuate the aforesaid our men, together with the equipment of that post, under proper inventory of all remaining effects of the Honourable Company resting there, by commissioners to be appointed for accurate reports, and to have all of it embarked on the aforesaid bark under bills of lading from its commander, in such manner as you shall find convenient: since the situation of the aforesaid pagger located there is of such a nature that a single rogue, merely by throwing a piece of firewood from the mountains lying behind it, could immediately set everything on fire; the watering place, being only a single little spring emerging from a flowing river, could very easily be poisoned; from the seaward side, too, everything could very easily and—through the islets located there—safely From Amboina, dated 26 May 1762. safely be occupied to prevent any supplies; and—as said—in case of no sufficient vigilance, or sincerity and assured assistance by the negorij people of Zawaeij, as well as their protective Alfoors of Horale and Roemazoeko, our men could be made all too distressed there even with sling-stones from the mountains; which therefore advises us rather to proceed to that measure, than to wait and see such happen too late sometime: but in which case Seventhly, Your Honours would nevertheless and especially have to observe, that such should completely, and in no part, be carried out or happen under any the least unfriendliness or perhaps this or that, whether expressed wording or far less committed improprieties by our common people: but on the contrary, that upon departure from the bamboo and atap dwelling of the postholder located there, the radja of Zawaeij in the presence—as far as possible—of that of Hatuwe and further native chiefs—it having been built by them together—thereof

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 26. meij 1762. ofte g'abandonneert; en dus enkelijk en alleen, binnen den aldaar zynden, eenvoudigen gepalissadeerden Pag„ „ger, op eigen kragten steunen; en teffens dus dan, zoo wel voor den zekerheid van hun zelfs, als den /:wel voor 't meest daar bezijden. leggenden : /ne„ 9 gorie Zawaeij, zorgen zouden moeten: zoo is Ten vierden dan ons goedvinden en begrip dat VE.:s in allen voorzigtigheid, en na den gewonen trant van den inlander, door deze of gene, VEs de gevoegelykst voorkomende omwegen, gehelijk als op eigen gedagten en bevattingen; en dus voor al met vermijding, van te doen blijken, daar toe onzen ordre ontvangen, ofte wel door ons jndier„ voegen g'instrueert te zijn, allangzamerhand, hunne discoursen daar henen richten; om bij wijze als van een gevallige vraag; zoo veel mogelijk eens te onderstaan; ofte te onderzoeken, en te penetaeren Hoedanig, dan wel op dat wijze; en zoo ook al mede, om wat, of welke redenen, zij lieden, ver„ menen zouden zig, dan wel ten besten, t zij met ofte zonder dien onzen post en guarnisoentie, voor allen overlast, gemelt, ofte onheilen, aan hun„ ne negorien verzekerd ende gesecureerd te houden; vermits 209 Van Amboina onder dato 26. meij 1762. vermits 't een of ander daar op zullende moeten ant„ woorden; VE dan in d' eerste geval, daar door de gele„ gentheid zullen hebben; hun gezamentlijk, derhalven dan ook solemneelijk, en na 'slands wijze te doen beloven; om als lieden van Hartelijkheid en trouw, in tijd en wijle hun woord en verzekeringen, ten vereijsten onderlingen bijstand aan onzen bezetting gestand te doen: als wanneer off die zaken indier„ voegen bevestigt zijnde; voorts zoo veel redenen niet zullen vermenen te hebben, ons over de aldaar leggende onze manschappen, juijst zoo zeer te bekommeren. Terwijl in tegendeel ofte dat in t Contrarie /'t zij door VE:s te blijkene eenvoudige vrees, dan wel, door zouwijlen mogelijk reeds aan hun reeds gedane bedreygingen ofte onderzints, ook wel tentatien ten algemenen zamenloop in den tegenswoordigen onrust:/ tonen zouden mogen, voor hunne negorien uijt hoofde van ons guarnisoentie, misschien in meerder geaar te zullen kunnen wezen; VE: dan ook almede gevoeglijk zal kunnen doen vragen, of dan liever zouden zien, en zig veijlig mogen rekenen, wanneer onze volkeren, voor 't praesente door Van Amboina onder dato 26. meij 1762 door VE:s van daar wierden mede genomen; dogh teffens als dan, mede voor al niet moeten ver„ geten bij wijze van compliment daar nevens te voegen dat diergelijken vrage, geensints uijt hoofde van eenigen twijffel aan hunne goede intentien, en getrouwigheden, maar enkel en alleen te doen komen; omme voor VE.:s te mogen weten, waar mede van uwen kant, wel den besten voorzorge voor hun aller gezamentlijken bij ons wel gewen„ „sten besten welvaart, dragen zouden kunnen vermits iets diergelyx, als dan nog affirmative blijvende; zulx Ten vijfden dus VE:s dan ook den volkomen ope ning zal geven, van de noodzakelijkheid die 'er zoude kunnen of mogen wezen, om dien post in praesente tijden, liever van daar op te ligten dan ons zwakke guarnisoentie of geringe men„ schappen /: aldaar zoo verre van de hand afgelagen/ zomwijlen niet al te zeer gezardeert te zien, aen derwijls den overmagt van Continueelyk de thans uijtstatende, zo grote rotten swervend geboefte, als waar van men reeds, zo veele geweldadigheden„ en moorderijen gezien, en omtrent welkers meer en 211 Van Amboina onder dato 26: meij 1762. en min dangereuse comploterijen en conspiratien, zig jongst ook deze en gene zaken, zyn te open„ baeren gekomen; die Ten sesden ons dan ook hebben doen goedvinden omme VE:s na stiptelyk gehouden observantie van voors: proceduure / en indiergelijken dat laetsten geval :/ dan door dezen wel voornamentlijk, en spe„ ciaal, almede te qualificeren, meer voorm. onze manschappen, nevens monture van dien Post, onder behoorlijken opneem aller restanten van s E. Comp:s aldaar berustende effecten, door te stellende gecommitteerdens, tot accurate rapporten, van daar op te ligten en een en ander den voorsz: Barcq, on„ der Cognoiscementen van dies gezaghebber te doen inschepen zodanig als zulks gevoeglyks vinden zullen: vermits den situatie van voorsz den aldaer zijnden Pagger, zodanig gesteld zijnde; dat een en¬ kelden schelm, met maar een brandhout van 't daar agter leggende gebergte te werpen, direct alles d in t vuur zetten; den waterplaets als maar een enkeld Bronnetie uyt een toevloeijend rivier spruijt zeer ligt vergeven, van de Zeekant, almede alles, zeer gemakkelyk en /door d' aldaar zijnden Eijlandjes/ veijlig Van Amboina onder dato 26: meij 1762. veijlig, ten verhindering van eenigen toevoer bezet En (:/(als gezegt:/ ingevalle van gene genoegzame waer„ zaemhoid, off trouwhertigheeden en verzekerden bij„ stand door des negories volkeren van Zawaeij, zoo wel als derzelver schuts=Alphoeresen van horale en Roemazoeko, onze manschap; zelfs met klijstee„ nen van 't gebergte 't aldaar maar al te benauwd gemaakt zoude kunnen werden, ons derhalven aanraad dan liever daar toe over te gaan, als zulx te laat zomwijlen eens te zien gebeuren off af te magten: dog in welken gevalle Ten sevenden, VE: dan nogthans en wel vooral te observeren zouden hebben, dat zulx gehelijk, nog in geenen deele, verrigt nogte te geschieden zoude moeten komen, onder eenig de minste onvriendelijk heid dan wel zouwijlen deze of gene, 't zij t'uijtend bewoordingen en val min te plegene onbehoorlijk„ lieden van onze gemene volkeren: maar ter con„ trarie, dat bij vertrek uyt den aldaar zijnde Posthouder bamboese en adappee woning; den ra„ dja van zawaeij ter presentie (:zo veel mogelijk zon die van Hatuwe en verdere Jnlandse Hoofden (als zijnde door hun te zamen gebouwd :/ daar van

NL-HaNA_1.04.02_3065_0225 view scan ↗

English

213 from Amboina under date 26. may 1762. presented with the key, and surrendered with the request for preservation and proper maintenance, at which time they may also be presented, each with a pair of bags of 3 to 4. measures of rice; and a pair of bottles of arrack, all of which has also been embarked for this purpose on Your Honours' aforementioned transport vessel, in order thus, and in this manner, in the most familiar way, with reservation of the possession established there by the Honourable Company, to take leave from there, and turn the prow back hither; while on the other hand, in the event of staying there, the utmost care must be taken that in no case this our just-mentioned order, and Your Honours' commission, should leak out or be noticed: Wherefore we then, Eighthly, also most earnestly recommend to Your Honours in all cases and as much as possible all prudent conduct and policy, but also in every occurring circumstance that we do not know, and therefore precisely cannot give our special orders for such matters; to use, as they say, soldier- and seamanship; above all to keep all the people under Your Honours' command in good From Amboina under date 26: may 1762 in good order; And further, as we trust, that Your Honours will conduct yourselves in all respects as befits and is proper for vigilant leaders and sensible commissioners; And whereof we shall also in due time await the required written report: While we herewith at present wish Your Honours God's blessing on this voyage and operations, greeting as /was written below/ Your Honours' good friends, /was signed:/ M: I. V. Bjniga, P: V: Jongstal, G: C. V. Bensechem, A F: Bandouin, I. Demares, I. A: Devilleneuve, I. Emants, W: de Bouvoust, C. F. Treno and J. Houttuijn, /in the margin:/ Amboina victoria the 25. may anno 1762 /lower:/ P.S. along with this, Your Honours are also handed the customary instructions for all war vessels and the protests mentioned therein, according to which Your Honours will also be able to govern yourselves on occurring applicable occasions and matters. Thus, after the reading thereof, it was agreed to conform to its contents, and to let the aforesaid commissioners proceed on their journey this evening. Likewise presented by the Governor was 215 from Amboina under date 26 may 1762: a received letter from the Manipa resident Jan Hendrik Knop dated 16. of this month, communicating among other things that, pursuant to the letter of the 29th of the past month of April, having assembled the native chiefs of Boano and Manipa, if possible according to our separate resolutions of the 27th prior, to recruit from among those native people a company of one hundred soldiers under officers of their own nation; but that because of present circumstances and owing to concerns for their villages as well as also the now so common sickness and mortality among their people, they had with all civility, at least for the present, excused themselves therefrom; it was thus also agreed, on that account, and since our garrison through daily losses, already today alone in this month again an ordinary number of 25. servants gradually comes to be very weakened, and necessarily requires some replacement; to take into service from elsewhere and from round about among these natives as many young and select men as will be willing to present themselves, and which provisionally will be sufficient for a good manning of all forces. /was written below/ Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria on the date aforesaid: /was signed:/ M. I. J. Josinga, I. A. de villeneuve, I: Emants, W. De Bouvoust, C: F: Treuo, and I: Houttuijn. /below/ Agrees. /signed:/ W. J. V. Lingen, Sec.s — Batavia From Java's East Coast the 23. July 1762 Batavia After the dispatch of my humble separate letter of the 23. April past I had the honour to receive Your High Noble's much esteemed missive of the 14 may last: to which I now reply, expressing beforehand humble thanks to Your High Noblenesses for the favourable decision regarding the Calangers, with which the Panumbahan of Madura in particular declares himself obliged, who has also at the same time requested me to solicit in his name from Your High Noblenesses the dispatch of the widow of his younger brother Radien Aijoe Rana diningaat, together with the ingabeij Patma Laga. I furthermore take the liberty to report to Your High Noblenesses that the cruising fleets from east and far have returned to the ports at the appointed time, having accomplished almost nothing, the chiefs declaring that they followed their aforesaid course and route but discovered nothing, except two large pirate vessels with two sampans, which were also attacked by those of Tegal, with the success that one To as before of 217 From Java's East Coast the 23. July 1762 of those large vessels was sunk by gunfire and one sampan taken, the crew of which, as well as that of the sunken vessel, saved themselves in the other, with which they took flight: furthermore they also took five prau wayangs fitted out for piracy, with 106. baskets of tobacco, 4½. koyans of rice, 2. bags of raw opium; which I, in hope of approval, have had sold publicly and the proceeds divided among the respective Javanese chiefs. It would have been desirable if one had been able to catch some of that pirate rabble, in order to deter others by an exemplary punishment; however this was not feasible, since as soon as they saw themselves cornered, they jumped overboard and thus escaped. Since my last reports, Wierad midja has still continued to wander with few constant followers; for as soon as he has gathered some people together again, they leave him immediately when he is attacked, as happened recently by the people of the Susuhunan in the Madiun district, from where he had to retreat to the Blora district. pursuant

Dutch transcription

213 van Amboina onder dato 26. meij 1762. van den sleutel gepraesenteert, en met verzoek van bewaring ten behoorlijk onderhoud overgegeven werde als wanneer teffens, hun als dan, almede, wel zujl„ „len mogen beschenken ieder met een paar zakken van 3 a 4. maten rijst; en een paar flessen aaat, welk een en ander ten dien eijnde almede VE voorm: transport bodemptie is ingescheept, omme dus, en in dezervoegen dan op de gemeensaamste wijze, in„ reservatie van s. E. Comp: s aldaar gevestigden Possessie van daar, dan afscheyd te nemen, en den steven weder herwaards te menden; terwijl andersins, en bij verblijff daar en tegen ook ten hoogsten gezorgd moet werden, dat in geen geval, die, evenlaatsgem: onzen ordre, en VE commissie, uijt lekke, off ge„ merkt kome te werden: Waar toe wij dan Ten Agsten, almede VE. s nog ten ernstigsten recom„ mandeeren in allen gevalle en zo veel mogelijk allen voorzigtig beleijd, en politie dog ook al even elns ure voorkomende omstandigheden, die wij niet weten, en derhalven als tot diergelijx, Juijst ook onze speciale ordres niet geven kunnen; zoo als men zegt, zoldaat en zeemanschap te gebruijken; alle volkeren onder VE:s Commando, voor al in goeden Van Amboina onder dato 26: meij 1762 goeden ordre te houden; En wijders gelik wij ver„ trouwen, VE:s allezins, in dezen zodanig te ge„ dragen als Wakkere Hoofden, en verstandige com„ missianten betaand en toekomt; En waar van dan ook intijds t vereijste schriftelijke rapport zul„ len verwagten: Terwijl tans hier mede VE:s tot dezen reize en verrigtingen, Godes zegen wensen, in groete als /onderstond/ VE:s goede vrienden, /was getekend:/ M: I. V. Bjniga, P: V: Jongstal„ G: C. V. Bensechem, A F: Bandouin, I. Demares I. A: Devilleneuve, I. Emants, w: de Bou„ voust. C. F. Treno en J. Houttuijn, (in maar gine:/ Amboina victoria den 25. meij anno 1762 /lager:/ P. S. nevens dezen stelle VE mede ter hand de gewone instructien voor alle krijgs vaartuijgen en daar inne vermelde protesten, waar nae VE zig in voorkomende toepasselijke gelegentheden, en zaken, almede zullen kunnen reguleren zoo wierd nae dies lecture verstaan, zig met dies jnhoud te conformeeren, en voorsz gecom„ mitteerdens daar op heden avond te laten reis vorderen Insgelijx door den heer Gouverneur vertoond zijn de 215 van Amboina onder dato 26 meij 1762: „de een ontfangen briefje van den mamipas resident Ian hendrik Knop dato 16. dezes, onder anderen in Communi„ catie dat ingevolge aanschrijvens van 29 der gepasseerde maand april, de inlandse hoofden van Boano en Mampa hebbende doen vergaderen, zoo mogelijk om na aparte onse resolutien van 27. bevorens van uijt die 'slands volkeren aan te werven een Comp„e van Een hondert militairen onder officiers hunner eigen natie; dog dat om tegenswoordige tijds omstandigheeden en mits bekommeringen voor hunne negorien zo wel als teffens ook almede op den thans zoo al gemenen ziekte en sterfte onder hunne volkeren, hun met alle civiliteit, ten minsten voor 't presente daer van g'excuseert hadden, zoo wierd almede verstaen, omme uijt dien hoofde, en mits ons guarnisoen door dagelix verlies, reeds heden alleen in deze maand alweder een gemeen aantal van 25. dinaren (allang samerhand zeer koomt te verzwakken, en noodzakelijk wel eenig remplacement vereijst; van elders en rondsomme uijt dezen inlander zoo veele Jonge en uijtgelezen manschap in dienst aen te nemen, als zullen willen toelopen, en bij provisie genoeg zijn ten goeden bezetting aller magten /onderstond/ Aldus gedaan en geresolveerd tot Amboina aan t Ca„ steel victoria dato voorsz: /was getekend:/ M I. J. Josinga I A. de villeneuve, I: Emants, W. De Bouvonst. C: F: Treuo, en I: Houttuijn. /onderstond/ Accordeert. /getek:/ W. J. V. lingen. Sec. s — Batavia Van Javas oost Cust den 23. Julij 1762 Batavia Na de depeche mijner nedrige aparte letteren van den 23. April papso heb ik d' eer gehad te recipieeren uw Hoog Edelens veel g'eerde Missive van den 14 mey Jongstl: waar op ik thans rescriberende voor af uw Hoog Edelhedens ootmoedig dank betuige voor de gunstige dispositie omtrent de Calangers waar mede wel inzonderheid zig verpligt betuigt, den Panumbahan van Madura, dewelke mij ook tef„ fens verzogt heeft uijt zijn naam bij uw Hoog Edelens te besolliciteeren d' overzending van de weduwe zijner onder broeder Radien Aijoe Ra„ na diningaat, benevens den ingabeij Patma Laga Ik nem wijders de vrijheid uw hoog Edelheedens te berigten dat de kruijsvlootjes van oost en wijt ter bepaalder tijd weder de havens zijn binnen gelopen, zonder bij na iets te hebben uijtgeregt, betuijgende de hoofden, dat zij hun voorsz cours en route gevolg dog niets ontdekt hebben, als twee groote roovers vaartuijgen met twee Champangs, die ook aangetas:t zijn door die van Tagal, met dat succes, dat een Aan als Vooren van 217 Van Javas oost Cust den 23. Julij 1762 van die grote vaartuijgen is in de grond geschoten en een Champang genomen, waar van het volk zig zo wil als van het gezonkene gesauviert hebben in het ander, waar van zij de vlugt namen: wijders hebben zij nog vijf prauw waijangs op de roof uijtge„ rust genomen, met 106. Cranjangs Toebacq 4½. Coijangs rijst 2. zakken stof van amphioen 't' geen ik, in hoop van welduijding, publicq heb laten verkopen en het provenue verdeelen onder de respecti„ ve Javaanse hoofden Wenschelijk was het geweest, dat men eenige van dat voof gespuijs had kunnen in de knip krijgen, om door een exemploire straf anderen af te schrik„ „ken; edog dit is niet doenlijk geweest, dewijl zij, zo dra zig in het nauw gebragt zagen; over boort sprongen en dus ontkwamen. sedert mijne jongste advisen is Wierad midja nog al blijven zwerven met weinig constanten aan„ hang; want zo ras hij weder eenig volk bij een ge„ bragt, heeft, verlaat hem dat weder ten eersten, als hij werd aangetest, gelyk nog jongst van des soesoehoe„ nangs volkeren in het Madionse, waar van daan hij naar het Blorasche heeft moeten reti„ „reren olge

NL-HaNA_1.04.02_3065_0230 view scan ↗

English

...retreat, with the loss of 13 dead 7 prisoners, whom the Susuhunan has sent over to the Sultan, as they were of his people, 12 horses 3 muskets 1 small gong 2 pairs of pistols 60 pikes 2 krisses and 6 banners Meanwhile he is still being pursued by the Susuhunan's as well as the Sultan's troops, presumably so that he will soon have played out his entire role. However, he recently had the audacity to send me a letter through three common emissaries, in which he makes a request, without making the slightest mention of forgiveness or submission, that I should help him to obtain the wedanaship over the lands situated east of Mount Lawu. I had these three emissaries seized and sent to the Emperor, who thanked me earnestly for this, and having had the heads of those three vagabonds chopped off, placed them on a bamboo stake on the Paseban, and cast the bodies From Java's East Coast, 23 July 1762 into the river, so that their memory, as the prince expresses it, would be forever eradicated from the recollection of men. In the Tuban region, a band of marauders, about 300 heads strong, has also appeared; it is uncertain whether it belongs to Guntur's faction or not, for their leader has himself called Raden Mas or Panembahan, but they were treated so roughly by the Regent Raxa Nagara that they fled head over heels, leaving behind 13 men, three of whom were captured, who, having been sent to me by the Panembahan of Madura, I have caused to be put in chains. Furthermore, I consider it my duty to bring to Your Right Excellencies' attention that several heavy complaints have arisen against the Tumenggung Awanga of Kendal; namely that during his regency, which is now entering its fifth year, he has withheld from the common people the moneys that he, as regent, received for the rice and which were to be distributed to them pro rata; having in the first year disbursed only 698 and a half rixdollars of the 2500 rixdollars that he had received. From Java's East Coast, 23 July 1762 In the second year, of 2000 rixdollars, only 364 rixdollars. In the third year, of 1500 rixdollars, only 309 and a half rixdollars. In the fourth year, again of the aforesaid sum, 369 rixdollars. And in the most recent year, of the same sum, only 182 rixdollars. That of 1125 rixdollars in buffalo-money received by him successively, he has disbursed only 160 rixdollars; besides having taken over 71 head of buffaloes from various of his subordinates under promise of payment, he has paid nothing up to the present. That he has, moreover, committed incest with a daughter of his sister, by whom he has even begotten two children, one of whom was smothered at birth on his orders, and the other recently died. That he has also lived in concubinage with two younger sisters of his wife and with the widow of his elder brother, his predecessor in the regency. For which reasons the common people, having grown averse to his rule, refused to remain under him any longer, preferring to leave that district and seek another settlement. From Java's East Coast, 23 July 1762 Wherefore I was compelled to examine this Regent on these points of grievance in the presence of the Chief Regent of Semarang, the Tumenggung of Demak Marta Nagara, and the Adipati of Pekalongan; which grievances he admitted to be true, and submitted himself to a lenient correction. However, on the one hand to quiet and give satisfaction to the common people, who were rightfully embittered against him—since in these times all disturbances would be entirely inopportune—and on the other hand to hold the respective Regents to their duty by setting an example, which duty dictates that they ensure the cash for rice and buffaloes reaches the proper hands, I have, in hope of a favorable interpretation, relieved him of his administration and placed him under arrest. And since necessity requires that, the sooner the better, a new regent be appointed over this district and the people be prevented from absconding, I have From Java's East Coast, 23 July 1762 provisionally appointed to the regency the Ngabehi Marta Djuda, son of the Adipati of Semarang, who currently conducts himself well, gives good hope, and in whom one can place trust, as he remains under the eye and supervision of his worthy father; which I pray Your Right Excellencies may be pleased favorably to approve, requesting at the same time that he may be honored with the title and name of Tumenggung Suma Nagara. Closing this, I take the liberty for the rest to refer to the accompanying daily register and enclosed secret letter, alongside which lies a missive from the Sultan, containing an expression of thanks for the promotion of Van der Sluijs to Senior Merchant. Wherewith, with respect and true high esteem, I remain, was signed below, usual title, was signed, Wil. Hen. van Ossenberch, in the margin, Semarang, 23 July in the year 1762. Batavia

