VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3094

Surat · 594 pages · 114 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3094_0241 view scan ↗

English

From Sumatra's West Coast, under date 28 February 1763: The Lord Commander produces the answer to the English letter. It shall be dispatched in that manner. Thus, a note having been kept of this here, the Lord Commander produced the answer which His Honour, pursuant to the aforementioned Resolution of the 11th current, drafted. And the same having been read, reviewed, and approved, it is thought fit not only to dispatch it in that manner, but also to incorporate it here for inspection. Bancolen To the Right Honourable Sir, Mr. Roger Carter, Governor and President on behalf of the Honourable English Company, Together with The Council of Fort Marlborough. Right Honourable Worshipful Sir and Sirs, Your Honour's esteemed letter of 8 November last, we have had the honour to receive duly from the hands of Mr. Richard Wyatt. And although, through a lack of persons skilled in the language, we are not certain of fully understanding its contents, we nonetheless believe we have gathered enough from it to know that it is chiefly intended to inform us of Your Honour's return and the change that has taken place in the chief administration of Fort Marlborough, and to make strong assurances of their sincere inclination to maintain a true friendship. Meanwhile, Your Honours also present their own conduct as highly equitable, just, and moderate; but, on the other hand, accuse us of many shameful actions, and on that account even protest against us. As to the first point, we express our most polite thanks for the communication provided. We congratulate Your Honours, and in particular Mr. Carter, on the new dignities they have obtained. And we sincerely wish that Your Honours may occupy the posts entrusted to them with much honour and may prosper in praiseworthy deeds. Likewise, it will also be extremely pleasant to us if we may in due course enjoy the real effect of Your Honour's repeated assurances of an inclination toward friendship. We, for our part, have never done anything other than what can bring about the promotion thereof. Our efforts have always been directed toward fulfilling the obligation incumbent upon us, both with respect to a strict observance of the treaties between our mutual High Sovereigns and concerning the friendship and politeness which on that account we owe to Your Honours and others of your nation. And as we have already given the most abundant and essential proofs of this during our presence at this place, Your Honours may also rest assured that we shall never alter in that respect in the future. However, as regards the equity, moderation, and justice of which Your Honours boast so highly, we can in no way find such praiseworthy qualities in the conduct maintained by Your Honours over the past 12 years. Your Honours have done everything in your power in that short space of time to injure the Netherlands Company. Mr. Carter in particular cannot possibly have forgotten what unjust act initially gave rise to all those discords and hateful disputes that still persist to this day. For His Honour is the one who, in the year 1751, in an unprecedented manner, by superior force of men, took possession in person of, and robbed the Netherlands Company of, lands and places to which its right is as lawful and as ancient as virtually its navigation to these regions, and of which it had enjoyed quiet and undisturbed possession for nearly a century. And in general, the whole world knows—at least it would not be more difficult for us to prove than to state, as has already been clearly shown and proven many times in repeated representations and protests—that Your Honours and others of your nation undermine the trade of the Netherlands Company, which belongs to it exclusively, through an impermissible navigation; insulted its flag; pulled down the public marks of its ownership; driven its servants from its possessions by force; built forts and houses for yourselves there; alienated the natives from it by threats and persuasions and won them over to your interest; incited, supported, and assisted disobedient subjects and rebels against their lawful princes and sovereign Lords; misled us by false assurances and written and oral declarations; transported our people from here contrary to the given word; refused the required satisfaction to our lawful complaints; and thus have not only willfully violated the law of nations and the most solemn treaties, but have also deliberately breached good faith, the principal bond of all human society. Consequently, Your Honour's deeds do not agree with your words in any way. The contradiction is far too great for anyone not easily to conclude therefrom

Dutch transcription

229 Van Sumatras westcust ondr dato 28:' febr: 1763: den heer Commandeur produceert het ant„ brief. „voegen afgaan. — Dus hier van in deezen aantekening ge„ houden zijnde, zo produceerde de heer Commandeur het antwoord dat zijn Ed: volgens voormeldte Resolutie, woord op de Engelsche van den 11:' Cour: in Concept gebragt heeft En het welk geleezen, geresumeert en g'approbeert zijn„ „de, men goedvindt, niet alleen in diervoegen af te laaten gaan maar ook deesen tot speculatie in te 't zelve zal in dier„ lijven. — Bancolen Aan Den wel Edelen Heer De Heer Roger Carter gouverneur en President van weegens de honorable Engelse Comp: Benevens Den Raad van 't Fort Marlborough Wel Edele Agtbare Heere en heeren: Uw wel Edelens geagte vanden 8: Novemb:r Jongstleeden : 63. en ns wil Van Sumatras westcust onder dato 28: febr: 1763: — Jongstleeden, wij hebben wij de Eere gehad, uijt handen van den Heer Richard wijatt wel te ontfangen en schoon wij door gebrek aan taal-kundige menschen, niet verzeekert zijn, dies jnhoud volkomen te verstaan, zo vermeenen wij Egter, daar uijt zo veel begreepen te hebben, dat dezelve voornamendlijk ingerigt is; om ons van uw wel Edelens terugkomst ende voor„ „gevallene verandering in 't Hoofd Bestier van fort Marlborough kennis te geeven, en van hunne opregte geneegendheid tot onder houding van eene waare vriendschap, kragtige betuijgingen te doen. Terwijl uw wel Edelens teffens hun eijgen gedrag als. ten hoogsten billijk regvaardig en gemaa„ „tigt voorstellen; dog daar en teegen ons van veel schandelijke bedrijven beschuldigen en uijt dien hoofd zelfs teegens ons te Protes„ teeren. — Wat het Eerste betreft zo betuijgen. wij. 231 Van Sumatras westcust ondr dato 28:' febr: 1763: —. wij voor de gegeeven Communicatie zeer beleefdelijk dank wij filiciteeren uw wel Edelens, en in 't bij„ zonder Den heer Carter, met derzelver verkreegen nieuwe waardigheeden. En wij wenschen van har„ „ten, dat uw wel Edelens met veel Eere de hun toe„ vertrouwde posten bekleeden, en in Prijsselijke daaden voorspoedig zijn mogen Even zo zal het ons ook ten uijttersten aangenaam zijn wanneer wij in der tijd eens van uw wel Edelens herhaalde betuijgingen van geneegendheid tot vriendschap het wesendlijk effect genieten mogen. wij van onzen kant hebben nooit iets gedaan, dan het geende be„ „vordering daar van te weege brengen kan. Onze Poogingen hebben althoos daar heene ge„ „strekt om te voldoen aan de verpligting, die op onslegt, zo ten opzigte van eene nauwkeu„ „rige onderhouding der Tractaaten, tusschen onze weerzeijdse Hooge Souverainen als ten belange van de vriendschap en beleefdheid die wij uijt 1763: — a Van Sumatras westcust onder dato 20: febr: 1763: — uijt dien hoofde aan uw wel Edelens en andere van der zelver natie verschuldigt zijn. Engelijk wij hier van, geduurende ons aan weesen te deezer plaetse, bereeds de overvloedigste en essentieelste blijken gegeeven hebben, zo kunnen uw wel Ede„ lens zig ook verzeekert houden, dat wij in den aanstaande in dat stuk nooit veranderen zullen Dog wat aangaat, de Billijkheid, gemaa„ „tigdheid en regt vaardigheid waar op uw wel Edelens zo hoog roem draagen, dier gelijken prijsselijke hoedaenigheeden kunnen wij in uw wel Edelens gehouden gedrag, tseedert de Jongste 12: Jaeren geensiends vinden uw wel Edelens hebben in dat korte tijd bestek alles gedaan, wat in hun vermogen is geweest, om de Needer„ „land sche Comp: te benadeelen. Den heer Corter in't bij zonder kan 't onmogelijk vergee„ ten zijn, wat ongeregte daad in't eerst, tot alle die oneenigheeden en haatelijke verschillen, die tot heeden nog duuren aanleijding heeft 239 Van Sumatras westcust onder dato 28:' febr: 1760 heeft gegeeven: want zijn wel Edele is de geene, die in ao: 1751: op Eene ongehoorde wijze door over magt van volk zig in persoon meester gemaekt, en de neederlandsche Comp: beroofd heeft, van landen en plaatsen waar op haar regt zo wettig en zo oud, als genoegzaam haare vaart op deese gewesten is, en waar van zij ten naasten bij eene Eeuwelang, Eene ge„ „ruste en ongestoorde possessie genooten hadde. En in 't generaal zo weet de gantsche waereld ten minsten zoude het ons niet moeijelijker vallen te bewijzen dan te zeggen zo als het bereeds meenigmaal bij herhaalde vertoogen en protesten duijdelijk aangetoond en bewee„ zen is: Dat uw wel Edelens en andere van der zelver natie den handel vande needer landsche Comp:, die haar privative alleen hoekomt, door eene ongepermitteerde vaart onderknoopen; Haare vlagge beschimt; de openbaare merkteekenen van haar eijgend om om verre gehaald; Haare bediendens met geweld ijding Van Sumatras westcust onder dato 20: febr: 1763 geweld uijt haare bezittingen gedreeven; voor zig zelven daar Forten en Huijsen gebout; de Inlanders door drijgementen en persuasien van haar afgetrokken en in uw belang overgehaelt. ongehoorsaame onderdanen en Rebellen tegens haare wettige vorsten en opper Heeren op„ gestookt, ondersteunt en geholpen; ons door valsche verzeekeringen, en schriftelijke en mondelinge declaratien misleijdt; ons volk tegens het gegeeven woord aan, van hier vervoert; op onze regtmatige klagten de vereijschte satisfactie gewijgerd; En dus niet alleen het regt der volkeren, ende aller plegtigste Tractaaten, moedwillig overtreeden; maar ook de goede Trouwe, het voornaamste verband van alle menschelijke tsamen lee„ „ving met op zet geschonden hebben. Bij gevolg stemmen uw wel Edelens daaden met der zelver woorden geenziends over een. De Teegenstrijdigheid is alte groot, dan dat een ieder niet ligt daar uijt zoude opmaaken

NL-HaNA_1.04.02_3094_0247 view scan ↗

English

235. From Sumatra's west coast under date 28 February 1763: can infer and understand that Your Honors have adopted that tone with a completely different purpose than with regard to the truth. And indeed, the entire letter also shows that this was done solely in order to place our supposed misdeeds in an even more hateful light thereby. But gentlemen, please permit us to observe on this matter: That it deserves a bad reputation when one simply says something in matters of this nature without being able to confirm the same at the same time with sufficient evidence; That Your Honors indeed charge us as if, by repossessing Natter and Tappianoelij, we had violated the law of nations to the detriment of the honorable English Company, as the one to which those lands solely belonged; but that it is nevertheless certain that Your Honors will never substantiate the truth of this, From Sumatra's west coast under date 28 February 1763. substantiate, much less ever be able to produce the least viable evidence to demonstrate that the said Company has ever had, or still has, any right or claim to the least place along this entire West Coast, from Chincol down to Indra poura; That it will also be utterly impossible for Your Honors to substantiate the accusation that we burned the fort and the houses at Natter and appropriated for our own use a large quantity of civil and military supplies, along with various other goods of great value belonging to the English Company and its servants; And that Your Honors consequently proceeded in this matter no less groundlessly than unreasonably and improperly. Had it been the case that Your Honors might have believed yourselves justified in suspecting us of such unlawful dealings, 237 From Sumatra's west coast under date 28 February 1760 and Your Honors had had the goodness to address us on the matter in a proper manner, we would by no means have refused to reply to it in like manner. We would have done our best to erase that prejudice against us from Your Honors' minds; And we also feel assured that we would have been capable of bringing Your Honors to a different opinion with respect to us, and of convincing you of our innocence, just as we did Mr. Watson, who, after having conferred with us on various points of importance, departed from here according to his own admission completely convinced and very well satisfied; or if we had been incapable of doing so, or disinclined to want to do it, then it would still have had some semblance of fairness if Your Honors had attacked us in a public paper, 1763. From Sumatra's west coast under date 20 February 1763: paper such as the present one. But now that Your Honors discussed nothing with us beforehand, did not even investigate the matters, and also produced not the least evidence for their statements, this conduct of Your Honors is certainly so bad and improper, in contrast to the great protestations that Your Honors make of your moderation and sincere inclination toward friendship, that the entire honorable world will have to acknowledge that it deserves the utmost indignation. This is also the reason that prompted us not to retain Your Honors' so-called protest. We had accepted it at first, though conditionally, because we could not read it immediately and because Mr. Wijatt declared that it was of the same content as the letter, and had not been enclosed in the same envelope solely on account of its size. 239 From Sumatra's west coast under date 28 February 1763. was. But as soon as its contents were made known to us, we had it returned to Mr. Wijatt by two members of our assembly. We also cannot understand what may have moved Your Honors to prepare that protest against us, since it is certain that Your Honors have never yet asked us for any satisfaction, and since Your Honors even declare in the letter: That they await their satisfaction from Europe; That they regret that we are not authorized to provide a fair satisfaction; And, that although upon the departure of Mr. Marriot from Batavia no investigation or justice had yet been carried out regarding his filed complaints, Your Honors nevertheless lived in hope of still seeing the same accomplished. For if all of that, or but one of those things is true, what on earth compels Your Honors then to protest against us, since a protest, in our humble opinion, can only take place in case 1763. From Sumatra's west coast under date 28 February 1763. in case a fair satisfaction is refused upon legitimate grievances. And this is all that we deem necessary for the present to answer to Your Honors' letter. We certainly find ourselves highly insulted by its partial contents, and in particular we consider ourselves, through that scandalous accusation as if we had appropriated private goods of Your Honors for our own use, so attacked in our honor that we cannot refrain from demanding of Your Honors to prove that accusation, or else, in default thereof, to give us a satisfactory redress on account of that slander. But this has nevertheless by no means prevented Mr. Wijatt from being received and entertained by us with much politeness on that account. We have assisted him in everything in fulfillment of Your Honors' request, which

Dutch transcription

235. Van Sumatras westcust onder dato 28:' febr: 1763: opmaaken en begrijpen kunnen, dat uw wel Edelens zig dien lot met een gantsch anderen oogmerk als in afzigt op de waarheid toegeeijgent hebben. En in der daad zo zoont ook de gantsche brief, dat zulx maar alleen geschied is, om onze gewaande wan„ bedrijven daar door in een deste haatelijker dag„ „ligt te kunnen stellen. — Maar mijn heeren gelieft ons te permit„ teeren; hier op te mogen aanmerken: Dat het een slegte naam verdiend, wanneer men in zaaken van die natuur Simpebiets zegt, zonder het zelve teffens met de suffisantsche bewijzen te kunnen bevestigen; Dat uw wel Edelens ons wel ten lasten leggen, als of wij door het weder in bezit neemen van Natter en Tappianoelij, het regt der volkeren geschonden hadden, in na„ deel van de honorable Engelsche Compagnie, als de welke die landen alleen toe quaamen; maar dat het egter zeeker is, dat uw wel Edelens dewaarheid hier van nooit zullen Staven . Van Sumatras westcust onder dato 28: febr: 1763. staven, veel min ooit het minste bestaan baar Bewijs produceeren kunnen om aan te toonen dat gedagte Companie ooit eenig regt of Eysch gehad heeft, of nog heeft, op de geringste plaats, langs deeze gantsche west Cust, van Chincol af, tot Indra poura toe; Dat het ook voor uw wel Edelens volstrekt onmogelijk zal wesen, die beschuldiging waar te maaken, dat wij het fort en de huijsen op Natter verbrand, en ons tot eijgen gebruijk toegeeijgent hadden Eene groote quantitijd Civiele en militaire be„ hoeftens, met verschijden andere goederen van veel waarde, toebehoorende de Engelsche Comp: en haare bediendens; En dat uwel Edelens bij gevolg in dit stuk niet minder ongegrondt als onreedelijk en onbetaamne„ „lijk te werk zijn gegaan Was het zaake dat uw wel Edelens vermeend mogten hebben ons van dierge„ „lyken ongeregte gedoentens verdagt te mogen houden 237 Van Sumatras westcust onderdato 28:' febr: 1760 houden en uw wel Edelens hadde de goedheid gehad, ons daar over op eene betaamelijke wijze aantespreeken; wij zouden geenziends gewijgert hebben in gelijker voegen daar op te antwoorden. wij zouden ons best gedaan hebben dat voor oordeel teegens ons, bij uw wel Edelens uijt te wisschen: En wij hou„ „den ons ook verzeekert, dat wij in staat geweest zonder zijn, uw wel Edelens ten onzen op zigte zo wel in een ander gevoelen te brengen; en van onze onschuld te overtuij„ gen, als wij gedaan hebben den heer watson, dewelke, na dat hij over verschijden poin„ „ten van aangeleegendheid met ons geconfe„ reert hadde, volgens zijn bekentenisse, vol„ „komen overtuijgt en zeer wel voldaan van hier vertrokken is, of zo wij onvermogens ge„ „weest waren, dat de kunnen, of ongenee„ „gen het te willen doen, dan zoude het nog eenigen schijn van billijkheid gehad hebben, bij aldien uw wel Edelens ons bij een publicq papier 1763. an „ s ogen Van Sumatras westcust onder dato 20: febr: 1763: Papier, zodaenig als thans, hadden aangetast. maar nu uw wel Edelens ons voor af nergens over onderhouden de zaaken zelfs met eens onderzogt en van hun gezegde ook geen het minste bewijs bygebragt hebben, is dit gedrag van uw wel Edelens zeekerlijk zo slegt en onbetaamelijk, in tegen„ stelling van de groote betuijgingen die uw wel Edelens van derzelver gemaatigtheid, en op ge„ regte geneegentheid tot vriendschap doen, dat de gantsche honette waereld zal bekennen moe„ ten, dat het zelve de uijterste verontwaar„ diging verdiend. Dit is ook de reeden die ons bewagen heeft, het zo genaamde protest van uw wel Edelens niet te houden wij hebben het in't eerst, dog Conditioneel aangenomen gehad, om dat wij het niet terstond leezen konden, en om dat de heer wijatt verklaarde dat het met de brief van eenen Jnhoud, en alleen om dies groote, niet in 't zelfde Couvert geslooten was 239 Van Sumatras westcust onder dato 28: febr: 1763. was. maar zo dra ons dies Jnhoud te kennen wierd ge„ „geeven, hebben wij 't zelve den heer wijatt door twee „leeden uijt onze vergadering weder ter hand doen stellen wij kunnen ook niet begrijpen, wat uw wel Edelens bewogen mag hebben, dat protest teegens ons in gereedheid te brengen daar het zeeker is, dat uw wel Edelens ons nog nooit om eenige voldoening gevraagt hebben; endaar uw wel Edelens bij de brief zelfs verklaaren: Dat zij hunne satisfactie uijt Europa verwagten; Dat het hun leed doet, dat wij niet geau„ thoriseert zijn, eene billijke voldoening te ver„ „schaffen; En, dat schoon bij 't vertrekt van den heer Marriot van Batavia, op desselfs inge„ „bragte klagten, nog geen onderzoek of regts gedaan was, uw wel Edelens egter in hoope leef„ „den, het zelve nog volbragt te zullen zien. want is dat alles, of maar Een van allen waar wat nooit dwingt uw wel Edelens dan tegens ons te protesteeren alzo een Protest, volgens ons gering gevoelen, maar alleen plaats kan hebben Jngevalle 1763. Van Sumatras westcust onder dato 28: febr: 1763. Jngevalle op regt maatige beswaarnissen eene bellijke voldoening gewijgert werd. — En dit is alles wat wij voor Jegenwoordig nodig agten, op uw wel Edelens brief te ant„ woorden. wij vinden ons door dies gedeelte„ lijke Jnhoud zeekerlijk ten hoogsten beleedigt En in't bijzonder agten wij ons, door die schan„ delijke betigting, als of wij particuliere goe„ „deren van uw wel Edelens ons tot eijgen ge„ bruijk toe geeijgent hadden zoodanig in onze Eere aangetast, dat wij niet nalaaten kunnen, van uw wel Edelens te eyschen, die beschuldiging te bewijzen of anders bij faute van dien, ons wegens die lastering eene voldoende satiffac„ tie te geeven. maar dit heeft ons egter geen„ ziends mogen afhouden; dat de heer wijatt daar om niet met veel beleefdheid bij ons onthaaldt en getracteerd zoude zijn. wij hebben hem in voldoeningen aan uw wel Edelens verzoek met alles geholpen. wat

NL-HaNA_1.04.02_3094_0253 view scan ↗

English

From the west coast of Sumatra, under date 28 February 1763. what he needed. And expecting the same from Your Right Honourables in similar cases, we meanwhile remain with respect, was written below, Right Honourable and Worshipful Lord and Gentlemen, lower, Your Right Honourables' very obedient and ready servants, was signed, C. L. Senff, H. van Staveren, J. A. Thierens, J. Frederiksz, B. J. Forcade, and A. H. Sieben, and thereunder: P.S. Mr. Wyatt having, upon his departure, charged us with the delivery of the accompanying letter, we have the honour to offer the same to Your Right Honourables, along with two others from Batavia. Thus done, resolved, and decided in the Dutch Office at Padang, on the day, month, and year aforesaid. Was signed: C. L. Senff, H. van Staveren, J. A. Thierens, J. Frederiks, B. J. Forcade Member and Provisional Secretary, and A. H. Sieben. Below: Agrees. Aside: for reading out, T. M. Schmidt; for checking, 1763. From Bantam, 28 March 1763, to Batavia. In the hope of a favourable interpretation, I take the liberty respectfully to submit to Your High Honourables the request of the Sultan: that one Raden Ayu Blitar, separated wife of Pangeran Balitar, who was banished to Ambon, brother of the Mataram Sultan; and having recently arrived here with Pangeran Purbaya from Ceylon, of whom she is a first cousin, may move to reside in Batavia, which she desires for the sake of her marriageable daughter, whom she would like to marry off to one of her family, and would therefore find a better opportunity for this at the Indian capital than here, seeing that the coastal regents appear there from time to time. I have judged it necessary to make this request of the prince known to Your High Honourables, To the same as before. From Bantam, under date 28 March 1763: in order to be able to arrange my reply in accordance with the respected instruction of Your High Honourables. Meanwhile I remain with awe, was written below, High Honourable, High Worshipful, Far-commanding Lord and Right Honourable Gentlemen, lower, Your High Honourables' humble and dutiful servant, was signed, H. Pieter Faure. In margin: Bantam, 28 March 1763. To Batavia. To the same as before. Since the bark De Vrijheid, due to contrary winds, has not yet been able to reach this roadstead, I have had the military Lieutenant Ziegman brought from on board and made him give an account of what occurred during their voyage, From Bantam, 30 March 1763: and for what reason they have not fulfilled their destination; as appears from the enclosed written statement provided thereof, from which, and the logbook kept by the commander, Your High Honourables will observe that they attribute the reason for their return principally to the lack of rice and drinking water, although they at the same time admit to having been provisioned for three months. For their further pretext—that due to the massacre that occurred at Lampong Semangka nothing more could be accomplished there at present—is contrary to the purpose of their instructions, since the dreaded incursion of the English into that district required their primary attention. However, since this nation, according to the report of the quartermaster of the country boat, has not yet taken possession there, and the Minangkabau From Bantam, 30 March 1763: Kiai Daman and his followers have not reappeared, the often-mentioned bark could now, subject to correction in my opinion, well be spared and undertake its return voyage to the capital, merely leaving behind the military to reinforce the detachment under Captain Charles Louis Colmond, in order to be transported thither by the King's vessels. I should indeed have furnished this humble reflection of mine sooner, but not daring to rely solely upon the report of the quartermaster of the country boat, I thought I should first await further news, particularly from the assistant Wandelaar who is on his return; which I hope Your High Honourables will most graciously be pleased to accommodate. Concerning the conduct displayed by the commander Philippus Veldhuijsen upon his encounter with the English ship Earl of Temple, I take the liberty of enclosing a declaration herewith, and to remain with the utmost respect, was written below, High Honourable, High Worshipful, Far-commanding Lord, and Right Honourable Gentlemen, lower, Your High Honourables' most humble and dutiful servant, was signed, H. P. Faure. In margin: Bantam, 30 March 1763, at 9 hours before noon. From Bantam, 30 March 1763. Batavia. From Bantam, 4 April 1764: To Batavia. To the same as before. Your High Honourables' most respected letters of the 29th and 31st past, I had the honour to receive yesterday before noon and this morning, and to observe therefrom with particular satisfaction that Your High Honourables have most graciously been pleased to approve the measures taken by me with respect to the expedition of Lampong Semangka! And although I had not well understood Your High Honourables' revered intention concerning the foreign inhabitants in the Lampong districts, for which I humbly beg pardon, this has nevertheless had no bad consequence, considering that not the least order was yet given to expel them from their dwellings; whereas on the contrary, upon Your High Honourables' honoured order, I shall give the necessary notice thereof to the King and the Regent of the realm. While

