Inventory 3065
Surat · 856 pages · 175 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Bonoa, reporting that last Tuesday, or the 22nd of this month, four Papuan kora-koras at the cape of Cawa, or opposite Bat Island, had abducted four natives of Bonoa by night, as was also related by the aforementioned orang kaya, that the four kora-koras had also been at the cape of Paha three days ago, but that four of those pirates had been shot dead by the Alfurs. And after this report, the voyage was continued further to Bonoa, until on Tuesday the 29th of June, in the afternoon, we anchored at or near the negorij on that island; and on Wednesday the 30th of the same month, held a meeting here as usual, during which nothing of importance occurred, as for the rest everything in this negorij was likewise in good harmony and order, and therefore we departed again from that island in the afternoon, until on Thursday the 1st of July, in the afternoon, we arrived safely again at Champa with the small vessel, where on Friday the 2nd of the same month, the bark De Draak also arrived, and further on Saturday the 10th of the same month, we weighed anchor here in the roads again to continue the voyage toward Amboina, where we arrived safely on the 13th thereafter. From Amboina, dated 25 September 1762. Wherewith, trusting quite humbly that we have carried out this commission and instructions of ours to the satisfaction of your Honorable Worships, we have the honor to subscribe ourselves with great respect; as was written below, Honorable and Worshipful Sir and Sirs; lower down, your Honorable Worships' very humble, obedient, and faithful servants, signed, H. V. D. Brink and J. H. Knop; in the margin, Amboina, Victoria, 18 July 1762. Question points presented on Saturday the 19th of June in the year 1762 to the Radja of Lawaen and the other native chiefs of the said post, alongside the Priest Iman Rahim. Firstly, that we, the undersigned, have been dispatched hither by the Honorable and Worshipful Lord Governor and Director of this province, together with the Council, following the communication of the Sergeant and postholder Franke on the 26th of April concerning the commotion of the Papuans with whole fleets of kora-koras observed at this post and in its vicinity, to inquire what the situation of their negorijen might be in regard to that wandering pirate folk, and it being desired to grant them assistance. Whereupon they answer in general that the frequent assembling of the Papuans with various kora-koras, both here before the post and elsewhere, according to communication given by the sergeant, is heard and seen from time to time for the reason, as they could only understand, of a certain incident that is said to have been encountered and suffered by a maternal aunt of the King of Tidor named Boekij from the former mate of the cruising pantjallang De Hoop, Claas Maurits, on his last cruise to Ceram's north coast; which princess, according to the pretension of the Papuans, alongside other female persons she had in her retinue, he the mate, off Hottij, is said to have stripped of their gold and silver ornaments and pearls, item four slaves, being three men and one woman, and to have torn to pieces the pass of the King of Tidor, provided with his chop. And as for the state of their negorijen, they unanimously declare their troubled condition, especially the remote negorijen of Hatileng, Besi, and Hatoewe, requesting that when they saw no chance to defend their negorijen, they might then take flight under the protection of the artillery with the sergeant at Sawaij, which was permitted them, with the addition that such would still be better than out of faintheartedness or fearfulness to surrender themselves to those pirates to be carried off. Secondly, what they think of all that commotion, and whether the pretext of all that pirate folk might indeed agree with the truth, as well as whether such might not originate from that which one has heard. They answer that to date no foreign ships have been seen around here, and they only understood, upon the return of a native of Sawaij named Nording some six or seven months ago from the Papuan Islands, that at that time three foreign ships lay at Palomattij, while the Papuans, as they hear and perceive, declare that their wandering at present occurs solely because of what their princess is said to have suffered.
Dutch transcription
Bouoa, in melding dat verleden dingsdag, of den 22. dezer vier Papoese corre corres aan de hoek van Ca„ Wa of tegens over vleermuijs Eijland, bij nagt vier inlanders van Bonoa hadden opgeligt, gelijx ook door g 1 voorschreven dien orangkaaij verhaald wierde, dat 22 de vier Corre corres voor drie dagen aan de hoek van Paha ook geweest zijn dog dat vier stux van die roovers door de alphooreesen waren dood geschoo„ ten en na welk bericht, den Rijse verder na Bo„ noa, vervoegde, tot dat dingsdag den 29. Junij, des na de middags door of bij de negorij ten dien Eylande ankerde; en Woensdag „ 30. d. o na gewoonte alhier vergadering hielde als wan neer niets van belang voorkwame, wijl voor 't ove„ rige te dezer Negorij mede alles in goede eenigheid en uuit ware, en derhalven vertrocken wij des na de middags weder van dat Eyland, tot dat donderdag „ 1. July in de namiddag met 't kleen vaartuijg we„ der behouden op champa arriveerde alwaar vrydag „ 2. d:o den barcq de Draak mede aanquame en voorts qu saturdig „ 10. d. o alhier ter rede weder t anker ligten, om de rijze Amboina waards te vervorderen, alwaar wij den 13. daar aan behouden arriveerden Van Amboina onder dato 25. Septemb: 1762. Waar 359 Van Amboina onder dato 25. septemb: 1762. waar mede gantsch nedrig vertrouwen, deze onze Com„ missie en lasten ten genoegen van uwel Ed: Agtb: te zullen mogen hebben, volbragt, d' eere hebben ons met veel eerbied te tekenen; als /onderstond/ wel Ed. Agtb Heer en Heeren /:lager / uwel Ed. agtb zeer onderdanige gehoorzame en Trouwschuldige dienaren getekend / H: V: D. Brink en I Ha Knop / in margine/ Amboina Victoria den 18 July 1762: Traag Poincten op Saturdag den 19 Juny Ao 1762 Aan den Radja van Lawaen, en verdere Jnlandse Hoofden van dito post nevens den Priester Iman Rahim voorgehouden Waar op in 't gemeen antwoorden dat het menigvuldig te zamen rotten der Eerstelijk dat wij ondergete„ Papoe-en met verscheijde Coure coures zo wel hier voor de Post als elderkende door den wel Edele Ingevolge gegevene communicatie Agtb: heer Gouverneur en van den zergeant:/ van tyd tot tyd hoo„ ren en zien, om reeden zoo als allees directeur dezer provintie lijk hebben kunnen verstaan, uijt zekere geval dat een moeders suster nevens den Raad her„ van den koning van Tidor gen. t zijn waard s afgezonden, op de Boekij van den gewezen stuurman der kruijspantjalling De Hoop Communicatie van den Claas Maurits, op dies laatsten kruijstogt aan Cerams noord Cust Sergeant posthouder Fr:an„ zoude „ke als Van Amboina onder dato 25. Septemb 1762. „ke, den 26: april betref„ zoude ontmoed en wedervaren zijn welke princes hij stuurman naar 't bende '½ ten dezer poste voorgeven van de Papoeren nevens nog andere tot gevolg bij haar gehad heb: en in dies nabuurschap bende vrouws perzoonen op de hoogte vernomen werdend ge„ van Hottij, derzelver Goud zilver werkjes en peerlen item 4. stux sla woel der papoeers met ven als 3 man en 1 vrouws afgeno: geheele vlooten van Corre men en de pasie van den koning van Corres tot het vernemen Tidor voorzien met desselfs Chiap aan stukken gepcheurd: zoude hebben, en wat hoedanig in op zigte dat den staat hunner negorijen betroff, swervend Roofvolk verklaren eenpariglijk hunne onge„ den staat hunner nego„ „rusten toestand; voornamentlijk de verafgelegen negorijen Hatileng Besayen gesteld mogte wezen si en Hatoewe, onder verzoek, dat en verlijst werdende wanneer geen kans zagen om haar negorijen te defendeeren, dat dan onder hun adsistentie te doen. de bescherming van het geschut ^ bij den zergeant tot zawaij de vlugt mogte nemen, 't welk haar per„ mitteerden, onder toevoeging dat zulx dan nog beter ware dan dat door kleynmoedigheid of vreesagtigheid zig aan die ro: vers ten vervoer zoude overgeven Antwoorden dat tot dato deses geen Den Tweeden wat dat vreemde scheepen hier omtrent vernomen van al dat gewoel den„ en eenlijk met de te rug komst van een inlander van sawaij gen=t Nor„ken, en of het voorge„ „ding over ses a seven maanden uijt ven van al dat roof„ de Papoese Eijlanden, verstaan volk wel met de waar„ hebben, dat er doenmaals drie vrcem„ heijd zoude over eenko„ de schepen op Palomattij lagen, ter wijl de Papoeen (zoo als hooren en men, gelijk ook, of vernemen / verklaren, dat hun swer„ zulx wel niet zoude van tegenswoordig alleenlijk geschied kunnen herkomstig sijn om 't geen haar princes wedervaren uijt t geen men verstaen zoude wezen. heeft
English
From Amboina under date 25. September 1762. has, that at present foreign ships are in these waters, upon which perhaps this current trade and robberies of the Papuans might well rest. Thirdly, why last year, when that so-called envoy of the King of Batjang appeared here, they permitted their subordinate peoples to cross over to Batjang, since the Honourable Company's post is stationed here and in former times they have indeed rejected similar requests from that king. They answer that the absent orangkayas of Hatoeleng and Bessij were the first cause and seducers of their people, and also that the Batjangers at that time were very powerful, and they, on the contrary, being too weak to be able to turn them away, were forced to have to look on at this, for fear that they would otherwise be murdered; those of Hatoeleng having previously sent an express prahu to Batjang with two natives residing there, named Imam Bakar and Sapa, to give notice that they, together with some of their subordinates, were ready to cross over thither. The orangkaya of Hatoee adds to this that at that time he made his utmost effort to restrain his people, but through threats both from his own people and from those of Batjang that they would otherwise kill him, he was not able to prevent it. Fourthly, how they would now conduct themselves if those of Batjang were to come to them for a second time and wish to levy more people, whether they, along with their inhabitants, would not readily go over to them, or rather remain there. The radja of Saway says that those of Batjang already offered him 1 rattan with a gold knob and a quipersol to go over to them, had he been inclined to do so. But they were all answered that they did not wish to be ruled by any blacks like themselves, and to hold and remain steadfast to and by the Company, as their ancestors had also done, saying that they have entirely nothing to do with Batjang. Fifthly, discoursively further asked whether they then persisted in the answer given by them so resolutely in the past year to the so-called envoy of the often-mentioned King of Batjang who appeared here at that time, namely that they would not leave their negorijs as long as the Honourable Company maintained the post here. They all answer frankly yes, with protestations of always remaining faithful to the Honourable Company, showing various outward expressions regarding this, which indeed seemed to demonstrate their cordiality. Sixthly, whether the little garrison here was considered or deemed safe, or whether it should at times be regarded as being in danger, by land at night or unseasonable times through the instigations or secret undertakings of these or those hidden rogues, to commit violence against it as well as against their negorijs. They say or answer that the Honourable Company need not worry about this small post and little garrison, unless they were all completely overcome, promising unanimously always to provide all help and assistance that should indeed be in their power, and subsequently declare that they indeed see a chance, with the help of their Alfurs of Roemaolar and Roemasoral, to overpower or disperse those robbers when they come ashore. Seventhly, whether they would otherwise not rather see and consider themselves safer if our peoples were relieved from there, or in what manner they would believe they could best keep themselves, whether with or without our post and garrison, secured and preserved from all nuisance, violence, or misfortunes to their negorijs; having also added thereto that such a question was by no means made on account of any doubt of their good intentions and fidelities, but purely and solely done for us to know how, on our part for reporting, the best care for the well-being of them all might be taken. They answer that if this small post and the garrison were withdrawn from them, they would also gladly wish to be relocated from there, either to Lissabata or elsewhere, as the Right Honourable Lord Governor and Director of this province shall be pleased to deem fit, because without the garrison and the post they could not subsist against the violence and murders that often occur through such large bands of roving rascals; requesting us therefore that they might be provided with some more men as well as some ammunition for reinforcement in the present uncertain circumstances of the time, promising again to render their loyalty and all assistance to our garrison, mentioning that they have already given proof thereof by making new palisades, pagger, and new carriages for the cannon etc.
Dutch transcription
361 Van Amboina onder dato 25. Septemb: 1762. heeft, dat zig jegens woordig vreemde scheepen in deze vaarwa„ ters bevinden, waar op mis„ schien, dezen aquranten handel en roverijen der papoeen, wel stennen mogten.. Antwoorden dat de hun g'absenteerde Ten derden waaromme verle„ orangkayas van Hatrleng en Bessij de eerste oorzaak en verlydens van haar volr den jaar toen dien zo genaamde zijn, en ook de Battjangers dies tijds zeer magtig, en zy daar en tegen te zwak zendeling van den koning van zijnde, haar te kunnen afweezen, genood„ Battjang alhier verscheenen, zaakt waren zulx te hebben moeten aanzien, uijt vreese dat anders vermoond zoude werden, hebbende bevoorens die van Hatchaar onderhoorige volkeren „leng een expresse prauw naar Battjang hebben toegestaan na Batjang gezonden, met twee aldaar gezeten ge„ weest zynde inlanderen, in namen Imam over te gaan; wijl alhier Bakar en Sapa, om kennis te geven; sComp:s post legt en zijlieden dat gereed waren, om nevens nog eenige 6 van hun onderhoorige na derwaards over voortijds diergelijke verzoeken te gaan. Den orangkaya van Hatoee voegt hier van dien koning wel hebben by dat te dier tijd zijn uytterste devoir ƒ heeft aangewend, om zijn volk aan te afgeslagen houden, maar door dreijgementen zoo van zyn eygen volk, als die van Battjang van hem anders om t leeven te zullen brengen, zulx niet heeft kunnen keeren. Den radja van Saway zegt dat, dat die Ten vierden hoedanig zig van battjang hem alreede 1: rotting. thans wel zoude gedragen met een goude knop en een quiper sol heeft aangepresenteerd, om tot haar wanneer die van Batjang over te gaan, had hij zulx van sints geweest Voor Van Amboina onder dato 25: september 1762 geneept, dog ware door haar alle voor de tweede maal by haar mogte g'antwoord, dat van geen swarten aankomen en meer volk willen even als zij lieden geregeerd wilden wezen, en hun standvastig te hou„ ligten t zy of nevens hare Jn„ den, en te blyven, by en aan de Comp: zoo als haar voorouders ook gesetenen niet wel daar toe zou„ gedaan hebben met te zeggen dat den overgaan dan liever aldaar geheel met Battjong niet te doen verblijven hebben Antwoorden alle rondelijk van Ia, Ten vijfden discoursive onderbetuijging van althoos d E na dergevraagt of dan bleven peasistee„ Comp:s getrouw te zullen blyven met vertoning van diverje uytterlijxken bij t door hun A:o p:o zoo cordatelijk heeden, dienaangaande, die derzelver gegeven antwoord aan den doenmaals hertelykheijd wel scheenen te ken„ nen te geven alhier verscheenen zo genaamden zendeling van den meergem: koning van Batjang namentlijk dat zij. lieden hunne negorijen niet zouden verlaten zo lange d' E Comp:e al„ hier den post hielde zeggen of antwoorden dat dE Comp: Ten sesden of het guarnisoentje zig over dit postje en guarnisoentje alhier wel veijlig gerekend of ge„ niet behoeve te bekommeren, ten taxeerd, dan wel zomwijlen niet ware dat zij alle gehelyjk over„ wonnen werden, belovende eenparig wel in perijkel gehouden zoude lijk altoor allen hulp en bij stand, moeten werden, over de landwe die immers in haar vermogen zolgen bij nagt of ontijden door de wezen, te zullen toebrengen, en instigatien off geheyme ouderne„ verklaren vervolgens dat wel mingen van deze of geene kans zien om door t behulp van hun alphoreesen van Roemaolar Verborgen schelmen, tot t plegen en Roemasoral die roofers aan van geweld zo wel daar aan als de 363 Van Amboina onder dato 25:' September 1762 de wal komende, te overmeesteren als aan hunne negorien of te verzagen Antwoorden dat wanneer dit pogtje Ten Gevenden of dat ander„ en het guarnisoen van haar wierde sins wel met liever zoude sien wech- geligt, dat zij dan ook gaarne van daar, het zy op Lissabata of olders en zig vijliger mogen reeke. zouden willen verplaats wezen zoda nan wanneer onze volkeren nig als den wel Ed: agtb heer gouver van daar wierden opgeligt, neur en directeur dezer provintie dan wel op wat wijze zij zal gelieven goed te vinden wijl zon der het guarnisoen en de post, niet vermeenen zouden, zig ten zouden kunnen bestaan tegens het besten t zij met ofte zonder geweld en moorderijen die dikwils dien onzen popt en guarni„ door zo groote rotten swervend ge„ boefte geschieden; verzoekende ons soen van alle overlast, geweld dierhalven dat met nog eenige man„ of te onheijlen, aan hunne ne= schappen mitsgad:s eenigen ammomi„ gorijen verzekerd ende geje„ tie tot versterking mogten werden cureerd te kunnen zouden, versien, in tegenswoordige onzeker hebbende ook daar by gevoegt tijds omstandigheeden, belovende dat diergelijke vrage geensints weder hun trouw en allen bijstand aan onzen bezetting te doen, met uijt hoofde van Eenigen melding alreede daar van blijken twijffel, aan hunne goede te hebben gegeven met het maken Jntentien en getrouwigieden van nieuwe pallisaden, pagger, maar inkel en alleen te doen en nieuwe affuijten, voor het kwamen, om voor ons te mogen weeten, waar mede van onzen kant tot rap„ port, wel den besten voor zorge voor hun aller Wel„ stand genomen zoude kun„ nen werden canon etc. Ten
English
From Amboina, dated 25 September 1762. Eighthly, they were asked if, in case this small post were to be reinforced with another six men and additional ammunition according to their request, they would also be willing, solemnly and according to the custom of the country, to promise and swear to stand by their word and assurances as men of heartiness and loyalty in due time, and to lend our garrison the required mutual assistance. They all answered yes: that they are prepared to do so, adding that their elders and other subordinates, when that oath was taken, as well as all their Alfurs in general, might be present to do the same, because some of their subordinates may well say yes in their presence, yet sometimes cause their orangkayas every harassment. They requested, therefore, that such persons might then be apprehended and handed over to the sergeant for further dispatch to Amboina, which was granted to them. Finally, the sergeant, together with the native chiefs, requesting that they might be assisted with a couple of prince metal swivel guns, we have, subject to the honored approval of Your Right Honorable, issued to them on loan two pieces received from the yacht of Amboina, eight-pounders, along with 30 balls belonging thereto, 6 lead grape-shots, 1 copper ladle, and 1 sponge, wherein we hope to have done well. Beneath stood: Thus inquired by us at Sawaij, date as aforesaid. Signed: H. v. d. Brink and Junior Merchant Hk. Knop. Meeting held at Jawaen on Wednesday, 23 June, Anno 1762. Present: the Valiant Captain-Lieutenant Military Hendrik van den Brink, bookkeeper and resident at Rampa Jan Hendrik Knop, Fredrik Franke, sergeant here, Johannes Helerotta, orangkaya of Tomilehoe, ditto of Massavooij, Wanalakoe, ditto of Kelang, Intje Pattij, ditto of Bonoa Ranipa, Loulatoea, radja of Sawaeij, Chaloko, Christian orangkaya of the island of Bonoa, Pieter Salarone, Moorish ditto, Hitimala, ditto of Lissabata, Sekapattij, ditto of Hattileng, Massapait. Initially, the points of inquiry put on the 19th of this month to the native chiefs present here and their orangtuas were all presented to them again, and they were further asked whether they had anything to add to or take away from their answers given at that time, which was answered with no, from point to point. Whereupon the Moors took the oath of allegiance on the Quran, and the Alfurs also took theirs separately, for which purpose some jugs of arrack were poured out, in order to make them swear according to their custom, that with all such kinds of ammunition and other goods that are in use among them, and must presently be dipped in that drink or liquid, they will cause no molestation or any harm to the Company's subjects, whoever they might be, but on the contrary show them all help and assistance, which was completed along with more of their other ceremonies. Lastly, having been asked whether they also had anything to report or bring forward against or regarding the sergeant postholder, this was likewise answered with no, as the sergeant did the same, saying that all under him were in good peace and quiet, and he was aware of no disagreements or disputes between any of his men and any native. Beneath stood: Sawaij, date as aforesaid. Lower: Agrees. Signed: I. H. Knop. Further, at the question of his aforementioned Right Honorable, whether, given the thus speedy return of the aforementioned bark, and that at the same time for the present, without notable incidents or unforeseen occurrences, some good trust may well be placed in the security of that remote post; it might therefore not well be and serve at present to resolve, in respectful compliance with the highly honored wishes of their High Excellencies, already mentioned at large in our separate resolutions of 27 April last, to dispatch the same to Ternate, to reinforce the small fleet present there, for all our possible assistance in all such expeditions or undertakings as have been laid down and ordered for execution by the further, highly venerated dispositions of their well-mentioned High Excellencies, both to the ministry in that government and to its chiefs and commanding officers. While meanwhile by his aforementioned Honor the Governor was shown both the present state of our garrison to this day, a number of 129 heads of healthy Europeans and 78 ditto native soldiers, as also that after manning the aforementioned bark with the usual seamen, instead of deceased ones, the required sailors would still be at hand for manning our three pantchallings De Hoop, De Spion, and De Pepertuijn, with 14 heads each. And furthermore also, that the aforementioned vessel, since the hope for some fortunate crop has now fallen away, for which a few weeks ago all signs appeared to present themselves very favorably, is currently not so very much needed here; and the
Dutch transcription