Dutch transcription

reeren, met verlies van 13. dooden 7 gevangenen, die den soesoehoenang den sulthan heeft overgezonden, alzo het van zijn volk was, 12 paarden 3 snaphanen 1 Bindeé 2 p. r pistolen 60 pieken 2. krissen en 6 vaandels In middels werd hij nog zo wel door soesoehoenangs als sulthans volkeren, vervolgt, presumtief dat hij binnen kort zijn geheele rol zal hebben uijtgespeekt. Egter heeft hij nog onlangs de stoutheid gehad, mi door drie gemeene zendelingen een brief toe te zenden, waar bij hij verzoekt doet, zonder eenige de minste mentie van vergiffenis of onderwerping te maken, dat ik hem zoude helpen ter obtenue van het wedonoschap over de Landen gelegen b'oosten den berg Lawoe zijnde drie zendelingen heb ik laten opvatten, en den keijzer toezenden, die mij daar over ernstig heeft bedankt, en die drie vagabonden de hoofden hebbende laten afhakken, dezelve op de Passer„ baan op een bamboese staak stellen, en de ligha„ Van Iavas Oost Cust den 23. Julij 1762 men 219 Van Javas oost Cust den 23. Julij 1762: men in de rivier werpen, op dat hun gedagtenis gelijk de vorgt zig uijtdrukt, uyt de geheugenis der wenschen voor altoos zoude werden uijtge„ roeit. In het Toebangse heeft zig ook een hoopgstroopers, groot omtrent 300 koppen, vertoond; onzeker, of het van Goentors aanhang is of niet; want hun hoofd laat zig Radeen Maas dan wel Panumbahan noemen, dog zij zijn zo on-zagt getracteerd door den Regent Raxa Nagara, dat zijn hals over kop de vlugt genomen hebben, met agterlating van 13. man, waar van drie gevangen, die, mij door den Panumbahan van Madura toegezonden zijnde, ik in de ketting heb laten slaan. Wijders agt ik mij verpligt, uw, hoog -Edelhedens on„ der 't oog te brengen, dat er verscheide zware klagten zijn opgekomen tegens den Tomman„ gong Awanga van candal; namelijk dat hij geduu„ „rende zijn regentschap, 't welk nu in het vijfde jaar gaat, het gemeen onthouden heeft, de pennin„ gen, die hij regent voor de reijst ontfing, en naar rato aan hun moest werden uijtgekeert; hebbende in't't eerste jaar slegts van rd:s 2500. die hij ont„ „fangen Van Javas oost Cust den 23. Julij 1762: fangen had, afgegeven Rd:s 698½. In het tweede jaar van rd:s 2000. maar rd:s 364, In het derde jaar van rd:s 1500. eenlijk „ 309½ In het vierde jaar weder van evengem: somma ad:o 369 En in het jongste jaar van dezelve somma slegts ad:s 182. Dat hij van rd:s 1125. buffels=geld, by hem successive ontfangen, maar eenlik uijtgekeert heeft rd„s 160. behalven dat hij nog onder belofte van betaling 71. p:s buffels van diverse zijner onderhoorige hebbende overgenomen, tot nog toe niets betaald heeft Dat hy daar en boven zig bloedschandig vermengt heeft met een dogter van zijn zuster, waar bij hij zelfs twe kinderen geteelt heeft, welker een in de geboorte op zijn last gesmoort, en tt ander onlangs overleeden is. Dat hij almede in boelagie geleeft heeft, met twee Jonger zusters van zijn vrouw en met de weduwe van zijn ouder broeder, zijnen voorzaad in het re„ gentschap Om welke redenen het gemeen van zijn regering dvers geworden, weigerde, langer onder hem te staan„ willende liever dat district verlaten en een ander etablifsement 221 Van Iavas Oost Cust den 23 Julij 1762. etablissement opzoeken. Weshalven ik gedwongen ben geworden, om dien Regent in de tegenwoordigheid van den samarangse hoofd-regent, den Tommangong van Damak Mar„ ta Nagara, en den Depatty van Paccalongang, over de pointen van bezwaarnis te onderhouden die hij bekende waar te zyn, en zig een gunstige correctie onderwierp; edog om aan d' eene zij„ de het gemeen, dat met reden tegen hem ver„ bitterd was, te stillen en genoegen te geven„ dewijl in deze tijd alle beroeringen gansch te onpas zoude komen, en om aan d' andere zijde de respective Regenten door het stellen van een voorbeeld te houden aan hun verplig„ „ting, die hun dicteerd om te zorgen, dat de contanten voor rijst en buffels in de regte hauden komen, zo heb ik hem, in hope van welduijding, buijten bewind gesteld en in arrest gezet En nademaal het de noodzakelijkheid requi„ reert dat hoe eerder hoe beter 'er een nieuwe regent over dit district gesteld en het volk van het verloopen afgehouden werde, zo heb ik Van Javas oost Cust den 23. Julij 1762 ik daar p:l wederom in het regentschap gesteld, den jngabei Marta Djoeda, zoon van den Dipattij van Samarang, die zig thans wel ge„ draagt, en goede hoog van zig geeft, en waar op men kan vertrouwen, als onder t oog en opzigt blijvende van zijn braven Vader, 't welk ik bid„ de dat uw hoog Edelheedens gunstig gelieven te approbeeren, teffens verzoekende, dat hij mag ver„ „eerd worden met den Titul en Naam van Tommongong Soema Nagara Deze sluijtende, neem ik de vrijheid mij voor het overige te refereren, aan t hier nevensgaande dag„ register en inclose secrete brief; waar nevens legt een missive van den sulthan, behelsende dank betuiging voor de promotie van Van der sluijs tot oppercoopman waar mede met eerbied en ware hoog agting der blijve /onderstond/ gewone tijtel /was getekend / Wil: Hen: van ossenberch /in margine / sa„ marang den 23. Julij a:o 1762. — Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3065_0235 view scan ↗

English

From Java's Northeast Coast, 23 July 1762. Batavia Having returned from my journey to the Princely courts, I intended without long delay also to visit the trading posts along the Northeast Coast. However, the continuous heavy rainstorms have made the overland road so impassable that I am forced to postpone that visitation until the end of next November, which I have the honor to communicate to Your Right Noblenesses. Meanwhile, my duty requires me to report to Your Right Noblenesses on certain matters that are of the utmost importance to the condition of Java, and of which, in order that they might remain better concealed, I have made no mention in my daily register; for I am with good reason apprehensive that, should one thing or another leak out, troubles and unrest would inevitably arise, which would be harmful and dangerous for the state of the Company in general as well as for that of Java in particular. In my last conference with the Sultan shortly before my departure from Djocjocarta, having spoken of some indifferent matters, this prince withdrew with me from the rest of the company, keeping with him only his prime minister Donoredja and the interpreter Bappa Bastam. Whereupon His Highness declared that he had some anxiety on his heart which he now wished and had to reveal to me, because he deemed himself obliged to do so as a true friend and sincere ally of the Honorable Company, to the end that the evil designs might yet be countered in time. Namely, that from the turbulent disposition of the Pangeran Adipati Mancoenagara he expected in time yet detrimental consequences for the tranquil state of Java; not so much because one had to fear his person alone, whom he judged far too insignificant to carry out anything of such great importance, but because the all too close attachment between Mancoenagara and the Susuhunan troubled him, and he feared on good grounds that this restless prince would gradually know how to make use of the inclination of the monarch, until he would gain so much influence over him that, having instilled his own way of thinking into the emperor, he could lead him wherever he wished, and finally make him live and govern according to his caprice. This the Sultan said he had been obliged to bring to my attention, so that one might keep a watchful eye and prevent the growth of Mancoenagara's greatness, to whom for that reason he had also judged proper to refuse the village and bazaar of Mangetan, which the prince had requested; being well convinced that the more powerful he became, the more and the more easily he would also commit excesses, and that he would not enter into this request before he was fully assured that love of peace had taken such deep root in the heart of that prince as was compatible with the interest of Java's peaceful condition. Furthermore, His Highness added to this that, if one had been pleased to consult him regarding a residence for Mancoenagara, he would never have advised that he be placed with the Susuhunan, but that he would rather have sought another establishment for him. Requesting further, at the conclusion of this point of consideration, that I would keep this in my heart and accept it as a proof of his sincerity and true love of peace, as he had not been able to bring himself to conceal this. I will readily confess, Right Noble Sirs, that I was somewhat surprised by these arguments, for although it was not unknown to me that the friendship between father and son-in-law was not great, I had nevertheless concluded from the circumstances that had presented themselves to me that the ferment of hatred had subsided and the grudge between them was somewhat diminished. I replied to the prince on this with brief words, saying that a watchful eye would be kept on that Prince, and that as much as possible care would be taken that all reasons for melancholy were removed, wherewith the prince also seemed content for that time. Although it is now certain that the Sultan's fear of the Pangeran Adipati Mancoenagara might somewhat be called premature, since I at least in this conjecture cannot with reason and certainty foresee any difficulty, moreover

Dutch transcription

223 Van Javas Oost Cust den 23: Julij 1762. Batavia Van mijne reize van de Vorstelijke hooven te rug gekomen zynde dagte ir zonder lange tusschen poosing mede de Comptoiren langs den oost: Cust op te nedenen, edog de geduurende aanhoudende swaare regen slagen, hebben den landweg zodanig onbruijkbaar gemaakt, dat ik genoodzaakt ben die visik te surcheeren, tot in t laatst van 9ber: aanstaande,; 't gene ik d'eere hebbe uw hoog Edelens te communiceeren Jntusschen wereyscht zig mijne pligt uw hoog Edelens verslag te doen, van eenige zaken, die van het uijtteijte gewigt voor Javaas gesteltenisse zijn, en waar van ik, om dat dezelve beete zoude gesecreteerd blyjven, geen mantie in mijn dag register gemaakt hebbe, want ik ben met grond bedugt, dat indien het een of ander quam uijt lecken, 'er beroertens en onlusten zoude moeten voorspruijten, die voor den staat der maatschappije in 't algemeen zoo wel als voor die van Java in het bijzonder schadelijk en geaarlijk zoude zijn In mijn laatste Conferentie met den sulthan sdrags voor myn vertrek van Dgoejocarta van eenige onverschillige zaken gesproken zynde, zonder deze vorst zig met my van het andere gezelschap af, alleen bij zig houdende zynen Rijks bestier der Donoredja, en den Tolk Bap„ 9. 2g pa Bastam; wanneer zijn hoogheid betuijgde, eenige zurrigheid op het harte te hebben, die hij tans wilde en my moest openbaaren, om aan Als vooren dat Van Javas oost Cust den 23 Julij 1762 dat hij oordeende zulx als een ware vriend' en opregte bondgenoot van„ d'E Comp:s verpligt te zijn, ten eynde de quade desfeijnen bij tijds nog zoude konnen tegengegaan werden; namentlijk dat hij van den Boel„ agtigen in borst van den Paergeranij Adedipattij Mancoenagara in der tijd nog nadeelije gevolgen voor den rustigen toestand van java te gemoed zag, met zoo zeer om dat men te dugten had voor zijn perzoon alleen, die hij veel te gering oordeelde, om iets van zo veel aangelegentheid uijt te voeren, maar om dat de al te nauur ver knogtheid tusschen Mancoenagara en den soesoehoenang heem ontrusti„ en hij op goede gronder vreesde, dat dien onrustige prins zig van langzamer hand van de Neyginge voor den vorst zoude weeten te bedienen, tot dat hy zo veel in flucatie op hem zoude krijgen, dat hij den keijzer zijne wijze van denken ingeboeseert hebbende, hem leijden kan waar hij wilde, en eijndelijke na zyn sindelijkheid doen leven en regeeren Dit zeijde den sulthan verpligt geweest te zijn, mij te moeten ter kennisse brengen, op dat men een wakend dog mogte houden, en den aanwas van Mancoenagaras grootheid te beletten aan den wel„ ken hij om die reden ook g'oordeeld hadde, te moeten weijgeren, des Negerije en bazaar Mangetan, die den prins verzogt had, als al se wel overtuijgd zijnde, dat hoe vermogender hij wierd, hoe meer en te ligter hij ook zoude uijtspatten, dat hij in dit verzoek ook niet zoude treeden, voor dat hij ten vollen versekert was dat de 225 Van Javas oost Cust den 23 July 1762. de liefde tot de uijt zulxe deepe wortelin in het harte van dien prins geschooten had, als met het belang van Javaas vredigs gestedheid be„ staanbaar was; wijders voegende, zijn Hoogheed hier nog bij, dat„ indien men hem over een verblyf van Mancoenagara had gelieven te kevenen, hij nimmer zoude aangeraden hebben, dat den zelven bij den soesoehoenang geplaetst wierd, maar dat hij voor dae zelven lieven een ander etablissement soude gezogt hebben, verzoekende worden tot slot van dit pornt van Consideratie, dat ik het zelve in mijn harte bewaren wilde, en als een blijk van zyn opregtigheid en ware vaede lievendheid aanneemen, alzoo hy niet van zig had kunnen verkrijgen om dit te verbergen — Jk wil wel bekennen Hoog Edele Heeren, dat ik door deze redenen eenigsints vervastwierd, want alhoewel mij niet onbekend ware, dat de vriendschap tusschen Vader en schoonzoon niet groot was, had it egter uijt d' omstandigheeden, die my waren voorgekomen, beslooten, dat de Gus„ ting van haat bedaart ware, en de wrok tusschen hen eenigsins vermindert Jk repliceerde den vorst hier op met korte bewoording, dat men een Wak ondoog zoude houden op dien Prens, en zo veel mogelijk is, sorgen dat alle redenen van zwaarmoedigheid vierde uijt den weg geruijmt, waar mede de vorst ook voor dien tyjdscheen vergenoegt te zijn schoon het nu zeker is, dat de vreese van den sulthan voor den Pange„ rang Adedipattij Mancoenagara eenigsints prematuur zoude konnen genoemd werden, alzoo ik ten minste in deeze conjectuure met grond en zekerheid geen swarigheid kan voor uijt zien, daar en boven zoude

NL-HaNA_1.04.02_3065_0238 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 23rd of July 1762. there could well hide some rivalry among them as they aim for one and the same goal, since both the sulthan for his son the Pangeraing Adedipattij Annum, and Mancoenagara for his eldest son Maarsoeroe, request a daughter of the soesoehoenang in marriage, possibly to obtain some right to the succession upon the decease of that monarch. Now the sulthan is perhaps apprehensive that Mancoenagara will succeed and he will suffer a refusal, on which account I say once more that the monarch's statement may well be somewhat exaggerated out of political considerations, yet that all his statements would be completely unfounded or should be cast to the wind, I would not readily agree, submitting myself however to the wiser judgment of Your High Nobilities. For having observed the four first and greatest personages of the Surakarta Court, and having well considered their characters, I must testify that matters do not proceed properly there, that the authority of the monarch is slight, that subordination, a principal pillar upon which the stability of a good government must rest, is decaying more and more, which certainly requires remedies if one wishes to remain secured in the future against the designs of a turbulent prince, as Mancoenagara beyond contradiction is. The soesoehoenang is good-natured, affable, and truly well-intentioned, but on the other hand lies quite under the thumb of his consort, against whose will he dares not command, or at least the commands are not properly executed; moreover he seems to incline somewhat to From Java's East Coast the 23rd of July 1762: to drink, and to the taking of such recreations that are not very becoming for a monarch. The Ratoe, on the contrary, knows how to make use of her authority over the monarch politically, whereby she directs everything according to her will, and even takes some liberties that serve to no honor of the monarch. The Radeen Adepatij Mancoeprodja, governor of the realm, is old and decrepit, sluggish and indifferent, caring little for the monarch's commands, of which I can speak from own experience on my journey. He has certainly given too many proofs of his attachment to the Honorable Company for one to be able to suspect him in any way in that regard; yet it were to be wished that he showed somewhat more zeal and vigilance, to which friendly exhortations are not lacking, though of little fruit until now. Mancoenagara, although appearing at first glance still somewhat wild, nevertheless shows in all his actions a shrewd deliberation, so that he accomplishes almost nothing without designs; he lives with the monarch virtually according to his will, even subjecting him to slights, of which I have been an eyewitness, and which would even have gone too far had I not prudently prevented them. When these circumstances are observed in their coherence, namely a monarch who does not know how to maintain himself in his authority, and who as it were depends on the whims of his wife, a governor of the realm who shows not very much regard for the commands of his master, it is not difficult to conclude From Java's East Coast the 23rd of July 1762 that a prince like Mancoenagara, pregnant with desire and hope for the throne, knowing how to make use of this circumstance, might easily take such measures to achieve his aim that are both detrimental to Java and contrary to the designs of the sulthan. This the monarch judges that he is already putting into practice: that his inducement to drink that he gives the monarch, his slights that he subjects him to, his discourses about it, and the mocking of the slight authority of the soesoehoenang over the people, his desire to obtain for himself some right of succession through a closer alliance, and finally that the showing and presenting of charming maidens, of which he nevertheless knows that his powerful consort will not permit him, aim solely to bring the soesoehoenang into low esteem among his people, and thus to gain for himself greater high esteem and affection, which he truly already has among high and low, lastly lifting the mask once to show who he was. It would certainly have raised little difficulty if the sulthan had stopped at his advice to keep a watchful eye on Mancoenagara, and at his declared apprehension of the prince's evil designs; but the following day, having arrived on my journey at Zoeregening, a village just inside the Cadoe, whither the governor of the realm Donaredja had conducted me, being requested by that minister to go with him into a separate room in order to speak to me in secret on behalf of and by order of his master, the same made known that the sulthan had ordered him to declare to me that he was fully convinced

Dutch transcription

Van Iavas oost Cust den 23. Julij 1762. zoude er wel wat emulatie onder hen als een en het zelve wit bedoelen„ de konnen schuijlen, dewijl zo wel der sulthan voor zijn zoon der Pange„ raing adedipattij Annum, als mancoenagara voor zijn oudste zoon: Maar soeroe een dogter van den soesoehoenang ten huwelijk verzoekt, mogelyk om bij aflijvigheid van dien vorst eenigj regt tot de sucessie te erlangen. Nu is d: sulthan misschien bedugt dat Mancoenagara zal renisseeren, en hij refunis leijden, weshalven ik nogmaals zegge dat 's vorsten opgee„ zegg 8: ven wel uijt politique insigten wat vergroot kan zijn, edog dat al zijn seggen geheel en al ongegrond zoude wezen of in den wind moet geflae„ 29 gen werden zoude ik met gaaren toestemmen, mij egter aan het wyjzer oordeel van uw Hoog Edelens onderwerpende 2 Want de vier Eerste en grootse personadien van het souracantase Hof beschouwd, en hunne caracters wel considereert hebbende; zo moet ik betuijgen, dat de waagen daar niet regt gaat, dat het gezag van den vorst waarop gering is, dat de subordinantie, een voornaam zuijl ^op de bestandigheid van een goede vegeering rusten moet, meer en meer vervalt, 't geen sekerlyk re„ dies nodig heeft, zoo men voor de desfeijnen van een woelende prins, gelijk Mancoenagara buijten tegenspraak is, in het toekomende wil gesecu„ reert blijven De soejoehoenang is goedaardig, gemeenzaam en waarliyk wel g'intentio: aarlijk neert, maar legt aan de andere zijde geburt onder de plak van zijn ge„ malinne, tegen welkers sin hij met dirst beveelen, op ten minsten de be„ veelen werden niet na behoren gexecuteert, daar en boven schijnt hijwel wat tot 227 Van Iavas Oost- Cust den 23 Julij 1762: tot den daank te melineren, en tot het neemen van zulke uijtspanning die voor eenrst voost met zeer betanelijk zijn De Ratoe daar en tegen weet zig van haar gezag op den voost politieq te be„ dienen, maar door zyj het alles na hare werk doet draagin, en selffs eenige vryheeden neemt die den voyt tot geen een verstrekken De Radeen Abedepatij Mancoeprodja rijks bestiade, is ouden afgeleest, loom en onverschillig, zig weijnig aan storften beveelen kronnende, waar Van ik bij eijgen ondervinding op mijne reijze spreeken kan hij heeft zeker te vel blijken van zijne attachement voor d' E: Comp:s gege„ ven, dan dat men daar omtrent hem eengsins Verdenken zoude kunnen, egter zoo was het te wenschen, dat hij wat meer ieder en vigilantie be= toonde, waar toe de vrieendelijke aansporing niet manqueeren, dog van weinig vrugt tot nog toe zijn Mancoenagara schoon in den eersten opslag nog wat wild voorkomende, toond egter in alle zyn handelingen een schrander overleg, zo dat hij bij na niets zonder dessijnen verrigt, hij leeft met den vorst genoegzaam na zijn Wil, hem zelfs kleinigheeden aandoende, daar ik oog getuijgen van ben geweest, en die zelfs te verre zoude zijn gegaan, indien ik die niet voorzigtig had gepreveneerd. Wanneer iu deese omstandigheeden in haar samenhang werden opgemerkt, namentlyk een vorst die zig in zyn gezag met wat te maintineeren, en die als afhangt van de wenten van zyn vrouw ern rijksbestierden, die met zeer veel de„ quard betoond voor zijns sucesters bevalen, zoo valt het niet swaar te besluij„ ten Van Javas oost Cust den 23 Julij 1762 ken, dat een prins als moncoenagara, swanger gaande van begeerte en hope tot den thaoon, zig van deze omstandigheid weetende te bedienen, ligt tot 't bereijken van zijn dogmerk zulke maat regulen zoude konnen neemen, die en voor Javas: schadelijk, en tegen de dessegnen van den sulthan strijdende sijn Dit oordeelt dien vorst, dat hij reeds imn het werk steld, dat zijn aanleijding beng tot den Drank, die hij den vorst geeft, zyn kleinigheeden die hij hem aandoet, zijne discoursen daar over, en het beschimpen over het kleyjn gezag van den soesoehoenang op het volk sijne begeerte om voor zig door nader verbinte„ nisse eenig regt van successie te verkrijgen, en eijndelijk dat het vertoo„ nen en aenbilden van bevallige Rueijfjes, die hij dog weet dat zijne vermo„ „gende gemalinne hem niet permitteeren zal, alleenlijk doelen om den soesoehoenang in klein agting bij zijn voek te brengen, en dus voor„ zig meerder hoog agting en liefde, die hij waarlijk bij groot en klein reeds heeft, te verwerken, laatstelijk het master eens afligtende toonen zoude wie dat hij was het zoude zekerlijk weinig zwarigheid verwekt hebben, bij aldien de sul„ than by zijn raad om een wakend oog op Mancoenagara te houden, en bij zijn gedeclareerde bedugting voor's princen quade despeijnen gebleven had; maar des veranderen daags in mijn reijz op zoeregening, een Nege„ rije eeven in de Cadoe, gekomen zijnde, werwaarts mij den rijksbestier„ der Donaredja geconduiseert had, door dien minister verzogt zijnde, om met hem in een apart vertrek te gaan, ten eijnde mij uijt naam en last van zyn Reester in het gehaim te spreeken; gaf den zelven te ken„ nen, dat den sulthan hen gelast had mij te betuijgen, dat hij ten vollen vertuijgt

