VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3094

Surat · 594 pages · 114 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3094_0351 view scan ↗

English

65 From Bantam under date 22 June 1763 Below stood Honorable Sir / lower Your Honorable's most humble and obedient servant (signed Fret Bronkhorst / in the margin Bantam the 21 June 1763 a To the Honorable Sir and Hugo Pieter Faure Commander on behalf of the General Dutch Chartered East India Company Honorable Sir According to revered orders from Your Honor, I the undersigned sergeant went on the 17th of the past month, with a Corporal and Ten common soldiers, on board a King's pantjallang, and departed with it to Sunda Strait, in order to cruise there, but having sighted nothing until the 30th of that same month when two prows came into view, which came from Tanjong Toa with which entered into action and after having been engaged in combat with each other for Two hours left us, and took their course to From Bantam under date 22 June 1763 To the east, and because we could not move the King's people to pursue them, we had to continue our cruising search to Lagondi, to see if the pantjallang de Snuffelaar might be there, but not finding the same decided to sail to the post Borneo, and arrived on the 31st ditto under Keysers Island, and on 1 June at Borneo, and went there to the Commander and President to request assistance, but could not give it to me, because no prows were at hand there, whereupon on the 2nd ditto sailed away again, and arrived on the 12th ditto at the settlement Kunjer, where obtained information that the pantjallang de Snuffelaar had been there three days before to fetch water, and had subsequently sailed to Tanjong Toa, whereupon at once set my voyage in that direction, and caught sight of him on the 13th ditto, came to anchor with him on the same day near Anjer, went there on board with him, and asked the mate Fret Bronkhorst if he was minded to turn back to Bantam, to which he answered me yes, thus continued our voyage and arrived here on the 20th ditto, with which I hope to have complied with the honored intention of Your Honor and call myself with the deepest respect / below stood Title as above (Signed / Theodorus Orineephoky in the margin Bantam the 20 June 1763 Register 67 From Amboina the 25 May 1763 Register of such separate papers as are sent to his Excellency The Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Petrus Albertus van der Parra Governor-General and the Honorable Gentlemen of the Netherlands Indies by order of the Honorable Gentlemen Godert Ludolph van Bensechem, outgoing, and Josias Alexander De Villeneuve, incoming provisional administrator of this province, together with the Council per the bark de Draak, namely: This Register No. 1 A separate letter from the whole council to their said Excellencies dated today 2 Copy of Resolution on 24 January of this year regarding what was dealt with concerning various latest orders 3 Copy of separate Resolution of 15 February annexed Two depositions for the necessary provisions for the dispatch of the cruising fleet to Ceram No. 4 Copy Sir No. 4 Copy of received letter from the heads of the aforementioned cruising fleet dated 28 March communicating what occurred at Haija with the answer given thereto on 9 April 5 Report of shipped intercepted cloves at the aforementioned settlement Haija 6 Copy of dispatched letter to the aforesaid heads over the cruising fleet of 25 March transmitting two depositions dated 21 of that same month and 2 April concerning various speculative reports of the aforesaid Ceram Coast. 7 Judicially recollected deposition of a native of the aforementioned settlement Haija taken on 6 April for very accurate information regarding what is going on in the said settlement and elsewhere on Ceram's Coast 8 Received missive from the aforementioned heads of the cruising fleet dated 3 April together with the one dispatched to them under 15 thereafter 9 Copy of received missive of as just mentioned dated 14 of this current month of May Amboina Victoria the 25 May 1763 was signed P. Homma Batavia To as before From Amboina the 25 May 1763 69 From Amboina the 25 May 1763 Because of the completely distressing death of the late Honorable Sir Governor and Director of this Province Meijert Johan van Idsinga having found ourselves obligated to Your Excellencies' separate very revered missive dated 10 December of the past year 1762, together with the Secret Resolution of 6 April prior relative thereto, and also a certain Extract added for reflection, such missive to Ternate dated ultimo December 1759 addressed to the aforesaid Honorable Sir, and dispatched per the bark De Lieftallige; received here on 10 January loaded in all veneration according to present circumstances of the time somewhat and as much as is in our power to have to answer respectfully, so we shall take the liberty hereto most humbly to inform the same that at the meeting of the 24th of the aforementioned month of January those papers were read with due respect and were dealt with in that regard according to the requirement of matters, then in regard to the honored pleasure of Your Excellencies that namely the ships coming hither should be provided with special signals To as before provided

Dutch transcription

65 Van Bantam onder dato 22 Junij 1763 onderstond E: Achtbaaren Heer / lager UW E: agtb: aller onder danige en Gehoorsaamsten dienaar (getekend hiet Bronkhorst /in margine Bantam den 21 Junij 1763 a Aan den E: Achtbaaren heer ende Hugo Pieter Faure Commandeur weegens de Generaale Nederlandsche G'oetroyeerde oost Jndische Compagnie E: Achtbaaren Heer Volgens Geveneerde ordres van UW E: achtb: hebbe ik ondergetekende sergeant my op 17 der gepasseerde maend, met een Corporaal en Thien gemeene militairen, aanboort vervoegt van een konings Pantjallang, en daar meede vertrokken na straat Sunda, om aldaer te kruijsen, maar hebbende niets ontwaard als op den 30 dier zelver maand wanneer twee Prauwen in't gesigt kreegen, dewelke kwamen van Tanjong Ioa waer meede in actie geraakte en naer Twee uuren met den anderen slaags geweest te zijn ons verlieten, en namen hare Cours na Van Bantam onder dato 22 Junij 1763 Na het oosten, en dewijle wijskonigs volk niet konde beweegen om haar te vervolgen, moesten wy onse kruijs sogt voort zetten na lagondi, om te sien of de pantjallang de snuffelaar daar weesen mogt, maar deselve niet vindende do beslooten na de post Borneo te zijlen, en kwamen op den 31 do ondertkysers Eyland, en den 1 Junij op Booneo, en ging aldaer 1 en President bij den Commandant omrassissentie te verzoeken, maar konde mij die niet gegen, door dien geen prauwen aldaer bij de hand Waren, waar op den 2 d=o weeder van daen zijlden, en arriveerde op den 12 d=o aen de negorij kunjer, alwaer narigt erlangde dat de Pantgallang de smiffelaar aldaer drie daagen bevoorens was geweest om water te halen, en vervolgens was geseijld na Tanjong Toa, waar op aanstonds mijne rijse die Cours moede heer zette, en kreegen hem den 13 d=o in 't gesigt, kwamen zelvigen dag met hem ten anker by anjer, ging aldaer bij hem aenboort, en vraagden den stuurman Fret Bronkhorst of hij van sints was weeder na bantam Te keeren, waer op hy mij antwoorde van Ja vervolgde dus onse rijse en arriveerde op den 20 d=o alhier, waer meede verhoope aen de g'eerde intentie van UW E: agtb: te hebben voldaen en noeme my met het diepste respect /onderstond Titel als even (Getekend / Theodorus Orineephoky in margine Bantam den 20 Junij 1763 Registert 67 Van Amboina den 25 Meij 1763 e Register van zodanige apar„ te Papieren als er aen zijn ƒ g Edelheijd Den Hoog Edelen Gestrengen Groot Achtbaren Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal en de wel Edele Heeren van Nederlands India ter ordre van den E: Achtb: Heeren Godert Ludolph van afgaende en Bensechem Josias Alexander De Villeneuve aankomende provisioneele ge Zaghebber deser provintie Nevens den Raad pr den barcq de draak versonden werden te weeten : Dit Register N=o 1 Een aparte brief van ganschen raade aen opgem Haer Hoog Ed=s dato heeden 2 Copia _o Resolutie op 24.:' Jannuarij deses Jaars we gens het gebesorgneerde over diverse Jongste ordres 3 Copia aparte Resolutie van 15 februarij annex Twee verklaaringen tot de nodige schrekingen ten depeche van 't kruys vlootje na Ceram No. 4 Copia Heer „ Na Copia ontvangen brieff der hoofde van evengem: kruijs vlootje ged=t 28 maart in Communicatie 't voorvallene op Haija met 't overzulx G'antwoorde den 9 April 5 Rapport van afgescheepte agterhaalde nagelen ter vooren t verm: negorij Haija 6 Copia affgegaane brief aen voors: hooffden over 't kruijs vlootje van 25 maart in oversending twee verkla„ ringen datis 21 dien zelfde maand en 2 april nopens verscheyde speculative berichten van Voornoemde Caramse Cust. 7 „ Iustitial gerecolleerde verklaring van een inlander der Veerm: negorij Haija op 6: april gepasseerd ten zeer naukeurigen informatie wegens 't geene op gem negorie en Elders aen Cerams d Euste omgaet 8 „ ontfangen missive van moerm: hoofden over 't kruijs vlootje dato 3 april nevens dus afgegaane aen deselve sub 15 daar aen 9 Copia ontfangen missive van als even ged:n 14 deeser loopende maand meij Amboina Vectoria den 25 mey 1763 x /was Getekend P Homma Batavia Aan als vooren Van Amboina den 25 meij 1763 : 69 Van Amboina den 25 meij 1763 Mits 't gansch facheur sterfgeval van den wylen Edele Achtbaaren Heer gouverneur en Directeur deser Provincie Meijert Johan van Pdsinga ons verpligt gevonden hebbende UW Hoog Edelh=s aparte Zeer gevenereerde missive dato 10 december des gepasseerde Jaars 1762, nevens daar toe relative Secrette Resoluti van 6:e april bevoorens, en noch zeeker tot speculatie bygevoegd Extract, sodanige missive na Ternaten gedateerd ult=o December 1759 aen voorm zyn E achtb: /:Z:/ geadresseerd, en beschreeven P=r den Barcq De Lieftallige; alhier op den 10 Jannuarij Ho laeden in allen veneratie ontvangen naar presente Tyds omstandigheeden Eenigzints en zoo veel in ons is Respectieuselijk te moeten beantwoorden zoo zullen hier toe de vryheijd neemen hoogst deselve op het onder danigste bedeelen dat ter bij een komste van 24 der evengem maand Jannuarij die papieren met Schuldige eerbied doorleesen en daar omtrent nae vereijscht van zaaken gebesoigneerde geworden zijnd, dan in opsigte 't g'eerde goedvinden uwer Hoogh Edelhs dat namentlijk de herwaards komende scheepen met bysondere zeynen zoude werden Aan als vooren voorzien

NL-HaNA_1.04.02_3094_0356 view scan ↗

English

From Amboina, the 25th of May 1763 Provided etc., and therefore wishing to anticipate the necessary arrangements for them, alongside those that were to be made in return from here upon the sighting of the ship or ships, we have thought it well to submit in all humility to Your Right Honorables that henceforth, upon the sighting of the ship or ships here at the usual place, or rather properly at Post Mlang, the ordinary Prince's flag will be hoisted with the white on top, and that, on the other hand, subject to Your Right Honorables' pleasure, those of the aforementioned arriving vessels will be expected with the blue hoisted high. And further concerning the small cruising fleet dispatched this way by Your Right Honorables, such arrangements for its timely expedition upon the arrival of the sloops Nagapatnam, De Nagel, and Noteboom, which were then still awaited, were made, as shown by the Resolution of that date added to the Register under No. 2. After which the aforementioned vessels having subsequently arrived, in dutiful obedience to what was ordered by the aforementioned separate missive, we proceeded directly to the appointment of a head over the aforesaid small cruising fleet, and for that purpose nominated and chose, as a very suitable and experienced person, the military ensign Albertus Michiel van den Eynde, who formerly served the State as a lieutenant. From Amboina, the 25th of May 1763 To whom we, owing to the sudden death during those days of the lieutenant of this garrison, Harman Pieters Lijma, provisionally granted the aforementioned rank of lieutenant for somewhat greater honor and encouragement in that commission, in the humble hope of Your Right Honorables' approval and further favorable appointment. Likewise, under his general direction, the command over the maritime affairs was entrusted to the master of the aforementioned bark De Lieftallige, Johannes Jacobus De Frein, and the bookkeeper Johannes Cappelhoff was appointed as scribe of the aforesaid commission, and the departure of the aforementioned small cruising fleet was regulated and determined. The same, after all the small vessels had in the meantime been provided with some necessities and repaired from various defects sustained by storms, was sent off and set sail from here on the 2nd of March last, under such orders and instructions as are, as we hope, in accordance with Your Right Honorables' much revered intentions, inserted into the aforementioned Resolution of the 15th of February. And to the mentioned heads of that small fleet, over and above the ordinary instructions of our annual cruisers, were handed over and delivered the requisite protests, which we also had delivered for their information to the commanding mates of the other three vessels where necessary, together with two declarations executed here at the Secretariat on the dates of the 1st and 11th of December of the past year, and certain natives named Abraham Bahagia and Lois Kayroetane, regarding many and various encounters off Ceram. Both of the aforementioned declarants we also caused to embark in person on the aforementioned bark De Lieftallige, to point out if possible the places so explicitly specified in their attestations, and to make use of the said people in all circumstances during that voyage, all of which may be seen more fully in the aforesaid resolution and attestations under No. 3. To the desired effect, furthermore, that upon arrival at the aforesaid Ceram coast, entirely suddenly in the settlement of Haija, not without danger due to initial resistance encountered from many Bugis and other Western nations present at that place with their vessels, they overtook and captured as a prize a very considerable quantity of, according to the report of the heads over the aforementioned small cruising fleet in their detailed description of that whole event, dated the 28th of March last, From Amboina, the 25th of May 1763 which accompanies this in all respect together with the reply thereto dated the 9th of April under No. 4, eleven thousand eight hundred thirty-eight pounds of good, merchantable clove spices, which were undoubtedly brought there by stealth in succession, in order to be bartered and sold in like manner to the aforesaid foreigners for all kinds of merchandise. Which spices, having subsequently been brought to Saparua and from there further to this place, after the report of this year's clove commissioners to this main castle, the junior merchant Hendrik Ouman and bookkeeper Nicolaas Galloo, in the presence of the fiscal Wynand de Bouvoust and shopkeeper Johannes Houttuyn as members of our council, were inspected and found to amount gross to a quantity of 12802 pounds or 23 1/52 bahars, which therefore, for Your Right Honorables' honored consideration and disposition, alongside the aforementioned report under No. 5, were transferred separately in 289 bags per the ship Zuyderburg. Just as there is also accompanying this under No. 6 a letter previously dispatched by us to the repeatedly mentioned heads of the cruising fleet, dated the 25th of March, enclosing the copy of a declaration received at that time from Saparua, in

Dutch transcription

Van Amboina den 25 meij 1763 Voorzien etc:, en over zulx de nodige voor deselve nevens die welke men van hier op 't gezicht van 't schip of scheepen in Contra te doen stonde verwatsten wilden, hebben goed bedagt G UW hoog Ed=s in alle nedrigheijd voort te draagen, dat men Voortaen op 't gezicht van 't schip off scheepen alhier aen de ordinaire zyn plaats ofte wel Eygentlyk ter Poste Mlang de gewoone prince vlag, met 't wit van booven door ophalen, en daer en teegen met believen „ d UWer hoog Ed=s die der aankoomende genoemde bodems met 't blauwe om hoge verwagten zal, En wyders 6 aangaande het door UW hoog Ed=s dit heen afgezonden kruys vlootje soodanige Schikkingen tot dies tydige Expeditie bij aankomst der toen noch verwagt wer„ dende Chialoupen Nagapatnam de Nagel en Hooteboom zijn gemaakt, als de Resolutie dier dato desen onder N=o 2 ten Register bygevoegd koomt uyt te wysen, Waar na vervolgens evengem vaartuijgen g'arriveerde Weesende blijkens Resolutie van 15 Feb: in schuldige Obedientie 't geordonneerde by voorwaards genoemde aparte missive directe tot 't benoemen van een hoofd over voorsz kruys vlootje getreden weesende, daar toe als een zeer geschik en bedreven persoon hebben genomineerd en verkooven den vendrig militair Albertus Michiel van den Eynde, Eertijds den staat als luytenat gediend hebbend die 71 Van Amboina den 25 meij 1763 Die mon Ieffens door Turst gevallig 't overleyden dier dagen van den luytenant deses Guarnisoens P. Harman Pieters Lijma tot eenig meerder honneur, en Couragement in dien Commissie, gem qualiteijd van Luytenant ter nedrige verhoopte UW Hoogh Ed=s goedkeurige en overdere gunstige aanstellinge Provisioneel heeft toegevoegd; Gelijk dan onder deszelfs generaal bewind 't Commando over de zewaart aen den gezaghebber op voorm: barcq de Lieftal„ lige Johannes Jacobus De Frein opgedragen, als ook den boekhouder Johannes Cappelhoff tot Seriba dier voorzeyde Commissie benoemd, mitsgaders 't vertrek van gem kruijs vlootje gereguleerd en bepaald geworden, zynde, 't zelve dan ook (:nae dat intusschen alle de vaartuygjes van eenige noodwen„ digheden voorzien, en van diverse door onweder bekoomen defecten verholpen waren:/ op den 2 maert J=t leeden van hier voortgeschikt en zeyl gegaen is, onder sodanigen ordres en Jnstructien als (:zoo verhoopen:/ over een komstig UW hoogh Edelh=s veel gevenereerde Jntentie ter even voorm: Resolutie van 15 febr: g'insereerd en gen Hoofden van dat vlootje buyten en behalven de gewoone Jnstructien onser Jaarlijkse kruijsers met d' vereyste Van Amboina den 25 meij 1763 vereyste Protesten (:die ook meede aen de gezaghvoerende Stierlieden der andere drie vaartuijgen ten naricht daar nodig hebben laten afgeven:/ nevens nog Twee in datis E=e en 11:e decemb: A:o p=to ter Secretarie alhier gepasseerde verklaaringen, en zekere inlanderen naamens Abraham Bahagia en Lois Kayroetane Weegens veele en verscheijde ontmoetingen aen Hr Coram ter hand gesteld en overgegeven zijn, welke evengem declaranten berde meede op voorm barcq Die liefstultig in persoon hebben doen overgaen, ter aanweysinge zoo mogelijk van de plaatsen bij die hunne attestatien zoo uytdrukkelijk gespeciviceerd, en om sig in alle gelegentheyden o dien Reyse van gem lieden te kunnen dienen, Een en ander breeder bij voorsz: resolutie en attestatien Snb: N:o 3 tesien, Ten gewenst Effect, voorts dat bij komste aen Voorsz: Ceramse Cust al geheel Schilijk in den negorie Haija met sonder gevaer. door Eerst gevonden tegenstand van veele te dier plaatse aenweesige Boegineese en ande„ re Westerse Natien met hun Vaartuijgen zyn komen te agterhaelen en prys te maken, Een seer aensienlyk parthije, van (:volgens melding der hoofden over gem kruysvlootje bij omstandige beschreyving van dat gantsche geval gedagtekend 28 maart J:t leeden, deesen 73 Van Amboina den 25 meij 1763 desen met 't daer op geantwoorde dato 9 april onder N=o 4. in alle Eerbied verzellende :/ Elff Duijsend= Agt 3 Hondert Agt= en Dertigh ponden goede dengsame Garroffel Nagulen die aldaer ongetwyffelt succes„ sive ter Sluijk aangebragt zijn, om op gelyke Wijse aen voorsz: vreemdelingen, teegens allerlij haldelwharen te Trocqueeren en van de hand te zetten welke specerijen vervolgens tot sapparona en van daer verder dit heen gebragt weesende na Rapport der deesen Jaarige Nagel gecommitteerdens aen dit hoofd Cast=l den onderkoopman hendrik Ouman en Boekhouder Nicolaas galloo ten overstaan van den fiscaal Wynand de Bouvoust en winkelier Johannes houttuijn als leeden onser vergadering vesiteerd en bevonden zijn bruto uyt te maken een quantiteijd van 12802 ponden off bhavas 23 1/52 2 3/50, die dus ter g'eerde Uw hoog Edelh=s speculatie en dispositie neevens gemelde Rapport onder N=o 5 p:r het schip Zuyderburg in 289 zakken aparte ƒ overgegaen. Zoo als deesen almeede sub No: 6 is verzellande Een bereyds te vooren door ons aen meermd Hoofden van 't kruijsvlootje afgevaardigd brief je, gedatteerd 25 maart in toezending 't afschrift eener dier tyds van Sapparoua ontvangen verklaringe in

NL-HaNA_1.04.02_3094_0360 view scan ↗

English

declarations by three inhabitants of Sourabaija on the 25th previously, to which we have now also added the similarly attested statement of two citizens on the 2nd of April thereafter, all in proof of how the illicit trade in the Company's most precious product was not only tremendously attempted and conducted at the negorije Haija through the treachery of that native chief, but also quite generally around Ceram, which is not fruitlessly to be deduced from a very accurate, judicially recalled declaration of a certain Moorish native of the said negorie Haija named Malaaij under No 7, who on the occasion of that encounter, having been unable to escape due to wretched sickness, was taken prisoner and brought in as the only one; whereupon we shall further have follow the received reply from the chiefs of the aforesaid cruising flotilla to our aforementioned dispatch of the 25th of March, dated the 3rd of April, and another one dispatched from here under the 15th of the same month accompanying the aforesaid declaration of Malaij, as well as finally another one received again from the aforesaid chiefs dated the 14th of this current month of May, by which latter your Right Excellencies will also at the same time be able to perceive, if it pleases you, that what was ordered by your collective dispatch of the 28th of December of the past year 1762 according to the extract From Amboina, the 25th of May 1763 Notice of your Right Excellencies' much venerated dispositions dated the 16th of November previously concerning a certain native Radja Patter who, as Annachoda with a Ceram vessel from Koffing, was supposedly involved in many committed hostilities on Pulo Ay in Banda (which the cruising vessels were also ordered to investigate and execute) has turned out to be fruitless, since that name does not even seem to be known on the whole of Keffing; as also that what was additionally written in the aforesaid dispatch on another extract of your Right Excellencies' honored resolution of the 19th of that same month of November regarding the sounding of the grounds in the bay of Sawaij is likewise to be undertaken by the cruiser, whereof one therefore hopes to be able to supply your Right Excellencies with the required elucidation in due time with all due obedience; just as then lastly what was ordered by the aforementioned separate dispatch dated the 10th of December repeatedly mentioned, to give notice to Ternate of the damages inflicted on this province by the predatory peoples who have roamed around from time to time, primarily on account of those calculated on Manipa to the amount of 3123 rixdollars and 44 stuivers, From Amboina, the 25th of May 1763 we shall dutifully observe, while in the meantime the fatal outcome of the expedition undertaken in the past year to the Papuan islands, recently communicated from there, having appeared to our regret from the writings received from that government dated the 22nd of January of this year by the return of the barque De Draak, we hope for better success regarding the present cruising flotilla at Ceram, and thus we wish to conclude herewith, for the rest recommending with all high respect the highly illustrious persons of your Right Excellencies and the Company's weighty interests to God's protection and blessings, naming ourselves most humbly (was written below) ordinary title (was signed) G L V Beusechem, I H de Villeneuve, A F Bandoin, Johan Emans, G H De Dt Glain, W De Bouroust, C F Trenow, Johan Houttuijm and Blydenbergh In the castle Victoria at Amboina, the 25th of May 1763 From Amboina, under date the 25th of May 1763 Monday the 24th of January 1763 Absent the four heads of the spice comptoirs After what was transacted today was extracted by collective resolution, having been brought to the reading by His Honor the provisional commander of this government, the separate letter from their High Mightinesses the Indian Supreme Government at Batavia dated the 30th of December of the past year, mentioned in the recently kept record of the 10th of this month, together with a related secret resolution of the said High Table under the 6th of April previously, consigned and written to the late Honorable Respected Lord Governor and Director of this province, Meijert Iohan van Idsinga (blessed memory); in reply to His Honorable Respected's dispatches sent to the said their High Mightinesses of the 26th of May and the 25th of September of the same year, to deliberate upon such of their High Mightinesses' very respected orders and commands appearing therein as, owing to the decease of the aforesaid His Honorable Respected under the present circumstances, required the deliberation of this meeting, there was first taken into consideration the honored approval of the said Supreme Government. From Amboina, under date the 25th of May 1763 That namely the ships coming hither might be provided with special signals for the safer dispatch of a private vessel, and the officers of such craft might also be ordered, upon passing any Company residency or otherwise upon the showing of the Dutch flag on a vessel encountered at sea, always to reply in return with theirs for recognition; regarding which one would expect both the signals that were to be made from here from the shore upon the sighting of a ship or ships, as well as those that will have to be made by the officers of the ships in order to be able to recognize the same as ships of the Dutch Company; the said His Honor the aforesaid provisional commander having produced those separate letters from our lord and the same having been examined and the foregoing having been found so proposed, it is understood to report in reply to the aforesaid their High Mightinesses by the next separate humble dispatch, very respectfully, that in due obedience to what was ordered in that regard, henceforth upon the sighting of a ship or ships here at the ordinary signal places, or rather at the post of Alang, the ordinary Prince's flag will be hoisted with the white on top, and