Van Amboina onder dato 25. Septemb: 1762. Antwoorden alle Ia: dat daar toe Ten agsten hebben gevraagd berijd zijn, met bijvoeging, dat haar oud„ stens en verdere onderhoorige wanneer die dat wanneer dan dit postje Eed wierde afgelegt, nevens ook alle hare nog ses manschappen, en Alphoereesen in 't generaal present mog„ te wezen, om dezelve insgelijx te doen ammonitie ten meerderen wijl zommige dier hunne onderhorige, verstrecking ingevolge haer in presentie wel Iaa. zeggen, dog zom„ wijlen hun orangkayas allen overlast verzoek toe zetten, of aan doen, verzoekende dierhalven zij dan ook solemneelijk na dat de zodanige dan opgevat, en aan slands wyze wel belooven den zergeant ter verdere verzending en sweeren zouden willen na Amboina mogen overgegeven wer„ om als lieden van harte den, 't welk haar accordeeren Eijndelyk den zergeant nevens de jn„lijkheijd en trouw in tijd en landse hoofden verzoekende, dat, met wijlen hun woord en ver een paar prince metale stukjes mogten g'assisteerd werden, zo hebben wij op zekeringen ten vereijsten de g'eerde approbatie van uw wel Ed. onderlingen bystand aan Agtb: twee p. s uijt de I:t van Am„ bonia ter leen ontfangen 8 p:s nevens onze bezetting gestand te 30. daar toe gehorende kogels „ 6. lode doen. druijven, 1: kopere schut lepels, en 1. wisser, aan hun afgegeven waar inne verhopen wel gedaan te zullen hebben /onderstond./ Adus door ons afgevraagt tot sawacij dato voorsz: /getekend/. H. V. d. Brink en Jr Hk. Knop Vergadering gehouden tot Jawaen op woensdag den 23 Junij Anno 1762. Present : 365 Van Amboina onder dato 25:' Septemb 1762: den Manhaften capitan leijtendart militair Hendrik van den Brink „ boekhouder en resid. t tot Rampa Jan Hendrik Knop Fredrik Franke „ sergeant alhier . Iohannes Helerotta „ orangkayja van Tomilehoe _o „ Massavooij . Wanalakoe „ _o „ kelang. - . Intje Pattij _o „ Bonoa Ranipa Loulatoea radja „ Sawaeij - - - Chaloko „ Christen orang kaija van 't Eyland bonoa Pieter Salarone Hitimala „ Moorje _o_ „ dito van Lissabata - - Sekapattij Massapait „ dito „ Hattileng Aanvankelijk wierden de op den 19. dezes aan de alhier zynde Jnlandse hoofden en haar orangtoeas gedane vraag Poincten hun alle weder voorgehouden, en nader afgevraagd, of ook ietwes bij ofte van hunne doenmaals gegeven antwoorden hadden toe ofte af te doen t welk met neen b'antwoorden en van poinct tot po„ niet, waar op dan de mooren den Eed van getrouweng heid op den alkoran, en d' Alphoreesen ook de hunne in het bijzonder aflegden tot het welke eenige kannen strack zijn verschonken, om na hunne wijze hun te doen bejweeren, dat met alle zodanige soorten van Ammonitie en andere geneeren die bij hun in gebruijk Present zijn „ „ Van Amboina onder dato 25. septemb: 1762. zijn, en tegenswoordig, in die drank of vogt gedoopt moeten werden, geen mollest of eenig quaad aan s Comp.:s onderdanen het zij wie ook wezen mogte aan te doen, waar in tegendeel dezelve alle hulp en bijstand te thoonen, 't welk met meer andere hare Ceremonen volbragt wierde Laatstelyk haar wezende afgevraagt of ook iets tegens of omtrent den sergeant posthouder hadden te melden of in te brengen, zo wierd zulx almede niet Neen b'antwoord, gelyk den sergeant ook insgelijx deede, niet te zeggen dat alle onder hem in goeden rust en vreede, en geene oneenigheden of differenten van eenig van zijn volk met eenig inlander hem bewust waren. /onderstond:/ Sawaij dato voorsz /lager/ Accordeert /getekend/ I. H. Knop. In vrage voorts van voorm: zijn Ed: Agtb: of men mets den dus spoedigen weder te rug komst van voorsz: dien Barcq; en dat teffens voor t preesente ook zonder merkelijke tusschen vallen, of onvoorziene gebeurtenissen, omtrent den sekerheid van dien afgelegen poste, wel eenig goed vertrouwen te stellen is; derhalven te„ genswoordig niet wel zoude kunnen en dienen te resolveren om in eerbiedige voldoening aan de zeer g'eerde 367 Van Amboina onder dato 25: septemb: 1762. g'eerde geleevens harer hoog Ed=s /mn t breed roeds vermeld ter onzer aparte resolutien van 27 april Jongstleden:/ dezelve na ternaten af te zenden, ten versterking aan 't aldaar aanwezende vlootje, tot alle d' ons mogelijke adjudes in alle die zodanige Expeditien ofte onderne„ mingen, als waar toe verdere, de zeer gevenereerde dispositien van wel gem: Haar hooij Ed:s zoo wel aan t ministerium ten dien gouvernemente, als der zel„ ver hoofden en Commandeerende officiers, ten execu„ tie leggende ende g'ordonneert zijn Terwijl onder des door voorm: zijn Ed: den Heer gou verneur vertoond wezende, zoo wel den presenten staat van ons guarnisoen tot nog hieden, een aantal van 129 koppen, gezonde Europeesen en 78. d. o Jnland„ se militairen, gelyk ook dat na bemaning van voorm: Barcq met de gewoone zevarende, in plaatse van afgestorvene ten bezitting onze drie Pantjallings De Hoop, De Spion en de Pepertuijn, met 14. koppen ieder, de vereijste mattroosen nog zouden aan Ean„ den wezen: En zoo meede nog al voorts, dat voorm: dat vaortuyg mits thans den vervallen hoop tot eenig zoo ge„ lukkeig gewas waar toe voor weynige wezen, nog alle verschinselen zig zeer favorabel quamen voor te doen:/ tegenswoordig alhier juijst niet zoo zeer benodigt; En het
English
From Amboina, dated 25 September 1762. the transport of the apparent very meager products from the outer stations with the sloop De Nagelboom, which would then still remain on hand, by manning it with burghers and natives, would be feasible, this was thus spoken of and deliberated upon; and furthermore, above all the aforesaid, having also taken into consideration that in case such good dispositions are found at the Tidore court to counter the unrest currently fluctuating in these common eastern quarters, as mentioned in our separate resolution of 12 June, the aforesaid vessel would presently be of little service here, but on the contrary, that in the event of any change in that professed earnestness to the detriment of all such well-intentioned officers, the same might then be of even greater necessity and utility there, it was generally approved to dispatch the said vessel De Draak—fitted out in ship's crew and armaments as it has reached us from the main station—to Ternate towards the end of this month; and furthermore, after supplementing the 43 seafarers assigned to it, to have it then also embark 369 dated 25 September 1762 From Amboina embark a company of 48 head of well-trained European and mestizo soldiers under the command of Ensign Pieter Ernst Ludolp de Haaden, together with two European sergeants and four ditto corporals; provided with all such provisions that if necessary they can remain without want for a full whole year: just as on that account it was likewise understood that the resulting weakening of our garrison—which is still diminishing daily due to the disease and mortality currently rampant—is to be replaced from among the mestizo young burghers at ƒ 9.— per month; since the Lord Governor at the same time declared that several had already come forward to volunteer for this: while on the other hand the assembly also considered that, as regards the conjunction of some of the burgher vessels to the aforesaid little fleet present in the Moluccas, this seemed to His Honor to have little prospect, since the Chinese Li Tjairo and Ian Siko, presently lying ready for departure thither, having been made the proposal for this, and having been given some insight into affairs so far as necessary, both excused themselves in that regard solely and only on account of their trade through that voyage; and others with their sloops this year seemed to have directed their plans and intentions rather towards the main station, regarding which it was understood to keep a record here, with which this meeting was also concluded. Thus done and resolved at Amboina, year and date as aforesaid. Signed M: I: V. Idsinga, G. L. S. Benjecham, A=m I. Boudewijn, I. A de Villeneuve, C. F:k Treno and I. s Houthuijn. Underneath: Agrees. Signed W. J. V Lingen Clerk. 371 From Banda, 17 June 1762. Title I have not failed to confer with the park-keepers and other inhabitants residing here regarding that which Your High Nobilities were pleased to write in the venerated separate missive of 30 January 1762 concerning a certain expedition to be undertaken against the Papuans, wherein not the slightest inclination thereto was observed in any of them, unless in case of invasion of these islands, as they would then defend the same to the utmost; and Your High Nobilities will please not take it amiss that I have not too strongly encouraged them to the former, on account of the miserable state of the spice lands, as will be demonstrated in detail on a later occasion, since all the requested reports have not yet been completely submitted. I furthermore take the liberty to enclose herewith the signals by which the Company's ships and lesser vessels will be able to be recognized in the coming year. Concerning the park-keeper Babijn, I was compelled, on account of his persistent intriguing conduct and offensive discourses, initially not to allow him to appear on Neira except after prior express consent; and having nevertheless subsequently appeared here on his own authority, that harmful subject is now sent over at the disposal of Your High Nobilities. The ship De Hoop has arrived here without a sea-brief, and this has brought me into great embarrassment, with the humble request to be supported with Your High Nobilities' command as to how I shall have to conduct myself henceforth in cases of that nature, since the Banda papers from past times provide no examples. I remain with the greatest veneration. Underneath: Title as before. Was signed J:b Pelters. In the margin: Banda Neira, 17 June 1762. Examined Bleek Sworn Clerk 2nd volume Copy Incoming Secret Letter-book of the Respective Outer Stations from 1 January to 20 April 1762 Secret Incoming No: 10:
Dutch transcription
Van Amboina onder dato 25. Septemb: 1762. het transport der opparente zeer geringe producten van de buijten Comptoiren met den als dan nog aan handen blijvenden Chialoup De Nagelboom, door bemanning, met Burgers en Jnlanderen, wel te doen zal wezen, zo wierd over zulx gesproken, ende geraisfonneert, en voorts boven al 't voorzegde nog mede in aanmerking genomen zijnde, dat ingevalle aan 't Tidbriese hof gevonden werden, zulke goede dispositien, in tegengang der thans ter dezer gemeene ooster„ sche quartieren fluctuuerende onruiten als ter onzer aparte resolutien van 12: Junij vermeld zijn, meer voorsz dat vaartuijgh presente alhier van weijnig dienst, dog in Contrarie van wel dat bij eenig Chonge. „ment van dien betuygden ernst, ten effecte van alle diergelijke wel meewende officieren in tegendeel, t zelve als dan aldaar van te meer noodzakelijkheyd, en mitte wezen zoude kunnen, dan in 't gemeen goedge„ vonden, omme ditwijls dat genoemden bodemptie De Draat /:in scheeps Equipagie en armature, als in nog zodanig voorzien als ons van de hoofd plaat„ se is toegekomen :/ tegens t uijt gaan dezer maand na Ternaten af te zenden; En voorts omme na suppletie der daar op bescheyden geweest zynde 43 zeevarende, 't zelve als dan nog te doen em bra„ qreeren 369 onder dato 25: 7ber: 1762 Van Amboina „queeren een Comp.:e van 48 koppen wel gedreppeerde Euro„ pese en mixtise militairen onder Commando van den Vaandrig Pieter Ernst Ludolp de Haaden, nevens twee Europeese zergeants en vier d. o Corporaals; voor zien van alle zodanige vivres dat des noods een gansch rond jaar buijten gebrek blyven zullen kunnen: gelyk uyt dien hoofde insgelijx ook verstaan wierde den daar door veroorzaakt werdende verzwakking aan ons /door de thans grassirende ziekte on sterste dagelyx nog al diminueerende / guarnisoen; uyt den mixtisen burger Jonge manschap tegens ƒ 9. — p:r maand te remplaceeren; vermits den Heer gouverneur al teffens declareerde dat reeds verscheijden zig daar toe waren komen aan te lieden: Terwijl ten anderen ook al mede de vergadering bedeelde, dat wat aenbelangende den Conqunctie van eenige der„ burgervaartuijgen tot t voorsz in de moluccos aanwezende vlootje zulx zyn Ed: van weijnig apparentie scheen, vermits de thans na derwaards op vertrek leggenden Chineesen Li Tjairo en Ian siko, daar toe den propositie gedaan, en /: voor zo verre nodig eenig deurbield van zaken gege ven hebbende; beyde dezelve zig daar omtrent op hunnen Van Amboina onder dato 25. Septemb: 1762 hunnen koptwinning enkelyk en alleen door dien vaart waren komen te excuisieren; en andere met hunne Chialoupen dezen jare hunne dessamen, en voorne„ mens wel na de hoofdplaatse scheenen gerigt te hebben, waar van verstaan zynde alhier aanteke ning te houden daar mede dat ook deze vergade ring wierde besloten Aldus gedaan en gersolveert tot Ambonia Vivzd na dato voorsz /getekend M: I: V. Idsingo, G L. 8. Benjecham A=m I. Boudonin, I. A de Villenen„ pe ve, C F:k Treno en I. s Houthuijn /daar onder/ Accordeert. (getekend W. J. V lingen Tiers 371 Van Banda den 17. Junij 1762. Sijtel Jk hebbe niet verzuijmt, de alhier zijnde perkeniers en andere ingezetenen te onderhouden, over het gene uw hoog Edelheedens bij gevenereerde aparte missive van den 30. Januarij 1762. weegens zekere tegens de papoesen te doene expeditie hebben gelieven aan te schrijven, waar bij met een van allen daar toe zelve d' aller ge„ e ringste incliratie bespeurd, ten ware in cas van in vape dezer eijlanden, dewijl als dan dezelve ten uijttersten 9 zouden verdeedigen en uw Hoog Edelheedens zullen niet qualyk gelieven te neemen dat ik haar lieden tot het eerste niet al te sterk g'animeert hebbe, uijt hoofde van den miserabelen toestand der specerij landen, gelijk bij nadere occasie briedvoerig zal vertoogd werden, vermits alle de gevorderde berigten nog niet Com„ pleet ingelevert zijn Jk neeme verders de vrymoede, hier nevens te voegen de seijnen, waar mede s Comp. s scheepen en mindere vaartuijgen in anno proximo zullen konnen verkend werden Den perkenier Babijn belangende ben ik genood zaakt geweest, ter zake van zijne aanhoudende intri„ „ quante Van Banda den 17. Junij 1762 „quante gedoentens en aanstotelijke discoursen voor eerst op Neijra niet te laten verschijnen, dan na voorafgegane expres consent, en egter naderhand op eijge authoriteijt hier E verscheenen zijnde, zoo werd dat schadelijk subject thans over„ gezonden ter dispositie van uw Hoog Edelheedens Het schip de Hoop is hier zonder een zee brief g'arri„ veert, en dit heeft mij in groote verlegentheid gebragt, met eerbiedig verzoek, om te mogen gesterkt werden met uw hoog Edelheedens bevel hoedanig, dat ik mij ingevallen van die natuur voortaan zal hebben te gedragen, door dien de Bandaje papieren van den verweken tijd geene exempelen uijt leveren Jk ben met de aldergrootste veneratie /onderstond/ Tijtel als voren (was getekend J:b Pelters /in margine:/ Banda neijra den 17: Junij 1762. — Nagezien Bleek Gesw: Clercq 2 @ deel Copia aankoomend Secreet Driiefboek van de Respective Buijten Comp. toiren van pmo. January tot 20: April 1762 Secreet Aankomend No: 10:
English
Per the ship Voorland Received the 22nd January Via the Cheribon overland road Received the 5th April Per native vessel Received the 19th January Per native vessel Register of incoming letters and papers from the respective outer offices since the first of January until the 20th of April 1762. Cape of Good Hope Received the 23rd March 1762. Missive from the Lord Governor Tulbagh and the provisional Secunde Van Oudshoorn to Their High Excellencies dated 13th January current year. Page 28 Ditto from the Lord Governor Tulbagh alone to the same, of the same date. Java's East Coast Missive from the Lord Governor Willem Hendrik van Ossenbergh to Their High Excellencies of the 2nd December past year. Ditto from and to the same of the 12th January current year. Page 1 Ditto ditto ditto 18th March last. Page 35 Palembang Missive from the Resident Huijbert Jan de Heere to Their High Excellencies dated 8th January current year. Ditto to the Resident of Jambi A. F. van Solms under date of 21st December past year. Ditto from and to as above under date of 1st February current year. Page 19 Surat Per the ship Borsselen Via Ceylon Missive from the Lord Director Drabbe to Their High Excellencies under date of 22nd December past year. Page 167 Ditto from the aforesaid Director and the Secunde Kelly to the same, of the same date. Accountability of the Under-Merchant Willem Blaauwkamer regarding the 5 percent toll paid to the Raja of Cutch. Page 178 Missive from the Assistant Willem Smit at Ahmedabad to Director Drabbe, concerning the breaking up of this office. Page 180 Sumatra's West Coast Register Missive from the Commander C. L. Senff to Their High Excellencies under date of 12th March current year. Page 45 Missive from Mr. Samuel Ardley, council member at Madras and elected Governor of Bengkulu, to Their High Excellencies, written from Padang. Page 48 Translation of English missive by Captain Fredrik Vincent of Bengkulu directed to Commander Senff under date of 24th November past year. Page 57 Answer to that letter of the 24th December past year. Page 64 Translation of English missive from Madras to the Padang Council under date of 16th November 1761. Page 83 Ditto ditto ditto of the above-mentioned Mr. S. Ardley to the same dated 6th January current year. Page 86 Answer to the same under date of 7th January current year. Page 89 Ditto English missive from the repeatedly mentioned Mr. S. Ardley to the Padang ministers of the 8th January current year. Page 91 Translation of English missive from and to as before of the 20th January current year. Page 94 Two answers to the aforesaid two letters on the 9th and 21st January current year. Page 97 & 100 Answer to the ministry of Madras to the above-cited missive under date of 19th January current year. Page 102 A set of secret Padang Resolutions of the 10th October and 16th November past year. Page 104 Missive from the former Air Haji Resident Seyffert to Their High Excellencies of the 17th October past year. Ditto from and to as above dated Padang the 30th January current year. Page 135 From Palembang the 8th January 1762. Copy of incoming secret letters and papers from the respective outer offices since 8th January until the 20th of April 1762. Batavia To His High Excellency, the High Noble, Rigorous, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Gentlemen Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Rigorous, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Honorable Gentlemen. Their High Excellencies' esteemed letters dated 30th October past year, I also found myself honored with on the 18th of the past month per the small vessel Bronstee. In which Their High Excellencies, not without reason, are pleased to make known their displeasure over the Sultan's fickleness and retracting of his word regarding the placing of his brother Pangerang Nata Casoema upon the throne of Jambi. And having spoken with His Highness again upon the arrival of the ship Bronstee, by the undersigned, regarding that project, and having given the Prince not indistinctly to know that his changeable nature could hold little reputation with Their High Excellencies, and furthermore, as much as was indeed possible for me, having urged the Sultan to carry out the work that had been so well begun, I offered on that occasion the ship Bronstee for that purpose; indeed, resolved all the difficulties that the Prince raised, taking them all for the undersigned's account, yet to my regret all those efforts had not much fruit or effect, the Prince saying nothing else than: I do not reject the matter altogether, and there resides no impossibility in carrying out the project; but let the Honorable Company first have firmly established itself at the Compee, and its fortress be finished, and then let us see what the Minangkabau will carry out with the Jambi people, who is very enraged at the Sultan of Jambi, and it is to be feared that a
Dutch transcription
p. r 't schip voorland ontf: den 22: Jann: over den cheribonsen land„ „weg ontf: den 5. april „ p. r inlands vaartuijge ontf: den 19: Janu: p. s inl:e vaartuijg Register der aankomende brieven en Papieren van de respective buyten Comptoi ren zedert primo Januarij tot den 20. ' april 1762 Cabo de goede Hoop ontfangen den 23. maart 1762 Missive van den heer gouverneur Teilbagh en den p:l secunde van Oudshoorn aan haar Hoog Edelens ged:t 13:' January a. o c. r. . . Pag. 28 _o van den h:r Gouverneur Tulbagh alleen aan als even van dezelve dagtekening. . . . „ Iavas oost Cust „ Missive van den heer Gouverneur Willem Hen„ drik van ossenbergh aan haar hoog Edelens van den 2:' december a:o po. . - - - - „ _o van en aan als even van den 12:' Janu: a. o C. t„ 1 „ „ „ 18:' maart Jongstl:„ 35 Palembang „ Missive van den Resident Huijbert Jan de Heere aan haar hoog Edelens ged:t 8: Janu: a. o C _o aan den Resident van Jambij A: F van solms sub dato 21. decemb. a. o p. o _o van en aan als boven sub dato 1:' febru„ arij a.o C „ 19 _o „ „ - . - .. „ „ Souratta p:r 't schip Borsselen over heijlon Missive van den heer Directeur Drabbe aan haar hoog Edelens de dato 22. decemb:r a:o p. o - Pag. 167 _o van evengem directeur en den secunde Kelly aan als even van de zelfde dagtekening- „ Verantwoording van den onder coopman Willem Blaauwkamer wegens aan den Radja van kets betaalde 5. p:r C:t, tol - - - - - „ 178 Missive van den assistent Willem Smit te Amed-abaat aan den directeur Drabbe, over d' opbrake van dit Comptoir - „ 180 Sumatra's West Cust Register Missive van den Commandeur C. L. Seuiff aan haar hoog Edelens de dato 12: maart a.:o C: van den heer Samuel Ardler raadslid te Nadras en g'eligeerd Gouverneur van Banca hooloe aan haar hoog Edelens, van Padang geschreven Translaat Engelse missive door den Capitain fredrik vincent van Bancahoeloe aan den Commandeur Jeuff gerigt sub dato 24 „ 57. Antwoord op dien brieff van den 24. decb. a. o p. o „ 64. Translaat Engelsche missive van madras aan den Padangsen Raad de dato 16. 9ber: 1761 - - „ 83 _o _o _o van bovengem: heer S: Ardley aan als even ged:t 6. Janu: ao c:r november a. o po - - - - - 86. -„ 45 B'antwoording - - . „ 48 .. . . . . „ Bantwoording van dezelve sub dato 7: Januari a. o c _:o Engelsche missive van dik gem heer 'S Ardleij aan de Padangse mi„ nisters van den 8. Janu: a. o c. r --- „ 91. Translaat Engelsche missive van en aan als vooren den 20. Janu a. o c :. - - - „ 94. Twee antwoorden op d' evengem: twee brie„ ven op den 9 en 21. Januarij a. o Co. „ 97. & 100 Antwoord aan het ministerium van Ma¬ dras op de hier boven geciteerde mis„ sive sub dato 19. Janu: a. o C. r - - „ Een stel secreete Padangse Resolutien van den 10. october en 16 november a. o p:o. „ 104 Missive van den genezen adjarhadjas resident seijffert aan haar hoog Edelheedens van den 17. october a=o po _o van en aan als etven ged:t Padang den 30. Ianuarij a. o C 135 102 Pag: 89 555. O . . . . - „ - - „ Van Palembang den 8' Januarij 1762. Copia aankomende Secreete Brieven en Papieren van de respective buijten Comptoi„ „ren sed:t 8: januarij tot den 20 April 1762. Batavia Aan zijn hoog Edelheijd den hoog Edelen Gestr: groot Achtbaren weijdgebiedende Heere Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal en De wel Edele Heeren Raden van Nederlands Jndia Hoog Edel Gestr: Groot Acht„ baeren Weijdgebiedende Heer en wel Edele Heeren Uw Hoog Edelheedens g'agte letteren in dato 30: october A:o paps:o, vond ik mij mede vereert op en 18 der gewekene maand p:r 't scheepje Bronstee Waar in uw hoog Edelheedens, niet zonder reede„ erzelver misnoegen gelieven te kennen te geven over Van Palembang den 8' Januarij 1762. Copia aankomende secreete Brieven en Papieren van de respective buijten Comptoi„ „ren sed:t 8: januarij tot den 20 April 1762. Batavia Aan zijn hoog Edelheijd den hoog Edelen Gestr: Groot Achtbaren weijdgebiedende Heere Petrcs Albertus van der Parra Gouverneur: Generaal en De wel Edele Heeren Raden van Nederlands Jndia Hoog Edel Gestr: Groot Acht„ baeren Weijdgebiedende Heer en wel Edele Heeren Uw Hoog Edelheedens g'agte letteren in dato 30: october A:o pass:o, vond ik mij mede vereert op den 18. der gewekene maand p:r 't scheepje Bronstee Waar in uw hoog Edelheedens, niet zonder reede„ derzelver misnoegen gelieven te kennen te geven over Van Palembang den 8. Januarij 1762 over des zulthans wispeltuurigheid en retractee„ ren van zijn woord, omtrent het op den throon van Jambij plaassen van zijn broe„ der Pangerang Nata Casoema en sijn hoogheid, bij het arriveeren van 't schip Bronstee, door den ondergetekende nopens dat project weder onderhouden hebbende, en den Torst niet onduijdelijk te kennen gegeven, dat zijn veranderlijken aardt weinig reputatie bij uw Hoog Edelheedens kon hebben, en verders, zo veel als immers mij mogelyk was, den zulthan aangezet, om het werk, dat zo wel begonnen was ten uijtvoer te brengen, presenteerde bij die gelegentheid 't schip Bronstee daar toe aan; ja op losten alle de zwarigheeden, die den vorst opperde„ neemende die alle voor den ondergeteken„ dens reekening, soo had egter tot mijn leet: weezen alle die pogingen niet veel vrugt of uijtwerking, zeggende den vorst niet anders, ik wijs de zaak niet ten eenemaal aff, en daar en resideert geen onmogelijkheit in tot het uijtvoeren van 't project; maar laat de E: Comp:e zig eerst aan de Com„ pee vast ter neer gezet hebben, en zyn fortres klaar zijn, en dan laate wij eens zien, wat den Manicaboor met den Jambijnees zal uijtvoeren, die zeer veertoornt op den zul„ than van Jambij is, en te dugten staat, dat een
English