NL-HaNA_1.04.02_3065_0241 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 23rd July 1762. was convinced of the goodwill of the High Government towards his person, and of my friendship, so that he therefore also wished to reveal the bottom of his heart without any reserve before I depart from his country. After the minister of state had once again extensively repeated the arguments of yesterday, he further added in the name of the prince; how deeply it had grieved His Highness that Mancoenagara, when he was brought almost to nothing and so far that he would have eaten the mud of the earth, had suddenly, without his prior knowledge, been elevated to such a high estate, wherefore he, the sultan, very urgently requested that Mancoenagara might be sent away from Java as a dangerous object, for which he requested my assistance and intercession with Your Noble Excellencies: however much I protested against this, demonstrating; that surely a word once given, and strengthened with an oath, cannot be broken: for if one could no longer depend upon that with certainty, there was nothing left upon which one could rely, and that I was, moreover, all too well convinced of the sentiment of the High Government to doubt in any way that Their Noble Excellencies would agree with my statement. Yet, notwithstanding all my words, that minister persisted in his request, which I then finally promised, yet assuring him once more that this would not succeed until the prince could produce striking proofs of the actual disloyalty of Mancoenagara. And to show Your Noble Excellencies even more clearly how firmly the sultan stands his ground, and how difficult it is to dissuade him from a resolution once taken, I take the liberty of offering herewith a translation of a Javanese Letter, sent after me by the Prince shortly after my arrival in Samarang, accompanied by my reply, which I hope may correspond with Your Noble Excellencies' intention. As this is, however, a matter of the highest importance, I have thus far employed all prudence to put all melancholy thoughts out of the sultan's head on the one hand, and to make His Highness despair of the success of his proposal, and on the other hand to keep the Pangerang Mancoenagara From Java's East Coast the 23 July 1762. in a good humor, in which he still remains, while I have at the same time earnestly instructed Resident Beuman to dissuade the soesoehoenang by all amicable means from his offensive way of life and too great familiarity with the prince, pointing out the contempt that the prince might thereby bring upon himself, for which I pray to Heaven for a good effect, and also humbly request Your Noble Excellencies' approval. In conclusion, I take the liberty to add hereto what may serve as further proof that the sultan and Mancoenagara intrigue against each other, and often have one and the same aim, in that Mancoenagara, however without my prior knowledge, has requested in marriage a daughter of Raden Aria Magatsarie, begotten by his deceased wife's sister, of the sultan, offering in return to marry the son of this regent to a princess of his own or the emperor's blood. The sultan has made the same request for one of the princes of his court, but Magatsarie has politely declined both upon my advice. With which I have the honor to call myself with the greatest submission. Below stood: usual title. Was signed: Wil: Hen: van Ossenberch. In the margin: Samarang the 20th July 1762. Batavia 231. From Bantam the 13 August 1762 Batavia Pursuant to Your Noble Excellencies' respected secret letters of the 4th current, I have already made the requisite inquiries hereabouts as to whether any Wetang Javanese might be inclined to enlist in the Company's service for dispatch to Ceylon, with the promise of being employed solely on land and returning home after the end of the unrest, but until today no one has yet been willing to engage therein; regarding which, however, nothing will be left unexamined by him who remains with the greatest respect. Below stood: usual title. Was signed: H. P. Faure. In the margin: Bantam, the 13th August Anno 1762. To the same as before. From Java's East Coast the 19th August 1762. Batavia I take the liberty of sending over in arrest, under the supervision of Corporal Samuel Gottlieb Hondertmarck and a private, at the disposal of Your Noble Excellencies, the Javanese Poespa Zaija, who usurped the honorific title of Tommangong, and for some time plundered and disturbed those lands together with the still roaming Wierad Miedja in Ragetan, Madiou, Tranaraga, and Cartasana. To avoid duplicate work, I respectfully refer to the report detailing how he was apprehended, and only add here that I, as Poespalaija is a born and actual subject of the soesoehoenang, should have sent him to that prince in order that he might be punished according to his deserts; but considering that Pangerang Adipattij Mancoenagara might thereby easily be encouraged, if he should harbor secret designs, to execute them all the sooner; when he perceives that people are beginning to discover him, and bring forward undeniable proofs that he not only maintains correspondence with Wierad Miedja, but also secretly offers him assistance, and, although he outwardly behaves as if he abhorred the aforementioned Wierad Miedja to the highest degree, is in agreement with him, and hereby seeks to disturb Java again; in order, seeing a good opportunity there, to establish for himself a better position to the same as before

Dutch transcription

Van Iavas Oost Cust den 23:' Iulij 1762. overtuijgt was van de welmeenenthaid van de Hooge Regeering voor zijn per„ zoon, en van mijne vriendschap, dat hij daarom ook de grond zynds harten sonder eenig agterhouding wilde openbaaren, eer ik uijt zijn land vertrek Na dat iu den staats minister nog eens wijdloopig de raisonnementen van gisteren herhaald had, voegde hij uijt naam van den vorst daar nog bij; hoe leed het zijn Hoogheid geweest was, dat Mancoenagara, toen hij bij na tot niet en zo verre gebragt was, dat hij slijk van de aarde zoude gegeten hebben, buijten zijn voorkamis eens klaps: tot zoo een verheeven staat was opgevrijseld, waarom hij sultan seer instandig verzogt, dat Mancoena„ gara als een gevaarlijk voorwerp van Java mogte verzonden werden, waar toe hij mijne hulp en voorspraak bij uw hoog Edelens verzogt: hoe zeer ik nu hier tegen protesteerde, met betoning; dat immers een eens gegeven woord, en met een hed gesterkt, niet kan verbooken werden: want dat als men daar niet weer op zieker gaan konde, 'er niets meer was, waar op men zouder konnen vertrouwen, dat ik daar en boven al te wel overtuijgd was, van het sentiment van de Hoge Regee„ ring, dan dat ik eeniger mate soude twijffelden of haar hoog Edelens zoude met mijn zeggen quadreeren. — Dog niet tegenstaande alle mijne gezegdens, bleef dien ministen persistee„ ren bij zyn verzoek, te welk ik dan eijndelijk beloofde, egter hem nog„ maals vertekerende, dat zulx niet reuisseren zoude, voor dat den vorst eclatante bewijzen van de werkelijke ontrouw van Mancoenagara konde te berde brengen. — En om uw hoog Edelens nog nader te vertoonen, hoe sterk den sulthan op zyn stuk staat, en hoe zwaar het valt hem van zijn Eens genoomen besluijt af te brengen neme ik de vrijheid hier bij aan te bieden een translaat Javaanse Missive, mij door den Vorst dven na mijn arri„ vement op Samarang na gezonden, verzeld van mijn antwoord, die ik hoope, dat met uw hoog Edelens intentie zal mogen over een koomen Dewijl dit egter een point is van de grootste aangelegentheid heb ik tot dus verre alle voorzigtagheid in 't werk gesteld, om den sulthan aan d' eene zeijde alle swaarmoedige gedagten uijt het hoofd te brengen, en zijn hoogheid van het gelucken zijner voorslag te doen wanhoopen, en aan d' andere zijder den Pangerang Maucoenagara in Van Javas oost Cust den 23 Julij 1762. in een goede luijm te houden, daar hij nog in is, terwijl ik teffens den Resident Beuman ten ernstige gelast heb, om den soejoehoenang van zijn ergerlijke levenswyze en al te groote familiariteijt met den prins op alle minnelijke maniere af te raaden, onder aan„ tooning van de kleinagting, die de vorst daar door zig op den hals zoude kunnen halen, waar van ik het goed Effect van den Hemel afbiddes, en uw hoog Edelens approbatie ooknoedig Verzoeke. Tot slot dezer neeme ik de vrijheid hier nog by te voegen, 't geen selfs ten voder bewijs strecken kan, dat de sulthan en Mancoenagara tegen malkanderen Woelen, en veeltijds een ende selfde oogmear hebben, dat Mancoenagara egter buijten mijn voorkennisse ten Vrouwe verzogt heeft, een dogter van vadeen Aria Magatsarie, ge„ teelt bij zijn overledene vrouwssuster, van den sulthan, daar en tegen aanbiedende om de zoor van deze regent uijt te huwelijken aan een princes van zijns of 's keysers bloede — De sulhan heeft des zelfde verzoet gedan, ovor en van de pencen van zijn hoff edogenagatsarie heeft het een en het andere op mijn raad beleefdelijk afgeslagen. Waar mede ik de eere hebbe mij met de meeste onderdanigheid te noemen. /onderstond/ gewone tijtel /was getekend/ Wil: Hen: van opsenbergs. /in margine / Samarang den 20: Julij 1762. Batavia 231. Van Bantam den 13 augustus 1762 Batavia Ingevolge uw hoog Edelens gerespecteerde zecreete missiven van den 4. Courant, heb ik hier om„ streeke reets de vereijste enquesten gedaan, of 'er ook eenige Wetangsche Iacanen genegen zoude wezen, om zig in sComp:s dienst te laten aanneemen, ter verzending na Ceylon, met belofte, niet als te land g'emploijeert en na het eijndigen der onluster weder na huijs zouden keeren, maar tot heden heeft zig door toe nog niemand willen en ga„ geeren; waar omtrent egter niets onbezogt zal laten den geenen die met het meeste res„ „spect verblijft /onderstond:/ gewone tijtel / was C„ getekend. / H. P. faure /in margine:/ Bantam Ao 1762. den 13. augustus aan als vooren. Van Iavas Oost Cust den 19. augustus 1762. Batavia Ik neeme de vrijheid onder opzigt van den corporaal Iamu„ el Godleeb Honderdmaak en een gemeene ter dispopitie van uw hoog Edelens in arrest over te zenden den Javaan Poespa Zaija, die zig den eernaam van Tommangong aangematigd, en eenige tijd met den nog zwervende Wierad Mildja in Ragetan, Madiou, Tra„ naraga en Cartasana geplundert en die landen ontrust heeft Ter vermijding van dubbeld werk refereer ik mij eerbiedig aan het relaas, dat deze g'accrocheerd is, en vorge hier eenlijk bij, dat ik hem Poespalaija als een gebooren en weekelijker onderdaan van den soesoe„ hoenang, dien vorst wel had dienen toe te zenden, ten eijnde hij na verdiensten zoude werden gestraft; edog considererende, dat hier door ligtelijk Pangerang Adipattij Mancoenagara aangemoedigd zoude worden, om, zo hij somtijds verborgen desseijnen voed, die eerder ter executie te brengen; wanneer hij ontwaard, dat men hem begind te ontdekken, en ontegensprekelijke bewijzen ten berde brengt, dat hij met Wierad Miedja met allien correspondentie houd, maar ook hem onder de hand assistentie beed, en, alhoewel hij uijtterlijk zig aansteld, even of hij offgemelde Wierad midja ten hoogten verquame was, met hem het eens is, en hier mede of Java weder zoekt te ont„ rusten; om daar, de kans schoon ziende, zig een beter etablissement aan als vooren te

NL-HaNA_1.04.02_3065_0245 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 19 August 1762. to arrange, and to fish in troubled waters, or for other hidden purposes. When in the past year the brother of Mancoenagara, Pangerang Timor, had been sent out on the Emperor's behalf against Wierad Midja, and who, instead of pursuing him, encamped motionlessly and even troubled the land more than Wierad Riedja, people already began to suspect that Mancoenagara was not truly in earnest against his son-in-law, and I have since perceived from time to time through the received accounts that he sent him some gifts, which increased that suspicion more and more. Therefore, for the aforementioned reasons, I deemed it more expedient to dismiss Poespa Laija immediately in silence, rather than to make much commotion, which would certainly cause his transfer to the court of Souracarta; which treatment I request that Your High Excellencies may be pleased to honor with a favorable approval. Meanwhile, signing myself with the highest esteem, was below written: Title as before, was signed: Wil. Hen: van Ossenberch, in margin: Samarang, 19 August 1762. Even lower: P.S. Just this moment I receive the joyful news that the principal followers of Wierad Midja, Wiladikta and Djam, have submitted with 40 horses to the Tommangong Manioedjoedo, head of the Susuhunan's troops, and that Wierad Midja himself had fled with 10 men toward the Djipang district, whither he was pursued with four diverse parties, with good hope of soon mastering him, which I judged necessary to bring to Your High Excellencies' honored communication. Batavia. From Java's East Coast, 10 August 1762. Batavia. To as before. From the enclosed copy translated missive from the Susuhunan, as well as the copy letter from Resident Beuman, which I take the liberty to present to Your High Excellencies, Your High Excellencies will now perceive that the long-feared divorce between the Susuhunan and the Ratu has been put into effect. I take the liberty, regarding the reasons and circumstances occurring during this sensational event, to refer to the aforementioned missives, and only respectfully bring to Your High Excellencies' knowledge that in order to gain time and to await Your High Excellencies' highly honored orders, I have deemed it best not to grant finally the request of the ruler to send emissaries to fetch his former consort, under the pretext that I first had to write about this to the Panembahan of Madura, which has also indeed happened. For, since I firmly believe that all urging, even done from my side, will be fruitless, and thus no hope remains for reconciliation, it is certain that the ruler will continue to insist on her removal from the court, his long-taxed patience being at an end, and he being all too bitter to consider taking the Ratu back again. But now the difficulty remains, whither: the only option is either to her brother, the Prince of Madura, or to her brother-in-law, the Regent of Cadirie. However, the said Prince of Madura, being a ruler full of ambition and eagerness for honor, will possibly have scruples about receiving a sister who has been publicly exposed as an infamous woman and repudiated for her shameful life; and the Regent of Cadirie, as a subordinate of the Susuhunan, who obtained that regency by virtue of his affinity with the ruler, likewise will not easily proceed to that if he does not wish to hasten his demotion, which will possibly come of itself. In such a case, I would truly be at a loss as to how I should act with that former Ratu; for to keep her in Samarang would also not achieve much, at least I would not incline toward that before I saw myself furnished with Your High Excellencies' orders, which, most humbly requesting in this regard, with the highest respect I subscribe, was below written: Title as before, was signed: Will. Hen van Ossenberch, in margin: Samarang, 10 August 1762. Samarang. From Java's East Coast, dated 10 August 1762: Samarang. To the Right Honorable, Valiant, and Most Worshipful Lord Willem Hendrik van Ossenberch, Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, as well as Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, etc., etc., etc. Title. I have the honor to communicate to Your Right Honorable, Valiant, and Most Worshipful that the court courier, Raden Cassra, yesterday evening around 10 o'clock came to announce the arrival of the Susuhunan, which followed so quickly that I could scarcely dress myself before the ruler already came to meet me, and, falling around my neck, requested me to help him, whereupon His Highness made known to me that he wanted to be divorced from the Ratu, because she had always lived according to her own pleasure, and though having three, yes four paramours, and he had overlooked such things, she had wanted to force him that evening to have a woman for whom he cared, along with her brother, put to death; but the ruler, seeking to deflect her evil thoughts with a delay until tomorrow, the Ratu flew up in a fury, saying, I want them to die this very evening; wherefore the ruler, becoming angry, under the appearance of pleasing Her Highness took his hanger and would have knocked the Ratu down, had...

Dutch transcription

233 Van Iavas oost Cust den 19. augustus 1762. te bezorgen, en in troebel water te visschen, of om andere bedekte oogmerker Toen in het voorleden Jaar den broeder van Mancoenagara Pangerang Timor keizers wegen tegen wierad Midja was uijtge„ zouden, en die, in stede van hem te vervolgen, zig onbeweiglijk te neder sloeg, en zelfs 't tand meer kewelde dan Wierad Riedja, heeft men al beginnen suspicie te krijgen, dat het net man. Coenagara geen regten ernst tegen zijn schoorzoon, was, en ik heb sedert van tijd tot tijd al ontwaard door de ontfanger relazen, dat hij hem eenige geschenken toezond, 't geen die Juspicie meer en meer vergroot heeft: Dierhalven heb ik om voorgem: rede„ nen het oorbaarder g'oordeeld, Poespa Laija maar ten eersten van de hand in stilte weg te zenden, als veel beweeging te maken, die zekerlijk desselfs overzending naar 't hof van souracarta zoude veroorzaken; welke behandeling ik ver„ zoeke dat uw hoog Edelens met een gunstige goedkeuring gelieven te vereeren Inmiddels mij met de meeste hoog agting onderschrijvende /onderstond/ Tijtel als vooren /was getekend/ Wil. Hen: van Ossenberch /in margine/ Samarang den 19. augustis 1762. /nog lager/ P. S. zo momentlijk ontfang ik de blijde tyting, dat de grootste aanhangelingen van Wierad Mi„ „dja VS Van Javas Oost Cust den 19. August: 1762 „dja, Wiladikta en Djam, zig met 40 paarden onder„ worpen hebben aan den Tommangong Manioedjoedo, hoofd van sousouhounangs troupen, en da Wierad Midja zelfs het met 10. man ontvlugt was naar het Djipangsche, werwaarts hij met vier diverse parthijen vervolgd wierd, met goede hope van hem spoedig mee„ ster te zullen worden, 't welk ik nodig g'oordeelt heb, uw hoog Edelens ter g'eerde communicatie te moeten brengen Batavia 235 Van Javas oost Cust den 10. augustus 1762 Batavia aan als vooren uyt inleggende Copia translaat missive van den Ioesoehomnang, als mede Copia brief van den resident Beuman, die ik de vrij heid name uw ' hoog Edelheedens aan te bieden, zullen nu hoog Edelens ontwaren, dat de lang gevreesde Egtschyjding tusschen den soesoehoenang en Ratoe ten effecte gebragt is Jk neme de vrijheid mij wegens de redenen en omstandigheeden bij deze eclatante gebeurtenis voorgevallen, aan wengeciteerde missives te refereeren, en alleenlijk eerbiedig uw ' hoog Edelhedens ter kennis te brengen, dat ik om tijd te winnen, en uw hoog Edelens hoog g'eerde bevelen te kunnen afwagten; het verzoek van den vorst, om zendelingen te zenden der afhaal van zijne geweze gemalenne, best g'oordeelt hebbe, onder voorwending dat ik daar over alvoorens aan den Panumbahan van Madura moest chrijven, 't geen ook werkelijk geschied is niet fimnaal te bewilligen. Want, nadien ik vast stellen, dat alle aanporingen, zelfs van mij„ nen kant gedaan, vrugteloos zullen zijn, en dus geen hoge over„ blijft tot verzoening, zo is het zeker, dat de vorst op hare verzen„ ding van het hof zal blijven insteren, zijnde zijn lange getergd ge„ dult ten eijnde, en hij al te veel verbitterd, dan dat hij zoude overgaan om Latoe weder aan te neemen: Maar nu blyft de zwarigheid Van Javas oost Cust den 10. augustus 1762. zwarigheid, waar na toe: Het eenigste is, of naar haren broeder den Prins van Madura of naar haren zeager den regent van Cadirie Edog gemelde Prins van Madura, een vorst zijnde volambitie en eer„ zugt, zal mogelijk scrupuleus wezen om een zuster aan te nemen, die publicq als een infame is ten toon gesteld, en om haar schandelijk leven gerepudieerd is, en den Regent van Cadirie, als een onderhorige van den soesoehoenang, die dat regentschap uijt hoofde van zijn affiniteijt met den vorst, verkregen heeft, zal insgelijx daar niet ligt toe over„ gaan, zo hij zijn dimotie, die mogelijk van zelve wel komen zal, met wil verhaaften in zulk een geval zoude ik waarlyk verlegen zijn, hoe ik met die geneze Ratoe zoude handelen; want haar op samarang te houden, zoude ook niet veel stigten, ten minsten zoude ik daar toe met inclineeren, voor dat ik mij met uw hoog Edelhedens bevelen gemunieerd zag, die ik, deswegens op het aller ootmoedigste verzoekende, met de hoogste eerbied mij subscribeere /onderstond:/ tijtel als vooren /was getekend Will. Hen van ossenberch /:in maagine:/ Samarang den 10: augustus 1762. Samarang 237. Van Javas Oost Cust onder dato 10 augustus 1762: Samarang aan den wel Edelen gestrengen Groot Agtbaren Heer Willem, Hendrik van opfenberch Raad extra ord:r van Nederlands Jndia mitsg:s Gouverneur en directeur op en langs Javas Noord Oost Cust etc etc etc: Tijtel Hebbe d'eer uw wel Edele Gesta gr:t agtb: te communiceeren, dat den hofbode Radeen Cassra gisteren avond omtrent ƒ210. uuren de komst van den soesoehoenang kiram verwittigen, welk zo schielijk gevolg nam Dat ik nauwlijx mij konde aankleden of de vorjt kwam mij reets te gemoet, en verzogt mij, om den hals vallende, den zel:„ ven te helpen, waar op zijn Hoogheid mij te kennen gaf, dat van de Rlatoe wilde gescheijden zijn, om dat zij altoos naar haar genoe„ gen geleeft had, en schoon drie Ja vier galants had, en zij zulx ge„ ƒ passeerd had, hem dien avond had willen dwingen een vrouw, waar in hij zin had, met haar broeder kagot te laten maken, maar de vorst haar quade gedagten met een uijtstel tot morgen zoekende te ver„ zetten, vloog de Ratoe met een furie op, zeggende, ik wil hebben dat zij nog dezen avond zullen sterven, waarom de vorst kward wordende, in schein van haar hoogheid te zullen vergenoegen zijn houwer nam, en de Ratoe zoude om ver gestooten hebben, Zo.