Dutch transcription

verkraringen door drie inwoonders van Sourabaija op 25=e bevoorens waar bij thans noch gevoegd hebben, 't even eens Geattesteerde van Twee burgers den 2 april daer nae alles ten blijke, hoedanig den morshandel in s Comp=s dierbaerste Product niet alleen aen „ n Negorije haija door de Trouwloosheijd van dat inlandse hoofd, maer ook genoeg¬ Jaem alomme gCeram geweldig getenteerd en gedreven werd 't geene niet onderijdelijk is af te neemen uyt een Zeer nankeurig Justitieel gerecolleerd de Clarator, van Zeeker moors inlander der gem: negorie Haija gen=t Malaaij sub N=o 7, die ter occatie van dat recontre door Elendige ziekte niet hebbende kunnen ontkomen als de Eenigste gevangen genomen en opgebragt geworden is, Waar op salverder volgen laaten 't ontvangen antwoord der hoofden van Voorsz kruys vlootje, op vooren vermelde onse afgegaene van 25 maart gedateerd 3 april en eene weeder van hier gedepecheerde sub 15: ibrd: in geleyde der evengem: verklaring van Malaij als meede Eindelijk eene ander maelen gerecipeerde van voorn hoofden dato 14 deeser loopende maand maij bij welke e laatste uw hoog Edelh=s des behaegende :/ al met eenen sullen kunnen ontwaeren, dat 't G'ordonneerde by hoogst der zelver gemeene missive van 28 decemb: des voorleeden Jaars 1762 na Extract Van Amboina den 25 meij 1763 Notare 75 Van Amboina den 25 meij 1763 Notule uwer hoog Edelh=s veel gevenereerde dispostien dato 16 novemb=r te vooren omtrent zekeren inlander Radja Patter die als Annachoda met een Corams vaartuijg van koffing tot veele gepleegde hostili„ teyten op P=lo Ay in Banda zoude zyn geeweest /:'t geene meerm=e kruijsser teffens ten onderzoek en Executie hadden aenbevoolen:/ vruchteloos is uytgevallen: vermits die naam zelfs op gehoel 7. keffing met schynt bekent te zijn: als ook dat 't ƒ meede aangeschreven bij voorm missive op een ander Extract uw hoogh: Ed=ns geerde resolutie van 19 dier zelver maand Novemb: tot het naespeuren der gronden in den bocht van Sawaij insgelijks door „ kruysser staat bij der hand genomen te werden waer van men dierhalven verhoopt UW hoog Eds in tyds de gevorderde Elucidatie met alle verschuldigde gehoorsaamheijd te zullen kunnen suppediteeren, Even als dan ten laesten ook 't geordonneerde by vooren gewaagde aparte missive dato 10 Decemb meermelt, om van de toegebrachde Schadens te deeser Provincie door de van tyd tot tyd vond gesworven hebbende Roofvolkeren, voornamentlijk weegens de bereec„ kende op manipa ten bedragen van rd=s 3123: 44:— naar n=t de eerde Van Amboina den 25 meij 1763 Naar Ternaten te moeten kennisse geven, Schuldpligtig observeeren Zullen, Terwijl in Tusschen de Jongst van daer gecommuniceerde fataelen uytslaeck der A=o p=to ondernom Expeditie naar de papouse Eylanden bij ontvangen Schryvens uyt dat gouvernement in dato 22 Januuarij deeses Jaars P=r retour van den barcq De Draak ten leedweesen ons gebleeken zijnde, omtrent presente T meerm=t kraysvlootje aen Ceram dan beeter Succes verhoopen, en dus hier meede deesen besluyten willen niet voor 't overige in allen Hoogen Eerbied de Hoogh Ilustre persoonen van Uw hoogh Edelh=s en 's Comp=s wigtige belangens aen Godes bewaaringe en Zegeningen bevelende ons op 't ootmoedigste te noemen /onderstond :/ gewoone Fitet /:was Getek:d:/ G L: V: Beusechem, I H d Villeneuve, A F Bandoin, Johan Emans, G H De Dt Glain, W De Bouroust, CF Treno¬ Johan: Houttuijm en - - - - - - Blydenbergh In magim Amboina Victoria den 25 maij 1763 77 Van Amboina onder dato 25 meij 1763 Maandag den 24 Jann: 1763 Absent de vier hoofden der Specerie Comptoiren Nae 't verhandelde heden by gemeene Resolutie G'Extordeerd, door zijn Ed: den p:l gezaghebber deeses Gouvernements ter lecture gebragt zynde de by Jongst gehoude aanteeckening van 10 deeses vermelde onse aparte brief Harer Hoogh Edelheed=s der Jndiase Hooge Regering tot Batavia in dato 30 decemb: des gepasseerden Jaars, met ende beneevens eene daar toe Relative Lecraete Resolutie der gem hooge Tafol sub 6 april bevoorens aen den wylen Edele Achtb:re Heer Gouverneur en Directeur deeser provintie Meijert Iohan van Idsinga /:L: M:/ geconsigueerd en beschreeven; In antwoord op zijn Ed: Achtb:s aan gedachte Haar Hoogh Ed:s gepre„ mitteerde van 26 Maij en 25 septemb:rde elvigen Jaars Ten bezoigne over zodanige daar in voorkomend Haar Hoog Ed=s zeer gerespecteerde ordres en beve„ len als mits 't overleijden van voorsz zyn Ed: Achtb: ter presente tyds omstandigheeden Deliberatie deezer vergadering noodsaekelijk te Eijsschen quamen, zoo wierd voor af in - O aanmerking 't geerde goedvinden der gedachte hooge regeering. — Dat gtig daer nom en i sente en 1763 1763 Van Amboina, onder dato 25 meij 1763 Dat namentlijk de dit heen komende scheepen met byzondere zeynen tot des te geruster afzending van een Prij vaartuijg voorsien, en de overheeden van diergelyke bodems meede geordonneerd mochte werden, bij 't passeeren „s Comp: van lenigen „ residentie plaats dan wel anders den vertoning der Nederlandsen vlag op een in zee ontmoed werdend vaartuyg altoos met de hunnen ter verkenning weder F te beantwoorden; over zulks wel de zynen die van hier op 't gezicht van Schip off scheepen van de wal te doen stonden verwachten zoude als ook die geene dewelke door d' overheeden der scheepen zullen moeten Werden gedaan, om dezelve voor Scheepen van d' Nederlandse Comp te kunnen verkennen door gem: zijn Ed: den p:l gezaghebber voorsz: die aparte brieven van onser /:Z: / gebieder geproduceerd en deselve ingesien mitsg:s 't voorenstaande sodanig voorge steld bevonden Wesende, verstaan voorn: Haar Hoogh Ed:s p:r naasten by meede apart nedrig schrijvens, Zeer Eerbiediglyk in andwoord te berichten, dat men ten verschuldigde obedientie van 't daer omtrent G'ordonneerde voortaan op 't gezicht van Schip off scheepen alhier aen de ordinaire zeijn plaatsen ofte e Eygentlyk ter poste Alang de gewoone Prinse vlag met 't wit van boven doen ophaelen en

NL-HaNA_1.04.02_3094_0365 view scan ↗

English

From Amboina, dated 25 May 1763 And on the other hand, those of the arriving vessels will expect it with the blue held aloft. Subsequently, with all the highest due respect, having contemplated through the aforementioned missive and secret resolution the timely foresight of Their High Noble Lordships—and now, in view of the extraordinary, indeed more than ever everywhere appearing multitude of Ceram sails and other foreign rovers in these fairways with the open intent to seize by force the Company's so highly precious clove spice, following what has been extensively noted in that regard in our resolutions of 1 December last, very well serving the purpose—in sending hither a small cruising fleet, consisting of the bark De Lieftallige, also already mentioned in the aforementioned note of the 10th of this month, alongside the sloops Nagapatnam, De Nagel, and Nooteboom yet to arrive, all provisioned for a full year and manned with soldiers above the seafaring crew; likewise provided with the required ammunition of war, in order to place a separate commander, of whatever faculty, over the same; and to furnish such a person with proper sailing orders and instructions to go cruising along the entire Ceram Coast and all other places suspected of the illicit trade in spices, From Amboina, dated 25 May 1763 cruising for the execution of that which is quite clearly, with all emphasis, recommended and ordered in the aforementioned letter and resolution; also deeming it necessary to add some kora-koras to the said small fleet; and finally, the order to send back the aforementioned four vessels after the work is done, via Java or specifically Gresik further westward, to take in and convey products back to the headquarters, etc.; so, all of this having been taken for obligatory observance and guidance, it was agreed to suspend provisionally the appointment of a commander over the aforesaid small fleet until the arrival of the other three vessels still expected, and in the meantime, alongside the necessary sailing orders, to have the mandated instructions prepared in accordance with the literal contents of the honorably mentioned missive and resolution of Their High Noble Lordships; furthermore, instead of kora-koras, which have already in earlier times been disapproved for such expeditions, to requisition and take into service, by writing to the chiefs of Haroeko and Manipa, if possible, six large raised orembaais manned with 20 to 25 good, competent oarsmen, being two from the first-mentioned From Amboina, dated 25 May 1763 first-mentioned district, or specifically from the village of Kaibobo belonging under it, and four from the last-mentioned station of Manipa; at proper provisions and wages for their crew, according to previous examples; which former provisions can be loaded in batches on the Company's vessels for distribution every half month, in order thereby to lighten those small craft and not to impede or hinder them in entering small rivers or creeks here and there. In which case a trustworthy native chief knowledgeable of the situation of the Ceram Coast will also be nominated and appointed over them, whose counsel and action the cruising vessels may use in occurring situations for a more tranquil, secure undertaking; just as in particular, for all possible promotion of Their High Noble Lordships' so salutary ends and purposes, it has also been found good to summon hither as quickly as possible two certain natives from the village of Ameth on the island of Nusalaut, named Abraham Bahagia and Louw Kairoetane, who in the past year, having been captured and carried off by the roving From Amboina, dated 25 May 1768 roving pirate band, wandered along Ceram, witnessing many and diverse such encounters in that region, as the attestations made by them in that regard at the secretariat, being of 6 and 11 December last, contain in detail, and will be added to the aforementioned instructions for greater light in this matter; so as to have the said persons physically transfer onto the aforesaid cruising vessels, to point out the places so expressly named and described in their reports; while a good outcome is thus hoped for in this matter, the necessary notice of this will also be given at the first opportunity to the governments of Banda and Ternate. Beneath stood: Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria, date as above. Was signed: G. L. v: Beusechem, J. A: de Villeneure, A. F: Baudouing, C: F: Frena, and Joh:s Houthuijn. Lower: Agrees. First signed: E. Homma. Amboina, dated 25 May 1763 Tuesday the 1st of February 1763 All Present Now, pursuant to our preceding separate resolution of the 24th of the past month of January, having been brought into consideration before the assembly by the Honorable Senior Merchant and provisional Commander of this Government, whether one should not now, in view of the sloops Nagapatnam, De Nagel, and Nooteboom mentioned therein having arrived since, which, alongside the bark De Lieftallige that had already arrived by then, as appears from what is extensively set forth in the aforesaid resolution, have been sent hither by Their High Noble Lordships the Supreme Indian Government at Batavia for cruising along the entire Ceram Coast, make the necessary arrangements and regulate everything in order to send the said vessels further forth from here and dispatch them in time and as quickly as possible for that purpose; also communicating how the matters resolved on the aforesaid day, according to letters received from the chiefs of the stations of Haroeko and Manipa, being of 5 and 12 February, regarding the requested orembaais from those districts for the service of the said small cruising fleet, due to excuses from the native chiefs on account of illnesses among their villages

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 25 maij 1763 En daar en teegen die der aankoomende zulke bodems met het blauwe om hooge verwachten zal Vervolgens met allen hoog Schuldigen Eerbied by voorsz missive en Secreete Resolutie b'oogd zynde Haar Hoogh Ed:s zio tydige en thans (: mits de buyten gemeen Ja moer dan ooyt alomme zicht vertoonende monichte van Clramse Zeijlen en andere vreemde Swervers in deese Vaar-waeters ten opentlyken toegelegh tot 't bemachtigen door geweld van 's Comp:s zoo hoog dierbaeren Nagel spe cerie, na t dientwegen omstandig genoteerde ter onser Resolutien van 1 xber: I:t leeden zeer wel te stade ko„ mende voorzorge int afzenden na herwaards van een kruysvlootje, bestaande in de meede reeds bij voorzeyde aanteeckening van 10 deeses genoemde barca De lieftallige, nevens de noch te komene chalou„ pen Nagapatnam De Nagel en Nooteboom alle voor een rond Jaar gevictualieerd en booven de zoevaerende met militaire bemand; Jtam voorzien van de vereyschte ammunitie van oorlog ! in ordre om een apart Hlooft /:Even veel wat faculteijt :/ over dezelve te stellen; en zodanig een, met behoorlijke zeijlaas ordre en Jnstructien te nunneeren om langs de geheele Ceramse Cust, en alle andere:/ aan morshen„ del in specerijen:/ suspecte plaatsen, te gaan kruijssen 9 Van Amboina onder dato 25: meij 1763 kruijssen, ter uytvoeringe van 't geene gantsch duydelijk bij voorm: brief en Resol:, in alle nadruk, werd gerecommandeerd en aanbevoolen; met teffens nodig oordeelende, gem: vlootje eenige Corre Corren, bij te voegen; en bevel eyndelijk, om na gedaan werk, voorm: vier vaartuijgen over Iava, of wel specia Grissee verder westwaards, tot het inneemen en overbrengen van producten, na de hooftplaatze te rug te zenden etc:a zo wierd zulks alles ten verpligten observantie en naricht genomen zijnde, verstaan, by provisie, met 't aanstellen van een hoofd over voorseijde vlootje, te supperiedeeren tot de komste, der andere drie nog verwagt wer„ „dende vaartuijgen, en intussen nevens de nodige zeij„ „laas ordres, de geordonneerde Instructien na den woordelijken Jnhond, der voorwaards verm: Haar Hoog Ed:s geeerde missive en Resol: in gereedheijt te doen brangen; met voorts in steede van Corre Corre /:die reets in vroegere tijden tot viergelijke Expeditien zyn afgekeurd :/ door schrijvens aan de hoofden van Haroeko, en Manpa /:des mogelijk:/ zes groote opgeboeijde orembaeijs, bemand met 20 tot 25. goede sufficante massanaijars, als twee uijt Earst Van Amboina onder dato 25: mey 1763 81 Eerst gem: district, of wel bepaaldelijk van de daar ander„ „gehorende. negorie Caijbobo, en vier van Laastgem: Comptoir Manipa te requireren, en in dienst te neemen; op behoorlijk vandsoen en gagie aan der„ „zelver manschap, na voorgaande Exempelen; welke eerstgem: sComp: bodem pties /: ter uijtdeelinge om de halve maand ( zal kunnen werden ingescheepte ten eynde die kleijne vaartuijgjes daar door te verlietten, en tot het linnen loopen van riviertjes of kreegen hier en daar, niet te belemmeren, of hinderlijk te zijn. als wanneer in zulken gevalle, ook een goed vertrouwd inlands hoofd /: de situasie der Ceramse Cust kundig / over dezelve zal werden benoemd, en aangesteld, van wiens Raad en daad, tot des te geruster verzekerde aanslaeg, die der kruijsvaartuijgen zig in voorkomende gelegentheeden zullen kunnen bedienen; Gelijk insonderheijt mede nog, tot alle mogelijk bevorderinge van die Haar Hoog Ed:s zo salutaire Eyndens en oogmerken is goed gevonden, ten spoe„ „digsten herw:s te ontbieden, zeekere twee inlander van de negorie Ameth ten Eijlande Nussalaut, naemens Abraham Bahagia, en Louw kaij„ „roetane, die in den voorleden Jaere, door het Zwervend „ Van Amboina onder dato 25: maij 1768 z werdend Roofvolk opgelikt, en vervoerd geweest zynde, langs Ceram hebben omgedwald.:! tot veele, en diverse sodanige ontmoetingen aan dien oord, als de daar omtrend ter secretarie gepasseerde derzelve attestatien, dat is 6: en 11. xber: J:o L: , in omstande te behelsen komen, en vooren verm:de Jnstructien tot meerder licht in dezen, zullen werden bygevoegd; om alzoo gen: lieden in perzoon, op voorsz: kruijs„ „vaartuijgen te doen overgaan; ter aanwijdinge der plaatzen, bij die hunne relaesen, zo uytdrukkelijk genoemd en beschreven; Terwyldus ten defen een goeden uytslach verhoopt werdende, hier van meede bij eerste occasie, na de Gouvernementen Banda, en Ternaten, de nodige kennisse zal gegeven werden /onderstond:/ Aldus gedaan en Geresolveerd tot Amboina aan 't Casteel victoria dato als vooren /:w: Gotekend/ G. L. v: Beusechem, J. A: de Villeneure, A. F: Baudouing, C: F: Frena en Joh:s Houthuijn /lager/ Accordeert /1e: get:)E Homma Amboina onder dato 25: maij 1763 6 Dingsdag den 1:' Februarij 1763 Alle Present Thans ingevolge voorgaande onse aparte Resol: van 24. der gepasseerde maand Januarij, door den E: apperk: en p:l gezaghebber dezes Gouvernements, aan de vergade„ „ring in Consideratie gebragt zijnde, of men nu, mits de 't zevert aangekomene daar bij vermelde Chialoupen Nagapatnam, De Nagel en Nooteboom, die ne„ „vens den toen reeds gearriveerden barcq de Lieftalige, blykens 't ter voorsz: Resol: breedvoerig g'oxtandeerde, door Haar Hoog Ed:s de Jndiase hooge Regeering tot Batavia, ter bekruysing langs de geheele Ceramse Cust dit heen zyn gezonden geworden, niet wel de nodige schickingen zal dienen te maken, en alles Reguleeren kunnen, om gem: vaartuijgen in tijds, in zo spoedig mogelijk, daar toe van hier verder voort te schicken, en af te depecheren! in Com„ „municatie teffens hoe aan 't gearresteerde ten voormelde dage, volgens ontfangen schrijvens van de hoofden der Comptoiren Haroeko en Mani„ „pa, datis 5 en 12. febr: in opzigte de g'eijschte orembaijs uyt die districten, ten dienste van gem: kruysvlootje, door Excusen der Jnlandse Hoofden, zo wegens ziektens! onder hare negories 83

NL-HaNA_1.04.02_3094_0370 view scan ↗

English

From Amboina, dated 25th May 1763 villages and people, as their continuous vigilance and power are constantly required for the defense of their own shores against the wanderers who present themselves so frequently everywhere in these waterways nowadays, can by no means be fulfilled; Also because outside of the aforementioned places, in these entirely precarious circumstances of the time, he knew of no other opportunity to obtain such vessels; wherefore having also learned from the Equipagemeester that most of those cruising vessels were provided with a passable boat, and those still lacking could in any case well be spared from here for so long; the necessary orders had already been given and care had been taken in that regard; that each of the aforementioned vessels shall carry a good, sufficient boat, for such use as is expressly recommended and enjoined in the Instruction already prepared for the chiefs of this Commission yet to be appointed; wherefore His Honour testified to have already spoken to and conferred in advance with the said Equipagemeester, together with all four commanders of the aforementioned cruising vessels, who all deem such to be practicable enough. Consequently, only in further accordance with From Amboina, dated 25th May 1763 the aforementioned our separate Resolution, shall we proceed with the ordained appointment of a Chief over the aforementioned cruising fleet: several of the company servants having been nominated for this by His Honour, it was agreed to nominate and appoint from among them all, as a very capable and experienced person for such, the military ensign Albertus Michiel van den Eijnde, having formerly served in the state of lieutenant, conferring upon him at the same time, for even greater encouragement on that Expedition, in the place of the military Lieutenant of this Garrison, Harman Pietersz: Pijma, who passed away a few days ago, such quality pro interim, subject to the hoped-for approval and further favorable appointment of Their High Mightinesses; in order to subsequently assume, in that manner, the general authority and Command over the aforementioned cruising fleet upon the bark De Lieftallige, whose commander Joh:s Jac:s de Frein, under the aforementioned him pro interim Lieutenant van den Eijnde, shall hold the command over the navigation: It was further approved, for the handling of the required paperwork, to have the bookkeeper Joh:s Cappellhof sail along as the scribe of that Commission; In order to keep prompt notes of everything that might happen to occur on that voyage, for the submission of a distinct written report and daily journal upon return to this main station; While Finally 85 Amboina, dated 25th May 1763 From Finally it was also agreed, to determine and fix the departure of the aforementioned cruising fleet, after the aforementioned three lately arrived sloops have been entirely repaired of various defects /:taken in hand immediately after arrival:/ caused by severe winds and storms encountered, and have been provided with what is needed; at the latest by the ultimate of this current month of February, at which time they may still be at the Coast of Ceram well in time before the breaking of the East Monsoon, there being delivered and handed over at their dispatch, over and above the ordinary Instructions of our Annual cruisers /:which shall also be issued for information where necessary to the officers of all four aforementioned cruising vessels:/, the aforementioned Instruction, with the required Protests in the event of encountering any foreign European Nation, separately to the aforementioned Chiefs of that Expedition, during a suitable presentation of their persons before leaving this Roadstead; which latter Instruction it has therefore also been approved to insert herein, reading as follows: Order 87 From Amboina, dated 25th May 1763. Order and Instruction for the Pro interim Lieutenant, military Albertus Michiel van den Eijn- de, and the Commander on the Bark De Lieftallige Jan Jacob De Frein, standing as chiefs pro interim of the aforementioned vessels, together with the Sloops Naga- patnam, De Nagel, and Noo- teboom, to depart from here to cruise Along Ceram; in order to regulate themselves accordingly during that time. Valiant, Pious, Discreet, Whereas Their High Mightinesses, the High Indian Government at Batavia, under a separate letter dated 10 December of the expired year, and the relative Secret Resolution of 6 April prior to that, have been pleased to send hither; the four vessels mentioned in the heading hereof, with orders to this Government to appoint from among the Servants here From Amboina, dated 25th May 1763. here, a separate chief over the same; for further dispatch, not only to cruise along the entire Coast of Ceram, and all other places from which they might learn that, outside the aforementioned highly suspect Ceram, cloves might also be exported from and to elsewhere, or transported from there by other entirely unauthorized traders, but also to attack, overpower, and destroy by fire all vessels encountered at any of those places unlicensed by anyone /:outside the Dutch Company:/; as well as to inspect those whom they might encounter, either throughout those regions, or coming from there at sea, and upon finding them in possession of any of the three main spices, to sink the said vessels, and to punish with death the crew found thereon as spice thieves, in order thus once and for all to extinguish the desire for all such encroachments upon the most important branch of the Company's so very exclusive trade, and thereby to close the path which at present is, according to reports, quite fearlessly taken by daredevils.

