VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3124

Surat · 838 pages · 151 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3124_0235 view scan ↗

English

From Bantam, dated 3 February 1764. possessed, and if further demand should arise to claim her, she then requested to be sent back toward Bantam, in order to have the matter decided by the Court there. Concerning these sayings Aboe Backar increasingly showed his displeasure, asking how we could accept so much reasoning from someone who was his slave, we wishing to bring him to reason, and to see if it were not possible to reach an agreement between them both. With this, a period of nearly a month passed again, sending messages to Soukee and inquiring what the fugitives wished to choose, during which time we were warned and notified by some well-intentioned Lampong pangewets as well as commoners of the dangerous discourses that Aboe Backar, together with his brother Radeen Iuda, daily did not hesitate to hold in public, the principal of which were of the following content: To the best recollection of the pangerangs Suxa Bome, Wanga Poetra, and one Gardia Mingel, it occurred between 61 1764 2nd part 1764 3 March From Bantam, dated 3 February in the year 1764. Between 12 and 15 January of this year, Aboe Backar, sitting on the riverbank roughly in front of the King's servant, in his campong in the cockfighting pit, asked the aforementioned people and others standing around, both from the lower and upper regions, whether they well knew what slaughter had been carried out a year ago at Samanka among a good number of Europeans by a few men of the Demang; that it did not seem impossible to him, and he had learned by experience how easy it was to murder Europeans, which was why not a single one of the garrison stationed with him before the Bantam Revolt had escaped, and all had been massacred in less than an hour's time; that if he had been down below at that time, things would have gone no better for the fugitive Resident, meaning Groenendijk, but that their lower people lacked conduct and courage. Upon this, the King's servant requested me to try once with Aboe Backar whether he could not be persuaded to sail to Bantam and submit himself to the King there, 63 From Bantam, dated 3 February in the year 1764. which was put into effect on 17 January by proposing it to him, but received the reply: that once, in the time of the pangerang Cossoema de Raadia, to whom he had rendered manifold services, he was sent thither with a letter, with the promise of the honorary title of pangerang, and in addition that he would enjoy a handsome reward; that having arrived in Bantam, he had received merely the simple title of Tommengong and twenty Spanish dollars, while four of his slaves had died there of the smallpox; that since that time, having sworn upon his departure while lying at Poelo Caliet never to sail thither again, and having arrived in his negorij, he had resolved to go to Palembang, certainly to speak not much praise of the Bantam court; that he had fared far better there, being presented by that King with the value of 200 Spanish dollars; that as far as the persons of those two Kings were concerned, the Palembang King's face was half black and the other half white, but making a comparison between the treasures and 1764 2 1st 20 1764 3 J From Bantam, dated 3 February in the year 1764. and riches of those Kings, as if one wished to compare those of the one to his slave, reprimanding him over these expressions, whereupon he excused himself on the spot, as well as stating that he must never be forced to go to Bantam, and would rather die. Upon this, on a day when he was again diverting himself with his brother, having some discourses about the massacring of the Europeans, pointing out to his brother how they had killed the Sergeant, etc., when the soldier Francois Oosterhouwer stood looking toward their camp, Aboe Backar, pointing at him to those sitting with him, said: if I had such a one in my negorij, I certainly would not grant him two hours of life, and my kris would go through him as if it were into a pot of cooked rice; which was also heard by the first-mentioned and the last. That furthermore, on another day when a good number of people, both from the upper and lower regions, were together at the same place, he said: that I possess more treasures and riches 65 From Bantam, dated 3 February 1764. than anyone known hitherto throughout all the Lampongs comes from the fact that I fasted for a full year, which is called a Tappa and orang kwassa, serving no other purpose than to make himself feared and gain a following. Three days after these statements, being again in the forenoon at the same place, in the presence of fully 30 persons residing both in the upper and lower regions, he stated: that if the Honorable Company's and the King's servants did not, within the span of four years, withdraw from Toulang Bauwang to the river, he was minded to go take up residence in the Lampong Commareijen, for to one who had already achieved so much, it was intolerable to have to hear orders, whereas in his negorij he exercised a royal authority. These being the principal points that were daily heard from a good number of credible Lampongers, by no means of the lowest sort; to which was added that on 25 January we were informed that most and the best of the goods he had with him had been sent ahead upriver, and the design appeared to be to escape in silence, taking all these points with the King's 1764 2nd part 1764 3 March

Dutch transcription

Van Bantam onder dato den 3:' Februarij 1764. bezot, en indien nader instere mogt, om haar op te eijsschen, als dan versogte om ban„ „tomwaerts geranvoieerd te werd, om door 't Hoff aldaer gedesiedeert te werde over dese gezegdens Aboe backar al meer zijne misnoeging betoonde, en hoe wij zoo veel resonomente van zo veel als zijn slave konde aan re hem Wil„ „lende tot rede brenge, en te zien oft niet mogelijk was; een verdrag tussche hen beijde te treffe. hier mede verliep wederom een tijd van bij na een maand, met het zende naar soukee, en wat zij gevlugtens wilde verkiese, en welke tijd wij van eenige wel geintentie oneerde de lampong„ „se pangewet als ook gemeene gewaarschout wierde, en verwittigt, van de gevaarlijke discoerse die aboe backar met zijn broeder Radeen Iuda, haar dagelijks niet en ontsage in't openbaar te voere zijnde de voornaamste van dezen inhoud. Naar 't beste geheuge van de pange„ „rangs Suxa bome, Wanga Poetra en eenen gardia mingel, is 't geweest tusschen 61 1764 2 delo 1764 3 Maar Van Bantam onder dato den 3:' Februarij ao 1764. Tusschen den 12:' en 15:' Januarij dezes Jaars dat Aboe backar aan de kant vande Revier omtrent voor 'S konings dienaer, zijn Campong in't hane perk, zit„ „tende aan gemelde en meer daar om staande zoo benede als bove volkeren vraagde, afzij wel wiste wat slagting die nu een Jaar gelede tot Samanka onder een goed getal Europeese gehouden was, door wijnige manschappe van demang, dat 't hem niet onmogelijk voorkwam en door ondervinding geleerd had, hoe gemaekelijk het was Euro„ peese te vermoorde, waaromer ook geen een van de besetting die voor de bantamse Revolte bij hem Lage zijn afgekome, en alle minder dan een uurtijds gemassakereert dat als hij die tijd om laag had geweest het den gevlugte Resident /:menende Groenen„ dijk:/ niet beter zouw hebbe gegaan, dog dat het haer benede volkeren, aanbeleijdsen Coeragie mankeerde. hier op verzogt mij s' Konings be„ „diende om eens bij Aboebackar te probeere, of hij zig niet zouw late bewe„ „gen om naar bantam te stevene, en zig voor den koning aldaer te onderwerpe het 63 Van Bantam onder dato den 3' feb:r a:o 1764. het welk op den 17:' Ianuarij in't werk„ stelde, met het hem voorte staan, dog tot antwoord bekwam, dat eens ten tijde van den pangerang Cossoema de Raadia, aan wien menigvuldige dienste gedaan had met een brief derwaerts was gezonde, met belofte van de Eernaam van pangerang, en daer en bove een schoone beloning te zulle geniete, op Bantam gekome was, de simpele naem van Tommengong in twintig S:r p:r R: had genote, daer vier slave van hem aan de poksiek te ware gestorve, zedert die tijd nog op zijn ver„ „trek in de poelo Caliet leggende geswore had, van nooijt meer derwaarts te wille stevene, daar op in zijn negorij gekome zijnde, geresolveerd had naar palembang te gaan om zekerlijk niet veel lof van't Bantamse hoff te spreke, dat aldaer vrij beter gevare was, terwijl van dien Koning wel met de waerde van 200. S: p: R: beschonkt dat wat die twee ko„ „ningen hare personen aangang de palem„ „dangse bethalve aangezigt swart en de andere helfte wit was dog dat een ver„ „gelijking gemaakte, tussche de Schatte en 1764 2 1e 20 1764 3 J Van Bantam onder dato den 3:' Februarij a:o 1764. en Rijkdomme die koningen als of men die van hem bij zijn slaaf wilde vergelij„ „ke, hem over deze uijtdrukkinge repre„ „menterende, waer over zig dan wel staans halve verxcuseerde, als mede, van dat nooijt gedwonge mogt werde, van an bantam te moete, en eerder wilde steeven hier op wilt een dag dat hij zig met zijn broeder wederom was diverterende, wat discoersen over het masackereren der Europeese, wijsen de zijn broeder hoe den Zergiant hadde afgemaakt &:a, wan„ „neer den zoldaat Francois Oosterhou„ „wer naer de hare Campstont te keijken, Aboe backar die genege die bij hem Zate op hem weijsende, zijde als ik zoo een op mijn negorij had, gewis wilde hem het leve geen twee ure schenke, en mijn kris zonder doorgaan als oft, in een pot gekookte reijst was, het welke door den eerstgemelde en Laaste mede gehoort Dat alverder op een anderen dag en 'er een goede partij zoo bove als benede Volke„ „ren op dezelfde plaats te zame Ware zijde dat ik meer schatte en Rijkdomme is. besit 65 Van Bantam onder dato den 3 februarij164. — ^ sComp:s en skonings dienaren niet binnen Toulang bauwang verliesen zig na de zivier. besit dan een die tot nog toe bekent is, op al de Lampongs komt van daar een rond Iaar gevast heb, het welk dan de naem heeft van een Tappa en orang kwassa, niet an„ „ders strekkende dan om zig geweest en aan hangte make. drie dage naer verloop van deze gezag„ „dens wederom op een voormiddag ter zilfder plaatse zijnde in presentie wel van 30. per„ „sone zoo die bove als benede Woonagtig geuijt heeft; dat als 's E: Comp:s en s' Konings die„ „nare niet binne den tijd van vier Iare Com„ den tijd van vier Jaaren „mareijen zig ter woon te begeve, want voor als dan van sints was een die het reeds zoo vergebragt had het, onduldelijk was, om beveele te moete hore, daar als op zijn negorij was een konink„ „lijk gezag oefende, dit de voornaamste pointe zijnde die van een goed getal geloofwaardige en gans niet van de gemeenste Lampongers da„ „gelijks gehoort zijn, waer bij nog kwam dat wij den 25:' Ianuarij berigt wierde, dat zijn meeste en beste goederen die bij zig had gehad, naer bove voor uijt gezonde Ware, en den toeleg scheen te zijn, om een stilte te schappere, nam alle deze pointe met 'S Konings 1764 2 del 1764 3 Ma

NL-HaNA_1.04.02_3124_0240 view scan ↗

English

From Bantam, dated 3 February in the year 1764. The King's servant in ripe deliberation, and seeing how the Honorable Company's authority, in case it was not swiftly provided for, could indeed be entirely undermined in this district, the more so by him who only a year ago had so undeservedly enjoyed the great mercy and favor of Your High Noblenesses; the King's servant also seeing the King his Lord and Master insulted to the very highest degree by this godforsaken person, who found it irresponsible if matters were left to rest as they were, we have come to this decision to make myself master of Aboe Backar and his brother Radeen Suba. Which was properly speaking not altogether without danger to undertake, being only seventeen European heads strong, among whom half were still old and infirm men, and he was downstream with a considerable retinue; yet having taken as an objective that which was required out of necessity and duty, I have thus undertaken on 27 January under God's blessing and protection, and in less than half an hour arrested Aboe Backar with his brother Suba, in From Bantam, dated 3 February 1764. the hope that it may meet with Your High Noblenesses' approval. The greatest part of the peoples both upstream and downstream are of the opinion that the up- as well as downstream navigation will now be as free as it has never yet been since Aboe Backar's time, and that his family and children will do much to take revenge is also very much doubted. That the apprehension was carried out by me in the Honorable Company's fortress at the request of the King's servant, for outside I saw no way to carry it out without commotion; in the hope that Your High Noblenesses will be pleased to send me your highly honored orders as to how you will see fit to arrange the transport. Thus commending Your High Noblenesses to the protection of the Almighty, I sign myself with the utmost submission, /was written below/ High Noble, Highly Esteemed, Severe, Prudent, Foreseeing, Widely Commanding and very Generous Lord and Lords, /lower/ Your High Noblenesses' very humble and obedient servant (was signed) Willem Schoester, /in the margin/ Lampong Toelang Bauwang, in the Fort Valkenoog, 3 February anno 1769. — turn over 1764 2nd of 2 1764 3rd From Java's East Coast, 11 March anno 1764. Batavia To the same as before In compliance with Your High Noblenesses' highly honored orders, conveyed by secret letter of 24 January last, I take the liberty herewith respectfully to communicate that I have sent Your High Noblenesses' letter to the Panambahan of Madura, and have added thereto my own writing; to which I received a reply the day before yesterday, which I enclose herewith, from which it appears that the Panambahan would indeed much rather have wished to achieve his requested objective, but also that he will harbor no resentment over the unexpected outcome, as he commits it to God, and indeed reasoning within himself is only too well convinced that he has enjoyed far too many tokens of Your High Noblenesses' favor. I can then assure Your High Noblenesses that it is a settled matter, about which the Prince will not take the least offense, and I shall continually endeavor to do everything possible to keep the present Regent of Sumanap to his duty, and thereby close the door to all such requests. Further From Java's East Coast, 11 March 1764. Further replying to Your High Noblenesses' letter of 20 February last, brought by the ship Tulpenburg; I have the honor to inform Your High Noblenesses that to this day, due to contrary winds, I have obtained no answer to my writing to Gusti Agong of Bali; which, as soon as I receive it, shall dutifully be brought to Your High Noblenesses' knowledge. Meanwhile hearing nothing of any further incursion of the Balamboangers, while the expelled Pangeran Pathe still keeps quiet in the Lamadjang district. — Regarding Prabodjoko, I have received word from Sourabaija that he, possibly pursued by the Sovereign's troops, has fled at full speed from the Oelodojo mountains to Porong, situated in the Passourouan district, of which he has given notice to the Passourouan Commandant by a note, with the further assurance that he had arrived there with no evil intention; whereupon the Administrator Breton immediately sent the linguist assistant Helmond thither. From Java's East Coast, 11 March anno 1764. Living thus in the hope that this agitator will for once choose peace and submit himself to the Company. For the rest, I take the liberty to nominate to Your High Noblenesses as chief over the district of Bezoekier, Soero Pernollo, with the request that a deed thereof may be granted to him, and the title of Ingabei. Finally, I also submit to Your High Noblenesses the requests of both Sovereigns to be provided from Palembang, for the making and repairing of the Royal tombs, with the wood Kayu Wunglen, as much as is needed up to 3000 pieces of shingles for each. And I remain with the greatest respect, /was written below/ Your High Noblenesses' completely obedient and very humble servant (was signed) W: Hen: van Ossenberch /at the side/ Samarang, 11 March anno 1764. And below that, P.S.: As I have experienced myself during my presence in the Mataram that the troublesome Sultan has not the least respect left for the Second Resident Luzac, I request Your High Noblenesses, for the sake of the utmost prudence, not to take it amiss of me that

Dutch transcription

Van Bantam onder dato den 3:' Februarij anno 1764. S' Konings dienaar in zeijpe overweging, en ziende hoe 's E: Comp:s gezag ingevalle daer in niet spoedig voorsien wierd, in dit district wel ten eenenmaal den bodem zouw kunnen werde ingeslagen, te meer van den geen die pas een Iaar geleden van de groote genade en Gunst uwer Hoog Edelens zoo en verdient heeft genoten, ziende 's konings bediende den Koning zijn Heer en meester mede in den alder hoogsten graad, door deze deze godvergetene gehoort, die 't onverantwoor„ „delijk vond in dien het daer bij alzoo had Late berusten, wij tot dit besluijt gekome meester zijn, om mij waster van Aboe backar en zijn broeder Radeen Suba te make, het welke Iustement niet ten eenemaal buijte gevaar was te onderneme, als maar se„ ventien Europees Coppe sterk zijnde, waer onder de helft nog oude en gebrekkelijke man„ schappe, en hij met een goed gevolg om laag was, dog tot een voorwerp genome hebbende dat uijt de nood en deugd vereijst wierd, zoo hebbe op den 27:' Ianuarij en der gods Zegen en bescherming oudernome, en in minder dan een halff uur Aboe backar met zijn broeder Suba gearresteert in Van Bantam onder dato den 3:' februarij 1764. inhope dat het van uw Hoog Edelens approba„ „tie mag zijn. 's grooste gedeelte zoo der bove als benede vorkerans zijn van gevoele, dat het nu zoo vreij, zal zijn met de op als benede vaart 't nog nooijt zedert Aboebackar zijn tijd geweest is, en dat zijn Familie en kinde„ „renveel tot vraak neming zulle in't werk stelle, werd mede zeer getwijffelt: Dat de aprehensie door mijn in 's E: Comp:s Fortasse geschiet is, op 't versoek van S' Konings bediende, want buijte niet zonder op schudding zag ter uijtvoer te brenge, inhope uw hoog Edelens mij deszelfs hoog g'eerd beveele zulle gelieve te laten toekome, hoedanig het Transport zulle kome goed te vinde. zoo bevele uw Hoog Edelens in hoede der alder hoogste, tekenen mij met de uijtterste submissie /onderstond/ Hoog Edelen groot Agtbaren gestrengen wel wijsen voor„ sienigen wijd gebiedende en zeer gene„ „reusen Heere en Heeren /Lager / uw Hoog Edelens seer onderdanigen en gehoorsamen dienaar (was getekend) Willem Schoester, /in margine/ Lampong Toelang Bauwang In't Fortvalkenoog den 3:' februarij A:o 1769. — verte 1764 2 de2o 1764 3 e Van Iavas oos Cust den 11:' maart Ao 1764. Batavia Aan als vooren In voldoening van uw hoog Edelhedens zeer g'eerde bevelen, ver dat bij secrete missive van den 24:' Januarij Iongstleden, neme ik de Vrijheijt bij dese Eerbiedig te communiceren, dat ik den Panam„ „bahan van madura uw hoog Edelhedens missi„ „te toegezonden, en daar bij gevoegt heb mijn schrij„ vens; waar op ik eergisteren antwoord gekreegen heb, 't geene ik hier nevens voege, waar uit blijkt, veel dat den Panambahan Wel liever gewenscht had, zijn verzogt oogmerk te berijken, waar ook, dat hij over den onverhoopter uitkomst geen geimelijkheijt bij zich zal voeden, als het gode bevelende, en in der daad bij zich redeneerende te wel overtuigt is, al te veel blijken van uw hoog Edelhedens gunste genoten te hebben. Jk du dan uw hoog Edelhedens verzekeren„ dat het een gedaane zaak is, waar over de Prins zich in het minste niet zal ergeren, en ik zal bij continuatie alles tragten in't werk te stellen, om den tegenwoordigen Sumanaps Regent tot zijn pligt te houden, en daar door de deur voor alle diergelijke verzoeken te sluiten. wijders Van Iavas oostcust den 11:' maart 1764. Wijders beantwoordende uw hoog Edel„ „hedens missive van den 20:' februarij Laastleden, met het schip Tulpenburg aangebragt; heb ik de eer uw hoog Edel„ hedens te bedeelen, dat ik op mijn schrij„ „vens aan Gusti Agong van balij tot heden toe, mits de Contrarie winden, geen antwoord erlangt heb; 'twelk, zo ras ik bekome, uw hoog Edelhedens schuld„ „pligtig zal werden ter kennisse gebragt, Jnmiddens niets van den verderen indrang der Balamboangers vernomende, ter„ „wijl de verdreeve Pangerang Pathé zich nog stil in het Lamadjangsche ophoud. — Edooh van Praboedjoko heb ik van sourabaija narigt gekreegen, dat hij zich, mogelijk door 's vorsten volkeren nage„ zet, spoorslags uit het oelodoijosche gebergte naar Porong, in het Passou„ rouansche gelegen, is geweeken, waar van hij aan den Passourouangs Comman„ „dant bij een briefje heeft kennis gegeven, met verdere betuiging, met geen kwaad intentie aldaar gekomen te zijn, waar op D' gerzag„ „hebber Breton aanstonds den Taals„ „kundigen adsistent helmond derwaarts heeft 1764 2 de2 1764 3 d Van Iavas oost Cust den 11:' Maart A:o 1764. heeft gezonden. Levende dus in hope, dat dier Woelgeest eens de rust verkiezen en zich D' Compagnie onderwerpen zal. Overigens neme ik de vrijheijt uw hoog Edelhedens tot hoofd over 't Landschap van Bezoekier om te dragen soero pernollo met verzoek, dat hem een acte daar van mag werden verleend, en den Titul van Ingabei. Eindelijk draage ik nog uw hoog Edel„ „heedens voor, de verzoeken der beide vorsten, om van Palembang gerieft te worden, tot het maaken en repareeren der Vorstelijke graftombes, met het Caijoe Woenglen, zo veel nodig is tot 3000: p:s Cirappen voor ijder. En blijve met de meeste eerbied /onderstond/ Uw Hoog Edelhedens gansch gehoor„ „zaame en zeer onderdanige Dienar (was gee„ teekend) W: Hen: van Ossenberch /ter sijde/ Samarang den 11:' maart A:o 1764. en daar onder P: S: alzo ik bij mijn aanwezen in de Mattaram zelvers ondervonden heb, dat den Lastigen sulthan geen de nieeste agting voor den Tweeden Resident Luzac over heeft, ver„ „zoeke ik uw hoog Edelhedens tot het voorzigtigste, mij niet kwalijk te nemen, dat

NL-HaNA_1.04.02_3124_0245 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 11th of March 1764. that I cannot allow the first Resident van der Sluijs to benefit from his permitted short excursion to Batavia on such a stipulated condition. Batavia. It was the 25th of July of the past year when I had the good fortune on Padang to properly receive Your High Noblenesses' most esteemed letter of the 14th of that same month. I was not without reason moved by its contents; the unexpected favorable disposition regarding my person inspired in me the most sincere feelings of gratitude, and certainly it would have been my duty to offer them at that very time. However, because I could gather from Your High Noblenesses' urgent order that my arrival here in Souratta required haste, I preferred to employ all means to that end rather than to delay myself on Padang with much writing. Thus, I fulfill this in the most humble manner herewith. And just as I have always endeavored, through loyalty and zeal in the service of my Highly Esteemed Paying Masters, to seek the promotion of my own welfare, so may Your High Noblenesses also rest assured of me that from now on I shall redouble my efforts and exert all my strength, under the merciful assistance of God, to satisfy Your High Noblenesses' desire and expectation, and thus make myself increasingly worthy of Your High Noblenesses' favor. Because my departure from Padang was so strictly fixed, immediately upon receipt of Your High Noblenesses' honored letter I had the inventory taken for the general transfer. This was already completed when the ship Kroonenburg appeared in the roads on the 1st of August. But since the clerks could not possibly finish copying the reports so quickly, my successor declared on the 4th of that same month, at his public presentation in full assembly, that he took over the entire Commandment with all its appurtenances and dependencies under his responsibility, just as it was, without the slightest exception. And I also did not consider it necessary to give him any guarantee in that regard, since he as well as I knew that throughout the entire country, perfect peace and quiet reigned among the natives; that in no administration, however large or small, was anything lacking; that the trade books were balanced and cleared of all bad accounts; that the junior officials knew their duty; and, in short, that everything was in as good and well-regulated a state as could be wished for and was required according to the orders. Nevertheless, in order to follow custom, I requested two Council members to co-sign the general transfer in my name. And having left nothing behind on Padang besides a certain heavily oppressive tax—regarding which I most humbly beg Your High Noblenesses to cast a favorable eye upon the respectful representation that the officials are to make on that account—I went on board on the 10th of August and set sail on the 11th. We originally intended to run directly westward from Padang between the outer islands, but being prevented from doing so by continuous winds, we put to sea on the 16th near Isle met Riff, and initially made very good progress up to 83 degrees longitude. But having turned the bow to the north on the 1st of September, we immediately encountered head winds and calms the following day, which stayed with us all the way to the roads of Souratta, where we finally dropped our anchor on the 13th of November, and thus after an adverse voyage of three months and three days. I went ashore that very afternoon in a separate small craft, intending to arrive completely unexpected. But an Englishman had already brought the news a few weeks earlier, not only of my appointment, but also of Your High Noblenesses' resolution regarding the compensation. Nevertheless, they had not expected me so early, and for that reason my appearance caused no small consternation, but even more so my demand for payment in cash or sufficient guarantors on the very first evening. However, the second official, Kellij, finally came around when he saw that he would otherwise have had to go into military arrest. And I also thought I could rest assured regarding Blauwkanier when Mr. Drabbe stood surety for him himself. But how greatly I found myself deceived, and what further pertains to the state of the cashiers, I shall not mention here in the hope of a favorable interpretation. I have already done so in a letter to the Lords Major in Europe, a copy of which is enclosed herewith, and which I deemed necessary to prepare in order to let Their Honorable High Respectabilities gain knowledge that much sooner of the condition of this directorship, which has certainly already given rise to various rumors. And referring myself respectfully thereto, I request Your High Noblenesses not only to be pleased with this unusual step, but also favorably to approve my conduct and what I have further undertaken so that the Honorable Company may suffer no loss in such confused matters. I know well that Your High Noblenesses will hardly believe it, or at least cannot imagine how it is possible that the trading post which 13 years ago was certainly one of the most well-regulated in all of the Indies, could have deteriorated so deplorably in the last 3 years. But it is nevertheless true, more so than I can describe at present; however, to whom I finally the blame there

