Inventory 3148
Surat · 718 pages · 101 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Antilogia I. 10 Apologia I had ordered them more than once to have the keys fetched and brought either in person or at least by one of the Commissioners; but some have set themselves absolutely against this or at least never done so, notwithstanding it happened in my time that the keys were fetched without their knowledge, the warehouses opened, and goods stolen from them. And when one has to deal with such refractory minds that one cannot persuade them in their own interest, and for their own good, to maintain proper order, one is ultimately compelled to let it slip, so as not to suffer the grief of seeing oneself mocked by disobedience. 7. That it is certainly pressing when a lesser Administrator is summoned by a Senior Merchant of the Castle, that he then come immediately, the more so when word is sent to him that it is necessary; as he cannot know what may have occurred and might need to be commanded, and no Senior Merchant will be so unreasonable as to cause him trouble without necessity. 52 Antilogia I. 10. And 8. That consequently Elin can by no means with reason complain of harsh treatment in that the Noble Lord van Gollenesse had him brought to me by soldiers, when he, having been summoned four times, would not come of his own accord. For nothing is more certain than that his disobedience deserved more than that punishment, and he brought this shame upon his own head, if it may even be called a shame. Section 11. The petitioner therefore does not wish to deny that he was exceedingly affected by this unreasonable treatment and humiliation, that he complained about the same to various gentlemen, and also himself obtained attestations of the true circumstances of that case, of which, having never been able to think that this case (after having once been smothered) would in later days still come to an open investigation, and having thus paid little attention to those written testimonies, yet an original document has remained to date, which he exhibits under No. 2 solely for consideration among the appendices, from which the Right Noble and Highly Esteemed Lords Majores will be able to gather clearly enough whether the petitioner was mistreated in that case or not, and whether that mistreatment served to advance their service, or rather to satisfy other intentions. That Elin felt a great heartache on account of the aforesaid incident, so hateful in his eyes, and complained about it to several of his friends, I will gladly believe, as well as that he might not have gone so far, or at least would not have behaved so obstinately, had he not leaned too much upon his friends, and had he not been strengthened or supported by them in his evil intent. But that he can see fit to produce a declaration that runs so directly to his disadvantage is incomprehensible to me. Antilogia I. 11. Apologia For the same contains, among other things: "That Elin had appeared before the warehouse early in the morning at half past seven; that having found the same properly locked, he had gone away again to the Honorable Company's horse stable; and that he had only returned around nine o'clock, when the Commissioners had let him know that they were going to open the warehouse." And if this consists of the truth, as it is certainly true that the Commissioners had him warned more than once that it was necessary for him to come, then this can surely by no means be adduced, as Elin adduces it, as proof that he was mistreated. On the contrary, it serves as convincing evidence of his strange disposition, that he made the Commissioners wait for him in vain for nearly an hour and a half, and thus compelled them to open the warehouse without him; notwithstanding he sat barely 50 paces from them, and consequently needed to make no effort to come to them. Section 12.
Dutch transcription
Antilogia I. 10 Apologia ik hen meer als eens gelast gehad, de sleutels zelfs en Perzoon, of ten minsten door een der Gecommitteerdens te laaten haalen en bren„ gen; maar eenige hebben zig absolute daar tegen aangekant of ten minsten het nooit gedaan, niet tegenstaande het bij mijn tijd ge„ beurd is, dat de sleutels buijten hun weeten gehaald, de Pakhuijzen g'opend, en goederen daar uijt gestolen waren. En als men dan met zulke weerbarstige gemoederen te doen heeft, dat menze in hun eygen zaake, en om hun eygen best wille, niet tot het onderhouden van een goede ordre persuadee„ ven kan, is men op 't Laaste wel genood= zaakt, het te laaten slippen, om niet het verdriet te hebben, van zig zelven door ongehoorzaamheid bespot te zien. 7. Dat het zeekerlijk presseert, als een minder Administrateur bij een Opperkoopman van't Casteel geroepen werd, dat hij dan ten eersten komt, te meer als hem daar bij werd gebood= schapt, dat het noodzakelijk is; alzo hij niet weeten kan, wat er zomtijds voorgevallen en te belasten mogte zijn, en geen Opperkoopman zo on redelijk zal wezen, van hem, zonder nood moeite aan 52 Antilogia I. 10. aan te doen. En 8 Dat bij gevolg blin, met reeden geenzinds klaagen kan over eene harde behandeling, daarin, dat hem De Edele Heer van Gollenesse door zoldaten bij mij heeft laaten brengen, toen hij Viermaal geroepen zijnde, van zelfs niet komen wilde. Want niets is zeekerder als dat zijne ongehoorzaamheid meer dan die straffe verdiend, en hij zig die schande zelfs over den hals gehaald heeft, zo 't al eene schande genoemd mag werden. S. 11. De supp:t begeert dierhalven ook niet Dat Elin wegens het voormeldte in ontkennen over deese onredelijke be= zijn oog zo hatelijk geval een groot „handeling en prostitutie ten uijtersten herten Leed gevoeld, en zig daar aangedaan geweest te zijn, bij verschijde„ =ne Heeren zig over dezelve beklaagd, over bij verschijde zijner vrienden en ook zelfs Attestaties van den wa„ beklaagt heeft, wil ik gaarne zo „ven toedragt van dat geval ingewon„ =nen te hebben, waar van hem, die wel gelooven, als dat hij mogelijk daar nooit heeft kunnen denken dat dit geval (:na eenmaal gesmoord te zijn:/ toenovit gekomen zoude zijn, of in later dagen nog zoude tot een zig ten minsten zo obstinaat niet opentlyk onderzoek komen, en dus op die getuijgschriften wijnig agt gesla„ gedragen zoúde hebben, had hij =gen heeft; egter nog een Origineel stuk niet te veel op zijne Vrienden ge„ tot nu toe is overig gebleeven, 't geen steund, en was hij niet door dezelve hij zo als 't is sub N„o 2 alleen ter speculatie, onder de Bijlagen exhibeerd, in zijn boos opzel gesterkt of waar uijt de Wel Edele Hoog Agtb: Heeren, Majores duijdelijk genoeg afneemen kun„ ondersteund. Dog dat hij kan goed „nen, of den supp„t in dat geval mis= „vinden eene Verklaaring te probu„ =handeld is of niet, en of die missan„ =tpologia. =ceeren deling Antilogia I. 11. Apologia produceeren, die zo regelregt tot zijn nadeel strekt, is voor mij on¬ begrijpelyk. Want dezelve be„ helst onder anderen: „ Dat E:lin aldes morgens vroeg „ om half Agten voor 't Pakluijs was verscheenen; Dat „ hij het zelve behoorlijk geslooten hebbende gevonden, 8 weg „weder „ was gegaan, naar 's E Comp„s Paarde stal; En „dat hij eerst omtrent Negen uur wederom was „gekomen, wanneer hem de Gecommitteerdens had= „den weeten Laten, dat zij 't Pakhuijs openen zouden.„ En als dit in waarheid bestaat, gelijk het zekerlijk waar is, dat de Gecommitteerdens hem meer als eens hebben laaten waarschuren, dat hij nood =zakelijk diende te komen, zo kan dit immers geenzints bygebragt werden, gelijk Elin het bij„ =brengt, tot een bewijs dat hij mishandeld zij. In tegendeel strekt het tot een overtuijgende blijk van zijn wonderlijk naturel, dat hij de Gecommitteerdens bij 't anderthalf uur lang vergeefs op hem heeft laten wagten, en hen dus als genoodzaakt het Pakluijs buijten hem te moeten openen; niet te„ „genstaande hij nauwlijx 50 treeden van hen afzat, en bijgevolg geen moeite hoefde te doen, om bij hen te komen. mishandeling tot bevordering van haren dienst, dan wel tot voldoening van andere Insigten gestrekt hebbe §. 72.
English
Antilogia §. 12 What Elin's intentions actually were, I do not know. But that he had statements gathered is true. And whoever knows him will also have little reason to doubt whether his boldness was great enough at that time to say that he would see to it that he obtained public satisfaction for the affront suffered. Indeed, one may certainly assume that if the Honorable Mr. van Gollenesse had not been well informed of this, he would certainly not have presented it to Your High Honors. §. 13. In what this redoubled zeal consisted can best appear from the complaint of the Honorable Mr. van Gollenesse, from the improper conduct that Elin maintained toward that gentleman after that time. And truly, I firmly believe that if Elin had been willing to take the aforementioned gentle correction even slightly to heart, His Honor would never have complained so seriously about him. Apologia §. 12. But that the petitioner would ever have entertained the thought of bringing a private lawsuit against the Honorable Director General van Gollenesse over this, as is also alleged in the frequently cited complaint of His Honor, he expressly denies. On the contrary, as soon as he was informed that these proceedings applied to him were approved by the Honorable Director General, he fully curbed, suppressed, and concealed from the eyes of the world his resentment and sensitivity over them. And regarding the same as clear proof of disgrace, as well as evil omens of heavier blows hanging over his head, he redoubled his zeal and his prudence to give satisfaction in the service, and to convince the Honorable Director General, who had been prejudiced against him by his powerful adversary. Antilogia §. 13 If Elin had any right, or the least appearance of fairness on his side, one might think that at times the consciousness of innocence had carried him beyond the bounds of respect. But now that everything he has produced so far consists either of contradictory or worthless self-incriminating statements, it is all too shameful that he continually and repeatedly dares to accuse the Honorable Mr. van Gollenisse as if he had ruined him solely out of malicious intent. It is also an untrue and false pretense that the article of meat and bacon was used as a pretext for this. For nothing is more certain from the statement of the Honorable Mr. van Gollenesse than that His Honor actually complained only about the unheard-of Apologia §. 14. But all the precaution, vigilance, and care employed were not capable of achieving this aim, nor of preventing or restraining the petitioner's downfall (which was now decided upon), and the most important article of this administration, that of the bacon and meat, was especially suited to serve as a pretext for it, since for many years past an unusual quantity of it had been brought from the Netherlands and piled up in the warehouses, which at the time the petitioner was placed in the dispensary amounted to five thousand barrels; a quantity that could not possibly be quickly disposed of and used, not only because the annual consumption and distribution does not amount to nearly that much, but also because fresh meat and bacon were repeatedly brought with every incoming ship, such that for several years past a considerable remainder of this perishable provision remained lying in the warehouses, which in anno 1752, as of the end of August, still amounted to 1272 barrels of meat and 3591 barrels of bacon. Antilogia §. 14. assurance, disobedience, and insolence of Elin, and said nothing more about the spoiled meat and bacon than what was necessary for Your High Honors' elucidation in order to be able to take the fairest decision in a matter of so much importance. Indeed, His Honor assures that he would not have spoken of that matter at all, had Elin only remained within the bounds of a reasonable and decent defense, and had not forced him to have to demonstrate that he wrongfully seeks to shift the blame for his own neglect onto others. So that the motives for complaints, to which Elin attributes his misfortune, have consisted in something entirely different than a fabricated pretext of the meat and bacon, which can actually only be regarded as an addition to the complaints of the Honorable Mr. van Gollenesse; and in which Elin, besides that, was the attacker, but His Honor was merely the defender. And as regards the excessive quantity of meat and bacon that Elin seems to cite as proof of the impossibility of having been able to properly look after everything and preserve it from spoiling, in that regard I am presently unable to investigate whether
Dutch transcription
53 Antilogia §. 12 Apologia §. 12. Wat Elin eigentlijk van voorneemen Maar dat den supp„t ooit in zijne gedag„ ten zoude genomen hebben om Den wel is geweest weet ik niet. Maar dat Edelen Heer Directeur Generaal van Golle hij Verklaringen heeft inwinnen laa¬ nesse daar over een particulier Proces„ aan te doen, zo als bij het dikwerf aan„ =ten is waar. En die hem kend, zal gehaalde Klagt- schrift van zijn wel ook wijnig reeden hebben te trijffe„ Edele meede voorgewend word, zulx ontkint hij wel Expresselijk. „len of zijne stoutmoedigheid was in die tijd groot genoeg, om te zeggen, dat hij wel ma„ „ken zoude weegens het geleeden affront eene public= „que satisfactie t'erlangen. Immers mag men dit wel vast stellen, dat als d' Edele Heer van Gollenesse, daar van niet wel onderregt was geweest hij't dan zeekerlijk niet uw Hoog Edelens voorgedra„ gen zoude hebben. 3. 13. Waar in deeze verdubbelde ijver bestaan heeft, kan best uijt het klagt: schrift van Den Edelen Heer van Gollenesse blijken, aan het onheb„ belijk gedrag dat Elin na dien tijd tegens Duen Heer gehouden heeft. En waarlijk. Ik geloove vast, dat als Elin zig de voormeldte zagte Correctie, maar eenigzints tot na „rigt hadde willen laten strkken, zijn Edele nooit dus ernstig over hem In tegendeel heeft hij zo dra hij onderrigt wierd, dat deeze aan hem g'applideerde Proce„ =dures van Den Edelen Heer Directeur Gene: „raal goedgekeurd waren, zijn ressentiment en gevoeligheidt over dezelve alzints inge„ toomd, verkropt en voor het oog van de Wireld verborgen gehouden: En deselve aamerkende als klare bewijzen van disgratie, mitsg„s als kwaade voortekens van swaardere slagen die hem over 't hoofd hingen, zijnen iover en zijne Voorzigtigheid verdubbeld om in den Dienst genoegen te geeven. En Den Wel Edelen Heer Directeur Generaal, die door zijne vermogende parthij tegens hem vooringenomen was, te overtuijgen. geklaagt Antilogia 3. 13 geklaagt zoude hebben. Hadde E. lin eenig regt, of de min„ „ste schijn van billijkheid voor zig, men zoude kunnen denken, dat hem zomtijds de bewusthijd van onschuld, buijten de paalen van Eerbied vervoerd hadde. Maar nu alles wat hij tot nog toe bijgebragt heeft, of in tegenstrijdige, of in niets waardige hem zelfs beschuldigende Opgaaven bestaat, is het al te schan„ „delijk, dat hij geduurig en bij herla„ ling den Edelen Heer van Gollenis= se durft beschuldigen, als of die hem, alleen uijt een boos opzet, ongeluk„ kig hadde gemaakt. Ook is het een onwaar en valsch voorgeven, dat het articul van vleesch en spek daar toe als een voorwendzel zoude zijn gebruijkt. Want niets is uijt het Vertoog van Den Edelen Heer van Gollenetse zeekerder, als dat zijn Edele eygendlijk maar over de ongehoorde 8. 14. Maar alle gebruijkte voorzorge, Vigi= „lantie en zorgdragendhijt waar niet vermogend om dit oogmerk te berij- ken, nog des supp„ts Val /:die nu be„ slooten was:) voor te komen of te weederhouden, en het gewigtigste Ar„ ticul deeser Administratie van het speck en vleesch was in„ „zonderhijd bekwaam tot een voor =wendsel van dien te verstrecken, na demaal van het selve veel Jaren herwaarts eene ongewoone quan= titeijd uijt Nederland aangebragt, en in de Maguasynen opgestapeld was, het welk ten tijde dat den Suppliant in de Dispens ge= steld wierd op Vijf Duijsent vaaten aanliep; Eene quantitijt, die onmogelijk schielijk van de hand gezet en g'emploijeerd wer= „den konde, niet alleen om dat de Iaarlijkse Consumptie en Verstrec= =king verre en na zoo veel niet komt te bedragen; maar ook, de wijl met alle uijtkomende schee„ pen telkens weder op nieuw vleesch en Spek aangebragt werd, zulx dat er eenige Iaren herwaarts een Considerabel restand deeser bederflijke Provisie in de Pakhuij= „sen leggen bleef, 't geene in Anno 1752 onder ultimo Augustus nog 1272 Vaten vleesch/ en 3591 vaten spik bedroeg. Apologia assurantie 54 Antilogia §. 14. Apologia assurantie, ongehoorzaamheid, en brutaliteijt van Elin, zijn beklag gedaan, en van het bedurven vleesch en spek, niets anders gezegt heeft, dan het geen nodig was, tot uw Hoog Edelens elucidatie, om in een stuk van zo veel aangelegendhijd het billijkste be= sluijt te kunnen neemen. Ia: zijn Edele verzeekerd, dat hij van die zaak in 't geheel niet gesproken zoude hebben, bij aldien Clin maar binnen de paalen van eene reedelijke en honette verantwoording was geblee ven, en hem niet genoodzaakt hadde, te moeten aantoonen, dat hij ten onregten de schuld van zijn eijgen verzuijm op andere zoekt te schuijven. zo dat de beweegredenen van klagten, waar aan Elin zijn ongeluk toeschrijft, in gantsch / wat anders heb= ben bestaan, als in een opgeraapt voorwendsel van 't Vleesch en spek dat eigentlijk maar als een bijvoegsch van de klagten van den EdelenHeer van Gollenesse kan aangemerkt werden; en waar= in Elin buijten deszelfs de Aanvaller, dog zijn Edele maar enkeld de Verdeediger is geweest. En wat aangaat, de excessive quantitijt Vleesch en spek, die blin, schijnt bij te brengen, tot een be„ „wijs, van d' onmogelijkheid, om alles na behooren te hebben kunnen gaade slaan en voor verderf te preserveeren, daar omtrent ben ik thans onvermogens t' onderzoeken, of
English
Antilogia Section 14 whether his statement is based on truth. But even if it were so that he had received far more and obtained from Europe than normal consumption requires, he can nevertheless not very well attribute the blame for it to anyone other than himself. For it is known that the lesser administrators previously have always made the necessary statements for the requisition, and that one has also regulated oneself principally accordingly in the determination of the provisions and other requirements for the household; since they, each in his administration, can best of all investigate and know how much the annual consumption and their actual remainder amounts to, what they still have to expect within a certain time, and how much consequently ought to be demanded for the future. Section 15. Apologia All that a prudent and zealous administrator could now see put into practice to avoid the spoiling of these victuals was solely to issue first of all such bacon and meat that was found foul-smelling or somewhat tainted, or which was found with bloody, muddy brine, or else showed any other signs of imminent decay; a rule that the petitioner has strictly observed and carefully followed, Antilogia Section 15. If it is true that Clin has given preference in distribution to such bacon and meat from the latest arrivals as would presumably spoil, then he cannot very well have begun doing so earlier than in the late part of October of the year 1753; since according to the reports, which he himself produces, it was only then, and not already from the year 1751 onward, as he wrongly states, discovered that the meat arrived from Europe in poor condition and partly spoiled. And this having occurred, it would be possible that some barrels from the years 1751 and 50 had remained lying around. But that during the inventory at the end of February 1754, and thus shortly after the first bad delivery, both bacon and meat barrels were found spoiled, also from the years 1749, 48, 47, and even of still earlier date, to such an extent that the marks were worn away and the hoops rusted off, cannot be attributed to that in any way. On the contrary, it is and remains convincing proof of a lack of supervision and attentiveness that these barrels remained lying around for so long without distributing them in their due time, and thereby preventing their spoiling. And whereby the entire reasoning of Clin regarding his exercised prudence is at the same time completely refuted. Apologia as will appear more fully from the continuation of this, when the petitioner will first have demonstrated here that the plentiful bacon and meat brought here in the years 1751, 1752, and 1753 was generally found to be very bad, and therefore had to be distributed immediately, if the administrator wished to prevent the total spoiling thereof and preserve the Honorable Company from considerable losses. Section 16. Apologia Proofs of this are the reports of the specially appointed commissioners annexed hereto under letters 3, 4, and 5, concerning the found condition of the provisions that the ships Overnes, Haarlem, and Noord Nieuwland brought here in the years 1752 and 1753. According to number 3, Overnes brought 100 barrels of meat that were bad and foul-smelling. According to number 4, of 100 ditto barrels of meat brought by the ship Haarlem in the year 1753, four were found entirely spoiled, and the rest bad and foul-smelling, because the meat was not well pickled and had not been provided with spices. An equal quantity brought by Noord Nieuwland was, pursuant to the report under dated 5, in no better condition, and if it were not all too well known that the meat brought in those years turned out generally very bad, the petitioner would be able to submit twenty and more such reports. Antilogia Section 16. In the preceding Section 15, Clin has always joined the bacon and meat together, as he also tacitly does here, just as if the one as well as the other had been brought spoiled from Europe. But entirely improperly and wrongly so. For nothing is mentioned of bacon in the reports cited by him, and it does not occur to me either to have ever heard anything of it. But that the meat brought in the latter part of the year 1753 was foul-smelling, partly altogether spoiled, and on the whole virtually indistributable, is so abundantly evident from the successive reports submitted that it cannot well be contradicted by anyone. And regarding the same therefore as a truth that is fully proven, it surprises me that Clin did not much rather seek his justification in this, than in
Dutch transcription
Antilogia §. 14 of zijne opgaave in waarheid bestaat. Dog al was het zo, dat hij ongelijk meerder gehad en uijt Europa gekregen hadde, dan de gewoone Consumptie vereijscht, zo kan hij egter niet wel iemand anders, als zig zel„ ven de schuld daar van toeschrijven. Want het is bekend, dat de mindere Administrateurs bevorens althoos tot den Eijsch de nodige opgaaven hebben gedaan, en dat men zig ook in 't bepaalen der Provisien en an„ dere behoeftens voor de huijshouding, voornamentlijk daar na gereguleerd heeft; dewijl zij, een ieder in zijne Administratie, best van allen nagaan en weeten kun „nen; hoe veel de Jaarlijxe Consumptie en hun wezend= „lijk Reszant bedraagd, wat zij binnen zeekeren tijd nog te wagten hebben, en hoe veel er bij gevolg voor 't zoekomende dient gevorderd te werden. 3. 15. Al t geen een Omzigtig en ieverig Ad= Bij aldien het waar is dat Elin ministrateur nu tot vermijding van in de verstrekking de preferentie het bederf deeser Victualie in het werk zien stellen, was alleenig om heeft gegeven, aan zulk spek en zodanig spek en Vleesch, 't welk bevon„ Vleesch, uijt de Jongste aanbrin= den wierd vies van reuk of eenigzints aangestoken te zijn, of 't welk met „gen, als er presumptief beder„ bloedige drabbige peckel bevonden ven zoude, dan kan hij daarmee„ wierd, dan wel eenige andere voor= tekens van aanstaande verderf ver „de niet wel eerder begonnen heb„ toonde, het allereerst te verstrecken, „ben, dan in 't Laatste van October eene Regel die den supp„t stipt on= „derhouden en zorgvuldig opgevolgt Ab:o 1753; alzoo volgens de Rappor. Apologia =ten heeft 155 Antilogia §. 15. Apologia Rapporten, die hij zelfs produceert, toen eerst, en niet al van 't jaar 1751. af, zo als hij ten onregten op. geeft, ontdekt is, dat het vleesch slegt gesteld en gedeeltelijk be„ durven uijt Europa quam. En dit geschied zijnde, zoude het mogelijk zijn, dat er eenige Va¬ =ten van de jaaren 1751 en 50. wa- „ren blijven leggen. Dog dat men bij den opneem onder Ult„o Februarij 1754. en dus kort na den eer= „sten slegten aanbreng, zo wel spek- als Vleesch. Va: „ten bedurven bevonden heeft, ook van de jaren 1749, 48, 47, en zelfs van nog vroegeren datum, zodanig, dat de merken uijtgesleeten en de Hoepels afgeroest waren, kan daar toe geenzinds betrokken werden. In tegendeel is en blijft het een overtuijgend bewijs van gebrek aan toezigt en . . oplettendhijd, dat dee= =ze Vaten dus lange zijn blijven leggen, zonder de= zelve op haren tijd te verstrekken, en daar door het bederf voor te komen. En waar door dan teffens het gantsche raisonnement van Clin, nopens zijne gebruijkte voorzigtigheid, om ver„ re geslooten werd. — heeft, zo als uijt de vervolge deezes nader blyken zal, wanneer den supp:t hier eerst zal aangewesen hebben dat het veelvuldige spek en Vleisch in Annis 1751, 1752 en 1753 alhier aan„ gebragt doorgaans zeer slegt bevon¬ „den is, en dierhalven ten eersten ver„ strekt heeft moeten werden, wil= den d'Administrateur het totale be= derf van dien voorkomen en d' ECompe voor aansienlijke Verliesen bewaren. S. 16 Antilogia 3. 16 §. 16. Apohogia In de voorgaande, 3. 15. heeft blin het spek en Vleesch althoos te za„ „men gevoegd, zo als hij hier ook stilswijgende doed, even als of. het eene zo wel als 't ander bedur= „ven uijt Europa was aangebragt. Dog geheel abusive en ten onregten. Want van spek word bij de Rappor„ ten, door hem aangehaald, niets gemeldt, en mij staat ook niet voor, ooit iets daarvan gehoord te hebben. Dog dat het vleesch in 't laatste van A„o 1753. aan. gebragt, Vies van reuk, gedeelte. lijk ten eenemaale bedurven, en over 't geheel genoegzaam onver= strekbaar is geweest, blykt zo overvloedig uijt de successive ingediende berigten, dat het niet wel door iemand kan tegengesproken wer- den. En het zelve daarom als eene waarhijd aanmerkende, die volkomen beweezen is, zo ex„ geeft het mij wonder, dat Chin niet veel liever hier in zijne Verantwoording gezogt heeft, dan Bewijsen hier van zijn de sub &:a 3, d en 5 hier nevens gevoegde Rap. porten van Expresse Gecommitteer= „dens, wegens de bevondene gesteld= „hijd der Provisien die de scheepen Overnes, Haarlem en Noord Nieuland in A„o 1752. en 1753 hier aangevonrt hebben. Blijkens no. 3 heeft Overnes„ aangebragt 100 Vaten vleesch slegt en Vies van Reuk. Blikens N„o 4. zijn van 100 d=o door 't schip Haarlem in A„o 1750 aan gebragte daten vleesch, vier geheel be„ durven, en d'overige slegt en vies van Reuk bevonden, om dat het vleesch niet wel gepeekeld en met geen specerijen bezorgt geweest is Een gelyke quantitijt door Noord Nieuwland aangebragt, is ingevolge het Rapport sub dd„o 5 niet beeter gesteld geweest, en zo het niet te over bekend was, dat het vleesch in die Jaren aangebragt doorgaans zeer slegt uijtgevallen is, zoude den supp„t Twintig en meer zul= ke Rapporten kunnen overleggen. in
