Inventory 3124
Surat · 838 pages · 151 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Amboina, the 31st of May 1764: could, came from the shore to them on that vessel and was the Radja of Ceram Laut with his people, who, being asked who he was, said to be the Radja of Quellelemoerij, but the mate De Clerk, convincing him that he was from Ceram Laut, he finally confessed as much. Our men went to anchor in the bay of Ceram Laut, sending some armed men ashore, inspecting the settlement and woods, but found everything empty, but in the houses and under them a multitude of Company gunpowder barrels of 50 to 100 lb, mostly new, though without powder. On the 3rd of May, at the break of day, Ensign Guthant had the mate De Clerk round the aforesaid island of Ceram Laut with 3 orembaais, who returned at one o'clock, but no sooner had the said Guthant passed the fourth point counted from the bay than he saw 70 to 80 vessels anchored close to the shore in a large and deep bay, which, seeing that his sail remained up and he was approaching them, scattered and took flight, passing together through the strait of Ceram Laut and the islands of Goram, and then again separating from one another, one part setting course between the islands and Goram, and 3rd of May 1764 From Amboina, the 31st of May 1764. A party ran along the shore of Ceram Laut, being pursued by Ensign Guthant as hard as he could. Corporal Garno got a small junk within range, fired upon it, and the people jumped overboard, so that he became master of it and took it in tow. However, Ensign Guthant, unable to get any more within his reach, finally arrived in a bay where many vessels lay against the shore, joined by the other fugitives. The orangkaya of Poulo Gisser came aboard our vessel, who, upon the question put to him as to what vessels those were and why they were fleeing, since no hostility had been shown to them, answered that those vessels were from Poulo Gisser and that their women and children were on board, who were afraid of Europeans. Ensign Guthant then asking what vessel it was that had just been captured, he replied that it belonged to those of Ceram Laut. Thereupon the said officer anchored before those vessels, numbering 41, and went thither with 6 soldiers to inspect them, but could not do so well because they were filled up to the roof with chests and small baskets. Therefore he wished to transfer a quantity of goods into another vessel in the presence of the orangkaya and of the people standing on the beach, From Amboina, the 31st of May 1764. people, but those from the shore opposed this under the pretext that they did not want their goods damaged. Therefore Ensign Guthant deemed it most advisable to go aboard, weigh anchor, and take the captured vessel along in tow. In which vessel, upon inspection, were found bags and baskets full of long nutmegs, and some mace with some cloves. The Radja and the people of Ceram Laut, being asked if that was their vessel, answered no, and thereupon it was hauled high up and burned. The frequently mentioned Ensign weighed anchor on the 4th of May in the morning at four o'clock, set course for Poulo Keffing, landed there at the break of day, and found that the natives had all fled into the mangrove forest, though at the fourth settlement there was still an orembaai with people, among them 10 and 12 with muskets. The mate De Clerck having called out to them not to be afraid, but that they should just come ashore, instead of doing so, the people of the orembaai fired upon our men and did their best to go deeper into the mangroves. Meanwhile, our men also fired upon them as far as they were within reach. The 1764 3rd of May From Amboina, the 31st of May 1764. The houses were also inspected here, but apart from many empty Company gunpowder barrels, of which most were still new, nothing was found. Before the landing, the orangkaya of Raaastit came aboard our vessel, and at eleven o'clock Ensign Guthant weighed his anchor and dropped it again between Poulo Gisser and Ceram Laut, from which first-mentioned place the orangkaya came to him at five o'clock, saying he was going to Oerang to fetch the orembaai that had departed with the aforementioned letter, adding that he was afraid to come to our men because of the people of the orembaais of Keffing, but that he would bring the letter, or the answer to it, early the next day. Nothing came of this promise, as Ensign Guthant on the 5th of May in the morning at four o'clock made ready to get under sail, and at half past four sent an orang tua or elder ashore to fetch that letter, who, upon his approach seeing a multitude of armed people there, returned immediately, but he was not yet on board before our men received a hail of bullets from swivel guns and muskets from the shore through their orembaais, which was followed shortly thereafter
Dutch transcription
45: Van Amboina den 31: Maij 1764: konde, kwam van dewal bij hen op dat vaartuijgen was de Radja van ceram Lauwt met zijn volk, die gevragt zijnde wie hij was, zeijde te wesen de Radja van quelle„ lemoerij, maar de stuurman de Clerk den selven overtuij„ „gende dat hij van ceram Laut was bekende hij zulx ten laa„ De onse gingen in de bogt van ceram sauwt ten anker leggen eenig gewapent volk aan de wal, visiteer„ „dende negorij en bosschen dog vonden alles leedig, maar in de huijsen en onder dezelve een menigte Comp„s kruijt„ „vatens van 50: â 100 lb: de meeste nieuwe edog sonder kruijt, den 3: meij deed de vendrig guthant met het aanbree„ „ken van den dag den stuurman de Clerk met 3: ouem„ schippen „baijs het voorsz: Eijland ceram Laut rond, dewelke te een uur te rug kwam, maar zodra was gem: guthant de vierde hoek van de bogt af gerekent niet gepasseert of hij zog in een groote en diepe bogt ten ankerleggen wal 70: â 80: vaartuijgen, de welke ziende, dat desselfs zeijl bleef staan„ en hij na haar toekwam, zig verstrooijden en de vlugt naamen, gaande te zamen het gat van ceram Lauwt ende Eijlanden van goram door, en toen weer uijt malkan„ Een zettende cours tussen de Eijlanden en ge„ „ram, en len „sten, „der 3e Maar 1764 Van Amboina den 31: Maij 1764. En parthij liep langs de wal van ceram Laut, werdende door den vendrig gutthaat gevolgt, zo hert hij konde, de corporaal garno kreegen een klijne jonk ander schoot, gaf daar op vuur en 't volk sprong over boord zo dat hij meester daar van wierd en deselve op sleep touw medenam, Maar de vendrig guthant geen meer onder zijn bereijk kun„ „nende krijgen, kwam eijndelijk in een bogt daar veele vaan„ tegen de wal lagen, bij dewelke zig de andere vlugtelingen voegden de orangkaij van Poulo gisser kwam bij de on„ „se aanboord, die op de hem gedane vraag, welke vaar„ „tuijgen dat waren, en waarom dat dezelve vlugte den, nademaal men haar geen vijandschap betoont hadde antwoorde, dat die vaartuijgen van Poulo gisser waren, en dat haar vrouw en kinderen sig op dezel„ „ve bevonden, die bang voor Europeesen waren, De vendrig guthaat vervolgens vragende wat vaar„ „tuijg het was dat zo even genomen was repliceerde hij dat het aandie van ceram sant behoorde, Daar op ging gem: officier voor die vaartuigen ten getalle van 41: ten anker leggen, en met 6: soldaten derwaarts om ze visiteeren dog konde zulx niet wel doen, om datze tot onder het dak toe met kisten en tampatjes opgevult waren, daarom wilde hij een paathij goed in een ander vaarthuijg overwer„ „pen in praesentie van den nangkaij en van het op strand staande volk 47: Van Amboina den 31: Maij 1764. volk, maar die van de wal kanteden zig daar tegens, preetext dat bij hare goederen niet geschonden wilden hebben, dierhalven oordeelde de vendrig guthaat het raadsaams't na boord te gaan het anker te ligten, en het genomen vaartuijg op sleeptouw mede te neemen, In welk vaartuijg bij visitatie gevonden wierden zakken en tampatjes val met mannetjes noten, en eenige foelij met wat nagulen de Radja en het volk van Ceram Laut gevraagt zijnde of dat hun vaartuijg was antwoord den neen, en daar op heeft men het hoog opstaand gehaalt en doen verbaanden, Meerm: vendrig ligte deden 4 maij des morgens te vier uur het anker zette„ „de de cours op Poulo keffing aan, landdede aldaar met het aanbreken van den dag, en vondt de ijnleen„ „ders alle na 't mangemange bosch gevulgt, edog bij de vierde negorij nog een orembaij met volk, daar onder 10: en 12: met snaphanen, hebbende de stuurman de clerck hen toegeroepen niet bang te weesen maar dat „e maar aan de wal zouden komen instede van zulx te doen gaf het volk van de orem„ „baij vuur op de onse en deed hun best om diepen in de mange mange te gaan, onder„ „tussen vuurden de onse mede op hen zo ver zo te beneijken waren, De 1764 3 aar Van Amboina den 31: Maij 1764. De huijsen wierden hier mede gevisiteert maar behalven veele ledige Comp: kruijtvatten daar van de meeste nog het nieuwwaren niets gevonden, voor het landen kwam de oranghaij van Raaastit bij de onse aan boord, en te Elf uur ligte de vendrig guthaat zijn anker en liet net weder vallentussen Poulo gisser en ceram Laut, van welk eerstgem: plaats de orangkaij te vijf uur bij hem kwam, zeggende na oerang te gaan om de orangbaijte halen, die niet de voorwaarts vermelde brief vertrokken was, voe„ „gende daar bij dat t bange was bij de onse te komen voor het volk van de orembaijs van ketfing maer dat hij de brief, of het antwoort daar op, des anderendaags vroeg brengen zoude, Van dese belofte viel niets, also de vendrig guthant den 5 Maij des morgens te vier uur nlarigheijd ma„ „kende om ander zeijl te gaan, te half vijf een vang„ „totia of oudste na de wal zond om die brief te halen, de„ „welke bij zijne aannadering daar een menigte gepapend volk ziende, ten eersten te rug kwam, maar dezelve was nog niet aan boord of de onse kregen uijt rantakken en snaphanen een hangelbuij van nogels uijt de wal door haare orembaijs die kort daar opgevolgt wierde
English
49: From Amboina the 31st of May 1763. was by another consisting of 30 to 40 orembaijs and larger vessels, which, being armed with 3 to 4 large rantakas and a multitude of muskets, came from the corner of Poulo gisser and blocked ours from the front, But no sooner had our orembaijs raised their anchors and some cut their ropes to pieces, than they also set their sails, firing occasionally with the swivel guns and small arms at the shore and occasionally at the vessels pressing hard upon them, through which the seven of them successfully fought their way; but having passed through, the orembaij of the negorij oering, on which Sergeant wonderling was with 4 soldiers, did its best with rowing and sailing and got so far ahead that its hull was barely visible, being followed by the orembaijs of the negorijs cabauw with 4 military men and 1 gunner, of wackasieuw with 4 military men, and of Toelehoe with 3 military men, but that of the negorij Lima waited for Ensign guthart without being able to help him since it had no swivel guns and had to withdraw from the fight, The orembaij of the negorij Laricque was undermanned, because half had jumped overboard and swam to shore and therefore could not easily follow, 1764 3rd part From Amboina the 31st of May 1764. — follow, yet they seconded one another; but the breeze weakened, and the enemy pressed in on them from all sides, doubling their force with fire from rantakas and muskets, and approached closely. The fire grew fierce; those of the orembaij of the negorij Laricque defended themselves bravely with their swivel guns and small arms; but the rowers ran away from the oars, the wind dropped, the orembaij fell into the wind, and the sail fell against the mast, so that the orembaij was disabled, and thus was boarded by 4 vessels at once, and the gunner with the soldiers, who bravely defended themselves to the last minute with the swivel guns and small arms, were overwhelmed, After this, the enemy pressed with all their might upon Ensign guthaat, which latter under constant fire from both sides sailed behind the fleet after the orembaij of the negorij Lima, because it was not the best at rowing and was beginning to fall behind, having two wounded, and thus the aforementioned officer supported the same, forcing two enemy orembaijs, which were the closest, to fall back, but meeting with a calm once again, the enemy bore down upon them once more with 6 orembaijs, or 51: From Amboina the 31st of May 1764. wherefore the often mentioned Ensign fired some musket shots at our orembaijs to make them wait, but in vain, as each did his best to escape, The one from the negorij Lima fell behind again, and the Cerammers pressed hard upon it, but it was supported by the frequently mentioned officer who fell back for that purpose, The enemy, seeing that he was not followed as closely by his comrades as was necessary, then braced around, and went about, and the orembaijs that had run ahead also waited at that time for Ensign guthaert again, and made a report of their dead, wounded, and missing, consisting of of orembaijs of the negorij Asseloeloe in: 5 Company servants, 30 Ambonese Lima: 1 Company servant, 5 Ambonese Oering: 3 Company servants, 5 Ambonese Cabauw: 5 Ambonese wackasieuw: 5 Ambonese Toelehoe: 1 Company servant Caijlolo: [illegible] Laricque: 5 Company servants, 22 Ambonese or together 4: [illegible] 62: 6: 3rd part 1764 From Amboina the 31st of May 1764. — The Europeans of the four orembaijs that had fled from the battle, being asked the reason for it, said unanimously that they had not been able to make the Ambonese stop rowing, and would indeed have used force to do so, had they not stood ready to jump overboard, which Ensign guthart says he had to believe, because his orembaij likewise had its hands full with all men to stop the Ambonese from rowing, After all this, Ensign guthaat (finding that the loss, besides two full orembaijs, consisted In dead 1 European 1 Ambonese soldier In wounded 4 Europeans, among whom himself with 4 grazing shots 2 native soldiers 3 Ambonese) took the resolution to go directly to sawaij, in order to have the wounded bandaged and to fetch provisions, passed Raarhit at four o'clock in the evening, and on the 6th of May at ten in the morning passed little Hottij, in the evening encountered some heavy seas from the northeast with rain showers, for which reason he had to come to anchor in a bay, missed the orembaij of Cabauw, and on the 7th of May at nine o'clock in the evening came to anchor before the post sawaij, where
Dutch transcription
49: Van Amboina den 31:' Maij 1763. wierde van een dito uijt 30: â 40: orembaijen en grotere vaar„ „tuijgen, die, met 3: â 4: grote rantokken en een menigte snap„ „hanen gewapent zijnde, van de hoek van Poulo gisser kwa„ „men ende onse van voren bezetheden, Maar onse orembaijen hadden zodra hun anker niet geligt en zommige hare touwen stukken gesneden, of zette„ „den ook hare zeijlen bij, gevende met de bassen en het hand geweir somwijlen vuur op de wal en somwijlen op de sterk op haar in dringende vaartuijgen, door dewelke zij met hen seve„ „nen zig gelukkig doorsloegen; maar het uit gepasseert sijn„ „de deed de orembaij van de negorij oering, daar de sergeant wonderling met 4: soldaten op was, haar best met roeijen en zeijlen en raakte zo van voor uijt dat dies hal, „pas te zien was, werdende gevolgt van de orembaijen van de negorijen cabauw met 4: militairen en 1: bosschie„ „ter van wackasieuw met 4: militairen en van Toelehoe met 3: militairen, maar die van de negorij Lima wagtede den Vendrig guthart in zonder hem te kunnen helpen vermits geen draeij bossen hadde en moeste uijt het gevegt, De orembaij van de negorij Laricque was zwak van volk, dewijl de helft over boord geprongen en aan de wal geswommen was en konde daarom met wel volgen 1764 3e Maar Van Amboina den 31: Maij 1764. — volgen, dog secondeerden elkander; maar de koette verflauw „de, en de vijand drong van alle nanten op hen in verdub„ belde zijne kragt met schieten uijt rantakken en snaphanen, en na derde niet mogt Het vuur wierd scherp, die van de orembaij van de negorij Laricque defendeerden zig dappen met hare draeijbas„ „sen het nand geween; maar de roeijers liepen van de daij„ „ongs (of niemen / weg de wind verflauwde de orembaij raakte door de wind, en het zeijl viel tegen de mast, so dat de orembaij in onmagt raakte, en zo. door 4: vaar„ „tuijgen te gelijk geenteert wierd, en de boschieter met de soldaten, die zig nog met de draeijbassen en het hand geweer tot de laaste minut toe man moedig hebben gedefendeert over meestert, Heer na drong de vijand met alle magt op den vendrig guthaat in welk laaste onder een ge„ „stadig vuur van weers kanten agter de vloot na de orembaij van de negorij Lima zond, wijl die de beste niet met roeijen was, en agter uijt begon te sakken, hebbende twee gequetsten en dus se„ „condeerde voorm: officier dezelve, dwingende twee vijandelijke orembaijs, die de naaste waren, ag„ „ten uijt te deijnsen, maar weder stilte krijgende kwam de vijand andermaal met 6: orembaijs op hen of 51: Van Amboina den 31: Maij 1764. of weshalven meerm: vendrig op onse orembaijen eenige snaphaan schoten deede om hen in te wagten, dog te vergeefs, alzo ieder zijn best deede om te ontkomen, Die van de negorij Lima zakte weder agter uijt, en de cerammers drongen sterk op dezelve aan dog wierd door dikgem: officier welke daarom na agteren deijnsde, gesecondeert, De vijand ziende, dat hij van zijne maat zo haad niet gevolgt weerde als wel nodig was, braste toen of, enging ovenstuur en de orembaijan, die voor uijtgelopen waren wagleeden te dier tijd mede den vendrig quthaert weder in, en dieden Rapport van hunne gequetsten en vermisten, boestaende dooden, van orembaijs van de nagonij s: Comp„s dien Aspeloeloe in-. h ambonees dim.a. . . . : Comp„s din„ s ambonees - - - - - - - - - - - - - - - - - - :s comp„s dien„e Oering- -- sambonees Cabauw s: ambonees - - - - - - - - - - - - wackasieuw s: ambonees - Toelehoe. 1: Comp: diemaan. - Caijlolo - - - - - - - - - - - -- Laricque of te zamen 4: - – – - - - - - - 5 Comp„s dienaar 230 amboneesen 5 Comp„s dienaan {22 amboneesen De . . .- - . . . . . . . . . . . . – – – – – – – – – – - – - - 62: 6: 3 maar 1764 Van Amboina den 31 Maij 1764. — De Europeesen van de vier uijt het gevegt gelopene orembaijen na de reden van dien gevraegt wesende heijden een parig, dat zij de amboineesen niet met roeijen hadden kunnen doen uijtscheij„ E „den, en wel geweld daar toe zouden gebruijkt hebben, so ze niet gereet hadden gestaan om overboord te springen, het geen de vendrig quthant zegt te hebben moeten geloven, om aat 't zijne orembaij mede met alle man werk hadde gehad om de amboneesen van 't roeijen afte brengen, Na dit alles nam de vendrig guthaat (bevindende dat het verlies buijten twee volle orembaijs bestond In dooden 1: Europees. 1: ambonees soldaat In gequetsten 4: Europeesen daar onder hij zelfs met 4: schaam schoten 2: Inlandsche soldaten 3: amboneesen, de resolutie om direct na sawaijte gaan, ten fine de ge„ „quetsten te laten verbinden, en provisie te halen, passeerde s avonds te vier uur Raarhit, en den 6: maij 'Smorgans ten tien kleijn Hottij kreeg 's avonds eenige sware baren tijt het noord oosten met regen buijen, waarom hij in een bogt ten an„ ken moeste komen vermiste de ouembaij van Cabauw en kwam den 7: Maij des avonds te negen uur voor de post sawaijten anker alwaar
English
From Amboina, the 31st of May 1764. where later also appeared the pantchiallangs Sapparoua and De Liefde, with which the Ensigns Quthant and Gosseling intend to sail together to Polo Gisser and Ceram Laut, to take reprisals for the encounter, or (to use their own words) to set all matters on an even footing again. In order not to detain Your Right Honorables with a tedious account regarding the depredations of the Papuan pirates, who have shown themselves at sea in a number of well over 100 kora-koras, I will take the liberty merely to refer you to the letters forwarded among the general papers from the chiefs of Sapparoua, Hila, Haroeko, Laricque, Bouro, and Manipa from the month of November 1763. From these, and especially from those of Haroeko and Manipa of the 10th and 13th of December following, may be seen the incursions which they made on those outposts and their subordinate settlements, and what resistance was offered to them, as well as by the separate resolution of the 25th of January of this year, how much the damage amounts to which they inflicted on Haroeko. Meanwhile, I further consider it my duty to bring to the honored knowledge of Your Right 1764 3rd volume From Amboina, the 31st of May 1764. Right Honorables that the postholder of Sawaij, Dirk Christoffels, communicated to me in a brief letter of the 13th of May last that he was warned by two natives of Hottij, who arrived there with the orangkay of Hatilen, that the Papuan captain of the island of Roemasoal was busy preparing a fleet of eighty kora-koras with the intention of attacking that post at the first opportunity, so that it is very fortunate that our cruising vessels are currently located in the waterways thereabouts. Furthermore, with regard to Your Right Honorables' esteemed authorization to be permitted, if necessary, to pay 15 rixdollars per head for the ransoming of the people abducted by that rabble and sold as slaves on the coast of Ceram, provided that the ransomed persons together with their friends are charged for this, so that it may be gradually repaid by them to the Company; noting in this matter that I, subject to correction, am of the opinion that it would be better if no ransom were paid for all such abducted people, at least as far as they are not Christians, both because it now serves as a source of revenue for From Amboina, the 31st of May 1764. for the Papuans and Ceramers, and because the latter, seeing that they are deprived of this means of subsistence, will very likely no longer be so eager to purchase them; besides that there is little hope that the Company will ever, or at least very seldom, recover any of that advanced money, as Bouro provides an example thereof concerning the 635 guilders and 8 stivers charged thither in the past year, which were spent on the redemption of various Bouronese and Amblauwers sold as slaves, since according to a letter from the outgoing Resident Cruijpenning of the 24th of March, nothing of this has yet been collected, because they are all destitute and unable to pay, so that this item will again remain at the Company's expense, and with the continuation of the payment of such ransoms it must notoriously increase even more, which by no means suits them at a time when one seeks so much to practice economy everywhere. Pursuant to the highly esteemed order of Your Right Honorables, contained in your aforementioned separate missive of the ultimate of December 1763, appended hereto is a signal letter of the flags that will be flown in the coming year 1764 3rd volume From Amboina, the 31st of May 1764. year 1765 upon the arrival of the ships expected from Batavia, from the corner of Alang, and on the other hand by the ships approaching in its vicinity, for recognition; while it shall also be observed to submit an account thereof annually to Your Right Honorables. Concerning the foreign nations, I have the honor to present in original to Your Right Honorables an English letter which Commander Watson wrote on the 15th of January of this year from Sawaeij to the interim commander De Willeneuve, to communicate his arrival there on the 10th of the same month with the ship the Revenge, as he alleges for want of water and on account of the multitude of his sick, and that on the same day he set sail for the Manilhas, Island of Luconia. Meanwhile, that officer had stated to the sergeant postholder Dirk Christoffels that he had already been eight months on the way from Bombay, without, however, saying that he had called at Batavia in the meantime in the month of December, which I wrote on the 17th of February to the Resident of Manipa, Hendrik Knop, under whose jurisdiction the post of Sawaeij on the north coast of Ceram falls, and informed him that I was of From Amboina, the 31st of May 1764. of the opinion that the said commander may well have intended something else with that visit, and that the aforementioned sergeant would therefore not have done amiss to protest against his coming ashore, as it appeared to me that this had occurred, notwithstanding the standing orders that have long been issued and are even given to the cruising vessels, of which I have sent him a copy so that he can make use of the same when occasions arise. The repeatedly mentioned English Commander Watson has also put ashore at Sawaeij the Chinese Gan Soanko, an inhabitant of Siam, whom he had taken along from the latitude of Palembang and kept in irons in the roadstead of Batavia during his stay there, without paying this Chinese for the rice and pigs he had bought from him, as appears more fully from the account which the said Chinese gave in this regard on the 9th of February last here at the secretariat, which is accompanying this in copy, along with another account from the gunner Evert 1764 3rd volume
