VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3094

Surat · 594 pages · 114 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3094_0434 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 1 August 1763 could pursue; both the sultan and the susuhunan have seen fit to recall most of their troops, primarily because of the lack of provisions caused by sickness. Furthermore, the susuhunan has requested me for another dragoon officer, who would be missing from his guard, and has urgently proposed for this post the head surgeon Borgers, stationed at Surakarta, who has long practiced upon the prince and has always been beloved by His Highness. I deemed it necessary to submit this request to Your Right Honorables, because in this juncture of times one ought to accommodate everything that serves to bind more and more to the Honorable Company that gentle and peace-loving prince, who uses all his faculties for the preservation of the tranquility of Java. Finally, I add hereto two copies of translated letters written by Sultan Mohamet Achomudin and Council at Sumbawa to the resident and the Tumenggung at Gresik, serving as an escort 149 From Java's East Coast, 1 August 1763 NB. The journal mentioned herein is to be found on folio 265. for his son Dato Bude, who in the meantime has been placed by Authority Breton in the Malay kampong at Surabaya, regarding which matter I await Your Right Honorables' honored orders, while I respectfully enclose herewith my journal kept on my journey to and during my stay in the Oosthoek. Wherewith, with deep respect and all submissiveness, we remain, title as before. Was signed Will: Hend: van Ossenbergh. In the margin, Samarang, 1 August 1763. From Java's East Coast, dated 1 August 1763 Translation of a Javanese letter written by Susuhunan Pakubuwana etc. etc. to his grandfather, Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies, brought in 4 August 1763. After the customary preamble: Furthermore, I have duly received Your Right Honorables' pleasant letter and understood the contents thereof, wherein Your Right Honorables requested me to continue to use my utmost endeavors to assure my younger brother Adipati Mangkunegara that he will undertake nothing by force, 151 From Java's East Coast, dated 1 August 1763 in reply to which I state that I have done so and shall not cease to dissuade him therefrom as much as is within my power; and also that Your Right Honorables will likewise use your utmost endeavors so that my aforementioned younger brother Adipati Mangkunegara may regain his wife by addressing himself in this regard to my uncle the sultan, about which I cannot express my joy enough. I shall also not cease to request this by letters to my uncle the sultan. All that lies upon my heart is stated in this letter. Below stood: Translated by me. Was signed J. S. Gordijn, translator. From Java's East Coast, 2 August 1763 Register of the documents that are dispatched this day by the Right Honorable, Highly Venerable Lord Willem Hendrik van Ossenberch, Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, as well as Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, to Their Right Honorables, the Supreme Indies Government at Batavia: No. 1. Original separate missive written from and to the entities mentioned in the heading of this register, dated today. 2. Javanese missive sewn in yellow satin from Sultan Pakubuwana addressed to Their said Right Honorables, with its translation into Low Dutch annexed. 3. Copy of a missive from the Senior Merchant and First Resident at Yogyakarta, Mr. Dirk van den Sluijs, written to the aforementioned Lord Governor, dated the end of last month. 4. Translation of a Javanese missive by the sultan to the aforesaid Lord Governor. 5. Ditto ditto by the Raden Adipati Danureja written as before. 153 From Java's East Coast, 2 August 1763 No. 6. Copy of a translated Javanese missive written by the aforementioned Danureja to the Head Regent of Samarang, Sura Dimanggala. 7. Ditto written by the aforementioned sultan to the aforementioned Lord Governor, containing the appointed day when the aforesaid prince and crown prince intend to marry the daughter of the susuhunan. 8. Copy of a letter from the Lord Governor in answer to the above. 9. Translation of a Javanese letter written by the aforementioned Lord Governor to the susuhunan regarding the aforesaid marriage. 10. Missive written by His aforesaid Honor to the Senior Merchant and First Resident at Surakarta, Johan Christoffel Beerman, likewise concerning the aforesaid marriage, undated, the first of this month. Samarang, 2 August 1763 Was signed Boehm, principal secretary Batavia From Java's East Coast, 2 August 1763 Batavia From the enclosed missive from the sultan to Your Right Honorables, received today, and the accompanying annexes, it will clearly appear to Your Right Honorables how that prince absolutely and unshakeably persists in the decision he has once taken. To avoid duplicate work, I respectfully refer to those documents, and in accordance with my dutiful obligation merely bring to Your Right Honorables' attention that, all efforts on the sultan's side having been in vain, nothing more can be achieved with gentleness either, so that, in order to avert for the time being the threatened storm from this blessed land, in my opinion nothing remains but to persuade Pangeran Mangkunegara, in which however I have reason To the same as before

Dutch transcription

Van Java's oost Cust den 1: aug:s 1763 kunnen vervolgen, de sulthan zo wel den soesoehoenang hebben goedgevonden hunne meeste volkeren te rapelleeren wel voornamelijk om het gebrek van provisie uyt oorzaak ter zeektens Wijders heeft de soesoehoenang my verzogt, om nog een dragonder officier die aan zijn wagt zoude manqueeren, endaar toe instandig voorgedragen dente souracarta bescheijden oppermeester Borgers, die lang over den vorst gepractiseerd heeft, en altoos van zijn Hoogheijd is bemind geweest: Jk heb het noodzakelijk g'oordeelt uw Hoog Edelheedens dit verzoek te moeten voordragen, om dat men indeze Conjuncture van tiden al wat diend in te schikken om dien zagtmoedigen in vreede lievenden vorst, die tot Conserveering van de rust van Java alle zijne vermogens aanward, meer en meer aan d' E Comp: daar door te verbinden. Eijndelijk voeg jk hier nog bij twee Copia translaat misseves geschreeven door den sulthan Mohamet Acho„ „moedin en Raad te sumbauwa, aanden resident en den Tommangong te Grisse, dienende ten geleide - 149 Van Iava's oost Cust den 1. augustus 1763. NB. het hier bij verm: dag„ register is te vinden fol: 265. geleede van zijn zoon Dato Boede die in tusschen door den gezaghebber Breton in de maleydse Campong te sourabaija geplaatst is, waar omtrent ik uw hoog Edelheedens g'eerde beveelen ben af„ wagtende terwijl ik met eerbied hier nog nevens legge mijn dag register gehouden op mijne reyze WV naar en geduurende mijn verblijf in den oopthoek d Waar mede met diep ontzag en alle onderdanig„ heid wij noeme /onderstond/ tytee als vooren /was Will: Hend: van Ossenbergh /in margine ƒ getekend Samarang den 1. aug. s 1763. van slaat Van Iavas oost Cust onder dato 1. aug. o 1763. Translaat Iavaanse Brief geschreeven door den soejoehoenang Pacoe boeana & & aan zijn groot vaden den Heere Petrus Albertus van der Parra Gouverneur generaal benevens De wel Edele Heeren Raden van Nederlands Jndia aangebragt den 4. aug. s 1763. Na gewoone voorreeden Wijders heb ik uw hoog Edelheedens aangename brief wel ontfangen en den Jnhoud daar uijt verstaan en waar bij uw hoog Edelheedens mij verzogt heb„ ben om al verder mijn uijtterste devoir aan te wen„ den om mijn onder broeder Adepatty Mancoenagara te beurgen dat den selven niets door gewelt komt aan tewenden 151. Van Iava's oost Cust onder dato 1. aug. s 1763 te wenden waar op in antwoord diene dat ik zulx ook gedaan hebbe en niet zal ophouden om hem daar van afte houden zo veel in mijn vermogen is en ook dat uw hoog Edelheedens mede haar uijtterste devoir zullen aanwenden op dat gem: mijn onder broeder Adepattij Mancoenagara zijn vrouw weder komt te erlangen met zig dierwegens te addresseeren aan mijn oom den sulthan waar over ik niet genoeg myne blijdschap kan betuijgen ik zal ook niet op houden om zulx bij brieven aan mijn oom den sulthan te verzoeken al wat op mijn herte legt staat in deze brief vermelt /onderstond:/ getranslateerd door mij /was getekend/ J. s Gordijn translat:r Van Iava's oost Cupt den 2. aug.:s 1763. Register der papieren welke op heeden door den wel Edelen groot agtb: Heere Willem Hendrik van Opsenberch Raad extra ordinair van Neder lands Jndia mitsg:s gouverneur en Directeur op en langs Javas N:O: Cuspt verzonden werden aan haar hoog Edelheed:s de hoog Jnda: se Regeering tot Batavia N. o 1. Origineel aparte missive gesz: van en aan als in hoofde dezer gem: ged.:n op heeden 2 _o Javaanse missive in gele tatyn benaaijt van den sul„ kan Pacoeboeana aan welmelde haar hoog Edelens gerigt annex dies traaslaat in het nederduijts 3. Copia missive van den opperkoopman en Eerste Resident te Djokjocarta m=r Dirk van den sluijs aan voorn. Heere Gouvern: gesz: ged:n ult:o Jo leden 4 _o translaat Jav: missive door den sulthan aan voorsz Heere Gouverneur 5 _o _o door den Radeen adipattij Danoeredja aan als vooren gesz Copia 153 Van Iava's Oost Cust den 2:' aug:s 1763. 10. „ amosive N: 6. Capia Trinslaat Jav: missive geschreeven door voorm: Danoedredja aan den Samarangs hooft Regent Soera Dimongollo _o geschreeven door meerm: sulthan aan welm: heere Gouverneur in houden„ „de den bepaalden dag wanneer voors: vorst en kroon prins met de dogter van den soesoehoonang denkt uijt te trouwen. 8. „ brief van den Heere gouverneur in ant„ „woord op de bovenstaande 9. „ Translaat Jav: brief door Welm: Heere gouverneur aan den soesoehoe„ „mrang omtrend het huwelijk voors geschreeven doorgem: zijn Edele aan den Opperkoopman en eerste Resident te souracarta Johan Christoffel Beerman gesz: mede het Huwe„ „lijk voorsz: conserneerende onged:t Primo dezer Samarang Den 2. Augustus 1763 Boohn p:l secretaris /w:s getekend/ Batavia „ „ Van Iavas Oost Cust den 2 ngutu 1750 Batavia Uyt de hier nevens leggende missive van den sul„ „than aan uw hoog Edelheedens, heden ontfangen en de deze verzellande bijlagen, zal het uw hoog Edelheedens duijdelijk blijken hoe die vorst absolut onwrikbaar bij zijn eens genome besluijt blijft persisteeren Jk zal ter vermijding van dubbeld werk my aan die papieren in eerbied gedragende Uw hoog Edelheedens volgens mijne schuldige gehou„ „denisse alleen onder 't oog brengen, dat er aan sulthans zyde alle werk te vergeefs zijnde geweest, ook niets meer met zagtheijd te doen is, zo dat, om voor den tijd de gedreigde onsweers buij van dit gezegen land af te keeren, er mijnes er agtens niets meer resteert als den Pangerang Mancoena„ „gara te overreden, waar aan jk egter met Aan als vooren reden

NL-HaNA_1.04.02_3094_0441 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 2 August 1763 reason very much doubt, to let himself be separated from the Ratoe Bendoro according to the proposal of the sultan through authorized agents. Yet even assuming that that Pangeran left the insult done to him unavenged and, at the request of the Honorable Company, kept quiet, there is still a well-founded objection whether the feared disasters will thereby be entirely averted, regarding which I in deference say no: since the sultan, growing worse through concession according to the innate nature of all men, and as if stiffened in his proud way of thinking, will again invent new pretexts to make his irreconcilable grudge against Mancoenagara burst out, and provoke him so long until patience is at an end, and by digging this pit for him, the sultan maintains that that prince will find his downfall, which if once succeeding for the sultan, the consequences thereof would be even more disadvantageous for the Honorable Company, since the balance of Java by Mancoenagara From Java's East Coast the 2 August 1768. by Mancoenagara's downfall tipping over to the Sultan's side, would support that prince in his pride, and carry out his covert designs on the beaches. I therefore take the liberty to declare my sentiment frankly to Your Right Excellencies, namely, that the sultan should be tackled once with harder spurs, and he be forced either to return his daughter to the Prince or that prince be permitted to go and fetch his wife himself with the force of arms, wherein he will certainly be supported by his protector the Soesoehoenang, and by most of the Princes, which might then well bring about the downfall of the stubborn sultan. I From Java's East Coast the 2 August 1763 I pray Your Right Excellencies to strengthen me with orders how I shall further conduct myself in this dreadful circumstance, both regarding the garrison of Djokjo, whom Your Right Excellencies well know to be exposed to danger in an unfinished lodge and within ramparts thrown up of loose sand, as well as to avert those disasters, and if it ever came to the utmost between the sultan and Mancoenagara, to handle it and make it turn out to the greatest benefit of the Honorable Company. I add here also the letter from the sultan received two days earlier and when I still lived more or less in hope that Your Right Excellencies' letter would have a better influence on the prince, my reply, a letter to the Soesoehoenang, concerning the marriage of the sultan's son to the daughter of the Soesoehoenang, which latter prince, if I am not mistaken, will by no means be willing to proceed thereto, as long as the sultan will not consent to his request regarding Ratoe Bendoro. Wherewith I have the honor to call myself with deep respect and all submission, was signed, customary titles of Java, signed, Will. Hen. van Ossenbergh, in the margin, Samarang the 2 August 1763. Translation From Java's East Coast under date 2 August 1763 Javanese Letter written by the Sultan Pakubuwana etc. to Your Right Excellencies at Batavia shown on the 1 August 1763. Samarang After usual compliments I have well received grandfather's letter and gathered from it that grandfather was moved with sensible regret over the removal of Ratoe Bendoro from her spouse, we therefore keeping with the strongest admonitions to take to heart the welfare of Java, for which I express to Your Right Honorable my humblest thanks. The army of Brambana I have, according to grandfather's most respected order, already recalled long ago. which But concerning the Ratoe Bendoro whom grandfather strongly recommends me to persuade From Java's East Coast under date 2 August 1763 persuade to return to her spouse, or rather to betake herself to Soeracarta for a divorce, I declare from the heart that I can do nothing more than I have already done. She is indeed inclined to be divorced, whether at Soeracarta or Samarang, or else at Batavia, but absolutely does not wish to appear in person, but to appoint an authorized agent in her place who concludes the matter, this also being able to happen in such manner according to God's law book. This is, grandfather, what I still humbly come to propose to the same; should this also fail, then I know absolutely nothing more to do for the good in these years, was written underneath, End, lower, translated by me, was signed, Carl Philip Boetze translator, thereunder agrees, signed, John Peter Secretary. Batavia From Bantam the 17 July 1763. Batavia to as before On the 15 current I had the honor to receive Your Right Excellencies' respected letter of the 13 before, whereby Your Right Excellencies not only so generously grant the request of the sultan to be assisted with 20000 Spanish reals as a loan: but even besides that, are pleased to send back to His Highness in such a noble manner the pawns which His Highness had sent over for security of the payment, as well as to release him from the interest that could legitimately be calculated thereon. I have therefore immediately given knowledge thereof to the prince and with the utmost required respect induced and made His Highness understand the convincing proof of Your Right Excellencies' well-meaning readiness to assist His Highness again with such a considerable sum of money, notwithstanding His Highness's old and very weighty arrears, which the prince then also with the utmost

Dutch transcription

155 Van Java's Oost Cust den 2 aug:s 1763 reden zeer twijffele, om zig van de Ratoe Ben„ „doro te laten scheijden volgens 't voorstel van den sulthan door gemagtigdens Edog eens veronderstelt zijnde dat die Pangerang de smaat hem aangedaan ongewroken liet en zig op het verzoek van d' E Comp: stil hield, zo valt er nog een gegronde bedenking of de gevreesd werdende onheijlen daar door wel in 't geheel zig zullen werden afgewend, waar omtrend jk in een„ „bied zegge van neen: aangezien de sulthan door toegevenheijd volgens den ingebooren aard van alle menschen, erger werdende, en als in zijne trossche dankwijze gestijft, weder nieuwe voorwendzels zal uytvinden, om zyne onverzoenelijke wrok op Macoe„ „nagara te doen uijtbersten, en hem zo lang tergen tot dat ten eijnde geduld is, en door hem deze kuyl te graven, sustineert de sulthan dat die prins zyn ondergang zal vinden 't welk den sulthan eens gelukkende, zo zoude de gevolgen daarvan nog nadeeliger voor de E. Comp:s zijn, nadien de balanshouding van Java door Mancoenagara e 5 ƒ Van Javas Oost Cust den 2 auijs 1768. door Mancoenagara 's ondergang naar Sulthans zide overslaande, dien vorst in zijn trotsheijd zou„ „de ondersteunen, en zijn bedekte desseinen op de strunden ten uijtvoer brengen ste neem dan de vrijheijd Uw hoog Edelheedens mijn sontiment rond borstig te declareeren, te weten, dat den sulthan eens met harder spooren dient te werden aangetast, en hij genoodzaakt of zijne Te restitueeren of dien prins dogter aan den Prins gepermitteert om zijne vrouw zelfs te gaan afhaalen met geweld van wapenen, waar in hij zekerlijk zal werden onderstaund door zijnen beschutt „heer den soesoehoenang, en door de meeste Princen, 't geen dan wel den ondergang van den onverzettelijken sulthan zoude kunnen te weeg brengen. Ik 157 Van Iavas oost Cust den 2: augustus 1763 Jk bedde uw hoog Edelheedens mij met bevelen te sterken hoe ik mij verder in deze akelige omstan„ digheid zal gedragen, zo omtrent bezettelingen van Djokjo die uw hoog Edelh:s wel kunnen nog aan aan gevaar g'exponeert te zyjn, in een onvoltooide logie en binnen wallen van los zand opgeworpen, als wel ten om die onheilen af te keeren en als het tuijschen den sulthan en mancoenagara eens op het uytterste kwam, om die ten meesten nitte van d E: maatschapiin te behandelen en te doen uijtvallen jk volge hier nog bij de missive van den sulthan twee dagen bevorens en toen ik nog meer of min in hope leefde dat uw hoog Edelheedens missive beter invloed op den vorst zoude hebben ontfangen mijn antwoord een brief aan den soesoe hoenang, betreffende het huwelijk van sulthans zoon met de dogter van den soejoehoenang welre laatste vorst zo ik mij niet bedrieg daar toe geensints zal willen over gaan, zo lang de sulthan aan zijn verzoek nopens Ra„ toe Bendoro niet wil toestemmen. Waar mede d' eere hebbe met diep ontzag en alle onder„ danigheid mij te noemen /onderstond / gewone tijteld Javas getekend:/ Will. Hen. van ossenbergh /in margine./ Samarang den 2. aug:s 1763. Translaat Van Iavas oost Cust onder dato 2 aug:s 1763 Javaanse Missive geschree„ ven door den sulthan Pa„ Coeboeana &. a aan haar Hoog Edelheedens tot Batavia verthoond tot p:o aug. o 1763. Samarang -. Na gewoone Complimenten Jk heb groot vaders missive wel ontfangen en daar uijt b'oogt, dat groot vader met sen sibel leedwezen aangedaan was over de verwijde ring van Ratoe bendoro van haar gemaal wij dierhalven met de kragtigste vermoningen onderhoudende, om Javas wel zijn te behertigen waar voor ik uw hoog Edel gebn mijne nederigste danr betuijge. Het leger van Brambana hebbe volgens groot vadur hoogst gerespecteerde ordre reets voor lange weder opgeroepen dewelke Maar aangaande de Ratoe bendoro groot vader mij sterk recommandeert te persua„ deeren 159 Van Iavas Oost Cust onder dato 2. augustus 1763: keeren naar haar gemaal deeren tot het te rug dan zig wel tot egt scheijding na Joeracarta te begi„ ven, daar betuijge ik van harten niets meer te kun„ nen doen als ik reets gedaan heb zij is wel genegen sig te laten schijden het zij tot soeracarta of Samarang, dan wel tot Bata„ via maar wel absoluut niet persoonelyk compareren maar een gemagtigde in haar plaats aanstellen die de zaak uijtmaakt kunnende het zelve ook volgens Gods wet boek dus danig geschieden Dit is het groot vader wat ik dezelve nog onderda„ nig kome voor te steelen, soude dit ook nuslukken dan weet ik in het geheel niets meer ten goede bij deze Iaaren te doen /onderstond:/ Eijnde /:lager / ge. translateert door mij /: was getekend:/ Carl Philip Boetze translateur /daar onder accordeert. / getekend/ John p:r Sec.r. Batavia Van Bantam den 17: Julij 1763. Batavia aan als vooren Op den 15: Courant had ik d' xa te ontfangen uw hoog Edelens gerespecteerde missive van den 13. bevorens waar bij uw hoog Edelens niet alleen zo gene: rens accordeeren het verzoek van den sulthan om met 20000. spaanse realen ten leen g'assisteert te mogen werden: maar nog behalven dien zijn hoogheid op zo een Edelmoedige wyze d' onderpanden wel ge lieven te rug te zenden die hoogst dezelve tot secu„ riteijd der voldoening hadde overgezonden mitsg.:s te libereeren van den intrest dien daar op regtma„ tig zoude konnen berekend worden, ik hebbe der wezen halven den vorst daar van aanstonds kennis geven en zyn hoogheid met de uyttaafte vereischte eerbied g'induceert en doen begrijpen de doorslaande blijk van uw hoog Ed:s welmenende bereidwilligheid om hoogst den zelven weder met zo een aan„ zienelijke zomma geld t' assisteeren niet tegen„ staande zijn hoogheids oude en zeer gewigtigen agter„ stal, het gene den vorst dan ook met de uijtter. ste

NL-HaNA_1.04.02_3094_0447 view scan ↗

English

From Bantam, the 17th of July 1763. Batavia To as before On the 15th of the current month I had the honor to receive Your High Nobles' respected missive of the 13th preceding, in which Your High Nobles not only so generously grant the request of the Sultan to be assisted with a loan of 20000 Spanish reals, but moreover His Highness's pawns, which His Highness had sent as security for payment, are generously pleased to be returned, as well as liberating him from the interest that could legitimately be charged thereon. I have therefore immediately informed the prince thereof, and with the required respect induced and made His Highness understand this striking proof of Your High Nobles' well-meaning readiness to assist His Highness again with such a considerable sum of money, notwithstanding His Highness's old and very substantial arrears. To which the prince responded with the utmost transport of gratitude, undertaking to reduce that amount gradually as quickly as possible, not counting the annual sum of 12000 Spanish reals in reduction of the previous debt, while he further declared his intention to make such use of those moneys whereby the collection of pepper will within a few years increase in such a manner that there will be no difficulty in assuring you from now on that the quantity of actual annual delivered pepper will at least be doubled, and of this I hope soon to be able likewise to demonstrate the possibility to Your High Nobles. Meanwhile I shall not fail, with proper direction, to keep a watchful eye on the employment of those cash funds, and upon delivery thereof demand a clear obligation under the seal and signature of His Highness. In my submissive separate letters of the 27th of May last, I took the liberty to propose respectfully to Your High Nobles that a sergeant and 18 private soldiers would be sufficient to garrison the Company's stockade at Lampong Samanca, and as I have since received report that everything there is again in complete tranquility and peace, I have (in confidence of Your High Nobles' favorable approval) ordered Ensign Joseph de Leau to come up with the remaining soldiers on the occasion of the pantjallang De Snuffelaar, which has again made a cruise here, but without having discovered any pirates or smugglers. And as the mentioned military officer has thus completed his expedition, I have him return under the duplicate of this to the Indian capital, and I remain with the deepest respect. Subscribed: customary title. Signed: H. P. Faure. In the margin: Bantam, the 17th of July 1763. Batavia. From Bantam, the 15th of August 1763. Batavia In my submissive letters of the 17th last, I had the honor to communicate to Your High Nobles that the Sultan was almost transported with gratitude over the noble and generous manner in which Your High Nobles were pleased to lend His Highness the requested moneys, without claiming any interest thereon. And although the prince has not yet taken receipt of that money, His Highness nevertheless cannot refrain, by means of the present Company ship, as a token of sincere gratitude, from offering Your High Nobles a present of 30 bahars of black pepper, in the hope that Your High Nobles will favorably please to accept the same; the prince testifying that nothing is more agreeable to His Highness than to be able to give constant proofs of his sincere attachment to the Company's interests. And which is likewise the dutiful wish of him who remains with the utmost respect. Subscribed: customary title. Signed: H. P. Faure. In the margin: Bantam, the 15th of August 1763. To as before. Batavia.