Dutch transcription

241 Van Sumatras westcust onder dato 28:' febr: 1763. wat hij noodig hadde. En in gelijke gevallen van uw wel Edelens het zelfde verwagtende zo blijven wij ondertusschen met agting /:on„ „derstond:/ wel Edele Agtbaare Heere en Heeren! /:lager:/ uw wel Edelens zeer gehoorzame en berijdvaardige Dienaeren /was getekend:/ C:n L:n Ienff, H:k v:n Staveren, J:n A„n Thierens, J:s Frederiksz; B:s J:s Forcade en A:s H:k Sieben en daar onder P: S: de heer wijatt ons bij zijn vertrek nevens„ „gaande brief ter bestelling op gedragen hebbende zo hebben wij de Eere uw wel Edelens dezelve met nog twee andere van Batavia aantebieden Aldus Gedaan Geresolveert en Gearresteert Jn't Nederlands Comptoir Te Padang, ten daage, Maand, en Jaare voormeldt /:was getekend:/ C:n L:n Senff, H: v:n staveren, I:n A:s Thierens, I„b frederiks B:s f:s Forcade Lid en p:l secretaris, en A: H: Sieben /onderstond:/ Accordeert /:terzijde :/ voor 't opleezen T:s M:t Schinidt, voor 't Nazien 1763. ene pen. Van Bantam den 28:' Maart 1763: om Batavia In hope van gunstige welduijding, neem ik de vrijheijd uw hoog Edelens Eerbiedig voor te dragen, het versoek van den zulthan dat Eene radeen Aijo Blita, gesepareerde huijsvrouw vanden na Ambon gerelegu„ „eerde Pangerang Balitar, broeder van den mattarms sulthan; en Laest niet Pan„ gerang Pourbaija van Ceilon herwaarts gekomen /: van wien zij Een germain nigt is:/ zig ter woon na Batavia mag begeven waar na zij verlangd om de wille van haere huwebare dogter, dewelke zij gaerne aen Eene van haar famielle wilden uittrouwen en daer toe dus beter occagie ter Jndiase hoofd„ „plaats zoude aentreffen, dan hier, aange„ zien de strant regenten daer nu en dan verschijnen; Ick hebbe g'oordeelt dese Instantie van den vorst uw hoog Edelens; Aan Als vooren. 43 249 Van Bantam onder dato 28: Maart 1763: — te moeten bekent makent, ten Eijnde mijn antwoord na de gerespecteerde Instantie uwer Hoog Edelens te mogen inrigten. Onder wijle verblijve met ontzag /onder„ stond:/ Hoog Edelen Hoog Agtbaren wijd gebiedende Heere en wel Edele Heeren /lager/ uw hoog Edelens onder„ derdanigen, en trouwschuldigen dienaar /was getekend:/ H: Pieter Faure /:in margine/ Bantam den 28: maart 1763: Batavia Aan als vooren. Dewijle debarcq de vryheijd mits Contrarie wind deze Rhede nog niet heeft konnen berijken; zo hebbe ik den Lieutenant militair zieg„ man van boord laten halen en hun Een relaas doen geven van het gene gedurende hun reise voorgevallen is ven E enne wen Van Bantam den 30:' Maart 1763: is, en om wat oorzaak zij hunne des„ „tinatie niet volbragt hebben; blijkens het nevens gevoegde daar van verleende schriftuur uit het welke; en het gehou„ de dag register van den gezaghebber uw Hoog Edelens zullen b'oogen, dat zij d oorzaak van hun retour principael toeschrijven: het gebrekt aan Rijst en drinkwater, schoon teffens bekennen voor drie maanden geproviandeert ge„ „weest te zijn, want hun verder voor„ wendzel: dat mits de voorgevallene Massacre op Lampong Samanka daar thans niets meer konde uitregten, strijd tegen het oogmerk hunner Jnstructie de wijle den geduchten indrang der Engelse indat district, haar voornaamste adten„ „tie verEijschte dog nadien dese natie vol„ gens het berigt vanden quartier meester vande Landsboot, daar nog geen possessie genomen, enden manicabor Kiaij e 245 Van Bantam den 30: Maart 1763: Kiaij Daman en zijn aanhang, niet weder zijn komen opdagen, zo zoude /:onder Correctie:/ mijns bedunkens, dik gerepte bark thans wel gemist, en zijn te rug reijze na d' hoofd plaats konnen aannemen, alleen met agterlating van de militaire tot versterking van het detache„ ment onder den Capitain Charles. Louis Colmond, om p:r 's konings vatuij„ vaartuijgen na derwaards vervoerd te werden Ik hadde dese mijne geringe bedenking wel Eerder behoren te supediteren, maar op het berigt van den quartiermeester van de landsbood niet alleen dervende be rusten dagt ik alvorens nadere tijding te moeten afwagten, inzonder „heid van den op zijn retour zijnde adsistent wandelaar, het gene hoo„ Joe uw Hoog Edelens wel groot gunstig pael abor gunstig zullen gelieven in te schicken. —. Nopens het gehoudene gedrag vanden gezaghebber Philippus veldhuijsen bij zijn ontmoeting van het Engelse schip ardle„ Temple, neme de vrijheijd hier nevens Een verklaringe te voegen, en met het uitterste respect te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edelen Hoog Agtbaren wydgebiedenden Heere, en wel Edele Heeren /lager:/ uw Hoog Edelens onderdanig„ sten en trouwschuldigen Dienaer /:was getekend:/ H: P: Faure /:in margine:/ Bantam den 30: maart 1763: voor de middagh ten 9: uuren. Vang Bantam den 30: Maart 1763: Batavia 247 Van Bantam den 4: April 1764:—. Batavia Aan Als vooren. Uw Hoog Edelens zeer gerespecteerde missi„ vens van den 29: en 31: Jongst leeden, had ik de Eer gisteren voor de middag, en heeden mor„ gen 't ontfangen, en daar uit met bezonde„ „re satisfactie te beoogen, dat uw hoog Edelens mijne genomene maat regulen ten opzigte der Expeditie van Lampong Samanka wel groot gunstig hebben gelieven t approbee„ ren! en of schoon ik uw hoog Edelens ge„ veneerde Jntentie, nopens de vreemde inge„ zetenen inde Lampongse districten niet wel begrepen hadde /: waar over nedrig Ex„ cus versoeke:/ is zulx Egter van geen ver„ keert gevolg geweest, gemerkt nog geen de minste ordre gesteld was om haar uit hun„ ne woonsteden te verdrijven, zullende integen op uw hoog Edelens g'eerde be„ vel, den koning en Rijksbestierder hier van de verEyste kennis geven. — Terwijl

NL-HaNA_1.04.02_3094_0260 view scan ↗

English

will favorably please to accommodate themselves to it. Regarding the conduct displayed by the master Philippus Veldhuijsen upon his encounter with the English ship Earl Temple, I take the liberty to attach a declaration hereto, and to remain with the utmost respect, below stood, Right Honorable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord, and Honorable Gentlemen, lower, Your Right Honors' most humble and dutiful servant, was signed, H: P: Faure, in the margin, Bantam the 30th of March 1763 before noon at 9 o'clock. From Bantam the 30th of March 1763. Batavia. 247 From Bantam the 4th of April 1763. Batavia. Your Right Honors' highly respected missives of the 29th and 31st last, I had the honor to receive yesterday before noon, and this morning, and to observe therefrom with special satisfaction that Your Right Honors have been pleased to approve, with great favor, my taken measures with respect to the expedition of Lampong Samanka; and although I had not well understood Your Right Honors' revered intention regarding the foreign residents in the Lampong districts, for which I humbly request excuse, this has nevertheless had no adverse consequence, seeing that not the least order had yet been given to drive them from their dwellings, and I shall on the contrary, upon Your Right Honors' honored command, give the required notice thereof to the King and Regent here. To as before. While From Bantam the 4th of April 1763. While I furthermore most obediently, under escort of this, presently let the barque De Vrijheid head towards the capital, yet pursuant to Your Right Honors' gracious qualification, I have removed the non-commissioned officers and common soldiers from that vessel, and will dispatch the same this very evening to Lampong Samanka under the supervision of the assistant Wandelaar, who finally showed up yesterday evening; and of whose findings I take the liberty to humbly offer Your Right Honors the attached report and journal, from which Your Right Honors will see further confirmed my slight opinion regarding a Company post at the Flat Cape and the continual cruising of the Sunda Strait. Herewith I have the honor to conclude this, and to remain with the deepest respect, below stood, Right Honorable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord and Honorable Gentlemen, lower, Your Right Honors' most humble and faithful servant, was signed, H: P: Faure, in the margin, Bantam the 4th of April 1763. Report. 249 From Bantam under date of the 4th of April 1763. Report made here at the secretariat by the assistant Pieter Wilhelmus Wandelaar, who by order of the Honorable Lord Commander departed from here for Lampong Samanka on the 20th of February together with the kearia Doeta Dimangala with a King's rowing vessel, and arrived there on the 17th of the past month. The relator named in the heading of this relates that upon his arrival at Lampong Samanka he found everything there in a lamentable state, and not a single European alive, but all murdered, whereupon he, together with the kearia also mentioned in the heading of this, went to From Bantam under date of the 4th of April 1763. the chief there, the Ingabe Doeta Di Prana, at whose house were assembled the juragans Lanang Abdul, Rachib, and Kemaas Aboesen, whom they requested to give them a declaration of the truth of what had happened there; whereupon the aforementioned Ingabe began to relate to them that on the 15th of February the Company pantjalling Java had arrived there, and immediately the Sergeant Bernard Rudolf van Kreittouw had the pangerang and the other chiefs of the Lampongers assembled, notifying them that they, together with him and the chief of the Malays, Kiaij Daman, had to investigate whether the Company marker stood on the proper boundary, as also occurred; and coming back towards this place, he, Sergeant Kreittouw, sailed directly with Kiaij Daman and his four sons to the pantjalling Java and there placed the aforementioned Kiaij Daman with 251 From Bantam under date of the 4th of April 1763. his four sons into custody, and then sailed to the shore with Sergeant Rous, and went together to the house of the repeatedly mentioned Kiaij Daman, where they gathered all the goods together and sent them over three consecutive days to the aforementioned pantjalling; then the aforementioned Sergeant Kreittouw claimed that, while there were no more goods of the frequently mentioned Kiaij Daman ashore, he intended to depart the next day after everything was brought on board, except for three wives and two daughters of Kiaij Daman, and wished to sleep that night in the house of the aforementioned Kiaij Daman; but at midnight, by what means was unknown to them, Kiaij Daman had come ashore with three of his sons and secretly crept into the house, From Bantam under date of the 4th of April 1763. having at that time murderously killed both sergeants and two soldiers. Three Javanese of the King's rowing vessel keeping guard in front of the frequently mentioned house escaped by flight. From there Kiaij Daman and his retinue had gone to the Company post, yet finding no defense there that could hinder him in his intention, since Corporal Ian Buijs with his subordinate soldiers had fled, they packed all goods together; and on the 21st of February they retreated both by water and by land; according to rumors the greatest part would be staying up to Croij; whereupon on the 22nd of February the juragans sailed to the pantjalling Java and found not a single person alive

Dutch transcription

gunstig zullen gelieven in te schicken. —. Nopens het gehoudene gedrag vanden gezaghebber Philippus veldhuijsen bij zijn ontmoeting van het Engelse schip ardle Temple, neme de vrijheijd hier nevens Een verklaringe te voegen en met het uitterste respect te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edelen Hoog Agtbare wydgebiedenden Heere, en wel Edele Heeren (lager:) uw Hoog Edelens onderdanig„ sten en trouwschuldigen Dienae /:was getekend:/ H: P: Faure /:in margine:/ Bantam den 30: maart 1763: voor de middagh ten 9: uuren. Vang Bantam den 30: Maart 1763: Batavia 247 Van Bantam den 4: April 1764:—. Batavia Uw Hoog Edelens zeer gerespecteerde missi„ „vens van den 29: en 31: Jongst leeden, had ik de Eer gisteren voor de middag, en heeden mor„ gen 't ontfangen, en daar uit met bezonde„ „re satisfactie te beoogen, dat uw hoog Edelens mijne genomene maat regulen ten opzigte der Expeditie van Lampong Samanka wel groot gunstig hebben gelieven t approbee„ „ren en of schoon ik uw hoog Edelens ge„ „veneerde Jntentie, nopens de vreemde inge„ „zetenen inde Lampongse districten niet wel begrepen hadde /: waar over nedrig Ex„ „cus versoeke:/ is zulx Egter van geen ver„ „keert gevolg geweest, gemerkt nog geen de minste ordre gesteld was om haar uit hun„ „ne woonsteden te verdrijven, zullende integen op uw hoog Edelens g'eerde be„ vel, den koning en Rijksbestierder hier van de verEyste kennis geven.— Aan Als vooren. Terwijl - -: Van Bantam den 4: April 1763: terwijl ik al verder gehoorzaamst /:onder gelijde deses :/ thans na Costi laat stevenen, de Barcq de vrijheid, dog ingevolge uw hoog Ede„ lens gracieuse qualificatie, hebbe ik d' onder„ officieren en gemene militairen van dien bodem geligt, en zal dezelve dezen avond nog na Lampong Samanka doen vertrec„ „ken onder het opzigt vanden adsistend wan„ „delaar, die gisteren avond Eijndelijk is ko„ men opdagen; en van welkers bevinding ik de vrijheid neme uw hoog Edelens het nevens gevoegde Relaas, en dagregister submis, aan te bieden, als waar uit uw hoog Edelens mijne gering sustenu nopens Een sComp:s postering aande vlacke hoek, en het Conti„ „nueel bekruijssen van 't straat Zunda, nader bevestig zullen zien — mede Hier „ hebbe d'Eer dezen te besluijten, en met het diepst respecht te blijven — /:onder„ stond:/ hoog Edelen hoog agtbaren wijd gebiedenden heere en wel Edele Heeren /:lager/ uw hoog Edelens onderdanigsten en getrouwen dienaar /was. get:d:/ H: P: Faure /in margine:/ Bantam den 4: april 1763:— Relaas 249 Van Bantam onder dato 4: april 1763: —. Relaas gedaan alhier ter secreta„ „rij door den adsistent Pieter wilhel„ „mus wandelaar dewelke op ordre vanden E: Agtbaren Heer Commandeur op den 20: febru„ „arij benevens den kearia Doeta Dimangala met Een skonings roeij vaartuijg van hier na Lampong Samanka vertrocken, en den 17: der gepasseerde maand aldaar g'arriveert is, Den relatant in den hoofde deses genoemd, relateert, dat bij zijn ar„ rivement op Lampong Samanka al„ „daar alles in Een droevigen staat vond, en geen Een Europees in 't leven, maar alles vermoord, waar op hij met den Kearia mede in den hoofden deses gemeld zig vervoegd heeft bij en Van Bantam onder dato 4: April 1763. bij 't hoofd aldaar den Ingabe Doeta di prana, ten welken huijsen vergadert waren, den Iuragans Lanang abdul, Rachib en Kemaas Aboesen, aan wien zij verzogten haar lieden verkla„ „ring der waarhijd te geven van het gepas„ „seerde aldaar waar op voorn: Jngabe haar begon te verhalen als dat op den 15: februarij daar was g'arriveert 's Comp:s pantjalling Java, en doen op stond liet den Sergiant Bernard Rudolf van kreetlouw de pangerang en de verdere hoofden van de Lamponders verzamelen, haar aanzeggende dat zij met hem en hoofd der Maleijers Kiaij Daman moesten onderzoek doen of 's Comp:s paal op de be„ hoorlijke Limite stond, gelijk ook geschied is, en wederom herwaards ko„ „mende is hij sergiant kreittouw met Kiaij Daman en zijn vier zonen di„ „recht na de Pantjallang Java gevaren en heeft aldaar voorn=de Kiaij Daman met 251 Van Bantam onder dato 4:' April 1763: —: met zijne vier zoonen in hegtenis ge„ zett en is vervolgens met den sergiant Rous na de wal gevaren, en te samen gegaan na het Huijs van meergem=de Kiaij Daman daar zij alle de goederen heb„ ben bij Een gezameld en in drie agter Een volgende dagen, na voorm: pantjallang ge„ zonden, doen gaf den voorm=de Sergeant Kreitlouw voor /:dat terwijl daar geen goederen van dikgemelde kiaij Daman meer aande wal waren:/ hij voorne„ mens was s'anderendaags te vertrekken na dien alles aan boord was ge bragt op drie vrouwen en Twee dogters na van Kiaij Daman en wilden dien nagt in het huijs van voorm=de Kiaij Daman slapen, maar ter midder nogt door wat middel was haar onbekent was Kiaij Daman met drie van zijn zonen aande wal gekomen en heinelijk en huijs Van Bantan onderdato 4: April 1763: — huijs geslopen, hebbende op die tijd de bijde Sergiants en twee Sol„ daten moordadig om het leven gebragt. drie Iavanen van 's konings roeijvaartuijg voor dik„ „gemelde huijs de wagt hebbende zijn het met de vlugt ontko„ men van daar was Kiaij Daman en zijn gevolg gegaan na s' Comp:s post, dog daar geen defenzie vin„ dende dat hem in zijn voornemen kom hinderen nadien den Corporaal Ian Buijs met zijn onderhorige Militaire waren weg gelugt, heb„ ben zijn alle goederen te samen gepakt; en zijn den 21: februarij zo te water als te Land geretireert volgens gerugten zoude het grootste gedeelte zig op houden„ tot Croij: waar op den 22: februarij de Iuragans nade Pantjallang Java zijn gevaren en geen mensch levendigh s

NL-HaNA_1.04.02_3094_0267 view scan ↗

English

From Bantam, dated 4 April 1769. found alive or dead therein, but indeed much blood on all sides, for which reason they presumed that all Company servants had been murdered. On the 26th of the same month they had heard that the escaped Corporal Buijs had arrived at Teram with four private soldiers, and upon this rumor the Ingabe mentioned at the beginning of this document had sent men thither to fetch them, and they had departed from there for this place on 2 March with the king's rowing vessel. Furthermore, the Deponent relates that during his presence there he sailed to the aforementioned pantjalling and found it in a very desolate condition, and that by order of the Honorable Commander he also made inquiries concerning the 3:— From Bantam, dated 4 April 1763:—. concerning the smuggling trade in opium and spices, which is very prevalent in the Lampong regions. As far as the spices are concerned, they were transported by Mandarese vessels to Bencoulo and traded there for opium. As far as the opium is concerned, it was likewise brought by the Mandarese from Bencoulo into the Lampong regions and sold; indeed, it is even fetched from there by Bantam Javanese and likewise sold in the Lampong pepper plantations, and further transported to the Javanese coast. All of the above he is at all times prepared to confirm by oath. Thus related at Bantam, 4 April Anno 1763. Signed: G. M. Wandelaar. Below was written: In my presence. Signed: E. de Gimmen, sworn scribe. Read out. Compared. Checked. Kerke. First Part Copies of Incoming Secret Letters and Papers from the respective Outer Outposts since the first of May until 20 October 1763 No. 6. A: Incoming Secret Letters and Papers from the respective Outer Outposts since the first of May until 20 October 1763 Register of incoming Amboina Letter to their Excellencies from the provisional commander van Benjechem and the Council there, dated 25 May of this year - - Page 69 Copy of a secret resolution dated 24 January of this year, containing the deliberations concerning the Indian orders received there - - - - Page 77 Ditto ditto of 15 February of the current year concerning the dispatch of the cruising fleet to Ceram, with two appended declarations . . . . Page 83. Letter from the Commander de Villeneuve and council to their Excellencies, dated 26 September 1763 . . . . . Page 201 Separate resolutions passed in the council of policy on 7 July, 2 August, 3 and 14 September 1763 . . . . . . . Page 209 Ditto 2nd Part Register of incoming Secret Letters and Papers from the respective Outer Outposts since the first of May until 20 October 1763 Amboina Register Letter to their Excellencies from the provisional commander van Benjechem and the Council there, dated 25 May of this year - - Page 69 Copy of a secret resolution dated 24 January of this year, containing the deliberations concerning the Indian orders received there - - - - Page 77 Ditto of 15 February of the current year concerning the dispatch of the cruising fleet to Ceram, with two appended declarations . . . . Page 83. Letter from the Commander de Villeneuve and council to their Excellencies, dated 26 September 1763 . . . . . Page 201 Separate resolutions passed in the council of policy on 7 July, 2 August, 3 and 14 September 1763. Page 67. Page 209 3 ditto Banda Letter to their Excellencies from the Governor Jacob Pelters, dated 10 September 1763. Page 172 Five opinions regarding an expedition to be made to Goram by as many members Bantam. Letter from the Commander H. Pieter Faure to their Excellencies, dated 8 May 1763. Page 1. Report of the Military Lieutenant Louis Monroy regarding the current state of Lampong of policy . . . . . . Page 191 Samanca . . . . . . Page 6 Statement of the pepper received from the Bantam and Lampong districts in 10 years . . . . . Page 10 Letter to Commander Faure from the Military Captain Colmond, dated 1 May of the current year. Page 12 Ditto to their Excellencies from Commander H. P. Faure, dated 10 May of this year . . . . . Page 14 Ditto from the same to the same, dated 15 May 1763 . . . . Page 15 Ditto to the same, 17 ditto ditto Ditto to the same, 19 ditto ditto 18 Ditto Letter from the same to the same as above, dated 27 May 1763 . . . Page 19 Ditto to the same, 22 June ditto . . . . Page 58. Report of the commander on the pantjalling De Snuffelaar, Tiet Bronkhorst, to Commander Faure regarding his actions on a cruising voyage in Sunda Strait . . . . . . . . . . . . Page 59. Letter from Commander Hugo Pieter Faure to their Excellencies, dated 7 July of this year . . . . . Page 120 Letter from the same to the same as above, dated 17 July 1763. Letter from the same to the same as above, dated 15 August 1763 . . . . - - - Page 163. Letter to their Excellencies from Commander Thomas Schippers, dated 28 September last - - . . Page 200. Page 160 Report from Corporal Theodorus Ormekopkskij, commanding the king's pantjalling . . . . . - - - - Page 65 Java's East Coast. W. t Java's East Coast. By the vessel 't Zeepaard. Letter to their Excellencies from Governor Willem Hendrik van Ossenbergh, dated 28 May of the current year . . . Page 21. Ditto from the Head Administrator Hermanus Munnik written to His Excellency in private, dated 23 June 1763. Ditto to their Excellencies from Governor van Ossenbergh, dated 15 July of the current year Page 115 Letter to their Excellencies from Governor van Ossenbergh, dated 1 August 1769. Page 144 Copy of the daily register regarding the actions of Senior Merchant Munnik at the court of the Sultan . . . . . . Page 225 Translation of a Javanese letter from the Susuhunan to their Excellencies - - - - Page 150 The Register . . . . . . . - . . 140 Page 143 E

Dutch transcription

Van Bantam onderdato 4:' April 1769. zevendig. of doot in dezelve gevonden maar wel veel bloed, aan alle zij„ den, waarom prezumeerden dat alle Comp:s dienaren vermoord waren, den 26:e dito hadden zij gehoort dat den gevlugten Corporaal Buijs met vier gemeene Militairen te teram waren aangekomen en op dit gerugt had den Jngabe inden beginne dezes genoemd, volk daar na toe gezonden om dezelve aftehalen, en waren op den 2:e Maart met 'skonings roeij vaartuijg van daer nahier vertrocken Verders relateerd den Rela„ „tant dat bij zijn aanwezen al„ daar is gevaren nade voorn=de Pan„ „tjalling, en dezelve bevonden in een zeer dezolaten toestant, en dat zig op ordres van den E: agtbaren Heer Commandeur mede g'informeert heeft na de 3:— Van Bantam onder dato 4: April 1763:—. na de smockel handel van amphi„ „en en specerijn, welke zeer sterk in de Lamponse Contrijen in swang gaat, wat aanbelangt de specerijen werden overgebragt met mandareese vaartuijgen na Bencoulo en al„ „daar tegens amphioen geruijld, wat aanbelangt d' amphioen werd mede van d' mandarezen van Bencoulo in de Lamponse Contrijen gebragt en verkogt, Ja wert zelfs van Bantamse Java„ „nen van daar gehaald, en in de Lampongse peper plan„ „tagie mede verkogt ver„ „ders na d' Javase wal over„ „gevoert, welk bovenstaan„ de hij ten allen tijden berijd is met Eede te bevestigen. Aldus Gerelateerd tot Bantam den 4: April A:o 1763: /:was getekend:/ G„: M„n Wandelaar /onderstond:/ in kennisse van mij /was getekend:/ E: de Gimmen gesw: schriba opgezesn: Af tchelling Nagezien Kerke Eerste Deel Copia Aankomende Secreete Brieven en Ba¬ pieren van de respective Buijten Comptoiren sedert primo meij tot den 20e: October 1763 N:o 6. A: mende secreete Brieven en Papieren van de respective Buijten Comptoiren sedert pro Meij tot den 20e: 8ber: 1763 Register der aanko Amboina Missive aan haar roog enecent van provisioneer gezag„ hebber van Benjechem en den Raad aldaar dato 25. meij dezes Jaars - - „ 69 Copia secreete resolutie de dato 24 Januarij deses Jaars onthoudende de Besoigne over d' aldaar ontfangene Indiasche ordres - - - - „ 77 _„o _„o van den 15 febr: A:o C„t omtrent de depeche der kruijsvloot naar Ceram annex twee verklaringen. . . . „ 83. Missive van den gezaghebber de Villeneuve en raad aan haar hoog Edelens. dato 26: 7ber: 1763. . . . . „ 201 Aparte resolutien genomen in rade van politie den 7 Julij 2aug„ 3 en 14 september 1763. . . . . . . „ 209 _„o _ 2e Deel Register der aanko mende secreete Brieven en Papieren van de respective Buijten Comptoiren sedert pro Meij tot den 20:e 8ber: 1763 Amboina Register Missive aan haar hoog Edelens van provisioneel gezag„ hebber van Benjechem en den Raad aldaar dato 25. meij dezes Jaars - - „ 69 Copia secreete resolutie de dato 24 Januarij deses Jaars onthoudende de Besoigne over d' aldaar ontfangene Indiasche ordres - - - - „ 77 _„o van den 15 febr: A:o C„t omtrent de depeche der Kruijsvloot naar Ceram annex twee verklaringen. . . . „ 83. Missive van den gezaghebber de Villeneuve en raad aan haar hoog Edelens dato 26: 7ber: 1763. . . . . . „ 201 Aparte resolutien genomen in rade van politie den 7 Julij 2aug„ 3 en 14 september 1763. Pag. 67. „209 - 3 d„o Banda Missive aan haar hoog Edelens van den gouverneur Jacob Pelters ged: 10 sept: 1763. Poeij 172 vijf advijsen nopens Eene te doene expeditie na goram van even zo veel leden Bantam. Missive van den Comm„r H: Pieter faure, aanhaar hoog Edelens de dato 8 meij 1763. „ 1. Relaas vanden Luijtenant militair Louis Mon„ roij wegens de tegenwoordige: Constitutie van Lampong van politie. . . . . . „ 191 Samanca. . . . . . „ 6 Aanwijsing vande uijt de bantamse en lam„ „pongse districten in 10 Jaren ontfangene peper. . . . . „ 10 Messive aan den Commandeur faure van den Cap„n militair Colmond gedateerd 1 maij A:o C:t. „ 12 _„o aan haar hoog Edelens van den Comm: H: p: Faure dato 10 meij deses Jaars. . . . . „ 14 _„o van een aan als even ged: 15 maij 1763. . . . „ 15 —„ „ „ „ „ „ „ 17 „ „ _„o „ „ „ „ „ „ 19 „ „ 18 _„o Missive van een aan als voren ged: 27 mei 1763. . . Pag: 19 „ „ „ „ „ „ 22 Junij „. . . . „ 58. Berigt van den gezaghebber op de pantjalling de snuffelaar Tiet Bronkhorst aan den Comm: faure nopens zijne ver„ „rigting op eene Kruijstogt in straat sunda. . . . . . . . . . . . „ 59. Missive van den Commandeur Hugs pieter - faure aan haar hoog Edelheedens ged: 7 Julij deses Jaars. . . . . „ 120 Missive van em aan als even gedateerd 17:' Julij 1763. Missive van een aan als even gedateerd 15:' Missive aan haar hoog Edelens van den Commandeur Thomas Schippers gedateerd 28:'n september Jongstleeden - - . . „ 200. - „ 160 augustus 1763. . . . . - - - „ 163. Berigt vanden Corporaal Theodorús Ormekopkskij gezogvoerende op 's konings Pantgal„ „lang. . . . . . - - - - „ 65 Iavas oost Cust. W. . t Java's oost Cust. Per debarcgq t feepaard. Missive aan haar hoog Edelens van den heer gouverneur Willem Hen„ drik van Ossenbergh dato 28 maij lb:r C:t. . . . Pag: 21. _„o van den hoofd administrateur Hermanus Munnik aan zijn hoog Edelheijd in 't particulier geschreeven gedateerd 23: Junij 1763. _„o aan haar hoog Edelens vanden heer gouverneur van ossenbergh dato 15 Julij A„o C„t „115 Missive aan haar hoog Edelheedens van den heer gouverneur van ossenbergh dato 1 aug„s 1769. „ 144 Copia dag register weegens de verrigtn„ gen van den opperkoopman Munnik aan het hof van den sulthan. . . . . . „ 225 Translaat Javaansche missive van den soesohoenang aanhaar hoog Edelheedens - - - - „ 150 't Reguster. . . . . . . - . . 140 „ 143 E