Dutch transcription
53: Van Amboina den 31: Maij 1764. alwaar naderhand ook verschienen zijn de pantjallingsde Sapparoua, en de liefde, met dewelke de vendrigs quthant en gosseling voornemens zijn geconjungeert te stevenen na Polo gisser en ceram Laut, om represaille over de ontmoe„ „ting & daarte neemen of (:dat ik mij bediene van hare woorden: / om alle de zaken weder op een effene voet te stellen Om uw Hoog Edelens met geen langdradig verhaal wegens de strooperijen van de Papouse roovers, dewelke met een getal van ruijm soo korre kouren sig in zee ver„ „toont hebben, op te houden sal ik de vrijheijd neemen depel„ „ve maar over te wijsen tot de onder de gemeene papieren over„ „gaande brieven van de opperhoofden van sapparoua hila, haroeko Laricque, bouro, en Manipa van de maand 9ber: 1763: waar uijt en besonder uijt die van haroeko en Manipa van den 10: en 13: xber: daar aan, te sien sijn de in vasien, Die sij op die comptoiren en derselver onder hoorige negorij„ „en gedaan hebben, en wat resistentie hen geboo„ „den is gelijk ook bij de aparte resolutie van den 25: januarij deeses jaars hoeveel de schade bedragt, die zij op haroeko gedaan hebben terwijl ik mij verders verpligt rgte ter g'eerde kennis van uw hoog 1764 3e eer Van Amboina den 31 Maij 1764. Hoog Edelens te brengen dat de posthouder van sawaij Dirk Christoffels mij bij een briefje van den 13 Maij passato heeft gecomminiceert dat hij door twee jnlanders van Hottij, met den orangkaij van Hatilen daar gekomen ge„ „waar schouwt was, dat de papouse Capi„ „tain van 't Eijland Roemasoal bezig was met een vloot van tachentig koure korren klaar te ma„ „ken met de eerste gelegentheijd die post te willen aan„ „doen, zo dat het seer wel komt dat onse kruijsens zig tegenwoordig dater omtrent in 't vaarwater bevinden, voorts ten aansien van uw hoog Edelens gevenereerde qualificatie om tot rantsoeneering van de door dat ge„ spruijs geroofde en voor slaven aan Cerams kust ver„ „kogte menschen des noods 15: rd=s per kop te moo„ „gen betaalen, mits de gerantsoeneerde met hun„ „ne vrinden daar voor belastende, ten eijnde langsamer hand door hen weder aan de Comp: voldaan te worden in deesen notee„ nende dat ik onder correctie van gevae„ „len ben, dat het beeter was dat men geen Los gelt voor al sulke groofde menschen, ten „minsten voor so verre het geen Christenen sijn betaalde, so om dat het selve nu voor een revenue verstrekt voor Van Amboina den 31: Maij 1764. voor de Papouers en cerammers, als om dat deese laaste, siende dat sij van dit middel van bestaan ver„ „stooken raken, seer apparent so graetig niet meer sullen sijn tot derselver in hoop, buijten en behalven dat 'er — „weijnige hoop voor is dat de Comp: ooijt, of ten minsten seer selden iets van dat uijtgeschootene geld weerom sal kreijgen gelijk Bouro daar van een exempel uijt bee„ „vert omtrent de in 't voorleden jaar derwaards aangeree„ „nende ƒ 635: 8:, dewelke uijt gegeven sijn tot lossing van diverse als slaaven verkogte bourneesen en amblauwens, also daar van volgens brief van den afgegaan en Resi„ „dent cruijpenning van den 24: maart nog niets inge„ „palmt is, door dien zij alle nooddruftig en in capabel tot de voldoening sijn dat die post alweder tot laste van de Comp: zal blijven, en bij continuatie van betaling van diergelijke losgelderen notoir nog meer vergroten moeten, het geen haar nogthans— gantsche niet covinieert in een tijd men alomme de mena„ „gie zo zeer zoekt te behartigen, Ingevolge de hoog gevenereerde ordre van uw Hoog Edelens, vervat bij der zel„ „ver voorwaarts geciteerde aparte missive van ult„o xber 1763: legt hier ne„ „vens een zeijn brief van de vlaggen die in het aanstaande jaar 164 3: eer Van Amboina den 31 Maij 1764. — aar 1765: op de aankomst van de van Batavia ver„ „wagt wordende schepen, van de hoek van Alang en van de schepen in dies nabijheijd komende, daar en tegen weder tot verkenning waijen zullen, terwijl, ook zal worden geobserveert om jaarlijks daar van opgave aan uw Hoog Edelens te doen, Aangaande de vreemde Natien heb ik de eer uw Hoog Edelens in origanali aan te bieden Een Engelse brief, die den commandeur wat souden den 15: Januarij deses jaars van sawaeij aan den interins gezag„ „hebber De Willeneuve geschreven heeft ter com„ „municatie van zijn Aankomst daar op den 10: d:o met het schip de Revenge so hij voor geeft uijt gebrek aan water en mits de menigte zijner zieken, en dat hij ten zelven dage onder zeijl „ging na de Manilhas, Is=land of= Luconia Middelenwijlen had dien officier aan den serge„ „ant posthouder Dirk Christoffels opgegeven, dat hij al agt maanden van Bombaij onderweegs had geweest sonder egter te zeggen dat hij intussen in de maand December op Batavia was aangeweest het Jan geen ik den Resident van Manipa Hendrik knop, onder wien de post sawaeij op cerams Noordcust sorteert den 17: februarij heb aangeschreven, en bedeelt dat ik van 57: Van Amboina den 31: Maij 1764. van gevoelen was, dat gem: commandeur met die visite mogelijk wel ijets anders zal bedoelt hebben, en dat voor„ „noemde sergeant dierhalven met soude gedaan hebben van tegen zijne komst aan de wal te protesteeren ver„ mits mij „ beek zulx geschiedt te wesen, niet tegen„ „staande de ordres van ouds door toeleggen en zelfs de kruijssende vaartuijgen mede gegeven worden, so als hem daar van een Exemplaar heb toegesonden om bij voorkomen, de occasien van het zelve gebruijk te kunnen maken, Meerm: Engels commandeur watson heeft ook op sawaeij aan de wal gezet den chinees gan„ soanko, inwoonder van Siam, dien hij van op de hoogte van Palembang mede gevoert en op de Rheede van Batavia in de boeijen geslo„ „ten gehouden heeft geduerende zijne legtijd al„ „daar, sonder desen chinees te betalen de rijsst en vaakens die hij van densel„ „ven gekogt had, gelijk breeder blijkt bij het relaas dat ged=e Chi„ „nees den 9: febr= jongst al„ „hier ter secretarij des wegen gedaan heeft en desen in Copia is versellen„ „de met nog een ander relaas van den bosschieter Evert 1764 3 eer
English
From Amboina, 31 May 1764. Evert Siewerts regarding his returning on board the aforementioned ship Revenge, Being driven by a true concern for the welfare of the Company, I shall constantly strive with zeal for its promotion; and seek to resist all infringements upon its prerogatives as much as possible with courage, so that according to my weak capacity I may answer to the trust that your High Nobilities place in my person. Meanwhile, for the wish of Heaven's precious blessing upon my administration, I hereby offer to the same in the most dutiful manner my indebted gratitude, professing that I am with the deepest veneration, below stood: High Noble, Rigorous, Great Honorable Sir, and Noble Rigorous Sirs, lower: Your High Nobilities' very humble and faithful servant, was signed: W: Fockens, in the margin: Amboina in the Castle, 31 May Anno 1764. Wednesday Batavia From Amboina under date 31 May Anno 1764. Before proceeding to the promotion of the common interests, there was presented by the principal commander a calculated summary regarding the opulent damages which were caused by murder, robbery, and other acts of violence during the invasion of the Papuan and Tidorese pirates on 13 November of the past year at the factory of Haroeko, and which, in accordance with what was contracted with His Highness the ruler of Tidor and Babatos dated 23 June 1733, has likewise been drawn up and put together, consisting of the amount of the plundered goods and otherwise by that haughty rabble, to an amount of rds. 28645:— and 13 stivers, as is shown below. Memorandum calculated and compiled of and concerning such events on 13 November Wednesday, 25 January 1764 Absent: the four chiefs of the spice factories, and Bouwo Lieutenant youngest 1st. 64 3rd Piece From Amboina under date 31 May 1764. recently past at the factory of Haroeko in sight of the fortress Zeelandia before the settlements of Haroeko and Sameth, as well as Bomonij, Cabauw, and Caijlolo, there appeared corra-corras, mahoelijs, and other vessels of the Papuan peoples and subjects of His Highness the King of Tidor, and the murders, woundings, and kidnapping of people, as well as destructions of dwellings, ruins, and plundering of goods, the alienation and scattering of the Company's precious spices then and there perpetrated and carried out by them, as drawn up and brought together by the undersigned pursuant to and in accordance with the resolution taken in the Council of Policy of this province of Amboina at the main Castle Victoria dated 29 December 1763, both according to the appraisal and statement for the respective village chiefs according to a certain original note of the Junior Merchant and Chief Mattheus Hartog presently residing on that island, as well as in accordance with the 3rd article especially of a certain contract From Amboina under date 31 May 1764. Leonora Frendin, an adult Catharina Mustamoe and David Serner, mestizo child Bernard Risa Kotta. . . . Jacob Telapoetij. . . . . . Asaph Contract dated 23 June Anno 1733 in the Moluccas 1 concluded with the aforementioned Tidorese ruler and Babatos, to prevent all such invasions and barbaric acts of violence, as follows: on the aforementioned 13th, inside the point of Poto of the beach of Kanoroko before the settlements of Haroeko and Sameth in sight of the fortress Zeelandia, the aforesaid invasion was committed with corra-corras, mahoelijs, or together 46 various vessels, for which, in accordance with the aforementioned contract, there is set the forfeiture of two male slaves valued at 40 rds. each, or each of those vessels rds. 80:—:—, which therefore yields a total sum of. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . rds. 3680 Furthermore, murdered, massacred, seized, and carried away from the settlement of Haroeko there, the following persons and goods, for which there is set here according to the report of the native chiefs the following, namely: Leonora Boijtapa, free women murdered and massacred, for forfeiture as compensation for each, 2 male slaves valued at 40 rds. a piece Joseph Hataria. . . . . . . . . Pieter Nirahoea - - - - - . . - . sons ditto. . . . . . . . . Domingo Kontjes . - - . . . . . which taken together amount to. . . . . . . . rds. 240. — Simon Kadean. . . . . . . . . freeman Carried forward rds. 240. — — — rds. 3680. 61 1764 3rd Piece From Amboina under date 31 May 1764. — Jubel Kinkarasana Marta Pisiritia female Jubel Kupaputia persons Cicilia Nialawang Geertruij Pattaijta. Njae Radja. . . Booij Wangten. . . . Magdalena Vizahoea, free maidens Lidia Lesimanuaijs. . . . . six ditto. . . . . Lijdia — Cicilia Silawania. . . carried off, for whom, likewise, until restitution or return, as hostage there should be set for each person also two ditto slaves, or according to what is set here by way of calculation of the aforementioned stipulated value thereof, set for each person 80 rixdollars:— Maria. . . . . . . . . . . . . . . Matoeang, male slave also carried off, and according to the aforesaid contract to be compensated with his value, for which then, by way of appraisal, is also set. . . rds. 40. —. In goods robbed, namely from the Raja of that settlement, Jacob Ferdinandusz: In gold jewels to the value of rds. 80. —. —. — silverware rds. 30. –. —. –. stones rds. 40. –. –. –. men's and women's clothing rds. 30. –. —. –. porcelain to the value of rds. 5 —. —. —. household furniture and small items to the value of rds. 15. —. —. —. From the settlement's people and inhabitants in cash, up to. . . . . . . . . . . . . . . . . rds. 200. —. –. –. Carried forward rds. 200. — — — — — rds. 3680. —. —. Brought forward rds. 240. — — — — — rds. 3680. —. — together. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . rds. 1600. — —
Dutch transcription
Van Amboina den 31: Maij 1764. Evert siewerts nopens zijn weder varen aanboord van 't voornoemde schip te Revenge, Gedreven werdende door een ware rugt voor het wel„ „weesen van de comp: sal ik dies bevordering streds met ijver betragten; en alle onderkruijpingen van hare preerogativen zo veel mogelijk met kloekmoedig„ „heijd zoeken te keer te gaan, op dat ik na mijn zwak vermogen zal mogen beantwoorden aan het vertrouwen dat uw Hoog Edelens in mijn persoon komen te stellen, Ik legge ondertussen voor de toewensching van des Hemels dierbaren zegen over mijn bestier aan hoog dezelve bij desen op de allerverpligste wijse mijne schuldige dankbaarheijd of, onder be„ „tuijging dat ik dat de diepste veneratie ben, /:onderstond:/ Hoog Edele Gestrenge groot Agtbae„ „re Heer, en wel Edele gestrenge Heeren /:La„ „ger:/ Uw Hoog Edelens zeer onderdanige en trouwschuldige Dienaar /:was getekend/ W: fockens, /:in maaigene/ Amboina in't Casteel den 31: Maij A„o 1764. — Waansdag atavia Van Amboina onder dato 31 Maij A„o 1764. Voor en al eer ten bevordering der gemeene belangens over te gaan werd door den p„l ge„ zaghebber g'advanceert Eene bereekende samentrecking nopens de opulente schaa„ dens, de welke door moord, rooff, en andere geweldenarijen bij invasie der papou, en Tidoreese roovers op den 13: November a„o p„o ten Comptoir Haroeko, zijn verroccasio„ „neered, en volgens 't gecontracteerden met zijn hoogheijt den vorst van Tidor en Babatos dato 23: Junij 1733: te gelijk weeder is opgemaakt, en bij den anderen gestelt be„ staande, 't bedraegen van 't gespolieerde als andersints door dat hooffsuchtige geboeften in aen montant van rd„s„ 28645:— en 13: stuijvers, jnvoege hier onder werd vertoond Memorie Bereekend en sae„ men getrocken van en omtrent zodaenige op den 13 November Woensdag den 25 Januarij 1764 Absent de vierhoofden der specerie Comptoiren, en Bouwo lt„a jongste 1o. 64 3e Mear Van Amboina onder dato 31. Maij 1764. jjongst verweeken ten comptoir Aaroeko in't gezigt der fortresse zeelandia voor de Negorijen Haroeko en Sameth mitsga„ „ders Bomonij, Cabauw, en Caijlolo wer„ „scheenen Corra Carras Mahoelijs en anders vaartuijgen der Papoese volkeren en onder„ „daenen zijnen hoogheijd den koning van Tidor, en door deselve aldaer doenmaels geperpetreerde Moorden, quetzingen, en Menschen rooff, zoo wel als distructien van wooningen reunes, en spolie van goederen het verallineeren en verstrooijen van 's Comp„s dierbaere specerijen gepleegd en uijtgevoerd, als door den ondergetekenden is op„ „gemaakt en bij een gebragt nae en ingevolge Reso„ „lutie genoomen in rade van politie ter deser provin„ „tie Amboina ten hoofd Casteele victoiria de dato 29. December 1763: zoo wel ten tauxatie en opgaeve voor de re„ spectieve Negories hoofden volgens zeekeren origi„ „neelen Notitie van den ten dien Eijlande thans Re„ sideerende onder coopman en hoofd Mattheus Hartog, als, meede over eenkomstig het 3=de articul speciael uijt zeekeren contract Van Amboina onder dato 31. Maij 1764. Leonora Frendin an dust catharina Mustamoe en David serner, mixties kind Bernard Risa Kotta. . . .. jacob Telapoetij. . . . . . .. Asaph Contract in dato 23=ste Junij A„o 1733 in Molucco 1 met voormelden den Tidoreesen vorst, en babatos, tot voorkoming van alle diergelijke invasien en Barbaarse geweld plegingen /geslooten als volgd, den 13: voormeld, binnen d' hoek van Poto van 't strand van kanoroko voor de negori„ „en Haroeko en sameth int gezigt der fortres„ „se zeelandia verscheenen mitsgaders voorsz in„ val aldaar gepleegd zijnde met Corra corras, Mahoelijs ofte saemen. 46 diverse vaerthuijgen zoo werd ingevolge opgem: Can„ „tract daer voor gesteld den verbeurte van twee Man„ „slaven ter waerde van 40 rd„s ider dan wel ieder dier vaarth=n rd„s 80: —:—: dat derhalven rendeert Een ge„ „meene somma van. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . rd„s 3680 Voorts in uijt de negorij Haroeko aldaer vermoort gemas„ „sacreert opgepligt en weggevoert de volgende persoonen en goederen zoo werd daer voor alhier na aengave vanden behoofden Jnlander gesteld 't volgende als Leonora Boijtapa vrij vrouwen vermoord en gemassa„ „creerd tot verbeurte als in vergoeding voor ieder 2: manslaven ter waarde van 40 rd„s 't stuk Joseph Hataria. . . . . . . . . Pieter Nirahoea - - - - - . . - . Soonen _„o. . . . . . . . . domingo Kontjes . - - . . . . . dan wel te saemen genoomen. . . . . . . . rd„s 240. — Simon Kadean. . . . . . . . . vrijemans per„ Transporteere rd„s 240. — — — rd„s 3680. 61 1764 3e Mear Van Amboina onder dato 31: Maij 1764. — Jubel Kinkara sana Marta Pisiritia vrouw Jubel kupaputia persoonen cicilia Nialawang geertruij Pattaijta. Njae Radja. . .. Booij wangten. . . . .. Magaadalena vizahoea prijemeijs„ Lidia Le simanuaijs. . . . . Zes _„o. . . . . Lijdia — cicila Silawania. . . .. vervoerden waar voor al even Eenstotres„ titutie of te weder te rechtbren„ ging in oscagie zouden dienen gesteld te werden voor ieder per„ soonen almeede twee dito slaven dan wel /na 't geen alhier als bij wijse van bereekening van opgem: gestipueerde dies waarde, stelle voor ieder per„ soon Rijxdaeldaelders 80:— Maria. . . . . . . . . . . . . . . Matoeangmanslaeff almede weg gevoerd, en nae voors:z contract te vergoeden met dies waarde waar voor daen als bij wijse van tauxatie, mede werd gesteld. . . „ Aan goederen gehoofd, als van den Radja dier Negoria Iacob ferdinandusz Aan goude kleinodien ter waarde van rd„s 80. —. —. — zilverwerken „ „ „ „ 30. –. —. –. gesteentens „ „ „ 40. –. –. –. „ mans en Vrouwkleed„ /8. „ „ 30. –. —. –. porcelainen ter waarde van„ 5 —. —. —. huijs meubelenen kleijnigheeden ten„ 15. —. —. —. waard van de negories volkeren en in woon„ ders als contanten, tot. . . . . . . . . . . . . . . . . rd„s 200. —. –. –. Transporteere rd„s 200. — — — — — rd„s 3680. —. —. P„r Transport rd„s 240. — — — — — rd„s 3680. —. — te saemen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . rd„s 1600. — — 40. —. „ „ „
English
From Amboina under date 31 May 1764: 2660. – 100 20 sacks of cloves despoiled from various dwellings, scattered, and thrown away, which had already been picked and gathered by the natives from their plantations, also estimated according to own valuation and declaration to the value of In gold and silver works amounting to 90. —. —. precious stones and jewels 50. —. — 7 pieces of assorted copper works 20. —. –. 8. 8 axes 5. —. —. 16 knives 4. —. –. porcelains 10. —. –. Men's and women's clothes 38. —. –. 6 cast and drag nets 40. —. –. 40 toemangs of sago flour household furniture 21. —. –. gongs 30. — —. 6 tataboeangs 20. —. —. linens 30. —. –. 4 parangs 2. —. —. From and out of the negorij Sameth the following free persons, both male and female, item children and slaves carried off, namely: Djubel Tuturima, wife of the Radja of that negorij Frans Rihoepasa, carried off, for whom a considerably larger sum should serve to be charged, but nevertheless estimated for just the same at rds 80. —. –. Johannes Kormalessij There, a native of Caiteto Hendrik Latoepapoea } men, Philip Taria Michiel Latoepapoea Carried forward rds 80. — — — — — rds 6340—:—. - - - - - - 15. —: —. 5. —. rds 65. Brought forward Rds 200. — rds 2080 — - rs 3680— 3 circa -. 63 1764 3 Juliang Pichia free women Cornelia Packirattoe Magdalena Latoehorn Leonora Toetoeahima free girls Leonara Toetoearima Which, calculated as before at rds 80 each, amounts in total to 800. —: —. Catharina, young female slave, valued as before at 40. — rds 920. —. —. In goods plundered and carried away from the aforementioned Radja: In cash to the sum of rds 470:—:—. precious stones up to 80. —:–. gold jewels 590. —:– 0 assorted silver works, among which the Radja's Company cane 15. —:—. Men's and women's clothing 180. –. –. 6 pieces of gongs 95: —:—. 8 pieces of tatabaeangs 32: —:—. 65 pieces of porcelains 20. —:–. 9 tampajangs of tobacco 20. —:– 25 pieces of copper works 36. —:–. 2 parangs 1. —:–. 3 axes 2. —:—. 1 flintlock musket 9. —:–. 2 drag and cast nets 12. —:–. Furthermore, in other household furniture and small items 8. —:— 1570. —: —. In goods plundered and carried away from the inhabitants of that negorij, namely: In cash to the amount of 356. —:–. precious stones up to 14. —:–. gold jewels 690. —:–. silver works 310. —:–. 150 pieces of assorted copper works 395. —:–. 145 pieces of porcelains 115. —:—. 15 pieces of linens 50. —:—. In men's and women's clothing 734. —:–. rds 2664:— rds 2490 —: rds 6340. —:—. Carried forward Brought forward rds 80: —: —: — rds 6340. —: — From Amboina under date 31 May 1764:
Dutch transcription
Van Amboina onder dato 31 Maij 1764: „ 2660. – 100 20. zacken garioffel Nagulen uijt diverse woo„ „ningen gespgilieert verstrooijden weg ge„ „worpen die door den inlander bereeds uijt hunne plantagien waeren geplukt en ingesamelt, stelle almede nae Eijgen tauxatie en aengave terwaarde van Aan goud en zilver, werken tot - - - - - - . . . . . . . - . - - - - - „ 90. —. —. gesteentens en kleijnodien „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 50. —. — 7. p„s Coper werken in z:t „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 20. —. –. 8. 8. beijlen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 5. —. —. 16. messen. . . . . . . . . . . . . . . . „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 4. —. –. „ porcelainen. . . . . . . „. . . . . . . . . . . . „ 10. —. –. Mans en vrouwe kleeden „. . . . . . . . . . . . . . . „ 38. —. –. 6. werpen trek netten. . . „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 40. —. –. 40. Toemangs zagoe meel. . . . . . „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ huijsmeubelen. . . . . . . . . . . . . „. . . . . . - - - - - . . . . . . . „ 21. —. –. gommen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 30. — —. 6. tataboeangs. . . . . . . . . . . . . „. . - - . . . . . . . . . . . . „ 20. —. —. lijwaeden. . . . -. . . . . . . . . „. . - - . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 30. —. –. 4. parrings. . . . . . . . . . . . . . . . . „. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 2. —. —. van en uijt de Negorie sameth de volgende zrije zoo mans en vrouws persoonen item kinderen en slaeven vervoert Als. — djubel Tuturima huijsvrouw van den Radja dier Negorie frans Rihoe pasa vervoerd waar voor wel een vrij grootere som„ ma zouden dienen berekent te wer„ den dog stelle Egter door voor even Eens. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . rd„s 80. —. –. Johannes kormalessij. . . . . . . There een maer van caiteto Hendrik Latoe papoea }manslieden, Philip Taria. . . . . . . . . . . . . . Michiel Latoe papoea Transporteere rd„s 80. — — — — — rd„s 6340—:—. - - - - - - „ 15. —: —. 5. —. rds 65. P„r Transport Rd„s 200. — rds 2080 — - r„s 3680— 3 cirka. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - . . - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -. 63 1764 3 Juliang Pichia. -. . vrije vrouwen Cornelia Packirattoe Magdalena Latoehorn. Leonora Toetoeahima vrije meijsjes Leonara Toetoearima. Dat in bereekening als vooren ieder rd„s 80. afte zaemen bedragf „ 800. —: —. Catharina slavennetje stelle als vooren dies waarde. . . . . . . . . . . . „ 40. — rds 920. —. —. Aan goederen geroofden weggewoerd van meergem: Radja - Aan contanten ter somma. . . . . . . . . . van rd„s 470:—:—. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . tot „ 80. —:–. gesteentens. . . . goude kleijnodien. . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 590. —:– 0 „ zilvere werken in zoort waar onder 15. —:—. de Radjas 's Comp„s rotting. . . -„ Mansen vrouwe kleederen. . . . . . . . . . . . „ 180. –. –. 6 p„s gommen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 95: —:—. 8: „ Tatabaeangs - - - - - - - - - - - „ 32: —:—. 65. „ porcelainen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 20. —:–. 9. „ tampajangs taback. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 20. —:– 25. „ Coopere werken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 36. —:–. 2. „ parrings. . . . . . . . . . . . . . . . . . . - . . . . . - . - . . . „ 1. —:–. 3. „ beijlen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 2. —:—. 1. „ snaphaen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 9. —:–. 2. „ treken werp netten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 12. —:–. Aan voorts aan verdere huijsmeubelen en kleenigheeden. . . . . . . . . . . . . . „ 8. —:— van d' inwoonders dier na gorie geroofd en „ 1570. —: —. weggevoerd aan goederen als, contanten ter montant. . . . . . . . . van „ 356. —:–. Aan gesteentens. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . tot „ 14. —:–. goude kleijnodien. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 690. —:–. zilverwerken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 310. —:–. 150. p„s Cooperre werken in zoort. . . . „ „ 395. —:–. 145. „ porcelainen. . . . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 115. —:—. 15. „ Lijwaeden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 50. —:—. — Aan Mans en vrouwe kleederen „ „ 734. —:–. rd„s 2664:— rd„s 2490 —: rd„s 6340. —:—. Transporteere P„r Transport rds„ 80: —: —: — rd„s 6340. —: — Van Amboina onder dato 31: Meij 1764: „ „