Dutch transcription

161 Van Bantam den 17. July 1763. te opgetogenheid van erkentenis b'antwoorden aan nee„ mende dat bedragen, gaande weg te zullen vermin„ dara, zo schielijk als doenlik is ongerekend de jaarlijxe somma van 12000 spaanse realen in afkorting van den voorigen debet, terwijle al verder betuijgde van die penn. zodanig een emploij te willen maken, waar door den inzaam van den peper binnen korte jaren indiervoegen zal toeneemen, dat geen zwarigheid van van u af aan t' afsireeren dat de quantiteyt van de actueele jaarlykse geleverde peper ten minsten van dubbelt zal werden, en hier van hoo ik uw hoog Edelens eerlang insgelijx de mogelykheid te zullen konnen demonstreeren. onderwijle zal ik niet mankeren met behoorlijke directie een wakend oog te houden op het emploij dier Contanten, en bij afgave derzelver een ondente„ lyke obligatie vorderen onder het zegul en de hand tekening van zijn Hoogheid. Bij mijne submissee aparte letteren van den 27. ' maij Jongstleden, nam ik de vrijheid uw hoog Edelens eerbiedig voor te dragen, dat een zergeant en 18, gemeene Van Bantam den 17: Julij 1763. Batavia aan als vooren Op den 15: Courant had ik d' aa te ontfangen uw hoog Edelens gerespecteerde missive van den 13. bevorens waar bij uw hoog Edelens niet alleen zo gene: rens accordeeren het verzoek van den sulthan om met 20000. spaanse realen ter leen g'assisteert te mogen werden: maar nog behalven dien zijn hoogheid op zo een Edelmoedige wyze d' onderpanden wel ge lieven te rug te zenden die hoogst dezelve tot secu„ riteijd der voldoening hadde overgezonden mitsg. s te libereeren van den intrest dien daar op regtma„ tig zoude konnen berekend worden, ik hebbe der wezen halven den vorst daar van aanstonds kennis geven en zyn hoogheid met de uystaafte vereischte eerbied g'induceert en doen begrijpen de doorslaande blijk van uw hoog Ed:s welmenende bereidwilligheid om hoogst den zelven weder met zo een aan zienelijke zomma geld t' assisteeren niet tegen„ staande zijn hoogheids oude en zeer gewigtigen agter„ stal, het gene den vorst dan ook met de uijtter. ste 161 Van Bantam den 17. July 1763. ste opgetogenheid van erkentenis b'antwoorden aan nee„ mende dat bedragen, gaande weg te zullen vermin„ dore, zo schielijk als doenlyk is ongerekend de jaarlijxe somma van 12000 spaanse realen in afkorting van den voorige debet, terwijle al verder betuijgde van die penn. zodanig een emploij te willen maken, waar door den inzaam van den peper binnen korte Jaren indiervoegen zal toeneemen, dat geen zwarigheid van van u af aan t' afsecreeren dat de quantiteyt van de actueele jaarlykse geleverde peper ten minsten van dubbelt zal werden, en hier van hoo ik uw hoog Edelens eerlang insgelijx de mogelykheid te zullen konnen demonstreeren. onderwijle zal ik niet mankeren met behoorlijke directie een wakend oog te houden op het emploij dien Contanten, en bij afgave derzelver een ondente„ lyke obligatie vorderen onder het zegul en de hand tekening van zyn Hoogheid. Bij mijne submissie aparte letteren van den 27. maij Jongstleden, nam ik de vrijheid uw hoog Edelens eerbiedig voor te dragen, dat een zergeant en 18. gemeene Van Bantam den 17. Julij 1763. gemeene militairen toerijkende zoude wezen om 's Comp. s pagger op Lampong Samanca te bezetten, en dewijle 't zedert raport bekomen hebbe, dat alles daar weder en volmaarte angt en vreden is, zo hebbe ik/: in vertrouwe van uw hoog Edelens gunstige approbatie :/ den vendrig Joseph de Leau met de meerdere militairen laten op komen ter gelegentheid de pantjallang de snuffelaar dat hier weder een kruijstogt gedaan heeft, maar zonder eenige ro„ vers of smockelaars ontdekt hebben, en dewijle gewaagden militair officier; dus zijne expeditie vol„ bragt heeft laat ik den zelven onder gelijken dezes na de Indiase hoofdplaats retourneeren, en ik verblyve met het diepste ontzag /onderstond / gewo„ ne tytel /was getekend:/ H. p: faure /in mar„ gine./ Bantam den 17: Julij 1763. Batavia 163 Van Bantam den 15:' aug.:s 1763. Batavia Bij mijne submissie letteren van den 17. Jongstl. had ik d' eer uw hoog Edelens te communiceeren, dat den zulthan door erkente nisse als opgelogen was, over de edelmoedige en genereuse wijze op dewelke uw hoog Edelheedens zijn hoogheid de verzogte penningen wel geliefde te leenen, zonder daar van eenige interest te pre„ tendeeren, en al hoewel den vorst dat geld nog niet heeft laten ontfangen, kan hoogst dezelve egter niet voor bij mits het aan hande zynde Comp:s schip ten bewijs van opregte dank „baarheid uw hoog Edelens aan te bieden een geschenk van 30. bhoren swarte peper, in hope uw hoog Edelens het zelve wel gunstig zullen gelieven te accepteeren, betuijgende den voogt hoogt dezelve niets aangenamen te wezen, dan sliets blyken te mogen geven van desselfs opregte aankleving voor 's Comp belangen En het welke mede de verschuldigde wensch is van den ge„ nen die met het uijtterste ontzag verblyft /onderstond:/ gewo. ne tijtel /was getekent /. H. p. faure /:in margine./ Bantam den 15. augustus 1763. aan als vooren Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3094_0452 view scan ↗

English

From Macassar the 23rd of July 1763. Batavia Since the dispatch of my submissive letter of the 30th of the recently elapsed month of May, to which I refer in the most earnest manner, a certain peranakan Moor named Jatje Jacoet, who is the bearer of this, returned from Bouton on the 22nd of the recently elapsed month. He has informed me that the joint grandees of the realm at the said place, after having repeatedly requested the old king of Bouton to come down and take possession of the throne, finally growing weary of his long delay, deposed him, and again elected and proposed a certain Lajampi (being a sister's son of the old king, formerly having been regent of the realm), in accordance with the attached account of the said Jacoet. Therefore, I judged it to be my duty to inform Your High Nobilities of this weighty event, which I hope will make the renewal of the contracts with that realm easier, if only it is not followed by a native war at that place, since according to the aforesaid account as well as other private rumors, the old king was preparing to march with the mountain peoples (all of whom he has at his devotion) in order to drive away the newly elected king. All of this, however, requires further confirmation and will have to appear upon the return of the sergeant who is there on commission. From all circumstances as before, 165 From Macassar the 23rd of July 1763. I can see nothing other than that the Boutonese are now relieved of all further fear of the Company, and well-disposed, since no one who sails thither from here for trade has any cause for complaint, just as I have also given orders on all sides to treat that nation with prudence and fairness. But since it is a delicate point as to whom the Company will now wish to recognize, I shall find myself somewhat embarrassed when the envoys of this realm come hither to give notice of all the aforesaid. Wherefore I humbly request to be furnished with Your High Nobilities' orders regarding this. If I were permitted to make known my humble considerations in this matter, I would very much incline toward agreeing to the latest election, partly because everything happened according to their laws and the contracts bind them to nothing in this regard other than giving notice of the election, etc., and partly because this might well contribute much to the renewal of the contracts, which have been delayed for so long, since the Company's approval will carry great weight with the newly elected monarch. However, I submit to the esteemed pleasure of Your High Nobilities. Finally, the war with Panekij has come to an end, although entirely not to the reputation of the king of Boni. Meetings were held up to seven times regarding the affair of Arou Panekij by the grandees of the realms of Boni, Soping, and Wadjo, the former two wishing that the said Aroe Paneky should be punished with death, and the latter that his punishment should consist of a monetary fine or else banishment from the country. But since they could not come to an agreement on this, the decision was made to part ways, leaving the matter as it is, each departing From Macassar the 23rd of July 1763. to his country as good friends, in order to consult further there on what will be most useful in this regard for the three realms. So that now the king of Boni, as His Majesty wrote to me, is to go shortly to Tjinrana Boni to have the grave of Aroe Palakka cleaned, and then to come hither to this castle. At the usual time in the month of October I shall have the honor (if God pleases to spare my life) to dutifully inform Your High Nobilities in detail regarding what there is to say on this subject, this being intended solely to let Your High Nobilities know that through the ending of this affair, peace is now restored once more on this Celebes, wishing that God may grant it to be of long duration. I take the liberty to conclude herewith and to remain with profound respect, (below stood:) usual title, (was signed) C. Sinkelaar (in the margin:) Macassar in Castle Rotterdam the 23rd of July 1763. Account : 167 From Macassar under date 23 July 1763. Account given to the Honorable Respected Sir Cornelis Sinkelaar Governor and Director of this Celebes, by the undersigned peranakan Moor Intje Jacoet. That having previously obtained a license, he arrived with his chaloup at Bouton on the 22nd of March of the current year for trade, and during the declarant's stay there understood from the inhabitants that for six years now their king had been staying in the mountains, and during that time had been requested many times by all the grandees of the realm to come into the castle, but that this being entirely fruitless, they had sent word to that monarch that if His Highness would not come into the castle, the joint grandees of Bouton would be forced to install another in his place; that thereupon His Highness had answered that they could do so. Just as the declarant then also saw that they finally resolved on a certain early morning, being the 22nd of this current month, the joint grandees of the realm and their subjects came together with the usual state, and subsequently repaired to the dwelling of Sultan Layampie, fetched him, and went to the temple to perform the customary ceremonies according to their religion. And having performed this, the newly elected king was dressed entirely in white robes, and being brought outside again, was made to stand on a stone with a parasol, namely of which by three of the foremost of the realm

Dutch transcription

Van Macassar den 23 Julij 1763. Batavia Sedert het afgaan mijner submissie lettere van den 30. der Jongst verweken maand meij, waar aan mij op het ernstigste refereere is op den 22. der jongst verweken maand van Bouton te rug gekomen zekeren parnaren moor Jatje Jacoet genaamt, zijnde den brenger van deze, dewelke mij heeft kennisse gegeven dat de gezamentlijke rijx grooten ter gemelde plaatse, na verscheijdene malen den ouden ko„ ning van Bouton verzogt te hebben van te willen afkomen en bezit nemen van den troon, eyndelyk over zijn lang talmen verdrietig wordende hem afgezet, en wederom verkoren en voorgesteld hadden zekeren Lajampi /zijnde een zusters zoon van den onden koning, wel eertijds geweest zynde rijxbestierder/ conform het hier nevens gevoegde rehaas van gem: Iacoet dierhalven ik g'oordeeld hebbe van mijn pligt te zijn uw hoog Edelheedens te moeten kennisse geven van dit gewigtig evene ment, het welke ik wil hoope het vernieuwe der Contracten met dat ryk gemakkelyker te zullen maken, indien het zelve maar niet gevolgd werd van eenen inlandsen oorlog ter dien plaatse, dewijl zo volgens evengem: relaas als andere particu„ liere gerugten, den onder konink zig prepareerde om met de berg volkeren (die hij alle tot zijn devolie heeft te willen optrekken om den nieuw verkorene konink te verjagen alle het welke egter nader Confirmatie vereyscht en bij de te rugkomst van den aldaar in Commissie zynde ser„ geant zal moeten blijken kunnende ik uijt alle omstandig aan als vooren heeden 165 Van Macassar den 23. Julij 1763. heeden niet anders zien of de bontonders zijn thans van alle verdere vreeje voor de Comp:, ontheft, en wel genegen, dewijl niemand eenige redenen van klage, heeft die derwaarts van hier ten handel varen, zo als ik dan ook aan alle kanten ordres gegeven hebbe omme die natie met voorzigtig en bellijkheid te behandelen, maar dewyl het een delicaar. poinct is wie de Comp. nu zal willen enkennen, zal ik mij eenigsints verlegen vinden als de gezanten van dit rijk herwaarts komen, om van alle het voors: kennisse te geven weeshalven ik ootmoedig verzoeke hier omtrend te mogen werden gemunieerd met uw hoog Edelheeds ordre, jndien het mij geger„ mitteerd werd mijn geringe consideratien in Cas subject te kennen geven, zoude ik zeer inclineeren om de laatste verkiezing toe te vallen, eenddeels om dat alles is geschied volgens hare wetten en de Contracten haar in deze tot niets verbinden, als het geven van kepnisse der verkiezing &. a en ten anderen om dat zulx moge„ - S lyk veel zoude kunnen contribueeren tot het vernieuwen der con„ tracten, waar mede zo lange getraineerd is, vermits d' appro batie der Comp: van veel gewigt zal zijn, voor den nieuwe verko„ rene vorst, egter onderwerpe ik mij het g'eerde goedvinde van uw hoog Edelheedens Eyndelijk is den oorlog met Panekij finaal g'eyjndigt, alhoewel t d gants niet tot reputatie van den koning van bonij zijnde over de zaak van Arou Panckij tot zeven malen vergadering gehouden door de rijxgrooten van boni soping en wadjo willem; de de twee eerste dat gem: Aroe Paneky zoude werden ge„ straft, aan het leeven en de laatste dat zyne straffe zoude bestaan, in een geld boete, dan wel verbanning van het land dan dewijl zij daar over niet hebben kunnen eens worden is de conclusie gevallen om te scheyden. de zaak latende zo als hy is, elk na Van Macassar den 23. Julij 1763. na zijn land vertrekkende als goede vrienden, om aldaar na„ der te overleggen wat het nutste in deze zal zijn, voor de drie Ryken zo dat nu den konink van Bonyj invoegen zijn Majesteyt mij geschreven heeft eerstdaags staat te gaan na tjinrana Bony om door het graf van Aroe Palaxka te laten schoon maken en dan herwaarts aan dit Casteel te komen zullende op de gewone tijd in de maand van october d' eere hebbe /zo god mi het leven ge„ lieft te laten/ uw hoog Edelheedens omstandig wegens het gene op dit sujer te zeggen valt schuldpligtig ter ken„ nisse brengen zijnde dit maar eenlijk ingeregt omme uw hoog Edelheedens te doen weten dat door het eyndigen van deze affaire de uujt nu op dit celebes weder hersteld is wer„ schende dat god geeve het selve zal zijn van lange ge dimasaamheid Jk neme de vrijheid deze hier mede te besluijten en met profund respect te verblijven /onderstond:/ gewone tijtel /was getekend C. Sinkelaar /in margine/ Macassar in 't Casteel Rotterdam den 23. Julij 1763. Relaas : 167 Van Macassar onder dato 23 July 1763. Relaas Gedaan aan den wel Edelen Agtbaren Heer Cornelis Sinkelaar gouverneur en directeur dezer celeber door den ondergetekende parnakan Moor Intje Jacoet. Dat hij na voorgaande verkoegene licentie op den 22. maart anno Courant met zijn Chialoup na Bouton ten handel is g'arriveerd en met des relatants verblijf a Costij van den inwoonders verstaan heeft dat nu ses jaaren haren konink zig op de gebergtens was ophoudende en geduurende die tijd mangmalen door alle ryxgrooten verzogt is om binnen het Casteel te komen dog dat zulx teffens vrugteloos zijnde zijlieden dien vorst hadden laten waarphouwen dat bij aldien zijn hoogheid niet in't Casteel wilde komen de gezamentlyke rijxgrooten 0 van Boulon genoodzaakt zoude wezen een ander in des Ø selfs plaats aan te sletten dat daar op zijn hoogheid ten ant„ woord had gegeven dat zulx daar konden, gelik den rela„ tant dan ook gezien heeft dat zij eyndelijk hebben gerehol„ veert op een zeekere morgen vroeg, zijnde den 22=te dezer lopende maand zyny de gezamentlyke ryxgrooten en hare H d - onderdanen met gewoonlyke statie bij malkandren quamen r 2 8 en haar vervolgens na de woning van den sulthan Layampie vervoegd, den zelven afgehaald hadde en na den tempel gegaan zijn om de gewoonlyke ceremonien volgens hunne relegie te volbrengen en na zulx verrigt te hebben, is den niauwe verkorene konnik ten eenemaal in wit gewoad gekleed, en weder buijten gebragt zynde op een steen hebbe doen staan met na sombrise, te weten van 't welk door drie der voornaamste rijx

NL-HaNA_1.04.02_3094_0456 view scan ↗

English

From Macassar, dated 23 July 1763: dignitaries of the realm, each with a sombaal, namely one covered with green and two with yellow satin, and held above the newly elected king's head, and after some words were spoken according to the country's customs, three successive cheers of huzzah were shouted by all the people, amid the firing of three volleys from the handguns and the discharge of the cannons around the castle. After which the newly elected king was brought into the assembly hall and subsequently escorted to his royal residence. Furthermore, the relator reports that he also heard from the inhabitants that they were expecting the deposed king daily, since according to rumor he would come down with the mountain peoples to attack them. Thus done and related at Macassar on the twenty-eighth of June anno 1763. Was signed: Jacoet. Batavia From Java's East Coast, 27 August 1763 Batavia In dutiful compliance with Your High Nobilities' much esteemed orders, contained in the secret missive of the 12th current, I immediately requested Pangerang Mancoenagara to come to Salatiga for an oral conference, by means of a letter containing a friendly invitation and an emphatic urging that I had to converse with His Honor on behalf of Your High Nobilities concerning matters of the utmost importance. And I gave notice thereof, with my respectful compliments, to the Soesoehoenang through Resident Beekman, who thereupon informed me that the said Pangerang would present himself at Salatiga on the appointed day, whereupon I prepared myself for the journey without delay. However, the day after, I received a further letter from the said resident, in which he informed me that the Soesoehoenang politely excused himself from letting Mancoenagara depart, because that prince, upon his submission, had made an agreement with His Highness to always remain with him and never depart from him, wherever it might be, to which obligation the monarch wished strictly to adhere, and therefore could not agree to my request. However, in order to bring an end to this matter and to cause it, as much as lies within my power, to turn out according to Your High Nobilities' pleasure, and thus clear this storm out of the way, I resolved to depart tomorrow in person for Souracarta, but with a sufficiently small retinue as if incognito, and there to speak as well with the monarch as with the Pangerang, and to persuade the last-mentioned according to the tenor of Your High Nobilities' order, to which end I shall leave nothing untried, to submit to the divorce, or at least to make him promise, if necessary under oath, that he will keep quiet for the welfare of the country, and take no revenge for this treatment by the Sultan. The reason why I preferred to depart for Souracarta in person, rather than inviting the Soesoehoenang and Pangerang Mancoenagara to Salatiga, to which the monarch would indeed have agreed, is principally in order not to cause any commotion in Mataram or give suspicion to the touchy Sultan. I pray that Your High Nobilities will be pleased to approve of my conduct, and I shall not fail to make a proper report of the outcome after my return. For the rest, the monarch has sent his polite thanks for the promotion of Chief Surgeon Borgers to Cornet, with which His Highness is very well pleased; furthermore, aside from this dispute, everything everywhere is in a desired tranquility. I remain with the greatest respect, underwritten: title as before, was signed: Will. Hen. van Ossenbergh, in margin: Samarang, 27 August anno 1763. Batavia From Java's East Coast, 13 September 1763 Batavia Conformable to what was communicated in my last letter of the 27th of the past month, I set out on the journey the day thereafter, and arrived at Souracarta on the last day, taking the liberty hereby respectfully to inform Your High Nobilities of my proceedings there. I was kindly received at Klaten by the Soesoehoenang as well as by Pangerang Adipatty Mancoenagara with all tokens of love and esteem, and further conducted by Their High Nobilities to my lodgings between a double rank of armed men, with beating drums and flying colors; and during my presence at that Court, I could perceive nothing other than respect, friendship, and an inseparable attachment to the Honorable Company, concerning which I have no hesitation in assuring that His Highness the Emperor will always persevere therein. But the contrary I must, though with regret, attest, since I have not been able to prevail upon the mind of the Prince so far that His Honor would be content to let the divorce take place through deputies, much less that he could repudiate and forget his beloved Ratoe Bendoro. For on the one hand his resentment against the Sultan is too great, and the shame and insult done to him was taken too amiss by His Honor, than

Dutch transcription

Van Macassar onder dato 23 Julij 1763: ryx grooten ijder met een sombaal te weten een met groen en twee met geele satijn bekleed en boven de nieuw verkorene konings hoofd gehouden en na eenige woorden volgens slands costunnen gesproken zynde, wierden drie malen na den anderen door alle het volk hoezee geroe„ pen, onder het doen van drie Chergies uijt de hand gewee„ ren en t los branden der Canons rondom t Casteel. Waar na den nieuw verkorme koning in de vergaderzaal gebragt en vervolgens na zijn koninglijke wooning begeleijd wierd. Verders relateerd den retatant dat hij ook heeft gehoord van d inwoonders, dat zij den afgezetten konnnt dage„ lijx verwagteden waren, vermits hij volgens gerugt met de berg volkeren beneden zou komen om haarl. te attac„ queeren Aldus gedaan en gerelateerd tot Macapsar den agt en twintigsten Junij Anno 1763 /was getekend:/ Jacoet. Batavia 169 Van Iava's oost Cust den 27: Aug: 1763 Batavia Jn schuldige opvolging van uw hoog Edelhedens zeer ge eerde bevelen, vervat bij secrete missive van den 12. Cou„ ront heb ik aanstonds den Pangerang Mancooragaras naar salaliga tot een mond gesprek met een briefje behel„ sende een vriendelyke uyt nodiging en nadruckelyke aandrang dat ik zyn Ed van wegen uw hoog Edelhedens over zaken van het uytterste belang onderhoudende, moest, verzogt. en daar van kennisse laten geven, onder mijne gedienstige groete aan den Joesoehoenang door den Resident Benman die mij daar op adverteerde dat die Pangerang op de be„ paalde dog zig op salaliga zoude laten vinden, waar op mij zonder uijtstel tot de reize vaardig maakte edog daags daar aan ontfing ik een nader briefje van gemelde resident waar bij dezelve mij berigt dat den Coejoehoe nang zig beleefdelijk excuseerende om manioenagara te laten vertrekken, alzo die prins bij zyn onderwerping met zijn Hoogheed een accord had gemaakt, om altoos bij bij hem te blijven en nemmer van hem af te gaan, verw=ts het ook zoude mogen wezen, aan welk verbintenisse de vorst zig stiptelyk wilde houden en daar om in mijn ver„ zoek niet konde accordeeren. Om egter een einde van deze zaak te maken en dezelve zo veel in mijns is te doen uijtvallen, naar het goedvinden van uw Hoog Edelhedens, en dus die onweersbuij uijt de weg runmen, ben ik te rade geworden in perzoon morgen naar souracarta, maar met een kleen gevolg genoeg, faam als incognito te vertrekken, en aldaar zo wel aan als vooren niet Van Javas OostCust den 27. Augustus 1763. met den vorst als Pongerante spreken, en den laatst gemelde na den teneur van uw hoog Edelens ordre te overreden, waar toe ik niets onbezogt zal laten om zig aan d' egtscheijding te onderwerpen, of ten minsten om hem te doen beloven, des noods onder eede dat hij tot wel zijn van het land zig zal stie houden, en over deze behandeling van den Julthan geen waark nemen De rede waarom ik geprefereert heb, zelfs in perzoon naar souracarta te vertrekken, dan den soejoehoenang en Pangerang Mancoenagara naar salaliga te nodigen waar toe den vorst wel zoude overgegaan zijn, is wel princi„ paal om geen opschudding te maken in de Mattarom of ergwaan te geven aan den ge-emelyken sulthan. Ik bedde dat uw hoog Edelheedens myne behandeling gelieven te approbeeren niet zullende manqueeren na myn retour van de uytslag behoorlijk rapport te doen Voor 't overige heeft de vorst minuelyk laten bedanken voor de bevordering van den oppermeester Borgers tot Cornet waar mede zijn hoogheid zeer in zijn schik is, zynde het wyders alomme buijten dit verschil alles in een gewenschte ruste Jk blijve met de meeste eerbied /onderstond: / lijtel als vooren /was getek: Will. Hen. van Ossenbergh /in mar„ gine / Samarang den 27 augustus a. o 1763 Batavia Van Java's Oost Cust den 13. Septb:r 1763 Batavia Conform het bedeelde bij mijne laatste van den 27. der verweeke maand, heb jk mij 's daags daar aan op reize begeven, en ben op den Laatsten op souracarta aangekomen, nemende de vrijheijt UW HCoog Edelens by dezen van myn verrigtingen aldaar Eerbiedig kanner te geeven. Ik ben van den soesoehoenang, zo wel als vanden Pangerang adipatty Mancoenagara, minnelyk met alle teekenen van Liefde en agting op Kletp gerecipieert, voorts door haar hoog Edelens na mijn logement tusschen een dubbeld vanket gewapend volkeren, met slaande tromen vliegende vaandels geconduiseert; en geduurende mijn aan wezen aan dat Hof, heb jk niet anders konnen bespeuren, als Eerbied, vriendschap, en een onscheidbaare attachement aan d' E. Comp:, waar omtrent jk geen zwaarigheyt make niet te verzekeren, dat zijn Hoogheijt den keizer daar in altoos zal volharden Maar het tegendeel moet jk /: hoe wel met Leet wezen:/ betuijgen, alzo jk op het gemoed van den Prins met zo veel heb konnen verwinnen, dat zijn Ed. zig te vreede zoude houden do egtscheijding door gecommitteerdens te laten geschieden, veel min dat hij zijn geliefde Ratoe Ben„ doro zoude konnen verstooten en vergeeten. Want aande eene zijde is zijne verbetering tegen den sulthan te groot, en de schande en sinaatheijt, hem aangedaan, werd by zijn Ed. te euvel opgenomen, Aan als vooren dan 171

