Inventory 3124
Surat · 838 pages · 151 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
229. From Bantam, the 1st of September 1764. Batavia To the same as before In response to Your High Noble's highly respected letter of the 28th of this month, I have the honor to reply that the English deserters are satisfied with the allocated 12 guilders per month. And since in Surat and Bengal such persons upon enlistment are always given 2 months in advance, I have likewise, in the hope of Your High Noble's approval, allowed the same to be disbursed to these people upon their urgent request. Furthermore, those people very respectfully request once more to be permitted to turn their effects into money. Herewith I have the honor to conclude and to remain with respect, High Noble, Valiant, Right Honourable Sir and Well-born Sirs, Below stood: Your High Noble's humble servant, was signed: I: Reijnouts, in the margin: Bantam, the 1st of September, in the year 1764. Batavia From Bantam, the 1st of September 1764. From Amboina, the 31st of August 1764. 231. Batavia To the same as before It will have appeared to Your High Nobles from my respectful letter of the 31st of May last that the Ensigns Guthard and Gosling intended, joined together, to steer their course to Pulau Geser and Ceram Laut in order to take revenge for the hostile encounter which the first-mentioned officer experienced there. I have approved this, but at the same time most earnestly recommended him to observe the utmost caution, so that they might not get into such a labyrinth as Ensign Guthard was partly in through the absence of the pantchiallang the Spion, which rejoined them at Hailen on the north coast of Ceram on the 20th of May. They were, moreover, instructed by letters of the 14th of June, in case the expedition to the aforesaid places should succeed and the winds be favorable thereto, to attempt a landing on the village of Sobo—where, according to what was recorded in the report already supplied to Your High Nobles by Ensign Guthard under date of the 24th of April last, no attack could be made without a great loss of men, because the inhabitants had entrenched themselves far too strongly on the cliff of that village and placed themselves in a state of defense—by throwing bombs into and upon the same, and likewise upon Batoelomi, as that place also seems very suspect to me, because the people there, according to what is noted in the aforementioned report under date of the 27th of April, upon the approach of the frequently mentioned officer, of their own accord set fire to some vessels standing on the shore and lying in their own river, and as it were challenged our men by firing from muskets and throwing arrows, at a time when the heavy surf prevented them from making a landing there. From Amboina, the 31st of August 1764. 233. From Amboina, the 31st of August 1764. The commanders of this cruising expedition thereupon informed me by their letter of the 28th of June from Cauwa, situated on the north-west point of Ceram, that they had made the utmost effort to head for Pulau Geser, but in vain, as they were prevented therein by the easterly winds and strong currents running to the west, as well as by the heavy leaking of the orembaais, and therefore on the 8th of that month took the resolution to direct their course westward to Sawai, in order to provide the orembaais again with the necessary supplies. They arrived there on the 11th of the same month, and were informed by the postholder that shortly before that post, 12 Papuan kora-koras had passed westward in 3 parties. Wherefore, departing from there on the 19th of the same month, they directed their course to the Strait of Nassau to see if they might perhaps overtake those pirates. The mate De Clerk, lying on the 10th of July below the village of Maloang between Cauwa and Sawai with 20 orembaais, and seeing 6 kora-koras in three maroelis or lighter vessels coming towards them there in the morning, immediately gave chase to them. But the admiral of the pirates, noticing this, thereupon gave a signal with a shot from a swivel gun to the other vessels that had become separated from him and directed their course to a chiampang of Manipa that lay under the shore. Upon this signal these immediately joined him, and together they stood out to sea. Nevertheless, the said mate pursued them to about 4 to 4½ miles offshore, but could by no means engage them, because the rowers, notwithstanding that they were encouraged to pull, remained just as sluggish therein and only sought to keep themselves out of gunshot from the pirates. 235. From Amboina, the 31st of August 1764. Meanwhile, the sky also began to look very squally with rain and wind, and the evening overtook the mate, wherefore he resolved, for the preservation of all the orembaais, to head back to shore. However, the weather overtook them with a heavy oncoming sea in such a manner that the greater part of the orembaais became heavily leaky and the sails were torn apart. Thereupon the commanders of the expedition resolved to let the bark the Nagelboom remain with 8 orembaais under the command of Ensign Gosling off the Seven Islands, situated opposite Sawai, being one of the principal places where the aforesaid pirates harbor and where on the 9th of July several had sailed back and forth between the same, in order as much as possible to keep watch.
Dutch transcription
229. Van Bantam den 1: Septemb:r 1764. Batavia Aan Als Vooren Op UW Hoog Edelens zeer gerespecteerde missive van den 28:e De„ ser heb ik d' Eer te reschribeeren dat de Engelse deserteurs zig met de toegelegde ƒ 12: ter maand contenteeren en nadien op sourat„ „ta en Bengalen aan de zulke bij aanneeming altoos 6 6 2 maanden op de hand werden gegeven, zoo heb ik zulks in hoope van uw Hoog Edelens goedkeuring aan dese lieden op haare gedaane Jnstantie ƒ 176 3 Jnstantie jnsgelijks laten vertrec„ „ken,— Wijders verzoeken die menschen nogmaals zeer Eerbiedig van hare zal ten gelde te mogen maken Hier hebbe de Eere besluijten en met respect te blijve /:onderstond/ Hoog Edelen Gestrengen groot Agtbaren Heer En Wel Edelen Heere En Wel Edelen Heeren Lager/ uw Hoog Edelens ootmoedigen Dienaar /was getekend/ I: Reijnouts /in margine / Bantam den 1: September a„o 1764:— Batavia Van Bantam den 1: Septemb:r 174 Van Amboina den 31 August„s 1764 231. Batavia Aan Als Vooren Het sal U Hoog Edelens uijt mijne eerbiedige lette„ „ren van den 31. Maij jongstleeden gebleeken weesen, dat de Vendrigs Guthard en Gosling voorneemens waren, om geconjungeert de steeven te wenden na Poulo Gisser en ceram Laut, ten Eijnde zig te revengeeren over de vijan„ „delijke ontmoeting, die eerstgem: officier aldaar heeft gehad; Ik heb sulx geapprobeert, dog hem teffens op het ernstigste aanbevoolen de uijterste voorsigtigheijdt observeeren„ op dat sij niet in sulken Laborinth mogten geraken, als waar in de vendrig Guthard ten deele is geweest door het gemis van de pantjalling de Spion, die hen op Ha„ „ilen aan craams Noord Cust den 20:e maij weder — heeft aangetroffen zijnde deselve daar en boven bij brieven van den 14. Iunij aangeschreeven ingevalle de Expeditie op voorsz: plaatsen wel mogte komen te succedeeren, ende winden daar toe gunstig zijn, om als nog op de negorijsobo, alwaar volgens het ter nedergestelde bij het u hoog Edelens reets gesuppediteerd relaas van den vendrig guthart sub dato 24: april passato geen attacque te doen was sonder een groot verlies van de volck, door dien de inwoonders zig zig 1764 3n leer zig op klip dier negorij al te sterk ver„ „schanst en in postuur van defensie gesteld hadden, een landing te tenteeren met het werpen van boinben in en op deselve, zoo ook op Batoelomi vermits mij die plaats almeede seer suspect voorkomt, om dat de volkeren aldaar na het genoteerde bij voont: relaas sub dato 27: april op de aannadering van meerm: „eenige officier uijt zig selven op de wal staande en inde revier eige leggende vaarthuijgen in brand gestooken en de onse met het schieten uijt snapha„ „nen en het werpen van pijlen als uijt gedaagt hebben op een tijd dat de sware weegen hen verhinderde daar op een lan„ „ding te doen Van Amboina den 31:' Augustus 1764. — de 233. Van Amboina den 31 August„s 1764— De hoofden deeser kruijse xpeditie hebben mij daar op bij hunnen brief van den 28 Junij van Cauwa, leggende aan hun de Noord wisthoek van ceram bedeelt dat zij kruijten„ „ste de voir hebben aangewend van Poulo gisser te be„ „steevenen maar te vergeefs wijl zij daar in door de ooste„ „lijke winden en sterk om de west lopende stroo„ „men mitsgaders door de sware leccagie der orembaaijs verhindert sijn geworden en daar„ om den 8=te dier maand en besluijt genoo„ „men hebben om de steeven westwaards na zawaij te stellen, ten fine de orembaaijs wader met het nodige te voorsien Deselve zijn den 11:' dito aldaar gear„ riveert, en door den posthouder geeni„ formeert, dat binnen korten voor bij die post westwaards in 3: parthijen gepasseert waren 12: papause Corre Corres, Westhalven zij den 19: dito van daar vertreckende, de steeven gewend hebben na het gat van Nassauw af zij die roovers som„ wijlen agterhaalen mogten, De stuurman de Clerk den 10 Iulij onder de negorij Maloang tussen Cauwa 3 Van Amboina den 31 Augustus 1764. cauwa en zawaij leggende met 20: orembaaijs, en aldaar des morgens 6: corre corres in drie Ma„ „roelis /: of ligtere vaartuijgen /: op hun afsien„ de komende, heeft daar op ten eersten jagt gemaakt, maar de admiraal der roovers dit bemerkende deed daar op zeijn met een schoot uijt een draijbas voor de andere vaar„ „huijgen, die van hem afgeraakt waren, en de steeven stelden na een Chiam¬ „pang van Manipa, dewelk onder de wal lag dese vervoegden sig op dit zeijn ten eersten bij den selven en staaken ten samen na zee des niet te min vervolgde gem: stuur„ „man hen tot omtrent 4: a 4½ mijl uijt de wal, maar konde ommogelijk met deselve slaags raken, door dien de roeij„ „ers, niet tegenstaande zij tot het 235. Van Amboina, den 31: Aug:s 1764. — het scheppen aangemoedigt wierden, even traag daar in bleeven en sig van de roovers maar sog„ „ten schoot vrij te houden Intussen begon de lugt ook seer buijig te staan met reegen en wind en den avond hem stuurman te overvallen, westhalven hij besloot tot behoudens van alle de orembaaijs weder na de wal te stee„ „ken, egter overviel hen het wiere mets een swaare aanloopende zee dusdanig dat het grootste gedeelte der wembaaijs swaar leck werde ende zeijlen úijt malkander raakten Daar op hebben de hoofden der Expe¬ ditie geresolveert de barcq de Nagulboom met 8. orembaaijs onder het bevel van den vendrig Gosling onder de seeven eijlan„ den, leggende te over sawaeij, als een der voornaamste plaatsen sijnde daar de voorsz: roovers sig ophouden en den 9: Iulij verscheijde van heen en weer tussen deselve doorgeseijlt wa„ „ren, te laten blijven om soo veel mooglijk op 176 3
English
From Amboina, 31 August 1764. to watch for those pirates, while Ensign Guthard with the two other pantjallings, De Spion and De Liefde, and the remaining orembaais would steer westwards to Poulo Ficus, in order to repair the damaged vessels there as much as possible, just as they were repaired again and put in condition to be able to proceed with the cruise, except for the orembaais of the negorijs Zeijth, Lima, Titawaij, Ameth, Poorto, Lijnitoe, Onna, Haroeko, and Hoelalieuw, which, because of their irreparability, had to be dismissed from the fleet and sent home, and of which the first sank close to the negorij, though the crew was saved. Also, upon inspection, the pantjalling De Spion was found to be completely eaten through by worms from the keel up to the fourth plank, and moreover to have a hole in the break of its bow, wherefore, 237. From Amboina, 31 August 1764. wherefore, and by reason of a lack of the necessary materials for its repair, that vessel was sent hither and appeared at this castle on 5 August, in order to be properly supplied and repaired. With the aforementioned pantjalling, as appears from their letter of the first of this current month of August, the heads of the cruising expedition sent over under arrest the orang tua or elder of the orembaai of Titawaij, by name Christiaan Tomasoea, with 19 lb of cloves, which were found among his goods by one of that orembaai's crew; but this man, having probably found no opportunity to dispose of them on the coast of Ceram, and being certainly convinced of the crime of which he had made himself guilty by the transport of those cloves, having come inside this bay, during the night, undoubtedly 1764 From Amboina, 31 August 1764. undoubtedly out of fear of a condign punishment, jumped overboard into the sea, without it being known up to now whether he drowned, or came ashore here or there; nevertheless, I immediately ordered the officer of justice to search for his person. Because Ensign Guthard, regarding the cloves seized in the negorij Ceijlor, neglected to mention in his report whether he burned them all, or else, since he only says that he threw the cloves that he could not salvage into the fire and consequently burned them, from which one could not possibly ascertain how much or what quantity thereof could not be salvaged, I ordered him to report this to me after all, as he then did by letter of 28 July past, and affirmed that he took along no more than two pounds, and also a boeijang or box with dust mixed with a few mother cloves, 239. From Amboina, 31 August 1764. mixed through, because he had to make a quick decision to return back to the orembaais on the beach, since those peoples attacked him three times and the east winds also increased strongly, which made him fear that with a longer stay on the south side of Ceram he would not be able to get above Kessing. Of the powder barrels, which the frequently mentioned officer discovered on Poulo Gisser, Ceram Laut, and Kessing, although empty, I had flattered myself that he would have taken some, in order to be able to trace, if possible, from where they came or by which treacherous servants or inhabitants they were supplied to the native nation there, as he calls them Company powder barrels in his report; but having addressed him in this regard by my letter of 14 July, he replied to me by his letter of the 28th thereof that he had not considered it necessary to take along those empty barrels, although it was nevertheless apparent from the hoops, 1764 From Amboina, 31 August 1764. hoops made of Javanese rattan, that they were from the Company. Your Right Honourables will, if it pleases you, be able to observe from the depositions obtained here and accompanying this, from the native of Larieque, Notte Barriten, and from the Amboinese soldier Jeremias Gomes cum suis, who on 5 May, with the capture of the orembaais of Larieque and Caijlolo, fell into the power of the peoples of Ceram Laut, that the Ceramers buy the powder that they use mostly from the Banda burghers in that government itself, and also trade it on Ceram with them for slaves, etc. I gave notice of this to Mr. Pieters on the 17th of this month, so that the necessary precautions could be taken against it, and an eye kept on those who might be suspect, as there is a certain Saleeman, whom it is maintained was the spokesman or adviser to those of Ceram Laut to hang the two native soldiers, From Amboina, 31 August 1764. 241. native soldiers Hans Jsaak and Willem Risalolo, who had likewise fallen into their hands, but nevertheless escaped from them again, because they would otherwise run away at one time or another and the Company would come to destroy their negorij, according to their declaration or deposition made at Sawaij on 17 June, in which they also testify not only to having seen there a junk with nutmegs and 3 to 4 swivel guns in all the houses, but also to have heard that the aforesaid peoples together with the Papuans wanted to invade Sapparoua and Nussalaut, and were not afraid even if we came with 100 orembaais, adding thereto, if the Company has guns, we do too, at the same time fetching and showing to them, the declarants, as they say, small gold and silver bullets, while asking whether the Company also shot with small gold and silver bullets. A proof truly, Right Honourable Gentlemen, that they intend no good. 1764
Dutch transcription
Van Amboina den 31: Augustus 1764. op die zeeschuijmers te passen, terwijl de ven„ „drig Guthard met de twee andere pantjallings ƒ de Spion ende liefde ende resteerende orembaaijs westwaards zoude steeven en na de poulo Ficus, om aldaar de on„ tramponeerde vaartuijgen soo veel doen„ „lijk te herstellen, gelijk ze weder herstelte en in staat gebragt zijn om de kruijstogt te kunnen vervorderen uijtgenoomen de orembaaijen van de negorijen zeijth, Lima Tilawaij Ameth, poorto Lijnitoe, onna Haroe„ „ko en Hoelalieuw, door dewelke om dersel„ ver onherstelbaarheijd uijt de vloot hebben moeten worden gedimitteert en na huijs gesonden, en waar van de eerste digt bij de negorij gesonken, dog de man„ schap gesauveert is, — Cok is de pantjalling de spion bij wi„ „citatie bevonden van de kiel af tot op de vierde plank toe in 'te geheel door de wormen door knaagt te wesen en booven dien een gaat in 't breeken van sijn boeg te hebben, weshalven 237. Van Amboina den 31 August„s 1764. weshalven en om reeden van gebrek aan de no„ dige matriaalen tot desselfs reparatie dat vaartuijg herw=s gesonden en den 5: augus„ tus aan dit casteel verscheenen is, om na behooren voorsien en gereppareert te wor„ den, Met evengem: pantjalling is door de hoofden der kruijs expeditie blijkens hun„ „nen brief van primo deser loopende maand augustus in arrest overgesonden de orangtoua of oudste van de orembaaij van Tita waij in name christiaan Tomasoea met 19 lb nagulen dewelke door een dier orembaaijs volkeren onder zijne goederen gevonden zijn, maar deese, waarschijn„ „lijk geen kans gevonden hebbende om die aan„ cerams Cust van de hand te setten, en seekerlijk gepersuadeert weesende van de mis„ „daat waar aan hij zig schuldig had ge„ „maakt door den vervoer dier nagulen, is binnen deese bhaaij komende, des nagts onge„ twijfelt 176 3 1764 Van Amboina den 31 Augustus 1764. — ongetwijfelt uijt vreese voor een condigne straffe, overboord in zee gesprongen, sonder dat men tot nog toe weet of hij verdronken, dan wel hier of daar aan de wal gekoomen is, egter heb ik den officier van Iustitie inmediaat gelast na zijn persoon recher„ ge te doen. — vermits de vendrigs guthord nopens de in de nego„ „rij ceijlor agterhaalde nagulen versuijmt heeft bij zijn relaas te melden, of hij deselve alle verbrand, dan wel, na„ dien hij daar hij alleen segt de nagulen die hij niet bergen konde in 't vuur gesmeeten en gevolglijk ver„ „brand te hebben, waar uijt men onmogglijk konde na„ gaan hoe veel of wat quantiteijt daar van niet gebor„ „gen heeft konnen worden, so heb ik hem gelast sulx aan mij als nog op te geeven gelijk hij dan ook bij brieve van den 28: Iulij passato gedaan en betuijgt heeft niet meer meede genoomen te hebben als twee pond en nog een boeijang /:of doos:/ met stof een rer moernagulen door 239. Van Amboina den 11 Augusts 1764. — doormengt om dat hij een korte resolutie neemen moest om weder na de orembaaijs aanstrand te rug te keeren, vermits die volkeren drie keeren op hem invielen ende ooste winden meede sterk toenamen die denselven deeden vreesen van bij een langer vertoef aan Cerams zuijd zijde niet booven kessing te sullen kunnen koomen. — van de kruijtvaten, die meerm: officier op Pould gisser, ceramlaut en ketfing ontdekt heeft hoe wel leedig, had ik mij geflatteert dat hij eenige soude genoomen hebben, om des doenlijk na te kunnen speuren van waar die gekoomen of door welke trouwloose diena„ „ren of ingesetenen deselve aan de jnlandsche na„ „tie aldaar gefourmeert zijn, dewijl hij ze bij zijn relaas Comp„s kruijtvaten noemt, maar„ denselven deswegen bij mijne letteren van den 14 juhij onderhouden hebbende heeft hij mij bij zijn „nen brief van den 28 daar aan g'antwoord het niet no„ „dig gevonden te hebben die leedige vaten meede te nee„ „men hoe wel het egter blijkbaar was aan de hoepels 1764 3 Van Amboina den 11 Augustus 1764— hoepels van Javaanse rottingen gemaakt, datse van de Comp: waren sullende u Hoog Edelens des behagende uijt de al„ „hier ingewonne en deesen accompagneerende verkla„ „ringen van den inlander van Larieque Notte Barriten van den Ambonees soldaat Ieremias gomes C: S: dewelke den 5: maij met de overmeestering der orem„ „baaijen van Laricque en Caijlolo in de magt der volkeren van Ceram laut vervallen zijn geweest kunnen beschouwen dat de Ceram„ „mers het kruijt, dat zij gebruijken, meest van de Bandase burges in dat gouvernement selfs inkoopen, en ook op ceram van hen niruijlen tegens slaaven E trc=a Ik heb hier van den Heer Pieters den 17=en deeser kennis ge„ „geeven op dat daar tegens de noodige voorsienige soude kunnen worden gedaan, en het oog gehouden op die geene welke suspect mogten zijn, gelijk daar is eene saleeman die men wil dat de zeg= of raadsman zoude zijn geweest aan die van ceram laut om de twee almeede in Van Amboinda den 1 Aug„s 1744 241. in hunne handen vervallene, edog daar uijt weder g:echappeerde inlandsche soldaaten hans jsaak en willem Risalolo op te hangen wijl zij an„ „ders de een of ander tijd zouden wegloopen, en„ de Comp: hare negorij koomen destrueeren, uijtwij„ sens hun declaratoir of verclaring op zawaij den 17. Iunij gepasseert waar bij zij meede getuijgen aldaar met alleen een jonk met nooten en in alle de huijsen 3: a 4 draeijbassen gesien, maar ook gehoort te hebben, dat voorsz: volkeren te samen met de papouers sapparoua en Nussa„ „laut wilden invadeeren, en niet bang waren al quamen wij ook met 100 orembaaijs daar bij voegende heeft de Comp: stukjes wij ook„ met eenen voor den dag halende en aan hun de Claranten vertoonende zo zij zeggen goude en silvere kogeltjes, onder afvragen af de Comp: ook met goude en silvere kogelte„ „jes schoot Een bewijs waarlijk Hoog Edele Heeren dat zij niet veel goeds in 't zin hebben 1764 3en le
English
From Amboina, the 31st of August 1764. having having also already shown this to the Banda cruising pantjalling de Generaal, which according to the aforementioned declaration of the native of Laricque Note Barrit and the soldier Jeremias Gomes et al. was captured off Poulo Gisser, the crew murdered, and the hull burned, recounting that having come aboard the same, the Radja of Quellemoekij and the Orang Kaya of Poulo Gisser with some orembaais, asking the mate whether he needed water and firewood, and the latter answering yes, he transferred his empty casks into the aforementioned orembaais, and subsequently, at the request of the said Radja to also go ashore to wash, stepped into the orembaai with two Europeans, that upon all three of them being massacred there, the people furthermore crossed over into the pantjalling, and killed the remaining crew, brought that vessel 243. From Amboina, the 31st of August 1764. ashore off Poulo Gisser, stripped sails and rigging etc. from it, set fire to the hull, and divided the goods among the Radja of Quellemoekij and the Orang Kayas of Ceram Laut, Poulo Gisser, Keffing, Hoewaij, Killehoehoe, and Killebia; moreover, that the Orang Kaya of Keffing on the 4th of July, when the other Banda cruising pantjalling de Perel was seen at the point of Rarakit, crossed over to Poulo Gisser for consultation in order likewise to take it by surprise, just as some orembaais had already gone out for that purpose, though in vain, as that vessel had in the meantime set sail; likewise that that nation also attempted to make themselves master of that fleet by surprise on the 6th of June when Ensign Gosling lay at anchor before Waroe with the pantjallings de Liefde and Sapparoua together with 12 orembaais. This undertaking I have judged to be of such weight that for the sake of the consequences I found it advisable on the 30th of July last to submit to the consideration of the Members of the Council of Policy what they thought ought to be done in this case for the preservation of the Company's dignity and relief, since from the frequently mentioned account of Ensign Guthard under dates of the 3rd, 4th, and 5th of May it appeared that the peoples of Poulo Gisser and Ceram Laut have committed the first hostilities against us, and that one consequently could not leave the capture of the aforementioned pantjalling unavenged, in order not to bring the native to the notion as if one began to fear them, or else that the Company lacked the power to avenge such a bold undertaking; whereupon it was then deliberated and taken into consideration, on the one hand, that the negorijs or places by whose inhabitants the 245. From Amboina, the 31st of August 1764. pantjalling de Garnaal was captured and our cruising fleet was also attacked, belong under the territory of the King of Tidor, and that one could therefore lodge a complaint with that court about it; but on the other hand also that all the complaints that have been made up to now, both at present and in former times, regarding the hostilities committed by His Highness's subjects, the Papuas, and others, have found no hearing, and that the fiefdom held by the aforementioned monarch or his subjects gives no right to insult the liege lord with acts of violence, or he is ipso facto to be regarded as forfeited and deprived of the fief, and that the Company consequently has the right on its side to take revenge for the one and the other. On which occasion I also placed before the eyes of the aforementioned members: firstly, that the cruisers, due to the easterly winds and currents running strongly to the west, have already From Amboina, the 31st of August 1764. had to abandon their intention to steer for Poulo Gisser; secondly, that the pantjalling de Spion, according to their letter of the 25th of July, was so gnawed through by worms and leaky that the same, as already cited above, was to be sent hither, and that consequently the strength of the cruisers would be weakened thereby, without our being able to assist them with another vessel, since the sloop de Nooteboom was hauled onto the beach for repairs after Manipa and the Pepper Garden, and could not be got afloat for the present; thirdly, that the commanders of the cruising expedition had neglected to report the strength of their force, and that one could therefore not know whether, besides the men reported as fallen in their letter of the 28th of June, any had also died, for which reason they would need reinforcement; fourthly, 247. From Amboina, the 31st of August 1764. fourthly, that the general strength of the militia at this main Castle and its subordinate posts—the powder mill, the Pass Baguala, Alang, Hoetoemoerij, and Nussaniwe (the outer stations and the soldiers being on the cruising expedition excluded)—at present nominally consisted of 267 men, among them 33 sick and 7 diverse on-duty personnel, or effectively at this Castle Victoria alone of 134 heads nominally, among whom 47 native soldiers, with whom must be garrisoned the main guard, the water gate, the curtain wall, and the Governor's guard, and that consequently not a single man could be spared from them. Whereupon it was resolved, as they seemed to await further orders, to authorize the commanders of the cruising expedition, as they were authorized on the same day, that whenever they might consider themselves strong enough, and not too much