English
From Amboina dated 31 May 1764. 6 pieces chintzes carpenter's tools 35.—:–. blacksmith's tools 30.—:–. parangs and axes 30.—:– rantaka 12.—:– 30.—:— muskets fishing nets tumangs of sago flour furthermore in sundries the strongbox stolen from the aforesaid radja's house and broken into amounts in cash by calculation to 50.— 5670:–. in and from the Negorij Bonnij the following both men women children abducted namely — Pauwassia free woman murdered calculated Seriwaijla free men Lonikipas Telatoe free women Temasia Plundered and abducted calculated as before 320:—: rds 400:—:— from the orangkay of that Negorie named Latoe Risalaite plundered and abducted, — In cash to the amount of rds 370.—:— household furniture and sundries men's and women's clothing 176.—:-. 9.—:— 12.—: 3130.—:—. calculated also rds 80.—:— 2 iron pans 3 muskets 1 gong 2 pieces rantakas for 20.—:—. 9 tataboeangs 21.—:—. 9 brassware 20.—:– 1 fishing net 20.—:—. 3 axes 8.—:—. 3 pieces of linen 3.—:—. Carried forward rds —:—. rds 920.— . rds 2180.— 520:—:— 4.—:–. 20.—:—. 20.—:–. 3.—:—-. Carried forward rds 2664.- rds 2490.— rds 6340:—: 66 39 55 1 4 22 45 72:–:–. 65 1764 3 11.—:—: 0 Furthermore from the inhabitants of the said Negorie as follows: — Cash to the amount of 30.—:—. castings to the value of 16.—:—. gold trinkets 140.–.–. 1 piece fine linen 4.—:—. 36 pieces brassware 92.—:—. 2 rantakas 30.–.–. men's and women's clothing 20.—:–. 11 pieces gongs 97.—:—. 18 gorglets 19.—:—. 8 iron pans 9.—:—. 9 fishing nets 40.–.–. 14 iron spades 14.—:–. 483 pieces assorted porcelain 111.—:—. Household furniture 28.—:—. 680.—:—. In the Mosque /:or Temple:/ goods destroyed to the value of 5.—:—. 1605.—:—. from and out of the Negorij Cabauw the following persons murdered plundered and abducted as — Hanunalang free man and murdered Njaratoe free woman set for this likewise rds 160.—:—. Attalier men Latoekolie Jarattoe Lauwa free woman Mahoea plundered abducted calculated as before 400:—:—. Mangoorijen Topij male slaves calculated each 80.—:— rixdollars 40: makes rds 640.—:— Carried forward rds. . . . . . . rds 640:—: rds 136:15:—:— From Amboina dated 31 May 1764 Carried forward rds —:—. rds 920.— rds 12010:—:— 7 From Amboina dated 31 May 1764:— Carried forward rds. . . . . rds 40:—:— rds 615:—:—: from the orangkay of the abovementioned Negorij Alembessij in cash and goods plundered as follows: — In cash to a small sum of 5:—. in gold trinkets for 35:—. in silverware 18:—. 22 pieces assorted brassware 75:—. 2 rantakas 50:—. 7 muskets 9:–. 12 gongs 145:—. 1 iron pan 14:—. men's and women's clothing 86:—. 345 pieces assorted porcelain 85:—. 1 fishing net 8:—. 4 pieces chintzes 24:—. furthermore some sundries 23:—. plundered from the inhabitants and abducted in goods houses burned and destruction of the temple etcetera as follows, in gold trinkets 365:— in silverware 345:— 142 pieces brassware 678:— men's and women's clothing 1666:— 2357 pieces assorted porcelain 782:—: 0 35 fine handkerchiefs 96:—. in cash to the amount of rds 581:— 2 pieces fine linen 232:– 12 fine chintzes 12:– 650:—:—: Carried forward. Rds 4684: rds 1290:—:— rds 1615:—:—: 67 1764 3rd
Dutch transcription
Van Amboina onder dato 31: Maij 1764:. 6 p„s Chitsen - timmermans gereedschappen. . . . . . . . . . „ 35. —:–. Smits gereedschappen - - - - - - - - - - „ 30. —: –. parrings en bijlen - . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 30. —:– Rantakka. . . - - - - - - . . . . . . . . . „ 12. —: – 30. —: — snaphaenen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ vischnetten.- Foemangs zagoemeel - - - - - - - - - - „ voorts aan kleenigheeden - - - - - - - - - - - - - - „ d'armbussuijt voorsz: radjas huijs opgeligt en stuckend geslaegen bedraeg de contan„ . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 50. — „ 5670: –. „ten calculatieve... jn en uijt de Negorij Bonnij d' volgende zoo mans vrouwen kinderen weggevoert te weeten — Pauwassia vrije vrouw vermoort beree„ seriwaijla vrijemans Lonikipas Telatoe. - - vrije vrouwen Temasia Geroofd den weggevoerd bereekent als vooren „ 320: —: rd„s 400:—:— van den orangkaaij dier Negorie in naeme Latoe Risalaite geroofden wegge„ voert, — Aan contanten ter montan. . . . . . . . . . . . . . . . . . van rd„s 370. —: — huijsmeubelen en kleenigheeden. . . . . „ mans, en vrouwe kleederen. . . . . . . . . „ . . . - - - - - . . . - . . . . . . „ 176. —: -. 9. —: — 12. —:„ 3130. —:—. „kend almeede. . . . . . . . - . . . . - - . . . . . rd„s 80. —: — 2: „ ijsere pannen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 3 „ snaphaenen - - - - . - - - - - - - - - - - - - - - - „ 1 „ Gommen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 2. ps rantacken. . . . . . -. . . . . . . . . . . . . . . . . tot „ 20. —: —. 9 „ tataboeangs - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 21. —: —. 9 „ Cooper werken - -. - - - - - - - - . . . . . . . „ „ 20. —: – 1 „ Visnet - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 20. —: —. 3 „ beijlen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -. . . . . „ „ 8. —:—. 3 „ lijwaeten - - - - - - - - - - - - - -. -. . . . . . . . „ „ 3. —: —. Transporteere rd„s —: —. rd„s920. — . rds 2180. — 520:—:— „ 4. —: –. „ 20. —:—. „ 20. —:–. „ 3. —: –—. P„r Transport rd„s 2664. - rd„s 2490. — rd„s 6340: —: 66 „ 39„ 55 „ 1„ 4 „ 22 „ 45. „ „ . - - - - – – – „ 72: –:–. 65 1764 3 „ 11. —:—: 0 Voorts van de Ingesetenen der gemel¬ de Negorie Als. — Contanten ten bedraegen van „ 30. —:—. gestantens. . . . . . . . . ter waarde „ 16. —: —. goude kleijnodien „ „ „ 140. –. –. 1 p„s„ fijne Lijwaeten „ „ 4. —: —. „ 36 „ Copeere werken „ „ „ 92. —: —. 2 „ trantacken „ „ „ 30. –. –. „. Hans en Vrouwekleed: „ „ „ 20. —: –. 11. p„s Gommen. . . . . . . . „ „ „ 97. —: —. 18 „ gorgletten. . „ „ „ 19. —: —. 8 „ ijsere pannen „ „ „ 9. —:—. 9. „ visch netten „ „ 40. –. –. „ 14 „ ijzere schappen „ „ „ 14. —:–. 483. „ procelamie in zoort „ „ „ 111. —: —. Huijsmeubelen - „ „ „ 28. —:—. „ 680. —: —. / Inde Massigij /:off Tempel:/ aan goederen gedistrueerd ter waarde van. . . . . . . -„ 5. —: —. 1605. —:—. van en uijt de Negorij Cabauw de volgende persoonen vermoor geroefd en weggevoert als — Hanunalang vrijcan en vermoort Njaratoe „ vrouw stelle daar voor even Eens rd„s 160 —:—. Attalier. manslieden Latoekolie jarattoe Lauwa Vrijevrouw Mahoea geroofd weggevoert als voo„ „ren bereekent - - - - - „ Mangoorijen Topij Manslaeven beteekend ider 80. —:— rijxdaelders 40: komt „ rd„s 640. —: — Transporteere rd„s. . . . . . . rds 640:—: rd„s 136:15:—:— 400: —:—. Van Amboina onder dato 31 Maij 1764 P„r Transport rd„s —: —. rd„s 920. — rd„s 12010: —:— 7 „ Van Amboina onder dato 31. Maij 1764:— P„r Transporte rd s . . . . rdo 40: —: — ds 615: —: —: van den orangkaija van opgem: de negorijen Alem„ „bessij aan contanten en goederen geroofd als. . . — Aan contanten tot een sommatje van - - - - - - „ 5: —. „goude kleinodien - - - - - - - - - - - - - - - - - tot „ 35: —. „ zilverwerken - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 18: —. 22. p„s Copere werken in zoort : - - - - - - - - - - - „ „ 75: —. 2. „ rantacken - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 50:—. 7. „ snaphaen - . - _ _ - - - - - - - . . . . . . . . . . . . „ „ 9:–. Gommen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 145:—. 12 „ zijzere pannen - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 14:—. 1„ Mansen vrouwe kleederen - - - - - - - - - - - „ „ 86:—. porcelainen in zoort - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 85: —. 345„ visch net - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 8: —. chitsen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 24: —. 4„ voorts Eenige kleenigheeden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ „ van de inwoonders geroofd en weggevoert aangoe„ „deren huijsen verbranden werde strueering van den tempel Etc=a Als, 1. „ „goude kleinodien „ zilver werken. . . . . . . . - . - - . . . . . „ 142 p„s Copere werken - - - - - - - - - - - - „ „ Mans en vrouwen kleeden. - - - - - - „ 2357: p„s porcelainen in zoort - - - - - - - - „ „ 782:—: 0 35„ 2„ 12„ fijne Neusdoeken. . . . . . . . . . . . . . - - - - - „ „ Contanten ten bedraegen. . . . . . . . . . . . . . - van rd„s 581:— fijne Lijwaeden - - - - - - - - - - - - - - - - - - . . - . . . . „ „ 232:– fijne Chitsen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 12:– Transporteere. Rd„s 4684: r„s1290: —: — ds 1615: —: —: „ 365:— „ 345: — „ 678:— „ „. . . . . . . . . „ „ 1666: — 23:— 96: —. „ 650: —: —: 67 1764 3 de
English
Brought forward Rds 4684 rs 1290:—: rds 13615:—:— 11 pieces rantakas . . . . . . . . . . . . . . . . . at 199: — 8 pieces flintlocks . . . . . . . . . . . . . . . . . 71:— 62 pieces gongs . . . . . . . . . . . . . . . . . 728:— 27 pieces fishing nets of various sorts . . . . . . . . 171:— 39 pieces iron pans . . . . . . . . . . . . . . . . 62:— 45 pieces axes . . . . . . . . . . . . . . . . . 52:— 52 pieces parangs . . . . . . . . . . . . . . . . 26:— 492 pieces coconuts . . . . . . . . . . . . . . . 4:— 95 pieces tumangs of sago flour . . . . . . . . . . 12: — Two houses burned down to the ground . . . . . . 20:— ½ bahar or circa 275 pounds of cloves scattered and thrown away out of various dwellings, calculated at the indigenous purchase price according to own statement . . at 28:— In the temple or mosque, destroyed and looted of goods 15:— further household furniture and small items looted . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 463: —:— 6535: — 7825:— — From Amboina under date 31 May 1764 further in and from the village of Cailolo, persons killed and carried away, namely: Papuan free woman killed, estimated likewise as above Rds 80:— Simariaka Patti Barane Kirahaene Taijhauwsa men Htihati, free woman, looted and carried away, calculated each at 80 rixdollars, amounts to 400:— 480: —:— From the orang kaya of the aforementioned village of Sahuwela Carried forward Rds - - - - rds 480: — rds 21440: —: — 69 From Amboina under date 31 May 1764: Looted and destroyed, namely: In gold jewelry to the value of 200:—:— 7 pieces copper wares 28:—:— 3 pieces porcelains of various sorts 5: —:— 2 pieces gongs 50: —:— 16 pieces rods for a carillon 24: —:— 5 pieces tatabuangs 8: —:— Men's and women's clothing 71: —: — In small items, his house destroyed there, with more other damage inflicted 25: —:— An orangbai smashed to pieces and wrecked 15: —:— 440: —: — From the inhabitants of the aforementioned village, in goods looted and carried away, item houses burned, etc., namely: Brought forward rds - - - rds 8: — rds 140: —: — silver wares of various sorts 328: —:— 36 pieces fishing nets of various sorts 14:—:— gold jewelry 1489:—:— 31 pieces fine linens 152: —:— 15 pieces chintzes 83:—:— 5912 pieces porcelains of various sorts 1036:—:— 67 pieces iron pans 238: —:— 249 pieces copper wares 655: —:— 3 pieces tatabuangs 9: —:— 2 pieces rantakas 85:—:— 5 pieces flintlocks 45: —:— 2 pieces pistols 10: —:— 37 pieces gongs 675:—:— In cash to rds 366:—:— Carried forward Rds 5317:—: rds 920:—: rds 14: —: — 176:—:— 3rd 1764 From Amboina under date 31 May 1764: Brought forward rds 5347:—: rds 920:—: rds 21440: —:— 11 pieces iron shovels to 13: —:— 39 pieces axes 48:—:— Men's and women's clothing 392: —:— 68 pieces parangs 32: —:— household furniture and small items 246:—:— 55 pieces tumangs of sago flour 8: —: — 1085 pieces old coconuts 9: —:— five houses entirely burned down to the ground 50: —:— 5 gantings or circa 55 lb of cloves scattered and destroyed, assessed at 5: —:— The temple of this village or mosque, the damage caused thereto assessed at 50:—:— 6200:—:— 7120:—:— Further, the cruising kora-kora of the village of Oma, lying at anchor before this roadstead, despoiled, and the rations and board money for half a month of the five military personnel assigned thereto and already fled therefrom, looted, namely: For one corporal and four common soldiers in cash rds 1: 42:— 100 lb rice to the same at cost of purchase — 43: — 1 piece cartridge pouch — 33:— 1 piece bayonet — 7:— Carried forward rds 3: 29: rs — :—: rs 28560:—:— From Amboina under date 31 May 1764. Further, for the scaring off of this scum from the two first-mentioned villages, as well as the pursuit of that rabble for the relief of the last-mentioned villages of Cabauw, Romoni and Cailolo, in gunpowder fired from heavy artillery as well as by the militia, and other ammunition of war expended, namely: 31 pieces round and cylindrical shot, namely: 20 pieces round 11 pieces cylindrical from heavy cannon, 31 pieces round and cylindrical shot in 31 shots 174 lb gunpowder, thereof comes: 124 lb at 4 lb each 30 lb for 600 pieces live cartridges fired from small arms by the soldiers, 20 lb issued to the Rajas of the village of Haruku and Sameth for the pursuit of said rabble. 174 lb gunpowder costs rds 8: 43: — 69 lb lead musket balls for the aforementioned live cartridges, both to the militia and to the last-mentioned village chiefs 5: —: 8 Total sum rds 42: 30: 8 Charged with a capital advance rds 42: 30: 8 85: 13:— Sum Rds rds 28645: 13:— Brought forward rds 3: 29: — rds —: —: rs 8560: —:— 3: —: 8 1 3rd 1764
Dutch transcription
P„r Transport Rd„s 4684 r„s 1290:—: rd„s 13615:—:— 11: p„s Rantacken. . . . . . . . . . . . . . . . . tot „ 199: — 8: „ snaphaenen. - . . . . . . . . . . . „ „ 71:— 62: „ Gommen. . . . . . . . . . . . „ „ 728:— 27: „ Visch Netten in zoort - - - - - - „ „ 171:— 39: „ ijzere pannen. - -. -. . . . . . . . „ „ 62:— 45: „ beijlen - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 52:— 52: „ parrings. - - - - - - - - - - - - - - „ „ 26:— 492:„ clappus Noten. - - - - - - . . . . . „ „ 4:—. 95: „ Toemangs zagoemeel - - - - . . . . „ „ 12: — „ Twee huijsen tot den grond af„ „ gebrand. - - . - - - - - - - - - - - „ „ 20:— —½ Bhaer officirca 275: ponden ga„ „rioffel Nagulen uijt diversewoo„ „ningen verstrooijden weggeworpen nae eijge opgaeve door de Jnlan„ dere inkoops berekent. . tot „ 28: Jn den tempel / Massijgij Gedustru„ H eerden aangoederen geroofd" 15: verdere huijsmeubelen en kleenighee„ den gehoofd. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 463: —: „ 6535: —„ 7825:— — Van Amboina onder dato 31. Maij 1764 O voorts in en uijt de negorije Caijlolo aan menschen vermoort en weggevoert Als, — Papoea vrije vrouw vermoort stel„ „le insgelijks als vooren Rd„s 80:— Simariaka. Pattij Barane manslieden kirahaene taijhauwsa Htihatij wije vrouw geroofd en wegge„ voert berekent ieder op rijxdaelders 80: — komt „ 400:— „ 480: —:—. van den orangkaaij van gerepte Ne„ „gorie Sahoewela Transporteere Rd„s . - - - - rd„s 480: — rd:s21440: —: —. 0 69 Van Amboina onder dato 31: Maij 1764: Geroofden verdistrueerd Als Aan goude kleijnodien ter waerde van „ 200:—:— „ 28:—:— 7: p„s Coopere werken „ „ 5: —:— 3: „ porcelainen inz:t„ „ 50: —:— 2: „ Gommen. . . . . . „ „ 24: —:— 16. „ Staefjes tot een rinklwerk„ „ 5: „ tataboeangs. . . . . . . . . „. . - - . - - - 8: —:— = Mans en Trouwe kleederen - - - - - - - - „ „ 71: —: — Aan kleenigheeden. -- desselvs huijs daar aan verdistrueert 25: —:— met meer andere schaede toegebragt. . . .„ Een orangbaaij aanstuckend geslaegenen on„ 15: —:—. „tramponeert geraakt. . . . . . . . „ „ 440: —: —. van de jngesetenen opgemelde negorie aan goederen gehoofd en weg gevoerd item huijs en verbrand Etc=a te weeten „ „ 14:—:— . . . . . . . . . . . . . „ P„r Transport rd„s - . . . . rd„s 8: —. rds 140: —: — „ zilvere werken in zoort - - - - - - - „ „ 328: —:— 36. „ Disch netten in zoort. . . - - . . . . . . . „ „goude kleijnodien. . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 1489:—:— 31. „ 15. „ 5912: „ porcelainen in zoort - - - - - - - - - - „ „ 1036:—:— 67. „ ijzere Pannen. . . . . . . . . . . . . „ „ 238: —:— 249. p„s Copere werken - - - - - - - - - - - -. - - . „ „ 655: —:—. fijne Leijwaeden. - - - . . . . . . . . . . „ „ 152: —:— 3: „ tataboeangs - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 9: —:— 2. „ rantacken - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 85:—:— chitzen - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 83:—:— 5. „ Snaphaenen. - . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 45: —:— 2. „ Pistoolen. - - . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ „ 10: —:— 37. „ Gommen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 675:—:— Aan Contant. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . tot rd„s 366:—:— Transporteere Rrd:s 5317:—:rd„s 920.—- rds 14: —: — „ „ „ - „ „ „ „ „ 176:—:— 3 dee 1764 Van Amboina onder dato 31 Maij 1764: P„r Transpoort rd„s 5347:—: rd„s 920:—: rds 21440: —:—. G 11: p„s ijzere schoppen - - - - - - - - - - tot „ 13: —:— 39 „ beijlen - - - - - - - - - - - „ „ 48:—:— „ = Mans en Vrouwe kleederen „ „ 392: —:— 68: „ parrings. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 32: —:— „ huijsmeubelenen kleenigheeden„ „ 246:—:— 55 p„s toemangs zagoemeel. . . . - - - „ „ 8: —: — 1085: „ oude clappus - - - - - - - - - - - „ „ 9: —:—. vijff huijsen ten Eenemael tot den grond afgebrand. . - - - „ 50: —:— 5: gantings of circa 55. lb: gaerioffel nagulen verstrooijd en verdistrieerd gehat tot. . .„ /den tempel deser Negorie / off mas„ sijgij de daar aan veroor„ Voorts de kruijs korra korra van de Negorieoma voor dese rhede ten anker leg„ „gende gespolieerden't rand„ soen en cost penn: voor een halve maend van de daer op bescheijden en/ en reets daer afgevlugte / vijff cop„ „pen militairen wegge„ roofd als, — VoorEen Corporaal en vier ge„ meene zoldaeten aen con„ „tanten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . rd„s 1: 42:— 100: lb. Rijst aen deselve kosten Jnkoops. . . . . . . . . . . . . . . . . „ — 43: — 1: p„s patroontas. . . . . . . . . . . . . . . . . . „ — 33:— „saekt schaede gehat tot „ 50:—:—„ 6200:—:—:„ 7120:—:— 1: „ Bajonet - - . . . . . . . . . . . . „ — 7:— Transporteere, rd„s 3:29: r:s — :—: r„s 28560:—:— d 5: —:— Van Amboina onderdato 31. Maij 1764. — Nogter verzaegnng van dit schuijm volk uijt de twee Eerstgemelde Ne„ „gerien als 't vervolgen van dat ge„ „boufte ter onzet van laestgemelde dorpen cabauw Romonij en Caijlolo aen buskruijt zoo uijt te groff geschut als door de militie verschooten, en andere Ammonitie van oorlog verspild te weeten, — 31: p„s rond en lang scherp als.— 20 p„s rond - - - - - - - - - - - - - - -. 11: „ lang. . . . . . . . . . . uijt graffcanon 31: „ ronden langscherp. in 31: schooten 174 lb: Buskruijd daer van komt rds= 124 lb:. . . . . . . . . . . . . a 4: lb: ider 30 lb: tot 600 p„s scherpe patroonen uijt 't hand geweer door de mili„ „taire verschoten, 20: lb: aan d' Radjas van de negorie Haroeko en Sameth ter naei„ „jaging van gerepte geboufte af„ „gegeven.— 174: buskruijd Cost - . . . . . . . . . . . . . . . . . ds 8: 43: — 69 lb: Loode snaphaen koogels tot gem: scherpe patkoonen zoo aan de militie als laest gem: Nego„ „ries hoofden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 5: — 6. — Teld te saemen. . . . . . . . . . . .rd„s 42:30. 8. Beswaerd met een Ca„ „pitael advans. . . . . . . rd s. . . . . . . . . . „ 42. 30. 8. 85: 13:— 2 ƒ Somma Rd„s. . . . . . . . . . . . . . rdos 28645: 13:— P„r Transport rd„s 3: 29: — rd„s —: —: r:s 8560: —:— E : 3. — 8 1 3 deer 1764
English
It was written below: Amboina, Victoria, 19 January 1764. Lower: drawn up and calculated. Still lower: Agrees. Signed: N:s Galloo, N:s Administrator. Recapitulation of the preceding. Murdered heads and freeborn natives. Robbed and stolen slaves. Total sum of the robbed goods and cash. Men, Women, Men, Women, Children, Men, Boys. 3rd article 1733: - 3 7 5 8 1 - 24 rds 1884. To stolen goods amounting to, or cash: 780.-.- rds, 6.-.- rds. Total f [illegible] 4 2 - 1 12 920.-.- 4750.-.- 5070.-.- 1 2 1 1 - - 5 400.-.- Tromonij f [illegible] 1205.-.- 1605 Carried over: - 4 14 10 11 1 1 41 - d 975. From the village of Harock. The following villages follow, to wit: Appraised according to the [illegible] From Amboina under date 31 May 1764 - 3. 73 From Amboina under date 31 May 1764. From the village of Cabauw etc. Stolen goods amounting to, or cash. Murdered heads and freeborn natives. Robbed and stolen slaves. Total sum. Men, Women, Men, Women, Children, Men, Children. Transport: 4 14 10 11 1 1 41 - rds 9985.-.- 1 1 2 3 - 2 - 9 rds 640.-.- Cash: 7185.-.- rds 7825.-.- - 1 4 1 - - - 6 480.-.- 6640.-.- 7120.-.- Caijlolo [illegible] Total money: 1 6 20 14 11 3 1 56 rds. rds 2480.-.- Stolen Company goods calculated according to the current price with a capital advance, to rds 8/ 13.- Pursuant to the aforementioned contract for the incursion of and with 46 vessels in kind: 3680.- rds 5765:13:- Total: rds 20615:13:- It was written below: 3rd [illegible] 1764. From Amboina under date 31 May 1764. It was written below: Agrees. Signed: N:o Gallo, N:o Administrator. Whereupon, having considered the highly respected orders of Their High Excellencies the High Indian Government, contained in a separate missive of 10 December 1762, it was resolved to forward the whole as an emphatic proposal to the King of Tidore, to the ministry in the Moluccas. It was written below: Thus done and resolved at Amboina at Castle Victoria, date as above. Signed: I: N: de Villeneur and H: V: D: Brink; Bonvoust, C: F: Treno, and D:d Homma. Tuesday 75 From Amboina under date 31 May 1764. Tuesday, 20 March 1764. Absent: the heads of the spice offices and of Bouro. The Governor having indicated that His Honour had until now postponed giving the members any disclosure of the secret and separate missives from Their High Excellencies the High Indian Government at Batavia, dated 20 and 31 December in the year 1763, of which the first was addressed to the Governors in Amboina, Banda, and Ternate, and the latter to His Honour alone, because from the respective villages not earlier than since the 15th of this month until today have appeared here, of which only 16 of the orembaais ordered to be built by them on the basis of what was resolved at this table in the session of 2 August 1763, whatever effort, diligence, and exhortation had been employed to have the same in readiness and here against the set time of mid-February, in order to make such use thereof as stands described in the separate resolution of that date; From Amboina under date 31 May 1764. stands described, but that His Honour, judging that one could now make that useful employment of those vessels for which they were destined, to wit to be sent out in the company of the Company's sloops or pantjallings to cruise the coast of Ceram as being the most capable of entering all creeks and rivers, and also the most adept at running down the pirates and smugglers with rowing and sailing, found himself obliged to give a reading to the assembly at this time not only of the aforesaid missive of 20 December consigned to the respective governors of the provinces of Amboina, Banda, and Ternate for their administration, namely to have the cruising proposed in the report sent alongside it by Commander Booms and the skippers Gonzal and Vlavate carried out this spring (at least as soon as possible) towards the places named therein, that is from here with two to three light, well-armed, and well-manned vessels to North, and from Banda to South Ceram, in order thereby, if not to prevent completely, at least to make so dangerous the smugglers' hitherto uninhibited navigation of these islands.