From Palembang, the 8th of January 1762 will make an incursion into the Jambij region, and then we would be able to fish in troubled waters, as the Manicabor will be on the Honorable Company's side. This is all that I can report to your High Nobilities regarding the sultan his intention, but on the other hand assure that the pangerang Nata Casoema longs for the hour that that day may come, that he may profit from your High Nobilities' favor, his highness having visited me in private a few days ago, and having reaffirmed such by word of mouth once again. Your High Nobilities can be assured that the undersigned will not fail, whenever an opportunity should present itself to execute the project, to profit therefrom. From the letters now being forwarded from the resident van Solms, received a few days ago, your High Nobilities will see how matters are already situated there and with what stubbornness the Jambij king continues to persist, it appearing clearly therefrom that there is nothing to be achieved for the Honorable Company with that sultan. From an incident with a Manicabo prince arrived at the Company, and circumstantially mentioned in the resident his letters, it appears as if Jambij had not much good to expect from upriver, if one From Palembang, the 8th of January 1762 can place faith in the Manicabor, the Honorable Company could profit therefrom to its advantage, his Jambij highness could be placed between two fires, and thereby brought to reason; which time will have to show. And since the resident is in uncertainty whether that Manicabo Prince is indeed the one he pretends to be, I have, pursuant to the resident his request, made inquiries thereinto, and found nothing other than what that prince has recounted to the Company, Leaving to the speculation of your High Nobilities to accompany my letter sent to Jambij regarding that case and to which I respectfully refer. While with deep respect I remain, below stood, High Noble Severe Right Honorable Wide Commanding Lord and Right Honorable Lords, lower, your High Nobilities' humble and obedient Servant, was signed, H: I: O. Heere, in margin, Palembang the 8th of January Anno 1762. Jambij From Palembang under date the 8th of January 1762. Jambij To the junior Merchant Ajax fredrik van Solms Resident there Honorable Pious By the mate Velthuijsen, your packet of papers was properly delivered on the 13th of this month, along with trade and pay books for their High Nobilities, the High Indian Government, to which illustrious body those papers will be sent as soon as the opportunity presents itself. Having also perceived from your papers the visit paid to you by a Manicabo Prince, and wherein you seem in uncertainty whether he actually is whom he pretends to be; concerning this I have made all possible inquiries, and have not been able to perceive otherwise than that he is the same as he says to be, except a brother's From Palembang under date the 8th of January 1762. son of Jan pattuan Satti and not an own son, and as it appears to me, you have nothing evil to fear from him, but friendship to expect, since the envoys show that the Manicabos are very bitter against the Jambij people, and if their statements can be relied upon, they wish to attack the Jambij people from upriver; in such case it would be good fishing in troubled waters for the Company, and the king could thereby be brought to reason, being then caught between two walls, sitting in the tub, the outcome of which must be awaited. For the rest, I know nothing else to impart other than that some Manicabos who arrived here with Velthuijsen have undertaken their journey to the upper lands, in order, as is said, to make known to the Manicabos the affront that the Jambij people are said to have done to their prince, so that it would not be surprising if his Jambij highness received an unpleasant visit from those people. The bearer of this, the mate Velthuijsen, returns today with a small vessel, and I hope he will find you and the garrison in good condition. With which, after greetings, I remain, below stood, Honorable pious, lower, Your Serviceable Servant, was signed, H: I. De Heere in margin, Palembang the 21st of December 1761, below stood, Agrees, was signed, H. I. d. Heere Batavia From Java's East Coast, the 2nd of December 1761. Batavia In my last humble letter, of the 19th of the past month, I found myself obliged to report to your High Nobilities that Pangerang Rongo and their adherents had penetrated into Tjinkalzewoe, with the intention to invade Pattij; which they also put into effect on the 25th ultimo; advancing in three parties, and after little resistance drove off the Pattij, Ioana, and other peoples who had positioned themselves there, after which the enemy made themselves master of the Negorij Pattij itself, and partly reduced it to ashes. Their intention was, furthermore, as I was informed, either to attack the fortress Ioana, or, which is the most probable, to move into Coldus and settle there, because the brother-in-law of Rongo, named Soemawiedjaja, who accompanies him and is indeed the principal To as before in
Dutch transcription
3 Van Palembang den 8: Janu: 1762 een inval in 't Jambijse zal doen, en dan zou„ den wij in troebel water konnen vissen; alzo den Manicabor op den E: Comp: kant zal zijn: Dit is al 't gene ik uw Hoog Edelheedens, no„ pens den zulthan zijn intentie, kan melden; maar daar en tegen versekeren, dat den pange„ „rang Nata Casoema verlangt na het uur, dat die dag mag komen, dat van uw hoog Edelheedens gunst mag profiteeren, zynde zijn hoogheijt over eenige dagen bij mij in stelte ter visite geweest, en zulx niet monde nogmaals betuijgt uw Hoog Edelheedens kunnen versekert zijn, dat den ondergetekende niet zal in gebreke blijven, om, wanneer zig een Occasie mogt op doen, ten eynde het project uijt te voeren, off zal daar van profiteeren uijt de thans overgaande brieven van den resident van Solms over eenige dagen ontfangen, zal uw Hoog Edelheedens blijken, hoedanig de zaken daar reets gestelt zijn en bij welke hardnekkigheijt den Jabijse koning blijft persisteeren, blijkende daar uijt klaar dat er voor d E Comp. e niets met dien zul„ „than uijt te voeren is uijt een geval met een manicaboose vorst„ aan de Compe aangelant, en omstandig bij den resident zijn letteren vermelt lij„ kent het, als off jambij van boven niet veel goeds te verwagten stondt, bij aldien men Van Palembang den 8. January 1762 men gelooff mag slaan aan den manicabor, soude d'E Comp:e daar van ten voordeele kunnen profiteeren, zijn jambijse hoogheijd tusschen twee vuuren gezet konnen worden, en daar door tot reden gebragt; 't welk de tijd zal moeten leeren En dewijl den resident in t onseker is off dien manicaboose Prins wel die geene is, waar zig voor uijt geeft, heb ik ingevolge den resident zijn verzoek daar na mij g'infor„ meert, en niet anders bevonden, als te geen dien prins aan de compee verhaalt heeft, Latende tot speculatie van uw Hoog Edel heedens versellen mijn afgezonden briefje na jambij omtrent dat geval en waar aan mij eerbiedig gedrage Terwijl met diep ontsag blijve /:onderstond:/ Hoog Edel gestr: groot Achtb:r Weijd gebie„ dende Heer en wel Edele Heeren /lager/ uw Hoog Edelheedens ootmoedige en gehoor„ same, Dienaar /was. getekent/ H: I: O. Heere, /:in margine:/ Palembang den 8:' Januarij A:o 1762. Jambij Van Palembang onder dato 8: Janu: 1762. Jambij Aan den onder Coopman Ajax fredrik van Solms Resident aldaar Eersame Vrome Door den stuurman Velthuijsen is op den 13 dezer wel bezorgt uE paquet papieren, nevens negotie en zoldy boekjes voor haar Hoog Edelheedens, de hooge Jndiaansche Regeering, na welkers illustre lig„ raam die papieren zo ras zullen verzonden worden, als d' occasie zig daar toe op doet; uijt UE: papieren almede ontwaard hebbende de visi„ te door een manicaboos Vorst, bij uE gegeven, en waar in uE in t onzekere lijkent, of wel wezentlijk is, daar zig voor uijt geeft; hier om„ trent heb ik alle mogelijke na vorsing gedaan, en niet anders kunnen ontwaren, of is die„ zelve, zoo als zegt te zijn, Excepto een broers Van Palembang onder dato 8:' Janu: 1762. broers zoon van Jan pattuan Satti en niet een eijge zoon, en zoo het mij voor komt, heeft uE. niets quaads van hem te dugten, maar een vriendschap te verwagten, dewijl de gezanten laten blijken de manicaboos zeer verbittert op den Jam „bijnees zijn, en zoo, op hun gezegdens, staat te maken is, den Jambynees willen van boven attacqueeren; in zulken geval zoude het goed vissen voor de Maatschap„ „pij in troebel water zijn, en den koning tot reden daar door kunnen brengen, alzo dan tusschen twee muuren, in de kuip sittende, en na welkers uijt komst men moet wagten. voor 't overige weete niets anders te bedeelen, als dat eenige Manicaboos, die met Velthuijsen alhier aangelant zijn, hun rijs na de boven landen heb„ ben aangenomen, om, zoo men zegt, aan de ma„ nicaboos bekent te maken het affront, dat den Tambijnees hun vorst zoude aangedaan hebben, zo dat het niet te verwonderen zoude zijn, als zijn Iambijse hoogheit een onaangename visite van dat volk ontfing. Brenger dezes den stuurman Velthuijsen gaat heden met een klijn vaartuijg te rug, en hope uE. en de besetting in goede staat zal aantreffen Waar mede na groete blyven /:onderstond:/ Eersame vrome /:lager :/ uE. Dienst„ vaerdigen Dienaar /:was getekent:/ H: I. De Heere /:in margine:/ Palembang den 21. xber: 1761 /onderstond:/ Accordeerd /was getekent:/ H. I. d. Heere Batavia Van Iava's oost Cust den 2:' decemb:r 1761. Batavia In mijne laatste nedrige, van den 19: der verweke maand, vond ik mij verpligt, uw hoog Ede„ lens te moeten melden, dat Pangerang Ron„ „go en hun aanhang, Tjinkalzewoe waren ingedrongen, met intentie om Pattij te in„ vaderen; 't welk zij ook op den 25:e pass:o hebben in 't werk gesteld; rukkende in drie parthijen op, en verjoegen na weijnig tegenstand de Pattijsche, Ioanasche en andere volkeren, die zig daar geposteert hadden, waar na den vijand zig van de Negorij Pattij zelfs heeft meester gemaakt, en het zelve voor een gedeel„ te in d' assche gelegt Hun voornemen was, wijders, zo mij be„ rigt wierd, of het fortres Ioana te attac„ queeren, of het geen wel het waarschijnelijkste is, Coldus in te trekken, en daar zich ter neder te slaan, om dat de zwager van Rongo, genaamt Soemawiedjaja, die hem verzelt, en wel de voornaamste vol Aan als vooren in
English
From Java's East Coast the 2. decemb:r 1761 seems to play a part in this rebellion, is a son of a former Pangerang Pontjowattij, originally from Coedus, and who, it is feared, might still find a large following there. In order now to check these raiders at the beginning, who are currently said to be as much as 600 heads strong, and wherever they go find little resistance due to the absence of the Regents and the best men, and before they grow larger through increasing good fortune, and if possible to eradicate them entirely, or at least to scatter them and render them powerless, I have immediately, upon receiving those tidings, dispatched Captain Fiedler thither with two officers and 70 European private soldiers, who, reinforced by 100 select Semarangese, some Demak, Japara, and other Javanese, has already marched from Japara to Coedus. I trust that the measures I have taken will be successful, the more so because the Susuhunan, who already wished to withdraw his small armies because Wieromiedja has retired to Malang From Java's East Coast the 2. Decemb: 1761. and is hiding there, has at my insistence still ordered his bands to take up positions in the east to keep watch on him, and has commanded Pangerang Timor with some men to seek out and defeat Rongo and his adherents. And the Sultan's forces, 400 men strong, have likewise arrived in that vicinity, and have even fallen unexpectedly upon these vagabonds as they came out of the forest of Coedus, massacred 26 of them, and intend to search for them further and to demolish the land of Rongo. Whereby I assume that, under God's blessing, this fire, which has smoldered for some time already, well-covered but not extinguished, will soon be completely quenched, so that this blessed land, which is just beginning to taste the fruits of peace, will not again be disturbed and plagued with fire and sword. Furthermore, I take the liberty to communicate that in Pamacassang a certain Tapa has set himself up, using the same banner that the Tapa Isap had, who caused so much unrest on Madura in the year 1750; however, the Pamacassangers, having overpowered him, have cut off his head, and thus everything there is at peace again. The Susuhunan, through Resident Beuman, has urgently requested me for 50 carbines for the service of his troops in the field, which, so as not to cause any unpleasantness, I did not dare to refuse His Highness outright, nor could I grant it without Your High Right Honourables' previous authorization, but I had that prince informed in courteous terms that we currently have few of those firearms in stock, and therefore shall first request the same from Your High Right Honourables; and since such requests now occur frequently and are to be expected, both from that prince and from the Sultan, I therefore very respectfully insist upon being strengthened with Your High Right Honourables' honored orders as to how I am to conduct myself in this regard henceforth. For the rest, I hope that Your High Right Honourables will please to honor my humble proceedings with your favorable approval; remaining with true respect. was underwritten Your High Right Honourables' very obedient and dutiful servant was signed Will: Hen: van Essenberch in the margin Samarang the 2. December A o 1761 Batavia From Java's East Coast the 12 January 1762. Batavia To As above Since the dispatch of my last of the 22: December past, I have heard nothing with certainty, neither of Wieradmidja nor of Rongo; except that the latter is said to be hiding with 3 to 4 men in the Grobogan district, so that, thank God, all is at peace again; the armed forces of the Susuhunan, as well as those of the Sultan, having returned home. Nevertheless, I have most strictly charged the respective Regents everywhere to keep a watchful eye and to cover their lands against an unexpected invasion. In compliance with Your High Right Honourables' most honored orders, having informed the princes of the recall of Pangerang Sourbaija who was exiled to Ceylon, the Sultan has had polite thanks returned to me for that communication, but at the same time earnestly requested From Java's East Coast the 12. Januarij 1762 that I propose to Your High Right Honourables that the mentioned Pangerang, according to Your High Right Honourables' pleasure, might receive another name, on the grounds that His Highness declared he could not hear that name without inner distress, and that there have also been three unfortunate Princes of that same name on Java. According to the tenor of Your High Right Honourables' general letter of the 19 November past, I have investigated the request of the regent of Lassum to be released from half of the delivery of 1000 beams, in the presence of the Panambahan of Madura; which request does not appear unfounded to me, for previously his contingent consisted of 1000 beams, of which half was paid to him, and 25 koyans of rice, likewise for payment; but in the year 1758 it was favorably granted to him by the former Governor Mr. Hartingh that he could suffice with the delivery of 500 beams, provided
Dutch transcription
Van Iavas Oost Cust den 2. decemb:r 1761 in deze rebellie schijnt te spelen, een zoon is van een voormaligen Pangerang Pontjo wattij, uijt Coedus oorspronkelijk, en die daar zo men vreest, nog veel aanhang zoude vinden. Om nu deze stroopers, die egter thans gezegt worden, wel 600. koppen sterk te zijn, en waer zij komen, door absentie van de Regenten en 't beste volk, weinig resistentie vinden, in den beginne, en eer zij, door aanwas van geluk, groo„ ter worden, te stuiten, en, zo 't mogelijk is, hen geheel uijt te roeijen, ten minsten te doen verspreiden en magteloos te maken, heb ik den Capitain Fiedler aanstonds, na 't ontfan„ gen van die tijding, derwaarts gezonden met twee officieren en 70. gemeene Europesche soldaten, die versterkt door 100 uijtgeleese samarang„ sche, eenige Damakje, Iaparapche en andere Javanen, reeds van Iapara naar Coedus is opgemarcheerd. Ik vertrouwe, dat myne genome maatre„ gulen van succes zullen zijn, te meer de soesoehoenang, die zijne legertjes reeds wil„ den intrekken, om dat wieromiedja in Ma„ „lang Van Iavas oost Cust den 2. Decemb: 1761. lang geretireerd is, en zig aldaar schuil houd, op mijne instantie zin benden om d' oost nog heeft laten post vatten, om den zelven gade te slaan, en den Pangerang Timor met eenig volk gelast, om Rongo en zyn aanhang op te zoeken en te verslaan, En des sulthans volkeren, sterk 400 man„ nen mede daar om streeks zijn aangekomen, en zelfs deze zwervers, zo als zij uijt het bosch van Coedus kwamen, onverwagt op 't lijf gevallen, 26. daar van gemassacreerd, en voornemens zijn, hen verders op te zoeken, en t land van Rongo te demoliceren. waar door ik stelle, dat dit vuur, onder Godes zeegen, 't welk al eenige tijd gesmeult heeft, en wel toegedekt, maar niet uijtge„ blujht is, spoedig geheel zal werden uijtge„ dooft, op dat dit gezeegend land, 't geen even de vrugten der vrede bequnt te smaken, niet weder ontrust, en met vuur en zwaard getysterd werden. Voorts neme de vrijheid te Communi„ ceeren, dat in Pamacassang zig weder op Van Javas oostCust den 2. december 1761 opgeworpen heeft een zekere Tapa, gebruijkende het zelve vendel, dat de Tapa Isap gehad heeft, die in den Jare 1750 op Madura zo veel onlusten verwekt heeft: dog de Pamacassangers, hem magtig geworden zynde, hebben hem het hoofd af„ gesneden, en dus is alles aldaar weder in rust. Den soesoehoenang heeft mij door den Resident Beuman instantig laten verzoeken, om 50. Carbijnen, ten dienste van zijne troepes in 't veld, t welk ik zijn Hoogheit om geen geënelijkheid te verwekken, niet wel absolut heb draven refusooren, en ook niet buijten uw Hoog Edelhedens praatabele qualificatie ac„ cordeeren, maar ik heb dien vorst in minzame termen laten zeggen, weinig van dat schietgeweer thans in voorraad te hebben, en daarom dezelve eerste van uw Hoog Edelens te zullen verzoeken, en nadien nu diargelijke verszoeken al veelmaal voorkomen, en te verwagten zijn, zo van dien vorst, als van den sulthan: zo insteere zeer eerbiedig, om met uw hoog Edelhedens g'eerde beveelen gesterkt 11. Van Iavas Oost Cust den 2. decemb:r 1761. te worden, hoe mij hieromtrent voortaan te gedragen Voor 't overige hoop ik, dat uw Hoog Edelens mijne geringe verrigtin„ gen zullen gelieven te vereeren met hun ne gunstige approbatie: blijvende met waare eerbied. /:onderstond:/ uw Hoog Edel„ heedens zeer gehoorsame en Trocur„ schuldigen Dienaar /was getekent:/ Will: Hen: van Essenberch /:in margine:/ Samarang den 2. december A o 1761 Batavia - Van Iavas Oost Cust den 12 Januarij 1762. Batavia Aan Als vooren Sedert de depeche myner laatste van den 22: december Jongstleden, heb ik niets niet zeker „heid, zo min van Wieradmidja, als Rongo, ver„ nomen; als den laastgenoemde met 3 a 4 man in 't Grobogangsche zich zouden schuil houden zo dat, God dank alles weder in rust is; zijn„ de de krijgsvolkoren van den soesoehoenang, zo wel als van den sulthan, naar huis vertrokken, edoch ik heb echter alomme de respective Regenten ten ernstigsten gelast, een makend oog te houden, en hunne landen, voor een onverhoopte invasie, te dekken In voldoening van uw Hoog Edelhedens zeer g'eerde bevelen de vorsten verstendigt hebbende van de te rug-roeping der naar Ceilon ver heeft de sul„ bannen Pangerangs Sourbaija; Aan mij voor die communicatie beleefdelyk laten bedanken, doch teffens ernstig verzogt, om Van Iavas Oost Cust den 12. Januarij 1762 om uw Hoog Edelens voor te dragen, dat gemel„ de Pangerang, naar uw hoog Edelheedens goedvinden, een andere naam mogt erlangen, uijt hoofde zyn Hoogheijt betuigde dien naam niet, dan net innerlyke aandoening hooren konde, en er ook drie ongelukki„ ge Prinsen van dien zelven naam op Iava geweest zijn. Naar Den teneur van uw Hoog Edelhee„ dens gemeene letteren van den 19 novem„ ber pass. o, heb ik het vervsoek des regents van Lassum, om van de helfte der leve„ rantie van 1000. balken gelibereert te wer„ den, in de tegenwoordigheit van den Pa„ nambahan van Madura, onderzogt; welk verzoek mij niet ongegrond voorkomt, want voor heen bestond zijn Contingent in 1000. bakken, waar van hen de helft betaald wierd, en 25. Coijangs rijst mede voor betaling; doch in den jare 1758. is hem door den gewezen Heer gouverneur Har„ tingh gunstig g'accordeert, dat hij met de leverantie van 500. balken konde volstaan, mits
English
From Java's East Coast, the 12. January 1762. provided that he delivered them for nothing; nevertheless, he testifies to have had to deliver annually 1000. beams, both for shipbuilding and transport, without receiving any payment for them. Subsequently, on account of the poor condition of his district for rice cultivation, having been liberated from his rice contingent, he has undertaken in exchange to deliver annually a Pantjallang of 11 fathoms to the Company, which he has also already accomplished this past year; however, finding that this burden is too heavy, to deliver both 1000. beams and a Pantjallang for nothing, whereas he formerly received payment for 500. beams and 25: Coyangs of rice, he humbly requests Your High Nobilities that he may henceforth subsist by delivering 600 beams for nothing, and a Pantjallang of the aforementioned size also for nothing, provided that the nails and iron needed for it are furnished to him on the Company's behalf. Furthermore, I take the liberty to communicate to Your High From Java's East Coast, the 12. January 1762. Nobilities that the Radeen Tommangong of Sumanap has passed away on his journey home; as whose successor I very respectfully nominate to Your High Nobilities the deceased's second son, Radeen Aria Nata Casoema, under the title of Radeen Tommangong Nata Casoema. The reasons, Right Honourable Sirs, which have moved me to nominate the second son, bypassing the first, and moreover also bypassing the Radeen Bagchus or Aria Adicara, who by his birth would indeed be the closest to that Regency, I take the liberty to bring before Your High Nobilities with reverence: trusting that Your High Nobilities will rest assured that by this I intend nothing other than the well-being of the Company, land, and people. First of all, the Depattis request, as appears from an extract secret letter, dated the ultimate of December, from the commander Coertse, and the attached copy translation of the letter written by the Depattis to the commander, From Java's East Coast, the 12 January 1762. in their name, as well as in the name of the high and low mantris and the entire people, that one of the legitimate sons of the deceased Regent might succeed the father. What trouble there would be in this, and how greatly one would expose oneself to the danger of unrest, discord, and even rebellion, if one were to force a Regent upon them against the will of the people, who, although the greatest right pleaded for him, might very easily have to follow the unfortunate footsteps of his father and uncle, I will gladly leave to Your High Nobilities' enlightened judgment. The oldest son of the Regent is almost unknown and considered a dreamer, little capable of governance, for whom the father himself had little esteem, and, always setting him aside, wished and destined his second son to be his successor, being, according to the writing of the aforementioned commander Coertsz himself, whose note also From Java's East Coast, the 12 January 1762. accompanies this in copy, a humble man who seems to possess quite a reasonable judgment. Moreover, he is a son-in-law of the worthy Panumbahan of Madura, who has most urgently requested me to nominate him, to which I was finally moved by his persistent requests, because I could find no benefit in refusing him, but, on the contrary, judged it to be of the greatest utility to the Company to bind His Highness irrevocably to our interests through this newly bestowed favor. It is true, Right Honourable Sirs! Thereby he gets a firm grip on the entire island of Madura, of which, for weighty reasons of state, a portion has always prudently been withheld from him: but on the one hand, I trust that his constant attachment to the Company is not to be doubted; and on the other hand, he has already become so great that, if he ever intended harm, From Java's East Coast, the 12. January 1762. it would matter little to the case whether he had bound Sumanap to himself under the title of father-in-law or not. Besides this, his daughter was already married during the lifetime of the Radeen Tommangong Tirta Nagara to his son; which among them also engenders friendship; and thus he previously had as much influence in that Regency as he will obtain now. There, Right Honourable Sirs, are my modest considerations on this matter, which I request may be taken in good part, and that my conduct may be honored with Your High Nobilities' favorable approval. In which expectation I remain with respect, was written underneath, Your High Nobilities' completely obedient, humble, and faithful servant, was signed: Wil. Hen: van Ossenberch. In the margin was written: Samarang, the 12. January Anno 1762. Batavia. 19 From Palombang, the 1st of February 1762. Batavia After the undersigned had been honored with Your High Nobilities' esteemed letter, dated 28: July of the past year, serving solely to make inquiries into a certain case of piracy committed against a Chinese vessel that had appeared on that coast. I have accordingly, as much as possible, meanwhile made inquiries concerning that matter, but until today nothing of it has leaked out, as I previously already had the honor to inform Your High Nobilities by my humble letter dated the 29 August; but having made it my business after that time to get to the bottom of the ugly matter of the piracy, and regarding which Your High Nobilities please to make known not indistinctly, and not without reason, as if fearing that the Palembangers might not be ignorant of this. To the same as before Have