NL-HaNA_1.04.02_3094_0460 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 13th of September 1763 than that he could be brought to it by gentle means, and that to urge it or to insist upon it with authority would only drive him into harness sooner; and it is at the urgent request both of the ruler and of Resident Beuman that I have not done so, since His Highness assured me privately that Prince Mancoenagara would indeed promise me as much, but that his heart was all too deeply stricken with grief, and that it would sooner cause his quiet departure from the Court than that he would fulfill that promise. Furthermore, there is an even stronger motive that causes Mancoenagara to persevere in his intention not to allow himself to be divorced from his consort, namely because he considers himself assured, and says he knows on good authority, that Ratoe Bendoro still daily longs and pines for him, and that it is therefore only the machinations of the Sultan that keep her as if imprisoned; whilst the Prince flatters himself that, if only the Ratoe were out from under the power of her father, she would of her own accord return to him, and it is also for this reason that the Prince remains unyieldingly insistent that Ratoe Bendoro come to Souracarta, being willing to submit to his fate if only the divorce comes to take place in a lawful manner. Although he has otherwise assured me with iterative protestations of well-meaning and sincerity that he will take no step without orders from the Honorable Company or the Susuhunan, 173 From Java's East Coast, the 13th of September 1763 Susuhunan; but on the contrary, that having thrown himself into the lap of the Company, he will also follow its orders in all his actions, whatever they might be. The Susuhunan has also promised that, to the satisfaction of the Honorable Company and at my request, he will continually endeavor to keep Prince Mancoenagara in good humor; although His Highness declared that the conduct of the Sultan, not only towards Pangeran Mancoenagara, was harsh, contemptuous, and hard for that Prince to stomach, but also ran counter to the agreement made between the two of them, containing a reciprocal promise to deliver up again the subjects who deserted from one court to the other, which he had also always fulfilled; but that the Sultan, Ratoe Bendoro being a true subject of His Highness, would not return her, neither at the request of Pangeran Mancoenagara and him, the Susuhunan, nor even at that of the Honorable Company, under the fabricated pretext that the Ratoe herself was disinclined to it; that it was therefore equitable, and he also insisted once more, that the Sultan be ordered by Your Right Noblenesses to send the Ratoe to Souracarta, and there to treat From Java's East Coast, the 13th of September 1763 of the divorce, whereupon this troublesome case would come to an end, to the confirmation of the peace of Java. These, Right Noble Lords, are in brief the results of my journey, in which I have not engaged in any detailed matters that would only cause prolixity and contribute nothing to the case: I therefore request Your Right Noblenesses' further orders as to how I am to conduct myself further in this difficult matter; gladly offering my person, as I have already done to the Sultan, to escort Ratoe Bendoro to Souracarta, and to deliver her from there back into the hands of her father, in the event that the divorce proceeds. Wherewith, with the requisite respect and deep veneration, I have the honor to call myself, was signed, Your Right Noblenesses' most obedient and very humble Servant, was signed, Willem Hendrik van Ossenberch, in the margin, Samarang, the 13th of September 1763. Batavia 175 From Banda, the 10th of September 1763 Batavia It grieves me to the heart to have given so much displeasure through the contents of my respectful letter of the 4th of September 1762, and to have even raised in everyone the suspicion of premeditated deceit, whereas I nevertheless testify in all sincerity that such was as little my intention as that I should have founded what was treated in the consultation upon vain talk; for with regard to the general state of the perkeniers, the principal person of each place submitted to me in writing how matters stood in particular with respect to each of them, and from the collection thereof I subsequently drew up the description, without it being hereby directly or indirectly intended to blame the administration of the Noble Lord De Klerk, or to propose exceptional changes whose consequences would in time be worse than the evil itself. Had I had the good fortune to find Banda in that improved state in which it was handed over to Mr. Siersma, many of my arguments would have been unnecessary, but Your Right Noblenesses know how desperate everything was upon my arrival, what trouble and racking of brains it cost me

Dutch transcription

Van Iava's Oost Cust den 13. Septb:r 1763 dan dat hij daar toe met zagte middelen zoude te brengen zijn, en zulx met aandrang als met authoriteijt of daar op te insteren, zoude hen maar eerder in het harnas Jaagen; en het is op het instandig verzoek zo van den vorst als van den Resident Beuman, dat jk zulx niet heb gedaan, dewijl zijn Hoogheijt mij in het bijzonder verzekerde, dat den Prins Mancoenagara mij zulks wel zoude beloven, dog dat zijn hart al te zeer met smerte aangedaan was, en eerder 't zelve zijn stil vertrek van 't Hof zoude veroorzaken, dan die belofte na te komen Daar en boven is er nog een kragtiger beweegreden die man„ „Coenagara doet volharden in zijn voorneemen, om zig zijne gemalen niet te laten scheiding, Namelijk, om dat hij hem verzekert houd, en zegt, van goederhand te weten, dat de Ratoe Bendoro nog dagelijx om hem wenscht en kevind, en dat het dus de gedoentens van den sulthan alleen zijn die haar als gevangen hond; terwijl den Prins zig flatteert, als de Ratoe maar van onder de magt. van haaren vader van daan was, zij van zelfs wel weder bij hem zoude komen, en hierom is het ook dat die Prins onverzettelijk blijft aanhouden, de Ratoe Bendoro te souracarta komt, zullende zig gaarne aan zijn noodlot onderwerpen, bij aldien de ogtscheijding op een vegtmatige wijze maar komt te geschieden. schoon hij onderzints met iterative betuijging van Welmenandheyt en opregt en met verzekert heeft, ga„ stap te zullen doen buijten bevel van d' E Comp: of den Soesoehoenang 173 Van Javas oost Cust den 13. September 1763 Soesoehoenong; maar in tegendeel, dat hij hem geworpen hebbende inde schoot van de Maatschappij, ook hare bevelen in al zijn doenen laten zal opvolgen, hoedanig dezelve ook mogte wezen. Den soesoehoenang heeft ook beloofd, dat hij ten genoegen van d E Comp: en op mijn verzoek den Prins Mancoenagara bij aanhoudendheijt, zal tragten in een goedeluim te houden; al hoe wel zijn Hoogheijt verklaarde, dat de handelwijze van den sulthan niet alleen ten opzigten van den Pange„ „rang Mancoenagara, hard, versmodelijk, en voor dien Prins zwaar te verduwen was, maar ook aan„ „liep tegens het accoord onder hen beide gemaakt, behelvende een reciproque beloften, om de onderdanen, die van het eene na het ander hof overliepen, weder uijt te leveren, 't welk hij ook altijd had nagekomen; maar dat den sulthan, Ratoe Bendoro een wezent„ „lijk onderdaan van zijn Hoogheijd zijnde, nog op het verzoek van den Pangerang Mancoenagara en hem soesoehoenang, nog zelfs dat van d' E Comp:, wilde te rug geven, onder versierd voorwandsel, dat de Ratoe zelfs daar toe ongenoegen was, dat het daarom billijk was, en ook nogmaals daar toe insteerde, dat de sulthoan door haar hoog Edelens gelast wierd, om de Ratoe na souracarta te zenden, en daar over de egtscheijding te - -- Van Javas oost Cust den 13. Septb: 1763 te handelen, als wanneer dit fachieus gevaleen eijnde zoude komen te neemen, tot de bevestiging van de ruste van Java. Die daar Hoog Edele Heeren, in het kort de uijt„ komst van mijne reijze, waar omtrand jk mij in geen omstandigheden heb ingelaten, die maar langwijlig„ „heijt zoude veroorzaken, en niets tot de zaak doen: Ik verzoeke dan UW Hoog Edelens nader bevelen, hoe mij indeze moeijelijk zaak vorder te gedragen; gaarne mijn perzoon aanbierende, gelijk ik reeds aan den sulthan heb gedaan, om de Ratoe Bondoro na Souracarta te geleiden, en van daar weder haare vader ter hand te stellen, bij aldien de egtscheijding voort gank komt te nemen Waar mede met het vereischte eerbied en die pont„ zag de eere hebbe van mij te noemen /onderstond/ uw Hoog Edelhedens gansch gehoorzaame en zeer r onderdanige Dienaar /w:t getekend/ W=m Hend:k van Ossenberch /in margine / Samarang den 13. September 1763. Batavia 175 Van Banda den 10 7ber: 1763 Batavia Het doet mij van herten leed door de Continue mij„ nen eerbiedige van den 4 7ber. 1762. zo veel mis noe. gen gegeven, en zelve een ider van voorbedagtelijke misleijding verwekt te hebben, daar ik nogthans in alle sinceriteijt betuijgt zulx mijne intentie alzo min geweest te zyn, als dat ik het verhandelde op de raadpleging met windbuijlen zoude gegrond vest hebben, want met aanschouw op den algemeenen staat der per. keniers is mij door de voornaamste van elke plaats in scripts opgegeven hoe het daar mede ten opzigte van ieder in het byzondere geschapen stont, en uijt derzelver collectie hebbe ik vervolgens de beschuijving opgemaakt, zonder dat hier mede direct nog indi „rekt bedoeld is de regeeringe van den Edelen heer de klerr aan te lasten, of te doen voorstellen. van uytnemende veranderinge, welkers gevolgen in der tijd erger zouden zijn als de quaal zelve Hadde ik het geluk getroffen Banda in dien verbiterdeng staat te vinden als het aan den heer Siersma overgegeven is, vele mijner redeneringen zouden onnodig geweest zijn, maar uw hoog Edelh: weeten hoe disperaat alles op mijne komste gestelt was, wat moeyte en hoofd bueren het mij gekost aan als vooren heeft

NL-HaNA_1.04.02_3094_0464 view scan ↗

English

From Banda, 10 September 1763. has caused the Company to be indemnified, with how many unfaithful servants I have been surrounded, and that therefore in the proposals made I could easily have erred, indeed errors brought to paper without malice, and regarding which I as petitioner may be absolved of such disadvantageous sentiments as Your High Nobilities, to my utmost chagrin, have been pleased to adopt. I confess that the nutmeg park owners, through so many advantageous steps taken previously for their relief, have markedly improved, but it is also beyond all dispute that their present circumstances, compared against those in which the Noble Lord de Klerk left them, differ like day and night, and proofs of this are evident in the loss of slaves, deaths among the most talented colonists, the high cost of provisions, and an incidental confusion in the political administration since the intended dismissal of Mr. Barriel, the remaining animosities of which affect me most acutely. Permit me, Your High Nobilities, on this subject for my further exculpation to cite how, more than ten years ago, the opinion was held that the park owners who possessed any parks worthy of the name were well capable of paying the interest from one half of their income, but from the other half and whatever their lands further yielded, found a very meager means of subsistence, especially in times of slave mortality, the high cost of provisions, etc., whereby they fell terribly behind, as appears from the Banda resolution of 3 March 1751, as an answer to the question asked on this matter in the venerated Batavia letter of the year 1750; for it was so opined in a time when there were still so many wealthy inhabitants here. What likelihood is there that they could now be considered of better, or at least equal, condition, since indeed since the departure of the Noble Lord de Klerk several vigilant and well-to-do park owners have died, and many others have fallen into great ruin, since from the year 1754 up to the latest park inspection they have lost 1897 slaves, making at 30 rd.s each a loss of f 136584 or 15176 guilders per annum, since also their other houses and premises at sale fail to realize the sums mortgaged upon them, since some parks are now mortgaged as high as they cost at purchase; and in addition, the present general mortgages amount to circa 96000 guilders more than at the end of February 1753, apart from and besides f 60000 in private debts, not to mention the cessation since anno 1758 of the abundant supply of provisions from the South-Eastern and South-Western Islands, and how those unfortunate people, due to the reduction of the rice rations in July 1761, had to purchase the last of rice before my arrival for 80, indeed over 100 rd.s. A matter, Your High Noble Lords, that appears strange and incomprehensible to me is this: that having barely set foot on land, rice at once dropped to 60 to 55 rd.s, everyone subsequently in the year 1762, out of fear of similar distress, having provided themselves well with their estimated requirement from private supplies at 40 rd.s the last; but convinced of my care to accommodate them on the Company's behalf without intermission, the suppliers of this year disposed of a very small quantity at 35 rd.s, and delivered all the rest to the Company at 30 rd.s. From this it is also fully evident that I in no way intend to treat the country's inhabitants according to my own whim; on the contrary, it would give me great pleasure to be able to devise means to succeed as happily with regard to further necessities as has already occurred with the principal article of rice, and in my thoughts will hold firm if Your High Nobilities are pleased to take into kind and favorable consideration both the great inconvenience caused by the delay of the ship Batavia, and which would truly have had sad consequences if I had allowed myself to be persuaded to empty and clear the warehouses somewhat against the arrival of the ships, as well as an unhindered execution of the renewed order to accommodate the bazaar daily. In the latter, I erred unwittingly and refer to that end to the reasons and motives deduced in the general letters, for the lack of standing orders to the contrary, and finding no steadiness among people who, through local knowledge, ought to give good advice, compelled me to act in that regard according to the rules of natural understanding. The license granted to some foreigners to the South-Eastern Islands likewise occurred without premeditated emancipation, and on no other grounds than the examples cited in the general missive, certainly not with the intention of depriving the Banda inhabitants of the advantages to be gained thereby. I have obstructed no one from sailing to these and also the South-Western Islands, but gave liberty to whoever took the liberty to request it. If it be, however, that someone might have complained of being hindered herein through mistaken notions or self-interest, I pray Your

Dutch transcription

Van Banda den 10- September 1763. heeft de Comp:e te doen dedomageeren, met hoe veele ontrouwe dienaren ik ben omcingeld geweest, en dat dierhalven in de gedane voordragten ligtelijk hebbe konnen dwalen, immers dwalingen sonder ergten pa„ piere gebragt, en waar omtrent ik suppliciente mo„ gen vrijgekent worden, van zodanige nadeelige senti: menten als uw Hoog Edelhedens tot myn uyterst chagrin hebben gelieven op te vatten. Ik bekenne dat de perkeniers door zo veele bevorens tot haar opbeuring gedane voordeelige stappen merkelijk verbeterd zijn, maar het is ook buijten alle tegenspraake dat hunne presente omstandigheeden verge„ leken tegens die, waar in den Edelen heer de klerk haar verlaten heeft, als dag en nagt verschillen en hier van eluceeren de bewyzen in verlies van slaven sterftens onder de welgetelentste colomiers, duurte van levens middelen, en eene accessoire verwarring in het politicque minijterie, sedert getendeerde afzet. ting van den heer Barriel, waar van d' overgeble„ vene hatelykheden mijng' gevoeligst treffen Permitteert mij Hoog Edelheedens op dit shit tot mine disculpatie verders te mogen aanhalen, hoe men ruijm tien jaren geleden van opiene geweest is dat de perkeniers welke maar eenige naam waar„ dige perken besaten, wel in staat waren uijt de eene helfte harer inkomsten den interest op te brengen edog „ 177 Van Banda den 10 Septemb: 1763. Edogh uijt d' andere helfte en wat hare landen ver ders gaven, een seer sobea middel van bestaan vonden, inzonderheid bij sterfte van slaven, duurte van levens„ middelen &:a waar door se geweldig ten agteren raakten blijkens bandase resolutie van den 3. maart 1751. als eene oplossing der vraag dezenthalven gedaan bij gevene„ reerde bataviase brief van den Jare 1750. , want het is zodanig g'opinieert in een tijd toen nog zo veele ryke inhabitanten hier geweest zijn, wat apparentie dat zijlieden tans van betere of ten minsten gelijkstan„ dige conditie zouden konnen geconsidereert worden, daar immers zedert het depart van den Edelen heer de klerk, verscheide vigilante en welgegoede perke, mers gesturven, en veele andere in groot verval geraart zyn, daar ze van het Jaar 1754 af tot op de jongste perk visite 1897. slaven verloren hebben, makende tegens 30 ud. s yder een verlies van ƒ136584. ofte 15176 guldens per annum, daar ook hare andere huijsen ende erven bij verkoping de daar op beleende gelden uijtkomen behalen daar eenige perten thans zo hoog beleend zijn als dezelve bij inkoop gekopt hebben; daar en boven dien de tegenwoordige generale beleeningen circa 96000 guldens meerder belopen, als onder ult. o febr: 1753. buijten en behalven ƒ 60000 aan particuliere schul„ den zonder eens te spreeken van de zedert anno 1758. opgehouden op ulenten aanbreng van levens mid delen Van Banda den 10. september 1763 delen, uijt de zuijd oost en zuijd wester eijlanden en hoe die ongeluckige menschen door de in July 1761: gereduceerde verstrecking van rijst, voor mijne komste 80. Ja over de 100. rd:s het last hebben moeten inkoopen Eene zaar Hoog Edele Heeren! die mij vervreemt en onbegrijpelijk voorkomt, is deze, dat ik naauwlijx de voeten aan land gezet hebbende, de rijst ten eersten tot 60. a 55. rd. s gedult is, hebbende vervol. gens in het jaar 1762. ijder uijt een vreese voor gelijk„ standige verlegentheeden, zig van de Calculative benodigtheid uijt der particuliere aan voer tegens 40 rd. s het last wel voorsien, maar overtuijgt van mijne sorge om se zonder intermissie comp:s wegen te gerieven, hebben d' aanbrengers van dit jaar eene zeer geringe quantiteijt tegens 35. rd. s van de hand gezet, en al het overige tegens 30 rd:s aan de Comp gelevert, blijkende hier uijt dan ook ten vol„ len dat ir geensints buteere met slands ingezetenen na eijge zinnelikheid te handelen, ter contrarie zoude het mij een groot genoegen geven middelen te konnen uijtdenken om in het reguord van verdere benodigtheeden mede zo gelukkig te succedeeren, als met het voorname articul van de ryst bereeds geschied is, en na mijne Edelheedens op den gedagten zal stand houden als uw hoog eijsch en goederteeren reguard gelieven te slaan zoo ter consideratie 179 Van Banda 10: September 1763. consideratie van het grote ongeriep dat door het agter„ blyven van den scheepe de Batavia veroorzaakt is, en waarlik van droerige sequeelen zoude geweest zijn, indien ik mij hadde willen laten perjuadeeren om de parhuijsen tegens de komste der scheepen, wat ruijm en leeg te maken, als tot een onverhinderden uijtvoer van het vernieuwd bevel omme de basaar dagelyjx te gerie„ ven, ik hebbe in het laatste onwetende gepexeert en beroepe mi tot dien eynde op de redenen en motiven bij gemeene letteren gededuceert, want d' ontstantenisse der ordres voor het tegendeel gestatueert en geene condaat„ heid vindende bij liedert, die door een locale kennis goede raad behoorde te geven, hebben mij genoodzaakt daar omtrend na de regelen van een natuurlijk be„ grijx te handelen De verleende licentie van eenige vrandelingen na de zuijdooster eijlanden, is vonsgelyken geschied sonder voorbedagtelijke imancipatie, en op geene andere gronden als bij de gemeene missive aangehaalde voorbeelden, mi„ mers niet met insigte om de Bandase ingezetenen van de daar by te behalene voordeelen te ontrieven, ik hebbe de vaart op deze en ook de zuijdwester eijlanden mamond beledt, maar vrijheid gegeven aan die geluijt heeft zulx te vragen, is het egter dat ijmand mogte geklaagt hebben hier inne door verkeerde imaginaties ofte eygen belang te zyn wederhouden daer bidde uw

NL-HaNA_1.04.02_3094_0468 view scan ↗

English

From Banda, the 10th of September 1763. that Your High Excellencies might make known the complainant, in order to justify myself in this regard in such manner as has already been done concerning others by the sent attestations; moreover, I can show that the foreigners who have been here since my time, although they have brought no provisions, were encouraged by small gifts from my private purse to come over promptly and without fear with the products of their lands; but whether their remaining behind is to be attributed to the general rumors concerning the invasions and pillaging of the Papuans, or because they have found the means to trade the same in a more convenient way to the Macassars and Balinese, is most respectfully submitted to Your High Excellencies' wiser judgment. With the introduction of the leases on the previous conditions, it was likewise by no means intended to vex the inhabitants, and even less has it been my aim to worsen the condition of the park-keepers thereby, it being exceedingly lamentable that a ruler is so duped by the burgher officers and chief landowners, as has happened to me in this case. I was assured at the time that 181 From Banda, the 10th of September 1763. that those taxes would be very gladly accepted in order thereby to be freed from the vexations of the officers of justice, or rather the subordinates of the fiscal. I could by no means doubt these declarations, since the community was informed of all taxes to be paid a month before the posting of the lease conditions, yet neither before nor after that time was any complaint or grievance uttered against it; and thus I furthermore thought, in the case of the bakery introduced solely for the convenience of the soldiers and sailors, that when a baker, after deduction of all costs and charges, can secure 200 guilders per last in excess profit, he might then also occasionally pay something for such a privilege, the community furthermore not being in any way benefited by the relaxed duty of 10 rijksdaalders per last, since the price of the loaves continues on the previous footing. Regarding the burgher navigation, the Banda matter from the letter from the homeland of the 4th of October 1756 led me to the thought of considering the same as harmful, though under certain stipulations with regard to Macassar, in view of the large importation of all kinds of native cloths, through which the Company is left sitting on its own goods; and with respect to the park-keepers, because From Banda, the 19th of September 1763. of the necessary force to be able to take the wicked Gorammers in hand once again with good success, I have the honor to transmit herewith; and for my part, holding as repeated the premises in the answered extract from the fatherland of the 30th of September 1760, I shall furthermore briefly add that under the present critical circumstances, a considerably larger force would be required than that which was used for that purpose according to the Banda Resolutions of the year 1658; and this all the more as the Cerammers are in league with the Gorammers, while the natives generally now play such an extraordinary role that it is better for the present to refrain from invasions and acts of violence, the consequences and effects of which would most acutely affect this province through a total lack of the so urgently needed products from those regions. The trade in linens with those peoples upon arrival here would at the same time come to a standstill, the Bandanese would not be admitted with their trade goods, but would be attacked as open enemies, and consequently the Company would likewise suffer great mercantile damage; the Macassars, Bugis, etc., on the other hand, would succeed in everything according to 185 From Banda, the 10th of September 1763. to their wishes and even better than has happened thus far, without even mentioning at length the fear that a third party might come into play as a quasi-mediator, and fishing in those troubled waters, depart with the best booty. Indeed, in a matter of such alarming appearance, one cannot act too cautiously; and far from troubling Your High Excellencies with any projects, I only request permission to submit for consideration whether it would not for the present be advisable, following the example of the Moluccan chief kings, to promote the extirpation of the spice trees through gifts and presents, at least until the principal spice plantations had been discovered and the means found to execute the former designs in a manner as unexpected as it is convenient, whether one would wish to employ the Company's people for this purpose, or otherwise animate the burghers thereto, or win over the regents themselves by presents; although for that purpose, on the one hand, it would nonetheless be very useful and necessary to send some small sailing as well as rowing vessels (capable of entering all corners and inlets on Goram, Pulau Geser, Ceram Laut, and Kuwar) with the breaking of the eastern monsoon.