English
56 Apologia Antilogia §. 16. in such shameful causes as those to which he subsequently attributes the spoilage; the more so because of the 258 barrels of spoiled and tainted meat, as many as 174 were found to be from A:o 1752, 51, and 50; and only 84 from earlier years. For, in my humble opinion, he cannot well be held accountable for the former. And it is possible that no severe accounting would have been demanded of him regarding the latter either, had he been able to demonstrate, in proper terms of respect for his excuse, as is not improbable, that the condition of those old remnants had been unknown to him due to the neglect of the overseer of the Outer Warehouse, where at that time the greatest quantities of meat and bacon were stored, in rather poor condition, and some even under open lean-tos. It is true: the Noble Lord van Gollenesse seems to have insisted that he ought to be held accountable for the former as well, because he had absolutely refused to have a certain consignment of meat re-pickled, which upon delivery was found to smell foul and be somewhat tainted. But that this was never my opinion, just as it still is not, Antilogia §. 16. is undeniably evident from the autograph note of mine appended hereto, No 1. art: 11, wherein, for the clarification of the Noble Lord van Gollenesse, I express myself in this manner: "These /: previously specified :/ draft declarations can, if necessary, be formally drawn up immediately. But in my humble opinion, it will not even be necessary. For as far as the meat of the most recent years is concerned, it is indeed evident from all reports and examinations that the same was spoiled due to poor provision in Europe. And regarding that of an older date, your Right Honourable Worship did indeed provide hoop-iron to have those old barrels repaired, which were lying around without hoops and consequently also without brine; and for which the fault is solely to be attributed to the carelessness of the Dispensiers." And this declaration, made at that time in private, and without any consideration of advantage or disadvantage, can, in addition to what was noted in I. 6, also serve as further proof that the letter of complaint from the Noble Lord van Gollenesse could not possibly have been written by me; since my opinion differs far too much from that of His Honour, Apologia 57 Antilogia §. 16. and I would certainly have given precedence to mine had I been the author of that document. §. 17. That the meat brought from Europe before A:o 1753 was better than that which arrived in that year, no one will dispute. But it is nevertheless too great a risk to leave it, on that basis, for more than six years without proper supervision. And the outcome has also shown that it could not withstand that test. It would certainly have been good if Elin had given preference in the distribution to the meat that was presumed about to spoil. But that he did not do this is evident principally from §. 18. This being so, it was the duty of him and his colleague to distribute the newly arrived meat first, the more so because the meat of earlier years, owing to the good brine with which it had been provided in the Netherlands, could remain good and be preserved in the long run; as proof of this latter serves the report of the commissioners under No 6; since it is evident therefrom that in the year 1754, with the ships De Snoek and Ouwerkerk, 32 barrels of meat and 34 barrels of bacon were returned from Amboina, where they had lain in the dispensary for a year and a day, to this main settlement, and were all found to be good, notwithstanding that the meat and bacon were from the years 1749 and 1750, according to the brand marks found on the barrels. Apologia But it also goes without saying that if the petitioner, for the benefit of the Honourable Company, was obliged to distribute the poorly conditioned latest meat and bacon first of all, because otherwise it would have become entirely spoiled and unusable, then also the old bacon and meat necessarily had to remain lying as a remnant in the warehouses. Antilogia §. 18. principally from the fact that the greatest number of the spoiled barrels was found to be from the most recent years 1752 and 51. And besides this, it would also demonstrate poor practice, if it were true, as he clearly enough indicates, that he had let the old and better provision spoil merely to consume the new and poorer, which was effectively already tainted, and on that account most harmful to human health. §. 19. On what futile grounds this conclusion rests is so clear from the preceding 3 sections that it requires no further elucidation. And whatever else might be said regarding this article of the spoiled meat and bacon will be abundantly demonstrated below. Here properly begins the so-called Apologia. The introduction was shameful. But the treatise itself exceeds This was as natural as it was an inevitable consequence of the two previously proven causes, namely the excessive delivery of bacon and meat, out of proportion with the annual consumption, in earlier years, and the poor condition of that provision in later years. Apologia §. 20. Yet since the first and principal complaints against the petitioner are derived from this, which in the [illegible] by the late Right Honourable Lord Director-General for the inculpation of the petitioner
Dutch transcription
56 Apologia Antelogia §. 16. in zulke schandelyke oorzaken, als waar aan hij in 't vervolg het bederf toeschryft; te meer, om dat van de 258 Vaten bedurven en aangestoken vleesch bevon„ den zijn wel 174 van A„o 1752, 51, en 50; en maar 84. van vroegere Jaren. Want, volgens mijn gering gevoelen, kan hij wegens 't Eerste niet wel aangespro„ „ken werden. En mogelijk dat hem wegens 't laatste ook geene swaare verantwoording opgelegt zoude zijn, wanneer hij in behoorlijke termen van Eer„ „bied ter zijner verschoning hadde aantonen kun= =nen, zo als niet onwaarschijnelijk is, dat de ge= =steldheid dier oude Restanten, hem onbekend was geweest, door 't verzuijm van den opziender van 't Buijten Pakhuijs, al waar doen ter tijd de grootste quantitijten vleeschen Spek, vrij slegt, en zommige zelfs onder opene afda„ „ken opgeslagen lagen. Tis waar: De Edele Heer van Gollenesse Schijnt daar op aan gedrongen te hebben, dat hij wegens 't Eerste mede moeste aangesproken werden, om dat hij absolute heeft gewijgerd gehad, op 't nieuw te laten verpeekelen, zeekere parthij vleesch die bij aanbreng Vies van reuk en eenigzinds aan„ „gestoken bevonden was. Dog dat dit mijn ge= voelen nooit geweest is, zo als het thans nog niet is and :. Antilogia §16. is, blijkt ontegenzeggelijk, uijt de hier agter gevoegde eigenhandige Aantekening van mij N„o 1. art: 11, alwaar ik mij tot elucidatie van den Edelen Heer van Gollenesse in deezer voegen uijtlaate:„ Dee„ „ze /: daar voor af gespecificeerde :/ Concept Ver: „-klaringen, kunnen des noods aanstonds for= „=meel belegt werden. Dog volgens mijn gering „gevoelen zal 't niet eens nodig zijn. Want wat „ het vleesch van de Jongste Jaaren betreft, zo „blijkt immers uijt alle berigten en examinatien „dat het zelve bedurven is, door de slegte bezor= „=ging in Europa. En aangaande dat van oude „ren datum, zo heeft uw wel Edele Groot Agtb: „immers zelfs Hoep-ijzer laaten verstrekken, „om die oude Vaten te laten voorzien, die al zon„ „der hoepels en bij gevolg ook zonder Peekel „lagen; en waar van de schuld alleen aan de „agtelooshijd der Dispenciers te wijten is. „ En deeze declaratie, toen ter tijd in 't particu= „lier, en zonder eenig inzigt van Voor of nadeel gedaan, kan behalven het genoteerde I. 6: tof„ „fens tot een nader bewijs dienen, dat het Klagt. schrift van Den Edelen Heer van Gollenesse onmogelijk door mij geschreven kan zijn; alzo mijn sentiment al te veel van dat van zijn Edele Apologia differeert 57 Antilogia §. 16. differeerd, en ik aan 't mijne zeekerlijk den Voor„ =rang gegeeven zoude hebben, indien ik d' Instel= „ler van dat schriftuur was geweest. S. 17 Dat het Vleesch, voor A„o 1753 uijt Europa aangebragt, beeter is ge„ weest, als het geen in dat jaar uijtquam, zal niemand tegens pre„ ken. Maar 't is egter te veel ge„ waagt, het zelve op dat fonda= =ment, meer dan ses Iaaren lang, zonder behoorlijke toezigt te laten leggen. En de uijtkomst heeft ook getoond, dat het die proeve niet heeft uijtstaan kun„ nen— Het ware zeekerlijk goed geweest, bij aldien Elin aan het vleesch, dat pre„ sumpteif stond te bederven, inde verstrekking de preferentie ge= geeven hadde. Dog dat hij dit niet gedaan heeft blijkt voorna= 5. 18. Maar het spreekt ook van zelfs dat zoo wanneer den supp:t tot voordeel van d' E Comp„e genoodzaakt was het slegt ge„ conditioneerde Jongste Vleesch en spik 't aller eerst te verstrecken, om dat het anders ten eenemaal bedurven en onbruijkbaar zoude geworden zijn als dan ook het oude spek en Dit zo zijnde was het de pligt van ham en zijn Amptgenoot, om het nieuw aange= bragte Vleesch eerst te verstrecken, te meer om dat het vleesch van vroeger Iaaren wegens de goede Peekel waar meede het in Neederland voorsien geworden was, op de duur goed blijven en geconserveert kon„ de werden; tot een blijk van dit laaste dient het rapport van gecommitteer„ dens sub: N„o 6; alzo daar bij Con„ steerd dat in den Jare 1754. met de schee= pen De Snoek en Ouwerkerk 32 Va„ ten vleesch en 34 Vaten spek van Amboina daar dezelve Jaar en Dag in de Dispens gelegen hadden, naar da„ ze Hoofdplaats terug geschikt en ge„ zamentlijk wel bevonden zijn, niet tegen¬ staande het Vleesch en spek van lb„ 1749 en 1750 geweest is, luijdens de brandmerken op de Vaa„ =ten bevonden. Apologia „mentlijk Vleesch 12 Antilogia §. 18. voornamentlijk daar aan, dat het grootste getal der bedurven Vaten bevonden is, van de Jongste Iaaren 1752 en 51. En buijten des soude het ook eene slegte practycq vertoonen, zo het in waarhijd bestond, gelijk hij „duijbelijk genoeg te kinnen geeft, dat hij het oude en beetere hadde laaten bederven, alleen om het nieuwe en slegtere te consumeeren, dat effective bereeds aangestoken, en uijt dien hoofde voor de gezond: =hijd der Menschen ten hoogsten schadelijk was. §. 19. Op hoe ydele gronden dit gevolg steunt, blijkt uijt de naast voor= gaande 3. S. zo duijdelijk, dat het zelve geene nadere opheldering noodig heeft. En wat verder wegens dit articul van t bedur„ ven vleesch en spik nog te zeggen mogte weezen, zal in 't vervolg overvloe= =dig aangetoond werden. Hier begint eigentlijk de zo ge= naamde Apologia. De In„ leijding is schandelijk geweest. Maar de Verhandeling zelfs. §. 20. Dan dewijl hier van daan de eerste en hoofdzakelyks te klagten over den supp„t ontleend zijn, die bij het, door den Wel Edelen heer directeur Ge„ neraal zal„r tot inculpatie van den Dit was een zoo natuurlyk als onvermij= delijk gevolg van de twee bevorens be„ „weesene Oorzaaken, te weeten de meenig„ vuldige en met de Jaarlijkse Consump: =tie ongeproportioneerde aanbreng van te veel spek en Vleesch, in vroegere en de slegte gesteldheid van die Provisie in La„ tere Jaren Apologia vleesch noodwendig per Reszant in de Pakhuijzen moest blijven leggen. overtreff Supp=t .
English
58 Apologia Antilogia Section 20. The petitioner submitted to Your High Noblenesses on 24 November 1754 a written complaint. The undersigned, now proceeding to a total refutation of all and every argument in particular, will first note most respectfully on the introduction with which the same begins. It surpasses everything that insolence, ignorance, and disrespect can put on paper. For Elin treats the memory of the Honorable Mr. van Gollenesse not as that of his former master, the second of all the Indies, but as someone of his equal, indeed less than he himself, an unworthy person whose statements deserve no credit, and who only out of passion put untruths on paper in order to ruin him. Also, in his pretended defense, he behaves not as standing before Your High Noblenesses, his high authorities, and Their Honorable High Worships, his highly esteemed paymasters, but as before a common daily judge, where a conscienceless shyster hired for money has no hesitation in contradicting the most well-known truths, rejecting unshakable testimonies, distorting clear representations, accusing his adversary of falsehood, and exposing the same to scorn by all kinds of insulting expressions. Yea, he does not shrink from even charging Your High Noblenesses, as if you in a matter Antilogia Section 20. of so much importance had proceeded too lightly, given full credit without further investigation to a writing that fully bears the marks of passion, animosity, and a bitter personal hatred, and on that account had condemned him as an honest servant without reason and made him unfortunate. I will follow him step by step, and show that all this is truly to be found in his Apologia. Section 21. That the poor physical condition and extreme weakness of the Honorable Director-General, of which His Honor makes mention, had at the time that this writing appeared in the world so increased and worsened, as Your High Noblenesses are fully aware, that His Honor could not possibly have been in a position to draft such a detailed writing himself, and that the petitioner therefore holding with good reason that His Honor was handed that written complaint by the petitioner's antagonist, or at least that the same lent a hand to draft that writing; in which the petitioner is confirmed, because not only are things found in that writing of which His Honor himself was convinced had not occurred in that manner, but also expressions and phrases are found which in no way agree with the noble character of that gentleman, and which certainly would not have been found in a writing from his pen, as this has already been pointed out before; further proceeding to the matter itself, the following appears from the written complaint of the Honorable Director Gollenesse. This assertion has already been completely, and as I presume to the satisfaction of justice, refuted in Section 6 and 16, and it was simultaneously noted there that it is all the same whether someone writes it himself, or confirms what was written by another with his signature. And holding myself assured that this truth stands firm, I believe also on that account that it will help Elin little in due time, even if he could demonstrate with the most concise proofs for his Apologia, 59 Apologia excuse, Antilogia Section 21. that he had hired the pen of the most famous attorney of that time, the well-known Johan Gerard van Angelbeek, for 1000 Ducatons for his defense; as the rumor ran at Batavia at that time, and as one must also approximately believe when one compares the intricate and altogether skillfully handled writing style of this document against the abilities of Elin. For he has acknowledged everything that is stated therein, by his signature, as his own. And he will on that account certainly also have to answer for all excesses that are stated therein as his own, and render account thereof. Section 22. When the usual inventory of the Company's remaining stocks in the Provisions Magazine under ultimo 1754 was at hand, the commissioners were, upon the secret solicitation of the petitioner's colleague Anthonij Boone, expressly instructed to take inventory not only of the quantity but also of the quality of the bacon and meat. It was not first in the year 1754, but already in the year 1753, that Boonen had desired to know the true condition of the warehouse. For from the authentic declaration of the commissioners
Dutch transcription
58 Apologia Antilogia §. 20. Suppliant aan uw Hoog Edelheedens overtreft alles wat vervaandhijd op den 24 November 1754 ingediend Onkunde, en Oneerbiedigheid op Klagt Schrift gevonden werden, zo zal den Ondergetekende thans tot eene totale 't papier kan brengen. Want Wederlegging van alle en ieder argu= Elin handeld: de Gedagtenisse menten in 't bijsonder overgaande Eerst op de Inlijding waar meede het van Den Edelen Heer van selve begint zeer eerbiedig noteeren. Gollenesse, niet als die van zijn gewezen Gebieder, den Tweeden van gantsch Indien; maar als iemand van zijns gelijken, ja minder als hij zelfs, Een niets waardig perzoon, wiens opgaaven geen geloof verdienen, en die maar uijt passie onwaarheden op 't pa= pier gebragt heeft, om hem te verderven. Ook gedraagd hij zig in zijne pretense verdeediging niet als staande voor Uw Hoog Edelens zijne Ho: „ge Overheid, en Haar Edele Hoog Agtbaarhedens zijne Hoog Waarde Betaals- Heeren, maar als voor een gemeen dagelijx Regter, daar een geweeten: „loos, voor geld gehuurd sleijter geen bedenken. draagt, de aller bekendste waarheeden tegen te spreeken, onwrikbaare getuijgenisse te verwer= „pen, duijdelijke vertoogen te verdraaijen, zijne Par= „thij van valsheid te beschuldigen, en dezelve door allerhande hoonende uijtdrukkingen ten loon te stellen. Ia Hij schroomt niet uw Hoog Edel= „heedens zelfs aan te lasten, als of die in eene zaak in Antihogia §. 20. zaak van zo veel aangelegendheid, alte ligtvaardig te werk waren gegaan, aan een schriftuur, dat de merk teekenen van Passie, Animositeijt en een bittere personeele haat allezinds meede draagd, zonder verder onderzoek volkomen geloof gesla= =gen, en hem als een Eerlijk dienaar uijt dien hoofde zonder Reeden gecondemneert en ongelukkig ge„ maakt hadden. Ik zal hem op den voet vol- gen, en aantoonen, dat dit alles waarlijk in zijne Apologia te vinden is. 3. 21. Dat de slegte Lichaams gesteldheid Dit voorgeeven is S. 6. en 16 al en overgroote Zwakheid van den wel Ed. e volkomen, en zo ik vermun, den Heer Directeur Generaal, waar van zijn Wel Edele gewag maakt, ten tijde dat Regten ten genoegen wederligt, dat schriftuur in de Wereld kwam, zoo¬ en daar bij teffens aangemerkt danig toegenomen hadde, en verer„ dat het om 't eeven is; of iemand gert was, glijk zulx uw Hoog Edel. heedens ten vollen bewust is, dat zelfs schrijft, dan wel het geschrie„ zijn welEdele onmogelijk heeft kun„ =vene door een ander met zijne nen in staat zijn, om sulk een breedvoerig Schriftuur zelfs t1 ont„ hand teekening bekragtigd. En werpen, en dat den suppliant dus met veel grond vaststeld, dat zijn mij verzeekerd houdende, dat WelEdele dat Klagt Schrift van deeze waarheid vast staat, zo ge„ des supp„s Antagonist in de hand ge„ Loof ik ook uijt dien hoofde dat stopt zij, of ten minsten dat den selven de hand daar toe geleend heb„ het Elin in der Lijd wijnig ben om dat schriftuur op te stellen; zal helpen, schoon hij met de waar in den supp„t bevestigd werd, door dat niet alleen in dat schriftuur bondigste bewijzen ter zijner dingen waar van zijn wel Edele selfs Apologia Verschoning Overtuijgd 59 Antilogia §. 21. Apologia verschoning mogte aantonen kun„ overtuijgd was, zig zodanig niet toegedra. „gen te hebben, maar ook Expressien en „nen dat hij de Penne van den uijtdruckingen gevonden werden, die beroemsten Procureur van die tijd met het Edelmoedig Caracter van dien Heer geenzints over een stemmen; den bekenden Iohan Gerard van En die gewisselijk in een geschrift uijt Angelbeek, voor 1000 Ducatons zijne penne niet zoude aante treffen geweest zijn, zo als zulx bevorens tot zijn verbeedig schrift gehuurd reets aangewesen is, voorts tot de hadde; gelijk toen ter tijd het zaak zelfs tredende, zo komt uijt het klagt schrift van den Wel Edelen gerugte op Batavia liep, en Heer Directeur Gollenesse het na¬ men ook ten naasten bij geho= volgende te blijken. „ven moet, als men den intricaten en allezinds„ kunstig behandelden Schrijftrant van dit schrif„ „tuur tegens de bequaamheden van Elin vergelijkt. want hij heeft alles wat daar in staat, door zijne hand teekening, voor zijn eijgen erkent. En hij zal uijt dien hoofde zeekerlijk ook voor alle buij =ten spoorigheeden die daarin staan, als zijn eijgen verantwoorden, en daar van reekenschap geeven moeten. Het is niet eerst geweest in 't Jaar 1754„ maar al in 't Jaar 1753. Dat Boonen heeft verlangt gehad, de waare gesteldheid van 't Pak. huijs te weeten. Want uijt de Authentique Verklaaring van de 3. 22. Wanneer de gewone opneem van 's Comp:s Restanten in het Provisie Maguasijn sub Uxt„o 1754. op handen was wierden de Gecommitteerdens op de Eijmelijke sollici „tatie van des supp„s Collega Anthonij Boone expres g'instrueerd, om, niet al„ leen de quantiteijt maar ook de qualitijt van het spek en vleesch, op te neemen. Gecommitteerde 10
English
Apologia Antilogia § 22. Commissioned Junior Merchants Du Hee and van Brummelen, No 11. art. 2 and 3, it appears that when Elin desired them to conduct the inventory according to custom, Boonen on the contrary admonished them to conduct an accurate inventory. But having at that time perhaps not achieved his purpose to satisfaction, he in Ao 1754 not only requested of The Noble Lord Director General That the Commissioners might be expressly ordered thereto, vid: his own Sworn Statement No 2 Art: 10, but he also admonished the Commissioners themselves to record everything exactly, as further appears from their likewise sworn Attestations No 4. and 5. Art: 2. And whether he had reason for this, can best be seen from what The Noble Lord van Gollenesse has said of this occurrence, as also from what Boonen himself testifies in the aforementioned Attestation No 2. art: 24; which, however, I do not transcribe here because it is already noted down at large at 3. 9. And which then also clearly demonstrates that Boonen had no need whatever to be intimidated and instructed by another to make the request to conduct an accurate inventory, as Elin pretends in the following § 23. But his own interest and 60 Apologia Antilogia § 22 and the evil practices of Elin, which he had committed against the Deceased fellow Dispenser Cunes, were motives enough to spur him thereto. That Boonen was said to have been placed beyond accountability, no one has ever said. And he has also by no means remained free from the Compensation that Your Right Noblenesses the Administrators have imposed pursuant to Resolutions of 31 December 1754, as well as 11 and 25 February 1755, on account of spoiled bacon. Consequently, this First Remark of Elin was unnecessary. And as for the Second, he might well have kept that entirely to himself. For it is shameful that someone who has borne the name of a servant of the Honorable Company dares utter such language before Your Right Noblenesses. The § 23. Whereupon the Undersigned has to remark, firstly, that his Colleague Boone, who was already appointed second Administrator in the Dispensary in Anno 1752, just as he himself was bound and obligated to seek the best of the Company, and that Boone accordingly, in case he was in truth convinced that the Company was harmed by the retention of Old bacon and meat since anno 1752, would have been culpable just as the petitioner, because in such case he had not cooperated to distribute the oldest Remainders first; this is a clear sign that the good Boone must have been intimidated and at the same time instructed by one or another to institute that request with The Noble Lord Director quasi for his own discharge, whereby the pretext to introduce a Change into the Yearly inventories was brought into the World, and the First foundation was laid to hold the petitioner accountable on this Article. Secondly, the petitioner leaves it to the impartial Judgment of Your Right Noblenesses and the Antilogia § 23. Apologia inventory by Commissioners having taken place according to a commendable Institution, to know whether the actual Remainders indeed agree with those of the Books. Thus it is one of the most indispensable Operations that must always be done with the utmost accuracy. And yet it is here imputed as a crime to The Noble Lord van Gollenesse that he had the inventory done accurately and properly. If an Administrator could suffice with answering only for the quantity of the Barrels, Cases or Bales, and not also for the quality of the Goods, as Elin here intimates, no one would be happier than a First Senior Merchant of the Castle, who could then have the empty Money Chests counted as full. And in case it were afterward examined more closely, he would also be able to excuse himself by pretending that this was done only to Noble Highly Honorable Lord masters, whether in such case where one wished to resile so far from the old custom in the inventory as to have not only the quantity of the Remainders recorded, as had been customary until that time, but also the quality of the same, qualified and knowledgeable persons ought not before all things to have been commissioned, who possess the necessary knowledge and experience to be able to judge soundly of the quality. Consequently, Men of the seafaring trade, who through the daily handling of bacon and meat aboard ship have acquired the knowledge to judge of its goodness or badness, and other old experienced Servants, who have likewise acquired the necessary knowledge thereof on Voyages to and from the outer Offices or on other occasions, ought to have been commissioned for this Inventory.