Dutch transcription
Van Iavas oost Cust den 12. Januarij 1762. mits hij die voor niets leverde; evenwel be„ tuigt hij Jaarlijx zo voor den scheepsbouw als vervoer, te hebben moeten leveren 1000. balken, zonder eenige betaling daar voor te erfangen Vervolgens, wegens de slegte gesteldheid van zijn district, tot den reist-cultuur, gelibe„ reerd zynde van zijn rijst- contingent, heeft daar voor aangenomen 'sjaars een Pantjal„ lang aan de Comp:e te leveren, van 11 Va„ denis, t geen hij ook reeds gepasseerden jaar volbragt heeft; edog bevindende, dat deze last te zwaar is, zo wel 1000. balken, als een Pantjallang voor niets te leveren, daar hij voorheen voor 500. balken en 25: Coijangs veist betaling kreeg, verzoekt hij nederig uw Hoog Edelhedens, dat hij voortaan be staan mag met het leveren van 600 balken voor niets, en een Pantjallang, van de bovengemelde groote, ook voor niets, mits hem Comp:s wegen verstrekt werden de daar toe benodigde spykers en ijzer Wijders neme ik de vrijheit uw hoog Edelheedens Van Iavas oost Cust den 12. Januarij 1762. Edelheedens te communiceeren, dat den Radeen Cht Tommangong van Sumanap op zyne 't huijsreuse overleeden is; tot wiens vervanger ik uw Hoog Edelens zeer eerbiedig voordrage des overle„ dens tweeden zoon, Radeen Aria Nata Casoema, onder den titul van Radeen Tommangong Nata Casoema De redenen, Hoog Edele Heeren, die mij bewoogen hebben, om den tweeden zoon niet voor bij gaan van den eersten, en, buiten dien nog, van den Radeen Bagchus of Aria Adicara, die wegens zijne geboorte wel de naaste tot dat Regentschap zoude zijn, voor te dragen, neem ik de vrijheyt uw Hoog Edelens met reverentie onder 't oog te brengen: vertrouwende, dat uw Hoog Edelheedens zich zullen gepersuadeert houden, dat door mij daar mede niets dan het wel zijn van de Maatschappij, land en volk b'oogt werd Voor eerst verzoeken de Depattis, ' blijkens extract secreete Missive, sub dato ult:o december, van den gezaghebber Coertse, en annexe Copia Trans. laat missive, door den Pepattijs aan den ge„ zaghebber Van Iavas Oost Cust den 12 Januarij 1762. zaghebber geschreven, uit hunne naam, als mede uit naam van de grote en kleine mantries en het geheele volk :/ dat een der egte zoonen van den overleden Regent, den vader mog„ te succederen Wat moeite er nu in steken zoude, en hoe zeer men zich aan gevaar van onrust, twee„ spalt en zelfs van rebellie zoude exponeeren, bij aldien men, tegen den zin van het volk een Regent opdrong, die, schoon het grootste regt voor hem pleite, veel ligt het ongelukkig voetspoor zijns vaders en ooms zoude moeten volgen, wil ik gaarne aan uw hoog Edelheedens ver„ ligter oordeel overlaten Den oudsten zoon van den Regent is bij na onbekent, en gehouden voor een dro„ „mer, tot de regeering weinig bekwaam, waar voor de vader zelfs weinig agting gehad heeft, en altoos met postpositie van hem, zynen tweeden zoon tot zijnen opvol„ „ger gewenscht en gedestineert heeft, als zynde /. volgens t schryven zelfs van meer„ melde gezaghebber Coertsz, wiens briefje mede Van Iavas oost Cust. den 12 Januaryj 1762. mede deze in Copia verzeld:/ een humbel man, die nog al een redelijk oordeel schijnt te hebben Daar en boven is hij een schoonzoon van den braven Panumbahan van Madura, die op het instantigste mij verzogt heeft, hem voor te dragen, waar toe ik mij eyndelijk, door zijne aanhoudende verzoeken, heb laten bewegen, om dat ik geen heil konde vinden, in hem te refuseren, maar, ter contrarie, ten mee„ sten nutte van de maatschappij oordeelde, gunst door deze nieuwe gevest, zijn Hoogheid aan onze belangens onverbrekelijk te ver binden Het is waar, Hoog Edele Heeren! hier door krijgt hij vaste klen op het gehee„ le Eiland Madura, waar van men, om gewigtige redenen van staat, hem altoos een gedeelte voorzigtiglijk heeft onthouden: dog aan d' eene kant vertrouw ik, dat er aan zijn geduurig attachement voor de Comp:e niet te twijffelen is; en aan de andere zijde is hij reeds zo groot ge„ worden, dat, als hij eens kwaad wilde, het Van Iavas Oost Cust den 12. Januarij 1762: het weynig tot de zaak toe-dan of zoude doen, of hij Sumanap, onder den titul van schoon vader, aan zich verbonden had, dan niet. Buijten des is zijn dogter reeds lang bij het leven van den Radeen Tommangong Pirta Nagara aan desselfs zoon gehuwelijkt; dat on„ der hen immers ook vriendschap baart; en dus heeft hij in dat Regentschap te voren al zo veel influ„ entie gehad, als hij nu krijgen zal zie daar, Hoog Edele Heeren, mijne geringe consideratien over deze zaak, die ik ver„ zoeke, dat mij ten besten zullen gehouden werden, en mijne behandeling vereerd met uw Hoog Edelheedens gunstige approbatie In welke verwagting ik met eerbied verblij„ ven /:onderstond:/ Uw Hoog Edelheedens gansch gehoorzaamen onderdanige en Trouw schul„ digen Dienaar /was getekent: Wil. Hen: van Ossenberch. /.ter zijde stond:/ Samarang den 12. Januarij A. o 1762. — Batavia . 19 Van Palombang den 1:e february 1762. Batavia Na dat den ondergetekende vereert was ge„ worden met uw Hoog Edelheedens g'agte letteren, in dato 28: July A:o passato, eeniglijk dienende, om zig te informeeren na een zeeker geval van zeeroverij, gepleegt aan een chinees vaartuijg, dat op Costij was verscheenen. Soo hebbe daar op, zo veel mogelijk is, mij in„ tusschen g'informeert omtrent die zaak, dog tot heden nog niets van uyt gelekt, zoo als bevoorens bij myne nedrige letteren in dato den 29 Augustus uw Hoog Edelheedens reets d' eer heb gehad te bedeelen, Dog na dien tijd mijn werk seer gemaakt hebbende, om agter het lelyk articul der zeeroveryte komen, en waar omtrent uw Hoog Edel„ heedens niet onduydelijk, en zonder reeden, te kennen gelieven te geeven, als off bedugt waren, dat de Palembangers hier van niet ignorant zoude zijn aan Als vooren Heb
English
From Palembang the 1st of February 1762 Through various discovered circumstances, I have found that your High Nobilities' conceived thoughts are indeed supported by solid grounds, and, in order to somewhat convince your High Nobilities thereof, and to remove you from uncertainty, I have the honor to impart the following articles to your High Persons, which are not set down on loose grounds and rumors, but are well informed by those his own subjects who permit it. That the king of Palembang tolerates piracy and the pirates, at least with connivance regarding his territory and land, appears very circumstantially and clearly from the following cases: Daily, a quantity of Javanese are brought in here, both men and women, who relate that they were taken by the roving bands off Java and elsewhere, are brought for sale on Bliton and Banca to the Palembangers, who exchange the same for rice, powder, and ammunition of war. Yea, From Palembang the 1st of February 1762. yea, the pirates are even given those three products on credit, provided that they deliver slaves in return when they have had a good catch; subsequently reselling them here in Palembang for a capital profit and more. The king even permits heads of the pirates or Panglimas to enter here and present themselves to His Highness, being loaded with gifts, under promises that they will leave the Palembang vessels unmolested at sea; yea, for such persons and vessels passes to Banca and Bliton are requested by the monarch, under the pretext that they are inhabitants on Banca and Bliton. In the year 1760, two vessels of Radje Adjie (a very famous pirate) were brought in here by a Sayyid Aghil, an Arab and favorite of Pangerang Ratoe; the crown prince had their vessels loaded with rice and quietly let them depart through a small river, instead of arresting that scum. In the year 1760 From Palembang the 1st of February 1762 In the year 1760, a Chinese vessel from Batavia destined for Cambodia, with a cargo worth fully ten thousand rix-dollars, on which there were two Spanish missionaries as passengers, that vessel was surrounded near the Pdele Nankaas by 6 to 7 vessels, penjajaps; the crew, terrified by this, leaped into their boat and fled to Banca, abandoning their vessel; thereupon that keel, being a chaloup, was boarded and plundered; it was spread abroad here that this had been done by pirates, but just recently it became public that they were all Palembang vessels, who say that that vessel belongs to them by virtue of it having been abandoned. It was even a short time ago that the crown prince had ten small pieces of ordnance returned to the Chinese Captain here, saying they were from that vessel, and ordered them to be returned to the owners, and in the meantime the entire vessel and cargo have gone up in smoke. From Palembang the 1st of February 1762: With your High Nobilities' kind indulgence, are these not public acts of piracy? Last year, a certain Sayyid Agmat, residing here (and having sailed for Riouw 2 years ago), did not hesitate to assault an English brigantine before the river of Slangoor and murder the captain; but shortly afterwards he was unexpectedly murdered in turn by the Moors of the English vessel; and thus received the wages of his deeds, his severed head having been brought to Malacca together with the recaptured brigantine, so it is related. If the sultan did not harbor piracy, the chiefs of Banca and Bliton would certainly be charged not to let any pirates arrive there, but on the contrary, when the scum have made their booty from the coast of Java or elsewhere, they arrive at Bliton and Banca, and then dispose of their booty, and buy rice as well as ammunition From Palembang the 1st of February 1762 of war there, through which it is said this is very well known to the sultan. A Panglima, named Langzaut, a very famous pirate and resident of Lingi, recently had the honor of being very amiably received by the sultan, and, being provided with gifts, was brought in by a Banca vessel; yea, he requested the sultan to be allowed to live on Bliton under His Highness's protection, which it is said has been permitted. It is currently related that a quantity of pirates have settled among the islands of Bliton, being dispersed people of Radje Mahomet, former king of Siac, and that with the sultan's permission or connivance. What reason, High Noble Lords, might the sultan have, when he has passes requested for his vessels to Banca, Bliton, and Java, that they will not specify the ammunition of war that such a vessel carries, much less its quantity, From Palembang the 1st of February 1762. its quantity, in which he suffers not the slightest harm, but on the contrary it is only trouble for the clerks to write it down? This appears to the undersigned, with your High Nobilities' kind indulgence, to happen in order to be able to traffic with the pirates, and upon their return not to allow the cruisers to discover where it has been delivered. And whereas the undersigned has several times remonstrated with the sultan concerning this last article and warned His Highness that his vessels run the danger that when, either by cruisers or on Java, the vessels have their cargo and ammunition of war confronted against the pass, the ammunition of war is liable to be confiscated if it is not noted on the pass, being regarded as pirates; yet His Highness does not heed this and says absolutely that he will not do it; thus your High Nobilities could well compel the sultan to it, without saying anything, as at Samarang, Chiribon
Dutch transcription
Van Palembang den 1:e february 1762 Heb ik door verscheijde ontwaarde omstandighee„ „den bevonden, dat uw Hoog Edelheedens op„ gevatte gedagten wel op vaste gronden zijn stennen de, en, om uw Hoog Edelheedens daar van Eenigsints te overtuijgen, en uijt het onsekere te brengen; heb ik d' eer der zelver Hoge Perzonen de volgende articulen te be„ „deelen, die niet op losse gronden en gerugten worden ter neder gestelt, maar wel berigt zyn door die zyn eijge onderdanen, die het zelve toelaat Dat den koning van Palembang de zee„ roverij en de zeerovers gedoogt, ten minste ƒ met oog luijking omtrent zijn gebied en land, blykt uijt de volgende gevallen zar om„ standig en duijdelijk; Dagelijx worden alhier binnen gebragt een gelijx quantiteijt Iavaanen, zoo mans als vrou„ „ven, dewelke relateeren, dat zij door de rordes onder Java als elders genomen zijn, op Bli„ ton en Banca , worden te koop gebragt, aan de Palembangers die de zelve ruijlen door rijst, kruijd en Ammonitie van oorlog„ Ja 21 Van Palembang den 1:e februarij 1762. ja de rovers wel op credit die drie produc„ ten geven, mits haar daar voor slaven te leveren, als een goede vangst gehadt hebben; vervolgens alhier op Palembang weder verkoo„ pen voor een Capitaal advans en meerder De koning permitteert zelfs, dat er hoofden van de zeerovers of Panglimaas alhier binnen komen, en haar bij zijn Hoogheit vertoonen, met geschenken worden opgesult, onder beloften, dat de Palembangse vaar„ thuijgen ongemolesteert zullen laten in zee; ja voor zulke perzoonen en vaartuij„ gen worden passen na Banca en Bliton gevraagt door den vorst, onder pretext, dat het inwoonders op Banca en Bliton zijn; A:o 1760. zijn door een zaijt Aghil, arabie„ /:en gunsteling van Pangerang Ratoe:/ alhier binnen gebragt twee vaarthuijgen van Radje Adjie /: een zeer befaamt zee„ rover:/, den kroon prins heeft dezelve haar vaarthuijgen met rijst laten laden, en in stilte door een klijn Rivier laten vertrekken, in steede van dat gespuijs aan te houden Ao. 1760 Van Palembang den 1: februari 1762 A. o 1760. is een Chinees vaartuijg van Ba„ tavia, na Cambodia gedestineert, met een lading wel van thien Duijsent rijxdaelders, waar op als passagiers waren twee spaanse Missionairs„ sen; dat vaartuijg word bijde Pdele Nankaas omsingelt, van 6 a 7. vaartuijgen, panjajaps, het volk hier door verschrikt, springt in hunne schuijt, en vlugten na Banca, verlaten haar vaartuijg, daar op word die kiel, zijnde een Chialoup g'entert en gerooft; men stroij„ de alhier uijt, dat dit door zeerovers ge„ schied was„ maar nu pas geleden is het publijk, dat het alle palembangse vaarthuij„ gen geweest zijn, die zeggen, dat hun dat vaarthuijg toe komt uijt hoofde dat verlaten Het is zelfs kortelings geleden, dat men aan den Cap.n Chinees alhier door den kroon prins heeft te rug laten geven thien stuk„ jes geschut, zeggende van dat vaarthuijg te zijn, en g'ordonneert werd, aan d' eijgenaars te rug te geeven, en ondertusschen is het gan„ sche vaartuijg en lading in de kaars gevlo„ „gen is. 23 Van Palembang den 1:e februarij 1762: „gen; zyn dit onder gunstig welduijden van uw Hoog Edelheedens gaen publicq zael roverij A. o passato heeft eenen zaijt Agmat, al„ hier woonagtig /: en over 2 jaaren geleden na Riouw gestevent:/ zig niet ontsien, om voor de rivier van Slangoor een Engelse Bri„ gantijn aftelopen, en den Cap: te ver„ 68 moorden, dog kort naderhand door de - mooren van t Engels vaarthuijg onver„ wagt weder vermoort; en dus loon na werken ontfangen, zijnde dies afgehoude hooft op Malacca gebragt, nevens de Heroverde Brigantijn, zo men verhaalt. Indien den zulthan de zeeroverij niet koesterde, zoude de hoofden van Banca en Bliton wel belast worden, geen zeerovers aldaar te laten aankomen, maer contrarie het gespuijs, wanneer zij van de Cust van Java als elders haar buijt gemaakt hebben, komen zij op Bliton en Banca aan, en ontdoen zig dan van hun buijt, en kopen daar Rijst, als amand„ „nitie Van Palembang den 1:e february 1762 „rutie van oorlog door dit word gezegt den zulthan zeer wel bekent is. Eenen Panglima, Langzaut gen:t, zeer besaemd zeerover en inwoonder van Lingi heeft kortelijx d'eer gehad, bij den zulthan seer minnelijk ontfangen te worden, en met ge„ schenken voorzien zynde, door een bancaas vaartuijg binnen gebragt, ja den zulthan verzogt, om op bliton onder zijn hoog„ heijts protectie te mogen woonen, 't welk men zegt, dat gepermitteerd is Men verhaalt thans, dat er onder d' Eij„ landen van Bliton een quantiteijt zee„ rovers zig hebben ter neder gezet; zijnde verstroijde volkeren van Radje Mahomet, gewese koning van Siac, en dat met toelating off oogluyking des zulthans Wat reeden, Hoog Edele Heeren! mag den zulthan hebben als hij passen voor zijn vaartuijgen na Banca, Bliton en Java laat vragen, dat men de ammo„ nitie van oorlog, die zo een vaartuijg voert, niet wilt opgeven, veel min zijn quartiteijt 25 Van Palembang den 1:e februarij 1762. quantiteijt, daar hij het minste geen schade bij heeft, maar contrarie de pennisten maar moeijte, om het te schrijven Dit komt eden ondergetekende, onder gunstig wel duijden van uw hoog Edelheedens, voor, te geschieden, om met de rovers te kunnen mors„ sen, en bij hun retour de kruijsers niet te bi konnen ontwaren, waar gelijhieven is. En dewijl den ondergetekende verscheijde malen ƒ den zulthan over dit laatste articul onder C houden heeft, en zijn hoogheijt gewaarschouwt, dat zijn vaarthuijgen geaar loopen, van G1 wanneer door kruijssers, dan wel op java de vaarthuijgen haar lading en Ammonisie van oorlog, tegens den pas geconfronteert wor„ den, d' ammonitie van oorlog staat gecon„ fisqueert te worden, als op de pas niet be„ „kent staat, als voor rovers aangezien wor„ dende, dog zyn Hoogheijt zig daar niet aan„ stoort, en absolut zigt, niet te willen doen, zoo zoude uw Hoog Edelheedens den zul„ than daar toe wel konnen noodzaken, zou„ der iets te zeggen, als op Samarang, Chiri„ 16 „bion
English
From Palembang, 1 February 1762 bon, Sourabaija and Grisser, but were it ordered by Your High Excellencies to confiscate the war ammunition if not stated on the pass, or, should Your High Excellencies be pleased to instruct their humble servants to refuse passes for the Sultan when one refuses to surrender the war ammunition, the Sultan will certainly have to govern himself according to the Company's orders. These aforementioned articles, which are very public here and who knows what villainies have not yet been discovered, will, in my opinion, serve sufficiently as proof to Your High Excellencies what the character of the Palembangers is regarding piracy. And since the undersigned fears that, even if Your High Excellencies were simply to entertain the Prince on all these points by letter, little satisfaction will follow, and he might pretend ignorance in everything, as in such cases is ordinarily the native's defense, for 27. From Palembang, 1 February 1762: for that reason the undersigned takes the liberty, under correction, to note to Your High Excellencies that there would be no better means to redress all these points than that Your High Excellencies, when the Prince might be entertained regarding the one and the other, please threaten the Sultan in the letter that in case His Highness does not please to give orders to expel the pirates from Banca and Bliton, Your High Excellencies will then be forced to construct a fortress on Banca at the village of Munto, and on Bliton at the village of Tanjong Goenong, in order to keep a watchful eye on the rabble. I assure Your High Excellencies that that sentence will have as good an effect as one could ever possibly expect, this article being the only means with which one can keep the Palembanger under control. I remain with deep awe and respect, was written below, Highly Noble, Respected, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Noble Lords, lower, Your High Excellencies' humble and obedient servant, was signed, H. I. d: Heere, in the margin, Palembang, 1 February Anno 1762. Batavia From Cabo de Goede Hoop, 13 January 1762. Batavia To the same as before In the respectful letter which we, together with the further government of this place, have the honor to consign to Your Right Honorable Esteemed with the bearers of this today, having among other things also dutifully advised the arrival here of the ship Rotterdam, pre-dispatched by Your Right Honorable Esteemed, as well as its dispatch back to the Fatherland, we find ourselves obliged, regarding that keel, to set down further herewith that we would not have failed to dismiss the said vessel from here at the time prefixed by Your Right Honorable Esteemed, had we not been expressly ordered by the Right Honorable Esteemed, the Gentlemen of the Secret Committee, to dispatch the said keel from here as quickly as possible, and at the latest before the middle of this month; in conformity with which order 29 From Cabo de Goede Hoop, 13 January 1762: order the frequently mentioned vessel, without the slightest loss of time, having been provided with all necessities for the further voyage, set sail from here yesterday for its destined port, where we hope that the same may come to arrive with good fortune and prosperity. Meanwhile, since this is written to no other end, ending herewith, we commend Your Right Honorable Esteemed very respected persons, as well as the Honorable Company's important interests, into the protection of God, and remain with due respect, was written below, Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed, Courageous, Right Wise, Prudent, Very Generous Lord and Noble Lords, lower, Your Right Honorable Esteemed very humble and obedient servants, was signed, R. Tulbagh and P. Reede van Oudshoorn, in the margin, In the Castle de Goede Hoop, 13 January 1762. Batavia From Cabo de Goede Hoop, 13 January 1762 Batavia Notwithstanding that the captains of the English King's ships present here, the York, Chatham, the Alderney, and Southseacastle, according to what was noted in the respectful letter which was directed today to Your Right Honorable Esteemed by us and the further Government of this place, only came to state that, coming from a cruise, they intended, after having properly refreshed themselves here and recovered from the damage they sustained, to put to sea again to cruise, I am nevertheless informed with certainty that the four mentioned ships belonged under the fleet of Admiral Cornish, who on 21 August of last year, to the number of 21, both ships of the line and frigates, set sail from Madras, and on the 18th of the same month thereafter, having arrived at the island of Diego Rodrigues situated close to Mauritius, subsequently directed the prow from there toward the last-mentioned place, To the same as before which
Dutch transcription