NL-HaNA_1.04.02_3094_0279 view scan ↗

English

The index. Daily register of the journey of the Lord Governor to the eastern point. . . . . Page: 265. . Letter to their High Excellencies from Governor van Ossenbergh dated 2 August 1763. Translation of a Javanese letter from Sultan Pakubuwana to their High Excellencies 158 Letter to their High Excellencies from Governor van Ossenbergh dated 27 August 1760. - - - - Page 69 Ditto from the Lord Governor van der Caten Ossenbergh to their High Excellencies, dated 13 September of last year. - - - - - - Page 154. Makassar Letter from the Lord Governor Cornelis Sinkelaar to their High Excellencies dated 28 May Ditto from and to the same dated 23 July of this year. - - - Page 164. Account of Intje Jacoet regarding his experiences on Buton. of the current year. . . . . . . . . . . Page 23. Page 167. Surat 171. . . . . . .. . . Page 152 Surat Letter to their High Excellencies from Director Drabbe and Second Kellij of 30 April The Register. . . . . . . . - - - Page: 122 of this year. . . . . . Page 124 Resolution of 5 April 1763. . . . . . Page 127. Sworn report of four members of the council of policy regarding the claim of the Moors of 80,000 rupees 137 - . From Bantam, 8 May 1763. Copy of incoming secret letters and papers from the respective offices since 8 May until - - - - - 1763. To the High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, His High Excellency Petrus Albertus van der Parra, Governor-General &c. &c. &c. together with The Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Right Honorable Lords. Beside this, I have the honor most obediently to offer Your High Excellencies a report from the returned Lieutenant De Monroy, from which it appears that the Company's small vessel De Jonge Petrus Albertus From Bantam, 8 May 1763 Copy of incoming secret letters and papers from the respective offices since 8 May until - - - - 1763. To the High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, His High Excellency Petrus Albertus van der Parra, Governor-General &c. &c. &c. together with The Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Right Honorable Lords. Beside this, I have the honor most obediently to offer Your High Excellencies a report from the returned Lieutenant De Monroy, from which it appears that the Company's small vessel De Jonge Petrus Albertus From Bantam, 8 May 1763. Albertus, with the chaloup De Papegaai and the pancalang De Snuffelaar, have arrived in the Bay of Samanka and found everything there in peace and quiet, and furthermore that a beginning has been made with the construction of the Company's post, with the placement of which the Lampongers are fully satisfied, and have also already contributed some labor force for that purpose; but the King's envoy declared that he could not cooperate therein before having obtained further orders from his sovereign, regarding the cause of which exception I shall not fail to make inquiries at court tomorrow, since I have not been able to speak with the King or the regent today. For what reason should move the Bantammers not to want to have a Company garrison there, I cannot fathom, unless it again stems from the fickle and distrustful nature of that standard, notwithstanding they have so many proofs of the Company's faithful assistance, and without whose protection they would gradually lose their possessions: already demonstrated in the districts of Sillebaar and Silleboe, which will likely From Bantam, 8 May 1763. be confirmed further by the apparent defection of the Sukadana and Landak provinces, considering that they now send virtually no more missions thither: leaving those peoples, if it pleases them, to bring their products here themselves: in such manner as also takes place for the most part with the Lampongers; for instead of the former kings, and especially the late deceased Sultan, advancing some money to those people on their crops, this sovereign, on the contrary, would not even be able to pay promptly for their brought-in pepper if the money for it were not previously furnished by the Honorable Company: and wherefore the planters of that core thus much prefer to sell their wares there to the stranger for cash than to risk them over sea to this place at great expense and wait some months for their money: this is then also very likely the cause that the English send their buyers up to and into the district of Samanka and elsewhere to obtain this product: and to guard against that with all vigilance, it is in my humble opinion, subject to correction, not only necessary that From Bantam, 8 May 1763. at the Vlakke Hoek or thereabouts a post be placed: but likewise that in the Sunda Strait two armed Company pancalangs constantly cruise, which at the same time could watch for smugglers and pirates, since the last-mentioned rogues, especially from the Varkenshoek up to the Tulangbawang River and north of it, constantly loiter, because of which few juragans dare to come hither to transport their pepper, and those inhabitants, instead of attending to that cultivation, are thus prompted to the same trade, as can be gathered from the small quantity that has been brought hither from those northern provinces over the last 10 years: as appears from the overview accompanying this in all deference: and on the contrary, from the greater supply since the Company's vessels have again been seen along those coasts, in so far as from the end of December of the past year until today already over 3500 bahars have been brought in. The enclosed drawing is a rough sketch designed by the engineer Barnikouw of the place where the post is being erected, with which I hope Your High Excellencies will be pleased.

Dutch transcription

t register. Dag register der reijse van den heer gouverneur naar een vanden oosthoek. . . . . Pag: 265. . Missive aan haar hoog Edelheedens vanden gouver„ neur van ossenbergh dato 2 au„ gustus 1763. Translaat Javaanse missive vanden sulthan Pacoe„ 158 „boeana aan haar hoog Edelens Missive aan haar hoog Edelens van den gouverneur van Ossenbergh ged: 27 aug„s 1760. - - - - „ 69 _„o van den heer gouverneur van den Caten ossen„ „bergh aan haar hoog Edelens. ged: 13 september J„o leeden. - - - - - - „154. Maccasser Messive vanden heer gouverneur Cornelis Sinkelaar aan haar hoog Edelens ged: 38 meij _„o van en aan als even ged: 23 Julij deses Jaars. - - - „ 164. Relaas van Jntje Jacoet wegens zijne ontmoe„ „tingen op Bouton. a:o Ct. . . . . . . . . . . . „ 23. „167. Souratta 171. . . . . . .. . . „ 152 Souratta Missive aan haar hoog Edelheedens vanden directeur Drabbe en secunde Kellij van den 30: april 't Register. . . . . . . . - - - Pag: 122 deses Jaars. . . . . . „ 124 Resolutie van den 5 april 1763. . . . . . „ 127. Be-ldigt Rapport van vier Leeden van politie wegens de preten„ „sie der mooren van 80'000 ropijen 137 - . Van Bantam den 8. mey 1763. Copia aankomende secreete Brieven en Papieren van de respective Comptoiren sedert den 8:' meij tot - - - - - . 1763. Aan den hoog Edelen hoog agtb: wydge„ biedende Heere zijn hoog Edelhend Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal &c &c &c. nevens De wel Edele Heeren Raden van Nederlands India Hoog Edelen Hoog agtbaren uijdgebiedende Heere en wel Edele Heeren. Beziyden dezes hebbe d' eer uw hoog Edelens gehoor„ zaamst aan te bieden, een Relaas van den gere„ ourneerden lieutenant De Monroij waar uijt consteert dat s Comp„s scheepje De jonge Petrus Albertus Van Bantam den 8. mey 1763 opia aankomende secreete Brieven en Papieren van de respective Comptoiren sedert den 8:' meij tot - - - - . 1763. Aan den hoog Edelen hoog agtb: wydge„ 8 biedende Heere zijn hoog Edelhend Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal &ca &c &ca. nevens De wel Edele Heeren Raden van Nederlands India Hoog Edelen Hoog agtbaren uijdgebiedende Heere en wel Edele Heeren. ezyjden dezes hebbe d' eer uw hoog Edelens gehoor zoomst aan te bieden, een Relaas van den gere„ tourneerden lieutenant De Monroij waar uijt consteert dat s Comp„s scheepje De jonge Petruus Albertus Van Bantam den 8 meij 1763. Albertus, met de Chialoup de Papegaaij en Pantjal ling de snuffelaar in de bogt van Samanka g'arriveert zijn en daar alles in rust en vreden, gevonden hebben, mitsg:s een begin gemaakt is, met de constructie van s Comp:s post met welkers plaat„ sing de Lamponders volkomen te vreden, en daar toe ook reeds eenig arbeijdvolk gecontribueert heb„ „ben, maar 's konings zendeling betuijgde daar aan niet mede te konnen werken, alvorens nader bevel van zijn vorst erlangt te hebben, over de oorzaak van welke exceptie ik niet manteeren zal mij morgen ten hove te informeeren, nadien ik den koning of rijxbestierder heder niet hebbe konnen spreken want wat reden de bantam„ mers zoude moveeren, om aldaar geen 's Comp:s bezetting te willen hebben, kan ik niet bevroeden ten zij zulx al weder voort komt uijt de verander„ lijken en wantrouwigen imborst van dien tandaart niet tegenstaande van s' Comp:s getrouwe assisten„ tee zo menigvuldige blijken hebben, en zonder welkers bescherming gaande weg hunne bezet„ tingen zoude verliezen: reets gebleken aan de districten van Sillebaar en Silleboe 't gene denke„ „lijk Van Bantam den 8 meij 1763. bewaarheid staat te werden door den lyk nader apparenten afval der succadana - en Zandakise provin„ tien gemerkt tans genoegzaam geen bezendingen meer na derwaarts doen: latende die volkeren: des behagende hunne producten zelfs hier brengen: in dier„ voegen zulx mede meestendeel plaats heeft met de Lamponders want in stede dat de voorige koningen: en inzonderheid de laatst overledenen sulthan aan die menschen gedeeltelijk penn: op hun gewas voor uijt schoot zo zoude dezen vorst in tegen haar aangebragten peper niet eens prompt konnen betalen Indien het geld door d'E Comp: daar toe niet prealabel gefourneert wierd: en waaromme de planters van dien Corl dus veel liever hunne wharen aldaar aan den vraendeling voor Contant verkoopt, dan dezelve over zee met zware kosten na herwaarts te resiqueeren, en eenige maanden na hun geld te wagten: dit is dan ook wel d' oorzaak dat de Engelse hunne opkopers tot aan- en in het district van Samanka en Elders zenden om dit product magtig te werden: en om daar tegens met allen wier te waken: is het mijns gering bedun„ kens onder correctie niet alleen nodig, dat aan Van Bantam den 8. meij 1763. aan de vlocke hoek of daar omstreeks een post ge„ legd werd: maar insg:s in straat Sunda steets twee gewapende 's Comp. s pantjallangs kruijssen die teffens op de smockelaars, en zeerovers zoude konnen passen, nadien het laatstgen. geboefte, inzon derheid van de verkens hoek tot aan de rivier van Toelang bauwang en daar benoorden, zig gestadig ophouden, waar door weinige Juragans ter vervoer van hun peper herwaards durven komen, en die bewoonders: in stede van die Culture te behartigen dus tot het zelfde ambagt opgewekt werden, af te nemen uijt de geringe quantiteijt die er sedert de laatste 10 Jaren van die noordelijke provintien herwaards gebragt is: blykens d' in alle eerbied daar van dezen verzellende aanwijzing: en in tegen uijt den meerderen aanbreng t zedert dat s Comp:s vaartuijgen langs die Custen weder vernomen zijn in zo verre van ult. o december a. o pass. o tot heden al over de 3500 bharen zijn aangebragt g'incloseer„ de tekening is een ruwe schets door den insegnieur Barnikouw ontworpen van de plaats alwaar de post g'extrueert werd, maar mede ik hope dat uw hoog Edelens genoegen zullen nemen zo

NL-HaNA_1.04.02_3094_0289 view scan ↗

English

From Bantam, the 8th of May 1763. as well as with the forthcoming return of the small ship De Jonge Petrus Albertus and most of the native soldiers, whereas Captain Colmond believes he will be able to manage with the remaining force in the event of an uprising by the exiled Malays or other ill-disposed persons, our government boat having already departed for here before Lieutenant De Monroij by native vessel, but not yet having arrived, nor the letter dispatched therewith having been received, which is mentioned in his later writings annexed hereto, wherefore I conclude herewith, and remain with deep respect, beneath stood customary title, was signed, H. P. Faure, in the margin Bantam the 8th of May 1763. Account From Bantam under date the 8th of May 1763 Account given here at the secretariat by the military Lieutenant Louis de Monroij coming from Lampong Samanca. The deponent named in the heading relates that, pursuant to the orders of the Honorable Commander, he departed from here on the 28th of March of this year with the government boat for Lampong Samanca, where, after much adversity due to the strong westerly winds, he arrived on the 23rd of April, finding lying there the sloop De Papegaaij and the pantjallang De Snuffelaar, which had arrived there a few days before him, not yet finding De Jonge Petrus Albertus there, he divided his men between the two aforesaid vessels, and dispatched the government boat back to here immediately; but while the aforesaid boat met the ship in the bay on the 24th ditto and the quartermaster reported to the military Captain Colmond, he received orders to return again, and the deponent having transferred to the sloop De Papegaaij, saw that the boat was returning and approaching the ship, went with the small boat to meet it, but met the boat first, on which From Bantam under date the 8th of May 1763 were present the military Captain Colmond and the Ensign Engineer Berncouw, then crossed over there and sailed with them to the shore to inspect the land, where it would be best to construct the coastal fortress, and hoisted the Company's flag on the staff again, after staying there for several hours everyone went to his vessel, and in the meantime the ship De Jonge Petrus Albertus had also arrived in the roads there. On the 25th ditto in the morning all European soldiers, together with the Balinese, went ashore and reoccupied the previous post, a few hours thereafter the assistant Wandelaar also arrived with letters for Captain Colmond and some soldiers, on the 26th ditto the Buginese also came ashore, and in the evening the Pangeran and Tubagus Aria Patranagara with the vessels of the king which were still behind. On the 27th ditto in the morning the Pangeran together with the aforesaid Tubagus were with the Captain, and held a discussion, in the evening the government boat, together with the chief mate Horré, was dispatched to here by the said Captain, afterward the Captain, the Ensign Engineer, the Assistant, and the envoy of the king went to Gunung Tiga to conduct an inspection there for the construction of a fortress. From Bantam under date the 8th of March 1763. On the 28th ditto in the afternoon towards 5 o'clock the aforesaid gentlemen arrived back, stating unanimously that there was not the slightest opportunity to carry the aforementioned project into effect, for the reasons that no ship can anchor there in the west monsoon, consequently it would be very difficult to receive orders from here, as well as that the ground is very swampy and there is a lack of fresh water. On the 29th ditto, having found the place to construct the fortress, which lies forward on the right side of the Javanese village, and from where the roads and the river Borne can very easily be fired upon from the front, and those who might emerge landward from behind, and a start was made to clear that place, likewise the pantjallang Java was manned with Europeans. On the 30th ditto the clearing was continued and the pantjallang was refloated, as well as the gun carriages brought ashore, in the evening the Captain sent to request the Pangeran for some Javanese to help our men cut palisades, on the 1st of May in the morning the cannon were brought ashore and placed on their carriages, which continued throughout the day, in the evening word arrived from the Pangeran that he was ill, but he declared that he was well pleased with the chosen place From Bantam under date the 8th of May 1763. and wished to assist us with 50 Lampongers, on the other hand the Tubagus Aria Patranagara could offer us no assistance before and until he had further orders from his sovereign, whereupon the Captain ordered the deponent to depart immediately for here to that end with a royal vessel, and he also received his dispatches immediately in the evening at 11 o'clock and arrived here on the 7th ditto towards evening. The ship De Jonge Petrus Albertus will not be detained any longer than until the 12th of this month due to a lack of provisions, in order to send along the sick and the remaining men. Herewith he concluded his account and declares to be ready at all times to confirm it by oath, beneath stood, Thus related at Bantam in Speelwijk on the 8th of May Anno 1763, was signed, Louis de Monroij, lower, Known to me, signed, E. de Gimenier, sworn clerk. Indication

Dutch transcription

Van Bantam den 8 meij 1763. zo wel als met d' aanstaande te rug zending van het schapje De Ionge Petrus Albertus en de meeste inlandse militairen de„ vermeend het met de wijle Capitain Colmond overige magt te zullen konnen stetten bij op„ daging van de uijtgewekene malijers, of andere kwaadwilligen, zijnde onze lands boot reets voor den lieutenant De Mouroij p. r inlands vaar tuijg :/ na herwaarts vertrocken, maar nog niet aangeland, of de daar mede afgezonde brief ontfangen, waar van bij desselfs latere schrijvens dezen annex gewaagt weshalven hier mede besluij„ ke, en met diep ontzag verblijve /onderstond/ gewone tytel /was getekend / H. p. faure /in margine Bantam den 8. meij 1763. Relaas Van Bantam onder dato 8.:' mey 1763 Relaas gedaan alhier ter secretarij door den Lieutenant mili„ tair Louis de Monroij komende van Lampong Samanca. Den Relatant in den hoofden genoemt relateerd, dat hij volgens d'ordres van den E agtb: heer Commandeur op den 28 maart dezes jaars, met de landsboot van hier is vertrocken na Lampong Samanca, alwaar na veel te„ genstrubbelingen door de sterke wegte winden op den 23. april is g'arriveert, vonden aldaar leggen de Chialoup de Papegaaij en de pantjallang de smiffelaar, dewelke eenige dagen voor hem aldaar waren gekomen, de Ionge Petrus Albertus, daar nog niet vindende verdeelde zijn volk op de beijde voorn. bodemtjes, en depecheerde de lands loot voort wederom na herwaarts; maar terwijl voorn. boot op den 24. d:o het schip in de bogt bejegende en den quar„ zig aandiende aan den Cap militair tiermeester Colmond, krug order van weder te rug te keeren en den velatant op de Chialoup de Papigaaij overge„ stagt zijnde, zag dat de boot wederom te rug kwam en het schip naderde, gong met de schuijt het zelve te gemoet, maar trof de boot het eerste aan, alwaar zig Van Bantam onder dato 8. Meij 1763 zig op bevond den Cap. n militair Colmond en den vendrig ingemeur Berncouw, stagte doen aldaar over en zijlde met haar lieden tot aan de wal om het land te bezigtigen, waar het beste zoude zijn om het band fortres aan te leggen, en het hijdte Comp:s vlag wederom aan de stok op, naar eenige uuren verblyvins aldaar gong ider naar zijn bodem, en intusschen nas het schip de Ionge Petrus Albertus daar mede ter rheede g'arriveert. den 25. dito des morgens zijn alle Europeesen militaire bene„ ven de baliers aan de wal gegaan, en vorige post wederom bezet, neinige uuren daar na arriveerde mede den adsistent Wandelaar met brieven voor den Cap. n Colmond en eenige mili„ Ea ig taire, den 26. dito kwamen mede de boegineesen aan de wal, en des avonds de Pangerang en Toebagus Aria patinenaga„ „ra met de vaartuijgen van de koning dewelke nog te rug waren Den 27. dito des morgens is de Pangerang benevens voorm: Toebagus bij den Cap:n geweest, en een discours gevoerd, des avonds wierd door gem: Cap:n de landsbort, benevens: den opperstuurman Horré na herwaarts af gedepecheert, na„ derhand ging den Cap:n der vaandrig ingenieur den adsistent, en den zendeling van den koning na Goenong Figa om aldaar inspectie te nemen tot het aanleggen van een fortres den Van Bantam onder dato 8. maart 1763. Den 28 dito des agtermiddags tegens 5. uuren zijn voorn: Heeren wederom g'arriveert, zeggende eenparig daar geen de minste occagie te zijn om het voorgem: project tot effect te brengen, om redenen aldaar in de westmousson geen schip kan ankeren, vervolgens daar door zeer zwaar zoude zijn om ordres van hier te kunnen ontfangen, zo mede de grond zeer moerassig en gebrek aan zoet water is. Den 29. dito hebbende de plaats gevonden om het fortres aan te leggen, dewelke legt voorwaarts op de recker zyde der Javaanse negorij, en van waar zeer gemakkelijk van voren de rheede en de revier Borne, en van agteren de genen die landwaards uijt komen konnen, beschoten werden, als mede wierd begonnen om geen plaats schoon te maken, insgelijx de pantjallang Iava met Europezen bemand den 30 dito wierd met het schoon maken gecontinueert en raakte de pantjalling vlot, zo mede de affuijten aan de wal gebragt, das avonds liet den Cap:n den pange„ rang verzoeken om eenige Javanen om ons volk te helpen pallisaden te kappen, p=mo meij des morgens wierd het Canon aan de wal gebragt en op hunne affuijten gesteld, maar mede den dag doorging, des avonds kwam der bescheijd van den Pangerang dat dezelve ziek was, Egter betuijgde met d' uijtgekosene plaats wel in zijn schik Van Bantam onder dato 8. meij 1763. schik te zijn, en wilden ons met 50 lampouders adsisteeren, daar en tegens de Toebogus Aria Patra Nagara ons geen adsistentie konden bieden, voor en al eer dat nader ordres van zijn vorst had, waar op den Cap:n den relatant ordonneerde van aanstonds na herwaards ten dien eijnde vertrekken met een konings vaartuijg, en kreeg ook inme„ „diaat zyn depeche des avonds om 11. uuren en arriveer„ den op den 7. dito tegens den avond alhier. Het schip de jonge petrus Albertus zal wegens gebrek aan randzoen net langer opgehouden werden als tot Den 12. dezer om de zieken en het overige volk mede te zenden. Hier mede eijndigden hij zyn relaas en verklaart ten allen tyden bereid te zyn met eede te bevestigen /onderstond/ Aldus gerelateerd tot Bantam in speelwijk den 8: mei A=o 1763 /was getekend:/ Louis de Monroij /:lager / in kennisse van mij /getekend. E. de Gimenier gesw. scriba. Aanwijzing

NL-HaNA_1.04.02_3094_0294 view scan ↗

English

Bantam January Specification of the pepper delivered from the Bantam and Lampong Districts in the last ten years, namely from the year 1753 up to and including the year 1762. Lampong Tino, Lampong Telocsamca, Lampong Tulangbauwang, Lampong Callanda, Lampong Bantamse Oort, Lampong Lampongse toe, Lampong Batolanda, Lampong Logor, Lampong Maringe, Lampong Pennet, Lampong Nibong, from the Samca, Totals. bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties, bahars catties. Anno 1753: 193 bahars 7 catties, 808 bahars 27 catties, 4 bahars 201 catties, 694 bahars 210 catties, — bahars — catties, 59 bahars 64 catties, 447 bahars 293 catties, 43 bahars 273 catties, 54 bahars 129 catties, 242 bahars 89 catties, — bahars — catties, 1 bahars 234 catties, 145 bahars 65 catties, 4545 bahars 134 catties. 1754: 1693 bahars 23 catties, 275 bahars 12 catties, 37 bahars 224 catties, 64 bahars 204 catties, — bahars — catties, 892 bahars 267 catties, 584 bahars 33 catties, 1007 bahars 115 catties, 157 bahars 54 catties, 319 bahars 267 catties, 29 bahars 276 catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 6682 bahars 289 catties. 1755: 594 bahars 130 catties, 89 bahars 213 catties, 193 bahars 297 catties, 641 bahars 17 catties, — bahars — catties, 705 bahars 250 catties, 342 bahars 270 catties, 783 bahars 103 catties, 71 bahars 271 catties, 143 bahars 191 catties, — bahars — catties, 26 bahars 99 catties, — bahars — catties, 3652 bahars 79 catties. 1756: 897 bahars — catties, 311 bahars 260 catties, 95 bahars 25 catties, 1365 bahars 68 catties, 20 bahars 240 catties, 592 bahars 129 catties, 334 bahars 167 catties, 37 bahars 90 catties, 178 bahars 215 catties, 164 bahars 92 catties, — bahars — catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 4310 bahars 145 catties. 1757: 423 bahars 106 catties, 75 bahars 71 catties, 84 bahars 19 catties, 496 bahars 213 catties, 63 bahars 207 catties, 30 bahars 290 catties, 258 bahars 299 catties, 99 bahars 170 catties, 183 bahars 239 catties, 131 bahars 185 catties, — bahars — catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 4531 bahars 179 catties. 1758: 697 bahars 49 catties, 275 bahars 145 catties, 71 bahars 23 catties, 1898 bahars 118 catties, — bahars — catties, 753 bahars 244 catties, 158 bahars 159 catties, 62 bahars 127 catties, 157 bahars 147 catties, 197 bahars 228 catties, — bahars — catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 5437 bahars 90 catties. 1759: 616 bahars 207 catties, 437 bahars 245 catties, 7 bahars 74 catties, 2412 bahars 174 catties, — bahars — catties, 335 bahars 269 catties, 1108 bahars 233 catties, 1401 bahars 132 catties, 175 bahars 85 catties, 322 bahars 162 catties, — bahars — catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 7818 bahars 161 catties. 1760: 55 bahars 19 catties, 456 bahars 65 catties, 125 bahars 146 catties, 156 bahars 175 catties, — bahars — catties, 532 bahars 18 catties, 285 bahars 62 catties, 14 bahars 10 catties, 61 bahars 123 catties, 257 bahars 236 catties, 20 bahars — catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 5070 bahars 229 catties. 1761: 606 bahars 3 catties, 25 bahars 218 catties, 43 bahars 208 catties, 15 bahars 261 catties, — bahars — catties, 513 bahars 58 catties, 45 bahars 244 catties, 85 bahars 224 catties, 56 bahars 156 catties, 145 bahars 85 catties, — bahars — catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 4553 bahars 252 catties. 1762: 29 bahars 252 catties, 194 bahars 214 catties, 179 bahars 7 catties, 1424 bahars 28 catties, 16 bahars — catties, — bahars 82 catties, 254 bahars 534 catties, 62 bahars 104 catties, 166 bahars 183 catties, 272 bahars 286 catties, 16 bahars — catties, — bahars — catties, — bahars — catties, 4570 bahars 89 catties. Totals: 236 bahars 207 catties, 20 bahars 803 catties, 2 bahars 1240 catties, 216 bahars 92 catties, 4 bahars 607 catties, 13 bahars 701 catties, 00 bahars 8091 catties, 261 bahars 1343 catties, 25 bahars 2189 catties, 135 bahars 29 catties, 276 bahars 28 catties, 33 bahars 145 catties, 65 bahars 57173 catties, 147 catties. In Speelwijk on the date 8 May 1763. Underneath stood: Bantam The Trade Transferor Lower down: Agreed: signed: M: L: Faure Faure. Bantam From Bantam under date 8 May 1763 Bantam Right Honourable Sir, The Right Honourable Sir Hugo Pieter Faure, Commander of the Commandery etc. etc. there. Right Honourable Sir, Since I did not deem it necessary that Lieutenant Monroij should remain here any longer, His Honour is therefore departing together with this letter and a note to request Your Right Honourable's further orders in this matter. According to my last letter, by order of Your Right Honourable, I went to Tjoeko, or so-called Goenong Tiga, where the boundary separation is and the Company's post is placed, but I could perceive nothing there suitable for erecting a lodge; firstly, there is no suitable river and no place where prahus or other vessels can properly anchor. Shortly thereafter, my messenger, whom I had sent to Pangerang Wierarama to request assistance in the name of Your Right Honourable, returned with the report that his people were on their way to come here with patjoes and axes to assist me here. I have cleared the site here and had the ordnance brought ashore; I hope to complete everything shortly to Your Right Honourable's satisfaction, and also think to embark the people shortly according to my last letter. Since the surgeon's mate of the bark De Vrijheid has not arrived here, and the surgeon's mate of the small vessel De Jonge Petrus Albertus has no medicines whatsoever with him, I therefore request Your Right Honourable kindly to provide me with a surgeon's mate at the earliest opportunity. Underneath stood: Furthermore, I remain with all high esteem, Right Honourable Sir. Lower down: Your Right Honourable's very humble servant, signed: C. S. Colmond. In the margin: Borneo the 8th of May 1763. Batavia From Bantam, the 10th of May 1763. Batavia In my humble letter of the 8th instant, I had the honour to inform Your Right Honours that although the Lampongers had already contributed some labour personnel for the construction of our post at Samanka, the King's emissary nevertheless declared that he could not allow them to work on it before receiving further orders from his sovereign. Concerning the reason for this exception, I therefore made inquiries with the Sultan and the Prime Minister, to which I received the reply that this had occurred because His Highness was reluctant to see the Company's servants establish themselves too close to his main village, for fear that its inhabitants might run away. However, since according to the project now adopted it will be situated fully half a day's journey from there, and the Lampongers are very well satisfied with that garrison for their protection, His Highness will send out the necessary orders this very day so that the construction thereof may be worked on with the utmost speed. For this, however, the required tools are lacking, of which I have therefore taken the liberty of drawing up a separate list, with the humble request that we may be accommodated with these as soon as possible. Meanwhile, I remain with respect, Underneath stood: Title as above, signed: H. P. Faure. In the margin: Bantam, the 10th of May 1763. To: As above. Batavia