Dutch transcription
Van Amboina den 31: Augus„ 1764: hebben hebbende sulx ook alreede getoont aande arnaal bandase kruijspantjalling de Generaal, dewelke volgens de opgemelde verklaring van den inlander van Laricque Note Barrit en den soldaat Jeremias Gomes C: S: voor Poulo Gisser afgeloopen 't, volke vermoond, en 'thol verbrand is, Verhalende dat aan dies boord gekoomen zijnde radja van quellemoekij en den orangcaaij van Poulo gisser met Eenige orembaaijs, den stuurman vragende of hij water en brandhout nodig hadde dat deese daar op antwoordende ja zijn leedige vaten in voorsz: orembaaijs overgegeeven heeft en vervolgens, op 't versoek, van gesegden Radja, om meede na de wal te gaan wasschen, met twee Europeesen in de orem„ „baaij gestapt is, Datse daar op alle drie gemassacreert sijnde het volk wijders in de pantjalling over ge„ „gaan is, ende resteerende manschap ongebragt, dat vaartuijg 243. Van Amboina den 31 Aug„s 1764: — vaartuijg voor Poulo Gisser op de wal gehaalt, zeijl en treijl Etr=a daar afgeligt; de romp in brand gestooken, en de goederen verdeelt heeft onder den Radja van quellemoerij ende oranglaaijen van Ceramluut Pould gissere Keffing Hoewaij killehoehoe en Killebia waarts ook dat de orangcaaij van keffing den 4: Iulij toen de andere bandase kruijs„ pantjalling de Perel op de hoek van Rarakit gesien wierde, na Poulo gisser overgegaan is ter beraadslaging om die insgelijx te overrompelen, gelijk daar op al eenige orembaaijs uijtgeweest— hebben, dog te vergeefs, wijl dat vaartuijg intussen onder zeijl gegaan was, item dat die natie almeede getragt heeft zig den 6. Junij toen de vendrig Gosling met de pantjallings de liefde en Sapparoua benevens 3 Van Amboina den 31: Augustus 1764. benevens 12: orembaaijen voor waroe ten anker lag, van die wloot bij verassing meester te ma„ „ken — Dit bestaan heb ik van sulken gewigt g'oordeelt, dat ik om der consequentien wille raadsaam heb gevonden den 30: Julij passato de Leeden van Politie in Consideratie te geeven, wat zij dagten dat in dit geval diende gedaan te worden tot conservatie van s' Comp„s Agtbaarheijd en ontslag vermits uijt het meergem: relaas van den vendrig Guthard sub datis 3: 4: en 5: maij Con„ „teerde dat de volkeren van Poulo Gisser en Caram laut ten onsen op sigte de Eerste vijandelijkhee„ „den gepleegt hebben, en dat men oversulx het afloopen van voornoemde pantjalling met on„ gewrooken konde laten, om den inlander niet in een denkbeelt te brengen als af men- haar begon te ontzien, dan wel dat het de Comp: aan magt ontbrak om sulk een stout bestaan te revengeeken waar over als toen gedelibereert en in overweeging genoomen is aan de eene kant dat de ne„ „gorijen of plaatsen door wien inwoonderen de 5 245. Van Amboina den 31: aug„s 1764. — de pantjalling de garnaal afgeloopen en on„ „se kruijsvloot meede g'attaqueert is geworden, gehooren onder het zeer befit van den koning van Tidor en dat men dus daar over bij dat hof zoude kunnen doleeren maar de andere kant ook dat alle de doleantien, die tot nog toe so wel nu als in voorgaande tyden gedaan sijn over de gepleegde vijandelijkheeden door sijn hoogheijts onder„ „danen, de Papoeren en andere meer geen ingang gevonden hebben, en dat het leenbesit aan„ „gem: vorst of zijne onderdaanen geen regt geeft om den Leen hier te insulteeren met dadelijkge heeden af hij is ipso facto aan te merken als verstooken en vervallen van het leen, en dat de Comp: gevolglijk het regt aan hare zijde heeft om sig over het een er ande„ „re te revengeeren. Bij welke gelegentheijd ik voorsz: lee„ „den teffens voor oogen stelden p=mo dat de kruijssers mits de oostelijke winden en sterk om de west lopende stroomen reets hebben 3 Van Amboina den 31: aug„s 1764: — hebben moeten afzien van hun voorneemen om na Poulo Gisser te steevenen 2„de dat de pantjalling de spion navolgens hun schrijven van den 25: Iulij zodanig van de wor„ „men doorknaagte en lek was dat deselve, zo als vooren bereets geciteert staat, herwaards stond gesonden te worden, en dat consequente„ „lijk de magt der kruijssers daar door ver„ „swackt zoude worden, sonder dat men vermogend was hen met een ander vaartuijg te konnen adsisteeren, vermits de Chialoup de Nooteboom na Manipa ende Peperthuijn, ter reparatie op strand gehaalt voor eerst nog niet vlot te krijgen was 3=de dat de hoofden der kruijsexpeditie varsuijmt hadden de sterkte van hunne magt opte geeven en dat men dus niet konde weeten of er buijten de bij hunnen brief van den 28: Junij als gesneuvelt bekente gestelde man„ schap ook nog eenige overleeden waren waar„ om zij versterking zouden nodig hebben, 4de 247. Van Amboina den 31: aug„s 1764. 4=e dat de generale magt der militie aan dit hoofd Casteel en dies onderhoorige posten, de kruijt„ moolen de pas baquala; Alang Hoetoemaerij en Nussauwe /: de buijten Comptoiren ende op de kruijstogt zijnde soldaaten uijtgeson„ derd: /: tans primoplan bestont in 267: man„ daar onder 33: zieken en 7: diverse dienst„ doenders, af effective aan dit casteel victoiria alleen in 134: coppen primd plan, waar onder 47: inlandsche soldaaten, met welken beset moeten worden de hoofdwagt de waterpoort de Ringmuur en S' gouverneurs wagt en dat gevolglijk daar van geen een man afte steeken was waar op geresolveert is de Hoofden der„ cruijs Expeditie, wijl zij noordre scheenen te wagten te qualificeeren, gelijk ze tenzelven dage gequalificeert zijn om so wanneer zij hen sterk genoek mogten agten, en niet te seer - 3
English
From Amboina, 31 August 1764. too severely weakened by sickness of the crew, or otherwise combined with the pantjallings de Liefde and Sapparoua as well as the chaloup de Nagulboom, and all the orembaais in their company, to take reprisals for the capturing of the aforementioned Banda pantjalling, without exposing themselves too lightly to hazards, having seen how treacherously the peoples of Ceramlaut, Keffing, Poulo Gisser, etc. treat our men under the guise of friendship, with the recommendation to be on their guard and prudent in every way, and also, in case of an encounter, to reinforce their power by taking along the Banda cruising pantjalling de Perel, taking off from the pantjalling de Spion before its dispatch hither, as has also been done, all the crewmen found on board in excess of those required to maneuver the vessel in order to transport it hither. In case the cruisers among the military should have any sick men, the commanders thereof are permitted to exchange them at the passing posts for healthy ones, provided that accurate records thereof are kept, and that they continually give me communication concerning this as well as their strength. Since then, the aforementioned commanders, by letter of 15 August from Sawai, have informed me of the poor condition of the previously mentioned and there encountered pantjalling de Perel, both on account of severe leakage and sickness among the crew, as appears more fully from the writing that its mate Martens delivered to them for assistance of crewmen, whereupon they assigned 12 natives to him to use them at the pump and thereby bring that vessel hither or into a safe harbor at one of the neighboring subordinate stations, just as it then also arrived here on the 29th of this month to be repaired. Of the 10 soldiers and 10 sailors who were stationed upon it, there died during the cruising expedition Ensign Bouman and three soldiers, as well as two sailors. A copy of the instruction given to the aforementioned Ensign cum suis by the Governor of Banda, Pelters, having reached me, I have the honor to transmit a copy thereof to Your Excellencies, and also to offer under the enclosures of this document an account of two Manipa men named Bangale and Sanene, who had been abducted by the Papuans, who thereby declare to have seen on Salwatti that the Papuans have gathered together with the intention to destroy Bonoa, Manipa, and Ambon, and not to cease until they are masters of the Castle. Although I do not think that they will attempt the latter for the present, I nevertheless found myself obliged to give Your Excellencies notice thereof to show how far the designs of that people extend, the more so because a secret understanding seems to exist between them and the Ceramers, at least as far as the feudatory districts of the King of Tidore extend, if one takes into regard first the pretext of the Orang Kaya of Poulo Gisser to Ensign Guthard that the heavy war which they had with those of Keffing and Ceram Laut in the previous year was still continuing, of which nevertheless the contrary has become evident; and on the other hand, the agreement of the accounts that arrive now and then concerning the intentions of both, considering that not only from the accompanying declaration taken on Banda on 6 June last of the Chinese Tan Liokte it can be seen that a certain Ceramer named Groen is said to have told him while on Goram that the Ambonese cruisers had mistreated his countrymen, and that they for that reason wanted to conspire with the Papuans and Kei islanders to attack the Government of Amboina, and if Banda wished to assist it, that they would await that, but if the last-mentioned Government wished to treat them well, that they would also remain good; but from the previously cited deposition of the soldier Jeremias Gomes cum suis it also appears, among other things, that those of Keffing and Poulo Gisser, expressing themselves about the manner in which they had become masters of the pantjalling de Garnaal, added thereto: we shall have the Company even better; if we cannot get the places where a chief resides, then we will attack the posts and small villages, and make ourselves masters thereof. That this intention must have long resided with them can hardly be drawn into doubt, if one takes into consideration the large number of vessels that Ensign Guthard encountered on Ceram Laut on 3 May, as shown by the notes to my humble reports of the ultimate of that month, and furthermore that the Ceramers are already becoming so bold that they dare to send armed men ashore and let them attack our people to overpower or murder them, as appears from the incident that the Sapparoua chief Senior Glain describes in his letter of 28 May past, namely that the Raja of Oelath with the two soldiers stationed there at his roadstead or anchorage, that the day before in the afternoon at about two o'clock a pair of Ceram junks had arrived at that post, and immediately more than 40 well-armed fellows jumped ashore to, if not murder, at least capture those soldiers stationed there by my order at the request of the said Raja, although they fortunately escaped by flight, that rabble having burned the guardhouse down to the ground and thereupon retreated again. I
Dutch transcription
Van Amboina den 31: aug„s 1764. — te seer verswakt zijn door siekte van het volck of andersints gecombineert met de pantjallings de Liefde en Sapparoua mitsgaders de Chia„ loup de Nagulboom, en al de bij hen heb„ „ i1 „bende orembaaijs represaille te gaan neemen 67 over het afloopen van meerm: bandase pant„ „jalling sonder sig te ligt te hasardeeren als gezien hebbende hoe verradelijke de volke„ „ren van Ceramlaut keffing, Poulo gisser Etrc= de onse onderscheijn van vrindschap tracteeren met recommandatie om alle sints op roede en voor zigtig en ook, in cas van ontmoe„ „ting tot versterking van hunne magts meede te neemen de Bandase kruijspantjalling de Peree, ligtende van de pantjalling de spion voor desselfs de peche herw„ts gelijk ook ge„ „schiet is, al de manschap, die door op boven de benoodigde tot manouare van het vaar„ „tuijg om het herwaards te transporteeren gevonden wierd Ingevalle de kruijssers onder de mili„ „tairen eenige sieken mogten hebben zijn de hoofden derselve gepermitteert die op de passeerende 249. Van Amboina den 31 aug„s 1764. depasseerende posten tegens gesonde te verruij„ len, mits daar van accurate aanteeke„ „ning houdende, en deswegen mitsgaders van hunne sterkte mij telkens communi„ „catie geevende — zeedert hebben voorsz: hoofden mij bij brieve van den 15: aug„s van zawaij bedeelt den slegten toestant van de voortwaards gemelde en aldaar aangetroffene pantjalling de Perel zo wegens sware leckagie als siekte onder het volcke breeder blijkende bij het schriftuur, dat dies stuurman Martens aan hen heeft overgelevert om adsisten„ „tie van manschap, waar op zij hem 12: in„ „landers hebben bij geset, om deselve aan de pomp te gebruijken en daar meede dat vaartuijg herw„s of op een der onderhoorige naast geleegene comptoiren in een be„ „houden haven te brengen gelijk het dan ook den 29: deeser alhier aangekoo„ „men is om gerepareert te worden van de 10: militairen en 10: zeevarendende, die daar op bescheijden geweest zijn geduurende de 3 Van Amboina den 31: aug„s 1764. de kruijstogt overleeden de vendrig Bouman en drie soldaaten mitsgaders twee mattroosen van de Instructie aan voornoemden vendrig C: S: door den Heer Bandas Gouverneur Pelters mede gegeeven mij een Copia geworden zijnde so heb ik de eer u Hoog Edelens daar van een afschrijft over te zenden, en ook ander de bijla„ gen deeses aan te bieden een relaas van twee door de papouers geroofd geweest zijnde Mani„ „peesen genaamt Bangale en Sanene, dewel„ „ke daar bij verklaaren op salwattij gesien te heb„ heb, dat de papouers bij malkanderen vergadert zijn met voorneemen om Bonoa Manipa en am„ „bon te destrueeren, en uijt te scheijden als zij het Casteel magtig zijn, — schoon ik niet denken dat zij het laaste nog voor eerst sullen lenteeren heb ik mij egter verpligt gevonden u Hoog Edelens daar van kennis te geeven ter aantooning hoe verre sig de dessleij„ „ning, hoe verre sig de desseijnen van dat volck uijt„ „trecken, te meer om dat 'er tussen het selve ende Ceramers / ten ministen voor so verde Leendistriten van Tidors kooning gaan/ een geheijnie verstand houding schijnt ƒ Van Amboina den 31: Aug„s 1764. 251. schijnt te vinden als men reguard neemteerst op het voorgegeeven van den orangcaaij van Pou„ „lo Gisser aan den vendrig Guthard, dat de zware oorlog die zij in 't voorleeden jaar met die van Keffing en ceram laut hadden nog duurde waar van nogtans het tegendeel gebleeken is, en aan we„ „der op de overeenkomst der relasen, die wegens beijder oogmerken nu en dan inkoomen, gemerkt niet alleen uijt de hier bezijden overgaande en op Banda ingewonnene verclaring van den 6: junij jongst van den Chinees Tan Liokte zien is dat seker Ceramer groen genaamt, hem op goram zijnde verhaalt zoude heb„ „ben, dat de Amboneese kruijsser zijne lands„ „lieden qualijk bejegent hadden en dat zij uijt dien hoofde met de Papoesen en keij„ „neesen wilden samen spannen om het gou„ „vernement Amboina aan te doen en zoo Banda het selve wilde adsisteeren, dat zij zulx zouden afwagten, maar wan„ „neer laastgem: gouvernement haar lieden wilde goed behandelen dat zij dan ook goed zonder Blijven maar 3 Van Amboina den 31: aug=s 1764. — maar uijt het voorwaards geciteert declaratoir van den soldaate Jeremias 5 Gomes C: S: onder anderen ook blijkt, dat die van ketting en Poulo gissere, zig uijtlatende over de manier inwel„ „ker voegen zij van de pantjalling de te garnaal meester geworden waren daar bij gevoegt hebben wij zullen de comp: nog beeter hebben, kunnen wij de plaatzen niet krijgen daar een opperhooft legt dan zullen wij de posten en kleijne negorijs aan doen, en ons daar van meester maaken Dat dit voorneemen al lang bij haar geleegen moet hebben is bij na in geen twijffel te trecken als men in conside„ „ratie neemt het groot getal vaarthuij„ „gen dat de vendrig guthartd en 3: Maij uijtwijsens het genoteerde bij mijne onderdanige advisen van ult„o dier maand op ceramlaut aangetroffen heeft, en dan ook nog dat de Ceram„ „mers reets zo stont worden, dat zij 253. Van Amboina den 31: aug„s 1764. — zij gewapent volk aan de wal durven senden, en die op de onse doen los gaan om die af te overmeesteren of te vermoor„ den gelijk blijkt aan het geval dat het sapparouas opperhooft S:r glain bij zijn brief van den 28: Maij passato be„ schrijft namentlijk dat de Radja van oelath met de twee soldaaten, die aldaar op zijn Laboean of ankerplaats, dat daags te voeren inde nademiddag omtrent twee uuren een paar ceramse Jonken bij die post waren gekoomen, en ten eer„ „sten met meer dan 4o wel gewapende kerels aan de waal gesprongen, om die militairen /:ter mijner ordre op ver„ „soek van gemelde Radja aldaar gelegt, zo niet te vermoorden, ten minsten hun van deselve meester te maken, hoewel zij het geluckig door de vlugt ontko„ men zijn hebbende dat geboefte het wagthuijsje tot aan de grond toe afgebrand en sig vervolgens we„ „der geretireert. — Ik 3
English
From Amboina, the 31 August 1764. I immediately ordered the said Senior Glam to send at once some reinforcement, even if it were only a sergeant with twelve men, thither until such time as such smugglers were no longer heard of at all, as I felt assured that they would seek to take reprisals for the discovery which our cruisers made on the south coast of Ceram, and that one consequently ought to place oneself in a posture of defense in order to be able to resist their bold undertakings and to prevent both their arrival on the shore and the purpose thereof, to carry on a forbidden trade in cloves. Since then, on the 26th of this month, three Ceram junks were again before the negorij Abobo, situated on the southeast side of the clove-rich island of Nussalaut, which attempted to effect a landing there, without however succeeding therein because of the heavy surf on its rocky beach, on account of which they had to put to sea again, on which occasion about 300 men from that village turned out, who then captured a Bugis slave boy who in former times belonged to the deceased pattij of that village, and having been a runaway for nearly three years, came ashore from those junks and was decapitated by the aforesaid Abobo people because they could not master him alive since he was too well armed, as may be seen from the accompanying letter from the Saparoua chief Pieter Glam of 28 August, accompanied by a further one of the 29th ditto, wherein the said chief communicates to me among other things how he is daily informed from the outposts that at times two, three, or four of those junks sail close past the posts with a Malay shouting of "Mana Hollanda, mana orang Compagnia, datang kamarie" (where are the Dutch, where are the Company's people, come here), without anything being able to be done against it (as the letter states) except answering with silence and being on one's guard. From Banda the Keffing orangkaya Hamba has recently been sent hither, who, being a suspicious knave, is to be transported under arrest at the first suitable opportunity by Chinese vessel, or otherwise in the coming year with a Company vessel, to be at the esteemed disposal of Your High Excellencies, for such reasons as are cited in the secret resolution of this administration of the 17th of this month, to which I take the liberty of referring. Furthermore bringing to the knowledge of Your High Excellencies that on the 28th of this month there arrived here a Christian native of Bouro named Daniel Tomas, who having been abducted by the Papuans in the past year and transported to Salwatty, fled away from there with four other natives, relating: That at Salwatty four large vessels arrived with Bugis, Butonese, Bonerate people, and Madurese, bringing all kinds of Macassar cloths in order to barter for slaves therewith, and furthermore also (as that nation pretends, for their defense) flintlocks, blunderbusses, and pistols; further, that the Raja in his assembly resolved to attack all the Company's small posts and massacre the Europeans without pardon. Item that an English ship bound for the Mainlhas called there, and that both its boats with one European and nine Moors coming ashore for water were detained by the Raja, the Moors sold into slavery, and the European, together with two other mestizo children who were there and he, the relator, were forcibly circumcised. And lastly that the ship's authorities, after the detention of their boats, sent the launch to the shore with about twenty men, burned many houses, and thus recaptured one boat, as appears from the letter of the sergeant post-holder at Zawaey of 31 July and the further report given here by the aforementioned Daniel Thomas of 28 August last, serving as confirmation of what was related on 7 June by a native of Amblauw named Packarkoene, that during the time of his presence at Salwatty a three-masted ship had passed by which had fired several shots. I do not doubt that Your High Excellencies will be able palpably to perceive from all the foregoing that, so to speak, a general conspiracy has been formed among the East Cerammers with the Papuans and other native nations to disturb the Company in its possessions in this quarter and in the Banda province. The importance of this conquered region for the state of the Netherlands Company causes me to take the liberty to urge upon Your High Excellencies an extraordinary relief of manpower, both military and seafaring, not only to make ourselves more formidable at the respective factories and districts and to place ourselves in a better posture of defense, but also thereby to be able to undertake, if necessary, something of weight against the aforesaid Cerammers, who, although not eager for war insofar as they belong under Tidor's feudal tenure, I am of the opinion ought once, with the consent of Your High Excellencies, to be curbed by force of arms and deterred from their smuggling trade. And for this our present force is not sufficient, for the same at present consists in total, in the first place, of 381 European and 242 native soldiers, and 141 seafaring and 114
Dutch transcription
Van Amboina den 31 aug=s 1764. Jk heb daar op immediaat gem: S=r glam gelast ten eersten eenige ver„ „sterking al was het maar een sergeant met twaalf man derwaards te senden tot so lange dat men diergelijke smag„ kelaar in 't geheel niet meer quam te verneemen, wijl ik mij verseekert hielde datse represaelle zoude soeken te neemen overde ontdecking die onse kruijssers aan cerams zuijdcust ge„ daan hebben en dat men sig dierhalven in postuur van de censie diende te stellen om hunne stoutmoedige onderneemingen te kunnen tegengaan en zo wel hun aan komst aan de wal, als het oogmerk van dien om verbooden handel in na„ „gulen te drijven te beletten zedert en weder den 26:e deser maand voor de negorij abobo, geleegen aan de zuijd oostkant van 't Nagulrijk Eijland Nussalaut, geweest drie Ceram„ „se jonken die geprobeert hebben aldaar een landing te doen, sonder agter„ daar 255. Van Amboina den 31: aug„so 1764. daar in te reusseeren door de sterk bran„ „ding aan dies klippige strand, om welkers willeze weder hebben moeten zee kiesen zijnde bij die gelegentheijd wel om„ „trent 300 man van dat gerugte op de been geweest, dewelke toen magtig zijn gewor„ „den een bougineese slaave jonge, die in vorige tijden den overleeden pattij van dat gehugt heeft toebehoort, en sedert bij na drie jaren gedrost geweest zijnde van dier jonken aan de wal gekoomen en door de voorsz: aboboneesen gedecepiteert, om dat zij hem niet levendig konden meester worden ver„ „mits hij te wel gewapent was, gelijk te zien is uijt de nevens leggende brief van het saparouas opperhooft P=r glam van den 28 augs„ verselt werdende van een nadere van den 29:' dito waar bij gem: opperhoofd mij onder anderen Communi„ „ceert hoe hem dagelijks van de buij„ ten posten berigt werd dat er dan eens twee, drie ofte vier van die jon„ ken digt voor bij de posten heen varen met 3 Van Amboina den 31: aug„s 1764. met een maleijts geschreuw van Mana Hollan„ „da, mana orang Compagnia, datang kamarie /waar zijn de Hollanders waar is 't volk van de Compagnie kom hier (sonder dat daar tegens iets te doen is /gelijk de brief dicteert als het met stilswijgen te beant„ „woorden en op zijn hoede te weesen, Van Banda is deser daagen herwaards gesonden de keffings orancaaij Hamba, dewelke als een suspecte knaep bij de Eerste voorkomende beetere aan deese occasie per chinees vaar„ „tuijg, of wel in 't aanstaande jaar met een Comp„s boodem ter g'eerde dispositie van u Hoog Edelens in arrest staat over te„ vaaren om sodanige reedenen als bij de secreete resolutie van dit ministerie van den 17: deeser aangehaalt staan, naar aan ik de vrijheijd neem mij te refereeren, Voorts ter kennis van u Hoog Ede„ „lens brengende dat den 28: deeser alhier aangekoomen is een Christen Jnlander van Bouro genaamt Daniel Tomas, die door de Papouers in 't voorleeden jaar gerooft, en na 25. 7. Van Amboina den 31: aug„s 1764 na salwattij overgebragt zijnde, van daar niet nog vier andere jnlanders weggevlugt is verhalende Dat op salwattij vier groote vaar„ tuijgen zijn aangekoomen met boegineesen, Boetonders, Boneratters en madjoreesen, aanbrengende allerhande soort van Malcas„ saarse kleetjes, om daar voor slaaven in te vuijlen en voorts ook (zo die natie voorgeeft ter harer defensie :/ snaphaanen donderbussen en pistoolen wijders dat den Radja in zijne vergadering beslooten heeft alle Comp: kleene posten aan te doen en„ de Europeesen sonder pardon te massacreeren Item dat aldaar gepasseert is een En„ „gelsch schip en wil hebbende na de Mainlhas„ en dat desselfs beijde schuijten met een Europees en negen mooren om water aan de wal koomende, door den Radja aangehouden, den mooren t slaaven verkogt de Europees met nog twee aldaar zijnde mictiese kinderen en hij relatant door dwang middelen bensneeden zijn 1764 3en le Van Amboina den 31: aug„s 1764. zijn en laastelijk dat de scheeps overheeden na het aanhouden van hunne schuijten de boot met een man af twintig na de wal gezonden veel huijsen verbrand; en zig dus weder meester gemaakt hebben van een schuijt blijkens het schrijvens van den serge„ ant posthouder tot zawaeij van den 31: Iulij en het alhier nader gegeeven relaas door opgem: Daniel Thomas van den 28 augs„ jongstleeden, strekkende tot confirmatie van het op den 7 Junij gerelateerde door een Jnlander van Amblauw genaamt. Packarkoene, dat ten tijde zijnes aan„ weesens op salwattij gepasseert was een drie nastig schip 't welke verscheijde schooten gedaan hadde Ik twijfele niet af u Hoog Ede„ „lens zullen uijt al het voorenstaande paspa palpabel kunnen afneemen dat er om so te spreeken een generale- samen sweering onder de oost Ceram„ „mers gemaakt is met de papouers en andere 259. Van Amboina den 31 au„s 1764. 381: Eupopeese en 141: zeevarende. . . . . . . . . . . . . . . . . . andere jnlandsche natien om de Comp:e aan deesen oirt en inde Bandase provin„ tie in hare possessien te ontrusten., De aangelegentheijd van dit win„ geweest voor den staat van Nederlandsch Maatschappij doet mij de vrijheijd nee„ „men om bij u Hoog Edelens op een on„ „gemeen ontzet van manschap zo mili„ E „tairen als zeevarende aan te dringen ten eijnde zig niet alleen op de respective comptoiren en districten redoutabelder te maken, en in een beeter postuur van de feusie te stellen, maar om ook door meede des noods iets gewigts te kun„ „nen onderneemen tegens voorsz Cerammers, die ik hoewel niet oorlog zugtig vallen de voor so verre ze onder Tidors leen bezit gehooren van gevoelen ben datse met toestemming van u Hoog Edelens eens door gewelt van „wapenen dien den beteugelt en van ha„ ren smockel handel afgeschrikt te worden, En daar toe is onse presente magt niet toe„ reijkende want deselve bestaat thans in 't geheel in primoplan 242: inlandsche militairen en 114 3