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 25:' maij 1763 negories volkaren, als geduurig veroyscht werdende wraarsoor„ „heijd en macht, ter bewaringe hunner eijge stranden, tegens de heedendaagse alomme, zo menigvuldig zig vertoonende zwervers in dese vaarwaeters, met geen mogelykheijd kan werden voldaan; Alsoo buyten voorsz: plaatzen, in deze gantsch zorgelijke tijds omstandigheeden, geene andere gele„ gontheijd wiste, om aan diergelijke vaartuijgen te geraaken; waarom ook van den Equip: m:r vernomen hebbende, dat de meeste dier kruijs vaartuijgjes, van een tamelyke schuyt voorzien, ende nog manquerende in allen gevalle, wel zo lange van hier te missen waeren; bereids daar omtrend de nodige ordre gesteld, en gezorgd hadde; dat een ieder der voorzeijde kieltjes, en goede sufficante schuijt zal mede voeren, tot zodanig gebruijk, als bij de reeds in gereedheyt gebragte Jnstructie, voorde nog te benoemene hoofden deer Commissie, uyt drukkelijk staat gerecommandeert en aanbevoolen; weswegen zijn Ed: betuijgde, gem: den Equipagiemeester, nevens gezamentlijke de vier gezaghebbers der voorsz: kruijs bodemtjes, ook al voor af gesprooken en onderhouden te hebben, die zulks alle bestaanbaar genoeg zijn oordeelende. gevolgelijk dan maar alleenlijk in verdere ovrenkomste dor Van Amboina onder dato 25:' Maeij 1763 der voorzeijde onse aparte Resol:, met de geordonneerde aanstellinge van een Hoofd over voors:z kruys vlootjes zal dienen te werden voortgevaeren: zo wierd door gem: zyn Ed: verscheijde der dienaren hier toe voordragen zijnde, verstaan uyt alle die, als een zeer geschikt en bedreven per„ „zoon, tot zulks te nomineeren, en aan te stellen, den vendrig militair Albertus Michiel van den Eijnde eertyds aen staat als luytenant gediend hebbende, met den zelven teffens, tot des te meerder Encoura„ gement op die Expeditie, in steede van den 't zedert weijnige daegen overl: Luijtenant militair dezes Guarnisoens, Harman Pietersz: Pijma, zodanige qualiteijd, ter verhoopte goedkeuringe, en verdere genstige aanstellinge Haarer Hoog Ed:s p:l toete voegen; om vervolgens op die wijze in generaal gezag en Commando overmeerm: kruijs vlootje, op den barcq de lieftallige te moeten overgaan, welkers gezaghebber Joh:s Jac:s de Frein, onder voorm: hem p:l luijtenant van den Eijnde, 't Commando over de zeevaard voeren zal: Jn goed„ vinden wijders, omme ter waarneminge van 't vereyschte schrijfwerk, den boekhouder Joh:s Cappel„ „hof, als scriba van die Commissie te doen medevaren; Ten eijnde van alles wat op dien toght mogte koomen voor te vallen, prompte aanteekeninge te houden, tot het overgeven van Een distinct schriftelijk rapport en dagregister, bij retour aan deze hoofdplaatse; Terwijl Eindelijk 85 Amboina onder dato 25: meij 1763 Van Eyndelijk nog verstaan wierde, 't vertrek van meerm: kruijsvlootje, na dat in tusschen, de voors: laast g'arriveerde drie Chialoupen van verscheijde /:al aan„ „stonds naar aankomst onder handen genomen:/ defecten, door beloopen zwaare winden en onweder, geheel en al verholpen, en van't nodige zullen voorzien zijn; Jndiervoegen te bepalen en vast te stellen, op uijterlijk ult:o dezer lopende maand Februarij als wanneer nog tydig genoeg voor de doorbroeke der Oostmousson, aan Cerams= Custe wezen kunnen, zullende bij derzelver depeche, boven en behalven de gewoone Jnstructien onzer Jaarlijxe kruijssers :/ die ook meede aan de overheeden der gezamentlijke meer voorm: vier kruijs vaartuij„ „gen:/ ten narigt daar nodig:/ zullen werden afgege„ „ven, de voorwaards genoemde Jnstructie, met de vereijschte Protesten bij ontmoeting van eenigen vreemde Europeese Natie, aan voorm: de Hoof„ „den dier Expeditie, onder eene gevoegelijke voorstellinge haarer persoonen voor't verlaaten dezer Rheede, aparte werden ter hand gesteld, en overgegeven; welke Laastgem: Jnstructie derhalven ook is goedgevonden, hier bij te Jnsereeren, luijden dezelve als volgd:— Ordre 87 Van Amboina onder dato 25: meyj 1763. Ordre en Instructie voor den P:o Luijtenant, militair Albertus Michiel van den Eijn„ de, on den Gezaghebber op den Barcq De Leeftallige Ian Jacob De Frein, staande als hoofden p:r evengem: bodemtjes„ nevens de Chialoupen Naga„ patnam, De Nagel en Noo„ „teboom, van hier ter bekruij„ „sing Langs Ceram te ver„ „trecken; omme zig geduurende dien tijd daarna te Reguleeren Manhafte, Vroome, Discrete, Aangezien Haar Hoog Edelh:s de Jndiase hooge Regeering tot Batavia, onder aparte missive dato 10. December A:o vervangen, en daar toe Relatieve Secrete Resol: van 6: April bevoorens, hebben gelieven her w:s te zenden; de vier in hoofden deses gem: vaartuijgen, met ordre aan deze Regeering, omme uyt de Dienarin alhier Van Amboina onder dato 25: meij 1763. alhier, een apart hoofd, over dezelve te stellen; ten dapeche verder, om langs de geheele Ceramse- Cust, en alle andere plaatzen, van waar verneemen mogten, dat buijten het voorzeyde zeer suspecte Ceram, ook nagelen mogten uijt, en na elders heen, ofte wal door andere ten Eenenmale ongepermitteerde handelaars, van daar vervoerd werden, niet alleen te kruijssen, maar ook alle op die van een Jegelijk /:buijten de nederlandse Maatschappije :/ ongelicentieerde plaatsen, ontmoet werdende vaartuijgen, te attacqueeren, te overmeesteren, en door 't vuur te doen vernielen: mitsg: die geene, dewelke haar 't zij door die Cantrijen, of wel in zee vandaar komende, mogten Recontreeren, te doen visiteeren, en bij bevinding en dezelve van Eenige der drie hoofd specerijen, ged:t bodemptyes in den grond te dooren, ende daar op gevonden werdende Manschappen, als specerije dieven, met de dood te doen straffen, om Eenmaal dus te beneemen, den Lust, tot alzulke onderkruijpingen, in den Jmportantsten tak van sComp: zo privativen handel, en om daardoor toe te sluijten, dan weg die althans door Waaghalsen, na de berigten vrij onbevreest werd

NL-HaNA_1.04.02_3094_0375 view scan ↗

English

89 89 From Amboina, dated 25:' May 1763. was embarked upon: so, in furtherance of those so salutary ends and objects of Their High Mightinesses, we have, in our meeting of the 15: instant, resolved and determined to commission and appoint the first named of Your Honours for that purpose. Wherefore, as the head in general command over that expedition, you shall have to embark upon the aforementioned bark De Lieftallige, whose aforementioned commander, Johannes Jacobus de Frein, will hold the command over the navigation under Your Honour, and will further be able to govern himself together with Your Honour according to these written instructions, which we have likewise, on the special order of the said Their High Mightinesses, deemed necessary to deliver into Your Honours' hands for that voyage; serving for this purpose, firstly, that in order to give this combination some prestige, and in case of any encounter with foreign vessels or ships, to have a certain order and rank observed, we qualify and order Your Honour, immediately upon leaving this roadstead, to let the pennant fly from the main topmast on the aforementioned bark De Lieftallige. And by the other vessels, the rank must always be given to that of Your Honours, both in sailing and in other occurrences where such or also perhaps From Amboina, dated 25: May 1763 different destination of persons might be necessary; under the general obligation to faithfully help and assist one another at all times, with word and deed, in all matters, perils of the sea, and unexpected encounters: so that after the receipt of the dispatches, thus having weighed anchor combined, and having gotten outside this cove, the course must first of all be set according to the annexed sailing orders for those around southeast Ceram. In order, at this present time, to be able to fulfill in the most convenient manner the aforementioned highly esteemed intention of Their High Mightinesses to cruise along the entire Ceram coast, for which purpose also those for the north, as well as the usual instructions of our annual cruisers which will serve as information there when needed, accompany these, and have been issued in the same manner to the heads of the other vessels; while we furthermore principally recommend and enjoin upon Your Honours in all this the punctual observation of that which, as aforesaid, the said Their High Mightinesses were pleased to order so earnestly in the aforementioned secret resolution and separate letter; namely: To all 91 From Amboina, dated 25: May 1768. To attack, overpower, and destroy by fire all such and other foreign vessels on that suspected coast, from where, as we hear, cloves are said to be transported and carried elsewhere by Macassar and other Bugis traders, or if met with at any places unlicensed outside the Dutch Company, as well as to inspect those which they might encounter, whether along those regions or coming from there at sea, and upon the discovery therein of any of the three principal spices, to scuttle the said vessel and bring the crew found thereon hither, in order to have them punished with death as spice thieves, and thus to wholly take away the desire for all such infringements upon the most important branch of the Company's so exclusive trade, and thereby to close off the path which, according to reports, is currently being taken quite fearlessly by daredevils: For the best success and execution of which, Your Honours shall always deliberate together as necessary, and, the circumstances so requiring, take counsel with the other authorities of the aforementioned vessels, or rather their commanders, From Amboina, dated 25: May 1768 commanders, and may also use their accompanying boats to enter the small rivers and creeks in which smugglers might sometimes harbour their vessels, to inspect them, and to haul them out from there: just as we in this respect expressly recommend to Your Honours not to leave unvisited those of Oerong Batoelomi, Batoeassang, Hatoemetten, Kissalauw, Werinama, and Haija, where, likewise according to reports, various Bugis and Macassar vessels, laden with cloves, are said to have been recently found, which are lying ready only waiting for the first convenient opportunity of the upcoming east monsoon for the return voyage; just as above all Kelang, Ceram Laut, and Pulau Gisser, from of old renowned as smugglers' nests, circumstances permitting, and furthermore all the native villages lying on the south-east coast of Ceram from Quamoer up to and including the aforementioned Haija, may well be kept in view for a similar inspection. Above all taking care that during any such landings, or also to fetch water or firewood, the said boats are always well manned and armed, and that your vessels are and remain in a position to cover the shore with their

Dutch transcription

89 89 Van Amboina onder dato 25:' meij 1763. werd ingeslaagen: zoo hebben wij ter bevordering van die Haar Hoog Ed:s zo salutaire Eyndens en oogmerken, in onse vergadering van 15: deezes goedgevonden en verstaan, den Eerst genoemde Uwer E:s daar toe te committeeren en aan te stellen. Weshalven als hoofd in generaal Commando over die Expeditie, zig zal hebben t' bin„ barqueren, op boven voorm: den Barcq de Lieftallige welkers gen: gezaghebber Joh:s Jocobus de Frein, onder UE: het gebied over de zeevaard voeren, on zig wijders nevens UE: zal Reguleeren kunnen, na deze schriftelijke Jnstuctie, die almede, op Speciale last van ged:e Haar Hoog Ed:s hebben nodig g'agt, U E:s tot dat Reisje ter hand te stellen; dionende hier toe voor Eerst, dat om deze Continatie eenig aanzien bij te zetten, en in Cas van Eenigen ontmoeting van vreemde vaart, of scheepen, zekeren ordre en rang te doen observeeren UE: qualificeeren, ongelasten, omme direct, met 't verlaeten dezer Rheede, den Wimpel van den grooten steng, op voorm: burcq De Lieftallige te laten afwaeijen. En door de andere vaartuijgen, aan van gem: dat van UE:s altoos den rang zoo in 't zeijlen, als andere voorvallen, daar zulks /: ofte ook wel Van Amboina onder dato 25: mey 1763 valdinigen destinutie van perzoon :/ noodig zyn mogte gegeven zal moeten werden; onder dien generaelen ver„ „pligting, omme 't' aller tijd, elkanderen in alle zaeken, zeenooden, en onverwachte ontmoetinge getrouwelijk met Raad en daad te helpen, en by te staan: zoo als dan naar ontvangst van derzelver depeches, dus gecombineerd ankergelegt, en /:dezen inham buijten geraakt zijnde :/: aller eerst Cours gesteld zal moeten werden, na nevens gevoegde zaijlaas ordres, van die om sz: Ceram. Ten eijnde in deze Jegenswoordige tijd, op de gevoegelijkste wijse, aangedagte Haar Hoog Ed:s veel g'eerde intentie te kunnen voldoen, tot het langs kruijssen der gantsche Ceramse=Cust, waar toe teffens, die om de noord, zo wel als de gewoone Jnstructien onser Jaarlijxe kruijs„ „fers /: ten narichte daar te passe komen zullen:/ deesen mede versellen, En in zelver voegen aan de Hoofden der verdere vaartuijgen afgegeven zijn; Ter„ „wijl voorts UE:s in allen dezen, principaal Recom„ „mandeeren in aanbeveelen, de punctueele observantie van het geene /:als voor zegd:/ gem: Haar Hoog Ed: bij voorsz: Secrete Resol: mapate missive, zo ernstig hebben gelieven te ordonneeren maante schrijven; te Weeten Omts. 91 Van Amboina onder dato 25: meij 1768. „Om alle te dier suspecte Cust, van waar /:zo als vernemen/ „door Maccassaarse, en andere Bougineese handelaars, „ Nagelon vervoerd, en elders heen gebragt zouden werden, „ ofte op Eanigen /:buijten de Nederlandse maatschappije/ „ongelicentieerde plaatzen, ontmoet werdende zodanige „en andere vreemde vaartuijgen, te attacqueeren te „overmeesteren, en door het vuur te doen vernielen, „mitsgad:s die geene, dewelke haar 't zij door die „Cantrijen, of wel in zee van daar komende, mogten „recontreeren, te doen visiteeren en bij bezinding „in dezelve, van Eenige, der drie hoofd specerijen, „ged:e bodemtje in den grond te booren, ende daar „opgevonden werdende manschap, herwaards „op de brengen, om als specerie dievan, met de dood te kunnen doen straffen, en Eenemaal „dus te beneemen, den rust tot al zulke onder„ „kruijpingen, in den importantsten tak, van sComp: zoo privatieven handel, en om daar door toe te sluijten den weg, die althans door „waaghalsen, na de berigten wrij onbevreest werd „ingeslagen: Ten welkers teste succes en verrigtingen, UE:s althoos te samen 't noodige overleggen, En /: de omstan„ „digheeden zulks vereijschende :/ met de verdere overheeden der voorm: vaartuijgen, ofte wel dies gezaghebbers Van Amboina onder dato 25: mey 1768 gezaghebbers zullen raad gelegen, als ook der zelver bij hebbende schuijten gebruijken kunnen; om de Reviortjes, en kreeken, in welke somwijlen, sluijkers met hun vaartuijgen zig onthouden mogten; binnen te loopen, te visiteeren, ende zodanige daar uyt te haalen: gelijk inzonder„ „heijd Uw: ten dien opzigte wel Expresselijk recom„ mandeeren die van Oerong Batoelomi, Batoeassang Hatoemetten, kissalauw, Werinama, en Haija„ alwaar /:insgelijx na berigten :/ zig Jongst diverse Bougineese, en macassarse vaartuijgen, /: voorzien van Nagelen:/ zouden bevonden hebben, die maar alleen op de eerste bequame gelegentheijd der voor„ handen zijnde, oost mousson, ten Retour wachten inklaar leggen, niet onbezogt te laaten, dven als voor al ketting, Ceram Laut, en P:l gisser, van ouds befaamd voor sluijk neston /: de gelegent„ „heijd zulks toelaatende :/ en verder alle de aan den zo Cust van Ceram leggende Negorien van quamoer af, tot geheel aan 't voorm: Haija, ten diergelijke visite, wel in 't ooge zullen mogen gehouden werden. voor al zorgedragende, dat bij Eenige diergelijke landinge, ofte ook om waeter of brandhout te zoeken, gem: schuijten altijd wel bemand en gewaepend, mitsgaders uw ook in staat zijn en blijven, om de wal met hun &

NL-HaNA_1.04.02_3094_0379 view scan ↗

English

93 From Amboina, dated 25 May 1763. to reach their artillery, and to be able to protect them against unforeseen accidents or surprises: for which reason one must not too lightly, through dubious enterprises, recklessly venture or expose oneself to consequences that would afterwards be very lamentable, and certainly not agreeable to us, as experience in those regions has unfortunately already taught on several occasions: since, for the rest concerning this expedition, we have nothing special to command or caution Your Honors with (the aforementioned being indeed the sole and principal purpose), other than that upon occasionally encountering at that coast, or also other islands subordinate to this province, any foreign European nations, there shall immediately, pursuant to the 18th article of the ordinary cruising instructions annexed hereto above, be sent on board all such ships or vessels two suitable soldiers, equipped only with sidearms, and without much circumstance or holding any discourse, they shall cause to be delivered to the commanding officer of each such craft or vessel such written protest as, to that end, 16 identical copies have been added hereto for distribution among From Amboina, dated 25 May 1763. the other vessels as well, having to take good care that the Company's respect and rights are never infringed upon by any unnecessary arguments, and especially that by improper encounters with such strangers not the least occasion be given for any well-founded complaint about any impoliteness; and finally, so that it may appear that everything contained in these instructions has been observed and complied with as far as possible, the accompanying clerk, the bookkeeper Johannes Cappelhof, must keep neat daily notes of all that occurs during that voyage, in order to hand them over upon return here, which must be by the month of August at the latest, so as still to be able to undertake the voyage back to the capital before the end of the east monsoon (likewise according to the aforementioned highly esteemed orders of Their High Excellencies). Trusting that in this regard they will duly discharge their duty and behave in all matters 95 From Amboina, dated 27 May 1763. as becomes alert leaders, prudent commissioners, and honor-loving servants. And wishing Your Honors and the crew a safe and prosperous voyage, as well as a successful expedition, we commend you to God's blessings, greeting as, underneath stood, Your Honors' good friends, was signed: G: L: van Beusechem, J. A. de Willeneuse, A. F. Boudouin, C: F: Trena, J. C. Cruijpenning, and J. Houttuijn; in the margin: Amboina Victoria, 25 February 1763. Lower: P. S. concerning the reports mentioned herein regarding the Bugis and Macassar vessels which are said to be staying at various specified places on the coast of Ceram for the illicit trade in cloves: there are also attached hereto the depositions taken in that regard at our Secretariat by two natives named Abraham Bahagia and Louis Kaijroetane, both from the village of Ameth on the island of Nussalaut, whom we have also caused to cross over in person to Your Honor's vessel for all possible enlightenment and guidance, From Amboina, dated 23 May 1763. in order to make use of those men when occasion arises; just as we likewise send along two extracts from the missive received from Their High Excellencies dated 28 December 1762, together with two extracts from their very resolutions of 16 and 19 November of the aforementioned year 1762, containing orders on the one hand to apprehend, if possible, a certain inhabitant of Keffing named Radja Patter, who is said to have been at Pulau Ai under the jurisdiction of Banda last year with a Ceram vessel and to have committed many hostilities there, in order to be sent further to the capital; and on the other hand a recommendation to have an investigation made regarding the condition of the seabed and the bay of Sawaeij, to report whether the same are foul or how they are conditioned; in which matters, for their own honor and reputation, we recommend and enjoin upon Your Honors all possible attention and vigilance. Underneath stood: Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria, date as above. Was signed: G. L. V. Beusechem, J. A: De Villeneuve, A. F: de Baudoum, J. Emants, G. A. De S:t Glain, W. de Bouroust, E. F. Treno, and J. Houttuijn. Lower: Agrees. Signed: E= Homma

Dutch transcription

93 Van Amboina onder dato 25: mij 1763. hun geschut te bereijken, en haar voor onvoorsiene toevallen of overrompelingen te kunnen beschermen: waarom niet te licht door twijffelachtige onderne„ „mingen, Reukeloos zig zal moeten waagen of bloot stellen, aangevolgen ! die naderhand te zeer beklage„ „lijk, en ons zekerlijk, met aangenaam wezen zouden, zoo als ten Leedwezen, de ondervindinge aan die Contrijen, reeds meermaelen heeft geleerd: vermits voor 't verdere desen togt aangaande, Uw: niets bijzonders /: als 't voorm: wel 't Eenigste en voornaamste oogmerk zijnde :/ te beveelen, of te wvinneren hebben, dan dat bij ontmoetinge Somwijlen aan dien Cust, ofte ook wel andere deze provincie onderhoorige Eijlanden, van deze of geene vreemde Europeese Natien, aan alle zulke schepen of vaartuijgen, terstond na 't 18: articul van voren verm: dezen g'annox„ „eerde ordinaire kruijs Jnstructien twee van de geschikte militairen, Eenlijk met zijd geweeren aan boord zal moeten zenden, en sonder veele omstandigheeden of eenige discoursen te houden, aan den Commandeerende Officier van ieder zulke bodems of vaartuijgen, doen overhandigen, zodanig schriftelijk Protest, als ten dien eijnde 16: stuks Eensluijdende, tot verdeelinge meede, op Van Amboina onder dato 25: meij 1763 op de andere vaartuijgen, evan Eens desen zyn bijgevoegd, wel te letten hebbende, dat sComp:s Respect en rechten, door deze of geene onnodige Raisornementen, nooijt gekrenkt, en insonderheijd door onbehoor„ „lyke ontmoetingen aan zulke vreemdelingen, de minste occasie tot Eenigen fundamenteele klachtig, over deze of geene onbescheijdentheijt gegeven werden; zullende eyndelyk op dat mog komen te blijken, al 't geene in dese Jnstructie vervat, na mogelykheyt betracht, en in acht genomen geworden is; vandag toe dag, door den daar toe mede vaerende, scriba den boekhouder Johannes Cappelhof, nette aanteekening moeten gehouden werden, van al wat op dat Reisje komt voor te vallen, om bij Retour alhier, dat uijterlijk tegens de maand Augustus zijn moet ten eijnde nog voor het uijt eynde der oostmousson; /:almeede na voorm: Haar Hoog Ed:s veel g'eerde ordre:/ den Reese weder na de hoofdplaatse te kunnen onderneemen, overgegeven te werden. In vertrouwen, dat zig hier omtrend behoorlijk van hunnen pligt quijten, en in alles zodanig gedragen 95 Van Amboina onder dato 27:' meij 1763 gedragen zullen, als wakkere hoofden, verstondige Commissianten, en Eerlievende Dienaaren toekomt te doen. En waar toe dan Uw E:s en manschappen een behoude„ en voorspoedige reijze, mitsg:s geluckige Expeditie toewenschende, aan godes zegeningen bevelen, in groete als /onderstond/ UE:s goede vrienden, /:was getekend:/ G: L: van Beusechem, J. A. de Willeneuse, A. F. Boudouin, C: F: Trena, J. C. Cruijpenning, en J. Houttuijn; /: in margine:/ Amboina Victoria den 25: februarij 1763 /lager:/ P: S: wegens de hier inne vermelde berichten ter Bougineese en Macassaarse vaartuijgen, die op diverse gespecificeerde plaat„ „sen aan Cerams=Cust, ten morshandel in Nagelen: zig onthouden zouden: zijn dese meede bijgevoegd, de dientwegens ter onzer Secretarie g'passeerde attestatien door twee Jnlanderen, naemens Abraham Bahagia, en Louis Kaijroetane beijde van de Negorie Ameth ten Eijlande Nussalaut, welke teffens tot alle mogelijk licht en aanwijzinge in perzoon op Uw E:s bodemptije hebben doen overgaan Van Amboina onder dato 23:' meij 1763 overgaan; om zig van die menschen bij gelegenth:d te kunnen bedienen; zoo als in zelver voegen ook verzellen laeten, twee Extracten uijt haar hoog Ed:s s:t ontfangen missieve dato 28. Xber: 1762. nevens twee d:o hoogst derzelver Resol: van 16 en 19 gb er: des evengemelden Jaars 1762:, houdende ordre aan de eenekant, om zeker Jnwoonder van keffing in noeme Radja Patter, die a:o p:o met Een Corams vaartuijg op p:lo Aija onder 't Resort van Bandu zoude geweest en veele hostiliteyten aldaar geploegt hebben, des mogelijk op te lichten, om verder na de hoofd„ plaatse te werden gezonden; en ten anderen Eene recommandatie, om nopens de gesteldheijt der gronden en den bocht van zawaeij onderzoek te laten doen, ten opgave of dezelve vuijl, dan wel hoedanig die gesteld zijn, waar omtrend in een en ander tot eijgen derzelver honneur en Reputatie, UW E. alle mogelijk attentie en vigi„ lantie Recommandeeren en aan beveelen /onderstond/ Aldus gedaan en Geresolveerd tot Amboina aan 't Casteel victoria dato als vooren /w:t getekend:/ G. L. V. Beusechem, J. A: De Villeneuve, A. F: de Baudoum, J. Emants, G. A. De S:t Glain, W. de Bouroust, E. F. Treno, en J. Houttuijn. /lager / Accordeert. /get:/ E= Homma

NL-HaNA_1.04.02_3094_0383 view scan ↗

English

Amboina, dated 25 May 1763. From Today, 11 December 1762. By honorable order of the Right Honorable Lord Meyert Johan van Idsinga, Governor and Director of this Province; appeared before me, Wolfert Johannes van Lingen, Junior Merchant and Secretary of Policy, and the witnesses to be named hereafter, the first native Louis Kayroetane from the village of Ruelle on the island of Nussalaut, about eighteen years of age by appearance, who has come to relate and declare that about nine months ago, or in the month of April last, following the Radja of that village, having crossed over with three orembaais to Ama Elij to fish, and as such having proceeded further to and around Elepapoetij where they stayed for two days, and wishing to return further along the shore of Latoe hoaloy to their aforesaid village, there during the crossing slightly seaward through an unexpected encounter with nine Papuan korra-korras, two of their aforesaid orembaais and thereby also he, the deponent, came to fall into the hands of those plundering peoples. While the third, on which the aforementioned Radja found himself in person, fortunately escaped that danger, he, the deponent, along with 15 more of his fellow villagers from the aforementioned orembaais, which those pirates let drift, were distributed among the abovementioned korra-korras, the deponent alone being transferred onto one of them, but at his request to remain free from bonds, was immediately employed as a massanaijer, or rower. Whereupon, after the passage of two days, they first came before the village of Haija. 97 From Amboina, dated 25 May 1763. Haija, where three Ceramese junks lay at anchor, from which swivel guns were fired so fiercely at the aforementioned Papuan korra-korras that these did not dare to approach the shore, and thus keeping to sea continued to Ceram Laut, where at a small island, believed to be named Pulau Guoffa, only the eight of them came to anchor, as the aforementioned ninth of these korra-korras had been dispatched to the village of Quamoer, situated at the east end of Great Ceram, to inquire and find out whether they would wish to buy or ransom any of the plundered and other carried-off people gathered together. And for that reason, awaiting this, they also stayed for five days off the aforesaid island, without any of the island's peoples coming on board them, nor did any of those Papuan pirates go ashore, but they had only been out daily in the vicinity catching turtles, until, seeing the just-mentioned ninth korra-korra not appear and remain behind, they departed from there and shaped their course along the North Coast to Rarakit, at which latitude having arrived, likewise none of all those pirates went ashore, nor any of those village peoples; but however, on the other hand, two Papuans from the crew of the just-mentioned ninth korra-korra came on board the one on which the deponent was with a small proa, with the news and report that upon their arrival at Quamoer, the so-called oetoesang, or envoy of the King of Tidore, present there at that time, From Amboina, dated 25 May 1763. Tidore, had caused the head or nachoda of their vessel, as well as mostly all the people of that korra-korra, to be put to death, and that the two of them had escaped this by flight. Meanwhile, those of Rarakit, also shouting to them, had asked that if they had any Company subjects on board, they might just bring them ashore for ransom or sale; to which, however, they did not seem inclined, but at that time the deponent's korra-korra, having separated from the rest, sailing on to the island of Salwatti and there having fruitlessly attempted the sale of him, the deponent, to the Captain on that island, in view of his counter-offer of a swivel gun and a large dish, brought him on the fourth day thereafter to Romazoal. Where, by the head of his korra-korra, alongside another of his fellow villagers and unfortunate companion in misfortune named Anthonij Pattij, he was bartered to a certain Macassarese nachoda, unknown to him by name, who was present there with a large junk for trade in tripang and massooi, for some linens and 12 parangs. Who afterwards, because they declared themselves to be Company subjects, sold the deponent alone, and without the just-mentioned Anthonij Pattij, whom nobody wanted to have because of a defect and injury to his feet, back to the Captain of the mentioned Romazoal for a gong, a large dish, 3 pieces of white guinees, 3 pieces of brown-blue salempores, and a small piece of Bouton cloth, and 99 3