Van Palembang den 1:e february 1762 „bon, Sourabaija en Grisser, maar door uw hoog Edelheedens g'ordonneert wierd, d' am„ monitie van oorlog te confisqueeren, als niet op de pas bekent stont, of, Jndien uw hoog Edelheedens derzelver geringe Dienaaren gelie„ ven te belasten, passen te wijgeren voor den zulthan, als men d' ammonitie van oorlog niet wil opgeven, zal zig den zulthan wel na Comp:s ordres moeten reguleeren. Deze voorgemelde articuls, die alhier zeer publicq zijn /: en wie weet wat voor schelmstuk„ ken 'er nog niet ontdekt zijn :/ zullen mijns din„ „kens uw hoog Edelheedens genoeg tot bewijs strek„ ken, hoedanig het caraoter der Palembangers is omtrent de zeeroverij, En dewijl den ondergetekende bedugt is, dat schoon uw Hoog Edelheedens den vorst over alle die poincten simpel mogte bij missive on„ derhouden, er weijnig voldoening op zal volgen, en mogelijk zig in alles onwetende houden, gelijk in diergelijke gevallen ordinair den Jnlander zijn verantwoor dinge zijn uijt 27. Van Palembang den 1:e februarij 1762: uijt dien hoofde gebruijkt den ondergetekende de vrijheijd, uw hoog Edelheedens, onder Corractie, te „noteeren, dat er geen beter middel tot redres van alle die poincten zoude zijn; als dat uw hoog Edelheedens /wanneer den vorst over 't een en ander onderhouden mogte :/ in de missive gelieft den Zulthan te drijgen, dat bij aldien zijn hoogheijd geen ordre ge„ t 2o t lieft te stellen tot het verdryjven van de zeerovers van Banca en Bliton, uw hoog Edelheedens als dan genoodzaakt zullen zijn, op Banca, de negerij Munto, en op Bliton, de Negerij Tan„ Jong Goenong, een fortres aan te leggen, ten eijn„ de een wakent oog op het gespuijs te houden Ik verassureer uw Hoog Edelheedens, dat bie periode van zulke goede uytwerking zal zijn, als men Jnmers mogelijk zoude verwagt hebben; zijn„ de dit articul het eenigste middel, daar men den pa„ lembanger in dwang mede kan houden: Ik blijf met diep ontsag en eerbied /:onderstond:/ Hoog Edel: Gestr. Groot Actb: Weijd gebiedende Heer en wel Edele Heeren /:lager/ uw hoog Edelheedens ootmoedige en gehoorsamen dienaar /was getekent:/ H: I. d: Heere /:in margine:/ Palombang den 1:e februarij A:o 1762. Batavia Van Cabo de Goede Hoop den 13. Januarij 1762. Batavia aan als vooren Bij 't eerbiedig schrijvens, 't welk wij ne„ „vens de verdere regeering dezer plaatse d' eere hebben, met brengers dezer op heeden aan uw wel Edele groot agtb: te consignee„ ren, onder anderen mede pligt schuldig g'advi„ „seerd hebbende, d' aankomst alhier, van 't door uwe wel Edele groot agtb: voor afgede„ peceerde schip Rotterdam, mitsg:s desselfs weder afvaardiging naar 't vaderland, vinden wij ons verpligt, ten belange dier kiel bij deezen nog ter neder te stellen, dat wij niet de in gebreken zoude gebleven zijn, om ged: be„ „dem op den door uwe wel Edele groot agtb: geprefigeerden tijd van hier te dimitteren, ten ware ons door haar wel Edele groot agtb, de heeren van de secreete commissie, niet expresselyk was gelast geworden, gem: kiel ten spoedigsten, en wel uijtterlijk voor medio dezer maand van hier te expedieeren; in conformiteijd van welke ordre 29 Van Caba de Goede Hoop den 13: Janu: 1762: ordre meergem: bodem dan ook, zonder het allerminste tijd verzuijm, van al het benodig„ de voor de verdere voijagie voorsien ge„ worden zijnde, op gisteren van hier na desselfs gedestineerde haven is t' zeijl gegaan, alwaar wij hoopen, dat den zelven met geluk en voorspoed zal mogen koomen te arriveeren: Ondertusschen dat wij deesen als tot geen ander eijnde gerigt zijnde, hiermede eyndigende, uwe wel Edele groot agtb: zeer g'agte perzoonen, mitsg:s s E. Comp:s importante belangen in de bewarin„ ge Godes beveelen, en met verschuldigd respect blijven /:onderstont:/ wel Edele erntfeste groot agtb: manhafte welwijze voorsienige zeer genereuse Heer en Edele Heeren /:lager:/ uwe wel Edele groot agtb: zeer onderdanige in gehoorzame dienaar /: was getekent:/ R. Tulbagh: en ƒP Reede van oudshoorn V: P: /in margine:/ Jn 't Casteel de goede Hoop den 13. Januarij 1762. — Batavia Van Cabo de goede hoop den 13. Januarij 1762 Batavia Niet tegenstaande de Cap:n der hier aanwezende Engelse Conings scheepen, The ijort; Chatam„ the aldannaij, en southseacastle, volgens het genoteerde, bij t eerbiedig schrijvens, 't welk door wij en de verdere Regering dezer plaatse op heden aan uwe wel Edele groot agtb: is gerigt, alleenlijk hebben koomen op te geven, dat zij, van een kruijstogt komende, voornemens waren, na zig alhier behoorlijk ververscht, en van hunne bekomene schade hersteld te hebben, wederom ter kruijssinge in zee te gaan, ben ik egter in 't zeekere g'informeert, dat gem: vier scheepen hebben gesorteerd, onder de vloot van den ad„ miraal Cornish, die den 21. aug:s des voorleden Jaars, den getale van 21, zoo scheepen van Linie, als fregatten, van, Madras t' zeijl ge„ gaan, en den 18. dito daar aan aan t Eijland Diego Rodriques leggende digt bij Mauritius legg g gekomen wezende, vervolgens den steven van daar naar laastgem: plaats heeft geniemd, aan als vooren dewelke
English
From Cape of Good Hope, the 13th of January 1762. which aforesaid fleet at the beginning of the just past month of December, when the aforementioned four ships separated from it, still kept enclosed, without having attempted anything else at that time on the aforesaid island, nor having disembarked the land troops, of which a number of 3000 men were reportedly on this fleet; and since this squadron, because of the bad season that has set in after the departure of the aforementioned four ships, will not have been able to stay in that place much longer, it is therefore very presumptive that it will presently be in one of the Madagascar harbors, and most likely in that of Sainte Maria, in order to wait there for the proper time to launch another attack on Mauritius, as they seem stubbornly determined to capture that island, along with Bourbon, cost what it may: nevertheless, regarding the present state of their aforesaid fleet, no all too favorable thoughts From Cape of Good Hope, the 13th of January 1762. can be formed, on account of the very wretched condition in which the ships the York and Chatham have come to find themselves, as well from lack of provisions as on account of the numerous sick; the said two ships having had their cruising post between Mauritius and Madagascar, alongside the frigate the Revenge of 20 cannon, which, having crossed the bows of the York in a severe storm, was damaged to such a degree that it sank instantly, without more than one mate and a ship's boy being saved from the entire crew; while the York itself lost its foremast and bowsprit by this incident and received other damages besides. Meanwhile, the officers and crewmen of the French warship La Fortune, also present here, seem to want to profess ignorance regarding the actual blockade of the aforesaid French islands, although with respect to them I have also 33 From Cape of Good Hope, the 13th of January 1762. learned that the said ship La Fortune, whether to fetch provisions or with some other design, having been to Madagascar, encountered on its return voyage to Mauritius some ships of the English fleet cruising before and about it, which it nevertheless happily escaped; but seeing no chance of entering the harbor of Mauritius, this compelled Captain de Surville to set his course this way. I am also informed with respect to the present state of the naval force of that nation at Mauritius that, in case the ship Le Comte d'Artois, which had been at Batavia, has returned there happily, and they subsequently might also get their hands again on the aforesaid ship La Fortune lying here, they would then still be able to appear at sea with a squadron of 8 to 9 heavy From Cape of Good Hope, the 13th of January 1762. heavy warships and some frigates, for which they do not lack the necessary men either, so that the departure of the three King's ships Le Minotaure, Le Zodiaque, and L'Actif, with over 1800 men, does not appear to have worsened the state of affairs there, as the French, having thereby been relieved of a superfluous number of mouths to feed, seem to have remained strong enough to put up a brave resistance. Meanwhile, having commended Your Right Honorable Excellencies together with the Honorable Company's weighty interests to the protection of the Almighty, I have the honor to remain with due respect, below stood: usual title, was signed: R. Tulbagh. In the margin: In the Castle of Good Hope, the 13th of January 1762. Batavia. 35 From Java's East Coast, the 18th of March 1762. Batavia. In fulfillment of Your High Excellencies' orders, contained in the much-venerated separate letter of the 19th of November of the past year, I have, in accordance with the plan of Mr. Hartingh, made such arrangements regarding the outfitting and cruising of the vessels against the pirates as I now have the honor respectfully to communicate to Your High Excellencies. The entire expedition will consist of three small fleets, of which one will assemble at the roadstead of Sourabaija, and the second and third at the roadstead of Samarang. The first small fleet will consist of 16 pantjallangs and 43 pamaijangs; namely: from Sourabaija: 2 Company's pantjallangs from the same regents: 2 pantjallangs and 6 pamaijangs from Sumanap: 1 pantjallang and 5 pamaijangs from Pasjourouang: 2 pantjallangs and 2 pamaijangs carried forward as above: From Java's East Coast, the 18th of March 1762. from Pamacassan: 1 pantjallang and 2 pamaijangs from the Panambahan: 3 pantjallangs and 6 pamaijangs from Grissee: 1 pantjallang and 2 pamaijangs from Sidaijoe: 2 pantjallangs and 3 pamaijangs from Toeban: 1 pantjallang and 3 pamaijangs from Lassem: 1 pantjallang and 1 pamaijang from Rembang and Palo: 2 pantjallangs and 6 pamaijangs from the bandhar of Sourabaija: 1 pantjallang and 2 pamaijangs from the bandhar of Sumanap: 0 pantjallangs and 2 pamaijangs together as above: 16 pantjallangs and 43 pamaijangs. The second small fleet will consist of 8 pantjallangs and 21 pamaijangs; namely: from Joana and Pattij: 1 pantjallang and 4 pamaijangs from Japara and Coedus: 2 pantjallangs and 4 pamaijangs from Demak: 1 pantjallang and 4 pamaijangs from Samarang: 2 pantjallangs and 0 pamaijangs from the Regent: 2 pantjallangs and 6 pamaijangs from the Bandhar: 1 pantjallang and 3 pamaijangs together: 8 pantjallangs and 21 pamaijangs. The third:
Dutch transcription
Van Cabo de goede Hoop den 13 Janu: 1762. dewelke gem. vloot in 't begin der even afgewee„ kene maand December /:wanneer de voorwaerts gem: vier scheepen van dezelve gescheijden zijn/ nog ingeslooten hield, zouder ter dier tijd iets anders op t voorsz Eijland getenteert, nog ook gedebarqueert te hebben, de land trou„ pen, van dewelke zig een getal van 3000 Cop„ pen op deze vloot zoude bevinden; En na„ dien dit Esquadre zig ter oorzake van 't in geschotene quade zaijsoen, naar t vertrek der meergem: vier scheepen, niet veel langer daar ter plaatse zal hebben kunnen op hou„ den, is 't dierhalven zeer presumtief, dat het zelve zig thans in eene der madagascarse havens, en wel voor t naaste in die van S. t Maria zal bevinden, om aldaar, den be„ quamen tijd afgewagt hebbende, een nadere attacque op mauritius te doen, alzoo zij hardneckiglijk schijnen voorgenomen te hebben, dat eijland, nevens Bourbou, 't kos„ te wat het wil, te vermeesteren: kunnende egter, nopens den tegenwoordigen staat harer voorsz. vloot, geen al te Favorable gedag„ „ten Van Cabo de goeder Hoop den 13: Janu: 1762. „ten werden gemaakt, uijt hoofde) van den zeer soberen toestaed, waarin de scheepen the ijork en Chatham, zoo door gebrek aan Provisien, als wegens de menigvuldige zieken, zig hebben koomen te bevinden; hebben„ de gemelde twee scheepen hare post in t kruijs„ sen, tusschen Mauritius en madagascar gehad, nevens het freguat the Revenge van 20. st: Canon, t welk in een swaren storm, de youk, voor de boeg gekomen zynde, daar door der maten beschadigt is geraakt, dat het zelve momentelijk is gesonken, zonder dat er van de gantsche Equipagie meer als een stuurman en scheeps jonge zijn gesalveert; Terwijl de ijork zelve door dit geval zijn Focke mast en boegspriet verlooren, en meer andere schaden bekomen heeft Ondertusschen schijnen d' officieren en scheepelingen van t meede hier aanwezende frans oorlogs schip, La fortine zig onkun„ dig te willen houden, nopens de acdueele bloequade der voorsz: fransche eijlanden, alhoewel ik ten haren opzigte mede ben 33 Van Cabo de Goede hoop den 13 Janu: 1762. ben te weeten gekomen, dat het gedagte schip La fortune, 't zy ter afhaling van levens„ middelen, of met eenig ander dessein, naer Madagascar geweest zijnde, op zijne terug reijse naar mauritius eenige scheepen der voor en omtrent het zelve kruijssende Engelse vloot heeft ontmoet, die hij egter geluckig is ontsnapt; maar evenwel geen kans gezien hebbende in de haven van mauritius, te geraken, heeft zulx den Cap:n de Surville genoodzaakt, zijnen cours dit heen te stellen Ook ben ik ten opzigte van den pre senten staat der zeemagt dier natie te Mauritius g'informeert, dat, ingevalle het te Batavia geweest zijnde schip Le comte d'ar„ „tois, aldaar geluckig geretourneerd we„ zende, zij vervolgens het voorsz: hier leggende schip La fortune mede wederom mogten aan handen krijgen, kryg dezelve als dan nog in staat zouden zijn, met een Esquadre van 8. a 9. zware Van Cabo de Goede hoop den 13 Janu: 1762. zwaare oorlog scheepen en eenige freguatten in zee te verschijnen, waar toe hen het beno„ digde volk mede niet komt t' ontbreeken, invoegen het vertrek der drie konings scheepen Le minotaure, Le zodiaque en L'actif, met over de 1800 coppen den staat der zaken aldaar, niet schijnt verslimmert te hebben, alzoo de fransen daar door, van een overbodig getal eeters. ontlast zynde, nog sterk genoeg tot het doen eener wackere resistentie schijnen te zijn gebleven Middelerwyl dat ik, na uwe wel Edele groot agtb: nevens sE Comp:s gewigtige belangen in de protectie des Alderhoog„ sten te hebben bevolen, d' eere heb, niet verschuldigt respect te blijven /:onder„ stond:/ gewoone tijtel /: was getekend:/ /:in margine:/ in 't Casteel R. Tulbagh. de goede hoop den 13. Janu: 1762. Batavia 35 Van Iava's Oost Cust den 18. maart 1762. Batavia In voldoening van uw hoog Edel hedens bevelen, vervat bij veel gevenereerde Aparte missive van den 19. november a:o pass:o, heb ik, conform het Plan van den heer Har„ tingh, zodanige schikking, omtrent het uijt„ rusten en kruissen der vaartuijgen op de zeerovers, gemaakt, als ik thans d' eer heb„ uw hoog Edelheedens eerbiedig te commu„ niceeren GJ de geheele uijtrusting zal bestaan in drie vlootjes van welke, d'eene zal versamelen ter rheede van sourabaija, in de tweede en derde ter rheede van Samarang zullende het eerste vlootje bestaan in 16. Pan„ tjallangs en 43 Pamaijangs; als ai van Sourabaija-- 2. Comp:s pantjallangs „ dito regenten - - 2. pantjallangs en 6. Pamaijangs „ Sumanap: 5 T „ Pasjourouang. - - - „ . 2 aan als vooren. van 1. 2. . . : . _o Van Iavas Oost Cust den 10 maart 1762. 1. Pantjallang: 2: Pamaijangs van Pamacassan e _o 6 „ den Ranambahan 3 „ Grissee - - - 1 _o 2 _o 3 „ Sidaijoe - - - 2 _o „ Toeban. - -. - 1 _. o 3 _ _o „ Lassem - - - 1 _o „ - - „ _o 6 _o „ Reinbang & Palo „ de bandhar van sourabaija 1 _o 2 _o „ „ _o „ Sumanap. „ _o 2 _o te zamen als boven 16 Pantjallangs 4 3. anaijangs 23 T: Tweede vlootje zal bestaan in 8. Pan„ tjallangs en 21. Pamaijangs; als van Ioana en Pattij - - - - - Paitjallangs en 4. Panaijangs „ Iapara en Coedus 2 _o „ 4 „ _o . 1 _o „ 4 _o „. Damak - „ „ _o „ Samarang - -. - 2 _o „ de Regent - - 2 _o „ 6 _o _o „ „ Bandhar - - - 1 _:o „ „3 _o 8: Pantjall: en 21. pamaijangs te zamen ^ derde 1: _o . - :
English
From Java's East Coast, the 18th of March 1762. The third small fleet shall consist of 6 Pantjallangs and 26 Samaijangs; namely: from Caliwoengoe and Candal: 1 Pantjallang and 6 Pamaijangs Batang: 0 Pantjallangs and 3 Pamaijangs Paccalongang: 1 Pantjallang and 4 Pamaijangs Wieradessa: 0 Pantjallangs and 3 Pamaijangs Hamalang: 1 Pantjallang and 2 Pamaijangs Tagal: 2 Pantjallangs and 6 Pamaijangs Brebes: 1 Pantjallang and 2 Pamaijangs together: 6 Pantjallangs and 26 Panaijangs. These Pantjallangs and Pamaijangs shall all, in proportion, be amply provided with crew, provisions for three months, large and small firearms, and the necessary ammunition; of which latter the necessary supply shall be made on the Company's behalf at the respective outer offices, as well as here. The Panaijangs, moreover, ought to be well provided with a breastwork of rattan, wood, or buffalo hides, and each with 2 small pieces of cannon. For further reinforcement, 5 to 6 European soldiers, more or less, depending on how they are supplied with them, shall be placed on the Pantjallangs from the offices to which they belong, and in like manner one European sailor shall be placed on the Pamaijangs. The respective heads and Residents shall have to ensure that their subordinate regents have the imposed and accepted number of vessels properly and completely equipped and in readiness at the latest by the 20th of March, and that they depart for their designated assembly point before the 25th of the same month; so as to be able to undertake the cruise against the harmful scum of pirates together by the 1st of April, in accordance with the following arrangement. From Sourabaija, on the sailing day determined above, they shall have to depart for the known hiding places to take up positions and keep watch there, Namely to the latitude of: Goenong Riengik across from Sumanap: 2 Pantjallangs and 6 paniaijangs Toeroeang or the north point of Madura: 1 Pantjallang and 6 Pamaijangs oedjong Panka: 1 Pantjallang and 4 Pamaijangs the same Awar-awar at the latitude of Toeban: 2 Pantjallangs and 6 Pamaijangs The remaining 10 Pantjallangs and 21 pamaijangs shall then likewise have to undertake their cruise back and forth from Sourabaija up to the latitude of Poelo Mandalika, having to stand out 3, 4, to 5 miles deep into the sea off and on. Over this small fleet, the commander in the eastern corner shall have to appoint a vigilant and somewhat qualified Company's Servant, so that everything is carried out according to the intentions of their High Nobilities and according to order, and that any violence against good traders is prevented, or friend attacked for foe; while on the part of the Regents, as heads of those vessels, the Ingabij of Palo and two Mantries of the Panambahan of Madura, named Lanlang-Samoedro and Marta Mangala, have been appointed. From Samarang there shall likewise depart to keep watch, in like manner as above, to: Poelo Mandalika: 1 pantjallang and 4 pamaijangs Crimon Iava: 2 Pantjallangs and 6 Pamaijangs Furthermore, 5 Pantjallangs and 11 Pancaijangs shall cruise back and forth from here up to the latitude of Crimon Iava, and further to Poelo Mandalika. Over this small fleet, the boatswain here, Ian Iacob Dekker, shall command as head, and on the part of the Regents, the Samarang Mantries Tirta and Proijd Iuda. In the manner as aforesaid, there shall also depart from Samarang to keep watch, to: the Red point of Batang oedjong Goenong: 1 Pantjallang and 4 Pamaijangs the river of Soembar near Pamalang: 1 Pantjallang and 4 Pamaijangs the river of Lossarie: 1 Pantjallang and 3 Pamaijangs Further, the 3 pantjallangs and 15 Pamaijangs from here shall have to cruise back and forth 4 to 5 miles out to sea, up to the latitude of the point of Brebes, or even up to Cheribon. The head of this small fleet shall be the Extraordinary Lieutenant Leendert Gerritsz van Muijen, and on the part of the Regent, Mantries Soera Iuda of Tagal, Sitja Nagara, and Carta Troena of Paccalongang. The respective heads of the small fleets are authorized, being outside the roads of Samarang and Sourabaija, to hoist a pennant for distinction as long as they are at sea; and they shall furthermore comply with, and cause to be complied with, the following: Instructions for the heads of the small fleets going on an expedition against the pirates along the Northeast Coast of Java. Article 1. On the appointed sailing day, being the 1st of April, Your Honours shall first dispatch with the utmost haste the Pantjallangs and Pamaijangs that are appointed to keep watch around the known hiding places of the pirates to their respective posts, with order and command to watch out for the vagabonds and, getting them in sight, to attack them and, if possible, overpower them; after which Your Honours shall yourselves also have to set sail and undertake your cruise as aforesaid. 2. Your Honours shall have to ensure that on every vessel under Your Honours' jurisdiction there is a certain mark by which they can be distinguished from foreign vessels; and, as far as possible, establish order that Your Honours' subordinate keels stay together, in order to be able to courageously assist one another in case of need. 3. Upon discovering one or more strange sails, it shall
Dutch transcription
37 Van Iavas oost Cust den 18:' Maart 1762. 't derde vlootje zal bestaan in 6. Pantjallangs en 26 Samaijangs; als van Caliwoengoe en Candal 1. Pantjall: en 6. Pamaijangs 1 Batang - - - - „ _o „ 3. _o „ Paccalongang - - 1 _o „ 4 _o „ Wieradessa - - „ _o „ 3 _o „ Hamalang . . 1. _o „ 2 _o „ Tagal - . 2 _o „ 6 _. o te zamen. 6 Pantjall: en 26: Panaijangs „ Brebes - „ 1 _o „ 2 _o Deze Pantjallangs en Pamaijangs zullen alle na rato, ruijm van volk, victualie voor drie maanden groot en kleijn schiet geweer, en de nodige ammonitie moeten voorzien zijn; van welk laatste 's Comp:s wegen op de respective buijten comptoiren, zo wel als hier de nodige verstrekking zal geschieden, de Panaijangs daar en boven dienen wel voorzien te zyn met een borstweering, van rottings, hout, of buffels-huijden„ en ieder met 2. stukjes Canon Tot meerder versterking zullen van de Comptoiren daar ze t'huijs hooren, op de Pantjallangs 5 a 6. Euro„ peese soldaten, meer of min, na dat zij daar van voorzien zijn, en in gelijke voegen op de Pamaijangs Een Europeer matroos geplaatst worden De respective hoofden en Residenten zullen moeten „ zijngen — 4: . 5. „ _o Van Iava's oost Cust den 18:' maart 1762 zorgen, dat hunne onderhorige regenten 't opgelegde en aangenomene getal vaartuijgen behoorlijk, en van alles voorzien, en in gereedheid is, uitterlijk met den 20.' maart, en voor den 25:' d:o naar haar gedestineerde versamel plaats vertrekt; om dus met den 1. april te. gelijk de kruijstogt op het schadelyk gespuijs van zee rovers te kunnen doen, conform de volgende schikking Van Sourabaija zullen op den boven bepaalden zijldag moeten vertrekken naar de bekende schuijlnesten, om aldaar post te vatten en wagt te houden, Namentlijk naar de hoogte van „ Goenong Riengik over Sumanap 2. Pantjall: en 6: paniaijangs „Toeroeang of noordhoek van madura 1 _o „ 6 _o „ bedjong Panka - - - 1 _o „ 4 _o „ dito Awar-awar op de hoogte van Toeban 2 _o „ 6 _o de resteerende 10. Pantjallangs en 21. pamaijangs zullen als dan mede haar kruijs togt moeten aanvaarden, over en weder van sourabaija, tot de hoogte van Poelo Man„ „dalika; moetende af en aan 3. 4. a 5. mijlen; diep in zee steken: over dit vlootje zal den gezaghebber in den oosthoek moeten stellen een vigilant en eenigsints gequalificeert s Comp. s Dienaar, op dat alles naar de intentie van haar Hoog Edelhedens, en naar d'ordre verrigt, en verhindert werd, dat men eenige ge„ weldenarijen aan goede handelaars pleegt, of vriend voor vijand aantast, terwijl van wegens de Regen„ „ten, als hoofden dier vaartuijgen, benoemd zijn den Ingabij van Palo, en twee Mantries van den Panambahan van Radura, in namen Lan„ „lang- 8: # 39 Van Iavas oost Cust den 18. maart 1762. „lang-Samoedro en Marta Mangala Van Samarang zullen mede ter wagthouding, in gelijker voegen als boven, vertrekken naar „ Poelo Mandalika. . 1. pantjallang en 4. pamaijang „ Crimon Iava. - . 2 —o „ 6. — _o _o voorts zullen 5. Pantjallangs en 11. Pancaijangs, over en weer, van hier tot op de hoogte van Camion Iava, en voorts tot Poelo mandalika, kruijssen: Over dit vlootje zal als hoofd commandeeren den hoogbootsman alhier, Ian Iacob Dekker, en van wegen de Regenten de Sa„ marangse Mantries Tirta en Proijd Iuda Invoegen als voorsz: zal mede van Samarang ver„ trekken ter magthouding, naar de Rode hoek van Batang oedjong Goenong 1. Pantjallang en 4 Pamaijangs „ de rivier van soembar bij Pamalang 1. _o „ 4 — „ „ „ lossarie - - 1 _o „ 3 _o „wijders zullen de 3. pantjallangs en 15. Pamaijangs van hier, toe de hoogte van de hoek van Brebes, dan wel tot Cheribon toe, over en weder, 4 a 5. milen in zee moe„ ten kruijssen: Her: Hoofd van dir vlootje zal zijn den Extra ordinair Lieutenant Leendert Gerritsz van Muijen„ en van wegen de Regent, Mantries Soera Iuda van tagal, Sitja Nagara en Carta Troena van Pacca„ longang 11. De respective hoofden der vlootjes werden gequalifi„ „ceerd- 9 10. - Van Iavas Oost Cust den 18. maart 1762. „ceerd, buiten de rheden van Samarang en sourabaija zynde, tot distinctie op te hesschen een wimpel, zo lang in zee zijn; en zullen voorts naarkomen, en doen naarkomen, de volgende„ Instructie voor de hoofden den vlootjes gaande op een expeditie op de zeerovers langs de Noord oost Cust van Iava Art: 1. „op den bepaalden zijldag, zijnde den 1: april, zullen uE „eerstelik de Pantjallangs en Pamaijangs, die omtrent „de besaamde schuilnesten der zee-roovers geschikt zijn, „om wagt te houden, met de meeste spoed naar hunne „respective posten moeten depecheeren, met last en „bevel, om op de vagabonden te passen, en, hen in 't gesigt „krijgende, dezelve aan te tasten, en des mogelijk, te „overmeesteren: waar na VE zelfs mede zullen moe„ „den onder zijl gaan, en uw kruijstogt, zo als voorsz, „ is ondernemen „ V.E zullen moeten zorgen, dat er aan ider vaartuijg, „onder VE resort, een zeker teeken is, waar aan de„ „zelve van vreemde vaartuijgen kunnen onderscheiden „werden; en, zo veel mogelijk is, ordre stellen, dat VE. „onderhorige kieltjes bij- een blijven, om elkander, „ in cas van nood, manwoedig te kunnen bijstaan „ Bij ontdekking van een of meerder vreemde zijlen zal 2. 3.