Dutch transcription

Van Banda den 10 septemb:r 1763. uw hoog Edelheedens den klager te mogen kennen, om daar omtrent te rigtvaardigen op zodanige maniere als door de bereets overgezondene attesten omtrent andere geschied is, daar te boven kan in aantonen de vramdelingen die zedert mijn tijd hier geweest zijn, of schoon geene levensmiddelen hebben aange„ bragt, door smalle geschenken uijt prive beurs te wezen aangemoedigt, met hunne lands producten 'spoe„ dig en onbeshroomt overte komen; maar of haar agter blyven toe te schryven is aan d' algemeene gerugten nopens d' invapies en stroperijen der papoesen, dan wel om dat se het middel hebben uijtgevonden dezelve op eene commodieuser wize aan de Macassaren en Ba„ liers te verhandelen, werd aan uw hoog Edelhedens wijzer oordeel eerbiedigst gedefereert. Met d' entroductie der pagten op de voorjorige condities, is almede geensints bedoeld d' ingezetenen te vexeeren, en nog minder heeft myne betragting gestrekt den staat der perkeniers daar door te verslimmeren voorwaarts beklagen zynde dat een gebieder door de burger officieren en hoofd ingelanden zodanig gedupeert word, werd als mij in dit geval overgekomen is, men heeft mij toenmaals verzekert dat . 181 Van Banda den 10: 7ber: 1763. dat die belastingen zeer gaarne zouden g'amplec„ teert worden, omme daar door van de vexaties der dienaren van de justitie of eygentlik de suppoosten van den fiscaal bevrijd te zin, ik hebbe aan deze declaraties ook geensints mogen twijffelen, na dema„ len de gemeente een maand voor d' affixie der pagt Condities van alle te betalene imposten onderrigt, maar nog voor nog na die tijd eenige klagte ofte beswaar nis daar tegens geprofereert is, en zo hebbe verders in het geval van de alleenlijk tot gerief die soldaten en mattrosen ingevoerde broodbakkeri vermeend, dat wanneer een backer na aftrek van alle kosten en ongelden, 200 guldens per last aan overwinst kan opleggen als dan ook wel tijds iets voor diergelijken proilegie mogte betalen, zynde verders nog de gemeen„ te door den gerelaxeerden impost van 10. rd. s per last, geensints bevoordeelt nademalen de prijs der brooden op den voorigen voet Continueert. wegens de burger vaart heeft de Bandase ma: terie uijt de vaderlandsche brief van den 4. 8ber. 1756 mij op de gedagten gebragt, om dezelve als schadelyk te considereeren, egter onder sekere bepalingen met aan„ schouw op macassar, mits den groten invoer van aller„ Jande inlandse klederen, waar door de Comp:e met haar eygen goed sitten blyft, en ten opzigte der perkeniers dewijl Van Banda den 19: 7ber: 1763 der benodigde magt om de snoode Gorammers weder eens met goed succes onder handen te konnen neemen hebbe ik d'eere hier nevens over te zenden en voor myn aandeel voor gerepeteert houdende de praemisses in het b'antwoorde patrias extract van den 30. 7ber. 1760 zal ik verders kortelyks by voegen, dat in de tegensvoor dige caiticque omstandigheeden, eene vrij grotere magt zoude vereyscht worden, als die na de Bandaje Reso. lutien van den Jare 1658. daar toe gebruykt is, en zulx te meer de Crrammers, met de gorammers een lijn trecken, mitsgr:s de inlanders generaliter tans zoo een wonderbare rol speelen, dat het beter is vooreerst nog af te zien van invasies en de feitelykheeden, welkers gevolgen ende uijtwerkselen deze provinsie gevoeligst souden treffen door een Cotaal gemis der zo hoog be„ nodigde producten uijt die gewesten, de handel in lij„ waten met die volkeren bij arrive hier ter plaatse sond teffens stie slaan de Bandaneesen 't met haar negotie guiter niet g'admitteerd, maar als openbare vijanden aangepen worden en bijgevolge de Compagnie vans geliken in het mercantele grote schade leijden, de macassaren, boegineesen &:a daar en tegens in alles na 185 Van Banda den 10. September 1763. na wensch en nog beter renisseeren als te dus verre geschied is, zonder eens breedvoerig op te halen van de bedugting dat een derde quasi als mediateur zoude konnen in het spel komen, en in die troubles visschende met de beste buijt heen gaan. Immers in eene Jake van zulken sorgelyke aanschouw, kan niet te omsigtig gehandelt worden, en verre van uw hoog Edelheedens met eenige projecten te vermoeijelijken, verzoeke alleen„ lijk in consideratie te mogen geven, of het niet voor rent raadzaamen zoude zijn na het exempel van de molukje hoofd koningen, d' extripatie der specerij boomen door giften en geschenken te bevorderen, immers tot zoo lange men de voornaamste specerij plantagies ontdekt, en het middel uijtgevonden hadde, de voormalige aansla„ gen op eene zoo onverwagte als commodieuse wyze ter executie te brengen, het zij dat men hier toe sComp:s volk wilde gebruyken, of anders de burgers daar toe amineeren, dan met de regenten zelve door presenten overtegalen, schoon daar om egter aan de eene rant zeer dienstig en noodzakelyk zoude zijn, eenige kleine zo seijl als roeijvaartuijgen /. bequaam om alle hoeken en inhammen op Goram, Poelo gisser Ceramlaant en kouwer in te loopen:/ met de doorbrake der ooste moussen

NL-HaNA_1.04.02_3094_0472 view scan ↗

English

From Banda, 10 September 1763. monsoon until the month of September to be used as cruisers, all heavily manned, well provided with munitions of war, and under escort of a chaloup for the stowage of provisions and other necessities, as well as, upon encountering smugglers and others not provided with proper passes, acting in such manner as Your High Excellencies' revered separate letter of the month of December 1758 contains, provided only that on the other hand, from their conduct, no such complaints and movements arise again as resulted from those of the mate Maurits, and on which account, according to the continuous rumors from Ceram, the King of Tidore persisted in his bitterness and threats, which further seems to be confirmed by the annexed declaration of the burgher Nicolaas Gilbertsz, added to the notable report that it was Patanese who, with the help of some Cerammers who had remained in this Province for some time previously, perpetrated the human abduction carried out here in June last, as shown by the declaration 187 From Banda, 10 September 1763. of those burghers and slaves ransomed and brought over here by him. If now one of the aforementioned proposals might meet with Your High Excellencies' approval, then I most humbly supplicate to be instructed how far I may go therein, as well as for the sending of the necessary personnel, vessels, and ammunition goods, as none at all can be spared from our supply and the employment of the Mardijkers belonging here cannot be counted upon, besides and above the fact that the aforementioned foreign visit requires greater vigilance and more personnel for the security of the stations, I cannot fail to pray Your High Excellencies to make the garrison complete as far as feasible. Concerning the bookkeeper van de Put, I would not have dared to undertake, on the occasion of my forced stay on Ambon, to make a request for his return to this Province, if I had been able to form the slightest idea of dubious conduct with respect to him; it has also kindly pleased Your High Excellencies to grant my request regarding this, but if he From Banda, 10 September 1763 should have carried out any harshness or extortions towards the Bandanese in my name, then I swear on my part to be informed wherein this has consisted, so that I can excuse and justify myself concerning this, the more so as I already in anticipation declare on my word of honor that not one of the Bandanese perkeniers has complained about this here either directly or indirectly, or that such a complaint has ever come to my knowledge. And as regards the service of the Company, through lack of other good subjects I was indeed forced to employ him in many odious commissions where it concerned money matters on behalf of the Company, but from my side again solely with an eye to economy; it grieves me to the highest degree that on 27 December 1762 I did not persistently refuse to have that servant employed in drawing up other trade books; the repeated requests of the Senior Merchant Ansorg persuaded us thereto, and I greatly regret that the outcome, through the latter's improper conduct, has so poorly answered expectations. I had progressed no further in writing this when a terrible earthquake occurred, causing general ruin, 189 From Banda, 10 September 1763 of which a detailed account has been given in the general letter; and having immediately given orders everywhere for the erection of bamboo huts for the hospital, barracks personnel, sailors, and craftsmen, the orphanage, and the bazaar, around which I am constantly in person at the works to make everything proceed rapidly, I shall, after its total completion to follow within a few days, give priority to the nutmeg storehouses, so that the unfortunate perkeniers can still deliver the nutmegs in the latter part of this month. Concerning the repair of Nassau, I submit herewith a report and plan from the master builder Duler, whether it might please Your High Excellencies to approve this; I pray at the same time that this man, on account of his untiring diligence, may be promoted to Captain-Lieutenant, the more so as such a servant is exceedingly necessary for this province. And since in the first two years the collapsed orphanage cannot be thought of, I take the liberty, to avoid great expenses, to propose the purchase of a certain house rebuilt from the ground up by the engineer From Banda, 10 September 1763 Duler for 1500 rixdollars or slightly more, as having abundant room to accommodate all the orphan children, especially if the elderly people, according to their choice, board with other inhabitants, as they have already done for some time, increasing their monthly maintenance from 2½ rixdollars henceforth up to 3¼ rixdollars per month. I am with the very highest veneration /below stood/ title as before /was signed/ J:s Pelters /in margin/ Banda Neira, 10 September 1763. To

Dutch transcription

Van Banda den 10:' september 1763. mousson tot de maand september als kruijssers te gebruijken, alle sterk bemand met ammonitie van oorlog wel voorsien, en onder escorte van een Chia„ loup tot berging der vivres, en andere benodigtheden, mitsg.:s bij ontmoeting van smorkelaars en andere van geen behoorlike passen voorzien, zodanig han delende, als uw hoog Edelheedens gevenereerde aparte brief van de maand xber: 1758 behelft, indien maar van d' andere sijde uijt hunne handelwijsen niet weder diergelijke klagten en mouvementen ontstaan als door die van den stuurman Maurits gere„ sulteert zijn, en verenthalven volgens de continu„ eele gerugten van Ceram de koning van Tidor bij zijne verbittering en dreygementen bleef volherden, nader na het geene „ schint bekaagtigt te worden, door de annexe verklaring van den burger Nicolaas Gilbertsz, gevoegd bij de notabele opgave dat het pattanereesen geweest zyn die, met behulp van eenige voor heen in deze Provintie een tijd lang overgeblevene Ce„ rammeas, den in Junij j:o leden alhier g'exteerde men„ schen roof geperpetreert hebben, uijtwijzens het di„ „claratoir 187 Van Banda den 10. september 1763. claratoir van die door hem ingeloste en herwaarts overgebragte burgers en slaven. Is het nu dat eene der voorsz. propities uw hoog Ed: behaaglijk mogte voorkomen, dan suppliceere ik ten aller ootmoedigsten omme onderrigt te worden hoe verre daar in zal mogen gaan, teffens ook toe„ sending van het benodigde volk, vaartuijgen en ammo„ 8 nitie goederen, als konnende uijt onze voorraad geen sints geruijt en op het employ der mardijkers hier thuijs hoorende niet gecalculeert worden, buijten en behalven dat de voorsz vreemde visite een grootere waarsaamheid en tot beveyliging der staanden meerder volk vereisschende, ik niet mag nalaten uw hoog Edel„ heedens te bidden om het guarnisoen dees doenlyk voltollig te maken. wegens den boekhouder van de Put soude ik niet hebben durven ondernemen ter gelegentheid van mijn gedwongen verblijf op Ambon verzoek te doen, tot retour na deze Provintie, indien ik maar het ge„ ringste idee van nadenkelyke menees, ten zijnen op zigte hadde konnen formeeren, het heeft uw hoog Edel heedens ook goedertierenjt behaagd mijne daar toe opzigtelijke instantie toe te staan, maar is het dat hij Van Banda den 10. Septemb: 1763 hy omtrent de bandaneesen op mijn naam eenige hardigheeden ofte knevelarijen mogte hebben uijtgevoert, dan sweere voor mijn aandeel te worden g'infor„ meert waar in zulx bestaan heeft, op dat mij daar over kan verontschuldigen en regtvaardigen, te meer ik bij al by anticipatie op mijn woord van eere dua„ „ves verklaren, dat niet eene der bandaje Colomers daar over hier ter plaatse direct nog indirect ge klaagt, of wel dat zodanige klagte ooijt ter mijna ken„ „nis gekomen is., En wat betreft den dienst van de Comp„e ben ik door gebrek aan andere goede subjecten, wel genood zaart is geweest hem in veele hatelijke commissies daar 9 — het Comps wegen op geld zaken aanquam te gebruijken, Can egter van myn kant al weder met de suijnagte oogmaaken alleenlik, facheert mij ten hoogsten dat ik op den 27. xber, 1762. met perseveranter gewyjgent hebbe, dien bediende tot het opmaken van andere negotie boeken te laten employeeren, ƒ de herhaalde verzoeken van den oppercoopman Aan„ sorg hebben wij daar toe overgehaalt en ik beklage zeer dat de uijtkongt door des laatstgenoemder verkeert ge„ drag zo zlegt aan de verwagting heeft b'antwoord. Ik was niet het schrijven te dus verre gevordert wanneer een ijsselijke aardbeving, die algemeene ruine quam 189 Van Banda den 10. Septemb: 1763 quam te veroorzaken, waar af bij gemeene letteren een onstandig verhaal gedaan is, en terstond over al ordres gestelt hebbende tot het opregten van bamboese hulten, voor het hoppitaal, quartiers volk mattrose en ambagtslieden, het weeshuijs, en de bajaar waar omtrent ik. steets personeel bij de werken ben, om alles spoedig voortgang te doen niemen, zal ik na dies binnen wijnige dagen te volgene totale ab„ solutie de nooten huysen, de voorrang geven, op dat de huys ongeluckige perkeniers nog in het laatste dezer maand de nooten konnen leveren. Aangaande naffanus herstelling, offereere hier nevens ste ng een berigt en plan van der bouwmeester Dulel, of het uw hoog Edelheedens mogte behagen zulx te op„ probeeren; ik bidde teffens dat die man wegens zijne onvermoijende werkzaamheid tot capitain luijte„ nant mag bevordert worden te meer zulken bediende tant voor deze provintie ten uijtterste nood zakelijk as. En dewijl in de eerste twee jaren aan het ingeston te weeshuijs, niet zal konnen gedagt worden, zoo neme de vrijmoede tot menagement van groote kosten voor te stellen, den inkoop van zeker door den inge „nieur Van Banda den 10' septemb 1763 nieur Duler van de grond af herbouwde huijs voor 1500 rd. s of iets meerder, als hebbende over„ vloedig ruijmte tot logement der gezamentlijke weeskenderen woornamentlyk zoo de bejaarde luijden na hare verkiesing by andere inwoonderen, gelyk se sedert eenige tijd bereets gedaan hebben haar maandelijx onderhoud van 2½ rd:s voortaan verhogende tot op 3¼ rd. s 'smaands Jk ben met d' alleruytterste veneratie /onderstond/ tijtel als vooren / was getekend/ J:s Pelters /in margine/ Banda Neijra den 10. 7ber: 1763. Aan

NL-HaNA_1.04.02_3094_0477 view scan ↗

English

191 From Banda under date 15 September 1763 To the Honorable, Respectable Mr. Jacob Pelters Governor and Director of this Province with the dependencies thereof etc. Honorable, Respectable Sir. In compliance with Your Honor's much esteemed requisition concerning the necessary force to deprive the Gorammers of their nutmeg and clove trees, in order to prevent them entirely and if possible forever from all illicit trade that one may presuppose is conducted by them therewith, the undersigned will under correction say regarding this that, because Goram is a mountainous country and moreover overgrown with almost impenetrable forests and thickets, it will not well be possible to carry out an extirpation with success without being enabled by good and well-founded information as to where and in what places of that country such spice trees are keeping or are being planted, at which time one will be able to make an estimate of the force required for that purpose as well as otherwise properly and in order to make the work have a good result. From Banda under date 10 September 1763 Passing on to the manner in which one could obtain complete knowledge of the place where those spice trees are indeed most cultivated and planted, the undersigned serves with the requisite reverence his advice that one must have it spied out in a covert manner from here by the burghers and Mardijkers who will be found best suited for it, which in my opinion is possible to do if one meets such people with a reasonable reward after the work is done, provided that they let themselves be employed at that time over there if one were to resolve upon a total extirpation. Finally, one could also bring into operation with success to set, by the public promising of a bounty, 15 rixdollars upon every uprooted spice tree, provided one had convincing evidence that the same were truly eradicated there and were shown here, to which the local peoples would sometimes even be moved, which was to be wished. The Mardijkers and sailors who sail back and forth with the burgher vessels to those islands to trade and are very well known there would certainly, as hoped through self-interest, also spare no trouble or dangers 193 From Banda under date 10 September 1763 to acquit themselves in this. Wherewith I hope to have complied with the honored intention of Your Honor, whereafter I have the honor to be with the due respect. Underneath stood Honorable, Respectable Sir, lower Your Honor's humble servant, was signed G. Aansorgh, in the margin Banda in Castle Nassau, this 17 August 1763. To the same as above. Pursuant to what was decreed in the Council of Policy on the 22nd of March last, the undersigned takes with respect the liberty to present his opinion on the Goram expedition to Your Honor and to state beforehand that, having no local knowledge of the country, it is not well possible for him to determine the force that one would need in order to execute this expedition with good success. It is true that the undersigned during his stay here has heard said by the burghers who sail to these islands that on Goram and Kouwer there were indeed nutmeg trees, but at the same time also that the forests are impassable due to the high From Banda under date 10 September 1763 high mountains and the dense growth of young sago trees which are very thorny; that the Gorammers are of a very fierce nature when they have the upper hand, but immediately fled into the mountains when they were visited with force, hiding here and there in the narrow paths to shoot at the visitors of their forests, the greater part being armed with muskets. That these Gorammers lived in very close friendship and alliance with those of Geser, Sawai, and Manawoka, Kilwaru, etc., marrying with one another, and that consequently being very populous they can put a great multitude of juangas, orembaais, and other vessels to sea. But because this all rests on hearsay and thus are to be considered as nothing more than conjecture upon which one cannot determine an expedition, the undersigned thinks, with Your Honor's permission, that before and long before one can answer to the intention of Their High Excellencies, this government ought to charge the upcoming South-Eastern Commissioners to make an exact investigation on the spot itself of all the points that one deems necessary to have in order to deliberate further on this matter. Wherewith 195 From Banda under date 18 September 1763 Wherewith I hope to have complied with the tenor of the aforementioned resolution, the undersigned takes the honor to call himself with respect. Underneath stood usual title, was signed Casimier, in the margin Banda Neira, 2 August 1763. To the same as above. My humble advice is, subject nevertheless to the wiser judgment of Your Honor, to entirely abandon the expedition to Goram, maintaining that such would only be trouble in vain, people sacrificed, and needless costs. Yet in order nevertheless to reach the goal in part, one should seek to encourage the good and well-intentioned Gorammers appearing here to the extirpation of the spice trees in their own and neighboring lands through friendly treatment and some small presents of linens or else a flag or cane, on which latter they are indeed so very keen, and if it were possible to bind them thereto; as one could and should also act with the burghers navigating from here thither.

Dutch transcription

191 Van Banda onder dato 15' 7ber 1763 Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Jacob Pelters Gouverneur en Directeur dezer Provintie met den ressorten van dien enz: Wel Edelen Agtbaren Heer. Jn observantie van uwel Ed: agtb: veel g'eerde requisit aangaande de benodigde magt om de gorammers mers van hare note en nagul boomen te beroven, om haar alle sluyt handel die men vooronderstellen kan dat door haarl: daar mede gedreven werd in het geheel en was het mogelyx voor altoos te beletten zoo zal den onder getekende onder correctie hier omtrend zeg„ gen, dat dewyl Goram een Bergagtig land en daar 9 en boven niet schier ontoegankelijke Bosschen en ruijg„ f _ - tens bewassen is; het niet wel mogelik zal zijn, „ om een extrapatie met succes ten uijtvoer te brengen zonder dat men door een goede en wel gefundeerde in staat gesteldt is, waar en op wat onderrigting plaatsen van dat land zig zulx specerij bomen zijn 29 onthoudende of werden aangeplant, als wanneer men uijt een overslag van de daar toe benodigde magt als andersints na behoren en om het werk — een Van Banda onder dato 10. Septemb: 1763 een goede uijtslag te doen hebben zal kunnen maken overgaande tot de weyze hoe men zig een volko„ ine kennisse van de plaats waar die specerij bomen wel het meest werden gecultiveerd en aangeplant soude kunnen maken zo dient den ondergetekende met de vereijschte reverentie van advies, dat men van hier door de burgers en mardijkers, die men daar het best in staat toe zal vinden het op een bedekte wyze moet laten afspioneeren, dat mijnes bedunkens mogelijk is om te doen, als men zulke luijden met een resonrable beloning na gedaan werk te gemoet komt, mits zijl: zig in den tijd als ginder lieten gebruijken als men tot een volslage extirpatie quame te resolveren. Eyndelijk zoude men al mede met succes in ter ram kunnen brengen om door het publicq be„ d loven van een premie van 15: rd:s op ijder uijtgeguavene : 1 specerij boom te stellen, mits men overtuijgende blijken G hadt dat dezelve aldaar waarlyk waren uijtgenoeyt en hier wierden vertoond en waar toe zig de lands volkeren somwylen wel selfs zullen te bewegen zijn het welk te wenschen was. De hardijkers en mattros de met de burger Vaer„ tuijgen op die Eijlanden af en aanvaaren om te handelen en aldaar zeer bekend zin zoude zekerlijk als door de van zught gehoopt zig almede geen moeyte of ge„ vaeren 193 Van Banda onder dato 10: Septemb: 1763. vaeren ontzien om zig in deze te quijten Waar mede verhope aan de g'eerde Jntentie van uwel Ed agtb: te hebben voldaan waar na d' eere heb met de verschuldigde agting te zijn. onderstond wel Edele agtb: Heer : /lager/ uwel Ed: agtb: onderdanige dienaar /was getekend:/ G:t Aansorgh /in margine Banda in 't Casteel Nassamm adij 17. augustus 1763. Aan als even Ingevolgh van het g'arresteerde in raad van politie den 22. maart Jongstl: neemt d' ondergetekende met eerbied de vrijheid zijn gevoelen over de Gorams expeditie 8 aan uwel Edele Agtb: te preseerteeren en voor af te zeg„ gen, dat geene Locale kennisse van het land hebbende nisse hem niet wel mogelijx is de magt te bepalen die men g d 3 - niet wel i p d van noden zoud hebben om dezen expeditie met een goed succes ter uijtvoer te brengen het is wel waar dat den ondergetekende zyn verblijf alhier heeft hooren zeggen van de borgers die op deze eylanden varen dat op goram en kouwer wel nooten boomen waren, maar deffens ook dat de bosschen ongangbaar zijn door de hooge Van Banda onder dato 10 Septemb 1763 hooge bergen en het vol gewassene van Jong Jagoe boomen die zeevrer steekelagtig zijn, dat de gorammers zeer brutale van aart zijn als zij d' overhand heb„ ben dog vluegteden immediaat in het gebergte als zij niet magt bezogt werden hier en daar in de smalle padden schuijlende om de besoekers van hare bos. schen te beschieten de meeste part met snaphanen gewa„ pend zynde Dat deze gorommers in een zeer nauwe vriendschap en alientie met die van Gisser Sawaki en manawozo Rhewer &a leefden; met malkanderen trouwende en dat gevolgelyk zeer voer rijk zijnde een groote menigte van jouren orambaijs en andere vaartuijgen in zee konnen zetten. maar dewijl dit altemaal stemnt op hooren zeggen en dus mede naar als gissing en zyn te considereeren op de welke men geen expeditie kan bepalen zo denkt den on„ dergetekende onder het wel neemen van uwee Edele agtb: dat voor en al eer men aan d' jntentie van haar hoog Edelheedens kan b'antwoorden, deze regering d' aanstaande zuijd ooster Commissianten zoude moeten belasten een v exacte onderzoek op de plaats zelve te doen van Eacte alle de poincten die men oordeelt van noden te heb„ ben om over deze zaak verder te delibereren waar 195 Van Banda onder dato 18. Septemb: 1763 waar mede hope aan de teneur van voorgemelde resolutie voldaan te hebben neemt d' ondergetekende d' eer zig met eerbied te noemen. /:onderstond / gewone Casimiere /in mar tytee /was getekend./ gine Bande Neira den 2 aug:. 1763. Aan als wan Myn nedrig advijs is (:behoudens nogthans het wijzer oordeel van uwel Ed. agtb: om in 't geheel van het der expeditie op Goram af te zien sustineerende zulx maar moeijte te vergeefs volk gesaccifieerd, en nodelose kosten zouden zijn Dog om niet te min ten deele het doelwit te bereijken zoude men de alhier verscheijkende goede en wel g'in tentioneerde gorammers tot d' extirpatie den specerije boomen in haar eijgen en nabuurige landen door vriende„ 1 - W - lyke bejegeninge en eenige geringe scheuragies van lijwa„ geruige d d g ten dan wel een vlag of rotting op welke laatste J 29 zy dogn zo zeer gesteld zyn, moeten zoeken te amineeren 2 en waere het mogelyk daar toe te verbinden gelijk men ook zoude kunnen en moeten handelen met de van hier na derwaarts navigeerende burger —

NL-HaNA_1.04.02_3094_0482 view scan ↗

English

From Banda, dated 10 September 1753. and inhabitants, which in my opinion will succeed much better than any military expedition. Wherewith I have the honor to be with respect, beneath stood: usual title, was signed: I:s Dannus, in the margin: Banda Neira, 29 August 1763. To the same as before. The undersigned, having arrived only this year and therefore being ignorant of the country, the people, and the condition of the place, is unable to advise with any foundation as to how or by what means the Gorammers might best be tamed and brought under the obedience of the Honorable Company. Yet in some measure and according to ability to comply with the honored resolution of 22 March of this year, I have the honor to state: That my advice would be, for now and for the present, to abandon the expedition, as well as not to propose any firm propositions or projects in that regard to Their Right Venerable Lordships this year, but first to see whether one, through good promises and friendly terms, might not encourage some reliable burghers who trade in those regions and are not suspected by the Gorammers, to carry out a careful investigation and upon return provide a faithful report of their findings: whether there are spice forests of any significance; whether they lie near the shore or deep inland; whether there is a possibility of effecting a complete extirpation of the same, and by what means; whether on the Goram coast there is a good place to make a landing with sufficient troops, and with what sort of vessels the expedition could best be undertaken; how close or far those vessels must lie from shore, and whether at the anchorage they are able to support the landed warriors with their artillery; whether the Gorammers are very strong in population and especially in able-bodied men, and whether they can call upon any neighbor or ally for help; whether they are united with one another or live in discord, etc., etc. For the investigation of these and many other necessary principal points, I maintain and firmly state that the old burgher Nicolaas Gilberts would be the most capable and the best to trust, as according to general report he is best known there. Meanwhile, I therefore advise that until one is truthfully informed of everything necessary, the proposed expedition, indeed even all projects to be made regarding it, be suspended, so that one does not undertake matters of that nature and of so many consequences before one can, with good foundation and under the Lord's blessing, hope for and flatter oneself with good success. May Your Right Honorable Worships please accept the foregoing as a humble advice from the undersigned, and be assured that nothing will ever be dearer to him than to remain for life with the greatest respect and high esteem, beneath stood: usual title, was signed: I D. Tancheraau, in the margin: Banda Neyra, 20 August 1763. Right Honorable Worshipful Sirs, Having repeatedly been required by order of Your Right Honorable Worships to give my advice as to how and in what manner an expedition might fruitfully be undertaken against the notorious Gorammers, I would gladly make my embarrassment in this matter known to Your Right Honorable Worships, as I have not only recently arrived here, but am also ignorant regarding those peoples, the place of their residence, and their strength: matters which in my judgment, subject to correction, ought to precede any fruitful proposal to Your Right Honorable Worships to undertake an expedition upon whose good or bad outcome so very much depends for this Colony. For in these present days it is not improbable that these peoples patrol our beaches under the name of Papuans, and if this happens now at a time when they are received here as friends and granted residence, it would be greatly to be feared, in the event of an unexpected fruitless expedition whereby their minds would become more embittered, that they will then come to harass us with a greater force, even if they did not join with the actual Papuans. This alone being taken into consideration, I conclude that the force with which one should undertake this expedition cannot be formidable enough, and the persons must be fully knowledgeable of the land, beach, and anchorage, in order to land bravely and safely under the protection of the cannon. Herewith I hope to have complied with the advice requested by Your Right Honorable Worships, and call myself with respect, beneath stood: usual title, was signed: A Bent, in the margin: Banda Neira, 20 August 1763. Batavia