Dutch transcription

Amboina onder dato 25: meij 1763. Van Heeden den 11: december 1762. Ter G'eerde ordre van den wel Ed: agtb: Heer Meijert Johan van Jdsinga Gouverneur en directeur deser Pro„ vintie; voor mij wolfert Johannes Van Lingen ondercoopman en secretaris van Politie en na tenoemene Getuijgen gecompareerd zijnde den Eersten Jnlander Louis Kaijroetane vande Negorije RueltE. ten Eijlande Nussalaut oud na aanzien Achtien Jaeren zo is den zelven komen te relateeren en verklaren dat voor Circa Negen Maenden of wel inde maend april J: L: ingevolg vanden Radsa dien Ne„ gorie met drie ovembaijs overgestoken zijnde naer Ama Elij om te vissen in zulks almede zijn voor't geschept nae; en omtrend Elepapoetij alwaer Twee dagen hun onthouden, en voorts nae voorsz haere Negorie hebbende willen te rug keeren Langs de wal van Latoe hoaloij aldaer in't oversteeken een weijnig zeewaerds door onver wagte ont moetinge van negen Papoerse Corre Corren Twee der voorzeijde hun orembaijs en daer mede ook hij relatant! in't gemeld, dier roof volkeren te vervallen quamen Terwijl de derde en waerop voorm: Radja zich inzerzoon bevonde dat ge vaer Ge luk zig ontkomen wez ende, hij relatant met nog 15: zijne mede negories volkeren uijt voorm onen Baijs /welke die roovens drijven lieten bij verdeelinge op boven voorm: Corra Coura's door hij relatant alleen op een derzelven overgehaald zijnde. dan, op ver zoek /:om vrij van binden te blijven:/ aenstonds tot Massanaijer /:roeijer:/ is G'emploijeerd ge„ worden. Waerop na verloop van twee dagen zeerst zijn gekomen, tot voor den negorije Haija 97 Van Amboina onderdato 25 meij 1763 Haija alwaer drie Ceramse Jonken geankert leggende vandezelve uijt Rantakken op voorm die Papouase Corre Corras Z'erig Geschoten wier de dat dese die wal niet naederen dorsten en het dus in zee houdende naer ten am Laut voortzetten al waer hij een kleijn Eijlandje /:zo vermeende P:lo Guoffa genaemd /alleen met hun acht en ten anker quamen, alzo voorm: Negende dier Coura Corras Gedepecheerd waere nae de aen't oost Eijnde van Groot Eer aenleggende Negorie qua moer om te vernemen en te onderst aen ole aldaer gene der bij Een geroofde en meer andere omge„ voerd werdende volkeren koopen, of inzouden willen lossen; En weshalven dan, ter dies inwachting ook vijf dagen onder voorsz: dat hij landse verhoefden; zonder dat aldaer Eenige slands volkeren bij hun aandoord geko„ men, noch ook niemand dier Papouase roo„ vers aenland gegaen maer alleenlijk daerom„ streeeks, dagelijks op 't vangen van schil padden uijtgeweest waeren: tot dat ziende evengem: Negende borra Cornas niet op te dagen, en achter wegen te blijven vandaer vertrocken; eu Cours naemen Langs N: Claar na Rarakt, op welke hoogte gekomen wezende al insgelijks geen van alle die rovers aende wal, noch ook geene dier Negories volkeren; doch echter daer en tegen Twee Papoijen uit den manschappen van evengen: Negende Corre Corras met een praauwtje op dien waert op hij relatant zich bevonde aenboort gekomen waeren met tij ding en blricht, dat hij aenkomst op quamoer den aldaen te dien tijd aanwezigen zo genaemden oetoesang, of zendeling des konings van Tilor Van Amboina onder dato 25 meij 1763. Tidor, 't hoofd of Anachoda vandat hun vaertuijg zo wel als meerendeels alle die Corra Corras voe„ keren had doen om 't leven brengen, en zij beijde, zulks door hun vlucht ontkomen waeren Intusschen dat die van Rarakit een mede toe„ roepende gevraegd hadden, dat zo eenige sComp onderdanen aenboord hebben, mocht endezelve maer ter inlossinge of verkoop aenland zouden brengen; doch waer toe echt er niet genegen scheenen maer doenmaals /:zijn relatants Corre Corre vande overige Gescheijden:/ door scheppende, na't Eijland sal wattij en /:aldaer vrugteloos den verkoop van hem relatant aanden ten dien eijl onde zijn den Capitain, mits desselfs tegening bod:s van Een rantakka, en een groote schootel Getenteerd hebbende / voorts den vierden dag daer aan hem tot Romazoal overbrachten; Alwaer door 't hoold zijner Corra Corra nevens nog een zijner mede Negories volkeren en ongelukkige tot genooten: naemens Anthonij Pattij aanzekeren Maccassaersen /: hem bij naemen onbekende:/ Nachoda welken met een groote Ionk, ten han del van Ripangs en massooij, aldaer present waere, voor eenige Lijwaeten en '12 Parrings verruijld wierde; oock die naderhand, uijt hoofden, Itun declareerden sComp: onder„ dan en te wezen, eem relatant alleen en zonder evengem: Anthonij Pattij die nie„ mand om eenigh Gebrek en accidenten aandesselfs poeten: hebben wilde :/ weder heeft verkogt aan den Capitain van Gem: Romazoal voor bengom een groote schootel, 3 P:s witte guinees 3 P:s Salemp:s br bl: en een bout ons kleedje en 99 3

NL-HaNA_1.04.02_3094_0386 view scan ↗

English

From Amboina, dated 25 May 1763 in whose service, together with other people of his negorij, he remained for two months without any mistreatment; until the aforementioned, asking him as well as other companions of his whether he wished to remain there or return elsewhere to his negorij, in which case he could have him transported to Ceram, and he, requesting the latter, was then sent once again to the previously mentioned Rarakiet and was there sold to a common native for some linens. From where he was subsequently, after two days, transported upon request by the people of that negorij to Oerdeng and was sold yet again, and thus for the third time, for 4 pieces of white guinees, 1 piece of brown-blue salempoeris, 4 pieces of Macassar cambays, one Ambonese and one Butonese cloth, to a certain resident of that negorij named Hadje. By whom he declared, circa two months after that date, having once been taken along to Poelo Gisser, he then also saw and met there the orangkayas and chiefs of the negorijs Quamoer, Goeli-Goeli, Anna-Eina, Batoeloin, and the frequently mentioned Oerong, who together in a joint meeting—which was attended by him, the relator, in person before the house of the orangkaya present there—had entered into a mutual pact, agreement, and pledge for mutual assistance and united defense should it happen that on the Company's part any harm should befall one or another of their negorijs; just as he had already, upon his very first arrival at the aforementioned Oerong, found there a Macassar 101 from Amboina, dated 25 May 1763: Macassar junk manned with Mandarese, whose anakhoda's name was unknown to him, but who said that he, with all his people, had been lodged in that negorij at the house of a certain man named Soeroeang, and from whom in person, as well as in general in that place, he had understood and learned that they had come there expressly to seek out cloves, and for that purpose also carried all kinds of Macassar linens, gums, rantakkas, flintlocks, copper kettles, krisses, bar gold, and many other goods; and just as he, the relator, further testified to having seen that, in exchange for such trade goods, six bags of those spices were obtained from the aforementioned Soeroeang, as well as that some joy was celebrated with several shots over the arrival there of a chiampang, from which he, the relator, had also seen twenty bags of the named clove spice carried up and brought into the house of that anakhoda named Patirie, with whom his aforementioned so-called master Hadje, and thus he, the relator, alongside him, had been residing; through which he had the daily opportunity to have been able to ask from where they had collected those cloves, and had received as an answer each time, generally and no otherwise than from Ambon, without mentioning any specific negorij in particular; when, as he, the relator, also declared, he very accidentally saw in the aforementioned house a flintlock with the Company's mark From Amboina, dated 25 May 1763. seen, and upon asking how they had come by such a weapon, understood from those Ceram people in answer that, during earlier voyages made with their junks from there, having once captured a European soldier, without knowing from where, in their power and custody, this unfortunate man was thrown overboard alive by them and thus drowned, whose flintlock they had taken for themselves in that manner. Furthermore, after the expiration of three months, during which, alongside one of his fellow captives named Louis Boengapessij, who came to pass away there, he daily had to pound sago and chop planks, he, the relator, was shipped with his aforementioned master Hadje by orembaaij to Watoecomi, likewise to go pound sago there, and was away for such purpose for two full months, when he returned home, or back to Oerong, with a good cargo of that tree-bread; with those provisions, three junks had also been prepared and equipped by the people of that negorij to go out once again for cloves, so that one month after that date, well-victualed and provided with many assortments, both white and black and red linens, cambays, cleitsen, gold and silver trimmings, and cash consisting of rupees and new small coin, which the dengers of the aforesaid Bugis present there had taken on credit, they departed under the guidance and condition to bring back cloves in payment thereof, and to which end also the sailors of that Macassar vessel were divided among their junks and as under

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 25:' meij 1763 in wiens dienst, nevens andere zijnen 's Nego„ ries Lands volkeren zonder eenige mislande ling twee maenden Gebleven is; Tot dat gem: denzelven hem zo wel als andere zijner mede Gezellen vraegende, of aldaer verblijven, dan wel Ewaer na zijne negorie wederkeeren wilde. / in welk geval hem tot Ceram konde laaten overbrengen en hij dit laatste ven„ zoekende dan ook al weder nae 't reeds voorm: Rarakiet heen gezonden en aldaer aen een gemeen Jnlander voor Eenige lijwaten verkocht geworden is van waer vervolgens, naer Twee daegen door die Negories volkeren op verzoek tot oerdeng over gebracht en voor 4: p:s witte guin:st p:s salempoeris br: bl: 4: P:s huacas„ saerse Cambaijen; Een ambons, en een boetoense kleedje, al weder en dus voor de derde mael verkogt is, aenzeker dies Negories Jnwoonder Hadse gen:t door wien vercla rende, Cicca Twee maenden na dato, eens mede genomen zijnde, nae Poelo Gisser dan ook aldaer gezien ende ontmoet heeft de orangzaijas en hoofden der Negorijen qua moer Goeli=Goeli, Anna=Eina Batoe„ loin, en 't meer voorm: oerong die te zaemen bij gemeene en door hem relatant inpersoon, voor 't huijs vanden aldaer zijnde orangcaij bij gewoon de gehouden vergadering, Een onderling verband afspraek en bel ofte waren komen aan te gaen, ten gemeenen bystand en verEenigde defensie wanneer 't gebeuren mogte dat 'sComp: wegen den Een of ander dier hunne negorijen iets wes quaeds zoude mogen overkomen; Gelijk ook dat reeds bij desselfs aller eerst aenkomst tot 't voorm: ourong aldaer gevonden hadde Een Maccassaerse 101 van Amboina onder dato 25: meij 1763: Maccassaerse Jong bemand met Mand Earee„ zen welker Anaccodas naem hen wel onke kent waere doch die zegde met al zijn volk te dien Negorie Gelogeerd te zijn Geweest, ten huijze van sekeren zo genaemden Soeroeang en van wien in perzoon, zo wel als in't gemeen ter dier plaetze verst aan en vernomen hadde Expresselijk aldaer gekomen te wezen om Nagelen op te zaeken en daer toe ook alcerleij zoo ten van Maccassaerse Lijwaeten Gommen Ran„ takkes snaphanen kopere Ketels Krissen staef goud, en meer andere goederen mede voerde, en zo als hij relatant dan ook al verder betuijgde gezien te hebben dat in wijlinge tegen diergelijke handel wharen berdes ses sacken dier specerien van voorm soeroeang opgedaen, zo wel als dat overde aenkomst al daer van een Chiampang door verscheijde schooten, eenige vreugde bedreeven waere en uijt welke hij relataut mede twintig zacken van gen: Nagel specerie, had zien opdraegen en brengen in't huijs van dies Anachoda in name Patirie met den welken voorm: zijnen zogenoemden mees„ ter Hadje /:en dus hij relatant nevens den sel„ ven :/ in wonende geweest ware door dan ook aen hem de daegelijks gelegentheijd geweest zijnde te hebben kunnen vraegen, van waer die Nagelen hadden afgehaald telkens daerop ten antwoord beko„ men hadde, als generalijk en niet anders als van Ambon zonder benoeminge van ooit he„ nigen negotie in't Particulier; doen als hij relatant ook al verklaerde in voorm huijs zeer gevalligh een snaphaen met 'sComp: merk Ge„ zien Amboina onder dato 25 meij 1763. Van zien, en op vraege waer aan zulk een gemeer ge komen waeren! van die Cerrammersten andwoord verstaan te hebben, dat bij vroegere gedaene Tochten met haere Jonken van daer Eens Een Europees militair /:zonder te weeten van waer:/ in haer magt en gemeld Gekreegen heb„ kende, dezen ongeluikigen; door hem levendig overwoord geworpen en aldus verdronken geraekt is, weens snaephaen zij indier voegen hadden na zich genomen. zijnde voorts hij relatant nae verloop van drie maenden /: dat nevens een zij nen mede tot gevallige, naemens Louis Boeu„ gapessij die aldaer is komen te overlijden! daege lijks heeft moeten zagoe Pockelen en Planken n kappen :/ met voorm: zijn meester Hadje P:r orembaeij Geschept naer watoecomi, om even eens ald aen zagol tegaen zockelen en tot zulks uijtgeweest, Twee volle maenden, als wan„ neer met een goede lading van dat boom bood weder te huijs of in ocrong te rugh ge komen, wezende dan niet die provisie door die Negories volkeren ook waeren klaer Gemaekt en uijt gerust drie Jonken om al weder op Na„ gelen uijt tegaen Sodanigh dan ook een maend nadato, wel gevictualieerd en voorzien van veele sortementen, zo witte, als swarte en roode Lijwaeten Cambaijen, Cleitsen goud en silvere Passe menten, en contanten, bestaende, in ropias en nieuwe paijement die gen der dengers van voorsz aldaar aen wesig zijnde bougineesen, opschuld had„ den aengenomen :/ waeren afgestoken, onder leding, en voor waerde, om in dies betaling naegelen te nich te zullen brengen, en ten welken eijnde dan ook al mede, de mattroosen vandat Maccassaerse vaertuijg over die hunne Jonken verdeeld en als onder

NL-HaNA_1.04.02_3094_0389 view scan ↗

English

From Amboina, dated 25 May 1763. under general command of a certain Redul, with the aforementioned his master Radja (who, with the abovementioned Tative as the second, and aforesaid soeroeang as the third of those vessels, came to command as chiefs or Anachodas), then also departed from there, and having first arrived at Watoelomie, found the aforementioned Macassan junk with Mandharese people still lying there, which he had already seen there before during his first journey, from whom they likewise came to take along diverse linens. Proceeding further on departure to Battoeassang, at which place also finding a Macassan and a Buginese junk, they remained four days, and as before likewise accepted some linens from the said strangers; intending to proceed from here to Hattoemetten, there once again encountering a Buginese junk, where not only the Anachodas likewise in the same manner received and were given such trade wares, but it was even presented to the Massouaijens or all the common crew on the aforementioned Ceram junks that each could obtain two pieces of Guinees or Salempores on credit under the aforementioned conditions, which all then also accepted, after which they further proceeded directly from here to Haija, and came to anchor again around that negorij; there, besides three Ceram junks of Quander together with an orembaij of Goeli Goeli, they also further encountered two large junks, the one from Macassaer and the other from Godja, which he, the deponent, also From Amboina, dated 25 May 1763. also understood to have likewise come there for cloves, just as at the last mentioned place in a certain house on shore, of which he declared the name of the owner to be unknown to him, he had even seen some sacks of that spice; while the deponent's Anachoda and Master Hadje again bought from those people together 2 corgies of linens, white, black, boutonese, and Macassan Cambays of various sorts, on the promise that, upon coming from Ambon, they would settle and liquidate the same with cloves; and amidst which common trade he, the deponent, had then also seen and witnessed that all those Macassars buying those spices with money, paid one rixdollar for a full bamboo (according to his explanation, as large as a common small rice measure); having thereupon further departed from there in the company of the aforementioned three Quamoer junks along with an orembaij of Goeli Goeli, and thus with the seven of them, and proceeded straight on to the known protruding cape of Little Ceram, Tanjong Sial or otherwise the so-called Dry Rice Cape, where having come to anchor together, they also found already lying four other Ceram junks, among which two were from Batoeassang, but the others unknown to him, the deponent, with which combined vessels, having lain there for one day, they crossed over at night to the islands of Nussatello or the so-called Three Brothers; but along with three aforementioned ones together with a fourth from From Amboina, dated 25 May 1763. one of the other junks, they returned in the morning to the aforementioned cape Sial, and the others were further separated from them by dispersal, whereupon subsequently another three days after that date, crossing over from there again with the four of them along the islands, opposite the same and also close under the coast of Hitoe, to the deponent's best knowledge and explanation between or around the negorijen Oering and Negorij Lima, off and on a river, they came to anchor in the early night; whereupon the people of the junks immediately went ashore with a parcel of linens and some small square empty sacks, and shortly thereafter also brought the latter, up to ten pieces filled with cloves, back on board, until in the late night, perceiving a large orembaij and four other vessels close by them, and calling out to them, they asked what kind of people they were, who immediately began firing upon them, which (then directly thinking them to be Europeans or Company's servants) was answered from their side almost seven against one shot from their rantakkas; until, retreating in that manner with all speed, having arrived in the morning for the third time at the aforesaid cape of Sial, and some drinking water having been fetched, they finally held course from there toward the cape of Liang and arrived close to Tommele, where likewise those Ceramese having gone inland with all sorts of linens, shortly thereafter he saw several timbels and sacks of cloves brought on board them by diverse negorij people of Liang, meanwhile he, the deponent, seeking to seize the opportunity to escape here, requested to go relieve himself, and thus in that manner deserted from the said Tommele to Waeij.

Dutch transcription

103 elf Van Amboina onderdato 25: meij 1763. onder Generaal gezach van zekeren Redul, niet voorm zijn meester Radja (:die een den opgen: Tative 't zudeede, en voorsz: soeroeang 't derde dier vaer tuigen als hoofden of Anachodas te voeren quamen dan ook vandaer vertrocken is, en't eerst gekomen wezende tot watoelomie den voorm: dien mac„ Cassaersen Ionk met Mandhareese volkeren nog leggen vonden, dien reets te vooren bij zijn eerste reijs, aldaer Gezien hadde van welke inzelven voegen ook diverse Lijwaten mede te nemen quamen. Tot verteek verder nae Battoeassang op welke plaetze al mede een maccassaerse en En bougineese Ionk aantreffende, vier dagen verbleeven, en als vooren ook al even eens eenige Lijwaeten van gem: vraemdelingen aennamen; scheppende tedoen van hier na Hattoemetten, daer wederom, Een bougineese Jank ontmoe„ tende met alleen de Anachodas al mede op de zelfde wijze, zulke handel whaeren ontven„ gen en mede gegeven; maer zelfs aende Mas„ souaijens of alle den Gemeenen manschap op voorm Cieramse Janken ook Gepresenteerd wierde dat ieder Twee P Guin: off Salemps op Credit onder voren verm: Conditie bekomen kosten, 't gene ook alle dan accepteerden, waer nae wijders van hier direct naer Haija voortge zet, en omtrend die Negorie weder ten aaker gekomen; aldaer buyjten en behalven drie Ceramse Jonken van quander nevens Een orembaij van Goeli Goeli al mede nog aentroffen twee groote Jonken den Eenen van Mac„ Cassaer en den ander van Godja dien hij relatant ook Van Amboina onder dato 25 meij 1763. ook al vername, al mede aldaer om nagelen gekomen wesen even eens als bij laast gem: inzekerhuijs aande wal waer van de naem des rigenaers verklaerde hem onbekend te weezen :/ ook zelfs eenige zacken van die specerie gezien had; Eer„ wijl des relatants Anachoda en Meester Hadje van gene die lieden, al weder kochte te zamen 2 Corgies lijwaeten witte swarte, bout onse, en Maccassaerse Cambaijen in zoort; op belofte om van ambon komende, dezelve niet Nagelen te zullen voldoen en Li„ quideeren;— En onder welgen gemenen Handel Hij relatant dan ook al mede gezien en bij gewoond hadde dat alle die Maccassaren die specerien met geld kopende, voor een vollen Bamboes (nadesselfs uyt duijding zo groot als een gemeene kleene rijstmaat:/ Een rd:s be„ taalden zijnde daar op voorts ingeselschap van voorm drie quamoerse Jonken nevens nevens oreue„ baij van Goeli Goeli endus met hun zevenen vandaer vertrocken, en voorts gezet recht door na den bekenden uytsteekende hoek van kleen Clram; TanJong Sial of anders den zo genaemden droogen rijst hoek, al waer te saemen ten anker gekomen wesende, mede reeds leggen vonden vier an„ dere Ceramse Jonken waer onder twee van Batoeas aug dog de andere hem relat aut onbe kent met welke gesamentlyke vaertuigen Een dach aldaer Gelegen hebbende des nachts naerde Eijlanden Nussatello of de zo genaemde drie Gebroeders overgestoken; doch met een drie meerm: derongse novens nog een vierde uijt Van Amboina onder dato 25 meij 1763. uijt eender andere Jonken, des morgens weder den voorm: hoek sial te ruch Gekomen, ende andere voorts bij verdeelinge van hun afgeraekt waeren wanneer vervolgens noch drie daegen nae dato weder met Gem hun vieren vandaer langs de Eijlanden overstekende tegens over dezelve ook dicht onder de Cus van Ritoe naedes relatants beste kennis en uijt duijding tusschen ofte omtrend de negorien oering, en Negorij Lima af en aen een rivier inde voornacht ten anker quamen; als wanneer de volkeren der Iouken terstond met een partij Lijwaeten eenige kleijne nierkante Ledige zakjes aende wal gegaen zynde kort nadato ook delaatste tot Tien stuks gevuldt met nagelen weken aenboordt brachten tot dat inden Nanagt een groote oreembaij en vier andere vaertuigen dichte bij hun ontwae„ rinde deselve toeroepende vroegen wat voor vol„ komen dat waeren deese aenstonds op hun qua„ men laste vuuren 't geene /:als doen direct den kende zulks Europeezen ofte sComp Dienaeren te hebben weezen van haer kant genoegzaem wel met seventegens Een schoot uyt hunne rantakkan beant woord wierde; Tot dat op die wijze en met allen laest al retiere„ rende, des morgens ten derden maele weder bij voorsz: hoek van sial aengekomen, en eenig drink water afgehaald zijnde, Eyndelijk dan vandaer na den hoek van Liang heen Rielden en digt bij Tommele arriveerden alwaer insgelijks die Ceramse met allerlijwaten Landwaerds gegaen wezende; kort daar op door diverse negories volkeren, van Liang verscheijde Timbels en zacken Nagelen bij hun aenboord heeft zien brengen, Midlerwijl hij rela„ tant de gelegentheijd ter outkominge hier zoekende waer te nemen versogte om te gaen wijssen en alzo op die wijze van gem Tommele naer waeij overgelopen is 105 „