English
From Amboina the 31st August 1764. and is divided in this manner, namely of the militia At the main castle: 208 heads, among them 21 invalids in the hospital and 7 various on active duty At the fortification works: 11 At the powder mill: 12 At the Baguala Pass: 13 At the post Alang: 15 At the post Hoetoemoerij: 3 At the post Nussanive: 4 On the cruising expedition of Ceram's North and South Coast: 96 On Saparoua and Nussa-laut with their subordinate posts Poorto Hatuane Molane Ameth and Abbo: 53 On Hila and its subordinate posts Hitoelama Loehoe Poulo Ticus Lockie, and the settlement: 70 heads On Haroekoe and its subordinate posts: 25 heads On Laricque: 24 On Bouro and Amblauw: 27 On Manipa and the post Sawaij belonging thereto: 62 Of the seafaring personnel On the sloop De Nagelboom: 17 heads On the sloop De Nooteboom: 17 On the pantjalling De Liefde: 14 On the pantjalling De Saparoua: 13 On the pantjalling De Spion: 12 On the pantjalling De Peperthuijn: 8 At the naval shipyard: 35 In the hospital, invalid: 23 On Saparoua: 1 On Bouro: 1 141 From Amboina the 31st August 1764. all of which troops taken together still constitute a considerable force, but when one reflects upon how very dispersed they are, one will readily notice how little resistance can be offered with them against an enemy force, since the strongest post, the main castle excepted, is garrisoned with no more than 30 men, so that Your High Excellencies will easily be able to deduce from this that this Province under the present circumstances of the times From Amboina the 31st August 1764. absolutely requires some reinforcement beyond the determination made in the memorandum of retrenchment and its extensions contained in Your High Excellencies' venerable dispatches to this administration of 31st December 1756 and 24th December 1761, fixing the number of European militia initially at 677 heads, since we shall not only be necessitated to keep four to five pantjallings constantly in the waters to cruise around the clove-producing districts assisted by several orembaais, all provided with military personnel, in order to prevent illicit trade as much as possible, but also obliged to enlarge the garrisons of the respective outer offices From Amboina the 31st August 1764. in order to check the incursions of the Papuan and East Ceram peoples, although the contrary were to be wished in order to relieve the Company of the burdens that will again be caused thereby. Wherewith concluding this, I commend Your High Excellencies and the Company's weighty affairs to the precious protection of the Almighty, and I have the honor to be with the utmost high esteem, underneath stood: High Noble, Rigorous, Highly Esteemed Lord and Noble Lords, lower: Your High Excellencies' very obedient and dutiful servant, was signed: W: Fockens, in margin: Amboina in Castle Victoria the 31st August Anno 1764. Monday From Amboina under date the 31st August 1764. Monday the 30th July Anno 1764. Council of Policy meeting, absent the heads of the spice-producing offices. The Governor having convened this meeting expressly to read to the members the letter received yesterday from the head of the cruising expedition to South and North Ceram, Ensign Matthijs Gutthard, together with the second mates Jan Nicolaas Lassal and Johannes Hogerscheijt, dated Poulo Ticus the 25th of this current month of July, as well as the accompanying statement transmitted from the orang tua of From Amboina under date the 31st August 1764. the settlement Laricque named Barrit, who, having been captured with the orembaai of that district by the peoples of Poulo Gisser and Ceram Laut in the month of May, fled from there, arrived on the Banda pantjalling De Perel, and was received on the 19th July at Sawaij by the aforementioned Ensign, and sent hither by him; from which it was established that the Banda cruising pantjalling Garneel was overwhelmed off Poulo Gisser by the Raja of Quellemoerij and the orang kaya of the aforementioned island. From Amboina under date the 31st August 1764. That these two having come on board with several orembaais, had asked the mate whether he needed water and firewood; that the mate, having answered yes, and having thereupon transferred his empty casks into the orembaais, the aforementioned Raja had requested him also to go ashore to wash; that the said mate, having thereupon gone into the orembaai with two Europeans, they had all three been murdered; that the aforementioned people had subsequently boarded the abovementioned pantjalling, and the remaining crew likewise
Dutch transcription
Van Amboina den 31: Aug„s 1764. — en is deese voegen verdeelte namentlijk van de militie Aan 't hooft casteel. . . 208 koppen daar onder 21 inpotenten in te hospitaal en 7: diverse dienstdoenders bij de fortificatie werken 11: „ Aan de kruijtmoolen. . . . . . . . 12: „ op de Pas Baguala. . . . . . . 13. „ op de post Alang. . . . . . . . . . 15. „ „ „ „ Hoetoemoerij. . . . . 3. „ „ „ „ Nussanive. . . . 4. „ op de cruijstogt van cerams Noorden zuijd Cust. . . . . . 96: „ op Laparoua en Nussa„ laut met dies onderho„ „rige posten Poorto Hatuane Molane ameth en op Hila en dies onder abbbo. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53. „ Hitoelama horige posten 261 Van Amboina den 31: Aug„s 1764. — Hietoelama Loehoe Poulo Ticus Lockie, en de negorij. . . . . . . . 70 koppen op Haroekoe en dies onderhorige posthoorn. - . . . . . . 25: koppen op Laricque. . . . . . . . . . . 24: „ op Bouro en Amblauw. . . . . . . 27. „ op Manipa en de daar on„ dergehoorende post za„ van de zeevart - op de Chialoup de Nagulboom. . . . . . . . . 17. koppen „ „ „ „ Nooteboom. . . . . . . . . . 17. „ op de pantjalling de Liefde. . . . . . . . . 14. „ „ „ „ de Sapporoura. . - - 13. „ „ „ „ de Spion. . . . . . . 12. „ „ „ „ de Peperthuijn. . 8. „. op de Equipagie werff. . . . . . . . . 35. „ in 't hospitaal in potent. . . . . . . . . . . 23. „ „ op Saparoua. . . . . . . . - . . . . . . . . - - - - - - - . 1. „ op Bouro. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1. „ 6 141 waij. . . . . . . . . . . - . . . . . 62: „ alle E 1 1764 3 Van Amboina den 31: aug„s 1764. alle welke manschappen te samen genoomen nog al een aansienlijke magte uijt maa„ „ken, maar als men re„ flecteert hoe seer deselve ineert gedissement zijn sal men wel harst bemerken, hoe weijnig resistentie daar me„ mede tegens een vijande„ „lijke magt te doen is, na„ dien de sterkste post met niet meer bezet is als met 30. man het hooft casteel uijtgezondert so dat u Hoog Edelens hier uijt ligt sullen kun„ „nen afleijden dat dese Provintie in de tegenswoordige tijds. 263 Van Amboina den 31: aug„s 1764. tijds conjunctuure absolut nog eeni„ „ge versterking nodig heeft booven de gemaakte bepaling bij de memo„ rie van menagie en derselver amplia„ „tien vervat in uw hoog Edelheedens gevenereerde missves aan dit mi„ „nisterie van 31: xber 1756. en 24 xber 1761, fixeerende het getal der Europee„ „se militie op 677. koppen primoplan vermits men niet alleen genecessi„ „teert sal weesen gestadig vier â vijf pantjallings in 't vaar wae„ ter te houden om geadsisteert met Eenige orembaeijs alle met mi„ „litairen voor zien rondsom de nagulgeevende districten te kruij„ sen ten Eijnde de sluijkhandel so veel mooglijk voor te koomen, maar ook verpligt om de besetting der respective buijten 3 Van Amboina den 31 aug„s 1764. buijten comptoiren te vergrooten tot stuijting der invasien van de papou„ se en oostceramse volkeren alhoewel het tegendeel wenschte om de Comp: te bevrijden van de Lasten, die daar door weder veroorsaakt sullen worden. waar meede deesen afbreekende, beveele ik uw Hoog Edelens en 'sComp:s swaarwigtige en des allerhoogsten dier„ bare protextie en heb de eere met de uijterste hoog agting te zijn /:onderstond/ Hoog Edele gestrenge groot Achtbare Heer en wel Edele Heeren /:Lager/ uw Hoog Edelens zeer gehoorsame en trouw schuldige dienaar /:was ge„ „teekend / w: Fockens /in margine/ Amboina in 't Casteel victoria den 31. augs A„o 1764. Aentpi maandag 265 Van Amboina onder dato den 31 Augs„s 1764. — Maandag den 30: Julij A„o 1764. vergadering van Politie, absent de Hoofden der specerij geven„ de comptoir. De heer gouverneur deese ver„ gadering expres hebbende laten beleggen om aan de leden lectusie te geeven van de gisteren ontfangene brief van den Hoofden der kruijs expeditie na zuijd en Noord Ceram den vendrig Matthijs gutthard benevens de onder stuurlieden Jan Nicolaas Las„ „al en Johannes Hogerscheijt, ge„ dat eert Poulo Ticus den 25. deeser loopende maand Julij, mitsg„s van de daar nevens over„ gesondere verklaring van den orangtoua van 1764 3 le Van Amboina onderdato den 3:' Aug„s 1764. van de negorie Laricque Barrit ge„ „naamt dewelke, met de morembaij van dat district door de volkeren van Poulo gisser en Ceram laut in de maand Meij genomen sijnde, van daar gevlugt, op de Ban„ dase Pantjalling de Perel ter houw gekomen en den 19: Iulij op za„ „waij bij voorn: vendrig overgeno„ men, en door desen herwaerds geson„ den is, waar uijt consteerde, dat de Bandase kruijspakt„ „jillang garneel voor Poulo gisser afgeloopen was door den Radja van quellemoerij en de oranglaij van voorm: sje Eijland 267 Van Amboina onder dato den 31: Aug„s 174. Eijland. dat deese twee met eenige orem„ baaijs aan boord gekoomen sijn„ de den stuurman afgevraagt hadden of hij water en branthout, van nooden hadde dat de stuurman geantwoord hebbende ja: en daar op sijn ledige vaten overgeeven heb„ bende Jnde orembaaijs voor„ noemde Radja hem ver„ „sogt hadde meede na te wal gaan om te wassen dat gesegden stuurman daar op met twee Euroopeesen inde orembaaij gegaan sijn„ „de zij alle drie vermoordwa„ „ren, — dat voorsz: notie vervolgens op de boven gem: pantjalling overgegaan was, ende resteerende manschap meede 176 3e 764
English
From Amboina, under date the 31: aug:s 1764: — also finished off and further brought the vessel ashore at Poulo gisser, unloaded the sails and other goods from it and set the hull on fire; that the goods themselves were divided among the Radja van quellemoerij and orangcaijs of Ceramlaut, Poulo gisser, keffing, Coewaeij, killeloe and kilbia; that the pantjalling de Perel having been seen on the 4: Julij at the corner of Rarakit, the orangaaij van keffing had immediately gone to Poulo gisser in order to deliberate about overwhelming it as well, as already five orembaaijs had set out for that purpose, but that this vessel having again gotten under sail, the informant had come on board thereof in the evening and given intelligence thereof to the mate, who thereupon turned the prow 269 From Amboina, under date the 31: Aug:s 1764. — turned the prow toward zawaeij; that likewise when ensign gosling lay at waroe on the 6: julij with the pantjallings de liefde and sapparoua and 12: orembaaijs, the enemy had set out with 20: orembaaijen to overwhelm the fleet, and further that the chiefs of this cruise expedition seem to await orders from the lord governor as to what they should do in this case, whereupon His Honour at the same time made known that the members were collectively acquainted with the resolution that had been taken at this table during the session of the 20: maart passato concerning the equipping of our cruising fleet to the South and North Coast of Ceram, and that His Honour, as this matter could become of further consequence, deemed it necessary to give the assembly an account of 3 From Amboina, under date the 31: aug:s 1764. of that which had been ordered to the chiefs thereof and successively also executed by them, so as, thus having a connection of matters, to be able to take a decision with greater peace of mind regarding what one might judge should be done and executed in subject case, to which end subsequently was read out not only the Instruction given along to the aforesaid chiefs of the cruise expedition, but also the missive dispatched to Their High Nobilities under date ult:o maij passato with the letters received from the cruisers and dispatched back to them; whereupon 271 From Amboina, under date the 31 Aug:s 1734. whereupon His Honour gave the Members to consider what they thought ought to be done in this circumstance for the preservation of the Company's respectability and awe, since from the report of ensign gutthard kept in the form of a daily register under dates 3: 4: and 5: maij it appeared that the peoples of Poulo Gisser and Ceram laut had committed the first hostilities with respect to us, and that one therefore could not leave the capturing of the Company's pantjalling unavenged, in order not to bring the native into a notion as if one began to fear them, or else 176 3 From Amboina, under date the 31: Aug:s 1764. — else that we lacked the power to revenge such an insolent enterprise; about which having been deliberated and taken into consideration on the one hand that the negorijen or places by whose inhabitants the pantjalling de gaarnaar was captured and our cruising fleet was also attacked belong under the fiefdom of the king of Tidor, and that one could therefore complain to that court about it, but on the other hand also that all the complaints that have been made up to now, both presently and in former times, about the outrages committed by His Highness's subjects, the Papouers and others more, have found no entrance, and that the fief possession gives no right to the aforementioned aforesaid or his subjects to insult the liege lord 273 From Amboina, under date the 31: aug:s 1764 — insult with actual hostilities, or he is ipso facto to be regarded as deprived and forfeited of the fief, and that the Company consequently has the right on its side to revenge itself concerning the one and the other; thus, after the lord governor had first reminded the Members and placed before their eyes: 1:mo that the cruisers, because of the easterly winds and strong currents running to the west, had already had to abandon their intention to steer for Poulo gisser, according to their letter of the 28: Junij last; 2:e that the pantjalling de spion, according to their above-cited writing of the 25:e Julij, was so eaten through by the worms from the keel up to the fourth plank, and moreover a hole was found in the curve of its bow, that the same, not being in a state to be able to complete the cruise, was to be sent hither, and that consequently the strength of the cruisers was thereby diminished without one being in a state to be able to assist them with another vessel, since the Sloop de Nooteboom was sent to Manipa and the Peperthuijn, pulled onto the beach for repair, was for the present not yet to be gotten afloat, as one also had to wait with that for the high water; 3:tio that the chiefs of the cruise expedition had neglected to state the strength From Amboina, under date the 31: Aug:s 1764: of 275 From Amboina, under date the 31: aug:s 1764 of their force, and that one could thus not know whether, besides the men made known as fallen in their letter of the 28. Junij, any had also died or were sick, for which reason they would need reinforcement; 4:o that the general strength of the militia at this main castle and its subordinate posts, the gunpowder mill, the pass baquala, Alang, Hoetoemoeij and Nussanive, the outer offices and the soldiers on the cruise expedition excepted, currently consisted primo plan in 267 heads, among them 33 sick in the hospital and 7 diverse servants
Dutch transcription
Van Amboina onder dato den 31: aug:s 1764: — meede afgemaakt en voorts het vaartuijg te Poulo gis„ „ser op de wal gehaalt de zeijlen en verdere goederen daar afgeligt en het hol in„ brand gestooken hadde dat de goederen selve verdeel, ende waren onder den Radja van quellemoerij en orancaaijs van Ceramlaut Poulo gisser keffing, Coewaeij killeloe en kilbia dat de pantjalling de Perel den 4: Julij op de hoek van Rarakit gesien wesende, de orang„ „aaij van keffing ter stond gegaan was na Poulo gisser ten eijn„ de te beraatslaagen om deselve meede te overompelen, gelijk al vijf orembaaijs daar op uijt waren, maar dat dit vaartuijg weder onderselijl ge„ gaan sijnde de relatant des avonds aan dies boord gekoomen was en den stuurman daar van kondschap gegeven hadde, die daar op de steeven 269 Van Amboina onder dato den 31: Aug„s 1764. — desteeven gewent heeft na zawaeij- dat meede toende vendrig gosling den 6: julij met de pantjallings de liefde en sapparoua en 12: ovembaaijs op wa„ roe lag de vijand er op uijt was geweest niet 20: orembaaijen, om de vloot te overrompelen, en voorts dat de hoofden deser kruijs expeditie van den heer gouverneur ordre schijnen afte wagten, wat sij in dit geval souden hebben te doen, so gaf zijn Ed: teffens te kennen dat de leeden te samen bekent was de resolutie, die men ter sessie van den 20: maart pas„ „sato aan deese tafel genoo„ men had over de uijtrusting van onse kruijsvloot na de zuijd en Noord Cust van Ceram, en dat sijn Ed:e wijl deese saak van verder consequentie soude kun„ nen worden, nodig agte de vergadering opening te 3 Van Amboina, onder dato den 31: aug„s 1764. te geeven van het geene de hoofden daar van aanbevoolen en successive ook door hen uijtge„ „voert is om dus een Connexie van saaken hebbende, met te meer„ der gerustheijd een besluijt te konnen neemen, omtrent het geene comen oordeelen mogt, dat in Cas subject diende gedaan en uijt gevoert te wor„ den, ten welken eijnde ver„ volgens opgeleesen wierde niet alleen de Jnstructie, aan de voorsz: hoofden der kruijs expeditie mee„ de gegeeven, maar ook de sub dato ult„o maij passato aan Haar Hoog Edelens afgegaane missive met de vande kruijs„ sers ontfangene en aan desel„ ve weder afgevaardigde brieven waar 271 Van Amboina onder dato den 31 Aug„s 1734. waar op sijn Ed: de Leeden in consideratie gaf, wat zijn vermeenden dat in deese om„ staadigheijd diende gedaan te wor„ „den tot Conservantie van 's Comp„s agtbaarheijd en ontsag, vermits uijt het relaas van den vendrig gutthard bij forma van dag register gehouden sub datis 3: 4: en 5: maij kwam te blijken dat de volkeren van Poulo Gis„ „ser en Ceram laut ten onsen op„ sigte de eerste vijandlijkheeden ge„ „pleegt hadden, en dat men wer„ sulx het afloopen van 's Comps pantjalling niet ongewrooken „konde laten, om den inlander niet in een denkbeekt te brengen als of men haar begon te ontsien, dan wel 176 3 Van Amboina onder dato den 31: Aug„s 1764. — wel dat het ons aan magt ont„ broek om sulk Een stont bestaan te revengeeren, waar over gedelibe„ reeht en in overveging genoomen sijnde aan de eene kant, dat de ne„ gorijen of plaatsen door wier in„ „wondern de pantjalling de gaarnaar afgeloopen en onse kruijsvloot meede geataacqueert is geworden gehoren onder het leen beset van den koning van Tidor, en dat men dus daar over bij dat hoff zoude kunnen doleeren, maar aan de andere kant ook dat alle de doleantien, die tot nog 122 toe sowel in als in de voorgaande tijden ge„ daan sijn over de gepleegde feijtelijk„ „heeden door sijn Hoogheijts onderda„ nen, de Papouers en andere meer geen ingang gevonden hebben en dat het leen besit aan gem: voorsz of zijne onderda„ nen geen regt geeft om den leenheer te in sult: 273 Van Amboina onder dato den 31: aug„s 1764 — insulteeren met dadelijke vijandelijk„ heeden, of hij is ipso facto aan te merken als verstooken en vervallen van het leen, en dat de Comp: gevolglijk het regt aan hare zijde heeft om sig over het een en ander te vreven geeren soo is na dat den heer gouverneur alvorens de Leeden hervinneert en voor oogen gestelt hadde 1=mo dat de kruijssers mits de oostelijken winden en sterk om de westloo„ pende stroomen reets hadden moeten afsien van hun voorneemen omna Poulo gisses te steeven en uijtwijsens haren brief van den 28: Junij jongstleeden 2„e dat de pantjalling de spion na volgens hun boven geciteert schrijven van den 25:e Julij sodanig van 1764 3 van de wormen van de kiel af tot op de vierde plank toe door knaagt en booven dien en gat in 't breeken van sijn boeg gevonden was dat deselve niet in staat sijnde kruijstogt te kun„ volvoeren „nen vleeijnden herw„s stond geson„ te worden, en dat Consequentelijk de magt der kruijssers daar door ver„ smakt wierde sonder, dat men in„ staat was hen met een ander vaartuijg te konnen adsisteeren, vermits de Chialoup de Nooteboom na Manipa en de Peperthuijn ter reparatie op strand gehaalt voor eerst nog niet vlot te krij„ „gen was also men daar meede na het hoge water wagten moest 3no dat de hoofden der kruijs expa„ ditie versuijmt hadden de sterkte Van Amboina onder dato den 31: Aug„s 1764: van 275 O Van Amboina onder dato den 31: aug„s 1764 van hunne magt op te geeven, en dat men dus niet weeten konde of er buijten de bij hunnen brief van den 28. Junij als gesneuvelt bekent gestelde man„ schappen ook nog eenig overleeden of siek waren, waarom se verster„ „king souden nodig hebben 1„o dat de generale magt der militie aan dit hoofd casteel en dies onder„ „hoorige posten de kruijtmoolen de pas baquala, Alang Hoetoemoe„ „rij en Nussanive / de buij„ e „ten comptoiren ende op de E kruijstogt zijnde soldaaten uijt„ „gesondert /thans primo plan bestond in 267 koppen, daar onder 33. sieken in 't hospitaal en 7: diverse dienstdoen„ ders
English
effective at this main Castle Victoria only, and on the first plan 155 men, among whom are 47 native soldiers, with whom must be garrisoned: the main guard, the water gate, the curtain wall, the Governor's guard; and that consequently it was deemed best not to withdraw a single man. And it was moreover agreed to authorize the commanders of the aforementioned expedition, whenever they consider themselves strong enough and are not too severely weakened by sickness of the men or otherwise, combined with the pantjallings De Liefde and Sapparoua, as well as the sloop From Amboina, dated the 31st of August 1764. De Nagulboom and all the orembaais in their possession, to go and take reprisals for the capture of the above-mentioned pantjalling De Garnaal, without overly hazarding themselves, having seen how treacherously the peoples of Ceramlaut, Keffing, Poulo Gisser, etc. come to treat our men under the guise of friendship; with the recommendation to be on guard and prudent in every way, and also, in case they encounter their force, to take with them the Banda cruising pantjalling De Pekel, because the pantjalling De Spion is to be sent hither on account of heavy leakage, regarding whose dispatch it was understood that beforehand all the crew found upon her should be removed, except for those who are absolutely 1764 necessary for the maneuvering of the vessel to have her transported to this principal place. Furthermore, it was resolved and agreed to permit the aforementioned commanders of the cruising expedition, if they should have any sick among the military, to exchange them at the passing posts for healthy men, provided they keep an accurate record thereof and in that regard, as well as concerning their strength, give communication each time to the Governor. Below was written: Thus done, decreed, and resolved, at Amboina in Castle Victoria, date as above. Was signed: W. Fockens, J. A. de Villeneuve, Hendrik van den Brink, W. de Bonvoust, C. F. Tueno, J. Houtthuijn, and Ed. Homma, Secretary. Below was written: Agrees. Was signed: J. Reynon, First Sworn Clerk. From Amboina, dated the 31st of August 1764. Friday From Amboina, dated the 31st of August 1764. Friday the 17th of August 1764. Council of Policy meeting; absent: the Head and the Bookkeeper of the Spice Offices, together with the Secretary Eduard Homma, the latter due to indisposition. Having read the dispatch received here the day before yesterday from the Banda government, dated the 10th of this current month of August, from which it appeared that the ministers, because the suspicions against the Keffing orangkaya Hambaniet were not found sufficiently probable to base a criminal proceeding upon them with confidence, had decided at their session of the 24th of May last to indeed set him at liberty again, but nevertheless also to send him directly hither at the first opportunity, however much on his part he had insisted on being permitted to depart with a Ceram vessel, which the ministers suspect From Amboina, dated the 31st of August 1764. arose from some fear of condign punishment because his negorij, according to information received, was sacrificed to the fire under the previous government here and on that occasion he had escaped by flight, the Governor made known the reasons why he had had him placed under guard in the Castle, coming with the vessel of the burgher residing here, at the same time proposing what ought to be done with him, since His Honour among all the attestations to which the Banda ministers refer regarding the matter itself, had found only one from the former burgher ensign at Lonthoir, Paulus Melis, dated the 16th of November From Amboina, dated the 31st of August 1764. 1763, which reads somewhat to his charge, and in which the aforementioned ensign declares, being on Ceram in the negorij Goelij Goelij, to have heard from the collective natives from that and surrounding negorijs on Keffing that two of those native peoples, belonging under the negorij Kellebia, named Oebas and Iman, set two of their slaves at liberty, and that these, together with another Ceram man, joined the Batavians or so-called Papuan sea-rovers with the deliberate knowledge and consent both of the orangkaya Aamba appointed over the aforementioned negorij Kellibia and with the 1764 foreknowledge of their former masters Oebas and Iman; and that they are the very ones who are commonly called Booijbella, Boenga, and Intje Garan, and act as headmen, interpreters, and guides with that rabble of robbers, as well as having been present and helped to seize and carry off the Lonthoir and Banda people abducted on the 29th of June of last year; and that one lacked the resolution of the ministers of the 24th of May aforementioned, from which one might otherwise have shed some light on why the above-mentioned orangkaya, as he says, had been kept detained for nine From Amboina, dated the 31st of August 1764. months in Castle Belgica, which could not have happened without grounds of vehement suspicion against his person, as was to be inferred from the premises of their dispatch; yet His Honour hesitated to let him go again without a decision of this board and to restore the Company's rattan cane taken from him on Banda and likewise sent over to the disposal of this meeting, as it had already appeared to His Honour in general observations that he was not to be trusted, without however being able to bring much against him substantiated by proofs, since he, on Keffing, when our cruisers were there in the month of May last, 1764
Dutch transcription