Dutch transcription
/:onderstond/ Amboina victoria den 19 Januarij 1764:/ Lager:/ opgemaakt en e bereekend / Noglager /Accordeert / ge„ „teekend / N:s Galloo N:s overd:r Recapulatie van het voorenstaende voormoor„ geroof„ geroofsom„ de cop„de en de slae„ma„ „en vrij ge„ van ri„ boorne „um Jnlander M: V: M: V: K: M: H: 3=den artc: 1733. . . . . . . . . . . -. 3. 7. 5. 8. 1. — 24: rds1884. aan geroofde. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 780:—: —rds 6: —:—: goederen bedra„ gen of Cont . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4. 2. — 1 12 „ 920: —: — „ sameth ƒ _„o C. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 4750. —: — „ 5070:—:— .. 1. 2. 1. 1. — — 5. „ 400:—:— „ „ „ Tromonij f _o . . . . . . . . . . . . . . „ 1205: —:— „ 1605 Die Transporteere. . . . . . . . . — 4. 14. 10. 11. 1. 1. 41 - . . . . d 975. uijt d' negorij Harock volgen ne gerien te weeten getaxeerd volgens van d' Van Amboina onder dato 31: Maij 1764 — 3 73 Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764. — aangeroofde uijt d' negorij cabums & goederen be„ ¶draegen of ver„geroof„ geroofde som„ moor de en vrij slae, ma„ de Cop„ geboor„ van „ri„ wen ne in„ um landeven M: v: Mo: V: K. M. K. P„r Transport - - - - - 4:14:10: 11: 1: 1: 41: -. . . . . . . rd„s 9985: —:—. 1. 1. 2: 3. — 2: —: 9: rd„s 640:—:— contanten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 7185:—:— rd„s 7825:—:— . .... — 1. 4. 1. —. — —. 6 „ 480. —: — l. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 6640. —. — „ 7120: —:— „ „. „ Caijlolo _„o Geld te Samen. . . 1. 6. 20. 14. 11. 3: 1: 56: rd:s. . - - - - - rd„s 2480:—:—. geroofde 's Comp„s goederen bereekend na Capitaelad„ den prijs Courant met een „vans, tot - . . - . . . . . . . . . . . . . . . . . . rd„s 8/ 13: — Jngevolge op gem: Contract voor den in„ „val van en met 46: vaarthuijgen in Zoort - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 3680:— rd„s 5765:13:— rd„s 20615:13: — Somma. . . . . /onderstond - d 3 eer 1764 Van Amboina onder dato den 31:' Maij 1764. — /:onderstond:/ Accordeert /:Geteekent Gallo N„o overdr: — N„o No Over 't welke geconsidereert zijnde de Hoog gerespecteerde ordres van Haar Hoog Edelheedens de hoo„ „ge Indiasche Regeering ver„ „vat bij apparte Missive van den 10 december 1762: is verstaen't Een en ander ten nadruk„ „kelijken voorstel aan den Koning van Tidor, 't ministerium in de molucas toe te schikken :/ onder„ stond:/ Aldus gedaan ende geresol„ „veerd tot Amboina aen 't Casteel victoria Dato als vooren : / geteekend. / I: N: de Villeneur en H: V: D: Brink; — Bonvoust, C: f: Treno, en D„d Homma, — Dingdag 75 Van Amboina onder dato den 31:' Maij 1764. — Dingsdag den 20: Maart 1764: Absent de hoofden, van de specerij Comptoiken, en van Bouro Den Heer gouverneur te kennen gege„ „ven hebbende, dat zijn Ed: tot hier toe hadde uijtge„ „steld om aan de Leeden eenige opening te geeven van de secreete en aparte missives van haer Hoog Ede„ „lens de hoog Indiasche Regeering tot Batavia ge„ „dateert den 20: en 31: December A=o 1763 waar van de eerste was gerigt aan de Heeren Gouverneurs in Amboina, Banda, en Ternaten ende laatste aan sijn Ed„e alleen vermits van de respecti„ „e negorijen niet eerder aan seedert den 15=de deeser tot heeden alhier verscheenen waer van Eenlijk 16: van de hen op fondament van 't geresolveerde aan deese tafele ter sessie van den 2=e aug„s 1763. ter aanbauw aan bevolene orembaijs, wat moeijte vlijt en adhortatie ook ware in't werk gesteld, om dezelve tegens de bepaalde tijd van me„ „dio Februarij ingereetheijd, en alhier te hebben, om daar van sodanigen gebruijk te maken, als bij de aparte resolutie van dien datum beschree„ „van 1o.64 en Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — beschreeven staet, maar dat sijn Ed: oordeelende dat men nu van die vaarthuijgen dat uijttig Emploij konde maken als waartoese gedestineert, waeren te weeten om in Compagnie van 's Comp„s Chialoup„s of pantjallings uijt„ „gezonden te worden ter becruijssing van de Cust van Craan als wel het bequaamste sijnde, om alle kreeken en ri„ vieren te kunnen inloopen, en ook wel het habilste om de roovers en sluijkhandelaars met roeijen en seijlen op te loopen, sig verpligt vond, als nu aan de verga„ dering lecture te moeten geeven niet alleen vande voors:z missive van den 20. december, aan de respec„ „tive gouverneurs van de Provintien Amboina Banda en Ternaten geconsigneert, voor gouvernement na„ mentlik om de bij het daar nevens overgesondene berigt van den commandeur Booms, ende schippers Gonzal en vlavate voorgeslaegen becruijssing in dit voorhaar (ten minsten so spoedig doenlijk:/ gevolgte laaten neemen, na de daar bij benoemde plaatsen dat is van hier met twee â drie ligte wel g'armeer„ „de en wel bemande vaarthuijgen na Noord, en van Banda na zuijd Ceram om hier door de smoe„ kelaars hare tot nog toe onbeschroomde bevoring deser Eijlanden so niet finael te beletten ten minsten sogevaarlijk te
English
77 From Amboina, dated 31 May 1764. — to ensure that they are thereby deprived of any desire for further undertakings, whereof also the last-cited letters of 31 December of the same year, separately addressed to His Honour, in so far as they relate to the cruising of the coast of Ceram, since Their High Mightinesses therein, with regard to last year's expedition, state they would have wished that all the nests and holes along the entire coast of Ceram from whence cloves are exported by stealth could have been visited and surveyed once and for all to eradicate that clandestine trade, and furthermore also approve the project proposed to them by separate missive from here of 26 September of last year, made by the aforesaid separate resolution of 6 August prior, to employ the said orembaais fitted with bulwarks for an exact cruising of the Ceram coast under the convoy of one of the sloops available here; His Honour subsequently proposed to the members—partly because by the first-mentioned missive the cruising from here is finally restricted only to the north coast of Ceram, and partly because by the last-mentioned, being of a later date, the project made at this table to survey the smuggling nests on the south coast more precisely was approved—what they judged best ought to be done in this matter in order to keep themselves clear of accountability, whether, while it appeared that it had been ordered to Banda to have the south coast of Ceram cruised from there, 1764 3 ar From Amboina, dated 31 May 1764. one should cruise only the north coast, or indeed both, or leave it to the Banda cruising along the south coast of Ceram; upon which proposal, after deliberation and having taken into consideration that the objective of this cruising, both of Their High Mightinesses and of this government, is chiefly and purposefully directed toward preventing the forbidden trade in spices and eradicating the smuggling nests, and that (since these smuggling nests are predominantly located on the south side of Ceram, opposite or in the vicinity of the principal spice-yielding offices Haroeko, Honimoa or Sapparoua, and the island of Nussalaut, from whose favorable situation for carrying on that trade they will indisputably profit) it appears preferable to cruise both the south and north coast from here, because one may well assume that the places where cloves are hidden on the south coast will not be as well known to the Banda cruisers as to the Amboina ones, and thus from their expedition one cannot expect as good a result as from that undertaken directly from here; it was therefore deemed best and accordingly agreed to employ for both the south and north four pantjallings and twenty-four orembaais, which will have to be divided into two squadrons, and to employ for the south the pantjallings 79 From Amboina, dated 31 May 1764 — the Spion and the Honimoa, and for the north the Liefde and Peperthuijn, provided that the Governor of Banda, Mr. Pelters, be informed hereof on the first occurring occasion for his guidance. With regard to the orembaais already here and those still expected, the Governor subsequently communicated to the assembly that His Honour had observed that, although they were provided with bulwarks according to orders, they were not bound with iron straps, which was nonetheless an indispensable requirement if one were to make use of the cannon to be placed upon them; wherefore His Honour proposed to the members whether this should be done at the Company's expense, since the chiefs of the negorijs have had no occasion for it, besides being burdened enough already with the construction of those vessels; which also being considered as such, it was agreed to have two or four bulwarks of each orembaai bound with iron straps at the expense of the Company's purse. — Furthermore, out of consideration that most of those orembaais are, or could have been, provisioned by the chiefs of those negorijs for no longer than one month, just as for the hongi expedition, and that the expedition that is to be undertaken with them will likely last some six months before it is finished, so that the native rowers appointed to them cannot possibly manage with their provisions, it was approved and agreed to also victual them at the Company's expense for another five or six months, just 1764 3rd Piece
Dutch transcription
77 Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — te maeken, dat haer daar door de lust tot eene ver„ dere ondere neeming benoemen worde waar ook van de laast geciteerde brieven den 31: xber desselfden jaars, aan sijn Ed: apart geadresseert, in so verre, die tot de becruijsising van cerams cust relatie vind dewijl Haar Hoog Ed„s daar bij niet adspect tot de voorleden jaar„ „se Expeditie seggen wel gewenschte te hebben dat alle de nesten enhoolen langs de geheele ceramse Cust van waar men goud natandum na gulen ter sluijk uijtvoer de eens mogten besogt en opgenoomen tot uijtroeijring van dien clandestinen handel, en daer en boven ook goedkeuren het aan hoog deselve bij aparte missive van hier van den 26 7ber: des voorleden jaars voorgestelde project bij voorsz: aparte resolutie van den 6: aug„s bevorens gemaekt, om tot een Exacte becruijssing der Ceramse Cust de gesegde orembaijen met schutpolders voorsien, on„ der het convooij van eene der alhier aanhandens sijn„ chialoupen te emploijeeren so stelde zijn Ed: ver„ volgens Eensdeels om dat bij de eerstgem: missive de becruijssing van hier finael bepaelt word alleen tot de noord Cust van ceram; en anderendeels, om dat bij de laast gemelde van een letere datum sijnde, geapprobeerdt het project dat aan dese tafel gemaakt, om de morsnesten aan de zuijd Cust exacter op te doen neemen, aan de leeden voor, wat sij oordeelden dat in desen best diende gedaen te worden, om sig buijten ver„ „antwoording te houden, of men terwijl bleck, dat dat na Banda g'ordonneert was, om van daar de zuijd Cust van Ceram te doen becruijssen 1764 3 ar Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. becruijssen van alleen de noord Cust soude be„ cruijssen dan wel beijde, of het beijde Bandase be„ cruijssing om de zuijd cust van ceram laten beru„ „sten over welk voorstel gedelibereert en in overwe„ „ging genomen sijnde dat het oogmerk van deese becruijssing van so wel van Haar hoog Ed„s als dee„ „se regeering hoofdsakelijk is, en daar op uijt„ komst om den verbooden handel in specrijen te wieren en de sluijk nesten uijt te roeijen en dat (: de„ „wijl deese sluijknesten voornamentlijk aan de zuijd kant van Ceram gebleegen sijn tegens over of inde nabijheijd van de princepaelste specerij geevende comptoiren Haroeko Honimoa of sapparoua„ en het Eijland Nussalaut van welker welge„ „leegene sitnatie, om dien handel te Excerceeren, zij in disputabel zullen te profiteeren:) het prefera„ belst schijnt om van hier so wel de zuijd als noordCust te becruijssen, om dat men wel seeker stellen, dat de plaetsen alwaarde nagulen op de zuijd cust geborgen wordende, bandase Cruijssers so wel niet als de Ambonse bekent sullen weesen en men dus van der selver Expeditie soo een goeden uijtslag niet ver„ wagten kan als van die van hier direct ondernomen werd soo is best geoordeelt en over sulx verstaan om soo wel de zuijd als noord vier pantjal„ „lings en vier en twintig orembaaijs de wel„ „ke in twee smaaldeelen sullen moet verdeelt worden, en daar toe om de zuijd te Emploijeeren de Pantjall: 79 Van Amboina onderdato den 31: maeij 1764 — Pantjallings de Spion ende Honimoa en om de Noord de liefde ende Peperthuijn mitsg„s den Heer Ban„ „das gouverneur Pelters, hier van bij voorkomen„ de occasie kennis te geeven ten sijner narigt. Ten aansien van de reets hier sijnde en nog ver„ wagt werdende orembaijs Communiceerde de heer gouverneur vervolgens aande vergadering dat sijn Ed: gesien had, dat deselve wel nade ordre met schutpolders voorsien, maar niet ijzere bandem beslaegen waeren het geen nogtans noodsake„ „lijk vereijscht wierde als men gebruijk soude maeken van het daar op te plaetsene canon„ weshalven sijn Ed: aan de lieden proponeerde of men sulx Comp„s wegen soude laaten geschieden, dewijl de negorijs hoofden daar toe geen occasie hebben gehad buijten de salgenoeg beswaarts sijn met het aenmaeken van die vaarthuijgen 't welk meede dusdaanig geconsidereert wesende, so is verstaen twee of vier schutpolders van ieder orem„ „baeij ten koste van 's Comp„s beurs met ijsere banden te laeten beslaen. — Daer en boven is uijt over weging dat de meeste dier orembaijen voor niet langer dan een maend even als op de hongijtogt door de hoofden dier negorij geproviandeert sijn of hebben kunnen worden, en dat de Expeditie, die daarmeede staat te geschieden welduu„ „ren sal een maand of ses eerst g'eijndigt is, so dat de Jn„ „landsche roeijers, die daer op bescheijden sijn en moogelijck met hun proviand kunnen toereijken, goedgevonden en verstaan deselve almeede 's Comp„s weegen voor nog, vijff u ses maenden te victualieeren, even 1764 3e Mebb
English
just like the quartermasters or others who are employed in the service of the Company, and daily, apart from those who work on the fortification works, receive one pound of rice and one stuijver in cash for fish or the like, however with this distinction that, to manage costs, these rowers shall be provided with only ½ lb of rice and the remainder in sago along with one stuijver per day, and this shall also be supplied to the pantjallings under whose convoy they will travel, since there is no storage space on those vessels for the provisions for such a long journey. Lastly, the Lord Governor having expressed his regret regarding the accident that befell the steersman Jacob de Klerk, losing his sloop the Nagapatnam on 12 February last on the reef of Cabijna, according to what was recorded in the general resolution of today, because His Honour had intended to employ him in the aforementioned cruise, since according to general report he had distinguished himself greatly in the expedition of the previous year, especially in overtaking the cloves that were discovered in the settlement of Haija, not without meeting brave resistance, and he would now again come in very useful, having become well acquainted with the coast of Ceram, the illness of the military Lieutenant van den Eijnde preventing his employment, if it were not hindered by the fact that his account From Amboina, dated 31 May 1764. — regarding that accident had not yet been examined, and could not be examined before the return of the ship Rotterdam from Sapparoua, because Equipagiemeester Croon and the skipper Ioeli are also expected, into whose hands, together with those of the skipper Wielandt, the matter is to be transferred for examination in the presence of the fiscal according to today's resolution, and thus one could not know whether he would be found guilty or innocent of that loss, although it indeed appeared that he had made every effort that could be exerted for the preservation of that vessel, and remained aboard as long as possible until all human means to save it were in vain, His Honour subsequently submitted to the assembly the request that the aforementioned steersman had made orally to be employed again; about which, after extensive discussion and mature consideration of all the foregoing: 1764 From Amboina, dated 31 May 1764. — having been considered, it was unanimously deemed necessary that he absolutely should go along on the expedition to the south coast of Ceram, and that, if not put in command of one of the pantjallings before his account has been examined, he could at least be employed on one of the orembaais to serve as a guide; and consequently agreed to make use of him for the aforementioned purpose on this journey aboard one of the 12 orembaais, without prejudice to the punishment he must undergo should he be convicted of any wrongdoing with regard to the wreck of the sloop the Nagapatnam. Below stood: Thus enacted and resolved at Amboina in Castle Victoria, date as above. Was signed: N. Fockens, J. A. de Villeneuve, H. V. d. Brink, W. de Bonvoust, C. F. Treno, Joh.s Houthuijn, and E. Homma. Below stood: Agrees. Was signed: P. Homma. Instruction From Amboina, dated 31 May 1764. — Instruction for Ensign Matthijs Guthart and the commander of the pantjalling the Spion, Johannes Hogerscheijt, departing as chiefs with that vessel together with the pantjalling the Honimoa, commanded by the steersman Laurens Fhoorsen, reinforced with 12 orembaais on an expedition to South Ceram; as well as for Ensign Gosling and the steersman of the pantjalling the Liefde, Nicolaas Lassal, departing with the sloop the Nagelboom under the command of the steersman Jan Blank along with 12 orembaais from here to North Ceram to cruise against both the smugglers and illicit traders in spices and the Papuan pirates appearing in great numbers around the islands of this province. — Valiant, Pious, It having been considered that in the expedition undertaken last year by the cruising fleet sent hither at that time by their Honours the High Indian Government, not only along the entire coast of Ceram and all other places from which one might learn that, outside the very suspicious Ceram, cloves were being transported out and elsewhere, by other completely illicit traders of 1764
Dutch transcription
even gelijk de quartslieden, of andere die in den dienst van de Comp: g'emploijeert, worden, en dagelijks buijten de geene die aan fortificatie werken arbeijden genie„ „ten een pond rijst en een stuijver contant voor vis of iets diergelijx, egter met dit onderscheijd dat aan dee„ „se roeijers tot menagoment van kosten maak ½ lb: rijst ende rest sagoe met een stuijver 's daags sal worden ver„ sterkt, en dit eenen ander meede te geeven aan de pant„ „jallings, onder welker convooij zij koomen trecken, ver„ „mits op die vaarthuijgen geen berg plaats is voor de provisie voor so een lange togt Laastelijk door den heer gouverneur sijn leet„ „weesen betoont zijnde over het ongeval, dat den stuur„ man Jacob de klerk was wedervaren van sijn Chia„ „loup de Nagapatnam den 12: Feb: jongstleden op het rit van Cabijna te verliesen navolgen dret aengeteekende ter gemeene resolutie van heeden om dat sijn Ed: hem bij sig selfs hadde geprojecteerd om in de voorsz: Cruijs„ „togt g'emploijeert te worden, dewijl hij sig volgens de algemeene gerugten in de voorleden jaarse Expe„ ditie seer gedestinqueert hadde, in sonderheijd inde agterhaling der Nagulen die in de negorij Haija, niet sonder een dappere resistentie te vinden opgedaen sijn en hij nu weder mits de siekt van den Lieutenant militaire van den Eijnde (:die sijn emplooij verhin„ derde:) seer wel als op Cerams Cust bekent zo niet geworden sijnde te pas soude koomen, ze niet daar tegens absteerde, dat sijn relaas Van Amboina onderdato den 31: maij 1764. — wegens 81 Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — wegens dat ongeluck nog niet was g'exami„ neert en ook niet voor de te rug komst van het schip Rotterdam van Sapparoua konde g' examineert worden om dat mede verwagt worden de Equipagie meester croon en de schip„ per Ioeli in wiens handen, en die van den schipper Wielandt, het selve volgens resolutie van heeden staat overgegeeven te worden, ter Examinatie ten overstaan van den fiscael, en men dus ook niet we„ ten konde of hij schuldig of onschuldig aan dat verlies soude worden bevonden, alschoon het wel scheen, dat hij alles heeft aengewend, wat het behoudenis van dat kieltje heeft kunnen worden in't werk gestelt, en daar op so lang gebleeven is, tot dat alle menschelijke middelen te ver„ „geeft waren, om het selve te behouden, so droeg sijn Ed: vervolgens aan de vergaede„ „ring voor het versoek dat op gem: stuur„ „man mondeling hadde gedaen, om wader g'emploijeert te mogen worden„ waar over wijdloopig gesprooken, en al het voorenstaende rijpelijk overwoog: 1764 3 deer Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — overwoogen sijnde, so wierde een parig nodig g'oor„ deel dat hij in de Expeditie nade zuijd Cust van Ce„ ram absolut diende meede te gaan en dat men hem so al niet in hut gesag op een der Pantjal„ lings voor dat sijn relaas soude weesen g'exami„ „neert, ten minsten op een der orembaaijen kon„ de emploijeeren om tot een wegwijser verstrecken 6 en mits dien verstaen van den selven ten voorsz eijnde op deese togt gebruijk te maeken op een den 12: orembaaijs onvermindert de Cor„ rectie, die hij sal moeten ondergaen, wanneer van eenig van de voir mogte konnen worden overtuijgt in reguard van het verongelucken van de Chialoup de Naga„ patnam /onderstond/ Aldus g'arre„ steert en geresolveerd de Amboina in't Casteel victoria dato voors: /: was geteekend/ N: Fockens, J: A: de Villeneuve, H: V: d: Brink, w:d de Bonvoust, C: F: Treno, Joh„s Houthuijn, en E: Homma, /onder„ „stond / Accordeert /was getekend/ P: Homma Instructie 83 Van Amboina onder dato den 31: maij 1764. — Instructie voor den vaandrig Matthijs Guthart en den gezaghebber van de Pantjalling de spion Johan„ nes Hogerscheijt, gaande als hoofden met dat waar„ tuijge nevens de Pantjalling de Honimoa waar „ op het commando, voert de stuurman Laurens Fhoorsen gesterkt met 12: orembaeijs in Expedi„ tie na zuijd ceram mitsg„s voor den vaendrig gosling, en den stuurman van de pantjallings de Liefde Nicolaas Lassal vertrekkende met de Chialoup de Nagelboom onder het gezag van den stuurman Jan Blank nevens 12. orembaeijen van hier na Noord ceram om te kruijsen zo wel op de sluijk=en moorsstandelaars in specerijen als op de zig in dezen omtrent de Eijlanden deser Provintie in meenigte vertoonende Papouse Roovers. — Manhafte Vroome geconsidereert sijnde, dat in 't voorleeden jaar gedane Expeditie door 't als toen door haar Edelens de hooge Jndiase Regeering herwaarts gesondene kruijsvlootje om niet alleen langs de geheele Ce„ „ramse Cust en alle andere plaatsen van waar men verneemen mogte dat buijten het zeer suspec„ te Ceram Nagulen wierden uijt en na elders vervoert, aan wel door andere ten eenemaal ongepermitteerde handelaars van 1764
English
transferred from there to cruise, but also to attack, overpower, and destroy by fire all vessels encountered in places forbidden to anyone outside the Dutch Company, as well as to inspect those who might be encountered either traveling through those regions or coming from there at sea, and upon finding in them any of the three principal spices, to drill holes into their hulls and sink them, and to punish the crew found aboard with death as spice thieves, in order thus once and for all to deprive them of any desire for such incursions into the most important branch of the Company's private trade, and thereby to close the path which to that end has been taken quite fearlessly by daredevils, having ended not without success, but even a considerable quantity of cloves having been intercepted at the negorij Haija situated on the south coast of Ceram; and that on occasion, according to the papers kept here at the secretariat, it has also been discovered that from the negorijen situated on that coast, namely Quamoer, Goeli, Oerang, Enna Enna, Batoelomi, Kamer, Affang, Dauwang, Quellemorij, Quelleboom, Celor, Kesselauw, From Amboina, dated 31 May 1764. Haloeasa, Hattoemetting, Werinama, Hatehahoe, Leijmoe, Haija, and Repas, vessels are dispatched annually for spices, and that those same negorijen must therefore be regarded as suspect smuggling nests, to which cloves are clandestinely transported by small vessels from Nussalaut and from the negorijen Hatoeana, Sirijsorrij, and Ouw situated on Honimoa, and are bartered for linen, etc.; as also from the negorijen Oering, Lima, and Zeijt, of which the first falls under Laricque and the latter two under Hela, as well as from the districts of Alang, Hatoe, Lillevooy, and Eerie belonging under this main castle, without it ever having been possible to catch the transporters in the act, despite whatever attention and effort has been applied thereto. Thus it is that, in accordance with the expressed intention of the aforementioned Their High Nobilities, in order to intimidate these spice smugglers who increase year after year with some hope of success, and at the same time to keep the waters around this government clear of all pirates, of whom the Papuans are the foremost, it has been deemed necessary this year with that objective again to equip a small cruising fleet of four pantjallings and at least 24 orembaais to cruise both the north and south coasts of Ceram, and to employ to that end around the north the pantjallings De Liefde and De Nagulboom with 12 orembaais, and around the south the pantjallings De Spion and De Honimoa with 12 orembaais; and also to appoint as commanders over this expedition, around the north Ensign Teeke Goslingen, around the south Ensign Matthijs Guthart, without prejudice to the authority that the respective steersmen shall exercise over the navigation under their superior command, provided nonetheless, matters being constituted accordingly, that they deliberate on what is necessary together. With respect to the commission upon which the aforesaid officers are sent, from the vessels upon which they find themselves, namely Ensign Guthart on the pantjalling De Spion and Ensign Goslingen on the pantjalling De Liefde, a broad pennant shall fly from the top of the mast as soon as they depart this roadstead, all the more because under that of Ensign Guthart there shall From Amboina, dated 31 May 1764. have to join the pantjalling De Honimoa and the orembaais of: Manned with natives: | Mounted with brass pieces: Haroeko: 27 | 2 Laricque: 22 | — Assaloeloe: 22 | 2 Oering: 22 | 2 Waccasieuw: 22 | — Cabauw: 32 | 2 Lima: 32 | — Tolehoe: 32 | — Caijlolo: 32 | 2 Pelauw: 30 | 2 Aboro: 29 | — Oma: 30 | — Of which the first six, with Steersman Jacob De Klerk being on the orembaai of Assaloeloe, shall have to sail between the land of Haroeko, Leijtimor, and Hitoe to behind the land of Honimoa, in order ultimately to reunite at Sepa with the remaining six standing under the command of the head of the cruise around the south, Ensign Guthart. While, on the other hand, under the pennant of [illegible]