NL-HaNA_1.04.02_3065_0250 view scan ↗

English

From Java's East Coast under date 10 August 1762 so as not to leave this to your Right Honourable Rigorous and the Prince of Madura, whereupon I sought by all possible means to calm the monarch, for when he came to me he could barely speak, and to advise him in the best manner against the separation and persuade him to settle this quarrel. But His Highness answered me that I should remain silent about that, that he absolutely wished to be separated from the Ratoe and would not go to the dalem before the Ratoe was out of it. He also immediately had the Raden Adipati and wedonos summoned, and ordered those gentlemen and me to go to the dalem, in order to transport the Ratoe from there to her mother the Ratoe Iboe by force if she would not go willingly, whereupon I went thither with the prime minister and wedonos and brought the Ratoe in a sedan chair to her mother. This having been done, the monarch returned to the dalem, immediately had the priests come there, and ordered them to go to the Ratoe with the prime minister and other regents and announce to her that she was divorced from the monarch. Furthermore, I have the honour to send your Right Honourable Rigorous the monarch's letter, in which His Highness requests your Right Honourable Rigorous to relieve him further of the Ratoe soon. Wherewith I have the honour very humbly to name myself, below stood, Title as before, was signed, Jan Carel Beuman, in 239 From Java's East Coast under date 10 August 1762 in the margin: Soerakarta the 8 August anno 1762. Translation of a Javanese missive written by the Susuhunan to the Right Honourable Rigorous Lord Willem Hendrik van Ossenberch, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies as well as Governor and Director of Java's North-East Coast, brought on 9 August 1762. Furthermore, I must inform brother that I can no longer live in peace with my wife the Ratoe Adi Adjong, for which reason I have separated from her, not doubting that brother will know the cause of this, as well as the commander. For this reason, I request that brother please send envoys to collect her, for longer delay would cause me more grief, and brother may upon her arrival deal with her as he sees fit, even if brother pleases to send her to Madura to my elder brother the Panembahan. End. Written at Soerakarta Adiningrat on Sunday the 17th of the month Suro the year 1688. Below stood: translated by J. Steenkool, translator. Under that: agrees, was signed: H. Runnik secretary. After the customary preface. Batavia. From Java's East Coast the 31 August 1762. Batavia. Having only received your Right Honourables secret missive of the 4th of this month on the 28th instant, this has made it impossible for me to execute your Right Honourables orders towards the end of this or the beginning of the other month. But since the importance of the matter nevertheless required a speedy and valid measure, I immediately dispatched the necessary orders everywhere to the east as well as the west upon receiving those letters, and most emphatically recommended to the respective chiefs of the outer offices that, in consideration of the precarious circumstances in which the Company's precious possessions on the island of Ceylon find themselves, as many natives as possible be recruited with the utmost speed, the effect of which will have to be awaited, trusting however that a noteworthy number will still be found, although the recruitments carried out for several consecutive years have reduced the people of this coast quite considerably, and will thus somewhat delay that work, for which, however, no means will be left untried. Meanwhile, I shall send over from here as soon as possible the required one hundred 241 From Java's East Coast the 31 August 1762 hundred European soldiers under the designation of reliefs, and likewise provide the requested 3 to 4 pantjallangs; having already obtained two of these, which makes me confident that the remainder will also be found. And since on the one hand this circumstance itself, and on the other hand the imminent arrival of the respective prime ministers, do not well permit me to leave home at this time, but require my presence in the highest degree, as the monarchs are quite particular regarding the ceremonial and honours rendered to their envoys, and in addition the weather, though somewhat better, is still unsettled and has rendered the roads unusable until now, I shall, in the hope of a favourable accommodation, postpone my journey to the Eastern Salient until the coming spring, and as soon as the weather and roads then permit. Concerning the wandering Wiradi Midja I have heard nothing since my humble dispatch of the 19th current, but have indeed received a friendly missive from the Panembahan of Madura, in reply to the note which I had the honour to mention in From Java's East Coast the 31 August 1762. in my respectful letters of the 18th instant, in which that prince requests that his sister, the former consort of the Susuhunan, might come over to him on Madura to live together with each other, and he will shortly send envoys to go and collect her from Soerakarta. Wherewith I remain with the greatest respect, below stood: customary title, was signed: Wil: Hen: van Ossenberch. In the margin: Semarang the 31 August 1762. Batavia.

Dutch transcription

Van Iawas Oost Cust onder dato 10. aug.:s 1762 zo zulx om uw wel Edele Gestr Groot agtb: en den Prins van Madura met gelaten had: waar op ik den vorst op alle mogelijke maniere tot bedaren zogt te brengen, want toen bij mij kwam nauwelijx spre„ ken kon, en de beste wyze van de scheiding af te raden, en tot bijleg„ ging dien strubbeling te persuadeeren, Maar zyn Hoogheed antwoorde mij dat ik daar van soude stil zwijgen, dat absolut van de ratoe wilde gescheiden zijn, en niet eerder naar den dalen gaan voor de ratoe daar uijt was, liet ook aanstonds den Radaen Adipattij en wedonos roepen, en ordonneerende die heeren en mij naar den dalm te gaan, om de Ratoe, zo met goedheid niet wilde, met geweld van daar naar haar moeder de Ratoe Jboe te transporteeren, waar op mij met den Ryxbestierder en wedonos derwaards begaf ende Ratoe in een Jolie naar haar moeder gebragt heb, welk verrigt zijnde, begaf den vorst zig weder naar den Dalm, liet de priesters aanstonds daar komen, en ordonneertende hen met den rijxbestierder en verdere regenten naar de Ratoe te gaan, en haar aan te zeggen dat van den vorst gescheiden was. Verder heb ik d' eer uw wel Edele gestr: groot agtb toe te zenden des vorsten brief, waer in zyn Hoogheid uwel Edele gestr: groot Achtb: verzoekt, hem, spoedig van de Ratoe verder te ont„ lasten Waar mede d'eer heb wij zeer nedrig te noemen /onderstond/ Titul als voren /was getekend/ I:n C:l Beuman in 239 Van Iavas oost Cust onder dato 10 augustus 1762 /in margine/ Souracarta den 8 augustus anno 1762. Translaat javaansche missive geschreven door den soejoehoenang Aan den wel Edelen groot agtb: heere Willem Hendrik van oppenberch raad Extra ordinair van Neder„ lands India mitsg:s gouverneur en directeur van Javas noord oost Cup aangebragt den 9. aug:s 1762. Voorts moet ik broeder bedeelen dat ik niet langer met min vrouw de Ratoe adi adjong in geruytheid leven kan, om welke reden ik van haar ben gesepareert, twijffelende niet of broeder zal d' oorzaak hier van wel weeten, als mede 't opperhoofd Hier om verzoeke, dat broeder zendelingen gelieft op te zeuden tot haar afhaal, want langer uijtstel zoude mij meer verdriet baaren, kunnende broeder bij haar verschijning na goedvinden met haar handelen, al gelieft broeder ook te zeiden na Madu„ ra aan mijn ouder broeder den Panumbahan: eijnde Gesz op souracaita admingaat op zondag den 17 van de maamd Joero t jaar 1688. /onderstond/ getranslateerd door I. Steekkool translateur. /daar onder:/ accordeert /:was getekend/ H. Run„ „nik socrs Na gewoone voorreden Batavia Van Javas Oost Cust den 31. augustus 1762. Batavin Op den 28. dezer mij pas geworden zijnde uw hoog Edelens secreete missive van den 4. derzelver maand, heeft mij zulx bun„ ten staat gestield, om uw hoog Edelens bevelen tegen het uijtaijnde van deze of t begin van d' andere maand ten uijtvoer te brengen, maar nademaal de aangelegentheid der zake egter een spoe„ dig en Valabel expedienr: vereijschte, hebde ik oogen blikkelijk na het ontfangen dier litteren alomme zo om de oost als west de nodige ordres gepacheerd, en de respective hoofden der bui„ ten Comptoiren op het nadrukkelijkste aanbeevoolen, om, uijt aanmerking der neselige omstandigheeden waar in zig s Comp:s dierbares bezittingen op het eyland Ceijlon bevinden 6 ten spoedigsten zo veel inlanders te werven als doenlijk is waar van het effect zal moeten werden afgewagt vertrouwen„ „de egter dat er nog wel een naamwaardig getal zal gevon„ den werden, schoon de wervingen eenige jaaren agter elkan„ deren geschied, het voer al vrij wat van deze Cust vermin„ dert hebben, en dus dat werk eenigzints zullen doen vertra gen, waar toe egter geen middel onbezogt zullen werden gelaten Inmiddels zal ik ten spoedigsten de gerequireerde aan als vooren hondert 241 Van Javas oost Cust den 31:' augustus 1762 hondert stuk Europeese Militairen van hier onder de naam van verlossers overzenden, en de geeijschte 3 â 4. Pantjallangs insgelijx bezorgen; waar van ik reeds twee bemagtigt hebbende, wij doet vertrouwen dat de resteerende ook wel zullen gevonden werden En nadien eensdals deze omstandigheid zelve en anderen deels d' op handen zijnde overkomst van de respective rijxbestierders mij niet wel permitteeren in deze tijd van huijs te gaan, maar myjne presentie ten hoog. pten vereijsschen, alzo de vorgten omtrend het Ceremoni„ eel en eerbewijzingen aan hunne afgezanten vrij wat zeeden zijn, en daar en boven het weer, schoon eenigsints beter egter nog onstandvastig, de wegen tot nog d my toe onbruijkbaar gemaakt heeft, zal ik in hoope van een gunstige inschicking mijne reize naar den oosthoek tot het aanstaande voor jaar, en zo dra dan het weer en de wegen zulx permitteeren, uijt stellen Van den zwervenden wierad Midja heb ik zedert mijnaa de depeche „ nedrige van den 19 Coutant niets vernomen maar wel een vriendelijke missive ontfangen van den Pammibahan van madura, in antwoord op de moyie, waar van ik d' eer had te mentioneeren bij . Van Javas oost Cust den 31 aug: s 1762. bij myjne eerbiedige letteren van den 18 dezer verzoeken„ de dien prins dat zijne zuster de geweze Gemalinees van den soejoehoenang bij hem op Madura mogte overkomen, om te zamen met elkanderen te leven, zullende eerstdaags zendelingen afzenden, om haan van souracarta te gaan afhalen Waarmede niet de meeste eerbied verblyven /onder„ stond:/ gewone tijtel / was getekend:/ Wil: Hen van opsenberch. /in margine /: Samarang den 31. aug. s 1762. Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3065_0255 view scan ↗

English

From Java's North East Coast, the 19th of September 1762. Batavia I have had the honor to receive your High Noble Lordships' highly venerated secret missive of the 24th ultimo, to which in respect I let serve as an answer that regarding the recommendation concerning the animosity between the Sultan and Pangerang Mancoenagara, I will strictly adhere to the high orders, and will try by all amicability to bring and keep his Highness in a better mood; as well as to divert the Susuhunan from too great a familiarity with Mancoenagara. However, concerning the marriage of the Emperor's daughter Radeen Aijoe Kadaton, I take the liberty to inform your High Noble Lordships that I was unexpectedly notified by a letter from the aforementioned Pangerang Mancoenagara that the same had been concluded with his son Radeen Maas Soera, and they were only waiting to consummate it after an auspicious day and month. Although I immediately ordered the Resident Benman to have that matrimonial bond suspended in the best manner, at least until I should be provided with further orders from your High Noble Lordships, I fear, however, that the expeditiousness of Mancoenagara will rather push it through as before. Therefore From Java's North East Coast, the 19th of September 1762. Therefore I shall indeed be forced to consent to that marriage, if I do not wish to see the same consummated without permission. I pray that your High Noble Lordships put the best construction on my liberty, which I take in declaring that I find no danger or difficulty in this marriage because, as is reported to me, the Sultan currently has set his sights for his son on the younger daughter of the Susuhunan, whom he will even request in the coming days, against which I am assured that the Susuhunan, instead of his rejected consort, will marry a daughter of the former Prime Minister Natacoesoema or Pangerang Joenoe, although previously betrothed to the Pangerang Adipattij Anom, the Sultan's son, which the Sultan has relinquished in favor of the Emperor. Concerning the recruiting of natives, I must state with regret that the Administrator Coertsz has informed me in his letters of the 5th of this month that he has made every extreme effort, and will still try to apply himself, but that he also had to inform with palpable sorrow that, the trouble taken thereto having been in vain, not the slightest success is to be expected, as he sees no chance of persuading a single man who will voluntarily enlist in the service of the Honorable Company. Thus also reads the answer from Rembang, Joana, From Java's North East Coast, the 19th of September 1762. Joana, Japara, and Pacalongang, and although the Tegal Resident De Man still gives me hope of providing thirty to 40 men, the number that this entire coast can deliver will be small, because I am unable to obtain more than forty men from all the campongs that I have had inspected, since due to the continuous recruitments over several consecutive years the campongs are empty, and the people run away at the slightest rumor. And using force can bring nothing but bad consequences, especially in this weighty juncture, which forbids all commotion here as well as elsewhere. For I find myself obliged to bring to your High Noble Lordships' knowledge that on the 10th of this month, very unexpectedly from the Panambahan of Madura as well as from the Administrator Coertsz, I received the fatal news that the regents of Cadirie and Wierazaba had crossed over to Sourabaija to make a jaunt to Madura; that the said regents, without using any disguised expressions, candidly declared the bad intentions of the princes against the Honorable Company, and that they assumed the theater of war would be opened with the coming Mulud, it being only a matter of waiting for Wierad Miedja, From Java's North East Coast, the 19th of September 1762. Miedja who, having first alarmed the coastlands, would further be assisted with the princes' troops. In support of this statement of theirs, they brought forth that they had already been summoned to court several times, but had turned down that expedition each time; that there were emissaries from the Sultan to Malang to summon the Prince Praboedjoko staying there, and to place him in possession of Cadirie and Wieradzaba; that when they were last at court, they were supposedly sounded out by Radeen Dipattij Mancoeprodjo to alarm the lower coastlands and to follow Wierad Mietsa; that the last battle in the Madiun region against Wierad Miedja had merely been a sham fight, and that not a single man had been wounded, much less killed; and finally, That Jaing, who together with Wielatiekta had submitted to the Emperor, and had been one of the most dangerous followers of Wieradmiedja, was appointed by that prince as regent over half of Blora. However unexpected and contrary to all circumstances that news was, I was

Dutch transcription

243 Van Iavas Oost Cust den 19 Septemb: 1762. Batavia Ik heb de een Gehad te recipieeren, uw hoog Edelheed:s zeer Gevenereerde secreeete missive vanden 24: pass:o waer op in eerbied ten antwoord late dienen dat ik omtrend het aenbevolene wegens de amimositeijt tusschen den sulthan & Pangerang Mancoena„ gara mij stiptelijk aende hooge beveelen zal houden, en door alle minnelijkheijt tragten sijn hoogheijt in beter luim tebrengen en te houden; zo mede den soesoehoenang vande al te groote familiriateijt met Mancoenagara te diver teeren. Edog betreffende het huwelijk van s kei„ zers dogte Radeen aijoe Kadaton, neme ik de vrijheijt uw hoog Edelens te bedeelen, dat ik ouver wagt door een brief van voorm: Pange„ rang Pancoenagara verstendigt wierd, dat het zelve Gesloten was met zijnen soon Radeen maas soera, en men alleen maer wagte om het te voltrekken na een gelukkigen dagen maend. — Alhoe wel ik den resident Benman aenstonds Gelast heb, om die egt verbintenisse op de beste wijze te doen opschorten, ten minsten tot dat ik met nadere ordres van uw hoog Edelheedens zoude Gemunieerd, zijn, vreese egter, dat de voort varentheijt van Mancoe nagara sulx eerder zal doen doordringen en aan als vooren dierhalven Van Javas Oost Cust den 19 Septbr 1762. dierhalven zal ik wel genoodzaakt sijn, dat huwelijk toe testemmen, zoo ik het zelve niet zonder toestemming wel zien voltrekken, Ik bidde dat uw hoog Edelens mijne vrijheijt ten besten duiden, die ik neme in te verklaren, dat ik in dese trouw geen Gevaer of zovarigheijd vinde om dat den sulthan mij berigt word, thans voor zijnen soon het oog te hebben laten vallen op den Jon„ ger dogter vanden soesoehoenang, die hij selfs eerst daags zal verzoeken, waer en tegen men mij verzekerd dat, den soesoehoenang instede van zijn verstote Gemalinne, zal trouwen met een dogter vanden voormaligen Rijks bestierder Natacolsoema of Pangerang Joenoe, schoon voor heen aan den Pangerang Adipattij Anom sulthans zoon verloofd, dats van welbie de sulthan ten faveure van den Keijzer heeft afstand Gedaen Betreffende het werven van Jnlanders moet ik met leet wezen betuijgen, dat de Ge zaghebber Coertsz: mij in sijn letteren vanden 5. deser berigt heeft, dat hij alle uijt terste pogingen heeft aengewend, en nog zal trag ten te appliceeren, doch dat hij teffens tot zijn sensibel leet weezen moest bedeelen, dat de moeite daer toe te vergeefs sijnde Ge„ weest, geen de minste succes te verwagten is, alzoo geen kans ziet een enkeld man te persuadeeren, die zig vrijwillig in dienst van d'E: Comp: zal laten aennemen. hven dus liid het antwoord van Rembang Joana 245. Van Iavas Oost Cust den 19: September 1762. Joana Iapara & Lacalongang, en schoon den Ta„ gals resident De Man mij nog hope Geeft om besorgen dertig a 40: man te zullen doen zal het Getal, dat dese Geheele kust kan uijt leveren, klein sijn, dewijl, ik buiten staat ben, om uit al de Campongs, die ik heb laten visiteeren, meer dan veertig man 'te bekomen dewijl door de Geduu„ rige wervingen sedert eenige Jaeren agter een de Canpongs ledig sijn, een het volk op 't minste Ge rugt verloopt. En Geweld te Gebruijken, kan niet anders als kwade Gevolgen na sig trek ken voornamelijk in dit tijds Gewugt, die alle bewegingen hier zo wel als elders „verbied. want ik vinde mij verpligt uw hoog Edelheedens ter kennisse te moeten brengen, dat ik op den 10: deser zeer onverwagt vanden Panambahan van Madura, so wel als vanden Gesaghebber Coertsz, die batale tijding kreeg, dat de regenten van Cadirie en Wera zaba tesourabaija waren overgekomen, tot het doen van een springtogtje naer madura dat Gemelde regenten, zonder eenige bedekte expressien te gebruijken, rondborstig declareerde der vorsten Kwade intentie tegens dE Comp: en dat zij vaststelden, het oorlogs toneel, met aenstaende Moelaet Geopend soude worden sijnde het wagten alleen na wierad Miedja Van Javas Oost Cust den 19 Septemb.:r 1762. Miedja die eerst destranden Geallarmeerd hebbende met den vorsten troupen verder soude Geadsisteerd werden. Tot staving van dit hun zeggen, bragten sij ter bende, dat sij reeds diverse reezen ten hove ontboden waren, doch dien optocht telkens afgeslagen hadden, Dat er zendelingen vanden sulthan naer Malang waeren omden aldaer sich op houdende Prins Praboedjoko op te roepen, en dien in het besit van Cadince & wierad zaba te stellen: dat zij toen laast ten hove waeren door Radeen dipattij Mancoeprodjo zoude Gezondeert sijn, onderstranden te al larmeeren en wierad mietsa nate volgen: „dat de laatste slag in het Madionse tegen wierad nied ja maer een spiegel Geoegt was Geweest, en dat den Geen een man Ge quetst veel min Gesneuveld was en einde lijk Dat Jaing, die met wielatiekta sig deze keizer had onderworpen, en een vande Ge vaerlijkste van wieradmiedjas aenkle„ ringen Geweest is, tot regeent over de helft van Blora door dien vorst was aengesteld. Hoe onverwagt en tegen alle omstandig heijt aanlopende die tijding ook was wierd ik - -

NL-HaNA_1.04.02_3065_0259 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 19th September 1762. I was exceedingly affected by the deplorable state into which the Company on Java would fall as a result of this, all the more so because these reports were sent to me both by a well-meaning Prince and by an old and credible minister, whom the experience of so many years here on Java should have made discerning enough; but after I had maturely considered everything, and had consulted with those in whom I could reasonably place my trust in this situation, I had to conclude that the rumor, although claiming every appearance of truth, was false and invented, while the causes and motives which the regents might have had to fabricate such things and to cause anxiety in the minds of all well-meaning persons remained concealed; for hearing on all sides nothing but good tidings of peace and quiet, not even where Wieradmiedja is hiding. Living in a friendly correspondence with the princes, who quite recently testified their affection to me in that manner, it seemed incomprehensible to me that if they harbored any evil intention against the Company in their hearts, nothing of this would leak out or come to the knowledge of the respective residents at the courts, whose foremost duty, after all, is From Java's East Coast, the 19th September 1762 to investigate and trace the designs of the princes in a secret manner. But after I had written as quickly as possible to the said residents and ordered them to conduct the most accurate inquiry into how matters actually stood and whence those rumors came, I was fully confirmed in my opinion that these were merely invented disseminated tales, and at the same time I discovered what prompted those regents to do so. For far from Pangerang Prabocdjoko having been summoned, he is still actually in the Malang district, even disputing with the brothers of the late Malang regent, Wiera Nagara, over the possession of that regency. The Regents of Cadirie and Wiera Zaba, on the contrary, having been ordered to march with Mancoejoedo against Wieradmiedja and defeat him, have refused this, and even refused to appear at court under the pretext of having to protect their lands. The Regent of Cadieri has even let his people rise up against those of the emperor, murdering or driving away the emperor's bandars who watched over the toll gates, which was pardoned him on account of his brother-in-law relationship with the Ratoe; but he, now fearing through the fall of the Ratoe September 1762. From Java's East Coast, the 19th Ratoe that his disobedience would not remain unpunished, has solely spread those rumors in order, possibly under this pretext, to obtain more Madurese and maintain himself by force in his regency against the Emperor. The battle in the Madion district against Wieradmiedja was indeed serious, Vandersluijs having himself seen 16 severed right ears of the slain. To Djanig, the regency of Blora has not been granted, for the old regent still has it, but indeed a village in that district has been assigned to him for as long as the troubles last in order to shelter his family, and he is still actually with the Emperor's army. I take the liberty to enclose herewith the documents concerning this matter, and also respectfully to communicate that I have given the Commander Coertsz the necessary elucidation on everything, with an earnest recommendation not to grant passage to any regents of the princes without my prior knowledge, and meanwhile to keep a watchful eye so that no Madurese secretly move to Cadinie or elsewhere in the uplands, for the avoidance and prevention of all troubles. The From Java's East Coast, the 19th September 1762. I have likewise politely thanked the Panambahan for his communication, but at the same time politely shed light on the matter, with the request to advise his brother-in-law Landjie to submit and obey his prince, the Emperor. This having been written thus far, Resident Beunecan communicates to me that Mancoejoedo, army commander of the Susuhunan, engaged in battle on the 15th instant at Caer in the Camoentjop district against Wieradmiedja, who was killed, his wife having fallen alive into the hands of the Emperor's troops, who are to convey her to Souracarta in the next few days. I do not doubt that this fortunate outcome will be very agreeable to Your Right Excellencies, all the more because this further shows the falsehood of the pretenses of the regents of Cadirie and Wiera Zaba and the good intentions of the prince. Wherewith concluding, I style myself with the greatest veneration, (underneath was written:) Your Right Excellencies' wholly obedient, humble and loyal servant, (was signed) Will: Hend: van Ossenberch. (in margin:) Samarang, the 19th September Anno 1762. Batavia