Dutch transcription

Bantam & Jan Aanwijsing van d' aangebragte Peper uijt te laatste tien Iaaren of Zedert Ao 1753 tot Lampong Lampong se„ Lampg Lampong toe Lampong Lampong uijt het Lampong Tino Tellor Compong lang bauwang callanda Bandunse Oort samca sar ben ats bene otes een a s e e e o e eie ae a e a 293„ 43„ 273„ A=o 175. 193„ 7. 808„ 27„ 4„ 201„ 094„ 210„ —„ — „ 59„ 64„ 447„ 33„ 100: 15„ 1754 1693 „ 23 „ 275„ 12„ 37„ 224„ 64„ 204„ —„ —„ 892„ 267„ 584„ 1755 594„ 130„ 89„ 213„ 193„ 297„ 641„ 17„ —„ —„ 705„ 250„ 342„ 270 „ 783 103„ 1756 897„ —„ 311„ 260„ 95 25„ 1365 68„ 20„ 240„ 592. 129„ 334„ 167„ 37„ 90„ 1757 4231„ 106 „ 75„ 71„ 84„ 19„ 496„ 213„ 63„ 207„ 30„ 290„ 258 „ 299„ 99 170„ 1750 697„ 49„ 275„ 145„ 71„ 23„ 1898„ 118„ —„ —„ 753„ 244„ 158„ 159„ 62„ 127 1759 616„ 207„ 437„ 245„ 7„ 74„ 2412„ 174„ —„ —„ 335„ 269„ 1108„ 233„ 1401„ 132„ 1760 55„ 19„ 456„ 65„125„ 146„156„ 175„ —„ —„ 532„ 18„ 285„ 62„ 14„10„ 61„ 1761 606„ 3„ 25„ 218„ 43„ 208„ 15„ 261„ —„ —„ 513„ 58 „ 45„ 244 „ 85„ 224„ 1762 29„252: 194„ 214„ 179„ 7„ 1424„ 28 16„—„ —„ 82„ 254„ 534„ 62„ 104„ 166„ 1765. 236„2075„ 20, 803„ 2 1240„ 216, 92„ 4, 607„ 13, 701 „ 00, 8091, 261 „1 in Speelwijk Adij /onderstond/ Bantam Co /daar onder / Accordeert /:was getekend:/ M: L: Faure „ oder dato 8. Meij 1763. — uitte Bantamse en Lampongse Districten in de Namentlijk 1753 tot Anno 1762 inclusive Lampong Totaals Lampong Lampong Lampong Lampg Lampong Batoianda Logor maringe pennet Nibong samca bhaneatgers haren catjes bhaan atpes bharen catjes bharen Catjes khaen catjos bharen catjes 431 273„ 54 „ 129„ 242„ 89„ —„ —„ 1„ 234„ 145„ 65„ 4545„ 134. 1007 115 „ 157. „ 54„ 319„ 267„ 29„ 276„ —„ —„ —„ —„ 6682„ 289. 103„ 71 „ 271 „ 143„ 191„ —„ —„ 26„ 99„ —„ —„ 3652„ 79. 90„ 178„ 215„ 164„ 92„ —„ —„ —„ —„ —„ —„ 4310 „ 145. 170„ 183„ 239„ 131„ 185„ —„ —„ —„ —„ —„ —„ 4531„ 179. 127„ 157„ 147„ 197„ 228„ —„ —„ —„ —„ —„ —„ 5437„ 90. 132 „ 175„ 85„ 322„ 162 „ —„ —„ —„ —„ —„ —„ 7818„ 161. 1401. 61 „ 123„ 257 „ 236„ 20„ —„ —„ —„ —„ —„ —„ 5070 „ 229. 1070 56„ 156 „ 145„ 85„ —„ —„ —„ —„ —„ —„ 4553„ 252. 224 „ 89. 1004. 166„ 183„ 272„ 286„ 16„ —„ —„ —„ —„ —„ —„ 4570„ — 147. 8091„ 261„ 1343„ 25„ 2189„ 135„ 29„ 276„ 28 „ 33„ 145„ 65„ 57173„ 8. Meij Anno 1763 Den Negotie overdrager Faure. Bantam Van Bantam onder dato 8. meij 1763 Bantam Wel Edelen agtbaren Heer den wel Ed agtb: heer Hugo Pieter faure Commandeur des commande„ ments etc etc. aldaar Wel Edelen agtb: Heer Dewijl niet nodig agte dat den heer lieutenant Monroij hier langer quam te blijven derhalven ver trek zijn E benevens deeze met een notitie om uwel Ed. agtb: ordre daar verders bij te verzoeken Volgens mijn laatste letteren ben ik op ordre van uwel Ed. agtb: geweest op Tjoeko of zo genaamde Goenong Tiga alwaar de limiet schijding is en Comp. s paal geplaats is, dog aldaar niets kunnen beoogen om een Logie op te rigten voor eerst is daar geen bequame rivier en geen plaats daar praauwen of andere vaartuijgen behoorlijk ten anker kun„ nen komen Opstonds, is mijn zendeling die ek na den pan„ gerang Wierarama heb gezonden om in de naam 13 Van Bantam onder dato 8. meij 1763. naam van uwel Ed: agtb: assistentie te verzoeken, wederom gekomen, niet berigt als dat zijn volk op weg was om hier na toe te komen, met patjoes en bylen om mij hier te helpen Heb de plaats hier afgestooken en het geschut aan de wal laaten brengen, verhoope in korten alles na uwel Ed. agtb: behagen te volvoeren, en denke ook het volk on korten af te scheepen vol„ gens mijn laatste brief Dewyl d' ondermeester van de barcq de vrijheid hier niet is aangekomen, en d' ondermeester van het scheepje de jonge Petrus Albertus in geheel geen medicijnen bij zig heeft, dierhalven verzoeke uwel Edele agtb: mij met eersten met een ondermeester gelieft te voorzien /onderstond./ Verders blyve met alle hoog agting wel Edelen agtb: Heer. /:lager:/ uwel Edele agtb zeer onderdanige dienaar /getekend:/ C. S. Colmond /in margine:/ Borneo den 8. ' meij 1763 — Batavia Van Bantam den 10. meij 1763. Batavia Bij mijn onderdanigen van den 8. Courant had ik d' eer uw hoog Edelens te bedeelen, dat schoon de Lamponders reets eenig arbeids volk gecontribueert hadden, tot den aanleg van onze post op Samanka 'skonings zendeling nogthans be„ tuijgde daar aan niet mede te konnen laten werken, alvo„ rens nader bevel van zijn vorst zoude erlangen, en over de oorzaak van welke exceptie ik mij dierhalven bij den sulthan en rijx bestierder g'informeert hebbe, waar op ten ant„ woord erlangde, zulx geschied was, om dat zijn hoogheid ongaarne zag, dat sComp. s bediendens zig altena bij desselfs hoofd negorij zoude etablisseren, uijt vrees de bewoiers daar van mogten verlopen, maar dewijle volgens het thans geno„ me project zulx wel een halve dag gaans daar van daar zal leggen in de Lamponders met die bezetting ter harer beveijli„ ging zeer wel te vreden zijn zo zal zyn Hoogheid dezen dag nog de nodige bevelen afzenden, ten eijnde aan d' ex tructie daar van met d' uijtterste spoed te doen arbeijden, waar toe nogtans het vereijschte gereedschap ontbreekt van t welk is dus de vryheid genomen hebbe een apart eijfje op te moken, met nedrig verzoek daar mede ten spoedigsten gerieft te mogen werden: inmiddens verblijve met ontsag /onderstond:/ zijtel als voren /getekend/ H. p. faure /in morgine/ Bantam den 10. ' meij 1763. aan Als vooren. Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3094_0299 view scan ↗

English

From Bantam, the 15. May 1763. Batavia Today report was received here that recently two pepper vessels have been captured by the Mandhar pirates: the one coming from Lampong Poeti with 40. bhars, and the other from Lampong Pennet laden with 30. bhars of pepper, whereupon I immediately caused the Sultan to be requested to have a capable pantjallang fitted out, in order to still be able to pursue those pirates in time, seeing that news has also been received that they have proceeded with their prey to the Varkenshoek or Tanjong Toea: seemingly to look out for more captures. I will therefore, in hope of Your Right Noblenesses' approval, provide a sergeant with 10 to 12 common soldiers for this purpose, in order that through the faintheartedness of the Bantam people this expedition may not turn out fruitless, and furthermore send orders this evening yet to Captain of the military Colmond: if feasible, to send out one of the Company's vessels he has with him from that side for the same purpose. Meanwhile I have the honor to remain with respect, was signed: usual title, signed: A. P. Faure, in the margin: Bantam, the 15. May 1763. To the same as before Batavia From Bantam, the 17. May 1763. Batavia By my humble letter of the 15th current, I had the honor to dutifully communicate to Your Right Noblenesses the capture of two pepper vessels by the Mandhar pirates, and that I, in hope of Your Right Noblenesses' approval, would therefore give orders to Captain Colmond to immediately dispatch one of the Company's vessels he has with him at Lampong Samanca on a cruise there; but since this morning the pantjallang de Sniffelaar has arrived here, as appears from the enclosed accompanying letters, I have judged it most advisable to have that vessel depart this evening yet for the purpose of tracking down the pirates, the more so because on the King's part such a small craft is not yet ready, although His Highness had promised that the same would be ready to sail this day. The native soldiers, who had come hither with the said vessel, I let depart, with your kind indulgence, under escort of this letter per the country boat to Costi, seeing that this small craft likewise appeared yesterday, but sustained a heavy leak which cannot be repaired here, and because thereby 30. lb. of powder has become wet, and on its voyage to Samanka it lost its grapnel due to heavy weather, as appears from the attached declarations. Thus I humbly request the required writing off of both, and to be accommodated again with another grapnel, while by this letter I also cannot fail to express my humble gratitude for the favorable authorization granted by Your Right Noblenesses' respected missive of the 13th last for the renewed provision of refreshments to the ships struggling in the Sunda Strait, which however have in the meantime fortunately passed this latitude. Herewith I have the honor to conclude and to remain with respect, was signed: title as before, signed: H. P. Faure, in the margin: Bantam, the 17. May anno 1763. Batavia From Bantam, the 19. May 1763. Batavia I have the honor to communicate to Your Right Noblenesses that yesterday evening after sunset there arrived at this roadstead the small ship de Jonge Petrus Albertus, and the pantjallang Java, which last-mentioned small craft I take the liberty, under escort of this letter, to allow to depart for Costi with the native soldiers who have returned from Lampong Samanka; further not failing to let the first-mentioned vessel follow likewise, as soon as the same shall have taken in a good cargo of pepper. Of the original missive drafted by Captain Colmond at the time of the departure of the aforesaid vessels, I have dutifully sent the duplicate to Your Right Noblenesses, to which therefore, with kind indulgence, refers the person who remains with the deepest respect, was signed: title as before, was signed: H. P. Faure, in the margin: Bantam, the 19. May anno 1763. To the same as before Batavia From Bantam, the 27. May 1763. Batavia The field redoubt at Lampong Samanka having, through the good direction and encouragement of Captain of the military Colmond, been completed contrary to expectation on the 18th current, His Honor departed from there the day after with the sloop de Papegaai, but because he could not round the Fourth Point or the high land of Bantam so quickly with that small craft, he resolved to continue his journey hither with a native rowed vessel, just as he then also arrived here in good health the day before yesterday. However, Engineer Barnikouw, with a hot fever which carried him away from this temporal life this morning at four o'clock, his estate, upon the arrival of the aforesaid sloop, will be inventoried by the Curator ad lites and wait to see whether he also has codicillary attorneys in Batavia to be able to accept his estate. Said Captain Colmond has left as a garrison at Samanka an ensign, a sergeant, two corporals, a drummer and 24. common soldiers, along with a gunner's mate and two artillerymen, but trusts that a sergeant and 18 common soldiers will be sufficient, since everything is in full peace there and the Lampong people are particularly pleased with that post; wherefore, with the pleasure of Your Right Noblenesses, the officer together with the excess troops could come up from there on occasion, and the direction of affairs be left to the assistant Wandelaar as being a sufficient person who has resided among the Javanese for many years and knows especially well how to deal with the native. Meanwhile I have the honor to remain with respect, was signed: usual title, was signed: H. P. Faure, in the margin: Bantam, the 27. May 1763. Batavia

Dutch transcription

15 Van Bantam den 15. mey 1763. Batavia Heden krygt men hier berigt dat dezer dagen twee peper vaartuijgen door de mandharilse zee schuijmers verovert zijn: het eene komende van Lampong Poeti met 40. bha„ ren, en het ander van Lampong Pennet geladen met 30. bharen peper, waar op ik den zulthan aanstonds hebbe laten verzoeken om een bequame pantjallang te doen uijtrusten, ten eijnde die rovers nog bij tijds te konnen nazetten gemerkt men almede tijding heeft dat dezelve zig met hun proij na de verkens hoek of Tanjong Toea begeven hebben: denre„ lyk om meerder Captures te betragten ik zal dierhal„ zen / in hoge van uw hoog Edelens goedkeuring :/ een zer geant met 18 a 12. gemeene militairen daar toe geven ten eynde door de versaagtheid der bantammers die expeditie met vrugteloos mag aflopen, en wijders nog dezen avond ordre aan den Capitain militair Colmond zenden: om des doenlijk een zijner bijzig hebben 'sComp. s vaartuijgen van geene zijde daar insg=t op uijt te zenden. inmiddens hebbe d' eer met ontzag te blyven /onderstond:/ gewone tijtel /getekend:/ A. p faure /in margine/ Bantam den 15. meij 1763. aan als vooren Batavia Van Bantam den 17. Meij 1763. Batavia Bij mijn onderdanige van den 15: Courant O F had ik d' eer uw hoog Edelheendens schuldpligtig te communiceeren, het veroveren van twee peper vaar„ tuijgen door de mandhareese zeeschuijmers, en dat ik /in hope van uw hoog Edelens goedkeuring dierhalven aan Capitain Colmond ordre zoude geven om ten eersten van de bij zig hebbende 's Comps vaartuygen te Lampong Samanca, eene van de zelve der bekruijziging daar op over te zenden: maar nadien heden morgen de pantjallang de Sniffelaar hier aangeland is, blijkens g'incloseer„ de gelijde letteren zo hebbe raadzaamst g'oor deelt dat vaartuijg ter opspeuring der Rovers dezen avond nog te moeten doen vertrecken te meer dewijle 's konings wegen zodanig een kieltje nog niet in gereedheid is, schoon zijn hoogheid beloofd hadde dat het zelve dezen dag. Zylvaardig zoude wezen. D' inlandse militaire, dewelke niet genoemden bodem herwaarts gekomen waren, laat ik /in wel duijding. / onder geleijde dezes p. r de landsboot na Costi vertrekken, gemerker dit kieltje gisteren insgel=k aan als vooren is 17 Van Bantam den 17. meij 1763. is opgedaagt, maar een zware lekkagie bekomen heeft dewelke hier niet te repareeren is, en dewijle daar door 30. lb. kruijt nat geworden, en op zijn reyze na Samanka door zwaar weer, zijn dreg verlooren heeft, blykens nevens gevoegde verklaringen. zo verzoeke nedrig om de vereijschte afschryving van het een en ander, en om weder met een andere dreg gerieft te mogen werden, terwijle bij dezen al mede niet voor bij kan mijn ootmoedige dank„ baarheid te betuijgen voor de gunstige qualificatie bij uw hoog Edelens gerespecteerde missive van den 13. laatstleden verleent ter andermale ver„ vertrocking van verversing aan d' in straat zunda suckelende schepen. dog dewelke intusschen ge„ luckig deze hoogte gepasseert zijn. hier mede hebbe d' eer te besluijten en met en met ontzag te blyven /onderstond:/ tijtel als vo„ ren /getekend:/ H: P. foure /in margine./ Bantam den 17. meij A=o 1763. Batavia O ƒ Van Bantam den 19.' meij 1763. Batavia Hebbe d' eer uw hoog Edelens te communiceren dat gisteren avond na zons ondergang te dezer rheede g'arriveert zijn, het scheepje de Jonge Petrus Alber„ tus, en de pantjallang Iava, welk laatstgen: kiel„ tje ik de vrijheid neme onder geleyde dezes na Costi te laten vertrecken met d' inlandse militairen die van Lampong Samania geretourneert zijn: zullende wijders niet manteeren d' eerstgem: bodem insg=s te laten volgen, zo dra den zelven een goede lading peper ingenomen zal hebben. van d' origineele missive door Cap:n Colmond ten ge„ tyde van voorschreven kielen ingerigt, hebbe ik uw hoog Edelens schuldpligtig het duplicaat gezonden waar aan zig dierhalven onder welduijding gedraagt den genen die met het diepste respect verblijf /onder„ stond:/ tijtel. als vooren :/ was getekend:/ H: p. faure /in margine/ Bantam den 19. meij A 1763. Aan als vooren Batavia Van Bantam den 27. meij 1763. Batavia De veldschans te Lampong Lamanka door de goede directie en aanmoediging van den Capitain militair Colmond buijten verwagting op den 18- Courant in gereedheid ge„ vaakt zijnde, zo is zijn E met de Chialoup de Papegaai daags daar aan van daar vertrocken, maar dewijle de vierde hoek of het hooge land van bantam net dat kieltje zo spoedig niet te boven konde komen resolveerde hij met een inlands voeij vaartuijg zijne reijze na herwaards voor te zetten, zo als dan ook eergisteren in gezondheid hier aangelant is maar den Jnsequieur Barnikouw met een heete koorts dien hem dezen morgen ten vier uuren uyt dit tijdelijke heeft weg gerukt, zullende bij op daging van voorsz Chialoup desselfs nalatenschap door den Curator ad lites laten inventariseeren en afwagten of ook codicillaire gemagtigdens tot batavia heeft om zijn boedel te konnen aanvaarden. Gemelden Cap:n Colmond heeft in bezetting te Saman„ ka gelaten een vendrig een sergeant twee Corporaals Een tamboer en 24. gemeene militairen benevens een constabels maat en twee bosschieters, maar ver trouwt dat een zergeant en 18 gemeene militairen zoerijkende zullen wezen, nadien door alles in Aan als vooren volle - Van Bantam den 27 Meij 1763 volle ruijt en de Lamponders met die postering bezonder in hun schik zijn: weshalve met welbe„ hagen van uw hoog Edelheedens den officier bene„ van de meerdere manschappen van daar bij occa„ gie zoude konnen op komen, en de directie van zaken gelaten werden aan den adsistent Wandelaar als een suffct zijnde die lange jaren onder de Javanee verkeert heeft, en bijzondere wel met den jnlander weet om te gaan Onderwijle hebbe d' eer met ontzag te blyven /onderstond:/ gewone tijtel /:was getekend/ H. p. faure /:in margine:/ Bantam den 27. meij 1763. — Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3094_0305 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 28 May 1763. Batavia Having found myself honored with Your High Excellencies' most esteemed secret dispatch of the 30th ultimo, I let this serve as a respectful reply that, in accordance with Your High Excellencies' intention, I shall conduct myself carefully regarding the sale of vessels to foreigners, and especially make it as difficult as possible for the people of Palembang, without giving overt offense. Furthermore, I have the honor to report to Your High Excellencies that Pangeran Praboejoko was engaged near Paggar Woijo, located a day's journey from Wiera Saba, by the Sultan's army commander Prouiro Diredjo with a force of two thousand warriors, with the result that Prouiro Diredjo, having crossed the river, clashed with the vanguard of Praboejoko. Having lost four men in that encounter, Praboejoko subsequently retreated with 70 men in a weak physical condition into the Antang mountains, of which the Adipati of Malang gave notice to the Commander of Passoeroewang, Hogewitz, and also that he had caused the border boundary of Malang, being the village of Radjek Wessie, to be occupied. The Commander Breton, learning from this that the ruler of Malang seemed to wish to maintain a correspondence with Commander Hogewitz, judged it advisable to inform that Adipati further of my arrival in the eastern salient, and to try to persuade him to come to Passoeroewang, As before. likewise requesting him not to grant shelter to Pangeran Praboe, but on the contrary, since the road from there to the mountains of Antang is fairly easy, to try to persuade him to attack that rebel there or have him destroyed, which I have approved, and I await the outcome thereof. Regarding the Kramans, nothing more is heard at all, and the districts of Calimongoe, Candal, and Batang are once again in complete peace, the Honorable Company having suffered no other damage in that revolt than that the forest people ceased logging for a month, but are now at work again. Abdul Cadir, however, has not appeared up to now, and notwithstanding that he is being sought on all sides, both by the Emperor's and the Sultan's peoples, he knows how to foil all these inquiries, as well as the efforts that I employ to discover that firebrand. And since everything, both at the Courts and along the coast, is in a desirable condition, I shall, in accordance with the permission obtained from Your High Excellencies, set out next Wednesday, 1 June, on a journey to Japara, and from there by the overland road to the eastern salient, having made a proper arrangement, according to previous custom, regarding the handling of affairs here at Samarang during my absence. Wherewith, with all requisite fidelity, respect, and high esteem, I have the honor to be. Was signed: usual title. Signed: Wil. Hen. van Ossenberch. In the margin: Samarang, 28 May 1763. Batavia From Macassar, 30 May 1763. Batavia With the safe arrival of the ship Noord Nieuwland at Bouthain, Your High Excellencies' revered dispatch dated 13 December of the recently elapsed year duly reached my hands a few days thereafter, in which I was able to see, to my particular satisfaction, that Your High Excellencies were pleased to approve all that has been carried out by me regarding indigenous affairs, which shall then spur me on to apply myself with all zeal and diligence to merit further Your High Excellencies' favorable disposition; in the following chapters, that which requires a reply will be submissively incorporated in order to avoid all confusion; therefore, giving thereafter the customary report of what has occurred since the dispatch of my humble letters of 22 October of the past year, I shall begin with the court of Boni: with which I have had a great deal of trouble, but indeed primarily with their king, who persisted so obstinately in his conduct to achieve his aim regarding Aroe Paneki by mere famine and want, that he found himself deceived in the end. To set down extensively all that was transacted in that regard would only vex Your High Excellencies, wherefore I shall state in substance that I did not As before. fail, in all my letters in response to his, which are quite numerous, to admonish His Highness to continue this war with vigor and bring it to an end; and I flattered myself that this would have a desirable effect, for after it had already been communicated to me that Pattolaya, the bravest and most capable of the two sons of Aroe Paneki, had fallen in battle, I received on 27 and 29 January of this year two letters from His Majesty, whereby I was notified that on 29 December and 17 January prior, by a general assault, the old village was captured after the burning of the houses standing therein, the second son of Aroe Paneki named Lapacka had fallen, and Aroe Paneki had been reduced to the utmost extremity. Whereupon I provided His Majesty with an answer on 2 February that I had been glad to learn matters were now so situated that I had reason to think I would see within a few days, through the conquest of that village and the removal of Aroe Paneki, the end of this war; and that for that reason I admonished His Majesty, when everything was settled on that side, to turn his thoughts to reuniting the three kingdoms of Boni, Soppeng, and Wadjo through a renewed alliance, but that His Majesty nevertheless had to know that this could not possibly happen without the incorporation of the Bongaya Treaty, as had already been discussed before.