Dutch transcription
Apologia Antilogia §. 22. Gecommitteerde Onderkooplieden Du Hee en van Brummelen, N„o 11. art. 2 en 3. blijkt, dat wan„ „neer Clin van hen begeerde den opneem volgens gewoonte te doen, Boonen hen in tegendeel ver= „maande, eenen accuraten Opneem te doen. Dog zijn oogmerk toen ter tijd mogelijk niet na genoegen be„ rijkt hebbende, zo verzogte hij in A„o 1754 niet al: „leen aan De Edele Heer Directeur Generaal, Dat de Gecommitteerdens daar toe expres gelast mogte wer„ den, vid: zijne eijgene B'eedigde Verklaring N„o 2 Art: 10. , maar hij vermaande ook de Gecommitteer dens zelfs, alles exact op te neemen, gelijk nader blijkt uijt hunne insgelijx b'eedigde Attestatien W:a 4. en 5. Ark: 2. En of hij hier toe reeden hadde, kan men best zien uijt het geen De EdelHeer van Gollenesse van dit voorval gezegd heeft, zo meede uijt het geen Boonen zelfs getuijgt bij de voorm: Attestatie r„o 2. art: 24; dog het welk ik hier niet uijtschrijve omdat het al 3. 9. in 't breede aan: geteekend staat. En het gunt dan teffens duijdelijk aantoont dat Boonen gantsch niet nodig gehad heeft, tot het verzoek, om eenen accuraten op „neem te doen, door een ander g'intimideert en g'instrueert te worden, zo als Elin in de vol¬ gende §. 23 voorgeeft. Maar zijn eigen belang en 60 Apologia Antilogia §22 en de quaade practijcquen van Elin, die hij aan den Overleeden meede Dispencier Cunes gepleegt hadde, waaren beweegreedenen genoeg om hem daar toe aan te spooren— Dat Roonen buijten Verantwoor„ =ding zoude zijn gestelt, heeft nooit iemant gezegt. En hij is ook geen „zints vrij gebleeven van de Ver= goeding die uw Hoog Edelens d'Administrateurs volgens Re„ solutien van den 31 Xber: 1754, mitsg„s 11„e en 25 Febr: 1755, we„ gens bedurven spek opgelegt hebben. By gevolg was deeze Eerste Aanmerking van Elin onnodig geweest. En wat de Tweede aangaat, daar meede hadde hij wel in 't ge¬ „heel te huijs mogen blijven. Want het schaamt zig, dat ie„ =mand, die den naam van een dienaar van d' E Comp: gevoerd heeft, zulke taal voor uw Hoog Edelens durft uijtslaan. De 3. 23. Waar op den Ondergetekende aan te merken heeft, eerstelijk dat zijn Collega Boone die reets in Anno 1752 tot tweede Admi= nistrateur in de Dispens aangesteld geweest is, zo wel als hij schuldig en verpligt geweest is het beste der Maak schappij te zoeken, en dat Boone over zulx ingevalle hij in der daad overtuijgd geweest was, dat de Comp„e door het aanhouden van Oud spik en vleesch benadeeld wierd, zederd anno„ 1752. zo wel als den supp:t strafwaar„ dig geweest zijn zoude, om dat hij in zulke gevalle niet meede gewerkt hadde om d' oudste Restanten 't eerst te verstrecken, dit is een klaageblijk dat de goede Boone door d'een of an„ „dere moet g'intimideert en teffens g'instrueerd geworden zijn, dat ver „zoek bij Den Edele Heer Directeur qua= „sie ter zijner decharge te institu= „eeren, waar door dan het praetext, om in den Jaarlijxen opneemen Verandering te maken in de Wereld gebragt, en d' Eerste grond gelegt wierd den supp„t over dit Articul aanspre„ kelijk te maken. Sweedens zo laat den supp„t het aan het onpartijdig Oordeel van UHoog Edelheedens en de Opneem Edele Antilogia §. 23. Apologia Edele Hoog Agtb: Heeren meesters Opneem door Gecommitteerdens gedefereert of in zulken gevalle daar geschied zijnde volgens eene prijs. men van het oude gebruijk in den op= „neem zo verre resilieeren wilde, om selijke Instelling, om te weeten niet alleen de quantiteijt der Restan„ of de wezentlijke Restanten ook ten zo als tot die tijd toe gebruijkelijk geweest was, maar ook de qualiteit wel met die van de Boeken accor„ derselver te laten opneemen, niet deeren. Dus is het eene der al. voor alle dingen bequame en kundige perzonen hadden gecommitteerd moe„ lernoodzakelijkste Verrigtingen ten werden, die de nodige kennis en die althoos met d'uijterste nau= ondervinding hebben om over de qualiteit gezond te kunnen oor= keurigheid gedaan moet werden. =deelen. dienvolgende zo hadden tot En egter werd het hier Den deesen Opneem Menschen van de zeevaart, die door het dagelijx behan: Edelen Heer van Gollenesse delen van spik en vleesch binnen als eene misdaad ten lasten ge„ scheeps boord kundigheid verkreegen legt dat hij den opneem accu= hebben over dies degd of ondeugd t' oordeelen, en andere oude ervarende =raat en na behooren heeft laten Dienaren, die van's gelijks op Togten doen. Indien een Administra= naer en van de buyten Comptoiren of by andere gelegentheden de nodige =teur volstaan konde met alleen kennisse hier van g'acquireert heb: de quantitijt der Vaten, Kassen ben gecommitteerd moeten werden. of Baalen, en niet ook de qualitijt der Goederen te verantwoorden, zo als Elin hier te kennen geeft, was niemand gelukkiger als een Eerste Opperkoop: =man van 't Casteel, die dan de leedige Geld-Kisten voor volle zoude kunnen tellen laten. En bij aldien het naderhand eens naaukeuriger onderzogt wierde zoude hij zig ook kunnen verschoonen, met voor te geeven, dat zulx maar alleen geschiede, om hem te
English
61 Antilogia §. 23 Apologia to seek and to plunge into ruin. Unheard-of notions indeed. And yet this shows that they now have a place in the Indies, not simply in thoughts or in private discourses, but in public writings that must pass under the eye of the High Authorities. And it is for that reason no wonder that Elin took his measures accordingly, and, according to the remark of the Noble Lord van Gollenesse, lived with the Honorable Company's goods as if they were plunder. §. 24. These men were certainly competent enough. And I also do not know who could have been chosen better for this purpose than the ordinary Commissioners in the Provision Magazine, whom one must presume to have possessed the best knowledge through daily practice and experience to pass a sound judgment on such matters. The truth of their previous statements has also never been in doubt. [Opposing text / marginal entry]: But instead of that, the Junior Merchants Hendrik van Bazel, Dirk Houttuijn, and Matthijs Pruijst were appointed, who were completely devoid of the required knowledge to judge the quality of salt meat and pork, and therefore out of ignorance came to declare such a considerable quantity of 187 barrels of meat as spoiled, 71 ditto ditto as tainted, 178 ditto of pork as spoiled, and 32 ditto ditto as tainted, as appears more fully from their report under date 28 February 1754 submitted to the Register under 18 no 7 for speculation, and at the same time in the repeatedly mentioned letter of complaint, surely having been misled by an agreeable smell that the barrels emit upon opening, or because the brine and the meat were drawn, Antilogia §. 24: Apologia drawn. Elin himself even added three of their reports under No 3, 4, and 5 behind his Apologie, as proof that several consignments of meat brought from Europe in the years 1752 and 1753 were already tainted and partly spoiled upon receipt. But that he rejects their statement in this case of the inventory, he had to do; since he would otherwise not have been able to say that the Noble Lord van Gollenesse had brought about his ruin based on the reports of ignorant men, and your High Noble Honors had thereupon condemned him innocently. §. 25. This allegation and the proof drawn from it, as if the First Commissioners could have had no knowledge of the pork and meat because others were appointed to examine their statement and were not of one and the same opinion with them, actually has no substance. For leaving aside that it is a known fact, [Opposing text / marginal entry]: At least that those Commissioners possessed not the slightest knowledge or competence to pass a sound judgment on this item became evident yet three months later, when the provisions rejected by them and declared tainted and spoiled were inspected once again by knowledgeable and experienced persons, and of 258 barrels of meat declared spoiled and tainted, 190 barrels were still distributable, and only 64 barrels spoiled and note: without brine, as well as of 210 barrels of rejected pork, 113 barrels were distributable, and only 87 barrels spoiled and note: also found without did not look even as appetizing as those good people in their ignorance maintained they ought to. brine, 62 Antilogia §. 25. Apologia that nothing differs more than the judgment of men when it comes to the use of the external senses, one may in fact also not consider it any difference that the Second Commissioners still call distributable for 3 months what the First reported as tainted. But of this point more will be spoken below in §. 29. For now I merely observe: That if the report of the First Commissioners is unfounded according to Elin's proposition because it does not correspond verbatim in every respect with the report of the Second Commissioners, then the report of these Second Commissioners must be rejected entirely, since the Third Commissioners, appointed by your High Noble Honors by Resolution of 31 December 1754 to report on their findings under oath, formally contradict the same, such that thereupon all the meat and pork that the Second Commissioners had judged still distributable was also thrown into the sea, [Opposing text / marginal entry]: brine, as appears more fully from the report annexed under No 8, which provides at least clear proof that the first Commissioners, whether out of ignorance or for other reasons, submitted an erroneous report regarding this item, which because of the evident baselessness of their statement can merit no credence.
Dutch transcription
61 Antilogia §. 23 Appologia te zoeken en in 't verderf te storten. Ongehoorde denk „beelden waarlijk. En egter blijkt hier aan dat zethans in Indien plaats hebben, niet Simpel in gedagten of in particuliere discoursen, maar in publicque geschriften, die het ooge van de Hooge Overheijd moe„ ten passeeren. En 't is uijt dien hoofde ook geen won= =der, dat Elin daar na zijne Maatreguls genomen, en, volgens d'aanmerking van den Edelen Heer van Gollenesse, met 'sE Comp„s goederen geleeft heeft„ als of het Roof. goed ware. §. 24. Deeze Menschen waren zeekerlijk bequaam genoeg. En ik weet ook niet, wie daar toe beeter zoude hebben kunnen uijtgekozen werden, als d' ordinaire Gecom. =mitteerdens in 't Provisie Ma„ „quasijn, die men vooronderstel „len moet, dat door de dagelijkse oeffening en ondervinding de bes„ te kennis bezeeten hebben, om over diergelijken zaaken een ge. zond oordeel te vellen. De waarhijd hunner voorige op. gaaven is ook nooit en twijfel Maar in steede van dien wierden de Onderkooplieden Hendrik van Bazel, Dirk Houttuijn en Matthijs Pruijst aan gesteld, die van de vereischte kennis om over de qualiteit van sout Vleesch en spek te oordeelen, ten eenemaal ont bloot waren, en mitsdien uijt Onkunde zulk een aansienlyke quantiteit van 187 vaten Vleesch voor bedurven 71 _o _o „ aangestoken 178 _„o spek voor bedurven, en 32 _ — „ aangestoken kwamen op te geeven, zo als zulx bij haar Rapport sub dato 28 februarij 1754 ten Register sub 18„o 7 ter spe= =culatie overgelegt, en teffens bij het meerm: klagt schrift breeder Consteerd, zeekerlijk door een aan= gename Reuk die de Vaten bij het openen van zig geeven, mislijd zijnde, of om dat de peckel en het vleesch getrokken zelfs Antilogia §. 24: Apohogia getrokken. zelfs heeft blin nog drie van haare Rapporten onder N„o 3. 4. en 5. agter zijne Apo. logie gevoegt, ten bewijze, dat verschijde Parthijen Vleesch in A„o 1752. en 1753. uijt Europa aangebragt; bij den ontfangst al aangestoken en gedeeltelijk bedurven geweest zijn. Dog dat hij hunne opgaa„ „ve in dit geval van den opneem afkeurt, moeste hij wel doen; dewijl hij anders niet zoude hebben zeggen kunnen, dat de Edele Heer van Golle= „nesse op de Berigten van Onkundige Menschen zijn verderf hadde bewerkt; en uw Hoog Edelens hem daar op onschuldig hadden gecondemneert. 3. 25. Dit voorgeeven en het daaruijt ge¬ trokken bewijs, als of de Eerste Gecommitteerdens geene kennis van 't spek en Vleesch gehad kon¬ =den hebben, om dat er andere tot het onderzoeken van hunne op gave aangesteld, en die met hun niet van een en 't zelfde gevoelen geweest waren, heeft in der daat niets om 't lijf. Want ongereekent, dat het eene bekende zaak is, Althans dat die Gecommitteerdens geen de minste kennis of bequaamheijt bezee„ =ten hebben, om over dit Articul een ge„ zond Oordeel te vellen, zulx is nog drie maanden naderhand gebleeken, wan= „neer de door haarl: afgekeurde en voor aangestoken en bedurven opge¬ geevene Vichualien andermaal door kundige en ervarende Personen gevisi= teerd, En van 258 vaten voor bedux= ven en aangestoken opgegeeven vlesch nog 190 vaten Verstrekbaar, en maar 64 Vaten bedurven en NB: zonder pee= kel, mitsg„s van 210 Vaten afgekeurd spek 113 Vaten verstrekbaar, en maar 87 Vaten bedurven en As meede zonder zelfs zo appehytelijk niet uijtgezien hebben, als die goede stenschen in ha: re onkunde sustineerden te behooren. dat Teekel 62 Antilogia §. 25. Apologia dat niets meer als het oordeel der Menschen verschilt, wanneer het op 't gebruijk der uijterlijke zinnen aankomt, zo mag men 't in der daat ook voor geen ver„ „schil houden, dat de Tweede Ge- committeerdens, nog wel voor 3 maanden verstrekbaar noemen, het geen d' Eersten als Aangestoken opgegeven hebben. Dog van dit Point zal hier agter §. 29. na„ =der gesproken werden. Thans merke ik alleen aan: Dat zo het Rapport van de Eerste Ge= „committeerdens, volgens de stelling van blin, daarom ongefundeert is, om dat het zelve met het Rapport van de Tweede Gecommitteerdens in 't woordelijke niet allezinds overeenkomt, dan het Rapport van deeze Tweede Gecommitteerdens in 't geheel verworpen moet werden, alzo de Derde Gecommitteerdens, door uw Hoog Edelens bij Resolutie van den 31 December 1754 aange= „steld, om van hunne bevinding onder Eede be„ „rigt te doen, het zelve formeel tegenspreeken, zodanig dat daarop ook al het vleeschen spek„ dat de Tweede Gecommitteerdens nog verstrek: „baar g'oordeeld hebben, zo wel in zee is gewor„ Seekel bevonden, wierden, zo als zulx uijt het sub N„o 8 annex Rapport breeder Consteerd, het welk ten mins„ ten een klaar bewijs uijtleverd, dat de eerste Gecommitteerdens, het zij uijt Onkunde of uijt andere Oorza. ken, een verkeerd Rapport nopens dit Articul ingediend hebben, het welk wegens de klaarblykelijke ongefundeertheijt harer opgave geen geloof meriteeren kan. =pen
English
Antilogia §. 25. Apologia cast, as the other which they had reported as spoiled. For that this actually occurred, I would certainly be able to prove best by the Report of the Third Commissioners themselves, and the Extracts from Your High Noblenesses' further resolutions of 11 and 25 February 1755, if these papers had not been misplaced by me, owing to the little heed I paid to them when I intended not to write about this matter at all. But now I must content myself merely with an Extract from the Batavia Cash-Book of the year 1753/56, which I still found, and which I append hereto under No. 14, because thereby the truth is sufficiently confirmed, since among others in Art. 2 it is expressly stated that the same number of 210 barrels of pork, which the First Commissioners reported as Spoiled and Tainted, was cast into the sea. Consequently, by Elin's own proposition, not only does the Report of the Second Commissioners fall as groundless and untrue, but on the contrary that of the First, and the soundness of their statement, is so fully confirmed that not the slightest doubt remains whether they possessed the required knowledge or not. But Antilogia §. 25. Apologia one can also at the same time clearly gather from the aforementioned Extract that Elin knew this matter just as well, and better than anyone; inasmuch as he and Boonen had to pay for that entire quantity of pork, each for one half, with ƒ29,473:—:—. And since he nevertheless mentions nothing of this, but completely omits the same, this serves at the same time as convincing proof that he, especially in this matter, does not proceed in good faith, but has recourse to fabricated statements and false conclusions formed therefrom, upon which he nevertheless proceeds so boldly that he even dares to accuse the Noble Lord van Gollenesse, as if he had acted in such manner and thereby procured and obtained Your High Noblenesses' disposition to his disadvantage. Although the entire reasoning of Elin regarding the unfoundedness of the First Report falls away sufficiently of its own accord by virtue of the adduced proofs §. 25, I shall nevertheless, for greater conviction, §. 26. make the necessary further remarks on each principal point, and thus note regarding the adjacent matter: That the untruth of this assertion appears so clearly from the writing of the Noble Lord van Gollenesse alone that it requires no further refutation. For thereby it was indeed shown that the First Report of the Commissioners is not at all so rejectable as Elin represents it to be. But as for the complaints and grievances themselves, they rest on entirely different proofs, and also contain entirely different matters than are stated in that report; as has already been noted in §. 14. Here a proposition is made from a simple narrative, and therefrom the conclusion is drawn that the first Commissioners had no knowledge of the Pork and Meat. But I cannot see that the statement of The bitter accusations and complaints regarding the petitioner with relation to the Article of pork and meat, however, rest not only on this inadmissible and Erroneous Report. Indeed, and all the reasonings and arguments that are found in the more cited letter of complaint with regard to this point to make the petitioner appear guilty, are grounded on that Report, or tend to maintain the credibility of the same; wherefore the Undersigned will put the same to the test one by one in that Order in which they are set forth in the aforesaid letter of complaint, and refute them in the most concise manner. The next proposition appearing in that letter of complaint reads that in the more aforementioned Report of the Commissioners no reasons are stated to which the spoiling of so much meat and Pork is to be attributed, whereupon the petitioner merely notes that this provides no slight proof to confirm what he here before [stated] of the Commissioners' ignorance regarding §. 27
Dutch transcription
Antilogia §. 25. Apologia geworpen, als het andere dat zij voor bedurven opge„ „geeven hadden. Want dat dit effective geschied is, zoude ik zeekerlijk best bewyzen kunnen met het Rapport van de Derde Gecommitteerdens zelfs, en de Extracten uijt Uw Hoog Edelens nadere besluijten van den 11„e en 25„e febr: 1755, indien mij deeze papie„ ven niet te zoek geraakt waren, door de wijnige agt die ik daar op geslagen heb, toen ik van voorne„ mens was, over deeze zaak in 't geheel niet te schrijven. Dog nu moet ik mij alleen behelpen met een Extract uijt het Batavias Cassa- Boek van A„o 17 3/56, dat ik nog gevonden heb, en het gunt ik onder N„o 14. hier agter voege, om dat daar door de waarhijd genoegzaam bevestigd word, wanneer onder anderen art. 2. uijtdrukkelijk vermeldt staat, dat het zelfde getal van 210 Vaten spek, het welk de Eerste Gecommitteerdens voor Bedurven en Aan „gestoken opgegeven hebben, in zee is geworpen. Bij gevolg vervalt hier door, volgens de eygen stel= ling van Elin, niet alleen het Berigt der Sweede Gecommitteerdens als ongegrond en onwaar, en werd in tegendeel dat van d' Eersten, en de deugdelijk heid hunner opgaave zo volkomen bevestigt, dat er geen de minste twijfel overblijft, of zij de ver„ „eijschte kundigheid bezeeten hebben of niet. Maar min Antilogia §. 25. Apologia men kan ook te gelijk uijt het evengemelde Extract duijdelijk afneemen, dat Elin deeze zaak zo wel, en beeter als iemand, geweeten heeft; doordien hij en Boonen, die gantsche quantitijt spek, ieder voor de helfte, met ƒ29'473:—:—. hebben betalen moeten. En de. wijl hij egter daar van niets meldt, maar de= zelve in 't geheel overslaat, zo duend zulx teffens tot een overtuijgend bewijs, dat hij v vooral in dit stuk niet ter goeder trouwe te werk gaat, maar zig met verdigte opgaaven, en daar uijt geformeerde valsche gevolgtrekkingen be„ helpt, en waar op hij nogthans zo stoutmoedig doordraaft, dat hij zelfs den Edelen Heer van Gollenesse durft beschuldigen, als of die in dier voegen gehandeld, en daar door uw Hoog Edelens dispositie, in zijn nadeel bewerkt en verkregen hadde. Alhoewel het gantsche raisonnement Maar steuren egter de bittere beschul„ van Elin, over d' ongefundeertheid diging en klagten over den supp„t met relatie tot het Articul van spek, van het Eerste Rapport, uijt en vleesch, niet alleen op dit on„ hoofde van de bygebragte bewij„ aannemelijk en Erroneus Rapport. Immers Ia. en alle de rede= „zen §. 25. genoegzaam van zelf „neeringen en argumentatien, die vervalt, zo zal ik egter tot meerder bij meergeciteerd klagt schrift §. 26. overtuijging met 63 15 Antilogia §. 26. Apohogia overtuijging, op ieder hoofd point nader de noodige aanmerking maaken, en noteere dus nopens het nevenstaande: Dat de onwaar„ hijd van dit voorgeeven alleen uijt het schriftuur van den Edelen Heer van Gollenesse, zo duijde. lijk blijkt, dat het zelve geene verdere wederlegging noodig heeft. Want daar bij werd wel aangetoont, dat het Eerste Berigt van de Gecommitteerdens gantsch zo verwerpelijk niet is, als Ehin daar van opgeeft. Maar wat de klagten en beswaarnissen zelfs betreft, die steunen op gantsch andere bewijzen, en bevatten ook gantsch andere zaken, als bij dat berigt bekent staan; invoegen I. 14. bereeds aan gemerkt is. Hier word uijt een Simpel verhaal eene positie gemaakt, en daar uijt aan het gevolg getrokken, dat d' eerste Gecommitteerdens van het Spek en Vleesch geene kennis gehad hebben. Maar ik kan niet zien dat het gezegde van D' eerst volgende positie bij dat klagt schrift voorkomende luijd, dat bij meer gem: Rapport van Gecommitteerdens geen reeden bekend gesteld zijn waar aan het bederf van zo veel vleesch en Spek toe te schrijven zij, waar op den supp:t eenelijk noteerd dat dit geen gering bewijs uijtleeverd, ter bevestiging van 't geene hij hier bevo= „rens van der Gecommitteerdens onkunde met betrecking op dit poinct ge„ vonden werden, om den suppt schul. dig te doen schijnen, gronden zig op dat Rapport, of strecken om de ge- loofwaardigheid van het zelve staan. de te houden; weshalven den Onder geteekende deselve in die Ordre, waar in zij bij voorsz: klagtschrift gesteld zijn, een voor een ten toets brengen en op het allerbondigst wederleg„ gen zal. Den nopens 8. 27