Dutch transcription

247 Van Iavas oost Cust den 19:' September 1762. ik ten uijttersten over de beklagers waerdige staat, daer de Comp:e op Java hier door ver„ vallen zoude, aengedaen temeer die berigten mij toegezonden wierden en door een wel„ meenend Prins, endoor een oud en Geloof„ waerdig minister, diende ondervin„ ding van zo veel Jaeren alhier op Java doorzigtig Genoeg had moeten maken, malr na dat ik alles rijpelijk overmogen, en met die geenen waerop ik mij indese Gesteld heijd met grond op vertrouwen konde Ge„ raadspleegt had, moest ik besluijten, dat het gerugt, schoon in alles schijn van waerheijt pretendeerde valschen verdigt was, blijvende egter verborgen de oorzaken ende beweegredenen die de regenten mogt hebben om sulx teffingeeren en de gemoederen van alle wel meenende in onge„ rustheijd tebrengen; want allekanten niets als goede tijdingen van rust en vreede hoorende, selfs niet waer wieradmiedja sich schuijl houd. Met de vorsten in een vriendelijke brief wisse„ since erste ling levende, die nog Jongst op de wijze mij hunne Genegentheijd betuijgden, kwam het mij onbegrijpelyjk voor, dat als sij een kwade intentie voor de Comp: in een boezem voldoer, hier van niets zoude uytlekken ofterken„ nisse komen, vande resp:e residenten aende hoven, wiers voornaemste pligt immers is op Van Javas Oost Cust den 19: Septemb:r 1762 op een secreete wijse der vorsten desseinen te onder„ soeken en na te gaen. Maer na dat ik des wegens Gem residenten ten spoedigsten geschreeven en Gelast had, op het nauwkeurigste enqueste te doen, hoe het tog met de zake Gelegen waere en waer die Ge rugten van dan kwamen ben ik ten vollen in mijn sentiment gesterkt dat het slegts uijt Gedagte spargementen waren, en heb teffens ont„ waerd wat die regenten daer toe bewogen, heeft. Want verre daer van doen, dat Pangerang Pra boedjoko opgeroepen zoude sijn, bevind hij zich nog wesentlijk in het Malangsche selfs twistende met de broeders vanden overleden na„ langs regent wiera Nagara, overt beesit van dat regentschap De Regenten van Cadirie & wiera Zaba inte„ gendeel Gelast sijnde met Mancoejoedo naer wierad nied ja te trekken en hem te verslaen, heb ben dit Geweijgerd, en selfs om ten hove te ver schijnen onder voorwendsel van hun landen te moeten beschermen. Die van Cadieri heeft sijn volk selfs tegen die vanden keizer laten opstaen, des keisers banders die op de tol poorten pasten vermoor„ den of wegjagen, 't geen hem uijt hoofde van sijn swagerschap met den Ratoe Gepardon neert is, doch bij nu door den val vande Ratoe 249 September 1762. Van Javas Oost Cust den 19: Batoe bevreest zijnde,/ dat zijne ongehoorsaem„ heijt met ongestraft zoude blijven, heeft eenlijk die Gerugten Gespargeert, om mogelijk onder dit pretext, meerder madureezen te bekomen, en sich met Geweld in sijn regentschap tegen den Keiser te mainctineeren. Deslag in het Madionsche tegens wien ad„ miedja is wel ernst Geweest; hebbende van dersluijs zelfs 16: afgesnede regten ooren van Gesneuvelde Gezien. Aan Djanig is met het regentschap van Blora, waat de oude regent heeft nog maer wel een negorij in dat district toegewezen zo lang de troubelen duuren om zijn familie te bergen en bevind nog werkelijk zich bij 't Keizers leger. Ik neme de vrijheijt hier nevens te leggen dedocumenten deze saek concerneerende, en teffens eerbiedig te communiceeren, dat ik den Gezaghebber Coertsz: van alles de nodige elucidatie Gegeven heb, met can„ stige recommandatie om geen regenten van de vorsten passagie te verleenen, als niet mijn voorkennisse, en middels een waek„ zaem oog te houden, ten eijnde en geen Ma„ dureesen en stilte naer Cadinie of elders in de boven landen trekken, ten vermijding en ontwijking van alle troubelen Den Van Javas Oost Cust den 19 Jber 1762. Den Panambahan heb ick mede vriendelijk voor sijn Communicatie bedankt, dog ook teffens beleefdelijk Ligt vande zaek Gegeven, met verzoek om sijn swager Landjie tot onder„ werping en Gehoorzaemheijt aan zijnen vorst den Keizers aen te raden Dese tot dus verre Geschreven zijnde, Communiceert mij de resident Beunean dat Mancoejoedo leger hoofd vanden soesoehoenang, op den 15. deser bij caer in het Camoentjopsche is slaags Ge„ weest tegen wierad miedja, de welke Gesneu„ veld is, sijnde sijn vrouw levendig in handen van 's keizers volk gekomen, die halr eerstdaegs naer souracarta staen over te brengen. Jk 't wijffele niet of dese Gelukkige uijt komst zal uw hoog Edelheedens seer aenge naeen sijn, te meer hier uijt nader blijkt de valsheit van het voorgeven der regenten van Cadirie en wiera zaba ende goede Gein„ tentioneerdheijt van den vorst Waer mede sluijtende mij met de meeste veneratie noemen (onderstond:) uw hoog hdelheed:s Gansch Gehoorzamen en onderda nige & trouwschuldigen Dienaar /was Getekent) Will: Hend: van ossenberch /in margine) Samarang den 19: septem„ ber Ao 1762.. Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3065_0263 view scan ↗

English

251. From Cheribon, 15 September 1762. Batavia To the same as before I have to inform Your High Nobilities herewith that out of all the Buginese I have not been able to keep together more than 32 common soldiers, the others having certainly all run away at the instigation of their Captain Assar, presumably to the Omlander lands. However, I have already given orders that all of that nation who stay there must be apprehended and brought here, at which time I request Your High Nobilities' orders to send them up to the capital for the Company's service. The said 32 common soldiers have agreed to enter the service of the Honorable Company, but being all runaway slaves from Batavia, they first desire Your High Nobilities' assurance that they will not be detained there by their owners, but will be sent home again after the end of the Ceylon troubles; in which case they have then promised to enlist, and on which I request Your High Nobilities' and Most Honorable prompt reply; for having no place here to keep these people, I fear that some of them might nevertheless absent themselves in the meantime, though they shall be watched as closely as is ever possible. Wherewith I take the liberty to call myself with the deepest respect underneath title as before /was signed:/ I: C: Hasselaar /in the margin/ Cheribon, 15 September 1762. Batavia From Banda, 4 September 1762. Batavia To the same as before Although the general decline in this province has caused so many troublesome occupations that in order to bring the most necessary matters somewhat back into order and to indemnify the Company to the utmost of its ability, no possibility has presented itself to gather from various letters and charters, so far as they are still to be found in the secretarial archives, the means serviceable to the further improvement of the Company's degraded interests in this important conquered province; yet I have nevertheless very gladly wished to spend the little time that remained on a highly obligated fulfillment of the humble promises to be read in the general advices now being sent over; and to that end a start is made here with the general state of the Perkeniers, about which complaints were already made in the year 1732, in the answered extract of the highly revered homeland missives of 15 September 1730 with this notable addition: that in case of a meager crop they were unable either to pay off the interest on the capital sums borrowed on their lands, or to maintain their slaves; the sad situation having subsequently been brought somewhat clearer to light by Banda letters of the months of June and September 1750, and repeated in the memorandum of the Honorable Mr. De Klerk under date of 3 June 1753, showing how they gradually fell so far behind that the arrears of interest in the early years could not be satisfied, let alone From Banda, 4 September 1762 let alone the highly necessary slaves purchased, as well as since that time in the well-considered radical description of 9 November 1756, dug up from antiquity, a historical narrative of all the root causes, inconveniences and calamities that have brought about the unfortunate state of the aforementioned country people, without them being able to arrive at any recovery through the gratifications and prerogatives flowed down from Your High Nobilities both before and afterwards; yes, what is more, the confusions and discords in the political government over the last three years have likewise had such a great influence on their deplorable circumstances, that it has become high time to put hands to work, partly to save these people, and partly to prevent the Company's interest intertwined therein from becoming irreparable through longer delay; as both the one and the other are clarified and proven as clear as the sun by the comparison of the burdens, profits, and losses in the last ten years, reading as follows: Memorandum of the monies of the Orphan Chamber, Diaconate, Church, and unknown orphans outstanding from 1752 to 1761: From the Orphan Chamber 1752. -. Rds 147905. — 1753 - - 147005. – 1754 - - - 146001. – 1755. . . 144843. – 1756. - - - 145938. – 1757 - - - 144938 – 1758. - - - 143938. – 1759. . - - 145838 – 1760. - - - 145339 – 1761 . . . 144888. — 1457233 – – Carried forward Rds 1457233. — – From Banda, 4 September 1762 Brought forward Rds 1457233: — From the Diaconate Poor 1752 - -. Rds 49483 — 1753 - - - 51475 — 1754 - - - 51891 – 1755. . . . 51058 – - 1756 - - - - 52675 – 1757 - - . 53541. – 1758 - - - - 53041 — 1759 - - - - 52566 — 1760 . . . 54080. – – 1761. . . . . 52196. – - 522006 - - From the unknown orphans 1752 - - - 40100 – — 1753 - - - 40100 – – 1754 - - - 40100 – – 1755 - - - 40100 – – 1756 - - - - 40100 – – 1757 - - - 40100 – – 1758 - - - 40100 – – 1759 - - - 40100 – – 1760 - - - 40100 — – 1761. - - - 40100 – – 401000 – From the Neijra church 1752 - - - 12394 — – 1753 - - - 13130 – – 1754. - - 13649 – – 1755. . - - 10578 – – 1756 - - - 12320 — – 1757 - - - 12820 – – 1758 - - - 14020. – – 1759 - - - 14020 – – 1760 - - - 14020 – – 1761 - - - 14020 – – 130963 – Carrying forward the sum of Rds 2511202 — –

Dutch transcription

251. Van Cheribon den 15. September 1762. Batavia aan als vooren Hebbe d' en uw hoog Edelheedens bij dezen te communiceren, diat van alle de boegineesen niet meer als 32 gemeene hebbe kunnen bij den anderen houden, zijnde de overigen zekerlijk door op hitsing van hun Capitain Assar :/ alle weggelopen, presuutieff na de Onlanger landen, dog waar toe reets ordre gesteld hebbe, dat alle welke zig van die natie aldaar onthouden moeten opgevat en herwaarts gebragt worden, wanneer uw hoog Edelhedens ordres verzoeke om dezelve na de hoofdplaats tot 'sComp:s dienst op te zouden Gemelde 32. gemeene hebben aangenomden zig in soldij van d: E: Comp: te begeven, dog alle gedrogte slaaven van Batavia zijnde, begeeren eerst uw Hoog Edelheedens toezegging, dat zij door hunne„ lijfhearen aldaar niet zullen aangehouden, maar na het aijndi„ gen van de Ceijlonse onlusten weder thuijsvaarts bezorgt worden; in welken gevallen zij als dan belooft hebben zig te zullen laten aanneemen, en waar op uw hoog Edelens groot agtb: spoedig antwoord verzoeke; dewijl geen plaats alhier hebbende over dat volkyje te bewaren, bedugt den, dat zig egter eenige van hun intusschen zullen absenteeren, zullende nogtans hun zo nam gade laten slaan, als immers mogelijk is Waar mede de vryheid neme mij met de diepste Eerbied te noemen onderstond tytel als voren /was getekend:/ I: C: Hasse„ laar /in margine / Cheribon den 15. September 1762. Batavia Van Banda den 4. September 1762. Batavia aan als vooren Alhoewel het generale verval indeze provintie zo veele verduic„ tige bezigheeden verwekt heeft, dat zer om het noodwendigste weder eenigsints in ordre te brengen ende maatschappij na uijtterste ver„ geexsteerd mogen schadeloos te stellen, geene mogelykheid geriffeerd heeft uijt verscheide brieven en Chartres, zo verre die nog bij de secretariaale archi„ tes te vinden zijn, te colligeeren de middelen dienstig tot meerdere melioratie van sComps Gedevaliseerde belangens in dit important wingewest iso heb ik egter de nog overgeschotene weijnige tijd seer gaarn willen besteeden, tot een hoog verschuldigde nakoming der in de thans overgaande gemeene advijsen te lesene nedrige promessis; en tot dien eijnde werd hier een begin gemaakt met d' algemeene staat der Perkeniers, waar over bereeds in den jare d 1732 geklaagd is, in het b'antwoorde extract hoog gevenereerde patriase missivers van 15. 7ber: 1730 met deze notabele bij„ voeging: dat zij lieden bij een schaaal gewas onmagtig waren nog d' intressen der op hare landerijen beleende Capi„„ talen af te leggen, nog haere slaven te onderhouden, zijnde na„ ggen derhand bi bandase brieven van der maanden Junij en 7ber: 1750. den droevige toestand wat klaarder in 't ligt gesteld en bij de memorie van den Edelen heer De klerk sub 3 Junij 1753 gerepeteerd, hoe ze algaande weg zodanig veragterden, dat d' agterstallige renten in d' eerste jaren niet konden voldaan, laatstaan Van Banda den 4 september 1762 laatstaan de hoog benodigde slaven ingekogt werden, mitsg:s na die tijd in de doorwaogt radicale beschrijving van den 9: 9ber 1756. uijt d'oudhee„ der opgedolven, eenr historisch verhaal van alle de grond oorzaken, inconve„ menten en de Calamiteijten die den ongelukkigen staat van meer gem: landlieden hebben bewerkt, zouder dat ze, door de van haar hoog Edelheeds, en bevoorens en naderhand, afgevloeide douceurs en de prarogaliks tot eenig verhaal hebben konnen gevaren; Ja wat meer is de wer„ waaringen en d' oneenigheeden in het politicque bestier zedert de laatsten drie jaaren hebben op haar beklagens waardige omstandig„ heeden van 's gelyken zulken groten invloed gehad, dat het hoogtijd geworden is, de handen aan het werk te slaan, deels om dezen wenschen te redden, en deels om het daar onder gemengde in„ tereste van de maatschappije door een langere uijtstel niet irrestaurabel te maken; gelijk het een zo wel als het andere opgeheldert en sonnen klaar bewezen werd, door de vergelijking dir lasten, wunjten en verliezen in de tien laatste jaren luijdende als volgt Notitie van de gelden van de Weeskamer Diaconij, kerk en onbe„ kende wezen zedert 1752. tot 1761. uijt gestaan hebbende: van de weeskamer 1752. -. Rd„s 147905. — 1753 - - „ 147005. – 1754 - - - „ 146001. – 1755. . . „ 144843. – 1756. - - - „ 145938. – 1757 - - - „ 144938 – 1758. - - - „ 143938. – 1759. . - - „ 145838 – 1760. - - - „ 145339 – 1761 . . . „ 144888. — 1457233 – – Transporteere Rd„s 1457233. — – Van Banda den 4. September 1762 P„r Transport Rd„s 1457233: — Van de Diaconij armen as 1752 - -. rd„s 49483 — 1753 - - - „ 51475 — 1754 - - - „ 51891 – 1755. . . . „ 51058 – - 1756 - - - - „ 52675 – 1757 - - . „ 53541. – 1758 - - - - „ 53041 — 1759 - - - - „ 52566 — — 1760 . . . „ 54080. – – 1761. . . . . „ 52196. – - 522006 - - Van d' onbekende weezen 1752 - - - „ 40100 – — 1753 - - - „ 40100 – – 1754 - - - „ 40100 – – 1755 - - - „ 40100 – – 1756 - - - - „ 40100 – – 1757 - - - „ 40100 – – 1758 - - - „ 40100 – – 1759 - - - „ 40100 – – 1760„ - - - „ 40100 — – 1761. - - - „ 40100 – – 401000 – 1752 - - - „ 12394 — – 1753 - - - „ 13130 – – 1754. - - „ 13649 – – 1755. . - - „ 1057.8 – – 1756 - - - „ 12320 — – 1757 - - - „ 12820 – – 1758 - - - „ 14020. – – 1759 - - - „ 14020 – – 1760 - - - „ 14020 – – 1761 - - - „ 14020 – – 130963 – as Transporteeren de somma van rd„s 251 1202 — – Van de Neijrase kerk — —

NL-HaNA_1.04.02_3065_0267 view scan ↗

English

255 From Banda, the 4th of September 1762 Brought forward from which must be deducted 9000 rixdollars that were outstanding on the goods of the Company's servants and other inhabitants, amounting for ten years to - - - - - - - 90000 rixdollars And consequently there still remains for the park-keepers 2421242 rixdollars which, being divided over the cited ten years, comes to roughly 242120 rixdollars the interest to be calculated on this at 5 percent per year amounts to 12106 rixdollars being - - - - - 581088 guilders The park slaves in the last ten years have consisted of the following, on Neira Lontor Pulo Ai together 1752 - - - - 280 heads 2029 heads 419 heads 2728 1753 - - - - 278 2080 419 2777 1754 - - - - 292 1988 386 2666 1755 - - - - 270 1791 372 2433 1756 - - - - 242 1798 381 2421 1757 - - - - 256 1731 360 2347 1758 - - - - 250 1639 319 2208 1759 - - - - 277 1706 351 2334 1760 - - - - 283 1802 404 2489 1761 - - - - 306 1792 450 2548 Together heads 25351 Of which 1/10 2535 This number of slaves at 30 lb of rice each per month requires in a year 304 lasts ample, which calculated at 30 rixdollars totals - 9120 rixdollars Furthermore clothing and other sustenance for those 2535 heads at 2½ rixdollars each per year makes altogether - - - 6337 rixdollars ample And then the maintenance of the nutmeg curing houses, orembais, prahus, paddles, etc. for 59 park-keepers at 40 rixdollars each, thus for all in one year, amounts per annum to - - - - - - 2360 rixdollars 2511202 rixdollars 29923 guilders being over the - - - 71815 guilders From Banda, the 4th of September 1762 If one looks on the other side at the delivery of nutmeg and mace in the aforesaid years, and which consisted of Nutmeg Mace lb guilders lb guilders 1752 615778 25704.2 202375 84469 1753 1035375 43215.13 230765 96528.5 1754 687560 28718.18 197157 82291.18 1755 753200 27601.19 113805 46900.18 1756 656041 25425.2 137710 67550.12 1757 729688 27910.13 160395 64842.19 1758 728526 28318.7 150195 61714.9 1759 656891 25645.8 190660 78158.12 1760 1127574 44108.19 141560 60738.16 1761 901233 35162 21495 88358.13 lb 7890866 308811.1 lb 1738817 731553.3 deducted 7 percent 52497.17 deducted 10 percent 73155.6 remains 256313.4 remains 658397.17 with 256313.4 Together 914711.1 it appears from this summary that the park-keepers annually enjoyed for their spices - - - - 91471 guilders Brought forward 71815 guilders Which, compared to the specified interest, slaves, maintenance, and other expenses, appears at this first glance to leave a favorable surplus of - - - 19656 guilders Which, however, is immediately and entirely absorbed by the loss of slaves in the following manner: Deceased slaves Neira Lontor Pulo Ai together 1752 32 heads 113 heads 21 heads 166 heads 1753 31 145 23 199 1754 21 130 32 183 1755 17 100 27 144 1756 31 161 46 238 1757 40 211 62 313 1758 30 115 19 164 1759 22 147 17 186 1760 9 105 16 130 1761 21 133 32 186 254 1360 295 1909 Carried forward - - - - - 19656 guilders 257 From Banda, the 4th of September 1762 Brought forward 324192 guilders For these slaves, calculated on average at 30 rixdollars, amount to 57270 rixdollars together, and converted into guilders, a considerable capital of 137448 guilders, so that the park-keepers, far from prospering by 19656 guilders, have on the contrary lost over and above that 117792 guilders. If one furthermore considers the maintenance and livelihood of the park-keepers with their children, family, and slaves not belonging to the parks, calculated for each household at 400 rixdollars per annum, being in ten years 236000 rixdollars, and converted into guilders, 566400 guilders, there appears a considerable difference to the bad of 684198 guilders. Which deterioration they would have to offset with the revenue from canarium oil, sagoweer, lime-burning, fishing, and other consumable tree fruits, which across the entire Banda islands at most amount to 15000 rixdollars in a year, being for all in 10 years 150000 rixdollars, or 360000 guilders. Therefore a deficit of - - - - - - - - 324192 guilders without even detailing that there have been years in which they had to buy the last of rice at 60, 80, and shortly before the arrival of the humble undersigned, up to 120 rixdollars. What prospect is there then for these people to remain standing any longer, since, besides their share in the general disasters, they must watch with open eyes everything falling from bad to worse through an evident incapacity to carry out the repairs on the principal dwellings, and because they are so mutually entangled through reciprocal suretyships that there are not three among them who can boast of possessing a modest capital in unencumbered ownership. Add to this the great lack of slaves, whereby it is by no means surprising that many precious spices rot under the trees and are trampled upon, and also that in the most recent year, through heavy squalls, they lost 150 shade trees, with the destruction of 856 fruit-bearing ones, in place of which 6703 young ones have indeed been replanted, but which after the first 10 years will scarcely yield fruit; lastly, that from all these disadvantageous