Dutch transcription

21 Van Iava's oost Cust den 28. meij 1763. Batavia Mij vereerd gevonden hebbende met uw hoog Edelheedens zeer g'eerde selceete missive van den 30. p:s laat ik deze dienen ten eerbiedige rescriptie, dat ik na d'intentie van uw hoog Edelheedens mij zorgvuldig zal gedragen omtrent den verkoop van vaartuijgen aan overwalders) en voorna„ melijk het den Palembangers, zo difficil maken als immers ge„ schieden kan, zonder opentlijke aanstoot te geven. Wyders heb ik d' eer uw hoog Edelheedens te melden dat den Pan„ gerang Traboejoko door des sulthans veedheer Prouiro Diredjo met een magt van Twee duijzend krijgers bij pagger Woijo een dag reizens van Wiera zaba gelegen, is aangesagt, met dat gevolg, dat Prouiro Diredjo de rivier overgetrokken zijnde met d' avantguarde van Praboedjoko slaags raakte, die in die recontre vier mannen verloren hebbende vervolgens met 70. man in een zwakke lighaams gesteltenis in het An. tangsche gebergte geretireerd is, waar van den Malangs Depattij den Passourouangsche Commandant Hogemitz heeft kennis gegeven en teffens dat hy de linietschijding van Malang zijnde de Negorij Radjek Wessie heeft laten bezetten. De gezaghebber Breton hier uijt vernemende, dat den Ra„ langer met den Commandant Hogeurtz briefwisselingscheen te willen onderhouden heeft raadzaam g'oordeelt, dien depat„ ty nader van myne komst in den oosthoek te adverteeren, en hem tragten te bewezen op Passoucouang te komen, hem aan als vooren teffens Van Iava's oost Cust den 28. meij 1763 teffens verzoekende Pangerang Praboe gen schuilnest te verleenen, maar ter contrarie vermits de weg van daar naar het gebergte van Antang tamelyjk gemakkelyk is hem zien te persuadeeren, om dien rebel aldaar te attacqueeren of te doen vernertelen, het welk ik heb goedgekeurd — en den uijtslag daar van verwagte Nopens de Cramans hoort men in 't geheel niet meer, en de distacten van Calimongoe, Candal en Batang zijn weder in volle rust hebbende d' E Comp:e by die revolte geheel geen ande„ re schade geleden als dat de bosvolkeren den houtkap een maand lang gestaart hebben, maar nu weder aan de gang zijn — Abdul Cadia is egter tot nog toe niet te voorschijn gekomen, en niet tegenstaande van alle kanten, zo door keijzers als sul thans volkeren, werd opgezogt weet hij alle deze enquesten te verijdelen, zo wel als mijn devoir, die ik aanwende, om dien store„ brand te ontdekken. En nadien alles, zo aan de Hoven als aan de staanden zig in een gewenschte toestand bevind, zal ik volgens erlangde permissie van uw hoog Edelhedens, mij aanstaande woensdag den 1. Junij op reyze begeven naar Japara, en van daar over den tandweg naar den oopthoek, hebbende geduurende mijne absentie, omtrent moncance van zaken alhier op Samarang na vorige gebruijk, een behoorlijk schikking gemaakt. Waar mede ik met alle vereyschte trouwe, eerbieden hoog agting d'eere hebbe van de zijn. /onderstond :/ gewone tijtee /getekend: Wil: Hen. van Ossenberch /:in margine / Samarang den 28 meij 763. Batavia 23 Van Macassar den 30 meij 1763 Batavia Met de behoude aankomt van het schip Noord nieuwland op Bouthain is mij korte dagen daar aan wel aan handen gekomen uuw hoog Edelheedens gevenereerde missive ged:t den 13 december des jongst verweken jaars, maar bij ik tot mijn bezondere vergenoeging hebbe mogen zien, dat uw hoog Edelheedens hebben gelieven teagreëren alle het gene door mij om„ trent d' inlandse zaaken is varigt het geene mij dan zal aanspooren omme met alle ijver en vlijt het daar op toe te leggen, omme al verder te meriteeren uw hoog Edelheedens gunstige dispositie, zullende in d'ondervolgende Capittels het gene rescriptie vereijscht, onderdaniglijk werden engelijft om alle con„ fusie te vermijden; dierhalven daar na den gebruijken verslag doende van het gene zedert het afgaan myner submissie letteren van den 22. october des voorleden jaars is voorgevallen, zal ik beginnen met het hof van Bonij: waar mede zier veel te stellen gehad hebbe, Dog wel voornamentlyk niet haren konenk, die zo halftarrig bij zijn gedoentens om door enkele hongernood en gebrek, zijn Oogmerk omtrent Aroe Panekij te bereijken heeft volhaad, dat hij zig op het laatste heeft bedrogen gevonden. bin alles het geene dierwegens is verhandeld wijdlopig ter neder te stellen, zoude ik uw hoog Edelheedens maar verdrieten waaromme ik dan ten principale zal zeggen dat ik niet Aan als vooren geman„ Van Macassar den 30. Mey 1763 — gemancqueert heb zijn hoogheid bij alle mijne brieven in ant„ woord op de zijne, die al tamelyjk menigeuldig zyn, aan te maanen, omme met vigeur dezen oorlog voort te zetten en ten eynde te brengen, en ik flatteerde mij, dat zulx zoude doar een gewenscht effect, want na dat mij reeds be„ deeld was dat Pattolaya de dapperste en bewinste der twee zoonen van Aroe Panekij waas gesneuveld, ontving ik op den 27 en 29. Januarij dezes jaars twee brieven van zijn Majesteyt, waar bij mij kennisse wierd gegeven, dat op den 29. december en 17. Januarij bevorens door een gene rale attacque d' oude negorij, na het verbranden der daar in staande huijzen ingenomen, de tweede zoon van Arroe Penekij genaamd Lapacka gesneuveld, en Aroe Pene„ hij tot het uijtterste gebragt was, waar op ik zijn maje„ steyt den 2. februarij diende van antwoord, dat ik ver„ heugd was geweest te vernemen, de zaken nu zodanig gesteld waren, dat ik reden had te denken, binnen weinige dagen te zullen zien door het veroveren van die Negorye en uijt de weg ruijmen van Aroe Panckij, het eijnde van dezen oorlog en dat ik uijt dien hoofde zijn Majesteijt aan„ maande als alles aan die kant vereffent was te willen zyn gedagten laten gaan om de drie ryken van Bonij Soppeng en Wadjo door een vernieuwd verbond weder te vereenigen, dog dat zijn majesteyt egter moest weeten ƒ dat zulx onmogelyk niet konde geschieden, als net in„ lijving van het bongaijs verbond zoo als daar over reeds Voor

NL-HaNA_1.04.02_3094_0309 view scan ↗

English

25 From Macassar, the 30th of May 1763. had been treated three years ago, if his majesty had not made difficulties, to persuade the Wadjorese to this with little trouble, and that on this account I had good expectations, if they were to perceive that with the capture of Peneki all hostilities ceased, advising his majesty therefore immediately after the conquest of that place to establish a governor therein, and to march with his entire army to Tjinrana in order thus to remove all evil suspicion, and from there to encourage those of Wadjo for the time being to elect an Aroe Matouwa, which is a person who represents in himself the sovereign power, and who puts all decisions into execution, that character being elective and not hereditary; and to make the mentioned proposition palatable to them, trying as much as possible to direct matters so that Datoea Pamana, as the best-disposed, was elected thereto. However, the day thereafter, or the 3rd of February, a further letter was delivered to me, written jointly by the king and grandees of the realm, containing that after the departure of their last letter the fire in Peneki had lasted another day, and only the house of Aroe Peneki and eighteen huts had remained undamaged, likewise that an emissary of the Wadjorese had appeared before them, with this message: that since this war had principally arisen through the actions of Lapacka, and he being now dead, an end should also therewith From Macassar, the 30 May 1763 be made; that Aroe Peneki had also agreed with regard to his person to submit to the ancient laws, and they therefore advised Boni to depart for home, and that Wadjo and Boni should maintain their ancient laws left by the former kings, namely the Lamoeng Patouari Timoeroeng, letting Aroe Peneki depart; also that the king of Boni had given in substance as an answer thereto that arms had been taken up out of necessity, and the issue was not yet settled, and therefore could not yet be laid down, for the war had not only arisen because of the committed crimes of Lapacka, but those of his father Aroe Peneki and his disrespect to the three realms; that Boni could not see that withdrawing from before Peneki could in any way serve the welfare of both countries, but that Wadjo seemed to look after the interest of a wrongdoer, which was contrary to the old treaty, judging therefore that those of Wadjo must first declare what punishment Aroe Peneki should undergo, in order, if they could not agree therein, to employ all means that can serve the welfare of the Talloengpottjoship, being the union of the three realms, Boni, Soppeng, and Wadjo. Upon this they now requested my advice, on which account I, seeing that 27 From Macassar, the 30 May 1763. it began to reach the extreme and everything was spoiled by the headstrong conduct of the king, wrote on the 6th of February thereafter in answer thereto, that had my advice been followed which I had given in all my letters, namely to send Aroe Peneki as soon as possible to the other world, whom Boni had had in their hands, the war would long have ended, whereas now matters had through this accident greatly changed their aspect, for the king and his grandees of the realm were well convinced that Boni and its allies could not stand against this nation, and the Company had at the present time no opportunity to assist them with manpower, that therefore the gentlest means ought to be taken in hand, without however my finding myself in a position to give any other advice regarding this before it was ascertained what answer the Wadjorese had given to the last message, and what the sentiments were of his majesty, etc. A few days after this, or on the 11th of February, the duplicate of the above-mentioned letter was brought to me, under which the king had placed a postscript, containing that he requested to have commissioners in order to consult with them if the Talloeng Pottjo, being the three realms, sought to push through the renewal of the Lamoeng Pattoea, so as then to have the opportunity to insist on adhering to From Macassar, the 30th of May 1763. the Bongaja contract. Perceiving well from this how the cloth was cut, and that the king was in great perplexity, and that he would certainly shortly conform to the pleasure of the Wadjorese, without awaiting anything further from here, I answered him on the 16th thereafter that however much the Company was already prepared to give satisfaction to the realm and in particular to the king of Boni, I nevertheless could not condescend to the mentioned request, because I did not wish to expose the dignity of the Company to any disrespect; but in case the king could assure me that the way was prepared and Soppeng and Wadjo as well as Boni accepted the mediation of the Company, that I would then send commissioners as soon as possible, and I dispatched this epistle with the first emissary Daeing Mandjareeri to be assured of a speedy delivery, giving him also a short instruction to be able to answer the king on the questions to be asked by him, and to make known my thoughts, of which the small writing as well as the account given upon his return are also transmitted in copy among the annexes. That I was not mistaken in this, I became aware from the further letter of the king delivered here on the 24th of that same month, whereby his highness gave me notice

Dutch transcription

25 Van Macassar den 30: meij 1763. voor drie jaren was gehandelt, wanneer zyn majesteyt niet hadde gedifficulteerd, om de Wadjoreesen met geringe moeijte daar toe over te halen, en dat ik dierwegens golede gedagten hadde, wan neer zij quamen te bespeuren dat met het inneemen van Peulkig alle vyandelyk heeden cesseerden, raadende dierhalven zyn magesegt aanstonds na het veroveren van die plaats daar in te stellen een stad houder, en met zyn gantsche leger af te marcheeren na Tjinrana om dus alle quade suspecie weg te nemen, en van daar die van Wadjo te amimeeren bij voorraad tot verkiezen een Aroe Matouwa het gene Een perzoon is die in zig representeerd de souveraine magt, en die alle besluijten ter executie steld, zijnde dat Caracter clectif en niet erffelijk:/ en voor haar de gem: propositie smakelije te maken, zo veel doenlyk tragtende het daar heenen te dirigeeren dat Datoea pamana /als de beste gezintste/ daar toe verkoren wierd. dog daags daar aan ofte den 3. febr. wierd mij besteld, een na„ „dere brief door den konink en rijxgrooten gezamentlijk geschree„ ven behelsende, dat na het afgaen van haar laatste schrijvens de brand in Peneky nog een dag geduurd had, en het huijs van Aroe Penekij mitsg. s agthien hiedjes nog maar onbeschadigt gebleven waren, indgelijx dat bij haar verscheenen was een zendeling van de Wadgoreesen, met deze bootschap, dat vermits dezen oorlog ten principale was gesprooten door het bedrijf van Lapac la, en dezelve nu dood zynde daar mede ook diende een eijnde Van Macassar den 30 meij 1763 eynde te nemen, dat ook Aroe penekij aangenomen had omtrent zyn perzoon zig te willen onderwerpen aan de al oude wetten, en zij dierhalven Bonij raaden na huijs te vertrecken en dat wadjo en Bonij zoude doen stand guypen hare oude wet„ ten door de vorige koningen nagelaten, namentlijk de Lamoeng Patouari Timoeroeng latende Aroe Penckij vertrecken; mitsg:s dat den konnik van Bong daar op ten antwoord hadde gegeven in substantie dat de wapenen opgevat waren uijt nood„ zakelijkhaid, en de questie nog niet was beslijt, en daar om ook nog niet konde nedergelegt worden, want dat den oorlog niet alleen ontstaan was om de bedrevene misdaden van Lapacka maar die van zijn veder Arroe Panekij en desselfs klemag„ „ting aan de drie ryken, dat Bony niet konde zien het aftrec: ken van voor Penekij eenigzints konde strecken tot welwezen der veide landen, maar dat Wadjo scheen te behartigen het interest van een quaaddoender, t welk was strijdende tegens het oude verbond, oordeelende dierhalven dat die van Wadjo zig eerst moesten declareeren wat straffe Arroe Penekij zou moeten ondergaan, om, wanneer daar in niet konde overeengen„ komen werden, alle middelen in t werk te stellen het gene strec„ kan kan tot welwezen van het Talloengpottjosschap ) zyjnde de vereeniging der drie ryken als Bonij, soppeng en Wadjo:/ Hier op nu verzogten zijl: mijnen raad, weshalven ik ziende dat het 27 Van Macassar den 30 meij 1763. het tot het uijtterste begon te komen en alles door de talmag„ tige gedoentens van den konink verbood was, op den 6: februarij daar aan in antwoord daar op schreep, dat was myn raad gevolgd die ik in alle mijne brieven gegeven had, namentlijk om Aroe Pene„ zij zoo spoedig doenelijk na d'andere wereld te zenden, dat Bonnij in handen had gehad, den oorlog lange zoude een eijnde genomen hebben, daar nu de zaken door dit toeval kragtig van gedaante verandert waren, want dat den konink en zijne rijx grooten wel overtuijgd waren, Bonij en zijne bondgenooten niet bestaan konden tegen deze natie, en de Comp: in de presente tyjd geen gelegendheid had haar niet manschap te adsisteeren, dat dierhalven de zagste middel zoude dienen bij der handgenomen te werden, zonder dat ik egter mij in staat bevond dierwegens eenige andere raad te kunnen geven voor dat er g'informeerd was, wat antwoord de Wadjoreesen op de laatste boodschap hadden gegeven, en wat de gevoelens waren van zijn majesteijt &. a Eenige dagen hier na ofte op den 11. februarij wierd mij gebragt het duplicaat van de bovengenoemden brief, waar onder den ko„ mut hadde gestelt an postscriptum, behelsende dat hij verzogt te mogen hebben gecommitteerdens omme daar mede te raad plegen wanneer de Talloeng Pottjo /:zijnde de drie ryten:/ de vernieuwing der Lamoeng Pattoea zogten door te zetten, ten eynde dan gelegentheid te hebben om op het ilijven van het Van Macassar den 30. meij 1763. het Bongaijze contract te blyven staan. Hier uijt dan wel markende hoe het laken geschooren, en de konink in grote verlegenheid was, en dat hij zekerlyk binnen korten zig va de zinlykheid der Wadjoreesen zoude schikken, zonder iets naders van hier af te wagten, antwoorde ik hem den 16. daar aan dat hoe zeer de Comp:s ook bereids was het rijk en in het byzonder den konink van Bonij genoegen te geven, ik egter in 't gem: verzoek niet konde condescendeeren, om dat ik het fatsoen van de Comp. niet wilde exponeeren aan eenig kleijnagting; dog ingevalle de koning mij konde verzekeren dat de baan klaar gemaakt en sopeng en Wadjo zo wel als Bonij de mediatie den Comp.s aannam, dat ik als dan zoo spoedig doenlijk gecom mitteerdens zoude zenden, en dezen Existel verzond ik met den eersten zendeling Daeing Mandjareeri om van een spoedi„ ge bestelling verzekerd te zijn, gevende dezelve ook mede een korte instructie om den konink op zijne te doene vragen te kunnen antwoorden, en myne gedagten bekend te ma„ ken, gaande dat het schriftmrtje zo wel als het relaas bij zijn te rug komst gedaan, almede in Copia onder de bij„ lagen over Dat ik het nu in deze niet mis hadde wierd ik gewaar uyt het nadere schrijvens van den konnk op den 24. van die zelve maand alhier bestel, waar bij zijn hoogheid mij kennisse

NL-HaNA_1.04.02_3094_0313 view scan ↗

English

From Macassar the 30th of May 1763. gave notice that the Wadjorese had requested him several times to break camp, under the promise that they would punish Aroe Senerij according to the laws of the country, and that the three realms would assemble at Timoeroeng for that purpose in order to deliberate thereon, and at the same time to renew the old friendship; that the Boniers, Soppingers, and further allies had therefore decided to agree to this, and that the army would within a few days break camp for Tjurana, Boni; those of Boni and Sopping departing with the Wadjorese for Timoeroeng, and fixing a day there to sit in judgment over Aroe Penekij, when the king of Boni would also appear there. Observing from this that what I had so many times predicted to the king had come to pass; Aroe Penekij, when he was in the utmost distress, having taken his refuge in Wadjo, and the latter, out of consideration that he had formerly been their Arroe Mattola and his wife /who never wished to leave him/ is of very high birth from Wadjo, having taken his side; wherefore Boni, who with all his allies is not a match for them, had to accommodate himself in the best manner; I then answered His Majesty that this hasty decision had surprised me to the highest degree, because I had imagined His Highness would have followed From Macassar the 30th of May 1763. followed the advice that I had given him in my last letters, as I was still of the opinion that everything would then have turned out for the best to some extent, but that I now feared Boni would reap few fruits from this war, as it would now depend on Wadjo what punishment they wished to impose on Arroe Penekij, and that however it turned out, Boni and his allies would have to be satisfied with it, unless a new war were commenced, which was above all not advisable, adding hereto that if Aroe Penekij remained alive, no good could be expected from him, further expressing my surprise that the king made not the least mention of renewing the contracts with incorporation of the Bongaja Treaty, recommending that this be effected, as this was the principal means to make peace on this island lasting. For the rest, I reminded His Majesty of the promises made to settle in money or slaves after the war everything with which the Company had assisted him and the realm, communicating that the debt amounted to Rds. four thousand nine hundred ten and a half, and that I would not be so troublesome as to speak of it if I had not done so Macassar the 30th of May 1763. From done out of consideration that the allies were now still together. Hereupon the Boni grandees of the realm justified themselves in detail in a letter delivered to me on the 28th of March, mainly containing that for fear of a new war with the Wadjorese they indeed had to resolve to cease the war, making good promises regarding the settlement of the debt incurred herein, flattering themselves that once the matter of Arroe Penekij was settled, the Wadjorese might perhaps be persuaded to treat with the Company, as the king confirmed in a further letter received here on the 31st thereafter; and as His Majesty requested in a note to the Shahbandar Voll that a trusted person might be sent to him through his mediation in order to treat with him, I sent thither Daeng Mandjareeki, mentioned repeatedly herein, for the second time, with a small instruction containing principally that he urge the king to insist that in the renewal of the Lamoengpattoea the same take place with incorporation of the Bongaja contract, demonstrating that neither Boni nor Sopping, according to the 9th and 21st articles thereof, were authorized to enter into it without that; the fasting period having intervened /(at the end of which, according to custom, that court was congratulated From Macassar the 30th of May 1763. congratulated and presented with a gift to the value of ƒ 114. 4. —.)/ everything remained thus until the 2nd of this month, when a prince of Sopping together with an envoy from that realm were introduced to me by the Boni Tommilalang, who had in their mandate this message: that after breaking camp from before Penekij, those of the first-named realm had sent to the Wadjorese requesting that, as peace was now virtually made again, the great standard and other royal regalia of which Wadjo had taken possession during the troubles of the years 1739 and 1740 might be restored to them; and the latter having granted this, the king of Boni had departed therewith for Soppeng, where, having been confirmed anew as Datu of that realm, he departed from there to Timoeroeng with the Wadjorese to settle the affair of Aroe Penekij. If this latter is only settled to some degree to the satisfaction of Boni, there is high hope that peace will once again take hold among those realms, and further I do not believe it can be brought, for I have no thought now that the Wadjorese will engage in an alliance with incorporation of the Bongaja contract, since they will try to maintain themselves as an independent people for as long as possible; nevertheless, I shall continue to urge Boni to

Dutch transcription

29 Van Macassar den 30. meij 1763. kennisse gaf dat de Wadjoreesen hem differente keeren hebbende laten verzoeken om op te breeken, onder belofte van Aroe senerij de zullen straffen na slands wetten, en dat de drie rijken op Timoeroeng ten dien eyjnde zoude bij eexander komen, om daar over de raadplegen, en teffens d' onde vriendschap te verneu„ wen de Bomiers soppingers en verdere bondgenoten dierhalven beslooten hadden zig daar mede te confirmeeren, en het leger binnen weijnig dagen zoude opbreeken na Tjurana, bonij, zul„ lende die van Bonij en sopping met de Wadjoreesen vertrekken nra Timoeroeng, en aldaar een dag beramen om over Aroe Penekij te zitten, wanneer den konink van Bonij aldaar ook zoude verschijnen Hier uijt dan bemerkende dat het geene ik zo menigmalen den zonnek voorspeld hadde gebeurt was; hebbende Aroe Penezij doen hij in de uijtterste nood was, zijn toevlugt tot Wadjo geno„ men, en de laatste uijt consideratie dat hij wel eertijds haren Arroe Mattola geweest was en desselfs vrouwe / die hem nooijt heeft willen verlaten :/ van een zeer hoge geboorte uyt Wadjo is, zijne par„ thij getrokken hadde dierhalven dan ook Boim, die met alle zijne bondgenoten daar tegen met is opgewaschen, zig op de beste wyze heeft moeten schicken; Jk het dan zijn majesteijt daar op g'antwoord, dat mij dat verhaaste besluijt ten hoogsten hadde verwonderd, om dat ik mij verbeeld hadde zijn hoogheid zoude opgevolgt Van Macassar den 30 meij 1763. opgevolgt hebben den raad die ik hem bij mijn laatste brieven hadde gegeven, dewijl ik als nog van gevoelen was, dat dan alles nog eeniger maten zoude zijn ten beste gekomen, dog dat ik nu vreesden dat Bonij van dezen oorlog wijnig vrugten zoude plucken, dewijl het nu van Wadjo zoude afhangen wat straffe zij Arroe Penekij wilde opleggen, en dat hoedanig zulx ook uijt viel Bonij en zyne bondgenoten daar mede zoude moeten te vreden zijn, ten zij een nieuwen oorlog begonnen wierd, het gene voor al niet raadzaam was, voegende hier nog bij dat als Aroe Oenezij in d. leeven bleef geen goeds van hem konde verwagt werden, betuijgende wijders mijne verwondering dat den konink geen het minste gewag maakte wegens het ver„ nieuwen der contracten met inlijving van het Bongaaijse, met recommandatie om zulx te bewerken, als zijnde dit het voornaamste om zulx te bewerken als middel om de ruijt op dit eyland bestendig te maren. Voor't opige herinner„ de ik zyne majesteijt de gedane beloften om na den oorlog alles waar mede de Comp:s hem en het rijk hadde g'adsisteert in geld ofte slaven te zullen voldoen, met communicatie dat de schuld groot was rix d:o vier duijzend Negenhon„ derd thien en Een half, en dat ik zo laastig niet zoude zijn om daar van te spreeken indien ik het zelve niet hadde gedaan 31 Macassar den 30. mey 1763. Van gedaan, uijt consideratie dat de bondgenooten nu gezamentlijk nog bij malkander waren. Heer op hebben de bonijse rijxgrooten zig omstandig verantwoord by een brief, die mij den 28. maart is besteld geworden, ten prin„ cipale beheesende, dat ze uyt vreese voor een nieuwen oorlog met de Wadjoreesen wel hebben moeten resolveeren den oorlogte staten, doende omtrent het voldoen der in dezen gemaakte schuld goede beloften, flatteerende zig dat als de zaak van Arroe na mel zoude te bewegen zyn em met de Comp: Senekij afgedaan was, de Wadjoreesen ^ te handelen, zo als dan den konnk bij een nadere brief op den 31. daar aan alhier ontfangen zulx bevestigt; en dewijl zijn majesteijt verzogt bij een briefje aan den sjabandhaar Voll, dat hem, door desselfs be„ werking mogte werden toegezonden een vertrouwd perzoon, om daar mede te kunnen handelen, heb ik derwaarts gezonden, den in dezen te meermalen genoemden Daceng Mandjareeki ten tweeden maale, met een kleene instructie ten voornaam te behelsende, om den konink aan te zetten daar op te blijven staan, dat by de vernieuwing van de Lamoeng pattoea het zelve geschied met inleyving van het bongaaijse contract, met aantooning dat bonij nog sopping volgens het 9 en 21 aati cul van het zelve niet bevoegd waren zonder dat daar toe te treeden de pocaa tusschen beijde gekomen zijnde /(met het uijt eijnde van de welke na de gewoonte dat hoff gefelici„ „teerd Van Macassar den 30 meij 1763. „teerd, en beschonken is met een present ter waarde van ƒ 114. 4. —. / is alles zodanig gebleven tot den 2: dezer, wanneer een prins van sopping benevens een zendeling van dat rijk door de bomische Tommilalang bij mij wierden g'introduceerd dewelke in mandatis hadden deze boodschap, dat na het opbreeken van voor Penekij die van eerstgenoemde rijx hadden gezonden aan de Wadjoreesen, met verzoek dewijl de vreede nu wederom zoo goed als gemaakt was, aan haar mogte werden geresti„ tueerd de groote standaard en verdere rijx ornamenten waar van zig Wadjo, in de troubelen van de jaren 1739 en 1740 hadden meester gemaakt, en dat laatstgem: zulx hebben„ de g'accordeerd, den konink van bonij daar mede was vertrocken na Coppeng, daar hij op nieuw als Datoea van dat rijk beve„ stigt zijnde, van daar vertrocken was om tot Timoeroeng met de Wadgoreegen de zaak van Aroe penekij af te doen. Indien nu dit laatste maar eenigzints tot contentement van Bonij geschied, zo is er hooge dat de ruste onder die rycken weder stand zal grijpen, en verder gelove ik niet dat het zal te brengen weezen, want ik nu geen gedagte maake dat de Wa: djereesen zig zullen engageeren in een verbond met inlijsing van het bongayse contract; dewijl zij zig zoo lange als een inde pendent doek zullen tragten te maintineeren als het moge. lijk zij: egter zal ik bij Bonij daar op blyven aanhouden om