Dutch transcription

Van Banda onder dato 10. Septemb: 1753. en ingesetenen dat mijns dunkens veel beter als eenige militaire expeditie reusseren zal Waar mede hebbe d' eer met respect te zijn /:onderstond/ gewone tijtel /was getekend:/ I:s Dannus /in margine Banda Neira den 29. aug.:o 1763. Aan als voren Den ondergetekende dezen jare eerst aangekomen dierhalven lond volk en gesteltheid van plaatse onkun„ dig zynde is niet vermogens met eenig fondament te kunnen adviseeren hoedanig of door waar middel de gorammers bijt te temmen, en onder de gehoor„ zaamheid van d E Compagnie zoude te brengen zyn Edog om eeniger maten en na mogelykheid aan het g'eerd besluijt van den 22. maart dezes jaars te vol„ doen zoo hebbe d' eere te zeggen Dat myn advijs zoude wezen voor eerst en als nog d' oxpedititi laeren mitsg.:s geene vaste proposities of projecten dierwegens dit jaar aan haar Hoog Edel hee„ dens voor te dragen maar voor af te zien of men door goede belofte en vriendelyke termen met wel eenige weknenende burgers op die contrijen traffi quarende 97 Van Banda onder dato 10. Septemb:r 1763: queerende by de gorammers niet verdagt: zoude kunnen aanspooren, en naauwkeurig onderzoek te doen en bij rethour een getrouw berigt van zijne bevinding te geven of er specerij bosschen van een gelegentheijd zijn. „ dezelve voor aan t land of diep landwaards leggen „ of er mogelijkheid is een volkomene extirpatie derzelve te kunnen doen en door wat middel „ er op de goramse Cust een goede plaats is om met genopend voer eene landing te kunnen doen e met wat zoort van vaertuijgen men d'expeditie best zoude kunnen onderneemen Hoe na of verre die vaertuijgen van land moeten leggen en of op de leg plaatse in staat zijn, de gelande krygers met hun geschut te secondeeren of de gorammers heel sterk van volkeren en voor al van weerbare mannen zijn en oor eenig nabuur of bond„ genood tot hulp kunnen roepen of eendragtig net elkanderen zyn dan wel in once„ nigheid leeven & &. Tot het onderzoek van dit en nog veel andere noodzake„ lyke hooftpointen meer sustineere en vast stelle dat den ouden burger Nicolaas Gilberts wel het bequaamste en het befte te betrouwen zoude wezen als volgens algemeene ge„ rugte daar het beste bekend zijnde Intusschen adviseeren daar om tot zo lange man van alle het nodige na waarheid g'instrueerd is, de voorgedra gene Van Banda onder dato 10 Septemb: 1763. gene expeditie Ja zelfs alle te doene projecten dier wegens te staken op dat men geene zaken van die nahuur en van zo veele gevolgen onderneeme voor dat men, met goed fundament en onder des Heeren zeegen op een goed succes hoopen en zig daar mede flateuren kan. uwel Edele Agtb. gelieve het vorenstaande als een gering advijs van den nedrigen tekenaar aan te neemen en versekerd te weeten dat hem nooit iets liever zal zyn als levenslang met de meeste eerbied en hoog agting te mogen blijven /onderstond:/ gewone tytel/ was ge„ tekend I D. Tancheraau /in margine:/ Banda Neyra den 20. augustus 1763. Wel Edelen Agtbaren Heere Een en andermaal ter ordre van uwel Edelen Achtb afgevordert zynde myn advijs hoe en op wat wyzen men met vrugt een Expeditie zouden kunnen onder„ neemen, tegens de beruijte gorammers zo wille geerne myn verleegentheid in deze uwel Edelen Agtb: te ken„ nen Geeven, als zijnde niet alleen jongst alhier g'arri„ veert maar ook onkundig omtrent die volkeren de plaats haaren verblyf en sterkte: zaken die myns oordeels egter 199 Van Banda onder dato 10. septemb. 1763 /egter onder Correctie / dienen voor af te gaan sal men met vrugt uwel Edelen agtb: iets voor te dragen om een expeditie te onderneemen waar van deze Colo„ „nie in 't wel of qualijk uijtvallen ten hoogste aan gelegen is, want 't in deze tegenwoordige dagen, niet onwaar„ scheynelyk is, of deze volkeren polieeren onder de naam van Papoesen onze strande en geschied zulx nu in eene tijd dat men haarlieden als vriende cckb: al„ hier ontfangt en verblyf verleent zo zouden t grootelijx te dugten zijn, bij eenen onverhoogte vrugteloose expeditie waar door de gemoederen meer zouden verbittend werden dat zij lieden ons als dan met een meerder magt zullen komen ontruyten zo dezelve zig niet quamen te conjugeeren met de weezentlijke papoesen Dit eenelik in opmaking genomen zijnde zoo besluij„ te, dat de magt met dewelke men deze expeditie zouder onderneemen met formidabel genoeg kan zijn en de perzoonen volkomen kundig van land, strand, en Anker grond om vijliglijk onder beschutting van t Canon man„ moediglyk te landen hier mede verhope aan t door uwel Edelen Agtb: gerequi„ reerde advies voldaan te hebben en noeme mij met eerbied /onderstond:/ gewone tijtel /was getekent:/ A Bent /in margine Banda Neira den 20. aug:s 1763 Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3094_0486 view scan ↗

English

From Bantam, the 20th of September 1763. Batavia Pursuant to the esteemed orders of Your High Nobilities, conveyed in your separate letters of the 17th of this month, I immediately spoke with the king upon my arrival here concerning the twenty thousand Spanish reals which His Highness had some time ago requested from the Company as a loan, and the monarch told me that ten thousand thereof had already been counted out to him by the merchant and administrator Jacob van Campen Junior, and that he had executed a bond for that amount for the benefit of the Honorable Company, as has also appeared to my satisfaction; and as His Highness declared that he would gladly receive the other ten thousand Spanish reals as well, I answered him thereupon that they were at His Highness's disposal, provided that he would then be pleased to execute a bond for the whole amount, in which case I would return the first bond to him, with which His Highness expressed himself to be entirely satisfied. And regarding the swearing-in of the regent Tisnanagaro with respect to the Honorable Company, the monarch has promised, following the proposal of His High Nobility the Lord Governor-General Petrus Albertus van der Parra, to let it proceed without further delay. Wherewith I remain with profound respect, below was written the usual title, was signed: Thom: Schippers, in the margin: Bantam the 28th of September 1763. To as before Enclosure Batavia 201 From Amboina, the 26th of September 1763. Batavia In consequence of what was mentioned in our last separate missive of the 25th of May last, we shall further take the liberty, according to our poor abilities, to bring very respectfully to the attention of Your High Nobilities that since our most recent reports concerning the well-known small cruising fleet, no further letters from it have arrived, as they had to retire and betake themselves very early under the shore and into the bay of Sawaij to ride out the winds, from where the bark De Lieftallige and the sloop the Nagapatnam on the 13th of July happily rounded the cape of this bay and arrived here, and on the contrary the Noteboom arrived very battered in the Laijbaeij, and the Nagelboom, after much difficulty and loss of spars, was finally driven behind and beside Bouro and yet further away from there, and currently, according to rumors, has reached a better anchorage around that region, from where we then expect it in the coming days. To as before Having From Amboina, the 26th of September 1763. Having the commanders of that small cruising fleet delivered to us the daily register or journal of what happened to them on that voyage, together with a report concerning the soundings in the bay of Sawaij, both of which we sent in copy to Your High Nobilities as soon as possible with our last dispatch by the aforementioned Lieftallige and Nagapatnam via Java, the duplicate of which now goes over under No. 3 and 4. Furthermore, there were brought up by the said vessels 12 bags of cloves intercepted at various places on the inner coast of Ceram and unloaded here, which we shall now send alongside this via the Nagelboom for inspection, as well as the reports submitted after the visitation thereof by the ordinary clove commissioners, which go over in duplicate in the register under No. 5. Further, Your High Nobilities may, if it please you, observe from our separate resolution of the 7th of July how, for reasons given therein, for the protection and security of the shores 203 From Amboina, the 26th of September 1763. shores during the gathering of the cloves, which under God's blessing looks promising, we have seen fit to keep constantly at sea, at the respective clove posts and here at the main castle, together eleven good and well-manned corra-corras, and to provide each of them with five soldiers (to whom separate instructions, going over under No. 6, have been granted); and further, to supplement our weak garrison, because of the continual suffering from bad beans, upon offer we proceeded to take into service eight native youths as soldiers, of whom 6 at 7 guilders and two at 9 guilders, on the customary engagement of 5 years, awaiting the favorable and very esteemed approval of Your High Nobilities; even though the orders so frequently repeated have been contravened in this, one yet rightly fears in these junctures of time to have to resort repeatedly to such extremities, however unwillingly, if one wishes to make the Papuan scum, who have been showing themselves incessantly this year, either desist and turn back from From Amboina, the 26th of September 1763. from their bold designs, or else destroy and wipe them out with force. To which latter end, on the proposal of the first-signed at the following secret session on the 2nd of August, it was approved to order and instruct all the villages belonging under this province, as if for the protection of their own shore, to provide themselves by the end of February next with a good orembay with gunwales, of a length of 50 feet, which kind of vessel, after careful inquiry, has been reported to us to be the most capable of best entering all shores, creeks, and coves along this coast, and easily overtaking hostile small vessels both by sailing and at the same time rowing, in view of which a large quantity of nails has been included additionally in our requisition, there being needed for each of those vessels 50 to 60 pounds on account of the gunwales, whereas otherwise no iron is used for them, which will be furnished to the respective villages at the ordinary price; and when one leads those vessels under the convoy of one of our available sloops once along the Ceram coasts

Dutch transcription

Van Bantam den 20: 7ber: 1763. Batavia Ok heb ingevolge het g'eerd aanschryven van uw hoog Edelens vervot bij hoogst derzelver aparte letteren van den 17. dezer den koning over de twintig duijsend spaanse realen, dewelke zijn hoogheid over eenige tijd van de Compag ter teen verzogt heeft gehad, bij mijn aankomt alhier aan„ stonds onderhouden, en den vorst heeft mij gezegt, dat hem bereeds tien duijzend daer van door den coopman en administrateur Iacob van Campen J=r, waren aange„ teld, mitsg:s dat hy daar voor een obligatie ten behoeve van d'E Comp: heeft gepasseerd zo al mij dat ook ten genoegen is gebleken, en dewijl zijn hoogheid verklaarde, d' andere tien Duijsend sp:s graag mede willen ontfangen, zo heb ik hem daar op ten antwoord gegeven, datse tot zijn hoogheids dispo„ sitte lagen, mits dat hij als dan een obligatie voor het geheel geliefde te passeeren, wanneer ik hem d' eerste obli„ gatie in zo een geval zoude restitueeren, waar mede zijn hoogheid betuijgde volkomen content te zijn: En het b'eedigen van den rijxbestierder Tisnanagaro ter op zigte van d E Comp: , heeft den vorst belooft, na de voorstelling van zijn hoog Edelheid den heere gouver„ neur generaal Petrus Alberlus van den Parra zonder verder uijtstel, zijn voortgang te zullen laten nemen. waar mede met een profand respect verblijve /onderstond:/ gewone tijtel /was getek: Thom: schippers / in margi„ ne:/ Bantam den 28. Jber 1763. aan als vooren InCrief Batava 201 Van Amboina den 26 Septemb: 1763. Batavia In consequentie van het genareerde by onze laatste aparte missive onder 25. meij vergangen zullen wij Wider de vryheid gebruijken na onze zwakke vermogens uw „ hoog Ed: zeer eerbiedig onder het oog te brengen, dat sints onze jongste berigtten nopens wel be„ kind Cruis vlootje geen brieven meer van het zelve zijn aangekomen, als hebbende hun al vroegtijdig om 8 het doorstaan der winden onder de wall en in de bogt van sawaij moeten retireeren en begeeven, waar van daar de barcq De Lieftallige en den Chia„ e loup de Nagapatnam op den 13 Julij gelukkiglyk den hoek van deze baij zijn te boven gezeijld, en hier aangekomen, en contrarie de Noteboom zeer ontrampd. neert in de Laijbaeij, en de Nagulboom na veel sukkelens en verlies van rondhout eyndelijk agter en bezyden Bouro daar egter al verder van daan gedreven, en thans volgens gerugten een beter Rheede om die streek heeft bezeylt en van waar wij dezelve dan eerstdaags te gemoet zien. Aan als vooren Hebbende Van Amboina den 26 Septemb 1763. Hebbende de hoofden van dat kruijsvlootje ons overgegeven dag register of Iournaal van 't ge geene hun op die voijagie is ontmoettet, met en benevens berigt nopens de gronden in de bogt van zawaeij, welk een en ander, wij zoo ras doenlyk met onze laatste ten verselling van opgenoemde Lieftaltige en Nagapatnam over Java uw Hoog Ed. s in Copia hebben laten toekomen en welkers dubbeld onder N. o 3e 4. thans overgaat Zijnde wijders nog door bewuste vaartuijgen opge„ bragt 12. zakken op diverse plaatsen ter Cerams binnen Cust agterhaalde, en hier ontloste nagulen die thans nevens dezen p. r den Nagulboom ter spe. culatie sullen versenden, zoo wel als de rapporten na visentatie daar van door de ordinaire naguil gecommitteerdens ingekomen ten register onder No 5: in duplo overgaan Wyders zullen uw hoog Edel:s des beha„ gende bij onze aparte resolutie van 7:e Iulij kunnen ontwaeren, hoe om daar van gegevene redenen ten decking, en beveijliging der stran„ den 203 Van Amboina den 26 Septb:r 1763 den geduurende den inzaam der nagulen, die onder Godes zeegen van goeden aanschouw is hebben goed gevonden op de respective nogul comptoiren en hier aan t hoofd Casteel te samen Elf goede en wel bemande Corra corra's geduurig in zee te houden, en dezelve elx net vijf militairen (aan wien aparte Instructie onder N o 6. overgaande, is verleendt. / te voorzien en wijders ter suppletie van ons debiel guarmi soen, door het continuël sukkelen met quade bonen op aanbod zyn overgegaan tot het in dienst nemen van Acht inlandse jongelingen voor zoldaat, waar van 6 met ƒ 7. en twee met ƒ 9. op het daar toestaande verband van 5. Jaren ' nngunstige iinwagting van uw hoog Ed.s zeer g'eerde applaisie; schoon genomen de ordres zoo likmaal hervat, hier inne zyn wederstreeft geworden zoo vreegt men egter met reden in deze tyds gewrigtten meermalen tot zulke uijtterstens /. hoe ongeerne/ te zullen moeten laeden, wil men het dezen jaeren zig zonder ophouden ver zonende schuijm van Papoeën het zij van hunne Van Amboina den 26. Septemb: 1763. hunne stoutte voornemens doen resilieeren en af. zien, dan wel met magt verdelgen en uijtwoegen Ten welken laatsten fine op propositie van den eerstge tekenden bij volgende secrete sitting of wel den 2. aug. o is goedgevonden alle de negorien gehorende onder deze provintie te ordonneeren en aan te schrijven /:quaji ter decking van hun eijgenstrand:/ zig te gens ult. o februarij aanstaande te voorzien van een goede orembay met schultbolders, ter lengte van 50. voeten, welk soort van vaartuijgen na naukeurige in „formatie ons berigt is, wel de bequaamste te zyn, om op deze Cust alle stranden, kreeken, en inhammen het beste te kunnen inloopen, en vyandlyke vaor„ tuijgjes tevens met zeijlen en te gelyk schepen ligtelijk 39 te agterhalen, uijt welk inzigt bij onze Eysch een groote quartiteyd spykers meerder zyn opgegeven zullende tot elke dier vaartuijgen 50 a 60. pon„ den om de wille der scheitbolders, woor„ dende andersints daar toe geen ijzer gebruijkt/ benodigt zijn die de respective negorien, tegens den ordinairen prijs zullen werden verstrekt; en wan„ neer men die vaartuijgen in geleyde van een onze aen handen zynde Chialoupen eens de Ceramse Custen

NL-HaNA_1.04.02_3094_0491 view scan ↗

English

From Amboina, the 26th of September 1763. coasts, with the approval of Your Right Honourable, somewhat more exactly, as the cruising expedition, according to the journal, has encountered not a few vicissitudes therein, by surveying one finally hopes to achieve the long-intended purpose of the so much desired space; and for which reason we very humbly insist on the satisfaction of the above-mentioned nails. And for the nomination of which orembays we propose to Your Right Honourable to employ the mostly vigorous and generally gathered inhabitants of Bouro, Mampa, and indeed Bonoa, as they are not clove negorijs and require in general some slight antipathy between those people, whereby their vigilance will be stimulated, so as not to overlook the least illicit trade or tolerate or permit it in any way; awaiting and anticipating Your Right Honourable's most respected sentiments hereupon. Meanwhile, we likewise present to Your Right Honourable our separate notes of the 3rd and 14th of this month, to which, as well as to their contents, we submit ourselves for brevity's sake, communicating further From Amboina, the 26th of September 1763 further that we have summoned both Pattijs of Oma mentioned therein and handed them over to the Judicial Officer for a thorough investigation, in order to finally bring the fear of punishment upon finding of guilt among similar suspicious associates and chiefs of theirs, and to make them desist from their perjury. Furthermore, bringing to knowledge how on the 5th of June a number of 6 to 7 Corra Corras of Papuan rovers carried out a dreadful invasion on the negorij Assaloeloe, belonging to and situated near the redoubt of Faricque, to the extent that this negorij was partly reduced to ashes by them, and furthermore they abducted over 50 heads and, after having committed other murders, robberies, and atrocities, departed from there, without it yet being known whither those abducted people have been carried off. In the same manner we must inform Your Right Honourable how recently, by the Moorish natives of certain negorijs on Rarakit and Warde beside Ceram Zauur and virtually belonging as feudatories under the Tidore prince or his goegoegoe, there were brought here 22 natives belonging to this district and abducted this year by the Papuans, mostly Bouretese natives, among whom are some children, and who were exchanged by them for merchandise, some for less, others for more. Further, insisting here on obtaining ransom for those people, which according to former custom was stipulated at twenty-five rds. per head, we have not dared to enter into this, considering that the Company recovers such advanced sums only slowly and through deductions, and very rarely gets them back. Yet on the other hand considering that one would sometimes act very imprudently in these circumstances if one were to completely offend those people, for which reason they might easily try to retaliate upon us in the most malicious manner in that region by instigating their neighbouring predatory neighbours; secondly, that one would see our subjects carried off into undeniable slavery unless prevented by resistance, we have preferred to take the gentle path of an agreement, and hope to direct it so that one will obtain them below 10 rix-dollars per man, in which case one will still be able to offer them half in linens or other merchandise, and which From Amboina, the 26th of September 1763 small sums will be charged to the negorijs to which each belongs in particular: currently transmitting for Your Right Honourable's inspection the declarations of those unfortunate people executed here at the secretariat under no. 7, in the favourable expectation that these our actions will not be taken amiss. Meanwhile, the first signatory implores Your Right Honourable, in view of his untiring efforts alongside 20 years of service in these critical times of vacancy in this government, to cast a favourable reflection upon his person, or to let him remain in the continuation of his authority according to Your Right Honourable's benevolence and wise disposition. For the rest, being brief, and herewith concluding this, having recommended in all dutiful submission Your highly distinguished persons and the Company's important trade and establishments to the protection of the Almighty, and we call ourselves with high esteem and veneration. At the foot: customary title. Was signed: I. A. De Villeneur, H. V. d. Brink, W. de Bouvoust, C. Treno, Joh. Houttuijn, [illegible] Blydenberg, and E. F. Somma. In the margin: Amboina, Victoria, the 26th of September 1763.