NL-HaNA_1.04.02_3094_0392 view scan ↗

English

From Amboina, dated 25 May 1763. in which village chief, the Pattij Erasmus Caijadoe, cared for him, the declarant, during a four-day illness with board and lodging, and thereafter brought him here in person. Declaring furthermore, he, the declarant, concerning his forced abduction, to know of no other particulars than solely that some of his companions in fate, and among them also the orang toua of his village Ameth named Lucas Manduabessij, had died, and others were still wandering about here and there, especially also one of his countrymen named Anna Kotta Louwe on P. Gisser, and one ditto named Lucas Lewaela at Quellemoerij on Ceram. As well as that, with respect to the aforementioned oetoesang, envoy of the king of Tidor, he had indeed heard on that coast that he had been everywhere in that region and in the Papuan Islands, but of his actions or orders there he was aware of nothing other than that he supposedly sought out and brought back several inhabitants of this Province who had been carried off by the Papuan pirate peoples. Wherewith the declarant concluded this declaration of his, offering to confirm it by oath. Thus done and deposed at Amboina at Castle Victoria, on the date aforementioned, in the presence of Christoffel Dias and Adriaan Rijk-Schroef, clerks at the Political Secretariat, who signed the minute hereof alongside the declarant and myself. Quod Attestor, was signed, W. J. V. Lingen. In the margin: examined, P. L. Dirks. Today. From Amboina, dated 25 May 1763. Today, the [illegible] of December 1762. By the esteemed order of the Right Honorable Lord Meijert Johan van Idsinga, Governor and Director of this Province, before me, Wolfert Johannes van Lingen, Junior Merchant and Secretary of Polity, and the witnesses to be named hereafter, there appeared the Christian native Abraham Bahagia, from the village Ameth on the island Boessalaut, about thirty years of age by appearance, who came to relate and declare that about nine months ago, or rather in the month of April last, having crossed over according to the order of the radja of that village with three orembaais to Amaheij to fish, and having rowed onwards to around Plepapoetij where they stayed for two days, and having thereafter wished to return to their aforementioned village along the shore of Latoe-hoealoi, there while crossing, a little seaward, by an unexpected encounter with nine Papuan corocores, two of their aforementioned orembaais, and therewith also he, the declarant, fell into the power of those pirate peoples. While the third, upon which the aforementioned Radja was present in person, having fortunately escaped that danger, he, the declarant, with another 15 people of his fellow villagers from the aforementioned orembaais, which those pirates let drift, were distributed among the aforementioned corocores, and thus he, the declarant, having been transferred onto one of the same together with another four of his companions, they were all immediately bound together with ropes around their necks. Whereupon, after the passage of two days, they first came before the village Haija, where three Ceram junks were lying at anchor, from which such heavy fire was opened with lantakas upon the aforementioned Papuan corocores that the latter dared not approach the shore, and thus keeping to the open sea, they continued toward Ceram Laut. Where near a small island, thought to be named Soelo Girossa, 107 From Amboina, dated 25 May 1763. named, they came to anchor alone with their eight vessels, as the aforementioned ninth of those corocores had been dispatched to the village Quamaer, situated at the east end of Great Ceram, to inquire and find out whether anyone there would buy or ransom any of the abducted and many other carried-off peoples, and for which reason they then also tarried for five days near the aforementioned island awaiting its return, without any of the native peoples coming on board with them, nor did any of those Papuan pirates go ashore, but they had only been out daily in those parts catching turtles, until seeing that the aforementioned ninth corocore did not appear and remained absent, they departed from there and shaped their course along North Ceram toward Rarakit. Having arrived at which latitude, likewise none of all those pirates went ashore, nor any people of those villages, but on the other hand two Papuans from the crew of the aforementioned ninth corocore had come on board them with a small canoe, with news and report that upon arrival at Quamaer, the so-called oetoesang or envoy of the king of Tidor present there at that time had caused the chief or nakhoda of that vessel of theirs, as well as mostly all the corocore crew, to be put to death, and they both had escaped this by fleeing. Meanwhile, those of Rarakit had also called out to them that if they had any of the Company's subjects on board, they should just bring them ashore for ransom or sale, to which however at that time they did not seem inclined, but rowing steadily on, on the fourth day thereafter, after they had also stayed for one day at various small Papuan islands, they put into Romazaal, where he, the declarant, together with another five of his village countrymen and two people of Elia, were sold to the so-called Captain, and were treated reasonably civilly in his service for one month, until the said Captain asking them whether they wished to remain there or rather return to their village

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 25: meij 1763. is welke regorie hoofd de Pattij Erasmus Caijadoe hem relatant mits ziek te vierdagen lijfberging versongdt en daer na in perzoon herwaerds Gebragt heeft. verklae„ rende voor 't overige hij relatant aengaende die zijne ge„ dwougen 't werff tocht : gene andere byzonderheeden te weten dan eenlijk dat zommige zijner lot genoten, en daer onder ook den orangtoua van zijne negorie Amets naemens Lucas Manduabessij overleden en andere hier en daer als insonderheyd mede een die zijner landslieden, naemens Anna Kotta Louwe op P Gisser, en een d:o gen:t Lucas Lewaela tot Quellemoerij opr Cenam nog om dwaelden ^ Gelyk ook dat de dier Custe in opsigte voorwaerds genoemde oetoesang afzendelings des konings van Tidor wel had gehoord, dat al omme aen die oord en inde Lapouse Eijlande Geweest wa„ re doch van desselfs aenrichtingen ofte bevelen aldaer nietsanders bewust te zijn. Als dat verscheide door de Papouase roof volkeren, ver voerde Jngesetenen deser Provincie weder zouden hebben opgezocht en te recht Gebracht Waer mede de relatant dese zijne vercla ringe onder Presentatie van hede quame te Eijndigen Aldus Gedaan en Gedeposeert tot Am„ bonia aen 't Casteel Vctoria dato voorsz: ter praesentatie vvan Christoffel Dias, en Adriaan Rijk=Schroef Clercquen ter secre tarije van Politie, die de minute deses ne„ rens den relatant ende mijsel:s hebben ondertekend Quod Attestor (:was Ge„ tekend) W J V Lingen—. in margine nagezien P L: Dirks Heeden Van Amboina onder dato den 25 meij 1763. Heden den december 1762. Ter g'eerde ordre vanden wel Ed agtb Heer Meijert Johan van Jdsinga Gouveer„ neur en directeur deser Provintie voor mij Wolfert Johan „nes van Lingen ondercoopman en secretaris van Politie en nat enoeme Getuigen Gecompareerd zijnde den Christen Jnlander Abraham Bahagia, vande negorie AmetE ter Eylande Bussalaut oud na aenzien dertig Jaeren, zo is den zelven komen te relatee ren en verklaren, dat voor Circa negen maenden of wel inde neaend april Jongstleden, ingevolg vanden radja dier negorie met drie orambaijs overstocken zijnde na amaheij om te vissen in zulks al mede zij voortgeschept ma omtrend Plepapoetij al waer tweedoegen hun onthouden, en voors na voorsz: haere ngorie hebbende willen terugE keeren langs de wal van Latoe=hoealoij aldaer in't oversteken, een weijnig zeewaerds, door onverwachte ontmoet inge van negende Lapouse Corre Corren tweeder voor zijde hun orembaijs, en daer mede ook hij relatant in't geweld dier roof volkeren te vervallen quamen Terwijl de derde, en waerop voorm: Radja Zich in perzoon bevonde, dat gevaer Geluckigh ont„ komen wezende, hij relatant, met noch 15. zijne mede negories volkere uijt voorm: orem„ baijs (:welke die roovers drijve lieten:/ bij verder linge op boven voormelde Corra Couras en dus hij relatant met nog andere vier zijne macthers op eender zelver overgehaald zijnde aan te saemen ook al aenstonds niet touwen omden hals zijn Gebouden geworden! waerop na verloop vant weedagen, 't eerste zijn gekomen tot voorden negorie Haija alwaer Vree Ceramse Jonken Geaukert leggende, vandezelve uijt rantacken, op voorm: die papouasse Corra Cor„ ras, zo hevig geschoten wierde, dat dese die wal niet naderen dorsten en het dus in zee houdende, maer Ceram zaut voortzetten Alwaer bij een kleen Eijlandse /. zo vermeend zoelo girossa genaemt 107 Van Amboiia onder dato 25 meij 1763. genaemt alleen met hunne agte ten anker quam, al zoo voorm: negende, dier Corra Corras, Gerepecheerd waare nae de aan 't oost eijnde van groot Ceram leggende negonie qua maer om te vernemen en te onderstaen, of aldaer geene der bij Een geroofde, en meer andere omgevoerd werdende volkeren koopen of in zouden willen lossen, en weshal„ ven dan ten weder dies inwachting ook vijf dagen onder voorsz: dat Eijlandse vertoefden, zonder dat aldaer eenige slands volkeren bij hun aaanboord gekomen nog ook niemand dier papouase rovers aenland gegaen, maer alleenlijk daer omstrecks, daegelijks op't vangen van schilpadden uytgeweest waren tot dat ziende evengem negende Corra Corras niet op te dagen, en achten wegen te blijven! vandhaer vertrokken en Cours namen, langs noord Ceram na Rarakit, op welke hoogte gekomen wesende al insgelijk s geen van alle die roovers aende wal nog ook geene dien negories, volkeren, doch egter daer in tegen twee paporen uijt de manschappen van Evengen: nege„ Corve Corre met een piaantje, tot hun aenboond gekomen, waren met tijdinge en bericht, dat bij aenkomst op quamoer, de aldaer te hier tijd aen„ weligen zo genaemden oetoesang of zendeling des konings van Tidon 't hoofd of anachoda van dat hun vaertuijg zo wel als meerendeels alle de Conras Corras volkeren had doen om't leeren brengen, en zij beijde zulks door hun vlucht ontkomen waren: Intussen dat die van Rarakit, een mede wel toegenoepen hadden, dat zo eenige sComp: onderdanen aenboord hebben mogten, deselve maer ter inlossinge of vertoop aenland zouden brengen, doch waer toe egter op dien tijd niet genegen scheenen maer al door scheppende, op den vierde dach daer aan na dat almede eendagh aan diverse kleene papouse Eijlanden hun hadden op gehouden tot Romazaal inliepen alwaer hij re latant nevens noch vijff zijner 's Negories landslieden en twee volkeren van Rla aen den zogen aanden Capitain verkocht, en een maend in desselfs dienst redelijk Civiel behandelt zijn; tot dat Gem hij Capit: hun vragende, of aldaar verblijven dan wel liever nae hunne negorie -

NL-HaNA_1.04.02_3094_0395 view scan ↗

English

From Amboina, dated 25 May 1763. wished to return to their negorij. And since he could then have them transported to Ceram, they chose and requested the latter, and were then transported with a prahu to the already mentioned Rarakit; where, having been sold with three of his aforesaid companions in fate for some linens, they subsequently had to sustain themselves again for five months by fishing and baking sago, after which the deponent, upon request, having been brought further by those negorij folk to Goeli Goeli, was made a resident there again for the value of ten rd:s in linen and a rantak; declaring, concerning these circumstances and in the course of these his most unfortunate encounters, to have also found at these places two Banda burgher sloops, of which the names of the nakhodas, the commanders, were indeed unknown to him, though nevertheless describing them both as having been mixed-race burghers, and that on one of the same a certain native of the negorij Hoetoemoerij named Abraham, and on the other one from Smahu named Lucas, were employed as sailors, and on that occasion to have also heard and understood from the Cerammers in general that to the aforesaid Bandanese several, or according to his expression, banyak, many Papuan slaves had been traded and bartered for powder, and specifically one slave for half a small cask of the same. Just as he had also seen in the mentioned negorij Goele Goeli, in various houses, some, albeit small, quantities of cloves, with the further relation that he had likewise seen a chiampang arrive in front of the negorij Ourong near the aforementioned Goele Goele, over which some joy seemed to have been expressed by various gunshots; and concerning which, upon the deponent inquiring after the reasons, From Amboina, dated 25 May 1763: reasons, it was answered to him that they had made a small profit in cloves with that small vessel, though he had nevertheless been just as little able to discover regarding the reason as regarding the already aforementioned from where they had collected those spices, although in these his wanderings he had even had to sustain himself during the time of three months in the said negorij Goeli Goelie by baking sago as well as otherwise, and through which, having also frequently crossed back and forth to the nearest situated Oerong, he had also seen and learned there of the first Macassar junk manned with Mandarese, which subsequently was pulled ashore at the negorij Anna-Jina (by hearsay) out of fear of the hongi, because it was thought that it would sometimes pass by there; just as, in the same manner, the deponent also testified to have seen another ditto junk at Watoelomi, which likewise, for the aforesaid apprehension, had been dragged inside and hidden, concerning which, and through inquiries, he had at the same time understood the same to be manned with Mandarese or Macassar Bugis. Until subsequently having arrived from the frequently mentioned Goeli-Goeli with his then buyer or master per orembaai at Kessalauw, he requested the same there to please help him onward to his negorij, receiving the agreement and promise that as soon as he had traded his linens, likewise bought there from present Bugis, with some small profit, he would then see to bringing him home; just as the deponent, From Amboina, dated 25 May 1763. deponent, having been paddled from there by the aforementioned his master with the mentioned orembaai along Merinama and Zaijmoe and having arrived at Haija, on that route had also learned that at the first mentioned Merinama a Macassar junk was likewise present, and at the roadstead of Haija they also encountered three junks from Quamoer and three ditto from the aforementioned negorij Oerong situated higher up, as well as that he had also heard by discourse that in another small bay there had likewise lain another ditto Bugis junk or vessel, until after a day's stay at that roadstead with the aforesaid orembaai, in company and joined with the aforementioned six junks, and thus together with seven of those vessels, they set off and paddled onward along and past Amaheij, Latoehoealoij, and further in that course westward lying other negorijen, directly to the known protruding cape at small Tanjong Sial, or otherwise on the sea chart the so-called Droge Rijst corner, where, having come to anchor with the seven of them as stated, they also found lying another four other ditto Ceram junks, without knowing precisely from which negorijen they originated, although he also testified and declared that from time to time, both en route and especially during the aforesaid his so long stay at the frequently mentioned Goele Goeli, he had indeed heard it said, learned, and understood, as if all those who nowadays show themselves so numerously in these waterways...

Dutch transcription

109 Van Amboica onderdato 25 meij 1763. negorie wederkeeren wilden. En hij hun als dan tot Ce„ ram konde laten overbrengen, zij dit laatste ver kozen en verzogt hebbende dan ook net en prauw, naer 't reeds Gem: Rarakit, getransporteerd waren; al waer met noch drie voorsz zijne Lot genoten! voor eenige lijwaeten verkogt zijnde, hun vervolgens weder vijff maenden met vissen en zagoe Pockelen hebben moeten ophouden, als wan neer hij relatant wijders door die s negonds volfe ren op verzoek, overgebragt wesende tot Goeli Goeli; aldaee al weder Jnwoonder warde voor de waerdij van Tien rd:s aen Lijwaet, en een rantak; verklarende iin omstande en in't beloop deser zijne zo ongeluckige ontmoetingen, al mede aendese plaetsen gevonden te hebben, twee bandaese burger sloepen waer vande naemen der anachodas de hoofden hem wel onbekend, waere doch egter met omschrij ring van beijde mixtive burger Geweest te zijn, en dat zig op eene derzelve, zeker inlander vande negorie Hoetoemoerij gen:t Abraham en op de andere eene van Smahu naemens Lucas, als mattroozen indiens bevonden en t dien Gelegent heijd vande Cerammers in't gemeen ook Gehoord en verstaan te hebben dat aen voorsz die bandaneesen diverse of wel na zijne uyjtdruckinge, Ban Jak veele Papouase slaeven voor dus kruijt en wel bepaaldelijk een slaef tegens een half vatje van dat solver gerruijld ende vernegotieerd hadden. Gelyk ook dat ingem negorie Goele Goeli in neu„ scheijden huijzen al mede eenige oock kleene quanti„ teytses Nagelen Gezien hadde onder verder verhael al teffens dat voorden negorie ourong nae bij 't evengem: Goele=Goele Jnsgelijks een Chiampang hebbende zien aenkomen daer over wel eenige vreugde door diverse schoten scheen bedieven te wezen; en waer omtrend hij relatant vraegende nae die redenen - Van Amboina onderdato den 25:' meij 1763: redenen aen hem geandwoord waere dat een winsje van nagulen, met dat vaertuigse hadden opge daen doch dat egter even zo min omtrend de re„ als nopens reeds voorm: had ontdekken konnen van waendien speferie hadden afgehaald alschoon ook indeze zijne om snderring, zig al weder zelfs den tijd vand die maenden ten dien negorie Goeli Goelie zo met zagoe packelen, als on dersints had erneren moeten en waerdoor dan ook al diekwils nae 't genaest Gelegen oerong over en weder geverteerd wesende ook aldaer 't eerste gezien ende vernomen had den macassaerse Jonk bemand met mandhareezen ooch die vervol gens, ter negorie Anna=Jina, op de wal Gehaald was (:na hooren zeggen:) uijt vreese voor den hougij dien meerde dat som wijlen daer leen passeeren zoude Gelijk in zelven voegen hij re latant al mede ketuigde noch een d:o Jong gezien te hebben op watoelomi, doch die Jnsgelijx om voorm: beduchting, binnen Gesleept en ver borgen waere wegens welk, endoor navraeginge, alevens eens verstaen hadde dezelve met mandha reesen of maccassaerse, Bougmeesen bemand te wezen. — Tot dat vervolgens van meerm: te Goeli=Goeli met zijnen doenmaligen kooper of meester p:r orembaij gekomen zijnde tot kessalauw, aldaer aen den selven verzochte om hem doch nae zijne negorie voorte te wil„ len helpen, ten ontmoeting van toezegging en be lofte dat zo dna maer zijne aldaer almede van aenwezende Bougineesen Gekogte Lijwae„ ten met eenig winstje hadde omgezet, hem als dan te zullen 't huijs besorgen; Even eens als hij relatant Van Amboina onderdato 25 meij 1763. relatant dan ook door opgem: dien zijne meester met gemn orembaij vandaerlangs merinama en Zaijmoe, geschept en gekomen wezende tot Haija indien weg ook noch ede zal vernomen hadde dat op 't eerstgem: merinama al mede mis„ gelijks een Maccassaerse Jonk aenwesig waeren en ter rheede van Haija ook aentroffen, drie Jonken van Quamoer en drie dito van opwaerds meer voorm: negotie oerong zo wel als dat p:r discours ook Gehoord hadde aldaer in een ander baeijtje aleven eens, ook nog een d:o Bougineese Jonk of vaertuijgh gelegen te hebben, tot dat wet nae Een dagh vertoeven ter dier rheede met voorsz orembaij, ingeselschap en geconjungeerd met voor en verm: ses Jonken en dus te zaemen niet zeven die vaertuigen zijn afgestoken en voort geschept langs heen en voor bij amaheij Latoehoealoij, en verder indien Cours westwaerds leggende meer andere negorijen, direct tot den bekenden uytstee kenden hoek aen kleen Claain Tanjong sial of anders in den zaert den zo ge„ noemden D roge Rijst hoek al waer als gesegt met hun zevenen ten anker Gekomen wesende ook al mede reeds leggen vorden noch vier andere d„o Ceramse Jonken zonder Iuist speciaal te weten van welke negorien herkomstigh waeren alschoon ook betuijgde en verklaerde dat van tijd tot tijd zo wel onderwegen als in zonderheijd Geduerende 't voorm: desselfs zo lang aen wesen te meer voorm Goele Goeli wel had hooren zeggen, vernomen en verstaen, als of alle die redendaegs zich thans zo neenig vuldigh meese vaerwaters vertoonende Buer„ alrs 111

NL-HaNA_1.04.02_3094_0398 view scan ↗

English

From Amboina, dated 25 May 1768. as well as especially from all the negorijen situated on the East Coast of Ceram, namely the frequently mentioned Goeli Goeli, Oerong, Anna Anna, Batou lonin, Kamer affang, Dauwang, Guellemoerij, Guiellebon, Ceijlon, Kissalauw, Hattoemetting, Wernama, Hatelahoe, and Laijmoe, and for as far as the declarant was aware, without the addition of others, would have originated from those situated on the North Coast or further westward. And that those consequently continued in that crowd and in vessels well provided with rantackas, snaphaunces, and other firearms; principally going out for cloves with linens and other merchandise, just as he, the relator, declared likewise to have met and seen another seven such Ceramese vessels or junks returning, and in his, the relator's, opinion, perhaps also somewhat provided with the said spice; because upon being asked why they departed upward, they gave as an answer that their provisions were exhausted and that it was also well with them. Although he, the relator, on special inquiry whether he knew to say whether among all those Ceramese peoples any alliance or contract had been made or entered into with one another for mutual assistance in these or any other undertakings, declared that he had certainly never heard 113 From Amboina, dated 25 September heard speak of anything of the kind, but would certainly maintain that if one or the other were met or attacked by any of the Honorable Company's vessels, they would without doubt show one another all assistance and help; and for other reasons also, being so united, going out and coming home as with small fleets, the one relieving or replacing the other. In like manner or fashion, the aforementioned ten vessels that had sailed upward, as well by the arrival of the aforementioned seven junks among which the relator had been, as well as the four already found at the aforementioned corner of Zial, had been replaced. And on which occasion he, the relator, then first came to see, and heard named on one of the aforementioned three Oerong vessels that had also arrived there, as being in general command over them, one Abdul, whom he later upon his arrival at Hitoe had understood in conversation from the orang kaya of the negorij Zijt to be a brother of the present radja of Hatoelama, and actually named Oesing, but residing under the aforementioned name of Abdul on Ceram or mostly at the aforementioned Oerong. Furthermore, that the aforementioned vessels, at that time eleven in number, after one day's stay at the aforementioned corner of Zial, crossed over during the night along the islands of Nussatello, or the so-called Three Brothers, and opposite there, close under the coast of Hitoe, to the relator's best knowledge and description, all came to anchor together between or around the negorijen Alring, negorie Lima, and Seijth in the district of Hila. And in which night, the crew of his orembaij also went ashore or landward, partly with empty sacks and diverse sorts of Macassar as well as other linens and merchandise, and the remaining crew on that vessel having fallen asleep, From Amboina, dated 25 May 1768. he, the relator, when he saw no one else on the beach, then also seized his opportunity, letting himself down from that orembaij to swim to the shore; and thus as quickly as possible made his way along the beach to the negorie Zeijth, where in the morning, having refreshed himself a little with one of his acquaintances, a certain native named Tahitat, he further traveled on foot to Hila, and was finally sent hither by the head of that station; while for the rest the relator, concerning his forced expedition, had no other details to recount or declare, except only that some of his companions, and among them also the orang toua of his negorie Ameth, named Lucas Manduabessij, had died, and others were still wandering about here and there as if in hiding, among them one of his countrymen named Anna Cottapon on Pulau Gisser, and a ditto named Luccas Le Walloe at Guellemoerij on Ceram. Likewise, that on that coast, with respect to the aforementioned detoesang or emissary of the king of Tidor, he had indeed heard that he had been everywhere in that region and in the Papuan Islands, but of his actions or orders there knew nothing else than that he was said to have searched for and brought back several inhabitants of this province carried off by the Papuan pirates. Wherewith the relator concluded this declaration of his, under offer of oath. (Was undersigned) Thus done, passed, and deposed at Amboina at Castle Victoria, date as above, in the presence of Daniel Balthazar Hogreve and Mattheijs Ferdinandus Clercq, clerks at the Political Secretariat, who signed the original minute of this along with the relator and me, the secretary. (Lower) Which I attest. Signed: W. J. v. Lingen, Secretary. Below that, which I attest, signed... Beijnon, First Clerk.