NL-HaNA_1.04.02_3094_0317 view scan ↗

English

33 From Macassar the 30. May 1763. in order to keep alive as much as possible the contract made with the Wadjoorese in the year 1679, of which they no longer wish to hear spoken. This is now as briefly as possible that which in essence has occurred regarding Boni, referring myself for the rest most humbly both to the exchanged letters and reports annexed hereto; merely adding here in conclusion that since my last nothing more has been supplied to Boni on credit than 25 fire-balls of 6 inches 25 wooden mirrors 12 pairs of long shot, amounting together to f 30. 6. — they having paid in cash each time for all the gunpowder and lead that has since been delivered to them, and not having spoken further of the two thousand rixdollars which they previously requested, and for the delivery of which Your Right Excellencies were pleased to qualify me, so that the entire debt of this war amounts to f 11785. 4. or rd.s 4910. 24, for the collection of which I will do my utmost best, whether in money or in slaves. Before and prior to my stepping away from this realm, I find myself also obliged to bring humbly to the knowledge of Your Right Excellencies that the king, according to his custom now noticing in hindsight that he has been mistaken, would very gladly lay From Macassar the 30. May 1763 the blame on another, and specifically mainly the son of Aroe Mampoe, not so much because of him in person, as to cast his father into ill suspicion, and thereby clear the path for his beloved son Aroe Tha, to obtain him as his successor to the throne, to which end, according to the report of the lieutenant Malay which also goes over herewith, his project is aimed at making him marry the granddaughter of Aroe Palacka, so that if children were begotten from this marriage the crown would thereby be secured to him, as according to the laws and the right of succession the aforementioned Aroe Palacka is the nearest and greatest claimant by virtue of her birth; but although this union might indeed take effect, I do not believe that the Boniers, after the death of the king, will ever proceed to this election, although during his life they are obliged to give in to everything out of fear of the Company, whose protection alone and nothing else maintains the king in esteem, for the mentioned Aroe Tha, as I have already had the honor to inform Your Right Excellencies in my previous letters, is universally hated, and on the contrary Aroe Mampoe is beloved by everyone, and since the king has not expressed himself to me on that subject, I shall also keep myself 35 From Macassar the 30. May 1763 ignorant thereof, but at His Majesty's arrival at this Castle, press him as strongly as the opportunity presents itself, to uphold his promises concerning Aroe Mampoe. Lastly I shall not fail, in conformity with Your Right Excellencies' respected order, to urge the king annually to command his subordinates on Bonerate and Kalao to accept no foreign nations whereof I have heard nothing this year, and furthermore make no further mention of Aroe Tiraodjong. Concerning the court of Goa little of importance has occurred, except that certain Macassars, having murdered a Company subject from Aheng, complaint was made thereof to the regent at Goa, and after some evasions I obtained satisfaction according to the laws of the land, that incident being described at large in the daily register on the 8th, 9th, 13th and 17th of December of last year, and the 5th of this month, to which I then under favorable interpretation refer, as well as to that which stands noted on the 7th and 9th of February last past regarding a vessel that had retired into the river of Topitjawa, and according to the reports was said to have been a pirate who had boarded a Chinese sloop from Batavia sailing to the Banjer, murdered the crew, scuttled the sloop, and transferred the cargo, consisting of three crates of opium, piece goods and muskets, into their gonting. Whereupon I immediately sent out the Captain Malay with some vessels to surprise and capture that vessel, but he arrived too late as those pirates had sailed from there the day before, and according to the Macassars, had sailed for Buton. It also happened that after obtaining permission an embassy came to me to complain about the substitute of the fiscal, who according to their statement was said to have come on horseback, accompanied by his caffres, into Goa and inside the stockade of Aroe Palacka without any prior notice, in order to search there for some runaway slaves, and that such an affront had never yet been done to them, wherefore they requested to have proper satisfaction; I gave them as an answer thereto that the Macassars themselves gave cause for such matters, for no restitution was ever made of runaway slaves even though the house were pointed out where they were staying, as they always knew how to find means to spirit those fugitives away and then to deny it, but that I would nevertheless give orders that such nuisance would no longer be done to them, provided that I requested them in future also not to fail to give proper satisfaction when they were demanded from them

Dutch transcription

33 Van Macassar den 30. meij 1763. om zo veel mogelijk levendig te houden het gemaakte contract met de Wadgoreesen in den jaare 1679 daar zy niet meer van willen hooren spreeken Dit is nu zo kort doenlik als het geene omtrent Bonij ten principaale is voorgevallen, refererende mij voor het overige op het onderdanigste zoo aan de gewisselde brieven als rapporten hier ne„ vens gevoegd; zullende tot het slot hier maar bij voegen, dat zedert myne laatste niets meer aan bonij op credit is ver strekt als 25- brandkogels van 6 d:m 25. houte spiegels „ 12. p.:r lang scherp, bedragende te zamen ƒ 30. 6. — hebbende zijl: alle het buskruijt en lood, dat aan haar zedert is afgegeven telkens in contanten voldaan, en niet meer geregt van de twee duijzent ryxd.:s die zij mel eer verzogt hebben, en ryx tot welkers afgave uwE hoog Edelheedens mij hebben gelieven te qualificeeren, zo dat de gantsche schuld van dezen oorlog be„ draagt ƒ11785. 4. of rd. s 4910. 24 tot welkers inpalming 9 ik mijn uijtterste best zal doen het zij in geld ofte in slaven. voor en al eer ik nu van dit ryk afstappen vinde ik mij nog genoodzaakt uw hoog Edelheedens onderdanig ter kennisse te brengen, dat den konink, volgens zijne gewoonte nu merken„ de van agteren dat hij zig mis begreepen heeft, wel gaarne de Van Macassar den 30. meij 1763 de schuld wilde leggen op een ander en wel voornamentlyk de zoon van Aroe Mampoe, niet zoo zeer om dezelve in perzoon, als om desselfs vader in een quaad vermoede te brengen, en daar door den weg te baanen voor zijn geliefden zoon Arroe Tha, om hem tot zijn op volger op den thaoon te krijgen, ten welken eynde volgens het berigt van den luijte nant maleyjer het gene almede hier bezijden overgaat, zijn project legt om hem te doen trouwen met de kleijn dogter van Arroe Palacka, om als uijt dit huwelijk kinderen verwekt wierden de kroon daar door aan hem te verze„ keren, als zynde volgens de wetten en het regt van suc„ cessie gem: Arroe Palacka de naaste en grootste pretera„ dent uijt hoofde van haar geboorte dog schoon deze verbintenis al eens mogte gevolg neemen geloove ik net, dat de Bo„ niers na het overlijden van den konink ooijt tot deze verkie„ zing zullen treeden, schoon zij geduurende desselfs leeven genood zaakt zijn, in alles toe te geven uyt vreese voor de Comp„e wens protexie alleen en niet anders den konink in aanzien houd, want dergerepte Arroe Tha, zoo als ik reeds d' eere gehad heb uw hoog Edelheedens bij mijn voorige schrijvens te bedeelen, ig in een generalen haar, en daar en tegen Arroe Mamipoe bij eek bemind is, en dewyl den konink zig op dat sirjet tegens mij met heeft uijtgelaten, zal ik mij daar ook van 35 Van Macassar den 30. meij 1763 van ignorant houden, maar zijn majeseyt bij desselfs kompt aan dit Casteel, zoo sterk mogelijk als de gelegentheid daar toe aanbied, persen om zijn beloften omtrent Arroe Mampoe gestand te doen. Laatstelijk zal ik niet manqueeren conform uw hoog Edel„ heedens gerespecteerde ordre den konink sjaarlijx aan te zetten, om zyne onderhoorige op Boneratte en Calaudd te ordon„ neeren geene vreemde natien waar van ik dit jaar niets vernomen hebbe:/ te accepteeren, en wijders van Arroe Tiraodjong geen verder gewag maaken Omtrent het hof van Goach is weinig van belang voorgevallen, als dat zekere mac„ cassoren een 's Comp:s onderdaan van Aheng vermoord hebbende daar over bij den ryxbestierder tot goack gedoleert is, en na eenige uijtvlugten satisfactie hebbe gekreeken, volgens 'slands wet. ten, zynde dat voorval largo beschreven bij het dag register op den 8. 9. 13 en 17. december des voorleden jaars, en den 5. dezer maand, waar aan mij dan onder gunstige welduijding zoo wel refereeren, als het geene genoteerd staat op den 7: en nwegens een vaartuig dat in de revier van Topitjawa 9:' februarij J. o leeden zig geretireerd, en volgens de berigten zoude „(een rover die een Chineesen Chialoup van Batavia, na zijn geweest de barjer zeijlende afgelopen, het volk vermoord, de Chialoug in de grond geboord, de lading /bestaande in drie kassen amphioen, lywaten en snaphanen, in hare gonting over Van Macassar den 30 meij 1763. overgetransporteert hadde. waar op ik aanstonds den Cap:n maleijer met eenige vaartuijgen heb uijtgezonden om dat vaartuijg te overrompelen en op te brengen, dog is den zel„ ve te laat gekomen alzo die rovers daags bevorens van daar, en na het zeggen der macassaren naar bouton ge„ zeijld waren Nog is het gebeurd dat bij mij na verkregen alles gekomen is een bezending om te doleeren over den substitut van den fiscaal, dewelke volgens haar zeggen zonder eenige preadver„ tentie zoude te paarde verzeld van zyn caffers, binnen goach en in de pagger van Aroe Palacka gekomen zijn, om daar op te zoeken eenige weggelopen slaaven, en dat haar nog nooijt soda. ge nig een affront was aangedaan, dierhalven zijl: verzagten te mogen hebben een behoorlijke satisfacie; Jk gaf haar daar op ten antwoord, dat de Macassaren zelve aanleijding tot diergelyke zaken gaven, want, dat nooijt geen restitutie ge„ daan wierd van weggelopen slaven schoon ook het huijs aan„ getoond wierd, alwaar zij zig ophielden, alzo z' altoos middelen wisten te vinden die fugativen weg te moffelen en dan het te ontkennen, dat ik egter ordre zoude stellen dat zodanige overlast haar niet meer wierd aangedaan maar dat ik haar verzogt in 't vervolg ook in geen ge„ breken te blyjven, behoorlijke satisfactie te geven als ze van haar

NL-HaNA_1.04.02_3094_0321 view scan ↗

English

From Macassar the 30 May 1763 was requested of her, and therewith they departed, while I most strictly forbade the mentioned individual to commit such insolence any more. Meanwhile I am in the expectation that the letter from Your High Right Honourables to the Regent will have a very good effect, for after I had given her communication of its receipt, they collected the same with great state, and having arrived inside Goach, the king went out from his house to meet it, calling out upon its receipt; but it was quite another matter when that letter was opened and read, because all those present fell into a great dismay, especially the King of Tellea, who immediately stood up and quietly departed to his house in Thain, none of the others being able to speak a word, except solely the shahbandar, who among them is still most inclined to fairness, remarked: this I have long foretold and expected, we want to accomplish something and we lack the power; and therewith the meeting broke up. Since then they have been in great agitation, unable to come to a decision as to what they ought to do, having fallen under the impression that Your High Right Honourables not only demanded that piece of land, but had also given me orders to establish a stronghold there; and it From Macassar the 30 May 1763. has even gone so far that the Regent has summoned the mountain peoples to come down, having the intention to evacuate Goach and to settle themselves down in the forests, not having been to the Castle up to now to give communication of the aforementioned missive according to custom, being meanwhile under the illusion that no extraordinary, sharp measures will be necessary to bring that court into proper order; also Your High Right Honourables may rest assured that I shall act with all circumspection and prudence, both toward her and the other allies, without bringing the Company into difficulties beyond the absolute utmost necessity. To conclude this, it is further added here that at the end of the puasa this court was also presented with a gift to the value of f 101. 15. —, and regarding Tello nothing of importance has occurred, except that the King of that realm came to complain some time ago about some Chinese who were staying on the island of Balang, whom he had ordered to depart from there, but that they would not listen to it, and he had therefore driven those people away from there, as those people were brought to me shortly thereafter by the Captain of the Chinese, complaining that the King drove them away from there From Macassar the 30 May 1763 because he could not get enough money from them. And since the aforementioned island belongs to the Company and, by connivance, has been permitted to that realm for many years already to have the use thereof until further notice, and they have often attempted to maintain the right of ownership, although the contrary has always been demonstrated to them, I sent the ordinary envoy Daeng Mandjareekij the following day to the mentioned King and had him asked for what reason he drives the Company's subjects away from the Company's land, and who had authorized him to do so; and in the evening received the return message that the mentioned Chinese were evildoers, whom he thought were staying there without the knowledge of the Governor, adding at the same time that he well knew and was convinced that the Company had conquered the Macassars, but that Admiral Speelman (of blessed memory) had assigned certain places to the old King of Tello, and that they maintained the right thereto. And here I let the matter rest for reasons to be seen in the daily register, where this incident on the 22 and 23 December of the past year is noted at length, wherefore with permission I submissively refer thereto, having let the above-mentioned Chinese return thither without them being subjected to further harassment there. Wherefore I pass on to Loewoe From Macassar the 30: May 1763. Loewoe, of which there is nothing to report, except that the Queen of that country is preparing herself, according to rumours, to depart to her old realm of Tanette, without my being able to learn yet whether this will happen with the intention to abandon the first-mentioned realm, or indeed to return thither again. Furthermore, on the 6 November, the sergeant and two privates returned from Bouton, who had been there according to annual custom to search for spice trees and, finding the same, to eradicate them; who has delivered to me concerning his proceedings his kept daily register, enclosed in copy among the annexes, to which I submissively refer: appearing therefrom that on this journey he has been to various places where others have not yet been brought, which is why it was also the sooner resolved to write off twenty rixdollars that he spent on the court interpreters there, subject however to the esteemed approval of Your High Right Honourables. With the aforementioned sergeant there also arrived here at the same time the envoys of the King and notables of that realm, delivering to me a letter from their prince, who politely excuses himself therein for not yet being in a position to proceed to the renewal of the contracts for reasons

Dutch transcription

37 Van Macassar den 30 meij 1763 haar verzogt wierd, en daar mede zyn zij vertrocken, terwijl ik den gemeldager op het scheepste verbood zodanig insolentien niet meer te begaan. Ondertusschen ben ik in die verwagting dat de brief van uw hoog Edelheedens aan den ryxbestierder zal doen een zeer goed effect want na dat ik haar Communicatie gegeven hadde van dies ontfang, hebben zij dezelve met zeer veel statie afgehaald en binnen goach gekomen zijnde is den koninck van zijn huijs die te gemoed gegaan, dezelve op den ontfang ruppende, maar het was wat anders te zeggen; wanneer dien brief geopent en gelezen wierd, vermits alle de present zijnde, geraakten in hem grote verslagentheid inzonderheid den konink van Tellea die aanstonds op stond en stilletjes na zijn huijs op Thain vertrok kunnende geene der andere een woord spreeken als dat eenelijk den sjabandhaar, die onder haar nog wel het meeste voor de billijkheid is zig uijt liet dit heb ik lang voorspeeld en verwagt, wij willen wat uijtvoeren en de magt ontbrakt ons, en daar mede scheijde de vergadering. zeddert zijn zy in eene groote beweging geweest niet kun„ nende tot een besluijt komen wat haar te doen stond zijnde en dat begrijp gevallen, dat uw hoog Edelhedens dat stuk land niet alleen op Eeijschten maar myj ook ordre gegeven hadden aldaar een vastigheid aan te leggen, en het is Van Macassar den 30 mey 1763. is zelfs zoo verre gegaan dat den ryxbestierder de berg volkeren ontboden heeft om af te komen zijnde van inten die om goach te ruijmen en haar in de bosschen ter neder te slaan, zijnde tot nog toe niet aan het Casteel geweest om na gewoonte te geven communicatie van voorsz mis„ sive, zynde middelerwijl in die verbielding dat geen extra ordinaire scherpe middelen om dat hof in een ge„ 6 schikken plooij te krygen, zullen nodig zijn; ook kunnen uw hoog Edelheedens zig verzekert houden, dat ik zo wel omtrent haar, als d' andere bondgenoten met alle om en voorzegtigheid zal handelen, zonder de Comp: buij„ sen d' aller uitterste nood in moeylykheeden te baen„ gen, tot slot dezes hier nog bij volgende, dat met het eynde der pocassa dit hof mede een geschenk is ge daan ter waarde van ƒ 101. 15. — en wegens Tello is niets van belang voorgevallen, als dat den konnk van dat rijk voor eenige tijd quam te dole„ ren over eenige Chineesen die zig op het eijland Balang op hielden, die hij g'ordonneerd hadde van daar te vertrek„ ken, dog dat zij daar na niet wilde luijsteren en hij dierhalven die luijden van daar hadde gejaagd zo als mij kort daar aan door den Cap n der Chineejen die menschen ge„ bragt wierd, klagende dat de konnink haar daar van daan Jaagden 39 Van Macassar den 30 Meij 1763 Jaagden om dat hij geen geld genoeg van haar zoude krijgen En dewijl het voorsz Eyjland de Comp: behoord en oogluijken„ de al zederd lange jaaren aan dat rijk gepermitteerd is. het gebruijk tot nader op zeggens daar van te mogen hebben, en zij menigmalen hebben getragt het regt van eijgendom staande te houden, schoon haar het contrarie altoos is gedemon„ staled, zond er sanderen daags den ordinaire zendeling da„ „eeng Mandjareekij bij de gem. konink en liet hem vragen om wat reden hij sComp:s onderdanen hier verjagen van sComp:s land: en wie hem daar toe gequalificeerd had: en kreeg savonds tot keer berigt, dat de gem. Chinesen quaad doenders waren, die hij dagt dat zij zig aldaar op hilden buijten kennisse van den gou„ verneur, voegende daar teffens bij dat hij wel wijt en overtuijgt was de Comp=s de macaparen hadde overwonnen, maar dat den admiraal speelman /g. g:/ den ouden konink van Tello zeeker plaatsen had toegelegd, en dat ze daar van het regt onderhielden, en hier bij heb ik het laaten berusten om redenen bij het dag register te zien, daar dit voorval op den 22. en 23. december des voorleden jaars wijdloopig staat genoteerd, waarom„ me met permissie mij daar aan onderdanig refereere, hebbende den bovengem. Chineesen weder derwaards laten vertrecken zonder dat zij daar verder overlast zijn aangedaan. Waerom dan overga top s Loewoe Van Macassar den 30: Meij 1763. Loewoe daar niets van te melden valt, als dat de konin„ ginne van dat land zig gereed maakt volgens de gerugten om na haar oude ryk van Tanette te vertrekken zonder dat ik nog kan vernemen of zulx zal geschieden met voorne„ mens om eerstgem: rijk te quiteeren, dan wel om weeder derwaards te keeren. Wyders zijn op den 6 november van Bouton geretour„ neerd den sergeant en twee gemeene die volgens sjaarlijx ge„ bruijk derwaards zijn geweest, om na specerije boomen te zoeken, en dezelve vindende uijt te roeijen, dewelke van zijn verrigting mij overgegeven heeft zijn gehouden dagregister in Copia onder de bijlagen overgaande; waar aan mij onder danig refereeren: blijkende daar bij dat hij deze rheijze op der scheyde plaatsen geweest is daar andere nog niet gebragt zijn geworden, waarom dat ook te eer geresolveert is tot a de afscheijlting afschrijving van twintig rijxd. die hij aan de rix e tolken aldaar heeft gespandeerd egter op de g'eerde approbatie uwer hoog Edelheedens met den voorsz sergeant zijn ook teffens alhier aangeko„ men de gezanten van den konink en rijxgrooten van dat rijk, overhandigende mij een brief van haren vorst, dewelke zig beleefdelyk daar bij excuseerd, nog niet in staat te zin te treeden tot het vernieuwen der contracten voor rede„ „nen

NL-HaNA_1.04.02_3094_0325 view scan ↗

English

From Macassar, 30 May 1763. giving to understand as before that the cause thereof was the dispersal of the people, and although the said envoys told me that the king had wanted to enter the castle a month before their departure, but that the death of his son had prevented this, but that the preparations thereto having been made, this was to happen shortly, I nevertheless now have reason to doubt whether this will indeed follow so soon, chiefly because, during the writing of this, it is reported to me by an Anachoda who has traded thither that the realm-governing grandees have sent a mission to that prince to invite him to come into the castle or that they would otherwise have to resolve upon the election of another, namely his brother's son, the former regent, but that this prince has no inclination thereto and is making himself ready for resistance in case he might be attacked, having all the mountain peoples on his side. However, upon their departure, I most seriously recommended the envoys that on their return they should most forcefully urge the king to make an end to matters, and exhorted the prince thereto by my letter, at the same time recommending him de novo to admit no foreign nations but to drive them away, just as his majesty promises to intend to do in his letter. And From Macassar, 30 May 1763 And since the king also came to say that the Boutoners ought not to pay any toll, I answered him that it was also not demanded of his envoys (whom he meant by this), but indeed from the merchants according to fairness, just as it was actually practiced as such, for the rest referring myself with permission to both letters as well as that which is noted on this subject in the separate daily register on 8 November of last year, and 1 March and 14 May of this year; merely adding hereto in conclusion that the same sergeant together with two soldiers have departed again to that place and no English rovers, so far as is known, have called there this year. Concerning the princes across the water and allies, I have the honor to inform your High Right Excellencies that the king of Bima departed with his vessels and men on 23 November of last year for Manggarai, and the war there is proceeding rather favorably, having already recaptured the greatest part of Reo, just as he comes to inform me in his letter which his envoys handed to me here on the 5th of the recently passed month of April, and at the same time to request twenty barrels of gunpowder and as many balls of three-pound shot as are needed for that purpose. In order, then, not to leave that prince in distress and to provide the means to continue this war with success, I dispatched the mentioned envoys on the 9th thereafter and also gave them ten picols of gunpowder and fifty pieces of iron shot of two-pound caliber because no others could be spared, amounting altogether to 334 rds. 4 stx., to be paid for in sappanwood, or else in slaves, and in my reply congratulated him on the success of his arms and recommended making an end thereof as soon as feasible, by driving the Macassars from the entire coast, with the recommendation to leave those of Larantuka undisturbed. And since that prince complained to the late provisional resident Helmkampff that those of Pota assisted the people of Reo and asked for advice on that matter, I instructed the commissioner Blijdenberg together with the resident Tinne that they should try to persuade him to treat them also as enemies, and thus drive all the Macassars away from there, without it appearing, however, that the Company had a hand in it, hoping that it will be of good effect. And since the king of Sumbawa has promised to come hither, so From Macassar, 30 May 1763. so I await with longing that this happens and do not doubt it either, provided that the resident Tinne upon his return presents no obstacle in that regard, for it has long seemed to me that some animosity exists between him and the Nene Renga, or Regent, just as this was also to some degree mentioned by the late Helmkampff in his letter of 12 January last, on which account I then, before his departure, recommended to the said Tinne by word of mouth and to him and Blijdenberg in writing, in the strictest terms, to use their utmost efforts to induce that prince thereto by all amicable means, by demonstrating to him that the peaceful possession of the throne principally depends on the Company's approval, since the former queen pretends not to have abdicated the realm, in order by that means to get her grandson Radja Taliwang elected as king, in which she is supported by a part of the grandees of the realm, as the often-mentioned Helmkampff says in the above-mentioned letter to have heard from her own mouth. And since for the rest that country is in good peace, and the Balinese who made an incursion there some time ago to capture the notorious pirate Poeanna Battang, but not having been able to achieve their objective, have again

Dutch transcription

41 Van Macassar den 30. meij 1763. „nen gevende als bevorens, dat d' oorzaake daar van was de ver„ strooijing van het volk, en alhoewel de gemelde gezanten mij ge„ zegt hebbe, dat den konnk een maand voor haar vertrek had wil„ „len binnen het Casteel trecken, dog dat de dood van zijn zoon zulx verhinderd had, maar dat de preparatien daar toe gemaakt zynde zulx binnen korte stond te geschieden, zoo hebbe ie egter nu reeden te twyffelen of zulx wel zoo spoedig zal gevolg neemen, voornamentlyk dewijl mij onder het schryven dezes ge„ rapporteert word van een Anachoda die derwaards ten handel geweest is, dat de ryxbestierd grooten aan die vorst Eene bezen„ ding hebben gedaan om hem te noodigen in het Casteel te komen of dat ze anders zoude moeten resolvuren tot de verkiezing van een ander, namentlyk zyn broeders zoon, den gewezen ryx besteerder, dog dat dien vorst daar toe geen inclinatie heeft G en zig vaardig maart tot tegenweer ingevalle hij mogte g'attacqueerd worden, hebbende alle de barg volkeren op zyn hand. Egter heb ik de gezanten bij haar vertrek op het serieuste gerecommandeerd om by haar retour den konink op het kragtig„ ste aan te zetten om een eynde van zaken te maaken en den vorst bij mijn schrijvens daar toe aangemaand, hem teffens de novo recommanderende omme gene vreemde natien te admitteeren maar dezelve te verzagen zoo als zijn maje„ steet bi zijn schrijvens komt te belooven te willen doen. En Van Macassar den 30. mey 1763 En dewijl den konink ook quam te zeggen dat de boutonders geen toe behoorden te betalen, heb ik hem daar op g'antwoord dat het zyne gezanten (die hij daar mede bedoelde.:/ ook niet is gevergd, maar wel de negotianten na de billykheid, gelyk het oor wezentlyk zodanig is gepractiseerd, refereerende mij voor het overige met permissie aan de beyde brieven zo wel als het geene op dit subject genoteerd staat bij het apart dag register op den 8. 9ber: des voorleden, en 1. ' maart en 14 meij dezes Jaars. hier nog maer tot slot bijvoegen„ de dat den zelve sergeant benevens twee militairen we„ der na dat had zijn vertrocken en gemn Engelsche swer„ vens zo verre bekend is aldaar dit jaar zyn aangeweest. Wegens de overwalze vorsten en bondgenoten heb ik de eere u Hoog Edelheedens te bedeelen dat den ko„ „ning van Bima met zijn vaartuijgen en manschappen den 23. O novemb: des voorleden Jaars is vertrocken na de manga„ rije, en den oorlog aldaar tamelyk voorspoedig gaat, hebbende het grootste gedeelte van Reo reeds weder veroverd, zoo als hij mij bij zin brief die zijn gezanten alhier den 5: der jongst verweeken maand april mij overhandigt, komt te bedeelen en teffens te verzoeken om twintig vaatjes biss: kruijt en zo veel kogels van drie ponden bals, als daar toe 43 Van Macasar den 30 meij 1763 toe noodig zijn, om dien vorst dan niet verleegen te laten en het middel aan de hand te geeven om dezen oorlog met sul. ces voort te zetten, heb ik de gerepte gezanten op den 9: daar aan gedepecheert en aan dezelve mede gegeven thien picols buskruijt en vijftig p. s yzere kogels van twa pond bals om dat er geen andere konde gemist werden, bedragende te zamen rd:s 334. 4. stx:s omme het zelve in sappanhout, dan wel in slaaven te voldoen, en bij mijn antwoord hem gefeli„ citierd met de voorspoed zynen wapenen en gerecommandeerd zoo spoedig doenlyk een eijnde daar van te maken, met de macassaren van de gantsche cujt te verdrijven, met recom„ mandatie om die van Larrantoeka ongestoort te laaten, en Dewijl dien vorst aan den overleden p. r resident Helm„ kampff zig beklaagd heeft, dat die van Pota het volk van Zeo adsisteerden en dierwegens raad vraagde, heb ik den Com„ missiant Blijdenberg benevens den resident Tinne aange„ schreeven dat ze hem zoude zien over te haalen, om die mede als vyanden te handelen, en dus alle de macassaren daar van daan te dryven zonder dat het egter mogt schijnen der Comp:e daar inne de hand had, verhoopende dat het zelve zal zin van een goed effect, En dewijl den Konink van Sumbauwa beloofd heeft herwaards te komen, zoo Van Macassar den 30:' meij 1763. zoo verwagte ik met verlange dat zulx geschied en twijffele daar ook niet aan, indien den resident Tinne bij zijn retour daar omtrent tot geen obstacul strekt, want het mij al lange heeft toegescheenen tusschen den zelve en den Nene Renga ofte Ryxbesteerder eenige ammositeyt plaats heeft zoo als zulx dan ook eeniger maten door den overleeden Helmramg ff bij zijn schrijvens van den 12: Januarij J:o leeden werd vermeld weshalven ik dan den gem: Tinne voor zijn vertrek by monde en aan ham en Blijdenberg bij geschrifte ten scherijfte hebbe gerecommandeert haar uijtterste devoir aan te wenden, om door alle minnelyke wegen dien vorst daar toe aan te zelten, met aan den zelve te demonstaeren dat de geruste be„ zetting van den troors ter voornaamste afhangst van s Comp:s approba„ tie, dewijl de gewezene koninginne voorgeeft geen afstand van het ryk te hebben gedaan, om door dat middel haar klyn zoon Radja Taliwang tot konink verkooren te krygen, waarinne zij door een gedeelte der ryx grooten werd ondersteund, invoegen meerm: Helmkampff by bovengem: schrijvens segt uijt haar eigen mond te hebben verstaan. En dewijl het voor het overige op dat land in goede ruyt is. en de baliers die al daar eenige tijd geleden een iwwal hebben gedaan om den berugten zeerover Poeanna Battang op te ligten, dog haar oogmeek niet hebbende kunnen bereyken we„ der