Dutch transcription

255 Van Banda den 4 September 1762 Pr Transport Os hier van moeten afgaan rd:s 9000. die op de goederen van Com„ pagnies Dienaren en andere ingesetenen hebben uijtgestaan, makende voor tien Jaaren - - - - En gevolgelyk blyft nog voor de perkeniers dewelke op d' aangehaalde tien Jaaren verdeelt komen te den hier op te berekene intrest tegens 5 percent in 't jaar komt te monteeren - - - rd„ De perkslaaven hebben in de Laatste tien jaaren bestaan, als volgt, op Negra Louthoir P:oaij te zamen 2029 Cop: 419 kopp: 2728. 278 „ 2080 „ 419 „ 2777. 292 „ 1988 „ 2666 386 „ 270 „ 1791. „ 372„ 2433. 242 „ 2821 1798 381 „ 2347 360 „ 256 „ 1731 „ 250 „ 1639 „ 319 „ 2208 277 „ 1706 „ 351 „ 2334 283 „ 1802 „ 404 „ 2489 - - Te zamen koppen. 25351. Waar van 1/10. -. - . 2535. Dit getal slaven â ijder 30. lb. rijst 'smaands benodigin in een Jaar 304. lasten ruijm, de welke gerekeend â rd:s 30. Sommeeren - „ 9120. – – Voorts aankleding en andere buijtvoedzel voor die 2535. koppen a 2½ rd:s yder sjaar maakt met elkanderen - - - „ En dan het onderhoud van de nooten Combuijsen Orembaijs, praauwen, pa gaaijen etc voor 59. perkeniers a 40 r:s ijder, dus voor alle in een jaar, belopen per annum - - - - - - Zinde - - - - - ƒ: 581088 — — 1752 - - - - pp„s 280 kopp 1761 - - - - „ 306 „ 1792 „ 450 „ 2548. 1760 - - - - „ 1750 - - - - „ 1759 - - - „ 1757 - - - - „ 1756 - - - - „ 1755 - - - - „ 12106 — — . „ 242120. ruijn „ 2421242 - - - „ - 90000. — b rd s 2511202. — 6337. ruijm 2560. —. —. 29923 zijnde over de - 71815. - - 1753 - - - - „ 1754 - - - - „ - - - „ ƒ Van 175½ 175 2/3 17567 1757/8 1754 /5 175 5/6 1758/9 175¾ 759 160 1753 1758 1754 1756 1757 1759 1755 1760 1761 Nooten lb 615778 ƒ 25704. 2. - lb 202375 ƒ 84469 „– 1035375 „ 43215. 13 —„ 230765 „ 96528 5 – 687560 „ 28718 18 – „ 197157 „ 82291. 18 – 753200 „ 27601 19 - „ 113805 „ 46900. 18 – 656041 „ 25425 2 - „ 137710 „ 67550. 12 – „ 729688 „ 279. 10 13 160395 „ 64842. 19- „ 728526 „ 28318 7 - „ 150195 „ 61714. 9 - „ 656891 „ 25645 8 - „ 190660 „ 78158. 12 – „ 1127574 „ 44108. 19 - „ 141560. „ 607 38. 16 – „ 901233 „ 35162. — – „ 21495. „ 88358 13. – lb. 7890866 ƒ 308811: 1:– lb 1738817 ƒ:731553: 3 — afgetroken 7 pr 52497:17 — afgetrokken 10. p.r c.t 73155: 6- resteert ƒ 658397 17 — ƒ: 256313 4 — bij ƒ: 2563134.- Tezamen ƒ: 914711 1 — den blykt uijt deze samentrecking dat de perkeniers jaarlyx voor haar specerijen genoten hebben - - - - — De welke vergeleeken tegens de gespecificeerde interessen, slaven, onderhoud en andere ongelden schynt in dit eerste opslag over te schieten een voordeelige meerderheid van - — Die egter ten eersten en geheelijk g'absorbeert werden, door 't ver„ lier van slaven in manier als volgt- Overledene slaven louthoir P:o Hij te zamen koppen 32. kopp: 113 kop. . 21. kopp. 166. 31 „ 145 „ 23 „ 199. „ 130 „ 32 „ 183. „ 100 „ 27 „ 144. 17 „ 161 „ 46 „ 238. 40 „ 211 „ 62 „ 313. 30 „ 115 „ 19 164. 22 „ 147 „ 17 186. 9 „ 105 „ 16 130. 186. 21. „ 133 „ 32 1360 „ 295 1909 Neijra 31 21 „ „ „ „ „ „ 254 Transporteere - - - - - ƒ 19656 - 91471 –. Foelij P r Transport ƒ 71815— Liet men nu aan d' andere zyde op de leverentie van nooten en foelij in de voorsz: jaren, en die bestaan hebben Banda den 4 September 1762. 1752 ƒ 19656. - . - 176/ „ „ „ - -. . - 257. Banda den 4:' September 1762 Van 324192 – Pr Transport ƒ Want deze slaven door malkanderen gerekend op rd:s 30. beloopen rd: 57270. — te zamen en gereduceert tot guldens, een aansienlijk capitaal van 137448. — — zo dat de perkeniers verre van ƒ:19656. te prospereeren, integendeel boven dien nog verloren hebben - - - - - - - - Als men nu verders het onderhoud en bestaan van de perkeniers met hare kinderen familie en slaven, tot de perken niet gehorende, voor ilk huijs houden gerekent 400 - ad:s per annum zijnde in tien jaren, rd:s 236000. en bij reductie tot guldens. . . . . vertoond zig een considerabel verschil ten quaden van - ƒ: Welke veragtering sij lieden zouden moeten stoppen, met het provinue van Canarij olij, saguweer, kalkbranden, visschen en andere consumplibele boomvrugten, die immers over de geheele Ma„ sca op zijn uitterste rd:s 15000 — in het jaar belopen, zijnde voor Ergo een agter uijt teering van - - - - - - - - „ alle in 10. Jaren 150000. rd s of te - - - - - - - - - „ 360'000. — zonder eens breedvoerig aan te wijzen, dat 'er jaren geweest zijn, in dewelke zij lieden het last rijst tegens 60. 80 „. kort voor de komst van den nedrigen tekenaar tot 120. rd:s hebben moeten in koopen. Wat apprrentie dan voor deze menschen, om langer staande te blijven, daar se buijten hun aandeel in de algemeene desasters, met goede oo„ gen moeten aanschouwen, alles van quaad tot iager te vervallen, door een evident onvermogen, tot de te doene reparatie aan de Capitale wooningen, en door de onderlinge borgtogten in en door malkanderen, teffens zodanig aan een gephakelt wezende, dat 'ter geen drie onder„ hoop ben zijn, die roemen konnen een matige Capitaaltje in vrije eijgendom te bezitten Men voege hier bij het groot gebrek aan slaven, waar door het geensints te verwonderen staat, dat veele kostelijke spece„ rijen onder de boomen verrotten, en vertrapt worden, teffens ook dat z' in het jongste jaar door zware ruk-werden 150. schut — boomen verlooren hebben, met verdelging van 856, vrugt dra„ gende, in welkers plaats wel 6703„ Jonge weder aangeplant zijnde, maar die egter na d' eerste 10: Jaaren naauwlijx vrugten zullen voortbrengen; laatstelyk nog dat uijt alle deze desavante 566400 – 684198 ƒ: 117792— 19656. — „gieuse — — 965

NL-HaNA_1.04.02_3065_0270 view scan ↗

English

Banda, the 4th of September 1762 Jan these cases and deteriorations, the mortgaged capital sums far exceed the present intrinsic value of the spice lands, and that therefore, as the Noble Lord De Klerk has argued very soundly, a perkenier must be considered the most unfortunate colonist in the world. Permit me, Most Noble Sirs, also to cite both the partial provisions furnished by these impoverished, listless, and dejected countrymen for Doondorff and various other unfaithful Company servants, and the rascalities committed regarding withheld half-spice monies of those who had to rely on the supposed honesty of the former residents; indeed, with all humility, I request permission, by virtue of the ocular inspection of the parks on Neijra, the highlands of Lonthoir, and the entire inner coast, to urge with great earnestness the necessity of a speedy and formidable relief; however desirable it would have been if the means for this had already been devised and proposed some years ago according to the recommendation of the said His Honour; for had this occurred, it would not now be necessary to inform Your Right Noblenesses that many are already quite malcontent, that on occurring occasions they dare to reason very boldly about the ruin of their parks, that some venture to state that they should be allowed to use a portion of the park slaves for other services in order not to perish of hunger and distress, and that there are those found who, on account of the low prices of those precious products, deliberately neglect their harvesting, saying that they cannot fall into a worse condition than they are in now through the demonstrated general deterioration. A matter of so much consideration and importance makes me all the more perplexed, since, coming down to the preservation of the entire province, and consequently at the same time to the declared great interests of the general Company, the principal and most efficacious expedient was already refused in the year 1750, 259 From Banda, the 4th of September 1762. refused, and further declined by the highly venerated letters from the fatherland of 27 September 1751 and 29 September 1752, and I refer to the increase in the prices of spices; and for that reason I also have not dared to give direct entrance to the practically universal requested intercession on this weighty point, although people wished to convince me in the most evident manner that this is the only means to be preserved from an impending total ruin. I say total, for the calculated and even conscientious estimate submitted of a necessary principal sum of 40,000 rixdollars to restore the dilapidated dwellings and other matters to a complete state, together with the demand for 619 slaves, of which 71 for Poelo Aij 138 for Neijra 85 for orien 118 for Bandaje 207 for Waijer and Louthoir, which at 30 rixdollars each amount to a sum of 18,570 rixdollars, and thus together run to 58,570 rixdollars or 140,568 guilders, shows the general distress and embarrassment in the clearest light, and this also demonstrates all the more that the deeper these matters are probed, the more dangerous they appear to the sight, and consequently the relief is all the more necessary; but how this latter is to be understood is a point of singular difficulty, since one must take care not to cause the Company any greater prejudice than Her Honours have already suffered through the favors granted since the year 1750, and yet it is from the Company itself that, in these dreadful circumstances, succour must be requested and awaited. It would truly go too far to attempt now to reopen the question of the repeatedly rejected price increases, of the nutmegs in particular, and on that ground it is also not advisable to adduce many reasons to substantiate the general petition to have the pound calculated henceforth at 2 stivers and 1/35 penning, whereof 7/35 penning for the Company and 2 stivers for the perkeniers, even though the latter would then, to all appearances, be restored within a few years and the

Dutch transcription

0 Banda den 4:' September 1762 Jan giense gevallen en veragteringen de beleende Capitalen de tegen woordige intrinsigne waarde der specerij landen verre surpasseeren, en dat overzulx door den Edelen heer de klerk zeer fonda„ menteel g'argumenteert is, een perkenier voor d' ongelukkigste Colonier des werelds te moeten gehouden worden. Permitteerd mij hoog Edele Heeren almede aanhaling te mogen doen zo van de door deze armoedige lustelost en neerslagtige land„ lieden, gepresteerde gedieltelijk fournissementen voor Doondorff en verscheide andere irfidelle Comp: dienaren, als van de uijt gevoerde fielterijen, omtrend ingehoudene halve specerij gelden der gener, die haar op de vermeende eerlykheid der voormalige residenten heb„ ben moeten verlaten; Ja ik verzoek met alle nedrigheid verhof, ter zake van de acceppoire ocutaire beschouwinge, der perken op Neijra„ Lonthoirs hogeland, en de gantsche binnen Cust, de noodzakelijk„ „heid tot een spoedig en formidabel ontzet met veel empressement te mogen voordragen; hoe wenschelijk het ook geweept hadde, dat de middelen daar toe na de recommandatie van gem: zijn Edele al voor eenige jaren uijtgedagt en geproponeert waren geworden; want dit ge schied wezende, zoude het nu niet nodig zijn uw hoog Edelheedens te verwittigen, dat veele al vry mal contant zijn, dat se bij voorko„ mende gelegentheden over het verval haren perken zeer vrijmoedig durven redeneeren; dat zomeige haar wel mogen uijtlaten, een ge„ moeten deelt der perken slaven tot andere diensten te mogen gebruijken om niet van honger en kommnen te vergaan, en datter gevonden werden, die wegens de lage prijzen van die dierbare producten der zelver inzaam voor bedagtelijk verwaarlozen, zeggende van gen ergere Conditie te konnen worden, als zy lieden door de gedemonistreerde generale veragtering tans zijn — Een zake van zo veel Consideratie ende aangelegentheid maakt mij des te verlegenen, na demalen het hier aankomende op de be„ houdenisse der gantsche Provinties, en gevolglijk met een op de g'inclareerde grote belangens der generale maatschappij, het voornaamte en officacienste expedient al in den jare 1750 onzegt 259 Van Banda den 4:' september 1762. ontzegt, en by hoog gevenereerde patriase brieven van 27. 7ber. 1751. en 29. 7ber: 1752. nader gedeclineert, en ik, doele op de verhoging der prijzen der specerijen, en uijt dien hoofde heb ik dan ook geen direct ingres duwven geven, aan de genoegzame algemeene verzogte inter„ cossie op dit gewegtige poinct, of schoon men mij op de evidentste manier heeft willen overtuijgen, zulx te wezen het eenigste middel e om van een voor de deur zijnde totalen ondergang barijd te blijven—. Ik zegge totaal, want d' opgegevene calculative en zelfs gemoedelyke opgave, eener benodigde Capitale somma van rd:s 40000 - om de bouwvallige wooningen als andersints in een volkomen staat te herstellen, benevens den Eijsch van 619. slaven daar af 71 voor Poelo aij „ waijer „ Louthoir, die tegens rd. s 30. ijder een montant van rd:s 18570. en dus te zamen rd. s 58570. ofte ƒ:140568. belopen, geveufde algemeene nood ende verlegentheid ten klaarsten te kennen, en dit doet dan ook nog al nader zien, dat hoe dieper de raken na gevorscht werden, hoe dangereusere dezelve van aanschouw zijn, en conjequente lijk het aedresse des te noodzakelyken; maar hoedanig dit laaste te begripen, is een poinct van zonderlinge bedenkelijkheid, dewijl wen behoord t' overleggen om de Comp. geene groter prejuditie toe te brengen, als haar Ed: door de sedert den jare 1750. ver„ leende gunst bewijzingen, bereets heeft geleden, en evenwel is het de Comp e zelve van ween in deze akelige omstandigheeden accours molt verzogt en afgewagt werden. Het zoude voorware te verre gaan, thans weder te willen tornen aan d'iteratives keeren afgeslagene verhoginge der prijzen, van de noten in het bijzondere, en op dien grond is het ook niet raadzaam, vele redenen bij te brengen tot staving der algemeene supplicatie, omme het pond voortaan te doen bereke„ „nen tegens 2. stxers 1/35. penn: daar van 7/35. penn: voor de Comp: en 2 stx: voor de perkeniers, of schoon de laatste „ dan na alle apparentie binnen weinige jaren zoude herstelt zijn en de 138 „ „ Neijra 85 „ „ orien Bandaje 118 „ 207 „

NL-HaNA_1.04.02_3065_0272 view scan ↗

English

From Banda, 4 September 1762 the Banda account would be doubly benefited, on the one hand by the increased revenues of the land, and on the other hand because of the greater turnover of merchandise, for the poorer a country is, the less trade succeeds. Since it nevertheless remains a riddle in what manner to promote the reduction, I would much rather incline toward this proposal: to assist the indigent perk-owners with a capital of 50000 rixdollars from the funds of the unknown orphans, without interest; and the first year having expired, then to have 8 per cent paid off annually in reduction of the capital. This being settled, it would first have to be spent by them on the purchase of slaves, whom the Company should provide where possible, and at the same time as much timber from Java as could be loaded in the ships destined for this place, in order to let both serve for the convenience of the perk-owners against fair profits, and in this manner remove all objections regarding their absence. Subsequently, in the reports of the annual perk inspections, it must be distinctly cited how far they have progressed with the principal repairs, and how many slaves they have purchased for the improvement of the perks. Indeed, in this manner the burden of that relief for the Company would turn out light, and gradually lift the aforesaid country people out of the pressing circumstances in which they are currently submerged up to their ears; provided that they remain forbidden from keeping large vessels for trade, in order the better to look after the lands, the latter in accordance with the fundamental remarks of the Right Honourable Gentlemen Seventeen on the harmful burgher shipping, by honored missives of 4 October 1756; besides that on this footing one would be able somewhat more easily to restrain the bold underhand practices in the Company's rice and cloth trade. In the second place, I had intended to wait upon your High Nobilities with my humble considerations regarding the Banda 261 From Banda, 4 September 1762. ƒ 5235:15 — ƒ: amounting according to this statement the annual burdens as follows 16965:15 — ƒ: 177014: 9 174774. 16. 8 154654 5 — 163512 1 — 176542 16 - ƒ188405. 9 178845:18:8 172015 13. 8. 201764: 9. — Banda state account, and if possible to direct it thither, so that the repeatedly expressed displeasure over the increase of burdens and the diminution of profits might finally cease, through a resolute effort to bring the same as near as feasible to the memorandum of retrenchment, and at its utmost not to surpass the ƒ 166000 established by radical description, as well as granted in the Fatherland on 10 October 1758; and with that view I make bold to submit a specification of the combined charges and expenditures of the last ten years, comprising in terms of: garrison pay | ordinary garrison expenses | extraordinary garrison expenses | expenses of chaloups | carpentry and repair | fortification | ship's pay | ship's expenses | native pay | native servants' monthly wages | hospital expenses | slave expenses | condemnation account 1751/2: ƒ 109845 6 — | ƒ 38210. 4 8 | ƒ 14607. 14 — | 5902. 19. 8 | ƒ 6297 7 8 | ƒ 900. 3 8 | ƒ 2632 18 – | ƒ 770 13 – | - - - | – – – – — | 1947. 10. 8. | ƒ 2965. 16 — | ƒ 1557. 2. 8 | ƒ 2773 14 — 1752/3: „ 92837 7 – | „ 35401 3 8 | „ 16144. 2. 8 | 3688. 1 8 | 3974 6 8 | 851 9 – | 3198 14 – | 3851. 4 - | - - - - | - - - - | 4037 6 8 | 4071 8 – 1753/4: „ 97771 13 – | „ 36584 6 8 | „ 14090. 4 - | 8374. 14 - | 4472 1 8 | 1013 3 8 | 2306 8 - | 2825. 10 – | -. – – – – | — – – | 1600. 19 8 | 3782. 18 8 1754/5: „ 92554 9. — | „ 34978 5 — | „ 14644. 10 8 | „ 4999. 15. – | 7229. 4 - | 917. 17 – | 4166 7 8 | 4654. 6 – | . . 72 – - | — — — 1755/6: „ 79454 12 - | „ 30913 15 8 | „ 13376 9. - | „ 5292 9 8 | 8949. 15 - | 284 3 8 | 2393 5 8 | 3640 8. 8. | . . . 72 – – | — – – | 1324 7 8 | 2644 3 8 1756/7: „ 78863 8 – | „ 30785 11 8 | „ 18961 17 – | „ 6806. 15 – | 15751 19 8 | 560 9 – | 3664 5 – | 2963 – 8 | - - — – – | — – – | 1235. 15 – | 5706. 7 8 | 1350 18 – | 2861 19. – 1757/8: „ 76890 — 8 | „ 30573 3 8 | „ 13135 7 8 | „ 3733. 16 8 | 30785. 13 – | 1068 14 8 | 4671 16 – | 3803 1 8 | 2492 4 – | — – – | 784 6 - | 4337. 17 1758/9: „ 81246 12 — | „ 32360 2 8 | „ 13884 6 8 | „ 5155 11 8 | 17468 7 8 | 4698. 10 8 | 2819 2 - | 4216 - 8 | 6563 3 - | 329 14 – | 1188. 11 8 | 4958 7– | 1537 1 - | 2655 9 8 1759/60: „ 89525 9 - | „ 33936 17 8 | „ 17005 19 — | „ 4289 1 – | 10464. 15 — | 47. 18. 8 | 12153 3 – | 14946 17 8 | 3883 4 – | — – – | 691. 13 – | 8808 – 8 | 2027 10 8 | 3974 — 8 1760/1: „ 90693 7 - | „ 33598 1 — | „ 16830. 4 8 | 4084. 12 - | 8853 1 8 | 3000 9 - | 6969 15 8 | 5818 14 - | 3883 4 – | 388 16 – | 1535. 3 – | 7595. 12 8 | 2304 1 8 | 3406. 1. 8 Total: ƒ 889682:3: 8 | ƒ 337341:11— | ƒ 146681:1:8 | ƒ 52327. 12 — | ƒ 114246: 11— | ƒ 13342:18 — | ƒ 44962:14:8 | ƒ 47489: 15:8 | ƒ 15638:2 8 | ƒ 51481:9— | ƒ 16123:6:8 | ƒ 29484:18 — 1/10: ƒ 88968:4 — | ƒ 33234:4 — | ƒ 14668:2 — | ƒ 5232:15 — | ƒ 11424:13 — | ƒ 1334:5. — | ƒ 4496:5— | ƒ 4748:19 — | ƒ 1563. 16— | ƒ 5448: 2— | ƒ 1612:6— | ƒ 2948. 9 — Sum: ƒ 1776486: 8 — 1/10: ƒ 177648:12 1628 2 – | 2638 14. – 1303 8 – | 2654. 8. – 1294. 17 8 | 4376. 17 8 | 16534 - | 3233 3 8 1322 — - | 4878. 4 8 | 1433. 11 8 | 2643 10. 8 188956:10:8 718: 10 — 1696:11 – | 71. 17 —