Dutch transcription

Van Iava's oost Cust den 11:' maart 1764. dat ik der eersten Resident van der Sluijs, van zijn toegestaene springtogtje na Batavia, op zodanige een bepaalde Conditie niet kan laten profiteren Batavia Het was den 25:' Iulij des vergangen Iaars, wanneer ik op Padang het geluk hadde, uw Hoog Edelens hoogst geagte van den 14:' dier zelfde maand wel te ontfangen, Ik was over der zelver inhoud niet zonder reeden aangedaan, de onverwagte gunstige dispo„ „sitie ten opzigte van mijne Persoon boezemde mij de aller opreghte gevoelens van dankbaarheijd in, en zeekerlijk was het mijnen pligt geweest, de zelve toen ter tijd al af te leggen, waar om dat ik uijt uw Hoog Edelens Aan als vooren pressante 1764 2 1e2 1764 3 Maa Van Souratta den 8:' Januarij Ao 1764. pressante ordre wel opmaken konde, dat mijne aankomst hier in souratta spoed vereijschte, zo heb ik liever alle middelen daar toe in't werk e stellen, dan mij met veel schrijvens op Padang lange ophouden willen, dus volbreng ik zulx op de oot„ „moedigste wijse bij deezen, en gelijk ik althoos getragt heb, door trouwe en ijver in den dienst mijner Hoogwaarde Betaals Heeren, de bevordering van mijn eijgene Wel„ „vaart te zoeken, zo gelieven uw. Hoog Edelens zig ook van mij verzekert te houden, dat ik van nu voortaan mijne poogingen verdubbelen, en alle mijne kragter inspannen zal, om onder den genadigen bij„ „stand van God aan uw Hoog Edeleens be„ „geerte en verwagting te voldoen, en mij dus, hoe langer hoe warr, uw Hoog Edelens gunste waardig te maaken. Dewijl mijn vertrek van Padang zo nauw bepaald was; zo liet ik terstond op den ontfangst van uw Hoog Edelens g'eerde Letteren, tot het generaal Transport den opneem doen, en die was ook al volbragt, wanneer Van Souratta den 8:' Januarij 1764. Wanneer het schip Kroonenburg den 1:' aug:s ter Rheede verschein, maar aangezien de pennisten met het Copieeren der Rappor„ „ten onmogelijk zo schielijk klaar konden komen, zo verklaarde mijn vervanger op den 4:' dier zelfde maand, bij zijn public„ que voorstelling in volle vergadering, dat hij het gantsche Commandament met alle dies Ap- en dependentien ter zijner verantwoor„ „ding over nam, zo als het was, zonder de minste exceptie, en ik agtede ook niet noo„ dig, hem dier wegens eenige guarantie te doen, dewijl hij zo wel als ik wiste, dat het gant„ sche land door, onder de inlanderseene volmaakte rust en vreede heerschte; dat in geene administratie hoe groot of klijn ook iets manqueerde; dat de negotie boe„ „ken effen stonden, en van alle quaade, ree„ „keningen gezuijvert waren, dat de mindere bediendens haaren pligt wisten, en in 't kort, dat zig alles in zulk een goede en wel gereguleerde staat bevondt, als men wenschen konde, en volgens de ordres vereijscht werd. Nogthans heb ik om de gewoonte te volgen 73 1764 2 Je ƒ 1764 3 Maa Van Souratta den 8:' Ianuarij A:o 1764. volgen, twee Raadsleeden verzogt; het gene„ „raal transport uijt mijnen naam meede te onderteekenen, en buijten des op Padang niets agter gelaaten hebbende, als zeekere Zwaar drukkende belasting; welken aan„ „gaende ik uw Hoog Edelens op 't aller oot„ moedigste bidde, op het Eerbiedig vertoog, dat de bediendens dier wegens staan te doen, een gunstig oog te slaan, zo ben ik den 10:' aug:s naar boord en den W1:' onder Zijl gegaan. Wij waren eerst van voorneemen, van Padang of direct westwaards tusschen de buijtenste Eijlanden door te loopen, maar door continueele winden daarin verhindert zijnde, staaken wij den 16:' bij Isle met Riff in zee, en hadden in den beginne tot op 83. gra„ den lengte zeer goeden voortgang, dog op den 1:' 7ber: den steven om de noord gewendt hebbende, kregen wij 'sanderen dage terstond tegen Winde en stiltens, die ons ook bij gebleeven zijn, tot op de Rheede van Souratta, alwaer wij eerst den 13:' 9ber:, en dus na eene tegenspoe„ „dige Rijze van drie maanden en drie dagen ons Anker liet vallen. JK Van Souratta den 8:' Ianuarij 1764: Ik ging des agtermiddags al met een Los vaartuijg van boord, en meende gantsch onverwagts aan de wal te komen, maar Een Engelsman hadde al eenige weeken bevoorens de tijding gebragt, niet alleen van mijne aanstelling maar ook van uw Hoog Edelens Resolutie ten opzigte van de vergoe„ ding, nogthans hadde men mij zo vroeg niet te gemoed gezien, en baarde uijt dien hoofde mijn verschijn niet wijnig ontsteltenis, maar nog meer mijn Eijsch van Contante voldoe„ „ning of suffisante borgen, den Eersten avond, Egter liet zig de secunde kellij eijndelijk vinden, wanneer hij zag dat hij anders in„ in militaire arrest zoude hebben moeten gaan, en ik dagte ook wegens Blauw ka„ „nier zeer gerust te kunnen zijn, toen De Heer Drabbe zig zelven voor hem tot borg stelde, dog hoe zeer ik mij bedroger heb gevonden, en wat wijders aangaande den staat der Cassars, zal ik in hoope van gunstige welduijding hier niet melden. Ik heb zulx bereeds gedaan bij een briefje aan„ de Heeren majores in Europa, waer van een afschrift hier nevens legt, en het welke 75 1764 2 Deko 1764 Van Souratta den 8:' Ianuarij A„o 1764. welke ik vermeend heb; in gereedheid te moe„ „ten brengen, ten eijnde haar Edel: Hoog agt„ „baarhedens zo veel te eerder kennis te doen erlangen van den toestand deezer directie, die zeekerlijk al tot verschillende gerugten aanleijding heeft gegeeven, en mij daar aan in Eerbied gedraagende: zo verzoek ik uw Hoog Edelens deeze buijten stap zig niet alleen te laaten wel gevallen, maar ook gunstiglijk goed te keuren, mijn gehouden gedrag en het geen ik wijder s in't werk gesteld heb, om de E: Comp:e bij zulke verwarde zaaken, geen schaede te doen Leijden. Jk weet wel, dat uw Hoog Edelens het nauwlijx zullen geloven, of ten minsten zig met voorstellen kunnen, hoe 't mogelijk is; dat het Comptoir het welk voor 13. Iaaren zeekerlijk Een van de wel gereguleerdste van gantsch India Was, in de Iongste 3. Iaaren zo deer„ „lijk heeft kunnen vervallen, maar het is egter waer, meer als ik thans beschrij„ „ven kan, dog wie ik eijndelijk de schuld daar

NL-HaNA_1.04.02_3124_0251 view scan ↗

English

From Souratta the 8th of January Anno 1764: what I must give thereof; I do not yet rightly know. I am compelled to postpone the investigation into it, and shall have the honour, at the next opportunity, to render a report of my findings. Meanwhile the cashier Oudenhoorn now departs with the bearer of this, both because it is dangerous to keep such people here for long, and because he can give not the least elucidation of his own accounts, except only that he presumes to have been misled by signing or receipting duplicate warrants, which will be difficult to discover; and the secunde Kallij would also have departed with this vessel, but it remains to be seen whether he will be able to go with Kroonenburg, which was otherwise planned for Mr. Drabbe, which I intend to let follow at the end of this, or readily at the beginning of the next month, whether they can depart with it or not, in the hope that either Ameliswaard or indeed another ship will soon appear, with which I can dispatch her and the returns. Furthermore, I must also to my regret report that the lack of obedience and discipline has spread even among the militia; as everything has run wild, the soldiers have also taken the liberty to abandon themselves to a dissolute and profligate life. And since this is already very deeply rooted, I am apprehensive that I shall not be able to eradicate it without running the risk that all or the greatest part of them will desert to the English, as several have already done. I am now sending five individuals who used certain inflammatory talk in the guardhouse, but if that will not help, I intend to let the entire lot follow with Kroonenburg, and therefore I very humbly request Your High Excellencies in advance to obtain an entirely new garrison at the first opportunity, consisting of men who are owed some back pay, with a brave officer at the head who is temperate and yet can maintain good command, instead of the lieutenant who is presently stationed here and who is indeed a very honest man of exceptionally good conduct, but who appears to be somewhat too soft for soldiers. In the meantime I shall rather try to manage with natives than daily have the vexation of seeing the Europeans become unfaithful and English. I also request Your High Excellencies, if possible, to relieve me of at least two so-called smalscheepen, of which there are currently three here, besides the gourab and galwet which can carry no cargo, that cost much in rigging and maintenance, and yet only come up with 120 to 130 cannassers, whereas the old horrijs De Lastdrager and De Uitwinner carry fully 180 to 200 cannassers and incur only few expenses; for although there are now eight vessels, one is nevertheless still obliged to use chartered ones besides, and thus the charges for their maintenance run unnecessarily so high that I fear I shall thereby in time bring Your High Excellencies' displeasure upon myself; whereas I nevertheless gladly wish to do my best to gain honour, and to plan everything as economically as is ever possible. For the same reasons, I also think it would be good if the entire establishment from the city were gathered together at the shipyard; if Your High Excellencies please to give your approval thereto, I shall do my best to bring it to that point. It is by no means my intention to build expensive stone structures here, for that could not take place at present anyway due to the dominance of the English gentlemen, but I shall only see to it that the necessary dwellings are built for the servants, made of wooden posts with plastered bamboo walls in the native manner, which will not attract attention, will cost little, and yet will completely satisfy the objective, namely to save the expenses of house rents and repairs within the city, and at the same time to remove the inconveniences that are inevitably bound up with such a divided household. In conclusion, I assure Your High Excellencies once more that I shall leave nothing untried that, according to my humble understanding, may serve the satisfaction of Your High Excellencies and the welfare of the Honourable Company, if I may only obtain the least freedom to seize the opportunity whenever it presents itself; and having recommended myself as well in this as in all other respects to Your High Excellencies' favour, I remain otherwise with the utmost respect, High Noble, Greatly Esteemed, Far-ruling Lords and Well-Noble Lords, Your High Excellencies' humble and obedient servant, was signed, C.s L.s Senff, in the margin Souratta the 8th of January Anno 1764.

Dutch transcription

Van Souratta den 8:' Ianuarija:o 1764: daar van geeven moet; weet ik nog niet regt„ Ik ben genoodzaakt het onderzoek daar na uijt te stellen, en zal de Eere hebben, bij nadere gelegendhijd van mijne bevin„ „ding verslag te doen. ondertusschen vertreckt de Cassier oudenhoorn thans met brenger deezes, zo om dat het gevaarlijk is, diergelijken menschen lange hier te houden, als om dat hij dog van zijn eijgen staat geen de minste Elucidatie geeven kan, dan alleen dat hij vermeent door 't teekenen of qui„ teeren van dubbelde ordonnantien misleijd te zijn, het gunt beswaarlijk zal te ont„ „dekken weezen, en de secunde Kallij zou„ de ook met deezen bodem vertrecken zijn: maar 't zal te bezien staan, of hij wel eens met kroonenburg zal gaan kun„ „nen, dat anders voor den heer Drabbe geprojecteert was, in het welk ik in 't laast van deeze, of ruijterlijk in't begin van de andere maand te laaten volgen, het zij, dat ze daarmede vertrekken kunnen of niet; in hoope dat of Ameliswaard of wel een ander schip spoedig zal komen opdagen „ 1764 2 1e2 1764 3 aar Van Souratta den 8:' Januarij A:o 1764. opdagen, waer meede ik haar en de retou„ „ren verzenden Kan. Voorts moet ik ook tot mijn leedwee„ „zen melden, dat het gebrek van gehoorzaem„ „hijd en discipline zelfs onder de militie is overgeslagen, door dien alles in't wild heeft geloopen, hebben ook de zoldaaten de vrijhijd genomen, zig aan een ongebon„ „den en liederlijk leeven over te gaen, En dewijl dat al zeer diep ingeworteld is, zo ben ik bedugt, het niet weeder daar uijt te zullen kunnen krijgen, zonder gevaar te loopen, dat ze alle of voor 't grootste gedeelte tot de Engelschen over„ „gaen, gelijk verscheijde bereeds gedaen hebben, Ik verzoude thans vijff stux, die eenige opstookende reedenen in de wagt gebruijkt hadden, maar als dat niet helpen Wil, ben ik van voorneemen met kroonenburg den gantschen hoop te laaten volgen, en daarom verzoek ik uw Hoog Edelens in voorraad zeer ootmoedig om bij eerste gelegendhijd een gansch nieuw guarnisoen te mogen erlangen, van menschen die iets te goed hebben, met een braaf offe hier aan Van Souratta den 8:' Januarij 1764. aan het hoofd, die bezaadigt en egter een goed Commando kan voeren, in steede van den luijtenant die thans hier ligt, en in der daat een zeer eerlijk man is, van een bij zonder goed gedrag, maar die voor zoldaaten wat te sagt schijnd te weezen, Ik zal mij liever intusschen niet inlanders tragten te behelpen, dan dagelijx het verdriet te hebben, de Euro„ „peers ontrouw en Engels te zien wor„ ook verzoek ik uw Hoog Edelens des mogelijk mij op zijn minste van Twee zo genaamde smalscheepen te ontlasten, waar van 'er thans, behalven de Gourab en galwet, die niets laaden kunnen, drie hier zijn, die veel van Tuijg en onderhoud kosten, en egter maar met 120. â 130. Cannassers boven komen, terwijl de oude Horrijs de Last drager en uijt winner wel 180. â 200: Cannassers laaden, en maar wijnig ongelden na zig sleepen, want schoon'er thans Agt vaartuijgen zijn, is men even wel nog genoodzaakt, gehuurde daar bij te gebruijken, en loopen dus den. 79 1764 2 Dek 1764 3 Ma Van Souratta den 8. Ianuarij A:o 1764. dus de lasten van derselver onderhoud, onnodig zo hoog op stok, dat ik be„ „vreest ben, mij daar door in der tijd uw Hoog Edelens ongenoegen op den hals te zullen haelen; daer ik nogthans gaarne mijn last doen wil, om Eere te verwerven, en alles zo zuijnig te overleggen, als maar immers mogelijk is. om die zelfde reedenen, denk ik ook dat het goed zoude weezen, als de gantsche omslag uijt de stad op de Werf bij een ge„ „trokken zoude werden, bij bij aldien uw Hoog Edelens daar toe haare toestemming gelieven te geeven, zal ik mij best doen, het zo verre te brengen; mijn voorneemen is geen zints, hier kostbaare gebouwen van steen te maaken, want dat zoude mits de overheersching der Heeren Engelschen thans dog niet geschieden kunnen, maar ik zal eenelijk voor de bediendens de noodige wooningen zien te timmeren, van Houte stutten, met beplijsterde Bamboese mun„ „ren, op de Inlandsche wijze, dat niet in 't oog sterken, wijnig kosten, en egter volkomen voldoen zal aan 't oogmerk, namentlijk Van Souratta den 8 Ianuarij 1764. namentlijk om de Lasten van huijs huuren en reparatien binnen de stad te bespaaren, en teffens uijt de weg te ruijmen, de onge„ „makken die onvermijdelijk aan eene zo zeer verdeelde huijshouding verknogt zijn. Tot slot verzeeker ik uw hoog Edelens nogmaels dat ik niets onbesogt zal laaten, wat volgens mijn gering be„ „grip tot genoegen van uw hoog Edelens, en tot wel zijn van de E: Comp: dienen kan, als ik maar de minste vrijhijd mag er„ „langen, de gelegendhijd te mogen Capteeren, wanneer dezelve geboden werd, en mij zo wel ten dien, als in alle andere opzigten, en uw hoog Edelens gunste gerecommendeert hebbende, zo blijf ik voor't overige met de uijterste Eerbied /onderstond/ Hoog Edele groot Agftbaare wijdgebiedende Heere en Wel Edele Heeren, /Lager/uw Hoog Edelens onderdanige en gehoorzaeme die„ „naer (was getekend) C:s L:s Senff /in mar„ „gine Souratta den 8:' Januarij Anno 1764. — 2 „ 2 1e2 1764 1764 3 Maar 81

NL-HaNA_1.04.02_3124_0256 view scan ↗

English

From Souratta, 30 January Anno 1764. Batavia To the same as before By my last letter, of the 5th instant, sent per the Vrouwe Rebecca Iacoba via Ceijlon, I took the liberty of briefly informing Your High Excellencies of the state of affairs, and what measures had been undertaken by me, for the present merely to obtain assurance regarding the ordered heavy compensation, and since nothing else has occurred concerning this matter since then, I shall direct this letter primarily to provide the owed answer to Your High Excellencies' honored secret letters of 20 July and 15 August of the past year. According to Your High Excellencies' orders, the secunde Kellij and secretary Blauwkamer were to go to Batavia with the first ship, but it was not possible for me to send them even now with the second, for Kellij necessarily must first balance the current trade books up to ultimo November, since the From Souratta, 30 January 1764. old ones under ultimo August have not even been closed yet, and as long as that has not occurred, Blauwkamer's account cannot be drawn up accurately either, not to mention that I also had to detain the latter because, due to the continual indisposition of the new secretary Van Ieger, he must at least keep the daily work of the secretariat in order, which I myself can no longer do at present on account of certain severe headaches that very often disable me, and especially whenever I must sit somewhat seriously and long at a stretch at the writing desk. Yet with respect to Mr. Drabbe, none of this applies; His Honor is not capable of shedding any light on his own affairs, much less those of the Honorable Company. His entire estate having been sold, and the proceeds thereof attached for the Honorable Company, there is also nothing more to be gotten from him here, and finding therefore no reason to refuse his own request to be permitted to depart promptly, I From Souratta, 30 January Anno 1764. summoned all his creditors to me on the 24th instant, and after much persuasion, having obtained from them, contrary to expectation, the promise that they would not cause him any difficulties at present, provided he bound himself in writing in the strongest terms to pay them for certain if he should ever be in a position to do so again, he is now indeed crossing over to Your High Excellencies, while the general transfer is to be executed and signed in his name by the secunde Kellij and first cashier Ruperti. The incident concerning the occupation of the wharf and the lodge is, as Your High Excellencies rightly remark, certainly not described properly, and I imagine that it might not have been bad if Your High Excellencies could have seen fit to give me orders to conduct some investigation into the truth of what happened, not to burden the two accused principal persons among the Honorable Company's servants even further, for From Souratta, 30 January 1764. for concerning this the first is, in my humble opinion, already punished severely enough, though the other somewhat too harshly, but rather to obtain bolder evidence of the acts of violence committed by the English gentlemen, and to make a clear description of their unjust conduct. For, as it seems to me, this could have been of double utility for the Honorable Company's interests: firstly, to make use thereof as occasion might arise; and secondly, to give at least some indication that the Honorable Company considers itself highly insulted by that all too unjust treatment. Whereas, on the contrary, now that I hardly dare speak of it in private, much less in public, this silence must notoriously give the English gentlemen as well as all natives the idea that they behaved so fairly and justly that nothing can be brought against it, and this then seems simultaneously to deprive the Honorable Company of the privilege of ever appealing to this From Souratta, 30 January Anno 1764. case as an unheard-of act of violence. For the authorization obtained to lower the price somewhat for the Japan bar copper, I express humble thanks, but assure Your High Excellencies that I shall not make use of it except in the utmost necessity. At present, sales are entirely at a standstill, or properly speaking, nothing has yet been sold of the recently imported merchandise. But I also have reason to believe that the principal cause thereof must partly be attributed to this: that the brokers until now have been sitting far too overwhelmed with the old remainders, and for that reason I firmly imagine that once they are relieved of them, the latest arrivals will soon change hands as well. To procure 100 Moorish seafaring men for each ship, I have already taken much trouble, but have not been able to manage it so far. I also investigated

Dutch transcription

Van Souratta den 30:' Januarij A:o 1764. Batavia Aan als vooren Bij mijne Laatste, van den 5: Courant, der p. l De vrouwe Rebecca Iacoba over Ceijlon verzonden, heb ik de vrijhijd gebruijkt, uw Hoog Edelens in't kort kennis te geven, hoe de zaaken gesteld, en wat middelen door mij bij der hand gevat waren, om voor eerst maar wegens de geordonneerde swaare vergoeding verzeekert te erlangen, en dewijl 'tseedert, dien aangaande niet 5 anders voorgevallen is, zo zal ik deezen voornamentlijk rigten, om op uw Hoog Edelens g'Eerde secreete lette„ ren, van den 20:' Iulij en 15:' aug:s des vergan„ „gen Iaars, het verschuldigt antwoord te passen. Volgens uw Hoog Edelens ordre moesten de secunde kellij en secretaris Blauw„ „kamer met het eerst schip naar Batavia gaan, maar het is voor mij niet mogelijk geweest, dat ik zo nu al met het Tweede heb kunnen zenden, want Kellij dient noodwendig eerst de loopende negotie boeken tot ult:o November offen te stellen, daar de Van Souratta den 30:' Januarij 1764. de oude onder ult:o aug:s nogh niet eens af„ geslooten zijn, en zo lange dat niet ge„ schied is, kan de reekening van Blauw„ „kamer meede niet net opgemaakt werden, ongereekend, dat ik ook den laatsten nog heb moeten aanhouden, om mits de continueele indispositie van den nieuwen secretaris van Ieger, ten minsten het dagelijx werk der secretarij effen te houden, dat ik zelfs thans niet meer doen kon„ uijthoofde van zeekere Zwaare Hoofd- zijn die mij al zeer dikwils, en voor al dan buijten staat steld, wanneer ik wat ernstig en lange agter een aan de schrijf= Tafel moet zetten. Dog ten opzigte van den Heer drabbe heeft dat alles geen plaats, zijn E: is niet vermogens van zijn eijgen, veel min dan van 's E: Comp:s zaaken, eenig ligt te geeven, zijn gantsche Imboel verkogt; en dies Rendement voor de E: Comp:e aangeslaegen zijnde, is hier ook niets meer van hem te haalen, en daarom geene reeden kunnen vinden, zijn eijgen verzoek, om spoedig te mogen vertrekken, te wijgeren, zo liet ik 83 1764 2 1e2 1764 3 a Van Souratta den 30:' Januarij A:o 1764. ik op den 24:' Cour: alle zijne Crediteuren bij mij komen, en na veele persuasien, te„ „gens verwagting van haar die belofte verkreegen hebbende, dat zij hem thans geene moeijelijkheeden zoude aandoen, mits hij zig op de kragtigste wijze schriftelijk ver„ „bond, haar zeekerlijk te zullen betaalen, als hij eens weeder daar toe in staat raa„ „ken mogte, zo gaat bij ook thans weezend„ „lijk tot uw Hoog Edelens over, Terwijl het generaale Transport, uijt zijnen naam, door den Secunde kellij en P=m Cassier Ruperti staat gedaan en geteekend te wer„ den. het geval, wegens het bezetten van de Werff en Logie, is, zo als uw Hoog Edelens ten regten aanmerken, zeeker„ „lijk niet na behooren beschreeven, en ik verbeelde mij, dat het mogelijk niet quaat was geweest indien uw Hoog Edelens hadden kunnen goedvinden, mij ordre te geeven nopens de waarhijd van't ge„ „beurde eenig onderzoek te doen, niet, om de Twee beschuldigte Hoofd persoonen van S: E: Comp:s bediendens nog meer te beswaaren, want Van Souratta den 30:' Januarij 1764. want daar van is de Eerste volgens mijn gering gevoelen al swaar genoeg, dog de andere wat al te hard gestraft. maar, om van de gepleegde geweldenaerijen der Heeren Engelschen, wat boudigere bewijzen in te winnen, en van haar gehouden on„ regtvaerdig gedrag eene duijdelijke beschrijving te maaken. Want, zo als het mij toe„ „schijnt, zoude dit voor 's E: Comp:s belangen van dubbelt nut hebben kunnen zijn, Eers„ „deels om daar van bij voorkomende gelegend„ „hijd gebruijk te maaken; en ten anderen om ten minsten eenige blijk te geven, dat de E: Comp: zig door die al te onregtvaer„ „dige behandeling, ten hoogsten beleedigt agt: daar in tegendeel, nu ik nauwlijx in't par„ „ticulier veel min dan in't publicq daar van spreeken durf; deeze stils wijgend„ „hijd, de Heeren Engelschen zo wel als alle inlanders notoir in het denkbeeld moet brengen, als of zij zig zo billijk en regtvaardig gedraagen hadden, dat niets daar tegen in te brengen is, en het gunt dan teffens de E: Comp: het voorregt schijnt te beneemen, van zig ooit op dit geval 1764 2 del 1764 3 aar Van Souratta den 30: Ianuarij A:o 1764. gevals, als eene ongehoorde geweldpleeging te kunnen beroepen. Voor de erlangde qualificatie, om met het Iapans staaf kooper eenig zinds de hand te mogen ligten, betuijge ik oot„ „moedig dank. dog verzeeker uw Hoog Edelens, dat ik daar van niet, als bij de uijterste nood, gebruijk zal maaken, thans staat de verthier in't geheel stil, of eijgendlijk is van de Iongst aange„ „bragte koopmanschappen nog niet verkogt. maar ik heb ook reeden te gelooven, dat de voornaemste oorzaak daar van ge„ „deeltelijk hier aan moet toegeschreeven werden, dat de makelaars tot nog toe met de oude restanten al te zeer overkroopt hebben gezeeten en uijt dien hoofde ver„ „beelde ik mij vast, dat als zij daar van eens ontlast zijn, de Iongste aan„ brengen ook wel spoedig van meester veranderen zullen. Tot het bemagtigen van 100. stux moorse zee-vaarende voor ieder schip heb ik al veel moeijte gedaan, dog het zo verre niet kunnen brengen Ik het ook onderzogt

NL-HaNA_1.04.02_3124_0261 view scan ↗

English

From Souratta, the 30th of January 1764. I investigated whether giving a substantial gift to the so-called soul-sellers could be of any help, but those people themselves declare that their greatest profit lies in the delivery of the largest number. Therefore, I have not yet made use of Your High Excellencies' granted permission regarding this point. And I also believe I may presume that a gift to the soul-sellers will be of less help than the sailors themselves being well-treated on the ships and sent back in due time. Regarding Ketschmandui, Your High Excellencies rightly observe that the re-establishment thereof will possibly be entirely unnecessary. For as long as the Honourable Company can sell its goods here in Souratta at reasonable prices, those remote trading posts, where one is subject to all kinds of extortions and bankruptcies, are certainly unnecessary; and if the Almighty blesses my modest efforts a little, I also hope that I shall never trouble Your High Excellencies with such proposals. From Souratta, the 30th of January Anno 1764. Because I know from earlier times that it is very difficult to obtain good Poetjoek when it becomes known that it is needed, I immediately upon my arrival quietly ordered the brokers to secure a parcel, and said in public that no requisition had been made for it. And this has enabled me to satisfy completely the required 12000 lb for Iapan. There was even a surplus of a small parcel of 6240 lb, which I would also gladly have shipped on the Honourable Company's behalf, because I was told that this root is presently in very high demand at Batavia; but because this parcel comes to stand a little more expensive than the price fixed in the requisition, I did not dare to do so out of fear of sometimes acting contrary to Your High Excellencies' intentions. I have therefore sold it to the ship's captain Du pree, however under this condition: that should Your High Excellencies please to be served by it, he will be obliged to hand it over. From Souratta, the 30th of January 1764. The private trade in silk Patholen must, despite Your High Excellencies' prohibition, have been carried on very heavily until now. For otherwise it would have been impossible to find such a large quantity in stock, of which purchase and shipment a detailed report is given in the general letter now departing. And I live in the hope that this undertaking and execution of mine will obtain Your High Excellencies' favourable approval, as I can assure in all sincerity that achieving a good objective was the sole aim of my motives, and that I believed I had to secure the entire parcel of Patholen lying ready with private merchants and offer it to Your High Excellencies: 1. To prevent the clandestine export from here, which cannot otherwise be countered, and which however not only tends greatly to the disadvantage of the Honourable Company, but also often gives rise to getting into estrangement with the regents when they hear after the departure of the ships that their toll has been defrauded in that manner. From Souratta, the 30th of January Anno 1764. 2. To completely clear this city once and for all of the entire stock of those cloths; since, this having been done, it will subsequently be possible to know of the new contracts made by private individuals, and counter them in good time, or at least inform Your High Excellencies whenever the English might sometimes attempt to transport any parcel from here. And 3. because it is evident that this quantity, even if it is only sold immediately at public auction, will nevertheless yield a sweet little profit, as I firmly believe I know that no others are to arrive at Batavia this year, and the suppliers have moreover assured that of the Honourable Company's requisition, amounting to about 91000 Rops or 137000 florins, not a quarter will be fulfilled. Furthermore, I shall look forward with longing to Your High Excellencies' pleasure regarding my respectful proposal in the enclosed duplicate, to withdraw the Honourable Company's entire establishment out of the city and concentrate it here at the wharf. For according to my modest opinion, this is the most necessary thing that needs to be done for the present. I also now positively request Your High Excellencies for an entirely new garrison, as necessity has compelled me to ship the remainder, except for a very few whom I had to keep for appearances and for various duties, likewise with the bearer of this letter. And besides this knowing nothing more in particular to report at present, than that the English gentlemen as well as the native regents conduct themselves very compliantly, I conclude this with so much, and remain with the utmost respect, Underneath stood: High Noble, Right Honourable, Far-Commanding Lords and Noble Lords, Lower: Your High Excellencies' humble and obedient servant, (was signed) C:n L: Senff. In the margin: Souratta, the 30th of January Anno 1764.