ders of effective aan dit hooft Casteel victoria alleen en 155: koppen primo plan waar onder 47: inlandsche soldaaten met welke beset moesten worden de hoofdwagt „ waterpoort „ ringmuur 's gouverneurs wagte en dat gevolglijk van niet een man afte stecken was best g'oordeelt en oversulx verstaan de hoofden der meerm: expeditie te qualificee„ „ren om so wanneer zij Een sterk „ genoeg agten en niet te seer ver„ „swakt zijn door siekte van het volk af andersints ge„ combineert met de pantjallings „C de liefde en sapparoua mitsg„s de Chialoup Van Amboina onder dato den 31 aug:s 1644. de 277 Van Amboina onder dato den 31: aug„s 1764. de Nagulboom en al de bij den heb„ „bende orembaaijs, represaille te gaan neemen over het afloopen van boven„ „gem: pantjalling de garnaal, son„ der sig te ligt te kasardeeren als gesien hebbende hoe verradelijk de volkaren van Ceramlaut, ketting Poulo gisser etc=a de onse onderschijn van van vrindschap koomen te tracteeren, met recommandatie om alle sints op hoede en voorsigtig te weesen, en ook in cas van ont„ moeting van hunne magt meede te neemen de Bandase kruijspant„ „jalling de Pekel vermits de pantj: de Spion, mits sware lecagie herw„s staat gesonden te worden, bij welkers depeche verstaan wierde daar af alvorens te laten ligten al de man„ schap, dewelke er opgevonden ward boven de geene, die, tot de mandeuvre van het vaartuijg absoluijt 1762 3 absoluut nodig zijn om het selve na deese hoofdplaats te doen transporteeren, Daar en boven is gesolveert en verstaan meerm: hoofden der kruijs expeditie te permitteeren, in dien sij onder de mili„ „tairen eenige sieken mogten hebben, om die op de passeerende posten tegens ge„ souden te moogen verruijlen mits daar van accurate aanteekening houdende en deswegens mitsg„s van heune sterkte telkens Communicatie geeven aan den Heer gouverneur /onderstond/ Aldus gedaan gearresteert en geresolveert, tot Amboina in t Casteel victoria dato iets supra /was geteekent / w: Fockens, I: A: de villeneuwe, Hendrik van fr den Brink, W„d de Bonvoust C:l f=n Tueno js Houtthuijn, en Ed Homma ec„s /onderstond / Accordeert / was gete„ „kend / I: Reijnon E: gesw: Clercq: Van Amboina, onder dato den 31: Aug„s 1764. — vrijdag 279 Van Amboina, onder dato den 31: Augustus 1764. — Vrijdag den 17: August 1764— Vergadering van Politie, absent de Hoofd en de slp specerij Comptoiren bene„ „vens den secretaris Eduard Homma de laaste door indispositie Geleesen sijnde de eergisteren van het bandas ministerium alhier ontfangene missive, van den 10 deeser loopende maand augustus, waar uijt consteerde dat de ministers ten oorsake dat de verdenkingen tot lasten van den verkeffings orangcaaij Hambaniet 8o probabel bevonden waren, omme daar op eene crimineele actie met gerustheijd te mogen fundeeren ter hunner sessie van den 24: maij passato te rade waren geworden hem wel weder op vrije voe„ „ten te stellen maar egter ook bij eerste geleegentheijd direct herwaarts over te senden, hoe seer ook van sijn kant gebuteert was met een cerams vaartuijg te moogen vertrecken het geen de ministers vermoeden voor Van Amboina, onder dato den 31: augustus 1764. — voor te koomen uijt eenige vrees voor condique straffe om dat fijne negorij volgens bekoomen informatie onder het voorig ministerium alhier aan het vuur opgeoffert en hij te dier occasie met de vlugt ontsnapt was, se gaf de Heer gouverneur aan de reeden te ken„ nen dewelke met het vaartuijg van den alhier thuijshoorenden burger het Casteel hadde laten Lecureeren, teffens pro„ „poneerende wat met den sel„ „ven diende gedaan te worden nademaal sijn Ed: onder alle de attesten, waar aan de Banda„ se ministers zig ten belan„ „ge van de saak selve gedraagen, maar eene ge„ „vonden had van den oud burger vendrig tot Pointhoir Paulus Melis de dato 16: gber: 281 Van Amboinea, onder dato den 11: aug„s 1764. — gber: 1763: die eenigsints tot sijn laste is luijdende, en waar bij voornoemde vendrig-ver„ klaart op Ceram sijnde inde negorij goelij goelij van de gesament„ „lijke jnlanders uijt die ende om streeks leggende negorijen op keffing gehoord te hebben, dat twee van die landsvolkeren, on„ „der de negorij kellebia forteeren„ de, genaamt oebas en Iman „twee haren slaaven hebben in vrijdom gestelt, en dat deselve benevens nog een andere ceram„ „mer sig bij de Bataviers of so genaamde Papoese zeeschuij„ mers met wil en voorkennis so van den overgen: nego„ „rij kellibia gestelden orang„ zaaij Aamba als ook met voor 1764 3 Van Amboina onder dato den 31: AMg„s 1764. — voor weeten harer geweesene lijf„ heeren oebas en Jman hebben gevoegt en dat het deselve sijn die door de wandeling Booijbel„ la, Boenga en jntje garan genoemt worden, en als hoof„ den Tolken en weg wijsers bij dat roofgespuijs ageeren mitsga„ „ders present geweest sijn, en gehol„ pen hebben de op den 29. Junij des voorleeden jaars geroofde Lonthoi„ „reesen en Bandaneesen opvatten ende te vervoeren, En dat men gefrusteert was van der ministers resolutie van den 24: maij voormelt, waar uijt man andersints nog eenig ligt zoude heb„ ben konnen scheppen, waar om opgegm: orangcaij, zo als hij segt, mog negen maanden 283 Van Amboina onder dato den 31: Augustus 1764. — maanden gedetineert heeft geseeten in 't casteel Belgica, het geen niet sonder ree„ „den van veremente su suspitie op sijn persoon konde geschied weesen, gelijk uijt de preesmissen keunner, missive af te leijden was dog sijn Ed: swarigheijd maakte om hem buijten besluijt deeser tafel we„ der laaten gaan, en te restitueeren de hem op Banda ontnoomene deeses en ter dispositie vergadering al meede overgesondene Comp„s rotting, welm: sijn Ed: alreede in gene„ „ale bewondingen voorgekoo„ men was, dat hij niet te be„ „trouwen was sonder Egter iets veels door bewijsen ge„ staaft, tot zijnen laste te kun„ „nen inbrengen, vermits hij op ketting toen onse kruijssers inde maand Meij jongstleeden aldaar 176 3
English
not having been present when these events occurred there, and consequently innocent of both the hostility shown toward Ensign Gutthard and the overrun of the Banda pantjalling De Garinaal, as is mentioned in the secret resolution of this council dated the 30th of July last. Whereupon His Honour summoned the members to state whether they also had anything to bring forward in his accusation, at which the Senior Merchant De Villeneure made known that the repeatedly mentioned Orang Kaya, during the time of the late Governor Van Idsinga, had been here From Amboina, dated the 31st of August 1764. had been here and had at that time made inquiries into everything and engaged in many intrigues among the natives. Concerning which he, Villeneuve, being the Fiscal at that time, informed the said Mr. Van Idsinga, without however being believed in that matter, but on the contrary being reproached and treated very indecently, until the same, having been presented with some gunpowder and flag bunting, quietly From Amboina, dated the 31st of August 1764. absented himself quietly from here. Whereupon the repeatedly mentioned Mr. Van Idsinga, conceiving some suspicion from this, had ordered him as Fiscal to conduct an investigation into his person in order to overtake him if possible. Which was affirmed by the members in so far as they were present here at that time, and in addition it was declared that suspicion lay upon him From Amboina, dated the 30th of August 1764. suspicion lay upon him of having also overrun the post Namat in the year 1762, or of having acted therein as a spy for the Papuans. Which matter having been deliberated and taken into consideration, that if the frequently mentioned Orang Kaya Hamba were released again and permitted to return to Ketting, it was to be feared that such would have bad consequences, since he certainly, if only out of revenge for his nine months' detention in Banda and for his deportation to this government, would undertake something to the detriment of the Company. Thus it was deemed most advisable and consequently agreed to rid ourselves of him and to send the same to Batavia as a suspect subject at the disposal of Their High Mightinesses, and to keep him detained until a good opportunity presents itself for this. Meanwhile, it was further resolved to keep close watch on the movements of the Ceram people when they appear at this Castle to offer their small trade wares for sale and for the purchase of various necessities. At the foot was written: Thus done, decreed, and resolved in Amboina at Castle Victoria, date as above. Signed: W: Fockens, J: H: de Villenieuwe, Hendrik van den Brink, W:d de Bonvoust, C:s F:k Trens, J:s Houtthuijn. At the foot: Agreed. Signed: A: Beijnon, sworn first clerk. Batavia From Java's North-East Coast, the 13th of August 1764. Batavia To the same as before Having been informed by the Authority Breton, by a letter of the last of the preceding month, that the Pangerang Singosarie, reinforced by the Regent of Malang and led by the Regent of Porong, Ingabei Soeta Djaija, with 800 warriors, very unexpectedly invaded the district of Passourouang here, without either the Commander Hogewits or the Tommaggong Niti Nagara having come to know anything of it before they were From Java's North-East Coast, the 13th of August 1764. were, as it were, warned by the blow itself, I take the liberty respectfully to report this to Your High Mightinesses, and at the same time to make known that the Authority Breton immediately sent 26 European and 500 Madurese warriors thither to drive away those raiders again, and also to the other side toward Bangil, under the command of Ensign Vrolig, 26 European soldiers and 100 Sourabaians, in order to cover that district against that invasion of the Porong Regent. I trust that these measures will have the desired effect, whilst I have ordered the Authority Breton in the strictest manner to act with all rigor From Java's North-East Coast, the 13th of August 1764. rigor against that wandering Prince, in order to overpower him if possible, and then to let the Madurese return home again as soon as they can be spared; notwithstanding that the Panembahan of Madura shows himself very willing and has even offered his services to reduce Porong as well as Malang to ashes, without the help of a single one of the Company's servants. For although the Regent of Malang, Malajoe Coesoema, plays the hypocrite and pretends to be a stranger to Praboe Djoko, it is nevertheless certain that he secretly assists that Prince From Java's North-East Coast, the 13th of August 1764. assists that Prince secretly and his main force consists of the Malang troops, and it was therefore necessary and proper to destroy that old hiding place of the rebels. Yet, having judged that I could give no positive orders in that regard before and until I was furnished with Your High Mightinesses' commands, I respectfully take the liberty to request Your High Mightinesses' pleasure and order in this respect, so as to be able to conduct myself accordingly. I have the honor to remain, with deep respect and all submissiveness, at the foot was written: Your High Mightinesses' most humble and very obedient servant, was signed: W: H: v: Ossenberch. In the margin: Tagal, the 13th of August 1764. Batavia
Dutch transcription
aldaar gepasseert sijn niet present is geweest, en gevolg„ „lijk onschuldig so wel aan de be„ „toonde kostiteijten aan den ven„ „drig gutthard, als aan het af„ loopen van de bandase pantjalling de garinaal waar van vermelt werd gevonden bij desecreete resolutie deser tafel van den 30:e Julij passato al war om zijn Ed:s de leeden sommeer de afze ook iets ter sijner beschul„ diging weeten inte bren„ „gen wanneer de oppercoopman de villeneure te kennen gaf dat meer m: oranghaaij ten tijde van wijlen den heer gou„ „verneur van Jdsinga hier Van Amboina onder dato den 31: August„s 1764. — geweest 285 Van Amboina onder dato den 3: august„s 1764 — geweest was en sig toe„ maals op alles geinfir„ „meert en met veele konke„ „larijen bij den inlander opgehouden had waar van hij villenieuve toemaals fiscaal sijnde gem: heer van Idsinga heeft g'ad„ „verteert, sonder nogtans daar omtrent gelooft te zijn geworden maar in tegendeel gereprocheert en seer onkeusch bejegent, tot dat deselve met eenig kruijt en vlaggedoek beschanken sijnde, sig stilletjes . Van Amboina onder dato den 31: August„s 1764— stilletjes van hier kwam te absenteeren wanneer meerm: heer van Jdsinga daar uijt eenig ergwaan opvattende hem als fiscaal gelast hadde na sijn persoon ondersoek te doen, om hem des mooglijk te gagter„ haalen het geen door de leeden voor so verre die te dier tijd alhier aanweesig zijn geweest x wierde g'affermeert, en daar, en boven nog ver„ „klaart datop hem de suspitie 287 Van Amboina onder dato den 30 aug„s 1764. — suspitie lag van de post Namat in den jave 1762: mee„ „de afgeloopen, af daar in als spion van de Pa„ „pouers geageert te hebben waar over gedelibireert en in overweeging ge„ nomen sijnde, dat wan„ „neert dikgem: orangeaaij Hamba wederlos gelaten en gelicentieert wierde, na ketting te rug tekeeren, het te vreesen was, dat sulx van quaarde gevolgen zouden zijn, dewijl hij seekerlijk al was inleande 3 u Van Amboina, onder dato den 31: August„s 1764. was het maar uijt weerwraake over sijne negenmaandige detentie in Banda en over Bavnde ver sijne opsending na dit gou„ „verneur, wel het een of ander ten nadeele van de Comp: soude on„ deneemen so is raadsaamts geaigt in dien volgens verstaan zig van hun te ontlasten en denselven als een suspecta knappter dispositie van haar hoog Edelens na de bata„ via over te senden en so lang gede„ tineert te houden tot dat sig daar toe een goede geleegentheijd op doe terwijl al verder beslooten wierde op de gangen der Cerammers nauw reguard te neemen, wanneer deselve aan dit Casteel verschij„ „nen tot de biet van hunne kleijne handelwha„ ren en ter inkoop van deese en geene benodigt„ „heeden /onderstond/ Aldus gedaan g'arresteert en geresolveert tot Amboina in het Casteel victoria dato ut supra /was geteekend/ w: Fockens : J: H: de villenieuwe Hendrik van den Brink, w„d de Bonvoust, C„s f„k Trens„ js„ Houtthuijn /onderstond:/ Accordeert /was geteekend / A: Beijnon E: gesw: clercq, — Batavia 289 Van Javas Oost cust den 13: aug: 164: Batavia Aan Als vooren Door den gezaghebber Breton, 2 bij een briefje van laatsten der gepasseerde maand, ver„ „wittigt zijnde, dat den Pange„ „rang singosarie, gesterkt door den Regent van Malang en geconduiseert door den tegent Porong, Ingabei van ƒ 9 Soeta Djaija, met 800 krij„ „gers, zeer onverwagt hier het Landschap van Passourouang hebben g'invadeert, zonder dat nog den Commandant Hogewits: nog den Tom„ e „mangong Niti Nagara daar iets van zijn te wee„ „ten gekomen, voor dat zij als Van Iavas Oost Cust Den 13:' augustus 1741 als met d' slag gewaarschouwt zijn, Neme ik de vrijheit uw hoog Edelhedens zulks in eerbied te bedelen, en teffens bekent te stellen, dat den gezaghebber Breton ten Eersten 26: Europeesche en 500 Maduree„ „sen krijgers derwaarts gezon„ de „den heeft, om die stroopers weder te verjagen, en ook aan de andere zijde naar Bangil¬ onder Commando van den vendrig vrolig, 26: Europeesche Militair 100 sourabaijers, om dat Land„ „schap tegen dien vasie de Porongs Regent, te dekken Ik vertrouwe, dat deze van 't ge„ maatregulen ge„ „ zullen weesen e t ffecht terwijl wensch eb ik den gezaghebber Bre¬ „ton ten ernstigten gelast heb, met alle rigeur 291 Van Javas oost cust den 13:' aug„s 1764 rigeur tegen dien zwerven „den Prins te ageren, om waar het mogelijk, hem meester te worden en de Madu„ reesen dan, zo schilijk bij maar te missen zijn weder naar huis te laaten keeren, niet tegenstaan„ de den Panenbahan van Madura zich zeer bereedwillig toont en zelfs zijn dienst heeft aan„ „geboden, om Porang zo wel als Malang in den asch te leggen, zonder behulp van een 's Comp„s die naar Want alhoewel de Malangs regent Ma„ „laij oe Coesoema de fijne sprelt en ontwijnst een vreend te wesen van Praboedjoko, zo is het Echter zeeker, dat hij dien Prins onder 3 a Van Javas Oostcust den 13: Aug:s 1769. onder de hand adsisteert en desselfs je groote force in de Malangsche trou„ „pes bestaat, en het daar om noodzakelijk en oorbaar was dat oude schuilnest der wederspan„ „nelingen te Htooren. Edoch daar omtrent geen posi„ „tive ordres g'oorderlt hebbende te kunnen geven, voor en al eer ik met uw hoog Edelhedens bevelen was gemunieert; zo neme eerbie„ „dig de vrijbeit deswegens uw hoog Edelhedens goedvinden en ordre aftevraegen, om mij daar na te kunnen gedragen Jk heb de eer met diep ontzag en alle onderdanigheit te noemen /:onderstond:/ uw Hoog Edelhedens en zeer gehoorsame Dienaar /was getekend/ W: H: v: ossenberch, /in mar„ „gine/ Tagal den 13:' aug:s 1864: Batavia
English
From Java's East Coast the 20th September 1764 Batavia To as before Having returned here from Tagal on the 9th of this month with the ship Oosterbeek, I take the liberty of giving Your High Nobilities the dutiful notice thereof, and at the same time respectfully offering the journal and record of my actions and findings kept during the journey thither, to whose contents I humbly refer. In fulfillment of Your High Nobilities' orders, contained in the secret letter of the 20th August last, I have had the Buginese Bappa Dia, recently sent as an envoy to Bali to Gusti Agong Mengoei, further questioned on some points, which points having been answered by him are attached to this, which is further accompanied by a new distribution of timber, to be delivered by the respective regents for some years and as long as Batavia remains abundantly supplied therewith; requesting that Your High Nobilities will please approve this arrangement, as it will on the one hand oblige the natives through this relief so agreeable and desired by them, and on the other hand the Honorable Company will not be subject to loss through the rotting to which the timber is absolutely liable due to lying long and being exposed to wind and rain. In my humble letter of the 13th ultimo, sent from Tagal, I took the liberty of informing Your High Nobilities of the unexpected invasion of Pangerang Singasarie into the Passourouang district, and my measures taken in that regard. I now have the honor, as a continuation, to impart that this prince, having advanced with his entire force to Bangil, was beaten from there after a heavy attack, although he reduced everything to ashes except the regent's dalem, by the brave and courageous Ingabei Soera Iaija, with the loss of a mantri, fully 20 commoners, and a multitude of wounded. Meanwhile, Commander Breton had taken the precaution of covering Sourabaija against an unexpected invasion, and sent Ensign Vrolich with 26 European soldiers and 1000 Sourabaiyans to the borders of the Sourabaiyan Porong, as well as a good 500 Madurese, together with a corps of Europeans, to Passourouang, with orders to Commander Hogewitz to have the Madurese join with Tommangong Niti Nagara and 36 Europeans under Lieutenant Ram, and further pursue Praboedjoko and drive him out of the Honorable Company's territory, with the prohibition however from approaching any lands belonging to the rulers. Hereby Praboedjoko was induced to retreat in flight without offering any further resistance through Malang to Oeloedoijo, and the Porong Ingabei Soeto Sojo to Mount Smerroe to the spiritual Panambahan residing there. Whereafter Commander Breton, on my prior orders, sent the Madurese back home with thanks to the Panambahan, after first provisionally appointing as head of Porong the Ingabei Prowiero Coessoemo, who has since been confirmed by the Susuhunan; who has also at the same time agreed that the district of Porong, as long as Praboedjoko exists, shall remain under the administration of the Honorable Company as a bulwark and key to Passourouang. The Madurese, however, before their march back, penetrated on their own authority to within an hour of the main village in Malang and ruined everything with fire and sword, while Porong was also reduced to ashes in revenge against the treacherous regent; which the Susuhunan has not only taken in good part, but has also ordered his people of Cadierie, Seringaat, Betitar, Wierazaba, and others of his dalem's people, to watch Praboedjoko and become master of him: to which end that prince has given the sword of justice to the head of that expedition, Soera Diredja, with full power to spare nothing that belongs to that rebel's following. Meanwhile Commander Breton, having taken ocular inspection of Sumanap and Pamacassang and the administration there, and having now returned to Sourabaija, has informed me that a certain Iapa Talong, whom one presumes with some reason to be secretly protected by the regent of Sumanap, or else by his relatives among the favorites, was staying in those environs, wherefore the Panembahan seems fearful; wherefore the commander admonished the regent to surrender him, with the earnest declaration that if this Iapa and his follower Saran Taija were not brought forth, everything would be to his own accountability; but this regent pretending to know nothing of it, all inquiries were fruitless, only a certain Pappa Lantara, son-in-law of that Iapa, was overtaken, and in the cave in which this Iapa was said to have stayed, there were discovered the uncles of the Radeen Tommangong, named Kiai Soemberbaroe, Kiai Soemberampat, together with their nephew Kiai Soember Ringne, all of whom have been taken into custody, and I have ordered the said commander to send them hither if this Iapa is not surrendered. The Radeen Tommangong of Sumanap had also on his own authority dismissed a considerable number of brave mantris, about whom there was nothing to say, who were however reinstated by Breton with an emphatic reproach to the regent, who thereupon made a firm promise of improvement and promised to see to it that his full contingent will be fulfilled. The
Dutch transcription
293 Van Iavas Oostcust den 20. Septemb: 174 Batavia Aan Als vooren E op den 9: deser van Tagal met het schip oosterbeek alhier geretourneert zijnde, neme ik de vrijheit uw Hoog Edel„ „hedens hier van de schuldpligtige ken„ „nisse te geven, en teffens eerbiedig aan te bieden het dagregister en aanteekening mijner verrigtingen en bevinding, geduurende de reize derwaarts gehou„ „den, aan welkers inhoud ik mij nederig refereerende In voldoening van uw hoog Edelhedens bevelen, vervat bij secreete missive van den 20: aug„s jongsleeden den Boeginees Bappa Dia, laats als zendeling naar Balij bij gusti Agong Mengoei gezonden, nader heb laaten ondervragen op eenige poincten, welke poincten door den zelven beantwoord zijnde aan deze zijn g'acrocheert, dewelke nog verzelt is van een nieuwe reparatitie van 1764 3 a Javas oostcust den 20: September 1764: Van van houtwerken, geduurende eenige Jaaren en zo lang Batavia daar van ten overvloede voorzien blijft, door de Respective Regenten te leveren; ver„ „zoekende, dat uw hoog Edelhedens deze schikking zullen gelieven te approberen, als den Inlander„ door deze hen aangenaame en begeerde verfolig„ „ting, eensdeels zullende verpligten, en anderen „deels D'E: Comp: niet subject werden aanschaade door de verrotting, die de houtwerken door lang„ „leggen, en blootgestelt voor wind en reegen absoluit onderhevig zijn Jn mijne onderdanige letteren van den 13„e passato, van Tagal verzonden. nam ik de vrij„ „heit uw hoog Edelhedens te berigten, de onver„ „wagte invasie vanden Pangerang singa„ „sarie in het Passourouangsche district, en mijne maatregulen daar omtrent genomen ik thans de Eere het tot Een vervolg te bedeelen, dat deze Prins, met zijn gansche magt naar Bangil gerukt zijnde, van daar„ na een hevige attacque schoon alles, behalven den dalm van de Regent, inde assche heeft gelegt, door den braaven en manmoedigen Ingabei 295 Van Javes Oostcust den 20: Septemb„r 1764 Ingabei soera Iaija geslagen is met verlies van een Mantrie, wel 20 gemeene en een menigte van gekwetste. — Inmiddens had den gezaghebber Breton de precautie gebruijkt om sourabaija voor een onverhoopte invasie te dekken, en den vaendrig vrolich met 26. Europeesche krijgers en 1000 sourabaaijers naar de grenzen van het soura„ „barijs Porong, gelijk mede een groote 500 Ma„ „dureezen, benevens een Corps Europeezen, naar Passourouang, verzonden, met ordres aanden Commandant Hogewitz om de Madureezen te doen Conjungeren met den Tommangong Niti Nagara en 36: Europezen onder den Lieutenant Ram, en Praboedjoko verder te vervolgen en uit sE Comp„s territoir te verdrijven, met interdictie echter om geene Landerijen onder de vorsten staande te naderen. Hier door is Praboedjoko bewoogen, zonder verder eenige tegenstant te bieden door Malang naar oeloedoijo, en den Porongs Ingabei soeto sojo naar den berg smerroe bij den aldaar 1764 3e er Van Javas oostcust den 20: Septemb:r 1764: aldaar zich onthoudenden geestelijken Panam„ „bahan met de vlugt te retireren Waarna de gezaghebber Breton, op mijne prealabele ordres, de Madureesen met dank„ „zegging aan den Panambahan weder naar huis heeft gezonden, na alvoorens tot hoofd van Parong provisioneel aante stellen den Jngabei Prowiero Coessoemo den welken seedert door den soesoehoenang bevestigt is; dewelke teffens ook toegestaan heeft dat het landschap Parong, zo lang Pra„ „boedjoko in weezen is onder het bestier van DE: Comp: blijve tot een voormuur en sleutel van Passourouang De Madureezen echter hebben voor hun terugmarsch op eige auctoriteit, tot op een uur na vande hoofd negorij in Malang doorgedrongen, en alles te vuur en te zwaard geruineert, terwijl men ook Porong, ten wraake vanden verraderlijken Regent, heeft in de assche gelegt; 't welk de boesoe„ „haenang niet alleen heeft ten goede genomen maar ook zijne volkeren van Cadierie, „Seringaat 297 Van Javas oostcust den 30: Septemb:r 174. Seringaat, Betitar, wierazaba, en andere van zijn Dalms volkeren, gelast om Praboedjoko gaade te slaan en meester te werden: Ten welken einde die vorst aan, hoofd van die expeditie soera diredja het zwaard van Ius„ „titie heeft meede gegeven met volle magt om niets te verschoonen, wat van dies Re„ „bels aanhang is: De gezaghebber Breton inmiddens van sumanap en Pamacassang, ende huishouding aldaar, oculaire inspectie genomen hebben„ „de, en thans weder te sourabaija geretourneert zijnde, heeft mij berigt dat eene zogenaamde Iapa Talong, dien men met eenige grond presumeert door den sumanaps regent, dan wel door zijne bloedverwanten onder 'shands gefavoriseerten geprotegeert te werden zich daar omstrecht ophield, waar door den Panembahan bedugtschijnt; weshalven de gezag „hebber den Regent vermaanden om den zelven over te leveren, met hartelijke betuijging, dat bij aldien deze Iapa en zijn aanhandeling Saran Taija niet werde ten voorschijn gebragt, alles tot 3 Van Iavas oostcust den 20:' Septemb:r 1744. tot zijne verantwoording zoude komen; Maar deze Regent voorgevende nergens van te weeten, zijn alle enquesten vrugteloos geweest, alleenlijk heeft men eenen Pappa Lantara, schoon zoon van dien Iapa, agterhaalt, en in de spelonke waar in deze Iapa, zich zoude hebben opgehouden ontdekt de ooms vanden Radeen Tommangong in naamen kiai soemberbaroe kiai soember ampat, benevens hun Neef kiai soember Ringne welke alle in verzekering zijn genomen, en ik heb den gemelde gezaghebber gelast, dezelve zo herwaarts te zenden bij aldien deze Iapa niet werd uit„ „gelevert De Radeen Tommangang van sumanap had mede op eige auctoriteit een aanzienlijk getal braave Mantries waar op niets te zeggen is, afgezet, die echter weder door Breton herstelt n met een nadrukkelijke reproche aan den Regent die daar op vaste belofte van beterschap gedaan en beloofd heeft te zorgen, dat zijne volle Contingent zal werden voldaan Den
English