English
From Java's East Coast, 18 March 1762. thereupon, as circumstances require, one, two, or more of the vessels must be sent out, and, having overtaken them, demand their pass in a gentle manner, and, if the same is valid, allow them to quietly continue their course, without the slightest extortion, however small it may be: Your Honor must ensure with the utmost precision that, under the guise of the enemy, no friends and honest traders are mistreated in any way, since those who misconduct themselves in this regard shall be punished as pirates. All vessels, whether large or small, that are not provided with a proper pass, and are thus suspect, Your Honor must, if they show themselves willing to do so, send in a secure manner to the nearest Company office without any harassment; accompanied by a detailed report of their conduct during the encounter, in order that they may be further examined and, according to findings, dealt with. However, all those who are unwilling to show their pass, and even more so those who oppose it with violence, must again be forced to do so by violence, and, after their vessels have been captured, be sent in irons to the nearest place, together with the captured vessels, as stated above. Thus each shall remain at his assigned post and course, unless orders to the contrary might be given in due course, until mid-June; after which the small fleets From Java's East Coast, 18 March 1762. small fleets will have to disperse, and the vessels can return to the places where they belong. The respective heads of the expedition shall subsequently submit a detailed written report of everything, as well as present an inventory of the captured vessels and goods, under oath. Finally, the prizes and captured booty shall, for greater encouragement, be divided proportionally among the chiefs and the common crew; over and above all munitions of war, which will be confiscated for the Company. Furthermore, in order to comply with Your High Excellencies' orders according to the letter of 16 February last, which however only reached me on the 16th of this month, I have been unable to devise any other expedient, since the requested pantjallangs cannot be prepared early enough in Rembang, nor have I been able to obtain them by purchase, than to detach three pantjallangs of the required quality from the number of vessels that the regents of Tagal, Pamalang, and Brebes have undertaken to equip for cruising against pirates, and to have them serve the intended purpose for Batavia, since besides these a sufficient number still remains. I have already issued the necessary orders to that effect, From Java's East Coast, 18 March 1762. and I have no doubt that the said three vessels will have arrived at Your High Excellencies' place before the appearance of this letter. Wieradmidja, having stayed quietly for some time in the Malang region, departed from there stealthily into the Jacawasche Forest, where he hid for a while, and from there, at the beginning of this month, unexpectedly appeared again in the Pati region with a band of men consisting of 3 to 400 heads, or at least his followers did, for I do not have sufficient grounds to establish that he was there in person; but as the regents advanced with their subordinates, those raiders retreated towards the Rembang region, and from there to Blora, without however having done any harm anywhere, where they were attacked by the inhabitants and, with the loss of 4 men, were chased to the east. The reason that further persuades me to assume that Wieradmidja was not present here is that I have been informed from Soeracarta that he is hesitating and seems inclined to return to court again if he could obtain hope of forgiveness; to which I have encouraged the Prince, since, subject to correction, in my opinion it is more advantageous for the local people to use some leniency and connivance towards descendants of the Mataram blood than to act against them with force, it being indeed a known fact that no Javanese, whomever he From Java's East Coast, 18 March 1762. may be, will, out of an ingrained superstition, lay hands on such a Prince. I hope that Your High Excellencies will be pleased to approve my actions in this matter. Having meanwhile the honor to communicate to Your High Excellencies that the so-called Pangerang Rongo has fully submitted to the Sultan, requesting only a small piece of land to sustain himself as a priest through agriculture, which has been granted to him. Concluding this by adding that, owing to the blessed rainy season, the fields everywhere appear promising, giving great hope that this year, with the continuation of God's blessing, an abundant harvest will be produced, of rice, sugar, indigo, as well as other products. I remain with deep respect, Below was written: Your High Excellencies' fully obedient, humble, and faithful servant, Was signed: Wil: Hen: van Ossenberch In the margin: Samarang, 18 March 1762. Register
Dutch transcription
41 Van Iavas oost Cust den 18: maart 1762. „zal daar op, na vereisch van zaken, een, twee of wel meer„ „der vaartuigen moeten werden uijtgezonden, en, dezelve „agterhaald hebbende, op een zagte wijze hun Pas afvorderen, „en, zo dezelve goed is, gerust hun Cours laten vervolgen, „zonder de minste extorsie, hoe gering het ook zoude mogen „wezen: zullende VE met d' uitterste nauwkeurigheid „ moeten letten, dat, onder schijn van vijand, geen vrienden „en goede handelaars eenigermate werden mishandelt, „dewijl die zich hier in komen te misgaan, als zee-ro„ „vers zullen werden gestraft „Alle vaartuijgen, het zij groot of klein, die van geen „behoorlijken pas voorzien zijn, en dus suspect, zullen „uE, zo zij sig daar toe gewillig toonen, zonder eenige over„ „last naar het naast aanleggend Comp:s Comptoir, op een „secuure wijze, moeten zenden; met een omstandig „berigt van hun gehoude gedrag bij ontmoeting, om „dan nader g'examineert, en naar bevinding van za„ „ken, hen aangaande gedisponeert te werden „Edog allen die tot het vertoonen van hun Pas onwillig „zijn, veel meer, die zig met gemeld daar tegenstellen, „zullen weder met geweld daar toe moeten gedwongen, „en, na overmeestering van hunne vaartuijgen, geboeit „naar de naastgelegene plaats, benevens de geno„ „me vaartuigen, als voren, gezonden werden „Dus zal ieder zijn bescheide poot en Cours blijven behou„ „den, ten zij 'er ordre ter contrarie in der tijd mogte gegeven worden, tot Medio Iunij; waar na de vlootjes 4. 5 6. . Van Java's oost Cust den 18. maart 1762. „vlootjes zullen moeten scheiden, en de vaartuigen „naar de plaatzen waar te t' huijs hooren kunnen „retourneeren „De respective hoofden der expeditie zullen vervolgens „van alles omstandig rapport in scriptis moeten doen, „als mede overgeven een Inventaris der genome vaar„ „tingen en goederen, onder presentatie van Eede „Eijndelijk zullen de prijzen en veroverde buit, tot „meerder en couragement, naar rato onder de hoofden „en t gemeen, verdeelt werden; buijten en behalven „alle ammunitie van oorlog, 't geen voor de Comp:e , zal werden aangeslagen Wijders heb ik, om aan uw hoog Edelhedens bevelen, volgens brieve van den 16: februarij laastleden, doch die mij eerst den 16: dezer geworden is, te voldoen, geen ander expedient kunnen uijtvinden, nadien de g'eischte Pantjallangs niet vroegtijdig genoeg te Rembang zullen kunnen in gereedheid gebragt worden, nogte ik dezelve door hoop heb kunnen bemagtigen; als van het aantal der vaartuij„ gen, die de Regenten van Tagal, Pamalang en Brebes ter bekruijssing der zeerovers aan„ genomen hebben, uijt te rusten, drie Pantjal„ langs van de vereischte deugt af te steken, en tot het voorgenomen gebruijk voor Batavia te laten dienen, alzo er buijten des nog een genoegsaam getal overblijft: Ik heb reeds daar toe de nodige ordre 8 43 Van Javas oost Cust den 18 maart 1762. ordre gesteld, en dwyffele niet, of de gemelde drie vaartuigen zullen voor paresse dezes reeds tot uw hoog Edelhedens zijn overgekomen Wieradmidja, zich eenige tijd stil in t Malangse hebbende opgehouden, is van daar in stelte vertrok„ „ken in het Iacawasche- Bosch, alwaar hij voor een poos sich heeft schuil gehouden, en van daar in den beginne dezer maand wederom onverwagt met een hoop volks, bestaande: uit 3 a 400 koppen in het pattijsche is verscheenen, of ten minsten zijn aanhang, want ik heb geen grond genoeg, om vast te stellen, dat hij er zelfs is bij geweest, dog zo als de Regenten met hun onderhorige op„ rukken, zijn die stroopers naar het Reinbangse, naa en van daar ^ Blora geweken, zonder dat zij egter ergens eenig kwaad gedaan hebben, alwaar zij door d' inwoonders aangetast, met verlies van 4. man, naar den oost gejaagt zijn. De reden, die wij te meer overhalen, om te onderstellen, dat Wieradmidja hier niet is bij geweest, is, dat ik van soeracarta berigt ben, dat hij aan 't aarzelen is, en genegen schijnt, weder ten hove te komen, zo bij hoop van vergiffenis kon„ de erlangen; waar toe ik den vorst heb aange„ moedigt, dewyl (onder correctie) mijns bedunkens het oorbaarder voor landse volk is, wat toege„ vendheit en conniventie, omtrent afstammelingen van het mattaramse-bloed, te gebruijken, als met geweld tegen hun te ageren: zynde het in„ mers een bekende zaak, dat geen Iavaan, wie hij Van Iava's oost Cust den 18. maart 1762 hij ook wezen mag /: uijt een ingewortelde super„ stitie:/ zijn handen aan zulk een Prins zal slaan Ik hoop, dat uw Hoog Edelhedens mijn behan„ deling hier omtrent zullen gelieven te approberen. hebbende inmiddels d' eer uw Hoog Edelens te com„ municeeren, dat de zogenaamde Pangerang Rongo zig genoegzaam aen den zulthan gesubmitteert heeft; verzoekende slegts een klein stukje lands, om als een Priester zig met den akkerbouw te erne„ ren, 't geen hem is g'accordeert. Tot slot dezes hier bij voegende, dat door het ge„ zeegende regen-saisoen, de velden alomme gewenscht staan; gevende grote hoop, om dit Jaar, onder aan„ houden van gods zeegen een overvloedige oogst uijt te leveren zo van rijst, zuijker, Indigo als andere producten De blijve met diep ontzag. /. onderstond/ uw Hoog Edelhedens gansch gehoorzaame onder„ danige en Trouwschuldigen Dienaar /:was getekend:/ wil Hen: van ossenberch /:in margine/ Samarang den 18: maart A:o 1762. Register
English
From Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. By the sloop the Goudvink. Inland Register of the papers which are sent today separately to Batavia with the sloop the Goudvink by the Honorable Christiaan Lodewijk Senff, Commander on Sumatra's West Coast, to His Right Honorable, the Noble, Right Honorable, Wide-ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies: to wit No. 1. Separate letter, written by and to the same as above, dated today. 2. Duplicate of the separate letter from and to the same as above, dispatched on the last of October anno 1761 per the Hercules. 3. Copy translation of an English letter, written by the English Captain Fredrik Vincent to the Lord Commander Senff, dated 24 November 1761. 4. Copy of a letter, written by the Lord Commander Senff to the aforementioned Vincent, dated 24 December 1761. 5. Translation of an English letter, written by the Ministry of Madras to the Lord Commander and Council of Padang, dated 16 November 1761. 6. Copy translation, written by Mr. Samuel Ardley, Member of Council of Madras and Governor-Elect of Bencoolen, to the same as above, dated 6 January anno currente. 7. Letter, written by the Lord Commander and Council to Mr. Ardley, dated 7 January of this year. 8. Translation of an English letter, written by the aforementioned Mr. Ardley to the Lord Commander and Council of Padang, dated 8 January 1762. 9. Letter, written by the Lord Commander and Council to Mr. Ardley, dated 9 January of this year. 10. Translation of an English letter, written by Mr. Ardley to the Lord Commander and Council, dated the 20th of January of this year. 11. Letter, written by the Lord Commander and Council of Padang to Mr. Ardley, dated 21 January of this year. From Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. No. 12. Copy of a letter, written by the Lord Commander and Council of Padang to the Ministry of Madras, dated 19 January of this year. 13. Sealed letter, addressed to Their Right Honorable the High Indian Government at Batavia. 14. Letter to Mr. Herbert at Batavia. Padang, on Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. was signed Jan Boudewijnsz, Secretary Batavia From Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. Batavia With the original of the enclosed duplicate No. 2, I had the honor to inform Your Right Honorables of the receipt of an English letter from Bencoolen, signed by one Fredrik Vincent, along with my fitting response thereto. And having since received yet another letter from that same man, and, according to the separate resolution of the 24th of December, having written the necessary reply thereto, I take the liberty of likewise presenting Your Right Honorables with the copies thereof, under Nos. 3 and 4, with the humble request that you will permit me to refer to their contents, as they are too lengthy to be quoted here, even in brief. Yet this was scarcely concluded when, on the 4th of January of this year, Mr. Samuel Ardley, Member of Council of Madras and Governor-Elect of Bencoolen, appeared here in the roadstead with two ships: the one named The Hart Temple, of 64 pieces of cannon, under the Commander John Smith, and the other The Plassey, of 28 pieces, commanded by Captain Thomas Hague. He immediately gave notice by a note of his arrival and his desire to come ashore in person. And having been fetched the following day by two Members of Council, he handed over to me the letter No. 5, addressed by the Ministry of Madras to our assembly. At the same time, he also requested, according to its contents, to be accommodated with the necessary provisions for the ships, and some necessities for the garrison of Bencoolen. But, since I did not deem it advisable to confer with him orally about anything, no matter how trivial, I requested him to submit in writing whatever he had to propose. And thereupon he sent me the next day the letter which lies enclosed under No. 6, containing solely an extended repetition of the aforementioned oral request. I immediately brought it before the assembly; and having considered this matter with the members, it appeared to us, from all circumstances, that we could conclude nothing other than that he himself had possibly by no means come here to cause us any difficulties, the more so because the Ministry of Madras had declared that, to avoid all unnecessary disputes between the servants of both sides on this Coast, they would address Your Right Honorables directly concerning the settlement of the old differences. But we nevertheless thought that we could not justify treating him as a friend and helping him with the requested necessities as long as we had not at least obtained a declaration from him personally that he possessed more peaceful and better sentiments than the aforementioned Mr. Vincent, who had so impudently declared us enemies of Great Britain and threatened us with immediate war. And having therefore taken a decision to demand from him a positive declaration regarding this latter matter, and in the event that he approved the sentiments of Mr. Vincent,
Dutch transcription
45 Van Sumatras West Cust den 12 maart 1762. Pen de Chialoup de Goud vink. linelandt Register der Papieren, die op heeden apart na Batavia verzon„ den werden met de Chialoup. De goud vink door den E agtb Heer Christiaan Lodewijk Seuff, com„ mandeur op Sumatras west Cust Aan zijn Hoog Edelheid den hoog Edele groot agtb: wydgebiedende Heere „ Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal en de wel Edele Heeren Raden van Neder„ lands India: Te weten N. 1. Aparte missive, geschreeven door en aan als boven, geda teert op heeden „ 2. Duplicaat aparte missive van en aan als voren, op den laatste october a:o 1761 P:r de Hercules afgegaan e „ 3 Copia Translaat Engelsche brief, geschreven door den Engelsche Capitein, fredrik Vincent, aan den 89. heer Commandeur Serff, ged:t 24. november 1761. „ 4 Copia missive, geschreven door den heer Commandeur souffr aan evengenoemde vincent, ged:tn 24 xber: 176„ 5. _o Translaat Engelsche missive, geschreven door het „ministerium van madras aan den heer Dit Register Com commandeur en Raad van Padang, ged:t 16. november 1761. miniven N. o 6. Copia Translaat, geschreven door den heer Samuel Ardleij, raads lid van madaas en g'eli„ geerd gouverneur van bancahouloe aan als even, ged:t 6: Januarij a:o C: _o missive, geschreven door den heer Commandeur en raad aan de heer Andley, gedateerd 7: Januarij dezes Jaars _o Translaat Engelse brief, geschreven door voorm Heer Ardleij aan den heer commandeur en raad van Padang, ged:t 8. Janu: 1762. 9 _o missive, geschreven door den heer Comman„ deur en raad aan de heer Ardleij, geda„ teerd 9. Januarij dezes Jaars 10 _o Translaat Engelsche missive, geschreven door de heer Ardleij aan den heer Commandeur en Raad, gedateerd den 20. Januarij dezes jaars 11. _o missive, geschreven door den heer Comman„ deur en raad van Padang, aan de heer ardleij, gedateerd 21 Januarij dezes jaars Van Sumatras westCust den 12 maart 1762. N o. 12. Copia 8 47 Van Sumatras west Cust den 12 maart 1762 N:o 12 Copia missive, geschreven door den heer Comman„ deur en Raad van Padang aan het ministerium van madras, gedateerd 19. Janu: a:o hajus „ 13. Gecachetteerde brief, aan haar hoog Edelens de hooge Jndiasche Regeering tot bata„ via gerigt _o brief aan mr. Herbert tot Batavia Padang op Sumatras westCust den 12: maart 1762. /:was getekend:/ J„n Boudewijnsz secret:s Batavia „ 14 Van Sumatras westCust den 12 maart 1762. Batavia Bij t origineel van inleggend Duplicaat N:o 2. heb ik d' eere gehad, uw hoog Edelens kennisse geeven, weegens den ontfangst van een Engel„ sche brief van Bancolen, door eenen Fredrik vincent ondertekent, met mijn daar op gepast antwoord. En zedert van die zelfde man nog een an„ der schrijven ontfangen, en, volgens aparte resolutie van den 24. december, het nodige daar op gerescribeert hebbende, zo gebruijk ik de vrijheid, uw hoog Edelens d' afschriften daar van, onder N:o 3. en 4, insgelijx aan te bieden, met ootmoedig verzoek, mij te willen permitteren, dat ik mij aan haren jnhoud mag gedragen, alzo dezelve al te lang zyn, om in deezen ook maar in 't kort aangehaalt te werden. laast Dog dit was nauwlijx afgedaan, of op den of 4. Januarij dezes jaars verscheen hier ter rheede de heer Samuel Ardleij Raadslid van madras en g'eligeerd gouverneur van bancolen, met twee schapen; het eene De hart Temple ge„ aan als vooren „naamt 49 Van Sumatras WestCust den 12. maart 1762. naamt van 64. stukken Canon, onder den Comman„ deur John Smidt. En het ander De Plesseij van 28 stukken, gevoert bij Capitain Thomas Haque Hij gaf ten eersten bij een briefje kennis van zijne aankomst en verlangen, om in perzoon aan de wall te komen. En daar op 's anderen daags door twee Raads leeden afgehaalt zijnde: zo overhandigde hij mij de brief N:o 5: door het ministerium van Madras aan onze vergade ring gerigt Teffens verzogte hij ook vol„ gins dies Jnhoud met de nodige verver„ sching voor de scheepen, en eenige behoeftens voor de bezetting van Bancolen gerieft te mogen werden. maar, aangezien ik het niet goed oordeelde, met hem over iets, hoe gering ook, mondeling te handelen, zo verzogte ik hem het geen hij voor te draagen hadde, schriftelijk te willen doen. En hier op zoud hij mij san„ deren dags het schrijven, dat onder N. o 6. hierne„ vens legt; beheesende eenelyk eene g'extendeerte herhaling van het voormeld mondeling verzoek Jk bragte het ten eersten in de vergadering; En, met de leden deze zaak overmoogen hebbende, Zo Van Sumatras west Cust den 12. maart 1762 zo scheen het ons toe, uijt alle omstandigheeden, wel niet anders te kunnen opmaaken, als dat hij zelfs mogelijk geenzints hier gekomen was, om ons eenige moeilijkheiden aan te doen, te meer, om dat het ministerium van madras ver klaart hadde, tot vermijding van alle onnoodige dis„ puten tusschen de weder zijdse bediendens te deezer Custe, zig, wegens het afdoen der oude verschillen, aan uw Hoog Edelens zelfs te zullen addrosseeren, maar wij vermeenden egter, het ook niet te kunnen verantwoorden, hem als een vriend te tracteeren, en met de verzogte benodigtheeden te helpen, zo lange wij niet ten minsten van hem zelfs eene verklaring erlangden, dat hij vreedzamere en betere sintimenten bezat, dan de voornoemde heer vincent, die ons zo onhebbelijk voor vijanden van Groot Brittannien verklaard; en met een onverwijlde oorlog gedrijgt hadde. En daar om een besluijt hebbende genomen, hem ten opzigte van dit laatste eene positive decla„ ratie afte vorderen, en ingevalle hij daar bij de gevoelens van den heer Vincent goedkeur„ „de
English
From Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. to deny him, besides water and firewood, all further conveniences; so we declared in our reply No. 7 to be extremely inclined to give immediate proofs of our readiness to serve the English Company and him; but that we were nevertheless unable to declare ourselves positively upon his request now, without first asking for special information; whether he approved of and held to be just the sentiments and intentions of Mr. Vincent, which he had declared so clearly in a certain letter, of which we handed him an authentic copy; and whether he also had any special orders concerning Natter. And this I could clearly see brought him into great embarrassment at first. For he spoke about it privately, and sought by all kinds of evasions to exempt himself from a written answer; but understanding that he then also had not the least assistance to expect, he finally declared in his further letter No. 8, that he could not burden himself with the responsibility for the conduct From Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. of another prior to his arrival at this Coast; but that he could assure this, that he was not ordered to pursue such courses of action as had been proposed by Mr. Vincent in his letter, and that he had also received no private orders regarding Natter and Tappianoelij, but that he had only come here with intentions of friendship, which he ardently wished to cultivate. Having thus in that matter nearly reached our objective, and not being able with reason to demand more of him, we declared in our reply No. 9, that we very gladly accepted this declaration beforehand as sufficient, to the extent that we would not speak further with him about that matter, but would only reserve the right to lodge our complaint about the improper conduct of Mr. Vincent where and at such place as was appropriate. And in the meantime, to give him some substantial proofs of our sincere goodwill, that we had already given orders, and would further order, that the two ships lying in the Roads From Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. both during their stay here, and for the upcoming voyage, should be provided with the necessary drinking water, firewood, and refreshments; but as for the requested sheep, buffaloes, cattle, etc. for the garrison of Bancolen, that we were unable to provide even a small portion thereof now, and that we, for that reason, requested not only not to demand so much from us at once, but also, for that reason, not to proceed to P.s Chinco or Adjerhadja, as we could assure him that even less was to be had there than here. In consequence of this, we subsequently also truly provided him with the necessary refreshments for the two ships so abundantly, that on the day before his departure, in a separate note No. 10, he expressed his thanks for it in a very obliging manner. And we having answered the same in like manner, as appears from No. 11, he departed from here again on the 21st of January, taking with him our answer to the ministry of Madras No. 12, while he also left with us for delivery the two enclosed letters No. 13 addressed to Your Excellencies, and No. 14 to Mr. Herbert, and of which the latter was at first addressed: To Mr. Herbert, Resident on behalf of the honorable English Company at Batavia, but which was changed afterwards upon my statement that I could not accept that letter in that manner, as it was unknown to me whether Your Excellencies had indeed admitted anyone under that title at the principal place. That same day that he came ashore, we promised each other mutually, upon my proposal, not to accept any deserters. And I would perhaps do wrong if I suspected him of not having given his word with all sincerity. For when at his departure 4 sailors from the sloops were absent, and I informed him of this through one of the mates by a small note, he not only granted this mate authorization to search both ships in person; but he also had it publicly proclaimed that whoever dared to presume to conceal them would be very severely From Sumatra's West Coast, the 12th of March 1762. punished. And he even assured me in writing that even if they were only discovered at Bancolen, I would still get them back; but these people have nevertheless not yet appeared. And having heard nothing in the least of them since, I must almost believe that someone took them along without the governor's knowledge, or they must have perished altogether with the small proas with which they ventured out to sea. On the other hand, of two Moorish sailors who were left behind from the small ship, I have already had one brought to Mocca Mocca, and the other having since also been apprehended, only awaits a suitable opportunity to be sent off likewise. In conversation I heard from Mr. Ardleij that Mr. Vincent is only an ordinary ship's captain, sent directly from Europe to take repossession of Bancolen if by chance it should have been evacuated by the French, but that beyond that he had no orders, and consequently acted very improperly.