Dutch transcription

Van Souratta den 30:' Januarij 1764: onderzogt, of het geeven van een goed ge„ „schenk aan de zogenaemde ziel ver„ „kopers iets daar toe helpen konde, maar die menschen betuijgen zelfs; dat in de bezorging van't grootste getal, haar groot„ „ste Voordeel bestaat. dus heb ik van uw Hoog Edelens verleende permissie omtrent dit point nog geen gebruijk gemaakt. en ik vermeen ook te mogen geloven, dat een ge„ „schenk aan de Ziel-verkoopers minder helpen zal, als dat de mattroosen zelfs op de scheepen wel behandelt en op haaren tijd weder te rug gezouden werden. Wegens Ketschmandui gelieven uw Hoog Edelens ten regten aan te merken, dat het restablissement daar van mogelijk in't geheel onnodig zal zijn. Want zo lange de E: Comp:e haar goederen hier op sou„ „ratta tegens reedelijke prijzen verkoopen kan, zijn die afgeleegene Comptoiren doar men allerhonde knevelerijen en Banquerouten onderworpen is, zeekerlijk onnodig., en bij aldien de Almogende mijne geringe pogingen een wijnig Zeegend, hoop ik ook niet, dat ik uw Hoog 4 Edelens 1764 2 1e2 1764 3 Maar Van Souratta den 30:' Januarij A:o 1764. Edelen sooit niet diergelijk en voorstellen zal lastig vallen. Dewijl ik n vroegere tijden weet, dat het zeer beswaarlijk valt, goede Poetjoek te bematigen, als het bekent raakt, dat men noodig heeft, zo gaf ik terstond bij mijne aankomst de makelaars in stilte Last, een parthijtje aan te slaan, en zeijde in't publicq dat 'er geen eijsch van was ge„ daan. en dit heeft mij in staat gesteld, de gevorderte 12000. lb: voor Iapan Compleet te voldoen. zelfs schoot 'er nog een parthijkje van 6240: lb: over, die ik meede gaerne 's E: Comp:s wegen hadden verzonden willen, om dat men mij gezegt heeft, dat deeze Wortel thans op Batavia zeer geweld is: maar om dat deeze een wijnige duurder te staan komt, als bij den Eijsch bepaelde prijs, zo heb ik 't uijt vreeze, van zomtijds tegens uw Hoog Edelens intentie te handelen, niet durven doen. Ik hebze daarom aan den schipper Du pree verkogt; egter onder deeze Conditie dat als uw Hoog Edelens daar van mogten gelieven gedient te zijn, hij verpligt zal weezen dezelve over te geeven. De Van Souratta den 30:' Januarij 1764. De Particuliere handel in zijde Patholen, moet niet tegenstaende het ver„ „bod van uw Hoog Edelens, tot nog toe zeer sterk gedreeven zijn. Want anders was het onmogelijk zulk eene groote quan„ „titijd, in voorraad te vinden, als van welke inkoop en verzending, bij de thans afgaande gemeene brief uijtvoerig verslag werd gedaan. en ik leef in hoope dat deeze onderneeming en uijtvoering van mij uw Hoog Edelens gunstige goedkeurig verwerven zal, alzo ik in alle opregthijd verzeekeren kan, dat de berijking van een goed oogmerk, alleen het doel wit mijner beweegreedenen is geweest, en dat ik vermeend heb, de gantsche parthij, bij particuliere handelaers gereed leggende Patho„ „len, te moeten aanslaen, en uw Hoog Edelens aan te beeden. 1. / om den claudestinen uijtvoer hier ter be„ „letten, die anders niet kan tegen gegaen werden, en dewelke egter niet alleen groo„ „telijx tot nadeel van de E: Comp: strekt, maar ook dikwils aanlijding geeft, dat men met de regenten in verweijde„ ring raakt, als zij na 't vertrek der scheepen hooren, dat haar Thol op die 1764 2 del 1764 3 Maar Van Souratta den 30:' Ianuarij A:o 1764. die wij ze gefraudeert is. 2. / om deezer stad een s van den gantschen voorraad dier kleeden in't geheel te zuij„ „veren; dewijl, zulx geschied zijnde, het naderhand mogelijk is, dat, men de nieuwe aanbesteedingen van particulieren weeten, en de zelve bij tijds tegen gaan, of ten minsten uw Hoog Edelens kennis geeven kan, wanneer de Engelschen Zom„ tijds onderneemen mogten, de een of ander parthij van hier te vervoeren. En 3. om dat het apparent is, deeze quantitijd al wordze ook maar ten eersten bij publicque vendutie verkogt, egter nog een zoet Wenstje afwerpen zal, alzo ik vast vermeen te weeten, dat 'er dit Iaar geene andere op Batavia staan te komen, en de Leverandiers buijten des verzeekert hebben, dat van 's E: Comp:s Eijsch, groot omtrent Rop:s 91000. of ƒ137000. geen quart voldaan zal werden. Voorts zal ik met verlangen uw Hoog Edelens welbehagen te gemoed zien, op mijn Eerbiedig voorstel bij neevens leggende duplicaat Van Souratta den 30:' Januarij 1764. duplicaat; om den gantschen omslag van de E: Comp:e uijt de stad, en hier op werff bij een te trekken. want volgens mijn ge„ ring gevoelen, is dit het aller nood zae„ „kelijkste, wat voor eerst dient gedaan te werden. ook verzoek ik uw Hoog Edelens nu positief om een gantsch nieuw gaarni„ soen, alzo mij de nood gedwongen heeft het overschot tot op eenige wijnige na, die ik voor 't oog en tot diverse diensten heb moeten houden, met brenger deezes insgelijx te verzonden En buijten dien thans niets in't bijzon„ der meer te melden weetende, dan dat zig de Heeren Engelschen niet mieder als de in„ landsche regenten zeer inschikkelijk ge„ „draagen, zo besluijt ik deezen met dus veel, en blijve met de uijterste Eerbied /onderstond/ Hoog Edele groot Agtbaare wijd gebiedende Heere en Wel Edele heeren, /lager/ uw Hoog Edelens onderdanige en on gehoorzaeme dienaer (was getekend) C:n L: Seriff /in margine/ Souratta den 30:' Januarij A:o 1764. — 1764 2 1e2 1764 3 aar

NL-HaNA_1.04.02_3124_0266 view scan ↗

English

From Java’s East Coast, 7th April Anno 1764. Batavia To the same as before By the ship Thuis te Manpad I have been honored with your High Noblenesses' Separate Letter of the 13th of the past month of March, in fulfillment of whose orders I immediately dispatched to the government of Macasser: One sergeant, One corporal, and Forty private soldiers; While that vessel was dispatched to Sourabaija within the very same twenty-four hours, with orders to the officials there to detach at once the still missing Twenty privates from their garrison, and, without delaying for a single moment, to let that keel continue its journey. With regard to the inland affairs, I felt obliged to report to your High Noblenesses that there was handed to me by the Samarang Adipati Soera Dimangala a letter From Java’s East Coast, 7th April 1764. written to him by the Pangeran Mancoenagara, containing complaints concerning the sorrow of his heart over the plot of his enviers, who, as His Honor claimed, innocently disparaged him to the Susuhunan and sought to bring him into disgrace; which writing appeared very strange to me, since nothing in the world had been communicated to me regarding this by Resident Beuman, indeed even to some extent, knowing the disposition of the aforementioned Prince, made me fearful of new difficulties and intrigues. However, after I immediately informed the Surakarta resident of this, and ordered him to impart to me the true state of these matters, in order to quell in time the arising difficulties, if there should be any, the matter was found to be of little importance, and amounting only to this: that the Susuhunan had already received back from the Sultan's side all the villages belonging to His Highness, and had also on his part given the Sultan's villages, but that Pangeran Mancoenagara, having clandestinely retained some small 1764 2 1e2 1764 3 Mar From Java’s East Coast, 7th April Anno 1764. small villages of the Sultan, had been addressed and ordered on this account by the ruler to surrender the same without further delay; and that this Prince, being convinced of not having acted well, and fearful of the ruler's displeasure, acted proactively before the Emperor came to me with complaints; so that this storm has disappeared again, and in Surakarta, as well as in Djokdjocarta, the situation is desirable and peaceful, while in the eastern salient it still remains in the same state, as I had the honor to communicate to your High Noblenesses in my last respectful Separate Letter of the 11th of March past. It would be desirable if I could also, with firm hope, give your High Noblenesses any assurance regarding an opulent rice crop, but the unusual drought in the rainy season has caused not only many fields to have to remain fallow, but also that already cultivated lands had to be plowed for the second time, such as Brebes and others, From Java’s East Coast, 7th April 1764. and the crop everywhere does not stand too abundantly; whereby the harvest might well turn out somewhat meager, unless the rain showers, which having fallen for a few days have given the fields as it were a new life, continued for some time yet, which must be expected and prayed for from Heaven's goodness. Furthermore, may it be excused of me, High Noble Lords, that being compelled thereto, I once again bring to your High Noblenesses' attention the great embarrassment everywhere regarding currency and duiten; for, although your High Noblenesses were pleased to send us recently with the ship Tulpenburg a considerable relief, it can nevertheless still avail very little, and both the residents and regents at the outer posts along the coast, as well as the rulers and inhabitants of the upper lands, urge me daily, with demonstrations of their great distress. The Chinese officers have even addressed me on behalf of their entire nation, 95 1764 2 1e2 1764 3 a From Java’s East Coast, 7th April Anno 1764. to make urgent request to your High Noblenesses that the old double stuivers, provided they were not clipped too much, be declared current again at five duiten, since they otherwise feared that for lack thereof, not only the cultivation and trade of the country's produce would be disrupted, but also the maritime trade, which is increasing and flourishing more and more, would be ruined, to no small decline of the Honorable Company's Shahbandaries. However, for sufficient reasons, as this would bring the bad double stuivers back into circulation and harm the circulation of duiten so advantageous to the Honorable Company, I flatly rejected this request. I remain with the highest veneration below your High Noblenesses' entirely humble and obedient servant, was signed W:m H:s van Ossenberch in margin Samarang the 7th of April Anno 1764.

Dutch transcription

Van Iavas oostcust den 7:' April A:o 1764. Batavia Aan Als vooren P„r het schip Thuis te Manpad ben ik vereerd geworden met uw: hoog Edelhedens Aparte Letteren van den 13:' der gepasseerde maand Maart, in voldoe„ ninge van welkers bevelen ik naar het gou„ „vernement Macasser aanstonds heb afge„ „zonden. Een sergeant Een Corporaal en veertig gemeene Militairen; Terwijl dien bodems, nog binnen het zelve etmaal naar Sourabaija gedepecheert is, met bevel, aan de bediendens aldaar, om ten eersten de nog manquerende Twintig: gemeene Van hun guarnizoen afte steken, en, zou„ „der een oogenblik op te houden, dien kiel de reise te laten voorzetten. Met betrekking tot de bovenlandse zaaken, vierde ik mij verpligt uw hoog Edelhedens te moeten melden, dat mij door den Samaranse Dipattij soera Dimangala ter hand gestelt is, een Missive Van Iavas oost Cust den 7:' April 1764. Missive aan hem geschreeven door den Pan„ „gerang Mancoenagara, behelsende klagten wegens zijns herten droefheit over het toelegt zijner benijderen, die hem, zo zijn E: voorgaf, onschuldig bij den soe„ „soehoenang verkleinden, en in disgratie zogten te brengen; welk schrijven mij zeer vreemd voorkwarn, aangezien mij niets ter werreld van den resident Beuman des wegens bedeelt was, Ia zelfs eeniger mate, als kennende den imborst van Voor„ Zeide Prins, voor nieuwe Zwaarigheit en broullerien deed bedugt zijn, Edoch na dat ik ten eersten den Soura Cartas resident, hier van had verwittigt, en bevolen mij de waare gestelheit dier zaaken te bedeelen, om in tijds de opkomende zwaarigheden, zo 'er mogten zijn, te dempen, zo is de zaak van weinig importantie bevonden, en alleen daar op uitkomende, dat de Soesoehoenang reeds, van sulthans zijde, alle negorijen zijn hoogheit toekomende, had te rug ont„ fangen, en ook van zijne kant; sulthans Dorpen gegeven, maar dat Pangerang Mancoenagara sluikswijse eenige geringe 1764 2 1e2 1764 3 Mar Van Iavas oost Cust den 7:' April A:o 1764. geringe dorpen van den Sulthan hebbende agtergehouden, des wegens van den vorst was aangesproken en gelast; dezelve zonder verder dilaaij afte geven, en dat die Prins, overtuigt zijnde niet wel gehandelt te hebben, en bedugt voor 's vorsten onge„ „noegen, in de voorbaat is geweest, eer de Keizer met klagten bij mij kwam; zo dat die buij weder verdweenen is, en te sou„ „ra carta, zo wel als te Djokdjocarta, de gesteltheit gewenscht en vredig is, terwijl het in den oosthoek nog al in dezelve staat blijft, als ik de eer had, bij mijne laatze eerbiedige Aparte Letteren van den 11:' maart Iongstleden, Uw hoog Edelhedens te bedee„ „len: Wenschelijk waare het, zo ik mede, met een Vaste hoop, uw hoog Edelhedens eeni„ „ge verzekering omtrent een opulent rijst= gewas konde geven, maar de ongewoone droogte in het regen saisoen, heeft veroor„ zaakt, dat niet alleen veel velden braak heb moeten blijven leggen, maar ook dat reeds bewouwde Landen voor de Tweedemaal, zo als Brebes en andere, zijn moeten beploegt worden Van Iavas oost Cust den 7: april 1764. worden, en het gewas alomme niet te breet staat; waer door den oogst wel wat schraal zoude kunnen inkomen, ten zij de reegen vlaagen, die seedert eenige dagen gevallen de velden als een nieuw leven gegeven hebben, nog eenige tijd continueerden, 't welk van 's He„ „mels goedheit moet verwagt en afgebeden wer„ Wijders werde het mij ten besten gehou„ den, Hoog Edele heeren, dat ik, daar toe genooddrangt werdende, nogmaalen uw hoog Edelhedens onder 't oogbrenge, de groote verlegenheit alomme, wegens paijement en duiten; want, alhoe wel uw hoog Edel„ „hedens ons Iongst met het schip Tulpen„ „burg een aanzienlijk ontzet hebben gelie„ „ven toe te zenden, zo kan het echter nog zeer weinig verslaan, en zo wel de residen„ „ten als regenten op de buiten Comptoiren Langs het strand, als de Vorsten en bewon„ „deren der bovenlanden, insteeren dagelijks bij mij, met betooging van hunne groote ver„ „lagentheit. zelfs hebben de Chineese officieren, uit naam van hunne gansche natie, mij aange„ weest den. 95 1764 2 1e2 1764 3 a Van Iavasoost Cust den 7:' April a:o 1764. „weest; om bij uw Hoog Edelhedens instantie te doen, dat de oude dubbelde stuivers, als maar niet te veel besnoeid waaren, weder gangbaar verklaard wierden tegen vijf duiten, dewijl zij anderzins bedugt waaren, dat bij gebreke van dien, niet alleen de voortweeking en afbreng van 'S Lands producten gestreurt, maar ook den hoe langer hoe meer toenemende en bloeijende, zee handel bedorven zoude werden, tot geen gering de cline van 'sE: Comp:s Sabandharijen: Edoch om sufficiente redenen, als hier door de kwaa„ de dubbeltjes weder in train zullende bren„ „gen, en de voor D'E: Comp:e zo voordeelige aftrek van duiten benadeelen, heb ik dit verzoek eene klaps van de hand geweezen. Ik blijve met de meeste veneratie Con„ „derstond/ uw Hoog Edelhedens gansch onderdanige en gehoorzame Dienaar was„ getekend) W:m H:s van Ossenberch /in margine/ Samarang den 7:' april A:o 1704. —.

NL-HaNA_1.04.02_3124_0271 view scan ↗

English

From Palembang the 7th of April anno 1764. To 97. Batavia Since my last respectful separate letters of the 3rd of February recently passed, accompanying this one in copy, Your Right Honourables humble servant, upon the ending of the Mohammedan fast, or Puasa, paid a visit both to the King and the Crown Prince, and congratulated Their Highnesses on the entry of their New Year, in which meeting, among other discourses, I addressed His Highness in a friendly manner in the following way, asking how it came to pass that already 19 vessels had departed for the capital Batavia with a large quantity of 14259 3/4 picols of tin, and in contrast a small amount of only 2885 picols of pepper, that this would be in no way pleasing to Your Right Honourables, at least those ketches ought to have been fully laden with about half of the former quantity of that precious grain, since the Honourable Company by doing so will become glutted with that mineral, and on the contrary be in want of the latter product, and also that this was not according to the intention of the latest contract. Whereupon that monarch answered, I have for the present received no more pepper from the uplands, and those are the reasons, but I will take care to deliver as much pepper as is possible for me; also I have forbidden on penalty of corporal punishment the sale of opium to my subjects in order thereby to keep those people better at their work, and to cultivate the lands for pepper plantations, which to my regret have for some time fallen into great decay, yet I hope that through the planting of some hundred thousands of trees, as has already occurred, since many bear no fruit due to old age, to be able to make a more ample delivery in the future. Meanwhile I can respectfully inform Your Right Honourables that this statement of His Highness is true, since I secretly had this inquired into through my confidants; nevertheless, I requested that monarch that for the present he would please send out the necessary orders to the uplands to have as much of that product brought down as soon as possible, in order that, in case a ship from the capital should arrive here, to be able to load that vessel with a good quantity of the aforementioned grain, which His Highness promised me to put into effect; intending meanwhile not to neglect encouraging the Crown Prince to this in the most amicable manner, who after all arranges everything according to his pleasure, the more so that this minister of state may not overturn the good intentions of his father again. Also the Sultan told me that towards the end of this current month his emissaries, not without gifts, were about to cross over to Your Right Honourables, but not that on that occasion he would send 25 priests from here to the Coast, which Their Highnesses keep secret; however, this has been communicated to me by trustworthy persons, and thus I find myself highly obliged respectfully to communicate this to Your Right Honourables. Wherewith I assume the honour to be with deep humility, High Noble, Right Honourable, Stern, Far-Commanding Lord and Noble Lords, Your Right Honourables very humble and faithful servant, was signed, J:b Mens, in the margin, Palembang the 7th of April anno 1764. From Palembang the 21st of April anno 1764. Batavia To the same as before The enclosed missive I have the honour to present to Your Right Honourables with due high regard; having been brought this morning by lanchang under a covering letter written by the Governor and Council at Malacca, whereby I was privately informed that new disturbances in the Strait of Malacca are about to arise from the side of the Trengganu people, joined with the Siak Prince Ismael who escaped in the year 1761. And since the bark 't Zeepaard, by all good fortune, is still lying at the Sungsang, I have ordered the skipper commanding her to continue his journey to the Coast in all haste, so that Your Right Honourables may receive news of this important intelligence at the earliest opportunity. Meanwhile, subject to the favourable approval of Your Right Honourables, I will order both cruising pantchiallangs to warn the Honourable Company's precious ships and vessels intending to go in that direction, that they must be well on their guard, and vigilant and wary against surprise attacks or assaults from those sea rovers. Wherewith I assume the honour to be with deep humility, High Noble, Right Honourable, Stern, Far-Commanding Lord and Noble Lords, Your Right Honourables humble and faithful servant, was signed, J:b Mens, to the side, Palembang the 21st of April anno 1764. Batavia After the departure of the bark 't Zeepaard, the letter of Daeng Camboja lying here in copy having been received by us, we found the same of sufficient importance to send it with a hired native rowing vessel under cover of this to the Palembang Chief, with the request etc. to forward it with the utmost speed to the Coast. To the same as before