Dutch transcription
van daar overgebragt te kruijsen maar ook alle die voor een iegelijk buijten de Nederlandsche maatschappij on„ gepermitteerde plaatsen ontmoet werdende vaartuijgen te attacqueeren te overmeesterenen door het wuur te doen vernielen mitsgaders die geene dewelke haar 't zij door die contrijen, of wel in zee van daar komende mogten ren„ „constreiren te visiteeren en bij bevinding in desselve van eene „ga der drie hooft specerij ged„t bodemptjes in den grond te boo„ „renen, de daar op gevonden werdende manschappen als specerij dieven met de dood te doen stroffen, om hem dus eenmael de lust te beneemen tot al sulke onder kruij„ pingen inden inportansten tak van 's Comp„s privati„ „ven handel, en om daar door toe te sluijten den wag, die tot dat eijnde door waaghalsen al vrij onbevreest werd in geslaegen, niet sonder niet sonder vrugt afgeloo„ pen maar selfs een aansienelijke quantiteijt na„ „gulen op de negorij Haija aan de zuijdkant van ceram leggende, agterhaalt is, en dat men bij gelegentheijd ook volgens de daar van alhier ter secretarij berustende papieren ontdekt heeft, dat uijt de negorijen aan die kant geleegente weeten quamoer goeli oerang Enna Enna Batoelomi kamer Affang dauwang, quellemorij, quelleboom celor, kesselauw Van Amboina onder dato den 31: maij 1764. — Haloea Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. Haloeasa Hattoemetting werinama Hatehahoe Leijmoe, Haija en repas jaarlijks vaartuijgen op specerijen uijtgesonden worden, en dat die selfde negorijn dus voor suspecte sluijknesten moeten worden aan„ gesien, werwaarts van Nussalaut, en uijt de negorijen Hatoeana sirij„ sorrij, en ouw op Honimoa leggen de, op een clandestine wijs met kleij„ „ne vaartuijgen nagulen ver„ „voert en tegens Lijwaat Etc=a getrooqueert worden, gelijk ook uijt de negorijen oering, Lima„ en zeijt daar van de eerste on„ „der Laricque, en de twee laatste onder Hela sorteerende sijn, mitsg„s uijt de districten van Alang Hatoe Lille„ „vooij en eerie onder dit hooft casteel gehooren„ de, sonder dat men even wel ooijt de vervoer„ ders op dat heeft kunnen attrapeeren wat at„ „tentie, en moeijte ook daar toe is g'appliceert, geworden: soo is 't „daitimen, om na de g'eekde intentie van welgem: haar hoog Edelens dese jaar, op jaar toenemende specerij sluijkers met Eenige hoope 85 1.64 en Van Amboina, onder dato den 31: maij 1764— hoope van suxces te intimideeren en teffens het vaarwater omtrent dit gouvernement zuijver te hou„ den van alle zee schuijmers waar van de papouan de voornaamste sijn nodig heeft g'agt dit jaar met dat oogmerk weeder een kruijsvlootje uijt te rusten van vier pantjallings en ten minsten 24: orembaeijen, om zo de noord als zuijd custen van ceram te be„ kruijssen en daar toe om de noord te emploijeeren de pantjallings de liefde ende nagulboom met 12: orembaijen en om de zuijd de pantjallings De spion„ en de honimoa met 12: orembaijen mitsgaders als hoofden over dese expeditie aan te stellen, om de noord den vendrig Teeke goslingen om de zuijd den vendrig Matthijs guthart, onverindert het gesag dat de respective stuurlieden onder derselver hooger be„ vel exerceeren sullen over de zoo vaart, mits, nogthans de zaaken daar na geconstitueert zijn„ met elkanderen de het noodige beraemende, — „ Ten respecte van de commissie, waar in de voorsz: officieren gesonden werden sal op de vaartuijgen naar op sij sig bevinden, namentlijk de vendrig guthart op de pantjalling de spion, en den vendrig gosting op de pantjal„ ling De Liefde van de top van de maest waeijen een breede wimpel, Padra deselve dese rheede komen te verlaeten te meer dewijl zig onder die van den vendrig guthart sullen moeten Van Amboina onder dato den 31: maij 1764: moeten vervoegen de pantjalling de Honimoa ende orembaeijen van. . . . . . . . . . . . bemant met gemonteert met jnlanders metale stuckjes Haroeko. . . . . . . . . . . . . . . . . 27. . . . . . . . . 2. Laricque. . . . . . . . . . . . . . . . 22. . . . . . . . . Assaloeloe. . . . . . . . . . . . 22. . . . . . . . . . . . . . 2 oering. . . . . . . . . . . . . . . . 22. . . . . . . . . . . . 2 waccasieuw. . . . . . . . . . . . 22. . . . . . . . . . . — Cabauw. . . . . . . . . . . . . . . 32. . . . . . . . . . . . . . . 2 Lima. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32. . . . . . . . . . . . . . . — Tolehoe. . . . . . . . . . . . . . 32. . . . . . . . . . . . — caijlolo - - - - - - - - - - - - - 32. . . - - - . . . . 2 Pelauw. . . . . . . . . . . . . . . 30. . . . . . . . . . 2 Aboro. . . . . . . . . . . . . . . 29. . . . . . . . . — waar van de Eerste ses met den zig de orembaij van Assaloeloe bevinden den stuurman jacob De klerk sullen moeten loopen tussen het land van haroeko, Leijtimor, en Hitoe daar tot agter het land van Honimoa om ten fine zig weder op xepate ver„ „eenigen met de overige ses onder het bevel staan„ „de van het hoofd der bekruijsing om de zuijd den vendrig Guthart. — Terwijl zig daar en tegen onder de wimpel oma. . . . . . . . . . . . . . . 30. . . . . . . . . . . . . — van 87 1764 vllngelandt
English
of Ensign Gosling must proceed the chaloup de Nagelboom, with orembaais of Manned with Monted with Natives small arms Rohmonij 26 2 Ouw 28 2 Titawaij 31 2 Hila 21 2 Oelat 28 2 Iawaka 29 2 Hoelalieuw 26 — Zeijt 22 — Nollot 29 — Poorts 29 — Leijnitoe 25 — Ameth 30 — in order, thus combined, having departed from here and gotten outside this bay, the first squadron under Ensign Guthart, around the corner of Nussanive, to turn the prow toward the south-west end of Ceram, in order to sail eastwards along the south coast thereof according to the attached sailing orders, to the end that, having arrived at the latitude of Honimoa, to pay close attention to the vessels that from there and Nussalaut as well as Wassoeoma and Aboro from From Amboina dated 31: May 1764. there From Amboina dated 31: May 1764. there under Haroeka might cross over to Ceram, and to inspect the same upon encounter, and finding that they contain any spices, to scuttle them and to punish the crew sailing upon them with death as spice thieves, without applying any consideration or connivance in that regard. Furthermore, also to inspect the above-mentioned suspicious places situated along that tract of Ceram, and thoroughly to search the ravines and caves, which are already partly known to you, and in which the cloves brought thither in a clandestine manner are concealed, for the recovery of the same, provided that you cover yourselves sufficiently with the accompanying militia, and in passing narrow paths guard well against the caltrops, wherewith the same are often set, seeking to overpower and destroy by fire foreign vessels found on that suspicious coast, or in any places not permitted by the Dutch Company, without however, under pretext of spice smuggling, 89. 1764 3 u doing any injury to innocent traders, whose trade will be protected on all sides by an exemplary infliction of punishment upon those who might make themselves guilty of vexations or extortions with respect to them. Of the above-mentioned places, Haija, Repa, and Lijmoe, being held as suspicious above all of carrying on an illicit trade in spices with the Bugis, by whom the latter's orang kaya, who resides with his people in the mountains, is covered and protected, must especially be paid a visit, as well as Hatoeasa, where in the past year a mestizo citizen is said to have been with his vessel and carried on an illicit trade at Leijmoe. And whereas the intention is that Ensign Guthart, who at present is destined first of all to the south coast of Ceram, shall not only inspect the suspicious places along there, but also, subsequently, towards the end of the month of April, when the south-east winds, which provide a lee shore on Ceram's south coast, From Amboina dated 31 May 1764 begin From Amboina dated 31: May 1764 begin to blow through, proceed to the north side, and at the latitude of Waroe join with the second squadron cruising there, or the pantchiallangs de Liefde and de Nagelboom, provided with the necessary orembaais under the command of Ensign Gosling, after he, Guthardt, in passing, shall first have paid a visit to the traditionally famous smuggling nests Keffing, Ceramlaut, and Poulo Gisser, and examined whether there is also anything to be recovered, to the end that, having then joined together, they steer from the third point of Ceram's north-east coast or thereabouts north-north-east toward Misool, yet so that you can always keep the shore of Ceram in sight, as it seems not improbable that the pirates, returning from these regions, also sometimes betake themselves thither, or at least in that direction. The second squadron, under Ensign Gosling, whereof mention has been made hereinbefore, having consequently come outside this bay, 91 1764 3e From Amboina dated 31: May 1764. must set the course for the Three Brothers, and so on along Dry Rice Point to the Bay of Miera, in order to keep cruising back and forth through the Kelang Strait between that and the island of Manipa for the Papuan pirates and suspicious traders until into the month of May, in order then, after having called in passing at the islands Poulo Ficus, to proceed along Ceram's north coast to the post Sawai, to the end of being informed by the sergeant stationed there, Dirk Christoffels, both as to the insecurity of the places situated thereabouts with regard to the said pirates and their whereabouts, and as to the suspicion that he might have of this or that village chief that they colluded and conspired with the Papuans, or made themselves guilty of any illicit trade in that primary article of spices, in order thereafter to take the necessary measures for the destruction of that predatory and murderous rabble, and for the recovery of what has been plundered and smuggled, without prejudice to the speed which by the said Ensign Gosling shall
Dutch transcription
van den vendrig Gosling moet begevende chialoup de Nagelboom, met orembaijen van. . . . . . . . .. bemant niet gemonteert met stukjes Inlander 7 Rohmonij. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26. . . . . . . . . . 2 ouw. . . . . . . . . . . . . . . . . . 28. . . . . . . . . 2 Titawaij. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 31. . . . . . . . . 2 Hila. . - - - - - - . . . . . . 21. . . . . . . . . 2 oelat. . . . . . . . . . . . . 28. . . . . . . . . . 2 Jawaka. . . . . . . . . . . . . . 29. . . . . . . . . . 2 Hoelalieuw - - - - - - - - - - 26 - - - - — zeijt. . . . . . . . . . . . 22. . . . . . . . . — Nollot. . . . . . . . . . . . 29. . . . . — Poorts. . . - - - - - - - 29. . . . . — Leijnitoe. . . . . . . . . . 25. . . . . . . — Ameth. . . . . . . . . . . . . 30. . . . . om dus geconbineert van hier vertrocken en buijten desen in hem geraakt wesende het Eerste smaldeel on„ derdeen vendrig Guthart, agterde hoek van Nussanive om de steeven te wenden na het zuijd west eijn„ de van Ceram om daar langs de zuijd kant oost„ waards heen te zeijlen nade hier nevens gevoegde zeij„ „laas ordre ten fine op de hoogten van Honimoa geko„ „men wesende, wel te letten op de vaartuijgen die van daar en Nussalaut mitsg„s wassoeoma en Aboro van Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — daar Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764. — daar onder Haroeka na Ceram over mogten steeken, en deselve bij rencontre te visiteeren, en Bevindende datse eenige specerijen in hebben, in de grond te booren ende daar op vaarende man„ schappen als specerij dieven met de Dood te straf„ fen sonder eenige consideratie of coniventie daar omtrent te gebruijken Voorts ook de hier voorwaarts vermelde su„ specte plaatsen, langs die streek van Ceram gelegen op te neemen, ende klooven en hoo„ „len die uE: ten deele reets bekent sijn, en waar in de op een Clandestine wijse aldaar aangebragte nagulen geborgen werden, wel te door snuffelen ter agter haling van de„ selve mits zig door de ten dien eijnde me„ de gaande militie genoeg dekkende, en in 't passeeren van naauwe weegen wel voor„ „siende tegens de voetangels, waarmede deselve veeltijds beset sijn, soekende de te dier suspec„ „te Cust, of op eenige buijten de nederlandsche Comp: gepermitteerde plaatsen gevon„ „ven werdende vreemde vaartuijgen te ^ te vernielen zonder egter op pretext van overmeesteren, en door het vuur ^ specerij sluijkerij 89. 1o64 3 u sluijkerij eenige overlast te doen aan onschuldige „dige straffiquanten, welker handel allen thal„ ven sal werden geprotegeert door een Exemplai„ ^straf oeffening omtrent de sodanige „rie ^ die zig ten hunnen opzigte aan vexatien of concussien mogten schuldig maeken- van de boven gem: plaatsen moeten Haija repa„ en Lijmoe, als boven al verdagt gehouden werden„ „de van met de Bougineesen, door wien des„ laastens orangcaij die met de zijne in't geberg„ te woont gedekt en beschermd word, omgeoor„ loofden handel in specerijen te drijven, in sonder„ „heijd een visite gegeeven worden gelijk ook Hatoeasa alwaar in't gepasseerde jaar, een mitties burgen met sijn vaartuijg zoude geweest en op Leijmoe mors„ „handel gedreeven hebben En dewijl het oogmerk is om den vendrig guthart, die thans voor eerst na de zuijd Cust van Ceram gedistineert is niet alleen de suspecte plaatsen daar langs heen op te doen neemen maar ook onvervolgens tegens het uijt eijnde van de maand April, wanneer de zuijd ooste winden die op Cerams zuijd cust een lager wal geeven Van Amboina onder dato den 31 maij 1764— beginnen Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764 — beginnen door te waeijen, na de Noordkant te loopen, en zig op de hoogte van waroe te con„ „jungeeren met het aldaar kruijsende twee de smaldeel of de pantjallings de liefde, en de Nagulboom, voorsien van de nodige orembaeijen onder het bevel van den vendrig gosling, na dat hij guthardt em passant al„ voerens de van ouds befaamde sluijknes„ „ten keffing, ceramlauwt en Poulo gisser mede een visite sal gegeeven en g'Exami„ „neert hebben, of daar ook iets te agterhaelen is ten fine als dan te samen geconjungeert weesende van de derde hoek van Cerams Noord oost„ cant of daar omtrent ko vier noord op na Milca„ al te steeken, dat vE: egter altijd de wal van ceram in't gesigt kunnen houden wijl het niet onaannemelijk schijnt, dat zig de roo„ „ers, van dese contreijen te rug keerende, ook som„ tijds derwaarts of ten minsten die kant uijt be„ ven Het tweede smaldeel, onder den vendrig gosling, waar van hier vooren gesproken is zal den gevolgelijk buijten dese bhaaij gekoomen 91 1o.64 3e Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — gekoomen weesende de cours moeten stellen na de drie gebroeders, en zo voorts langs drooge rijst hoek na de bogt van Miera om over en weer door kelangsengte tussen dat en 't Eijland Manipa op de papouse roovers en suspecte han„ „delaars te blijven kruijssen tot inde maand meij om zig dan (na de Eijlanden Poulo Ficus empassant eens aangedaan te hebben te begee„ ven langs Cerams noord kant na de post zawaij ten fine van den aldaar posthouden en den serge„ ant dirk Christoffels g'informeert te worden zo van de onveijligheijd der daar omstreeks geleegene plaatsen ten aanzien van gedagte roovers en hun opanthoud, als van de suspitie, die hij op deese of geene negorijs hoofden mogten maaken datse met de papours colludeerden en samen span„ den dan wel sig schuldig maaten aan eenigen morshandel in dat voornamen articul der speclerijen, om daar na de noodige maatregu„ te neemen ter verdelging van dat roof en moortsugtig gespuijs en ter agterhaaling van tiet ge„ „roofde en geslookene onvermindert de spoed, die door gem: vendrig gosling sal
English
93 From Amboina, dated 31 May 1764. must be made, so as to cruise along the entire coast at the latitude of Wahoe, or a little further at the third point, to join with the cruisers coming from the south under the command of Ensign Guthart, and then subsequently, united with a combined force over which, once joined, the said Gudhart shall have and retain the supreme command, to head northwards to Mixoal, without however losing sight of the coast of Ceram, to such end as has already been noted herebefore, and of which the observance is recommended to you all, expecting that nothing will be left unvisited which you might in any way judge could serve to the detriment of the pirates and the thwarting of their piracies, as well as the interception and capture of 1764 3 of the so disadvantageous and harmful smugglers. In order to make you succeed better in this undertaking of yours, the aforementioned orembaais are primarily destined and also provided in this expedition, because they are suited to enter all corners and rivers by both rowing and sailing, as your transport vessels, which however, in case of one or another enterprise with those craft, must remain as close to them as is ever possible, in order to cover them with your artillery and secure them against all unforeseen attacks and assaults. However, since information has been received that, as a signal to the Cerammers that the fairway is without cruisers and therefore safe for the smugglers to sail upon the spice-producing districts, night fires and signals are lit and given from the mountains, you are therefore informed thereof for your guidance, in order to also be attentive to that signal between Amaheij and Repa. From Amboina, dated 31 May 1764: And From Amboina, dated 31 May 1764. And so that the chiefs of the negorijs which you will happen to call upon may not be alarmed by any untimely movement of firing or anything similar, you, wishing to come on board, shall solely, as a signal thereto, let the white or peace flag fly, without firing a shot according to the ordinary custom, because the people of the negorijs are then too easily given occasion to put themselves in a posture of defense and resistance, or, having made themselves guilty of illicit trafficking in spices, to hide the cloves, as happened in the past year at Haija and other places on the south coast of Ceram. The combined cruising shall have to continue on Ceram's north coast until into the month of October, to then return again to this main settlement; namely, Ensign Guthart along the north beside Vonoa, and the mainland between Kelang and Manipa through to the bay of Miera, as well as Ensign Gosling along 1764 3 From Amboina, dated 31 May 1764. along the entire south of Ceram, behind Saparoua and Hitoe. Yet in case you should unexpectedly suffer a shortage of this or that provision in the meantime, you are authorized to send one of the four pantjallings hither to fetch the same. So that each of you and the men under their command may properly perform their duty in this cruise, and be encouraged to courage in intercepting and capturing the pirates and smugglers, it is promised to them, pursuant to the authorization of Their High Nobilities in their venerated separate letter of 31 December 1763, that everything intercepted shall belong to the captors, provided that the spices are delivered to the Company at the purchase price, and the war material according to valuation; of which notice must be given publicly before the mast to the soldiers and sailors on the respective vessels, and noted in the journal that this was done. In case it should happen to occur that you along Ceram's coast or elsewhere in these regions should happen to meet one or more foreign European ship or ships with the intention of making acquaintance and friendship with the natives, or with other intentions, you shall immediately, in accordance with the 17th article of the Instruction which is usually given to the cruisers to south and north Ceram, and is now also given to you to regulate yourselves by, in so far as the same does not contradict the contents hereof, send to them two of the most suitable, discreet military men, namely non-commissioned officers, provided only with their sidearms, and without making many circumstances, or engaging in any discourse, have them hand over to the commanding officer on board such a written protest as 12 of which are given to you for that purpose. From Amboina, dated 31 May 1763. along with 97 1764 3 au
Dutch transcription
93 Van Amboina onder dato den 31: maij 1764. — sal moeten worden gemaakt om zo alkruijs„ sende langs de geheele cust op de hoog„ te van wahoe, dan wel een weijnig ver„ der aan de derde hoek te conjunigeeren met de van de zuijdkant komende kruijs„ onder sers het bevel van den vendrig guthart en dan vervolgens te saamen met een parige magt waar over geconjungeert sijnde, gesegden gudhart het hoogste gezag sal hebben en behouden noordwaarts op te steeken na Mixoal, sonder Egter de wal van ceriams buijten het ge„ sigt te loopen, ten sodaenigen eijn„ de als hier voorwaarts reets genoteert staat, en waar van vE: alle de observan„ tie werd aanbevoolen, in verwagting, dat niets onbezogt sal gelaaten worden wat uE: maar eenigsints oordeelen mogten te sullen kunnen strec„ „ken tot afbreuk van de koovers, en tot verijdeling van haare piraterien, Mitsg„s tot agter haaling en overmeestering van 1764 3 van de zo nadeeligen en schadelijke sluijk„ handelaars — Om vl: te beeter in dese hunne onder neeminge, te doen slaagen sijn princi„ „ael gedestineert, en in deese expeditie mede gegeven de voor geciteerde orembaeijs om dat die geschikten zijn om zoo met roeijen als zeijlen alle hoeken en ri„ vieren te kunnen inloopen als uE: trans„ port boodem die egter in cas van de eene of andere entreprise met die vaartuijgen 4o na bij deselve sal moeten blijven, als maare immers doenlijk sij, omse met uE: geschut te decken, en voor alle on„ voorsiene toe en aanvallen te beveij„ „ligen Maar aangezien men g'informeert is dat tot een teeken voor de Cerammers, dat tot „en dus vijlig voor de smokkelaars het vaarwater sonder kruijssers ^ te bevrren is op de specerij gevende districten nagts vuuren en seijnen van het gebergte opgestocken en gegeeven werden zoo werden vl: daar van ter hune narigt ge„ meede praeadverteert, ten eijnde ^ op dat teeken tussen „Amaheij en repa attent te konnen zijn Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764: En Van Amboina onder dato den 31:' Maij 1764. En op dat de hoofden van de negorijen die uE: sullen koomen aan te doen, door geene ontijdige beweging van schieten of iets dier„ gelijks mogen worden geallarmeert, sul„ len uE hem aan boord willende koomen eenlijk tot een seijn daar toe moeten laaten waeijen de witte af vreede vlag, son„ der na het ordinair gebruijk een schoot ^ om dat de negorijs volkeren dan te doen ^ te ligten occasie gegeven word om hem in postuur van defensie en tegen weer te stellen, of ook wel zig schul„ „dig gemaakt gen hebbende aan morsserije in specerijen de nagulen te verbergen zoo als a„o p„to op Haija en andere plaatsen aan Cerams zuijd Cust is geschiet Datte bekruijssing sal den gecombineert moeten continueeren aan Cerams noord cust tot inde maand october om dan weder nu dese hooft plaats te retourneeren te weeten, den vendrig gut„ part langs de noord besyden vonoa, en de vaste wal tus„ sen kelang en manipa door na de bogt van Miera, mitsg„s den vendrig gosling langs 1764 3 Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764:—. langs de geheele zuijd van Ciram agter„ Saparoua en Hitoe om, Dog ingevalle uE: intussen tegens ver„ „wagting gebrek aan dese of geene mond behoeften mogten krijgen werden uE: gequalificeert om als dan eene van de vier pantjallings: herwaarts te senden ten afhaal van deselve op dat een ider uwer ende onder hun gezag staande manschap zig in dese kruijstogt behoorlijk van hun pligt mogen quijten en tot manmoedigheijd werden g'incoura„ geert om de roovers sluijkhandelaars te agterhaalen en te overmeesteren, werd aan ^ingevolge deselve de qualificatie van haar hoog Ede„ beij lens bij deze selver gevenereerde aparte mis„ sive van den 31: December 1763: belooft dat „ al het geene wat agterhaald werd voor den agter aanhaelen zal zijn mits dat de specerijen na den inkoops prijs, en het oorlogstuijg volgens taxatie aande Comp: gelevert werden, waar van oversulx aan de soldaaten en mat„ „troosen op de respective vaartuijgen bescheijden publicq voor de mast- sal sal moeten kennis gegeeven, en bij het jour„ nael aangetekent worden, dat sulx is ge„ schiet, — Jngevalle het mogte koomen te gebeuren dat vE: aancerams Cust, dan wel elders in dese contrijen een of meerder vreemde Europeesen schip of scheepen quamen te ontmoeten met in„ tentie om kennis en vriendschap met den inlander te maaken, dan wel met andere in sigten, sullen vE: inmediaat conform het 17: articul van den Jnstructie, die de kruijssers na zuijd en noord Ceram gemeenlijk„ en ook tans vE: meede gegeven word, om zig daar na in zoo verre deselve den in„ houd deses niet is contrarieerende, ook tene reguleeren twee van de geschicktsten wille venste militairen /namentlijk onder officieren /eenlijk met hun zijdgeweer voorsien, na deselve moeten afsenden, en sonder veel omstandigheden te maken, of zig in eenig discours in te laeten aan den daar op commandeerenden officier door ren doen overgeeven een sodanige schriftelijk protest, als tot dat eijnde 12: aan vE: worden Van Amboina onder dato den 31: Maij 1763. — mede 97 1764 3 au