Dutch transcription
5 Van Sumatras West Cust den 12. maart 1762. de, hem dan buijten waater en brandhout alle ver„ dere geriefelijkheid te ontzeggen; zo betuijgden 6 wij bij ons antwoord N. o 7. ten uijttersten genee„ „gen te zijn van onze bewijdvaardigheid, om d' Engel„ sche Comp:s en hem te dienen, dadelyk blyken te ge„ ven; maar dat mij egter onvermogens waren, ons nu al op zijn verzoek positief te kunnen de„ clareeren, zonder voor af speciale onderregting te vragen; of hij goedkeurde en voor billijk hield, de gevoelens en voorneemens van den Heer vincent, die hij zo duijdelijk verklaart hadde, bij zeekere brief, waar van wij hem een authenticq afschrift ter hand stelden! En of hij ook, aan„ 8 gaande natter eenige byzondere ordres hadde. En dit konde ik duijdelijk zien, dat hem in 't eerst in grote verlegendheid bragte. want hij spaak daar over apart, en zogte door aller„ hande uijtvlugten, zig van eene schriftelijke ant„ woord te ontslaan; maar begrijpende, dat hij dan ook geen de minste assistentie te magten hadde, zo verklaarde hij eijndelijk, bij zijn nader schrijvens N. o 8. , Dat hij zig zelven niet konde belasten, met de verantwoording van t gedrag Van Van Sumatras WestCust den 12. maart 1762. van een ander voor zijne komste te deezer Custe; „maar dat hij dit verzeekeren konde, dat hy niet „gelast was, om zulke gedoentens te volgen, als door den heer Vincent, bij zijn brief, voorgesteld „waren, en dat hij ook nopens Natter en Tappi„ „anoelij geene particuliere ordres ontfangen „hadde, maar dat hij alleen hier gekomen was„ met inzigten van vriendschap, de welke hij vie„ riglijk wenschte aan te queeken. Dus in dat stuk ten naasten bij ons oog„ merk berijkt hebbende, en met reeden niet wel meer van hem kunnende vergen, zo be„ tuijgden wij bij ons weder antwoord N: o 9: „dat wij deeze declaratie voor uijt zeer gaarne „voor voldoende accepteerden, in zo verre, dat wij over die zaak niet verder met hem spreken, maar eenelijk ons, voorbehouden zouden, over het onbetamelyk gedrag van den Heer Vincent ons beklagte te doen, waar en ter plaatse, zulx behoorde. En om hem ondertusschen van onze opregte genegendheid eenige weezendlijke blijken te geeven, dat wij bereeds ordre gesteld hadden, en verder stellen zouden, dat de twee ter Rheede 53 Van Sumatras West Cust den 12. maart 1762. Rheede leggende scheepen, zo wel, geduurende hun verblijf hier, als voor d' aanstaande rijze, van het nodige drinkwater Brandhout en verversching F voorzien wierden; maar wat de gevorderte schaapen, Buffels, koeij-biesten ensz: voor de bezetting van Bancolen betrof, dat wij onvermo„ gens waren; daar van nu ook maar een gering gedeelte te bezorgen, en dat wij, uijt dien hoofde„ verzogten, zo veel op eenmaal, niet alleen niet van ons te vergen, maar ook, om die reeden niet op P. s Chinco of adjerhadja te willen aangaan, alzo wij hem verzeekeren konden, dat daar nog min„ der, als hier, te krijgen was. Ingevolge van dien, hebben wij hem dan vervolgens ook wezendlijk van de noodige ververschingen voor de twee scheepen zo ruijm voorzien, dat hij sdaags voor zyn vertoek, bij een aparte briefje N. o 10; op eene zeer verpligtende wijze, daar voor dank betuijgde En wij het zelve, blijkens N. o 11. ingelijker voegen b'antwoordt hebbende, zo is hij den 21. January weder van hier vertrokken, meede nemende ons antwoord aan het ministerium van madras N:o 12. , ter„ wijl hij ons ook de twee inleggende brieven No. 13. N. o 13. aan uw hoog Edelens, en N=o 14 aan m:r Herbert gerigt, ter bestelling nagelaten heeft, en 140 waar van de laatste eerst beschreven was: Aan den Heer Herbert, Resident van wegens de honora„ ble Engelsche Comp:s te Batavia, dog het gunt nader„ hand verandert is, op mijne betuijging, dat ik die brief in dier voegen niet accepteeren konde, alzo mij onbekent was, of uw hoog Edelens wel iemand onder dien Titul op de hoofd-plaats g'admitteert hadden. Dien zelfden dag, dat hij aan de wal quam, beloofden wij elkander op mijn voorstel, over en weder, geene deserteurs te zullen accepteeren En ik zoude mogelijk qualyk doen, zo ik hem verdagt hielt, zijn woord niet met alle opregt„ heid gegeven te hebben. want wanneer bij zijn vertrek 4. mattroosen van de Chialoupen absent waren, en ik hem door een der stuurlieden bij een kleijn briefje daar van kennis gaf, zo heeft hij niet alleen deezen stuur„ man qualificatie verleend, in perzoon bijde de scheepen te mogen doorzoeken; maar hij heeft ook in t publicq laten afkondigen, dat wie zig onder„ staan durfde, haar te verschuijlen, zeer zwaar ge„ Van Sumatras westCust den 12 maart 1762. staaft 55 Van Sumatras westCust den 12. maart 1762. „straft zoude werden, En mij zelfs heeft hij schrifte. lijk verzeekert, dat al wierden ze op Bancolen eerst ontdeckt, ik dezelve tog wederom zoude krijgen; maar deze menschen zyn egter nog niet komen opdaagen. En t sedert ook niets het winste van haar gehoort hebbende, zo moet ik dog haast gelo„ ven, dat d' een of ander haar, zonder weten van den gouverneur, mede genomen heeft, of zij moe„ sten met de klijne prauwen, waarmede zij het in zee gewaagt hebben, in 't geheel verongelukt zijn. Daar en tegen heb ik van twee moorse mat„ troosen, die van het klyjne schip agter gebleven wa„ ren, bereeds een naar mocca mocca laten brengen. en d' andere t sedert mede op gevat zynde, wagt maar na eene bequaame geleegend„ heid, om insgelijx verzonden te werden. E Byj discours heb ik van Den heer Ardleij gehoort, dat de heer Vincent maar een ordinair scheeps Capitain is, direct uijt Europa gezonden, om, of zomtijds Bancolen door de fransen ont„ ruijmt mogte weezen, dan daar van weeder posses„ sie te neemen, dog dat hij buijten dien gene or„ dris gehad, en bij gevolg zeer qualijk gedaan heeft,
English
has, not to meddle with anything that had not been commended to him. And in general, I believe I may consider myself firmly assured that the English gentlemen will for the present use no violence to regain Natter and Tappianoelij. They have all unanimously testified that Mr. Marriot, who is projected to replace Mr. Herbert, has received such instructions from madras that he will be able to make very acceptable proposals to Your High Nobilities regarding the settling of the old differences. I therefore hesitated all the less to show them outwardly as much politeness as could be done without detriment to the master's interests. And I cannot doubt but that they are very well satisfied with the reception they enjoyed, because Mr. Aroleij, in a private note sent since by an express from Bancolen, once again gives the strongest assurances thereof. Thus I also hope that Your High Nobilities will favorably please to approve of my actions and conduct maintained in their regard. I remain in that confidence etc: /was signed:/ E: L: Senff /in the margin:/ Padang the 12 March 1762. From Sumatra's West Coast the 12th March 1762. Translation 57 From Sumatra's West Coast under date 12 March 1762. Translation of an English letter written by the Resident at Baniouhouloe, fredrik vincent, to the Honorable Christian Lodewijk Senfs, Commander over Sumatra's West Coast, dated 24 November Anno 1761. Sir, I have received a letter from Your Honor, dated the 30th September, with its translation into English, which is of such an ingenious style that I am assured, as well in the copy of what I wrote on the 3rd of said month, that nothing has been omitted of what might serve to achieve Your Honor's proposed objective. If said letter was dispatched at that time, its transmission, although by sea, occurred very slowly, it having been delivered to me no earlier than yesterday, from which I conclude there must be an error in the date. A has, not to meddle with anything that had not been commended to him. And in general, I believe I may consider myself firmly assured that the English gentlemen will for the present use no violence to regain Natter and Tappianoelij. They have all unanimously testified that Mr. Marriot, who is projected to replace Mr. Herbert, has received such instructions from madras that he will be able to make very acceptable proposals to Your High Nobilities regarding the settling of the old differences. I therefore hesitated all the less to show them outwardly as much politeness as could be done without detriment to the master's interests. And I cannot doubt but that they are very well satisfied with the reception they enjoyed, because Mr. Aroleij, in a private note sent since by an express from Bancolen, once again gives the strongest assurances thereof. Thus I also hope that Your High Nobilities will favorably please to approve of my actions and conduct maintained in their regard. I remain in that confidence etc: /was signed:/ C: L: Senff /in the margin:/ Padang the 12 March 1762. From Sumatra's West Coast the 12th March 1762. Translation 57. From Sumatra's West Coast under date 12 March 1762. Translation of an English letter written by the Resident at Bancouhouloe, fredrik vincent, to the Honorable Christian Lodewijk Seuff, Commander over Sumatra's West Coast, dated 24 November Anno 1761. Sir, I have received a letter from Your Honor, dated the 30th September, with its translation into English, which is of such an ingenious style that I am assured, as well in the copy of what I wrote on the 3rd of said month, that nothing has been omitted of what might serve to achieve Your Honor's proposed objective. If said letter was dispatched at that time, its transmission, although by sea, occurred very slowly, it having been delivered to me no earlier than yesterday, from which I conclude there must be an error in the date. A From Sumatra's West Coast the 12th March 1762. has, not to meddle with anything that had not been commended to him. And in general, I believe I may consider myself firmly assured that the English gentlemen will for the present use no violence to regain Natter and Tappianoelij. They have all unanimously testified that Mr. Marriot, who is projected to replace Mr. Herbert, has received such instructions from madras that he will be able to make very acceptable proposals to Your High Nobilities regarding the settling of the old differences. I therefore hesitated all the less to show them outwardly as much politeness as could be done without detriment to the master's interests. And I cannot doubt but that they are very well satisfied with the reception they enjoyed, because Mr. Anoleij, in a private note sent since by an express from Bancolen, once again gives the strongest assurances thereof. Thus I also hope that Your High Nobilities will favorably please to approve of my actions and conduct maintained in their regard. I remain in that confidence etc: /was signed/ C: L: Seuff /in the margin:/ Padang the 12 March 1762. Translation
Dutch transcription
heeft, zig net iets te bemoeijen het gunt hem niet aanbevoolen was. En in 't generaal vermeen ik mij vast verze„ kert te mogen houden, dat de heeren Engelschen voor eerst geen geweld gebruijken zullen, om Natter en Tappianoelij wederom te krijgen. zy heb„ ben alle eenparig betuijgt dat de heer Marriot, die geprojecteert is, om m:r Herbert te vervan„ gen, zulke instructen van madras mede gekregen heeft, dat hij uw hoog Edelens, weegens het vereffenen der oude verschillen, zeer aannee„ melyke voorslagen zal kunnen doen. Ik heb daarom zo veel te minder geschroomt, haar voor t uijterlijke zo veel beleefdheijd te bewijzen, als, buijten nadeel van smeesters belangen, geschieden konde. En niet mogende twijffelen, of zij zijn met het genoten onthaal zeer wel voldaan, om reeden de heer Aroleij mij, bij een particulier briefje sedert p:r een expresse van Bancolen gezonden, daar van nogmaals de kragtigste verzekeringen geeft. zo heeft ik ook, dat uw Hoog Edelens mijne verrig„ tingen en gehouden gedrag, ten haaren op„ zigte gunstiglijk zullen gelieven goed te kenren Ik blijf in dat vertrouwen etc: /was getekend:/ E: L: Senff /in margine:/ Padang den 12 maart 1762. Van Sumatras westCust den 12. ' maart 1762. Translaat 57 Van Sum:t WestC=s onder dato 12. maart 1762. Translaat Engelsche Brief ge„ schreeven door den Resident tot Baniouhouloe, fredrik vincent aan den E: agtb: Heer Christi„ aan Lodewijk Senfs, commandeur over Sumatras west Cust, in dato 24. november A. o 1761. Zijn Heer Ik hebbe een brief van uw Ed:, gedateert den 30. sep. tember, met dies overzetting in 't Englisch ont„ fangen, dewelke van een zo zinrijke stijl is, dat ik verzekert ben, zo wel daar bij 't afschrift van 't geene ik den 3:e van gedagte maand schreef, niets is overgeslagen van t geen dienen konde, om uw Ed: voorgesteld oogmerk te bereijken, indien gezegde brief in dier tijd afgevaardigt is, is desselfs overzendinge, al hoewel over zee, zeer traag geschied zynde, dezelve mijn niet eerder, dan gisteren overhandigt geworden, waar uijt ik besluijte in de datum een abuijs te moeten zijn. Een heeft, zig niet iets te bemoeijen het gunt hem niet aanbevoolen was. En in 't generaal vermeen ik mij vast verze„ kert te mogen houden, dat de heeren Engelschen voor eerst geen geweld gebruijken zullen, om Natter en Tappianoelij wederom te krijgen. zy heb„ ben alle eenparig betuijgt dat de heer Marriot, die geprojecteert is, om m:r Herbert te vervan„ gen, zulke instructen van madras mede gekregen heeft, dat hij uw hoog Edelens, weegens het vereffenen der oude verschillen, zeer aannee„ melyke voorslagen zal kunnen doen. Ik heb daarom zo veel te minder geschroomt, haar voor t uijterlijke zo veel beleefdheijd te bewijzen, als, buijten nadeel van s meesters belangen, geschieden konde. En niet mogende twijffelen, of zij zijn met het genoten onthaal zeer wel voldaan, om reeden de heer Aroleij mij, bij een particulier briefje sedert p:r een expresse van Bancolen gezonden, daar van nogmaals de kragtigste verzekeringen geeft. zo heeft ik ook, dat uw Hoog Edelens mijne verrig„ tingen en gehouden gedrag, ten haaren op„ zigte gunstiglijk zullen gelieven goed te keuren Ik blijf in dat vertrouwen etc: /was getekend:/ C: L: Senff /in margine:/ Padang den 12 maart 1762. Van Sumatras westcust den 12:' maart 1762. Translaat 57. Van Sum:t West C=t onder dato 12. maart 1762. Translaat Engelsche Brief ge„ schreeven door den Resident tot Bancouhouloe, fredrik vincent aan den E: agtb: Heer Christi„ aan Lodewijk Seuff, commandeur over Sumatras west Cust, in dato 24. november A. o 1761. Mijn Heer Ik hebbe een brief van uw Ed:, gedateert den 30. sep. tember, met dies overzetting in 't Englisch ont„ fangen, dewelke van een zo zinrijke stijl is, dat ik verzekert ben, zo wel daar bij 't afschrift van 't geene ik den 3:e van gedagte maand schreef, niets is overgeslagen van t geen dienen konde, om uw Ed: voorgesteld oogmerk te bereijken, indien gezegde brief in dier tijd afgevaardigt is, is desselfs overzendinge, al hoewel over zee, zeer traag geschied zynde, dezelve mijn niet eerder, dan gisteren overhandigt geworden, waar uijt ik besluijte in de datum een abuijs te moeten zijn. Een Van Sumatras westCust den 12:' maart 1762. heeft, zig niet iets te bemoeijen het gunt hem niet aanbevoolen was. En in 't generaal vermeen ik mij vast verze„ kert te mogen houden, dat de heeren Engelschen voor eerst geen geweld gebruijken zullen, om Natter en Tappianoelij wederom te krijgen. zij heb„ ben alle eenparig betuijgt dat de heer Marriot, die geprojecteert is, om m:r Herbert te vervan„ gen, zulke instructen van madras mede gekregen heeft, dat hij uw hoog Edelens, weegens het vereffenen der oude verschillen, zeer aannee„ melijke voorslagen zal kunnen doen. Ik heb daarom zo veel te minder geschroomt, haar voor t uijterlijke zo veel beleefdheijd te bewijzen, als, buijten nadeel van smeesters belangen, geschieden konde. En niet mogende twijffelen, of zij zijn met het genoten onthaal zeer wel voldaan, om reeden de heer Anoleij mij, bij een particulier briefje sedert p:r een expresse van Bancolen gezonden, daar van nogmaals de kragtigste verzekeringen geeft. zo heeft ik ook, dat uw Hoog Edelens mijne verrig„ tingen en gehouden gedrag, ten haaren op„ zigte gunstiglijk zullen gelieven goed te keuren Ik blijf in dat vertrouwen etc: /was getekend/ C: L: Seuff /in margine:/ Padang den 12 maart 1762. Translaat
English
From Sumatra's West Coast under date 12 March 1762. Translation of an English letter written by the Resident at Baniouhouloe, Fredrik Vincent, to the Honorable Christian Lodewijk Senfs, Commander of Sumatra's West Coast, dated 24 November 1761. Sir, I have received a letter from Your Honour, dated 30 September, along with its translation into English, which is of such an ingenious style that I am certain, as well as by the copy of what I wrote on the 3rd of the said month, nothing was omitted of what could serve to achieve Your Honour's proposed aim. If the said letter was dispatched at that time, its transmission, although by sea, took place very slowly, as it was not delivered to me until yesterday, from which I conclude that there must be an error in the date. From Sumatra's West Coast under date 12 March 1762. One circumstance, namely that in the month of August several prows departed from this place toward Padang, convinces me that Your Honour must have been informed that there was a Resident here on behalf of the Honorable English East India Company; and, although the character of the writer and his seal did not expressly make this known, the place from whence it came and the language could nevertheless leave no doubt regarding the authority and right which the writer had to demand the reasons for an enterprise that appeared unjust to him. I understand all your claims of about a century ago, passed under the Emperor of Manincabo and the King of Baros, and the deficiency which Your Honour places upon the recent pretensions of the English Company to Natter, on account of the settlement of some English merchants, as Your Honour calls them, from the year 1750 until their eradication by the French. Your Honour is indeed so frank as to admit that Natter, being of no importance, caused the Dutch Company to abandon the same, and for that From Sumatra's West Coast under date 12 March 1762. reason did not deem it necessary to use any force for its recovery, but that the said Dutch Company protested against it, from which it is evident that its pretended exclusive right was never granted, or it must have come to notice; if the said Emperor or King over the sea coast ever had such power, how then did this power pass to the regents of the said place! From whence, to all appearances, Your Honour's last and strongest argument is derived: for what confirms me in this is that Your Honour, in the third conclusion, proves your right by the contracts made in 1693 and 1761 with the regents of Natter. If these sovereigns have a right, according to Your Honour's own admission, then the ruling chiefs from the year 1750 to 1760 (when the French arrived at Natter) excluded the Dutch Company and invested the English Company alone with the liberty to erect fortifications in their district, wherever and whenever it should please them. And it is evident that, From Sumatra's West Coast under date 12 March 1762. if the lawful prince had not been brought to the necessity of seeking a hiding place from the violence that was threatening him after the French had arrived there, Your Honour would not so recently have obtained a claim, such as that of the year 1761. Therefore, this last contract is very poorly grounded, having been made with premeditation, the contents of which Your Honour wills, and the surrender of this domain is as exorbitant as Your Honour's demand is. Many circumstances have come together which deprive me of the pleasure of conducting a further investigation into this matter; nevertheless, I hope soon to receive orders in this regard, as well as to imitate the examples of several heads of the Dutch Company residing here in the Indies. The consequences that might arise from this I have as little reason to fear as those who compel me thereto, wherefore I must protest against this invalid claim, such as the present unlawful regent is capable of procuring for Your Honour, against the Dutch From Sumatra's West Coast under date 12 March 1762. Company, Your Honour, and all its agents who should hold Natter from now on; and I declare in the name of those whom I have the honour to serve, both the English East India Company as well as a subject of Britain, that, believing Natter to be undoubtedly the property and right of the English Company, I shall consider my conduct justified in the measures which I might be forced to employ for its recovery. Allow me to make use of Your Honour's own words, that an owner of his house could not be secure if he permitted a stranger to sleep therein for a night, and should therefore forfeit his right. By the same line of reasoning: who has a greater inherent right than the one who finds materials and builds a house therefrom, with the consent of the land by the country's owner? Your Honour admits that in the year 1750 this place was of little importance; by whose doing has it become so, but by the untiring diligence of the English? Is it then reasonable
Dutch transcription
57. Van Sum:s WestC=t onder dato 12. maart 1762. Translaat Engelsche Brief ge„ schreeven door den Resident tot Baniouhouloe, fredrik vincent aan den E: agtb: Heer Christi„ aan Lodewijk Senfs, commandeur over Sumatras west Cust, in dato 24. november A. o 1761. Mijn Heer Ik hebbe een brief van uw Ed:, gedateert den 30. sep. tember, met dies overzetting in 't Englisch ont„ fangen, dewelke van een zo zinrijke stijl is, dat ik verzekert ben, zo wel daar bij 't afschrift van 't geene ik den 3:e van gedagte maand schreef, niets is overgeslagen van 't geen dienen konde, om uw Ed: voorgesteld oogmerk te bereijken, indien gezegde brief in dier tijd afgevaardigt is, is desselfs overzendinge, al hoewel over zee, zeer traag geschied zynde, dezelve mijn niet eerder, dan gisteren overhandigt geworden, waar uijt ik besluijte in de datum een abuijs te moeten zijn. Een Van Sumatras WestCust onder dato 12. maart 1762 Een omstandigheid, namentlyk dat van deze plaats in de maand augustus verscheijde prouwen Padang„ waards vertrokken zijn, overtuijgt mij, dat uwe g'inbor„ meert wezen moeten, dat van wegens d E Engelsche oop Jndische Compagnie een Resident hier was: en, of schoon de Character van de schrijver en zijn signet, zulx niet uijtdrukkelijk te kennen gaf, konde nogthans de plaats, van naar dezelve quam en de taal geen twijffel overig laaten, omtrent de authoriteijt en regt, 't welk de schrijver hadde, om reden te vragen van een onderneeming, dewelke hem onregtvaardig toescheen Ik begrijpe alle uwe eijsschen van ontrent een eenw, gepasseert onder den keijzer van Ma„ nincabo en de koning van Baros, en de gebrek kelijkheid, die uwe legt„ op de Jongste preten„ sien van d' Engelsche Comp:e op natter, wegens d de nederzettinge van eenige Engelse Cooplieden„ gelijk uwe ze noemt van 't jaar 1750. tot der zelver uijtroeijing door de franschen uwe is in der daad zo opregt te bekennen, dat Natter - van geen belang zynde, de Nederlandse Comp: 9 veroorzaakte 't zelve te verlaaten, en om die. 59 Van Sumatras WestCust onder dato 12. maart 1762. die Reeden niet nodig agte, eenige magt te gebruijken tot desselfs weederbekooming, maar dat gedagte Ne„ derlandsche Compagnie daar teegens geprotesteert heeft, waar uijt het evident is, derzelver voorge„ wende exclusive regt was nooijt toegestaan of het hadde moeten ter kennisse komen; bij aldien gezegde keyzer of koning over de zee Crrst diergelyke magt ont gehad heeft, hoe komt dan deeze magt op de Regenten „ ƒ van gedagte Plaats! van waar, naar oogen schijn, uwe laatste en sterkste argiment afgelegd is: want 't geene mij daar in besterkt, is, dat uur in 't derde besluijt uwe regt bewijst door de Contracten in 1693 en 1761 met de Regenten van Natter gemaakt Indien deze souve 7 rams een Regt, volgens uwe eijgene Bekente„ nis hebben, zo sloten de regeerende hoofden van t jaar 1750 tot 1760. /: dat de franschen op Natter gekomen zijn. / de Nederlandsche Comp:e uijt, en investigde d' Engelsche Comp:e alleen met de vrijheid, om sterkten op te rechten in der zelver landschap, waar en wanneer dezelve het behagen zoude: En het is kenbaar, dat bij Van Sumatras West Cust onder dato 12. maart 1762 bij aldien de wettige vorst niet tot de noodzake lykheiyd gebragt was geworden, een schuil-slaats te zoeken voor de geweld, die hem rakende was, na dat de franschen daar gekoomen waren, uwe zoude niet zoorlangs een eijsch overko„ men hebben, gelijk van 't jaar 1761. derhalven is dit laatste Contract zeer qualijk gegrondt, als met voordagt gemaakt zynde, wiens jnhoud uwe will en d' afstand van dit Domijn, zo onmatig, als uwe Eijsch is. Daar zijn veele omstandigheeden te zamen gekomen, welke mijn 't vermaak ontneemen een nader onderzoek, in deze zaak te doen, egter hoop ik des wee„ gen Beveeligt kort te ontfangen, gelijk ook de Exempels van verscheide hoofden der Neder„ landsche Comp:s hier in Jndia resideerende, te inteeren: De gevolgen, welke daar uijt mogten voorkomen, heb ik zo weinig te vreezen, als de geene welke mij daar toe dwingen, weshalven ik, teegens deze onkrag„ tige aanspraak, gelijk de jegenswoordige onwettige regent bequaam is, uwe te ver schaffen, protesteeren moet, teegens de Ne„ „derlandsche 81 Van Sumatras WestCust onder dato 12: maart 1762. derlandsche Comp:s uwe en alle der zelver agenten, die Natter van nu voortaan zouden houden, en verklaare uijt naam van de geen, welke ik de eere hebbe te dienen, zo wel d' Engelsche Oost Jndische Compagnie, gelijk ook als subject van Brittannien, dat vermeenende Natter ongetwijf„ feld het eijgendom en Regt der Engelsche Comp:e te zijn, ik mijn gedrag voor regtvaardigt hou„ den zal, bij de middelen, welke ik genoodzaakt mogte zijn, tot desselfs wederbekoming aan„ te werden Vergun mij, om mij van uwe eijgene woor„ den te bedienen „ dat een eijgenaar van zijn huijs niet verzekert konde zijn, wanneer hij een valem„ deling toestondt, een nagt daar in te slapen, en daar om zyn regt verbeuren zoude: bij 't zelve gevolg van reeden Wie heeft een meerder aanklevend regt, dan de geene, welke stoffe vind en daar van een huijs bouwd, mits consent van de grond door des lands eijgenaar: uwe staat toe dat in 't jaar 1750. deze plaats van weinig belang was, door wiens toedoen is het zo geworden bij d' onvermoeyde vlijt der Engelsche; is het dan met verstandig 6
English
From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762 sensible and honest to claim a right, where you prove that the Dutch Company cannot have any right, but still persist in a direct breach of the solemn treaties; what else is this than undertaking an indefensible war. I am entirely of your opinion that to end well is to begin well, this is what I prefer, learning from you the authority according to which you have acted, and the power that you have to end such in friendship: I dare do nothing that is contrary to the laws of my country, but where is this law that restricts me or where is the treaty that refuses me to seek my robbed possession and the recovery of the same, to put it again into my power, by any means, mentioned or otherwise. By this reply, I understand, you will not be at a loss to know: who it was, and is, who addresses this to you I am not in possession of the common seal of the Honorable Company, however, since this present one undoubtedly 63 From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762 undoubtedly belongs to it, I use the same in place of the other on this occasion: Its emblem shows its strict sentiments, as well as the manner in which it desires to see this matter settled: A matter of so much weight requires prompt attention, if it is to be effected by peaceful means otherwise This is, Sir, what I very sincerely wish, and shall take pleasure, on all occasions, to testify and maintain what my duty requires of me I shall be ready, and take the greatest pride to subscribe myself /was written below:/ Sir /lower:/ your most obedient and humble servant /was signed:/ IoEd: Vincent /yet lower:/ translated by me /signed:/ C. W. Coln /in the margin:/ Fort Marlbro, the 24th of November anno 1761. /underneath:/ I have no one capable of writing in your language, or I would have sent it over in the same manner /underneath/ Agreed /was signed:/ P. F. Forcade, First Clerk. To - From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762 8 To Mr. Vincent The letter from Your Honor dated 24 November I have duly received in original and duplicate, and being unable to refrain from framing the necessary reply to it, I shall herewith accomplish this as briefly as possible. Why my previous letter of 30 September was delivered so late to Your Honor, I cannot really give any reason for, because certainly no mistake occurred in the date; and the dispatch actually took place a few days later. Nevertheless, it might well be that the couriers, out of fear of the difficulties of the overland route, waited for an opportunity by sea, and therefore delayed so long; and this I believe most likely, because Your Honor writes having received the same by sea, whereas nevertheless, according to the agreement made, the delivery was to take place overland Honorable Sir It 65: From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1763. It is true that in the month of August some private merchants arrived here via Bancolen; and, as they brought news that a ship with troops was lying there, it was also easy to understand that the same could not be without a commander, but they were as little able to tell us his name as his character; and even if they had been able to do so, I could nevertheless never have inferred from Your Honor's first letter that Your Honor yourself was the resident of that factory. For that letter by no means uses the language of a political person, whose actions are always accompanied by a certain fairness and foresight, but rather of a true military man who, without thinking of the consequences, considers all occasions justified to demonstrate his bravery in words and deeds. And therefore Your Honor cannot take it amiss that I, at that time, addressed my reply not directly to Your Honor, but to the chief of the English gentlemen at Bancolen That From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762. That the right of the Dutch possession at Nattar is so old, so legitimate, and so well-founded that the same cannot be disputed with any fairness, and even less with any appearance of justice, I have undeniably proven in my previous communication; and I deem it as yet unnecessary to add the slightest thing to it for further clarification or confirmation thereof; since Your Honor yourself fully confirms the truth thereof, when Your Honor declares that my previous letter contains everything that can serve to achieve the proposed objective, and when indeed, of the substance of my representations, not a single point has been refuted with acceptable reasons or even made in the least doubtful; but that Your Honor, for lack of other proof, imposes untrue sentiments upon me, which I never thought, much less wrote, and then draws some poorly reasoned conclusions therefrom, is something that certainly deserves serious comment. And let it therefore be permitted to me, the unfairness