English
Antilogia §. 27. Apologia The Noble Lord van Gollenesse gave occasion to it. And even so, no one will believe that the First Commissioners acted poorly. For they were not charged, as the Second Commissioners had express orders, to investigate the causes of the decay; but only to make an accurate survey of everything, and to report according to the truth, as they should find it. Whatever bad interpretation may also be given to the appointment of the Second Commissioners, this act nevertheless shows nothing other than the circumspection which the Noble Lord van Gollenesse used in a matter of so much importance; and how untrue at the same time the assertion of Elin is, when he says: That That furthermore this matter was of too much importance to take a positive decision on the report of 3 Persons alone, this the petitioner concedes, especially since those three Persons gave report of matters of which they had no knowledge. But then one must also wonder how one can subsequently boast so much of that Report, to inculpate the petitioner on the foundation of the same, even after one, by means of a further Commission of knowledgeable Persons, has apparently become convinced of what has been posited regarding salt meat and bacon; for if they had been capable of clothing their Report with acceptable reasons, they certainly could not have rejected bacon and meat that, more than 3 months after the date, was still found good, although it had roamed so long without brine in a closed Warehouse without supervision; but since the second Commission has absolutely shown that those of the first grievously misled themselves in their judgment, it goes without saying that they could give no sound reasons for an erroneous Report. Antilogia §. 28. the complaints and accusations against him rely solely on the report of the First Commissioners: For, had His Honour been inclined to proceed upon that, he would not have needed, with the prior knowledge of His High Honour, The Lord Governor General, to appoint further Commissioners. Indeed: although one does not deny regarding the outcome of this Commission that it differed infinitely from the First Report, and that the matters were found to be entirely different thereby, one nevertheless subsequently adheres so forcefully to the first Report, as if its Erroneous Content had been confirmed in all parts by the latter Commissioners. §. 29. How great the difference was between both, however, has already been partly shown in the preceding, though only in passing, and can be clearly seen by mere Confrontation, for the first Report gives: This Difference is certainly great, if one only casts an eye on the deceptive Indication that Clin gives of it. For then the Second that that Report was Erroneous and untrue. Indeed, if a report considered in and of itself alone, in matters of interest, does not merit so much credit as to arrive at a positive decision on the foundation thereof, can the same then become more credible, when one has apparently found upon closer examination that that report is contrary to the truth. Yet in this Bill of Complaint it is acted in that manner, for although one first posits therein that one could not take a positive decision on the first Report, and that a second Commission of five knowledgeable and capable Persons was appointed to investigate that matter once again. Apologia Commissioners found fully 307 Barrels of spoiled and tainted Meat and bacon less than the First reported. Yet if one adds thereto the 303 Barrels of which the Second Commissioners say in their Report that they were still dispensable for 3 Months, then the entire Difference consists of only 4 Barrels, for which no one gives any reason, and which for that reason I also cannot trace. And that these 303 Barrels genuinely belong thereto and must also be counted among the tainted, hardly anyone besides Elin will contradict. For had they been effectively and completely good, what need compelled them then to limit the time to 3 months that they could only remain good. Consequently, they must also have already been more or less tainted when they made that statement. And on that account the statement of the First Commissioners is thereby not only fully confirmed, but one also sees from this that the Noble Lord van Gollenesse rightly observed that the statement of the Second Commissioners is merely a band-aid for the wound. 187 Barrels of Meat as spoiled, and 178 Barrels of bacon spoiled, and 32 Barrels of bacon tainted, or and pursuant to the further Commission there are no more than: 64 Barrels of Meat, and 97 Barrels of bacon found spoiled 71 Barrels of bacon tainted, together with 16 Barrels
Dutch transcription
64 Antilogia §. 27. Apologia Den Edelen Heer van Gollenis. se daar toe aanlijding heeft ge= „geven. En zo al, zal egter nie= „mand gelooven, dat de Eerste Gecommitteerdens qualijk hebben gedaan. Want zij waren niet ge„ last, zo als de Tweede Gecom„ „mitteerdens uijtdrukkelijk ordre hadden, d' oorzaken van't bederf te onderzoeken; maar alleen, om van alles eenen accuraten opneem te doen, en na waar„ hijd op te geeven, zo als zij 't bevinden zouden — Wat quaade uijtlegging ook aan het benoemen van de Tweede Gecommit= „teerdens gegeeven mag werden, zo toon't egter deeze daat niet an„ ders, als d'omzigtighijd die de Ede„ „le Heer van Gollenesse in eene zaak van zo veel aangelegent„ „hijd gebruijkt heeft; en hoe on= waar teffens het voorgeeven van Elin is, wanneer hij zegt: Dat Dat wijders deeze zaak van te veel Im„ =portantie geweest zij om op het berigt van 3 Perzoonen alleen een positif be„ sluijt te neemen, zulx stemt den supp„t toe, inzonderheijt dewijl die drie Perzo„ nen berigt gaven van zaken daar zij geen kennis van hadden. Maar dan moet men zig ook verwon„ deren, hoe men in 't vervolg op dat Berigt zo zeer stoffen kan, om den supp„t op fundament van het zelve te inculpeeren, zelfs na dat men door het middel van eene nadere Commis„ sie van kundige Persoonen oogen„ „schynelijk overtuijgd geworden is, nopens zout vleesch en spek geposeert heeft, want zo zij in staat geweest waren haar Rapport met aanneme„ lijke reedenen te bekleeden; zoo souden zeekerlijk geen spek„ vleesch hebben kunnen afkeuren dat ruijm 3 maanden na dato nog wel bevon= „den is, schoon het zo lange zonder seekel in een geslooten Pakhuijs zonder toezigt gesworven hadde, ~ maar vermits de tweede Commis„ „sie absolut heeft doen zien, dat die van d'eersten, zig in haar oordeel grovelijk mislijd, hebben, zo spreekt van zelfs dat zij van een abusief Rapport geene„ gezonde reeden hebben geeven kun= „nen— de dat §. 28. Antilogia §. 28. de klagten en beschuldigingen tegens hem, alleen op het be„ rigt van d' Eerste Gecommitteer„ dens steunen: Want, was zijn Edele genegen geweest daar op aan te gaan, hij zoude niet nodig hebben, met voorkennisse van zijn Hoog Edelhijd, Den Heere Gouverneur Generaal na„ „dere Gecommitteerdens te be„ „noemen. Ia: hoewel men van den uijtslag deeser Commissie niet ontkent, dat dezelve van het Eerste Rapport onein= dig verscheeld, en dat de zaaken daar bij geheel anders bevonden zijn, zo blijft men egter het eerste Raphort vervolgens dus kragtig inhoreeren, als of dus Erroneuse Inhoud door de laatste Gecommitt„s in alle deelen was be„ vestigd geworden. S. 29. Hoe groot het verschil egter tusschen bij den geweest zij is gedeeltelijk reets in den voorgaande hoewel eenelijk ter loops aangezoond, en kan bij enkelde Confrontatie duijdelyk ge= zien werden, want het eerste Rap„ port geeft: Dit Verschil is zeekerlijk groot, als men alleen op de bedriege„ lijke Aanwijzing het oog slaat, die Clin daar van geeft. Want dan zouden de Tweede dat, dat Berigt Erroneus en onwaar„ =agtig geweest is. Immers ven een berigt op zig selfs en alleen ingesien zijnde, in zaken van belangen, zo veel geloof niet meriteerd om op fundament van dien tot een povitif besluijt te ko= men, kan het selve dan geloofwaar„ diger werden, wen men bij na der on„ derzoek oogenschijnelijk bevonden heeft dat dat berigt met de waar hijt strijdende is. Egter bij dit Klagt-schrift werd op die wijze gehandeld, want hoewel min daar bij eerst komt te stellen, dat men op het eerste Berigt geen posi„ „tif besluijt heeft kunnen neemen; en dat eene tweede Commissie van vijf kundige en bequame Perzoonen benoemt is die zaak andermaal te onderzoe„ =kin. Apologia Gecommitt 187 65 §. 30. Antilogia §. 29. Apologia. 178: _o spik „ bedurven, en 32: _:o _:o „ aangestoken, oft 97: _:o spik bedurven gevonden 71: _:o _ „ aangestoken, mitsg:s Gecommitt„s wel 307 Vaten bedur„ :ven en aangestoken Vleesch en spek minder bevonden als de Eerste op„ „gegeeven hebben. Dog voegt men de 303 Vaten daar bij, waar van de Tweede Gecommitteerdens bij hun Rapport zeggen, dat nog wel voor 3 Maanden verstrekbaar waren, dan bestaat het gantsche Verschil maar in 4. Vaten, waar van niemand eenige reden geeft, en die ik uijt dien hoofde ook niet opspeuren kan. En dat deeze 303 Vaten wezendlijk daarbij gehoren en onder d'aangestokene meede gereekend moeten wer. =den, zal buijten Elin niemand ligt tegenspreeken. Want warenze effective en volkomen goed geweest wat nood dwong hen dan, den tijd van 3 maanden te bepalen, datze nog maar goed konden blijven. Bij gevolg moeten ze ook al min of meer aange„ stoken zijn geweest, toen zij die stelling maakzen. En werd uijt dien hoofde de opgaave der Eerste Ge= committeerdens daar door niet alleen volkomen bevestigd, maar men ziet hier uijt ook, dat de Edele Heer van Gollenesse met regt aangemerkt heeft, dat het zeggen der Tweede Gecommitteer„ „dens maar een doekje voor 't bloeden is. zijn niet meer; als: 64 Vaten Vleesch, en 187: daten Vleesch voor bedurven, en en ingevolge de nadere Commissie 16„
English
Antilogia §. 30. That the two reports do not contradict each other in substance, I believe I have undeniably demonstrated in the preceding §. 29. Nevertheless, Elin holds the contrary to be abundantly proven, as well as the conclusion drawn therefrom: that the first report is therefore invalid. But the groundlessness of this assertion was already fully refuted in §. 25. And therefore, regarding this matter as settled, I will now proceed with Elin to his defense, which he says he will give in more detail, concerning the meat and bacon that was indeed found to be spoiled by the second committee members. Apologia §. 30. To this belongs, initially, that which was already said at the beginning of this regarding the poor condition of the meat brought in during the years 1751, 1752, and 1753, and the resulting necessity to distribute the same immediately without delay, as well as the excessive abundance of these provisions. Antilogia §. 30. This pretext can serve Elin's defense in no way at all. For in §. 15 and 18 it was shown that in the distribution he did not give preference to the newest bacon and meat, and even if he had, he would then have made use of a bad practice, which would have been harmful both to the Honorable Company and to the health of its servants. Apologia §. 31. Thus, having abundantly proven the contradiction of these two reports, and the resulting groundlessness of the first report, the undersigned will proceed to defend himself further regarding the bacon and meat that was indeed found to be spoiled by the last committee members. Antilogia §. 31. That the first committee members locked the meat and bacon found spoiled in a separate warehouse, they themselves testify, and also that this was done to cover themselves, and so that the servants of the dispensary would not occasionally place the spoiled goods back with the good. See Attestation No 4 and 5, Art: 13, 14, and 15. But that it lay there untouched for over three months, as Elin alleges, surely based on the date of the reports, I do not believe. For it is a known fact that at that time the inventories were ordinarily taken very late, but the reports thereof were submitted even later, and yet, according to a bad custom, were dated at the end of February or August. And that this must primarily have occurred in this case can sufficiently be gathered from the time that notoriously must have elapsed in opening and inspecting over 2100 barrels of meat and bacon alone, not counting the re-weighing and inspection of so many other goods; while the second committee members, according to their report, spent roughly half a month with well over 400 barrels. Nor can any reasons be found why the Honorable Mr. van Gollenesse should have delayed so long in speaking about that incident with His High Honour the Governor General and in appointing other committee members, since he did not intend to proceed in that matter on the first report alone, unless one assumes that His Honour must have received that report long after the date, and indeed only at the beginning of the month of June. But even if it were, as Elin says, that the rejected meat and bacon had lain without supervision for over three months: one may also rightly ask him whose fault or neglect that is! For he was administrator. The oversight of those goods was entrusted to him. And consequently, he also had to ensure that the same were properly preserved and protected from ruin. He will certainly answer to this that he was unable to do so because the keys to it were kept in the custody of the Senior Merchant of the Castle. Apologia §. 31. However, it must also be specifically noted here that the bacon and meat reported as spoiled by the first committee members was locked in a separate warehouse as soon as those committee members had completed their commission; and that it lay there for more than three months, exposed as if to wind and weather, and without anyone coming to look after it, wherefore it would not have been surprising if the entire consignment had spoiled in that interim. Apologia §. 32. The more so because the barrels that needed it were not provided with new brine, but without the slightest means of prevention. Antilogia §. 32. Castle in custody. But this can by no means excuse him. His duty was at least to speak about it, and to ask for the keys, if he had wanted to look after that meat and bacon. But he never had that intention, although he now pretends to. He was of the same opinion as the committee members, that the spoiled barrels could not be saved by any re-pickling anyway, see sworn statements No 4 and 5, Art: 16 and 17. And for that reason, he concerned himself further with it as little as he gave orders to that effect to the cooper who acted as overseer in that warehouse. So that the latter explicitly testifies, in the likewise sworn Attestation No 6, Art: 21 and 22: "That after the examination was completed, he was never ordered to re-pickle or top up the spoiled meat and bacon, nor to ask the Senior Merchant of the Castle for the keys to do so." Apologia §. 33. Such barrels as needed it were indeed provided with new brine, as all statements show.
Dutch transcription
Antilogia §. 30. Apologia 3. 30: Dat de Twee Rapporten in 't Zaa „kelijke elkander niet Contradicee„ „ren, vermeen ik in de naast voor. „gaande §. 29 ontegenzeggelijk te heb„ =ben aangezoont. Nogthans houdt Elin het tegendeel voor Overvloe„ dig bewezen, zo wel als het daar uijt getrokken gevolg: Dat daarom het Eerste Ras. port niet deugd. Dog de ongefundeerthijd van deeze stelling is §. 25. ook al volkomen wederlegt. En daar =om deeze zaak voor afgedaan houdende, zo zal ik nu met blin overgaan tot zijne verantwoording, die hij zegt nader te zullen geeven, van het vleesch en Spek, dat door de Tweede Gecommitteerdens in der daat bedurven bevonden is. Hier toe behoort aanvanckelijk 't Dit voorgeeven kan in 't geheel tot geen van de slegte Constitutie van de verantwoording van Chin niet het in Annes 175, 1752 en 1753 aan. dienen. Want 3. 15. 18. is aange= „gebragte vleesch, en de daar uijt opgeko„ mene noodzakelijkheijt om het zelve =toont, dat hij in de verstrekking zonder uijtstel ten eersten te verstreck„ ken, als meede van den al te groten aan 't Jongste spiek en vleesch de overvloed deeser Victualien reets in preferentie niet gegeeven heeft„ den beginne duses gezegt is. en zo al, dat hij zig dan egter van een slegte practijcq bediend zoude hebben, die zo wel voor d' E Comp„e als voor de gezondheid §. 31. Dus de Contradictie van deeze twee Rap„ porten, en de daar uijt van zelfs volgende ongefundeertheijd van het eerste Rap: port ten overvloede beweesen hebben= =de, zal den Ondergeteekende overgaan om zig wegens het spek en vleesch dat van de laatste Gecommitteerdens in der daad bedorven bevonden is, nader te verantwoorden. van Antilogia §. 31. van haare dienaren, nadeelig zoude zijn geweest. Edog, hier bij moet ook inzonderheijt aange„ Dat de Eerste Gecommitteerdens merkt werden, dat het van d' eerste het bedurven bevonden vleesch Gecommitteerdens voor bedorven opge„ geeven spek en vleesch in een bijzonder en spek in een apart Pakhuijs Pakhuijs opgesloten is, zo dra die Ge opgeslooten hebben getuijgen zij committeerdens hare Commissie vol„ „eijnt hadde; En dat het daar meer zelfs, en daar nevens, dat zulx als drie maanden, als voor weer geschied zij, om hen te dekken, en wind, en zonder dat iemand daar na is komen omzien geleegen en op dat de bediendens van de heeft, weshalven het niet te verwon„ Dispens niet zomtijds het bedur„ deren geweest was, bij aldien de ge„ heele Parthye in die tusschen tijd be„ vene weder bij 't goede zouden leg. durven was. =gen. Vid: Attestatie W„o 4 en 5. Art: 13. 14. en 15. Maar dat het daar over de Drie maanden stil gelegen zoude hebben, zo als Elin voorgeeft, zekerlijk op Com „dament van de dagteekening der Rapporten, ge= loof ik niet. Want het is eene bekende zaak, dat toen ter tijd De opneemen Ordinair zeer laat gedaan, maar de Berigten daarvan nog laater overgegee„ ven, en egter, volgens eene quaade gewoonte, onder ult„o febr: of Aug„s gedateerd wierden. En dat dit voornamentlijk in dit geval plaats gehad zal hebben, kan men genoegzaam opmaken, uijt den tijd die notoir verloopen moet zijn, met het : openen en visiteeren van over de 2100 vaten 3. 32. Apologia vleesch — 16 Antilogia §. 32 Apologia Vleesch en Spek, alleen, ongerekend het nawee„ „gen en nazien van zo veel andere goederen; Ter wijl de Tweede Gecommitteerdens, blykens hun Rapport, met ruijm 400 Vaten, ten naasten bij een halve maand toegebragt hebben. Ook kan men geene reedenen vinden, waarom D' Edele Heer van Gollenesse zo lange uijtgesteld zijnde hebben, met zyn Hoog Edelhijd Den Heere Gouverneur Generaal over dat voorval te spreeken en andere Gecommitteerdens te benoemen, daar hij tog niet van voorneemen was op het eerste alleen in die zaak voort te gaan, ten zij men vast stelt dat zijn Edele dat berigt lange na dato, en wel eerst in 't begin van de maand Iunij ontfangen moet hebben: Dog al was het, gelijx blin zegt, dat het afgekeurde Vleesch en spek over de drie Maan„ =den zonder toezigt geleegen hadde: zo mag men hem ook met regt vragen, wiens schuld of ver„ zuijm dat is! want hij was Administrateur. Hem was het opzigt over die goederen toevertrouwt. En bij gevolg moeste hij ook zorgen, dat dezelve wel bevaart en voor verderf gepreserveert wier„ den. Hij zal zeekerlijk hier op antwoorden, dat hij 't niet heeft kunnen doen, om dat de Sleutels daar van bij den Opperkoopman van 't Casteel 6. 67 Antilogia §. 32. Apologia zulx nodig hadden niet met nieuwe Seekel voorzien, maar zonder de Casteel in bewaring geweest waren. Maar dit kan hem geenzints verschonen. zijn Pligt was ten minsten daar over te spreeken, en de sleutels te vragen, zo hij na dat vleesch en spik eens hadde omzien willen. Dog dat voorneemen heeft hij nooit gehad, schoon hij 't thans voorgeeft. Hij was met de Gecommitteerdens van 't zelfde gevoelen, dat de bedurven vaten tog met geene verpeekeling verholpen konden werden, vid: b'ee= digde Verklaringen N„o 4. en 5. Art: 16 en 17. En hij heeft uijt dien hoofde zo min zig zelven verder daar meede bemoeit als hij den Kuyjper, die in dat Pakhuijs als Opziender ageerde, daar toe heeft ordre gegeeven gehad. Invoegen dezel„ „ve uijtdrukkelijk getuijgd, by d' insgelijks b'eedig= de Attestatie N„o 6. Art: 21 en 22. „ Datna „volbragte Examinatie hem nooit gelast was het „bedurven Vleesch, en spek te verpeekelen of op „te vullen, zo min, als de Sleutels daar toe „vanden Opperkoopman van't Casteel te vragen„ zulke Vaten als het nodig hadden, zijn allerdings, met nieuwe See„ kel voorzien, zo als alle §. 33. se meer om dat men de Vaten die minste middelen tot voorkoming Verklaaringen van 17.