Dutch transcription

205 Van Amboina den 26. septemb: 1763. custen net goedvinden van uw Hoog Ed: wat exac„ ter, als hebbende de kruys expeditie daar in volgens dag verhaal niet weynig wysselvolligheeden ont„ moet gehad, het opneemen verhoogt men eijnde„ lyk het lang bedoeld oogmerk van de zoo zeer gedesideerde ruijte eens te zullen erlangen; en waar omme wij om de voldoening van boven gerepte spijkers zeer nedrig insteeren: En ter benaming van welke orembays wij uu Hoog Ed. s proponeeren de merendeels vigoreuse, en doorgaans gerammasseerde inwoonderen van Bouro, Mampa en wel Bonoa te emploijeeren als zynde geen nagul negorien en requeerende tusschen die menschen in 't ge„ meenr eenige kleijne antepatie waar door hunne waarzaamheid zal werden opgeroekt, om me gene de minste morshandel door de vingeren te zien val min te tolereeren, of te gedogen; zullende hier op der. zelver hoogst g'eerbiede sentimenten te gemoette zien en afwagten Middelerwijl wy teffens uw hoog Ed:s aanbieden onze mede aparte d„o aantekeningen van 3. & 14 dezen en aanwelke, nevens den zelver insintien wij korte. heijds halven ons submies gedragen met communicatie wijders Van Amboina den 26 september 1763 wijders dat de daar bij vermelde byde Pattijs van oma hebben laten opkomen en ten naauwkeurigen rechergie aan den Justitieelen officier overgegeven, om„ me eenmaal den schaik bij bevinding van schuld eens onder zoortgelijke hunne verdagte medemakkers en hoofden te brengen en van haren meijn eed te doen af zien. Nog al vervolgens ter kennisse brengende hoe op den 5:e Junij een aantal van 6 a 7. Corra Corras Papocase swervers een gruwelyke invasie hebben gedaan op de negorij Assaloeloe sorteerende en gelegen na bij de ronduijt van faricque in zo verre dat die negory door hun voor een gedeelte is in d' assche gelegt, daar en boven over de 50. koppen hebben gerooft en na meer aandere moord, roof, en gruwelda„ den bedreven te hebben van daar zijn vertrocken, zonder dat men als nog weet werwaarts die opgeligte menschen zijn vervoert geworden In zelver voegen moeten wij uw Hoog Ed:s bedeelen hoe Jongst door de moorsche Inlandenen van zekere negorien op Rarakit en warde bezyden Ceram zauur en als het ware gelyk leens volkeren gehorende onder den Tidoreesen vorst of desselfs goegoegoe, alhier zyn opge„ bragt 22. onder dit district gehoorende, en door de Sapoe-en 207 Van Amboina den 26. Septbr 1763. Papoe en dezen jaren opgeligte en meest Boeroneese Inlanderen, waar onder eenige kinderen en die door hun voor handelwharen de een min d' ander meer zijn in geruijlt Wijders alhier insteerende omme losgelt voor die luij„ den te mogen erlangen dat volgens vroeger gebruijken of vyf en twintig rd. s per kop gestipuleert was zo heb P 9 ben wij hier inne niet durven treeden, aangemerkt de Compagnie zodanige verschoten langsamelik en bij afper„ ving wel eens seldsaan veder ten goeden komen Egter aan d' andere zyde considereerende, dat men Com„ wylen in deze Conjuncturen zeer onvoorzegtig zoude hande len, indien men die luijden geheellijk quam voor het hooft te stooten, en waarom zij lieden ons om dien oordt ligtelijk wel eens ten snursten zouden tragten door opstoken van hunne aangreessende roofgeburen het zelve betaalt te zetten; Ten anderen dat men onze ondehorige in eene onwedersprekelyk slavernnj, ten zij door tegenstand weder zoude zien weg voeren hebben wij liever den Jagten weg van accoordt willen inslaan en hoopen het dat heen te dirigeeren dat men dezelve bene„ den de 10 ryxdaalders p. r man zal magtig worden, in wel„ ryx ken gevallen men hun dan nog voor de helfte lijwaten of andere koopwharen zal kunnen opofferen, en welke Sommetjes soatgils Van Amboina den 26 Septembr 1763 sommetjes de negorien daar elk in 't bizonder thuijs hoort, zullen werden aangerekent: gaande ter speculatie van uw hoog Ed. thans over de alhier ter secretarie gepasseerde verklarin„ gen van die ongeluks vogels onder n=o 7. in gunstige inwag ting dat deze onze gedoentens niet ten quaden zullen geduijdet worden 6 Middelerwijlen den eersten Teijkenaar uw Hoog Ed s afsmeert op desselfs onvermoeijde devoiren nevens 20 Jarige diensten in deze critique tijden van vacature in dit gouvernement een gunstige reflexie te willen slaan op des selfs perzoon, dan weel in de Continuatie van zyn gezag na hoog uw Hoog Ed: benevolentie, en wijz dispositie hem te laten verblyven. voor het overige ons bekortende en hier mede dezen be„ 1. sluijten net in allen pligtschuldige onderdanigheid derzel„ ver hoog aanzienlijke perzoonen en sComp. s importante handel en Etablissementen in de protectie van den alleen heerscher te hebben aanbevolen, en ons met hoog agting en veneratie noemen. /onderstond / gewere tytel /was getekend/ I A: De Villeneur. H: V. d. Brink.„ W de Bouvoust /C f. Treno, Joh. Houttuijn . . . . Blydenberg en E FSomma /in margine/ Amboina victoria den 26 septb:r 1763

NL-HaNA_1.04.02_3094_0495 view scan ↗

English

From Amboina, dated 26 September 1763 Thursday the 7th of July 1763. All present except the heads of the clove offices and of Bouro. Having progressed thus far with our general resolution, it was demonstrated and submitted for deliberation by the Honorable provisional commander, as a principal point and one upon which everything now utterly depends, that since the samples of the forthcoming cloves of the Hitoe coast were in such a state as to be picked within the next few days, one ought first to undertake all conceivable measures and preparations to cover and protect against waste and infractions not only that coast, but also all the respective clove offices, so far as our ability allows; all the more so because the time is drawing to a close when our dedicated cruising fleet must return from its expedition, and according to the latest news was already prepared with that intention and on its way at the roadstead of Sawai. Thus, after mature deliberation, it was unanimously approved and understood that as long as the harvest of that fruit is in progress, there shall be made ready in advance from the respective villages: at Hila two, Saparua and Nusa Laut four, Haruku two, Larike one, and at Leitimor or under this main administrative post two kora-koras, manned with the ordinary number of good rowers, and moreover to reinforce each of the same with one corporal and four soldiers. From Amboina, dated 26 September 1763 And notwithstanding the small quantity of good firearms here, nevertheless each of those offices is to be provided, pro rata, with twenty, sixteen, and twelve muskets; in order that, through this precaution and the cruising along the beaches, the gathering of our single, though precious, product may be facilitated as much as is in our power, and enabled to proceed without hindrance. Furthermore, whereas the great number of sick soldiers and those afflicted with bad legs, as well as many deceased, both here and at the subordinate small offices, is clearly evident from their letter-books; and for the reinforcement of the entirely weakened garrison, while for the previously mentioned kora-koras that are equipped for the protection of the beaches upwards of forty men are required; it was, however reluctantly one hereby somewhat went against the always honored orders of Their High Excellencies, and fearing that one will not be able to leave it at this in these troublesome circumstances, on account of this very high necessity, also resolved, over and above those accepted in the past year, furthermore to take into service Gabriel Hendriksz, Abraham de Graaf, Abraham Huygenbaart, Jacob Temasela, Hendrik Leem, Martinus Berloo, Amelius Augustus Twysel, and Nicolaas Noag, all from Amboina, at the wage of f 7, and the two last named at f 9 per month, upon the standard bond of five years pertaining thereto. Below stood: Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria on the date aforesaid. Signed: I. A. De Villeneuve, A. F. Boudouin, N. De Bouvoust, C. L. Cr..., P. Treus, J.s Houtthuyn, and E. Homma. Tuesday the 2nd of August 1763. All present except the heads of the clove offices and those of Bouro. In consequence of what was deliberated in our general resolution of today's date, the Honorable commander submitted to this meeting for consideration that, whereas the cruising fleet in question, owing to the speed of the native vessels and the hazardous nature of the beaches along the south, had only partially been able to fulfill the very salutary objectives with which it was dispatched hither by Their High Excellencies, and yet its equipping will undoubtedly amount to a rather high cost (and primarily to divert the inhabitants, however gladly, from their smuggling through the imposition of burdens, or else thereby to stimulate the innocent and appoint them to a zealous pursuit and tracking down of their guilty neighbors, in order that through their zeal they may be all the sooner liberated from the said burden), it was deemed not advisable, indeed entirely necessary, that each village under the jurisdiction of this government be ordered and directed to provide itself by a certain time with an adequate orembai of the length of 50 feet, and indeed of such condition that swivel guns can most conveniently be used upon it; considering that one is accurately informed that those vessels would be much more agile and capable of navigating, calling at, and inspecting the smuggling bays of the south coast of Ceram (those true cancers to the Company) at all times, and thereby, if possible, to prevent the necessity that might sometimes induce Their High Excellencies to have that cruise, alas too costly, resumed in the coming year. Thus it was unanimously applauded and agreed to order and notify the respective offices by circular that the villages belonging under them, pro rata to their extent, shall have to provide themselves by mid-February next with such vessels as are made known and described hereinbefore. And in order to urge on the natives all the more, who always seek to save themselves with all kinds of frivolous and idle pretexts, to impose upon them or each village that might happen to remain in default with its equipping or delivery a fine of 50 rix-dollars, or in case of obstinacy, according to the exigency of the matter, some other discretionary correction. Below stood: Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria on the date aforesaid. Signed: I. A. de Villeneuve

Dutch transcription

209 Van Amboina onder dato 26: Septb: 1763 Donderdag den 7. July 1763. Alle present exceptis de hoofden den nagul Comptoiren en van Bouro„ Na tot dus verre met onze gemeene resolutie gekomen te zijn, wierd door den E: Heer provisioneel gezag hebber (als een voornaam Poinct en waar van thans ten uijttersten wel dependeerende:/ vertoond en in overweging gegeven, dat vermits de monsters der onagekomene Nagulan van de Cust Hitoei in dien staat waeren, om eerstdaags gei„ plukt te worden, men alvorens alle excagitabele mitdelen en beraamingen diende ter hand te nemen om die Cust niet alleen, maar ook alle de respective nagul Comptoiren soo veel ons vermogen toelaat :/ voor morsserijen en in„ fractien te deeken, en te beveijligen, te meer door de tijd ten eynde loopt dat ons bewryte Cruijsvlootje van desselfs Expeditie moet retourneeren en volgen laatste tijding bereeds met dat voornemen ter rheede van zawaij gereed en in aantogt lag; zoo is na rijx over leg eenstemmiglyk goedgevonden en verstaan dus lange den oogst van die vrugt onder handen is, in voorraad uyt de respective negorien te laten in gereedheid brengen. op Hila twee, sapparoua en Nussalauwt vier, Haroe„ ko twee, Laricque een, en op Legtimor of onder dit hoofd Capteele twee Corra Corras biamand met het ordinai re getal van goede massanaijers en daar en boven dezelve te versterken ijder met een Corporaal en vier soldaten; Van Amboina onder dato 26. septemb:r 1763 en niet tegenstaande de geringe quantiteijt van goede geweiren alhier egter die comptoire elk pro ra to nog te voorzien met twintig, ses thien en Twaalf snaphanen: ten einde door deze voorzorge en bekruijssing der stran„ den, den inzaam van ons Eenig. /dog pretiens. / pro„ „duct zo veel in ons is te faciliseeren, en onverhin„ dient te doen voortgarig neemen. Vervolgens overmits het groot aantal van zieken en met quade beenen bezette militairen zoo wel als veele over leeden, zoo hier als op de subalterne Comptoirtjes blijken d'omnstandig bij dies brieve boekjes, en tot verstea„ king van het gantsch debile guarnisoen, Terwijl voor bevorens geciteerde Corra Corras die ter decking der stranden worden g'equipeert ruijm veertig man benodigt zijn, wierd. /. hoo onguerne men hier door de althoos g'eerde ordres Harer Hoog Edelens eenigsints weder„ streefden, en men bevreest is, het hier in deze facheuse conjuncturen niet bij te zullen kunnen laten / om dies maarlyk hooge noodwendigheid meede beslooten, bo„ ven en behalven d' aangenomene in den voorleden Jaere, wyders nog in dienst te nemen Gabriel Hendriksz Abraham de Graaf, Abraham Huijgenbaart, Jacob Temasela, Hendrik Leem, Martinus Berloo Amelius Augustus Twijsel en Nicolaas Noag alle van Amboina met de gage van ƒ 7. en de twee laatstgenoemde met ƒ 9: termaand op het daar toe 211 Van Amboina onder dato 26 Septemb: 1763. toe staande verband van vijf Jaaren. / onderstond:/ Al„ dus gedaan en geresolveert tot Amboina aan 't Casteel victoria dato voorschreven / getekend:/ I A De Villeneuve A. F. Boudouin No De Bouvoust C. L Cr P. Treus. J:s Houtthuijn en E: Homma. Dingsdag den 2. aug:s 1763. alle present Exceptis de hoofden van de Nagul Comptoire en die van Bouro In consequentie van het gemaureerde bij onze ge„ meene resolutie van huijdigen datum den Agtb: Heer gezaghebber aan deze vergadering in bedenking gaff, dat nademaal bewuste Cruijsvlootje mits de snelheijd van d' Inlandse schep vaartuijgen en de haglijkheid der stranden om de zuijd maar gedeeltelijk had kunnen voldoen aan de zoo salutaire oogmerken waar mede het zelve door Haar Hoog Ed:s was herwaards geschikt en egter derzelver Equipagie in dubitabel, vrij hoog op stok zal komen te loopen (:en wel principaal omme den incon„ der. /. hoe geerne:/ door het opleggen van lasten van der zel„ ver sluykerijen te diverteeren of wel d' onschuldige daar door te nistigeeren en aan te stellen tot eene naijver vervol„ ging en opspeuring van hunnen schuldigen nabuur ten eynde door die hare ijver van wen gem:de lastpost weder des te eerder gelibereert te raten) men niet geraadzaam Ja volstaekt noodwendig oordeelde te zijn, dat elke nego¬ rie : Van Amboina onder dato 26. Septemb: 1763. „rie resorteerende onder dit gouvernement wierd opgelegt en aanbevolen zig tegens zekeren tijd te voorzien van een sufficante orembaij ter lengte van 50. voeten, en vel van zodanige Conditie, dat daar op schutbolders als het gemaklijkst kunnen gebruijkt worden; aangezien men naauwkeurig onderrigt is, dat die vaartuijgen veel habielder en bequamer zouden zijn, omme de morsneffen der zuijd Cusjt van Ceram (die ware kankers voor de Comp:) ten allen tijde te kunnen bevaren, aan doen, en opneemen, en daar door (:was het mogelijk:) te prevenieeren, de noodzakelijkheid die somwijlen Haar Hoog Edelens mog permoveeren, in den aanstaanden jaare, die kruijs„ togt (helaas te kostbaar:) te doen hervatten: soo wierd zulx unaminiter g'applandeert en verstaan, de respective comptoiren Circulair te beveelen en aan te schrijven, dat de onder haar gehorende negorien pro rato derzelver uijt„ gestrektheid, zig zullen hebben te voorzien tegens medio februarij aanstaande van zodanige vaartuijgen als hier voren bekend gesteld en afgemaalt zijn: En ten fine de in„ landeren die zig dog altoos met allerlij frivole en mane voorwendselen tragten te redden, daar door meer en meer aan te pressen, over des hunlieden of elre negorie die in gebreke mogt komen te blyven met dies equipagie of leve„ rantie op te leggen een boete van 50: rd:s of by hertnekkig„ heid na exigentie eenige andere arbitrale Correctie. Onder- stond/ Aldus gedaan en geresolveert tot Ambonia aan 't Casteel Victoria dato voorsz /getekend:/ I. A. de ville neuve

NL-HaNA_1.04.02_3094_0499 view scan ↗

English

neuve, A: F: Boudouin, Wd de Bouvoup C: Fn Treno J. s Houtthuijn and E.: Homma Saturday the 3 September 1763. all present Except for the heads of the spice Offices and those of Bouro This meeting having been convened solely by the Gentleman Commander at the indication of the Judicial Officer, that certain three detained natives from the Negorij Oma, sent up over presumptive theft, named Dirk LatouKena, Constantinus Elias and Thomas Pattymara, had made known to his Honor the excessive smuggling that was committed in their negorij and indeed by its pattijs, as is made known in more detail in the submitted report of the aforesaid officer, recorded from the mouths of those people; Josias Alexander de Villeneuve senior merchant and provisional commander, together with the other gentlemen members of the Honorable Respected Council of Policy Right Honorable Respected Sir and Gentlemen The undersigned fiscal, having been requested by three natives of the negorij Oma / who were recently brought hither from Haroekoe over accused thefts, and are detained within the town hall To the Right Honorable Respected Sir Of Amboina under date 26. Septemb: 1763. detained Of Amboina under date 26. Septemb: 1763: are / on behalf of Dirk Latourena, Constantinus Elias and Thomas Pattijmara, to be allowed to be heard concerning a matter of great importance which they wished to reveal; the undersigned has accurately interrogated each of them separately, whereupon principally by the first-named Dirk Latoukena the following was related: That last year at the time that the soldier Coenraad Simonhoff was murdered near Bassoe by the Ceram people, on a certain day in the evening at seven o'clock the two Pattijs of Oma, father and son, embarked with a prahu whereon he, Dirk Latoukena, as masanaijer, rowed alongside Simon Pattijnassarane, Constantinus Elias and Philip Rahomaij / to Sila or the so-called Ayer Pannas, where four Ceram vessels lay at anchor, coming, as he heard from the people thereon, from the negorijen Tobo and Werinama, in which prahu was loaded four large bags containing 20. bharos of good dry clove nails, which he, Dirk Latourena, together with the present Pattij, his wife, and slaves, had previously helped measure out at that pattij's house; that, having arrived at the said Ceram people, the present pattij went on board a vessel of Toboe, and the old pattij on a similar one of Werinama, and handed over the four bags of cloves into the aforesaid vessel of Tobo, having 215 Of Amboina under date 26 Septb: 1763. having furthermore seen that the old Pattij being on the vessel of Werinama, two bags of similar spices were brought by another prahu and likewise delivered onto that vessel. That the mentioned and subsequently murdered soldier having meanwhile arrived in the negorij with a message from the chief of Haroeko, one of the negorij people came immediately close to those vessels calling, d'jouw patti ada hollanda di negrij, djouw turung, whereupon the two said pattijs returned to land and had their prahus hauled up there on the beach, with which he Dirk also helped, after which the Pattijs went overland with lights to the negorij, both saying to their people, when we come near the Negorij, then you people must put out the light; furthermore relating that the following goods were brought along by those Pattijs from the Ceram people at that time, namely two fine chelas, four surats, four pieces of handkerchiefs, two gold head ornaments, and a small Papuan male slave named Afang, who is today with the schoolmaster of Rhamahoe, which specified goods were stored at that time in a forest house in those parts, until the present Patty sent a Lobbe Lobbe, alongside his slave Araka, to fetch the said goods and male slave, which were then also brought by him, Dirk Latourena, and Constantinus Elias to the house of that Pattij: the little slave having been carried by Dirk himself; coming to which house, no one was present there except only the wife and children of the Patty, but that by order of the same two Capalla soas were called, named Thomas Assal Pattij Of Amboina under date 26. Septemb: 1763 Pattij, and Silvester Sohop Attirima, who came immediately and were shown the gold head ornaments by the pattij, saying, if the people of Oma now want to look for me, let them / pointing to that gold / proceed against that, whereupon Thomas Assal Pattij asked the said negorij head for how much he had bought the little Papuan slave, who answered, for one bag of cloves. Further relating, some days thereafter, again alongside his aforesaid three companions, to have embarked per prahu with the two pattijs to the Ceram people, who then lay with 6 vessels near the negorij, also taking along two unmeasured straw bags with cloves, which they, Pattijs, exchanged again with those people for a coat trimmed with gold lace, alongside some chelas, eight pieces of handkerchiefs, and two pieces of red chintz, he, Dirk Latoukena, also saying that when the latest annual clove edict was read in the negorij, the old pattij, while pulling a wry mouth, said, what Edicts! they are merely Ambon trifles; And that for the conviction of all that was related, he, Dirk Latoukena, would wish that some of the aforesaid goods might be recovered, for which he believes there is a good chance if he himself or Constantinus Elias could be sent thither with a couple of Caffres in the night, as they would then track the same down without doubt, having, upon departure from his negorij when he was apprehended, requested one Latoerom, living close to the under-pattij's house, to pay a little heed whether the

Dutch transcription

213 neuve, A: F: Boudouin, Wd de Bouvoup C: Fn Treno J. s Houtthuijn en E.: Homma Zaturdag den 3 september 1763. alle present Exceptis de hoofden der specerie Comptoire en die van Bouro Deze vergadering eenelijk door den Heer gezaghebber gecon„ voceert zynde op aangeven van den Justitieelen officier, dat zekere drie gedetineerde inlanderen uijt de Negorij Oma, over presumptieve dieverije opgezonden met namen Dirk Latou„ Kena, Constantinus Elias en Thomas Pattymara zijn E hadden bekend gemaakt de excessive morshandel die in hunne negorie en wel door derzelver pattijs gepleegt wierd, zoo als omstandiger bij ingediend relaas van voorschalve officier uijt die luijden haar mont aangetekent, is bekent gesteld; Josias Alexander de Villeneuve oppercoopman en p„l gezaghebber bene„ vens de verdere heeren leeden van den E E. agtb: raad van Politie Wel Edele Achtbaren Heer en Heeren Den ondergetekende fiscaal door drie Jnlanderen van de negorie Oma. / die Jongst van Haroekoe over beschuldigde dieverijen herwaards gebragt, en binnen het stadhuijs gedeti„ Aan den wel Ed: Agtbaren Heer Van Amboina onder dato 26. Septemb: 1763. „neert Van Amboina onder dato 26. Septemb: 1763: „neert zijn :/ namens Dirk Latourena, Constantinus Elias en Thomas Pattijmara, verzoek gedaan zijnde om gehoort te mogen worden, over een zaar van veel aangelegentheid die zij wilden openbaeren; zo heeft den ondergetekende dezelve ieder afzonderlijk naauwkeurig ondervraagt als wanneer ten principale door den eerstgen: Dirk Latoukena 't ondervolgende is gerelateert: Dat gepasseerde jaar ten tyde dat den soldaat Coenraad Simon hoff omtrent Bassoe door de Cerammers ver„ moord is, op zekere dag des avonds ten seven uuren de twee Pattijs van oma, vader en zoon, met een praeuw zijn geschept:/ waar op hij Dirk Latoukena als mas„ sanaijer nevens Simon Pattijnassarane, Constanti nus Elias en Philip Rahomaij geroeijt heeft. / na Sila of de zo genaamde Ayer Pannas alwaar vier Ceramse vaarthuijgen ten anker lagen komende zoo als hij van het daar op zijnde volk gehoort heeft van de negorijen Tobo, en werinama, in welke prauw gela„ den was vier groote sakken inhoudende 20. bharos, goede drooge Garioffel nagulen den welken Hij Dirk Latourena nevens de present Pattij desselfs huijs„ vrouw en slaven aan dien pattijs huijs bevorens had helpen afgaan afmeten, dat bij gem: Cerammers gekoo„ men zijnde de present pattij op een vaartuijg van Toboe, en den oud pattij op een diergelijke van werina„ nia aan boord gegaan, en de vier zakken met Nagulen in het voorm. vaartuijg van Tobo hebben overgegeven, hebbende 215 Van Amboina onder dato 26 Septb: 1763. hebbende voorts gezien dat den oud Pattyj op het vaartuijg van Werinama, zinde door een andere prauw twee zakken met diergelyke speceryen zijn gebragt en op dat vaar¬ tuijg almede afgegeven. Dat den vermelden en naderhand vermoorden soldaat met een boodschap van het opperhoofd van Haroeko in tus¬ schen in de negorij gekomen zijnde een der negories volkeren aanstaand digte bij die vaarthuijgen kwam roepende, d'jouw patti ada hollanda di negrij, djouw turung, waar op de twee gem: pattijs na land keerden en hunne prauwen aldaar aan t strand lieten op halen waar aan hij Dirk mede geholpen heeft, waar na zij Pattijs over„ land niet ligten na de negorij gingen, zeggende beiden te„ gens hun volk als wij omtrent de Negorij komen, dan moet gij lieden t ligt uijtdoen verhalende voorts dat de volgende goederen te dier tijd, door die Pattijs van de Cerammers zijn mede gebragt, namentlijk twee fijne Che„ lassen, vier surassen vier stukken neusdoeken twee goude hoofdciercelen, en Een klijne papoeje manslaaf genaamt Afang die heden bij den schoolmegter van Rhamahoe is, welke gespecificeerde goederen toen ter tijd in een boshuijs daar an„ streeks zyn geborgen tot dat den present Patty een Lobbe Lobbe, nevens zijn slaaf Araka heeft gezonden, om gem e goede ven en manslaaf af om af te halen, die dan ook door hem Dirk La tourena en Constantianus Elias, ten huijse van dien Pattij zijn gebragt: zijnde het slaafje door hem Dirks zelfs gedragen geworden aan welk huijs komende, niemand daar present was dan eeniglijk de huijsvrouw en kinde ren van den Patty maar dat door ordre van den zelve zyn geroepen twee Capalla soas namens Thomas assal Pattij 8 - Van Amboina onder dato 26. Septemb: 1763 Patty, en silvester sohop attirima die op stond gekomen en door den pattij de goude hoofdcierselen vertoond zijn, zeggende indien het volk van oma, mij nu wil soeken laaten zij dan. / wijzende op dat goud. / daar tegens pro„ cedeeren vragende hier op Thomas assal Pattij aan gem negories hoofd voor hoe veel dat het papoese slaafje ge„ kogt had! die ten antwoord gaf voor een zak nagelen. Alwyders verhalende eenige daegen daar aan weder ne „vens de voorgen: zijne drie maats p. r prauw met de ture pattijs na de Cerammers te zijn geschept, die toen met 6. vaartuijgen omtrent de negorij laagen mede nee mende twee ongemeete stroo zakken met nagelen die zij Pattijs aan die volkeren weder verruijld hebben, voor een met goud gepassementeerde Rok, nevens eenige Chelassen acht stukken neusdoeken en twee stukken roode Chitsen zeggende hij Dirk Latoukena nog dat wanneer het Jongste Jaarlijkse nagul placcaat op de negorij gelezen wierd den oud pattij onder 't trekken van eene scheeve mond gezegt heeft, wat Placcaten! 't zijn maar Am„ bonje Wisse Wasjes; En dat tot overtuijging van alle het verhaalde hij Dirk Latoukena wel wenschte dat eenige der voorm=de goederen mogten werden agterhaald waar toe vermeend wel kans te zijn, als hij zelve of Constantinus Elias der w:ts met een paar Caffers, in de nagt konde gezonden wor den als dan dezelve zonder twiffel te zullen opspeuren hebbende by vertrek van zijn negory wanneer g'appre„ rendeert is, aan eenen Latoerom, wonende digte bij des onder pattijs huijs verzogt, een weinig agt te geeven, of de