Dutch transcription

Van Banda den 4. September 1762 Bandase reekening dubbeld bevoordeelt werden aan d' eene kant door de meerdere 'slands inkomsten, en aan d' andere zijde wegens de grotere vertier van Coopmanschappen, want hoe armer een land is, hoe minder de negotie succedeert Dewijl nogthans hier door een raadzel blyft, op wat manier het redues te bevorderen, zo zoude ik dan veel liever willen inclinee„ „ren tot deze propositie, om de nooddrustige perkeniers te adsistee„ „ren met een Capitaal van ad:s 50000 - uijt de gelderen der onbekende wezen, zonder interest; en het eerste gaar verlopen wezende, als dan jaarlijx 8. p:r C. t in mindering van het Capitaal te doen afleggen, dit gesteld, zoude door haar ten eersten moeten besteed werden tot aankopin. ge van slaven, die de Comp:e daar mogelijk diende te bezorgen, en teC„ fens zo veel houtwerk van Java als in de herwaards gedestineerde scheepen konder geladen worden, ten eijnde het eene en andere te„ gens papabele winsten tot gerief der perkeniers te laten strecken en dusdanige wijze alle exceptien op der zelve ontstentenisse te benemen, moetende vervolgens bij de rapporten van de Jaarlijxe perkvisiten distinctelyk aangehaald worden, hoe verre zij lieden met de capitale reparatien gevordert zijn, en hoe veel slaven tot melioratie der perken aangekogt hebben jimmers op deze wijze zoude den last van dat secours voor de Comp: daargelyk vallen, en de meergem: landlieden langsamerhand doen opbeuren uijt de druckende circumstantien, waar in se tans tot aan d'ooren toe gedompelt zijn; mits aan dezelve met een verboden blijvende, het houden van grote vaartuijgen tot negotie, omme de landerijen des te beter gode te slaan, het laatste in overeen„ komste van de fondomenteele remarques den Ed. hoog agtb heeren 17:=nen op de schadelijk burgervaart, bij gevenereerde missives van den 4. october 1756. buijten en behalven, dat men op deze voet de stoutmoedige ondercruijpingen van 's Comp:s rijs lywaat handel wat facielder zoude konnen refreneeren. - In de tweede plaats had ik voorgenomen, uw hoog Edelhee„ dens op te wagten met mijn nedrige consideratien over de Bandaje 261 Van Banda den 4. ' September 1762. ƒ 5235:15 — ƒ: bedragende na dit vertoog de jaarlyxe lasten als volgt 16965:15 —ƒ: 177014: 9 174774. 16. 8 154654 5 — 163512 1 — 176542 16 - ƒ188405. 9 178845:18:8 172015 13. 8. 201764: 9. — Bandase staatrekening en des doenlijk daar henen te dirigeeren, dat het te meermalen betuigde misnoegen over het accressement der lasten ende dimunitie der winsten, eindelijk eens mogte ophouden, door eene cordate betragting omme dezelve zo veel immers faisible de memorie van menage te doen naderen bijkomen, en op zijn uijtterste de bij radicale beschrijving gesteld, mitsg:s in het Patria op den 10. 8ber 1758 toegestaan ƒ:166000. niet surpasseeren, en met dien inzigt verstoute in te leveren eene specificatie der gezamentlijke lasten en ongelden van de tien laatste Jaren beheesende in termins soldijen van mondtost ordinair Extra ordr. van het van het ongelden ongelden garnisoen garnisoen 109845 6 — ƒ 38210. 4 8 ƒ 14607. 14 — 175½ƒ 175 1/3 „ 92837 7 – „ 35401 3 8 „ 16144. 2. 8„ 4037 6 8„ 4071 8 –„ 97771 13 – „ 36584 6 8„ 14090. 4 -„ 1600. 19 8„ 3782. 18 8„ 92554 9. — „ 34978 5 —„ 14644. 10 8, 79454 12 -„ 30913 15 8„ 13376 9. -„ 78863 8 – „ 30785 11 8„ 18961 17 –„ 1235. 15 – 5706. 7 8 1350 18 –„ 2861 19. – 76890 — 8„ 30573 3 8„ 13135 7 8. 784 6 -„ 4337. 17 „ 81246 12 — „ 32360 2 8 „ 13884 6 8„ 1188. 11 8„ 4958 7– 89525 9 -„ 33936 17 8„ 17005 19 —„ 691. 13 –„ 8808 – 8 2027 10 8 3974 — 8. 176½ „ 90693 7 - „ 33598 1 —„ 16830. 4 8„ 1535. 3 –„ 7595. 12 8 2304 1 8 3406. 1. 8. ƒ: 889682:3: 8ƒ 337341:11—ƒ:146681:1:8ƒ:15638:2 8ƒ:51481:9—ƒ: 16123:6:8ƒ:29484:18 — 1/10. ƒ: 88968:4 —ƒ: 33234:4 —ƒ: 14668:2 —ƒ: 1563„16—ƒ: 5448: 2—ƒ: 1612:6—ƒ: 29489 — ongelden timmeragie scheeps scheep van reganatie fortifidatie soldijen ongelden Chialougen 5902. 19. 8ƒ 6297 7 8ƒ 900. 3 8 ƒ 2632 18 – ƒ 770 13 – – - - – – – – — – – 3688. 1 8„ 3974 6 8„ 851 9 – „ 3198 14 –„ 3851. 4 -„ - - - -„ - - - - 8374. 14 -„ 4472 1 8„ 1013 3 8„ 2306 8 -„ 2825. 10 –„ -. – – – – „ — – – „ 4999. 15. –„ 7229. 4 -„ 917. 17 –„ 4166 7 8„ 4654. 6 –„ . . 72 – -„ — — — „ 5292 9 8„ 8949. 15 -„ 284 3 8„ 2393 5 8„ 3640 8. 8. „. . . 72 – –„ — – – „ 6806. 15 –„ 15751 19 8„ 560 9 – „ 3664 5 –„ 2963 – 8„ - - — – –„ — – – „ 3733. 16 8„ 30785. 13 –„ 1068 14 8„ 4671 16 –„ 3803 1 8„ 2492 4 –„ — – – „ 5155 11 8„ 17468 7 8„ 4698. 10 8„ 2819 2 -„ 4216 - 8„ 6563 3 -„ 329 14 – „ 4289 1 –„ 10464. 15 —„ 47. 18. 8„ 12153 3 –„ 14946 17 8„ 3883 4 –„ — – – 4084. 12 -„ 8853 1 8„ 3000 9 -„ 696915 8„ 5818 14 -„ ƒ. 52327. 12 — ƒ:114246: 11—ƒ: 13342:18 —ƒ:44962:14:8 ƒ47489: 15:8ƒ: 11424:13 —ƒ: 1334:5. —ƒ: 4496:5—ƒ:4748:19 —ƒ: 1947. 10. 8. ƒ 2965. 16 —ƒ 1557. 2. 8 ƒ 2773 14 — 175¾„ reekening 1759/5 „ 17 39/60 „ 1752„ 175/6„ 17 3/60 176¾ Somma - - - ƒ: 1776486: 8 — „188956:10:8 718: 10 — 3883 4 –„ 388 16 – 1324 7 8„ 2644 3 8 1537 1 - „ 2655 9 8 1628 2 –„ 263814. – 1303 8 – 2654. 8. – inlandse inlandse zoldijen dienaars maandgelden 1294. 17 8„ 4376. 17 8 16534 -„ 3233 3 8 1322 — - 4878. 4 8 1433. 11 8. 2643 10. 8 hospitaal slaven ongelden ongelden . . condemnatie reekening 1751½ 1. Tiende 1757/8 „ 1758/94. „ aen de 0 hee„ - -- ƒ 177648:12 1758/9 1757/6 1757 175/6 175 24/5 175¾ 175 2/3 - - - 1696:11 –ƒ: 71. 17 — „ 1 — „

NL-HaNA_1.04.02_3065_0274 view scan ↗

English

From Banda, 4 September 1762 From which it appears that, although in some years higher and in others lower, there have been on average 200 persons fewer than projected for this government, having consisted, according to a concise list from the pay books showing the number of the Company's servants, of: last of June 1752 in persons 558 ditto 1753 ditto 626 ditto 1754 ditto 638 ditto 1755 ditto 563 ditto 1756 ditto 557 ditto 1757 ditto 601 ditto 1758 ditto 583 ditto 1759 ditto 588 ditto 1760 ditto 684 ditto 1761 ditto 630 Yet the general expenses per annum have amounted to ƒ 177648: thus ƒ 11648 above the basic description and, with the mentioned memorandum, an adverse deficit of 22648 guilders. The reasons for this are very perceptible; for Firstly, it is shown here that the general balances that the Company's servants in Banda held to their credit at the closing of the aforesaid books amount to: last of June 1752 - - - - - ƒ 32775: 16: 5 ditto ditto 1753 - - - - 35340. 7. 12 ditto ditto 1754 - - - - - 33895. 10. 15 ditto 1755 - - - - - 31126. 4. 7 ditto ditto 1756 - - - - 27086. 3. 12 ditto ditto 1757 - - - - 32036: 2. 10 ditto ditto 1758 - - - - 38120. 8. 10 ditto ditto 1759 - - - - 21908. 13. 7 ditto ditto 1760 - - - - - 33277. 3. 3 ditto ditto 1761: - - - - - 24159. 14. 10 Together ƒ 309726. 5. 11, and divided by 10 - ƒ 30972 light money, as well as - - - ƒ 23229 heavy money, making a large difference with the calculated 40000 guilders. Secondly, 263 From Banda, 4 September 1762. Secondly, the ordinary expenses have been determined much too narrowly, and nothing was allocated for the ammunition of war to be written off, armory goods, Batavia charges, and several other items listed in the trade report, which year in and year out amount to several thousand guilders, and whereby their calculation, upon addition and division of the last ten years, has necessarily exceeded the calculated ƒ 9800 annually by over 5000 guilders. Thirdly, the hospital expenses cause a considerable increase, on the one hand due to the unhealthy climate, and on the other hand because two-thirds of the arriving recruits usually pass into this hospital, and on account of their chronic ailments remain lying there so long that one must continuously count on 60 persons per month; and thus, increasing the quota of 45 persons stated in the memorandum by 15, this likewise gives an increase in expenses of a generous ƒ 2500 and in total over 5000 guilders, in accordance with the aforesaid indication. Fourthly, it must be taken into consideration that as long as one is engaged in Banda with the construction of the new fortification works, it remains entirely impossible to bring the expenses arising therefrom to ƒ 2000 per year, as according to the repeatedly cited summary they could not be kept below ƒ 12758 per annum. Fifthly, it is also not possible, in a place where 3 to 4 ships with valuable cargoes arrive annually and must usually be amply provided with rations, to cap the wages and expenses at 2000 guilders; at least this appears fully from the general statement, where the wages amounted to ƒ 4496 and the remaining expenses to ƒ 4748 per year, being ƒ 9545 above the calculation of these two items. Now, to achieve the purpose of this elaboration, one should From Banda, 4 September 1762 one should allocate the ƒ 11000 adjudicated by the Honorable Mr. De Klerk: ƒ 4000 to the account of ordinary expenses 2000 to ditto hospital 3000 to ditto ships 2000 to ditto ditto wages making, with the other expenditure items, a sum of ƒ 166000, with which one can manage well, calculated according to the present garrison; but if it should please Your High Excellencies' benevolence to favor us with a good reinforcement of personnel, then the wages should be set from ƒ 82000 to ƒ 91000, so as to be able to establish a firmer gauge on the general expenses in that manner, namely for the whole of Banda ƒ 175000. On the other hand, considering how the Banda profits are calculated at ƒ 90000, thereof: Merchandise - - - ƒ 40000 Wage agios - - - - 25000 Sovereign revenues - - - 25000 and comparing the same according to the specification to be read below of what the Company has gained since the year 1752 on its merchandise as well as otherwise, namely: Profits on Merchandise | Wage Agios | Sovereign Revenues | Total 1751/1752 - - - ƒ 15164. 8. 0 | ƒ 31215. 15. 8 | ƒ 25686. 19. 0 | ƒ 72067. 2. 8 1752/1753 - - - 23119. 9. 8 | 22846. 15. 0 | 22334. 6. 8 | 68300. 0. 0 1753/1754 - - - 17604. 9. 0 | 20835. 19. 0 | 23212. 17. 0 | 61653. 5. 0 1754/1755 - - - 21073. 4. 0 | 16797. 8. 8 | 22249. 1. 0 | 60119. 13. 8 1755/1756 - - - 5640. 13. 0 | 15476. 11. 8 | 19075. 3. 8 | 40192. 8. 0 1756/1757 - - - 11751. 6. 8 | 12562. 2. 0 | 4647. 12. 8 | 28961. 1. 0 1757/1758 - - - 17332. 19. 8 | 14582. 5. 8 | 4807. 3. 8 | 36722. 8. 8 1758/1759 - - - 18182. 18. 8 | 15419. 9. 0 | 3710. 8. 0 | 37312. 15. 8 1759/1760 - - - 10783. 13. 0 | 15679. 2. 8 | 6021. 10. 0 | 32484. 5. 8 1760/1761 - - - 9018. 3. 0 | 23603. 12. 0 | 5657. 17. 8 | 38276. 12. 8 ƒ 149671: 4: 0 | ƒ 189016: 0: 8 | ƒ 137408: 18: 8 | ƒ 476090: 3: 0 Thus 1/10 is ƒ 14967: 0: 0 | ƒ 18901: 0: 0 | ƒ 13740: 0: 0 | ƒ 47609: 0: 0

Dutch transcription

Van Banda den 4. Septemb 1762 Waar uijt dan blijkt, dat of schoon meer het eene Jaar geslagen en door het andere bijde 200. koppen minder gehad heeft, als voor dit gouvernement gepaojecteert, zijn, na luijd een Compendieuse Lijste uyt de zoldij-boeken, dicteerende het getal van sComp.:s dienaren, te heb„ ben bestaan ult:o Junij 1752 in koppen 558. „ _o 1753 _o 626. „ _o 1754 _o 638. „ _o 1755 _o 563. „ _o 1756 _o 557. „ _o 1757 _o 601. „ _o 1758 _o 583. „ _o 1759 _o 588. „_o 1760 _o 684. „ _o 1761 _o 630. Egter de generale Lasten per anmum groot geweest zijn ƒ: 177648: dus ƒ:11648 boven de radicale beschrijving en met de gerepte memorie een nadeelig diffiaart, van 22648. gulden De redenen hier van zijn zeer perceptibel; want Eerstelyk zoo werd hier aangewezen dat de generale saldos die s Comp. s diena„ ren in Banda bij het sluijten der voorsz: boeken te goed ge„ houden hebben monteeren do do 1753 - - - - „ 35340. 7. 12 do do do 1754 - - - - - „ 33895. 10 15 ultimo Iunij 1752 - - - - - ƒ: 32775: 16 5 do d:o 1756 - - - - „ 27086. 312 do do 1757 - - - - „ 32036: 210 do do 1758 - - - - „ 38120. 810 d:o 1755 - - - - - „ 31126. 4 7. do do 1759 - - - - „ 21908. 13 7 do do 1760 - - - - - „ 33277. 3 3 te zamen ƒ 309726. 5. 11. en in 10. verdeelt. - ƒ 30972 ligt - - - ƒ 23229 zw: geld mitsgaders makende een groot verschil met de gecalculeerde 40000. gulden. d:o d:o 1761: - - - - - „ 24159. 14 10 Sweedens - 263 Van Banda den 4. September 1762. Tweedens zoo zyn d' ordinaare ongelden al te naame bepaald, en niets gesteld voor de af te schrijvenen ammonitie van oorloy, wapenka. mers goederen Bataviase aanreeckening, en meer andere articu„ len, bij het verslag van den handel opgenoemd, die jaar in jaar uijt eenige duijzent guldens beloopen, en waar door derzelver berekening bij additie en verdeeling der laatste tien jaren, de ge„ calculeerde ƒ:9800 - jaarlyx over de 5000. guldens hebben moeten Surpasseeren Dorders zoo veroorzaken de hoppitaals ongelden eene considerabele meer„ derheid, aan d' eene kant door t ongezonde Climaat, en van d'an„ dere zyde om dat van d' aankomende baren doorgaans twee derden in dit zieken huijs overgaan, en wegens den zelver veronderde qua„ len daar in zo lang leggen blijven, dat men rekmen moet 60: koppen op den duur smaands, en dus het bij de memorie gesteld tantum van 45. stuk met 15. augmenteerende, geeft selks ook in de ongelden eene augmentatie van ƒ: 2500 ruijm en te zamen over de 5000. guldens, in overeenkomste der voorsz: aanwijzinge Vierdens zoo dient in Consideratie te komen, dat zo lang men in Ban„ da bezig is aan d' exstructie der nieuwe fortificatie werken het ook voestrekt onmogelyk blijft, de hier uijt voor te komen ongelden op ƒ: 2000 's jaars te brengen als hebbende na het te meermalen aangehaalde sommer miet beneden de ƒ:12758. — per annum konnen gehouden werden vijfdens zoo is ook niet possibel, op een plaatse daar jaerlyx 3 a 4. scheepen met koptbare ladingen aankomen, en doorgaans van randsoenen rijkelijke moeten verzien worden, de zoldijen en ongel„ „den met 2000. guldens te stoppen, al thans dit blykt ten vollen uijt de generale notitie daar de zoldijen ƒ:4496. — en d' overige onkosten ƒ: 4748: sjaars gemonteerte hebben „zijnde /: 9545. boven de Calculatie van deze twee posten Om nu het oogmerk dezer uijtwijding te berijken zoude men Van Banda den 4:' September 1762 men de door d' Edele heer De klerk g'adjudiceerde ƒ: 11000 moe: ten verdeelen ƒ 4000. – op reekening van ord. s ongelden „ 2000 - „ _o „ hoppitaal „ 3000 — „ _o „ scheeps „ 2000 — „ _o „ _o soldijen makende met de verdere lastposten eene zomma van ƒ„166000— e waar mede men het gerekent na het tegenwoordige guarnizoenen wel stellen kan; Edog uw hoog-EEdelheedens goeder tierenp beha„ ons gende om met een goed renborcement van volk te begunstigen dan zoude de soldijen van ƒ: 82000- op ƒ: 91000 —. dienen gesteld te werden, om indiervoegen een vaster pijl op de generale lasten te konnen trecken, te weten over geheele Banda ƒ: 175000. — Aan d' andere kant beschouwende hoe de Bandase win„ sten. gecalculeerd werden op ƒ: 90000- daar van - - - ƒ: 40000 — Coopmanschappen soldijen opgelden - - - - „ 25000. – slands Jnkomsten - - - – „ 25000 – en dezelve vergelykende volgens de hier onder te lesene specifica„ tie van het gene de Comp:e sedert den jaar 1752. op haar mar jechandisen als anderzints heeft gewonnen, te weeten winsten op soldijen slands Sommarium „coopmanschappen. Inkomsten opgelden 1 175½ - - - ƒ 15164 8 —ƒ 31215. 15. 8 ƒ 25686. 19 — ƒ 72067. 2. 8. 175 2/3. - . - „ 23119 9 8„ 22846 15 -„ 22334 68„ 68300 – – 175¾. . . . „ 17604. 9 - „ 20835 19 - „ 23212 17 –„ 61653 5 – 175 4/5. - - - - „ 21073 4 - „ 16797. 8 8„ 22249 1 –„ 60119 13. 8 1755/6. - -. . „ 5640 13 - „ 15476 11 8„ 19075 3 8„ 40192 8 – 175½. . . . „ 11751. 6 8„ 12562 2 – „ 4647 12 8 „ 88961 1 – 175 7/8 - - -. . „ 17332 19 8 „ 14582 5 8„ 4807 3 8 „ 36722 8 8 175¾ - . . . „ 18182. 18 8„ 15419 9 - „ 3710 8 – „ 37312 15 8 17 37/60. . . . „ 10783. 13 — 15679 2 8„ 6021 10 – „ 32484: 5: 8 23603 12 —„ 5657 17 8„ 38276:12: 8: 176%. . . . . . „ 9018. 3 – ƒ: 149671: 4:— ƒ:189016:— 8 ƒ:137408:18:8: ƒ476090:3 — ƒ: 14967:— –ƒ:18901:— —ƒ:13740:— —ƒ:47609 — So is 1/10 —

NL-HaNA_1.04.02_3065_0277 view scan ↗

English

From Banda the 4th of September 1762 thus it is an undeniable truth that the general profits of Banda are calculated far too generously, as according to this demonstration they can barely yield ƒ: 40000. guilders annually. I say barely, taking into regard the erroneous calculation of the agios on wages in the first five years, since contrary to the order of the 13th of December 1753, instead of 1/15, one has applied 1/3, and thus for that period over 90000. guilders have excessively favored the profit account; and subtracting this from the total sum, instead of ƒ: 47609. —, at its utmost ƒ: 40000. will be reckoned, it not obstructing in any way that the calculation of the wage agios was set in that manner on page 20. of the first memorial, under the 1st of May 1753, for the remark on page 4 of the second memorial dated the 9th of May 1755 indicates that the wages were taken 1/5 too high, and that this was contrary to the cited circular order of the year 1753, all serving as full support for my humble opinion that by reducing the wage agios from 1/3 down to 1/5, the general profits must also decrease by fully ƒ: 20000. Likewise, it admits of no contradiction that the profits from trade, which taken together until now have not yielded 15000. guilders, will never climb so far as to equalize the calculated sum of ƒ: 40000. This is proved by the aforementioned demonstration and is further corroborated by the invasions, marauding, and devastations of the Papuans in such places and districts where previously the most goods were consumed and disposed of, without even repeating anew the poverty of the Bandanese inhabitants and other adversities demonstrated in the case of the park-keepers. Therefore, in order to accommodate the Bandanese government in this matter to some extent, and to have the profit account viewed with a more gracious eye; it would be a desirable matter if Your High Excellencies would please permit that this province might directly have some share in the price increase of nutmegs and mace on page 19 of the first management memorial, by charging the same without distinction at the closing of the account 1/2 stiver higher than the invoices contain, omitting the 4 percent interest mentioned there, or otherwise, in case of refusal, to be permitted to increase the latter from 4 to 20 percent. In addition, it would turn out very advantageously for the Company as well as for the park-keepers if Your High Excellencies would favor Banda by allowing the accounting of the rice sent over annually from Batavia, Java, and Macassar to be done at purchase price, or otherwise to reduce it so that upon selling in general one could count on 30 percent, considering that the returns of previous years prove that the Company made 40 to over 55 percent profit on the voyage at that time; while that cargo according to the return now being sent, which seems to have yielded one hundred percent in profit, nevertheless shows a considerable loss on the other side, the ordinary wastage being deducted everywhere; this is certain, that if the last were set at 15 rixdollars to the park-keepers alone, though ceded to all others without distinction for 30 rixdollars, the profits would be greater and serve as particular relief to those people. Above all, it is useful, necessary, and proposed with good deliberation in the fundamental description for this province to keep the Bandanese garrison at full strength, and thereby to keep the government out of so many perplexities as the unhealthiness of the land and the mortality resulting therefrom incessantly cause. With respect to the common sailors and soldiers, I have caused an inquiry to be made whether some means of redress could not be devised, and I take the liberty to present in all submission to Your High Excellencies the considerations on this subject, both of the Captain-Lieutenant Casimiad, and of the castle's Head Surgeon Weal and Hospital Master Bouwer, firmly trusting that the aim of that commission may be taken into benevolent consideration, and such reflection be made upon it as the merits of the case come to require; the more so since of all the military personnel, craftsmen, and seamen mentioned in the general strength, barely half are able, due to illness, lack of clothing, and other inconveniences, to perform the Company's services, which falls very hard and burdensome upon the rest, and must cause real hindrances in the daily work; at least I dare to Your High Excellencies