English
Antilogia §33 declarations unanimously testify, No 2. art: 19. No 4 and 5. art: 13. and No 6. Art: 19. Yet to not refill the rejected barrels, in so far as the brine had drained away upon opening, seems to have been a constant practice For of the lot inspected by Pinket and Overbeek, the Cooper No 6: art: 6 testifies That the rejected barrels were not refilled. And the former Opperhoofd of Japan, as the First in the Second Commission declares No 10. Art: 7. That they had not refilled the rejected barrels, but had put them aside just as they were: And since Elin does not say that these people acted improperly; how then can he hold it against the First Commissioners as a crime, that they proceeded in the same manner. Apologia §. 34: This latter point is denied most vigorously in the repeatedly cited complaint, and it is notable to read in the same that the petitioner, by raising this point in his report submitted to your High Honours on the 24th of September 1754, gave cause to the complaint that is refuted herein, so it will serve for the preservation against spoiling that he had stowed them away just as they were. Antilogia §. 34: No wonder that the Honourable Mr. van Gollenesse became moved by this, when he saw that Elin came forward with such unheard-of accusations, which will be refuted in what follows. And I have already remarked here above in §. 14, that his Honour himself testified that if Elin had remained within the bounds of an honest defense, his Honour would never have complained about him. Apologia be necessary to prove this point in detail. Apologia §. 35: First, then, it becomes apparent from the repeatedly cited report of the last Commissioners, that the bacon and meat barrels found to be spoiled were found to be devoid of brine. Antilogia §. 34. That the Second Commissioners found some barrels without brine is certainly true and also merits no surprise. For the First Commissioners, as appears from their report, had already found those barrels in that same condition. And that this is no fabricated statement, but the honest truth, is confirmed by the judicially sworn declarations of the following four eyewitnesses, whom Elin himself will not be able to challenge; namely: 1 From the Second Storekeeper Boonen No 2. Art: 12. 2 From Junior Merchant van Bazel No 4. Art: 10. 3 From Junior Merchant Houttuijn No 5. Art: 10. 4 And from the Head Cooper van Der Poel No 6. Art: 16. Antilogia §. 35. That Elin was supposedly excluded by the First Commissioners from everything they had done, is a scandalous assertion, put down just like that without the least semblance of truth. For how could the Commissioners have excluded him, when they were expressly ordered to conduct the inventory in the presence of the Administrators; just as the Second Administrator Boonen was also ordinarily present. Would he have endured that in silence and not opposed it, or at least complained about them? Indeed, would he have approved their report and validated it with his signature, had he not obtained daily knowledge of their proceedings, and held himself satisfied therewith? But it is not even necessary to refute his trumped-up assertion with such reasons. Apologia Secondly, the petitioner still publicly maintains that not only was he, during the first inventory, excluded by the Commissioners from everything that they undertook and carried out, but that he was even refused permission to have any pieces of the bacon and meat that were spoiled or reported as spoiled, in order to test them. Antilogia §. 36 He was by no means excluded from that work by the Commissioners, but he had excluded himself. -- For he did not concern himself with it at all, or at least never attended it, as was always his custom never to be present at such work. And that this likewise is no mere accusation but truly so, is clearly demonstrated in various instances by those same and other sworn declarations, wherein it is testified: 1 By the Junior Merchants Du Mee and van Brummelen: That they conducted the annual inventory under the ultimate of August 1753 solely with the Second Administrator Boonen, and some dispensary attendants, and consequently without Elin, see Attestation No 11 throughout, but especially Art: A. 2 By the Head Cooper van der Poel, That none of the Administrators attended the inspection of certain lots of meat, conducted in the latter part of the year 1753 by the Junior Merchants Pinket and Overbeek, see No 6. Art: 5. 3 By the Second Administrator Boonen: That
Dutch transcription
Antilogia §33 Verklaringen eenparig getuijgen, N„o 2. ard: 19. N„o 4 en 5. art: 13. en N„o 6. Art: 19. Dog om de afgekeurde Vaten niet weder op te vullen, voor zo verre de seckel bij 't opinen afgelopen was, schijnt een Constant gebruijk geweest te zijn Want van de Parthij door Pinket en Overbeek gevisiteert, getuijgt de Kuijper N„o 6: art: 6. Dat de afgekeurde Vaten niet opgevuld waren. En het Oud Opperhoofd van Japan, als Eerste in de Tweede Commissie Verklaard W„o 10. Art: 7. Dat zij d' afgekeurde Vaten niet weder opgevuld, maar zo als ze waren weg gelegt hadden: En dewijl Elin niet zegt, dat deeze Menschen qualijk gedaan hebben; hoe kan hij 't dan de Eerste Gecomm:s voor eene misdaal toereekenen, dat zij ingelij„ =ker voegen te werk zijn gegaan. §. 34: Geenwonder dat d' Ed„e Heer van Gollenesse daar over aangedaan raakte, wanneer hij zag dat Elin met zulke ongehoorde be„ schuldigingen voor den dag quam, als in 't vervolg weder„ legt zullen werden. En ik Dit laatste poinct werd bij het meer geciteerde klagtschrift op het aller kragtigst ontkent, en het is aan„ merckelijk bij het zelve te Leezen dat den supp„t door dit poinct bij zijne op den 24„en 7br: 1754. aan u hoog Edelheedens ingediend Berigt aan te roepen oorsaak gegeeven heeft tot het klagt schrift 't geen in deezen gerecuteerd werd, dus zal het van bederffen Conservatie dienende zo als ze waren weg gestuwt hadde. Apalogia heb nodig ƒ. 68 AroLogia nodig weezen dit poinct omstan„ 3. heb hier voorwaards §. 14. al aan. =dig te bewijsen gemerkt, dat zijn Edele zelfs betuijgd heeft, dat als Elin binnen de paalen van eene Eerlijke verantwoording gebleeven was, zijn Edele dan nooit over hem geklaagt zoude hebben. Antilogia §. 34. Dat de Tweede Gecommitteerdens Eenige Vaten zonder Peekel be. „vonden hebben, is zeekerlijk waar en verdiend ook geene verwondering. Want d' Eerste Gecommitteerdens hebben blykens hun Rap. „port, die Vaten ook al in die zelfde staat gevonden gehad. En dat dit geene verdigte op„ gaare, maar d' opregte waarhijd is, zulx beves„ „tigen, de Geregtelijk Beledigde Verklaaringen van de volgende Vier Oog-getuijgen, die Elin zelfs niet zal wraaken kunnen; Als: 1 Van den Tweeden Dispensier Boonen N„o 2. Art: 12. „ „ Onderkoopman van Bazel N„o 4. Art: 10. „ Onderkoopman Houttuijn N„o 5. Art: 10. §. 35: Voor eerst dan, zoo komt uijt het meer geciteerde Rapport van de laatste Gecommitt:s zo veel te blijken, dat de bedurven bevondene spek en Vleesch Vaten van Peekel ontbloot bevonden zijn. En 27. . ƒ Antilogia §. 35. Apologia Ens van den Opperkuijper van Der Poel N„o 6. Art: 16. Dat Elin door d' Eerste Gecom. mitteerdens g'exludeert zoude zijn geworden, van alles wat¬ ze gedaan hadden, is een schan= delijk voorgeeven, zonder den minsten schijn van waarhijd zo maar ter neder gesteld. Want hoe zouden de Gecommit„ teerdens hem hebben kunnen excludeeren, daarze uijtdrukkelijk gelast waren ten bijwezen van d' Administrateurs den Op= neem te doen; gelijk de Tweede Administra= teur Boonen ook ordinair Present is ge¬ weest. zoude hij dat stilswijgende verdragen en zig niet daar tegen aangekant, of ten min= „sten over haar geklaagt hebben Ia: zoude hij haar Rapport wel goedgekeurd en met zijne handteekening bekragtigt hebben, bij aldien hij van hare verrigting niet dagelijx kennisse erlangt, en zig daarmeede vergenoegd gehouden hadde: Maar het is niet eens nodig zijn opgeraapt voorgeeven met diergelijken reedenen Een anderen zoo houd den supp„t als nog publicq: staande, dat hij niet alleen gedurende den eersten Opneem door de Gecomm„s als ge excludeert geworden is van alles, wat dezelve ondernam en uijt„ voerden, maar dat hem zelfs gewijgert is eenige stucken van het bedorven of voor bedorven opgegeevene spek en vleesch te mogen hebben, ten Eijnde de proef daar van te neemen. §. 36. te 69 Antilogia §. 36 Anologia te wederleggen. Hij is geenzints door de Gecom„ „mitteerdens van dat Werk uijtgesloten geweest, maar hij heeft zig zelven uytgesloten gehad. -- Want hij heeft zig daarmeede in 't geheel niet bemoeijt, of is er ten minsten nooit bij geko men, zo als altoos zijne gewoonte is geweest bij diergelyken werk nooit present te zijn, En dat dit meede geene simple beschuldiging maar waarlijk zo is, toonen die zelfde en andere be„ eedigde Verklaaringen in verschijden gevallen duijdelijk aan, wanneer daar bij getuijgt werd: 1 Door de Onderkooplieden Du Mee en van Brum melen: Dat zij den Jaarlyksen opneem on„ der Ult„o Aug:s 1753 alleen met den Twee= den Administrateur Boonen, en eenige Dispens Bediendens, en bij gevolg zonder Elin gedaan hebben, Vib: Attestatie N„o 11. doorgaans, dog voornamentlijk Art: A. 2/ Door den Opperkuijper van der Poel, Dat nie„ „mand der Administrateurs bijgewoont heeft de visitatie van zeekere Parthijen vleesch, in 't Laatste van A„o 1753 door de Onderkooplieden Pinket en Overbeek ge„ daan Vib: N„o 6. Art: 5. 3 Door den Tweeden Administrateur Boonen: Dat 18.
English
Antilogia §36 Apologia That he, Boonen, did indeed attend the inventory under ultimo February 1754, but not the examination of the meat and bacon daily; but Elin not at all. See: No 2. Art: 13 and 14. And by the Junior Merchants van Bazel and Houttuijn, who took the aforementioned inventory: That they, having shown me the poor condition of various barrels, without brine and without hoops, I thereupon had asked whether the dispensers did not come into that warehouse; and that they replied thereto, Boonen mostly daily, but Elin never. See No 4 and 5. Art: 10, 11, and 12. That at the aforementioned inventory under ultimo February 1754, the approved barrels were at once filled up again with new brine, insofar as the old had run off during opening, but the rejected ones were not, is true, and is fully confirmed by the unanimous testimony of Boonen No 2. Art: 19; of the Commissioners van Bazel and Houttuijn No 4. and 5. Art: 13, and of the Master Cooper van der Poel No 6. Art: 19. But that Elin would have given orders to likewise provide the rejected barrels with new brine, is contradicted by everyone. Indeed, Boonen testifies No 2. Art: 21 that he does not know whether Elin gave that order. Van Bazel and Houttuijn No 4. and 5. Art: 16 and 17, that Elin had been of the opinion with them that it would only be unnecessary costs to re-brine the spoiled meat and bacon, and that Elin had also never spoken of re-brining, much less ordered such a thing. And the cooper van der Poel No 6. Art: 21 and 22, that after the examination was completed he had never been ordered to re-brine or fill up the rejected meat and bacon. It is true! That same cooper adds in Art: 21 that Elin did say to him during the examination: Put brine on the opened meat again. But besides the fact that this is contradicted by all other witnesses, who are nonetheless just as credible as he is, he also does not mention what he did upon this, and whether he actually attempted to put that order into effect. On the contrary, he declares in Art: 15 to have said in conversation with van Bazel, not that it was an order from Elin, but that it was his own opinion that the opened barrels should be filled up again. And if this is true, as one must notoriously believe, because van Bazel also testifies in No 4. Art: 17 that the cooper had once raised the idea in conversation to fill up the rejected barrels just like the good ones, it is also impossible that he had an order from Elin to do so; since otherwise he would certainly have said so, or appealed to it. And finally that he, having given orders to provide and fill up those meat and bacon barrels with new brine, this was expressly refused and prevented by the Commissioners, under the claim that Mr. Senff had given contrary orders in this regard. Antilogia §37 Apologia In the same manner it stands with the second point of this period, namely that the Commissioners would have refused and prevented the re-brining of the spoiled barrels. For how could such a thing have happened, since according to what was just stated, that work was never undertaken nor was an order given for it. Furthermore, not a single declaration mentions anything about that matter, notwithstanding that all witnesses were explicitly interrogated about it. Van Bazel only says in No 4. Art: 17 that, after the cooper had raised the aforementioned conversation, he had answered thereto: not for his account, because a large quantity of salt would only be wasted uselessly. And the cooper No 6. Art: 16, that van Bazel had answered to his words that it would all have to be thrown away anyway. And whether this deserves the name of a refusal or prevention, the more so because it concerned a matter that affected the administrators alone, but the Commissioners not at all, is in itself so clear that it requires no further decision. §38 If now all cases and positions, to whose confirmation Elin adduces the declaration mentioned in the margin, are untrue, as I think to have abundantly proven from §32 to 37 with so many sworn testimonies of various credible people to the satisfaction of the law, then notoriously the declaration itself must likewise be untrue and unsustainable. And truly nothing is more certain than that the same does not deserve the name of a written testimony at all. For I. It consists of an informal, private paper that is not even notarially drawn up, much less legally sworn, and furthermore granted not upon requisition, but at the request of Elin. II. It does not contain that which Elin purports to prove therewith; since thereby of the willful All of which is fully proven with the attached authentic copy of the declaration under No 9, whose original rests with Your High Nobilities, by the coopers Hermanus van der Poel, Hendrik Dijkschoore, and Thomas Hansen, assigned to this administration.
Dutch transcription
Antilogia §36 Dat hij Boonen wel den Opneem onder ult„o fa„ bruarij 1754. dog d' examinatie van 't vleesch in spik, niet dagelijks bijgewoont heeft; maar Clin in t geheel niet. Vid: N„o 2. Art: 13 en 14. En A: Door de Onderkooplieden van Bazel en Hout= =tuijn, die evengem: opneem gedaan hebben: Dat zij aan mij de slegte gesteldheid van ver„ schijde Vaten getoont hebbende, zonder Peekel en zonder Hloepels, ik daar op gevraagt had. „de of de Dispensiers dan niet in dat Pak huijs quamen; En dat zij daar op g'ant woord hebben Boonen meest dagelijks, maar Elin nooik. vide N„o 4. in 5. Art: 10. 11, en 12. Dat bij voormeldten opneem En eindelijk dat hij ordre gegeeven hebbende om die Vleesch en spek Vaten onder ult„o febr: 1754. de goed. met nieuwe Teckel te voorsien en aan- tevullen, zulx van Gecomm:s expres =gekeurde Paten ten eersten we„ gewijgerd en verhinderd is, onder het „der met nieuwe Teckel opge„ zeggen, dat de Heer Senff deeser we¬ gen Contrarie ordres gegeeven hadde. =vuld zijn, voor zo verre de Oude bij 't openen afgelopen was, dog de afgekeurde niet, is waar, en word volkomen bevestigd door 't een„ parig getuijgenis van Boonen W„a 2. art: 19; van de Gecommitteerdens van Bazel en Houttuijn N„o 4. en 5. Art: 13, en van den Opperkuijper 8. 37. Apohogia van 70 Antilogia §. 37. Apologia gegeeven zoude hebben de afgekeurde Vaten insgelijks van nieuwe Peekel te voorzien, word door alle te „gengesproken. Immers Boonen getuijgd N„o 2 art: 21. Dat hij niet weet of Elin die ordre ge„ „geeven heeft. Van Bazel en Houttuijn N„o 4. en 5. Art: 16 en 17. Dat Elin met haar van gevoelen was geweest, dat het maar onnodige kosten zouden zijn„ het bedurven vleesch en Spek te verpeekelen, en dat Elin ook nooit van verpeekelen gesproken, veel min zulx g'ordonneerd hadde. En de Kuijper van der Poel N„o 6. Art: 21 en 22. Dat na vol„ „bragte examinatie hem nooit gelast was, het afgo= „keurde vleesch en spik te verpeekelen of op te vullen. T is waar! Die zelfde Kuijper voegt Art: 21 daar bij, dat Elin hem geduurende d' Examinatie wel gezegt had: de: Doet op het aangestoken Vleesch weder Peekel. Maar ongereekend dat daar door alle andere ge„ tuijgen tegen gesprooken werden, die egter wel zo geloofwaardig zijn als hij. zo melt hij ook niet wat hij daarop gedaan, en of hij wezentlijk getragt heeft die ordre in 't werk te stellen. In tegen. „deel verklaart hij Art: 15. , bij discours tegens van Bazel gezegt te hebben, niet dat het eene Or„ „dre van Elin, maar dat het zyn eigen gevoelen van der Poel r„o 6. Arv: 19. Dog dat Elin ordre was Antilogia 3. 37 Apologia was geweest, dat d' aangestoken Vaten weder opge„ vuld wierden. En bij aldien dit waar is, gelijk men notoir geloven moet, om dat van Bazel meede getuijgt N„o 4. Ar: 17. Dat de Kuijper eens bij discours opge„ „worpen hadde, om de afgekeurde vaten zo als de goe= de weder op te vullen; zo kan het ook onmogelijk zijn dat hij van Clin daar toe ordre heeft gehad; dewijl hij anders zulx wel gezegt, of zig daar op beroepen zoude hebben. In gelijker voegen is het ook geleegen met het Tweede Point deezer Periode, dat namentlijk de Gecommit„ „teerdens de Verpeekeling van de bedurven Vaten gewij„ gert en verhinderd zoude hebben. Want hoe kan zulx geschied zijn, daar blijkens het evengemelde dat werk nooit ondernomen of daar toe ordre gegeeven is. Boven dien werd ook bij geen Eene Verklaring iets van die zaake gemeldt, niet tegenstaande alle getuijgen uijtdrukkelijk daar over ondervraagd zijn. van Bazel zegt eenelijk r„o 4. art: 17. Dat de Kuijper het voormeldte discours opgeworpen heb„ bende, hij daar op g'antwoord hadde; voor zijne Reekening niet, om dat eene groote quantitijt zout maar onnut verspilt zoude werden. En de Kuijper No„ 6. Art: 16. Dat van Bazel op zijn zeggen g'antwoord hadde, dat het tog alles zoude moeten lagge 19 71 Antilogia §. 37 Apologia moeten weggeworpen werden En of dit de naam verdiend van eene wijgering of versindering, te meer, daar het eene zaak betrof, die de Administrateurs alleen, maar de Gecommitteerdens in 't geheel niet raakte, zulks is in zig zelven zo klaar dat het geene verdere beslising noodig heeft. §. 38. zijn nu alle gevallen en positien, tot welker bevestiging Elin de ter zijden gemeldte Verklaaring bij beengt, onwaar, gelijk ik denk van 3. 32 tot 37. met zo veel b'eedigde getuigenissen, van verschijden ge¬ loofwaardige menschen, den Regten ten genoegen over„ vloedig beweezen te hebben, zo moet notoir de Ver =klaring zelfs, insgelijks onwaar en onbestaanbaar zijn. En waarlijk niets is zeekerder, als dat de„ „zelve den naam van Getuijg- schrift in 't geheel niet verdiend. Want voor T. / zo bestaat dezelve in een onderhands particulier papier, dat niet eens notarieel belegt, veel min geregtelijk b'eedigd en boven dien verleent is, niet ter requisitie maar ten Verzoeke van Elin. I1. ) Bevat dezelve niet het geen Clin voorgeeft, daar mede te bewijzen; alzo daar bij van 't Al het welk met de hier agter ge„ voegde Copia Authenticq Verklaring sub N„o 9, wiens Origineel bij UHoog Edel: heedens berust, door de in deeze ad„ ministratie bescheijdene Kuijpers Hermanus van der Poel, Hendrik Dijkschoore, en Thomas Hansen ten vollen bewesen werd. moedwillig
English
Apologia Antilogia §38, the deliberate draining of the brine by the First Commissioners, the findings of the Second Commissioners, and the exclusion of Elin were not spoken of at all: III.: all the affiants are lesser servants of the Dispens, and consequently at that time completely dependent on Elin, so that their testimony, on their honor and piety alone, cannot be valid in this matter. IV., The first and foremost affiant Hermanus van der Bel in particular has, in a further declaration, not simply contradicted but quite formally retracted that which they made him say here. For according to this, he supposedly received orders from Elin, both orally and in writing, to re-brine the rejected casks, but that he was prevented from doing so by the First Commissioner Van Bazel. And in his sworn attestation No 6. Art: 21 and 22, he only testifies: "That during the examination Elin had indeed once said to him, put brine again upon the pierced meat:" But that he had attempted to carry this out, and that he had been prevented from doing so, of that he does not speak a single 72 Antilogia §38 Apologia single word. And V: Thus this declaration was in all likelihood also not provided voluntarily by these people, but obtained from them in a sinister manner, as I believe I may deduce and establish: 1. / From the just-mentioned further testimony of the First Affiant, who, when he had to take the oath, would not have contradicted what he had previously declared on his honor and piety, had it not happened out of a better knowledge that his first testimony consisted of untruth. 2. / From the date of the declaration, which is only one day earlier than the defense that Elin submitted at that time, which shows that the defense was not arranged according to the contents of the declaration, but that the declaration had to be written and signed according to what was required by the assertions in the defense. 3. ) From the manner in which that declaration was provided, namely privately, which was unnecessary if one only wanted to know the truth from those people, since then the usual path of notary and witnesses would certainly have been followed. And 4. Antilogia §. 38. And 4. ) From what the last two affiants told me personally by word of mouth. For upon being addressed by me as to whether they could indeed confirm under oath that they themselves had heard that Elin had given orders to re-brine the rejected meat, they testified: No. And when I presented the declaration to them and asked further how they could then have signed that paper, they gave as answer: "That they did recall that they were called to Elin's on a certain evening, and after having drunk copiously, were persuaded to sign a paper, but that they no longer knew what was written therein, and on that account also did not wish to be held accountable for it." This last certainly deserves the most attention and would therefore also require that I confirm it with a judicial declaration from those people themselves. But I neglected to take it from them at that time, because I had already decided no longer to concern myself with Elin. And now that I would need to make use of it, time is too short Apologia to Antilogia §. 38. Apologia to write to Batavia about it and await an answer. Nevertheless, as far as I am concerned, I can assure on my conscience, and bind myself if necessary to confirm under oath, that it is the truth that these people spoke the aforementioned words to me. And this I deem sufficient to prove that this so-called declaration is false, and entirely of no value — 39. Nevertheless, not only was this fully proven matter entirely denied in the aforesaid writing, but the appeal to the same was also imputed to the petitioner as an intentional malice in inventing gross slanders, with an insolent boldness to bring them to light. Which latter the respectful petitioner would have left untouched, were it not that this passage provided an outstanding proof of partiality, hopefully demonstrating to the Noble Gentlemen Principals that the aforesaid complaint was brought to light more out of animosity and passion than out of other considerations. The petitioner testifies in this place once and for all that it causes him sensible pain 8. If the Noble Lord van Gollenesse, who knew nothing of all this, was astonished at the boldness of Elin, that he dared to attribute the spoilage of a large portion of bacon and meat to such shameful causes as were brought forward by him here previously: Your High Honors will surely be even more astonished, now that I have refuted all of them in the most concise manner, and moreover have shown that even the declaration 73 20.