Dutch transcription

Van Palembang den 7:' april ao 1764. Wien 97. Batavia Sedert mijne laaste Eerbiedige aparte Letteren van den 3:' februarij: Iongst verweken (:dese Copialijk versellende :) heeft uw Hoog Edelheedens, oot„ moedigen dienaar, met het eijndigen der Maho„ metaanse Vorsten, of Poeasse, een visite, so bij den koning als kroon prins quam afleggen, en haar Hoogheedens gefeliciteerd, met den intreede van haar nieuwe Iaar, in welke bij eenkomst, onder meer andere discourssen, ik sijn Hoogheijt, op eene vriendelijke wijse, in volgende maniere aansprak; vragende hoeda„ nig sulks kwam, dat bereets 19. stuks Vaar„ „tuijgen, na de Hoofdplaats Batavia vertroc„ „ken waren, met een groote quantiteijt van 14259¾. picols thin, en daar tegen een geringe tantum van maar 2885: picols peeper, dat sulks uw Hoog Edelheedens, in geenen deele aangenaam soude wesen, ten minsten behoorden die kiettjes met omtrent de helft van de eerste quantiteijt; dier kostbaren korl volladen te moeten wesen, dewijl D'E: Comp: so doende overkropt sal raken met dat mineraal, en in tegendeel, om het laaste product verlegen Aan Als vooren sijn 1764 2 Je ƒ 1764 3 Maar Van Palembang den 7:' april a:o 1764. sijn, ook dat dit na de intentie van het Jongste Contract niet was; Waar op dien vorst antwoorde, ik hebbe voor eerst geen meer der peeper uijt de boven londen gekreegen, en dat sijn de reeden, dog sal sorge dragen, so veel peeper te leveren, als mij mogelijk is; ook hebbe ik op Leijfstraffe ver„ boden, den verkoop van Amphioen, aan mijne onderdeenen om daar door die menschen beter aan haar werk te doen blijven, en de landen te Cultiteeren, tot peeper plantagies, die tot mijn leetwesen, sedert eenigen tijd, in groot verval ge„ „raakt sijn, egter hoope ik, dat door de aanplan„ „ting, van eenige hondert duijsende bomen, gelijk bereets geschied is, vermits veele door ouderdom geen vrugten geven, in het vervolg een ruijmer Leverantie te kunnen doen; Inmiddans kan ik, uw Hoog Edelhee„ „dens met eerbied berigten, dat dit gesegde van sijn Hoogheijt waar is, dewijl ik onder de hand, door mijne vertrouwde daar na hebbe laten vernemen niet tegenstaande, versogt ik dien vorst, dat voor eerst de nodige ordres, na de bovenlanden geliefde te laten afgaan, om so veel van dat product ten spoedigsten te doen afbrengen, als mogelijk is, om ingevalle 'er een schip van de Van Palembang den 7:' april a:o 1764. de Hoofdplaats alhier arrieveerde die bodem met een goede quantiteijt van meermelde korl te kunnen afladen, het geene sijn Hoogheijt mij beloofde, in het werk te sullen stellen; sul„ „lende ondertussen mits onbesogt laten, den kroon Prins, op het minnelijkste hier toe aan te spooren, die dog alles na sijn welgevallen schikt, te meer, op dat die staats minister, de goede intentie van sijn Vader, niet weder om verre gooijst; Ook heeft den zulthan mij gesegt, dat teegens het laaste van deese lopende maand, sijne afgesanten niet geschonken, na uw Hoog Edel„ „heedens stonden over te varen, maar niet, dat bij die gelegentheijt, van hier na Costi soude senden 25. Priesters, het geene haar Hoog hee„ dens secreet houden; edog is mij dat van ge„ loofwaardige bedeeld, en dus vinde mij ten hoogsten verpligt; uw Hoog Edelheedens, sulks eerbiediglijk te communiceeren. Waar meede mij de eer aanmatigen met diepe vernedering te zijn /onderstond/ Hoog Edelen groot Agtbaren gestrengen wijdgebiedende Heere, en Wel Edelen Heeren /lager/ uw Hoog Edel„ heedens seer ootmoedigen en Trouwschuldigen die„ naar (was getekend) I:b Mens /in margine / Pa„ „lembang den 7:' april anno 1764. — verte 1764 2 1e2 1764 3 da Van Palembang den 21:' april a:o 1764. Batavia Aan als Vooren Geincloseerde Missive, heb ik de eer uw Hoog Edelheedens met verschuldigde hoog agting aan te bieden; zijnde heeden morgen, per laloor, onder een geleijde brief geschreeven door den Gouverneur en Raad te Malacca aange„ bragt, waar bij mij in't particulier bedeeld werd, dat 'er nieuwe beroertens in straat Mallacca, van de zijde der Tranganeesen, staam geconjungeert, met den in a:o 1761. ontvlgn staan Siacsen Prins Ismael soude ontslagen En overmits de Bark 't Zeepaard, ten allen gelucke nog aan de Sousang legt: so hebbe ik, den daar op Commandeerende schipper g'ordonneert, sijne Reijse in alle spoed na Costi voort te setten, op dat uw Hoog Edelheedens ten eersten van dit empor„ tant nieuws berigt erlangen, Ondertussen sal ik de beijde kruijs Pantjallings /onder gunstige welduijding van uw Hoog Edelheedens /gelasten om 's E: Comp:s kostbare scheepen en vaarthuij„ „gen de wil na die kant hebbende te waarschou„ „wen, dat deselve wel op haare konde, en tegens overrompeling off aanval van die zeeschuijmers waaksaam Van Palembang den 21:' april a:o 1764. 101. waaksaam en verdagt moeten zijn. Waar mede mij de Eer aanmatigen, met diepe vernedering te zijn. /onderstond/ Hoog Edele Groot Agtbare gestrengen weijd gebiedende Heere en Wel Edelen Heeren /Lager/ uw Hoog Edelheedens ootmoedigen en Trouwschuldigen Dienaar was getekend) I:b Mens /:ter sijde Pa„ lembang den 21:' april A:o 1764. — Batavia Na het depart van de Bark 't Zee„ paard bij ons ontfangen zijde de bezijden in Copie leggende brieff van dain Camcocha hebben wij dezelve van genoegzame impor„ tante bevonden, om die met een inlands gehuurd roeij vaertuijg, onder Couvert dezes aan het Palembangse opperhoofd te zenden, met verzoek enz: ten allerspoedigsten na Costij voort te schicken. Aan als vooren De 1764 2 1e2 1764 3e Maar

NL-HaNA_1.04.02_3124_0276 view scan ↗

English

From Palembang, the 21st of April, anno 1764. Batavia To as before I have the honor to present the enclosed dispatch to your Right Excellencies with due high respect; having been brought this morning by laloor under a covering letter written by the Governor and Council at Malacca; whereby I was privately informed that new disturbances are to arise in the Strait of Malacca from the side of the Trengganu people, joined with the Siak Prince Ismael who escaped in anno 1761. And since the bark 't Zeepaard, by all good fortune, is still lying at the Sungsang, I have ordered the skipper commanding her to continue his journey to Costi in all haste, so that your Right Excellencies may receive report of this important news at the earliest. In the meantime, under the favorable approval of your Right Excellencies, I shall order both cruising pantchiallings to warn the Honorable Company's costly ships and vessels bound for that region that they must be well on their guard, vigilant, and alert against surprise or attack by those sea rovers. Wherewith I take the liberty to be, with deep humility. [below stood] Right Honorable, Highly Esteemed, Valiant, Widely Commanding Sirs and Well-Born Sirs [lower] Your Right Excellencies' humble and faithful servant (was signed) I:b Mens [to the side Palembang, the 21st of April, Anno 1764. — Batavia Having received, after the departure of the bark 't Zeepaard, the letter from Daeng Kamboja lying hereto in copy, we have found the same of sufficient importance to send it with a hired native rowing vessel under cover of this to the chief of Palembang, with the request etc. to forward it to Costi with the utmost speed. To as before From Malacca, the 6th of April, anno 1764. The reports contained therein, added to the negligent and careless conduct of Raja Alam, contrary to our friendly warnings and admonitions to put his dwelling place Mampawa into a state of defense and to betake himself thither from the upper lands for that purpose, as stands noted in our humble advices recently sent on the 31st of March, make us indeed mindful of appropriate means, in the first place further to succor Pulau Gonting, which in this manner would have little or no help to expect from Raja Alam; but we find ourselves at present in an absolute inability to assist that post any further with men or vessels, which nevertheless appears necessary in case it were hostiley attacked, and notwithstanding that we presume it could resist a native force with a vigilant and courageous conduct; and when on the other hand we consider whether we might rely on such a report from Daeng Kamboja to such an extent that we should resolve upon a final evacuation, we cannot in any way reconcile such with good policy. For besides that the respect of the Company would be quite considerably damaged thereby, it would be just as if cowardice had so overtaken us that one took to flight before being struck; and besides that many other political considerations argue against this, even if we wished to proceed to the destruction of that post, we would find ourselves very distressed and perplexed as to how we could carry out such an evacuation with sufficient security, since we presently have only two light pantchiallings which are of no defense and which could not possibly take in all the baggage, and have absolutely no capable burgher, much less foreign vessels at hand. For supposing that the garrison, having broken camp and being disarmed, those hostile forces were meanwhile to enter Siak, all would be absolutely lost and exposed to a lamentable death; whereas if we had two or three defensible vessels, just as at the evacuation of the post at Linggi in the year 1759 we were still able to assemble four two-masted brigantines, the same could cover them and offer resistance; and had we received the aforesaid report a few days earlier, we would not have sent the Zeepaard to Costi. Therefore we most respectfully request Your Right Excellencies to assist us at the very earliest with such defensible vessels, well-provided with everything, and sufficient men as your highest selves shall deem necessary, and also to enrich us with Your Right Excellencies' orders as to how we are to act therewith. And as one usually sees long-circulating rumors, if not entirely, at least in part verified in time, so we cannot entirely refuse belief to what was communicated by Daeng Kamboja; notwithstanding that it appears to us almost unacceptable that the Company's ally Raja Trengganu, who is said to have taken part in this attempt, without

Dutch transcription

Van Palembang den 21:' april a:o 1764. Batavia Aan als Vooren Geincloseerde Missive, heb ik de eer uwe Hoog Edelheedens met verschuldigde hoog agting aan te bieden; zijnde heeden morgen, per laloor, onder een geleijde brief geschreeven door den Gouverneur en Raad te Malacca aange„ bragt; waar bij mij in't particulier bedeeld werd, dat 'er nieuwe beroertens in straat Mallacca, van de zijde der Tranganeesen, geconjungeert, met den in a:o 1761. ontvendg zijn staan Siacsen Prins ISmael soude ontslagan En overmits de Bark 't Zeepaard, ten allen gelucke nog aan de Sousang legt; so hebbe ik, den daar op Commandeerende schipper g'ordonneert, sijne reijse in alle spoed na Costi voort te setten, op dat uwe Hoog Edelheedens ten eersten van dit empor„ tant nieuws berigt erlangen, Ondertussen sal ik de beijde kruijs Pantjallings / onder gunstige welduijding van uw Hoog Edelheedens /gelasten om 's E: Comp:s kostbare scheepen en vaarthuij„ „gen de wil na die kant hebbende te waarschou„ „wen, dat deselve wel op haare konde, en tegens overrompeling off aanval van die zeeschuijmers waaksaam 101. Van Palembang den 24:' april a:o 1764. waaksaam en verdagt moeten zijn. Waar mede mij de Eer aanmatigen, met diepe vernedering te zijn. /onderstond/ Hoog Edele Groot Agtbare gestrengen weijd gebiedende Heere en Wel Edelen Heeren /Lager/ uw Hoog Edelheedens ootmoedigen en Trouwschuldigen Dienaar (was getekend) I:b Mens /ter sijde Pa„ lembang den 21:' april A:o 1764. — Batavia Na het depart van de Bark 't Zee„ paard bij ons ontfangen zijde de bezijden in copie leggende brieff van dain Camcocha hebben wij dezelve van genoegzame impor„ tante bevonden, om die met een inlands gehuurd roeij vaertuijg, onder Couvert dezes aan het Palembangse opperhoofd te zenden, met verzoek enz: ten allerspoedigsten na Costij voort te schicken. Aan als vooren De 1764 2 del 1764 3 de Van Malacca den 6=en April anno 1764. De berigten daar bij vervat, gevoegd bij het onagtzaam en zorgeloos gedrag van Radja Alam, Contrarij onze vriendelijke waarschouwingen en vermaningen, om sijn woon„ „plaets Mapoera in een defensive staat te brengen, en zig uijt de bovenlanden ten dien eijnde na derwaarts te begeeven, gelijk zult bij onze nedrige Iongst afgezonde advisen van den 31:' maart genoteert staat, doen ons wel verdagt zijn op gepaste midde„ „len, om in de eerste plaats p:r gonting, die dusdanig van Radja Alane wijnig of geen hulp zoude te verwagten hebben, alver„ „der te secoureren, maar wij bevinden ons tans in een volstrekt onvermogen om die post met volk of vaartuijgen meerder te kunnen adsisteeren, 't geen in cas dat hij vijandelijk geattacqueert wierd, en niet te„ „genstaande wij veronderstellen dat hij een Jnlandse magt, bij een wacker en man moe„ dig gedrag zoude kunnen adsisteeren, egter noodsakelijk voorkomt, en wanneer wij aan de andere zijde overwegen of u op een dierge„ „lijk berigt van dain Cambodia ons derma„ „ten zouden mogen verlaten, dat wij zouden resolveeren tot een finale opbreeke; zo kunnen 103. Van Malacca den 6:n april 1764. bunnen wij zulk geenzints met een goede politie over een brengen, want behalven dat het respect van de maatschappij daar door vrij veel zoude werden gekrenkt, was het even zodanig als of ons de Lacheteit dermaten had bekoopen, dat men ging lopen al eer uijgeslagen wierden, en behalven dat hier tegens nog veele andere politicque re„ flectien procedeeren, zo zoude men al wilden wij, tot de destiuctie van die post overgaan, ons zeer benard en verleegen vinden hoedanige wij zodanigen opbrake niet genoeg„ zame zeekerheid zoude ter uijt voer bren„ gen, daar wij present maar twee ligte pantchiallings die van geen defensie zijn, en dewelke alle de bagagie onmogelijk zoude kunnen inneemen en geheel gene Capabelebur„ „ger veel min vreemde vaartuijgen aan handen hebben, want verondersteld dat die bezetting opgebroken en gedesarmeert zijnde, in„ tusschen die vijandelijke volkeren binnen Liac quamen; was alles absoluit verloren en aan een Iammerlijk omkomen bloot gesteld; daar indien wij Twee of drie weer bare vaartuijgen hadden, gelijk wij bij de opbrake van de post te Singij in den Iare 1759. 1764 2 de2 1764 3 de Van Malacca den 6„en April a:o 1764. 1759: nog vier twee maste briguantijns hebben kunnen bij den anderen krijgen, de„ zelve haar zoude kunnen decken en te„ „gen stand bieden, en hadden wij het voorsz: berigt; eenige dagen vroeger ontfangen zo zouden wij het Zeepaard niet hebben na Costij gezonden Dus verzoeken wij uw Hoog Ede„ „lens eerbiedigst, om ons ten aller spoedigste met zodanige van alles wel voorziene weerbare vaartuijgen en genoegsame man„ schappen te willen adsisteeren als hoogst deselve zullen nodige agten ook om ons met uw Hoog Edelens ordres hoedanig wij daar mede zullen hebben te ageeren, te willen verrijken. En gelijk men gewoonlijk lange versprijde gerugten zo niet in sijn geheel ten minsten wel een gedeelte daar van in der tijd bewaar„ „heid ziet, zo kunnen wij egter ook aan het gecommuniceerde door Dain Cambodia geenzints ten eenemalen geloof wijgeren; niet tegenstaande het ons bij na onaanne„ melijk voorkomt, dat 'sComp:s bond ge„ „noot Radja Trangano, die gezegt werd deel aan dit, attentaat te hebben genomen, zonder

NL-HaNA_1.04.02_3124_0281 view scan ↗

English

105. From Malacca the 6th of April anno 1764. without the very least cause having been given to him, and without him having complained to us beforehand or given any notice, would declare himself an enemy of the Company; yet, considering that no more faithless, inconstant, and tumultuous peoples under the canopy of Heaven than those who reside hereabouts can, we believe, be found, it is nevertheless just as uncertain to calculate upon this as upon this presumption of ours, namely: That Radja Trangano, as a son-in-law of the late old Johorean King Salemoer, and an old, bitter enemy of Dain Cambodia, cannot stomach that the latter rules Riouw independently during the minority of the successor to the crown, who is still only a small child, appropriates the rich revenues, that the Bugis there completely play the master and the Malays constitute the subjugated party; and for that reason seeks by force of 1764 2 1e2 1764 3 de From Malacca the 6th of April anno 1764. arms to intrude Radja Ismael, as a genuine descendant on his grandmother's side from the Johorean Prince, into that territory; so that Dain Cambodia, who is very cunning, might well have intended by the report given to us to bring the Company into the fray, in order to distress his enemies and create a diversion, so as to be able to take his measures with less hindrance and gain more advantage over his enemies; for we are informed that Dain Cambodia himself is not averse to the thought that they might have their eye on Riouw, which is also why he has fortified that place as much as possible with newly thrown-up entrenchments and bentings; and unless the outcome should correspond to this position, we would thereby gain a dangerous enemy close at hand, who, if not now, then in the course of time would not fail to play another deceitful trick on the Company; yet we say once more that both matters are dark and hidden to us, and that we cannot with any certainty firmly bind and commit ourselves to this or that opinion. Meanwhile, we shall, regarding the reported design, address Radja Trangano in an appropriate manner by letter at From Malacca the 6th of April anno 1764. 107. the very first opportunity, and in the meantime, in the hope of obtaining a speedy relief through the goodness of Your Right Noblenesses, continue to watch everything to the best of our ability with the utmost circumspection and prudence, and also not fail to urge Radja Alam further with vigor and emphasis to that in which he has until now, according to his duty, remained delinquent. Remaining with deep respect, /below was written/ Right Noble, Right Honorable, Widely Commanding Lord and Noble, Stern Lords, /lower/ Your Right Noblenesses' humble servants, (was signed) D. Boelen, G. Kretschmar, J. J. Visboom, Everh. Cramer, D. Richard, and A. Fr. Lemker. In the margin: Malacca, in the fortress, the 6th of April 1764. — Malacca 1764 2 del 1764 3 de From Malacca the 31st of March anno 1764. Batavia Concerning the matter noted in Your Right Noblenesses' esteemed letter of the 14th of July of the past year, in relation to the stipulation not to grant more than two passes to Radja Alam for vessels navigating to Java, I took the liberty, in the hope of a favorable interpretation, to represent to Your Right Noblenesses' sublime wisdom and prudence these humble and respectful considerations of mine: That, considering that not a word was mentioned of this restriction in the contract concluded with that prince, while the seventh article only stipulates what quantity of piece goods may be brought by him into Ziac annually for sale; And it having been found from so many years' experience that the Siakese cannot be restricted as closely as one might wish without being exposed to vexatious outcomes and heavy expenses; besides which it is considered that Riouw, Andragerij, To the same as before and From Malacca the 31st of March anno 1764. 109. and possibly more other places lying hereabouts, carry on trade unrestricted whithersoever they wish, which, not being unknown to this prince, would arouse displeasure in him by contrast with this restriction which applies to him individually, I therefore hope that all this will merit Your Right Noblenesses' further wise consideration; while I furthermore take the boldness humbly to remind Your Right Noblenesses that the levying of double toll, or 5 percent, on all the vessels that, according to the tenor of Your Right Noblenesses' separate missive of the 17th of June of the year 1761, were permitted to sail from Batavia, Cheribon, and Java to Ziac without first calling at Malacca, was very expressly ordered by Your Right Noblenesses' general letter of the 31st of May of the said year, which permission was thereupon immediately communicated to Radja Alam as a special proof of favor from Your Right Noblenesses; but as it appears to me that that prince, possibly before he had knowledge of this, prepared and dispatched his to Your Right 176 2 delo 1764 3 de

Dutch transcription

105. Van Malacca den 6:n april a:o 1764. zonder dat hem eenige de aller minste oor„ saak is gegeven, en zonder dat hij zig bevorens aan ons zoude beklagen of eenige kennis geven, zig als vijand van de Comp: zoude verklaren, dog uijt aanmerking dat er geen trouwloser onstand vastiger en tumul„ tieuter volkeren onder het uijtspanzel des Hemels, dan die zig alhier omstreek ophouden, menen wij kunnen gevonden wer„ den, zo valt hier nogtans even zo on zee„ „ker op te Cijsferen, als op deze onze pre„ „sumtie namentlijk. Dat Radja Trangano als een aan„ gehuwde zoon van den ouden overleeden Io„ „horsen koning salemoer, en een oude bittere vijand van Dain Cambodia, niet kan overkroppen, dat deeze laatste Riouw, geduurende de minderjarigheid van den kroons opvolger, dat nog maar een klijn kind is, onafhanglijk beheerscht, de rijk inkomsten na zig neemt, de bougineesen aldaar geheel den baas speelen en de malijers de onderleggende parthij uijtmaken, en om die rieden Radja Ismael, als een egte afstam„ meling aan de zeijde sijner grootmoeder van den Iohorsen Vorst, in dat gebied door kragt van 1764 2 1e2 1764 3 de Van Malacca den 6:en April a:o 1764. van Wapenen zoekt in te dringen, dus Dain Cambodia, Die zeer doorsleepen is, door het gegeve berigt aan ons wel zoude kunnen bedeelen, om de Comp: daar door in het Harnas te krijgen, ten eijnde sijne vijanden te benaauwen, en een afnijding te maken, om dus sijne mesures niet minder belemmering te kunnen nemen, en meer avantagie op sijne vijanden te krijgen, want wij zijn g'informeert dat Daini Cambodia zelfs niet vreemd van die gedagten is dat sij mogelijk het oog op Riouw hebben, waarom hij ook die plaats zo veel mogelijk net opgeworpe schansen en bentings gefortificeert heeft, en ten ware de uijtkomst de ze positie zodanig beantwoorden, zo zouden wij daar door een gevaarlijke vijand digt bij houk krijgen, en die zo niet nu, edog bij vervolg van tijd niet zoude aflaten de Comp: weder een bedriegelijken trek te speelen, dog wij zeggen nogmaals, dat het een en ander voor ons duijster en verborgen is, en dat wij met geen zeekerheid aan dit of gene gevoe„ „len ons vastelijk kunnen binden en be„ „palem. ondertusschen zullen wij Radja Trangano bij Van Malacca den 6:en april a:o 1764. 107: bij de aller eerste geleegendheid wegens het op„ gegeve dessein op een gepaste wijse bij een brieff onderhouden, en middelerwijl in hope van een spoedig secours door de goedheid uwer hoog Edelens te zullen erlangen, met de uijtterste circumspectie en prudentie alles na best vermogen volherden gade te slaan, ook niet man„ queeren Radja Alam met kragt en na„ „druk verder aante spooren tot dat gene, waar omtrent hij tot heeden volgens sijn pligt nog in gebreeken gebleeven is. Verblijvende met diepe Eerbied /onderstond/ 9 Hoog Edele Groot Achtbare wijd gebiedende „lager Heer en Wel Edele gestrenge Heeren „ we Hoog Edelens onderdanige dienaren (was getekend) D: boelen, g:s kretschmar, I: I: Visboom, Everh: Cramer, D: Richard, en A: Fr: Lemker, in margine Malacca in het fortres den 6:n April 1764. — Malacca 1764 2 del 1764 3 de Van Malacca den 31:' maart a:o 1764. Batavia Ten belange van het genoteerde bij uw Hoog Edelens g'eerde Letteren van den 14:' Iulij des gepasseerden Iaars, met relatie tot de bepaling, om niet meer dan twee passen aan Radja Alam voor vaartuijgen op Iava navigeerende, te mogen verleenen, verstonte ik mij, in hoope van gunstige wel duijding, aan uw Hoog Edel„ „hedens sublime wijsheid en prudentie deeze mijne geringe en Eerbiedige consideraties te re„ presenteeren. Dat gemerkt van deeze restrictie bij het Contract met dien vorst gesloten, mits werd gerept, terwijl het sevende articul alleen maar bepaald, wat quantiteit Lijwaten door hem binnen Ziac Iaarlijk mogen werden ter ver„ koop gebragt: En men al van zo veele Iaren bij be„ vinding heeft; dat den siaccer niet zo nauw dan men wel wenschte te bepalen is, zonder bloot gesteld te weezen aan verdrietige uijt„ „komsten en sware Expense, waar benevens geconsidereert, dat Riouw Andragerij, Aan als Vooren en Van Malacca den 31:' maart a:o 1764. 109. en mogelijk meer andere daar om streeks leggen„ „de plaatsen, onbepaald werwaards zij willen koophandel drijven, 't geen dezen vorst niet onbekend zijnde, hem in tegen overstellinge van dese restrictie die ten opzigte van hem afsonderlijk plaats heeft, misnoegen zoude verwecken, zo verhope ik dat dit een en ander uw Hoog Edelens wijse overweging na„ der zal meriteeren, intusschen ik wijders de hardiesse neem uw Hoog Edelens in ne„ „drigheid te herinneren, dat de heffing van dubbelde Thol of 5. pro cento, van alle de vaartuijgen, die na den teneur uwer Hoog Edelens aparte missive van den 17. ' Iunij des Iaars 1761. , van Batavia, cheribon en Iava, zonder Malacca bevorens aan te doen, op Ziac zijn toegestaan te varen, bij uw Hoog Edelens gemene brieff van den 31:' maij des gemelten Iaars, wel Expresselijk is g'ordonneert, welke permissie daar op als een bij zonder gunst bewijs van uw Hoog Edelens, aan Radja Alam dadelijk is gecommuniceert, dan dewijl het mij toe„ „schijnd, dat dien vorst mogelijk bevorens dat hij hier van heeft kennis gehad, ver„ „vaardigd en afgezonden heeft, sijne aan uw Hoog 176 2 delo 1764 3 de