Dutch transcription

265 Van Banda den 4. September 1762 so is het eene ontegensprekelyke waarheid, dat de generale Win„ sten van Banda al te ruijm gecalculeert zijn als konnende na dit vertoog naamlijx ƒ: 40000. guldens 'sjaars behalen. ve — ik zegge naamwlijx reguard genomen, op d' abusive berekening der soldijs opgelden, in de vyf eerste jaaren, nadermalen men dezelve tegen d' order van den 13. xber: 1753. in stede aan 1/15. ter Contaarie 1/3. en dus voor die tijd over de 90000. guld. s de winst reek: te veel bevoordeelt heeft, en deze dan aftrek„ kende van de totale somma zal in plaats van ƒ:47609. — op zijn uijtterste ƒ: 40000. komen gerekend werden, geensints opsteerende, dat de bereekening der soldij opgelden in dien voe„ ge op pagina 20. van d' eerste memorie, sub pr:o meij 1753 gesteld is, want de remarque op pag: 4: van de tweede memorie gedateerd 9. maij 1755. designeert de zoldijen 1/5. te hoog te zijn genomen, en dat zulx strijdig was met de giciteerde circulaire ordre van den jaar 1753, alles tot voekomen adstanctie mijner nedrige sustenue; door de te reducieren soldijs-opgelden van 1/3. tot op 1/5. de ge„ nerale winsten al mede wel ƒ: 20000 te moeten verminderen. vans gelijken admitteerd het gene tegenspratie de winsten van den handel, die immers tot hier toe door malkande„ ren genomen geene 15000. guld:s behalen, nooijt zo verre te zullen op klimmen, om de calculative somme van ƒ: 40000. t' egaliseeren, dit bewijst het voors vertoog en werd nader gecorroboreert door d' Jnvasien, strope rijcie en verwoestingen der papoesen op zodanige plaats en districten daar bevorens de meeste wharen verteerd 8. - - 13. 8 8 —. 1- 8 8 15 8 5:8 2:8: Van Banda den 4. September 1762 vertiend wierden zonder eens op nieuw herhalinge te doen van d'armoede der bandase ingezetenen en andere in het geval der perkeniers gedemonstaerd weder waar digheeden Om dierhalven ook hier in het bandase gouvernement ee„ niger maten te gemoet te komen, en de winstt reekening met een gratieuser oog te doen beschouwen; zo verre het eene wenschelyke sake indien uw hoog Edelheedens geliefden toe te staan, dat deze proventie direct eenige portie mogte hebben in de verhoging der prijzen van de nooten en foely op pag: 19. van d' eerste memorie van menage, door de zelve zonder onderscheijt per slot van reekening ½. stuijv:s hooger aan te reekenen, als de factuuren behelsen, met uijt„ lating van de daar bij vermelte 4. percent jnterest of anders in Cas van ontzegging, het laatste van 4. tot 20 p:r c. t te mogen verhoogen Daar te boven zoude het voor de Comp. zo wel als voor de perkeniers zeer voordeelig uijtvallen, wanneer uw hoog Edelheedens Banda wilden begunstigen, met d' aanreeke ningen der jaarlix overgezonden werdende rijst van Batavia, Java en Macassar, inkoops prijs te laten geschieden of anders zodanig te verminderen dat men by verkoping in het generaal op 30. pr C. t konde staat maken, aange merkt de rendementen van voorige Jaeren bewijzen, dat de Comp toenmaals op de reijs 40. tot over 55. p. r C. t gewonnen heeft; terwijl dien Corl na het thans overgaande ..rendement, welk ten hondert aan winst scheijnt gerendeert te hebben, maar egter een Considerabel verliese vn de andere 267 Van Banda den 4 Septemb: 1762 andere zijde designeert; d'ordinaire spillagies alom afgetrok ken werdende; dit is zeker, dat, wanneer het last op 15. ads gesteld RtW: 20 aan de perkeniers alleen voor zoo dog alle andere zonder on= derscheyjd voor 30. ads afgestaan wierd, de wuijt reekeningen grooter zouden zyn, en die menschen tot byzonder zou„ laas strecken haar boven al is voor deze provintie nuttig, noodzakelijk en in de radicale beschryving met goed overleg voorgedragen, om het bandaje guarnisoen voltallig, en daar door het gouver„ nement te houden buijten zo veele verlegentheeden, als d' onge„ zondherd van het land en de daar uijt te resulteeren stervens zonder intermissie verwekken: ik heb ten opzigte der gemeene maats laten onderzoeken, of geen middel van rldres zoude konnen uijtgedagt werden, en ik neeme de vrijmoed, uw hoog- Edelheedens in alle submissie aan te bieden de consideratie op dit sterk zoo van den Capiteijne luijtenant Casimiad, als des Casteels opperchirurgijn Weal en hoppitalier Bouwer vastelijk vertrouwende dat het oogmerk van die Commissie in goedertierene overweging zal mogen komen, in daar op zodanige reflactie genomen werden als de merites der zaken komen te vereijsschen; te meer van alle de militairen, om„ bagtslieden en zievarende op de generale sterkte vermelt, door ziektens, gebrek aan kledagie en andere inconvenien„ ten nauwlijx de helfte in staat is, tot waarneming van 's Comp. s diensten 't gene voor d' overige zeer hand en lastig valt, en in het dagelyx werk reele hindernissen moet veroccajioneeren; al thans ik durve uw hoog Edel„ leedens

NL-HaNA_1.04.02_3065_0280 view scan ↗

English

From Banda, 4 September 1762 assure Your Excellencies that if matters could be arranged in the manner cited by Casu and if more people were sent to us from now on, orders would soon look considerably better, not only that, but it would also be advantageous for the community and encourage the common fellows to remain here longer, whereas, on the contrary, I am presently continually troubled with requests for the discharge of those whose time has already long since expired, which, however, could only be granted to a few so as not to weaken the garrison too much at one time. Regarding the point of the fortifications, I had engineer Dullx submit his considerations concerning the new work to be constructed in front of Castle Nassau, particularly whether a ravelin or rather a hornwork would be better; and his preference having fallen on the latter, as the plans of both accompany this letter, I deemed it proper to submit this most respectfully to Your Excellencies' wiser judgment, merely taking the liberty to state that the construction of a ravelin would greatly delay the loading and unloading of the ships, especially if it were to be situated in front of or near the water gate; and as the post 269 From Banda, 4 September 1762 post near the Voorzigtigheid has now been brought so far along that it is due to be completed in 2 to 3 months, and in comparison to the expenses incurred at the Rijk in the por will amount to quite ƒ 20000 less, I therefore repeat my previously made request for orders regarding which work Your Excellencies would please wish to have taken in hand first. Furthermore, I could not omit to append hereto a report from the former shipyard overseer regarding the depths and anchorage grounds along the inner coast and in the channels, in case Your Excellencies should see fit to have some use made thereof for nautical charts, for the information and guidance of the ship commanders. I conclude this in the humblest capacity with veneration, underneath stood, Right Honourable, Far-Ruling Lord and Right Honourable, Highly Esteemed Gentlemen, lower, Your Excellencies' dutiful and obedient servant, was signed, I. Pelters, in the margin, Banda, 4 September 1762. To From Banda, dated 4 September 1762 To the Right Honourable, Esteemed Lord Jacob Pelters Governor and Director of this Province Right Honourable, Esteemed, Ruling Lord, According to Your Right Honourable Esteem's desire, I take the liberty with respect to present the following remarks regarding the illnesses and mortality of the garrison here. Firstly, that without contradiction this island of Neijra is the most unhealthy of all. Secondly, that the people sent from Batavia for some years past have almost all been afflicted with chronic illnesses or bad constitutions, or were greenhorns who, exhausted from long voyages and endured hardships, had scurvy and unhealthy bodies. Thirdly, that the common soldiers always arrive here naked, indeed even without hats or caps to cover their heads, and run up large debts on their accounts. Finally, fourthly, that the food, instead of providing them with refreshment or good nourishment, 27 From Banda, dated 4 September 1762 causes scurvy to increase more and more, since everything is salt meat and bacon. Now, to introduce some advantageous redress therein, I shall have the honour to propose to Your Right Honourable Esteem the measures that seem best to me, namely, first of all regarding the First, that experience teaches that the air on Neyra is very unhealthy, especially in the evening, therefore one should carefully prevent the people from sleeping in the open air. Regarding the second article, to request better people and a larger number from Batavia, since upon the arrival of the ships two thirds of the garrison is always lying in the hospital, and because of this, service falls very hard on the healthy. Regarding the third article, that it being impossible to have so many people equipped from head to foot by a private individual, because everything is not only very expensive, but moreover most things are lacking here, consequently everything that is necessary for garrison clothing should be requisitioned from Batavia, and Their Excellencies be requested to have the same supplied at a price To the Right Honourable, Esteemed Lord Jacob Pelters Governor and Director of this Province Right Honourable, Esteemed, Ruling Lord, According to Your Right Honourable Esteem's desire, I take the liberty with respect to present the following remarks regarding the illnesses and mortality of the garrison here. Firstly, that without contradiction this island of Neijra is the most unhealthy of all. Secondly, that the people sent from Batavia for some years past have almost all been afflicted with chronic illnesses or bad constitutions, or were greenhorns who, exhausted from long voyages and endured hardships, had scurvy and unhealthy bodies. Thirdly, that the common soldiers always arrive here naked, indeed even without hats or caps to cover their heads, and run up large debts on their accounts. Finally, fourthly, that the food, instead of providing them with refreshment or good nourishment, From Banda, dated 4 September 1762 how

Dutch transcription

Van Banda den 4. Septemb: 1762 heedens verzeekeren dat wanneer de zaken op de door Casu„ werd aangehaalden trant konden geschikt zijne en ons voor„ li taan gezonden en meerder volk toegezonden werden, het als dan binnen kort met de bestellingen vrij beter zoude uijtzien, niet alleen maar ook avontagiusen voor de ge meente zin, ende gemeene maets encourageeren langer hier te verblijven, daar ik in tegendeel tegenwoordig bij continuatie lastig gevallen word, tot verlossing der geene, welkers tijd bereets lange g'expireert is, dat egter maar aan weijnige heeft komen toegestaan werden om veel het guarnisoen niet te reijs te verstracken Het poinct der fortificatien betreffende hebbe den ingenieur Dullx doen opgeven, zijne consideratie ovar het aan te leggene nieuw werk voor het Casteel nas„ sauw, inzonderheijd wat of beter zoude zyn, een Ra„ velijn dan wel een hoornwerk, en zijn inclina„ tie op het laatste gevallen wezende, gelyk de plaats van het eene en andere deze verzellen heb ik plegtelyk g'oordeelt, zulx aan uw hoog ..Edelheedens wijzer Jngement eerbiedigst over te la„ ten, alleenlijk zig het mij gepermitteerd, te zeggen, dat d' Extructie van een ravelijn het lossen en laden den scheepen grotelijx zoude veragteren, immers wanneer het zelve voor of omtrent de waterpoort moester stand grijpen; en gelyk na ook de Post 269 Van Banda den 4 Septemb 1762 post by de voorzigtigheid zo verre opgehaald is dat over 2. a 3. maanden staat g'absolveert te werden, zullende in vergelijking van het bekogtig„ „de aan de Rijk in de por wel ƒ:20000 — minder bedragen, zoo herhale mijn bereijts ge daar verzoek, om ordre, nopens het werk, dat uw hoog Edelheedens 't eerste gelieven onder handen genomen te hebben. Voorts hebbe niet konnen afzien, hier nevens te voegen een berigt van de gewezene werfs opzigten wegens de dieptens en ankers plaatzen aan de binnen Cust, en in de Canalen ware het zake, dat uw hoog Edelheedens mogten goedvinden daar af eenig ge„ bruijk te laten maken bij de zeekaarten, tot na„ rigt en opservantie voor de scheeps overheedens Jk eijndige deze in de nedrigste hoedanigheid met veneratie /onderstond/ Hoog Edele wijdgebiedende heer en wel Edele groot agtb: Heeren /lager/ uw hoog Edelheedens trouw schuldig en gehoorzame die„ naar /was getekend:/ I. Pelters /in margine / Banda den 4. Septemb: 1762. Aan Van Banda onder dato 4 7ber: 1762 Aan den wel Edelen Agtb: Heer Jacob Pelters gouverneur en Directeur Deezer provintio Wel Edele Agtb: Gebiedende Heer volgens uwel Ed: Agtb: begeerte neem ik met respect de vrijheijd de volgende remarques wegens de ziektens en 't uijtsterven van 't guarnisoen alhier te presenteeren Errstelijk, dat zonder tegenspraak dit Eyland Neijra 7 d' ongetondste van alle is — Ten tweeden dat het volk, sedert eenige jaren van Batavia gezonden, meest alle met verouderde siek tens of quade binnen behelpt geweest is, of ook wel bhaaren die van lange reysen en uytgestaane ongemacken vermoeijd, schurbuijk en ongezonde ligha men gehad hebben Ten derden, dat de gemeene zoldaaten altijd naa kend ja zelfs zonder hoeden of mutsen, om haar - hoofden te dekken hier koomen aanlanden, en op groote schuld reekenings loopen Eijndelijk ten vierden, dat de kost in plaats van haar tot een verversing of goed voedsel te verstrekken hoe 2 27 Van Banda onder dato 4 7ber 1762 hoe langer hoe meerder de schuurbuijk doet aanneemen, 1 dewijl alles zout vleesch en spet is. Om nu eenige voordeelige redresse daar in te brengen, zal is d' eere hebbe, de middelen de mij de besten schijnen, te zyn, aan uwel Ed: agtb voorstellen, en wel voor af wegens het Eerste dat d' ondervinding leert, de lugt op Neyra zier ongezond te zijn, voornamenlijk 's avonds daarom zoude men zorgvuldig moeten beletten, dat het volk in de open lugt sliep Wegens 't 2:de articul, van Batavia beeter volk en een grooter getal te verzoeken, dewijl met de kompt getae van de scheepen altijd 2/3. van 't garnisoen in 't hospi„ taal legt, en hier door den dienst voor de gesonden zeer hard valt Wegens het derde articul, dat onmogelijk zijnde, door een particulier zo veele menschen van t hoofd tot de voeten te laten equipeeren, nademaalen alles niet alleen zeer duur is, maar ook boven dien de meeste dingen hier ontbreeken, bij gevolge alle 't geene dat tot quar„ nisoens klederagien nodig is, van Batavia zoude - moeten g'eijscht, en haar hoog Edelens gebeeden werden, dezelve te laten verstrekken tegen een prijs Aan den wel Edelen Agtb: Heer Jacob Pelters gouverneur en Directeur Deezer Provintie Wel Edele Agtb: Gebiedende Heer: volgens uwel Ed: Agtb: begeerte neem ik met respect de vrijheijd de volgende remarqies wegens de ziektens en 't uijtsterven van t guarnisoen alhier te presenteeren 77 Eerstelijk, dat zonder tegenpraak dit Eyland Neijra - d'ongehondste van alle is — Ten tweeden dat het volk, sedert eenige jaren van Batavia gezonden, meest alle met verouderde siek„ tens of quade binen behelpt geweest is, of ook wel bhaaren die van lange reysen en uytgestaane ongemacken vermoeijd, schurbuijk en ongezonde ligha men gehad hebben Ten derden, dat de gemeene zoldaaten altijd naa kend ja zelfs zonder hoeden of mutsen, om haar - hoofden te dekken hier koomen aanlanden, en op groote schuld reekenings loopen Eijndelijk ten vierden, dat de kost in plaats van haar of goed voedsel te verstrekken tot een verversing Van Banda onder dato 4 7ber 1762 hoe

NL-HaNA_1.04.02_3065_0285 view scan ↗

English

From Banda, dated 4 September 1762. causes scurvy to increase more and more, because everything is salt meat and bacon. In order to introduce some beneficial remedy to this, I shall have the honor to propose to Your Honorable Respect the measures that seem best to me, and indeed first of all concerning the First: that experience teaches that the air on Neira is very unhealthy, especially in the evening; therefore, one should carefully prevent the men from sleeping in the open air. Concerning the second article: to request better men and a greater number from Batavia, because with the arrival of the ships, two thirds of the garrison is always lying in the hospital, and because of this, the service falls very hard on the healthy. Concerning the third article: since it is impossible for a private individual to have so many men equipped from head to foot, as everything is not only very expensive, but moreover most things are lacking here, consequently everything that is needed for the garrison's clothing should be requisitioned from Batavia, and Their High Excellencies should be requested to have the same supplied at a price a price corresponding to the poverty of those wretched men, who often cannot be looked upon without misery and great compassion. This is one of the principal points that I must bring before the eyes of Your Honorable Respect, for the soldiers have nothing to cover their bodies; they must stand guard in the rain and wind, and subsequently go to lie down and rest in the guardhouse with a wet body; they must also walk with bare legs and bare feet through the water and wet grass, because of which they get sores on their legs, rotting so severely that of the 20 who are forced to go to the hospital merely for bad legs, seldom one third comes out again, as the patients, from lying there for a long time, suffer either from beriberi or from dysentery, and in this manner are bound to die. This is no conjecture, but indeed a truth that the inspection and muster of the hospital, as outside regent, have made me experience. If Your Honorable Respect should doubt this proposal in any way, I will cite only a few examples. Firstly, shortly after the arrival of Your Honorable Respect, I had the attendants' guard clothed at your order and expense, From Banda, dated 4 September 1762. had them supplied with hats, stockings, and shoes; and since the period of seven months, only one of the 28 men has gone to the hospital, yet none of them has died, it having also contributed very much for the good that they receive no bacon and meat, but indeed money in its place, and that Your Honorable Respect also has two drams daily provided to them. Secondly, of the 50 non-commissioned officers or soldiers who are clothed and wear stockings and shoes, one does not see as many die in a year as of the others in a month. I have indeed exerted my utmost efforts to help many into clothes, and I have been so fortunate in this that since the month of May, around 80 uniforms and twice as many shirts have already been able to be supplied to the garrison; but it is impossible for me to procure stockings and shoes for them, as they are not to be had here. Concerning the fourth article, I shall have the honor to tell Your Honorable Respect that the men live quite strangely with their food; they have no mess-tins, and everyone eats only at whatever hour and time suits him when he has something, for notwithstanding From Banda, dated 4 September 1762. the vigilance both of the undersigned and of the superior officers and non-commissioned officers, it is nevertheless found that a large portion of the common men peddle their bacon, meat, and part of their rice in order to buy titbits therewith, or else to drink their bellies full of sagoweer, eating therewith so many unripe fruits that, out of want or otherwise, they betake themselves to the hospital at the earliest opportunity, it being thus easily understood that such a way of living is also a great cause of various diseases and incurable ailments, to the noticeable increase of the hospital expenses. It would then depend solely on Your Honorable Respect's effectual writing to persuade Their High Excellencies that the common soldiers might receive only a half ration of bacon and meat, and all the rest in cash, and in addition two drams a day per man. This being done, one would have to see to making these arrangements here: to have the men eat at one time and together; to have them purchase fresh provisions and vegetables according to their purse; to have the non-commissioned officers watch that the money to be spent for that purpose was not

Dutch transcription

271 Van Banda onder dato 4 7ber: 1762 hoe langer hoe meerder de schuurbuijk doet aanneemen, dewijl alles zout vleesch en spek is.— Om nu eenige voordeelige redresse daar in te brengen, zal ik d' eere hebbe, de middelen die mij de besten schijnen, te zyn, aan uwel Ed: agtb voorstellen, en wel voor af wegens het Eerste dat d' ondervinding leeat, de lugt op Neijra zier ongezond te zijn, voornamenlijk 's avonds daarom zoude men zorgvuldig moeten beletten, dat het volk in de open lugt sliep Wegens 't 2:de articul, van Batavia beeter volk en een grooter getal te verzoeken, dewijl met de kompt van de scheepen altijd 2/3. van 't garnisoen in 't hospi„ taal legt, en hier door den dienst voor de gesonden zeer hand valt Wegens het derde articul, dat onmogelijk zijnde, door een particulier zo veele menschen van t hoofd tot de voeten te laten equipeeren, nademaalen alles niet alleen zeer duur is, maar ook boven dien de meeste dingen hier ontbreeken, bij gevolge alle t geene dat tot quar„ nisoens klederagien nodig is, van Batavia zoude a moeten g'eijscht, en haar hoog Edelens gebeeden werden, dezelve te laten verstrekken tegen een prijs prijs overeenkomende met d' armoede van die ellendige minschen, die dikwils zonder misirie en grote medogent heid niet konnen bephouwd worden; dit is een van de — voornaamste poincten, die ik onder d' oogen van uwel Edele agtb: moet brengen, want de zoldaten hebben niets om haar lijf te dekken, zij moeten in de re„ gen en wind schilderen, en vervolgens met een nat lighaam in de wagt gaan leggen rusten, zij moeten ook met bloote beenen en bloote voeten door 't water - en natte gaas loopen, waar door zij gaaten in de — 2 beenen krijgen, zo ver verrottende, dat van de 20., die alleen om quade beenen genoodzaakt zijn na 't hospi„ taal te gaan, seldens 1/3. weder van uijtkoomt, nadema„ ten de lijders door 't lange leggen of aan de berri ber„ ri of aan d' afgang laboreeren, en dusdanige wijze wel moeten sterven dit is geen gissinge maar wel een waarheid die de visitatie en uijtmonstering van het hos„ pitaal, als buijten regent mij hebben doen ondervinden Indien uwel Edele agtb aan deze voorstel eenigsints zoude twijffelen, zal ik maar een paar exempels aan„ halen Eerstelyk kort na de komst van uwel Edele agtb heb ik op zyne ordre en onkosten, de oppassers wagt Van Banda onder dato 4:' Septemb: 1762 laten 273 Van Banda onder dato 4. Septemb: 1762 laaten kleeden, hoeden, koussen en schoenen aan dezelve verstrekt, en sedert de tijd van seven maanden is ir maar een van de 28. man na 't hoppitaal gegaan, dog geene hen gestorven, hebbende hier toe almede zeer veel ten goeden gecontribueert, dat zij geen spek en vleesch ontfangen; maar wel geld in dies plaatze, en dat uwel Edele agtb: haar teffens twee Ioopjes sdaags laten verstrekken Ten tweeden van de 50. onder-officieren of soldaten, die gekleed zin en kousen en schoenen aan hebben ziet men zo veel niet sterven, in een jaar, als van de andere in een maand; ik hebbe wel mijne uijtterste vermogens aangewand, om veele in de klederen te helpen, en ik ben hier in zo gelukkig geweest, dat sedert de maand meij, al bij de 80. monteerings en eens zo veel hembden aan 't guarnisoen hebben konnen verstrekt worden; maar is mijn onmogelijk haar de koussaen en schoenen te bezorgen, als zynde hier niet te krijgen Wegens het 4:e articul, zal ik d' eere hebben om aan uwel Edele agtb: te zeggen, dat het volk met de kost al wonderbaarlijk leeft; zij hebben geen bak„ en ieder een eet maar op wat uur en tijd dat hem gelegen komt, als hij wat heeft, want niet tegenstaan„ „de -: Van Banda onder dato 4 septemb: 1762 „de d' oplettentheid zoo van d' ondergetekende, als de opperofficiers en onder officiers, egter. zo bevind men, dat een groot parthij van de gemeene haar spek, vleesch en parthij van haar rijst verquanselen, om 't een en ander daar voor te snoepen, of ook wel de buijk vol saqueer te drinken, daar bij zo veele onrijpe vrugten eetende, dat ze door gebrek als andersints ten eersten ter eerster na het hoppitaal begeeven, alzo ligte lijk te begrypen vaet, zoo een manier van leven ook een groote oorzaak te zijn, van verscheijde siektens en on„ geneesbare qualam, tot merkelijke vergrootinge der hospitaals ongelden. Het zoude dan alleenlijk van uwel Edele agtb: kragdadig voorschrijvens afhangen, omme haar hoog Edel: heedens te beweegen, dat de gemeene militairen maer halve randsoen van spek en vleesch, en al het overige in Contanten mogten ontfangen, en daar te boven 1 de man twee soopjes s daags, dit geschiedende zoude men hier moeten bezorgt zijn, te maken deze schickin„ gen; om het volk op een tijd en tegelijk te doen eeten„ W om haar te doen inkopen varsche kost en groente na mate van haar beurs; om de onder officieren te doen opletten dat het daar toe te bestedene geld niet wierd

← previousnext →