Dutch transcription

Van Amboina onderdato 25 meij 1768. aas wel ten ppaelen uyt alle de aendien E: Cust van Ceram leggende, Negorien quamoen, 't veelm: Goeli Goeli, oerong, Anna Anna Batou lonin kamer affang, Dauwang, Guellemoerij Guiellebon, Ceijlon Kissalauw, Hattoemetting wernama Hatelahoe en Laijmoe, en voor zo verre hem declarant bewust waere zou der verneuging van andere der aende N: Cust of meer west waerds leggende zoude herkomstig zijn, En dat indien volgen by Continuatie met die menigte en van rantackas snaphanen en andere geweren wel voorziene vaertuigen; voornament lijk met Lijwaten en andere handel whaeren op de nagulen uijtgingen Eeven als hij relatant verklaerde insgelijx nog al mede te hebben ontmoet ook nog zien andere zodanige Ceramse vaertuigen af Jonken die te rug keerden en na zijn relatant 's Gedachten, misschien ook wel eanigsints vandien specerie zoude voorzien geweest; wijl op vrage, waerom opwaerds vertrocken tot aiet woorden gaven om dat hun proviand op en 't ook net hun wel was- Alschoon hij relatanteg ter op speciale vraege of niet te zeggen miste of tusschen Gezaementlijke die Ceramse volkeren met eenigh verbond of Contract, tot onderlinge bijstand in dese of geene andere ondernemingen, met den anderen Gemaekt, ofte aengegaen wezen mochten verclaerde dat van jets diengelijks, int zekere nooijt had hooren 113 Van Amboina onderdato 25:' Septen hooren spreeken, maer wel te willen vast stellen dat den een of ander door dese of geene 's EComp:s vaertuijgen ont moet ofteaengedaen werdende, onge twijffelt elk anderen alle adsistentie en hulp bewij zen zouden; en andere redenen ook zo verEenigd, uijtgaende en 'te huijs komende als met kleene vlootjes, den een den ander afflosten of verwisselden. E van Gelijk, of ind renvoegen als ook voorm: die thien opwaerds Gezeijlde vaertuijgen zoo door den aenkomst der meergec=de Seven Joaken waeronder uch den relatant bevonden hadde als de reeds hij voorsz: hoek van zial, gevon„ dene vier als verbangen geworden waeren; En ter welke gelegentheijd hij relatant toen eerst op eene der roonen verm mede aldaer aengekomene drie olrongse als in Ge neraal gezach over dezelve waere komen te zien, en hooren noemen hadde eene Abdul dien hij nader hand bij zijne komste op Hitoe vanden orank aija der ne gonie zijt bij discours had verstaen, een broeder van den presenten radja van Hatoelama, en eijgentlijk oesing genaemt te wezen doch onder voorwaerds vermelde naam van Abdul aan Ceram ofte wel meest op meer voorm oenong zich te onthouden voorts dat al verder, voorsz: doenmaals Elf ingetal zijnde vaertuijgen, na eendagh vertoevens aen opge„ naande Hoek zial des nagt daer aen zijn over„ gestoken langsheen de Eijlanden Nussatello, of de zogen aemde drie Gebroeders en daen tegens over, dicht onder de Cust van Hitoe nae des delatants beste kennis en uijtduijding tusschen ofte omtrend de de gorijen alring negorie Lima, en zeijls in't districht van Hila alle tezamen ten anker Gekomen zijn; En in welken nacht, ook de volkeren van zijne orembaijs gedeeltelyk met Ledige zacken en diverse soorten so Maccassaarse als andere lijwaten en handel waeren nade wal of Landwaerds gegaen, ende verdere manschap op dat vaertuigh inslaep gevallen zijnde Van Amboina onderdato 25 meij 1763.— zijnde, Hij relatant wanneer niemand meer aende strand zaege, dan ook zijn slagh hadde waergenomen, met sich uyt dien oreenbaij aflaetende nae de wal te swenc„ men; en zo ook ten spoedigsten, langs strand zijn mansch te nemen na den negorie zeijth, al waer in den morgen, zich een weijnig bij een zijner beekenden, zekeren inlanden naemens Tahitat ververst, hebbende wijders naer Hila gevoeteert, en door 't opperhoofd vandat Comptoir eijndelijk herwaerds gezonden geworden js; terwijl voor 't overige den relatan=t aengaende die zijne Gedronge 2 werftocht ' geene andere bij zonderheden te verhallen ofte aen te geverwiste, dan eenlijk dat zommige zijner totgenoten en daer onder ook den orangtoua van zijne negorie Ameth Naemens Lucas Mandua bessij overleden en andere hier en daer als in zoudenheijd mede eene re zijner landslieden naemen Anna Cottapon nae op p:lo gisser in een d:o gen:t Luccas Le Walloe tot Guellemoerij op Cenam nog omtwaalden; Glyk Gelyk ook dat ten dien Custe in opzigte voornaerds, genoemden detoesang of zendeling des konings van Tidor wel had gehoord dat al omme aendien oord„ en in de Papouse Eylanden Geweest ware doch van desselfs verrichtingen of te beveelen, aldaer niets anders bewust te zijn als dat verscheijde doorde Papouase roof voldoe ren, vervoerde ingezetenen deser Provintie weder zoude hebben opgezocht en te recht Gebracht. waer mededen relatant dese zijne verklaring, onder presentatie van Eede quame te Eijndigen /:onderstond/ Aldus Gedaan gepasseert en Gedeposeert tot amboina aen t Casteel vitoria Dato voorsz ten pre„ sentie van Daniel Balthazar Hogreve, en Mat„ theijs Fierdinandus Clercquen ter secretarije van Politie die de minute dezes nevens den relatant ende wijse Cret:s hebben, ondertekend / lager/ quod Attestor Getekend/ W: J: V: Lingen secret:s daer onder quod attestor getekent.. . Beijnon G=s: Clercq.

NL-HaNA_1.04.02_3094_0401 view scan ↗

English

115 From Java's East Coast the 28th June 1763 To the Right Honourable, Highly Esteemed, Severe, Far-commanding Lord, His Right Honour Petrus Albertus van der Parra, Governor General of Netherlands India etc. etc. etc. Right Honourable, Highly Esteemed, Severe and Far-commanding Lord, After having first congratulated Your Right Honour with becoming subservience on his confirmation in the eminent dignity of Governor General on behalf of the state of the United Netherlands and the Chartered East India Company, wishing from the heart a long-lasting and in every way prosperous reign, I herewith take the liberty with respect, in fulfillment of the orders given to me by the Honourable Lord Governor van Ossenberch upon his Honour's departure, to bring to your knowledge an event which may be of such consequences that the peaceful state of Java may fall completely to pieces if divine providence does not deign to bless the measures employed thereto. The From Amboina, dated 25 May 1763. that he, the narrator, when he no longer saw anyone on the beach, had seized his opportunity, lowering himself from that orembaai to swim to the shore; and thus as quickly as possible made his way along the beach to the negorij Zeijt, where in the morning he refreshed himself a little with an acquaintance of his, a certain native named Tahitat, proceeded on foot to Hila, and was finally sent hither by the head of that factory; whilst for the rest the narrator, concerning that forced recruiting expedition of his, was unable to recount or report any other particulars than only that some of his companions, and among them also the orang tua of his negorij Ameth named Lucas Manduabessij, had died, and others were still wandering about here and there as if in captivity, including one of his countrymen named Anna Cottapon, according to a guess around a village called Luccas Le Walloe at Guellemoerij on Ceram; likewise that on that coast, with respect to the aforementioned outoessang or envoy of the King of Tidor, he had indeed heard that he had been everywhere in that region and in the Papuan Islands, but knew nothing else of his actions or orders there than that he was said to have sought out and recovered several inhabitants of this province carried off by the Papuan pirates. Wherewith the narrator concluded this declaration of his, offering to confirm it by oath. Below stood: Thus done, transacted and deposed at Amboina at Castle Victoria on the date aforementioned, in the presence of Daniel Balthazar Hogreve and Mattheijs Ferdinandus, clerks at the Secretariat of Police, who have signed the minute of this together with the narrator and me, Secretary. Below: Which I attest, signed: W: J: V: Lingen, Secretary; thereunder, which I attest, signed . . . Beijnon, First Clerk. 115 From Java's East Coast the 28th June 1763 To the Right Honourable, Highly Esteemed, Severe, Far-commanding Lord, His Right Honour Petrus Albertus van der Parra, Governor General of Netherlands India etc. etc. etc. Right Honourable, Highly Esteemed, Severe and Far-commanding Lord, After having first congratulated Your Right Honour with becoming subservience on his confirmation in the eminent dignity of Governor General on behalf of the state of the United Netherlands and the Chartered East India Company, wishing from the heart a long-lasting and in every way prosperous reign, I herewith take the liberty with respect, in fulfillment of the orders given to me by the Honourable Lord Governor van Ossenberch upon his Honour's departure, to bring to your knowledge an event which may be of such consequences that the peaceful state of Java may fall completely to pieces if divine providence does not deign to bless the measures employed thereto. The From Java's East Coast the 28th June 1763 Pangeran Adipati Anum, son of the Sultan, paying a visit to his prospective bride in Surakarta, daughter of the Susuhunan, there arose during the dancing some dispute concerning the precedence between Pangeran Adipati Mangkunegara and the aforementioned Crown Prince, the first mentioned maintaining that the Sultan's son, as a friend and guest, ought to have precedence, but the other strongly argued that Mangkunegara, as the elder in years, was entitled to the rank. Which then took effect; but Mangkunegara having danced, two inferior tumenggungs came onto the floor instead of Pangeran Adipati Anum, which was taken badly both by the Susuhunan and by Resident Beuman and as an affront to Mangkunegara, whereby the entire performance came to an end after several glasses, whether by accident or deliberately, fell to pieces before the feet of the said Pangeran Adipati Anum. I mention this matter because, having been reported to the Sultan in the worst light, it may possibly, if not the main cause of what followed, have contributed something thereto

Dutch transcription

115 Van Javas Oost Cust den 28:' Junij 1763 Aan den Hoog Edelen hoog Agtb: Gestrengen wijd gebiedende Heere Zijn Hoog Edelheijd Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal van Nederlands Jndia &:a &:a &:a Hoog Edele Hoog Agtbaeren gestrenge en wijdgebiedende Heere Na voor af Uw hoog Edelh:t met betamelijke onderda„ heijd „niglijk vergelukt te hebben wegens zijne bevestiging in de ominante waardigheijd van gouverneur generaal wegen den staat der veranigde Naderlanden, ende g'oetroijeerde Oostjndise Martschotwij, onder hert grondige toewensching van een langd uu„ „rige in allezents voorspoedige regeering, zo name ik by deze, met arbied de vrijheijd in voldoening der bevelen, die mij den Wel Edelen Heer Gouvern:r van Ossenberch bij zijn Ed:s vertrek gegeven heeft, eene gebeurtenis ter kennisse te brengen dewelke van zodanige gevolgen zijn kan, dat de veedige staat van Java ten eenemaal in duijgen kan vallen, zo de goddelijke voorzienigheijd de maatregelen daar toe aangewend niet geliefd te zegenen. Den Van Amboina onderdato 25 meij 1763. — zijnde, Hij relatant wanneer niemand meer aende strand zaege, dan ook zijn slagh hadde waergenomen, met sich uyt dien orlenbaij aflaetende nae de wal te swenc„ men; en zo ook ten spoedigsten, langs strand zijn mansch te nemen na den negorie zeijtE, al waer in den morgen, zich een weijnig bij een zijner beekenden, zekeren inlanden naemens Tahitat ververst, hebbende wijders naer Hila gevoeteert, en door 't opperhoofd vandat Comptoir eijndelijk herwaerds gezonden geworden js; terwijl voor't overige den relatant aengaende die zijne Gedroonge 2 werftocht geene andere bij zonderheden te verhallen ofte aen te geverwiste, dan eenlijk dat zommige zijnen tot genoten en daer onder ook den orangtoua van zijne negorie Ameth Naemens Lucas Manduabessij overleden en andere hier en daer als in zoudenheijd mede eend re zijner landslieden naemen Anna Cottapon nae op p:lo gissen in een d:o gen:t Luccas Le Walloe tot Guellemoerij op Cenam nog omtwaalden; Glyk Gelyk ook dat ten dien Custe in opzigte voorwaerds, genoemden oetoesang of zendeling des konings van Tidor wel had gehoord dat al omme aendien oord„ en in de Papouse Eylanden Geweest ware doch van desselfs verrichtingen of te beveelen, aldaer niets anders bewust te zijn als da=t verscheijde doorde Papouase roof voldoe ren, vervoerde ingezetenen deser Provintie weder zoude hebben opgezocht en te recht Gebracht. waer mededen relatant dese zijne verklaring, onder presentatie van Eede quame te Eijndigen /:onderstond/ Aldus Gedaan gepasseert en Gedeposeert tot amboina aen 't Casteel victoria Dato voorsz ten pre„ sentie van Daniel Balthazar Hogreve, en Mat„ theijs Ferdinandus Clercquen ter secretarije van Politie die de minute dezes nevens den relatant ende wijse Cret:s hebben, ondertekend / lager/ quod Attestor Getekend/ W: J: V: Lingen secret:s daer onder quod attestor getekent. . . Beijnon G=: Clercq. 115 Van Javas Oost Cust den 28:' Junij 1763 Aan den Hoog Edelen hoog Agtb: Gestrengen wijd gebiedende Heere Zijn Hoog Edelheijd Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal van Nederlands Jndia 2:a &:o &:a Hoog Edele Hoog Agtbaeren gestronge en Wijd gebiedende Heere Na vooraf Uw hoog Edelh:t met betamelijke onderda„ „niglijke vergelukt te hebben wegens zijne bevestiging in de minante waardigheijd van gouvernour generaal wegen den staat der veranigde Naderlanden, ende g'oetroijeerde Oostjndise Martschottij, onder hertgrondige toewensching van een langd uu„ „rige mallekents voorspoedige regeering, zo name ik by deze, met eerbied de vrijheijd in voldoening der bevelen, die mij den Wel Edelen Heer Gouvern:r van Ossenberch bij zijn Ed:s vertrek gegeven heeft, eene gebeurtenis ter kennisse te brengen dewelke van zodanige gevolgen zijn kan, dat de vreedige staat van Java ten eenemaal in duijgen kan vallen, zo de goddelijke voorzienigheijd de maatregalen daar toe aangewend niet geliefd te zegenen. Den Van Javas Oost Cust den 28:' Junij 1763 Den Pangerang de Pattij Amnuu zoon van den zulthan, een visite afleggende bij zijn aanstaande bruijd te souracarta, dogter van den Soesoehoenang, ontstond daar onder danjen eenig verschil wegens den vang tusschen den Pangorang adij Pattyj Man„ „voenagara en den voorm: kroon Prins, sustinee„ „rende den eerst gem: dat zulthans zoon als een vriend en gast den voorrang moet hebben, dog de andere dreef strek dat Mancoenagara als onder van Jaren de rang toequam. 'T welk dan ook voortgang nam, maar Mancoe„ „nagara getandakt hebbende, zo quamen in steede van den Pangerang de Pattij Anum Twee dalen Tommangons op de baan, 't welk bij den soesoe„ „hoenang, zo wel als bij den resident Beuman qua„ „lyk en als een affvont voor Mancoenagara. wierd opgenomen waar door 't geheele spel een eynde nam, na dat er eenige glaasen 't zy onvoorziens of Willens voor de voeten van den d Pangerang de Patty Anum aan stucken veelen. Jk harl deze zaak aan, om dat dezelve den zulthan tenorgste overgebragt zynde, mogelijk van 't vervolg zo geen veele oorzaak geweest is daar toe iets kan „

NL-HaNA_1.04.02_3094_0405 view scan ↗

English

117 From Java's East Coast the 23rd of June 1763. may have contributed. The Pangeran Adipati Anom having returned to the Mataram, there immediately followed him thither the Sultan's daughter, Ratu Bendara, wife of the Pangeran Mangkunegara, who let her depart without suspicion, because it was the third time that she went to pay a visit to her father. After several days' stay at the court of Yogyakarta, the prince gave notice, first orally by the sluice and afterwards by letter to the Susuhunan and Mangkunegara, that the Ratu Bendara was entirely averse to her husband, and absolutely refused to return to him, under the pretext that he, Mangkunegara, had a secret disease, and that he moreover provided her with no financial support; however, on the other hand, the Sultan expressed himself quite differently in his letter to the Right Honourable Lord Governor van Ossenberch, saying that the reason why his daughter did not wish to return to her husband was that Mangkunegara was seized with evil intentions, from which sooner or later nothing good was to be expected. The From Java's East Coast the 23rd of June 1763 The Pangeran Adipati Mangkunegara, having received this news, immediately stated outright that this was not the doing of his wife but of the Sultan, in which opinion he was even more confirmed when his wife herself let him know as much, whereby he was made more and more agitated, declaring that he would not rest until he had obtained his wife. Resident Bouman has employed all means in vain to calm that prince, but he remains obstinate, and was with very great difficulty finally brought so far that he conceals himself from the eyes of men out of shame, as he says, and has promised to keep quiet and await what effect the promised aid of the Susuhunan and the Honourable Lord Governor van Ossenberch will have. Meanwhile, the applied efforts of the Susuhunan have been of no use, so that it now depends solely on the letters that the Lord Governor has written both to the Sultan and the Prime Minister, and which have been dispatched today. The 119 the From Java's East Coast under date 23rd of June 1763 The Sultan himself, fearing the consequences of this matter, has already on the 18th of this month stationed some troops at Prabara under the Pangerans Pakuningrat and Dipanegara, so that nothing is lacking for the opening of the theater of war but the marching out of Mangkunegara, who has enough following at both courts to throw all Java into turmoil. Pardon me, Right Honourable Sir, this liberty of mine to commit everything to paper to the best of my knowledge and according to the dictates of my bounden duty, and may it further please Your Right Honourableness to allow me to point out the weak state of the garrisons both here and at the ports, strong enough to occupy the posts in time of peace, but untenable at the slightest rupture. I add hereto in reverence for your respected consideration both charters relating to this matter, and remain with the greatest respect, undersigned, customary title, signed, H. Munnik, in margin, Semarang the 23rd of June 1763. Batavia From Bantam the 7th of July 1763. Batavia To as above Having been requested several times by the Sultan to insist to Your Right Honourablenesses in his name that 20,000 Spanish reals may be lent to him by the Honourable Company, to be repaid in annual installments, I initially held before His Highness whether he had well considered his old debt and the annual exemption of 6,875 Spanish reals that Your Right Honourablenesses only just granted him in the year 1761; but to this the prince testified to acknowledge this very well, but that his finances since the last change of government had not yet been able to improve to such an extent as to be able to advance the required moneys for the highly necessary expedition to his Landak province, whose subjects were thereby becoming alienated from him, not to mention that it also prevented making the customary advances to the Lampong pepper merchants, whereby those people out of necessity were frequently prevented 121 From Bantam the 7th of July 1763 prevented from bringing their products hither, and since the state of his realm would thereby gradually worsen more and more, His Highness is resolved rather to dispose of his jewels than to leave his subjects in embarrassment, offering therefore to Your Right Honourablenesses as a pledge for that loan such jewels and gold works as he thinks will be sufficient, which the Kiai Aria Tisnakara will offer to Your Right Honourablenesses for appraisal; but beforehand I did not fail to suggest to His Highness in a friendly manner whether he had well considered that the state regalia should not be alienated but should remain inseparably attached to the crown, to which the prince replied that they are not those adornments, but rather various items collected together since his accession to the throne; all of which I thought it my duty to communicate to Your Right Honourablenesses. Meanwhile, I have the honour to remain with the greatest respect, undersigned, customary title, signed, H. P. Faure, in margin, Bantam the 7th of July, in the year 1763. Register

Dutch transcription

117 Van Javas Oost Cust den 23:' Junij 1763. kan gecontribueert hebben. Den Pangerang adij Pattij Aruem na de mattarin gekeert zijnde, zo volgde hem terstond derw:t zulthans rogter, Ratoe Bendoro, vrouwe van den Pangerang Mancoenagara die haar zonder erg liet vertrecken, dewyl het de derde maal was, dat zij haaren vader ging een visite geeven. Na eenige dragen vertoevens aan 't hoff van Djojocarta geeft de vorst eerst mondeling van den sluijs, naderhand p:r missieve aan den soesoe„ „hoenang en Mancoenagara kennis dat de ratoe Bendoro ten Eenemaal van haar man avers was, in absolut niet weder bij hem wilde komen, onder voorgeeven dat hij Mancoenagara een geheijme ziekte zoude hebben, en dat hij daar en boven aan haar geen onderstand van geld verschafte, edog aan de andere kant laat zig den zulthaan geheel anders uyt in zyn missive aan den wel Edele heer gouverneur van Ossenberch, zeggende dat de reeden, waarom zyn dogter niet weder naar haren man wilde keeren was om dat Manioenagara met quaade intentien zoude zijn ingenomen, waar uijt heeden of morgen niets goeds te verwagten stondt. De Van Iavas Oost Cust den 23: Junij 1763 De Pangerang Adij Pattij Mancoenagara deze tijding vernomen hebbende, zyde terstond vond uijt dat dit geen werk van zijn vrouw maar van den zulthan was, in welke gevoelen hij nog meer gesterkt is, toen zijn vrouw zelfs zulx hem liet weeten waar door hij meer en meerder gaande gemaakt, verklaarde niet te zullen rusten voor dat hy zijn vrouw gekreegen heeft. Den Resident Bouman heeft alle middelen te vergeefs in 't werk gesteld, om dien prins neder te zetten, dog hij blijft op zijn stuk staan, en is met zeer veel moeijte nog eijndelijk zo verre gebragt; dat hij zig voor 't oog der manschen uijt schaamte, zo hij zegt verschult, en beloofd heeft zig stil te zullen houden en afwagten wat effect de beloofde hulp van den soesoehoenang en d' Edele heer gouverneur van Ossenberch zullen hebben. Inmiddels zijn de rangewande moeijte van den soesoehoenang van geen nut geweest, zo dat het nu waar alleen afhangt vande missives die den Heere gouverneur zo aan den zulthaan als Rijxbestierder geschreeven heeft, en heeden verzonden zijn. De 119 den Van Iavas Oost Cust onor Daato 23: Junij 1763 De zulkhen zelfs wrietsende voor de gevolgen van deze zaak, heeft reeds den 18. dezer op prabara eenige volkeren laten post vatten, onder de Pangerangs Pacoediningrat en Dieponagara, zo dat er niets hapert aan het openen van het toneel des oorlogs, als de uijtrucking van Man„ „roenagara die aanhang genoeg heeft aan beyde de hoven, om gansch Javain rep en voor te stellen. Vergeef mij Hoog Edele hier : deze mijne vrijheijd in alles na mijn beste weeten en volgens het dictamen van myne schuldige gehoudenisse ten papiere te brengen en Uw hoog Edelheyt gelieve mij verder te ver„ „der te vergunnen de zwakke gesteldheyjt van de guar„ „nisoenen zo hier, als aan de haven te evineeren, sterk genoeg om de posten te bezitten in tijd van vreede maar onbefstand bij de meeste repture - jk vroege hier in eerbied ter geeerde speculatie byde Charters tot deze zaak betreckelijk en blijve met de Meeste eerbied /onderstond/ gewoone titel / getekent/ H. Munnik, /inmargine/ Samarang den 23: Junij 1763. Batavia Van Bantam den 7. Julij 1763. Batavia aan Als vooren Doorden zulthen een en ander maal aangezogt zijnde, om bij Uw hoog Edelens uijt deszelfs naam te willen insteeren dat door d'E Comp: aan hem 20'000 spaanse raalen mogen terleen gegeven werden, om bij Jaarlijkse termijn weder te voldoen. zo heb jk zijn Hoogheijd aanvankelijk voorgehouden, of wel gedagt aan zijn oude schult en aan de Jaarlijxe ontheffing van sp: voaal 6875 dien UW hoog Edelens pas in den Jaare 1761. aan hem vergunt hebben dog hier op betuijgde den vorst zulx zeer wel t' erkennen, maar dat zijne finantien 't zedert de laatste staats verwisseling nog zodanig niet hadden konnen amelioreren, om daar door de vereijschte penn: te mogen opschieten ter hoog nodige bezending na zijne landakse provintie, welkers onderdane daar door als van hem vervreemt raakte ongerekent almede belet wierd, de gewoon„ „lijke voor uijt verstreckingen aan de Lampongse peper marchandeurs te konnen doen, waardoor die menschen uijt nood druft al manigmalen Weerhouden 121 Van Bantam den 7. Julij 1768 weerhouden werden hunne producten herw:s te konnen brengen en dewijle daar door den staat van zijn rijk gaande weg langs hoe meer zoude verergeren, zo is zijn Hoogheijd geresolveert, zig liever van zijne kleijnnodien te willen ontdoen, dan zijn onderdanen in verbe„ „gentheijd te laten, biedende dierhalven uw hoog Edelens ten onderpand van die belening aan zodanige Juweelen en goudwerken, als hij donkt toerijkende te zullen wezen, en den Kiayetria Tisnagara uw hoog Edelens ter taxatie zal aan bieden dog alvoorens hebbe jk niet gemenkeert zijn Hoogheijd in 't vriendelijke voor te houden, of welgedagt dat de ryks ornamenten met ver„ „vreemt maar dezelve onschijbaar aan de kroon verknogt moesten blijven, waar op den vorst gantw:d heeft, dat het die cieradien met zijn, maar wel het eer en ander 't zedert zijn komst tot den throon: bij ren versamelt: al het welke ik gedagt hebbe Uw hoog Edelheedens te moeten Communiceeren. Jn„ middens hebbe, de eer met het meeste ontzag te blijven /onderstond/ gewonetitie /getekent/ H. p. Faure /inmargine/ Bantam den 7. Julij A„o 1763. — Register