Dutch transcription
Apologia Antilogia §38, moedwillig laten afloopen der Peekel door de Eerste Gecommitteerdens, van de bevinding der Tweede Gecommitteerdens en van d'exclusie van blin, in 't geheel niet gesproken werden: III.: zijn alle Attestanten mindere bediendens van de Dispens, en bij gevolg toen ter tijd van blin ten eenimaale afhangelijk geweest, zo dat hun getuigen is, op hunne Eere en vroomheid alleen, in deezen niet gelden kan. W1. , Heeft inzonderhijd d' Eerste en voornaamste Attestant Hermanus van der Bel bij eene nadere Verklaring niet simpel tegengesprooken maar genoegzaam formeel herroepen, het geen men hem hier heeft doen zeggen. Want volgens deeze zoude hij, zobij monde als geschrifte van Ehin ordre gekregen hebben, om d'afgekeurde Vaten te verpeekelen, dog dat hij daar in door den Eersten Gecommitteerde Van Bazel verhinderd was geworden. En bij zijne b'eedigde Attestatie N„o 6. Art: 21 en 22, getuijgt hij eenelijk:„ Dat geduu„ „=rende d'examinatie Elin hem wel eens gezigt „hadde, doet op het aangestoken vleesch weder Pee„ „kel:„ Maar dat hij getragt zoude hebben zulxter uijtvoer te brengen, en dat hij daarin verhinderd zoude zijn geworden, daarvan spreekt hij geen enkeld 72 Antilogia §38 Apologia enkeld woord. En V: Zo is die Verklaring na alle gedagten ook door deeze Menschen niet vrijwillig verleend, maar op eene finistre wijze van hen verkregen, gelijk ik ver= =meen te mogen opmaaken en vast stellen: 1. / Uijt het zo evengemeldt nader getuijgenis van de Eersten Attestant, die toen hij den Eed moeste doen„ niet tegengesproken zoude hebben het geen hij op„ zijne Eere en Vroomheid bevorens verklaart hadde, was 't niet geschied uijt een beeter weeten, dat zijn eerste getuijgenis in onwaarhijd bestond. 2. / Uijt den datum van de Verklaring die maar eenen dag vroeger is, als de Verantwoording die Elin toen ter tijd ingediend heeft, en het gunt aantoont dat de Verantwoording niet geschikt is, na den Inhoud van de Verklaring, maar dat de Verklaring heeft geschreeven en geteekend moeten werden na dat het geposeerde bij de Verantwoording zulx vereischte. 3. ) Uijt de manier waar op die Verklaring ver„ leend is, te weeten Onderhands, het gunt onno: dig was als men van die Menschen alleen de Waarhijd hadde weeten willen, vermits dan welde gewoone weg, van Notaris en getuij= „gen gevolgt zoude zijn. En 4. - Antilogia §. 38. En 4. ) Uijt het geene de Twee laatste Attestanten in Perzoon mondeling tegens mij gezegt hebben. Want door mij aangesproken zijnde, of zij wel met Eede bevestigen kon= =den, zelfs gehoort te hebben, dat Elin tot het verpeekelen van 't afgekeurde vleesch ordre gegeeven hadde, zo betuijgden zij van Neen. En toen ik hen de Verklaring voorlegde en nader vroeg, hoe zij dan dat papier hadden teekenen kunnen, zo gavenze tot antwoord. „Dat hun wel voorstond, dat zij eens op zeeke„ „ven Avond bij Elin geroepen, en na rijkelijk „gedronken te hebben, gepersuadeert waren „een papier te teekenen, maar dat zij niet „meer wisten wat daar in stond, en uijt dien „hoofde ook niet daar voor aansprekelijk wil„ „den zijn.„ Dit laatste verdiend zeekerlijk de meeste aanmerking en zoude daarom ook wel vereijschen, dat ik het zelve met eene geregtelijke Verklaring van die Mens „schen zelfs bevestigde. Maar ik heb toen ter tijd verzuijmt die van hen te neemen, om dat ik bereeds besloten hadde, mij met Elin niet meer te bemoeijen. En nu ik er gebruijk van zoude dienen te maken, is de tijd te kort, Apologia om Antilogia §. 38. Apologia om daar over na Batavia te schrijven en ant= „woord af te wagten. Egter kan ik voor zo veel mij aangaat, op mijn gemoed verzeekeren, en verbinde mij des noods: met Eede te zullen be= „vestigen, dat het de waarheid is, dat deeze Hen= tien tie „schen, de voorm: woorden tegens mij gesproken hebben. En dit vermeen ik genoeg te zijn om te bewyzen, dat deeze zo genaamde Verklaring valsch, en in 't geheel van geener waarde is — 39. Niet te min werd niet alleen deese volkomen beweesene zaak bij voorsz: schriftuur volstrekt ontkent, maar ook de provocatie op deselve den supp:t g'imputeerd als een opset„ „telijke boosheijd in het versinnen van grove Lasteringen, in eene on beschaamde stoutmoedigheijt om deselve voor den dag te brengen. Het welk laatste den eerbiedi gen suppt onaangeroerd zoude gelaten hebben, ware het niet dat die Passage een uijtsteekend bewijs van partialiteit uijtleeverde ter verhopentlijken optuijging van de Edele Heeren Principalen dat het voorsz: Klagt schrift meer uijt animositijt en passie dan uijt andere insigten aan het Zagligt gebragt is. Den Supp:t betuijgd te deser plaatse eens voor al dat het hem sensibel 8. Is de Edele Heer van Gollenes. =se, die van dit alles niet gewee ten heeft, verwonderd geweest, over de stoutmoedigheid van Elin, dat hij 't bederf van een groot gedeelte spek en vleesch aan zulke schandelijke oorza„ „ken heeft durven toeschrijven als hier voorwaarts door hem bijgebragt zijn: Uw Hoog Edelens zullen zeekerlijk nog meer verwonderd staan, nu ik die alle op de bondigste wij„ „ze wederlegt, en boven dien aan„ „getoond heb, dat zelfs de Ver„ Klaring Smert 73 20.
English
Antilogia §. 39. Apologia declaration, on which all his pretexts rest, is false and obtained in an indirect manner. For who could have thought that he had so utterly no foundation nor the slightest appearance of truth on his side; upon which he was able to undertake not only to accuse others of the foulest deeds, but also against better knowledge and conscience to reject the best-known truths, to set his own fabrications against them, and then still endeavor to make them plausible through false testimonies. Consequently, the Noble Lord van Gollenesse has rightly called it a deliberate malice in the invention of gross slanders, and an insolent audacity to bring the same to light. And yet Elin finds so much untruth in those terms that, according to his saying, this passage provides an outstanding proof of partiality, to the conviction that the Bill of Complaint was brought to light more out of animosity and passion than out of other intentions. It grieves him to have to assert this of a writing that bears such a great Name at its head, and that in all other less weighty cases where honor and temporal prosperity are not so greatly put in the balance, he would rather have fallen short in his defense than have written anything that might have the least semblance of disrespect; but he also hopes not to be suspected by the same in that case where he must defend his honor and good name together with his entire prosperity. Apologia Antilogia §. 39 brought to light more out of animosity and passion than out of other intentions. An astonishing judgment indeed! Yet one which Elin has repeated all too many times, and on which account I presently avoid making any note upon it; since it would surely bore Your Noble Honors if I wished to repeat my remarks in §. 14. and 20. in like manner. §. 40. Returning hereby to the main point, the Undersigned finds a lengthy defense of the Lord Senior Merchant Senff, wherewith one wishes to prove that His Honour gave no orders against the pickling of the meat and pork, against which he briefly recalls that this artful defense can find little acceptance so long as the rule stands that in the mouth of two witnesses the truth is established, since His Honour is fully convinced by the concordant testimony of three persons who are irreproachable. Until now, Elin has not spoken of this matter at all, at least not in such manner as if he believed and on that account accused me: That I had given orders against the pickling of the pork and meat. Yet here he speaks as of a known matter, which previously had already fully reached its settlement, and which he holds for so certain and proven that according to his thoughts the artful defense of the Noble Lord van Gollenesse can find little acceptance; since I am fully convinced by the concordant testimony of three persons Antilogia §. 40. Apologia persons who are irreproachable. It will therefore be necessary that I treat this point here in particular. And proceeding to that, I shall demonstrate: First: That Elin has utterly no foundation or reason to accuse me in such manner; and Secondly: that it is utterly impossible that I can have given orders against the pickling in any manner. Now as regards the First, whether Elin has no foundation to accuse me, the truth of this appears when one considers that his entire proof rests solely upon the single private declaration, of which I have already in §. 38. in the most solid manner demonstrated that the same is contradictory, false, and obtained in an indirect manner, and which on that account entirely falls away. But even if it were good, it nevertheless does not contain that which Elin adduces from it. For the first two deponents alone, and not all three, as Elin likewise wrongfully states, declare solely: "That they had received orders from Elin to pickle the rejected meat and pork as well, but that they had been prevented therein by van 175 Apologia Antilogia §. 40 van Bazel, under the pretext of having received contrary orders concerning that from me." And this could at best prove that van Bazel had expressed himself in that manner. But that Elin never gave orders for the topping up, much less then for the pickling, has already been demonstrated previously in §. 37. And that van Bazel also did not prevent the same, nor even ever spoke the aforementioned words, he confirms under oath, when he testifies in his Attestation No. 4. art. 17: "That the Cooper having once raised in conversation to top up the rejected casks as well as the good ones, he had solely answered thereto; not for his account, because a large quantity of salt would only be uselessly consumed." Yea, that same Cooper, the first and principal deponent of Elin, reports of that entire matter in his likewise sworn Declaration, No. 6. Art. 15., also nothing other than: "That he on a certain occasion had said to van Bazel, that according to his judgment pickle ought also to be put again upon the opened casks."
Dutch transcription
Antilogia §. 39. Apologia Verklaring, waar op alle zijne voorwendsels steunen, valsch en op eene indirecte wijze verkre„ „gen is. Want wie zoude heb= =ben kunnen denken, dat hij ook zo in 't geheel geenen grond nog de minste schijn van waarhijd voor zig hadde; waar op „ heeft kunnen onderneemen, om niet alleen andere met de vuijlst bedrijven te beschuldigen, maar ook tegens beeter weeten en geweeten aan, de allerbekendste waarheiden te verwerpen, zijne eigene verdigtselen daar tegen te stel= =len, en dan nog te tragten, dezelve door valsche getuijgenissen aanneemelijk te maken. Bij gevolg heeft de Edele Heer van Gollenesse het met regt genoemd, eene opzettelijke boosheid in 't verzinnen van grove Lasteringen, en eene onbeschaamde stoutmoedigheid om dezelve voor den dag te brengen. En evenwel vindt Elin in die benamingen zo veel onwaarheid, dat volgens zijn zeggen deeze Passagie een uijt„ „steekent bewijs van partialiteit uijtlevert, ter overtuijging, dat het Klagt-schrift meer smert, dit van een Geschrift, dat sulk een groote Naam aan het hoofd draagd te moeten beweeren, en dat hij in alle andere min gewigtige gevallen daar Eere en tijdelijke welstand zo zeer niet in de Waagschaal gesteld zijn liever zijne defensie zoude te kort gedaan als iets geschreeven hebben 't geene het minste sweemsel naar oneerbiedigheijt mogte hebben; maar hij verhoopt ook van dezelve niet verdagt te zullen werden, in dat geval daar hij zijn Eere en goede Naam benevens zijn geheele welvaart verde„ digen moet. uijt Apologia Antilogia §. 39 uijt animositijt en passie, dan uijt andere inzig„ „ten aan het dagligt is gebragt. Een verwonderens waardig oordeel voorwaar! dog het welke Elin al te meermalen heeft herhaalt, en weshalven ik vermijde thans daar op iets aan te teekenen; alzo het zeekerlijk uw Hoog Edelens verveelen zoude, bij aldien ik mijne aanmerkingen §5. 14. en 20. in gelijker voegen herhalen wilde. §. 40. Hier meede weederkeeren tot de Tot nog toe van Clin van deeze hoofdzaak vind den Ondergetekende zaak in 't geheel niet gesproken, eene wijdlopige defensie van den Heer „ Opperkoopman Senff, waar meede ten minsten niet in dier voegen, men bewijzen wil, dat zijn Edele als of hij geloofde en mij uijt geen Ordres tegens het Verpeckelin dien hoofde beschuldigde: Dat van 't vleesch en spek gegeeven, hadde, waar tegens hij in 't kort ik tegens het Verpeekelen van hevinnert, dat die artificieuse de„ fensie wijnig ingres kan vinden 't spek en Vleesch ordre gegeven zo lange de regel dat in de mond hadde. Dog hier spreekt hij als van twee Getuijgen de waarheijt bestaat stand blijft houden aan„ van eene bekende zaak, die gezien zijn Edele door het eens. bevorens al volkomen haar luijdende getuijgenis van drie Per„ zoonen, die ir reprochabel zijn ten beslag heeft erlangt, en dewel= vollen overtuijgd werd. ke hij voor zo zeeker en bewee„ „zen houdt, dat volgens zijne gedagten d'arti„ „ficieuse defensie van den Edelen Heer van Gollenesse wijnig ingang kan vinden; alzo ik door het eensluijdend getuijgenis van drie persoonen Antihogia I. 40. Apologia persoonen, die irreprochabel zijn, ten vollen over. „tuijgt werde. Het zal dierhalven nodig zijn, dat ik dit point hier in 't bijzonder verhandele. En daar toe overgaande, zal ik aantoonen; Eerstelijk: Dat Elin in 't geheel geen fondament of reeden heeft mij in dier voegen te beschuldigen; en Ten Tweeden: dat het volstrekt onmogelijk is, dat ik op eenigerhand wijze tegens het Verpickelen or: „dre gegeeven kan hebben. Wat nu aangaat het Eerste, of dat Elin geen Con„ dament heeft mij te beschuldigen, hier van blijkt de waarhijd als men aanmerkt, dat zijn gantsch bewijs alleen steunt, op d' enkelde onderhandsche Verklaring, waar van ik bereeds §. 38. op de bon= =digste wijze aangetoond heb, dat dezelve tegen= strijdig, valsch, en op eene indirecte manier ver „kregen is, en dewelke uijt dien hoofde in 't ge= =heel vervalt. Dog al was die goed, zo behelst dezelve egter niet, het geen Clin daar uijt bijbrengt. Want de Twee Eerste Attestan¬ „ten alleen, en niet alle drie, zo als Elin insgelijx ten onregten opgeeft, verklaaren eenelijk: „ Dat zij van Ehin ordre gekreegen „hadden, het afgekeurde vleesch en spik „ook te verpeekelen, dog dat zij daar in door van 175 Apologia Antilogia §. 40 „van Bazel verhindert waren geworden, onder „voorgeeven, contrarie ordres daar omtrent van „mij ontfangen te hebben. „ En dit zoude op zijn best kunnen bewijzen, dat van Bazel zig in dier voegen uijtgelaten hadde. Dog dat Elin nooit ordre tot het opvullen veel min dan tot het verpeekelen heeft gegeeven gehad, is bevorens §. 37. al aangetoont. En dat van Bazel het zelve ook niet verhinderd, nog zelfs de voorm: woorden niet eens gesproken heeft, zulx bevestigt hij met Eede, wanneer hij bij zijne Attestatie N„o 4. art: 17 getuijgd: „Dat de Kuijper eens bij discours opgeworpen „hebbende, om d' afgekeurde Vaten zo wel als „de goede weder op te vullen, hij eenelijk daar „op g'antwoord hadde; voor zijne Reekening niet „om dat eene groote quantitijt zout maar on„ „-nut verbruijkt zoude werden. „ Ia: die zelfde Kuijper, d' eerste en voornaamste Attestant van Elin, meldt van die gantsche zaak bij zijne insgelijks breedigde Verklaring, N:o 6. Art: 15. ook niets anders, dan: „ Dat hij bij zeekere „gelegentheid tegen van Bazel gezegt hadde, „dat volgens zijn oordeel op d' aangestoken „vaten ook weder Peckel behoorde gedaan te werden 21.
English
Antilogia §. 40: be thrown away, but that van Bazel had answered thereto that it would all have to be thrown away anyway. Apologia And as regards the second point, whether I could impossibly have given orders against the repickling, the truth thereof appears: 1st, from the fact that in not a single one of all the authentic declarations that I produce is anything mentioned of the order of Elin, or of any impediment brought against it. 2nd, from what is noted in §. 37, whereby it is proven that Elin had never given an order for the repickling, from which it indisputably follows that I could then also impossibly have granted a counter-order. And 3rd, from the sworn attestations of the following persons, namely: The Junior Merchant van Bazel No. 4, art. 3–9. The Junior Merchant Houttuijn No. 5, art. 3–9. And The Cooper van Der Poel No. 6, art. 8–14. All of whom unanimously and as with one voice say: That I, being present at the opening of some barrels of tainted meat, had asked Apologia 76 Antilogia §. 40. Apologia them whether the same could not be remedied if it were washed free of the old brine and repickled anew with spices, etc., but that the Cooper had answered thereto that during his time in the dispensary meat was never repickled, and that it would also not be good because the Indian salt did not have the strength of the salt of the Fatherland; that the first two deponents had been of the same opinion; and that I had said thereupon: That they should then do as they saw fit to be proper. Likewise: The Junior Merchant Overbeek, who in No. 7, art. 2–4, explicitly testifies: That I had given orders to him and his fellow-commissioner, the Junior Merchant Pinket, to provide a certain parcel of meat with new brine, but that Elin would not agree to it. For if it is true, as is confirmed beyond doubt by the attestations of all the aforementioned four persons sworn before the Judge, that I was of the opinion, and that I had even given orders, to purify the tainted meat Apologia from its bloody and stinking brine, and to repickle it anew, then it is also at the same time true that I could not possibly at the same time have held a different opinion, or have given orders not to repickle that same meat. And more I shall not bring forward for my defense against the unheard-of accusation of Elin. Holding myself assured that this is enough; and even had I less essential proofs than I can now actually produce, that I am nevertheless too well known to your High Noblenesses and to the whole honorable world for anyone to be able to believe that I was capable of wishing to avenge myself in such a low and shameful manner on a man whose greatest harm that he has been able to do me until now consists only in this, that he has slandered me undeservedly; at which, however, with a calm frame of mind, I have always laughed, and for as much as I have been offended, have wished him no heavier punishment, and still wish him none, than that he may some day better himself. Antilogia §. 40. §. 41 77 Apologia §. 41 The Honorable Mr. van Gollenesse having said, among other things, that never before in the Dispensary had any meat been repickled, Elin considers this a proposition the falsehood of which he can show by the contrary. And he also indeed produces a declaration from the Junior Merchant Pinket, according to which 200 barrels of meat brought by Haarlem and Noordnieuwland were said to have been properly repickled. But that the statement of the Honorable Mr. van Gollenesse by no means consists of falsehood is confirmed by the following eyewitnesses, who in their attestations, each for himself, speak in this manner; namely: The Second Dispensary Master Boonen, No. 2, Art. 5: That the Junior Merchants Pinket and Overbeek had certain parcels of meat brought by Haarlem and Noordnieuwland Antilogia §. 41: Besides that among the various propositions and arguments things occur of which one can show the falsehood by the contrary, just as is the case regarding the pretext that never before here in the Dispensary had any meat been repickled, which conflicts with the pure truth, since the meat or pork barrels that have lost their brine are continually provided with new brine and refilled, which among other things appears from the private declaration of the Junior Merchant Johannes Pinket accompanying this under No. 10, which was drawn up for a further purpose, but nevertheless at the same time dictates that in Anno 1753 200 barrels of meat brought by the ships Noord Nieuwland and Haarlem were properly repickled by the deponent, as former commissioner, with the fellow Junior Merchant Overbeek who has departed from here for Ceylon. 9. 22.