Dutch transcription
Van Sumatras WestCust onder dato 12. maart 1762 verstandig en eerlijk een Regt te eijsschen, waar uwe bewijst, dat de Nederlandsche Comp:e geen regt hebben kan, maar duurt nog volharden, in een directe breuk van de plegtige tractaaten; wat is dit anders, dan een onverdeedigbaare oorlog te om„ derneemen. Jk ben volkomen van uwe meening, dat om wel te eijndigen is, wel te beginnen, dit is het geene wat ik prefereere, leerende van uur d' authoriteijt na dewelke uwe te werk ge„ gaan is, en het vermogen, dat uwe heeft zulx in vriendschap te eijndigen: Jk durf niets bedrij„ ven, dat strijdig is, met de wetten van mijn land, maar, waar is deeze wett welke mij be„ paald of waar is de tractaat, welke mij wij„ gat, mijne ontroofde bezitting en der zelver wederbekoming te zoeken, wederom in mijne magt te stellen, door eenige middelen, Gemeld of anderzints. Door deze antwoord begrijp ik, zal uwe niet verleegen zijn, te weeten: wie het was, en is, de welke uwe deze addresseert Ik ben niet in possessie van t gemeene zegul van d E Comp. e, egter dewijl dit tegenwoordige ongetwyffeld 63 Van Sumatras WestCust onder dato 12 maart 1762 ongetwijffeld haar toebehoord, gebruijk ik t zelve voor andere bij deze gelegenheid: Desselfs Emblema vertoond der zelve strenge gevoelens, zo wel, als de wijze, waar op dezelve begeert, deze zaak af„ gedaan te zien: Een zaak van zo vel gewigt vereijscht een spoedige oplettenheid, zal dezelve an„ „ders door vreedzaame middelen g'effectueerd werden Dit is, mijn heer, 't geen ik zeer opregtelijk wensch, en zal vermaak hebben, in alle occa„ sien te betuijgen, en bewaaren, 't geen mijn pligt my aflijst Jk zal gereed zijn, en de grootste voan dragen van mij zelfs te onderschrijven /onderstond:/ Mijn heer /:lager:/ uwe gehoorzaamste en ootmoedig„ ste dienaar /was getekend:/ I oEd: Vincent /nog loger:/ door mij overgezet /:getekent:/ C. W. Coln /in mar„ gine:/ bort Marlbro den 24. e november anno 1761. /daar onder:/ Jk hebbe niemand Capabel in uwe taal te schryven, of zoude dit gelykerwijs daar in hebben overgezonden /ondersta/ Accordeerde /: was getekend:/ P. F Forcade Eg. Clercq. Aan - Van Sumatras West Cust onder dato 12 maart 1762 8 Aan de heer vincent De brief van uw wel Ed: gedateert 24 november heb ik in Originaal en duplicaat wel ontfangen, En niet kunnende nalaaten, daar op het noodig antwoord te passen, zo zal ik zulx bij deezen vol brengen, zo kort als immers mogelijk is. Waarom mijn voorige brief van den 30. Septem„ ber uw wel Ed: zo laat toegebragt is, daar van weet ik eygentlijk geene reeden te geeven want in de datum heeft zeekerlijk geen abuijs plaats gehad; en d' overzending is wezendlijk, ook wei„ nig daagen naderhand, geschied. Nogthans zoude het wel kunnen zijn, dat de bestellers, uijt bedug„ ting voor de moeijelijkheeden van den landweg, eene gelegendheid ter zee afgewagt, en daarom zo lange vertoeft hadden; En dit geloof ik voor 't naaste, om dat uw wel Edele schrijft, den zelven over zee ontfangen te hebben daar nog tans, volgens 't gemaakte accoord, de bestelling geschieden moeste Wel Edele Heer Het 65: Van Sumatras West Cust onder dato 12. maart 1763. Het is waar, dat in de maand augustus eenige particuliere Negotianten over Bancolen hier na toe gekomen zijn; en, dewijl zij tijding bragten, dat daar een schip met manschap lag, zo was t ook ligt te begrijpen, dat het zelve niet zonder hoofd konde zijn, maar dies naam wisten zy wij egter zo min te zeggen, als desselfs Character; En al hadden zij dat kunnen doen, zoude ik even wel uijt d' eerste Brief van uw wel Ed: nooit hebben kunnen opmaaken, dat uw wel Ed. zelfs de resident van dat Comptoir was. want die brief voert geensints de taal van Politicq per„ „zoon, wiens handelingen altoos gepaart gaan met eene zekere billijkheid en voor uijt zigt, maar wel van een opregt oorlogsman, die zou„ der, op de gevolgen te dunken, alle gelegendhee„ den gewettigt agt, om in woorden en werken zyne bravour te toonen. En daarom zal uw wel Ed. het ook niet qualijk kunnen neemen, dat ik mijn antwoord, doen ter tijd niet direct aan uw wel Ed. , maar, aan het opperhoofd den heeren Engelschen te Banco„ len heb g'addresseert gehad Dat Van Sumatras West Cust onder dato 12. maart 1762. Dat het regt van de Nederlandsche possessie op Natter „ zo oud, zo wettig en zo wel gefundeert is, dat het zelve met geene bellijkheidj en nog min„ 1 der met eenigen schijn van regtvaardigheid, kan te gen gesproken werden, heb ik bij mijne voorgaan„ de ontegenzeggelyk beweezen; En ik agte voor als nog onnodig, iets het minste, tot nadere op heldering of bevestiging van dien, daar bij te voe„ gen; Dewijl uw wel Ed: zelfs de waarheid daar van volkomen bevestigt, wanneer uw wel Ed. verklaart, dat mijn voorige Brief alles bevat„ dat tot berijking van het voorgestelde oogmerk dienen kan, en wanneer in derdaat ook, van het hoofd zakelyke mijner vertoogen geen genig poinct met aannemelijke reeden wederlegt of zelfs maar in 't minste twijffelagtig gemaakt werd; maar dat uw wel Ed. , bij gebrek van andere bewijzen, mij onware gevoelens opdringt, die ik nooit gedagt, veel min geschreeven heb, en dan daar uijt eenige qualijk beredeneerde gevolgen trekt, is iets, dat zekerlyk eene ern„ stige aanmerking verdient. En het zy mij derhalven gepermitteert, de onbillijkheid
English
From Sumatra's West Coast, under date 12 March 1762. not only to demonstrate the unreasonableness thereof, but also at the same time to show that many of my modes of expression have either been wrongly interpreted or actually altered verbatim. Your Honour is pleased to say to understand well all my demands of about a century, under the Emperor of Maningcabo and the King of Baros. Of this I understand neither the meaning nor the intention. In my letter I did not speak of any demands at all. And even if that had occurred, it would nevertheless be very ill-suited; for the Dutch Company has no demands, but indeed a lawful right. And it makes no claim to Natter that is doubtful; but it solely maintains the effect of its property, on the foundation of the most binding contracts and of a long-standing, undisturbed possession. It seems that Your Honour takes offense that I hold to be private traders those who, in the year 1750, committed the violent intrusion upon Natter; but let Your Honour by no means find that strange. I firmly presuppose that it is virtually impossible that such could have occurred on the special order of the Honourable English Company. For how could such a considerable body, which by the most distinguished privileges is bound more than a private person to the general interest of the realm, undertake to commit an act so directly contrary to all equity, to the law of nations, and to the most solemn treaties, which keep the bond of friendship between our mutually high sovereigns so closely tied, and the breach or violation of which might at times give rise to an open and ruinous war for both nations. Yet from private adventurers, who ordinarily carry all their well-being with their person, one more often sees the most irresponsible deeds committed, fearing no consequences as long as they know how to secure a profit. And what fully confirms me in this opinion is that, to my knowledge, the Directors of the English Company in Europe have not yet even approved that unjust From Sumatra's West Coast, under date 12 March 1762. act, at least not in public, but rather to the contrary, as I have been assured, already long ago sent orders to the ministry of Bancolen to have Natten evacuated again. If Your Honour could, with reason, hold me to be so sincere as to have declared that the Dutch Company had abandoned Natten, that praise would serve as my utmost shame: for it is a matter that consists entirely in untruth, and whereby I would, in the eyes of the whole world, better deserve the name of a liar than that of an honest man; but now I have never thought that, much less written it. And on that account I justly lodge a grievance against Your Honour, that such sentiments or expressions, as untrue as they are unjust, are placed to my account. Having said in my previous letter, among other things, that the Dutch Company, not wishing to use open violence against the violent intrusion upon Natter, had solely complained thereof, From Sumatra's West Coast, under date 12 March 1762. and had continuously protested against it in the strongest terms, Your Honour remarks thereon that from this it appeared evident that its alleged exclusive right had never been granted, or else it must have come to knowledge. But I truly do not know how I am to understand this. For that Your Honour should pretend that the Dutch Company had to ask the consent of its exclusive contracts from the English gentlemen, I can hardly believe. And if Your Honour calls the lodged complaints and protests into doubt because they have not come to his knowledge, what else does this show but that Your Honour undertakes to speak about a matter concerning which he is not at all, or at least very poorly, informed. The contracts concluded with the regents of Natten I have by no means adduced as the principal foundation of the Dutch right; my letter shows otherwise. And everyone who reads it will have to admit that I spoke of them only in the third place, From Sumatra's West Coast, under date 12 March 1762. in superfluity, and as if in passing. But even if it were otherwise, or as Your Honour says, I would by no means have done wrong therein. Those contracts are certainly as lawful as the others, without being able to serve in the least as proof of Your Honour's assertion: that, consequently, those regents must have had a sovereign right; and that it was by virtue of this right that they, in the year 1750, excluded the Dutch Company and called in the English Company. For who has ever heard that those who conclude contracts must precisely be sovereigns? Does not the English Company itself even have contracts both with the sovereign and with the subjects at the same time? And could they approve that the latter should therefore consider themselves discharged from the owed obedience to the former? Moreover, of all the coastal princes along this entire West Coast, not one is sovereign by virtue of his birth; they are all, as far as its territory extends, from Chincol to Jndrapoura, chosen, appointed, or at
Dutch transcription
67. Van Sumatras West Cust onder dato 12 maart 1762 onbillijkheid daar van, niet alleen aan te wijzen, maar ook teffens te vertoonen, dat veele mij„ „nen spreekwijzen, of verkeerd uijtgelegd, of effec„ tive woordelijk verandert zijn. uw wel Ed: gelieft te zeggen „ Alle mijne eijsschen van omtrent eene Eauw, onder den keijser van Maningcabo en koning van Baros wel te begrypen. „ Hier van verstaa ik te zin, nog ik begrijp het oogmerk niet. Jk heb bij mijn brief in 't geheel van geene Eijsschen gesprooken. En zo het al geschied waare, zoude het egter zeer qualijk passen; want de Nederlandsche Comp: e heeft geene Eijsschen, maar wel een wettig regt En zij maakt geene pretensie op Natter, die twijffelagtig is; maar zij maintineert alleen het effect van haar eygendom, op fondament van de bondigste Contracten en van eene lang Jarige geruste possessie. Het schijnt, dat uw wel Ed: zig daar aan stoot, dat ik voor Particuliere Negotianten houde de geene, die in a=o 1750: de geweldige indrang op Natter gepleegt hebben: maar laat uw wel Ed: dat geenzints vrlemd dun„ „ken ken. Ik voor duderstelle vast, dat het genoegzaam ommo„ gelijk is, dat zulx op speciale ordre van de houo„ rable Engelsche Comp. s geschied zoude zijn. want hoe zoude zulk een aanzienelijk lighaem, dat door d' uijt„ minitenste voorregten meerder, als een bijzonder per„ zoon, aan het algemeen belang van het rijk ver„ bonden is, onderneemen kunnen, eene daat te ple„ gen, die zo direct strijdig is teegens alle billyk heid, tegens het regt der volkeren, en tegens de aller pligtigste traclaten, die de band van vriend„ schap tusschen onze meerzeijdse Hooge souverai„ nen zo nauw verknogt houden, en welker ver„ breeking of overtreeding zomtijds aanlijding zoude kunnen geeven, tot een openbare en ruineuse Oor„ log voor beijde de natien. Dog van Particuliere avanturiers, die ordinair alle haar wel zijn met haar lighaam mede voeren, ziet men 't meer gebeuren, dat zy d' aller onverantwoordelykste stukken plegen, en geene gevolgen vreesen, als zij maar weeten voordeel te behalen. En het geen mij in dit gevoelen volkomen bevestigt, is, dat, met myn weeten„ De heeren Directeuren van d' Engelsche Comp:s in Europa, die onregtvaar„ Van Sumatras West Cust onder dato 12. maart 1762 dige 69 Van Sumatras West Cust onder dato 12 maart 1762: „dige daar nog niet eens, ten minsten niet in 't pu„ blicq, goed gekeurt, maar wel in tegendeel, zo men mij verzeekert heeft, bereeds voor lange, aan het ministerium van Bancolen ordre gezonden heb„ ben, Natten weeder te doen ontruijmen Bij aldien uw wel Ed: mij, met reeden, door zo opregt zoude kunnen houden, van verklaart te hebben, dat de Nederlandsche Comp: s Natten verlaten hadde, zoude die lof mij tot d' uijtter„ ste schoude strekken: want het is eene zaak, die in 't geheel in onwaarheijd bestaat, en waar door ik bij de gantsche wereld, den naam van een lengenaar beeter, als die van een eerlyk man, verdienen zoude, maar nu heb ik dat nooit gedagt, veel min geschreeven. En ik bezwaer mij uijt dien hoofde billijk over uwel Ed. dat diergelyken gevoelens of uijtdrukkingen, zo onwaar als onbillijk, op mijne reekening ge„ steld werden Bij mine voorige onder anderen gezegt hebbenede, dat de Nederlandsche Comp: tegens de genildige Jndrang op Natter geen openbaar geweld willende pleegen, eenelijk daar over geklaagt Van Sumatras West Cust onder dato 12. maart 1762. geklaagt, en bij continuatie op t kragtigste daar te gen geprotesteert hadde, zo merkt uw wel Ed. daar op aan, Dat hier uijt evident bleek, dat derzelver voorgewend exclusive Regt nooit was toe„ gestaan, of het hadde moeten ter kennisse komen maar ik weet waarlyk niet, hoe ik dit begrij„ pen moet. want dat uw wel Ed:: pretendee„ ren zoude, dat de Nederlandsche Comp:s de toe„ stemming van hare exclusive contracten van de Heeren Engelschen moeste vragen, kan ik nauwlijx geloven. En zo uw wel Ed. de gedane klagten en protestatien daarom in twijffel trekt, om dat ze niet te zijner kenniss gekomen zijn, wat toont dit anders, als dat uw wel Ed: onder„ neemt over eene zaak te spreeken, welken aangaande, Hij in 't geheel niet of ten minsten zeer qualijk onderregt is De geslooten Contracten met de regenten van Natten heb ik geensints bij gebragt, als het voornaamste fondament van 't Nederland„ sche regt mijn brief soort dat anders En een ieder die dezelve leest, zal bekennen moeten, dat ik daar van alleen in de derde plaatse 71 Van Sumatras WestCust onder dato 12. maart 1762. plaatse, ten overvloede en, als in 't voorbij gaan, ge„ sprooken heb. Maar, al was het anders, of zoo, als uw wel Ed: zegt; ik zoude daar aan, geen„ zints qualijk hebben gedaan. Die Contracten zijn zeekerlijk zo wel wettig, als d' anderen, zonder datze in 't minste tot een bewijs kunnen dienen= van uw wel Ed: s voorgeeven: Dat, bij gevolg, die Regenten een souverain regt moesten hebben; en dat het, uijt hoofde van dit regt, was, dat zij in A:o 1750. de Nederlandsche Comp:s uijtgesloten, en d' Engelsche Comp:e ingeroepen hadden, want wie heeft ooit gehoort, dat de geene, die Contracten sluijten, juijst souveraijnen moeten zijn. heeft d' Engelsche Comp:e niet zelfs wel Contracten en met den souverain en met d' onderdaanen te gelijk En zouden zij goed kunnen keuren, dat de laatsten zig daarom van de verschuldigte gehoor„ zaamheid aan de Eersten ontslagen zouden agten! Boven dien, is van alle strand-vorsten langs deze gantsche west Cust geen een, uijt hoofde van zijne geboor„ te, souverain zi worden alle door de Neederland„ sche Comp:s, zo verre haar gebied strekt, van Chincol af tot Jndrapoura toe, verkoren, aangestelt, of ten.
English
From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762. at least confirmed. They also place their greatest honor in being allowed to bear the titles of Panglimas or Jang Dupertuwangas, governors and envoys or descendants of the house of Maningcabo. And that above all the Nattarese possessed no sovereign power, nor contracted in that capacity with the Dutch Company, appears indisputably from the content of the Contract itself, since they therein explicitly call themselves subjects of the king of Baros and of the emperor of maningcabo. But it does not even depend on this. Even if one wished to concede, which nevertheless can never be conceded, that in earlier times they had possessed any sovereign Right, not the least proof in favor of Your Honor's pretext could be drawn from that; for they renounced all that right by the Contract of the year 1693, and surrendered the same to the Dutch Company, when they thereby subjected themselves to it. That Contract was also concluded by them not temporarily, but for ever 73 From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762. and ever. And through a strict observance during a long series of Years, the same was confirmed even more. Consequently, they were not free to deviate from it again at their own pleasure. They had no power to release themselves from an obedience to which they had themselves submitted, and even much less were the English gentlemen qualified in the year 1750 to persuade them thereto, or to compel them by force, as these people declared in the latest contract of the year 1761 to have happened. For this is contrary to the treaties, the observance of which our mutual High Sovereigns have so earnestly recommended to all their subjects; this breaches the most solemn promises and assurances made in those same treaties, that each person shall enjoy and retain his rights and possessions that he has acquired, without being allowed to be disturbed and prejudiced therein in any manner by the other. And this is actually what makes Your Honor's claim so unfair, so unlawful, and so irresponsible, that I cannot understand how Your Honor dares to venture to press it further. What From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762. What kind of a lawful prince that is, of whom Your Honor pleases to say: "that if he had not had to seek a hiding place after the French had arrived at Natter, I would by no means have received such a new Claim as that of the year 1761;" I can understand so much the less, the more I am assured of knowing fundamentally the rights and possessions of all lawful princes along this entire West Coast. I do know that a certain vagrant named southan Bancolen departed a few months ago with my permission from Natter to mocca mocca, his birthplace, who, as I am assured, stayed for some years at natter and principally brought the English gentlemen there. But if Your Honor found pleasure in calling such people lawful princes, it will by no means be necessary to limit oneself to the number of one: for in that matter more will be at Your Honor's service for little money than could possibly be required to provide all of natter with new inhabitants. From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762. Regarding the difference between the Content of Your Honor's first and last letter, I must fairly express my astonishment; for having spoken in the First like someone who has full power and knowledge, Your Honor now declares in the last that he lacks the one as well as the other. I do not know to what I must attribute this variability; but this is nevertheless certain, that if Your Honor had considered the latter a bit earlier, we would not have become embroiled in an unnecessary war of the pen, which in matters of this nature is always harmful, and can now be of so much less fruit, because Your Honor does not yet know what he actually should do or refrain from doing; whereas I, on the contrary, have already received my orders, and on that account have already put into effect, and will further put into effect, everything that the unavoidable duty of a faithful subject of the Dutch State and an honor-loving servant of the Honorable Company requires of me; without in the least being afraid of the consequences any more than Your Honor is now. That From Sumatra's West Coast, dated 12 March 1762. That Your Honor protests solely against the latest concluded contract with the regents of natten certainly happens out of a true conviction that the older proofs for the right of the Dutch Company cannot possibly be contradicted. But in fact this protestation also has not the slightest ground. For if Your Honor attempts to reject that Latest Contract because the same was concluded after the English gentlemen had scarcely resided for 10 Years on Natter, against the will and wish of the lawful possessor, and consequently in an entirely unlawful manner; with what reason of insistence will Your Honor then maintain the validity of that Contract which the English Gentlemen virtually extorted from the Regents of Natten in the year 1750 through a violent intrusion, after the Dutch Company had already obtained its lawful right to that place nearly 100 years previously, and during all that time had also enjoyed the peaceful Possession thereof, without anyone's contradiction? The
Dutch transcription
Van Sumatras West Cust onder dato 12. maart 1762. ten minsten bevestigt. zij stellen ook hare grootste Eere daar in, dat zij de tituls van Panglimas of Jang Dupertuwangas, gouverneurs en afgezanten of afstammelingen van t huijs van Maningcabo, voeren mogen. En dat voor al de Nattareesen, geene souveraine mogt bezeeten, of in die quali„ tijt met de Nederlandsche Comp. s gecontracteert hebben, zulx blykt onwedersprekelyk uijt den in„ houd van het Contract zelfs, vermits zij zig daer bij wel uytdrukkelijk noemen, onderdanen van den koning van Baros en van den keijzer van maningcabo. Dog het komt hier op niet eens aan. Al wilde men ook toestaan, gelijk nogthans nooit kan toegestaan worden, dat zij in vroegere tijden eenig souverain Regt bezee„ ten hadden, zo zoude egter daar uijt niet het minste bewijs in faveur van uw wel Ed:s voor„ geeven getrokken kunnen werden want zij hebben van al dat vegt, bij t Contract van ao. 1693, afstand gedaan, en het zelve aan de Nederland„ ssche Comp:s overgegeven, wanneer zij zig daar by aan haar onderworpen hebben. Dat Contract is ook niet door haar temporael maar voor eenwig 73 Van Sumatras west Cust onder dato 12. maart 1762. eeuwig gesloten. En door eene stipte onderhouding, geduurende eene lange reex van Jaaren, is het zelve nog meerder bevestigt. Bij gevolg stond het haar niet vrij, daar van naar eygen welbehagen weder aftegaan. zij hadden geene 9 magt zig van eene gehoorzaamheid te ontslaan, waar aan zij zig selfs onderworpen hadden, En nog veel minder waren de heeren Engelsen in a.:o 1750. gequalificeert, haar daar toe te persuadeeren, of door ge„ weld te noodzaken, gelijk deeze menschen, bij t jongste contract van a:o 1761, verklaart hebben geschied te zijn. Want dit strijt tegen de tractaten, welker onderhouding onze weerzijdze Hooge souverainen alle hare onder da„ nen zo ernstig aanbevolen hebben, dit verbreekt, de allerplegtigste beloften en verzekeringen, bij die zelfde tractaaten gedaan, dat een ieder zijne regten en bezit„ tingen, die hij verkregen heeft, gemeten en behouden zal, zonder daar in op eeniger hander wijze, door den anderen gestoort en benadeelt te mogen werden. En dit is eygentlyk het geen uw wel Ed. s pretensie 9 zo onbillyk, zo onwettig en zo onverantwoorde lyk maakt, dat ik niet begrijpen kan, hoe uw wel Ed ondernemen durf, daar op nog verder aan te dringen. Wat Van Sumatras West Cust onder dato 12 maart 1762. Wat dat voor een wettig vorst is, waar van uw wel Ed: gelieft te zeggen; „ dat als hij met hadde moeten een onder schuijlplaats zoeken, na dat de franschen op Natter gekomen waren, ik geen„ zints zo een nieuwe Eijsch, als die van t jaar 1761. gekregen zoude hebben; kan ik zo veel te minder begrijpen, hoe meerder ik verziekert ben, de regten begi en Eijgendommen van alle wettige vorsten, langs deeze gantsche west Cust, in den grond te kennen 6: Wel weet ik, dat een zeeker zwerver in naame southan Bancolen, voor wijnig maanden, met myne toestemming van Natter naar mocca mocca, zijn geboorte plaats, vertrokken is, die zo als men wij verzeekert, zig eenige jaaren op natter opgehouden en voornamentlik de hee„ ren Engelschen daar gebragt heeft. maar als uw wel Ed: behaegen schepde, om zulke men„ schen wettige vorsten te noemen, zal het geen„ zinds noodig zijn, zig aan het getal van een te bepaalen: want in dat stuk zullen uw O wel Ed:e voor wijnig geld meerder ten dienst staan, als er mogelijk vereijsschen zouden, om gantsch natter van nieuwe jnwoonders te voorzien Van Sumatras West Cust onder dato 12:' maart 1762. voorzien. Over het onderscheijd, tusschen den Jnhoud van uw wel Ed:s eerste en laatste brief, moet ik billijk mijne verwondering betuijgen; want bij d' Eerste gesphrooken hebbende, als iemand, die volle mogt en kennis heeft, zo verklaart uw wel Ed: nu bij de laatste, dat het hem zo wel aan 't een, als 't ander manqueert. Jk weet niet, waar aan ik deeze veranderlijkheid toeschrijven moet; maar dit is nogthans zeeker, dat als uw wel Ed: het laatste wat vroeger bedagt hadde, wij dan in geen onnodige penne strijd geraakt zouden zijn, die in zaken van deze natuur altoos Jate„ lijk is, en thans van zo veel te minder vrugt kan zijn, om dat uw wel Ed. nog niet weet, wat hij Eijgendlijk doen of laten moet; daar ik in tee„ gendael myne ordres bereeds ontfangen, en uijt dien hoofde ook al in 't werk gesteld heb, en ver„ der in te werk stellen zal, alles wat d' onver„ mydelijke pligt van een getrouw onderdaan van den neederlandschen staat, en een eerlievend dienaar van de E Comp: van mij vordert; zonder in 't minste meer, als nu wel Ed voor de gevolgen bevreest te zijn. Dat Van Sumatras West Cust onder dato 12. maart 1762. Dat uw wel Ed: alleen protesteert, tegens het jongste gesloten contract met de regenten van natten, ge„ schied zekerlyk uijt eene ware overtuijging, dat d' oudere bewyzen voor het regt voor de Ne„ derlandsche Comp:e onmogelijk tegen gesprooken kun„ nen werden. maar in der daad heeft ook deze protestatie geen de minste grond. want zo uw wel Ed. dat Jongste Contract tragt te verwerpen, om dat het zelve gesloten is, na dat de heeren Engelschen nauwlijx 10. Jaren, tegens wie en dank van den wettigen bezitter, en, bij gevolg op eene gantsch onwettige wijze, op Natter hun verblijf gehouden hadden; met wat reeden van aandrang zal uw wel Ed: dan staande houden de deugdelijkheid van dat Contract, dat de Heeren Engelschen de Regenten van Natten in a:o 1750. door een geweldige jndrang, als afge„ dwongen, hebben, na dat de Neederlandsche Comp: al ten naasten bij 100. jaar bevorens, haar wet„ „tig regt op die plaats verkregen en geduu„ rende al dien tijd ook de geruste Possessie daar van, zonder iemands teegenspreeken, genooten hadde Het