From Java's East Coast the 20th September 1764 The Young Regent of Pamacassang, also taking the path of wandering youth, was taken by Authority Breton with him to Sourabaija and handed over for some time to his grandfather, the Panambahan, to learn some courtesies and to accustom himself to direct his conduct differently. For the rest, God be thanked, everything in the Eastern Salient is once again in a desired tranquility, as well as in the uplands. Furthermore, respectfully referring to the request made in my humble letters of the 23rd June and 4th August, upon which I once again request a favorable decision, I take the liberty to bring to Your High Noblenesses' knowledge that, pursuant to Your High Noblenesses' authorization contained From Java's East Coast the 20th September 1764 contained in the separate missive of the 5th July last, I have placed into the Second Regency of Damak Ingabei Maas Soeradiredja, Second Regent of Coedus, for whom I hereby pray for an Act under the title of Tommangong Soera Diredja. Remaining meanwhile with dutiful respect, Your High Noblenesses' entirely humble and very obedient servant, was signed W. H. v. Ossenberch. In the margin: Samarang, the 20th September Anno 1764. Resolution From Ternate, the Resolution taken in the Council of Policy at Ternate in Fort Orange on Tuesday the 20th March 1764. The Governor makes known how His Honour, notwithstanding the reports obtained yesterday morning that His Highness the King of Ternate (who has been lying ill for circa two months from thrush in the mouth and throat, which was preceded five months ago by the jaundice) was on the mend, received entirely unexpected word yesterday evening around half past five that this monarch was at his last gasp, and that the Queen was making a great commotion in the room in which His Highness was staying, and kept the doors of the house locked; whereupon His Honour thought it wise immediately to send thither the members of this Council, Gregorij and Seijdelman, both to From Ternate, the to see how matters stood with the King and what ailed the Queen; which commissioners shortly thereafter let it be known through the interpreter that this monarch had died in the dalam just before their arrival, and that the Queen, according to the account of some princes and grandees of the realm, was very disturbed over a certain wedded wife of the King named Poelesarie, whom she had caused to be detained and have her hair cut off, from which some disturbances might well arise since she is a sister of a sangaji of Tabaro, one of the largest Alfuro negorijs on the opposite coast of Halmaheira; wherefore His Honour had ordered the said commissioners to admonish the Queen by no means to commit an outrage against the said woman, but rather to let her go out of her sight to prevent all misfortunes; to which advice, however, she in no way listened, but gave a very impudent answer thereto, as may be seen in the report incorporated below. To From Ternate, the To the Right Honourable Jacob van Schoonderwoert, Governor and Director of the Moluccas. Right Honourable Sir, After Your Right Honourable had received entirely unexpected word yesterday evening that His Highness the King of Ternate found himself in a very bad state, we, the undersigned, by order of Your Right Honourable, proceeded around six o'clock as express commissioners to the King's dalam, both to inquire how His Highness was doing and to see what ailed the Queen, who, according to the account received, was carrying on violently in the room where the King lay; having arrived there, we found the Queen still in the said room, yet sitting very composedly, whereupon we, in the name of Your Right Honourable, with polite greetings, asked her how His Highness fared; to which she pointed to the bed where the King lay, giving to understand that this monarch had passed away just before our arrival, for which we condoled her in particular. Furthermore, some princes and grandees of the realm gave From Ternate, the us to know that the Queen had caused a certain wedded woman of the King, for whom His Highness had had great esteem during his life, named Poela Sarie, being a sister of the Sangaji of Toboro (a large Alfuro negorij on Halmaheira), to be put in irons and even to have her hair cut off, from which estrangements might at times arise; we therefore deemed it our duty to give notice thereof to Your Right Honourable as well as of the King's demise, and meanwhile to await further orders in the dalam; after receiving which, accompanied by the King's uncle, Prince Jusuf, and diverse other grandees of the realm, we requested the Queen in the name of Your Right Honourable, in polite terms, not to vex herself against the said woman, but rather to let her go out of her sight to prevent all misfortunes; upon which she very angrily gave as an answer that she could not wonder enough how the Lord Governor could concern himself with such matters, for His Right Honourable had come here to govern the country but not to meddle with women's affairs; that the said Poelasarie had caused her enough spite, and for that she would now punish her, declaring further not to
Dutch transcription
299 Van Javas oostcust den 20:' Septembr 174 Den Jongen Regent van Pamacassang mede het spoor der dwaalende beugt inslaande de gezaghebber Breton met zich naar sourabaija genomen en voor eenige tijd overgegeven aan zijne grootvader den Panambahan, om eenige hoflijkheden te leeren en zich te gewennen zijn gedrag anders interigten. voor 't overige is alles in den oosthoek gode zij dank weder in een gewenschte rust zo wel als in de bovenlanden. voorts mij eerbied recereren „de aan 't verzoek gedaan bij mijne onderdanige letteren van den 23:' Iunij en 4:e aug„s waar op ik nogmaals eene gunstig distig dispositief ver„ „zoeke, nenie ik de vrijheijt uw hoog Edelhedens ter kennisse te brengen, dat ik ingevolge uw hoog Edelhedens qualificatie vervat - . . Van Iavas Ooscust den 20: Septemb: 177. vervat bij aparte missive van den 5:' Julij laatstleden, p„l in het Tweede Regentschap van Damak gestelt heb Ingabei Maas soeradired Ja Tweede Regent van Coedus voor denwelken ik bij deze in Heere om een Acte, onder den Titul van Tommangong soera Diredja Blijvende nnmiddens met ver„ „lichhte Eerbied /onderstond/ uw hoog Edelhedens gansch onderdani„ „ge en zeer gehoorzame Dienaar /was getekend/ W: H: v: ossenberch, /in margine Samarang den 20:' September A„o 1764: Resolutie 301 van Ternaten Den Resolutie Genomen En Rade van Politie tot Ternaten in 't Cas¬ teel orange op Dingsdag den 20:' maart 1764: de gouverneur geeft te kennen hoe zijn Edelen onaangezien degisteren morgen verkregene rapporten dat zijn hoogheit den koning van Ternaten :/ die al Circa twee maanden aan e de sprouw in de mondt en Keel die seaert vijf E e maanden voorgegaan was door de gal zucht ziek gelegen heeft:/ aan de beterhandt was, gis„ „teren avondt circa half ses uren gansch onverwagt berigt erlangde dat dien vorst op zijn uitterste Lag, en de koningine in de kamer waar in zijn Ge hoogheid zig bevondt een groot geraas maaktten mitsgaders de deuren van het huijs gesloten hielt waar op zijn Edele te rade geworden was in„ mediaat de Loden desses raads gregorij en seijdelman derwaarts te zenden, zo om te Van Ternaten Den te zien hoe het met den koning stondt als wat de konon„ „ginne mancqueerde, welke gekommitteerdens kort daer na door den tolk haaden Laeten weten, dat dien H vorst even voorhun komst in den dallem overleden, in dat de koninginnen volgens het verhaal eenigen prin„ Cen en rijksgroten zeer gestoort was over zekere getroude vrouwe van den Koning Poelesarie genaamt die zij hadt laten vast zetter en het hair afsnijden, waar uit wel eenige onlusten zonde kunnen onstaan vermits ze een senghadjes zuster van Tabaro, een der grooste affoerse negorijen op de overkust van halmaheira is; waar om zijn Edelen genoemde gekommitteerdens g'ordonneert had, de Koningine te moeten vermanen zich toch niet aan genoemde vrouwe te vergrippen maar haar Liever tot voorkoming van alle onheilen uit haar gezigt laten gaan; naar welken raad zij egter ingenen dele geluistert, maar een zeer onbeschaamt antwoordt daar op gegeven had, zo als bij het hier onder ingelijft berigt te beogen zij/. Aan 303 Van Ternaten den Aan den wel Edele agtb: Heer Jacob van Schoonaerzoert Gouverneur en directeur der Mouloccos Wel Edele actbaren heer. Na dat uw wel Edele agtb: gisteren avondt gantsch onverwagt berigt erlangdt had dat zig zijn hoogheid den koning van ternaten zeer slegt bevond, heb„ „ben wij ons ondergetekendens ter ordre van uwel Edele agtb: Circa ses uuren als Expresse gekommit„ teerdens naar 's Konings dallem begeven zo om te vernemen hoe sig zijn hoogheid bevond, als om te zien wat de koninginne die volgens bekomen relaar in de Kamer daar den Koning in lag zeer aangong, mancqueerde, alwaar gekomen zijnde w' de konningine nog ingezegte Kamer dog zeer bedaart vonden ziten wanneer w' haar uit naam van uw wel Ed: agtb:, onder beleefde groete vroe„ „gen; hoe zijn hoogheit daar bij stondt, daar op ze naar de cadel toonde daar de Koning op Lag onder te kennen gave dat dien vorst even voor ons komst overleden was, waar over wij haar in't Particulier Condoleerde voorts gaven ons eenige princen en rijx groten R C Van Ternaten Den vrouw Te kennen, dat de Koninginne Zeker getrouwd van den koning, voor de welke zijn hoogheidt in zijn leven veel agting had gehaa in name Poela Sarie zijnde een suster van den Lenghadje van Toboro /: een groo„ te alphoereese negorij op halmaheira:/ had laten in de boeien zetten en zelfs het hair Laten afsnijden, waar uijt Zomwijlen wel Eenige verweideringen zouden kunnen onstaan; Zo hebben van ons pligt geagt uwel Edele agtb: daar van zo wel als van des Konings overleij E den kennisse te geven, en intusschen in de dalm na„ der ordre te blijven afwagten, na erlangst van de welke we vergezelschapt van 's konings oom Prins Jusuf en diverse andere rijx groten, de Koninginne uitnaam E van uw wel Edele agtb:, in beleefde termen verzog„ ten, zig tostaan opgenoemde vrouw niet te willen H 114 ergeren, maar tot voorkooming van alle onheilen Liever uit haar gezigt te Laten gaan, daar op ze zeer verstoort tot antwoord gaaf, datse haar niet genoeg kan verwonderen, hoe zig de heer gouverneur met diergelijke zaken kon ophouden, want dat zijn Ede le agtb: hier gekomen was om 't Lantte bestieren maar met geene vrouwe zaken te bemoeien, dat genoemde Poelasacie haare spijd genoeg had aangedaan, en daar over zoude zij haar nu straffen, betuijgende voorts niet te
English
305 From Ternate, the to their knowledge who had reported on this, and hoped to speak to Your Honorable about it personally when opportunity arose; seeing therefore that regarding this point nothing was to be gained from the Queen, we recommended to the grandees of the realm that the aforementioned lady should be taken care of in order to prevent all disasters, and in the meantime to keep good watch that no realm properties went missing, since Your Honorable would this morning, through commissioners, have the complaint made and the inventory taken; Major Prince Zwaardekroon having also in our presence demanded from the Queen the key to the contracts, which she willingly handed over. This is what we have the honor to report to Your Honorable, whereupon, hoping to have complied with the order of Your Honorable, we take the liberty to call ourselves with much respect /below was written:/ Honorable Sir /lower:/ Your Honorable's humble and obedient servants /was signed/ A. H. Gregorij and J. L. Seijdelman / Orange, Ternate, done 20 March anno 1764. However 176 From Ternate, the However, before and prior to deciding on this, His Honor further informs the meeting that the Ternate court, through express commissioners sent to His Honor regarding the King's passing, also gave notice yesterday evening through the sangajis Limatauw Masuara and Malayu Itgie, and that consequently, in accordance with custom, commissioners ought to be appointed from this Council, both to pay compliments of condolence on the demise of the King on behalf of the Honorable Company and this government to the Queen as well as to the princes and grandees of the realm, and to present certain mourning gifts arranged after former examples, consisting of: 8 pieces guinea common bleached Coast 8 ditto broad blue ditto 8 ditto salempuris 12 ditto bethilles Ternate 4 ditto ordinary Bengal mulmulls 4 pieces fine bleached Coast muris 10 ditto white bunting cloths 2 ditto fine Bengal cassa 100 lb or 2 barrels of gunpowder amounting to the purchase value of ƒ555:12:— and sales value of ƒ893:12:—, and at the same time to inventory the crown regalia; which 307 From Ternate, the matters all the members jointly deeming necessary, there were appointed for this purpose the Merchant and Fiscal Wolfert Johannes van Lingen, and the Junior Merchant and Storekeeper August Hendrik Gregorij, together with the provisional Secretary of this Council Johan Lebregt Seidelman, who then also, after fulfilling the said three points, shall have to put to the Queen that the answer she gave yesterday with regard to the lady Poelasarie is taken very ill, and that His Honor has come to the land of Ternate in order to look after its well-being with his Council and therefore to advise her, the Queen, for the best, so that by her rash conduct no disasters or estrangements may arise, and that she is therefore once again advised to let the said lady go; but if she will not give ear to this, then to notify the grandees of the realm that, if they find danger to the realm in the prolonged punishment of the said Poelasarie, they must assemble about this and give notice of their decision to the Governor; of which commission, the report having come in before the closing of this, it was agreed to grant it a place here, and in the meantime to await what the grandees of the realm will do. To 78 3rd May 1764 From Ternate, the To the Honorable Sir Jacob van Schoonderwoerdt, Governor and Director of the Moluccas. Honorable Sir, Pursuant to the resolution of the Political Council of yesterday, we the undersigned, as express commissioners accompanied by the provisional Secretary of this government Johan Lebrecht Seidelman, betook ourselves to the court of Ternate, where, on behalf of the Honorable Company and this government, we paid the compliments of condolence on the demise of His Highness, Amerie Iskandar Muda Kitchiel Sjakmandam, to the Queen as well as to the princes and grandees of the realm, and subsequently handed over the gifts brought along to serve for the King's funeral; for all of which the Queen as well as the grandees of the realm and princes expressed their gratitude; after which we disclosed our further instruction to inventory the crown goods, which then, after waiting for a while, were brought forth and were found to be as shown by the inventory thereof made by the provisional Secretary and incorporated herein. Inventory 309 From Ternate, the drawn up as an inventory Inventory of such realm goods as were found in the house of mourning upon the demise of His Highness Amerie Iskandar Muda Sahamardam, King of Ternate, and were inventoried by me, Johan Lebregt Seidelman, provisional Secretary of this government, pursuant to the Council resolution of today, in the presence of the Merchant and Fiscal of this province Wolfert Johannes van Lingen and the Junior Merchant and Storekeeper August Hendrik Gregorij as express commissioners, in the following manner and form, namely: 1 piece turban decorated with gold, diamonds, and other precious stones 1 gold sash 1 necklace clasp with 14 diamonds 1 ring with 9 table stones 1 chain of filigree work 1 ditto smaller 35 ditto filigree buttons 1 piece gold shoes 1 ditto breeches buckles 1 piece helmet 1 parang with gold mountings 2 krisses ditto 1 ditto 1 common ditto 1 ditto betel box with a boat-shaped sireh box 3 3 August 1764
Dutch transcription
305 Van Ternaten Den te hunnen beseffen, wie daar van rapport gedaan had, en hoopte uw wel Edele agtb bij gelegentheijd wel zelven daar over te spreeken, wijldus ziende dat aan„ gaande dit poinct niets op de koninginne te winnen was, zo rekommandeerdens w:' de rijxgeoten voorgemelden vrouwe zorge te moeten dragen tot voorkonnissgan van alle onhailen, en intusschen goedewagt te houden dat geen rijks goederen absent raakten aengezien uw wel Edele agtb: dezen morgen door gekom„ „mitteerdens zouw beklag en Jnventarisatien zoude Laten doen, hebbende den majoor Prins Zwaarde„ Kroon ook in ons presentie de sleutel van de Contrac„ „ten van de koningine afgeEyscht die zij ook gewilligt overgaf. dit is 't geen we de Eer hebben uw wel Edele agtb: te berigten, wanneerde verhopende aan de ordre van uw wel Edele agtb voldaante hebben de vrijheid gebruijken ons met veel eer„ „bied te noemen /onderstond:/ wel Edele agtbaren heer /Lager:/ uw wel Edele agtb: onderdanige en gehoorzame dienaren /was getekent/ A„k H:k gregvrij en J=n L„k Seijdelman / maeginna Ternaten orange gedaan 20 maert anno 1764. Doch 176 Van Ternaten Den Doch voor en al eer daar over te diepponeeren, deelt zijn Edele de vergadering alverder mede dat het ternatse hof door expresse gekommiteerdens aan zijn Edele van 's Konings overleijden nog gis „teren avondt door de senghadjes Limatauw masu„ „ara en malajoe Jtgie ook heeft Laten kennisse geven, en dat men derhalven ingevolge usantie uit dezen rade gekommitteerdens dient te be„ noemen, zo om de Complimenten van Condo„ „leantie over het afsterven des konings uit nam der E Comp: en deze regeeing, bij de koningine mitsga„ ders princen en rijxgroten afteleggen als om enigen rouw geschenken, naar vroegen Exempelen ingerigt 6 bestaande in 8 p„s geinees gem: gebl:t Cust 8 „ _„o br: bl _„o _o 8„ Zalempoeris 12„ bethellis ternataans 4 „ malle mollen ord bengals 4 p„s moerissen fijne gebl Cust 10 „ vlagge doeken witte 2 „ cassa fijne bengaals 100: lb: of 2 vaten buskruijt Ten inkoops bedragen van ƒ555:12:— en uit koops ƒ 893: 12: te overhandigen en teffens de kroons regelias te jnventariseren, welke een 307 Van Ternaten den een en ander de gezamentlijke Leder noodza„ kelijk aanmeerkende, zo zijn daar toe benoemt den koopman en fiscaal wolfert Johannes van Lingen, en den onderkoopman en dispencier august hendrik gregorij nevens den p:l secretaris deses raads Johan Lebregt Scidelman, die dan ook 't effens, naar verrigting der gezegde drie poincten de Konningine zullen moeten voorhouden dat men haar gegeven antwoord op gisteren met opzigt tot de vrouwe Poelasacie zeer qualijk neemt en zijn Edele op het land van Ternaten gekomen is om met zijnen raadt deselfs wel„ wesen te behartingen en derhalven haae koning inen ten beste teraden, op dat door haar buijten spoedig gedrag geen onheilen of verweijderingen mogen ontstaan, en dat men haar derhalven nogmaals aan raadt genoemden vrouwe te laten gaan; doch wanneer zij daar aan geen gehoor wil geven de rijx groten als dan aan te zeg „gen, bij aldien zij in het langen kastijden van genoemden Poelasarie zovarigheit vinden met beteekking tot het rijk, daar over temoeten vergaderen, en van hun besluijt aan den gouverneur kennissen te geven van welke kommissie voor het afsluiten deser het rapport nog ingekomen zijnde, is verstaan het zelven alhier plaetze te vergunnen, en intusschen aftewagten wat de rijxgroten doen zullen. Aan 78 3e Meu 1764 Van Ternaten Den Aan den wel Edelen Agtb: heer Jacob van Schoonderwoordt Gouverneur en directeur der moluccos Wel Edele Agtbaren heer Ingevolge politicq raads besluijt van gisteren hebben wij ondergetekendens als expresse gecommitteerdens verzelt E van den p:l secretaris deses gouvernements Johan Lebreckz seidelman ons begeven aan het hog van Ternaten, alwaar voor of uit name der E Comp en dese regeering zoo bij de koning inne als prinsen en rijxgroten de kom„ P plimenten van Condeleantie over het afsterven van zijn hoogheit, amerie Ikandar moeda Kitchiel sjakman„ dam, hebben afgelegt, en vervolgens demede bekomene geschenken om te dienen tot skonings begravenis„ „se overhandigt; voor welk een en ander de koninginne zo wel als rijxgroten en princen hunne dankbaarheijd be„ tuijgden; waarna wij onsen verderen last tot het Jnventariseeren den kroons goederen openden die dan ook na een wijl tijds vertoeven voor den dag gebragt ƒ wierden en zodanig bevonden zijn als de door den p„l secretaris daar van gemaakt en desen Tin„ geleijfden Jnventaris aantoont Inventaris 309 van Ternaten Den gewijs gemaakt Inventaris van zodanige rijks goederen als erbij het overleijden van zijn hoogheit Ameriss„ kaudar moeda Sahamardam Koning van ternaten in 't sterf„ huijs zijn bevonden, en door mij Johan Lebregt Seidelman p:l secretaris deses gouvernements ingevolge raads besluijt van heden ten overstaan van den Koopman, en fiskaal deser provintie wolfert Johannes van lingen en den ondercoopman en dispencier August hendrik Gregorij als Expresse gekommit„ teerdeus zijn g'inventariseert zoodanig en invoegen als hier ondervolgt naementlijk 1: p„s tulband met goud, diamante en andere gesteentens verfielt 1: „ goude Cherp 1 „ hals slotje met 14 diamanten 1 „ ring met 9 tafel steenen 1 „ ketting draatswerk 1„ _„o kleenaer „35„ _„o draads Knopen . 1 p„s goude schoenen 1 „ _„o broek gespen 1 p„s helm-- 1 paaang met goud beslag 2„ krissen „ 1„ 1 gem:„ 1 „ _„o Coinang bakje met een sicie doosja schuits gewijs 3 _o„ - _„o _„o _„o 3 au 1764
English
From Ternate The 1 piece gold belly slasher, with a gold-hilted scabbard with clamp 1 piece breeches buttons 1 piece ornament for a turban 3 pieces country buttons 1 pair leather sword frogs with gold mountings 1 piece sidearm with a gold hilt, hooks and scabbard ring button 1 piece rattan cane 1 piece medal with chain 1 piece gold chain of 150 pieces large corals 1 piece galliot with a silver sail 1 piece gorgolet 81 pieces starry stone small buttons set in gold 1 piece gold large signet 1 piece silver large signet 1 piece ditto small ditto 1 piece ditto gilded storm hat 1 piece ditto censer with its foot 1 piece ditto ditto smaller 1 piece ditto scepter 1 piece ditto goblet with its lid 1 piece ditto bell jar 1 piece ditto ewer ditto ditto 2 pieces ditto rosewater flasks 3 pieces silver gilded small salt cellars 1 piece large silver ewer with its basin 1 piece ditto 3 pieces ditto serving saucers 4 pieces ditto large dishes 2 pieces ditto salt cellars 1 piece ditto openwork dish with its bell jar 1 piece ditto pinang casket with its lime and tobacco box 2 pieces ditto gorgolets with long necks 1 piece ditto small cuspidor 1 pair ditto women's slippers 4 pieces ditto dishes, medium sort 11 pieces ditto table saucers 2 pieces ditto shaving basins 1 piece tempat sirih with its accessories 2 pieces ditto water bowls with their saucers along with lid 1 piece ditto ewer 1 piece ditto water gorgolet ditto mountings for a 1 piece ditto masak bowl 6 pieces ditto small coasters 311 From Ternate the 2 pieces silver oil and vinegar cruets ditto small coasters 2 pieces silver rods 1 piece silver trumpet 1 piece silver tobacco pipe 1 piece silver storm cap 2 pieces silver censers 3 pieces silver hanging lamps 1 piece silver soup spoon with its fork 19 pieces knives with silver handles pieces ditto smaller sort pieces black handles in silver mountings 2 pieces melon spoons 1 piece candlestick with three ditto snuffers 1 piece teapots 1 piece pepper box 1 piece mustard pot 1 piece salt cellar, old-fashioned 2 pieces silver small flower boxes pieces ribbons pieces round as well as six-sided boxes of various sorts 1 piece silver filigree box 1 piece silver tempat sirih made in the shape of a boat with its accessories 43 items silver bracelets of various sorts 3 pieces rosaries 1 piece sea coconut 1 piece malhang or stand with its accessories which are placed in a chest and sealed with the Company's and the commissioners' seal, except for the following goods, which at the request of the major Prince Zwaardekroon and the grandees of the realm are left out and excluded from accountability, namely 1 piece gold pinang bowl, a sirih box made in the shape of a boat 1 piece gold helmet 1 piece gold pedang 2 pieces gold krisses 1 piece sidearm with a gold hilt, hook and scabbard ring button 1 piece rattan cane 1 piece gold chain of one hundred five pieces large corals 1 piece gorgolet 1 piece silver gilded censer, smaller, without foot 1 piece scepter 2 pieces silver forks 1 piece 11 pieces 2 pieces pieces pieces 2 pieces 1 piece 1 piece 1 piece 2 pieces 13 pieces 1 piece 1 piece 3rd of August 1764 From Ternate 1 piece silver ewer with its basin 3 pieces silver serving saucers 4 pieces silver large dishes 2 pieces silver salt cellars 1 piece silver openwork dish with its bell jar 1 piece silver pinang casket with its lime and tobacco box 1 piece silver gorgolet with a long neck 1 piece silver small cuspidor 1 pair silver women's slippers 4 pieces silver dishes, medium sort 3 pieces silver table saucers 1 piece silver tempat pinang with its accessories 4 pieces silver small coasters 2 pieces silver rods 19 pieces knives with silver handles 1 piece silver small flower box It is furthermore noted herein that among the aforementioned regalia the following are included, which the late King Syah Mardan purchased, redeemed or had made, namely: 1 piece gold ring with nine table stones 1 piece gold medal with its chain 1 piece gold chain of one hundred five corals 1 piece gold scarf 1 piece rattan cane with a gold knob 1 piece gilded scepter 1 piece large silver ewer with its copper basin 6 pieces silver small coasters 1 piece gilded helmet 43 pieces silver bracelets of various sorts 1 piece salt cellar with a pepper and a mustard box 9 pieces boxes of various sorts 2 pieces silver serving saucers and 19 pieces knives with silver handles underneath stood: thus done and inventoried at Ternate in the King's Dalam the 20th of March in the year 1764 lower: by me signed: I: L: Seidelman provisional secretary in the margin stood: in our presence and signed W: I: van Lingen and A: H: Gregorij which 313 From Ternate Whereby Your Right Honorable will ascertain various items that, at the death of King Oudshoorn, were not in existence, but were subsequently purchased or made by the most recently deceased. Therewith also some goods placed in a chest, sealed, and which at the request of Prince Zwaardekroon and the grandees of the realm have been left outside thereof as well as to the accountability of the said Prince Zwaardekroon and the King's uncle Prince Yusuf, the chest itself also being delivered into their custody and the keys thereof handed to Your Right Honorable. Further, you have asked the Queen after the recognition money that the recently deceased King had ordered, whereupon she replied knowing nothing else of it than That 1764 3rd from Ternate that the prince had ordered it for various matters, and she had heard that 1200 rixdollars of this year's gratuity money had remained with the Honorable Company, for which the intention of the King had been, upon the arrival of the ship, to purchase some linens, which she requested to have from it for the burial, requesting at the same time excuse from Your Right Honorable regarding the giving of an answer on sight to the female person Poelasarie, which was only done in haste, since the said woman had caused her much vexation, whereupon you presented to her that Your Right Honorable had also taken this very amiss, as our people do not meddle in women's affairs, but only look after the welfare of the country in the Ternate realm in order to prevent all misfortunes, considering the said woman was a sangaji sister of a large Alfur village.