Dutch transcription
Antilogia §. 40: „werden, dog dat van Bazel daar op g'antwoord „hadde, dat het tog alles zoude moeten weg ge„ „=worpen werden. „ En wat betreft het Tweede, of dat ik onmogelijk ordre tegens het verpeekelen gegeeven kan hebben, daar van blykt de waarhijd voor 17. daar aan, dat bij geen een van alle de egte Verklaringen, die ik produceere, iets van de Ordre van Elin of van eenige daar tegen in„ =gebragte verhindering gesproken werd. 2. / Uijt het genoteerde §. 37. waarbij bewezen is, dat blin nooit ordre tot het verpeekelen heeft gegeven gehad, en waar uijt ontegenzeggelijk volgt, dat ik dan ook onmogelijk eene Contra Ordre verleend kan hebben. En 3: lijk de breedigde Attestatien van de volgende Menschen, te weeten: Den Onderkoopman van Bazel N„o 4. art 3. – 9. Den Onderkoopman Houttuijn N„o 5. art: 3. — 9. En Den Kuijper van Der Poel N„o 6. art: 8- 14. — Dewelke alle eenparig en als uijt eenen mond zeggen: „ Dat ik bij het openen van eenige Va„ „ten aangestoken vleesch present zijnde, gevraagd Apologia hadde 76 Antilogia §. 40. Apologia hen hadde, of het zelve niet te verhelpen zoude we„ „zen, wanneer het van d' oude Peekel afgewasschen „en op nieuw weeder met specerijen ensz: verpee= „.kelt wierde, dog dat de Kuijper daar op g'ant„ „woord hadde, dat bij zijn aanweezen in de „dispens nooit vleesch verpeekels was, en dat het „ook niet goed zoude weezen, om reeden het „ Indisch zout de kragt niet hadde als het „ Vaderlandsche; Dat de Twee eerste Attestan= „=ten van 't zelfde gevoelen geweest waren; en „dat ik daar op gezegt hadde: Datze dan doen „moesten, zo als ze zouden goedvinden te behoo „ren. „ zo meede: De Onderkoopman Overbeek, dewelke N„o 7. art. 2. – 4. uijtdrukkelijk getuijgt: „Dat ik, aan hem en zijn meede Gecommitteer„ „de, den Onderkoopman Pinket, heb ordre „gegeeven gehad, om zeekere Purthij vleesch „van nieuwe Peekel te voorzien, dog dat Elin „daar toe niet heeft willen verstaan. „ Want is het waar, gelijk met de voor den Regter b'eedigde Attestatien van alle de voornoemde Vier Persoonen ontwijffelbaar bevestigd werd, dat ik van gevoelen geweest ben, en dat ik zelfs ordre heb gegeeven gehad, om het aangestoken Vleesch Apologia Vleesch van zijne bloedige en stinkende Peekel te zuijveren, en op 't nieuw te verpeekelen, dan is het ook teffens waar, dat ik onmogelijk te gelijker tijd een ander gevoelen gehad, of ordre gegeeven kan hebben, om dat zelfde Vleesch niet te verpeekelen. En meer zal ik ter mijner Verdeediging tegens de ongehoorde beschuldiging van Elin niet in= =brengen. Mij verzeekert houdende dat dit genoeg is; en al hadde ik ook minder essenti= =eele bewijzen, als ik thans effective producee= „ren kan, dat ik egter bij uw Hoog Edelens en bij de gantsche honette waereld al te wel bekend ben, dan dat iemand zoude geloven kun„ =nen, dat ik in staat was, mij op zulk een laage en schandelijke wijze te willen wreeken aan een man wiens grootste quaad, dat hij mij tot nog toe heeft kunnen doen, alleen hier in bestaat, dat hij mij onverdiend ge„ „lasterd heeft; dog waar meede ik bij eene bezaadigde gemoeds gesteldheid altoos gela„ „ghen, en hem voor zo veel ik beleedigd ben„ geene swaardere straffe toegewenscht heb, en nog toewensche, dan dat hij zig eens bee„ =teren moge. Antilogia §. 40. §. 41 77 Apologia §. 41 Antilogia §: 41: De Edele Heer van Gollenesse, on„ der anderen gezegt hebbende, dat in de Dispens nooit bevorens eenig vleesch verpeekeld was„ zo houd Elin zulx voor eene posi= „tie welker onwaarheid hij door het tegendeel kan aantoonen. En hij produceert ook in der daad eene Verklaring van den Onder„ =koopman Pinket, volgens de. welke 200. Vaten vleesch Per Haarlem en Noordnieuwland aangebragt, behoorlijk verpee„ =keld zouden zijn. Dog dat het gezegde van den Edelen Heer van Gollenesse geen. =zints in onwaarheid bestaat, zulx bevestigen de volgende oog-getuijgen, dewelke bij hun „ne Attestatien, een ieder voor zig, in deezer voe„ =gen spreeken; te weeten: De Tweede Dispensier Boonen, N„o 2. Art: 5. — „Dat de Onderkooplieden Pinket en Overbeek „zeekere parthijen Vleesch met Haarlem en Noord nieuwland Behalven dat onder de verscheiden positien en argumenten, dingen voorkomen, waar van men d' onwaar heid door het tegendeel kan aan„ „toonen, gelijk zulx plaats heeft nopens het voorwinden dat hier in de Dispens nooit bevorens eenig vleesch verpeekeld was, het welk met de zuivere waarheid strijd alzo de vleesch of spek vaten die de Peekel verloren hebben, steeds met nieuwe Peckel voorsien en opgevuld werden, 't geen onder an„ deren Consteerd uijt d' onderhandse Verklaring van den Onderkoop: =man Johannes Pinket desen sub N„o 10 versellende, dewelke tot een nader oogmerk geschikt, dog niet te min teffens dicteerd, dat in Anno 1753. 200 Vaten vleesch per de scheepen Noord Nieuwland en Haarlem aange= bragt, en door d' Attestant als gewesene Gecommitteerde, met den van hier naar Ceijlon ver„ trockene mede Onderkoopman Overbeek, behoorlijk verpeckeld zijn. 9. 22.
English
Antilogia §41. examined that brought by Noordnieuwland; but that they did not repekle the same anew, but that the Cooper, by order of him and Elin, refilled the approved casks; and that to his knowledge, no meat or bacon was ever entirely repekled at all. The Junior Merchant van Bazel No 4. art: 20. That during the period of 5½ years that he was in the warehouse as a commissioner, no casks were ever repekled, but they were indeed topped up, insofar as the pickle had run off from them upon opening. The Head Cooper van der Poel No 6. Art: 1. 3 and 4. That the Junior Merchants Pinket and Overbeek examined the meat brought by Haarlem and Noordnieuwland; that all approved casks were topped up with new pickle, insofar as the old had run off upon opening. And Art: 12. and 13. That during his presence in the dispensary, no meat or bacon was ever repekled. And The Junior Merchant Overbeek No 7 art: 1. —. 4. That he and Pinket, as commissioners appointed to inspect certain casks of meat, received orders to have the same provided with fresh pickle; but that Elin was unwilling to proceed with that. Apologia Consequently it is only too true: that not only was no meat ever repekled, but especially also that consignment of which Elin speaks. And whether against all these sworn attestations the single private paper of Pinket can carry weight, such does not even need to be taken into consideration. The matter itself is all too clear. And of the so-called Declaration of Pinket, I shall speak further hereafter in §. 47; at which time it will appear perhaps even more clearly than in this place that the same is notoriously false, and in my opinion also obtained in an indirect manner. Wherein this contradiction consists I cannot understand. And the matter itself does not deserve to be investigated. Besides that this letter of complaint contradicts this itself a few pages further back, at the place where the petitioner is accused of having refused to have repekled the 200 casks of meat brought by the ships Haarlem and Noord-Nieuwland, notwithstanding that such was deemed necessary by the commissioners and ordered by the Senior Merchant in the name of the Noble Lord Director; how this passage, which will be properly refuted in its place, can now be reconciled with the pretext that here in the dispensary no meat had ever before been repekled, the petitioner leaves to others to judge. §. 42 Antilogia §. 41. §. 43. Antilogia §. 43. Rightly has the Noble Lord van Gollenesse rejected this proposition as a shameless pretext. And the untruth thereof has also been so abundantly proven in the preceding §. 32. 33. 35 and 36, that I consider it unnecessary to add anything further to it. Apologia §. 43 Hereafter the well-founded and natural proposition of the petitioner is cited—that the spoiling of the bacon and meat casks rejected by the second commission was caused by letting the pickle drain off without providing them with new pickle, and thus leaving them for more than three months long, without pickle and without supervision, in a closed warehouse—and is not merely called into question, but branded with the name of shamelessness and audacity. But that salted bacon and pickled meat must necessarily rot when it is stripped of its pickle and lies locked up for nearly four months in a damp warehouse, that no one will wish to deny. And especially must such take place in these regions, where the heat is so excessively constant, and the air is rather more penetrating than in Europe, so that all things in this country turn to corruption rather sooner than in other regions. This objection, that Elin also signed the report of the First Commissioners for the accounting and thereby fully approved their statement, is so succinct that it cannot be refuted. This is evident from the far-fetched evasions that Elin makes. §. 44. One objection, however, is formed against this, which has the outward appearance of being well-founded, consisting in the question of how it comes about that the petitioner also signed the First Report for the accounting. However, to this it must first be stated that the ordinary inventory only looks to the number of the remaining balances, and that the administrator signs that number.
Dutch transcription
Antilogia §41. „ Noordnieuwland aangebragt g'examineerd; dog „ dezelve niet op 't nieuw verpeekeld hebben, maar „ dat de Kuijper de goedgekeurde Vaten ter ordre „van hem en Elin weder opgevuld heeft; En dat „met zijn weeten, nooit eenig Vleesch of Spek „ in 't geheel verpeekeld is. „ De Onderkoopman van Bazel N„o 4. arb: 20. „ Dat geduurende den tijd van 5½ jaar, die hij als Gr„ „committeerde in 't Pakhuijs is geweest, nooit eenige „vaten verpeekelt, maar wel opgevuld zijn, voor „zo verre de Peekel bij 't openen daar af gelopen was„ De opperkuijper van der Poel H„o 6. Art: 1. 3en 4. „Dat de Onderkooplieden Pinket en Overbeek het „vleesch met Haarlem en Noordnieuwland aan: „gebragt, g'examineert hebben; Dat alle goedge= „keurde Vaten met nieuwe Peekel opgevuld zijn, „voor zo verre d'oude bij 't openen afgelopen was.„ En Arb: 12. en 13. „Dat bij zijn aanweezen in „ dispens, nooit eenig „vleesch, of spek verpeekeld is.„ En D' Onderkoopman Overbeek N„o 7 art: 1. —. 4. „Dat hij en Csinket als Gecommitteerdens om zeer „kere Vaten vleesch te visiteeren, ordre gekregen „hebben, het zelve met verse Peekel te doen voor. „zien; dog dat Elin daar toe niet heeft willen treden„ Apologia Bij Apologia Bij gevolg is het maar al te waar: Dat niet alleen nooit eenig vleesch, maar ook inzonderhijd die Par„ thij, waarvan Elin spreekt niet verpeekeld is. En of teegens alle deeze beedigde Attestatien het en= „keld onderhands Papiertje van Linket opwee„ =gen kan, zulx behoeft niet eens in bedenking genomen te werden. De zaake zelfs is al te„ klaar. En van de zogenaamde Verklaring van Pinket, zal ik hier agter S. 47. nader spree„ „ken; als wanneer mogelijk nog duijdelijker dan te deezer plaatse blijken zal, dat dezelve notoir Valsch, en na gedagten meede op eene indirecte wijze verkregen is. Waar in deeze tegens praake bestaat kan ik niet begrijpen. En de zaa„ =ke zelfs verdiend ook niet, daar na onderzoek te doen. Behalven dat dit Klagt Schrift eenige bladeren verder na agteren zulx zelfs tegenspreekt, ter plaatse daar den Supp„t beschuldigd werd gewijgerd te hebben de 200 Vaten vleesch met de scheepen Haarlem in Noord-Nieuwland aangebragt te laten verpeekelen niet tegenstaande sulx door de Gecommit„ =teerdens nodig g'oordeeld en door den Opperkoopman uijt de naam van den Edelen Heer Directeur gelast was; hoe nu deeze passagie, die op haar plaats behoorlijk zal wederlegt werden, met het voorwendsel dat hier in de Dispens nooit bevorens eenig Vleesch verpeckeld was overeengebragt kan werden laat den Suppliant andere oordeelen. 5. 42 Antilogia §. 41. §. 43. Antilogia §. 43. Apologia 3. 43 Heer na werd de gefundeerde en na: Met regt heeft d' Edele Heer van =tuurlijke stelling van den Supp=t Gollenesse deeze Stelling, als dat het bederf van de bij de tweede een onbeschaamt voorwendsel ver= Commissie afgekeurde Spek en Vleesch, daten veroorzaakt is door worpen. En d' onwaarhijd daar van de Piekel te laten afloopen, zonder dezelve met nieuwe Peckel te voor is ook in de voorgaande §. 32. 33. 35 zien, en ze dus meer als drie maan„ en 36. zo overvloedig bewezen, dat den Lang, zonder Peekel en zonder toezigt, in een besloten Pakhuijs te ik onnodig agte iets meer daar laten leggen aangehaalt en niet bij te voegen slegts in twijfel getrocken, maar met de Naam van Onbeschaamdheid en stoutmoedigheid geboekslaast. Maar dat zout spek en Pekel- Vleesch, noodwendig verrotten moet, wanneer het van zijn Peekel ontbloot en bij de vier maanden in een dampig Pakhuijs opgeslo: „ten legt, sulx zal niemand begeeren te ontkennen. En insonderheijd moet zulx plaats hebben in deeze gewesten, daar de warmte zo excessifis gesladig, en de Lugt vrij doordringender is als in Europa, invoegen alle dingen hier te Lande vrij eerder tot bederf overgaan als in andere Gewesten. Deeze objectie, dat Elin het Rap= „van de Eerste Gecontm:t port „ voor de Verantwoording mee¬ de onderteekend en daar door hunne opgave volkomen goed. gekeurd heeft, is zo bondig, dat dezelve niet wederlegt. kan wor¬ den. Dit blijkt aan de ver¬ gezogte uijtvlugten die Elin 8. 44. Eene Objectie egter werd hier tegens geformeerd, die het uijterlijke aan= zien van gefundeertheid heeft be„ staande in de vrage, hoe het komt dat den suppt. het Eerste Rapport voor de Verantwoording meede ge= teekend heeft. Edog hier op diend voor eerst dat de ordinaire opneem alleen ziet op het getal der Restanten, en dat de Administrateur teekenen dat maakt getal
English
79 Apologia to account for the number; that makes. And especially the principal point is all too absurd, that the Administrators would indeed be answerable for the number of the Remnants, but not for the quality thereof; as has already been shown at large in §. 23. Antilogia §. 44. that the petitioner and his Colleague then also signed that report according to custom for the accountability of the Remnants stated therein, without thereby also approving at the same time the statement of so much spoiled bacon and meat, firmly assuming that those Commissioners would report such an important point in more detail to the Noble Lord Director in a further and separate report. But as for the second point, this argument must fall as refuted as soon as one inspects the second Report of the later Commissioners: For since, as appears from the same, of the 468 Barrels which according to the First Report were supposed to have been spoiled, more than Two hundred Barrels were still found issueable, the signing of the Report can therefore impossibly prove that those Barrels were spoiled at the time of the First survey, it being directly contradictory that the very same meat which today was found good, should already have been spoiled three months ago. §. 45. Wherefore also all the further, otherwise very weak objections that are subsequently brought up in relation to this article naturally fall away of themselves, such as the next following argument: That because the Administrators during the Survey had requested Hoop iron because many Hoops around the Barrels were rusted and broken, it was certain that the Brine must have drained away long before. That upon the opening and coopering up of many barrels many hoops can also burst is indeed true. But the Noble Lord van Gollenesse does not speak of that. His Honour expressly mentions such hoops as were rusted and burst off due to the long lying of the Barrels. And that truly For that there is no Conclusion or Consequence in this argument, everyone will admit, since out of 2000 Barrels easily 2000 instead of only 300 pieces of Hoops can burst, without so many barrels having to become leaky; besides that those 300 pieces of issued hoops served in place of those which happened to burst upon the opening of the Barrels, and the petitioner regarding this will gladly submit to the Judgment of a competent Cooper, whether one can open and cooper up twice 2000 pieces of barrels with salted bacon and meat, imported from Europe, without a multitude of hoops bursting. Apologia many such Barrels were truly found at the First Survey, appears from the Declarations of the following Persons, who testify; as: Boonen, No. 2. art: 11 and 12. That the Commissioners van Bazel, Houttuijn and Pruijst found Some Barrels without Year number. . . . . And Some dry, without Brine, and provided with few hoops. Van Bazel and Houttuijn No. 4. and 5. Art: 10. That during that survey they showed to me several Barrels entirely dry without Brine . . - . . . and virtually without hoops, in such manner that they could not be worked. And the Cooper van der Poel No. 6. art: 16: That it is true that several barrels were found without brine, and also some from which the hoops were rusted off. The remainder I pass over, because nothing thereof deserves any remark, except only that Antilogia §. 45. shortly after the survey under the ultimate of February 1754, and thus during the opening and coopering up of the Barrels, not simply 300, but fully 1100 pieces of hoop iron or 6979 lb was issued to the Provision Warehouse. Although the Reports of the First and Second Commissioners do not differ from each other in substance, as has already been convincingly demonstrated in §. 29, the First nevertheless has by far the preference over the latter, not only in consideration of the adduced reasons and proofs in §. 25, but also especially because the principal part of its Contents has been confirmed with a solemn Oath, not only by the attestations of the First Commissioners themselves No. 4. and 5., but also by those of the Second Administrator Boonen and Head Cooper van der Poel No. 2 and 6., which privilege §. 46. Finally they seek to suspect the Report of the latest Commissioners, as if the same were feigned and the Truth thereby disguised and concealed, because the meat and bacon were thereby declared issueable, with the addition of these words, and that even for 3 Months; to this serves: 1. / That those Commissioners, consisting of 5 qualified Unimpeachable Servants whom the Noble Lord Director General had chosen according to his own pleasure, do not deserve to be so groundlessly suspected, as having the presumption of good in their favor as long as the contrary is not proven: / And what Interest could those Persons indeed have had in view by drawing up a feigned report, sparing the truth and misleading the high Government; what danger would their Honor and persons not have run, by in a matter of so much weight, which their are. 2 80
Dutch transcription
79 Apologia Antilogia §. 44. getal te zullen verantwoorden; dat maakt. En inzonderheid is de den supp„t en sijn Collega dat rapport voornaamste al te onnozel, dat dan ook naar gewoonte geteekend heb„ ben voor de verantwoording der daar d'Administrateurs wel voor 't ge¬ bij gestelde Restanten, zonder daar tal der Restanten, maar niet- door teffens ook te approbeeren d' op„ gave van zoo veel bedorven spek en voor derzelver deugd aanspreeke. vleesch, vast veronderstellende dat lijk zoude zijn; gelijk §. 23. be„ die Gecomm„e zulk een important poinct bij een nader en apart berigt reeds in 't breede aangetoont is. aan den Edelen Heer Directeur breed. „voeriger opgeeven zouden. Maar voor het tweede zo moet dit argument als wee= =derlegt vervallen, zo dra men het tweede Rapport van latere Gecommitteerdens insiet: Want dewijl, blijkens het selve van de 468 Vaten, die volgens het Eerste Rapport bedurven zijn moesten, nog over de Twee honderd Vaten verstrekbaar bevonden zijn, zo kan het teekenen van 't Rapport onmogelijk bewijsen dat die Vaten ten tide van den Eersten opneem be„ durven geweest zijn, Contradiceerende zig direct, dat het zelfde vleesch dat heeden goed bevonden werd, reets voor drie maanden zoude bedurven geweest zijn. 5. 45. Weshalven dan ook reets van zelfs ver= vallen alle de verdere buijten dien zeer swacke objectien die in 't ver„ volg nog met relatie tot dit articul„ te berde gebragt werden, gelijk het naatst volgende argument is. Dat dewijl de Administrateurs geduuren- „de den Opneem om Hoep. ijser ver„ sogt hadden om dat veel Hoepels om de Vaten verroest en gesprongen waren, het gewis was dat de Peekel al lange bevorens moest afgelopen zijn. Dat er bij 't openen en toekuijpen van veel vaten ook veel hoepels kunnen springen is wel waar Maar, daar van spreekt de Ede Heer van Gollenesse niet. zijn Edele noemt uijtdrukkelijk zul= ke hoepels, als door 't lang leg: „gen der Vaten verroest en afge= sprongen waren. En dat er waar„ =lijk Want .. Apologia Antilogia §. 45. waarlijk veele diergelijken Vaten bij den Eersten Opneem bevonden zijn, zulx blijkt uijt de Verkla„ ringen van de volgende Perzoo= „nen, dewelke getuijgen; als: Boonen, N„o 2. art: 11 en 12. „ Dat de Gecommitteerdens van „ Bazel, Houttuijn en Pruijst „ bevonden hebben, Eenige Vaten „ zonder Jaar getal. . . . . En Eeni „=ge droog, zonder Peekel, en „ van wijnig hoepels voorzien.„ Van Bazel en Houttuijn N„o 4. en 5. Art: 10. „Dat zij geduurende dien opneem aan mij ver= „-toond hebben, verschijde Vaten in 't geheel droog„ „zonder Teekel . . - . . . en genoegzaam zonder hoe„ „-pels, zodanig dat die niet verwerkt konden „werden. „ En de Kuijper van der Poel N„o 6. ard: 16:- „ Dat het waar is, dat verschijden vaten zonder „seekel zijn bevonden, en ook eenige, daar de „hoepels afgeroest waren. „ Het verdere sla ik over, om dat niets daar van eenige aanmerking verdiend, dan alleen dat Want dat in dit argument geen Conclu„ sie of Consequentie steekt, zal een ieder bekennen, nademaal van 2000 Vaten gemackelijk 2000: in steede van maar 3000 p„s Hoepels springen kunnen, zonder dat zo veel vaten lek moetien werden; behalven dat die 300 p=s verstrekte hoepels gediend hebben in de plaats van de geene die bij het openen der Vaten te springen kwa„ men, en wil den supp„t zig deesen aangaande gaarne gedragen aan het Oordeel van een bequaam Kuij= per, of men 2000 p„s vaten met zout spek„ vlaesch, uijt Europa aangevoerd, tot tweemaal toe ope= nen en toekuijpen kan, zonder dat er een menigte hoepels Springen kort Antilogia §45. Apozogia kort na den opneem onder ult„o Febr: 1754, en dus gedurende het openen en toekuijpen der Vaten niet simpel 300, maar wel 1100 stux sloep ijzer of 6979: ld aan 't Provisie Maguasijn verstrekt Alhoewel de Rapporten van d' Eerste en Tweede Gecommitteerdens in 't zakelyke niet van elkander verschillen, gelijk §. 29. bereeds overtuijgende aangetoond is, zo heeft egter het Eerste verre de preferentie boven het laatste, niet alleen uijt aanmerking. van de bijgebragte redenen en bewijzen §. 25. , Maar ook in zonderheid daarom, dat het voor. naamste gedeelte van dies Inhoud, met solemneelen Eede bevestigd is, niet alleen door d' attestatien van d' Eerste Gecommitteerdens zelfs N„o 4. en 5. , maar ook door die van den Tweeden Administra„ teur Boonen en Opperkuijper van der Poel N„o 2 en 6. , welk §: 46. Eyndelijk zo zoekt men het Rapport van de laatste Gecommitt:s te suspoec= „teeren, als of het zelve geijnst en de Waarheid daar bij verbloemd en bewimpeld was, door dat het vleesch en spek daar bij verstrik= baar verklaard wierd, onder byvoeging van deese woorden, en dat nog wel voor 3 Maanden, hier op dient: 1. / Dat die Gecomm„s bestaande in 5. gequalificeerde Onbesprokene Dienaren die den Ed„e Heer Direc= „teur Generaal naar eigen belie„ „ven verkoosen hadde, niet verdie= nen zo ongegrond gesuspecteerd te werden, als hebbende de presum= =tie ten goeden in haar voordeel zo lange dies tegendeel „ beweesen werd:/ En wat Intrest zoude die Persoonen dog kunnen b'oogt hebben, door een geveinst rapport op te maken de waarheid te sparen en de hooge Regeeringe te mislijden, wat gevaar zoude hare Eere en persoonen niet gelopen hebben, door in eene zaak van zoo veel gewigt, die voorregt hunlieden zijn. 2 80
English