NL-HaNA_1.04.02_3124_0286 view scan ↗

English

From Malacca, 31 March anno 1764: Your Right Noble Honours' letter addressed on 9 October of the aforementioned year, in which he makes a request for a two percent toll levy on the Batavian and Javanese vessels, which must be either a bad translation or a clerical error by Radja Alam: given that by Article 9 of the contract he was granted a 2½ percent duty on all private merchandise, and he therefore could not have meant 2 percent in total, but rather that much of an increase on the already stipulated 2½ percent, I thus consider that Your Right Noble Honours were led by this, in accordance with your latest letter to that prince, to the notion that Your Right Noble Honours had only granted him 2 percent instead of double toll or 5 percent on the aforementioned vessels, although, as mentioned before, Your Right Noble Honours' order in the aforementioned letter of 31 May 1761 ordered the contrary, so that this cannot decently be revoked. Meanwhile, it appears to me that this prince is very displeased about the little navigation from Java to Ziac, so according to my conception, with submission to the wiser judgment of Your Right Noble Honours, the same From Malacca, 31 March anno 1764. 111. the same ought to be opened up somewhat more, all the more because Riouw is navigated from that quarter so frequently every year, even to the noticeable disadvantage of this place, and this is an objection that Radja Alam puts forward, from which he draws a conclusion that one is attempting to oppress him and keep him small or powerless, wherefore I hope that Your Right Noble Honours, to prevent estrangement, for which I am otherwise truly very apprehensive in time, will be pleased to make such an arrangement regarding this as Your Right Noble Honours shall deem serviceable and necessary according to their wise and discerning judgment. I have the honour to remain with the deepest respect, /below stood/ Right Noble Grand Venerable Far-Ruling Lord and Noble Stern Gentlemen, /lower:/ Your Right Noble Honours' humble, faithfully bound servant (was signed) D: Boelens, /in the margin/ Malacca, 31 March 1764. 1764 2nd part 1764 3rd part 1764 2nd part 1764 3rd part 1764 2nd part 1764 3rd part 1764 2nd part 1764 3rd March 1764 212 1764 3rd March 1764 2122 1764 3rd year 1764 2 122 1764 3rd March 1764 2nd part 1764 3 Copy, incoming secret letters from the respective outer offices, received from 1 May to the last of October anno 1764. No 7. 1768 2nd part Second Copy incoming secret letters from the respective outer offices, received from 1 May to the last of October anno 1764. Second Part Secret incoming No 7. B6 1364 Register of the incoming 26 June per 't Huijs ten donk secret letters and further papers from the respective outer offices, received from 1 May to mid-October. Amboina.... Missive from the Governor and Director, Mr Willem Foekens, addressed to Their Right Noble Honours and dated the last of May 1764. - Copy of resolutions of 25 January and 20 March taken in the Council of Policy - - - - - - - - - Copy of instructions for the commanders of the cruising expedition to South Ceram, Ensign Matthijs Guthard and company, dated 23 March. Copy of the account of the aforementioned Ensign regarding what occurred on the cruise of South Ceram - - - - 99 Copy of an English letter written from Sawaij by Mr Watson, commander of the English warship The Revenge, and Account of the Chinese Gan Soanko Liams, resident of the aforementioned Commander, brought along from Palembang and put ashore at Sawaij 121 Account of the gunner at Sawaij, Evert Liewertsz, regarding his experiences on the aforementioned English ship - - 125 dated 15 January 1764: . . . . . - . . 121 - - - - - . - . 83 page: 15 59 1764 3rd year page: Amboina 1 October received per the Chinese Oem Iack Seen Missive from the Governor Mr Fockens written to Their Right Noble Honours and dated the last of August 1764: 281 Copy of resolutions taken in the Council of Policy on 30 July and 17 August last - - - 265 Missive from Mr Fockens to Their Right Noble Honours dated 20 September 1764. . . . . . . . 345 Ditto from and to as above, dated 26 September 349 Banda page: Missive from Governor Iacob Pelters addressed to Their Right Noble Honours, dated 25 May -- 221 Instructions for the commanders of the cruising expedition to the Papuan Islands, the military ensign Iohan Valentijn Bouman and company, dated 24 April 1764: . . . . . 223 Separate missive from the aforementioned Mr Pelters to Their Right Noble Honours dated 31 August 1764: - - - - - - 353 . — . page: Bantam received: 23 August 28 August 16 June per Kronenburg 6 July 14 August per d'Jonge Lieve 26 ditto 11 May per the ship Vrouwe Missive from Commander Mr Thomas Schippers to Their Right Noble Honours dated 30 April Ditto from Commander Joannes Reijrouts Ditto from and to as above, dated 24 August 219 Ditto from and to as above, 1 September 229 Java's North East Coast page: 1 May per the Pandora Missive from the Honourable van Ossenberch to Their Right Noble Honours and dated 6 May 1764: . . . - - - Ditto from and to as above, dated 8 June - - 9 Ditto from and to as above, 23 ditto. . . 207 Ditto from and to as above, 4 August - - - 213 Ditto from and to as above, 13 ditto. . 289 Maccasser page: . 30 July received Missive from Governor Cornelis Sinkelaar to Their Right Noble Honours dated 10 June. - - . . 131 Copy of secret resolutions of 31 October 1763, 10 March, 16 and 1 May 1764 - - - - - - - 183 27 July Missive from and to as above, dated 31 June. 211 dated 17 August - - - - - - - 217 Ditto from and to as above, 20 September . 293 4 September . 5 October 1764 3rd March Copy of resolution of 20 and extract resolution of 21, 25, 26, and 27 March regarding the demise of the King of Ternate and the provisional arrangement made in the government of Ternate - - - - - - - - - - - 301 Ternate. . . . . . . page: -

Dutch transcription

Van Malacca den 31:' maart a:o 1764: Hoog Edelens gerigte Letteren van den 9:' october des voormelten Iaars, waar bij hij verzoek doet, om twee procento thol heffing van de bataviase en Iavase Vaartuijgen, /'tgeen of een quade translatie dan wel een schrijf fout van Radja Alam moet zijn:/ aan„ gezien hem bij Contract art: 9. van alle par„ „ticuliere koopmansz: 2½. p:r Cento geregtigheid werd toegestaan, en hij dus niet heeft kunnen menen 2. pr c:o in het geheel, maar wel zo veel verhoging op de bereeds gestipuleerde 2½. pro„ cento, zo agte ik, dat uw Hoog Edelens hier door ingevolge haar Iongste schrijven aan dien vorst, in het denkbeeld zijn gebragt, als of uw Hoog Edelens maar 2: p:l c=to insteede van dubbelde thol of 5. p:r c:o van de voorsz: vaartuijgen hem had toegelegd, daar nogtans zo als bevorens is gemeld, uw hoog Edelens order bij voorsz: brieff van den 31:' maij 1761. het Contrarie beval over zulk dit niet welvoegelijk te herroepen is. Middelerwijle komt het mij voor dat dien vorst zeer onvergenoegd is over de wijnige Vaart van Iava op Ziac, dus na mijne bevatting, met onderwerping Ss aan het wijser oordeel uwer Hoog Ed:s dezelve Van Malacca den 31:' maart a:o 1764. 111. dezelve eenigzints meer open diend te werden gesteld, te meer wijl Riouw van dien oord zo frequent 'sjaarlijk, zelfs tot mer„ kelijk nadeel van deeze plaats bevaren werd, en dit is een objectie die Radja Alam voorbrengd, waar uijt hij een Core„ clusie trekt, dat men hen tragt te op„ presseeren en klijn of magteloos te houden, waarom ik hoope dat uw Hoog Edelens tot preventie van verwijdering, waar voor ik anders waarlijk in der tijd zeer bedugt ben, hier omtrent zodanige schicking zul„ „len gelieven te maken, als hoogst dezelver na haar wijs en doorsigtig oordeel, zullen dienstig en noodsakelijk agten. Ik heb de Eere van met de diepsten eerbiedigheid te verblijven /onderstond/ Hoog Edele groot Achtbare wijd gebiedende Heer en wel Edele gestrenge Heeren /(lager:/ uw hoog Edelens onderdanige trouwverplig„ ten dienaar (was getekend) D: boelens, /in„ margine/ Malacca den 31:' maart 1764. 1764 2 del 1764 3 deer 1764 2 Ve2 1764 3e eer 1764 2 del 1764 3 ar 1764 2 1e2 1764 3 Maar 1764 212 1764 3 Maar 1764 2122 1764 3:e aar 1764 2 122 1764 3 Maar 1764 2 de2o 1764 3 Copia, Aaunkomande secrete Brieven van de Respective buijten Comptoiren, zedert Primo Meij tot ullimo Peteler Ao 1764 Onfrgen No 7. 1768 2 deko Tweede Copia Aankomende, secrete Brieven van de Respective buijten Comptoiren, zedert Primo Meij tot ultimo Octeler Ao 1764 otfargen Tweede Peel Secret Santomena N 7. B6 1364 Register der aankomende den 26: Junijp: T: Huijs ten donk „creete Brieven en verder papie„ „ren van de Respective Buijtencom„ „toiren zedert den 1: Meij tot medio 8ber: ontfangen Amboina.... Missive van den gouverneur en directeur d' heer Willem Foekens aan hun hoog Edelhedens gerigt en ged:t ult„o Meij 1764. -„ Copdia resol: van 25: Ianuarij en 20 Maart in Rade van Copia Instructie voord hoofden der kuijs Expeditie na huijd en ceram den vendrig Matthijs Guthard c: S: ged:te 23: Maart. politie genomen - - - - - - - - - „ Copia Relaas van evengem: vendrig nopens 't voorge„ vallene op de kruijstogt van zuijdceram - - - - „ 99 Copij van een Engelsche brieff door de Heer Watson„ commandeur van 't Engelsch oorlogschip The Revenge van Sawaij gesz: en Relaas van den chinees gan Soanko Liams in woon„ „der der even gem: Commandeur van Palembang mede gevoert en op Sawaij aanlandgezet „ 121 Relaas van den bosschieter te Sawaij Evert Liewertsz: noppens, zijn weder varen op voorsz: Engelsch schip - - „ 125 ged: 15: Januar 1764: . . . . . - . . „ 121 - - - - - . - . „ 83 pag: 15 59 1764 3 aa pag: Amboina den 1 8ber: p=r den Chi„ nees oem Iack seen ontfangen Missive van den heer gouverneur Fookens aan hun hoog Ed:s gesz: en ged:t ult„o aug:s 1764: „ 281 Copia resolutien genomen in rade van politie den 30: Julij en 17: aug„s Jongstleden - - - „ 265 Missive vande heer Fockens aan hun hoog Edeld:s ged:t 20: September 1764. . . . . . . . „ 345 _o van en aan als even ged:t 26 septemb „ 349 Banda pag: ƒ Missive vanden gouverneur Iacob Pelters aan hun hoog Edelh:s gesuperscribeert -- „ 221 ged:t 25: Meij Instruc voor de hoofden der kruijs expeditie nade papoese Eijlanden den vendrig mili„ „tair Iohan valentijn Bouman C: s: ged: 24: april 1764: . . . . . „ 223 aeparte missive van voorm: heer Pelters t aan hun hoog Edelh„s ged:t 31: Aug„s 1764: - - - - - - „ 353 . — . pag: Bantam de zabelt antf: den 23 aug„s den 28: aug:s den 16 Iunij per kronenburg 1 den 6: Julij den 14: aug:s d'Jonge Lieve den 26: _:o dean 11: meij p:r de vrouwe Missive van den Commandeur M:r Thomasschip„ „pers aan hun hoog Ed:s ged:t 30: april _o van den Commandeur Joannes Reijrouts _„o van en aan als even ged:t 24: aug„s „ 219 _o „ „ „ _„o „ 1: September „ 229 Javas oostcust. pag: den 1. Mijde patantie Missive van de Edele van ossenberch aan hun hoog „dora Edelens en ged:t 6: Meij 1764: . . . - - „ - _o van en aan als Even ged:t 8 Junij - - „ 9 _o „ „ „ „ _o „ 23: _o. . . „ 207 _o „ „ „ „ _o „ 4: aug„s - - - „ 213 _o „ „ „ „ _o „ 13: _o. . „ 289 Maccasser pag: . den 30: Julij ontpestissie van den gouverneur Cornelis Sinkelaar aan hun hoog Ed„s ged:t 10: Iunij. - - . . „ 131 Coppia Secreete Perbl: van 31: 8ber 1763: 10: Mtaart 16: en 1: Meij 1764 - - - - - - - „ 183 den 27: Iulij Missive van en aan als voren ged:t 31: Junij. „ 211 ged:t 17: aug„s - - - - - - - „ 217 _o „ „ „ „ _„o„ 20: September . „ 293 den 4: September . „ 5: 8ber 1764 3e Maar Coppia Resol: van den 20: en extract resol: van 21. 25. 26, en 27:' Maart nopens 't overlijden van den Ternaats koning ende p„l gemaakte schikking in de Ternaatse regeering - - - - - - - - - - - „ 301 Ternaten. . . . . . . pag: -

NL-HaNA_1.04.02_3124_0311 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 6 May 1764 Batavia To the High Noble, Right Honorable, Strict, Honorable, Far-Ruling Lord, His High Nobility, Petrus Albertus van der Parra, Governor-General and Noble Lords Councilors of the Dutch Indies etc. etc. etc. High Noble, Right Honorable, Strict, Far-Ruling Lord and Noble Lords. The day before yesterday, having been delivered to me by the Palembang Juragan Badavia your High Nobilities' very esteemed copy and duplicate separate and secret letters of the 2nd April and 30th March last, I take, on the occasion of the departure of the ship De Barbara Theodora to the capital of the Indies, the 1764 3 Muar From Java's East Coast the 6th May 1764: the liberty, although the original letters and the extract from the Jambi daily register have not yet reached me, to respectfully write back in reply to the same now, that I, in accordance with your High Nobilities' intention, shall not only take care that the repair of the vessels requested by the commissioner of the Sultan of Palembang shall be made as difficult as can be done with propriety and without giving public offense, but also that the purchase of ammunition and equipment goods, as well as of two vessels, and the making of a Dutch hold on a third, shall be refused to the Palembangese. Regarding the affair of Radja Ismael, I have, in fulfillment of your High Nobilities' orders, had an investigation made as accurately as was possible for me; and report was made to me by a Malay From Java's East Coast the 6th May 1764: Malay bandilar that this Radja Ismael was said to have stayed with the lawful King of Tranganoe, and had wanted to incite him to make war on the Radja of Rhio and, after obtaining victory, to place him, Ismael, in the administration, but that the King of Tranganoe having entirely rejected this, Ismael was nevertheless said to have formed a fleet of over 40 vessels thereafter, without the informant being aware whither Ismael intended to steer. That an English ship indeed has its fixed anchorage in or west of the bay of Jambi, but sails back and forth each time to the bay of Palembang, fetching the necessary water and firewood along the river of Jambi as well as Palembang. That two small vessels have indeed touched at Tranganoe, but after twenty-four hours, without undertaking anything further, 1764 3 M From Java's East Coast the 6th May 1764: have departed for elsewhere; while the informant had not heard of a benting or anything of the kind that was said to have been thrown up on the river of Rhio. For the rest, I let this be accompanied by a letter for your High Nobilities from the Panambahan of Madura, who is in very good spirits and exceedingly pleased. Finally, incoming reports state that the rice crop, from Joana up to Brebes, is in a fair state, giving hope of a good harvest; but further to the east one hears great complaints about the poor condition due to the continuous drought. I remain with the greatest respect, beneath was written, your High Nobilities' entirely obedient and humble servant, was signed, W. H. van Ossenberch, in the margin, Samarang the 6th May Anno 1764. Batavia From Bantam the 30 April 1764: Batavia Since the pantjallang the Snuffelaar returned a few days ago from Lampong Samanca to this roadstead in such a poor condition that, in the opinion of its commander and the equipment overseer here, it can no longer be trusted at sea with any peace of mind, I am therefore compelled to send the aforesaid vessel to the capital for repair, with the humble request that it may be sent back hither as soon as it shall have been restored from its defects. Furthermore, I have the honor to communicate to your High Nobilities that the King's vessel, which departed in the month of March for Lampong Toulang To the same as before Bauwang 1764 3 ear From Bantam the 30 April 1764: Bauwang to fetch the Pangerang Aboe Backer and the Radeen Suba, also returned the day before yesterday with those two subjects. In conformity with your High Nobilities' honored order, I had the same brought ashore and furthermore secured inside Speelwijk, while the documents that were gathered to their charge by the Lampong Toulang Bauwang resident there are passing over to your High Nobilities with the bearer of this. The day after their arrival, the King very earnestly had me requested for the aforesaid Pangerang and Radeen, but I immediately had him answered thereto that, since your Nobilities have commanded me to hold the same From Bantam the 30 April 1764: the same in detention inside Speelwijk upon their appearance here until their case shall have been finally disposed of by your High Nobilities, just as I had the honor to communicate that order to His Highness immediately upon receipt, I consequently could not possibly consent to that request, and that His Highness will therefore please have patience therewith for so long until this shall be ordered to me by your High Nobilities. Thereupon, the same had me requested once again that I would, on his behalf, once more most emphatically solicit your High Nobilities for the surrender of the same. With 1764 3 a With the bearer of this, the soldier Johannes Maurits of Cassel now also sails over. Wherewith I humbly remain, beneath was written, High Noble, Right Honorable, Far-Ruling Lord and Noble Lords, lower, your High Nobilities' humble and very obedient servant, was signed, F. Schippers, in the margin, Bantam in the fortress Speelwijk the 30th April 1764. Batavia From Bantam the 30th April 1764:

Dutch transcription

fo 1: Van Javas OostCust den 6 Maij 1744 Batavia Aan den Hoog Edelen groot Achebaren gestrong: E: Wijt gebedende gere„ zijn Hoog Edelheit, Petrus Albertus van der Parra, gouverneur generaal ende Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia etc: etc: etc: Hoog Edelen groot Achtbaren, gestrengen wijlgebiedende heere en Wel Edele Heeren. Eergisteren mij door den Palembangschen Juragan Badavia ter hand zijnde gestelt, uw hoog Edelhedens zeer geveneeerde Copia en duplicaat apart en secrete letteren van den 2„e April en 30:e Maart jongstveweeken zo neme ik bij gelegentheit van het vertrek van het schip De Barbara Theodora naar Jndiaes hoofdplaats, de 1764 3 Muar Van Iavas Oostcust den 6: Meij 1764: — de Vrijheit, alhoewel mij de origineele brieven en het 11 het Extract uit het jambische Dag Register nog niet geworden zijn op de zelve thans eerbiedig te rescribee„ „ren, dat ik, ingevolge uw hoog Edel„ „hedens intentie niet alleen zal zorg dragen, dat de reparatie der vaartuigen door Commissiant van den sulthan van Palembang verzogt, zo difficiel zal gemaakt werden, als met gevoe„ „gelijkheit en zonder publicq aanstoot te geven, zal kunnen geschieden maar ook dat den inkoop van amanu„ „nitie en equipagie goederen als me„ „de van Twee vaartuigen en het maaken van t een hollands-voer aan een derde, den Palembanger zal gerefu„ „seert werden o Betreffende de zaak van Radja Jsmael heb ik, in voldoening van uw hoog Edelhedens beveelen, zo naauwkeurig mij doenlijk is geweest onderzoek laaten doen; en is mij door een Maleidsche Van Iavas Oostcust den 6: meij 1764: Malsidsche, bandilar brigt dat deze Radja Ismael zich bij den wettigen Koning van Tranganof zou„ „de hebben opgehouden, en den zelven had wil„ „len aanzetten, om den Radja van Rhio te behoorloogen en na verkreegen overwin„ „nig hem ofmael in het bestier te stellen, doch dat den koning van Tranganox zulks geheel vande hand geweezen hebbende jsmael daer op echter geformeert zoude hebben een vloot ruim 40 vaartuigen, zonder hem van relatant bewust was verwaarts Jsmael „ten g'intioneert waare te stevenen Dat er wel een Engelsch schip in of bewesten de bogt van Tambie zijn vaste ankerplaatst heeft, doch telkens weder af en aan vaart na de bogt van Palembang, haalende, zo wel langs de rivier van Tambie als Palembang, het nodige water en brandhout Dat 'er wel Twee kleene scheepjes Tranganoe hebben aangedaan, doch na een etmaal, zonder verders iets aantevangen na 1764 3 M Van Iavas Oostcust den 6: meij 1764:— na elders zijn vertrokken; terwijl den rela„ „tant niet gehoort head van een benting of iets dergelijks, die aan de rivier van Rhio zou„ „de zijn opgeworpen voor 't overige late deze verzellen een mis„ „sive voor uw hoog Edelhedens van den Pa„ „nambahan van Madura die zeer wel ge„ „moed en ten uittersten in zijn schik is, Eindelijk dicterende ingekomene berig„ „ten, dat het rijstgewas, van Ioana af tot Brebes toe, in een tamelijke staat is, een hoop geeft van een goede oogst; doch verder om de oosthoort men zeer klagen over de slegte gesteltheit, door den aanhoudende d'oogte Ik blijve met de meeste eerbied /onder stond/ uw Hoog Edelhedens gansch gehoor„ „zaame en onderdanige Dienaar /was getee„ „kend:/ w: H: van ossenberch, /in margi„ „ne / Samarang den 6: meij A„o 1764:— Batavia Van Bantam den 30 April 1764:— Batavia Nademaal de pantjallang de snuffelaar in zoo een slegte toe„ „stant voor eenige dagen van Lampong samanca te dezer Rheede is gere„ „tourneert, dat dezelve na het gevoele van dies gezaghebber, en den Equipagie op ziender alhier met geen gerustheid langer in zee kan vertrouwt wor„ „den zo ben ik genoodsaakt voorsz: vaartuijg ter Repareering na de hoofdplaats te zenden, met oot„ „moedig verzoek, dat het zelve zodra hhet van zijne gebreken hersteld zal zijn weder herwaards gezonden mag werden voorts heb ik d' Eer uw Hoog Edelens te Communiceeren, dat 's Konings vaartuijg, dat in de maand maart na Lampong Tou„ Aan Als vooren lang 1764 3 ear Van Bantam den 30 April 1764: „lang Bauwang ter afhaal van den Pangerang Aboe backer en den Radeen Suba is vertrocken, voor eergisteren met die twee subjec„ ten al mede is geretourneert. Ik heb dezelve in Conformite van uw Hoog Edelens g'eerd bevesilico aan de wal laten halen en voorts binnen speelwijk doen secureeren, terwijl de stucken, dewelke tot hun lasten door den Lampong tou„ „lang Bauwangs resident aldaar zijn ingewonnen met brenger de„ „zes tot uw Hoog Edelens overgaan. Den koning heeft daags na hun aankomst mij zeer ernstig om den voorn: pangerang 1 en Radeen laten verzoeken, Edog ik hebben voort daar op laten antwoorden, dat nadien uw Edelens mij gelast hebben dezelve Van Bantam den 30 April 1764: dezelve bij hunne verscheijning alhier binnen speelwijk in verzeke„ „ring te houden tot dat door uw hoog Edelens over hunne zaak ten finaale zal wezen gedisponeert, gelijk ik d' Eer heb gehad zijn hoogheijd zulks im„ „mediaat op den ontfangst die ordre te communiceeren, ik mits dien in dat verzoek on„ „mogelijk konde bewilligen en dat dierhalve zijn Hoogheid daar mede zo Lang patientie zal gelieven te hebben; tot dat mij zulks door uw hoog Edelens zal werden gor„ „donneert. — Daar op heeft dezelve mij an„ „dermaal laten verzoeken dat ik bij uw Hoog Edelens uit zijne name tot de overgave van dezelve nogmaals op het aldernadruc„ kelijkste zoude solliciteren Met 1764 3 a Met brenger dezes vaart thans ook over den soldaat Iohannes Mau„ „rits van Cassel waar mede onderdanig blijve /onderstond/ Hoog Edele groot Agtbaren Wijd gebiedende Heere En wel Edele Heeren /Lager uw Hoog Edelens onderdanige en zeer gehoorzamen Dienaar (:was geteekent:/ F: schippers, /:in ve margine:/ Bantam in 't for„ „tres speelwijk den 30: April 1764: — Batavia Van Bantam den 30: April 1764:

NL-HaNA_1.04.02_3124_0319 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 8 June 1764: Batavia, To the same as before, Respectfully replying to your High Nobilities' highly esteemed letters of 16 April and 12 May last, I take the liberty to report that the Patolas sent over, consisting only of 60 pieces of 12 astas and 120 ditto of 6 astas have been disposed of; for, although the latter of 6 astas are not in demand here and on average can hardly be sold for the charged price, those of 12 astas on the contrary were somewhat better drawn, which, in the hope of a favorable interpretation, persuaded me to change ownership of the entire lot averaged together with a 30 percent advance. Although Java is quickly saturated now, and therefore the demand, upon the supply of a larger quantity, quickly slackens, there would nevertheless be a chance, if your High Nobilities were pleased to approve such, still to vend here for the same price another 2 to 300 of 12 astas, provided they are red, if your High Nobilities would at the same time favorably please to grant the term of 5 to 6 months, for immediately or all at once I deem not very feasible, and on this I shall await your High Nobilities' honored decision. Furthermore, I very respectfully request that your High Nobilities please rest assured that I shall apply my utmost endeavor to bring and keep the Sumenep regent on the right track, for which purpose I deemed it not unserviceable to order commander Breton to depart for that district in person, and thus to survey and redress everything from up close, so that no complaints from that quarter may arise in the future. Although the Panambahan was certainly somewhat sullen on account of not succeeding in his request, it nevertheless appears from his successive letters written to me that his Highness does not take it much to heart and is in every respect well-disposed and contented. I respectfully thank your High Nobilities for appointing, upon my recommendation, the Ingabei Soero Pernollo as head over Besoeki, trusting that that district can thus be best administered for the benefit of the Honorable Company. Although the general letters recently dispatched mention the timbers that I caused to be surveyed exactly at all offices and places by express commissioners, I nevertheless deem it my duty respectfully to bring to your High Nobilities' attention, regarding the principal article of timbers, that as a greater quantity of wood is being felled from year to year than can conveniently be hauled away, one will certainly find after the lapse of years that the remaining beams, exposed to the consuming air and rain, spoil and become unusable. To reduce the timber felling now, even if the previously made arrangements and obligations of the Regents remained fully intact, is certainly the best means both always to have good timbers and not unnecessarily to denude the forests, which are already becoming rather thin; and the respective Regents would also eagerly embrace this reduction of timber delivery, even though they would have to undergo a reduction of the customary payment, as that is a certain consequence; but the only difficulty in that regard in due time would be, once the Javanese is accustomed to the light and easy delivery, to bring him back again to a heavier one without sullenness. This I have deemed my duty to present to your High Nobilities, requesting a favorable interpretation; while I, upon obtaining the decision on this, will make such a true repair of the required timbers in good conscience as I shall deem most beneficial for the Honorable Company. Yesterday it was reported to me by commander Breton in a brief note that the ship 't Huis te Manpad, not having been able to make its voyage through the Strait of Bali to Makassar, had arrived in the roads of Pasoeroean, which I deem it my duty to bring to your High Nobilities' honored notice, and also that I ordered the said commander to let the ship come to Surabaya at once to disembark the soldiers there, and then to let that vessel depart for Joana to await your High Nobilities' orders there. The said commander Breton has also informed me that on Bali everything is in turmoil; that Gusti Moerah of Karang Asem, reinforced by those of Buleleng, Sansit, Sangsit, and Battemon, has entered into war with Dewa Agung, king of Klungkung, who in turn is allied with those of Tabanan, Badung, Mengwi, Sukawati, Leseh, Tambirono, and Banjarabangang; that both armies consist of an excessive number of people, so that on the one hand one has no further invasion into the Javanese Eastern Lands to fear from the King of Bali Mengwi, who now has enough to do to protect himself, but on the other hand it also causes that up to this day I have received no answer to my letter written to that king. For the rest, the princes and everything are in a desirable state, just as the rice crop, according to incoming reports, has noticeably improved due to the recent rains and overflowing of the rivers, and gives us fresh hope that we shall enjoy a pleasant harvest. I take the liberty dutifully to inform your High Nobilities that I intend to depart next month for Pekalongan and Tegal to conduct an ocular inspection of everything there as well. I remain with the greatest veneration, under which was written: Your High Nobilities' entirely humble and obedient servant, was signed: W. d. van Ossenberch, in the margin: Samarang, the 8th of June, anno 1764. Batavia