Dutch transcription
Van Ternaten Den. 1 p„s goud buijk snijder, met een goud greepen scheede met klstem 1 „ broeks knopen 1 „ Cieraad tot een tulband 3 p„s lands knoopen 1 p„r Leaaed„ port d' Epecwet goud beslag 1„ zijd geweer met een „ goud gevest haaken en oorbond knoop 1 „ rotting 1 „ medaille met „ ketting 1 „ goude ketting van 150 p„s grote koralen 1„ galjoot met een zilver tot Zeil 1„ gorgolat 81„ starre steene knoopjes in goud geset 1 „ goud groot Cachet 1„ Zilver „ — 1„ _„o kl: _„o 1„ _„o vergulde stormhoed 1„ _„o wier ooks vat met dies voet 1„ _„o _„o kleender _„o septer 1„ _„o bokaal met dies deksel 1„ _„o stolp _„o Lampet „ „ — - 2„ _„o roswater vlesjes 3 „ zilvere vergulde zoutvatjes 1„ groot zilver Lampet met zijn schotel. 1„ _„o 3„ _„o schenk pierings 4„ _„o grote schotels 2„ _„o zout vaten 1„ _„o doorlugtige schotel met dies stolp 1:„ _„o pinang koffertjes met dies kalk en tabak doosje 2 „ _o gorgoletten met lange halsen 1„ _„o quespe doortge 1 p„r _„o vrouwe muijlen 4 p„s _„o schotels middel zoorte 11„ _„o taffel pierings 2„ _„o scheer bekken 1 „ tampot sierie met zijn toebehoren 2„ _„o water kommen met haar pierings neevens deksel 1„ _„o Lampet 1„ _„o water gorgolet _„o _„o beslag tot een 1„ _„o masak kom 1„ _„o schavotjes _„o 6„ 311 Van Ternaten den 2: p:s zildere olie en azijn kannetjes d„o swhavotjes 2 „ „ staven trompet 1 „ „ tabaks pijp 1 „ „ storm muts 2 „ „ wier ooks vatens 3„ „ hang Lampen 1 „ „ soep Lepel met dies vork 19 „ messen met silvere legten „ _o „ kleenden zoort „ zwarte legten in zilver beslag 2 „ Mloene Leporels „ kandelaar met drie d„o sniters. 1 trekpotjes „ peper doosje „ mostrand potje „ zout vat ouwerwets 2 „ „ bloem bakjes „ baantjes „ zo zoude als 6: kante doosjes inzoort 1 „ „ draads werk doosje 1 „ „ tampat siri schuits gewijze gemaakt met des tebchoren 43 stux „ zilvere galangs inzoort 3 p„s pater nosters 1 „ zee klapper 1 „ malhang of standaalt met zijn toebehoren dewelke in een kist gedaan en met 'sComp„s en dergekom„ „mitteerdens zegul, versegult zijn behalven de ondervol„ „gende goederen, die op het verzoek van den ma„ „joor prins zwaardekroon en rijxgroten buiten en behalven verantwoording gelaten als 1: p„s goud Pinang bakje een ziri doosje schutsgerijs gemaakt 1 „ „ helm 1 „ „ padang 2 „ „ krissen 1. „ 2 zijd geweir met een goud geaeest haak en oorband noop _o 1 „ rotting 1 „ goude ketting van hondert vijf p„s groote koralen „ gorgo het 1 „ zilvere vergulde wierook 2 vat kleender zondert voet Lepter 1 „ 2 „ „ vorken 1„ t„ „ /11„ 2„ „ „ 2 „ 1 „ 1. „. 1. „ ƒ 2 „ 13 „ 1 1 „ 3e au 1764 Van Ternaten 1: p:s zilvere Lampet met zijn schotel 3: „ „. Schenk Peerings 4: „ „ - - - - - groote schootels 2 „ „ - - - zoutvaten 1: „ „ - - - - - doorlugtige schotel met dies stolp 1: „ „. - pinang koffertje met dies kalk entabaks doosje 1: „ „. - . - gorgelet met een Lange hals 1 „ „ - - - - quispidoortje 1: p:s „ - - - vrouwe muijlen „ 4: p:s „ - - - - schotels middel zoort 3: „ „ - - - - tafel pierings 1 „ „ - - - - tampat pienang met zijn toebehooren 4: „ „ - - - - - schavotjes 2: „ „ - - - - staven 19: „ messen met silvere regten 1: „ zilver bloem bakje. Nog word indesen g'annoteert dat onder de voors: realias de volgende begrepen zijn, die den overheeden koning sjaha„ merdan ingekogt, ingelost of aanmaken laten heeft Namentlijk —. 1: p„s goud ring met nagen tafel steentjes 1 „ „ medialle met dies ketting 1 „ „ ketting van hondert vijf koralen 1 „ „ scherp 1 „ rotting met een goude knop 1 „ vergulde sexter 1 „ zilver grote Lampet met dies loijang 6 „ „ schavotjes „ vergulde helm 1 „ 43. „ „ galans in zoort 1 „ zout vat met een peper en een mostert doosje „ doosjes in zoort „ 9 „ 2 „ „ schenk pierings en 19: „ messen met zilvere hegten /:onderstond:/ aldus gedaan en g'inventariseert tot Ter„ naten ins konings dalm den 20: maart anno 1764: /:Lager:/ door mij /:getekend:/ I: L: Seidelman p:l secret=s /:in margine stond:/ ten onsen verstaan en getekend W: I: van Lingen en A: H: gregorij waar : 313 Ternaten van Waar bij uw wel Edele agtb diverse posten zult, die bij het overleijden van den koning oudshoorn niet inwesen geweest maar door den Iongst overleijdden voorts ingevolgst ingekogt of aangemaak zijn consteeren 8 - daar bij teffens waet goederen in een kist gedaan verzegult en welk op het versoek vanden prins Swaardekroon en rijkx p grooten daar buiten mitsgaders tot verantwoording van genoemde priens „ swaardekroon en 's koningsoom prins Iufuf gelaten zijn ter „ de kist zelfs mede in hare bewaring overgegeven ende E sluijtels daar van „ uw wel Ed: agtb: ter„ hand gesteld zijn. ook voorst hebben uw d' koninginne „ ge„ vraagt naar de recognitie penn: die den koning Jongs ontfangen breseteld heeft daar op zij repliceerden mits anders daar van te weeten dan Dat 1764 3 e van Ternaten dat den voorst die tot het een en ander besteld, en zij gehoorthadde dat er 1200 rd„s bij de E: Comp: vande desen Jaere waare gunst penningen saan gebleeven waer vermeuingen voor den Coning geweest was met de Comst van het schip eenige lijwaten te kopen dewelke sij versogte om daar uijt de begravenies versoekende teffens van uw wel Edele agtb: Excuns nopens het geven met antwoord op zigt tot het vrouws perzoon Poelasarie dat eenlijk in haast gedaan was, vermits genoemde wrouwe haar veel speijd had aangedaan waar op uw haar te gemoed voerder, dat uw wel Edele agtb: zulx ook ^ opgenomen had terwijl seer qualijk beluijde zig met geen vrou zaeken te bemoeijen, maer eenlijk 'slands in 't ternaten rijks wel weesen te behar„ tigen om alle onheijlen voor te komen aangesien genoemde vrouwe een senghajer suster van een groote alphoerse negorij was
English
315 From Ternate was, who might well take revenge for her the queen's actions, and that your Honorable Worship therefore once again advised her for the best, to which the answer was that she herself wished to speak with said your Honorable Worship about this, desiring however to know in the meantime who had reported thereof to your Honorable Worship, and since we could obtain nothing else from the queen regarding this article, we merely recommended to the grandees of the realm, in case they found difficulty with the further punishment of the said woman, that they should meet about it and present their interests to your Honorable Worship; and for the rest we politely took our leave. Wherewith we hope to have complied with the orders of your Honorable Worship, and thus have the honor to sign with the highest respect /at the foot/ Honorable Worshipful Sir /lower:/ your Honorable Worship's humble and obedient servants /was signed:/ W: 1764 3 From Ternate W: J: van Lingen, and A:t H:t Gregorij /in the margin:/ Ternate Fort Orange the 21st March Anno 1764: /at the foot:/ Thus done and resolved at Ternate in Fort Orange on the date aforesaid /was signed:/ J:b van Schoonderwoert, P: I:s Volckenaer, W:t I:s v:n Lingen, I: G: van Raasvelt, A:t H:k Gregorij and J: L: Seidelman /Lower/ Agrees /signed:/ Ioh:s Reevoet secretary Extract from the Resolutions taken in the Council of Policy at Ternate in Fort Orange on Wednesday the 21st March Anno 1744. The grandees of the realm named in the heading hereof having meanwhile approached the castle gate, they were received by the Members Gregorij and Seidelman 317 From Ternate received and conducted into the meeting hall, where after prior compliments having taken their seats, they notify that they have come to this meeting principally to learn from the Governor and Council how they shall now have to conduct themselves, since their king being deceased, everyone would like to play the master! Whereupon the Lord Governor replies that the gugugu and other grandees of the realm must attend to affairs, both regarding the provision of the funeral and otherwise, until the king is buried, and in the meantime come to report everything of any importance to His Honor; whilst as soon as the prince shall have been committed to the earth, another arrangement will be made. They further request 2000 rixdollars from the Honorable Company on credit, to prepare the king's funeral therewith, B s 3 17 From Ternate to prepare the funeral therewith, whereupon the Governor says that about half a month before his death the king received the recognition money for this current year up to 1200 rixdollars in advance, from which the funeral expenses could very easily be met; whereto they reply in turn that those moneys are held by the queen; but that they shall speak to her about it; requesting further to send deputies to Tidore to make known the death of their prince to that court, which is granted to them by the Governor, and recommends to do as quickly as possible, asking whether they also have anything else to present, which they answer with no; but they nevertheless give signs that the Major Prince Zwaardekroon thinks to come to the Governor yet this evening, 319 From Ternate thinks to come to speak with His Honor about some other points, requesting further their dismissal, which they also obtain. It is further noted herein that the said Prince appeared before the Lord Governor shortly after the departure of the grandees of the realm, principally to make known that the queen had not only caused some teeth to be struck from the mouth of the king's second wife named Poele Sarie, of whom mention was made in yesterday's resolution, but that she also kept locked up with her two other concubines of the deceased prince named Fartago and Make, of whom the one belonged to the village of Tolukko, which people always had to make the king's grave, that 1764 3 From Ternate that they had now refused this because an affront had been done to her, but that he, Zwaardekroon, together with the grandees of the realm, had nevertheless satisfied them again. Further that the Sangaji of Tobaro, being a brother of Poela Sarie, had come hither, but that he knew nothing yet of the incident that had befallen his sister, and that there had also fled to him the king's musician, whom His Highness received in the year 1761 from their Right Honors, with his wife and children, whom he, the Major, kept under his protection, since they had to be regarded as slaves of the realm, concerning whom the Lord Governor recommended that Prince, if the aforementioned Sangaji of 321 From Ternate Tobaro should hear anything of his sister and become angered thereat, to satisfy him again to the utmost of his ability, while His Honor intended to send deputies to the queen once more tomorrow to admonish her to release the first-mentioned woman, and thus as far as possible to prevent the bad consequences that could arise from such a manner of acting through an uprising of the said village, of which the Honorable Company and the Ternate realm have wholly disadvantageous and no less troublesome experience /at the foot:/ Agrees /was signed:/ I:s Revoet secretary. Resolution taken in the Council of Policy at Ternate in Fort Orange on Sunday 1764 3:
Dutch transcription
315 van Ternaten was, die over haar koninginnans gedoentes welwraak zoude kunnen nemen en dat uw wel Ed: agtb: haar daarom nog maals ten besten rade, daar op het antwoord was, dat zij zelfs gedagte uwel Edele agtb: daar over te spreeken wenschte in tusschen maar gaarne te weeten, wie daar van uwel Ed: agtb: rapport gedaan had, en dewijl we nopens dit articul van de koninginne niets anders konde ver„ krijgen rekommandeerden w' de rijxgroten eenlijk, in dien ze bij het langer Castigee„ „ren van genoemde vrouwe zwarigheid von„ „den, dat zij daar over moesten vergaderen en hunne belangens aan uw wel Ed: agtb: voordragen; en namen voor 't overige be„ „leefdelijk ons afscheijd.— waar mede verhopen aan de ordres van uw wel Edele agtb: voldaan te hebben, en dus de Eere hebben met de meeste agting teteij„ kenen /:onderstond/ wel Ed: agtbaren heer /lager:/ uwel Ed: agtb:s oodmoedige en gehoorsamen dienaeren /was getekend:/ W: 1764 3 Van Ternaten W: J: van Lingen, en A:t h:t gregorij /in„ margine:/ Ternaten angorange den 21: maart A„o 1764: /:onderstond:/ Aldus gedaan ende geresolveert tot Ternaten in't Casteel orange de dato voorsz: /:was getekend:/ J„b van Schoonderwoert, P: I:s volckenaer, W:t I:s v:n Lingen, I: G: van Raasvelt, A:t H„k gregorij en J: L: Seidelman /: Lager /accordeert /:getekend:/ Ioh:s Reevoet secretaris Extract uit de Resolu„ „tien genomen in Raade van Politie tot Ternaten in 't Casteel orange op Woensdag den 21: Maart A:o 1744. — Des in den hoofde dezes genoemde rijks groten intusschen voor de kasteels poort genadert wezende, zijn dezelve door de Leden Gregorij en Seidelman gerecipieert 317 Van Ternaten gerecipieert en tot binnen de vergaderzaal ge„ „conduiseert, al waar na voorgaande kompli„ menten zit plaats genomen hebbende, adver„ „teeren, ten principalen in deze vergadering gekomen tezijn, om bij den gouverneur en Raadt vernemen, hoe zig thans zullen heb„ ben te gedragen, vermits hun koning over„ „leden zijnde, wel ider een zoude willen den meester speelen! waar op den heer gou„ „verneur repliceert dat den goegoegoe en Verde„ „re rijksgroten, de zaken, zo omtrent het be„ „zorgen der begravenis als andersints, moeten waarnemen, tot den koning begraven is, en intusschen van alles wat van eenig belang is aan zijn Edele rapport komen doen; terwijl zo draden vorst ter aarde besteld zal zijn, een aandere schikking gemaakt zal werden. — Verzoeken voorts om 2000: rd:s van d' E Comp: of schuldt, om daar meede 'skonings uijtvaart B s 3 17 Van Ternaten uitvaart te bereiden, daar op den gou„ „verneur zegt, dat de koning Circa een halve maand voor zijn doodt de recog„ nitie penningen van dit lopende Jaar op 1200: rd:s na voor uit ontfangen heeft, waar uit zeer gemakkelijk de begrae„ „venis ongelden konnen bevonden wor„ den; waar op zij weder antwoorden die penningen onder de koninginne be„ rusten; doch dat zij haar daar over zullen aanspreken; versoekende wijders gekommitteerdens naar tidoor tezen om de doodt van hun vorst aan dert hof bekend te ma„ ken, 't geen haar door de gouverneur gestaan is toestaat, en rekommandeert ten spoedigste te doen, vragende of ze ook nog iets anders voor tedragen hebben, dat ze met neen b'antwoorden; maar geven egter tekenen dat den majoor Prins zwaardekroon nog heden avondt bij den gouverneur deukt 319 Va Ternaten denkt te komen, om over enige an„ „dere poincten met zijn Edele tespreeken verzoekende voorts om hunne dimis„ sie, die ze ook erlangen. — Nog wert in dezen g'annoteert dat genoemden Prins kort na het vertrek der rijks groten bij den heer gouverneur is verschenen voorna„ „melijk om bekent te maken, dat de koninginne 'skonings twede vrouwe Poele Sarie genaamt waar van ter resolutie van giste„ ren gewag gemaakt is, niet alleen enige tanden uit de mondt had La„ ten slaan, maar dat zij nog twee andere bijwijven vanden overleeden vorst in namen fartago en make nevens haar opgesloten heelt, waar van de eene op de negorij tolukko 't huijs hoorde, welk volk althoos het konings graf moest maken, dat 176 3 Van Ternaten dat zulks nu geweigert hadt ver„ mits haar affront aangedaan was, dog dat hij zwaardekroon nevens de rijxgroten haar egter weder te vrlden gesteld hadt Verders dat de Senghadje van toba ro, zijnde een broeder van Poela sarie herwaarts gekomen was, maar dat hij van het geval zijn suster overgekomen nog niets wist, en dat ook bij hem gevlugt was s konings musicant, die zijn hoog„ „heid inden Jaare 1761: van haar hoog Ed:s ontfangen heeft met zijn vrouw en kinderen, die hij majoor onder zijn bescherming hieldt, vermits dezelve als rijks slaven moesten werden aangemerkt welken aangaande den heer gou„ verneur dien Prins gerekomman„ „deert heeft, voormelt Senghadje van 321 Van Ternaten van tabaro als hij iets van zijn suster mogt vernemen, en daar over verstoort raaken, weder naar uitterst vermo„ „gen te vreden te stellen, terwijl zijn Edele van mening was op morgen nog eens gekommitteerdens naar de koninginne te zenden om haar te vermanen eerst ge„ melde vrouwe te langeren, en dus zo veel mogelijk vert voortekoomen de quade gevolgen die uit dier ge„ „lijke en handelwijse door een opstandt van genoemde Negorij Iou„ de konnen ontstaan, waar van d' ^ het Ternaatse rijk gants nadeligen. Compagnie ^ en niet min moeijelij„ „e ondervindinge heeft /:onderstond:/ accordeert /was getekend:/ I:s Revoet: secretaris.— Resolutie genomen in Rade van politie tot Ternaten in't „Casteel orange op. Sondag 1764 3:
English
From Ternate Sunday the 25th of March 1764: The gugugu, along with some grandees of the realm, having very unexpectedly requested an audience with the Governor this evening around half past six, he immediately summoned the council members to join him, and proceeded with them to the council chamber, where the aforementioned gugugu shortly afterwards appeared together with the other persons mentioned in the heading. After exchanging compliments, they made it known that they had come in the name of all the other bobatos to inform this government of the precarious state of the Ternatean realm, which, following the death of their sovereign, had to be compared to a lamp containing no oil, especially since the gugugu is a man of advanced age and does not possess sufficient competence to properly manage such an important administration; adding thereto that there is currently no hukum either, and that most of the realm's grandees are newly appointed and inexperienced. For all these reasons, they most humbly request that the Honorable Governor and Council might appoint a head over them from among the princes of the blood to prevent all improprieties, disputes, and estrangements. To which the Governor replies that he intends to convene the council on this matter tomorrow morning, but that this government is not authorized to appoint a king over them, since Their High Excellencies, pursuant to the 4th article of the contract entered into with King Amsterdam at Batavia in the year 1783, reserved this solely to themselves, and that therefore nothing else can be done than to nominate the closest and most competent person as king, as was previously done upon the deaths of Kings Amsterdam, Tolucco, and Oudshoorn. Whereupon they stated that upon the death of King Raja Laut, the grandees of the realm had immediately nominated his eldest son, Prince Oudshoorn, as king to this government, which had then appointed that prince without writing to Batavia beforehand, and they wish and request that the same may happen now. The Honorable Governor replies to this again that such is impossible, since one cannot violate the contracts and the orders of Their High Excellencies; but that the situation regarding Prince Oudshoorn was entirely different, since many years before his father's death the order of Their High Excellencies had already been here to introduce him as king over the realm of Ternate upon the demise of his father; also giving them to consider how matters would stand if a prince were appointed as regent who was subsequently not approved by Their High Excellencies and had to step down again. Whereupon the grandees of the realm sat in silence for a considerable time and then sighed, saying: what can we do against that if such cannot be, requesting nevertheless that someone might at least be appointed to conduct the administration of the realm with them in the interim. To which the Governor responds that they are willing to accommodate them to some extent in that regard, provided that whoever is appointed alongside them to manage the realm's affairs shall step down immediately if Their High Excellencies should see fit to appoint someone else as king. Furthermore, the Honorable Governor asked the grandees of the realm whom they consider to be the most competent for this and whom they would prefer to have. Whereupon they replied that upon the death of King Tolucco, his son Raja Laut ascended the throne, and upon his death, the latter's eldest son, Prince Oudshoorn, and upon his demise, his second son, Prince Syah Mardan, and that now no one is closer or more competent for the royal dignity than the third son of Raja Laut and brother of the last two deceased kings, Prince Zwaardekroon, for whom they ask both on their own behalf and in the name of the entire realm. The Honorable Governor responds to this that His Honor and the members of the council are very pleased that they propose the closest, most competent, and most suitable person, further promising to take a firm decision tomorrow morning regarding the administration of the realm, for which they expressed their gratitude and subsequently departed. Below stood: Thus done and resolved at Ternate in Fort Oranje on the date aforesaid. Was signed: J. van Schoonderwoort, P. J. Volckenaer, W. J. van Lingen, J. G. van Raasvelt, A. H. Gregorij, and J. L. Seidelman. Lower: Conforms. Signed: J. Reevoet, Secretary. From Ternate. Copy of the resolutions taken in the Council of Policy at Ternate in Fort Oranje on Monday the 26th of March 1764: The Honorable Governor declares that he has convened this meeting in order to make an arrangement concerning the administration of the Ternatean realm following the death of the King of Ternate, Amiri Iskandar Muda Syah Mardan, who was yesterday buried with great pomp. He indicates that up until now since the death of King Amsterdam, except upon the death of King Raja Laut in conformity with what was recorded in yesterday evening's resolution, the authority on such occasions had always been entrusted to
Dutch transcription
Van Ternaten Sondag den 25: Maart 1764: De goegoegoe met enige rijks grooten dezen avond omtrent half seven uuren bij den gouverneur zeer onverwagt be„ „let hebbende laten vragen, zo heeft den zelven anstonds de gezametlijke leden bij hem laten verzoeken, en is daar me„ „de naar de vergaderzaal gestapt alwaar voormelde goegoegoe met de verdere in den hoofde genoemde perzoonen kort daar na mede verschijnen, en na de vol„ bragte komplimenten te kennen geven, uit naam van alle de overige baba„ „tossen gekomen te zijn, om den hagge„ „lijken staat van het ternaatse rijk aan deze regering bekente maken 't welk mits het overlijden van hunnen vorst bij een Lamp daar geen olij in is vergeleken moest worden, inzon„ „derheit dewijle de goegoegoe van een man van hoge Jaren is, en geen bequaamheit 323 Van Ternaten bequaamheit genoeg bezit om zo een gewigtige bestiering maar behooren waartenemen daar bij voegende dat er ook thans geen hoekum is en dat ook de meeste rijks grooten Jong aangesteld en onervaren zijn al„ waaromme zij zeer nedrig ver„ zoeken, dat door den heer gou„ „verneur en raad hoe zilver uit de princen vanden bloede een hoofd over hun mag werden aangestelt ten voorkoming van alle oneedrig„ „reden, dispuiten en verweideringen; waarde gouverneur op repliceert van mening te zijn morgen ochten 't daar over te vergaderen dog dat dese regering onbevoegt is een koning over hun te benoemen aangezien haar hoog Edelheedens, ingevolge het 4: articul van 't Contract in Jare 1783. met den koning amsterdam te Batavia aangegaan, zulx aan zig alleen hebben „. 3n a 1764 Van D Ternaten hebben behouden, en dat men derhalven an„ „ders niets doen kan, dan de naaste en bequaamste tot koning voortedragen zodanig dat voormaals bij het overlijden van de koningen amsterdam, To„ „lucco en oudshoorn getracteert geweest is, waar op ze te kennen geven, dat de rijksgro„ „ten bij het overlijden van den koning Radja zaoet, aanstonds zijnen oudsten zoon den prins oudshoorn tot koning aan deze regering voorgedragen hadde, die dan ook zonder daar over voor af naar batavia te schrijven, dien prins daar toe aangesteld had, twelk zij wenschen en verzoeken dat thans ook mag ge„ schieden; de heer gouverneur repliceert hier op weder, dat zulks onmogelijk is, vermits mende Contracten en haar hoog Edelhedens ordres niet overtreden kan; Dog dat het ten opsigte van Prins oudshoorn gansch anders gelegen is geweest, vermits al 325 Van Ternaten al vele Jaren voor zijn vaders doodt de ordre van haar hoog Ealhedens hier geweest was, om hem bij het afsterven van zijnen vader tot koning over het rijk van Ternaten te introdu„ ceeren; gevende haar teffens in be„ „denken hoe het gaan zoude als man een Prins tot regent aansteldde, die naderhand door haar hoog Edelhedens niet goed gekeurt wert en weder aftreden moest; daar op de ryxgroten en gehele poostijdt stil zitten en vervolgens al zugtende uit en, wat 6 kunnen wij daar tegen doen; indien zulx niet wezen mag, versoeken„ de egter dat men tog imand mag be„ „noemen, die in die tusschen tijdt de be„ vertiering van het rijk met hun waar„ „neemt, waar den gouverneur op antwoordt, dat men henlieden daar omtrent wel eeniger maten te gemoet wil komen, mits dat de geene die men. 1764 ln Van Ternaten men nevens hun tot de maneance van 'srijkszaken aansteld, daar van aanstonds weder afstapt, in den dien haar hoog Edelhedens een ander tot koning gelieven te benoemen Voorts bragt de heer gouverneur derijksgroten, wien zij wel denken daar toe bequaamst te zijn en liefst willen hebben! daar op ze repliceeren, dat bij het overlijden van den koning Tolucco zijn zoon raadje Laaet en bij diens doodt des Laast genoemdens oudsten zoon prins oudshoorn, mitsgaders bij het afsterven vandeze zijn twee„ „de zoon Prins Sjahmardam tot koningen opgetreden zijn, en dat nu geen nader en bequamer tot de koninglijke waardigheid is dan den derden Loon van radja Laoet en broeder vande Jongst overleedene 327 Van Ternaten overledene twee koningen Prins zwaarde kroon, om den welke ze ook zo voor zig als uit name van het gantsche rijse verzoeken. De heer Gouverneur vervolgt hier op dat het zijn Edele nevens de raadsleden zeer lief is, dat zij denaaste bequaamste en Compa„ „tibelste voordragen, beloven de voorts morgen ogten aangaande de bestiering van het rijk een vast besluijt te zullen nemen waar voor ze Kunnen dankbaarheid betuij„ gen en wijders vertrekken :/ onderstond:/ Aldus Gedaan ende Geresolveerd tot Ternaten in't Casteel orange dato voorsz: /was getekend:/ I: van Schoonderwoort, P:s I:s volckenaer w:t I:s van Lingen, I:s G: van Raas„ „velt A: H: Gregorij en I: L: Seidelman /:Lager / accordeert /getekend:/ s Reevoet secretaris. — J: 3 Van Ternaten. Copia Resolutien genomen in Rade van politie tot Ternaten in't Casteel orange op. Maandag den 26: Maart 1764:-. De heer gouverneur verklaart deze vergadering belegt te hebben, omme mits het afsterven van den koning van terna„ ten amiri Ikander moeda sjah„ mardam, die op gisteren met veel pragt ter aarde besteld is, een schik„ king te maken over het ternaatse rijks bestier, geeft te kennen dat tot hier toe sedert des konings amsterdams doodt, behalven bij het overlijden vanden koning Radja Laoet Conform het bij Resolutie van gisteren avondt ter neder ge„ „stelde, het gezag bij die gelegent„ „heden althoos opgedragen is geweest aan
English
From Ternate to five of the foremost grandees of the realm, which examples he gladly wished to follow, but regarding which he finds himself prevented. Firstly, through the incompetence of the goegoegoe who, besides his advanced age, is far too mild-tempered and also as yet too inexperienced in matters concerning the realm, it appearing indeed that the King only conferred that office upon him in order to direct everything according to his own will. Secondly, through the advanced age of Prince Iusuff, who since the year 1754 has constituted the second person, and was already then described as a very old man, consequently now too weak to attend the daily meetings, having quite enough work with his office as high priest, so that he can only be of service in weighty matters, being otherwise very experienced and also always used on such occasions. 3rd May 1764 From Ternate having been used. Thirdly, through the absence of the third person, the hoekum of the realm, who is still lacking, as the deceased monarch, notwithstanding our constant admonitions, did not provide for this; thus the governance would principally have to rest upon the hoekum Senghadjie Samaja and the Senghadje Limataoe masnara, both men who indeed appear to have some ability, but entirely lack sufficient authority to assert themselves properly; besides and over all of which the Governor furthermore submits for attentive resumption the resolution taken yesterday, with relation to what was transacted with the goegoegoe and three other grandees of the realm, who with all their might, for the sake of the reasons set down herebefore, From Ternate reasons, made a request to appoint a prince of the blood alongside them to direct the affairs of the realm until such time as Their Right Excellencies should have chosen a King, nominating for that purpose, both for themselves and in the name of all the grandees of the realm and the entire people, Prince Zwaardekroon, son of the King Raadja Laut and brother of the most recently deceased Kings Oudshoorn and Sjahmardam; to which is further added the report given to this assembly by the assistant Francois Bartholomeus Hemmekam, who, due to the indisposition of the interpreter Dames, had been to the court of Ternate, both to inquire after the well-being of the royal family and grandees of the realm and to see what was going on there, that on that occasion he not only saw that the common people From Ternate people, but also the grandees of the realm and Princes, rendered virtually royal honors to the aforementioned Prince Zwaardekroon, concerning which that Prince had also many times sent to ask the Governor's pardon, as he was unable to prevent the people from showing him such honor; having also attested alongside this that the grandees of the realm had reported to him regarding what was transacted in the meeting of yesterday evening; and furthermore declared that he knew very well the orders of the Honorable Company, and particularly the contents of the 4th article of the contract entered into in the year 1783 with King Amsterdam at Batavia, to which he also gladly wished to submit himself and undertake the administration of the realm's affairs alongside some grandees of the realm From Ternate until it shall please Their Right Excellencies to choose a King over the realm, under the promise, should the lot fall upon another than himself, to step back very willingly, which however he did not hope; requesting furthermore that if the administration of the realm's affairs is entrusted to him in the meantime alongside some grandees of the realm, he might have the precedence. Concerning which, after attentive discussion, it was unanimously resolved, not only out of consideration of the reasons set down herein and in yesterday's resolution, but also because it has been seen, both at the funeral and on other occasions, that both the grandees and commoners show the repeatedly mentioned Prince all tokens of respect, and that he is also the From Ternate the most capable and experienced in the steering of the realm's affairs, having been constantly with and around the King in the last two years, and consulted with him in all weighty matters and having adopted his highness's good manners, to appoint the same, along and together with: the goegoegoe Pattilatoe high priest Prince Iusuf hoekum Senghadje Samadja Senghadje Limataoe masuara, as joint regents over the Ternatan realm, and for greater tranquility to add to him the Senghadje Tomodjiko hattibaba, who also appears to be a man of good ability; provided that he, Zwaardekroon, immediately steps down from his provisional authority if Their Right Excellencies should, beyond From Ternate beyond expectation, choose another as King, and that they also until such time must hold their daily meetings in the front hall of the deceased King's Dallem, and report all occurring weighty matters to the Governor and ask His Honor for advice; as it was likewise resolved to recommend the aforementioned Prince Zwaardekroon to the favor of Their Right Excellencies, since he is the next successor to the crown, being a grandson of the King Tolucco and a legitimate son of King Raadja Laut, born under the crown in the year 1720, as well as a brother of the two most recently deceased Kings Oudshoorn and Sjahmardam, and to state alongside this that the deceased monarch has left no children.