NL-HaNA_1.04.02_3094_0329 view scan ↗

English

45 From Macassar, the 30th of May 1763. had departed, with payment of the damage that had been inflicted by their people upon those of Sumbawa; passing over therefore to The Southern and Northern Provinces, I shall merely note that there everything is in order, and subject to the favorable approval of Your High Nobles, in the first, at the Negorij Tiro, in place of the deceased regent Daeng Rappoero, Daeng Mamillang has again succeeded, and at the negorij Marrang, falling under Maros, in place of the deceased Daeng Malimpo, Daeng Maseenga, who served for some time as soelewattang, has been appointed as their Caraleng or head. Concerning the other subjects, nothing of importance has occurred, except that at Poelembankeeng some dispute has arisen over paddy fields, which the regent of that place is said to have sought to deprive his subjects of, as the Glarrang Montjong Comba has accused him in that regard, though it is denied by the former; the scheme seeming to be, by means of the aforesaid accusation, to cast a stain upon that regent and thereby get rid of him and put the aforesaid Montjong Comba in his place; I have not yet had the opportunity to investigate that matter thoroughly, which is however to happen shortly, whereupon I shall dutifully render a report of its findings. Here From Macassar, the 30th of May 1763. Herewith now I would take the liberty of concluding this letter, but as Your High Nobles have pleased to require considerations in what manner the Company's trade and revenues might here be enlarged with some hope of success, and likewise the expenditures and charges, without any fundamental fear of harmful consequences with respect to the fortifications, vessels, servants and whatever else, might be diminished, I shall, to fulfill this requirement in this matter as far as possible, set down the following with permission. That trade has fallen into decline for some years, I shall first have the honor of giving Your High Nobles the reasons thereof, originating from the following causes: First, the Mandharese have for many years obtained the privilege of sailing without passes, out of consideration that their land was poor and the Castle too far distant, through which indulgence they also trouble themselves little about this government, judging by virtue of the aforesaid that they no longer have anything to do with this government, although they most recently, in the year 1756, on the occasion of some disputes, solemnly promised the contrary in a renewed contract, yet have never observed it. Through this, over time, they have become more skilled than was quite necessary, for whereas in former times they were only 47 From Macassar, the 30th of May 1763. accustomed to occupy themselves with sailing to Java with coconuts and other trifles, they have learned to find the way to Bencoolen, Malacca, Sumbawa and even to Manila and more other unpermitted places, besides also their intrigues with the Macassars and those who reside in the Bay of Tomini, trading at present in slaves, gold, wax, bird's nests etc., although the three last-mentioned articles are not products of their land, against which they bring back all sorts of coarse cloths, opium, firearms and munitions of war, all of which items are also to be had more cheaply from them than the Company can dispose of them. Secondly, the Wadjorese come most into consideration, who, bordering on Mandhar, for many years, but especially since the war with that nation in the years 1739 and 1740, which turned out so badly for the Company, have considered themselves since that time to be a free republic, refusing to know anything of the contract which they made with the Company in the year 1679, or at least saying that such was entirely broken by the aforesaid hostilities; on that footing they likewise trade far and wide, such as to Malacca, Pasir and Kutai (which was brought under contribution by Aroe Senrang, now the notorious Aroe Palakka, in the year 1738), Sumbawa, Bencoolen, Manila etc., and as that nation is rich From Macassar, the 30th of May 1763. and mighty, and moreover the situation of their country is very convenient for that trade, it can easily be gathered from this what a supply of linens, opium etc. is thereby brought into the heart of the country and dispersed everywhere; in addition, it is said, with very great appearance of truth, that the aforesaid two nations understand each other very well with the English, and that the latter sometimes come with their sloops to trade at Mandhar. 3rd. Thirdly now comes Sumbawa, that famous smuggling nest, which is a hive that not only permits all sorts of nations ingress and egress, but also allows them to settle there, whereby one finds all kinds of people, but primarily Macassars and Wadjorese; it is also said that they maintain good correspondence with the English at Bencoolen. Fourthly, much linen and opium is also brought here by private vessels, and these likewise cause very great harm, for hankering after the profit of their returns, which mostly consist of slaves, sea cucumber, agar-agar, tortoiseshell, wax etc. (for which cash money is required), they frequently dispose of their goods at a noticeable loss, just as three years ago the opium, which by the Society had to fetch 624 rixdollars at Batavia, was sold by them for 590 rixdollars, and 4

Dutch transcription

45 Van Macassar den 30 meij 1763. „der vertrocken waren, met betaling van de schaade die door haar volk aan die van sumbawa was toegebragt, dierhalven dan over stappende tot De zuijder en Noorder Provincien zal ik maar noteeren dat aldaar alles in ruijt en op de gunstige approbatie van uw Hoog Edel„ heedens in d' eerste op de Negorij Tiro in stede van den overleden regent Daeng Rappoero weder vervoren is daang Mamillang en op de negorij marrang sorteerende onder Maros in steede van den overleden daeeng Malimpo tot haar Caraleng ofte hoofd aange„ steld den eenigen tijd als soelewattang dienst gedaan hebbende Da„ eeng Maseenga. Omtrent de verdere onderdanen is niets van belang voorgevallen als dat op. Poelembankeeng eenige questij is gereesen over padie Vel„ den, die de regent van die plaats zyne onderdanen zoude hebben getragt te ontneumen, zoo als den glarrang Montjong Com„ ba hem dierwegens beschuldigt heeft, dog door den eersten ontrend word; schynende den toelegt zijn om dien regent door de voors:z: be„ schuldiging een lak op het lijf te gooijen en daar door van hem ontslagen te raaken en voorsz Montjong Comba in zyn plaats te krygen, hebbende ik nog gemn gelegentheid gehad, die affaire grondig te onderzoeken dat egter binnen korten staat te geschie„ den Wanneer ir schuldpligtig van dies bevinding zal verslag doen. Hier Van Macassar den 30. meij 1763. Hier mede nu zoude ik de vrijheid neemen deze te besluijten maar dewyl uw hoog Edelheedens hebben gelieven te requireeren consideratien op wat wijze alhier sComp:s handel en inkomten met eenige hoope van succes vergroot, mitsg.:s d' onslag en ongelden zonder eenige fondamenteele bedugting voor schadelijke gevolgen t met opzigte tot de vysting werken, vaartuijgen dienaren en Wesmeer gediminueerd zoude kunnen werden, zoo zal ik om zo veel wij mogelijk is aan dit requisit in deze te voldoen het 6 volgende met permissie ter needer stellen. Dat den handel zedert eenige jaaren in 't verval geraakt is, daar van zal ik voor af d' eere hebben uw hoog Edelheedens de reeden op te geeven, zynde oorspronkelijk uijt de volgende oorzake Voor eerst hebben de mandhareesen zeldert veele jaren de previli„ gie verkregen om zonder passe te vaaren, uijt consideratie dat haar land arm en het Casteel te verre afgelegen was, door ƒ welke toegevendheid zijl: zig ook weijnig aan deze regeering stoo„ 1 ren, oordeelende uijt hoofde voorsz miet meer met dit gouverne„ ment te doen te hebben, alhoewel ze nog jongst in den jare 1756. bij gelegentheid van eenige disputen bij een vernieuwd con„ tract plegtelyjk het tegendeel beloofd, dog nog nooijt g'obser„ veerd hebben Hier door zyjn zy dan door den tijd kundiger geworden d als wel nodig was, want daar ze in vroeger tijden maar eenlijk 47 Van Macassar den 30. meij 1763 eenlyk zig pleegen te begalen om met klappus en andere klenigheeden na Java te varen, hebben zij geleerd den weg te vinden na Bancoelo Malacca, sumbauwa en zelfs na de Manilhas en meer andere ongepermitteerde plaatsen, behalven nog hare konkelarijen met de macassaren en de gene die in de bogt van Tommi huijshouden, han„ delende thans in slaven goud, nap, vogelnesjes &:a schoon de laats gem: drie articulen geen projecten zyn van haar land, waar en - teegen zij te rug brengen, alle zoorten van groffe doeken, Am„ phioen, geweeren en ammonitie van oorlog, alle welke zaken dan ook bij haar beter koop te krygen zijn, als de Comp:e het van de hand kan zetten Ten tweeden komen de wedgoreesen wel het meeste in considera„ tie, dewelke grensende aan de mandhar sederd veele jaaren / dog wil voornamentlijk zedert den oorlog met die natie in den jare 1739 en 1740. die zoo slegt voor de Comp. is uijtgevallen, oordeelen zig zedert die tijd te zijn een vrije Republicq niet willende waten van het Contract het geene zij in den jare 1679. met de Comp: ge„ maakt hebben, of ten minsten zeggen dat zulx door de voor„ schreve vijandelijkheeden ten eenemaal verbrooken is, op dien voet handelen zij mede wijd en zijd, als op Malacca, Passir en Coetij /:dat door Aroe Senrang, thans den berugten Aaroe Pene„ „ky, onder contributie gebragt is in den jare 1738:/ Sumbawsa Banroele, Manilhas &.:a en dewijl die natie rijk en Van Macassar den 30. meij 1763 en magtig, mitsg:s de situatie van haar land tot dien handel zeer gelegen is, zoo kan daar uijt dan mackelijk nagegaan worden, wat een toevoer van lijwaten, Amphioen &:a daar door in 't hard van het land gebragt en alomme verspreijd word daar en boven zegd men, met heel veel schijn van waarheid dat de voorsz twee natien zig zeer wel met d' Engelsche verstaan, en de laatste wel eens met haare Chialoupen op de mandhar ko„ men handelen. 3=o Ten derde komt nu Sumbawa dat vermaande sluijknest dat een korf is, die alle soorten van natien niet alleen per„ mitteeren den in -en uijtvaart, maar ook dat ze zig daar ter needer zetten, waar door men alle zoorten van volkye vind, maar voornamentlijk macassaren en Wadjoneesen, ook zegd men dat ze met d' Engelsche tot Bankahoeloe goede conrespondentie houden Ten vierden werd alhier ook met particuliere vaartuijgen al veel lijwaten en amphiren aangebragt, en deze doen me„ „de zeer veel nadeel want vlassende op de wrnst van haar retou„ ren, die meest bestaan in slaven, tripangs, agar agar, Carret, Wax &:a /waar toe contant geld nodig is :/ zoo zijtten ze haar goedje menigmalen van de hand met merkelyke verlies, gelijk dan ook voor drie jaaren d' amphioen die bij de societeijt rd:r 624 op Batavia moest gelden door haar voor rd. s 590. — en 4

NL-HaNA_1.04.02_3094_0333 view scan ↗

English

49 From Macassar, 30 May 1763: and even less has been sold, which has consequently brought about the decline in that trade. Lastly, there is also some smuggling at Samboeng Jawa, but it is not so considerable that it could cause great detriment; I also live in the hope that the recent threat from Your High Nobilities will make the Macassars act with somewhat more caution. The foregoing constituting the principal reasons for the decay in trade, it is, in my humble opinion, under correction, clearly evident that in order to effect a change for the better, a continuous cruising is, in the first place, highly necessary, but of far greater fruit would be a sharp correction meted out to those of Sumbawa and Wadjo, for the latter of which the recent war of the Bonians against Seneky presented as favorable an opportunity as I believe will arise again in many years. And I would not have failed to submit such to Your High Nobilities in all deference, had I not been restrained therefrom by the consideration that the present circumstances of the times and affairs rendered such impracticable. Nevertheless, this remains certain: if the Company wishes once again to become master of the trade, these three nations, namely Wadjo, Mandhar, and Sumbawa, will have to be addressed in such a manner that they are entirely deprived of the power to do any harm; and this is all that is lacking 50 From Macassar, 30 May 1763. lacking solely to restore this Celebes to its former flourishing state. For as regards the Macassars, they could at the same time be brought to their duty with little effort, and might well return thither of their own accord once they began to notice that it was in earnest. For to prevent everything by means of cruisers is not possible, on account of the vastness of these lands, and the multitude of creeks and inlets at their disposal. It is true, one occasionally flies into the candle, but they count that as nothing; at least, it deters them little. To cause the lease of the import duties to rise, there is likewise no chance, because navigation to all places, except Batavia, Java, and the Eastern Governments, having been successively prohibited for several years, there is no greater trade among the burghers and inhabitants here, apart from trepang and agar-agar, than in slaves, which latter is subject to many perils and yields little profit. Whereby most inhabitants here are consequently in a very poor condition compared to former times. However, some change for the better might occur in the lease of strong spirits, if Your High Nobilities would be pleased to reintroduce the one stuiver per can on import and export, which was formerly paid by private individuals, and since the abolition of which the aforementioned lease has fallen as low as it currently is. It might also contribute in some measure to the increase of profits if it should graciously please Your High Nobilities 51 From Macassar, 30 May 1763. graciously please that the rice collected from the tithes in the southern and northern provinces, after that which is necessary for the consumption of the government in a round year has been deducted therefrom, might be fetched by one or two ships, according to the quantity, for shipment to Banda or Amboina; and that such ship should then depart from the main station at the beginning or middle of November, carrying along the annual requisition of merchandise, partly because such is the most suitable time to sail to this roadstead, since the winds do not yet blow so northerly then as a month later, and secondly, one would then have the linens here in good time so as to turn over the greater part thereof immediately. Whereas, on the contrary, if such a ship has the misfortune of falling off to Bonthain, as has happened now for several years, we remain deprived thereof at least until the end of March or the beginning of April, when the market is at a standstill. This now being all that I can bring to the table concerning trade and profits, I shall now proceed with deference to say something regarding the expenses of this Government, in respect of which I must declare in all conscience that, 52 From Macassar, 30 May 1763. however exactingly I have examined everything, I find myself incapable of devising anything that could be put into operation with advantage and without prejudice. For everything has already been so sharply pruned and regulated by my predecessor, Mr. Blok, in his remarks on the memoir of retrenchment, that there remains nothing more for me to refine. But this I can and may in good conscience assure Your High Nobilities: that everything possible is done here to manage with the utmost frugality. And I also flatter myself that, had proper care been taken in general of the buildings in earlier times, when things were undertaken with a broad axe, the expenses would not now exceed the memoir of retrenchment, but would rather be less. But the aforementioned memoir of retrenchment having been introduced about 8 years ago, it was no longer the time to provide for that; therefore, one had to row with the oars one had. And I will most willingly confess that I would gladly have followed that course, but it seems that I must experience the old Indies proverb, "the last month brings the burden," for now one thing collapses after another.

Dutch transcription

49 Van Macassar den 30 meij 1763: en nog minder verkogt is, het geen dan ook te weeg bragt de klad in dien handel Laatstelijk word ook nog wel gesmockeld op samboeng Jawa, maar het zelve is zoo considerabel met dat het groot nadeel zoude kunnen doen, ook leeve ik in die hope dat de Jongste bedryging van uw hoog Edelheedens de macassaren wel wat souxelder zal werken Dit voorstaande nu de principaalste redenen uijt makende van het veaval in den handel zoo is na mijn gering gevoelen / onder Correctie wel te zien dat omme daar in eene verandering te maken ten goede, een continueele bekruysing voor eerst hoog nodig is, maar van vrij meer vrugt zoude zijn een scherpe correctie aan die van sumbau„ wa en Wadjo, tot meer laatste nu jongst met den oorlog der Boniers tegens Seneky eene zo favorable gelegent„ heid geweest is, als ik gelove dat in lange jaren zig weder zal opdoen, en ik zoude ook niet gemanqueerd hebben, uw hoog Edelheedens in alle submissie zulx in beden„ ken te geven zo ik daar inne niet was wederhouden geworden, uyt Consideratie dat de presente omstandigheden van tijden en zaken zulx ondoenlijk maakte, niet te min blijft dit zeeker dat wil de Comp. eens weder meester wor„ den van den handel, deeze drie natien namentlijk Wadjo Mandhar en sumbauwa zodanig zullen moeten d werden aangetagt, dat haar ten eenemaal benomen word de magt om eenig quaad te doen, en dit man. „queerd 5 G — Van Macassar den 30. mey 1763. giceerd maar alleen om dit Celebes in zynen ouden floris. centen staat te herstellen. Want wat betreft de macassaren dezelve zoude teffens met weinig moeite tot haar pligt ox gebragt kunnen worden, en mogelyk wel van zelve daar toe keeren, als zij begonnen te merken dat het ernst was, want om alles door de kruijssers te beletten is niet mogelijk om de uijtgestrektheid dezer landen, en de menigte zoeken en krenken die ze tot haar wil hebben, 't is waar daar vliegd 7 en wel somtijds een in de kaars maar dat rekenen zij voor niets, ten minst het schrikt haar weinig af Om de pagt der inkomende regten te doen ryzen daar toe is mede geen kans want de vaart na alle plaatsen uijt„ genomen Batavia Java en d'oostersche gouvernementen sedert eenige jaren sucessive g'interdiceert zijnde is hier onder de burgers en ingezetene geen groter handel, als behalven de tripangs en agar agaa in slaven, welk laatste ƒ 7 aan veel gevaren subject en van weinig voordeel is, waar door dan ook de meeste ingesetenen alhier zijn in een zeer soberen toestand, in vergelijking van vorige tijden, dog zoude in de pagt der sterke dranken eenige verandering ten goede kunnen komen, wanneer uw hoog Edelheedens weder gelief„ de te introduceeren d' eene stuijver p. r kan die van de — in en uijtvoer wel eertijds door de particulieren betaalt is geworden, en zedert het afschaffen van het welke de voors: pagt zo laag gedaald is als hij tans is. 6 Het zoude ook eenigsints konnen contribueeren tot ver- - mindering der winsten indien het uw hoog Edelhedens gra„ - 51 Van Macassar den 30. meij 1763 gratieuselijx behaagde, de rijst die van de verthiening in de zuijder en noorder provintien geheft word, na dat het gene tot conjencuip„ 0 tie van der gouvernement in een rond jaar nodig zij, daar afge„ trocken was, mogte werden afgehaald met een dan wel twee scheepen na maten der quantiteyt ter verzending na Banda ofte Amboina, en dat als dan het zelve schip van de hoofdplaatse vertrok in het begin ofte midden van november mede baen„ gende den jaarlijx en eijsch van koopmanschappen, eensdeels om dat zulx de bequaamste tijd is om deze rheede te bezeijlen vermits de winden dan nog zoo noordelijk niet waijen, als een maand laaten en sen Tweeden zoude men dan ten regter tijd de leywaten hier hebben om aanstonds het grootste gedeelte daer van te ƒ kunnen omsetten daar ter Contrarie als zodanigen; Schip, 'T ongeluk heeft van tot Bonthain te vervallen zoo als nu eenige Jaaren gebeurt is wy daer van verstooken blyven ten minsten tot het laast van maert of het begin van April wanneer de marckt stil staet Dit nu alles zijnde het geene ik weegens den handel en winsten weet op het Tapyt te brengen zal ik nu met eerbied overgaen om ook iets te zeggen weegens de lasten deeses Gouvernement waer omtrent in gemoede moet betuijgen dat hoe Van Macasser den 30 maij 1763 hoe Exact ik ook alles heb nagegaen mij in Capabel vinde iets uyt te denken dat met vreugd en buijten Preyjuditie in Train gebragt zoude kunnen werden: Want alles reeds door myn predecesseur de heer Blok bij zijne remarcque op de memorie van Monagie zoo scherp besnoeijt en bepaalt is dat er voor mij niet meer valt te rafinceren, maer dit kan en mag ik uw Hoog Edelheedens in consien„ tie wel verzeekeren dat alhier alles aengewend word wat moogelijk zijn om het op zyn snijmgete te overletgen, en ik flateore wij ook dat, was in vroegere tiden doen er met de breede bijt inge„ halt wierd behoorlijk zorge gedragen, voor de gebouwen in het generaal de laesten zouden thans de memorie van menage niet te booven gegaen, 37 maer wel minder zijn, maer de voorsz memorie van menage nu omtrent 8 Jaaren geleeden G'introduceerd zynde, was het geen Tijd meer om daer inne te voorsien, dierhalven dan niet de riemen gevoeijt moest worden die men had, en ik wil zeer gewillig bekennen, dat ik dat Spoor gaerne zoude gevolgd hebben, maer het Scheijnt dat ik het oude indische Spreekwoord moet ondervinden, de laetste maand een pak, ƒ want nu begint het eene voor en het andere na onder

NL-HaNA_1.04.02_3094_0337 view scan ↗

English

From Macasser, 30 May 1763 To be crushed, without being able to accomplish anything with half-measures, and those are indeed the essential reasons why the expenses of the last two years have been considerably higher than the regulation stipulates, as can easily be demonstrated if all the extraordinary contingencies were gathered together and deducted from the total, whereupon it would appear that the remainder would amount to far less than the sum that has been proposed. Regarding the fortifications, no change can be made either, consisting here of the Castle with its associated ravelin and the redoubt Monderska, which latter lies between Bontnalak and this fortress, and is supremely necessary to check and hold back the advance of the natives at first in the event of a rupture; for as far as the outer passes are concerned, these are nothing more than palisaded paggers that are maintained at the expense of the natives, except when occasionally some ironwork is needed for them, which is indeed provided at the expense of the Company, but this is of so little importance that it is hardly worth mentioning. From Macasser, 30 May 1763 The vessels that are on hand here consist of the following, namely: Two chaloups, Two pantjalangs, Three scows, and One boat. All of which are not only supremely necessary, but are not even fully sufficient for the duties for which they must be employed. For if the cruising operations are to be conducted properly, the aforementioned chaloups must be at sea for the greater part of the year, wherefore a chaloup or a sturdy pantjalang would still be most necessary to remain under this Castle in order to be used upon occurring occasions, so as not to be constantly compelled to borrow private vessels from other inhabitants, as had to be done this year not without great inconvenience. The remaining vessels, serving primarily for the unloading of the ships and the collection of the tithe rice from the north and south, are sufficient if there is added the recently requested scow promised by Your Right Excellencies, in place of the one that was discarded last year. From Macasser, 30 May 1763 The militia can just as little endure a reduction as the naval service, the former currently lacking 72 men, and even some sailors above the regulation would be needed in case Your Right Excellencies would please send hither another chaloup or pantjalang, as mentioned above. Among the qualified officials some reduction could be made, since the shopkeeper requires no separate person, as his principal work is the distribution of the wages, which could then conveniently be attached to the Cashier, as it always used to be before. Maros, as well as Salaijer, could be managed by a sergeant or a bookkeeper, as was the case in former times, even up to Bontham and Boelecomba, although the latter residency in present times might well have an under-merchant, both because of the importance of that post and the far distance from this Castle; in which manner Bima primarily ought to remain as it is, it being desirable that the same could be inspected once every two or three years by the Governor, but the long time that would be required for this makes it somewhat impracticable because a Governor's absence is too detrimental if something should happen among the princes of this country, to which one is daily exposed among these people. As regards the clerks, both bookkeepers and assistants, of whom, although not exceeding the regulation, some could be dismissed if the remainder were completely capable of the duties for which they arrived by ship; but it is so far from that, that with the present number the work can only just barely be performed, and truly I must testify that among that group of people there is almost no one whom I could appoint with peace of mind upon a vacancy in one or another post, especially such an office that has any relation to the natives, for to be able to deal with them requires a disinterested, moderate, and patient temperament that is free from the penchant for intoxicating drinks, regarding which latter more than too many go astray to the shame of the European nation, From Macasser, 30 May 1763 and bring about many misfortunes. Thus, having now complied to the best of my ability as concisely as possible, as I hope, with Your Right Excellencies' respected order, I must express my regret that I have not been able to do so with the outcome that I suppose will have been expected; but on the other hand, I live in the hope and expectation that Your Right Excellencies will please be assured that I have set down the state of affairs conscientiously, simply, and truthfully, without making propositions and suggestions to Your Right Excellencies that sometimes look fine on paper, but in the outcome not seldom carry harmful consequences in their wake, as I have seen more than too much during an almost thirty-year stay in these Indian regions. For the rest, I take the liberty to conclude herewith and to remain with profound respect, Underneath was written: Title as before. Signed: C:s Sinkelaar. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, 30 May 1763. Batavia