Dutch transcription

Van Iavas Oostcust den 8: Juni: 1764: Batavia, Aan Als vooren, Eerbiedig rescriberende op uw hoog Edelhe„ „dens zeer gevenereerde van den 16„e April „ 12: Meij jongstverweeken, neme ik d' vrijheit te melden dat de overgezonde Patholen, maar bestaande in 60 p„s van 12: astas en 120: „ „ 6 d„o zijn van de hand gezet; want, alhoewel de laatste van 6: astas hier niet gewild, en door den bank voor de aangereekende prijs naauwelijks kunnen verkogt worden, zijn die van 12: astas daar en tegen eenigzins beter getrokken 't geen mij in hoope van wel duiding overreed heeft om de gansche partij met 30: oper Cento advans door elkan„ „der geslagen, van meester te doen verander schoon nu Java schielijk vervuld is, en daar door den aftrek, bij aanbreng van een grooter quan„ „titeit, schielijk verclaauw, zoude er echter wel kans zijn, zo uw hoog Edelh„s zulk geliefde goed te vinden, nog alhier voor dezelve prijs nog 2 â 300 van 12: astas, mits roode zijnde te 1o. 64 3 au Van Iavas Oostcust den 8:' Junij 1764. — te verdebiteren, bij aldien uw hoog Edelhedens teffens gunstig gelieven te accorderen de tijd van 5: â 6: maanden, want aanstonds of eensklaps agte ik niet wel doenlijk, en zal hier op uw hoog Edelhedens geëerde besluit afwagten Wijders verzoek ik zeer eerbiedig, dat uw hoog Edelhedens zich gelieve verzekert te houden, dat ik mijn uitterste devoir, zal aanwerden om den sumanaps regent in 't regte spoor te brengen en te houden, waar toe ik niet ondienstig g'oordeelt heb, den gezag„ „hebber Breton te gelasten, om in persoon na dat district te vertrekken, en dus van na bij alles op te nemen en te redresseren, op dat er van die zijde geen klagten in 't vervolg mo„ „gen opkomen. Schoon de Panambahan zekerlijk eenigee„ „maate geemelijk geweest is, weegens het niet reuseren in zijn verzoek zo blijkt echter, uit zijne successive letteren aan mij geschreeven dat zijn Hoogheit het zich met veel aantrekt en in allen deelen wel gemoed en content ie. Ik 11: Iavas Oostcust den 8: Junij 1764: Van Ik vanke uw hoog Edelhedens eerbiedig voor het aanstellen op mijn voordragt, van den Ingabei soero Pernollo, tot hoofd over Bezoekie, vertrouwende, dat dat landschap dus ten beste bestiead van DE. Maatschappij zal kunnen ^ werden Alhoewel in de leden afgaande gemeene letteren vermelt word van de houtwerken, die ik op alle Comptoiren en plaatzen exact door Expresse gecommitteerdens heb laten opnemen, zo agte ik mij verpligt hier in eerbied, met betrekking tot het voornaam articul van houtwerken, uw hoog Edelhedens onder 't oog te brengen, dat er van Jaar tot jaar weerder quan„ „titeit van hout gekapt werdende, dan er gevoegelijk kan werden afgebaald, men zekerlijk na verloop van Jaa„ „ren bevinden zal dat overblijvende balken, g'exponeert aan de verteeren„ „de lugt en regen, bederven, en onbekwaam worden. Om nu den houtkap te doen vermin„ „deren, schaon de voorig gemaakte schikkin 1764 3 d Van Iavas oostcust den 8:' Junij 1764:— schikkingen ende verbintenisse der Regenten in zijn geheel bleeven, is zekerlijk het beste middel en om altoos goede houtwerkens te hebben, en om de losschen, die al wat schraal worden, niet onnoodig te ont„ „blooten; en den respective Regenten zoude deze vermindering van hout- Leveran„ cre. „cie met geergtigheit ook amplecteeren, schoon zij mindering van de gewoone betaling moesten, ondergaan, zzo als dat een zekere sequele is maar de eenigste zwaarigheit daar omtrent ender tijd zoude wezen, om den Javaan, eens aan de ligte en gemakkelijke leverancie gewent zijnde, weder tot zwaarder zonder geëmelijkheit te brengen Dit heb opligtig g'agt, met bede van welduiding uw hoog Edelhedens te moeten voordragen; terwijl ik, de dispositie hier op verkrijgende, naar ^waren gemoede van de benodigde houtwerken zoda„ „nige reparatie zal doen, die ik het heilzaamste voor D'E: Comp: zal oordeelen Gisteren mij door den gezaghebber Breton bij een briefje berigt (zijnde, dat het schip 'Thuis te Manpad, zijne Reize door de straet Balij naar Macasser 2 13: Iavas Oostcust den 8: Iunij 1764:— Van Macasser niet hebbende kunnen krijgen ter Rleede van Passourouang was g'arriveert, 't gunt ik plig„ „tig oordeele uw Hoog Edelhedens ter g'eerde commu„ „nicatie te moeten brengen, en teffens, dat ik gem: gezaghebber gelast heb het schip ten eersten naar „komen sourabaija te laaten aldaar de Militairen te ontscheepen, en dan dien bodem naar zoana tela„ „ten vertrekken, om daar uw hoog Edelhedens bevelen af te wagten de Ook heeft mij ^ gezaghebber Breton bedeelt dat op Balij alles in repen voer is; Dat Gusti Moera van Carang Assing, gesterkkt met die van Boleling, Sansit, Sankit en Battemon, in oorlog is getreden met Dewa Agong vorst van klonkong, die weder g'alligeert is met die van - Tabanan, Badong, Mangoei, Soecowatti, Lese Tambirono en Banjarabangang: Dat de beide Leegers bestaan in een excessie f getal volkeren, zo dat men aan de eene zeide voor geen verdere invasie in de Iavasche ooster„ Landen van den koning van Balij Mengoei„ die nu genoeg met zich zelve te beschermen te doen heeft te vreezen heeft, doch aan de andere zijde _e 1764 3 u Van Iavas Oostcust den 8:' Iunij 1764:— zijde ook vezoorzaakt, dat, ik tot heeden geen antwoord op mijne Missive, aan dien vorst geschreeven, ont„ ce „fangen heb voor 't overige zijn de vorsten en alles in een wenschelijke staat, zo wel als het rijstgewas, volgens ingekome berigten door de Jongste gevalle regens, en overvloeijen der rivieren merkelijk verbetert is, en ons nieuwe hoop geeft om een aangename oogst te zullen genieten Ik neme de Vrijheit uw hoog Edelhedens schuldpligtig ter kennisse te brengen, dat ik voornemens ben aanstaande maand naar Paccalongang en Tagal te vertrekken om daar ook van alles een oeulaere inspectie te nemen Ik blijve met de meeste veneratie /onder stond:/ uw Hoog Edelhedens gansch onder„ „danige en gehoorzame Dienaar /:was geteekent/ W: d: van ossenberch, /in margine:/ Samarang den 8: Junij A„o 1764:— Batavia

NL-HaNA_1.04.02_3124_0325 view scan ↗

English

From Amboina, 31 May 1764. Batavia To respectfully answer the venerable contents of Your Excellencies' dispatches of 20 and 31 December of the past year, the first addressed to the governors of Amboina, Banda, and Ternate, and the latter directed to the undersigned alone, I have the honor to inform Your Excellencies that immediately upon my arrival and assumption of the administration, I made every effort, as can be seen from the letters exchanged with the subordinate posts and forwarded among the general papers, to have the orembaais, which the respective villages were tasked to build, ready by the fixed time of mid or late February. However, I did not succeed in this earlier than 29 March, when, sixteen of these vessels having successively appeared here at the Castle, I found myself obliged, partly by virtue of Your Excellencies' positive order in the first-cited dispatch, to promptly carry out the cruising proposed for this spring to the places designated in the accompanying report by Commander Booms and Captains Gouzal and Vervate, to wit, from here with two well-armed and well-manned vessels to North Ceram, and from Banda to South Ceram, in order thereby to, if not completely prevent, at least make so dangerous the smugglers' hitherto uninhibited navigation of these islands, that they might be deprived of the desire for any further undertakings. And on the other hand, because Your Excellencies, in the latter advices of later date with respect to the past year's expedition, testified to having wished that all the nests and dens along the entire Ceram coast from where cloves are illicitly exported might once be visited and surveyed for the eradication of that clandestine trade, and furthermore also approved the project proposed to Your Excellencies by separate dispatch of 26 September of last year to employ the said orembaais, provided with gun-ports, under the convoy of one of the sloops available here, pursuant to the separate resolution of 2 August prior, for an exact cruising of the Ceram coast. From Amboina, 31 May 1764. To submit to the consideration of the members of the Council what they deemed best to be done in this matter, namely whether, since it appeared that Banda had been ordered to cruise the south coast of Ceram from there, we should cruise only the north coast from here, or both, or leave it to the Banda cruise around the south. Whereupon it was taken into consideration that the objective of this cruising, both of Your Excellencies and of this administration, was principally to ward off the prohibited trade in spices, and that the smugglers' dens are mainly situated on the south side of Ceram, opposite or in the vicinity of the principal spice-producing posts of Haroeko, Honimoa, and the island of Nussa Laut, from whose advantageous situation to carry on that trade the smugglers would indisputably seek to profit. It seemed preferable to cruise both the south and north coasts from here, because one might certainly assume that the places where the cloves are concealed on the south coast would not be as well known to the Banda cruisers as to those of Amboina, and thus one could also not expect as good an outcome from their expedition as when it were undertaken directly from here. Wherefore it was then also decided to have both the south and north coasts of Ceram cruised by four pantjallings and twenty-four orembaais, divided into two squadrons, and to employ for that purpose around the south the pantjallings de Spion and de Honimoa, and around the north de Liefde and de Peperthuijn, although in place of the last-mentioned vessel, which unexpectedly developed a severe leak, the sloop de Nagulboom had to be used. The aforesaid orembaais were indeed provided with gun-ports according to order, but not fitted with iron bands, as necessity nevertheless required if use were to be made of the cannon to be placed thereon. From Amboina, 31 May 1764. For which reason, and because the village chiefs had no opportunity for it and moreover were judged to be burdened enough with the preparation of those vessels, this was caused to be done on the Company's behalf to two or four gun-ports of each orembaai. Furthermore, these orembaais bearing a great resemblance to the Javanese prau mayangs, in consideration that most of them could not be provisioned by the chiefs of the villages for longer than a month, just like the kora-koras on the Hongi expedition, and that the expedition that was to take place with them would surely last some six months before it could be considered finished, so that the native rowers assigned to them could not possibly manage with their provisions, they were also victualed at the expense of the Company for another five or six months, just like the artisans or others who are employed in the service of the Company and daily receive, besides those working on the fortification works, one pound of rice and one stuiver in cash for fish or the like, albeit with this distinction, that to these rowers, for the management of

Dutch transcription

15: Van Amboina den 31: Maij 1764:— Batavia om den gevenereerden in houd van uw hoog Edelens missives van den 20: en 31: December des gepasseer„ „den Iaars, de eerste aan de gouverneurs van Am„ „boina, Banda en Ternaten, en de Laaste aan den ondergetekende alleen gerigt, schuldpligtig te bernd„ „woorden, heb ik de eer Hoog dezelve te bedeelen dat ik ten eersten na mijn arrivement en intrede in het bestier alle pogingen hebbe aangewentd /:so als uijt de onder de gemeene papieren af„ „gaande gewisselde brieven met de subalterne Comptoiren aangesien worden, om de orembaijen ^negorijen opgelegt waren aan te bouwen in dewelke de respective ^ gereetheijd te krijgen tegens de afixeerde tijd van medio of ult„o februarij dog _e dat ik daar in niet eerder gereuseert ben als den 29: maart wanneer successivelijk alhier aan't Casteel verscheenen wesende sestien stux dier vaartuigen, ik mij verpligt heb gevonden „ hooffde van uw Hoog Edelheedens positive eensdeels uijt ^ ordre bij de eerstgeciteerde mis„ „sive, om de bij het daar nevens overgesondene berigt van den Commandeur Booms„ ende schippers gouzal en vervate voorge„ „slaegene bekruijsing in dit voor Jaar zo spoedig de Aan Als vooren doenlijk 1764 3 dr Van Amboina den 31: Maij 1764:— doenlijk gevolg te laten neemen na de daar bij benoemde plaatsen, te weten, van hier met twee wel gearmeerde wel bemande vaartuijgen na Noord, en van Banda na zuijd Ceram, ten Eijnde hier door de smokkelaas hare tot nog toe on„ „beschroomde bevaring deser eijlanden, zo niet finaël te beletten; ten minsten zo gevaarlijk te ƒo maken, dat haar daar door de lust tot eene verdere onderneeming benomen mogt worden, En anderendeels omdat uw Hoog Edelens bij laastgemelde adviesen, van later datum zijnde met adspect tot de voorleden Jaarse expeditie betuijgen wel gewenscht te hebben dat alle de nesten en holen langs de geheele Ceramse Cust van waar men nagulen ter sluijk uijtvoerde, eens mogten bezogt en opgenomen zijn tot uijtroeijing van dien Claudestinen han„ „del, en daar en boven ook goedkeuren het aan hoog dezelve bij aparte missive van den 26: september des voorleden Jaars voorgestelde project, om ingevolge aparte resolutie van den 2: aug:s bevorens, tot een exacte bekruij„ „sing der Ceramse kust de gezegde orembaijen; schutpolders voorzien, onder het convoij van eene 17: Van Amboina Den 3: Maij 1764. eene der alhier aan handen zijnde Chialoupen te Emploijeeren. — Aan de leden van den Raad in consideratie te geven, wat zij oordeelden dat in desen best diende gedaan te worden, namentlijk of men„ terwijl bleek dat na Banda g'ordonneert was om van daar de zuijd Cust van Seram te doen souden bekruijsen, van hier alleen de Noord Cust be„ „kruijsen, dan wel beijde, of het bij de Bandase be„ „kruijsing om de Zuijd laten berusten, waar op in overweging genomen wierde, dat het oogmerk van dese bekruijsing zo wel van Uw Hoog Edelens als dit ministerie hoofd zakelijk was om den verboden han„ „del in specerijen ter wieren, en de sluijknesten. voornamentlijk aan de zuijdkant van ceram ge„ „legen zijn tegens over, of in de nabijheijd van de prinpaalste specerij gevende Comptoiren Haroeko„ Honimoa, en het Eijland Nussalaut van wel„ ker wel gelegen sitnatie om dien handel te exer„ „ceeren, de sluijkers in disputabel zouden zoeken te profiteeren, het praefara„ belst scheen om van hier zo wel de zuijd als noord Cust te bekruijsen om 1764 3 e Van Amboina den 31: Maij 1764. om dat men wel zoeker mogt stellen, dat de plaatsen, alwaar de Nagulen op de zuijd cust geborgen, worden, de bandase kuijsers zo wel niet als de Ambonse bekend zouden we„ sen, en men dus van derselver expeditie ook zo een goeden uijtslag niet verwagten konde als wanneer die van hier direct ondernomen wier„ „de, weshalven dan ook besloten is om zo wel de zuijd als Noord Cust van Ceram te doen bekruijsen door vier pantjallings en vier en twintig orembaijs, in twee smal deelen verdeelt, en daar toe te em„ ploijeeren om de zuijd de pantjallings de spion ende Honimoa, en om de Noord de Liefde en de Peperthuijn, hoewel en stee„ de van het laastgem: vaartuijg, waar aan sig onverwagt een sware lekkagie op deed, gebrukt heeft moeten worden de chialoup ^waren wel nade ordre met schutpolders de Nagulboom de voorsz: orembaijs ^ voorzien, maar niet met ijzere banden beslagen, zo als nogthans de noodzake„ „lijkheijd vereijschte, als men gebruijk zoude maken van het daar op te plaatsene canon 19: Van Amboina den 31: Maij 1764. canon om welke reden, en om dat de negorijs hoofden daar toe geen accosie hebben gehad, en buijten des geoordeelt wierden met het onmaken van die vaartuijgen als genoeg beswaardt te wezen, men zulks Comp„s„ wegen heeft laten doen aan twee of vier schut„ poldars van ieder orembaij Daar en boven zijn, deese orembaijen heel veel over eenkomst hebbende met de javaanse prauw maijans, uijt overweging, dat de meeste voor niet langer dan een maand even als de corre corres op de Hongij togt door de Hoofden der negorijen geproviandeert wa„ ^ konnen worden en dat de expeditie „ren, nog hebben die daar mede stond te geschieden, wel duu„ „ren zoude een maand of zes, eerze gerekent konde worden g'eijndigt te zullen wesen, so dat de jnlandse roeijers, die daar op bescheijden zijn onmogelijk met hun proviand konden toeweijken, almede ten koste van de Comp: voor nog vijf off ses maanden gevictua„ „lieert, even gelijk de quaatslieden of andere, die in den dienst van de Comp: g'emploijeert worden, en dagelijks, buijten de geene, die aan de fortifica„ „tie werken arbeijden, genieten een pond rijst en een stuijver contant voor vis of iets diea„ „gelijks, egter met dit onderscheijd, dat aan deese roeijers tot menagement van 1764 3

NL-HaNA_1.04.02_3124_0330 view scan ↗

English

From Amboina, 31 May 1764. for rations only ½ lb of rice and the rest sago with 1 stuiver per day has been provided, as appears more fully from the separate resolution taken for that purpose on 20 March last. With the fitting out of the bulkheads and the provisioning of these vessels, owing to their late appearance at this main Castle, time has so far slipped away that the first squadron to patrol Ceram's south coast could not be dispatched earlier than 24 March, and the second to its north coast not before 7 April, being equipped and armed in such manner as the list sent herewith will distinctly show to Your High Noble Honours. As commanders over this cruising expedition, there have been appointed for the north of the aforesaid coast Ensign Toeke Gosling and Chief Mate Jan Nicolaas Cassal, and for the south Ensign Matthijs Gutthaat and the Mate Johannes Hoogerscheijt, since they were deemed to be the most sober, capable, and experienced for the task, although I would very gladly, in accordance with the desired intention of Your High Noble Honours, have entrusted the command over the expedition to the south coast of Ceram to Lieutenant van den Eijnde, had his continuous indisposition of more than three months' duration not prevented this; but considering 21: From Amboina, 31 May 1764 considering that the Second Mate Jacob de Clerk, who, according to what is noted in the general letter of today, lost the sloop the Nagapatnam coming from Batavia on the reef of Cabina, has, according to common report and also according to the testimony of the aforesaid Lieutenant van den Eijnde, distinguished himself greatly in last year's expedition, especially in capturing the Nagulen, who were taken in the negorij Hoijas not without finding a brave resistance, and that he therefore, owing to the illness of the aforesaid Lieutenant, being very well acquainted with the coast of Ceram, would come in very handy, it has been approved, for the reasons and motives cited more broadly in the aforesaid separate resolution, to employ him on one of the 12 orembaais belonging under the southern squadron, without prejudice to the correction that he might sometimes have to undergo should he be convicted of any dereliction of duty in regard to the wrecking of the aforesaid sloop. The Instruction that was given along to the aforementioned cruisers is forwarded in copy to Your High Noble Honours, not doubting that it will be found to have been drafted in accordance with the aim and authorization of Your High Noble Honours. The 1o. 64 3 Meu From Amboina, 31 May 1764. The number of orembaais that Your High Noble Honours would have liked to see reported from here, in order to know how many would have been brought together by the general levy of one on each negorij, could not well be determined, as I have been informed, because one could not rely on any firm estimate, partly on account of the inability of many negorijen, and partly for the sake of the sluggish and lazy nature that was peculiar and innate to these Amboinese, from which it was well foreseen one would have to manage with as many of those vessels as the outcome would show had been prepared by the respective negorijen; yet the purpose for which the order for their construction was given so generally was: thereby to divert the ill-intentioned as much as possible from dealing together with the smugglers and encouraging their illicit trade, and also to have each negorij, according to ancient and constant custom, possess a vessel in hand with which to transport these aforementioned light goods from one place to another wherever the service of the Company might require it. However, through continuous incitements, matters were brought so far that, besides the 24 pieces employed in the cruising expedition, another number of 25 was made ready; but as it was maintained that these are not presently 23: From Amboina, 31 May 1764. needed, or cannot be profitably employed owing to their late arrival, even partly in this month, I have let them return to their negorijen, with orders not to neglect those vessels, but to keep them always in a state fit for use, so that should necessity require it, they can be employed immediately, and I have also retained here, for the service of the fortification works, 263 heads of the crew assigned to them (namely rowers, as no others sail on them) until the middle of this month, or for as long as the monsoon permitted working on them. The late appearance of the aforementioned vessels at this main Castle has constituted, among other things, the reasons why no people of Bouro, Manipa, and Bonoa could be placed thereon, although the principal reason is indeed that they are not inclined to it, for they say, to what end shall we secure the districts of others, when we must protect our own upon return against the invasions of the Papuan pirates, which, subject to the more prudent judgment of Your High Noble Honours, in my opinion is reasonable, and has therefore also caused me to desist from 1764 3e maer

Dutch transcription

Van Amboina den 31 Maij 1764. van kosten maar ½ lb: rijst en de rest zagoe met 1s tuij„ „ven daags is vertrekt geworden, gelijk bij de aparte ne„ „solutie, ten dien eijnde op den 20: maart jongst genomen breeder consteert, Met het beslaan der schutpolders, en het proviandeeren deser vaartuijgen is mits derzelven late ^ aan dit hoofd Castal de tijd zo ver verloopen, verschijning, dat het eerste smaldeel ter bekruijsing van ce„ „rams zuijd Cust niet eerder heeft kunnen werden gedepecheert als den 24: maart en het twede na dies Noord cust niet voor den 7: april zijn„ „de zodanig uijt gerust en gearmeert, als de bij desen overgaande Lijst uw Hoog Edelens distinct zal aantonen. — Tot hoofden over dese kruijs expeditie sijn om de noord van meerm: cust aangestelt de vendrig Toeke gosling en den opperstuurman Jan Nicolaas Cassal en om de zuijd de vendrig Matthijs Gutthaat, en den stuurman Iohannes Hoogerscheijt, dewijl men die daar toe de nugterste, bequaamste en ervarenste heeft geoordeelt, alhoewel ik zeer gaarne na de geerde in„ „tentie van uw Hoog Edelens het gezag over de Expedi„ „tie na de zuijd Cust van ceram zoude gedemandeert hebben aan den Lieutenant van den Eijnde, zo zijne continueele indispositie van ruijm drie maanden langs zulks niet belet hadde maar geconsideneert zijnde 21: Van Amboina den 31: Maij 1764 zijnde dat den onderstuurman Iacob de Clerk, die na volgens het genoteerde bij de gemeene brief van heden de chialoup de Nagapatnam van Bata„ „via komende, op het rif van Cabina verloren heeft zig volgens de gemeene gerugten, en ook volgens de getuijgenisse van voorsz: Lieut„t van den Eijnde in da voorleeden jaars expeditie zeer gedistenqueert heeft, in„ zonderheijd in de agterhaling der Nagulen, die in de na„ „gorij Hoijas niet zonder een dappere resistentie te vin„ den op gedaan zijn, en dat hij dus mits de ziekte van meerm:e Lieutenant zeer wel als op cerams kust bekent geworden zijnde, te pas zoude komen heeft men om de bij voorsz: aparte resolutie bre„ „der aangehaalde redenen en motiven goedgevonden den zelven te emploijeeren op een den 12: orembaijs, ge„ hovende onder het smal deel van de zuijd onvermin„ de correctie, die hij somwijlen zoude moeten onder„ 7 „gaan, wanneer hij van eenig wandevoir mogte kun„ „nen worden overtuijgt in requard van het veron„ gelukken van de chialoup voorsz: — De Instructie, dewelke aan de voornoemde kruijs„ sers is mede gegeven, gaat in Copia tot uw Hoog Ede„ „lens over niet twijffelende of dezelve zal bevonden worden na het oogmerk ende qualificatie van uw Hoog Edelens ingerigt te wesen— Het 1o. 64 3 Meu Van Amboina den 31 Maij 1764. Het getal der orembaijen, het welk uw Hoog Edelens gaarne gezien hadden, dat men van hier hadde opgegeven om te weten hoe veel door de generaale belasting van een op Peder negorij bij een gebragt zouden zijn, is na ik geinfor„ „meert ben geworden, met wel te bepaelen geweest, om dat men daar op geen vaste staat konde maken eensdaels uijthoofde van het onvermogen van veele negorijen, en anderendeels om de wille van den tragen en luijenaand dies amboineesen als eijgen en aangeboren was, waar uijt men wel voorzag houden met zo veel van die vaar„ tuijgen, als de uijtkomst zoude doen zien, dat door de respective negorijen in gereetheijd gebragt waren; dog het oogmerk, waarom de ordre tot derselver aanbouw zo generaal gegeven is, geweest: daar door de quaad ge„ C „intentioneerdens so veel mogelijk te diverteeren van met de morssers 't zamen te doen en haren sluijkhandel te foveeren, en ook jeder negorij na het van ouds Constanten gebruijk aan handen te doen hebben een vaartuijg om daar mede dese afgene ligte goederen van de eene na de andere plaats over te voeren, daar het den dienst van de Comp mogte komen te vorderen, Egter heeft men het door gedurige incitatien zo verre gebragt, dat buijten de inde kruijs Expeditie g'emploij„ „eerde 24: stux, nog„n omber van 25 is klaar gemaakt maar dewijl men sustineerde die voor tegenswoordig # niet 23: Van Amboina den 31: Maij 1764. niet nodig te hebben, of ten nutte te kunnen emploij„ eeren wits derzelver late aankomst zelfs nog voor een gedeelte in dese maand heb ik deselve na hunne negorijen te rug laten keeren, met ordre om die vaartuijgen met te verwaarlosen, maar altoos in staat van gebruijk te houden, op dat men de„ „selve de noodzakelijkheid zulx vereijschende, ten eersten zal kunnen emploijeeren, en heb ook van de daar op be„ „scheijdene manschap, :/ roeijers te weten, alzo'er geen andere op varen:/ alhier ten dienste van de fortificatie wer„ „ken aan gehouden 263: koppen tot medio deser of voor solang de mousson het heeft gepermitteert daar aan te arbeijden, De laate verschijning van meerm: vaartuijgen aan dit hoofd Casteel heeft onder anderen mede redenen uijt„ „gemaakt, waar om daar op geene volkeren van Bouro Ma„ „nipa, en Bonoa geplaatst hebben kunnen worden hoewel de voornaamste wel is dat zij daar toe niet inclineeren, want zeggen zij, waar toe zullen wij de districten van andere beveijligen, daar wij ons eijgen ter retoir tegens deinvasien der papouse rovers beschermen moeten te geen behoudens het prudenter oordeel van uw Hoog Edelens mijnes bedunkens in de billijkheijd bestaat en mij daar om ook heeft doen afzien van daar 1764 3e maer