Dutch transcription
329 Van Ternaten aan vijf van de voornaamste rijksgroten, welke voorbeelden hij gaarne wenschte te volgen, maar waar omtrent hij zig belet vindt. Eerstelijk door de onbequaamheid van den goegoegoe die behalven zijne hoge Iaren, al te zagt zinning en ook voor als nog te onervaren is; inde zaken. het rijk betreffende heeft schijnende wel dat den Koning hem die bediening maar alleen opgedra„ gen heeft om alles naar zijn eigen zijn te dezi„ geeren. Ten tweeden door den hogen ouderdom van Prins Iusuff, die uijt Iaares 1754: de tweede perzoon uitgemaakt heeft, en toen als beschreven is als een stok oudt man gevolgelijk thans te zwak om de dagelykse vergaderingen bij te wonen, hebbende met zijn omt als oppriester allen werk ge„ noeg dus die maar te pas kan komen in hoogwigtigtige zaken, als anderzins zeer ervaren, en bij die gelegentheden ook althoos gebruijk ƒ 3e Meu 1764 Van Ternaten gebruijkt zijnde Ten derden door onstentenisse vanden derden perzoon den hoekum van 't rijk die nog ontbreekt, als hebbende den overleden vorst, niet tegenstaande onze gedierige aanma„ ningen, daar niet in voorzien; dus het bestier voornamelijk zou moeten rusten op den hoekum Senghadjie Samaja, en den Senghadje Limataoe masnara, beide menschen die wel enige bequam„ heid schijnen te hebben, maar gansch geen gezag genoeg om zig naar be„ horen te doen gelden; buijten en behalven al't welk de Gouverneur nog ter aan„ dagtige resumtie over geeft de op gis„ „teren genomen resolutie, met relatie tot het verhandelde w met den goe„ „goegoe en nog drie andere rijks gro„ „ten, die met alle kragt om de wille der hier voren ter neder gestelde redenen 331 Van Ternaten redenen; verzoek deeden, een prins uit den bloe„ „de nevens hun te willen benomen om de za„ ken van het rijk te dirigeeren tot tijd en wij„ „le haar hoog Edelhedens een Koning zou„ den verkoren hebben, daar toe zo voor zig als uit name van alle de Rijksgroten en 't gehele volk voordragende prins Zwaardekroon, zoon van den Koning raadja Laut en broeder van de Jongst overledene Koningen oudshoorn, en Sjahmardam; waar bij nog komt het aan deze vergaderinge gegeven relaas door den adsistent francois Bartholomeus Hemmekam, mits Jndispositie van den tolk Dames naar het hoff van Ternaten geweest zijnde, zo om naar den welstand van de Koninglijke familie en rijksgroten te vragen als om te zien wat daan ommegaat, dat hij bij die occagie niet alleen gezien heeft dat het gemene volk 176 3 Van Ternaten volk maar ook de rijksgroten en Princen, aan genoemden Prins Zwaar„ dekroon genoegzaam koninglijke Eer„ E bewijzen, welken aangaande dien Prins ook veel malen excuus aan den gou„ „verneur hadt laten verzoeken, alzo hij niet in staat was het volk te beletten datze hem diergelijke Eer toedroegen; hebbende ook daar nevens betuigt dat de Rijksgroten nopens het verhan„ delde in de vergadering van gisteren avondt aan hem verslag gedaan had„ „den; en voorts verklaart, dat hij de ordres van d' E: Comp: en wel voorna„ „melijk den inhoud van het 4: articul van het contract in den Iaare 1783: met den koning amsterdam op Ba„ „tavia aangegaan zeer wel wist, waar aan hij zig ook geerne onderwerpen ende maneance van 's Rijks zaken Nevens enige Rijksgroten waarnemen wilde 335 Van Ternaten wilde tot haar hoog Edelhedens gelieven zullen een koning over 't rijk te verkie„ „sen, onder belofte, wanneer het Lot op een ander dan op kan mogt vallen, zeer gewilliglijk te rug te zullen treeden het welk hij egter niet hoopte; verzoekende voorts als men aan hem intusschen ne„ „vens eenige rijksgroten de maneance van srijks zaken op draagt hij de voor„ „rang mogt hebben Over welk een „ onder aandagtig ge„ sproken zijnde, is niet alleen uit con„ sideratie van de indezen, en bij de re„ „solutie van gisteren ter neder gestel„ „de redenen, maar ook om dat men zelfs zo bij de begraeffenis als bij andere gelegentheeden gezien heeft dat zo wel de groten als gemenen meer genoemden Prins alle tekenen van Eerbiedt bewijzen, en dat hij ook de 1764 3e Van Ternaten de bequaamste en ervarenste de stiering der rijks zaken is, inde Laaste twee Jaren gedurig bij en omtrent den koning geweest zijnde, en met hem in alle gewigtige zaken geraadpleegt en zijn hoogheid L: M: goede manieren aangenomen hebbende unanim g'arresteerd, Denzelven net en benevens. den goegoegoe Pattilatoe opperpriester prins Iusuf „ hoekum senghadje Samadja „ senghadje Limataoe masuara als geza„ „metlijke regenten over het Ternaats rijk te benoemen, en tot meerder ge„ „rustheid den Senghadje Tomodjiko hattibaba dat mede een man van goede bequaamheit scheint te zijn hem toetevoegen; mits dat hij Zwaar„ de kroon ten Eersten van zijn p:l gezag weder afstapt, als haar hoog Edelheedens buijten 337. Van Ternaten buijten verwagting een ander tot koning mogten verkiesen, en dat zij ook tot dus Lange hunne dagelijkse vergaderingen houden moeten inde voorzaal van des overleeden konings Dallem, en en van alle voorvallende gewigtige zaken aan den gouverneur rapport doen en zijn Edele om raadt vragen; gelijk al mede besloten werd genoem„ „den Prins zwaardekroon, vermits de naaste tot kroon op volger is als zijnde een klein zoon van den koning Tolucco en Een Egte zoon van Koning Raadja Laut, onder de kroon in de Jaare 1720: geboren, mitsga„ ders een broeder van de Iongst overle„ „dene twee koningen oudshoorn en Sjahmardam, inde gunste van haar hoog Edelhedens voortedragen, en daar nevens te bedelen dat den overle„ „den vorst gene kinderen nagelaten heeft 3
English
Of Ternate has, and that there are only three princes besides him who could come into consideration, namely Prince H Rsensaha, being also a young son of King Radje Caut, though begotten by a concubine, about 28 years old; Prince amiri, being a son of King oudshoorn, also begotten by a concubine, about 33 years old; and Prince Tjaptjcka, being a legitimate son of Prince Xulla, who was the eldest son of Radja Lout, about 33 years old; of whom the first possesses a good character and lives very quietly and moderately, though he associates little with Europeans; the second, Prince amirie, no longer has that quality at all which was attributed to him in the resolution of 30 August in the year 1759, but maintains a conduct entirely contrary thereto, and is not even innocent of abducting slaves and occupying himself with all kinds of evil practices; the third, or Prince Tjaptjeka, conducts himself fairly well so far as is known, has also 339 Of Ternate also had much conversation with the deceased monarch, and should thus, alongside the first, be regarded as the best, in case Prince Zwaadekroon, upon his hoped-for election as king, should leave no sons of the required age, having already one of about fifteen years of age. Below was written: Thus done and resolved at Ternate in Fort Orange on the date aforesaid. Signed: J.s V.n Schoonderwoert, P.s I.s Valckenaar, W.t J.b van Lingen, J.n G.s van raasvelt, A:t h:r gregorij, and I: S. Seidelman. Resolution taken in the Council of Policy of Ternate in Fort Orange on Tuesday, 27 March 1764: After the Governor had summoned the assembled dignitaries and princes of Ternate for around nine o'clock, 3e Mau 1764 Of Ternate o'clock, those mentioned in the heading, along with many others, appeared in this fort about half an hour later, to whom, after a polite reception and completed compliments in the upper hall of the Governor's residence, seating was assigned both at a long table and beside it, whereupon the Governor first delivered the following address: namely that, since it has pleased Almighty God to take their King amirie Iskander moeda Sjahmardam from this perishable world unto Himself on the 19th of this month, and thus to deprive the realm of Ternate of a lawful head, His Honour has summoned them all together in order to make an arrangement concerning the government of the realm, in accordance with the examples of the years 1690, 1714, and 1754 on the occasion of the death of the kings amsterdam, Tolluco, and oudsThoorn, at the same time presenting to them the 4th article of the contract entered into in the year 1783 with King 341. Of Ternate King amsterdam at Batavia, wherein it is expressly stipulated that upon the death of a king the crown shall remain vacant until it pleases the High Indian Government to choose another king, asking whether they are aware of this, and whether they wish to have the same read aloud to them. Whereupon the High Priest Prince Iusus, taking the floor after speaking for a long time with the principal dignitaries, declared on behalf of them all that they are very well aware of this, and that they also willingly submit thereto, but nevertheless once again request, as four dignitaries had already done the day before yesterday, that for the reasons clearly set forth in the resolution of that date and yesterday, the administration of the realm may meanwhile, pending Their High Excellencies' further disposition, be entrusted to a prince of the blood, together with some other 06 3 1764 Of Ternate other dignitaries of the realm, so that affairs may be governed all the better in order and with less trouble and discord, proposing thereto with unanimous votes Prince zwaardekroon as being the nearest successor to the crown and the royal dignity, and whom they further request may be recommended as King to Their High Excellencies. The Governor thereupon made known that he met in council yesterday concerning this matter and gave reflection to their request, and that we have consequently appointed the said Prince Zwaarde kroon as first, together with the goegoegoe Pattilatoe, the High Priest Prince Iusu, the hoekum senghadje Samaja, the singhadje Limataoe Masuara, and the Tornadjiko hatte baba, as co-regents, on the condition that he, the Prince, must willingly step down from that authority of his whenever 343 Of Ternate whenever it may please Their High Excellencies to choose another as king, which the said Prince and his dignitaries dutifully promise, after which His Honour presents them jointly to the entire assembly as regents of the realm under the higher authority of the Company, with the recommendation to obey them and show them proper respect, to which they assent with 'yes'. After which the Governor recommends that the joint regents hold their daily meetings in the deceased king's dalem, as well as report to him on all important matters that arise, and ask His Honour for advice before they make any dispositions, which they also promise dutifully to fulfill; however, they request to be allowed to hold the meetings in another place, because the Queen would not like to be inconvenienced thereby in her residence, and moreover in many 3e Maar 1764
Dutch transcription
Van Ternaten heeft, en dat er nog maar drie princen zijn die buiten hem in Comparatie zouden kunnen ko „men namelijk de Prins H Rsensaha zijnde mede een Iongen zoon van koning Radje Caut doch bij een bij wijs geproreert, omtrent 28: Iaren andt de Prinsamiri zijnde een zoon van koning oudshoorn, mede bij een bij wijs gewannen omtrent 33. Iaren oddt, en de Prins Tjaptjcka zijnde een egte zoon van Prins Xulla, dat geweest is den oudsten zoon van Radja Lout, omtrent 33 Jaren oudt waar van den eersten een goedt Caracter bezit, en zeer stil en gemodereert Leeft doch werinig met Europesen omgaat de twede Prins amirie heeft gansch: die qualiteit niet meer, die hem inden Iare 1759 ter resolutie van den 30: augustus gegeven is, maar houdt een gedrag ten ene„ „male daar tegen strijdende, is selfs niet vrij van slaven teverlieden en zig met allerlee quade practijquen op te hou„ „den de derde of Prins. Tjaptjeka gedraagt zig tamelijk wel, zo verre men weet heeft ook 339 Van Ternaten ook veel Conversatie gehadt met den over„ „leden vorst, en zoude dus nevens den eersten als de besten dienen te werden aangemerkt, indien Prins Zwaadekroon bij verhoopte electie tot koning gene zo„ „nen van de verieschte Jaren mogt nalaten hebbende er reets ene van amtrent vijftin Jaren oudt /onderstond:/ aldus gedaan ende geresol„ „veert tot Ternaten in't Casteel oran„ gedato voors:z /:was getekend:/ J„s V„n Schoonderwoert, P„s I„s Valckenaar W„t J„b van Lingen, J„n G„s van raas„ „velt A:t h:r gregorij en I: S. Seidelman Resolutie genomen in Rade van Politie Ternaten in 't Casteel orange op Dingsdag den 27:' Maart 1764: Na dat den gouverneur de gezamentlijke rijks groten en princen van Ternaten tegen negen uurenE 3e Mau 1764 Van Ternaten uuren hadt laten appoincteren, zijn de inden hoofde gemelden met nog vele anderen, om „trent een half uur later binnen dit kas„ „teel verschenen, aan dewelke, na beleefde re„ „ceptie en volbragte kamplimenten op den bovenzaal van 's gouverneurs woning zo aan een lange tafel als ter zijden dezelve, zitplaats aangewezen wert, wan„ neerden gouverneur voor af de volgende aanspraak doet namelijk dat dewijle het den almagtigen godt behaagt heeft hun Koning amirie Iskander moeda Sjah„ mardam, op den 19: dezer uit dit vergan„ „kelijke tot zig tenemen, en dus het ter„ naatsche rijk van een wettig hooft te ontbloten zijn Edele hun gezamentlijk heeft binnen ontboden, om conform de Exempelen van de Iaren 1690: 1714. „ en 1754 ter gelegentheid van het overlij„ „den der koningen amsterdam Tolluco „ en oudsThoorn, een schikking te maken over het bestier van het rijk, haar teffens voorhoudende het 4:' articul van het contract in den Iare 1783 met den Koning 341. Van Ternaten koning amsterdam te Batavia aangegaan waar bij uitdrukklijk bedongen is, dat bij het overlijden van een Koning de Kroon zo lange zal moeten op een blijven tot het de hoge Indiasche regeringe behaagt een ander Koning te verkiesen met afvragie of hun zulx bewust is, en of zij het zel„ „ve anders willen voorgelezen hebben Waar op den opper Priester Prins Iusus na een Lange wijle spreekens met de voor„ „naamste rijksgroten het woordt vattende, uit nance van hun alleen verklaart dat hun het een en ander zeer wel bekent is, en dat zij zig ook gaarne daar aan willen onderwerpen, maar des niet tegenstaande noegmnalen, zo als vier rijksgroten op eer gisteren reets gedaan hebben, verzoeken dat om redenen bij de resolutie van dien datum en gisteren duidelijk ter neder ge„ „stelt de besteering van 't Rijk tot haar hoog Edelhedens nadere dispositie intusschen mag op gedragen werden aan een Prins van den bloede, met enige andere E 06 3 1764 Van Ternaten andere rijks grooten, op dat de zaken des te beter in ordre en met minder hooft bre„ „ken en twisten bestiert mogen worden daar toe met eenslindende stemmen voor dragende Prins zwaardekroon als de naas„ te tot Kroons op volger ende Koninglijke waardigheit zijnde, en wien zij alver„ „ders verzoeken, dat tot Koning aan haar hoog Edelhedens mag voorgedragen worden De gouverneur geeft hier op te kennen dat hij gisteren met den Raadt daar over vergadert is geweest en op hun verzoek reflecitie geslagen heeft, en dat wij mits dien genoemden Prins Zwaar de kroon tot eersten, mitsgaders den goegoegoe Pattilatoe opper priester prins Iusu „ hoekum senghadje Samaja den singhadje Limataoe Masuara en _. o Tornadjiko hatte baba: tot mede regenten benoemt hebbe, onder deze mits, dat hij Prins van dat zijn gezag weder goetwillig afstappen moet. wanneer d 343 Van Ternaten wanneer haar hoog Edelens behogen mogt een ander tot koning te verkiesen 't welk gemel„ „de Prins, en zij rijks groten pligtiglijk beloven waarna zijn Edele hun gezamentlijk als regenten van 't rijk onder het hoger gezag vande Comp: aande gansche sinte voorstelt, onder rekommandatie henlieden te gehoor„ „zamen, en behoorlijk respect toetedragen, dat zij met Ja beamen Waarna den gouverneur de geza„ „menlijke regenten, rekommandeert hun„ „ne dagelijkse vergaderingen in des over„ „leden konings dallen te houden mits„ „gaders van alle voorvallende gewigtige zaken rapport aan hem te doen en zijn Edele voor dat ze disponeren om raadt te vragen, 't welk ze mede beloven schuldpligtig naar te zullen komen doch verzoeken de vergaderingen op een andere plaats temogen houden, vermits de koninginne in haare wo„ „ning daar mede niet gaarne g'incom„ „modeert wel zijn, een zig boven dien Invele „ E 3e Maar 1764
English
From Ternaten has in many cases behaved very improperly since the king's demise; and is also constantly accompanied by the princes, her brothers, so that they would be disturbed too much in their deliberations; not saying the latter publicly, however, but whispering it quietly into their ears; wherefore, after having spoken to each other about it, it was agreed to condescend thereto, as well as to their further request that the king's bodyguard might be added to their assembly, understanding the one to belong with the other. Expressing their gratitude for all of which, they furthermore depart very well satisfied after taking their leave. Underneath stood: Thus done and resolved at Ternaten in Castle Orange, date as above. Was signed: I:b v:m Schoonderwoert, P:s J:s Valckenaer, W:t J:s van Lingen, I: G: van Raasvelt, A: h:t Gregorij, and I: v: Sidelman. Batavia 345 From Amboina the 20th 7ber Anno 1764. Batavia To His Excellency, The Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor General, as well as The Right Honorable Lords Councillors of the Dutch Indies. Since the dispatch of my latest advices of the 31st of the past month of August, no further reports having come in from the commanders of the cruising expedition to Ceram's south and north coast, I therefore take the liberty to draw up this one solely to communicate to Your Right Excellencies that these days Papuan pirates have shown themselves at sea again with eight large vessels, who on the 15th of this month burned down the village Liang, abducted and carried off the orangcaij of that hamlet along with 30 of his subjects, and subsequently proceeded to the island Oma, or the districts of Haroeko, and from there to Sapparoua, where they carried out an incursion into the village Old Hanacka, wounded a man, took a woman along, and furthermore made themselves masters of 9 men from Ihamahoe and 5 from Tuhaha. From Amboina the 20th 7ber 1764. As all of this is described in more detail in the accompanying copies of the letters from the chiefs of Hila, Haroeko, and Saparoua of the 14th and 18th, 16th and 17th, item 18th past. Upon this news, I have immediately had the pantjalling De Peperthuijn manned with 14 mariners and mounted with 8 metal swivel guns, gotten in readiness, and dispatched today to Haroeko or the island Oma, to cruise the shores on its north side from Cabauw in the west to Hoelalieuw in the east. And within two or three days, I shall also send the sloop De Noteboom, manned with 16 to 18 mariners and 1 corporal with 12 soldiers under the command of Lieutenant van der Lijnde, to Saparoua, to go on guard duty on the east side of that island off the heights of Hatuano, or thereabouts, in order not only to secure that corner against further invasions by the aforesaid pirates, but also to prevent, as much 347 From Amboina the 20th 7ber 1764. as possible, the eastern Ceram people from reaching the villages situated toward that side, both on Honimoa itself and on the island Nussa Laut, so that no illicit trade in cloves may be conducted by them there, to which end, united with the Papuans, they will surely again employ every tactic. For which reason I have found it advisable to provide the said sloop with militia in the aforesaid manner, although the present small garrison is weakened by this to such an extent that the guards can barely be posted anymore, as Your Right Excellencies may observe, if it please you, from the enclosed brief strength list of the military guard across the entire province, since 74 private soldiers alone are lacking from the complete complement. Therefore, I insist once more very humbly that the present petition for men according to the requisition departing today with the general letter may be fulfilled, all the more because, after all, little reliance can be placed on the courage of most native soldiers; From Amboina the 20th 7ber 1764. and by their enlistment, the villages are also merely depopulated and the regents are left at a loss with performing statute labor and picking cloves, since they often fall short in both due to a lack of people. The orangcaij of Keffing, named Hamba, of whom mention was made not only in my aforementioned separate letter of the ultimate of August past, but also in the original Arabic letter from the Tidorese goegoegoe Bachus Nasordien Abdul Rasidi, written to His Honor, which was forwarded to Your Right Excellencies by my predecessor, the late Mr. van Jdsinga, among the enclosures to his separate letters of 25 7ber 1762, I am now letting proceed to Batavia on the sloop of the burgher captain Koning, under the supervision of its nakhoda, the Chinese So-Ho-Eko, for the honored disposition of Your Right Excellencies. Subscribing myself furthermore with the highest esteem, Underneath stood: Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Lord and Honorable Valiant Lords. Lower: Your Right Excellencies' very obedient and faithful servant. Was signed: W: Folkens. In the margin: Amboina in Castle Victoria, the 20th 7ber Anno 1764. Batavia
Dutch transcription