NL-HaNA_1.04.02_3094_0410 view scan ↗

English

From Souratta, 30 April 1763 Register of such secret papers as are today respectfully sent by the ship Bleijswijk via Ceijlon to His High Nobility, the High Noble, Right Honourable Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor General, together with the Honourable Council of Dutch India. This Register: Number 1. An original secret missive to Their High Nobilities the Lords of the High Indian Government from the Lord Director and Second, dated 30 of this month. 2. A duplicate secret letter to the same from the Lord Director and Council, dated 9 January of the current year. 3. Ditto separate missive to the same from the Lord Director, dated 12 January of this year. 4. Ditto missive to Their said High Nobilities from the Lord Director and Second, of the same said date. One 123 From Souratta, 30 April 1763 Batavia Number 5. A copy of the Secret Resolution of 5 April 1763 for Batavia. 6. An original sworn Report of the political Council members regarding the known claim of 80000 ropijen, of which the copy was sent with the Slooterdijk for Batavia. 7. Two sets of copies of Secret Resolutions, namely of 20 December 1762, 10 and 12 January of this year, Pro Patria. 8. Ditto copies of sworn reports regarding the repeatedly mentioned claim of 80000 ropijen, Pro Patria. 9. Ditto set of letters and papers regarding the occupation of the lodge and wharf by the Nabab's troops, each set divided into 2 parts, Pro Patria. 10. Copy of letters and papers regarding the same as above, for Batavia. 11. Two copy secret missives to Their High Nobilities written by the Lord Director and Council, dated 9 January of the year 1763. Souratta, 30 April 1763. Signed, W. Blaaukamer, provisional secretary. From Souratta, 30 April 1768 Batavia We have the honour to present to Your High Nobilities the duplicate of our humble separate letter of 12 January last, sent with the ship Sloterdijk, to which we presently know to add nothing other than the report accompanying this in copy, being the secret Resolution of the 5th of this month. The first item appearing therein is a letter sent to us by the Governor of Bassijn with the Company's Moedij Manink Dada, who had visited that lord at his request under a false pretext. This letter contained an invitation to come and trade at Bassijn, and was accompanied by such proposed points as are inserted in the said Resolution. We have not been able to understand where this unexpected friendship originates, from a ruler who has not yet deigned to reply to our legitimate complaints, unless it was, as we suspect, to spite the English. Nor could we help but estimate the value of all those articles very low, if as before, at 125 From Souratta, 30 April 1768 at least they must be judged to be of the same alloy as the second, in which mention was made of the disaster that befell the Getrouwigheijt, and it would according to the content of the same be to the prejudice of the Company that that ship, instead of having been driven onto the rocks with cargo and all, did not fall into the hands of the Pirates. As we have decided to answer all the foregoing, we hope that it may meet with Your High Nobilities' approval. Of importance is the second section of the said Resolution, whereby we have decided humbly to request Your High Nobilities that Your High Nobilities may be pleased to prohibit the placement of native-born Englishmen on the ships projected for this directorship, whether those people came from Europe with the Company's ships or were taken into service in this country. The incident of a Captain of that Nation coming aboard the Bleyswyk to press all such individuals, as the chief mate reported to us, gave us cause for this decision; for although this was only an attempt without consequence, it would not stop at that if there were warships of From Souratta, 30 April 1763 theirs lying in the roadstead, and in that case it can never turn out otherwise than to our prejudice. Upon the arrival of the bearer of this, we encountered no small dissatisfaction because only 9 Moorish sailors were returned with it, and the grumbling about this made us uneasy about succeeding in our recruitment, which nevertheless ended fairly reasonably, in comparison with the Sloterdijk, which had to depart with only 30 hands, and because of the pressing necessity we take the liberty to reiterate our request regarding the sending home of those people. In consideration of that importance, we have had the delegates from our Council, who on 12 January heard the counter-declaration of the former town Dewan Roegnadas concerning the formulated claim of 80000 ropijen, duly have their Report, which they had submitted under offering of an oath, sworn before two delegated members from the Council of Justice who are also members of the political council. With this much, we take the liberty to call ourselves with humility and deep respect, underneath stood title as before, was signed, I: Drabbe and D. Kellij. In the margin: Souratta, 30 April 1763. Tuesday

Dutch transcription

Van Souratta den 30. April 1763 Register van zodanige secree„ „te papieren als er op heden per het schip Bleijswijk over Ceij„ „lon eerbiediglijk verzonden worden aan zijn Hoog Edelheyt den hoog Edelen groot agtb: Heere Petrus Albertus van der Parra gouverneur Generaal benevens De Wel Edele Heeren Raden van Nederlands Jndia Dit Register N:o 1. Een origineel socreete missive van Haar Hoog Ed:s de Heeren der hooge Jndiase Regeering van den Heer Directeur in secunde in dato 30. dezer „ 2. „ Dupplicaat secreete brief aan Hoog dezelve van den Heer Derecteur en raad in dato 9. Januarij A. o C:t 3 „ _o _o aparte missieve aan als even van den Heer Directeur in dato 12. Januarij dezes Jaars 4 „ _o _o missieve aan welm: Haar Hoog Edel:s van den Heer Derecteur en secunde van even gem: Datum Een 123 Van Souratta den 30. April 1763 Batavia N: 5. don Copia Socreete Resol: van den 5. april 1763 voor Batavia 6 „ Origineel b'eedigt Rapport van politicque Raadsleeden wegens de bewuste pretensie van 80000 ropijen waar van de Copij met slooterdijk is verzonden voor Batavia „7 Twee stel Copia Secreete Resol: als van den 20. xber: 1762 10 en 12. Januarij dezes Jaars Pro Patria 8 _o Copia b'eedigde rapporten wegens de meerm: preten„ „tie van ro/a 80000 pro Patria 9 _o stel Brieven en papieren specteerende de bezetting der logie en werff door 's Nababs troupen ieder stel in 2: deelen verdeelt pro Patria 10. Copia Brieven en papieren specteerende als even voor Batavier 11 Twee Copia secreete missives aan haar hoog Edelh:s gesz: door den heer Directeur en Raad dato 9. Janua„ „rij A„o 1763. souratta den 30. April 1763 /getekend / W. Blaau„ „kamer p:l secretaris Van Souratta den 30. April 1768 Batavia Wij hebben d'eere Uw Hoog Edelheedens aan te bieden het duplicaat onzer nedrige aparte van den 12. Januarij J:s L:n met het schip sloterdijk verzonden, waar bij wij thans met weeten te voegen als het verslag onzer deeze in Copia verzellende secreete Resolutie van den 5. Courant. Het eerste daar by voorkomende is een brief door den gouverneur van Bassijn aan ons gezonden met s Comp: Moedij Manink Dada die op verzoek van dien heer onder een verdigt voorwendsel was bij hem geweest. Deze brief behelsde een nodeging om te Bassijn te te komen negotieeren, en was verzelt van zodanige voordragts poincten gelijk bij gem: Resol: g'insereert zij — wij hebben niet kunnen begrijpen waar uijt die onverwagte vriendschap ontstaat, bij een vorst die zig „ zelve nog met verwaardigt heeft op onze regt„ „matige klagten te antwoorden, ten ware het was gelijk wy gissen om die engelsen spyt aan te doen. Ook kanden wy niet nalaten de waarde van alle die articulen met zeer hoogt schatten, bij aldien aan Als vooren ten 125 Van Souratta den 30 April 1768 ten minsten gerenceert moeten werden van het zelve alloyj te zijn als het tweede waar bij van het desaster de getrouwigheijt overgekomen gesproken wierd, en het zoude volgens den inhoud van het zelve tot preju„ „ditie van de Comp: wezen, dat, dat schip in plaats van op de klippen gejaagt te zijn met lading en al niet in handen der Rovers is gevallen. zodanig wij al het voorenstaande beslooten hebben te beantwoorden hoopen wy dat het van Uwverhoog Edelh:s goedkeurige mag zijn Van belang is het tweede Lid van gem: Resol: Waar bij wij besloten hebben uwe hoog Edelheedens onderdanig te verzoeken, dat Hoog dezelve ge„ „lieven te doen zeggen tegens de ploatzing van geboren Engelsen op de tscheepen die voor deze devrec„ „tie geprojecteerd zijn, 't zij of die lieden met sComp: scheepen uijt Europa zijn gekomen dan wel hier te lande in dienst aangenomen Het geval dat een Capitain van die Natie aan boord van Bleyswyk gekomen is om alle dergelven te ligten gelijk de opperstuurman ons berigte, heeft ons aanleijding tot dit besluijt gegeven, want schoon dit alleen maar een tentamen zonder gevolg is geweest, zoo zoude het daar bij niet blijven bij aldien er oorlogs scheepen van Van Souratta den 30. April 1763 van haar op de rheede lagen, en in dat geval kan het nun„ „mer anders dan tot prejuditie van ons uijt vallen Wy hebben, by het arrivement van brenger dezes niet weijnig misnoegen ontmoet, om dat daar meede maar 9 moorse zeevaarende waren geretourneerd ende mompe„ „lingen daar over, maakten ons ongerust van in onze werving te reusseeren, dat egter nog al redelijk is afge„ „lopen, en vergelijking van sloterdijk, die maaret 30 koppen heeft moeten vertrekken en wij neemen om de dringende noodzakelijkheijd de vrijheijd ons verzoek nopens de thuijs zending van dat volk te reitereeren. Uyt aanmerking van dat gewrigt hebben wy door de gecommitteerdens uit onzen Raad, die on„ „der den 12. January de Contra declaratie van den gewesen stads Duwan Roegnadas wegens de geformeerde pretensie van Ro/a 80000 - hebben aangehoord hun Rapport, dat zij daar van onder presentatie van Eede hadden overgegeven behoorlyk voor twee gecommitteerde leden uyt den Raad van Justitie en teffen Leeden van politie zijn laten b'eedigen Met dus veel neemen wy de vrijheijd ons met ootmoed en diep: ontzag te noemen /onderstond/ tytel als voo„ „ren /w:s getekend/ I: Drabbe en D. Kellij /in margine/ Souratta den 30. April 1763. Dingsdag

NL-HaNA_1.04.02_3094_0415 view scan ↗

English

From Souratta, the 30th of April 1763 Tuesday, the 5th of April 1763, at sunset Present: The Right Honourable and Venerable Lord Director Jan Drabbe Senior Merchant, Second, and Head Administrator David Kellij Merchant and Fiscal Mr. Gerbrand de Jonge The same and Warehouse Keeper Martinus Jan Bosman Junior Merchant and Provisional Secretary of Position Willem Blaaukamer Junior Merchant Otto Hendrik Ruperti Hendrik Kroonenberg Cashier and Invoice Clerk Ian Oudenhoorn Junior Merchant Lodewijk Andries van Beger The same and Pay Bookkeeper Reinier van Harn The Modi Mannik Dada, having departed for Bassijn pursuant to our joint resolution of the 28th of February to learn of such matters as the governor there had written that he would communicate verbally to someone whom he requested to be sent for that purpose, and that servant having returned from there, as well as having handed over to the Lord Director a letter alongside some points which the Modi was charged by the governor to bring to our notice, the translations of which follow below. Translation of a Persian missive to the Right Honourable and Venerable Lord Director Jan Drabbe, chief ruler of the Directorate of Souratta, written by the Governor of Bassijn, Wisasie Pandet, received here on the 26th of March 1763. After the honorific titles: After long anticipation, I have finally received from the hands of Your Honour's subject, the Parsi Mannikjie, Your Honour's friendly letter, which was very pleasant to me and cheered me exceedingly. I have disclosed to him the secrets of my heart in order to bring the same to the attention of Your Honour. Among true friends it is customary that each contributes to that which can strengthen the friendship and draw its bond closer; and while I consider Your Honour as a bosom friend of mine, so I also expect that Your Honour will be pleased to cheer me with your letters and to honour me with your commands, in the execution of which I shall find my most substantial pleasure. What more shall I write than that my wish is that God may grant Your Honour a long life and allow you to pass your days in good health. On a separate note is written: My good friend, Regarding that which I have made known to Mannikje concerning the establishing of a factory here, I request that Your Honour be pleased to put it into effect the sooner the better. If Your Honour can approve this, nothing shall be lacking on my part that may serve to advance matters, for my heart and soul wish to see a good end to the same. It is needless to write more. Underneath stood: Translated according to the statement of the Company's Persian writer Admaram Narvenjie and the native warehouse writer Cassiram Radjavana. Signed: N. H. De Wind, provisional first sworn clerk. Translation of notes kept by the Company's Modi Mannik Dada during his presence at Bassijn, of all that the Governor of that place, Wisasie Pandet, charged him to bring to the notice of the Right Honourable and Venerable Lord Director Jan Drabbe, namely: Firstly, that upon the proposals he made, the governor had received orders from the Court of Poona to set everything in motion that could encourage the Dutch to establish a factory at Bassijn, and that Samraadjie Pandet, head of all the Pandits, had likewise recommended this to him. Secondly, that the Right Honourable and Venerable Lord Director had indeed written to him regarding the hostilities shown by the pirates native to Geria against the Company's ship De Getrouwigheijd; yet, because the same and its cargo remained at sea, as well as because part of it came into the hands of those enemies, he is unable to compensate for it, which on the contrary would have been done. 3. The aforementioned governor requests that a factory may be established at Bassijn on the Company's behalf, offering for that purpose three places from which the Company, according to their pleasure, may choose one that suits them best, one of which is named Paldie. 4. The same promises that two to three shiploads will be sold there annually, and also to have the four roads along which the merchants transport their goods to and from the upper country, and especially that of Bombaij, closed to everyone, so as by doing this to compel the merchants to come and fetch and transport their necessities from the Company at Bassijn. 5. To take less toll from the Company than the same must pay at Souratta. The aforementioned governor further says that the Honourable Company formerly took great pains to have an establishment at Bassijn, but that it is not to be attributed to him that the Company did not succeed therein, but rather to others. That...

Dutch transcription

127 Van Souratta den 30.:' April 1763 Dingsdag den 5: April 1763 met zons ondergang Present Jan Drabbe den E. E. Agtb: Heer Directeur „ Opperkoopm: secunde en hoofd administ: - - - David Kellij „ koopman en Fiscaal - - . M: Gerbrand de Jonge _o en Pakhuijsmeester . . Martinus Jan Bosman „ Onderk: en p:l secret:s van positie. Willem Blaaukamer „ Onderkoopman. - . . . . Otto Hendrik Ruperti Hendrik Kroonenberg Cassier en factuurhouder Ian Oudenhoorn „ Onderkoopman - - - - Lodewijk Andries van Beger _o in zoldij boekhouder Reinier van Harn De Moedij Mannik Dada ingevolge ons gemeen besluijt van den 28. Februarij na Bassijn zijnde vertrocken om zodanige zaken te vernemen als den gouverneur aldaar geschreeven hadde mondeling te zullen Communiceeren aan iemand die hij verzogt daar toe afte zenden en die bte„ „diende van daar geretourneerd mitsgad:s aan de heer direc„ „teur overgelevert hebbende een brief nevens eenige paincten die den moedij door den gouverneur belast was _o _ „ was om ter kennisse te brengen en waar vande Transla„ „ten hier onder volgen. Translaat Persiaanse misseve aan den E. E: Agtb: Heer Directeur Jan Drabbe hoofdgebieder der souratse Directie gesz: door den Bassijns gouverneur Wisasie Pandet alhier ontfangen den 26. maart 1763. Na d'eertitulen Na lang uijtzien heb jk eijndelijk uyt handen van UWEE. agtb: onderhorige der Persie Mannikjie UWE. E. agtb.:s vriendelijk brief ontfangen 't welk mij zeer aangenaam is geweest, en uijtermaten vervrolijkt heeft jk heb aan hem mijn hantsgeheur g'openbaart om dezelve ter kennisse van UW E. E. agtb: te brengen. onder ware vrianden is het gebruijkelijk dat ieder Contribueerd tot het geen de vriendschap kan sterken in de band van dien naauwer toetrekt, en terwijl jk Uw EE agtb: alseen boesem vriend van mij Con„ „sidereere zo verwagt ik ook dat Uw E. E. agtb: my met desselfs Letteren zult gelieven te vervrolij„ „ken en met desselfs beveelen te honoreeren, in dewelke Van Souratta onder dato 30. April 1763 uyt 129 Van Souratta onder dato 30. April 1763 uijt te voeren ik mijn wezentlijkste vermaeken vinden wat zal ik meer schrijven als dat myn wensch is dat God Uw E. E. Agtb: een lang leeven verleene en desselfs dagen met gezondheyt laat doorbrengen Op een apart briefje staat Mijn goede vriend 'T geen jk Mannikje te kennen heb gegeven, omtrend het opregten van Een Comptoir alhier verzoeke jk dat Uw E. E. agtb: hoeder hoe liever gelieft werk stellig te maken: als UwelEd agtb: zulx kan goedvinden zal ok aan mijn kant niets laten ontbreeken wat tot bevordering van zaken strekken kan, want mijn hert en ziel wenscht om een goed eijnde van dezelve te zien, het is node„ „loos meer te schrijven /onderstond/ vertaald na de opga„ „ve van sComp: Persiaans schrijver Admaram Nar„ „ven jie en Jnlands pakhuijs schrijver Cassiram Radja„ „vana /was get:d/ N. H. De wind provisioneel eerste gesw: Clercq. Translaat zal. Van Souratta onder dato 30. April 1768 Translaat Antekeningen gehouden door sComp: MCoedi Mannik Dada bij zijn aan„ „wesen te Basijn van al het geen den Gouverneur dier plaatze wisasie Pandet hem belast heeft ter kennisse van den E. E. Agtb: heer Directeur Jan Drab„ „be te brengen als Eerstelijk dat hij gouverneur op zijn gedane voorstel„ „lingen van het Doenase hof ordre had ontfangen om alles in 't werk te stellen wat de Hollanders zouden kunnen aanmoedigen om een Comptoir te Bassijn op te regten en dat samraadjie Pandet hooft van alle de Bandets hem zulx insgelijx had gere„ „commandeert. Dat den E. E. agtb: heer Directeur hem over de vyan„ „delijkheeden door de te Geria thuijshorende rovers aan het Camp:s schip de getrouwigheijd betoond wel geschreven had; dog dat hy mits het zelve en dees lading in zee gebleeven, mitsg:s mitsdaar van in handen dier vijanden gekomen is buijten staat 131 Van Souratta onder dato 30. April 1763 „ staat het zelve te vergoeden, dat in tegendeel zoude zijn geschied 3. verzoekt voorsz: gouverneur dat 's Comp: wegen een Comptoir te Bassijn mag worden opgeregt, biedende ten dien eijnde 3. plaatzen aan, uijt de„ „welke de Comp: na hun welgevallen zodanig een kan uyt gekiesen dat haar het best aanstaat, zynde een der„ „zelver Paldie genaamt 4 Promitteert denzelven dat Jaarlijx twee a drie scheeps„ „ladingen aldaar zullen worden verdebiteert mitsg:s de vier wegen waar langs de kooplieden hunne goederen van en na de boven landen vervoeren en voorna„ „mentlijk die van Bombaij voor een iegelijk te laten, sluijten om dus doende de kooplieden te noodzaken hunne benodigtheeden te Bassijn van de Comp: te komen afhaalen en vervoeren. 5. Minder thol van de Comp: te neemen dan dezelve op souratta betalen moet zegt voorwaards gem: gouverneur, dat d'E Comp: vertyjds veel moeijte heeft gedaan om te Bassyn een etablissement te hebben, dog dat het niet aan hem is toete schrijven dat de Comp: daar in niet is gereusseerd maar wel aan anderen. Dat .

NL-HaNA_1.04.02_3094_0420 view scan ↗

English

From Surat under date 30 April 1763 7 That if the Director and Council at Surat now accept the Governor's proposal and establish a trading post at Zasgin, they will gain a good name with their lords and masters. 8 When the Director and Council, resting upon the Governor's promise, are pleased to send someone on their behalf to Bassain, whom he, Wiajie Pandet, would then also take along to Poena in order to have the contract ratified with the seal of the ruler Dadoe Bauwa, otherwise known as Raggoenaat-raauw. 9 The aforementioned Governor said that while he now seeks to work out everything to the greatest advantage of the Honorable Company, the same should also not mislead him; whereupon the aforesaid Mannik Dada could not refrain from answering that the Dutch Company sacredly keeps its word once given and is not as fickle as the natives. Below stood: translated according to the statement of the Honorable Company's Moodi Mannik Dada. Was signed: N. H. De Wind, provisional first sworn clerk. Thus it was resolved first of all to keep the same secret for the sake of the English gentlemen, who, if the matter became public, might make more of it than this affair warrants in our regard. Further proceeding to the examination of those points of the proposal, they were found at first glance to be advantageous enough, but it was imagined at the same time, and possibly not without probability, that the court of Doma is currently only cajoling us to spite the English, between which nation and that court no good harmony resides, as seems clearly evident from the content of the 4th article; for otherwise it is not well possible to guess whence this unexpected affection, toward which no steps were taken on our side, originates with a ruler and ministry whose subjects do not hesitate to attack the Company's ships, and who himself does not deign to answer our legitimate complaints. Further considering that if all articles had to be judged to be of the same alloy as the 2nd, one could really pay little heed to them; for just as if it were not the fault of the Geria pirates that the ship De Getrouwigheijt remained at sea, as that paper states, they thus seek to stall us with a faint assurance that they would have restituted the damage to the Company if that vessel and its cargo had fallen into the hands of those pirates, which in this manner has been a great misfortune for the Company. Yet, besides all this, not considering that our capacity far surpassed undertaking any enterprise of that nature, without counting that the enterprise would certainly need to be preceded again by an expensive embassy to the Court of Poena, as one cannot prudently rely on an oral declaration made by a subordinate governor to our Moodi, the value or worthlessness of which would still have to be investigated, it was found good to write that gentleman only in reply that our capacity is too limited to profit from his affection, but that we shall present that letter and the points of the proposal to Their High Mightinesses in order to know their high pleasure thereon. The Director said hereafter that the note received on the 31st of the past month from the roadstead, whereby the writer, being the chief mate of Bleijswijk, C. V. Doon, informs us that the English Captain had been on board that vessel to take away the Englishmen we might have on board, but that after being informed of what the 8th, 9th, and 10th articles of the instruction for the officers of our ships lying here at the roadstead dictate, they were diverted and departed again after some exchange of words; this having been circulated among the members for reading, it was deemed necessary to wait and see whether that matter would have any consequence, in order to make our complaints at that time in the proper place; that having heard nothing more of it, His Honor nevertheless proposed to the members to request respectfully of Their High Mightinesses by secret letter that they may be pleased to see to it that all native-born Englishmen, whether having come from Europe on our ships or having deserted to us in the Indies, not be placed on ships destined for this place, but that those on them be exchanged for other men and employed on ships that go on voyages where no danger of impressment is to be feared, or else as Their High Mightinesses shall be pleased to see fit; since in the presence of warships of that nation, it would not stop at a mere attempt like this was, but we, to the considerable prejudice of our esteem, would have the displeasure of seeing the English nationals taken by force from our ships without receiving one of ours in exchange, and without having any right of complaint to the English Chief and Council, since they have no command over the King's captains. The Council approving this proposal, it was resolved to present the same respectfully to Their High Mightinesses by secret dispatch. Below stood: In the Dutch Comptoir Surat, on the day aforesaid. Was signed: J:n Drabbe, D' Kellij, G. de Jonge, M. J:n Bosman, W:m Blaauwkamer, O. H:k Ruperti, H:k Kroonanbarg, J: Oudenhoorn, L. A. van Jeger, and Reijnier van Harn. Below that: Agrees. Was signed: W: Blaaukamer, provisional Secretary. To