NL-HaNA_1.04.02_3124_0334 view scan ↗

English

From Amboina, the 31st of May 1764. to urge, against the encroachment upon the Company's precious spice trade, the necessary precautions were used during the recent harvest by steadily keeping four pantjallings and eleven corre-corres at sea to cruise the coasts of the stations Hila, Sapparoua, Nussalant, and Laricque, although, notwithstanding this, I would nevertheless not dare to consider myself fully assured that here and there some illicit trade at night and untimely hours was not committed with the Cerammers, who appeared at sea with several vessels but always kept out of range, for it is hardly possible to occupy all avenues with cruisers, because the aforesaid islands and places that supply the cloves are too extensive for that, wherefore I take the liberty respectfully to submit hereby to Your Right Honourables' consideration whether it would not agree with the Company's interest that, for the better curb of that illicit trade, which by the annually renewed placard of the 4th of May 1716, under the administration of the Honourable Extraordinary Councillor Adriaan van der Stel, is prohibited under penalty of death and confiscation of goods, it should also be enacted that at none of the subordinate negorijs or districts of Leijtimor, Hitoe, Laricque, Haroeko, Sapparoua, and Nussalant any outside vessels may come to anchor, nor be admitted, unless provided with a pass either from the Governor or from the Residents at the subordinate stations, on penalty that the radjas, pattis, and orangkayas, as well as the orangtuas or elders of such district where such a vessel not provided with a pass might be found to have lain or still be lying at anchor without them seizing it, since the Cerammers, often discovering the cruisers from afar, weigh anchor and sail away from there without being able to be overtaken, as actually guilty of prohibited smuggling in cloves shall likewise be punished with death or at least relegated to the Cape, Ceylon, or elsewhere ad vitam, and their families forever excluded from succession to the regency; for it is absolutely impossible that the Cerammers, who one may certainly assume conspire with the Papuans and other nations very dangerous to the Company's precious spice trade, can obtain cloves unless the Company's own subjects are instrumental to them in this, even though they know how to plan it so cleverly and circumspectly that they have hitherto not been caught and convicted of the deed. I imagine that such an edict and the execution thereof will inspire quite as much dread as all the cruisings. Meanwhile, all possible attention is being paid to the suspect places specified in Your Right Honourables' separate letter of the 31st of December past, as can be seen from the annexed letters from the head of Sapparoua, the merchant Gabriel Adrianus de St. Jean, dated the 8th and 23rd of March last; I have also made a careful inquiry after the person of Abdul, who is also mentioned in the aforesaid letter, and who according to the account of the native Christian Abraham Bahagia was supposed to be a brother of the present Radja of Hitoelamma and actually named Oeseng, even with the orangkaya of the negorij Zeijth, from whom he was supposed to have heard this in conversation, and then found that this orangkaya, when still young, and even before he became orangkaya on Hitoelamma under the administration of the Honourable Jongsma, at the time of the grandfather of the present Radja, knew a person who was called Oesing and was of the family stock of that Radja, but was not an actual brother, who had carried on so wildly in the negorij that, no longer considering himself safe therein, he went away from there, and as this orangkaya subsequently learned, departed for Batavia, having at least not seen him since, nor after his appointment as orangkaya, and he also does not know whether he is currently alive or dead, or whither he has sailed. Concerning the account of this Abraham Bahagia, it is furthermore to be noted that he says he only heard what was related regarding the aforementioned Abdul or Oesing in conversation, so that it would still be the question whether this Oesing was indeed the same one whom the orangkaya of Zeijth knew in his youth, even though the name sounds the same. The case of the Pattis of Oma, against whom there appears to be well-founded suspicion of having been guilty of such prohibited smuggling, has been investigated by the judiciary and, upon a report submitted by the Fiscal Wijnand de Bonvoust, disposed of in such manner as is found described in the general letter of today, to which I therefore take the liberty to refer. Furthermore informing Your Right Honourables how, after the period of the previously mentioned cruises, through the

Dutch transcription

Van Amboina den 31:' Maij 1764. — op aan te dringen, tegens de onderkruijping van 's Comp:s dierbaren specerije handel zijn gedurende den jongsten insaam de nodige preecautien gebruijkt met gestadig vier pantjallinge en elf Corre Corres in zee te houden om de staanden van de Comptoiren Htila, Sapparoua; Nussalant en Larioque te bekruijsing, hoewel ik mij des niets te„ genstaande evens wel niet volkomen versekert zoude durven houden dat er niet hier of daar eenige mor„ serij bij nagt en ontijde met de Cerammers, die zig met verscheijdene vaartuijgen in zee vertoont dog nen altijd buijten schoots gehouden hebben, gepleegt zij want het niet wel mogelijk is alle avenuen met kruijsers te bezetten, dewijl de voorsz: Eijlanden en plaat„ „zen die de nagulen uijtleveren, daar toe te uijtgestrekt zijn alwaar om ik de vrijheijd neem uw Hoog Ede„ „lens bij desen eerbiedig in Consideratie te geven, op het niet met het belang van de Comp:e over een soude komen, dat men tot meerder beteigeling van dat mors„ werk, het welk bij het jaarlijks ge„ renoveert werdende placcaet van den 4. maij 1716 onder de regering van den Heer Raad Extra ordi„ „naire Adriaan van der stel, op de staaffe des doods en Confiscatie van goederen verboden is ook statueerde dat op geene der H 25: Van Amboina den 31:' Maij 1764. der onderhoorige negorijen of districten van Leijtimor, Hitoe Laricque, Haroeko, Papparoua en Nussalant eenige vaar„ tuijgen van buijten ten anker zoude mogen komen, nog geadmitteert worden, ten zij voor zien zijnde met een paas het zij van den gouverneur of van de Residenten op de ru„ balterne Comptoiren, op poene dat de Radjas, pattijs, en nangkaijs, benevens de orangtouas of oudsten van sodanigen district, alwaar een diergelijk vaartuijg van geen pas voorzien wesende, bevonden mogte worden ten anker gelegen te hebben, of nog te leggen, zonder dat zij het zelve in beslagt neemen, vermits de ceram„ „mers veeltijds de kruijssers van verre ontdekkende, het anker ligten, en van daar verzeijlen, sonder agterhaalt te kunnen worden, als e tigt schuldige aan verbodam sluijk„ „handel in nagulen almeede met de dood gestraft zullen werden of ten minsten na de Caap, Ceijlon of elders did„ „vitam gerelegeert, en hare familien voor altoos geseclu„ deert van de successie in het regentschap, want het is absoluut onmogelijk, dat de Cerammers, die men wel vast mag stellen, dat met de papouers en andere voor 's Comp:s dierbaren specerij handel zeer gevaar„ „lijke natien 't samen spannen aan Nagulen ko„ „men kunnen of 's Comp„s eijgene onder„ 9 C „daenen moeten haar daar in behulpsaam zijn 164 3 aar Van Amboina den 31:' Maij 1764. — zijn, schoon zij het evens wel zo fijn en omzigtig we„ „ten te overleggen, dat zij tot nog toe met te at„ „trapeeren en van de daad te overtuijgen zijn geweest, Ik verbeelde mij dat zoo een Edict en Exedu„ „tie van het selve ruijm zo veel schrikk geven zal als alle bekruijsingen op de bij uw Hoog Edelens aparte missive van den 31: december passato opgestelde suspecte plaatsen word intus„ „schen alle mogelijk attentie gehouden gelijk te zien is uijt de annexe brieven van het sapparouas opperhoofd den coopman Gabriel Adrianus de St glam de datis 8: en 23: Maart jongstl: ook heb ik na de perzoon van Abdul, waar van in voorsz: missive mede gewag gemaakt word, en dewel„ „re na het relaas van den ijnlands christen Abraham Bahagia en broeder zoude wesen van den presenten Radja van Hitoelamma, en eijgentlijk genaamt sijn oeseng nauwkeurige recherge gedaan, zelfs bij den orang„ „kaij van de negorij zeijth , van wien bij zulx bij— discours verstaan zoude hebbe en toen bevonden, dat dese orangkaij, nog jong-zijnde, en zelfs voor dat hij onder de regeering van den heer jongsma orangkaij wierd, op Hitoelamma, ten tijde van den groot vader van den presenten Radja, een persoon ge„ „kent heeft, die oesing genoemt wierd en van de familiet stam van dien Radja, dog geen eijgentlijke broeder was dewelke 27: Van Amboina den 31: Maij 1764. dewelke het daar zo bont in de negorij gemaakt heeft gehad, dat hij zig in dezelve niet langer zeker agtende, van daar gegaan, en zo als de ze orangkaij vervolgens vernomen het, na Batavia vertrokken is, hebbende hem althans zedert, nog na zijne aanstelling tot orangkaij niet gezien, en weet ook met of hij tegenwoordig le„ vend of dood, of weerwaarts vervaren is, Omtrent het relaas van desen Abraham Bahagia valt boven dien aan te merken dat hij zegt het ge„ relateerde aangaande voorm: Abdul of oesing maar bij discours gehoort te hebben so dat nog de vraag zoude wesen of dese oesing wel die zelfde is geweest, welken de orangkaij van zeijth in zijne jonge jaeren gekent heeft alschoon de naam eens luijdende is, De zaak van de Pattijs van oma, waar te„ „gens gegronde suspitie schern te wesen van zig aan diergelijken verboden sluijkhandel schuldig gemaakt te hebben, is bij de justitie onderzogt, en op een ingedient berigt van den fiscael wijnand de Bonvoust dusdanig afgedaan als bij de ge„ „meene brief van heden beschreven werd gevonden, waar aan ijk derhalven de vrijheijd neem mij te refereeren Voorts ter nennis van uw Hoog Edelens brengende, hoe dat ik na de peche van de voorgewaagde nruijssens, door het 1764 3 de

NL-HaNA_1.04.02_3124_0338 view scan ↗

English

From Amboina, the 31st of May 1764. The Sapparoua chief Saint Glain having informed by his letters of the 21st of March, and the declarations transmitted therewith from a certain Moorish native of the negorij Lisela under the district of Bouro, named Padda, and from the sergeant Anthonij Pieger and companions, that the aforementioned Padda, who about a year ago with many other Bouronese was taken by the Papouas, sold to the Cerammers of Waroe, and by these to those of Enna Enna, and with the latter arrived at the shore of Oelath, was said to have seen that the last-mentioned people, from whom he fled, had brought linens ashore; and that thereafter a prahu full of cloves was brought to their vessel by men and women; without however anyone being named by him personally or able to be pointed out; and moreover that the said sergeant Pieger and companions, having been sent on the investigation thereof to the forest of Oelath, inspected the houses there, and in that of the native Anthonij Latoewakka Pattij found a cotton spread (though properly a Surat or Bengal narrow cotton cloth), and in the forest house of the Raja of Oelath 14 chests with copper fittings; that the said Raja, having in vain been summoned thither from his negorij, 29: From Amboina, the 31st of May 1764. had refused to open those chests, saying I am no rogue or nimble thief, why do you want to open my chest, etc. Yet that in the meantime there a piece of white linen in a tomtom, and in a chest opened afterward a second piece was found, both, as the commissioners say, appearing to be no Amboinese sorting; Item that the commissioners, having gone to the Raja, showed him these two pieces of white linen and asked how he came by them; he had answered that that merchandise belonged to the Pattij of Soelij, which the same had given to his son-in-law the Raja of Ameth, and this one to him to sell; without having found anything in the inspection of the houses in the negorij Oelath; I found myself obliged, because this concealment of the aforesaid chests in a forest house and the refusal to open them appeared very suspicious to me, and also raised some distrust regarding the person and conduct of the said Raja, to order the Sapparoua chief by letter of the 26th of March to proceed to that forest house to inspect those chests, and to discover why the same had been concealed there and not in the negorij where it was more fitting; as he also did and found that the several chests belonging to the Raja and other people were brought to the aforesaid place at the time that the Papouas made a landing on Haroeko, out of fear of likewise having to undergo such a visit, and that in the same upon inspection nothing was found other than the clothing of the said negorij's chief and some of his villagers, according to the contents of his letter of the 1st of April passed. — The aforesaid pieces of linen, which were not complete but cut into, and appeared to me, if not previously bought from the Company, at least very closely matching its sorting, as one was Guinea cloth bleached and the other white Bengal sailcloth, I have found upon careful investigation that they indeed originated from the Pattij of Soelij, Pieter de Costa, as he had presented them to his son-in-law the Raja of Ameth and this one handed them over to the Raja of Oelath to sell, wherefore I also made no difficulty in returning that linen to the several Raja, the more so because he declared that the negorij chiefs usually had such a piece of white linen in stock, 31: From Amboina, the 31st of May 1764. — in order therewith, in case of death, to accommodate their subordinates, since these seldom or never had the means to buy an entire piece at once, of which they needed only a few ells for the corpses of their relatives. Meanwhile, in order to do everything possible to prevent the forbidden illicit trade in that precious article of spices, I first gave notice of the aforesaid declaration of the native Padda to the cruisers of Ceram's south coast, since Oelath, lying on the southeast corner of Honimoa opposite Nussalant, is very suitably situated for that smuggling work, with orders to keep an eye on that stretch of land and on the vessels coming from there or going thither, and to cruise back and forth in the waterway thereabouts for some time, until all the cloves should be stored in the barns; they thereupon divided themselves in this manner, and The pantjalling the Honimaa with two orembaais was to set her course toward the corner of Hatuano, and from there westward to the outer point of Sapparoua, and From Amboina, the 31st of May 1764. — and so eastward back again to the corner of Latoealoij on the Ceram coast opposite, to subsequently cruise between Nussalant and the corner of Hatuano, as well as letting the mate De Klerk sail with 7 orembaais between the island Molane and the shore of Sapparoua through into the bay of Hatuana so as to cruise back and forth, while the pantjalling the Spion, with three orembaais along the south side of Sapparoua between Nussalant, Molane, and the corner of Booij, was to remain in the fairway. But the said cruisers having perceived nothing in the vicinity of Sapparoua up to the 6th of April, and having understood from the respective postholders that since eight days before the appearance of the Company's cruising pantjallings no strange vessels had been observed, continued their voyage to the south coast of Ceram, although very disastrously, since first in an encountered storm, or as the cruisers write, in a hurricane during the night of the 7th of April, the orembaai of Pelouw capsized and was wrecked, with which most likely a soldier and two rowers, who

Dutch transcription

Van Amboina den 31: Maij 1764. het sapparouas opperhoofd s=t glain bij deselve schrijvens van den 21: maart, ende daar nevens over gesondene verklaringen van zekers moors Inlander van de negorij Lisela onder 't district van Bouro, Padda genaamt en van den sergaant Anthonij Dieger C: s: geinformeert geworden zijnde, dat voornoemde Padaa, die voor omtrent een Iaar geleden met veele andere Bouroneesen door de papours genomen, aan de cerammans van waroe, en door deese aan die van Enna Enna verkogt mitsgaders met de laaste ande staand van oelath gekomen is, gezien zou„ „de hebben dat laastgem: volkeren, van welke hij ge„ „vlugt is lijwaten aan de wal gebragt hadde; en dat daar na een Prauw volnagelen door mans en vrouwen aan haar vaartuijg gebragt was; zonder dat egter iemand per„ soneel door hem genoemt zs of kan aangewesen worden mitsgaders dat gezegden sergeant Pieger C: S: het on„ derzoek van het zelve na 't bos van oelath gezonden wesende, de huijsen aldaar gevisiteert, en in dat van den inlander Anthonij Latoe„ „wakka pattij een cattoene spreij (:dog eijgent„ „lijk een sourats of beng„s smal Cattoene kleetje en in 't boshuijs van den Radja van gelath 14: kisten met koper beslag gevonden hadde dat gem: Radja uijt zijne negorij te vergeefs der 29: Van Amboina den 31: Maij 1764. derwaards ontboden zijnde geweijgert had die kisten te openen, met te zeggen ik ben geen schelm of gauw dief waarom wilje mijn kist openen Eqra. t Dog dat intussen aldaar een stuk wit Lijwatet in een tomtom, en meen naderhand geopende kist een twee„ „de stuk, beijde, so hij gecommitteerdens zeggen, geen ambonse sorteering schijnende, gevonden was, Item dat zij gecommitt„s bij den Radja gegaen zijn„ „de, hem dese twe stukken wit Lijwaat getoont, en ge„ „vragt hadden hoe hij daar aan kwam; dese geant„ „woord had, dat, dat goed van den pattij van soelij was 't welk dezelve aan zijn schoon zoon den Radja van Ameth, en dese het aen hem gegeven hadde te ver„ „copen, sonden bij de visitatie der huijsen in de negorij delath iets gevonden te hebben mij verpligt heb gevonden, om dat dese berging van voorsz: kisten in een bos„ „huijs, ende weijgering om die te openen, mij seer sus„ „pect te varen kwam, en ook eenig wantrou„ „ven deede opvatten op de persoon en conduitie van gezegjden Radja, het sapparous opperhoofd te gelasten bij briev van den 26. maart om zig na dat boshuijs te begeven ter opneem van die kisten, en om te ontdekken waar„ „om deselve daar, en niet in de negorij daar het beter pas 1764 3e aa Van Amboina den 31: Maij 1764. pas gaf, geborgen zijn geworden, gelijk bij dat ook gedaan en bevonden heeft, dat meerm: kisten van dan Radja en andere lieden zijnde, der voorsz: plaats gebragt zijn ten tijde dat de papours een landing op Haroeko Be„ den uijt vreese van mede een diergelijk besoek te zul„ „len moeten ondergaan, en dat in deselve bij visitatie niet anders gevonden is dan de kleding van gem: negorijs hoofd en eenige zijnde dorpelingen na luijd dessels schrij„ „vens van den 1 april passato. — De voors„ stukken Lijwaatwelke niet volkomen maar aangesneden waren, en mij toescheenen, zo al niet van de Comp: voor heen gekogt, ten minste hare sortering zeer evenarende te wesen als zijnde het eene gunees gem: gebl: en het andere wit bengaals zeijldoek, heb ik bij nauwneurig ondersoek bevonden datse effectief van den pattij van soelij Pieter de costa afkomstig sijn als hebbende de zelve aan zijn schoon soon den Radja van Ameth geschonken en dese ze aanden Radja van oelath overgegeven om te verkopen, alwaar om ik ook geen swarige „heijd gemaakt hebem dat Lijwaat aan meerm: Rad„ „ja te rug te geven te meer om dat hij verplaarde, dat dat negorijs hoofden doorgaans zo een stuk wit Lijwaat in voorraad hadden, om 31: Van Amboina den 31: Maij 1764. — om daar mede in cas van sterf geval, hunne onderhorige te gerieven vermits die zelden of noijt het vermogen hadden om een geheel stuk te gelijk te hopen, waar van zij maar weijnige ellen voor de lijken hunner na be„ „staande nodig hadden, Intusschen heb ik, om alles wat mogelijk is in 't werk te stellen tot weering van den verboden sluijk„ „handel in dat nostbaar articel der specirijen, van het voorschreven declaratie van den jnlander Padda ten eerstende kruijssers van cerams zuijdcust vermits oelath, leggende op de zuijd oosthoek van Honimoar tegen over Nussalant, zeer gelegen is tot dat mors„ „werk, kennis gegeven, met oudre om op die streek lands en op de van daar komende of derwaards gaan„ „de vaartuijg een oog in 't zeijl te houden en het arwater daar omstreeks een tijd lang over en weder te gekruijsen, tot dat de nagulen alle ingeschuurt zouden wesen, zij hebben zig daar op in deesen voegen verdeelt, en De pantjalling de Honimaa met twee orambaijen zijne cours laten stellen na de hoek van Hatouano, en van daar wets, „waards tot de uijthoek van Sapparoua, en 1764 3 eer Van Amboina den 31: Maij 1764. — en zo oostwaards weder terug na de hoek van Latoea„ „loij op cerams- Cust daar tegen over, om vervolgens tus„ „sen Nusselant en de haek van Hatouana te kruijssen, mitsgaders den stuurman De klerk met 7 orambaijen laten zeijlen tusschen het Eijland Mo„ „lane ende wal van sapparoua door tot in de bogt van Hatuana om zo over en weer te kruijsen terwijl de pantjalling de spion, met drie orembaijs langs de zuijdkant van sapparoua tussen Mis„ „seland Molane en de hoek van Booij, in 't vaar„ „water zoude blijven Maar gem: kuijsers tot op den 6: april omstreeke sapparoua niets ontwaart en van de resp: post„ „houders verstaan hebbende, dat zedert agt dagen voor de verschijning van 's Comp:s kruijspantjallings geen vreemde vaartuij„ „gen vernomen waren, hebben hunne reijs na De zuijd cust van ceram voortgezet, hoewel zeer ramspoedig, nademaal eerst in een belopen storm, of zo de cruijsers schrij„ „ven in een orcaan des nagts op den 7: april omgeslagen en verongelukt is de orambaije van Pelouw, met de„ „welke zeer aparent een soldaat en twee roeijens, die

NL-HaNA_1.04.02_3124_0343 view scan ↗

English

33: From Amboina the 31st May 1764. who are missing will have drowned, while the remaining crew saved themselves by swimming. After that, the pantjalling the Honimoa, according to what was recorded in the general letter of today under the shipping matter, ran aground on the 17th April last before the negorij Leijmoe, as shown by the letters from the ensign Gutthant and the mate Hoogerscheijd dated the 20th and 23rd of the aforementioned month, which are passed on to your High Noblenesses among the appendices to this letter. By which last-mentioned letters it also appears, among other things, that on the 21st April, after having made the necessary orders for the transport hither of the equipment and ammunition goods still salvaged from the aforesaid pantjalling, they went back from the shore on board their transport vessel (the pantjalling the Spion) with the intention to proceed on their course, since, no longer trusting the weather because of the easterly winds already blowing continuously every day in that region, they feared they would not be able to get above Ceram with the orembaijen, and that the expedition would have no effect on that account. I thus flattered myself with a good success from this undertaking, but saw myself very soon disappointed in that expectation, when on the 12th May by From Amboina the 31st May 1764. by the mate Hogerscheijd, in a letter of the 8th before, I was informed that the ensign Gutthand had gone from on board to Hatoemetten on the 23rd April to inspect the negorij, and having returned on board in the evening after that execution, had immediately ordered to be made ready: 8 orembaijs, mounted with 12 swivel guns, likewise 15 shots for each, and 6 hand grenades with fuses on each orembaij, manning the same, besides the rowers placed thereon, with 38 armed Europeans, among them 1 ensign 1 mate 1 sergeant 1 corporal, and 2 gunners. That he had departed from on board with these in the evening, with the intention to keep his stay that night at Hatoemetten until daybreak, in order then to go to the negorij Batoeassang and Toba, all three lying only about an hour from one another, after he had beforehand agreed with the mate Hogerscheijt that the latter would stay with the pantjalling on the 24th ditto shortly before the negorij Tobbo, in order to rejoin him on board there with the orembaijs. That the said mate, pursuant to that agreement, had 35: From Amboina the 31st May 1764. had also held himself before that negorij from the 23rd to the 29th April, sailing back and forth, and sometimes firing a shot, but had perceived no orembaijs. That he, the mate, having in the meantime been obliged to go to Hatoemetten for lack of water, had received a report from the quartermaster upon his return from the shore with two filled barrels, that he had understood from the orangkaij of that negorij that this regent of the orembaijs knew nothing else but that, according to what the ensign Gutthart said on the 23rd April, the same were already above Ceram. That he, the mate, had therefore also thought fit to turn his prow directly to Ketfing to see whether the frequently mentioned ensign and the second mate de Klark might have resolved, out of fear of not being able to get above Ceram with the easterly winds, just to continue their voyage, since he could not understand where else the orembaijs could have remained, as it had been calm from the 3rd to the 8th March, and they thus could not well have suffered an accident at sea, unless they might have been hostilely ambushed near the negorij Batoeasang, where there is a river within which all the smuggling vessels stay and many Buginese are gathered, because the frequently mentioned mate, having always been as close inshore as was feasible for him, heard no mention of cannon or small-arms fire, but indeed in the evening from the negorij Tobbo and Batoeasang the From Amboina the 31st May 1764. the sounding of the gamelan as a sign of joy and, as he says, to lure him out. Furthermore, that he, the mate, certainly had an intention to anchor before the negorij Tobbo and make an attack upon it, but that he nevertheless had not dared to hazard this because he was only 17 heads strong, among them three invalids, all the more because that negorij stood on a high cliff, and no damage could be inflicted except with bombs. That from the 29th April to the 5th May he had attempted to reach Ceram's south coast above Ketfing, but in vain, since the easterly winds and strong adverse currents had prevented him from doing so, and that he had therefore taken a prompt resolution to set the prow westwards again to Amakeij, where he arrived on the 7th May with the intention, having been provided with water, to direct his course directly along the inner coast of Ceram to Sawaeij on the 9th ditto, because he had by experience that in the east monsoon the north side of Ceram affords a prosperous voyage up, in the hope of being able to meet the orembaijs in good health at Sawaij. Upon this unexpected news, which caused me much concern, that our people will have been attacked and massacred by the Buginese, I immediately notified the mate Hogerscheijd