Dutch transcription

53 . 5 Van Macasser den 30 meij 1763 Onder de voet te vallen, zonder dat Met lapsalven moer is uyt te regten, en dat zijn wel de wesentlyke oorzaken Waarom de lasten de twee laaste Jaaren merkelijk meer der lasten zyn geweest als de bepaling, meede brengt, zoo als zulx facit zoude kunnen werden gedemonstreert ingevalle alle p de Extra ordinaire toevallen, eens by Elkander en afgetrokken „ Wierden van het gehoel, wanneer het zoude blyken dat „ het Resteerende Vrij minder zoude bedraegen, als de Somme die daer voorgestel is Omtrent de fortificatien kan meede geen verandering gemaekt nder Werden, bestaende deselve alhier in het Cast=l met 't daer ao aen gehoorende Ravalin en de redout monderska, welke laetste Tusschen bontnalak en dit fortres legt, en Ten hoogsten noodzakelijk is om in een rupture den aenloop van inlander Voor Eerst te sluyten. en tegen te houden, want wat betreft de buiten Passen deselve zijn niet meer als gepallisadeerde Poggers die op kosten van den inlander werden onderhouden, uijtgenoomen als somtijds eenig ijzer „ 7. — Werk daer toe benodigt zijn, het geene wel verstrekt Werd tot kosten van de Comp:, maar zulx is van zoo Weijnig importance dat het geen naam mag hebben De Van Macasser den 30 mey 1763 De vaartuygen die alhier aen handen zijn f ƒ bestaan in de volgende namentlyk Twee Chraloupen Twee Pantjalangs drie schouwen en Een boodt Alle dewelke niet alleen ten hoogsten nodig, maer Ci 7. . zelfs met genoegzaam toerijkende zijn voor de diensten Waar toe deselve moeten werden G'emploieerd Want zullen de bekruysingen na behooren geschieden, dienen de voorsz Chialoupen het grootste gedeelte van 7. e het Jaar in zee te zijn, Weshalven nog ten hoogsten en 7. zoude nodig zijn een Chialoup ofte kloeke Pantjeklang om te verblijven onder dit Cast=l om by # Voorkomende geleegendheijd gebruykt te kunnen werden, - ƒ7 Q. J ten Eynde met genoodzaak te zijn gestadig Particuliere vaartuijgen van andere ingezetene 2: te leenen, zoo als diet: Jaer niet veel ongemak # „. heeft moeten geschieden, d' overige vaartuijgen ten Prmerpaalste dienende tot het lossen der schoepen en afhalen der Thiende rijst om de noord en zuyd, zijn genoegzaem als daar nog by komt de Jongste verzogte en door uw hoog Edelheedens toegezegde Schouw, in steede van de geene die het voorleeden Jaars ƒ 55 den 38. meij 1763 Van Macasser Jaar afgelegd is. De melitie kan al soo wynig eene vermindering veelen als de zoevaart, ontbreekende thans aen d' eerst gemeld 72, en zoude zelfs nog Eenige mattroosen hooven de bepaling noodig zijn, ingevalle uw hoog Edelheedens gelievde nog herwaerds te zenden een Chaaloup offte pantjal„ ling, waar van hier boven gewag word gemaekt, Waer onder de gequalificeerdens zoude kunnen gemaakt werden eenige vermindering, vermits de Winkelier geen Enkel: Perzoon requireerd; als ƒ E. zijnde zijn voornaamste werk het uijtdeeling der gagie dat dan gevoeglijk aen de Cas zoude kunnen G'accrocheert worden, zoo als het bevooren altoos Geweest is Maros zoude, zoo wel als salaijer door een sergeant offte Boekhouder bestierd kunnen worden, zoo als 'Tin oude syden Ja zelfs tot Bontham en Boelecomba geweest is, al hoewel de laatste Residentie in de presente tyden wel een onderkoop„ man meig hebben, zoo om de importance van die : Post als de verre afgelegendheijd van dit Casteel, in welker voegen Bima voornamentlijk diend te blijven zoo als het is; te wenschen zynde dat het zelve om de Twee ofte drie Jaeren eens 99 G. Eons konde gevisiteerd werden van den Gouverneur, maer de lange Tijd die daer toe zoude vereyscht werden maekt zulks eenigsints ondoenlijk om dat het te prejudiorabel is een Gouverneurs absentie als er iets quam voor te vallen, onder de vorsten deeses lands waer voor men dagelijks bloot staet onder deese natre. Wat betraft de pennisten zoo boekhouders als adsistenten, daer van schoon met Excedeerende E de bepaling zoude eenige kunnen gewist werden, ingevalle dat dan de overblyvende Compleet in staet waaren voor het geene zij scheeps quamen, maar 't is daer zoo verre van daen dat met het Iegenwoordige getal het werk even maer kan werden verrigt, en waerlijk ik moet het betuygen dat er onder dat volkje bij na geen zyn, die ik met gerustheijd bij vacture van te het een ofte andere Emploij zoude kunnen plaetse, voornamentlijk een zodanig bediening die eenigt relatie heeft tot den inlander, want om met -: deselve te kunnen handelen werd vereyscht een ongeintresseerd gemodereerd en geduldig tempera„ - ment, dat vrij is van de liefhebberije der dronken makende dranken, omtrent welk laetste zig meer dan te veel tot schande der Europeese Van Macasser den 30 meij 1763 naetie 5„ g: Van Macasser den 30 meij 1763 Natie verloopen, en al veel ongevallen te weeg brengen, Dus nu hebbende na vermogen zoo concors mogelijk, Zoo ik hoope aen UW hoog Edelheedens gerespecteerde ordre voldaen, moet ik mijn leetweesen betuygen dat ik zulx niet hebbe kunnen doen met de uijtkomst als ik stolle, het zelve zal zijn verwagt, maer aen de andere kant leeve ik in hoope en verwagting dat UW hoog Edelheedens zullen gelieven zig verzeekert te houden, dat ik in gemoede den staat der zaek Eenvondig en na waarheijd hebbe ter neder gesteld„ zonder UW hoog Edelheedens propositien en voorslagen te doen die Somtyds wel mooij op het papier staan maer bij de uijtkomst met selden schadelijk gevolgen na sig sleepen, zoo als ik zedert een bij na dertig Jaarige verblyft in deese indische gewesten meer als te veel gesien hebbe. Ik neeme voor 'T overige de vryheijd dese hier meede te besluyten en met prosond Respeckt te verblyven /onderstond/ Tijtel als vooren /Getekend/ C=s Sinkelaer /in marginie / macasser in't Cast=l Rotterdam den 30 meij 1763 Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3094_0342 view scan ↗

English

From Bantam, the 22nd of June 1763 Batavia To the same as before In my humble letter of the 15th and 17th of the recently passed month, I had the honor dutifully to inform Your High Noble Excellencies that I was about to dispatch the pantjalling De Snuffelaar together with an armed royal vessel on a cruise against the pirates in Sunda Strait, as indeed took place that same evening. Now this serves for humble communication that they both arrived at this roadstead yesterday afternoon at half past eight, and although they took no prizes, the former nevertheless was on the trail of a Mandharese pirate, and the last-mentioned was engaged in action with two others, but could gain no advantage over them because the Bantammers did not dare to pursue them, as can be seen at large from the enclosed reports, to which he who shall, in the hope of Your High Noble Excellencies' respected approval, resume the cruise as soon as possible most obediently refers with due interpretation, to the end that those sea rovers may at last be deterred from their audacious undertakings. Meanwhile, 59 Bantam, dated 22 June 1763 1763 Meanwhile I remain with respect, Was signed, usual title, Signed H P: Faure In the margin, Bantam the 25th of June To the Honorable, Worshipful Sir Hugo Pieter Faure Commander on behalf of the United Dutch Chartered East India Company here Honorable, Worshipful Sir, Pursuant to the venerated orders of Your Honor, I, the undersigned master of the pantjalling De Snuffelaar, departed with the same on the 17th of the passed month to cruise along the Lampong coast in company with a royal pantjalling, on which were a sergeant, a corporal, and 50 common soldiers, which I did not see after the 19th of the same month. But on the 23rd of the same month in the afternoon at 4 o'clock I came to anchor, bearing the point of the Boomtjes Island North half North by West, and the Spruyt Northeast by East, with a Southeast wind. On the 22nd of the same month at 5 o'clock in the morning, I sent the boat with the quartermaster and 5 armed sailors to the Spruyt to see if pirates were staying there, which returned on board at 8 o'clock, but reported From Bantam, dated the 22nd of June 1763 reported having perceived nothing, whereupon I set sail again to touch at Lucepare. In the afternoon at 4 o'clock I fired a shot at the sloop De Legewaan, which was to windward of me and immediately came towards me, as did also a Palembang sloop at which I had likewise fired a shot. They had passed close by Lucipara, but had perceived no vessels or pirates. We came there together at grapnel. The sloop De Legewaan came from Jambi, to which I delivered 3 aam of water on the 23rd of the same month, and at half past 6 o'clock we anchored with the grapnel near the island with the high trees. On the 24th of the same month at half past 5 o'clock in the morning I set sail and tacked to windward of the island, sailed along the shore toward the Spruyt, which lies between the island with high trees and the river of Lampong Toulang Bauwang, where in the evening at 7 o'clock I cast the grapnel. On the 25th of the same month I sent the quartermaster with 5 sailors in the yawl into the Spruyt to sound the depths and to see if any vessels were lying there, who returned on board at noon and had perceived nothing, whereupon we set sail again for the river of Toulang Bauwang, where we arrived in the evening at 7 o'clock. The next day, being the 26th of the same month in the morning, 61 From Bantam, dated the 22nd of June 1763 the vessel sat aground, and at 12 o'clock noon it came free again, whereupon a prahu with four men came from upstream, to which I sent my yawl with 6 men to inquire where it came from, where it was going, and whether they had heard of any pirates, but they had perceived nothing. In the evening with the ebb I let myself drift again into the mouth of the said river, where I anchored with the grapnel in 2½ fathoms of water. On the 27th of the same month in the morning, the water being too low to be able to sail, I sent my boat to a party of fishermen who were there to inquire about one thing or another, but they could give no information. Towards evening I sent the boat again to two more fishermen, who reported to me that the Bantam pantjalling had been there in the river. At 6 o'clock in slack water I began to tack to get outside again, and stood to the west, where I cast the grapnel in 5 fathoms of water. On the 29th of the same month at 5 o'clock in the morning we weighed the same, and at 6 o'clock I caught sight of a vessel, whereupon I gave chase, and coming up to it, found it to be a Chinese sloop coming from Palembang. On the first of this month in the morning at From Bantam, dated the 22nd of June 1763 at 5 o'clock we weighed my grapnel, passed the North Island, and in the evening at 6 o'clock came to grapnel again past the Varkenshoek, in 16 fathoms. On the 4th of the same month at 5 o'clock in the morning I set sail again and met 3 pantjallings coming from Lampong Samanca, which were laden with pepper and on one of which was a corporal with 3 soldiers crossing over to Bantam, and came to grapnel off Poelo Goendi in 13 fathoms of water. I had already sent the boat out to two vessels lying there to see what kind of people they were, which returned on board at half past six o'clock, reporting them to be two Bantam prahus; the one was laden with pepper and was on its departure, and the other had taken in no cargo. On the 10th of the same month at 6 o'clock in the morning I set sail again, and reached above the islands of the Varkenshoek, where a Mandharese vessel came sailing up, upon which I immediately gave chase and overtook it forthwith, keeping it before the wind. It had 16 oars on its sides with which they were rowing. Passed Krackatouw at 6 o'clock. At half past seven o'clock we caught a breeze from the South-Southwest with which I ran close up behind it, and gave it 10 shots from astern while intending

Dutch transcription

Van Bantam den 22 Junij 1763 Batavia Aan als vooren Bij myn onderdanige van den 15 en 17 der Jongst verwekene maand, had ik de eer UW hoog Edelheedens Schuld pligtig konnis te geven, dat ik de pantjalling d de Surffelaar beneevens een 's konings g'armeerd Vaartuijg Ter bekruijsiging op de zee rovers in Straat Sunda stond af te zenden, zoo als den selven Avond dan ook gevolg nam, en thans dient ter nedrige Communicatie dat zij byde gisteren na de middag ten half agt te deeser rheede g'arriveerd zijn, en schoon geen prijsen gemaakt den eersten egter een mandhareesen rover op 'T spoor gehad en den laast-geno: met Twee andere slaags geweest is, dog geen advantagie op hem lieden heeft konnen behalen, uyt hoofden de Bantam„ mers deselve met dorsten volgen, breede te zien uijt G'incloseerde berigten waer aen zig onder Welduyding gehoorsaamst gedraagt, der geenen die de bekruysiging in hoope van UW hoog Edelheedens gerespecteerde goedkeuring ten Eersten weeder zal doen hervotten, ten Eynde die zee Schuymers, eens moogen afgeschrikt Werden, van hunne Htoutmoedige onderneeminge onderwyle 59 Bantam onder dato 22 Junnij 1763 1763 onderwijlo verblijve met ontsagt /(onderstond/ gewone tytel Getekend H P: faure/(in margine/ Bantam den 25' Junij Aan den E: Agtb:aren Heer Hugo Pieter Janve Commandeur weegens de ge„valll Nederlandsche G'octroijeerde oost Infische Comp alhier E: Achtbaeren Heer Volgens gevenereerde ordres van UE: Achtb, ben ik ondergetekende gesaghebber van de pantjallang De Snuffelaer op den 17 der gepasseerde maand met deselve vertrocken ter bekruysing langst de Lampongse wal in geselschap van een 's konings Pantjalling, waer op zig bevond een sergeant een Corporaal en s0 gemeene militairen, dewelke ik op den 10 d:o met meerder zag maer quam op den 23 d:o des nademiddag ten 4 uuren ten anker peylden de hoek van 'T boomtjes Eijland Noorden half noorden ten westen, en de Spruyt noordstibt, met een zuyd oost wind den 22 d=o des morgens om 5 uuren stuurde de schuijt met de quartiermeester en 5 mattroosen gewapend na de quar Daer Cost Spruyt, om te sien of zig Rovers onthelden „ dewelke om Buuren weeder aen boord kwammen maer Raporteerden Van Bantam onder dato den 22 Junij 1763 Raporteerden mits te hebben vernomen, waer op weeder onderzeijl ging om lucepare aen te doen, des agters middags om 4 uuren deede ik een schoot op de chialoup de Legewaen dewelke booven de wind van myn lag en voort na mij toe kwam gelijk meede een Palembangse, Chraloup waer op ook een schoot hadde gedaen, deselve waren kort onder Lucie pare Gepasseert, maer hadde; geen vaartuygen of Rovers vernomen kwamen aldaer te samen voor drog de Chialoup de Legewaan kwam van Jambi, aen dewelke op den 23 do 3 aam water overgaf, en gingen om half 7 uuren voor drogt bij het eijland met de hooge boomen, den 24 d=o ging des morgens om half 6 uuren onderzeijl, en laveerden booven 'T eyland, zylde langst de wal naer de Spruijt, die tusschen 'T eijland met hooge boomen en de Revier van lampong Toulang bauwang legt, alwaer des avonds om 7 uuren het voordregt 1. gooyde, den 25 d=o stuurde de quartiermeester met 5 mattroosen met de Jol binnen de Spruijt om de dieptens te peijlen en te sien of er geen vaartuygen leggen, dewelke des midd:s weeder aenboort kwamen en niets hadde vernomen, waer op weeder onder zeijl ginge naer de Reviere van Toulang banwang, alwaer des avonds ten 7 uuren arriveerden 'S anderen daags zijnde den 26 d=o des morgens g zat 61 Van Bantam onder dato den 22 Junij 1763 dat het vaartuijg vast, en des middags om 12 uuren raakte 'T selve weeder los, wanneer der een prauw met vier man van booven kwam daer ik mijn sol met 6 man waar toe stuurden om te verneemen waer deselve van daan kwam, waer na toe ging, en of hij van geen Roovers hadde gehoord, maar hadde niets vernoomen des avonds met de EE liet ik my weeder tot in d' mond van gemelde Rivier boekzeeven alwaer op 2½ V=m water voor dreg kwam, den 27. d=o des morgens het water te laag zijnde om te konnen zeijlen, Zond myn Schuijt naer Een Parthyj vissers ( die # verschoyde daar waeren (om naar 't een of andere te verneemen, maar wisten van ints narigt te geven, tegens den avond zond weeder de Schuijt naar nog twee Vissers, de welke mij bevigten dat de bantamse Pantjallang aldaer in rivier was geweest, om 6 uuren met stil water ging aen 'T laveeren, om weeder buijten te komen, en stak om de west alwaer op 't 5 v=m waeter voor dregt gooyde, den 29 d=o des morgens om 5 uuren ligten het zelve en om 6 uuren kreeg een vaartuijg in't gesigt, Waer op ik Jagt maakte en by deselve komende bevonden 't een Chialoup chineese te zijn die van palembang kwam, den eersten deeser des morgens te Van Bantam onder dato den 22 Junij 1763 Se 5 uuren ligten mijn dregt, passeerden 't noorder Eijland en kwam des avonds om 6 uuren voor by de Varkens hoek Weeder voor dreg, op 16 V=m, den 4 d=o des morgens ten 5 uuren ging weeder onderzeijl en ontmoeten 3 Pantjallangs die van lampong Samanca kwamen, dewelke met peeper waren geladen en op de eene sig bevond Een Corporaal met 3 Soldaten die na bantam overvoeren, en kwam voor dreg onder Poelo goendi op 13 v=m water hadde de schuyt bereets uytgesonden naer Twee vaartuygen die daer lagen, om te sien wat voor volk zij waren dewelke om half zeven uuren weeder aenboord kwamen, Rapporteerden 'T Twee bantamse prauwen te zijn, den eenen was geladen met peper en lag op zijn vertrek, en den anderen had geen lading ingenomen den 10 d=o des morgens te 6 uuren ging weeder onderzeijl, en kwam tot boven de Eylanden van de varkens hoek, alwaer een mandareles Vaartuyg kwam aen zeijlen, daer op ten Eersten Jagt maakte en haalde hem voort in, held hem voor de wind afgaende, hij had 16 riemen te boord daer zij meede roeijde, passeerden om 6 uuren krackatouw om half zeeven uuren kreegen een brij uyt J. ZZ Westen waer meede ik hem kort agter op liep, en 10 Schooten van agteren gaff terwyl van Voorneemens

NL-HaNA_1.04.02_3094_0347 view scan ↗

English

63 From Bantam under date 22 June 1763 intending to come alongside him and fire with shot, it became dead calm with rain and pitch-dark, whereby I lost him. Half an hour later the east-southeast wind arrived, whereupon I headed out towards Krakatoa again where I thought to find him, but could not make it because of the strong current, standing diagonally toward Pulau Gondi, because there was no anchoring ground, and it remained squally and dark weather until 3 o'clock at night. On the 11th of the same month in the morning at daybreak, looked out for the vessel, but did not see it, and set my course toward Pulau Besi, where in the evening at 6 o'clock close inshore I came to grapnel anchor in 20 fathoms. On the 13th of the same month in the morning at half past six went under sail again and crossed straight across the fairway over to the Bantam shore, where off and on across the fairway the Bantam pantjallang came sailing toward me, which came from Varkenshoek, and then dropped grapnel anchor under Anyer, where Sergeant Ormecaphskij came aboard to me, to deliberate what we should do further to catch them, whereupon we thought it best that he should lie close across the fairway, and I close behind Varkenshoek in order to be able to see each other if anything should occur, and there also came another soldier from the post of Anyer aboard to me, to ask where we came from and where we wanted to go. Requested From Bantam under date 22 June 1763 At 5 o'clock weighed my grapnel anchor, passed the North Island and in the evening at 6 o'clock past Varkenshoek came to grapnel anchor again, in 36 fathoms. On the 4th of the same month in the morning at 5 o'clock went under sail again and encountered 3 pantjallangs coming from Lampong Samanka, which were laden with pepper, and on one of them was a corporal with 3 soldiers who were crossing over to Bantam, and came to grapnel anchor under Pulau Gondi in 13 fathoms of water. Had already sent out the boat to two vessels that lay there, to see what kind of people they were, which came back aboard at half past six, and reported them to be two Bantam prahus; one was laden with pepper and ready for its departure, and the other had taken in no cargo. On the 10th of the same month in the morning at 6 o'clock went under sail again, and reached above the islands of Varkenshoek, where a Mandaviles vessel came sailing up, upon which I immediately gave chase and steadily overtook him, holding him running before the wind; he had 16 oars outboard with which they were rowing; passed Krakatoa at 6 o'clock; at half past seven received a squall from the south-southwest with which I ran close up behind him, and fired 10 shots from astern while intending 63 From Bantam under date 22 June 1763 intending to come alongside him and fire with shot, it became dead calm with rain and pitch-dark, whereby I lost him. Half an hour later the east-southeast wind arrived, whereupon I headed out towards Krakatoa again where I thought to find him, but could not make it because of the strong current, standing diagonally toward Pulau Gondi, because there was no anchoring ground, and it remained squally and dark weather until 3 o'clock at night. On the 11th of the same month in the morning at daybreak, looked out for the vessel, but did not see it, and set my course toward Pulau Besi, where in the evening at 6 o'clock close inshore I came to grapnel anchor in 20 fathoms. On the 13th of the same month in the morning at half past six went under sail again and crossed straight across the fairway over to the Bantam shore, where off and on across the fairway the Bantam pantjallang came sailing toward me, which came from Varkenshoek, and then dropped grapnel anchor under Anyer, where Sergeant Ormecaphskij came aboard to me, to deliberate what we should do further to catch them, whereupon we thought it best that he should lie close across the fairway, and I close behind Varkenshoek in order to be able to see each other if anything should occur, and there also came another soldier from the post of Anyer aboard to me, to ask where we came from and where we wanted to go. Requested From Bantam under date 22 June 1763 also requested a letter. On the 16th of the same month towards noon a prahu Chiampang passed me, at which I fired a blank shot, which he did not bother about and continued his course to the village; in the afternoon a pantjallang came sailing around Varkenshoek; as soon as he saw me he turned back and it was too calm to sail after him, and also had the current against me. In the evening weighed the grapnel anchor and ran close behind the point in case he should try to slip away at night if he was a smuggler, so that I would then be closer to him. On the 18th a Bantam prahu came out from between the islands, which had to go to Samanka, was laden with areca nuts, along with 2 others toward Varkenshoek, among which was the one that had turned back two days before, and told me that they were afraid of me. In the afternoon at 2 o'clock went under sail, as I did not notice anything there anyway; close-hauled, in the evening at half past six came to grapnel anchor near Toppershoedje in 20 fathoms of water. On the 19th of the same month a Company ship passed me which went to the west; at 11 o'clock I departed from there, tacked with slack water until under the high land, where in the evening at half past six let fall the grapnel anchor in 20 fathoms of water. On the 20th of the same month continued my journey to Bantam where I arrived in the evening at half past eight. Wherewith I hope to have fulfilled the honored intention of Your Honorable Worships, and call myself with deep respect, was signed

Dutch transcription

63 Van Bantam onder dato 22 Junij 1763 vornoemens was hem op zeij te koomen en met sehoot schieten, wierd het dood stil met regen en pik donker, waer door hem verloor, een half uur daar na kwam d'oost z: ooste Wind, Wanneer ik weeder op krakatouw afstak alwaer vermeende hem te vinden, maer konde het door de sterke stroom met soen, teeg: schuijns op pooloe Gondi aen, door dien geen anker grond had, en 't bleef buyjig en donker weer„ =tot snagts te 3 uuren, den 11 d=o des morgens met 't aanbree„ ken van den dag het naer 't vaartuijg uijtkeyken, naar zag het niet, en zelle doen mijn Cours op d' poeloe bessies aen„ alwaer des avonds ten 6 uuren kort onder op 20 v=m voor dreg kwam, den 13 d=o des morgens om half seven uuren ging weeder onder zeijl en stak voor dwars in d' weg over na d' bantamse wal, alwaer af en aen dwars ind weg de bantamse pantjallang naer myn toe quam va Zylen, dewelke van d' varkens hoek af kwam, en gooijde het doen onder anjer voor dreg, daor den sergeant Ormecaphskij bij mij aan boort kwam, om te bevaden wat wij verders doen wilde om haar t' rapporteeren atrappeeren, waar op wij goed vonden dat hij kort onder dwars in de weg zoude gaen leggen; en ik kort agter de varkens hoek om malkanderen te konnen zien, als der wat voor viel, als meede kwam er nog een sold=t van de Post van anjer bij my aenboort, om te vragen waer wy van daan kwamen, en waer na toe wilden verzogt n Van Bantam onder dato den 22 Junij 1763 Se 5 uuren ligten mijn dregt, passeerden 't noorder Eijland en kwam des avonds om 6 uuren voor by de Varkens hoek Weeder voor dreg, op 36 V=m, den 4 d=o des morgens ten 5 uuren ging weeder onderzeijl en ontmoeten 3 Pantjallangs die van lampong Samanca kwamen, dewelke met peeper waren geladen en op de eene sig bevond Een Corporaal met 3 Soldaten die na bantam overvoeren, en kwam voor dreg onder Poelo goendi op 13 v=m water hadde de schuyt bereets uijtgesonden naer Twee vaartuygen die daer lagen, om te sien wat voor volk zij waren dewelke om half zeven uuren weeder aenboord kwamen, Rapporteerden 'T Twee bantamse prauwen te zijn, den eenen was geladen met peper en lag op zijn vertrek, en den anderen had geen lading ingenomen den 10 d=o des morgens te 6 uuren ging weeder onderzeijl, en kwam tot boven de Eylanden van de varkens hoek, alwaer een mandaveles Vaartuyg kwam aen zeijlen, daer op ten Eersten Jagt maakte en haalde hem voort in, held hem voor de wind afgaende, hij had 16 riemen te boord daer zij meede roeijde, passeerden om 6 uuren krack atouw om half zeeven uuren kreegen een brij uyt J. ZZ Westen waer meede ik hem kort agter op liep, en 10 Schooten van agteren gaff terwyl van Voorneemens 63 Van Bantam onder dato 22 Junij 1763 voornoemens was hem op zeij te koomen en met schoot schieten, wierd het dood stel met regen en pikdonker, waer door hem verloor, een half uur daar na kwam d'oost z: ooste Wind, Wanneer ik weeder op krakatouw afstak alwaer Linende hem te vinden, maer konde het door de storke stroom met soen, teeg: schuijns op poeloe Gondi aen, door dien geen anker grond had, en 't bleef buyjig en donker weer„ tot snagts te 3 uuren, den 31 d=o des morgens met 't aanbree„ ken van den dag het naer 't vaartuig uijtkeyken, naar zag het niet, en zelle doen mijn Cours op d' poeloe bessies aen„ alwaer des avonds ten 6 uuren kort onder op 20 v=m voor drog kwam, den 33 d=o des morgens om half seven uuren ging weeder onder zeijl en stak voor dwars in d' weg over na d' bantamse wal, alwaer af en aen dwars ind: weg de bantansse Pantjallang naer myjn toe quam va Zylen, dewelke van d' varkens hoek af kwam, en gooijde het doen onder anzer voor dreg, daor den sergeant Orinecephskij bij mij aan boort kwam, om te beraden wat wij verdors doen wilde om haar t' rapporteeren atrappeeren, waar op wij goed vonden dat hij kort onder dwars in de weg zoude gaen leggen, en ik kort agter de varkens hoek om malkanderen te konnen zien, als der wat voor viel, als meede kwam er nog een sold=t van de Post van anger bij my aenboort, om te vragen waer wy van daan kwamen, en waer na toe wilden verzogt Van Bantam onder dato 22 Juny 1763 versogt tefffens om een brief, den 16 d=o teegens de middag passeerden mij een prauw Chiampang, waer op een losse Schoof deed, daer hy zig met aanstoorde en overvolgde zijn Cours na de negorij, des agter middags kwam der een pantjal„ lang de varkens hoek om zeijlen zoo dra hy mij zag keerde hij wederom en het was alte stel om hem na te zeylen, had d' stroom meede tegen Savonds ligten het dreg en liep kort agter d' hoek of hij somwijlen bij d' nagt het ontslippen wilde als het een vover was, om dat ik dan digter by hem zoude zijn den 38 kwam een Bantamse Prauw tusschen „ de Eijlanden uyt, dewelke naar Samanka moest, was geladen met pinang, beneevens nog 2 d=o de varkens hoek aan waer onder den Eenen was die voor Twee dragen gekeerd hadde, en mij zeijde dat zij bang voor mijn waaren, des middags ten 2 uuren ging onderzeijl, terwyl daer tog niets vernam stuk bij de wind kwam des avonds ten half zeeven uuren bij het toppers hoedje voor dreg op 20 v=n water, den 19 d=o passeerden mij een Compagnie schip het welk om de West ging, om 11 uuren vertrog ik van daar laveerde met stil water tot onder 't hooge land, alwaer des avonds ten half seeven uuren op 20 v=m water het dreg het vallen den 20 d=o vervolgde myne Reijse na Bantam alwaer des avonds om half agt uuren arriveerde. Waar meede verhope aen d G'eerde intentie van UW E: Achtb te hebben voldaen, en noeme mij met diep respectie onderstond

← previousnext →