Dutch transcription

Van Souratta onder dato 30. April 1 7 Dat den Heer Directeur en Raad te souratta nu des gou„ (accepterende en te Zas, gin een Comtoir „verneurs propositie opregtende bij hun heeren meesters een goede naam verkrijgen zullen 8 Wanneer den heer Directeur en Raad op des gouverneurs belofte zig met gerust, iemand hunnent wegen na Bas„ „sijn gelieft te zenden die hij wijapie Pandet als dan mede naar Poena zoude neemen ten eijnde het te Contracteeren met het zegul van den vorst Dadoe Bauwa anders Raggoenaat-raauw te doen bekragtigen. 9 zeide meergem: gouverneur dat terwijl hij nu alles op het voordeeligste voor d'E Comp: zoekt uijt te werken dezelve hem ook niet moest misleijden waar op voorsz Mannik Dada niet konde voor bij te antwoorden, dat de nederlandse Comp: haar eens gegeve woord heijliglijk na komt en niet zoo veranderlijk is als de Jnlanders /onderstond/ vertaald volgens op„ gave van s E Comp: Moedij Mannik Dada /was getekend/ N. H. De wind p:l eerste gesw: Clercq. Soo besloot man voor eerst dezelve om de wille van de heeren Engelsen die wanneer de zaak rugtbaar wierd 'er mogelijk meer van zouden maken, als 133 Van Souratta Onder dato 30: April 1763 als die affaire onzen opzigte om 't lijf kaer heeft, te secreteeren. Wyders tradende ter examinatie van die voor„ „dragts poincten zoo vond men dezelve in den eersten opslag avantagious genoeg, maar men verbeelde zig teffens en mogelijk met geen onwaarschijn lijk„ „heyt, dat het Domasche Hof ons thans eenelijk Cajoleert, om d' Engelsen tussen welke natie en dat hof geen goede harmonie huijsvest spijt aan te doen, gelijk niet ondeuydelijk schijnt te blijken uijt den inhoud van het 4. articul, wantan„ „ders is het niet wel mogelijk te gissen waar uijt die onverwagte genegentheijt, daar van onze zijde gene passen toe gedaan zijn, oorspronkelijk is bij een vorst in ministerie wions onderdanen zig niet ont„ „zien om sComp: scheepen aan te doen, en die zelve zig niet verwaardigt om op onze regtma„ „tige doleantien te antwoorden. Wyders Considereerende men dat wanneer alle art:l gecenseert moesten worden van het zelve alloij te zijn als het 2:de men wezentlijk weinig agt daar op konde geeven, want eren als of het de schult van de Geriasche rrovers niet ware dat Van Souratta onder dato 30. April 1765 dat het schip de getrouwigheijt in zee zoo als bij dat Papier staat gebleeven is, zoo tragt men ons met een flaauwe verzekering op te houden dat zij de schaade aan de Comp: zouden gerestitueert hebben zo dien bodem en dies lading die piraten ware in hander gekomen, dat op deze wijze een groot ongeluk voor de Comp: geweest is. dog buyten dit alles onverdenkende, dat ons vermogen verre surpasseerde eenige onderneeming van die notuur te doen, zonder te rekenen dat die entreprice zekerlyk weder zoude dienen geprecedeert te werden door een kostbare ambassade na het Poenasche Hof, alzo men zig niet voorzegtig kan gerusten op een mandelinge verklaring door een subaltern gouverneur, aan onzen moedij gedaan, welkers waarde of onwaarde nog zoude te onderzoeken zijn, zoo wond men goed dien heer eenlijk in weder antwoord te schrijven, dat ons vermogen te bepalt is, om van zijne genegentheijt te profiteeren, dog dat wij die brief en de voordragt poincten Haar Hoog Edelheedens zullen aanbieden om hoog derzelver wel behagen daar op te weeten De Heer Directeur zeijde hier na dat het briefje 't geen men op den 31. der gepasseerde maand van de rheede had ontfangen, waar bij de schrijver zijnde de apperstuurman van Bleijswijk C: V. Doon ons te kennen geeft dat den Engelsch Capit: 135 Van Souratta onder dato 30. April 1763 Capitain aan boord van dien bodem geweest was, om de Engel„ „sche die wij aan boord mogten hebben weg te neemen, dog dat zij daar van na bekomen onderregting wat het 8. 9. en 10. de articul van de Jnstructie voorde overheeden onzer scheepen hier ter rheede leggende dicteert gedi„ „verteert, en na eenige woorden wisseling weder vertrokken waren, by de Leeden ter lecture rond geweest zijnde, man nodig hadde g'oordeelt af te wagten of die zaak eenig gevolg zoude hebben, om als dan onze dolcantien dientwege ter plaatse daar het behoort te doen, dat men daar van niets meer gehoord hebbende, zijn agtb: egter de Leeden proponeer„ „de om by de soereete brief Haar Hoog Edelheedens eerbiedig te verzoeken, dat hoog dezelve gelieven te laten zorgen, dat alle geboore Engelschen 't zij met onze scheepen uijt Europa gekomen of in Jndien tot ons overge„ „lopen, met op scheepen hier na toe gedestineert geplaats maar wel dat daar op zijnde tegen, ander volk verruijlt werden en op scheepen g'emploijeert, die op togten gaan daar geen gevaar van ligting te vreesen is, dan wel zodanig als haar hoog Edelheedens zullen gelieven goed te vinden, dewijl het bij 't aanwezen van oorlogs scheepen van die natie, met bij een bloot tentamen gelijk dit maar geweest is, zoude blijven, maar wij tot merkelijke prejuditie onzer agting het Van Souratta onder dato 30. April 1763 het ongenoegen zouden hebben van de nationall Engelsen met geweld van onze scheepen gehaalt te zien, zonder een van de onze inruijting weder om te krijgen, en zonder eenig regt van beklag te hebben bij den Engelschen Chef en Raad dewijl die over des konings Capitains niets hebben te bevee„ „len, de Raad dit voorstel approbeerende besloot men hetzelve aan Haar Hoog Edelens bij secreete misseeve eerbiedig voor te dragen /onderstond/ Jn 't Neder„ „lands Comptoir souratta ten dage voorsz: /was getekend/ J:n Drabbe, D ' Kellij, G. de Jonge, M. J. n Bosman, W=m Blaauwkamer, O. H:k Ruperti, H:k Kroonanbarg, J: Oudenhoorn, L. A. van Jeger en Reijnier van Harn /daar onder / Accordeert /w:s getekent/ W: Blaaukamer p:l Secretaris Aan

NL-HaNA_1.04.02_3094_0425 view scan ↗

English

From Surat, dated 30 April 1763 To the Right Honourable Jan Drabbe, Director and Chief Commander of this Direction, together with the Council. Right Honourable Sir and Gentlemen, The undersigned members of this meeting have the honour to report on the conference held yesterday evening from nine until past ten o'clock with the former Diwan Roegnadas at the house of the first signatory, in the presence of the Company's broker Mantchergie, and Govenraam, son of the first broker Roederam Ruijdas, or Pandool. After the customary compliments were concluded, the said Diwan declared that he had come expressly because he deemed himself indebted to justice to make the declaration that he was about to give, stating emphatically that he had never been requested to do so by the brokers, but that he himself had desired this of them, as he believed he would never have happiness if he did not clear his conscience of the oath he had taken. Furthermore, he declared frankly that for the building of the stone revetment on the riverside, neither by Mantchergie nor by him, the Diwan, was ever a single rupee, much less 80000, promised; that everything he had now said on this occasion was nothing other than what the Nawab and the English had put into his mouth and commanded under severe threat of death; that the oath he had taken for it was likewise coerced and false; and that even when he had objected that the matter was certainly not true, for otherwise the brokers at that time, Roederam and Kissourdas, would have known of it, he, Roegnadas, was very strictly ordered to name no one other than Mantchergie. He further testified that if such an offer had been made, affairs at that time were in such a state that they, the regents (referring to himself as having then been Diwan), would not have left the promised sum in our house for an hour afterwards; that if the promise had been made at ten o'clock in the evening, it would already have been executed at twelve, without waiting so many years before mentioning it. He went on to say that if the Company would grant him effective protection, he would publicly declare what he now did in secret, saying once more that he was obliged to God, to justice, and for the relief of his conscience to give this declaration to us, which he requested that we would presently be pleased to keep secret, as it was not the time to make it public, which we, each giving him a hand in turn, promised on our honour in the name and on behalf of Your Right Honourables and the entire Council. After which he concluded by confirming everything he had declared in the aforementioned manner with an oath, in the presence of Govenraam, who, being a Banyan of the Nagar caste, stood by as a priest. This report we offer to confirm at all times with a solemn oath, and we have the honour to be with due respect, (below stood) usual title (was signed) D:k Kellij, I:s Sanderus, W. Blaaukamer, and L. A. van Jeger. (In the margin) Surat, 11 January 1763. From Java's East Coast, 13 July 1763 Batavia After my return to Samarang from the inspection of the Company's offices and lands along the east of Java, which took place on the 8th of this month, and of which I have the honour to inform Your High Excellencies, not failing dutifully to provide Your High Excellencies with a general report in a further separate dispatch, I had the honour on the following 14th to receive Your High Excellencies' revered orders contained in letters of the 5th of that same month, accompanied by a letter for the Susuhunan and one for the Sultan, with their copies. In obedience to these always highly honoured orders of Your High Excellencies, I would not have failed in the least to carry them all out as far as possible, had I not, immediately upon my arrival for the advancement of the Company's true interests and for the peace of Java, as being of the utmost importance and brooking no delay, deemed it necessary and firmly resolved three days ago to send the Second Senior Merchant and Chief Administrator Hermanus Munnik on a mission to the Mataram, with an accompanying letter to the Sultan, and provided with an Instruction of which the copy accompanies this, for a complete reconciliation of the dispute between that monarch and his son-in-law, Prince Mangkunegara; considering that the said Chief Administrator, with a private gift from me consisting of a Persian horse and five fine Bimanese horses, had already advanced into the lands of the Sultan at the village of Paijaman, within the Kedu, it would not be very proper, without giving some offense, to recall him from there, and merely make use of Your High Excellencies' letters to the princes, since outside of them I cherish the hope of a fortunate outcome of affairs, I therefore request Your High Excellencies, this being virtually irrevocable, to look favourably upon the progress of this mission and my further conduct, and to be assured that nothing will be left untried by me to bring the difficult Sultan to reason through the restitution of Ratu Bendoro; however, in the hope of doing well through a prudent and careful conduct, I have forwarded Your High Excellencies' two princely letters to the said Chief Administrator, but with strict orders to make no use of them except in the greatest emergency, and nothing on the disposition of the Sultan against

Dutch transcription

137 Van Souratta onder dato 30. April 1763 Aan den E: E: Agtbaren Heer Jan Drabbe Directeur en hoofd gebieder dezer diroctie benevens den Raad. Wel Edele Agtb: Heer en Heeren De ondergeteekende Leden dezer vergadering hebben d'eer verslag te doen vande Conferantie gistoren avond van nogen tot overthien uuren met den gew: Dusan Roegnadas aan het huijs van den eersten tekenaar gehouden in presentie van sComp: makelaar Mantchergie, en govenvaarn zoon van den eersten makelaar Roederam Ruijdas of Pandool. Na dat de gewoone beloeftheeden geijndigt waren, verklaarde gem: Duwvan dat hij expres was gekomen om dat hij oordeelde aan de geregtigheijd verschuldigt te zijn, de declaratie die hij doen zoude, zeggende uijtdrukkelijk daar toe nooijt door de makelaars aangezogt te wezen, maar dat hij zelve zulx van haar hadde begeert dewijl hij geloofde nooit geluk te zullen hebben zoo hy zijn gemoed niet zuijver de 1 van den Eed die hij gedaan hadde Verders declareerde hij regt uijt, dat voor het opmetselen vande steene beschoeijing aan de rivierkant nog door Mantehargie Van Souratta onder dato 30. April 1763 — Mantchergie nog door hen Duwvan ooijt en Ropij vael min 80000:— waren beloofd, dat alles wat hij nu by deze gelegentheijd gezegt hadde niets anders was, als het geen de Nabab in d' Engelschen hen in den mond gegeven, en onder swaare bedeiging van den dood bevoolen hadden, dat de Eed die hij daar voor gepresteerd hadde mede gedwonge en vaer was, en dat zelfs wanneer hij er tegen ingebragt hadde, dat immers de zaak niet waar was, want dat er anders de doenmalige Makelaars Roederam en Kissourdas van zonden gewetten hebben, hem Roequadas wel strictelyk belast wierd niemand te noemen als Mantchergie Wij betuijgde verder, dat wanneer zo een offerte gedaan was de zaken en die tijd zodanig gesteld waren dat zij Regenten /noemde zig zelfs nog zoo als toen Duwan geweest zijnde/ de beloofde som geen uur daar na in ons huijs zouden gelaten hebben, dat wanneer 's avonds te tien uuren de belofte gedaan was, die te twaalve al g'exe„ „cuteert was, zonder, zoo veele Jaaren te woogten eer daar van repte. Bij voer voorts te zeggen dat wanneer hem de Comp: kragt„ dadige bescherming wilde geven, hy publicq zoude verklaren dat geene hij nu 't geheim dede, zeggende nogmaals # dat hij aan God, de regtvaardigheijd en tot ontlasting van zijn gemoed verplogt was deze declaratie aan ons te geeven dewelke hy verzogt, dat wij thans geliefden te secreteeren, alzoo het geen tijd was die rugtbaar te maken het welk wij met hem ieder bij zonderlijk den hand te geven in name en van wegen Uw E E. Agtb: en den gantschen raad op onze eene beloofden. waar ee 139 Van Souratta onder dato 30. April 1763 Batavia Waar na hij eijndigde met alles wat hij in bovengem: maniere verklaart hadde met een bed te bevestigen, in presentie van govenraam die een Benjaan van de Nagersche Caste zijnde, daar zoo veel als in qualiteijt van priester overstond Dit rapport presenteeren wij ten allen tijden met solemneelen Eede te bevestigen en hebben d' eere met schuldig respect te zijn. /onderstond/ gewoone tijtel /:was getekent/ D:k Kellij, I:s Sanderus, W. Blaaukamer en L. A. van Jeger /in margine/ Souratta den 11. Janu„ „arij 1763. gee Van Java's oost Cust den 13. Julij. 1763 Batavia Namijn retour op samarang van de visitatie van 's Comp:s Comptoiren en landen om d' oost van Java, het geene den 8. van deze maand is geweest, en waar van Jk d'eere hebbe Uw hoog Edelens de Communicatie te geven zullende van dies verrigting ik pligtschuldig niet manqueeren om Uw Hoog Edelens bij een nadere aparte een genorale verslag te doen, zo hadde ik den 14. daar aan volgende d'eere te recipieeren Uw Hoog Edelens gevenereerde bweelen vervat bij Lettaren van den 5. van die zelfde maand, begelerd van een brief voor den soesoehoe„ „nang en een woorden zulthaan met derzelver afschriften. Aan de obedientie van deze Uw hoog Edelens altoos hoog gehonoreerde ordres zoude jk gantsch niet in gebreken zijn gebleven, om dezelve, zo veel na mogelijkheijd, alle ter uijtvoer te brengen, ingevalle jk niet opstonds bij mijn aankomst ter beharti„ „ging van SE Comp:s ware belangen, en tot de ruste van Java als van de uijtterste aangelegentheijt zijnde en geen uijtstel konnende verdragen, noodig g'oordeelt en voor drie dagen vast geresolveert hadde den 2. apperkoop„ „man en hoofd administ:t Hermanus Munnik in Commissie na de Mattaron te zenden met een geleide Aan als vooren brief 141 Van Javas oost Cust den 13:' ulij:s 1763— brief aan aen sulthan, en voorzien van een Jnstructie waar van de Copia bij deze verzellende is, tot een volkomen afsoe„ „ning van de oneenigheijd tussen aran vorst en zijn behuwt & van den Prins Mancoena gara; gemerkt gemelde hoofd administrateur met een particulier geschenk van mij bestaande in een Persianse en vijf vraaije Bimaneese paarden, reeds gevordert waren geweest in de landen van den sulthan op de negorij Paijaman, binnen de Caddoa, niet wel oorbaar zoude zijn zonder eenige aanstool te geven, hem van derwaarts wederom te rapalleeren, en maar een gebruijk van Uw hoog Edelens brieven aan de vorsten te maken daar mij buijten dezelve de hope voed met een gelukkige uijtslag van zaken zo verzoeke ik uw hoog Edelens, des genoeg„ „zaam onweer roepelijk, in de voortgank van deze Commissie in myne verdere behandeling gelieven een welgevallen te neemen, en verzekert te zijn, niets door mij onbezogt zal werden gelaten om den onge„ „makkelijken sulthan door de restitutie van de Ratoe Bendoro tot bedaven te brengen; Echter in hoope / door een voorzigtige en sacuure behandeling (van wel te doen, zo hebbe jk uw hoog Edelens beijde vorstelijke brieven gemelde hoofd administ:rt nagezonden, dog niet volstrekte order om daar van geen eerder gebruijk te maken als bij de hoogste aangelegent„ „heijd, en niets op het gemoet van den sulthan tegens

NL-HaNA_1.04.02_3094_0430 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 3rd of July 1763 contrary to my expectation, could be won without its surrender. to pray to the Almighty for a blessed success, in order to come and share that pleasant news with Your Right Honourables as soon as possible with a cheerful heart; meanwhile adding here a copy of the letter from the Susuhunan with my answer, which I obtained upon my arrival here, and being able to inform Your Right Honourables with pleasure that Pangeran Adipati Mangkunegara, according to both of the latest letters from Resident Beuman, copies of which are also enclosed herewith, still conducts himself steadily, relying on my help for the recovery of his dear Bendoro, and that the exchange of the unserviceable weapons was already carried out a few weeks ago at Yogyakarta, for which the blame of that negligence can be attributed to no one else than the first Resident and military officers who ought to take care that they remain in better condition in order to avoid unnecessary costs for the Honourable Company, and which has been most seriously commanded to them. Thus I have the honour to remain with deep respect /was below/ Title as before /signed/ Willem Hendrik van Ossenberch /in the margin/ Semarang, the 15th of July Anno 1763. Register 143 From Java's East Coast, the 23rd of July 1763 Register of such papers as are supplied this day per the Vliegende Visch by the undersigned Governor and Director of Java's East Coast to Their Right Honourables; as follows No. 1. Separate letter from the Lord Governor to Their Right Honourables dated 1 August 1763. 2. Copy of Report from the Senior Merchant Munnik 3. The letter from the Sultan to the Lord Governor 4. The letter from Danureja to the Lord Governor 5. A letter from the Susuhunan sewn in yellow silk written in Javanese to Their Right Honourables 6. The letter from the Governor to the Sultan 7. The letter from the Governor to Danureja 8. The letter from the Emperor to the Governor 9. The letter from the Governor to the Emperor 10. The letter from Pangeran Mangkunegara to the Lord Governor 11. The letter from the Lord Governor to Mangkunegara 12. A further letter from Mangkunegara to the Governor 13. Extract of letter by Beuman to the Governor 14. Copy of letter by Beuman to the Governor 15. The 2 translated copies from the Sultan of Sumbawa to the Resident and Tumenggung of Gresik 16. Daily register of the Lord Governor since the journey to and from the eastern corner Semarang, the 1st of August 1763. /was signed/ Willem Hendrik van Ossenberch Batavia From Java's East Coast, the 4th of August 1763 NB this report is entered on folio 225. Batavia In my latest letters of the 15th instant I had the honour to communicate to Your Right Honourables that Chief Administrator Munnik had already departed for Yogyakarta before the arrival of Your Right Honourables' dispatch of the 5th of the same month, in order, if possible, to persuade the Sultan in my name to send Ratu Bendoro back to her husband, Pangeran Adipati Mangkunegara, but contrary to expectation that commission has likewise been of not the slightest effect in persuading that steadfast prince to take the desired decision, although he himself must attest that the advice is beneficial and proper. His Highness does indeed declare that he is and will remain sincere and well-disposed toward the Honourable Company, and that he can do nothing more in the matter of Ratu Bendoro, as he has left the same entirely to the decision of impartial judges, which however gives not the slightest hope that the matter would turn out in the right way and prevent the feared disasters and impending rupture. A copy of the report submitted to the undersigned by the said Chief Administrator, accompanied by the letters from the Sultan and Prime Minister, I take the liberty to enclose herewith to Your Right Honourables, respectfully referring thereto. To as before 145 From Java's East Coast, the 4th of August 1763 I have thereupon deemed it fit to show the prince once more my regret and surprise in the most serious manner by means of a letter, of which the copy is attached hereto, and even with the offer of my own person to conduct Ratu Bendoro to Surakarta in one way or another, and, while transmitting Your Right Honourables' dispatch, to advise and exhort His Highness once more in the most urgent manner to follow Your Right Honourables' advice and requisition; of which I hope for the outcome with sincerity and in good hope. Meanwhile I have also sent Your Right Honourables' dispatch to the Susuhunan, and the day before even wrote to that prince, enclosing my letters to Pangeran Mangkunegara, on which said matter the prince, as shown by the enclosed dispatches to Your Right Honourables, and also those written with Pangeran Mangkunegara to me, copies of which are likewise accompanying this together with those from Resident Beuman, come to show that one might firmly rely on him, the Pangeran, and that he would keep himself calm, because the Emperor and the undersigned were his friends, upon whom he relied. However much Pangeran Mangkunegara now also stood calm, to the great surprise of everyone, and awaits the outcome of the Honourable Company's and Susuhunan's assistance with a resigned spirit,

Dutch transcription

Van Iavas oost Cust den 3.:' Iulij 1763 tegens mijne verwagting zonder derzelver overgava, zoude te gewinnen zijn. van den Almogende een gezeegend succes afsmeeken, om die aangename tijding Uw hoog Edelens ten eerster met een blijmoedig harte te komen bedeelen; Jn„ „middens hier by voegen een afschrift van de brief van den soesoehoenang met myn antwoord, die jk bij mijn aankomst alhier heb verkreegen en vermogende zijnde Uw hoog Edelens met genoegen te infor„ „meeren dat den Pangerang adipattij Mancoenagara, volgens beide laatste schrijvens van den Resident Beuman en waar van Copia missieve almede hier nevens gaan hem nog steeds stel houd, verlatende op mijne op myne hulpe tot de wederkrijging van zijne waarde Bendoro, En dat de ruijling van de on„ „bequame wapenen reeds voor een paar weeken is gedaan op DJokdjocarta waar van niemand anders de schuld van die onagtzaamheijt kan werden toegerekent dan den eersten Resident ende militaire officieren die daar voor behoorde zorge te dragen, dat ze wat beter goed blijven ter vermijding van onnodige kosten voor d'E Comp: en het geene haar op het serieuste aan be„ „volen is. zo hebbe jk d'eere met diep ontzag te zijn /onderstond/ Titul als vooren /getekend/ W:m H:k van Ossenberch /in margine / Samarang den 15. Julij A:o 1763. Register 143 Van Javas oost Cust den 23„e' ulij: 1763 Register van zodanige papieren welke op heden per de vliegende visch door den ondergetekende gouverneur en Directeur van Javas Oost Cust aan Haar Hoog Edelheedens werd gesuppediteerd; als N:o 1. Aparte brief van den heere Gouverneur aan haar Hoog Edelh:s sub dato 1. aug:s 1763. 2. Copia Rapport van den opperkoopman Munnik 3. De brief van de sulthan aan den Heere Gouverneur 4. „ „ „ Danoeredja „ „ „ 5 Een brief van den soesoehoenang in geele zyde benaiden in het Javaansch beschreeven aan haar hoog Edelens 6. De brief van de gouverneur aan den sulthan 1. „ „ „ „ _o „ Danoedredja 8. „ „ „ den keizer „ den Gouverneur . „ Gouverneur „ de Keijzer 10. „ „ „ „ pagerang Mancoenagava aande Heer gouverneur 11. „ „ „ „ heer gouverneur aan Mancoenagara 12. Een nader brief van Mancoenagara aan de gouverneur _o 13. Extract brief door Meuman aan den— _o _ „ „ „ 14. Copia „ 15. De 2. Copias translate, van den sulthan van sumbouwa aan den resident en Tomm: van Grissé 10. Dag register van den Heere gouvern:r zedert de reize na en van den oosthoek Samarang den 1. augustus 1763. /was getekend/ Willem Hendrik van Ossenberch 9 „ „ Batavia Van Javas oost Cust den 4:' aug:s 1763 NB dit rapport is inge„ schreeven op fol: 225. Batavia In myne Jangste Letteren van den 15. Caurant had jk d'eer Uw hoog Edelheedens te Communiceeren dat den hoofd ad„ ministrateur Munnek reeds, voor paresse van Uw hoog Edelens missieve van den 5. der zelver maand naar DJokdjocarta vertrokken was, om, was het mogelyk, den sulthan uyt mynen naame te beweegen tot het terug zenden der Ratoe Bendoro naar haaren gemaal den Pangerang Adipatty Mancoenagara dog teffens verwagting is die Commissie mede van geen de minste uytwerking geweest, om dien Con„ „stanten vorst al hoewel zelfs moet betuijgen de raad heijlzaam en betamelijk te zijn, tot het nemen van het gewenschte besluijt te overreden. Sijn Hoogheijt betuijgt wel opregt en welmeenend voor de E. Comp: te zijn, en te zullen blijven, en in de zaak van Ratoe Bendoro niets meerder te kunnen doen, als hebbende dezelve geheel aan de decisie van on„ „partijdige regters overgelaten, 't welk ogter geen de minste hoop geeft, dat die zaak op de ragte zijde zoude uijtvallen en de gevreesde onheijlen en aanstaande rupture verhinderen. Copia van het raport aan den ondergetekende door gemelde hoofd administrateur overgegeven verzeld vande brieven van den sulthan en Rijxbestierder, neem jk de vrijheijd Uw hoog Edelhedens hier nevens te leggen mij daar aan in eerbied referende Aan als vooren 145 Van Javas oost Cust den 4:e aug:s 1763 Ik heb daar op goedgevonden om den vorst nogmaals niet een brief, waar van het afschrift deze g'accrocheert is, en zelfs met aanbod van mijn perzoon om de Ratoe Bondoro op d'eene of andere wijze naar souracarta te geleiden, op het serieuste mijn Leetwezen en verwondering te betoonen, en, onder toezending van Uw hoog Edelens missieve, zyn Hoogheijd nogmaals op het instandig„ „ste aan te raaden en te adhorteeren tot opvolging van Uw Hoog Edelheedens Raaden Requisit; waar van jk met sinerte den uijtslag en 't goede hope. Inmiddens heb jk ook Uw Hoog Edelens missi„ „ve den soesoehoenang toegezonden, en daags te vooren zelfs aan dien vorst geschreeven met bijvoeging van mijne Letteren aan den Pangerang Mancoena„ „gara op welke gemelde, de vorst, blijkens nevens leggende missives aan Uw Hoog Edelens, en ook ren met den Pangerang Mancoenagara aan mij geschreeven waar van de Copijen nevens dizs van den resident Beuman almede bij deze verzellende zijn, koomen aan te toonen, dat men zig vast op hem Pangerang verlaten mogt, en hy zig gerust zoude houden, dewyl de keijzer en den ondergetekende zijne vrienden waaren, waar op hij zig verliet Hoe zeer nu ook de Pangerang Mancoena„ „gara tot groote verwondering van ijder een, zig bedaard stond, en met een gelate moed de uijtslag van 's E Compagnies en soesoehoenangs hulpe afwagt,

← previousnext →