Dutch transcription

33: Van Amboina den 31: Maij 1764. die vermits worden zullen verdronken, zijn ter„ „wijl de overige manschap zig met swemmen heeft gesauveert, Daar na is de pantjalling de Honimoa na het aangetekende bij de gemeene brief van heden onder de scheeps materie den 17: april jongstl: voor de negorij Leijmoe gestaant uijtwijsens de onder de bijlaegen deses tot uw Hoog Edelens overgaande brie„ „ven van den vendrig gutthant en den stuurman Hoogerscheijd de aatis 20: en 23: der Evengeciteerde maand, BBij welk laastgem: letteren onder anderen ook consteert dat zij zig den 21: april, na op den overvoer herwaards van de van voorsz: pantjalling nog geborgene Equipagie en ammonitie goederen de nodige ordre gestelt te hebben, weder van dewal na boord van hun transport bodem /: de pantjalling de spi„ „on:/ begeven hebben met voornemen om hun cours te vervorderen dewijl zijt weer niet langer betrouwende om de reets alle dagen in die contrije doorwaeijende oostelijke winden vreesden met de orembaijen met boven ceram te zullen kunnen komen, en dat de expeditie daarvan geen effect zoude weesen, Ik flatteerde mij dus met een goed succes van de„ „se onderneming maar sag mij in die verwagting wel haast te leur gestelt, wanneer ik op den 12: maij door 1764 3e Meer Van Amboina den 31: Maij 1764. door den stuurman Hogerscheijd bij een brief van den 8: bevoorens geinformeert wierde dat den vendrig gut„ „thand zig den 23: April van boord begeven hadde na Hatoemetten om de negorij te visiteeren, en na dies ver„ „rigting des avonds weer aan boord gekomen zijnde, immediaat gereet had laten maken: 8: rembaijs, gemonteert met 12: draeij bassen item 15 schoten voor ieder, en 6: handgranaten met duijven op elk orembaij„ dezelve bemannende buijten de daar op geplaatse roeijers met 38: gewapende Europeesen, daar onder 1 vendrig 1 stuurman 1 sergeant 1 Corporaal, en 2 busschieters Dat hij daar mede des avonds van boord vertrok„ „ken was, met intentie om die nagt op Hatoemetten zijn verblijf te houden tot aanbreken van den dag, om dan na de negorij Batoeassang en Toba te gaan leg„ „gende alle drie circa maar een wijl van malkander na dat de„ „zelve alvorens met den stuurman Hogerscheijt afgespro„ „ken hadde, dat deze zig met de pantjalling den 24: dito kort voor de negorij Tobbo op zoude houden, om daar weder bij hem met de orembaijs aanboord te komen Dat gem: stuurman ingevolge die afspraak zig 35: Van Amboina den 31: Maij 1764. zig ook zedert den 23: tot den 29 april voor die nego„ zijn ^ en weder met zeijlen opgehouden, en somwijlen een over schaat gedaan maar geen orembaijs vernomen hadde. Dat hij stuurman zig intussen mits gebrek aan wa„ „ter Hatoemetten hebbende moeten begeven van den quartier„ „meester, bij zijn te rug komst van de wal met twee gevul„ „de vaten rapport ontfangen had, dat dese van den orang„ „kaij dier negorij verstaan hadde, dat die regent van de oren„ „baijs niet anders wist als dat de zelve volgens het zeggen van den vendrig gutthart op den 23: april alboven ceram waren Dat hij stuurman daarom ook goed gevonden hadde steren direct na ketfing te wenden of meerm: vendrig en den onstuur„ „man de klark sonwijlen, uijt vrees van met de oostelijke winden niet boven ceram te zullen kunnen komen, geresol„ „veert mogten hebben hunne reijs maar voort te zetten nademaal hij niet begrijpen konde, waar of de orembaijs anders zouden ge„ „blijven zijn dewijl het zedert den 3: tot den 8: Maart stil was ge„ „weest, en ze dus in zee niet wel een ongeluk konden gekregen hebben, ten ware dat dezelve bij de negorij Batoeasang alwaar een rivier is binnen welke zig alde smokkel vaartuijgen ophouden en veele Bougeneesen vergadert zijn, vijandelijk overrompelt mogten wesen, ver„ „mits meerm: stuurman altijd zo digt onder de wal geweest sijnde als hem doenlijk was geweest, geen gewag van geschut of schiet geweer gehoort heeft maar wel des avonds van de negorij Tobbo en Batoeasang het 164 3 aar Van Amboina den 31: Maij 1764. het klinken van het speelwark tot een teken van vreugde, en zo hij zegt, om hem uijt te looken, Voorts dat hij stuuuman wel een voornemen had om voor de negorij Tobbo ten anker te komen, en daar op een aan val te „doen, maar dat hij zulx egter niet hadde durven harardeeren om dat hij maar 17: koppen, daar onder drie inpotenten, stark was te meer dewijl die negorij op een hoge klip stond, en geen schae„ „de als met bomben toe te brengen was, Dat hij zedert den 29 ste april tot den 5: maij getragt had om aan cerams zuijd cust boven ketfing toekomen, dog te vergeefs, na demaal de ooste winden en sterke tegen stuomen hem zulx belit hadden, en dat hij daarom een korte resolutie genomen had om de steven weder westwaards te stellen na Amakeij, alwaar hij den 7: maij gearriveert is met intentie om van water voorsien wesende, den 9: dito direct langs de binnen cust van ceram zijn cours te vigten na Sawaeij, ven„ „nits hij bij onderwinding hadde, dat het in de oostmousson aan cerams noortkant een voorspoedige reijs na boven geeft inhope van de onembaijs in een goede welstand op sawaij te mogen ontmoeten, In heb op dese onverwagte, en bij mij veel bekom„ „mering baaende tijding, dat ons volk door de Boe„ „gineesen zal overvallen en gemassacreert zijn destuurman Hogerscheijd op stonds kennis

NL-HaNA_1.04.02_3124_0347 view scan ↗

English

From Amboina, the 31st of May 1764. Notice was given of the dispatch of the pantjalling De Sapparoua on the 3rd of May along the north coast of Ceram instead of the previously cited wrecked pantjalling De Honimoa, in order to seek out the Spion, and to deliver to it the rice and sago left behind here, with orders to continue its voyage to the north as quickly as possible, for the purpose of meeting up with the aforementioned pantjalling De Sapparoua, and turning their prows eastward together, to see if perhaps fortune would have it that the repeatedly mentioned ensign had gone thither and might be found there, although I fear the contrary and yet wish to hope for the best, because it appears somewhat incomprehensible that not a single man nor orembaai, each provided with at least twenty-odd rowers, should have escaped the danger, unless the officer, having placed too much trust in the orang kaya of Hatoemetten, might have been betrayed by him, since it now raises some speculation in my mind in hindsight that the orembaai of Hatoemetten, which among others along with that of Laimoe should have brought over hither the crew and goods of the stranded pantjalling De Honimoa according to the note in the cruisers' letter of the 20th of April, failed to appear, notwithstanding that the elder 1764 3 ea From Amboina, the 31st of May 1764. or subordinate village chief of Laimoe, named Lahala, has testified to me that pursuant to the orders of Ensign Gutthaut he waited four days for that vessel, but, as it did not appear on the fifth day, set sail away from there. Having brought this draft thus far, I receive from Sawaai by a note from the Ensigns Guthart and Gasling dated the 13th instant the pleasant news that the first-mentioned officer, together with the mate De Clerk, had arrived there on the 7th instant with 6 orembaais, transmitting to me at the same time an account of their experiences, which I have the honor to present herewith in copy beside this to Your Excellencies, citing however the most substantial points from it, which consist of the following: Ensign Guthaut, fearing that owing to the daily increasing easterly winds and the faint land winds blowing by night, and because the time was already so far advanced that he ought to have been at Keffing, he would not be able to get to windward if he lingered longer on the south coast of Ceram, and thus seeing no chance with the pantjalling De Spion to call at the remaining negorijs on that side, especially the negorij Ceijlor, resolved therefore to pull along the shore for three or four days with the 8 orembaais then still with him, and as much as possible From Amboina, the 31st of May 1764. to inspect the negorijs. Thereupon, on the 23rd of April, he went toward the shore, and at eight o'clock in the evening came to anchor east of the negorij Hatoemetten, which anchor he weighed again on the 24th instant at four o'clock in the morning, and pulled along the shore, arriving at daybreak before the negorij Batoeassang, where he landed, inspected the negorij and river without finding anything; subsequently returned on board, and set the course toward the reef of Toba, to the east of which he made landfall at ten or eleven o'clock, but had to leave there immediately because of the low water and because the beach was beset with many reefs, both under and above water, having then seen the pantjalling 2½ to 3 miles abeam of him at sea. Nevertheless, the aforementioned ensign rowed around the reef, and landed to the west of it, and inspected the river standing, but found nothing. Upon inspecting around this reef, it was seen that the passage to get onto it was very narrow, and moreover heavily garrisoned with people of all kinds of nations, being armed with swivel guns, muskets, and other native weapons, and further that the paths were also lined with heavy stones which hung so loosely and stood upon props that they could roll them down from above at the first movement, so that no attack could be made upon it without danger of 1764 3rd March From Amboina, the 31st of May 1764. losing many men. Therefore the repeatedly mentioned ensign resolved to go on board again, and to set the course to the east along the shore. He came to anchor at four o'clock before the negorij Kiscalauwt, landed there immediately, went to the negorij, and found trees thrown across the river, and the people of the negorij ready to defend themselves. They refused to undergo the inspection, but seeing that our men did their utmost to cross the river, they began to recoil; and our men made themselves masters of the pagger, inspected the houses, woods, and river, but finding nothing, they went on board again. On the 25th of April at three o'clock in the morning they weighed anchor, and sailed along the shore, coming to anchor at seven o'clock before the negorij Ceijlok, and immediately made a landing there. The natives refused to undergo the inspection, under the pretext that permission for that first had to be requested from the Radja of Quellemoegrij. Thereupon our men immediately launched one of the orembaais standing on the beach there and sent the mate De Clerk with 8 men across the river to take up a post; but being in the middle of the river, he was fired upon by those of Ceijlor with small arms, bows and arrows, and finally with swivel guns. This

Dutch transcription

Van Amboina den 31:' Maij 1764. — kennis gegeven van de depeche van de pantjalling de sappa„ „roua op den 3: maij langs de Noordcust van Ceram in stede van de voorwaarts geciteerde verongelukte pantjallang de Honi„ „moa om de spion op te zoeken, en daar aan over te gevende alhier agter latene rijst en zagoe met ordre om zijne reijsten spoedigsten voor te zetten om de Noord, ten fijne evengem: pun„ „tjalling de sapparoua op te lopen, en te samen de steven oostwaarts te wenden, of het geluk somwijlen wilde dat meerm: vendrig zig derwaarts begeven had, en aldaar mog„ „te worden aangetroffen, schoon ik voor het te tegendeel vees en evenwel het beste wil hopen, om dat het eenigsints on„ „begrijpelijk voorkomt, dat geen man, nog orembaij ie„ „der ten minsten voorzien van in de twintig roeijens den dans soude ontsprongen zijn ten ware dat den officier, te veel vertrouwen in den orangkaij van Ha„ toemetten gestelt hebbende, door desen mogte verraden „wesen nademaal het nu van agteren bij mij eenige„ speculatie baart, dat de orembaij van Hatoemetten de„ „welke met die van Laijmoe onder anderen ook, de man„ „schap en goederen van de gestrande pantjal„ „ling de Honimoa volgens het genoteerde bij de brief der kruijsers van den 20 april herw:s zoude hebben moeten over„ „brangen agter weege gebleven is, niet tegenstaande de oudste 1764 3 ea Van Amboina den 31: Maij 1764. of het ondergeschikte dorphoofd van Laijmoe, Lahala ge„ „naemt, mij betuijgt heeft dat hij ingevolge de ordre van „den vendrig gutthaut vier dagen na dat vaartuijge ge„ „wagt heeft, maar, den vijfden dag niet verscheijnende, dit heen onder zeijl gegaan is, Tot dus verre desen in concept gebragt hebbende erlang ik van Vawaeij bij een briefje van de vendrigs guthart en gasling de dato 13: hujes de aangename tijding, dat eerstgem: officier nevens den stuurman de Clerk met 6: orembaijs den 7: dito aldaar aangekomen was mij teffens oversendende een relaas van hun wedervaren't welk de eer heb in copia hier bezijden u Hoog Edelens aan te bieden onder aanhaling egter van het zakelijkste daar uijt, het geen hier in bestaet, De vendrig guthant, vreesende, dat hij mits de dage„ „lijks toenemende oostelijke en de bij nagt waeijende flauwe land winden, en om dat de tijd reets zo verre verlopen was dat hij op keffing hadde moeten wesen, bo„ „ven niet zoude kunnen komen, zo hij zig langer aan de zuijd Cust van ceram ophield, en dus geen kans ziende met de pantjalling de spion de nog resteerende negorij aan die zijde, voor nament„ „lijk de negorij Ceijlor, aan te doen, resolveerde dierhal„ „ven voor drie â vier dagen met de toen nog bij heb„ „bende 8: orembaijs onder de wal heen te scheppen en zo veel mogelijk Van Amboina den 31: Maij 1764. mogelijk de negorij te visiteeren ging daar op den 23: april na dewal, kwam des avonds te agtuur beoosten de negorij Hatoemetten ten anker 't welk hij den 24 d:o 's morgens te vier uur weder ligtede, en schepte onder de wal heen, komende met het aanbreken van den dag voor de negorij Batoeassang lande de hij daar visiteerde de negorij, en revier zonder iets te vinden; neerde vervolgens weder na boord, en stelde de cours na de klip van Toba, be„ „oosten van dewelke hij te tien of elf uur aanlande, maar moeste ten eersten van daar weder weg om het lage water en om dat de ptrand bezet was met veel klippen, zo wel on„ „der als boven water hebbende toen de pattjalling 2½ â 3 mijl dwaas van hem af in zee gezien, egter schepte voorm: vendrig de klip rond, en lande bewesten dezelve aan, en visiteer„ „de de revier staand, maar vond niets— Bij bezigtiging van dese klip in 't rond zag men dat de passagie om er op te komen heel nauw was, daar bij sterk bezet met volk van allerhande natien, gewe„ „pent zijnde met draeijbassen, snaphaanen, en andere in„ „landsche wapenen voorts ook de wegen bezet met swa„ „na steenen die zo las hingen en op stutten ston„ „den, dat ze die op de eerste beweging konden doen van boven rollen, so dat daar op geen attacque te doen was zonder gevaa„ van 1 64 3e Maar Van Amboina den 31: Maij 1764. — van veel volk te verliesen, daar om resolveerde meerm: ven„ „drig weder na boord te gaan, en langs de wal de Cours om de oostte stellen, dezelve kwam te vier uur voor de negorij kiscalauwt ten anker, lande aldaar te stont ging na de negorij, en vond bomen over de rivier geworven, en het negorijs volk klaar om zig te defendeeren het zelve weijgerde de visitatie te ondergaan, maar ziende dat ons volk haar best deed om over de revier te komen, begon het te deijnsjen; en de onse maakten zig meester van de pagger visiteerden de huijsen, bosschen en revier, maar niets vindende gingen ze weder na boord ligte den 25: ap„ „ril des morgens te drie uur het anker, en zeijlden langs de wal kwamen te zeven uur voor de negorij Ceijlok te anker, en deeden terstond daar een landing, De jnlanders weijgerden de visitatie te ondergaan, on„ „den voorgeven dat daar toe eerst bij den Radja van quellemoegrij permissie moest verzogt worden, Daar op bragten de onse ten eersten een van de al„ daar opstrand staande orembaijs te water en sonder den stuurman de Clerk met 8: man over de revier om post te vatten; maar deese, midden in de re„ „vier zijn de, wierd door die van Ceijlor beschoten met hand geweer pijl en boogen, en het laast met rantakken Dit

NL-HaNA_1.04.02_3124_0351 view scan ↗

English

41: From Amboina, the 31st of May 1764. Our men answered this with small arms fire, but as a party of our men had crossed the river, the fire became general in three places. However, our men furiously pressed upon the enemy, beat him back, and made themselves masters of the settlement. Then they immediately proceeded to inspect it and found in all the houses, and in many storehouses, as Ensign Guthaat expresses it, bags of cloves, and in the river cloves floating hands thick, which had been dumped. They also found in the river a new iron six-pounder cannon which, having been raised and spiked, was thrown back into it, because it could not be carried away. Item, in an orembai some ammunition and bulies, or rather bamboos, of gunpowder and a few bags of cloves, furthermore also 170 to 180 Chinese or Javanese cast bullets of 1/2 pound caliber, 140 to 150 bullets of beaten lead of 1/4 lb, along with another 150 to 160 musket balls cast from tin. The people of Ceijlor attacked our men two more times at two places simultaneously, but were repulsed. In the meantime an Ambonese slave from the settlement of Mamale came deserting to Ensign Guthart, recounting that very far inland in the river four paduakans were lying, each manned by 16 to 18 heads, adding that the No. 64 3rd From Amboina, the 31st of May 1764. the people of those vessels and of the settlement had made a separate house far inland for the storage of the cloves, but that the place was unknown to him. Meanwhile the east wind increased to such an extent that Ensign Guthart could no longer remain there without running the risk of losing some of the orembaais against the beach. Thereupon he resolved to proceed further, set fire to the settlement and the cloves that he could not salvage, and likewise burned the standing chiampangs and the vessels lying underneath them. After which he sailed away from the shore and westward to search for the pantjalling if possible, but not finding it on the 26th of April, and presuming that because for two nights the land wind had blown strongly and the current at night had likewise run strongly to the east, and particularly because the monsoon was so far spent, it had taken the opportunity to get above Kessing, the said officer resolved to follow it without delay. He then set sail in the evening at seven o'clock from off Kissalauwt, where he lay at anchor, with a fresh land wind and ran along the coast. On the 27th of April at sunrise, he saw Paulo Gaffa 2 miles away from him and was close off the settlement of Battoelomi at eight o'clock, but owing to the rainy weather could not make a landing there. The 43: From Amboina, the 31st of May 1764. The people of the settlement, upon his approach, themselves set fire to some vessels standing on the shore and lying in the river, and challenged our men by discharging their muskets and shooting arrows into the water. But as the rain, as said, was too heavy to effect a landing, Ensign Guthaert departed from there at ten o'clock and set course for the settlement of Enna Enna, which was abandoned by the people upon the landing and inspected by our men, but nothing was found in the houses or the woods. At twelve o'clock the aforesaid ensign set sail again for the settlement of Quamoer, arrived there at two o'clock, but could make no landing because of the low water and the strongly prevailing east winds and oncoming swell from the southeast. He therefore continued his course along the reef in order, if possible, to pass through the Koffing passage, which he passed in the evening at eight o'clock, came to anchor between Poulo Gisser and Ceram Lauwt at ten to eleven o'clock with all 8 orembaais, and was on the 28th of April at sunrise welcomed by the two Orang Kayas of Poulo Gisser coming aboard, bringing with them a native freeman of Banda who had a valid pass from there. These Orang Kayas related that the heavy war which 64 3rd From Amboina, the 31st of May 1764. which they had had last year with those of Netting and Ceram Laut still continued, possibly, if such had been feasible, to lull Ensign Guthaat to sleep, as will appear from what follows. The said ensign thereupon requested them to send a small orembai with a letter to Laijmoe to the pantjalling De Spion, or to the place where it might be found, which they promised. That letter was delivered to the Orang Kaya in the afternoon, and with it that little orembai departed in the evening. In the afternoon the repeatedly mentioned officer landed there, but found the island destitute of people and the houses empty, though with many Company powder barrels. On the 29th and 30th of April the orembaais were cleaned, caulked, and water and firewood were collected, and even brought on board by the Orang Kayas. On the 1st of May in the afternoon at three o'clock, a large orembai came around the corner of Ceram Lauwt, wherefore our men weighed anchor and trapped that vessel on the reef. It carried a Prince's flag from the top and a double ditto at the stern, and did its best to get over the reef. Our men thereupon fired a shot, but it nonetheless made for the shore, though seeing that it could not escape

Dutch transcription

41: Van Amboina den 31: Maij 1764. Dit beantwoordeden de onze uijt het hantgeweer maar, een „anthij van ons volk over de revier zijnde, wierdt het vuur algemeen aan drie plaatsen dog de onse drongen furieus op den vijand in sloegen hem te rug, en werden meester van de negorij, toen ging men ter stond aan 't visiteeren en vond in alle huijsen, en in veele rompe rompe (zo als de vendrig guthaat zig uijtdrukt, zakken met nagulen en in de revier de nagulen handen dik drijven, dewel„ „ke gestort waeren, Ook deed men in de revier op een nieuwe ijser ses ponder canon 't welk geligt en vermagelt zijnde daar weder is ingeworpen, om dat men het niet konde mede voeren, Item in een ovembaij eenige ammonitie en boelies (of net bamboesen, kruijt en een paarzak met nagulen, voorts ook 170 â 180 Chinees of javaanse gegotene kogels van ½ ed: caliber 140 â 150 kogels van geslagen loot van ¼ lb: met nog 150 â 160 snaphaan kogels van thin gegaten, Het volk van ceijlor attacqueerde de onse nog twee malen aan twee plaatsen tegelijk, maar wierd gerepausseert; on„ dertussen kwam een ambonse slaaf van de negorij Mamale bij den vendrig guthart overlopen, verhalende dat heel ver bosch„ „waart in de revier op vier paduakans lagen, ieder bemand met 16: â 18: koppen, met bijvoegin dat het No. 64 3 de Van Amboina den 31:' Maij 1764. het volk van die vaartuijgen en van de negorij een apart huijs tot berging den nagulen verboschwaarts ingemaakt hadden, maar dat hem de plaats onbekent was, — Middelerwijlen nam de ooste wind zodanig toe dat de vendrig guthart daar niet langer blijven konde zouden gevaar te lopen van eenige der orembaijen tegens de strand te zullen verliesen daar besloot hij verder op te gaan stak de negorij en nagulen die hij met bergen konde in brand, en verbrandde mede de opstaand staande chiam„ „pangs, en de daar onder leggende vaartuijgen; waar na hij van de wal en westwaarts heen zeijlde om de pantjal„ „ling des mogelijk op te zoeken, maar die den„ 26: April niet vindende, en presumeerde dat die ver„ „miets twee nagten de land wind sterk gewaeijt en de stroom snagts mede sterk om de oost gelopen had, en wel voornamentlijk om dat de mousson zo ver verlopen was de occasie waargenomen had om boven kessing te komen, besloot gem: officier om dezelve maar ten eer„ „sten te volgen ging toen de s avonds te seven uur van voor kissalauwt, alwaar geankert lag met een frisse land wind onder zeijl en liep langs de wal sagden 27: April met sons opgang Paulo gaffa 2: mijl ver van sig en was te agt uur digt voor de negorij Battoelomi, maar konde mits het Regenagtig weer aldaar niet landen, de 43: Van Amboina den 31: Maij 1764. De negorijs volkeren staken bij zijne aannadering zelve eenige op de wal staande, en in de nevicr leggende vaartuijgen in brand, en daagden de onse uijt met het los branden haaer snaphanen, en 't schieten van pijlen in het water dog nadien de regen, zo als gezegt te swaar was om een landing te kunnen doen, vertrok de vendrig guthaert te tien uur van daar, en stelde de cours na de negorij Enna Enna dewelke door het volk bij het lan„ „den verlaten en door de onse gevisiteert, maar niets in de huijsen af het bosch gevonden wierd, Te twaalf uur ging voorsz: vendrig weder onder zeijl na de negorij quamoer, kwam te twee uur daar maar van de er geen landing doen om de wille van het lage water en de sterk doordringende ooste winden en aan„ „vollende dijning uijt het zuijd oosten vervolgde daar„ Cours „m zijn langs het rif, om des mooglijk het gat koffing door te scheppen, 't welk hij des avonds te agtuur tussen passeerde kwam te tien â elf uur ^ Poulo gisser en ceram Lauwt ten anker met alle 8: orembaijs, en wierd den, 28: april met sons opgang: door de twee aan boord komende orangkaijs van Poulo gisser verwelkomt, mede bren„ „gende een jnlands vrijman van Banda, dewelke een goede pas van daer hadde, hebbende dese orangkaijen verhaalt, dat de sware oorlog„ die 64 3 dee Van Amboina den 31:' Maij 1764. — die zij voorleden jaar met die van netting en ceram Laut gehad hadden nog duurde mogelijk om, in dien zulks doen„ „lijk ware geweest, den vendrig guthaat in slaap te wiegen „gelijk uijt het vervolg blijken zal, gem: vendrig verkogt daar op van hen om een kleijne orembaij met een brief na Laijmoe aan de pantjalling de spion of ter plaats, waar die te vinden mogte wesen te wil„ „len senden 't geen zij beloofden, die brief wierd des nademiddags aan de orangkaij afgegeven en daar mede vertrok dat orem„ „baijtje des avonds in de nademiddag landde meerm: offi„ „cier aldaar, maar vond het Eijland ontbloot van volk en de huijsen ledig, dog veel Comp:s kruijtvaten, den 2303 April wierden de membaijs schoon gemaakt, gecal„ „faat, en water en brandhout gehaalt en zelfs ook door de orangkaijs aanboord gebragt, 1: Maij kwam inde nademiddag te drie uur een groote orembaij om de hoek van ceram Lauwt waarom de onse het anker ligteden, en dat vaartuijg op het rif deeden bezetten het zelve voerde van de top een prinse vlagt en een dubbelde dito aan de stote, deed zijn best om over het rif te komen, De onse deeden daar op een schaat, maar ging des niet te min na de wal, dog ziende, dat het niet ontlopen konde

← previousnext →