NL-HaNA_1.04.02_3094_0503 view scan ↗

English

217 From Amboina, dated 26 September 1763. the goods were frequently concealed here or there from time to time and where the same were then hidden; just as he and his companions had also once agreed to seize the young male slave Afan and bring him towards Amboina, in order thereby to be able to convict the pattis of their illicit trade. Constantinus Elias, heard separately, confirms all the above and foregoing, with this exception that he cannot say precisely what occurred at the house of the Patti between the same and the two Capalla soas mentioned herein, as he was not constantly present there, nor is he able to state the quantity of the exchanged linens, and furthermore that he knows nothing regarding what the old patti said upon the reading of the 2 edicts, not having been present there, having further heard that the old patti had told his son that he should not wear the fine cloth that had been bartered from the Ceram people, because otherwise the Europeans would ask how he had obtained it. Finally, Thomas Patijmara declared to have heard from the Capalla soas Silvester Sohopattijrima that the pattis had sold cloves to the Ceram people for two bags of money, some gold, linens, and a young Papuan slave, which slave is also very well known to him and is called Afan. This now being a matter of the utmost importance, and one in which the Honourable Company is concerned in the highest degree, the undersigned has deemed it very necessary to give notice thereof as soon as possible to this assembly, in order that such means may be devised as will most necessarily serve to be employed to make a desired discovery From Amboina, dated 26 September 1763. concerning the suspected illicit trade that is said to have been carried on so extensively by the aforementioned village chiefs. While having the honour to call myself with much respect, was undersigned, Honourable, Most Worshipful Lord and Gentlemen, lower, Your Honourable, Worshipful's most humble servant, signed, W. de Bouvoust. In the margin: Amboina, Victoria, 3 September, anno 1763. Whereupon, after thorough deliberation on each of these points, it was deemed advisable and decided to visit that village and to surprise it as quietly as possible, even if it were by night. To that end, that commission was in a serious manner commanded and assigned to the Military Captain Hendrik van den Brink and the Secretary Eduard Homma, taking along for that purpose two corporals and eight soldiers, as well as some officers of justice, in order, if necessary, to keep watch here or elsewhere, as well as two of the detainees in question for intelligence, if anything should occasionally be traced or tracked down, with such instructions to be issued as occasions arise to the Chief of Haroekoe, Mattheus De Hartogh, under whose district that village belongs, as was deemed most advisable. Was undersigned, Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria, date as above. Signed, J. A. De Villeneuve, H. van den Brink, W. de Bouvoust, C. F. Treno, J. S. Loutthuijn, and E. Homma. Wednesday 219 From Amboina, dated 26 September 1763. Wednesday, 14 September 1763. All present, except for the chiefs of Sapparoua, Hila, Haroeko, and Bouro. After the Military Captain Hendrik van den Brink and the Junior Merchant Eduard Homma had delivered to this assembly a report concerning the commission demanded of them: Report to the Honourable, Most Worshipful Lord Josias Alexander de Villeneuve, Senior Merchant and Commander of this Province, concerning what occurred on the requested commission. Honourable, Most Worshipful Lord! According to Your Honourable Worship's highly respected orders, we departed from the pass of Baguala on Monday the 5 September at eleven o'clock in the evening, and crossed over in order to land in the dark at the village of Oma. But coming before it, we discovered the impossibility of doing so, owing to the lee shore and the east monsoon, to touch that beach, wherefore we resolved to steer onward to Haroekoe, just as we landed there the next morning at half past six, and had ourselves transported by the overland route and the mountains, although almost impassable, to Oma. Where we interrogated the persons named to us, as far as they were at hand, and there related to us: Philip, 1st:

Dutch transcription

217 Van Amboina onder dato 26. september 1763 de goederen meerm: somwijlen hier of daar wierden versloken en waar dezelve als dan verborgen wierden; gelijk hij en zyne maats ook al eens hebben over een gestempt het man slaafje Afan op te vatten en amboina waards te brengen, om dus daar door de pattijs van hunnen monshandel te kunnen overtuijgen Constantinus Elias aparte gehoord confirmeerd al het boven en voorenstaande, met deze uijtzondering dat niet pre„ lies kan zeggen wat er aan huijs van den Pattijs tusschen den zelve en de hier in verm:t twee Capalla soas is voorge vallen, als zijnde daar bij niet gestadig present geweest, ook niet met de quantiteijt der geruylde lijwaden te konnen opgeven en dat voorts wegens 't gezegde van den oud pattij bij tleesen van 2 placcaat niets weet, zijnde daar met bij ge„ weest, hebbende voorts gehoord dat den oud palty tegens zijn zoon gezegt had, dat hij het braije goed, dat van de Cerammers geruijld had met moeste dragen om dat anders van d' Europeesen zouden gevraagt worden hoe hij daar aan gekomen was. Eyndelijk de Claaerde Thomas Patijmara van den Capal„ la soas, silvejter sohopattij rima gehoord te hebben dat de pattijs nagelen aan de Cerammers hadden verkogt voor twee sakken geld eenig goud lijwaaden, en een papoes slaafje welk slaafje hem ook zeer wel bekend en afan is geheeten„ Dit nu een zaak zijnde van het uijtterste gewigt, en waar aan d E Comp: ten hoogsten is geleegen zo heeft den onderge„ tekende het zeer nodig g'agt daar van ten spoedigsten kennis„ se te geven, aan deze vergadering ten eijnde zodanige midde ten mogen werden beraamt, als er weest nodig zullen dienen te werden aangewend om eene gewenschte ontdek„ „king Van Amboina onder dato 26 Septb 1763. „king te konnen doen, wegens den suspecten morshandel die door de voorengem: Negories hoofden, zoo important zou„ de gedreeven zijn. Terwijl d' eer heeft zig met veel respect te noeme /onderstond/ wel Edelen achtb: Heer en Heeren /lager:/ uwel Ed. Agtb. s gantsch ootmoedigen dienaar /getekend/ W.:d De Bouwoust /in margine:/ Amboina victoria den 3. 7ber. a. o 1763. Alwaar omme na rijge overweging over dat soo iedere poinct wierd raadzaam geoordeelt, en over des beslooten die negorij eens te bezoeken en zoo stil doenlyk / al was het bij der nagt. /. te overvallen, ten wel„ ken eynde die Commissie op eene serienste wijze wierd bevolen en opgedragen aan den Capitain militair Hendrik van den Brink, en den secretaris Eduard Homma, ten dien eijnde mede nemende twee Corporaals en agt soldaten zoo wel als eenige suppoosten van de justitie, omme bij noodzake hier of elders de wagt te kunnen houden, als mede ter onderrigting twee der bewuste gedetineerdens zoo somwylen ietwes ware te agter halen of op te speuren met zodanige aanschrijving bij voorvallende gelegenthee„ den aan het opperhoofd van Haroeko, Mattheus De Hartogh onder welkers district die negorie gehoort als geraadsaamst wierd g'oordeelt /:onderstond:/ Aldus gedaan en geresolveert tot Amboina aan t Casteel victoria dato als voren /getekend. /. I. A. De Villenaue H. v. den briik, W. de Bouvoust C. F. Treno J. s I. loutthuijn en E. Homma Woensdag 219 Van Amboina onder dato 26. Septemb: 1763. Woensdag den 14. 7ber: 1763. Alle present, uijtgenomen de hoofden van sapparoua, Hila, Haroeko en bouro; Na dat den Capitain militair Hendrik van den Brink en den onderkoopman Eduard Homma aan deze vergadering hadden overgegeven berigt nopens de haan hun gedemondeerde Commissie Berigt aan den wel Edelen Agtb: Heer Josias Alexander de Villeneuve oppercoopman en gezaghebber dezer Pro„ vintie nopens het voorgevallene op de gedemandeerde Commissie Wel Edele Achtb: Heer! Volgens uwel Ed. Agtb: seer gerespecteerde ordres hebben wij ons op Maandag den 5: 7ber: des avonds om Elf uuren van de pas baguala begeven, en zijn overgestoren ten einde bij don„ keren in de negorij Oma aan te landen dog voor dezelve komen de, ontdekten wij dies onmogelijkheid mits de lager wal en oost mousson om dat strand te kunnen aandoen waar„ omme resolveerde nae Haroekoe voor te stevenen gelyk wij aldaar des anderen daags smorgens om ½ seven uuren aanlandeden, en ons over den landweg en het gebergte /:schoon baj nae ontoeganklyk:/ na oma lieten transpor„ Alwaar wy de ons opgegevene perzoonen voor zo. verre aan handen waren, hebben ondervraagt en relateerde ons teert Philip 1 e .

NL-HaNA_1.04.02_3094_0506 view scan ↗

English

From Amboina dated 26 September 1763. Philip Rahamen confirms in substance almost everything that was related by Dirk Latoekena, namely how he sailed with the young Patty to Aijer Sila, finding there 4 Ceram junks without knowing from what place, and the Patty had taken along 4 bags of cloves for which the specified goods were brought back in specie, as well as the head ornament, and had shown all this to his elders. Also that those goods had been stored in a forest house before they were brought to the young Patty's house, along with a little Papuan slave named Afan, who had also been bartered for. Simon Pattijnassarane also relates the very same as Philip Lahamen, further mentioning their second trip, when 6 Serammers lay closer to the settlement, and as before the Patty had again taken along 4 bags of cloves and brought back in exchange for the same an embellished coat and other goods, specified and enumerated by Dirk Latoekena. Further saying that upon our arrival in that settlement, a certain Mattheus Poerepatty is said to have gone immediately from the old Patty's house into the forest with an armful of goods, undoubtedly to hide them there. However, the said Mattheus, having been called before us, stubbornly denies this; we having seen fit to convey the 2 above-mentioned informants with us toward Amboina. As regards the old Patty, he denies everything, yet seems suspicious to us because he seeks to defame those confessants with far-fetched accusations and old grudges, which are out of place and serve various other purposes. Silvester Soho Patterima and Thomas Assal Patty, Capala Soas of that settlement, deny everything that has been charged against them by the repeatedly mentioned Dirk, yet they appear not a little suspicious to our eyes, especially the latter, who, having come to the office in the evening with a Latoeronie, secretly took him away again without his having been interrogated by us; on which account, having been summoned again the next day, he also denied ever having traded anything concerning the matter in question with this mentioned Dirk. This young Patty's wife answers nothing but the little word Tiva, even though it is not appropriate, wherefore we presumed that she might well have been so instructed or instigated. Furthermore, the chief had in the prison, over settlement trifles, a certain marinje Domingos Johannes or Assal Patty, who upon our first arrival said to his comrades and the Dutch marinje of the chief: "I have long expected that these underhanded dealings would one day come to light"; yet having been summoned before us, he denied having said such a thing. The youngest Patty had departed for Ceram a few days ago with a pass from the chief in order to harvest sago there for the upcoming hongi. From Amboina dated 26 September 1763. Wherefore, having been summoned by one of his marinjes, he arrived the next day just before our departure, and during questioning acted entirely strange and as if ignorant, denying everything that could be charged against him; thus we saw fit to place him in the conduct until further orders from your Right Honorable Worship. Concerning the little slave Acan, all those last interrogated profess complete ignorance, the two Pattys as well as the young one's wife and the Capala Soas, the truth of which will apparently best be shown upon news from Saparoua. And the slave of the young Patty, named Aroka, could not be found for about those 2 days, but according to reports was in the forest all the while. Finally, we came to the inspection and inventory of the goods that were found in the houses of both Pattys, and we did discover there some cloths of such fabric as would presumably have been bartered from the Serammers; as well as a large quantity of clothes, coats, and linen, and at the young Patty's even coats of English fabrics, as well as one or two uncut pieces of white, coarse guinea, 2 chelassen, and about 12 pieces of coarse striped fabric resembling Seram cloth. However, the chief remarks that it is not surprising, that such must already have been among the natives for a long time, although it seems to us that some goods might well have been hidden, in view of the fact that in both houses we discovered not a single duit in money nor a single iota of gold, silver, or jewelry, and the chief was able to inform us that certainly one or more canes with knobs ought to have been found. Furthermore, we have the honor to mention for your consideration that the chief is of the opinion that the young Patty is somewhat tainted, having observed this several times indirectly and not unclearly, even on the report of the old Patty, who had claimed he wished his son would not maintain such familiarities with the Serammers. Just as the chief further harbors evil thoughts about all his subordinate settlements, and especially Wassoe and Aboro, regarding which his Honor was occasionally supplied with unmistakable proofs, which he nevertheless could not prove, but believes that if one were to make a surprise raid on those settlements in March or April, one would indeed discover something. Wherewith, believing to have fulfilled the purpose of our commission as best possible, we take the liberty to remain with high esteem, beneath which stood: Right Honorable Worshipful Lord, your Right Honorable Worship's very humble servants, signed H. V d. Brunk and E. Homma. In the margin: Amboina Victoria, 9 September 1763. And whereby it became evident that the settlement of Oma and several others lying in that vicinity seemed not at all clean of underhanded dealings and smuggling, and very likely the ruling Patty of that village was one of the principal participants, it was thus approved.

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 26. september 1763 Philip Rahamen in substantie bij na alles wat door Dirk Latoekena verhaalt is, en wel hoe met den jongen Pattij is gevaeren na aijer sila vindende daar 4. Ceramse Jonken zonder te weten van wat plaats en hadden den Pattij mede genomen 4. zakken nagulen waar voor d' opgegevene goederen in specie te ruggebragt als mede het hoofd Cieraat en zulx alles aan desselfs oudstens had vertoont Ook nog dat die goederen in een bopchhuijs zijn geborgen geweest eer en al vorens wierden aan des Jongen Pattij's huijs gebragt, met en benevens nog een papoeels slaafje in name Afan, dat mede was ingeruijlt. Simon Pattijnassarane verhaalt mede al het zelve als Philip Lahamen marende wijders melding van hunne twee togt, wanneer 6. Cerammers digter bij de nego„ rie lagen, en als voren den Patty weder 4 zakken Nagulen had mede genomen en voor dezelve te rug gebragt, Een ge„ passementeerde rok en andere goederen, metter door Dirk Latourena gespecificeert en opgenoemt. zeggende wijders dat bij onze aankomst in die negorie rllico sekeren Mattheus Poerepaltij met een arm vol„ goederen uijt des ouden pattijs huijs in 't bosch zoude gegaan zin, zonder twijffel om die daar te verber„ gen twijffel om die daar te verbergen, Edog bewuste Mattheis voor ons geroepen zijnde negeert zulx hal„ sterrig; hebbende wij goedgevonden de 2: opgem: de Cla„ vanten met ons Amboiia waarts te voeren . Wat belangt den ouden pattij ontrent alles dog komt ons egter suspect voor vermits hij die Confessan„ ten met verre gezogte beschuldiginge en oude hatelijk heden, niet te passe komende, en tot diverse strekkende; tragt 221 tragt te bekladden. Silvester Soho Patterima en Thomas assal Patty, Capala Soas van die negorie, negeeren alles wat ten hunnen lasten door dirk meermt is opgegeven, dog koomen ons egter adoculum niet weijnig verdagt voor en wel den laatsten die des avonds met een Latoeronie op 't Comptoir gekomen zynde denzelven op een Clandestine wyse weder medenam zonder dat hij door ons was ondervraagt geworden; waerom 's ander daags weder geroepen geworden mede ontkende ooyt ietwes /de materie in quaestie be„ treffende:/ met dit gerepten Dirk te hebben verhandelt. Dis jongen Pattijsvrouw antwoord niets als het woordje Tiva, alschoon t ook met te posse kant waarom wy presumeerden dat zij dus danig wel konde zijn g'instrueert of g'instigeert Nog had het opperhoofd in den Tronk over negories kleynigheden zekeren marinje Domingos Iohannes of assal Pattyj die bij onze eerste aankomst tegens zyne makkers, en den hollandse maringe van het opperhoofd seijde, dat had ik lang verwagt dat die morsserijen eens zouden aan den dag komen: dog voor ons ontboden zijnde, negeerde zulx gezigt te hebben. Den jongsten Patty was voor eenige dagen met een Passe van het opperhoofd na Ceram vertrokken ten eijnde aldaar zagoe tegens den aanstaende hongij te poeckelen Van Amboina onder dato 26 Septemb: 1763 waar Van Amboina onder dato 26 Septb:r 1763 Waaromme den zelven door een zijner marinjes ont boden zijnde, des andder daags even voor ons depart aanquam en bij ondervraging zig zo geheel vreemt en, als onwe„ tend quam aan te stellen ontkennende over des alles, wat men hem ten zijne lagte mogt voorwergen dus wij goedgevan„ den den zelven tot nadere ordre van uw wel Ed Agtb. in de aonduijt te plaatsen Belangende het slaafje Acan houden zig alle de laatst ge interrogeerdens geheel onwetend zo wel de beijde Pattys als des jongens vrouw en de Capalla Poas, zullende de waarheid van dien apparent by tyding van saparoua best komen te geblyken En zijnde den slaaf van den Iongen Patty in name Aro„ ka geduurende Circadie 2- dagen niet te vinden geweest maar althoor volgens opgaaf in het bosch Eyndelyk zijn wij gekomen tot het onderzoek en opneem der goederen die bij, de beijde pattijs in huijs gevonden wier„ den, en hebbende aldaar wel eenige Lappen ontdekt van zo„ danigen stoffe als van de Cerampers prejumtive souden geruylt hebben; als ook nog een menigte van klederen rok„ ken en Linnen en bij den jongen Pattij selfs rokken van Engelsche stoffes gelyk mede nog ongesneeden een a twee stukken wit, grof guinees 2. Chelassen, en wel 12 stuk ken grof gestreepte op t oog Ceramse stoffe: Edog het opper„ hooft remarqueert dat het niet te verwonderen is; dat zulx bereeds lange bij den Inlander moet gevlogen zijn schoon ons voorkomt, dat er wel eenige goederen konde ge borgen zijn uijt aanmerking dat wij in beijde de huijsen 223 Van Amboina onder dato 26 Septb: 1763. huijsen geen eene duijt aan gelt nog een Tota van goud silver, of kleijnodien hebben ontdekt en het opperhoofd ons west te berigtten dat er zekerlyk een of wel meer rottings met knoppen moesten gevonden werden. Nog hebben wij d' eere tot speculatie te melden dat het opperhoofd van gevoelen is, dat den Jongen Pattij van wat besmet is, hebbende zulx diverse malen van ter zyden met onduijster bespeurt zelfs op aanbrengen van den ouden pattij die had voorgegeven wel te wenschen dat zynen zoon, soda„ nige familiariteyten met de Cerammers niet quam te houden. zoo als wijders het opperhoofd van alle zijne onderhoorige negorien quade gedagten gedagtten heeft, en bijzonder Wassoe en Aboro waar van zyn E ontwyffelbaare paerwes nu en dan waren gesuppediteert en die egter niet konde bewij sen, maar vermeent als men in maart of April die ne„ gorien eens overviel! men wel ietwes zoude ontdekken Waar mede zoo vermeenen best doenlijk aan 't oogmerk onzer Commissie voldaan te hebben, de vrijheid gebruijken met hoog agting te verblyven! onderstond wel Ed: agtb Heer Lager. / uwel Ed. Agtb zeer onderdanige dienaren /getekend. /. H. V d. Brunk en E. Homma /in margine Amboina victoria den 9. Septb: 1763. En waar bij gebleek dat de negorie oma en verscheijde andere daar om streeks leggende gantsch niet pluijs van morsseryen en smokkelhandel scheenen te zyn en zeer waarschynlyk den regeerenden Palty van dat dorg wel een der voornaamste participanten was, zoo wierd goed gevonden

NL-HaNA_1.04.02_3094_0510 view scan ↗

English

From Amboina under date 26 September 1763. found to charge emphatically that matter to the judicial officer Wijnand De Bouvoust, so that, were it possible in these so vexatious junctures of time, that so harmful and ruinous rabble, who in a reckless manner despise all beneficial laws and (as it were) cast to the wind the punishments set thereon for the offenders, might finally be tracked down, caught, and convicted; in which case other possibly still unknown smugglers and interlopers would (it is to be hoped) certainly desist from such ungodly and dangerous intentions, especially if already, upon discovery, some rigorous example had been set. Furthermore, in order to facilitate the aforesaid fiscal, both those patties have already in the first instance been summoned hither, together with such persons from that allegedly pernicious hamlet as were judged able to be of any assistance. Below stood: Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria on the date aforesaid, signed J. A. de Villeneuve, H:k V. d. Brink, W. de Bouvoust, C: F Treno, I W. V. Blijdenberg, J. Houtthuijn, and E Homma. Below that: Agrees. Signed: Z: d: Homma. Secretary. 225 From Java's East Coast under date 1 August 1763 cited on page 144. Report in the manner of a daily register kept by the undersigned Senior Merchant and Chief Administrator of Samarang, Hermanus Mennik, during his commission to Djokjokarta to Sultan Hamengcoeboena etc., submitted in all reverence to the Honorable, Highly Esteemed Lord Willem Hendrik van Ossenberch, Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies and Governor and Director of Java's Northeast Coast. Tuesday 12 July 1763, the undersigned departed from Samarang and arrived on the same day at Jamboe, from where he set out in the morning for Sinpoe, the following day to Soeroegening, and on Friday 15 ditto to Djokjocarta, arriving about an hour's ride from that court. From Java's East Coast under date 1 August 1763 arriving, the undersigned was welcomed on behalf of the First Resident there, the Senior Merchant Mr Dirk van der Sluis, by the Merchant and Second Resident Mr Pieter Luzac and the Captain of the Dragoons Johannes Gosseling, being met a short time thereafter by the Pangerang Djoijocossoemo, and the Kliwon of the Pangerang Diponogoro, Kyai Ngabehi Ronovidjoijo, who complimented him on his arrival in the name of His Highness the Sultan and Raden Adipati Danoeridja. Shortly after the arrival, the undersigned, with his respectful greetings, let the Sultan know that he had brought a letter with a present of one Persian and five Bimanese horses from the Honorable Lord Governor, requesting to be allowed to know when it would please His Highness for that letter and the present to be brought in and presented to the prince, whereon His Highness had answered that, today being Friday, His Highness could not receive the undersigned, but that on the following day toward nine o'clock His Highness would have him fetched. Meanwhile 227 From Java's East Coast under date 12 August 1763 Meanwhile the undersigned requested from the First Resident Van der Sluis his notes kept regarding this circumstance, in order to govern himself accordingly; which having been politely granted to him, the undersigned thus found that Resident Van der Sluis had already made every possible effort to induce His Highness to return Ratu Bendoro to her consort, the Pangerang Adipati Mancoenagara at Souracarta, but hitherto fruitlessly, whereby the undersigned became very concerned that his commission might likewise obtain no better outcome. At noon and in the evening, which was continued until his departure, the undersigned was abundantly provided with all kinds of Javanese foods and fruits, both from the Sultan, the Pangerang Adipati Anom, and the Prime Minister Raden Adipati Danoeridja; which politeness, being somewhat unusual in these times, indeed caused some surprise to Resident Van der Sluis, but at the same time gave us renewed hope of an amicable From Java's East Coast under date 1 August 1763 cable reception, and some success in the undersigned's commission. In the evening Raden Adipati came to pay a visit to the undersigned, who, after some indifferent conversation, asked whether horses would also be presented to the Crown Prince on behalf of the Lord Governor, whereon it was answered yes, but that they had not yet arrived, which, however, was to happen within a few days; with which His Honor seemed very content, and at the request of the undersigned promised to come early the next day and treat in confidence concerning the circumstances of the vexatious matter between Pangerang Mancoenagara and Ratu Bendoro. Saturday 16 ditto, Raden Adipati Danoeridja, pursuant to the agreement of yesterday, came to find the undersigned, and after drinking a cup of tea, was escorted to an apartment, where, having sat down together, the undersigned gave His Honor to know that Their High Mightinesses in general and the Honorable Lord Governor in particular had always placed great trust