English
From Amboina, dated 31 May 1764. also given, observing above all that the Company's respect and dignity be in no way offended, nor by your doing or carelessness the least occasion be given to such foreign nations for any fundamental complaints about discourteous or uncivil treatment, for which you in such case shall be held accountable and corrigible according to the findings of the matter. Of everything that may occur to you in this expedition worthy of note, not only must an accurate record be kept, but notice must also be given to me as soon as possible via the nearest post or residency of the Company, while I expect that you will conduct yourselves in all encounters as men of honor, whereto I wish you the blessing and powerful support of God Almighty. Remaining for the rest, underneath stood: your friend, was signed: W: Fockens, in the margin: Amboina in Castle Victoria the 23 March Anno 1764, underneath stood: Agrees, was signed: F: Hommas, secretary. Report 99: Report of what occurred from 23 April to 7 May 1764 under command of Ensign Gutthart. Monday the 23rd of April, in the afternoon, the wind east to south-east. We, seeing that the easterly winds were increasing from day to day and that we had light northerly land winds at night, and moreover that the appointed time to be at Hating was drawing very near, saw no chance with the bantjalling to properly visit the remaining settlements of the south coast of Ceram, namely the settlement of Zeijlor, seeing that it was not inspected last year, yet coming in the Honorable Company's letter with the sloop De Noteboom, and the commander of the fleet last year having been cruised about this with express orders to inspect that settlement of Zeijlor most strictly, because intelligence had arrived that half a coyan of cloves was hidden there. But it From Amboina, dated 31 May 1764. was 99 1764 3rd part From Amboina, dated 31 May 1764. was impossible for the aforesaid cruizers to go across, this being situated between Ceram Laut and the others; they resolved by a majority of votes for the time of 3 to 4 days, that is to say three to four days, to take the remaining eight orembaais along the shore and inspect the settlements as much as possible. Taking the necessary ammunition with them, they went to the shore and came to anchor before the settlement of Hattinette in the evening at 8 o'clock. Tuesday the 24th ditto, saying at 4 o'clock we weighed anchor and sailed along the shore at daybreak, and came 101 From Amboina, dated 31 May 1764. came before the settlement of Batoeassan, landed there, inspected the settlement both up on the cliff and below, and afterwards the river, but found nothing; the houses were very empty. The natives stood at a distance and looked on. Then we went back on board and set course for the cliff of Papo. At 10 to 11 o'clock we landed east of the cliff, but had to retreat immediately, it being low water and the beach being set with a multitude of treacherous rocks both under water and above. We saw the bantjalling lying abreast of us at sea, about 3 miles. We sailed around the cliff and landed west of the settlement or cliff, inspected the river and beach, but found nothing. We reconnoitered the cliff around and saw that the passage to ascend was very narrow. 1764 3rd From Amboina, dated 31 May 1764. narrow, and was heavily occupied with people of all kinds of nations, armed with blunderbusses, snaphaunces, and other native weapons. In addition, the roads were so occupied from bottom to top with heavy rock slides and tripwires that at the first movement they could roll them down. All this having been well observed by them, we saw clearly that we could make no attack there without great loss, and resolved to go back on board. This being done, we set course east along the shore. We found a large stone reef lying about a cannon-shot from the shore, but dry at low tide; this reef lies between the cliff and the first point 103 From Amboina, dated 31 May 1764. point of the shore on the east side, in the middle; we also found another reef not far from the said point of the shore, at an equal distance and of the same size and sort. At 4 o'clock we came to anchor before the settlement of Kisuleaet, landed at once, went to the settlement, found the trees lying across the river had been cut down and the people of the settlement ready to defend themselves. Upon our request they refused to let themselves be inspected, but seeing that our men were preparing to cross the river, they began to retreat. Our men, having made themselves masters of the river bank, inspected the houses, but they were empty; we searched the woods and river, but found nothing, went back on board and remained lying at anchor. Wednesday the 25th, at 3 o'clock we weighed anchor, sailed with a land wind along 1764 3 From Amboina, dated 31 May 1764. along the shore. At 7 o'clock we came before the settlement of Zeijlor, landed at once. The natives refused to let their settlement be inspected, saying that they must first have permission asked for this from the Raja of Kelliemoerie. Upon this answer we launched one of the orembaais standing on the beach and sent the mate, the clerk, with 8 men across the river to get a foothold. Being in the middle of the river, those of Zeijlor shot at them with small arms and arrows and bows, firing at them from behind breastworks. We answered the same with our small arms. Our men being quickly across the river, the fire became general from three places. But our men pressing in upon them through the thorns, they began to flee and yield, and left us masters of the settlement. We inspected immediately, found in all the houses and in many hollow bamboo tubes bags with cloves, and in the river
Dutch transcription
Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. mede gegeeven voor al observeerende, dat 's Comp: respecte en agtbaarheijd geenzints gekrenkt, nog door uw toedoen of onvoorsigtig„ heijd de alderminste occasie aan diergelijk vreem„ de natien gegeeven werde tot eenige funda„ „menteele klagten over onheusche of incivile bejegeningen, waar over uE: in zulken geval zullen aansprekelijk en coorigibel sijn na bevending van zaken. — Van al het geene uE: in dese Expeditie van eeni„ „ge aanmerking mogte voorkomen sal niet al„ geen een accurate aantekening gehouden, maar ook so dramoogelijk over de naaste„ „post of residentie van de Comp: aan mij Nen„ nis gegeven moeten worden, terwijl ik ver„ wagte dat uE: in alle rencontres sig als mannen van eer zullen gedraagen, waar toe ik hen den zeegen en kragdadige ondersteuning van god Almagtig toe„ „wensch Blijvende voor 't overige (onder„ stond/ ul: vrind /was geteekend / W: Fockens/ in margine / Amboina in 't Casteel victoria den 23: Maart A„o 1764, /onderstond/ Accordeert/ was getekend/ F: Hommas secret„s. Relaas - 99: Relaas van het voor gevallen van den 23: April tot 7„de Meij 1764: onder Commando van den vaendrig Gutthart, Maandag den 23=ste April agtermiddags de windt oost=t Z: O: wij ziende dat de oostlij„ ke wende van dage tot dage doe naemen ende inde Nagt fleuwe noordlijke landwindse hatten daer bij de bepaelde deijt op ketting de wee„ sen seere genaddeert wats wij geene kans saegen met de bantjalling de nog restee„ rende Neories van de zuijt kust van see„ voor ram na behooren aan de doen naemend„ „lij de negorie zeijlor dezelve ziende voorlae„ den jaere niet geviesendeert cend dog in deE hedl: Compies brief met de Chialoepe de nooteboom gekomende einde Ede Hoof„ ste van de vloot sohleeden jaere om de„ se geweest gecraeust met uijt Tri„ kende ordre die negorije van zeijler op het scharpste de veesen deeren om dat narigt koo„ „men dat daar een halfe Cojan Negoch ge„ borgen was maar het Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. was 99 1764 3 deu Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. —. was voor naem kraensen onmooglijk overstiel de gaen leggende disser Poeligisser en de zeeramlaut uijt die reeter resolveerten met Een baerigheijd van stemmen voor de deijt van 3: â 4: daegen segge drie â vier dagen niet de nog resteerende agt orembaeijs on„ derde wal heen de scheppen veel als mogelijk de nigorijen de versendeeren Naemende te noodigte ammoenitie meete gingen na de wall en de qua„ men bevosten de negorie van Hattinette den anker 's avonds on8 uur— Dingsdag den 24:' ted:o seggende om 4: uur ligten anker schipten onder de wallheen met aenbreeken van den dagt qua„ 101 Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764. — quamen voor de negorie batoeassan landen aldaar vieserdeerten de ne„ gorie so well op de klipp als benee„ ten ende naderhandt de revier dog vonden niets de Haen seer leegde inlanderse stonden van veere ende saegen om doe wij gingen weer na boordt setten Caers na de klip van Papo om 10: â 11: uur landen beooste klip maar moeten der stont week weg zeijnde laeg waeter ende de strandt met Eene meenigte vale klippen so well onder waeter als der booven geset is saegen De bant„ „jalling twaas of van ons in zee zza:3 mijl schepten de klip rondt ende Landen bewesten de negorie af klip viesendeerden de revier en strand maar vonden niet besig digten de klip in trondt ende saegen dat de bas„ „sasche om op de koomen heel Naen - 1764 3 e Van Amboina onder dato den 31:' Maij 1764. Naer was, daar doe sterk met volk van allerhande naties besett„ gewaepent met Traijpasse snaephaene ende ander jnland waepens daar en boven wassen de weege soo daenig mett swaere steen solosssingen ende op stuitten stonden besett van beneeten tot vooren dat op de Eer„ „te beweeging deselve gollen ko„ sten dit alle haer well geopser„ veert zijnde saegen wij well dat wij kleene attaque sonder groot verlies daer op doen kosten resolveerden na boordt de gaen so geschiet setter Coers om de oost langs de wall vonden Een groot steenen riff leggen Een sonder ca„ „non schott uijt de wall maar duijssen bijde vallende hett riff ondiepte dit riffLeijt duijssende klip ende de Eerste hoek 103 Van Amboina onder dato den 31:' maij 1764: hoek van de wall om de oost zeijde in de mittel nog vonden Eene ande„ re niett voor noemte hoek van de wall op gelijk distantie en van dito groote en zoorde om 4: uur quaamen voor de negorie kisuleaet den anker landen een stondt gingen na de ne„ „gorie vonden de boome so op de ri„ „vier geleegen af geworden ende het negories volk klaer om haer de deevendeeren weij genden op on„ se vraege haer de laeten viesen„ deeren maer ziende datt onse valk naer bedeet om over de re„ vierde koomen begosten zijde deijnsen de onse van de bagger„ meester zeijnde viesendeerden de haeser maer zij wassen leeg door sogten de bosse ende revier maar vonden niets gingen weere na boordt bleeven ge„ ankert leggen S woensdag den 25:=ste om 3: uur lig„ „ten anker zeijden met Een landt windt langs 1764 3 Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764:— langs de wall om 7: uur quaemen voor de negorie zeijlor landen der stondt de inlanderders wij gerden ons negorie de laeten viesendeeren seggende dat bij hij de radie van kelliemoerie Eerst daer toe om permische ma„ sten laeten vraegen op deese andwoort bragten Eene van de op strandt staende oorembaij de waeter ende stuerten de stuurman de clerk mett 8 man over de revier om lost de vatten dezelve mittel op de revier zijnde schooten die van zeijlor uijtshand geweere ende Peijle ende boogen op hem de laeten den mett vandaquen het selve beant„ woorden wij uijt onbehand geweere onse volk bardeij over de revier zeijnde wierd heff viuer al gemeen van drie plaetse— maer de onsen op haer in dringende door de toorne begostende vrij ende de Teijlen ende lieten ons meester van de nego„ rie wij visendeerden der stondt vonden in alle Haenser ende in veele rompe Pompe sakke mett Nagoelen ende in de rivier
English
From Amboina, dated 31 May 1764. river, the cloves, being packed thick, were thus thrown in, and we also found in the river a new iron cannon of six pounds, the carriage on the beach; we raised the cannon, but not being abundantly provided with powder to blow it up and saw no chance of taking it with us, judged it best to throw it into the cloves, which was done; and going back into the river in one orembaai, found therein some ammunition and some bottles with powder and a sack with cloves; in the small boxes were 170 to 180 bullets of 1/2 lb. caliber, Chinese or Javanese cast; a small box with 140 to 150 bullets of 8 lood caliber of beaten lead, with another 100 to 160 musket balls cast of fine lead; the people of Ceijlor attacked us another two times at two different places at the same time, but were beaten off; meanwhile an Amboinese slave came running up to us from the village of Mamala, relating that very far inland in the forest along the river, 1764 From Amboina, dated 31 May 1764. up the river lay 4 paduakang, each manned with 16 to 18 men; that the people of the 4 vessels and those of the village had made a special effort to hide the cloves far in the forest, but the place that had been prepared was unknown to him; during all this the easterly wind increased so much that we could no longer stay without danger of running some of our orembaais aground and losing them; for that reason we had to resolve to abandon going further inland, step off, and go on board; we set fire to the village, throwing the cloves which we could not take with us into the fire to burn, set fire to the sampans standing on the beach along with the vessels lying among them, weighed anchor, and stood off again to the west; at 5 o'clock we came again before the village of Kiese, dropped anchor; shortly thereafter a slave from the village of Boeron came to us, named From Amboina, dated 31 May 1764. named Moena; we remained lying at anchor through the night; Thursday the 26th at 2 o'clock in the night weighed anchor, set course east into the sea to intercept the bantjalling; at daybreak and sunrise could perceive nothing round about; fired a fair base shot; at 7 o'clock braced off, set course to the west to run along the beach and the village of Hattimette to see if the bantjalling was along the shore, seeing the beach with the village and perceiving nothing, we braced off, running along the shore; at 8 o'clock passed the village of Batoeassas, shortly thereafter Tolo, and at 2 o'clock came again before the village of Kiese, dropped anchor; because we had had a strong land breeze and the current had run along with it during the night to the east, we presumed that those of the pantjalling had taken this opportunity, especially as the monsoon was so far advanced and that they had gone further on to Keffing; for that reason we resolved to follow them at the earliest opportunity; in the evening at 7 o'clock weighed anchor, got under sail with a fresh land breeze, and ran along the coast; Friday the 27th of April at sunrise saw the island of Poeli Gossa 2 miles from us, had rainy weather, steered toward the same island; at 8 o'clock were close before the village of Battelomie, but could not land because of the rainy weather; upon our approach the village people set fire themselves on the beach to some vessels that stood on the shore and lay in the river; the fire lasted more than an hour; the people threatened us by firing muskets and shooting arrows into the water, but the rain was far too heavy to make a landing; From Amboina, dated 31 May 1764. From Amboina, dated 31 May 1764. at 10 o'clock braced off and set course for the village N. N.; upon our landing the village people fled from us and went into the forest; inspected the houses, but they were empty; went into the forest, but found nothing further; at 12 o'clock got under sail again, set course toward the village; at 2 o'clock arrived before the village, but could not land because of the low water, a strong penetrating headwind, and a shooting southeasterly swell; set course along the reef in order, if possible, to slip through the passage of Keffing; caught the current from the west to the east with us, and passed the passage of Keffing happily in the evening at 8 o'clock; and between 10 and 11 o'clock dropped anchor between Poeligisser and Leeren with all eight orembaais; Saturday the 28th at sunrise the two orangkayas of Poeli Gisser came on board to welcome us; met a native freeman of Banda, the latter having 1764 From Amboina, dated 31 May 1764. a valid pass from Banda; the orangkayas related to us that the heavy war which they had had the previous year with those of Keffing and Ceram Laut still continued; we requested the orangkaya to give us a small orembaai and dispatch it with a letter as far as Ley-moeyen to the bantjalling, where they were friends; he promised us this at once; in the afternoon handed the letter over to the orangkaya, and the orembaai departed in the evening; in the afternoon found the island destitute of people and the houses empty, but much of the Honorable Company's powder; Sunday the 29th at 3 o'clock in the morning at high water 4 orembaais weighed anchor and went into the bay to clean and careen themselves; in the evening the orangkayas brought fresh water for us; Monday the last of April at 12 o'clock we were ready with the orembaais, hauled off from the beach, and went to anchor again by Poeloe Gisser; the other 4 went under sail to clean themselves as we had; the orangkayas brought us water and firewood; we ourselves fetched water with them; Tuesday the 1st of May at 12 o'clock noon at high water the 4 other orembaais came back over toward us, had [illegible]
Dutch transcription
105 Van Amboina onder dato den 31:' Maij 1764. rivier de Nagoelen hande dik dreijven so gestort waeren meede vinden in de re„ vier Een nieuweijser canon van ses pond de laveet op strandt wij ligten hett ca„ non maer niet overvloedig met kraent versien zijnde om hett de sprengen ende kane hans saegen meete de neemen oor„ deelsten hett best om het de over Nae„ goelen so geschiet ende gaente hett weer in de revier van den Eene oorenbaij daar in Eenige ammonitie ende Eenige boelis met kraent ende Een baersakke mett Nagaelen in de kasjes waeren 170: â 180: coegels â ½ lb. caliver schinees off ja„ vaans gegooten Een kassje mett 140: â 150: koegels â 8: Loodt caliver van geslae„ gen loodt mett nog 100 â 160. snaphaen coegels van Fine gegooten het volk van Ceijlor attaqueert ons nog twee keer aen twee disserende plaatje de glijk maar wierden off geslaegen in die quaem Een Amboneese slaef bij ons ophoo„ pen uijt de negorie van mamalaans ver„ „raelende dat heel verre inde bossende revier 1764 vingelandt Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — rivier op 4: Radoeaken elke mett 16: â 18: mann bemand laegen dat de volk van de 4: vaerdenge ende die van de nego„ zie Een besondere haens hatten gemaekt om de nagaelen de bergen dog hell inde boff maar de plaets den gemaakt hem Onbekent jn alle deese uijt naem de ooster windt soodanig doe dat wij niet langer kleijven kosten sonder gevaerde loop Eenige van onse oorembaijs deegen strandt de verlieden uijt die reeden moesten resolveeren van verder op de gaen af de stappen ende Na boort de geeen staek de negorie in brandt gaanten de Nagoelen soo wij niet brengen kosten in hett vuier verbranden, de stee„ ken de op strandt stand schampeans mett die daar onder leggende vaer„ denge in brandt ligten anker on„ se staeken weer om de west om 5:' uur quaemen weer voorde ne„ „gorie kiese laet den anker kort nadato quam eene slaven van de negorie Boeren bij ons mett namen 107 Van Amboina onder dato den 31:' Maij 1764:— namen Moena bleeven snagts g'ankert leggen Donderdag den 26:e om 2: uur snagts ligten anker setten Coers oost na zee om de Bantjal„ „ling de onder scheppen mett aan breeken van den dag ende sons op gang kosten Niet introndt nog verneemen deeter Een Fraij bas schoott om 7: uur brasten off setten Coers om de west om de strandt en de Negorie van Hattimette op de looppen om de zien of de bandtjalling onder de wall de strand ziende mett de negorie ende niets verneemende so brasten wij ot schepten„ de wall langs Passeerden om 8 uur de ne„ gorie batoeassen korst na dato To„ 1/o ende quamen om 2: uur weer voor de negorie kieselant den anker, om dat wij twee starke land windt hasten ge„ hatt ende de stroom mee„ „te in nagts om de oost ge„ loopen so presumeerden wij dat die van de pantzal„ „ling deese occasie waar geno„ „men voor namentlijk dat de meesson so veere ploopen waer en der 164 3 a en der verder op na keffing gegaan waeren uijt die Reeden resol„ „veerden wij haer den Eersten de volgen savonds om 7: uur ligten anker gingen met le„ „ne vrisse landt windt onder zeijl liepen langs de wall Vrijdag den 27=te April met sons opgang saegen hett eijland Poeli gos„ sa 2. meijl van ons hatten keegen agtig weer stierten op het zelve Eijlandt af om 8 uur waerendigt voor negorie Bat¬ telomie maer kosten niet lan„ den door het veegen agdig weer bij ons naderen staeken de negoreijs volk eenige vaerden„ „ge so op den wall stonten ende in de rivier lagen selver in de strandt hett viuer dieurte langer als een uur hett volk dregte ons uit me lasbranden van sna„ phaenen ende schieten van Peijle in hett water maar de reegen was all de swaer om Eene landing de doen Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. om 109 Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764: om 10: uur prasten aff ende setten coers Nade Negories N: N: bij ons landen plies de negories volk ons ende 1 ging inde boss viesendeerten de hoen„ ser maar zij waeren leeg gingen in de Bassmaar verder niets om 12: uur gingen weer onderzeijl setten caers na de negorie quamen om 2: uur quamen voor de Negorie qua„ men maar kosten niet landen om hett lage waeter ende staerk door drin„ „gende affte windt ende renschieten de z: o: deijning setten Coers langs hett riff om so hett mooglijk het gatt van keffing de door de scheppen kreegende stroom van de west om de oost meete ende passeerten hett grit van ketting 's avonds om 8: uur geloekig ende quaemen om 10: â 11: tussen Poeligisser ende Leeren laant den anker mett alle agt oorembaijs Saterdag den 28=ste met sansopgang quamen de twee orembaijs van poeli gisser, bij ons aan boordt om ons de verwill koomen als moeten Een Jnlandse vreijman van Panda deese laets te hebben Een 1764 3 eu Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764. Een gaezje Pas van Panda de oremkaijs verhael„ ten ons dat de swaere oorlog die zij voorleeten„ jaere mett die van ketfing eerde zeeramlaut hatten gehast nog duurte wij versogten de orangkaij ons Eene kleene orembaijde geeven ende die mett Een brieff tot na Leij moejen destieven bij de Bantjalling aff waar zij de vrienden waest dezelve beloofdte ons der stondt hett agter middags gaevende brief over de wenkaij ende hett oorenbaijze ver„ trok 's avonds agtermiddags maar vonden de Eijlandt vt ontbloodt van volkende de Handser leegmaar veell Edh Comp: krant Zondag den 29=ste om 3: uur soggends mett hoogwaeter ligten 4: orem„ baije hett anker ende gingen in de bagt om haer schoonde maeken ende de Calraeten s avonds bragten eans de ooren„ kaijs vors waeter voor ons Maendag ultimo April om 12: uur waeren mett de koorenbaijs Claer: haette van strandt ende gingen weer bij poeloe gisser, den an„ ker de andere 4: gingen onder sijl, om haer, so als ontschoonde maaken de ovenkaijs bragten om waeter en de brandthaut wijsel„ „ve haetten waeter met Eene Dingsdag den P=mo Maij om 12: uur 'smiddags met hoog waeter quae„ „mende 4: andere ovenbaeijs quaemen weer over stier haette raet
English