Van Ternaten in vele gevallen sedert 's konings overlij„ „den zeer misselijk gedragen heeft; en ook steeds verzelt is van de vande prin„ „len hare broeders, dus in hare beraad„ slagingen te veel gestoort zouden worden /: het Laaste egter niet publicq zeggen„ „de maarden toek stil in de oren luiste„ rende:/ alwaaromme dan ook na met elkanderen daar over gesproken te heb„ „ben, daar in, zo wel als in hun ver„ „der verzoek, dat aan hune vergaderinge 's koning Lijfwagt toegevoegt mogt werden verstaan is te condeslenderen, als begrij„ „pende het een bij het andere te behoren voor al het welke zij hunne dankbaar„ heit betuigende, voorts na genomen af„ „schijdt zeer vergenoegt vertrekken. , /:onderstond:/ Aldus gedaan en de geresol„ „veert tot Ternaten in't Casteel orange dato voors:z: /:was get:d:/ I:b v=m schoonderwoert, P:s J:s Valckenaer, W:t J:s van lingen, I: G: van Raasvelt: A: h:t gregorij en I: v: Sidelman Batavia 345 Van Amboina den 20: Jber: A„o 1764. — Batavia Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edelen Gestrengen, Groot Agtbaren Heer „ Petrus Albertus van der Parra, Gouverneur Generaal, benevens - E De wel Edele Heeren Raeden van Nederlands India. Na het afgaan mijner jongste advisen van den 31. der voorleedene maand augustus geene nadere berrigten ingekomen zijnde van de hoof„ „den der kruijs expeditie na Cerams zuijd en noord Cust, zo neem ik de vrijheijd deesen een„ „lijk inte rigten om u Hoog Edelens te com„ „municeeren, dat zig deeser dagen weder met agt groote vaarthuijgen in zee vertoont heb„ bende Papouse roovers, die den 15. hujus de ne„ „gorij Liang afgebrand, den orangcaaij van dat gehugt met nog 30. zijner onderhoorige opge„ „ligt en vervoert, mitsgad„s zig vervolgens be„ „geeven hebben na het eijland oma, of de districten van haroeko, en van daar na sapparoua, al„ „waar zij in de negorij oud Hanacka een inval gedaan, een man gequest een vrous„ „persoon meede genoomen en zig buijten des nog meester gemaakt hebben van 9 man van Ihamahoe en 5 van Tuhaha„ gelijk E 3 Van Amboina den 20: 7ber: 1764. gelijk dat een en ander Omstandiger beschree„ ven is bij de deesen in Copia versellen, de brieven van de opperhoofden van Hila, Waroe„ „ko en Saparoua van den 14. en 18, 16. en 17 item 18 Jongsleeden Ik heb op deese tijding de Pantjalling de Peperthuijn bemand met 14. zeevaarende en gemonteert met 8 metale stuckjes, ten eersten doen in gereetheijd brengen en op heeden gedepecheert na naroeko of het eij„ „land oma, om de stranden aan dies noor„ kant van cabauw in 't westen tot hoe„ lalieuw in 't oosten te bekruijssen en sal ook binnen een dag of drie de Chialoup de Noteboom bemant met 16: a 18 zeevarende en 1: Cop Corporaal met 12 soldaaten onder commanda van den Luijtenant van den lijn„ de na Saparoua zenden, om aan die oost„ kant van dat Eijland op de hoogte van hatuano af daar omtrent op brand„ „wagt te gaan leggen, ten eijnde dien hoek niet alleen te beveijligen tegens de verdere invasien der voorsz: roovers, maar ook aan de oost cerammers, so veel 347 Van Amboina den 20: 7ber: 1764. — veel mooglijk, te beletten de aankomst aan de negorijen, die kant uijt geleegen, so wel op honimoa selfs, als op het Eijland Nussa„ laut, op dat door deselve aldaar geen mors„ handel in nagulen moge werden gedreeven, waar toe zij geconjungeert met de Papouers, seekerlijk weder alle practijcquen zul„ len in 't werk stellen waaromik raad„ „saem heb gevonden ged:e Chialoup in maniere voors:z met militie te voorzien, schoon hier door het tegenwoordigen klijne guarnisoen sodanig verswackt word, dat de wagten bijna niet meer te beset„ ten zijn, gelijk u Hoog Edelens des beha„ „gende bij de nevens leggende korte sterk„ „te van de militaire wagt over de gantsche provintie kunnen beschouwen also aan het compleet getal alleen 74. gemeene „manqueeren, dier halven insteer ik nogmaals zeer ootmoedig dat de de prest petitie van manschappen volgens de heeden bij de gemeene brief afgaan„ „de Eijsch mag worden voldaan, te meer om dat dog op de couragie der meest jnlandsche soldaaten 1764 vengelandt Van Amboina Den 20: 7ber: 1764. — soldaaten; weijnig staat te maken is, en door der„ selver in dienstneeming de negorijen ook maar e ontvolkt en de regenten verleegen raken met het verrigten van sheerendienst, en het plucken van nagulen dewijl zij inbeijde dikwils te kort schieten door gebrek aan volk De orangcaaij van keffing, in name Hamba waar van mentie is gemaakt niet alleen bij opgem: mijne aparite brief van„ ult:o aug„o passato, maar ook bij de door mijnen predecesseur wijlen de heer van Jdsinga in orgi originale aan u hoog Ede„ lens onder de bijlagen van desselfs aparte letteren van den 25 7ber: 1762: overgesondene arabische brief van den tidoreesen goegoegoe Bachus Nasordien abdul Rasidi, aan zijn Ed: geschreeven, laat ik tans met de chialoup van den burger Capitain, Koning onder, opzigt van des Nachoda den Chinees So-Ho=Eko ter g'erde dispositie van u Hoog Edelens na Batavia overgaan, Noemende mij voorts met de meeste hoogagting /onderstond/ Hoog Edele Gestrenge Groot Achtb: Heer en wel Edele Gestrenge Heere /Lager/uw Hoog Edelhee„ dens seer gehoorcame en trouw schuldige dienaar /was ge„ teekend / W: Folkens, /in margine Amboina in 't Ca„ „steeld Victoria den 20 7ber: A=o 1764:— Batavia
English
349 From Amboina, the 26th of September 1764. Batavia To As Before I have the honor to briefly inform Your High Noble Excellencies by this my humble letter of advice that the cruising fleet from Ceram's south and north coast returned here on the 23rd and 25th instant, namely the chaloup the Nagulboom and the pantjalling the Liefde with the remainder of the orembaais, numbering twelve pieces, on the first-mentioned day, and the pantjalling the Saparoua, onto which Ensign Guthart had transferred from the Spion, on the last-mentioned day, without the commanders of this expedition, however, having been able to carry into execution their design to take reprisals for the hostilities of the peoples of Poulo Gisser, Ceram Laut, and Ketfing, because they were prevented from doing so by the stiff, continuous easterly winds and high seas, wherefore they had to resolve to drop down westward from the latitude of Waroe along Ceram's north side, and turn their course directly hither, all the more because their ration period was about to expire at the end of this month. Van Amboina den 26: September 1764. expire, and besides that the vessels were also so leaky that every half hour they had 7 and 10 inches of water at the pump, not to mention the poor condition of the orembaais, which were completely gnawed through by worms and so waterlogged from the long journey that, due to their heaviness, they could no longer break the waves, as Your High Noble Excellencies, if it pleases you, may see in greater detail from the papers that the commanders of the cruise expedition have delivered to me concerning this, which also demonstrate what a laughing stock our indigenous nation is, and how little command the orang tuas and marinjos placed on the aforesaid orembaais have over their subordinates. Our European crew being mostly all sick, and the seafarers in particular afflicted with dropsical legs, of which three sailors have already died here, and that very suddenly. On their return, the commanders of this expedition in passing paid a visit to the negorij Kleijn Kostij, whose peoples also go out on piracy with the Papuans, and where the Junior Merchant Rijkloff Breekpot came to his end so unfortunately in the year 1761, and were received there with arrows in such a manner that they were forced to 351 From Amboina, the 26th of September 1764. fire upon the Hottijnesen as well and set their negorij on fire, in which action four men of the enemy and one corporal from our side were killed, as appears from an extract from their journal of the 8th of September last. Whereas Your High Noble Excellencies have been successively informed concerning what occurred on this cruise by my submissive letters of the end of May and August last, and Your High Noble Excellencies in a missive of the 20th of December 1763 to the Governors of Amboina, Banda, and Ternate were pleased to say that you would explain yourselves further thereafter as to whether one shall continue with the cruising on the ordered footing or make changes in that regard, I therefore very humbly request to be informed of Your High Noble Excellencies' always venerated pleasure concerning this, while I take the liberty to note here in a word that although the entire east coast of Ceram is not to be trusted and lives in good understanding with the Papuan pirates, as can be gathered from the sale of the people abducted by them to the peoples of Ceram, the south coast nonetheless, as lying opposite the clove-yielding stations, must be considered the most prejudicial to the spice trade, but the north coast again considered the most alarming in regard to the pirate raids themselves. From Amboina, the 26th of September 1764. regard to the pirate raids themselves. Concerning the cloves and dust found on Celor on Ceram's south side, and of the nutmegs obtained in the captured vessel from Ceram Laut, after having advised Your High Noble Excellencies in my respectful letter of the 31st of May last, I have the honor to send herewith for the inspection of Your High Noble Excellencies the samples delivered to me by Ensign Guthart. Remaining for the rest with all due veneration, beneath stood, High Noble Honorable Right Respectful Lord and Noble Honorable Lords, lower, Your High Noble Excellencies' very obedient and humble servant, was signed, W: Fockens, in the margin, Amboina in Castle Victoria, the 26th of September 1764. Batavia 353 From Banda, the last of August 1764. Batavia High Noble Far-Ruling Lord, Noble Right Respectful Lords, my highly illustrious supreme rulers; Being no longer able to postpone my respectful reply to Your High Noble Excellencies' very esteemed separate letters of the 20th of December 1763, I therefore seize this opportunity to acquit myself of that duty, with a preceding most humble thanksgiving for the premise promising so much good regarding the setting aside of the prejudicial sentiments that have been conceived of me, and regarding which I would very willingly concede that the disadvantageous reports of the year 1762 were clothed with quite some appearance of truth, and were all the more readily credited since no one on my behalf contradicted them or could assert the contrary with a much greater appearance of plausibility; yet I believe at the same time
Dutch transcription
349 Van Amboina den 26: September 1764. — Batavia Aan Als Vooren Ik heb de eer u Hoog Edelens bij dit mijn nedrig advis briefje kortelijk te berigten dat dat de kruijs vloot van cerams zuijd en Noord cust alhier is gereverteert den 23. en 25. hu„ „jus te weeten de Chialoup de Nagulboom en de pantjalling de Liefde met het restant der diembaaijen ten getalle van twaalf stucten eerst gem: dage en de pantjalling de sapa„ „roua, waar op de vendrig guthart van de spion was overgegaan, ten laastgem: da„ „ge, sonder dat de hoofden deser expeditie egter hun desseijn om over de kostiliteijten Pt der volkeren van Poulo Gisser, ceram Laut en ketfing represaille te gaan neemen hebben kennen ter Execuctie stellen vermits zij daar in verhindert zijn geworden door de stijve doorstaande ooste„ „lijke winden en vervolgene zeen, alwaar„ om zij hebben moeten resolveeren om van de hoogte van waroe langs ce„ „ams Noordt kant westwaards afte zacken, ende steeven direct herwaards te wenden, te meer om dat hun rant„ zoen tijd met ult:o deeser stond te expr: expireeren 764 3 Mer Van Amboina den 26: September 1764. expireeren en daar bij de vaartuijgen ook zodanig lekwaaren, datze om het halve uwe 7. en 10 duijm water bij de pomp hadden, ongereekent de sleg, te gesteltenis der orembaaijen dewelke door de wormen ten eenemaal door knagt en door de lan„ „ge reijs zo seer doorwatert waren, datze door hare swaart de zee niet meer breeken konden, gelijk u hoog Edelens des behagende dit nader zien kunnen uijt de papieren, die de hoofden der kruijs expeditie mij desweegen overgegeeven heb„ pen en ook aantoonen wat een lachieus volk onse inlandsche natie, is, en hoe weijnig Com„ mando de op de voors:z orembaaijen geplaatste orangtouas en marinjos over hunne onder koo„ „rige hebben Zijnde onse Europeese maaschap meest alle ziek, ende zeevaart insonderheijd gequelt met zugtige beenen, en daar van ook alreede hier, en dat seer subiet overleeden drie mattroosen — In hun retour hebben de hoofden deser expeditie em passant de negorij kleijn kostij wiens volkeren meede oproof uijtgaan met de papouers, en alwaar de ondercoopman Rijk„ „loff Breekpot in den jaare 1761. – zo ongeluc„ kig aan zijn eijnde gekomen is, een visite gegeeven, en zijn daar dusdanig met pij„ „len onthaalt, dat zij genoodsaakt wierden op de Hottij„ 351 Van Amboina den 26: Septb:r 1764 — Hottijneesen meede vuur te geeven en hare negorij in brand te steeken, in welke actie vier man van de vij„ „and, en een Corporaal van onse zijde gesneuvelt zijn blij„ „kens extract uijt hun dagregister van den 8. 7ber, jongst„ „leeden. Vermits u Hoog Edelens successive wegens het voorgevallene op deese kruijstogt bij mijne submissive letteren van ult:o Maij en aug„o passato verslag gedaan is, en hoog deselve bij missive van den 20 december 1763. aan de Gouverneurs van Amboina, banda en Ternaten hebben gelieven te zeggen van sig na sulx nader te sullen verclaaren of men met de bekruijssing op den geordonneerden voet continueeren, dan wel daar omtrent verandering maken sal, so versoek nte ik zeer needrig dien aangaande uw Hoog Ede„ „lens altoos gevenereert welbehagen te mogen verstaan, terwyl de vrijheijd neem met een woord alhier te noteeren dat afschoon de— gantsche oost cust van Ceram niet te betrou„wen is en met de papouse roovers in een goede verstandhouding leeft, gelijk afte neemen is uijt den vercoop van de door deese gerooft werdende menschen aan de volkeren van ceram; de zuijd cust evenwel, als tegens de na gul gervende comptoiren overleggende, het preejudicia belste voor de sprecerij han„ del moet gereekent, maar de Noord Cust weder het sorgelijkste g'agt worden ten aan zien 3 Van Amboina den 26 September 1764. zien van de rooverijen selfs. — van de nagulen en stof op celor aan ge„ „ams zuijdkant, en van de nooten in het overmeesterde vaartuijg van Ceram laut opgedaan na het u Hoog Ede„ lens geadveseerde bij mijne eerbiedige van den 31. Maij laastleeden, heb ik de eerde mij door den vendrig Guthart overgeleeverde monster hier nevens te laaten overgaan ter speculatie van u Hoog Edelens. — Blijvende voor het oorige met alle schuldige veneratie /onderstond/ Hoog Edele Gestrenge Groot Agtb: Heer en wel Edele gestrenge Heeren /Lager / uw Hoog Edelheedens seer gehoorsame en onderdanige dienaar /was geteekend/ W: Fockens /in margine/ Amboina int casteel victoria den 26. September 1764. Batavia 353 „den Van Banda laatste Aug„s 1764. Batavia Hoog Edele Wijdgebiedende Heer Wel Edele groot Agtb: Heeren mijne hoog illustre oppergebieders; Niet langer mogende uijtstellen mijne eerbiedige rescriptie, op uw Hoog Edelheedens seer g'agte apparte letteren van den 20. Xber: 1763, soo capiteere deese gelegentheijd omme mij van dien pligt te quijten, onder eene voor affte gan allernedrigste danksegging, voor de soo veel goeds belovende preemisse omtrent het afleggen der preejudiciabele gevoelens, die van mij op gevat sijn en welken 't hal„ „ven ik seer gaarne wel d'advoceeren de naderlige rapporten van den jare 1762 met vrij wat scheijn van waarheijt sullen bekleet geweest, en desteerder g'accrediteert sijn vermits niemands van mijnent weegen deselve heeft tegen gesproken en Contrarie met eene vrij grotere scheijn van aannemelijk„ heijt konnen beweeren, edoch ik meene teffens E
English
From Banda, the last of August 1764 and also to be permitted fearlessly to maintain that the Banda rumors of that time were fully resolved and refuted by the powerful arguments proffered in the year 1763, grounded on valid pieces of evidence. At the very least, I dare make this entirely reassured assertion with the greatest frankness: that the Banda colonists can produce not the slightest proof, neither directly nor indirectly, that I have vexed or thwarted them, or made myself guilty toward them of any extortions, under whatever name it might be. And in order, in this case, to take away completely all remaining evil suspicions, it is my humble prayer that Your High Excellencies will not deem unworthy of your attention the exculpatory exhibits accompanying the resolutions of 2 March, the declaration of the members accompanying the resolutions of 2 and 3 April, the proofs accompanying the resolution of From Banda, the last of August 1764 of the 24th of the just-mentioned month, item 24 and 30 May, furthermore those of 14 June, and then also the sworn articles submitted on 31 August for insertion, all serving as full proof that I committed no extortions regarding the Bandanese, that I did not meddle with any kind of trade, that I took no goods from anyone by force, and that I exercised no despotic power over my council members; indeed, what surpasses everything, that in the case of Senior Merchant Aansorg and his trade transferee Carolus Joostensz, proceedings were in no way conducted by me out of visible hatred, passion, or persecution, as the successive resolutions contain, but rather with a sound, reasoned, and impartial deliberation step by step, according to the contents of the documents of accusation, the proofs of conviction, and with a unanimous conclusion of the Council. What kind of man the second-in-command Aansorg was is indicated by the papers of the year 1760; what harm and confusion resulted from his cowardly borne incompetence can be seen very clearly in those of 1761; the very slight improvement that followed is elucidated in the papers of From Banda, the last of August 1764 of 1762/3, while those of 1764 contain a series of indiscreet, improper, and malicious actions during my presence in this province, such that I cannot hesitate to regard him as the primum mobile of all disorders, irregularities, and the broils that were committed in Banda before my arrival, and regarding which, nevertheless, so much was effected by me that the Company was indemnified for the greatest part. Indeed, if one wished to draw up a historical account, both of what occurred under the previous administration and of the subsequent events, then this would fully confirm my assertion that it was desirable that Senior Merchant Aansorg had never been in Banda. No more could have been done for an own brother than what I have done for this man: I supported him in his weakness, I instructed him in his incompetence, I helped him correct many wrong imaginations, and for the rest indulged him more than another governor would have done for his second-in-command, indeed in all respects with so much steadfastness that I might firmly trust Banda, the last of August 1764 to trust that I would have in him an attentive, well-meaning chief administrator. But what have the consequences been? Ingratitude, vexation, undermining, and an improper scheme to embitter everyone against me, for which he could find no better opportunity than to ally himself with punished servants and dissatisfied guarantors, encouraging them regarding the insinuated hardships concerning the speedy liquidation of so many Company funds and goods that went missing through his contributing inattentiveness. Yet those unavoidable hardships would not have been necessary had Senior Merchant Aansorg, through his slight knowledge and indifference, not laid the foundation for the knaveries and perfidies of Poondorff, Joostensz, Miekes, et cetera, and consequently the outcomes of such unavoidable harsh measures must principally be imputed to him; without even demonstrating in detail that young people who otherwise, through the agency of a vigilant senior merchant, could be used with fruit and success in the service of the Company, now through the path of underhanded schemes and falsehoods left open to them, if not for life, at least for a long time remain under the suspicions
Dutch transcription
Van Banda a„o laastet August„s 1764 teffens ook onbeschroomt te mogen staande houden dat de Bandase uijtstrooijselen van dien tijd door de inden jare 1763. geproferende kragtige argumenten ge„ grond op valabele bewijs stucken ten vol„ len op gelost en wederligt sijn gewor„ den ten minsten ik dorff als met de grootste vrijmoedigheijt dese allesints geruste versekeringe doen, dat de Ban„ „dase coloniers nog direct nog endirect 6 het geringste bewijs konnen produceeren, dat ik haar soude gequelt getrover„ verseert off in aan eenige knivelaren, onder wat benamin het ook mogte sijn ten haeren asperten schuldig gemaakt hebben, en om dan in dit geval alle nog over„ „geblevene quade vermoedingen tot aliten wegte neemen is mijne humbele beede dat uw Hoog Edelheedens hare attentie niet onwaardig willen agten de excul patoi„ „re prodeuten bij de resoluties van 2. maart het declaratoir der leeden bij resol: van 2. en 3 april de bewijsen bij resol. van 357 Van Banda laatste Aug„s 1764 van. 24. der even gem: maant item 24. en 30. maij voorts die van den 14 Junij en dan nog de op den 31. aug„s ten insertie overgelegde b'eerdigde articulen alle ten plenaire probatie dat ik omtrent de Bandaneesen geene extorsies gepleegd, dat ik mijn net 66 geenderhande negotie bemoeijt, dat ik nie„ „mand eenige goederen met gewelet af„ genomen; en dat ik over mijne raadsleeden geene despoticque magt gevoerd hebbe; ja„ wat alles serpasseert dat door mij in gevallen van den oppercoopman Aan„ „sorg en sijnen negotie overdrager Ca„ rolus Ioostensz geensints door sigt„ „bare halit, passie nogte vervolginge indiervoegen geprocedeert is, als de successive resolu„ met ties behelsen, maar wel dat een goed, beredeniens en onpartijetig over leg gradatim, na den inhoud der stucken van accusatie de bewijsen van overtuijging en met een unanime concludentie van den Raad Wat man den secunde Aansorg geweest is, de sig„ „nieren de papieren van den java 1760. wat nadeel en verwaering uijt sijn lasshertig gedragen onbequaamheijt sijn geresulteert kan in die van 1761. seer klaar beschouwt worden, den daar opgevolgde seer geringe beterschap eluceert in de papieren van Van Banda laatsten aug„s 1764— van 176 2/3 terwijl dat die van 1764. bevatten een reeks vant indiscreete onbetamellijke en aagli„ stige acties geduurens mijn aanwesen in dese provintie sodanig dat ik niet mag piesiteeren hem aantemerken, als het prim„ um mobile van alle desordres erregulari„ teijten en de bronilleries die voor mijn „1 komste in Banda gepleegd sijn en waer om„ „rent egten door mij nog soo veel bewerkt is dat de Compagnie voor het grootste gedulte gede„ domageert is geworden, Ja indien men een historisch verhaald wilde opstellen, soo van het g'exteerde onder het voorige ministerie, als van de postereum voorvallen, dan sou„ de sulks ten vollen bevestigen mijne sustenue van wenschelijk te sijn dat den oppercoop„ „man Aansorg nooijt in Banda geweest was Aan eenen eijgen broeder soude niet meerder hebben konnen gedaan worden, als ik aan desen man gedaan hebbe, ik hebbe hem ondersteunt in sijne swak¬ „hijt, ik hebbe hem onderrigt in sijne onbequaamheijd, ik hebbe hem van veele verkeerde imaginaties te regt gehul„ „pen, en voor het overige meerder gecapleert, als een ander gouverneur aan sijnen tweeden niet soude gedaan hebben, immers in alle opsigten met soo veel cordaatheijd, dat ik vastelijk mogte vertrouwen 359 Banda den Laaste Aug:s 1764 van vertrouwen aan hem te sullen hebben een attenten wel meenent hoofd administrateur maar wat sijn de gevolgen geweest, ondankbaarheijt, verdret ondercruijping, en een onbetamelijke toe leg om aller tegens mij te verbitteren waartoe deselve geene schoon den occasie konde op doen dan sig te Compungeeren met afgestrafte die„ „naren en misnoegde tautionarissen steekende haar lieden een riem onder het kerte door de g'insinuleerde hardigheeden omtrent despoedi„ „ge lequidatie, van soo veele door sijne mede werkende onoplettentheijt te soek geraakte Comp:s gelden en goederen, daar nogtans die onvermijdelijke hardigheeden, niet nodig geweest waren ingevalle den oppercoopman Aansong door sijne geringe kennis ende onverschilligheijt, niet den gront geleijt hadde tot de fripponneries en trouweloosheeden van Poondorff, Joostersz; Miekes &:a en daar gevolgelijk ook de evene„ „menten van sodanige niette eviterene barde middelen aan hem ten principalen moeten g'in„ „puteert worden; sonder eens breedvoerig te vertoogen, dat Jonge luijden die anders door de werkinge van een vigilant opper„ „coopman in den dienst vande Compagnie met vrugt en succes konden gebruijkt worden, nu doorde aan haar openge„ „latene weg van konkelarijen en valcch heeden, is het niet levent lang ten minsten een ruijmen tijd onder de verdenkingen rs te en 176