Dutch transcription

Van Amboina onder dato 26: septemb: 1763. gevonden die zaar ten nadrukkelyken vecherje aan den Justi„ tieelen officier Wijnand De Bouvoujt op te dragen om me ware het mogelijk in deze zo fachieuse tijds gewrigten Eyndelijk dat zoo schadelyk en ruineus geboefte die op eene roekeloose manier alle heijlzame wet en veragtten ende daar op gestelde straffen voor d' overtreders (als het ware) in de wind slaan, eens te kunnen opspeuren agterhalen en overtuygen, 't geen in zodanigen gevalle andere moge„ lyk nog onbekende smokkelaars en Lorrendrayers / is te hopen / wel zouden afzien van dergelyke heijllooje en gevaarlyke voornemens voor al in dien bereeds na ontdecking eenig regoreus exempel was gestatueert. Zynde wijders omme voorsz den fiscaal te faciliteeren bereeds ten eersten beyjde die pattijs herwaards op ontbo„ den, benevens zodanige perzoonen uijt dat pretenselyk pernopieus gehugt als geoordeelt wierd, van eenige adjude te kunnen zijn /onderstond:/ Aldus gedaan en geresolveert tot Amboina aan t Casteel victoria dato voorsz getekend J. : A. de Villeneuve, H:k V. d. Brink W. de Bouvoust C: F Treno I W. V. Blijdenberg J. s Houtthuijn en E Homma, daar onder /accordeert /getekend:/ Z: d: Homma. Lecrets.) 225 Van Javas oost Cust onder dato 1 Aug:s 1763 geciteerd op pag:. 144. Rapport bij wijze van dag Register gehouden door den ondergeteekende opperkoopma„ en hoofd administrateur Samarang Hermanus Mennik geduurende sijne Commissie te Djokjokar ta bij den sulthan Ha mingcoeboe „ na etco in in alle Eerbied overgegeeven aan den wel Edelen groot Achtbaaren Heere Willem Hendrik van ossen„ berch Raad Extra ordi„ naer van Nederland Jndia mitsgaders gou„ verneur en directeur van Java noord oos Cust Dingsdag den 12=e Julij 1763, begaf sig den ondergeteekende van Samarang en arreveerde nog denselven dag te Jamboe, van waar des morgens vertrok naar sinpoe den vol„ gende dat naar soeroegening en op Vrydag den 15 dito naar Djokjo carta omtrent een uur rydens van die hof plaats koomen Van Javas oost Cust onder dato 1 Aug„s 1763 koomende wierd de ondergeteekende van weegens den Eersten, Resident aldaar den opperkoopman M„r Dirk van der Sluis verwelkom:t door den koopman en tweede Resident Mr Pieter Luzac en den Capitain der Dragonders Johannes gosseling, werdende een wynig tyds daar na ƒ 9 ontmoet door den Bangerang Djoijocossoe„ mo, en den Clavon van den Tangirang Di ponogoro kiaij Ingabeij Ronovidjoijo, die die hem uijt naam van zijn Hoogheijd den sulthan en Radeen depattij Danoeridja wegens sijne aankomst Complimenteerde Kort na 't arrivement liet de ondergeteekende onder zijn eerbiedige groete den sulthan weeten dat hij een Missive met een geschenk van een Per siaansen vyf bemaneese paarden van den wel Edelen Heere Gouverneur had aangebragt ver„ soekende te moogen weeten wanneer het zyn Hoogheid behagen zoude, die missive en het ge schenk binnen gebragt en den vorst aange booden zoude werden, waar op zijn Hoogheid liet antwoorden dat het heeden vrydag zynde hoogst dezelve den ondergeteekende niet konde recipieeren, maar dat des anderen daagst tee„ gen neegen uuren zyn Hoogheid hem soude laaten afhalen Inmiddens 227 Van Javas oos Cust onder dato 12 Aug: 1763 Inmiddens versogt den ondergeteekende van den Eersten Resident van der sluijs, syne aanteke ningen gehouden in deese omslandigheijd, om zig daar na t kunnen iguleeren t welk hem be leefdelyk toegestaan zynde, zoo ondervond den ondergeteekende dat de Resident van der sluijs reeds alles had aangewend wat hem mogelyk was geweest om zyn Hoogheid te bewegen tot het te rug geeven der Ratoe Bendoro, aan haaren gemaal den Pangerang Adipattij Mancoe nagara tot souracarta, maar tot nog toe vrugteloos waar door den ondergeteekende zeer bekommeerd wierd, dat zyne Commissie mede geen beetere uytsdag soude erlangen Des middags en savond te geen tot zyn vertrek toe gecontinieert is, wierd den ondergeteekende over vloedig voorsien van allerleij Iavasche spise en fruijtagien, soo van den sulthan, den pangerang Depattij anum, als den Ryksbesteerder Radeen depattij Danoeridja, welke beleeftheyd als in dit tydsprak wat ongewoon zynde bij den Resident van der sluijs wel eenige verwondering baarde, maar ons teffens weder hoope gaf van een min nelijk Van Javas oos cust onder dato 1 Augs 1763 nelyke receptie, en eenig succes in de ondergetee kendens Commissie Radeen Des avonds kwam„t Depatty bij den ondergekende een visite afleggen; dewelke na eenige indifferen„ te discorirsen vroeg of er mede geen paarden aan den kroonprins van wegens den Heer Gouverneur zoudan aangeboden werden, waar op gedient wierd van Ja„ maar dat dezelve nog niet waaren aangekomen 't geen egter binnen wynig dagen stont te geschie den, waarmede zijn E zeer content scheen, en op versoek van den ondergeteekende beloofde des anderen daags vroegtyjdig te zullen binnen koomen, en in vertrouwen handelen over de omstandigheid van de facheuse zaak, tusschen Pangerang Mancoe nagara en Ratoe Bendoro. Saturdag den 16 dito kwam radeen de pattij Danceridja, ingevolge de afspraakt van gis teren den ondergeteekende vinden, en na danken van een kopje thee, geleeden naar een apar tement, alwaar bij elkanderen neder gezeelen zynde, zoo gaf den ondergeteekende aan zyn E: te kennen, dat haar Hoog Edelheedens int gene raal in den wel Ed: Heer Gouverneur in t bysonder altoos een groot vertrouwen gesteld hadden E

NL-HaNA_1.04.02_3094_0515 view scan ↗

English

229 From Java's North East Coast, dated 1 August 1763. had and still placed in his honor's candor and attachment to the Honorable Company, that accordingly the Lord Governor lived in the firm and confident hope that his honor, in this juncture fraught with peril and fear of a breach of the peace, would once again give fresh proof thereof and employ all his efforts and power to move the sovereign to the restitution of the Ratoe Bendoro to her husband, the Pangerang Adepattij Mancoenagara, who, even assuming he secretly harbored evil designs against the sultan or the Honorable Company, was given a reasonable and grounded pretext to hasten the execution of those feared designs through the unlawful withholding, contrary to all laws, of his worthy spouse, who had shared good times and bad with the Pangerang for so long; but, on the contrary, not without foundation, as was evident from the conduct that this prince maintained in this circumstance, even assuming he did not in the least intend any harm to the detriment of the sultan, the Honorable Company, From Java's North East Coast, dated 1 August 1763. or the peace of Java, that his honor would certainly be provoked by this blameworthy treatment and the withholding of his ever-beloved wife; and seeing himself disappointed in his hope and expectation of regaining his beloved Ratoe Bindoro through the assistance of the Honorable Company and of the Soesoehoenang in his ardent desire, he would certainly lash out in desperation and use such means of violence and force, either to achieve his wish or to avenge himself for the insult done to him, as the nature of the matter and his known fiery temperament would dictate to him; which, after all, could not happen without further stripping the land of Java of inhabitants who had been left behind by the previous destructive war and the mortality that followed it; that all means, however reasonable in themselves, had had not the least influence on the mind of the sovereign; all of which had moved the Lord Governor to commission the undersigned, in order to devise with him, Danoeridja, in friendliness and confidence, such measures and means 231 From Java's North East Coast, dated 10 August 1763. as would be judged to be of service and utility in this precarious conjuncture of times to persuade His Highness to accept the wholesome advice for land and people which the Lord Governor repeatedly gave to His Highness. To this Danoeridja replied that he firstly felt obliged for the trust placed in him, of which he would never give reason to the contrary, but rather, responding to this with gratitude, would not cease continuously to employ all his abilities to persuade His Highness to send Ratoe Bendoro back to Soerakarta, and thus to respond to the efforts exerted by the Lord Governor, which, the undersigned resumed, was done not so much to give satisfaction to Pangerang Mancoenagara as to preserve the peace of Java. Adding hereto that the undersigned had undertaken this commission not without some reluctance, but out of obedience to the orders of From Java's North East Coast, dated 1 August 1763. the Lord Governor, who had been pleased to send him out of his presence, expecting that Radeen Depattij would also treat him as was due to a special envoy of the Lord Governor; upon which the Prime Minister replied that he would immediately give proof of this and see to it that the undersigned was fetched by the carriage of the sovereign across the river, to show by this extraordinary treatment the honor borne toward the Lord Governor in his person. But, the said Minister continued, when I consider all that has already been done to divert the sovereign from his design, I doubt very much whether the Right Honorable Lord Governor will have the satisfaction which his Right Honorable and Highly Esteemed Lordship has hoped for and reasonably expected; for I assure you that the sultan, in my presence, has repeatedly tried to persuade the Ratoe Bindoro to return to her husband, but that she has absolutely persisted in refusing this and refused to leave her father, saying she would rather die, submitting herself to the punishment that might be imposed upon her, whether death or a fine, for 233 From Java's North East Coast, dated 1 August 1763. the latter of which she was willing to sell all her jewelry; and that since an unshakeable resolution had thus been taken by the Ratoe not to leave her father, and by His Highness to use no means of coercion, there was also little hope of moving the obstinacy of them both. After this, the said statesman asked how one proceeded in such a case according to our laws, in order to govern himself somewhat accordingly if the occasion arose; to which he was answered that in case a married woman had complaints to bring against her husband, she had first to bring the same before the judge, who was then obliged to investigate whether those complaints were lawful, well-founded, and sufficient enough to grant the requested divorce; which, however, was not proceeded with until all persuasive means had been employed to reconcile the spouses again; but that a woman absenting herself stealthily was regarded as an adulteress, and that she was admitted to no legal proceedings until she had again returned under

Dutch transcription

229 Van Javas oost Cust onder dato 1 Aug„s 1763. hadden en nog stelden op syn E Candeur en attachement aan de E Comp„e, dat ingevolge van dien den Heere Gouverneur in vaste verseekeringen hoope leefde, zijn E in dit tijd punt,vol van hagche lykheyd en vreese voor een vreede breuk, daar van weeder versche blyken soude geeven, en alle sijne pogingen en kragten aanwenden om den vorst te beweegen tot de Restitutie van de Ratoe Bendoro, aan haaren gemaal den Pangerang Adepattij Mancoenagara, dewelke eens verondersteld zijnde kwade dessienen bedekte lyk teegen den sulthan of de E Comp tevoeden, immers door de onregtmaatige en teegens alle witten slaydende onthouding van zyne waarde Egt„ „genooten die soo lang soet en zuur met den Iang„ rang gesmaakt had, een bellyk en gegrond voorwendzel aande hand gaf om de uytvoering van die gevreesed desseinen te verhaasten, maar ter Contra rie niet sondert fondament 't welk bleek aan het gedrag, 't geen die Prins in deese omstandig heid hield, genoomen zynde dat in 't minste op geen kwaad bedagt was, ten nadeele van de sul„ Chan de E: Compe 6 . t Van Javas oosr Cust onder dato 1 Aug:s 1763 of de rust van Java, dat zijn Ed: zekerlijk door deeze onprijselyke behandeling en onthouding van zijn altoos geliefde vrouwe gaande: gemaakt en zig in syne hoope en verwagting van door de hulp der E: Comp:, en van den soesoehoenang in syne vuurige begeerte om sijne geliefde Ratoe Bin„ doro weder te verkrygen siende te leur gesteld. uyt disperatie zekerlyk soude uytspattier, en sodanige middelen van klein en kragt gebruij ken het zijn wensch deelagtig te werden het zij om sig weegen de smaat hem aangedaan te re„ vengeeren, als de natuur der zaake in syne beken de driftigheid hem soude dicteeren, 't geen im„ mers niet geschieden konde sonder het land van Java nog te ontbloten van inwoonderen die de vorrege legdemrege oorlog, ende daarop gevolgde strefte had overlaten dat alle middelen hoe reedelyk ook in sig selven geen de minste inflaentie gehad hadden, op het gemoed van den vorst, 't geen alles den Heere gouverneur bewoogen hadde, om de ondergetee„ kende te committeeren, ten einde met hem Danoeridja in vrindelykheijd en. vertrouwen sodanige maat regulenen middelen uijt te denken — als - 231 Van Javas oos cust onder dato 10 Aug„s 1763 als g'ordeelt soude worden in deese haghelyke Compunitiure van tijden, van dienst en net te kun„ „nen zijn, om zyne Hoogheid te permoveeren tot het aanneemen der heelzaame raad voor land en volk, die den Heere gouverneur zyn Hoogheid bij roitenatie kwam te geeven. Hier op repliceerde Danoeridja dat hij voor eerst sig verpligt heeld voor het vertrouwen dat men in hem stelde, waar van zyn Emin mer reden ter contrarce soude geeven maar in teegendeel zulx met erkentenisse beant woordende, niet soude ophouden bij continiatie alle zyne vermogens int werk te stellen om zijn te Hoogheid overreeden tot het terug zenden naar soera carta van Ratoe Bendo ro, en dus te beantwoorden de moeite die den Heere Gouverneur aanwindde, 't welk her nam de ondergeteekende met soo seer ge„ schiedde om Pangerang Mancoena„ gara genoegen te geeven, als wel om de rugt van Java te conserveeren. Hier bij voegende dat de ondergeteekende die Commissie niet sonder eenige tegen zin had op genoomen, maar uyt gehoorsaamheyd aan de beveelen van v Van Javas oost Cust onder dato 1 Augs 1763 van den Heere gouverneur dewelke hem uyt zijn maand had geleeven te zenden, in verwagten dat Radeen Depattij hem ook k den behandelen als een expresse zendeling van den Heere gouver„ neur toekwam, waar op de Ryxbestierder diende dat hij daar van ten eersten blyk sou„ de geevenn bezorgen dat den ondergeteekende met het Rytung van den vorst over de afgehaald, om door die extra ordinaire behandeling te betoonen de Eere die men Heere gouverneur in zyn per„ zoon toedroeg. Maar vervolgde gem: Minister, wanneer ik over wege alles 't geen reeds aangewind is, om den vorst van zijn Comcept te diverteeren, wyfsel ik zeer of den wel Ed: Heere gouverneur dat genoegen zal hebben, t geen zyn wel Edele groot Achtb: gehoopt en met reden verwagt heeft: want ik betuige UE: dat de sulthan in mijne teegenwoordigheyd de Ratoe Bindoro meermalen heeft tragten te bewee„ gen tot het retour naar haaren man, maar dat zij absoluet zulx heeft blyven weegeren en niet van haare vader willen afgaan, zeggende geader te zullen sterven, zich onder werpende aan de straffe die men haar mogt opleggen, het zij de dood of geld boete, tot welk 233 Van Javas oost Cust onder dato 1 Augu„s 1763 welke laaste zij bereydwillig was al haare cierardien te verkoopen: En dat er dus een on wrekbaar besluyt by de Ratoe genoomen zijnd, om niet van haaren vader aftegaan, en bij zijn Hoogheid om geen middelen van dwang te gebruyken ook wynig hoop was de onverzettelykheyd van hun beide te bewegen. Hier na vroeg gem: staats denaar hoe men in diergelyk geval naar onse wetten handelde, om sig daar na als het te pas kwam eeniger ma ten te kunnen reguleeren, waar op zin E 9 ten antwoord wierd gediend, dat ingevalle een getrouwde vrouw klagten had in te brengen en haaren man zy de zelve eerst moest tegen brengen voor den Regter, dewelke dan verpligt was te ondersoeken of die klagten regtmatig ee gegrond en suffisant genoeg waaren om de o versogte Egtscheiding te accordeeren, waartoe men egter niet overging, voor dat men alle persausoere middelen had int werk gesteld om de egtelingen weder te assopieeren, Edog dat een vrouw sig steelsgeweyse absenteeren de, wierd aangemerkt als een Egtbreeks„ „ster, en dat zij tot geen regtsgedien wierd toegelaten, voor dat zij zig weder onder

NL-HaNA_1.04.02_3094_0520 view scan ↗

English

From Java's North East Coast under date 1 August 1763. had placed under the restraint and power of her husband, and remaining unwilling to do so, was punished by the judges as a criminal, with perpetual imprisonment or otherwise according to the findings of the case. Upon which arguments Danoeridja replied that according to Javanese laws it was almost the same, except for the penalty, which consisted of a monetary fine for common people, having however no consequence for royal persons. Departing from this, the Prime Minister was further requested by the undersigned to be willing to declare frankly what the true reason and origin of the displeasure of the Ratoe Bendoro against her husband might actually be, while considering the love and the regard that Pangerang Mancoenagara had always had and shown for Her Honour, there was foundation to doubt greatly whether this unwillingness originated from her own accord. Upon this Danoeridja resumed that besides some other grievances, the Pangerang Mancoenagara had raised a corps of female dragoons from his concubines, who, dressed up in male attire with some ostentation and sitting on horseback, had to exercise in firing arms for his amusement; that this prince, having appointed Ratoe Bendoro as commandant over that corps, whenever coming to Djokjo had been mocked and put to shame on that account, with the reproach that she, being a royal child, allowed herself to be treated like a slave, and thus did things unworthy of her birth and not conforming with the propriety of a princess. That she, at her own request and not by order of the monarch, having recently arrived in Djokjocarta with the Pangerang Depattij, her half-brother, had to hear the same reproach, and therefore was resolved to leave her husband, and although she now clearly perceived to have acted unreasonably, yet through fear and shame, obstinately and immovably persevered in that resolution. Having stepped outside after this, one already found the Pangirang Pacoeningrat and Deponogoro there, who welcomed the undersigned and made known in the name of the monarch that he would immediately be fetched for the audience to the Dalm, the monarch's carriage arriving also a short while later, accompanied by two Eliwongs, to fetch the first Resident van der Sluijs, who had not been able to obtain an audience in three weeks, and the undersigned. Arriving before the Kraton, they were welcomed by the Pangerang Ingabeij, the aforementioned Pangerang, the Prime Minister, and other state and court dignitaries further stepping inside the Kraton, where after mutual compliments, with dutiful greetings from the Right Honourable Governor and Director of this Coast, the letter was presented to the monarch, which was again handed to the Radeen dipattij Danoeridja, who having opened the same handed it further for reading to the Pangerang Nata Casoema. After which reading His Highness had the Governor thanked in amicable terms for the good advice, but that having already done everything possible to persuade the Ratoe Bendoro to comply with it, and this having been fruitless, since she would rather die than return to her husband or even leave her father, His Highness could not force her to do so, as the fatherly heart did not permit such, the more so because he was convinced that coercion would cause her death, that His Highness had therefore surrendered the matter to God, and did not wish to interfere in it any further, but left it to the undersigned, with the assurance that if he could persuade the Ratoe to depart again for Souracarta or to Samarang or indeed elsewhere, it was all the same to him, and that the Ratoe would not be detained. Upon this the undersigned stated that he very willingly believed that the monarch, according to his known wisdom, having well noted the sad consequences that would derive from the Ratoe's unwillingness to the detriment of the general peace and the welfare of Java, had certainly sought to persuade his daughter to submit to his admonitions to prevent the same, but that the undersigned at the same time also well understood that His Highness, out of tenderness and fatherly affection, had not seen fit to employ means of coercion in order not to grieve her or cause her heartache, which however the gravity of the matter did indeed demand, for His Highness ought to consider that he had been chosen and appointed by God and the help of the Honourable Company as Sultan over half of Java's upper districts, and was also bound to observe the welfare of his subjects with the same fatherly tenderness and care; that His Highness, considering this, ought continuously to persuade and compel the Ratoe with urgency to return to her lawful spouse. Upon which the Sultan, somewhat changing his countenance, had the undersigned summoned through the Radeen Dipattij to speak with the Ratoe Bendoro herself. This having been consented to, the monarch brought the first Resident, the undersigned, and the Prime Minister to the front steps of his residence, whither the Ratoe Bendoro was also summoned, while the monarch had two chairs brought and sat down opposite them, drawing the small mat toward us himself, after which His Highness, not without emotion and with the appearance of shedding tears, addressed Her Honour thus: "Your father, the Honourable Governor, has sent the Senior Merchant of Samarang to request Your Honour in his name to return either to Mancoenagara or to Samarang; the Senior Merchant has been sent by the Honourable Lord, and..."

Dutch transcription

Van Javas oos Cust onder dato 1 Augus 1783. t bedwang en magt van haaren man gesteld had„ en hier toe onwillig blijvende, door de regters als een mesdadige gestraft wierd, met eenwige gevan„ genis of andersints naar bevinding van saaken„ op welke reedenen Danoeridja repliceerde dat het dus volgens de Javaansche wetten den naas sten bij ook was, uyt gewoonen de staaffe, die in een geld boete bestont bij gemeene, hebbende echter geen gvolg bij vorstelijke persoonen. Hier van afstappende wierd de Ryksbestierder door den ondergeteekende verder versogt openhertig te willen declareeren wat tog de weezintlyke ree de en origine van het ongenoegen der Ratoe ben„ doro teegens haaren man mogte weesen, ter wijl men nagaande de liefde en 't regaard, die pangerang Mancoenagara altoos voor haar Ed: gehad en betoond had, fundament hadde om zeer te twyffelen of deese onwil„ ligheid wel uyt haar koken kwam, Hier op hernam Danoeridja dat buyten nog eeni mena ge andere grava de Pangerang Man dragonders had opgeregt Coenagara een Corps vrouwelijk, die in uit zine bijwijven die in Mannelyk gewaad eenige brom uijtgedost en te paart zittende tot zyn vermaakt excerceeren 235 Van Javas oost Cust onder dato A ug:s 1763 exerceeren in vuuren moesten, dat die prins Ratoe Bendoro over dat Corps hebbende aangesteld tot Commandante telkens te Djokjo komende dierwegens was bespot en beschaamt gemaakt, niet verwijting dat zij een vorsten kind zynde sig liet behandelen als een boedak, en dus dingen doed haare geboorte onwaardig en met de be„ tamelykheid van een Pinses niet over een„ koomende, Dat zij op haar versoek en niet op bevel van den vorst zij op haar versoek ip neet op bevel met den pangerang De„ pattij haaren halven broeder nu Jongst te Djokjocarta gekoomen zynde, het zelve verwyt had moeten kooren, en daaromme geresolveerd was haaren man te verlaten, en schoon thans wel bemerk te onreedelyk gehandelt te hebben, zo door vrese en schaamte, in die Resolutie hals„ terrug en en onbeweegchelyk volhardde. Hier na buyten getreeden, zynde vond min daar reeds de Pangirang Pacoe„ ningrat Van Javas oost Cust onder dat 1 August 1763 ningrat en Deponogoro die den ondergeteekende verwel komden, on uyt naam van den vorst kin„ nes gaven dat hij aanstonts ter audientie naar den Dalm zoude werden afgehaald, konmende ook een korte wyl naderhand s votst keets begilied door twee Eliwongs, om den eersten Resident van der Sluijs dewelke in geen drie weeken gehoor had kunnen erlangen, en den ondergeteekende afte haalen. voor de Cataon komende, wierden zij verwel„ komt door den Pangerang Ingabeij tredende voorts gem: Pangerang den Ryksbestierder en andere Ryks en Hofgaoten binnen de Craton, alwaar na wederzijdsche Complimen ten den vorst onder gedienste groete van den wel Ed: groot Achtb: Heere gouver neur en directeur dezer Custe, de missive wierd overhandigd, die weder wierd ter hand gesteld aan den Radeen dipattij Danoe ridja dewelk dezelve gopend hebbende verder ter lezing overgaf aan den pangerang Nata Casoema Na 237. Van Javas oosCust onder dato 1 Augus 1763 Na welke Lucture zijn Hoogheid den Heer Gouverneur in minnelyke termin liet be„ danken voor den goeden raad, maar dat reeds alles gedaan hebbende wat moge„ lyk was om de Ratoe Bendoro te overleeden tot opvolging van dien, en zulx rugteloos zijnde geweest, aangezien zij eerder sterven wilde als weder naar man haaren retourneeren of zelfs van haaren vader afgaan, zyn Hoogheid haar daar toe niet dwingen konde, lijdende zulx het vaderlijke hert niet, te meer verzekerd was dog de dwang haar de dood zoude vor oorzaaken, dat zyn Hoogheid dierhalven de zake gode hebbende overgegeven, en zich er niet verder mede wilde bemoeijen, maar het aan den ondergeteekende overliet, met betuyging soo hij de Ratoe konde persuadeeren om weder naar souracarta te vertrekken df na Sanarang dan wel elders het hem om t: even was, en dat de Ratoe niet soude werden opgehouden Heer Van Javas oost Cust onder dato 1 Augus 17 Heer op diende den ondergeteekende zeer gaar ne te willen gelooven dat de vorst naar sij ne bekende uysheid, wel bemerkt hebbende de droevige gevolgen die uyt des Ratoes onwel„ ligheid ten nadeele van de algemeene rust, in 't welzijn van Java zoude deriveeren, zekerlyk ter vermyding van dezelve zyne dogter had zoeken te overreden om sig aan zyne vermaningen te onderwerpen, maar dato de ondergeteekende ook teffens wel begreep, dat zyn Hoogheid uit teden har tigheid en vaderlyke geen middelen van dwang had gelieven te gebruyken om haar niet te bedroeven of hart zeer aantedoen, 't wekk echter de gewigtigheid van die zaak wel vereischt had, want dat zijn Hoogheid diende te considereeren dat hij door God ende hulpe der E Comp was ver kooren en aangesteld tot sulthan over de helft van Javas bovenlanden, ook gehaul den was het wel zijn zyner onderdaanen met dezelve vaderlyke te derhaatigheid en zugt te betrachten, dat zijn Hoogheid dit overwegende de Ratoe bij continuatie nog 239 Van Javas oost Cust onder dato 1 Augs 1763 nog met aandrang diende te overreden ten te noodzaaken tot haare te rugkeering naar haaren wettegen gemaal, waar op de slulthan enigirmaate van gedaante veranderende den ondergeteekende door den Radeen Dipattij liet sommeeren, om met de Ratoe Bendoro zelvs te aboucheeren, waar in dan geconsen„ teerd zynde zoo bragt de vorst den eersten Resident den ondergeteekende en den Ryks bestierder aan de voorstoep van zijn woonhuijs werwaards ook ontboden wierd de Ratoe Ben„ dono terwyl de vorst twee stoelen liet bain gen, en zig daar voor vaak nederzette, ha„ eende het matje zelfs na ons toe, waar na zyn Hoogheyd niet sonder aandoe ning en met schyn van tranen te storten haar Ed: dus aansprak uw vader, de Edele Heer gouverneur heeft den opperkoopman van samarang afgeson den, om uE: uijt zynen naam te versoeken dat uE: weder naar Mancoenagara keert of naar samarang, de opperkoop„ man is van de Edele Heere gezonden en 174 eid

← previousnext →