From Amboina under date the 31st of Maij 1764. had water and firewood, the orang kaya brought us water and firewood. Wednesday the 2nd of Maij had the same water until the afternoon; rain until about 2 o'clock, then with a strong west wind; and at 3 o'clock saw a large orembaai come around the point of Seramlaut. We immediately weighed anchor and pursued it onto the reef. The same flew a Prince's flag on the tarp and a toppat Prince's flag on the staff. The orembaai did its best to come over the reef. We fired 5 shots at it, whereupon it went ashore. But seeing that he could not escape us, he came back to us from the shore. It was the radja of Ceramland with his vessel. He, being asked who he was, said radja of Kilfissin, but the mate De Clerk, convincing him that he was from Ceramland, the latter finally confessed yes. Went to anchor in the bay of Ceram Laut. Set some armed men ashore, inspected the negorij and woods, but found everything empty; but in the houses and under the same lay a multitude of empty Company's kraantvaten of 50 to 100 lb, mostly quite new, but empty. Thursday the 3rd at daybreak I ordered the mate De Clerk with 3 orembaais to scout the island of Ceram Laut, which was immediately done. Around 1 o'clock in the afternoon the same returned to us and reported the following: As soon as I had passed the 4th point counted from the bay, I saw a large number in that bay, and in the same around 70 to 80 vessels lying at anchor. The same, seeing that my sail kept on and I approached them, dispersed and took flight, but went together through the strait of Ceram Laut and the island of Goram. Then they separated again; some set course toward the islands and toward Goram, but some ran along the shore of Ceram Laut. I followed the latter as hard as I could. The Corporal Goram got a small jonk under fire, fired upon it, and the crew jumped overboard. The Corporal took it in tow and followed us. We ran as hard as we could, but could get no more under fire. Finally we came into a bay and saw many vessels lying against the shore; by these the other fugitives had gone to lie. The orang kaya of Poeligisser came on board with us. I asked him what kind of vessels those were; he said from Pauligissen. Why they had fled, as we had shown them no hostility; but the orang kaya said women and children were in them, who were afraid of Europeans. I asked what kind of vessel that was which we had taken; the orang kaya said that it did not belong to them, but to those of Ceram Laut. I went to anchor before the vessels, the number lying stretched out being 47. I went with 6 European soldiers to the vessels, down below deck, which being filled up with chests and clay pots, could not well be inspected. Wanted to transfer part of the goods into another vessel in order to be able to inspect it in the presence of the orang kaya and the people standing nearby. But against this the people on the shore opposed, pretending that they did not want their goods damaged. I deemed it best to go on board first, weigh anchor, take the captured vessel in tow behind the aak, and if possible bring it here, as I have done. We inspected the vessel and found sacks and salt-baskets full of wild nutmegs and some mace of that kind, with some cloves. We asked the radja and the people of Ceram Laut whether that was their vessel, but they unanimously said no. Then we pulled the same high onto the beach and burned it. Friday the 4th of Maij at 4 o'clock weighed anchor, set course toward the island of Keffing. At daybreak landed off Keffing, where the natives had already fled into the mangrove forest, but at the 4th negorij there was still an orembaai with people, among them 10 to 12 with flintlocks. The mate De Clerk called out to them not to be afraid, but to come back to shore; but those of the orembaai fired upon ours and did their best to go deeper into the mangroves. Ours fired at them as far as we could reach them. Inspected the houses, but found nothing except many empty Company's kraantvaten, of which most were still quite new. Before the landing, the orang kaya of Arake came on board with us. At 11 o'clock weighed anchor, went to anchor again between Poeligisser and Ceramland. At 5 o'clock the orang kaya of Poeligisser came with six orembaais, saying he was going to the negorij of Oering to fetch the orembaai that had departed with the letter from us, being afraid to come here because of the people of the orembaais of the island of Keffing, but that the same would bring the letter or the answer to it early the next day. Resolved that as soon as we had the answer to the letter, to set sail and make for Rakiraki, and further to Sawaij. Saturday the 5th in the morning at 4 o'clock made preparations to set sail. At half past four o'clock sent our orang tua to the shore to fetch the letter from the orang kaya for us; but approaching the shore and seeing the multitude of armed people, he immediately turned back, but not yet being on board
Dutch transcription
111 Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — haette waeter ende brandhout, de ooren kaij brag„ te ons waeter ende branthout woensdag den 2=de Maij haesten selve waeter hatten tot agter middags reegen tot om 2 uur, doe mett Een sterke west windt en 3: uur saegen Eene groote oorenbaij om de haek van seramlaut koomen wij ligten der staandt 't anker ende besetten hem op 't riff deszelve voerte Eene Printjen Terp vlagge en den de Een toppet te Printjen vlaggaen de stok de oorenbaij deet haer best om over hett viffchen de koomen wij deeten v: schoot op hem waerde zel„ „e ging na de wall dog ziende dat hij ons niet ondloopen kosten quam van de wallweer bij ons hett wass de radja van zeeramlandt mett zijn valk naer, hij gevraegt zeijnde wie dat hij was seggende radie van ketfing lag maar de stuir„ man de Clerk hem over daengende dat hij van zeeramlaut was) bekende den laatsten van ja gingen inde bogt van zeeram Leaut den anker setten Eenig gewaap„ „pent volk aen de wall viesendeer„ „den de Negorie ende bosse dog von„ „en alles leeg maer in de Haenser ende onder dezelve laegen Eene meenigte ledek Compies Kraenk 1764 3 e kraent vaett van 50: â 100 lb: de meeste bart nieuw maar leeg. Donderdag den 3=ste mett aenbreken van den dag Commandeer„ „de Ik de stuurman de Clerk mett 3: orembaijs de Eijlandt zeeramlaut hondt de scheppen so der stondt gedaen wierdt omtrent 1: uur in de agter middag quam dezelve weer bij ons en de rapordeer„ de volgendes zoo drae als ik de 4=te hoek gepas„ „eert was van de bogt af gereekent soo saag Eene groote in die bogt ende Jnde zelve rd=tot 80 vaerdinge den andie anker leggen dezelve ziende dat mijn zeijl bleefende ik na haere doe quam verstraenten haer ende naemen de vloegt maer gingen wierde saemen hett gatt van seeramleaut ende de Eijland van goram door doen gingense weer uijt malkander baerdij setten duijssende eijlande ende tot goram Coers maer bar„ deij liepen langs de wall van zeeramlaut, ijk volgte de laetsde so kart als ik koste de zyn Corpo„ „rael goram kreeg Eene kleene joonk de onder schot schot daer op en de hett volk sproeng overboordt de Corporael naem kom op sleep te anende volgte ons mij liepen so hart als vrijkosten maar kon„ „den keere meer onder schotten kreegen den laets den quamen in Eene bogt saegen Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — veel 6 Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — veel vaerdenge deegen de wall leggen bij dese gin„ „gen de andere vluigt lier geleggen de orenkaij quam bij ons anboort van poeligisser yk vrag te kem watt datt voor vaeridenge waeren hij segte van Pauligissen waerom dat zijge vlugt dawij haer dog keene vijandschapp gedoont hatten maar de oorenkaij segte vrou en de kinderen daar in waeren die te voor Europeese bangen wae„ „ren, ik vraegte watt dat voor een vaerdeng waar, so wij genomende oorankaij segte dat zij niet van haar maer aan die van zeeram„ lauit doe behoorte ijk ging voor de vaer„ „denge anker leggen zeijnde hett gedall van 47: gestrekt leggende ging ik met t 6: Europeese soldaeten na de vaerdenge tot onder tek doe mett kisten ende tant pott„ „jes opgeviult zijnde kosten met wele wesendeeren willten de goeters baerdeij in Een ander vaerdeng over gaeven om de kennen vresendeeren dat inde presentie van de ovenkaij op standt staende volk maer waer deegen sig de volkers aan de wall setten voor geevende dat bij haere goeders 113 1764 3eee Van Amboina onderdato den 31: Meij 1764. goeders niet welten geramponeert heppen oor„ „deelte jk hett Eerst na boord de gaan an„ „ker op de legten hett genoomen vaardeng op de Ake sleep daun de neemen ende soo hett mog„ „lijk hier de brengen so ik gedaen hebbe wij vie„ „sendeerd en hett vaerdeng, ende vonden sakke ende zoutbettjes voll van manninges Noote en Eeni„ „ge voeli van die soort mett watt Nagoelen wij vroegen de radie en de hette volk van zeeram„ „aut off dat haer vaerdeng wals meer sij seg„ ten eenhaerig van meen doen haetten wij hett selve hoog op strand ende verbrandens, Vrijdag den 4=ste Maij om 4: uur ligten anker setten Coers op hett Eijlandt koffing mett aanbreeken van den dog Landen off ketfing waar de jnlanderswae„ ren all nademange bass gevluigt maer beijde 4=ste negorij wass nog eene oorenbaij mett volk daer onder 10: â 12 mett snaphaen waeren de stuurman de clerk roepte haer toe niet lange de weetsen maer weer aan de wall koomen maar die van de oorenbaij geeeven vuur op onsen ende deelten haer bestomdiepper in de mange mange de gaen de onse vuurende op haer soo veer als wij haer bereijken kosten visendeerden Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — de Hamser maer vonden niets als veel leege hedb compees kraent vaete daer van de meesten nog veel nieuws waeren voor hett landen quaem de orenkaij van arake bij ons aan boort om 11 uur ligten anker gingen weer duissen Poeligisser ende zeeramlandt den anker om 5 uur quam de ovenkaij van Poeligisser met ses oorembaijs seggende nade negorie oering de gaen om de orembaij de haelen diete met de brief van ons vertrocken waer, sijnde bange hier te koomen voor hett volk van de orembaijs van hett Eijland keffing maar dat deselve de brief of de andwoordt daer op des anderen daags vroeg brengen seante re„ sol veerden dat sodaae mij de antwoorst op de brieff hatten ander zeijl de gaan ende na rakiraki of de steeken en de verder Na sawaij Zaaterdag rd:s den 5 ste 's morgens om 4: uur sloegende dief omklaerigheijt de maeken ondezeijl de gaan om halff vijff uur steerden onse ooren Touwa na de wall om ons de brieff met de van deoor„ „ren kaij de haelen maar de wal naerderend ende de meenigte van de gewaebent volk ziende quam derstond weer overstier maar nog niet aanboort z zijnde 115 1764 3 e e N
English
From Amboina, dated 31 May 1764: being received wind from swivel guns and flintlocks, a hail of bullets from the shore, our orembaais; shortly thereafter another multitude of the same kind, of 30 to 40 orembaais and larger vessels, which were armed with 3 to 4 large swivel guns and a multitude of flintlocks. These came from the corner of Poeli Gisser and beset us from the front. As soon as we weighed anchor and some cut their ropes, set the sails, gave with our swivel guns and small arms, partly at the shore, partly at the vessels pressing strongly upon us, which we could not well approach because they had heavy, thick planks for their breastwork and flanks. We did not come under sail and fought our way through successfully, did the enemy much harm as long as they could approach around the flank, so that several vessels were set on fire. The orembaai Cailoelo did not weigh its anchor, but remained lying there. In passing by, we saw not one man of all the crew on board; however, the corporal Garno with 4 native soldiers were ashore. After we had passed over the reef, the orembaai Oering did, where this under-officer, From Amboina, dated 31 May 1764: Wonderling, with 2 soldiers was on, their best with rowing and sailing, so that he was so far ahead that one could barely see the hull of the orembaai. Following it was the orembaai of Capean, manned with 4 soldiers and one poschieden; Nakasiwe 4 soldiers; Doeliehean 3 soldiers; but the orembaai Negorie Lima waited for us, could not help us, having no blunderbuss, and had to withdraw from the engagement. The orembaai Larik was short of crew, half the crew having jumped overboard and swum to shore, could not follow well. We remained with him, seconded one another; but the breeze shifted and the enemy pressed upon us from all sides, redoubled their force, shooting with swivel guns and flintlocks, and approached in strength. The fire became severe; those of the orembaai Larike defended themselves bravely with the blunderbuss and small arms, but the crew ran away from the paddles. The wind shifted, and the orembaai ran into the rigging; the sail fell against the mast, so that according to our presumption some misfortune must have befallen the man at the helm. The orembaai, catching fire, was boarded by 4 vessels. 117 1764 3 March From Amboina, dated 31 May 1764: vessels, where both the commander and soldiers still defended themselves with blunderbusses and small arms until the last moment, but the enemy being too strong, they were overwhelmed. After this, the enemy pressed upon us with all their might, and under a continuous fire from both sides we steered behind our fleet, steered toward the aforementioned Negorie Lima, which was not the best at rowing. The enemies still pursued us all with all their might and continuous fire. The Negorie Lima began to fall behind, having 2 wounded; we seconded them and forced two enemy orembaais that were the closest to back water; but we were becalmed again. The enemies came at us again, 6 orembaais strong. We fired some flintlock shots at other orembaais to wait for us, but in vain; everyone did their best to escape. The Negorie Lima fell back again; the Serammers pressed strongly upon him. We gave way and seconded our comrade; but the enemies, seeing that they were not closely followed by their comrades as they needed, and that we stayed with our comrade, sheared off and tacked away. Those of ours who had run ahead then began to wait for us. 119 From Amboina, dated 31 May 1764: Upon approaching them, they made the report of the dead and wounded according to this list. The Europeans of the four orembaais that had run out of the engagement, being asked why they had abandoned us, stated clearly that they had not been able to compel the Ambonese to paddle out of the fight; they had wanted to use force, but the natives had been ready to jump overboard, and kind words had had no effect, having to let the native have his will; and we must believe this, because with all the men on our orembaai we had to force the Ambonese from their paddles. We resolved to proceed directly to Sawaij to have the wounded bandaged and to seek provisions, which was done. At 4 o'clock in the evening passed Atroeki. The loss in this engagement consists, besides the two captured orembaais, of 1 European soldier and an Ambonese killed, who were buried overboard in the evening; wounded: 2 Europeans, among them myself with 4 buckshot wounds, two native soldiers, and 3 Ambonese. Sunday, 6 May, at sunrise could see nothing around us; at 10 o'clock passed the Kleen 1764 3 From Amboina, dated 31 May 1764: Kleen Hotti, continued our course to Sawaij. The orembaai Negorie Lima reported that the soldier Pirke Kreijn had died of his wounds. The orembaai Wakesive reported that an Ambonese had died of wounds. Continued course to Sawaij. In the evening we encountered some heavy squalls from the northeast with rain squalls, came to anchor in a bay so as not to lose each other, but missed the orembaai Capean. Monday, 7 May, in the morning at 2 o'clock anchored, but at 3 o'clock had to anchor again due to bad weather; at 5 o'clock weighed anchor, set course for Sawaije; at 11 o'clock arrived before the settlement of Fattile. The orembaai of that settlement came alongside us. In the evening at 9 o'clock we came before the Honorable Company's post of Sawaij at anchor, brought our wounded, the number of 4 Honorable Company's servants and 3 Ambonese, ashore to have them bandaged. Underneath stood: Conforms. Was signed: F: Hommas, First Secretary.
Dutch transcription
Van Amboina, onder dato den 31: Maij 1764:— zijnde kreegen windt uijt randaquen ende sna„ phaene Een hargel van coegels uijt de wall onse oovenbaeijs kort daar na eene andere meenigte van dito soort van 30. â 40: oorembaijs ende groote„ re vaerdenge soo mett 3. â: 4: groode randaquen gewaepent waaren ende Eene menigte snaephoena deese quaamen van de hoek van Poeli gisser en„ de besetten ons van vooren so drae wij anker ge„ „ligt en de sommiga haer tauwe gesneeen setten de zeijle bij gaefen met onse randaquen ende hand geweeren alde mitz op de wall aldemitz op de ons sterk aendringende ende vaerdeng die wij niet well kosten bij koomen om dat de zelve swaere dike Planken tot haere Porst weering ende vlan„ ke hatten wij quaamen niett ons sonder zeijl ende sloegen ons geloekig door deeten de vij„ and veel quaat solange als deselve om de vlank kosten bij koomen dat overscheijde vaerdenge in vlante laegen de oorenbaij cailoele heeft zijn Anker, met geligt maar leggen gebleeven wij saegen in hett voor bij scheppen keen len van alle hett volk, meer op de dog de Corporael garno mett 4: Jnlandse soldaaten op de scheijen waaren na dat wij over het giff gepasseert waeren deet de orembaeij oering daer desenrseland wonderling Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764. — wonderling met 2: soldaten op wast haer best. mett roejen en de zeijlen dat hij so veer voor uijt was (dat men hett holl de oovenbaij boess sien koste haer volgt drorenbaij van Capean bemandt mett 4: militairts ende Een poschieden nakasiwe 4: militairs, doelie hean 3: militairs maar de orembaij Negorie Lima wagte ons koste ons niet hellen hebbende keine Traij basse ende moste uijt hett geregt de orenbaij Larik wass swak van volk zijnde de halffe volk over boordt ende aan de wall geswommen koste niet well volgens wij bleeven bij hem se„ „ondeerden malkander maar de Coelte verplante en„ de de vijande droengen van alle kanden op ons in verdop„ „elten haere kragt niett schieten uijt randagren ende sna„ phaene en de naederten met magt hett vuier wierdt scherpt die van de oorembaij Lanike weerden haar tafo„ „per, mett de Treijbasse en de handt geweeze maar het welk liep van de deijons weg de wind vervlante en de orem„ baij liep inde wandt hett zeijl viel deegens de mast dat na onse presamatie de man aan droer Eenig onge mak„ moeste zeijn over ge„ „koomen de orembaij in vlante leggende Een derte haar 4: vaerdenge 117 1764 3e Maar t Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — vaerdenge de gelijk de opschieten ende soldaeten de„ vendeerten haer nog met Traijbasse ende hand gewee„ ke tot de laetje mirnst dae maar dev ijande de sterk zijnde wierden overmeestert na dit draeng de vij„ andt mett alle magt op ons ende onder Een gestae„ „dig vaier van wers zeijden stuirden wij agter onse vloodt stuurden na de oorsz: de negorie sima doe zijnde de Niet de beste mettroijen de vijande vervolgten ons nog alle mett alle magt ende gestredig vuir„ de negorie Lima begost de saken hebbende 2: ge„ quetste wijse candeerden haer ende twoengen twee vijandtlijke oorenbaijs sode naaste waer en agter uijt de aeijnsen maer kreegen weer stilte de vijande quaemen weer 6: oorenbaijs sterk op ons aff wij deeten eenige snaphaans schoote op andere oorenbaijs om ons in de wagten maer vergeeff Elke deet zijn best om de ontkoomen de negorie Lima sakte weer de serammers droengen sterk op hem wij dijnste ende secondeerte onse maet maer de vij„ ande ziende dat zij van haer maets met wierten schart gevolgt als zij noodighatten ende wij bij onse maet bleeven brasten aff ende gingen over steek de onse so voor uijt geloopen waeren begosten doen ons in 119 Van Amboina onderdato den 31: Maij 1764. — de wagten bij haer naedering deeten de rapport van de dojen ende gequeste volgens deese Leijste, de Europeese de vier oorenbaijs so uijt hett gezegt geloopen waeren vraegende waarom dat zij suiden ons verlaeten hatten seggende baerig dat zij de amboneesen met hatten turngen konnen om mest deijangen uijt de scheijden sij hatten wellen, gewelt gebran„ ken maer de jnlanders wassen claer geweest over Boordt de gain ende goeze woorden hatten niet kennen hebben maar den jnlander zijn wille laeten, ende wij moeten dit gelooten om dat wij mett alle maen op onse oorenveel moeten hat„ ten den ambonees van zijn deijan aff de bren„ „gen wij resolveerden direkt na sawaij toe gaan om de gequeste de laeten verbinden ende provisie de soeken so geschiet 's avonds om 4: uur passeerde Atroeki hett verlies in dit gezegt bestaek baenten de twee volleooren baijs dose 1: Europees soldaet en Een am„ „onees so'savonds overboord bengeset gequeste 2: europeese daer on„ „der jk selve mett 4: Ramschoote twee inlandse saldaeten en de 3: amboneesend Zondag den 6: maij met sons opgang kosten niets in't rond hem om 10: uur Passeerden den kleen 1764 3 Van Amboina onderdato den 31:' Maij 1764:— kleen hotti vervolg ten onse coers na sawaij de oorenbaij negorie Lima deet rapport vat de soldaet Pirke Kreijn aen seijne quettsier overleeden was, de ooren bij wake sive rappardeerte dat Een amboneese so ande quettsier overleeten was vervolgten coers na sawaij s avonds kreegen Eenige swaere paeren, uijt den N: O: mett reegen baenen gingen in heere bogt den aker om niet malkan„ „der de reeken maer vermisten de oorenbaij Capeanom Maand„l den 7=te maij 'smorgens om 2: uur anker maer moesten om 3: uur weer door slegt weer den anker om 5: uur ligten anker setten coers na sawaije om 11: uur quamen voor de negorie t fattile de oorenkaij van die negorie quam bij ons aenboordt savonds om 9: uur quamen voor de Eedh: Compies Post sawaij den anker bragten onse gequet„ ste hett gedall van 4: Edhl Com„ pies dienars ende 3: amboneesen aan de wall om haer de laeten verbinden /onder„ „stond /Accordeert /was ge„ „teekend / F: Hommas en Secretaris so
English
121 From Amboina, dated 31 May 1764. L: S To Josias Alexander De Filsanaer Esqr Sir This serves to inform you that the ship Revenge under my Command came into this Port on the 10th Inst: being much distressed for want of sustenance as we had a Number of sick people on board and were in want of wa- ter which we have been supplied with and are now under sail bound to Manila on the Island of Luconia /below stood/ I have the Honour to be Sir / lower / Your Most obed:t servant /was signed/ Jn Watson in the margin Danaij 15 Jan: 1764 For the Company: Today, the 9th of February in the year 1764: Appeared before me, Eduard Homma, junior merchant and secretary of police, present the witnesses to be named hereafter, Gan 1764 3rd Mel From Amboina, dated 31 May 1764. Gan Poanko, Chinese and inhabitant of Siam, who, at the requisition of the Right Honorable Venerable Mr. Governor and Director of this Province, Willem Fockens, came to state as the pure truth how, about a year ago, he, the declarant, sailed on the gonting of the Chinese nakhoda Ganseng, manned with seven other of his fellow Chinese and nine natives from Siam, to Johore to sell rice, after the completion of which he departed from there again to Semarang to purchase the aforementioned grain with that same purpose, and to transport it to Johore aforesaid; but on that voyage, coming close to Palembang, they met an English ship, whose name and shipmaster remained unknown. . From Amboina, dated 31 May 1764. The aforementioned shipmaster or captain had sent on board to him some Moors who, on the orders of their ship's commander, came to buy 10 lasts of rice, which had been agreed upon for sixty rixdollars per last, requesting furthermore pigs for the payment of 63 rixdollars of [illegible] per piece, all of which goods were fetched with the boat of the ship and brought on board with them, after which he, the declarant, went to the aforesaid vessel, requesting the master of that vessel to obtain payment for what had been delivered, which said master refused, and for the reason that, in the transshipment of the above-mentioned goods, the captain's slave boy had gotten into a quarrel with one of the Chinese, to the extent that they came to blows and one had dealt the other some punches, and on account of which, instead of payment, 123 1764 velnelandt payment, they put him, the declarant herein, in irons. Yet, going under sail, they released him until the time they cast anchor in the Batavia roads, where the irons were put on him again de novo. Yet after a stay of 10 days, setting sail, he was granted freedom from irons as before, indeed even until, at the height of Sawai, the resident military officer stationed there came on board, whose intercession he, the declarant, requested, the more so and on the grounds that the aforementioned slave had already healed from his slight injuries, which request he also obtained, and thus was then sent to shore almost naked and destitute, and further via Manipa with the vessel of that chief landed here. With which the declarant concluded this his declaration, remaining prepared, if necessary, to confirm the same under oath. Thus done, executed, and deposed at Amboina at Castle Victoria, on the date aforesaid, in the presence of Jacob Knop and Joh:s Janssen, clerks at the police secretariat, who signed the minute hereof, along with the deponent and me, the secretary. /below stood/ Which I attest /was signed/ E: Homma, secretary. From Amboina, dated 31 May 1764. Today 125. From Amboina, dated 31 May 1764. L: S: For the Company: Today, the 26th of May, Anno 1764. By the honored order of the Right Honorable Venerable Mr. Willem Fockens, Governor and Director of this province, before me, Eduard Homma, junior merchant and secretary of police, and the witnesses to be named hereafter, having appeared the gunner in the Company's service, Evert Sievers, stationed at the post of Sawai, who came to relate and declare that there, on the 10th of January, in the evening around half past eight o'clock, a heavy cannon shot was heard, whereupon he, the declarant, was sent by the postholder, being Sergeant Dirk Christoffelsz, to the Raja of Sawai, in order to request some crewmen, and subsequently to go to sea with a prahu, and to ascertain where that shot came from; after obtaining whom, he sailed seaward with eleven men up to and around the island of Sapalauwe, where in the morning, at sunrise, he saw a three-masted ship sailing, from which a Company or Prince's flag was flying, wherefore E 1764 3rd March From Amboina, dated 31 May 1764. they sailed toward it to learn the name of the ship and the cause of the shot; yet, having come close to that vessel, he was shouted to in Dutch, asking who he was and that he should come on board, which question was answered by the declarant in the same manner with a similar question regarding the name of the ship, and to which was answered in reply: From Batavia, and we are in distress for water and firewood; yet, since the declarant could perceive no name, he resolved to turn back, but by the tacking of that ship was compelled to come on board, as he had thereby fallen under the guns, and, upon closer approach, received a thrown rope into the prahu, with which he was hauled on board. Having crossed onto it, he, the declarant, repeated his questions, and received in answer that the ship was named the Revenge, coming from Batavia, and having the intention to sail to Manila, to deliver it back again; whereupon he, the declarant, requested to report thereof to his postholder,
Dutch transcription
121 Van Amboina, onderdato den 31: Maij 1764. — L: S Po sosias Alexander De Filsanaer Ewek Pir This servesso inform jonthas tte schip Rievenge onder mij Commandeamen into this Pertin – the 10:th Ins:t: being minitt digstre ssid her„ want of u sustinente as we had a Number of sutn piopli en boardand wien in want of wa„ ter whiik we havibeen supptijd withandant nero ander sail leound so Maninila en the Island of Denoima /onderstond/ Thewe the Hennor tobe sor / Lager / Jour Most bbed:e servant /was geteekend/ In watson in margine Danaij 15: Jann: 1764 voor d' Comp: Heeden den 9 Februarij anno 1764: Compareerde voor mij aud Eduard Homma, onder Coopman en secretaris van Politee, present den natenoemen getuijgen gan 1764 3e Mel Van Amboina onder dato den 31 Maij 1764. — Gan Poanko Chinees en jmvoonden van siam dewelke ter requi„ sitie van den wel Edelen heer Achtb: Heer gouverneur en directeur deser Provintie willem Fockens als de suijvere waar„ heijt quam op te geven hoe nu circa een Jaar geleeden hij de Clarant per den gonting van Chineesen anachoda ganseng„ bemant met nog seeven sijn ner meede chineesen en Neegen jnlanders van Siam gevaren is na Johoor ter verkoop van rijst na welkers ver„ rigtting van daar weder vertroc„ ken na Samarang om voormelt graan met dat selve oogmerk in te koopen, en na Johoor voorsz: over te voeren dog op die reijse digt bij palembang komende ontmoet hun een En„ „gelsche schip, welkers naem en schip heer onbekent is gebleven . Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. gebleven hebbende erengerepten schip heer of Capitain bij hem aenboorte gezonden Eenige mooren die uijt last van hun scheeps„ hooft quamen koopen 10: lasten rijst, die veraccordeert was geworden voor sestig E rd=s jeder last, versoekende wijders var„ kens voor de betaling van 63. rd„s af greal p„r p„s alle welke goederen met de schuijt van het schip zijn afgehaalt, en aan hun boort gebragt, waar na hij de Cla„ rant sig na voorsz: bodem begaff, met versoekt aan het hooft van dien batter om voor het geleverde betaling te mogen erlangen, het gint gemelde hooft weijgerde, en wel om redenen, dat In't overschepen van boven gementioneerde goede„ „nen des Capitain slave jongen met een der Chineesen was in krakeel geraekt, In soo verre dat kant gemeen waren geworden en den een den ander eeni„ „ge vuijstslagen had toe„ „gedeelt, en waar om jnstede van betaling 123 1764 velnelandt betaling sij hem declarant in desen In de boeijen sloten Dog onder zeijl gaende largeerden tot tijden wijle op de Bataviase rhede anker wier„ „pen, daar hem de novo de boeijens weder wierden aangedaan Edog nae een verblijff van 10: dagen onder zeijl zakende hem als vorens vrijheijt van boeijens wierd vergunt, ja selvs soo lange tot op de hoogtte van sawaij den aldaar militeerende posthouder aanboordt quam, en wiens voorspraek hij declarant versogt te meer en op funda„ „ment dat boven gerepten slaef bereeds van desselvs geringe blessurem genezen was, gelijk ook verhoff verkraeg, en dus dan bijna naakt en beroeijt na dewal wierd gezonden, en en wijders over Manipa met dat opperhoofts vaartuijg„ herwaarts is aan gelant, Waar meede den declarant dese zijne verklaring quam te eijndigen, bereijt blijvende deselve des noods met Eede gestand te doen, Aldus gedaen gepasseerden gedeposeerd tot amboi„ na aan 't Casteel victoria dato voorsz: ter presentie van Jacob Knop, en Joh:s Janssen, clercquen ter se„ „cretarij van Politie die de minute deses, nevens, den Re„ „latant ende mij secretaris hebben onderteekend /:onderstond/ quod Attestor /was geteekend/ F: Hommas secretaris Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764 Heeden 125. Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. L: S: voor d Comp: Heeden Den 26 Maij A„o 1764. — Ter geeerde ordre van den wel Edelen Achtb: Heer Willem Fockens, gouverneur en directeur deser provintie, voor mij Eduart Homma ondder Coopman en secretaris van politie en nae tenoemene getuijgen, gecompareerd zijnde den bosschieter in 's Comp„s dienst Evert sievers bescheijden ten poste zawaij zoo is denselven komen te relateeren en verklaeren, dat aldaar op den 10: Jann: savonds omtrent haffagt uuren een swaere canonschoot gehoort wierd, waar op hij de clarant door den posthou„ der sig sergeant dirk Christoffelsz: gesonden wierd na den Radja van sawaij, ten Eijnde Eenige quart slieden, te vragen en vervol„ gens met een prauw in zee te gaen, en te verneemen waar die schoot van daen quamna erlan„ ging van dewelke hij met Elff koppen zeewaerts geschapt is tot af en aan het Eijlandt sa plauwe, alwaar in de moo„ „gen stondt met 'sons opgang een drie mast schip zag zeijlen, waer van een 's Comp„s of prince vlag waeij, naar omme E 1764 3e Maar Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — omme daar na toe zetleden om den nam van't schippen de oorsaak der schoot, te verneemen dog digt bij dien batter gekomen sijnde wierd hem in 't holland toegeroepen wie was en dat aan boord soude koomen, welk vraag door den de clarant in selver voegen met een soortgelijke vraag na de naam van het schip beantwoordt— wierd en waare op in replicq volgde van Bata„ „via en wij sijn verlegen om water en brand„ hout dog vermits den declarant geen naam konde bekennen resolveerde hij te rug te kee„ ren maar wierd door overstaeg wenden van dat schip genoodzaekt aanboort te moeten „komen alzoo daar door onder het ge„ schut geraekt was en bij meer nadering een toegeworpen touw in de praau ontfing, waar meede na boort gehaelt wierdt Binnen 't welke overgekomen zijnde had hij de clarant desselvs vraaije herhaalt en in antwoort bekoomen het schip gen:t te zijn de Revensie komende van Batavia en hebben„ de de welna de Manilhas, om die weder over te geeven waar op hij declarant versogt om aan sijn posthouder daar van Rapport
English
From Amboina dated 31 May 1764. to be allowed to do so, the more so because he perceived that they were foreign nations, apparently consisting mostly of English, Spanish, Moors, some Dutchmen and a Chinese. However, he was prevented in this request, with the addition: you must stay here in order to bring me to a proper anchorage. Whereupon immediately 12 bottles of beer and a cheese were transferred into the prahu and the same was dispatched with greetings to the sergeant postholder, adding thereto, notwithstanding he insisted once again to be allowed to report in person, which was refused with the addition: I will not let you go before I have a secure anchorage. And after the prahu had reached the ship, a signal shot was immediately fired and the flag struck, whereupon the declarant also perceived that a two-masted boat came from the bay named Waeijhoetua towards and alongside, in which a deep-lead was used to sound the depths until with the aforesaid vessel they sailed inside the point of Roemasokat with a north-west wind, and towards the evening around 4 to 5 o'clock dropped anchor, whereupon immediately six sentries 127. 1764 3e From Amboina dated 31 May 1764 sentries divided over 3 different places were posted with drawn bayonets, after which the declarant requested for the 3rd time to go ashore to make a report, but could not obtain such; on the contrary, the commander immediately sent his skipper ashore with a request to the postholder for assistance of water, firewood, and some refreshments, under the assurance that no harm would come to his gunner, and when he, the commander, was provided with what was necessary, he would then let the gunner follow again. Furthermore, a little while after this, a report in English was made by the skipper who had returned on board, and the next day some vessels were sent on board by the sergeant to fetch water casks, and after several casks were transferred into those vessels, the commander went with his wife into the boat and sailed along to the shore, on which occasion the boat crew was always equipped with a drawn rapier and a pair of pistols, which former they laid down beneath themselves. Further, he the declarant had also observed that continuously in that boat also travelled a sailor's chest covered with a heavy tarpaulin, in which presumably more firearms or ammunition goods were stowed 129 From Amboina, dated 31 May 1764. were stowed. 2 hours having passed, the aforesaid commander and wife returned on board in the company of the sergeant, and after a short wait the declarant was licensed to go ashore with his postholder. 2 days after this, the skipper was sent by order of the commander again to the mentioned sergeant with the request that the gunner might come on board again in order to receive a letter that had been drawn up by the commander to the ruler of this province at the main Castle, which was granted and also carried into effect, after the receipt whereof that vessel set sail from there in the afternoon. Lastly, the declarant declared for consideration that this vessel everywhere between and below decks, wherever his eyes could reach, seemed to be particularly well provided with firearms and ammunition, as also that the boat crew now and then had brought some pieces of English fabrics and striped goods ashore, 8 1764 3rd year From Amboina dated 3 May 1764. ashore, though he had not noticed that there had been much sale in it, it being only known to him that the sergeant had taken a piece of striped cloth for jackets and trousers, but being ignorant whether the same was handed over to him by sale, barter, or as a present. Wherewith the declarant came to confirm this his declaration under offer of oath. Thus done, passed and declared at Amboina at Castle Victoria, date as aforesaid. In the presence of Laurens Lobrij and Abraham [illegible] who have signed the minute hereof together with me, the secretary, as well as the declarant, who confirmed it with his customary mark. Below stood: Quod Attestor. Was signed: G: Hommas, secretary. Batavia Macassar, 10 June 1764. From Batavia. To as before, Your High Noble Honours' highly venerated missives of 2 September and 31 December of the last past year having been duly delivered here, I shall have the honour to answer them dutifully, but in order to do so without confusion, to let the same flow into the following chapters while dealing with what has occurred with the vassals and allies, first testifying to Your High Noble Honours that it has given me singular pleasure to be able to perceive that my actions and arrangements had merited Your High Noble Honours' favourable approbation, whereby I then also consider myself sufficiently indemnified for the care and constant difficulties that this government provides me, and it shall serve as a stimulus to employ all my faculties with the same zeal and diligence in order to merit Your High Noble Honours' further approval. I shall then, as usual, have the honour to make a beginning with the Court of Boni, which, after the peace made with those of Peneki, has returned here again, as well as the king, as I already in my humble letters 131. 1764 3
Dutch transcription
E Van Amboina onder dato den 31: Maij 1764. — te mogen doen te meer om dat ontwaarde, dat het vreemde natien waaren, bestaan oogen schijn „lijk meest in Engelschen spaansen mooren, eenige hollanders en een Chinees Edog wierd in dit versoek tegen gehouden met toevoeging, gij moet hier blijven omme mij op een behoorlij„ „lijke ankerplaats te brengen waar op ook direct 12: bettels bier en een kaasin de prauw wierden overgemant ende selve gedepecheerdt met de groetenis aan den serg:t posthouder daar bij te voegen niet tegen staande nogmaals instierde om in persoon Rap„ port te mogen doen 't geen afgeslagen wierd met toevoeging, ik laat uw niet los, voor al een een vaste anker plaats hebbe en na dat de prauww aan 't schep, en was is op stond een zeijn schoot gedaan ende vlaggestre„ „ken waar vae den de clarant mede ontwaerde dat een twee mastige schuijt uijt de bagt gem:t waeijhoetua na en aan„ soort quaem maar in een dieploot gebruijkt wierd tot peijling der gronden tot dat met voorsz: batter de hoek van Roema sokat met een N: weste wind binnen seijl den, en tegen den avondt omtrent 4: â vijff uuren anker werpen „pen wanneer illico ses schild 127. 1764 3e Van Amboina onder dato den 31:' May 1764 schild wagten verdeelt op 3: diverse plaatsen met blote bajonetten gesteld wierden waarna den declarant den 3: male versogt nadewal te gaan om Rapport te doen, Edog zulks konde niet obtineeren ter contrarie sond den commandeur desselvs schipper aanstonds na de wal met versoek aan den posthou om adsisten„ tie van water, branthout en eenige verwersing onder verkkering, dat aan desselvs boschieter geen leeten soude geschieden, en wanneer hij Commandeur van het nodige voorsien was als dan den boschieter weeder soude laten vol„ „gen voorts wierd een weijnig hier na door C den aanboort geretauneerden schipper in 't Engelsche Rapport gedaen en wierden sanderen daags eenig vaartuijgen om water vaten te halen haalen door den sergeant aanboort gesonden en na dat ze redi„ „ge vaten in die vaartuijgen over gegeven waren gong de commandeur met desselvs vrouw in de schuijten voe„ ren mede na de wal bij welke gelegentheijd altoes het schuijtsvolks niet een bloot Rappier voorsien was en een paar pistolen welke eersten zij onder zig neder leijden wijders had hij relatant meede gere„ fecteert dat assidue in die schuijt mede voer een ma„ „trosen kist met een sware presenning gedekten waar in in presumptieve meerderge weeren of ammonitie goederen geborgen 129 Van Amboina, onder dato den 31: Maij 1764.— geborgen lagen 2 uren verlopen zijnde quam voorsch: commandeur en vrouw ingeselschap van den sergeant weder aanboort, en na een weijnig toevens is den declarant met sijn posthouder na de wal gelicentieert 2. dagen hier na is den schipper uijt ordre van den Commandeur weder bij gerepten ser„ „grant gesonden met versoek dat de bo„ schieter weder aan boort mogt koomen ten eijnde een brieff te ontfangen, die door den Com„ „mandeur aan den gesaghebber deser provin„ „tie aan 't hoofd Casteel was ingerigt 't geen„ is g'accordeert, en ook sijn beslag gekre„ heeft na welkers, en ontfangst die bodem van daar 's middags onder zeijl gegaen is,— Laastelijk declareerde den relatant tot speculatie dat dien batter over al tussen en onder deks waer sijne oogen konden wij den bij sonder wel van schiet„ gewieren en amonitie voor sien scheen te zijn als mede dat het schuijtsvolk nu en dan wel eenige stukjes engelsche stoffjes en gestreept goed had aan de wal gebragt 8„ 1764 3e aar Van Amboina onder dato den 3: Maij 1764. — gebragt, dog hij niet hadde gemerkt dat daar in veel debet was geweest zijnde hem een„ lijk bewust dat den sergeant aan stuk ge„ streept goed voor buijtjes en broeken genomen had, maar ignorant of het selve bij vercoop trocque, of als een present aan hem is overgegeven, Waar mede den relatant deze zijne verclaaring onder presentatie van Eede quaemen te hijdigen, Aldus gedaen gepasseert en gede„ clareert Tot amboina aan 't Casteel victoria dato voorsz: Ter presentie van Laurens Lobrij en Abraham de minute deses nevens mij se„ „cuet„s hebben ondertekend, zoo wel den declarant die met zijn gewoone merk teekening bekragtigt /onderstond/ quod Attestor /was getekend/ maans G: Hommas secretaris. Batavia Maccasser den 10 Iunij 1764. Van Batavia Aan Als vooren, UE: Hoog Edelheedens hoog gevenereerde missives van den 2: september, en 31: December des jongst verwee„ ken jaars alhier behoorlijk besteld sijnde, sal ik, d' eere hebbe daar op schuldpligtig te andwoorden, dog om sulx sonder verwarring te doen het selve in de volgende cappittels onder het verhandelen van het geene met de vaasten en bondgenooten is voorgevul„ „len laaten in vloeijen, voor af uE: Hoog Edelheedens betuijgende dat het mij singulier vergenoegen gegee„ „ven heeft heeft te mogen ontwaaren, dat mijne verrigtingen en schickingen hadden gemeriteerd UE: Hoog Edelheedens gunstige approbatie waar door ik dan ook genoegsaam gededommageerd houde de sorge en gestadige moeijlijkheeden die mij dit gouvernement ^en tod een prikkil sal verstrekken om met deselve wes verschaft en vlijt alle mijne vermoogens aan te wen„ „den om al verder te meriteeren UE: Hoog Edelheedens agreatie, Ii sal dan na gewoonte d'eere hebbe een begin te maaken met het Hof van, — Bonij dat nade gemaakte vreede met die van Penekij alhier weeder getourneerd is soo wel als den koning soo als ik reeds bij mijne onderdanige letteren 131. 1764 3
English
From Makassar, 10 June 1764. letters of 20 October of the past year have shared. I first in private, and subsequently through two delegated members from the Political Council, had His Majesty congratulated on his arrival, and from that prince a few days later received a state visit, accompanied by all the grandees present, whom I treated handsomely that afternoon. His Majesty on that occasion expressed his great obligation to the Company for the assistance rendered in the recent war, which he said was now nearly finished, further assuring me of his continued affection and fidelity to the Company, to which I replied that the Company would never abandon Boni as long as that realm sacredly maintained the contracts made, etc. Just as all this, and what further occurred on those occasions, is detailed in the daily register dated 20, 22, 23, 24 October and 1 and 7 November, to which I will then with permission refer in order to avoid prolixity, and merely note further that I engaged His Majesty, both then and on the occasion of a private visit to that prince on 20 November, as well as in an extensive conference on various matters at the country house on 6 December following, concerning the debt incurred in the recent war. Makassar, 10 June 1764. 133. From And having renewed the same from time to time, this has had the effect that the one hundred and sixty lent snaphaunces have been returned. But since the people of Boni testified that the country, being destitute of money, would find it somewhat difficult to settle in cash, they requested that the same might be done in slaves, each calculated at fifty rds. And since experience has taught more than enough how difficult it is to obtain payment from the native, it was resolved on my proposal in the meeting held on 1 March to accept that offer, and to leave a few damaged firearms unaddressed as a matter of no great consequence, in the hope that the same, for the alleged reasons, will merit Your High Nobles' favorable approval; 20 pieces of capable bond-servants having already been delivered, who are now being transferred with the chaloup De Sukkenaar, all sealed about the neck. Meanwhile, peace between Boni and Wadjo is and remains stable, and Aroe Penekij keeps quiet thus far, but I was in no small fear that those of Soppeng would anew have stirred up some trouble, since the king of Boni, having expressed several times that he would like to speak with me, 1764 3 From Makassar, 10 June 1764. came to pay me a visit at the country house on 6 December, accompanied by some of his children and grandchildren. After a cup of tea was drunk and indifferent matters were discussed for a little while, the king requested to speak with me in private. Therefore, we went together into another room, and having sat down, the king took the floor and said he was very displeased with the treatment by the people of Soppeng, since they, although having appointed him twice as their Datoea or king, did not treat him as such, arranging everything as suited them best, and that he therefore intended to rid himself of that crown. But before proceeding to that, he had wished to give me notice thereof, letting me judge for myself how sensitively it must affect him that his son-in-law Mappa, whom he had appointed as soelo datoua (under-king), on his own authority, at the request of the people of Soppeng, had again deposed an Aroe Tonra who had been appointed by him, the king, as wittang lipoe (ruler of the realm), and had elected de novo a certain Loewoenese named Daing Sisila, a son-in-law of Aroe Penekij, who according to the laws was not eligible, and this solely to bring confusion 135. O From Makassar, 10 June 1764. into the country and to fish in troubled waters; the said Mappa flattering himself that he, both through this means and through the power of his brother-in-law Datoea Pamana, might be elected as datoua (king). Although I was indeed convinced that the related matter was true, but also knew well that the king could have taken care of that long ago by doing away with his said son-in-law, who according to the laws of the land had more than once forfeited his life, it was also well known to me that His Majesty in the subject case did not like to hear the truth, especially when it concerned one of his children. Therefore, I merely replied that, far from giving my consent to it, I foresaw nothing but an increase in difficulties if the king renounced the realm of Soppeng, since this would breed new unrest and might possibly have the effect that the Wadjonese would make an attempt to draw that realm to themselves; which they would not dare to undertake as long as the king had not renounced it, being sufficiently convinced that the Company would not look upon this with favor. That I therefore advised the king rather to leave matters as they were, striving through 1764 3rd part
Dutch transcription
Van Maccasser den 10: Iunij 1764. letteren van den 20 october anno passato hebbe bedeeld, ijk heb zijn maijesteid eerst in 't particulier en naderhand door twee gecommitteerde leeden uijt den politicquen raad laeten feleciteeren met sijn arrivement, en van dien vorst korte daagen daar aan een statieuse vezite ontfangen zijnde verzeld van alle de aanweesende uijr grooten die ik die middag deftig hebbe getracteerd, zijn majesteit betuijgde bij die gereegendheid sijne groote ren„ „pligting aan de Comp: over de beweezene adsistentie in den jongsten oorlog, die hij seijde dat nu nagenoe„ „gen g'Eijndigd was verzeekerende mij vender van zijne aanhoudende genegendheid en trouwe aan de Comp:, waar op ik antwoorde dat de Comp: Bonij nooijt soude verlaaten soo lange dat rijk heijliglijk onder„ „hield de gemaakte contracten, &=a gelijk dit alles en het geen verder bij die geleegendheeden is voorge„ „vallen; omstandig is ten needer gesteld, bij dag register datis 20, 22, 23, 24: october en 1: en 7: novemb:r waar aan ik mij dan met permissie om wijdlopigheid te mijden„ sal nefereeren, en verder maar noteeren dat ik sijn majasteit so bij deeze als ter geleegentheid eenen particuliere visite aandien vorst op den 20:' novemb:r en in Een wijdlopige conferentie over verscheijdene zaaken aan het buijten huijs op den 6: decemb„r daar aan heb„ be onderhouden over de schuld in de jongsten oorloggemaakt en Maccasser den 10 Junij 1764. 133. Van En van tijd tot tijd het selve vernieuwd, dat dan van die uit„ geleende „werking is geweest dat de Een hondert, en sestig gold ande snaphaanen zijn gerestitueerd, dan dewijl de Bonijers be„ „tuijgde dat het land van geld ontbload sijnde het wat moeijlijk soude vallen in contant te voldoen, zoo verzogte zij het selve mogte geschieden in slaven, ieder gereekent tee„ „gens vijftig rds, en dewijl de onderwinding meer als te veel geleerd heeft, hoe moeijlijk het vald van den inlander betaling te krijgen, soo is in vergadering op den 1: maart gehouden op mijne voordragt goedgevonden die aanbieding te acceptee„ „ren, ende wijnige onbequame geraakte gewieren als Een zaak van geen groot belang onaangereekt te laaten, in hoope het selve om g'allegueerde reedenen sal mercteeren UE Hoog Edelheedens gunstige goedkeuring, zijnde reeds 20 p:s bequame lijff lijgene geleeverd, die dan thans overgaan met de chialoup de suckenaar alle, om den hals ver„ „zeegeld Ondertusschen is en blijft de vreede tusschen Bo„ „nij en wadjo bestendig en Aroe Penekij houd zig tot nog toe stil, maar ik ben in geen kleen bedugting gewast dat die van sop„ „ping op nieuw eenige sporling soude aan„ geregd hebben, dewijl den koning van Bonij Eenige maalen betuijgd hebbende mij gaarne te willen spreeken 1764 3 Van Maccasser den 10: Iunij 1764. — op den 6 December mij in het buijten huijs een visite quam geeven, zijnde verzeld van eenige zijner kinderen en kindskinderen; na dat nu een kopje tee gedronken en Een wijnig tijds overschillige zaaken gesprooken was verzogt mij den koning appart te moogen onderhouden, dierhalven wij samen in een ander kamer gegaan ingezaeten zijnde, nam den koning het woord en zeijde zeer misnoeg te zijn over de be„ handeling der sopingers dewijl dezelve, schoon zijl: hem tot tweemaalen tot haaren Datoea ofte koning aangesteld hadden, hem niet als de soda„ „nige behandelde, alles schickende soo als het haar best aanstond, Een dat hij dierhalven voorneemens was zig van die kroonte ontdoen, dog voor hij daar toe overging had hij mij daar van willen ker„ „nisse geeven, laatende, mij selve oordeelen hoe gevoelig het hem moest treffen; dat zijn schoon zoon Mappa die als soelo datoua /:onder koning,/ had„ „de aengesteld op Eijgen authoriteit eenen Aroe Ton„ „ra die door hem koning als wittang lipoe /:rijxbesteer„ „der:/ was aengesteld op het versoek der sopingers weeder afgezet, en de novo verkooren hadden zeeker loewoenes genaamd daing sisila, Een schoon zoon van Aroe Penekij dan welken volgens dewetten niet verkiesbaar wasen zulx maar om verwaaring 135. O Van Maccasser den 10:' Junij 1764. verwaaring in het land te brengen, en in troubel te wissen: flatteerende zig gem: Maxxpa dat hij soo wel door dit middel als het vermoogen van zijn swager Da„ „toua pamana, tot datoua /:koning:/ soude kunnen— werden verkooren, Schoon ik nu wel overtuijgd was dat het ver„ „haalde in waarheid bestand maar ook wel wist dat den koning daar voor allang hadde kunnen sorgedra„ „gen met gem: sijn schoon zoon, die volgens 's langs wetten„ meer als Eens het leeven verbeurt had, uijt de wegte ruijmen, soo was mij ook wel bekend, dat zijn majesteit in cas subject niet gaarne de waarheid wilde hoonen„ voornamentlijk als het iemand van zijn kinderen raakten, dierhalven gaf ik maar alleen ten antwoord, dat wel verre van mijne toestemming daar toe te geven, ik niets als vermeerdering van swarigheeden daar uijt te gemoed sag, wanneer den koning afstand deed van het sopingze rijk, dewijl zulx nieuwe onlusten baaran en moogelijk van die uit werking sijn soude, dat de wadjoneesen een aanslag maakte om dat rijk aan haar te trecken; het geene sij niet soude dunven enthamee„ „ren soo lange den koning geen afstand hadde gedaan als genoegzaam overtuijgd sijnde dat de Comp: zulx met geen goede oogen son„ „den kunnen aanzien, dat ik dierhalven den koning raade lieven de zaaken te laaten soo als zewaaren, tragtende door 1764 3e deer