Antilogia §. 46. privilege of virtue the Report of the Second Commissioners is lacking. And this truth is so certain, that thereby the entire reasoning of Elin regarding this subject, which besides contains nothing but unfounded propositions and incorrect deductions, entirely falls away; not to mention that 832, 3, 35, and 36 have also specifically been refuted, the accusations attached thereto and repeated ad nauseam, as if the First Commissioners deliberately stripped the meat and pork barrels of brine, locked them up in a separate warehouse, and thereby not only cut off the administrators' free access, but also prevented them from replenishing the dry barrels with new brine. Apologia was recommended to them in an unusual and emphatic manner, whereupon in particular the Honorable Director General and the chief merchant kept the sharpest eye; to fabricate a false Report. Indeed, since it is utterly unnatural that someone would deliberately expose themselves to danger without being able to envisage the least corresponding advantages, this accusation becomes thereby all the more improbable. 2. / to this serves, that the declaration of these Commissioners, stating that the inspected pork and meat may well remain distributable for three months, contains nothing in itself that acknowledges that suspicion in the least, although it is derived, or rather extorted, from those words. For those people declare the aforementioned pork and meat to be absolutely distributable in its present state, and subsequently most of the commissioned ship's officers express their particular opinion regarding its future state, and this only by conjecture, since nothing can be predicted about it with certainty. 3. / to this can also be added that the natural meaning of the aforementioned words is wronged not a little, and distorted against the intention of the Commissioners, not only 81 Apologia Antilogia only by interpreting the words "nog wel" as meaning "at the very most," but also especially by subsequently inferring therefrom that the pork and meat must notoriously have already been tainted, which is a corollary that by no means follows from the text of the Report, but is formed through a false consequence, as the remainder of the Report, containing the reasons why the commissioned skippers maintain that these victuals may well remain distributable for 3 months, most clearly demonstrates in these words: "since in the thorough boiling of several pieces of that meat and pork from various barrels, we have hitherto not been able to discover the least infection or spoilage therein." Which words not only completely eliminate and destroy the aforementioned conclusion, but also deliver the most complete proof that these Commissioners proceeded with all precision in fulfilling their commission, and that their Report must merit full belief. And just as everyone will be very easily convinced from the foregoing: that during the inventory of February 28, 1754, where such a quantity of pork and meat was reported as spoiled, proper procedures were not followed, and that the spoilage, which was found in a portion thereof more than a quarter of a year later, must certainly be attributed to these two principal and very natural causes, namely: that the pork and meat were stripped of their brine, and subsequently prevented from being provided with new brine, and then that they were locked up in a warehouse and stowed away for over three months, cutting off the administrators' access to that meat and pork, and thus to the means of preserving it. The first is proven by the declaration of the three coopers who, having attended the inventory and the opening of the barrels at that time, gave full testimony thereof, to be found in the attestation previously cited under the annexes hereof under No. 9; and the second cannot be denied in the aforementioned grievance, as it was all too public and known a matter at that time that all that pork and meat was locked up in a separate warehouse and the keys thereof were kept by the first Honorable chief merchant. §. 47. Antilogia "Clin has anno passato absolutely refused to brine the meat brought with Haarlem and Noord Nieuwland, notwithstanding the Commissioners deemed this necessary and it was ordered by the chief merchant on behalf of the Honorable Director; to which obstinacy one may also principally attribute that thereafter, during the inventory at the end of August, ninety barrels of meat, solely from the year 1752, were found to be as spoiled as they were tainted." Truly an accusation as bitter as it is untrue, and the petitioner cannot refrain from expressing his utmost astonishment at how the same could not only have been placed in that paper, but how, to confirm it, one also appeals to the locally present commissioner, the junior merchant Johannes Pinket, and his testimony, Apologia But therefore they take another tack and say: It is not without reason that Elin calls the adjacent citation: an accusation as bitter as it is untrue. For he can prove with a written declaration of that same man, on whose testimony the Honorable Mr. van Gollenesse relies, not only that he never refused to brine the meat brought with Haarlem and Noordnieuwland in anno 1753, but that said brining was also effectively carried out. Consequently, he must indeed be right. And no one can deny him, since
Dutch transcription
Antilogia §. 46. Apologia voorregt van deugdzaamheid het Rapport van de Tweede Gecom¬ mitteerdens ontbreekt. En deeze waarhijd staat zo vast, dat- daar door het gantsche rai- sonnement van Elin over dit onderwerp, het welk buijten des niets dan ongegronde stel. lingen en verkeerde afleidingen bevat, in 't geheel komt te ver= „vallen; Ongereekend dat 832, 3, 35 en 36. ook al in 't bijzonder wederlegt zijn, de daar agter gevoegde en tot walgens toe herhaalde beschuldigingen, als of de Eerste Gecommitteerdens moedwillig de Vleescht en Spek. Vaten van Peekel ontbloot, de= zelve in een apart pakhuijs opgesloten, en daar door de Ad: ministrateurs den vrijen toe„ „gang niet alleen afgesneden, maar ook hen verhinderd had „den de drooge Vaten weder van nieuwe Peekel te voorzien. hunlieden op een ongewoone en na„ „druckelijke wijze aanbevolen wierd waar op insonderheid den Ed:e Heer Directeur Generaal en den opperkoop„ man met d' uijterste attentie stax„ =oogde; een valsch Rapport te fabri= ceeren. Immers dewijl het gantsch onnatuur. lijk is dat iemand zig moedwillig in gevaar zal begeeven zonder de minste daar tegen over staande voordeelen te kunnen beoogen, zoo werd deeze beschuldiging daar door des te onwaarschijnelijker — 2. / zoo diend hier op, dat de Verklaring deser Gecommitt„s dat het gevisiteer„ de spek en vleesch, nog wel voor drie maanden verstrekbaar blijven kan, niets in zig besluijt, 't welk die sus¬ „picie in 't minste advoueert, schoon deselve egter uijt die woorden gediri= veert af liever g'extorqueerd werd. Want die Menschen verklaren voorsz: spoek en vleesch absolut ver„ „strekbaar te zijn in dies presente staat en vervolgens geeven de meese Gecommitteerde scheeps Overheeden hare bijzondere gevoelen van dies toekomende staat te kennen, en zulx alleen bij gissing invoegen zig daar van ook niets met gewisheijt laat voorspellen. 3:/zo kan hier nog bijgevoegd werden dat men den natuurlyken zin van de voorsz: woorden niet wijnig te kort doed, en teegen de meening der Gecommitteerdens verdraijt, niet alleen 81 Apologia Antilogia alleen door het woord nog wel te verklaren daar op zijn hoogst genomen, maar ook insonderheijt door daar uijt vervolgens infereeren, dat het spek en vleesch notoir al moet aangestoken geweest zijn, het welk een Consectarium is, dat uijt den Text van het Rap= „port geenzints volgt, maar per falsam Consequen= „tiam geformeerd werd, zo als het vervolg van het Rap= port, behelsende de reedenen, waarom de Gecommitteerde schippers sustineeren, dat die Victualie nog wel 3 maan„ „den verstrekbaar blijven kan, op het allerklaarst aantoond in deese woorden, vermits wij het gaar koken van verscheide stucken van dat vleesch/ en Spek uijt di= verse vaten geene de minste infectie of bederf tot nog toe daar aan hebben kunnen ontwaren. Dewelke woorden niet alleen de voormelde gevolg trecking ten eenemaal elideeren en destrueeren, maar ook het volkomenste bewijs uijtleeveren, dat deeze Gecommitteerdens in het volbrengen harer Commis= sie met alle nauwkeurigheijt te werk gegaan hebben, en dat derselver Rapport volkomen geloof meriteeren moet. En gelijk een ieder uijt het voorgaande zeer gemac: kelijk overtuijgd zal zijn; dat bij den Opnum van den 28„en febr„i 1754. daar zulk een menigte spik en vleesch voor bedurven opgegeven is, niet behoorlijk ge„ handeld zij, en dat het bederf, het welk men meer als een, Vierendeel Jaars na dato, aan een gedeelte van dien, bevonden heeft, zekerlijk moet g'attribueerd werden aan deese twee voorname en zeer natuurlijke Oorzaken, te weeten: Dat men het spek en vleesch van zijn Peikel ontbloot, en vervolgens verhinderd heeft het zelve met nieuwe Peckel te voorsien, en dan dat min het zelve in een Pakhuijs opgesloten en over drie maanden lang weggestuwt en de Administrateurs de Loegang tot dat het vleesch, en spek, en dus tot de middelen om 't zelve te Conserveeren, afgesneeden heeft. Het eerste werd beweesen met de Verklaring van de 24:/ . Apologia Antilogia de drie Kuijpers die den Opneem en het openinder vaten diertijds bijgewoond hebbende, daar van een volstandig getuijgenis gegeven hebben, in het attest bevorens reets geciteerd onder de bijlagen deeses sub N„o 9. te vinden; en het Tweede kan men bij voors: klagt schrift niet ontkennen, alzo het eene al te public= que en bekende zaak in die tijd geweest is, dat al dat spek en vleesch in een apart Pakhuijs opgeslo: ten ende sleutels daar van bij d'eerste Heer op= perkoopman bewaart geweest zijn. §. 47. Maar daarom gooijt men het op een andere boeg en zegt: „Clin heeft A„o passato absolut gewij= gerd het met Haarlem en Noord Nieuwland aangebragte Vleesch te verpeekelen, niet tegenstaande de Gecomm„s zulx noodzakelijk g'oordeeld en door den Opperkoopman uijt name van den Edelen Heer Directeur gelast was; aan welke obstinaatheid men ook voornamentlijk toe mag schryven dat er na dato bij den Op= „neem onder Ult„o Aug„s Negentig vaten vleesch, alleen van 't Jaar 1752 zo bedurven als aangestoken zijn. Waarlijk eene beschuldiging zo bitter als onwaaragtig, En den supp„t kan niet voorbij zijne uijterste verwonde„ ring te betuijgen hoe deselve in dat papier niet alleen heeft geplaatst kunnen werden, maar hoe men ter bevestiging van dien ook nog provo„ ceert op de in Loco presente gecom„ mitteerde den Onderkoopman Jo= Jannes Pinket en desselfs getuijgen is, Het is niet zonder reeden dat Elin de nevenstaande aan. haling noemt: Eene beschul= =diging, zo bitter als onwaar„ agtig. Want hij kan met eene Schriftelijke Verklaring van die zelfde Man, op wiens getuijgenis D'Edele Heer van Gollenesse zig beroept, bewijzen, niet alleen, dat hij nooit gewij„ „gerd heeft, het met Haarlem en Noordnieuwland in A„o 1753. aangebragte Vleesch te verpee= „kelen, maar, dat die Verpeeke= „ling ook effective volbragt is. Bij gevolg moet hij wel gelijk hebben. En niemand kan 't hem nademaal
English
Apologia Antilogia § 47. take it ill of him on that account, that by this passage he is again not a little confirmed in his opinion that the Noble Lord van Gollenesse did not write his bill of complaint himself, but entrusted the drafting of it to another. Yet as little attention as this latter inference deserves, because it is entirely out of place here, and besides, in § 6 and 16 it has already been abundantly shown that the Noble Lord van Gollenesse drafted his bill of complaint himself, and that especially I cannot have written it: so untrue and unfounded are also the assertions which Elin brings forward for his excuse. His whole reasoning and the force of all his proofs rely solely and exclusively on a single private declaration of the Junior Merchant Johannes Pinket, which, like the previous ones, is not even drawn up by a notary, much less sworn under oath. And although on that account it already deserves little or no credit, I will nevertheless show further with the most cogent proofs that it is entirely inadmissible; since things are mentioned therein which are formally contradicted both by others in authentic testimonies and by the affiant himself on other occasions. First; Pinket declares: "To be untrue, that the Lord Jan Simeon Elin had refused him to re-brine the 200 barrels of meat inspected by him together with the Junior Merchant Overbeek, brought in Anno 1753 by the ships Noord Nieuwland and Haarlem." Overbeek, on the contrary, testifies in his sworn attestation No. 7, art. 4 and 5: "To be true and certain, that Elin was unwilling to proceed with that re-brining;" as also: "That an oral report of this had been made to me by him and Pinket." And because this latter agrees completely with what is recorded in my own handwritten notes No. 1. a fb: 1. art: 9, namely: That both Pinket and Overbeek at that time actually gave me this verbal report; so this one and the other serve at the same time as further proof of this truth: That not only Elin truly did not want to carry out that re-brining; but that Pinket also in Anno 1754 testified differently from what he did in the private declaration in Anno 1757, so that the latter notoriously contradicts the former, and this on that account cannot possibly be true. And if one looks closely into the matter, it is also no wonder that Elin at that time did not want to proceed to that re-brining, since that conflicted with the opinion of his Master Cooper van Der Poel, whose judgment certainly prevailed in this case, and who in his declaration No. 6, Art: 12 and 13 asserts in plain words: "To have given as answer to my question, that during his presence in the pantry not only was no meat or bacon ever re-brined, but that it would also not be good, because experience showed that the Homeland brine was better than the Indian." Besides this, this is also not the only time that Elin refused the re-brining. He did so once again on the occasion when those same barrels of meat, or at least some of them, were further inspected, as appears from the testimony of the first in that commission, the Senior Merchant van Suchtelen, who in his likewise sworn attestation No: 10, Art: 6 speaks of it in this manner: "That they /: the Commissioners :/ had only had the barrels judged fit for issue topped up with new brine, insofar as the old had run out upon opening, because the pantrymen declared that they had neither enough salt nor enough workmen for the entire re-brining." Secondly: Pinket declares: "That on the contrary the meat was properly re-brined." But that this claim consists of an open untruth appears all too clearly from what is recorded in § 41, where I have produced the unanimous testimony of four different persons since the petitioner not only did not refuse to re-brine the aforementioned barrels of meat, but actually had them re-brined, and this confirms him not a little in his opinion that the Right Honorable Lord Director van Gollenesse, in his then great infirmity, entrusted the drafting of that document to another who, being the petitioner's adversary and enemy, knew so well how to use that favorable opportunity to advance his vindictive aims, and allowed everything to flow into it that could aggravate and make the petitioner wretched, though it had never existed in truth. How else shall or can one understand that, in order to elucidate the aforementioned accusations with an outward appearance of truth, one comes to appeal to the testimony of the Junior Merchant Pinket, since that man never had in mind to give such a false testimony, but on the contrary, in the declaration placed among the appendices of this under No 10, frankly attests to be untrue that Jan Simeon Elin had refused him to re-brine the two hundred barrels of meat inspected by him, the affiant, together with the Junior Merchant Overbeek, brought in Anno 1753 by the ships Noord Nieuwland and Haarlem, and NB that on the contrary the same was properly re-brined, of which he was partly an eyewitness.
Dutch transcription
82 Apologia Antilogia §. 47. hem uijt dien hoofde qualijk nee men, dat hij door deeze Passagie op 't nieuw weder niet wijnig in zijn gevoelen bevestigd werd, dat De Edele Heer van Gollenesse zijn Klagt schrift zelfs niet geschreeven, maar het ontwerpen van dien aan een ander toever trouwt heeft. Dog zo wijnig opmerking als dee= „ze laatste aflijding verdiend om dat dezelve hier in 't geheel niet te passe komt, en buijten des § 6 en 16. al ten overvloede aangetoont is; dat De Edele Heer van Gollenesse zijn Klagt-Schrift zelfs geconcipi¬ eerd heeft, en dat vooral ik het niet geschreven kan hebben: zo onwaar en ongefundeert zijn ook de Positiven, die Elin ter zijner Verschoning te berde brengt. Het gantsche raisonnement van hem, en de kragt van alle zijne bewijzen steunt weder na demaal den suppt niet alleen niet gewijgerd heeft voorsz: Vaten vleesch, te verpeekelen, maar deselve ook werkkelijk heeft verpeckelen laten, en dit bevestigd hem niet wijnig in zijn gevoelen dat den wel Ed„le Heer Directeur van Gollenesse in zijne doenmalige grote Zwakhijd het ontwerpen van dat schriftuur aan een andere betrouwt heeft die des suppliants parthij en Vijand zijnde, die gunstige gele= gentheid ter bevordering zijner vindicative oogmerken; zo wel heeft weeten te gebruijken, en in het selve alles heeft laten invloeijen, wat den supp„t konde aggraveeren en onge= lukkig maken, schoon het nooit in de waarheid bestaan hadde. Hoe zal of kan men anders begrij„ pen, dat men om voorsz: beschulde„ gingen met een uijterlyke schijn van waarheid op te helderen zig op het getuijgenis van den Onder„ Koopman Dinket, komt te be= roepen, nademaal die Man nooit in gedagten gehad heeft, zulk een - Valsch getuijgenis te geeven, maar in tegendeel bij de onder de Bijlagen deezes sub N„o 10 geplaetste Verkla„ ring rond uijt attesteerd ' onwaarag„ „tig te weesen dat Jan Simeon Elin aan hem gewijgerd zoude heb„ ben, de door hem Attestant, bene¬ „vens den Onderkoopman Overbeek gevisiteerde Tweehonderd vaten vleesch in Anno 1753 per de eenig scheepen Apologia eenig en alleen op Eene enkelde onderhandse Verklaring van den Onderkoopman Johannes Pin„ „ket die zo als de vorigen niet eens notarieel belegt, veel min b'eedigd is En schoon dezelve uijt dien hoofde bereets wijnig of geen geloof verdiend, zo zal ik egter met de bondigste bewijzen nader aantoonen, dat dezelve in 't geheel onaanneemelijk is; alzo daarbij La„ ken vermeld staan, die zo wel door andere bij egte getuijgschriften, als door den Attestant zelfs bij andere gelegentheden formeel tegen„ gesproken werden. Eerstelijk; zo verklaart Pinket: „ Onwaarag= „=tig te weezen, dat De Heer Ian Simeon „blin hem gewijgert zoude hebben, de door „hem benevens den Onderkoopman Overbeek ge: „.visiteerde 200 Vaten Vleesch: in A„o 1753 per „ de Scheepen Noord Nieuwland en Haarlem „ aangebragt, te verpeekelen. „ Overbeek in tegendeel getuijgt bij zijne b'eedigde Attesta= „tie N„o 7. art. 4: en 5. „waar en waaragtig „te weezen, Dat Clin tot die verpeekeling niet „heeft willen treeden; „ zo meede:„ Dat hier „van door hem en Pinkit aan mij mondeling scheepen Noord Nieuwland en Haarlem aangebragt te verpeekelen, en NB dat ter Contrarie het zelve behoorlijk ver peekeld is, waar van hij gedeeltelijk oog getuijge geweest is. Antilogia §. 47 rapport 83 Antilogia §. 47. Apologia „rapport was gedaan. „ En dewyl dit laatste volkomen overeenstemt, met het genoteerde bij mijne eegenhandige Aanteekeningen N„o 1. a fb: 1. art: 9 te Weeten: Dat bijde Pinket en Overbeek toen ter tijd wezentlijk aan mij dit mondeling berigt gedaan hebben; zo strekt dit een en ander teffens tot een nader bewijs van deeze waarhijd: Dat niet alleen Chin waarlijk die Verpeekeling niet heeft willen volbrengen; maar dat ook Pinket in A„o 1754. anders heeft getuijgt, als hij bij d' onderhandse Verklaring in A„o 1757. heeft gedaan, zo dat het laatste notoir het eerste tegenspreekt, en dit uijt dien hoofde on„ mogelijk waar kan weezen. En als men de zaak wel inziet, zo is het ook geen wonder, dat Ehin toen ter tijd tot die verpeeke„ „ling niet heeft willen treeden, dewijl zulx te„ „gens het gevoelen streed van zijnen Opperkuij„ „per van Der Poel, wiens goedvinden zekvelijk in dit geval zekerlijk privaleerde, en dewelke bij zijne Verklaaring N„o 6. Art: 12. en 13. met duijdelijke woorden verzeekerd; „ Op mijne vrage „tot antwoord te hebben gegeeven, dat bij zijn „aanwezen in de dispens niet alleen nooit „eenig Vleesch of spik verpeekeld was, maar dat 25. „dat het ook niet goed zoude weezen, om dat „de ondervinding deed zien, dat de Vaderlandsche „Peekel beeter was als d' Indische.„ Buijten des is dit ook d' eenigste keer niet, dat blin de Verpeekeling gewijgerd heeft. Hij heeft zulx nog eens gedaan, bij gelegentheid dat die zelfde vaten met vleesch of ten minsten eenige daar van nader gevisiteert wierden, blijkens het getuijgenis van den Eersten in die Commis„ „sie den Opperkoopman van Suchtelen, de welke bij zijne insgelijx b'eedigde Attestatie N:o 10. Art: 6. daar van in deezer voegen spreekt: „ Dat zij /: Gecommitteerdens:/ de verstrekbaar „g'oordeelde Vaten eenelijk met nieuwe peckel „hadden opvullen laten, voor zo verre d'oude „ bij 't openen was afgelopen, om reeden de „dispensiers betuijgden, tot de gantsche Verpa„ „keling geen zout nog arbeids volk genoeg „te hebben Ten Tweeden: Verklaart Pinkez: „ Dat ter „contrarie het Vleesch behoorlijk verpeekeld is„ Dog dat dit voorgeeven in eene openbaare on„ waarhijd bestaat, zulx blijkt maar al te klaar uijt het genoteerde 3. 41. , alwaar ik het een„ „parig getuigenis van Vier differente Perzonen Antilogia §47 Apologia uijt
English
84. Apologia Antilogia §. 47. copied verbatim from their sworn Attestations No. 2, 4, 6, and 7, and thereby demonstrated: That not only was any meat never, but also in particular that consignment brought by Noordnieuwland and Haarlem was not re-pickled. And that these persons notoriously must have had, and only could have had, the best knowledge of this matter, everyone will readily agree, if one only takes into consideration: That Boonen was Second Provision Master and consequently also Administrator of Elin; Van Bazel, ordinary Commissioner, and van der Poel Master Cooper and Overseer of the Meat Warehouse, in that same Administration; and Overbeek Extraordinary Commissioner with Pinket, to inspect the aforementioned consignment; so that their testimony is in every way irreproachable. Thirdly: Pinket declares: "That he was partly also a witness to the re-pickling." But this can also impossibly be true, at least not if the Master Cooper van der Poel did not commit perjury. For he says explicitly in No. 6, Art. 3 and 4: "That the barrels approved by Pinket and Overbeek were not Antilogia §. 47. Apologia not re-pickled, but only refilled again with new brine, insofar as the old had drained away; That as soon as the Commissioners had inspected a consignment thereof, they had gone away; and that he (:the deponent:) had then had the barrels filled up or topped off again with brine." And Fourthly: this Declaration of Pinket is also formally contradicted by the Report that he himself and his fellow Commissioner Overbeek delivered to the Noble Lord van Gollenesse after completing their Commission, on the date of 11 March 1754. For after a brief presentation of the reasons why they had to spend nearly 3 months on that work, they continue in these words: "Until finally having had the mentioned barrels opened in small parcels, from all of which the first pickling came running out accompanied by a lot of blood, and having examined it according to our best knowledge /: although it is mostly old and tough meat, of which we have frequently cooked, tasted, and demonstrated to the Senior Merchants that nevertheless, in our opinion, Apologia Antilogia §. 47. it could, in our opinion, by re-pickling with the required ingredients of coriander seed and pepper, be preserved from spoiling:/ found, etc." And from this it surely appears clearly that they must have had orders for the re-pickling—just as it was indeed given to them by me during their duty, at the sight of the bad condition of the old brine, according to the testimony of Overbeek No. 7, Art. 2—as well as that the re-pickling must in fact not have been completed. For, had they had no order to that effect, what would have moved them to speak of re-pickling, whereas by the first written Ordinance of 18 December 1753 they were only commanded to inspect the meat? And had the re-pickling already been completed at that time, how could they then say that the meat, in their opinion, could be preserved by re-pickling? It is true. This same Pinket, to the Insinuation served upon him No. 8, Art. 10, gave as answer: "That he and his fellow Commissioner Overbeek in their written Report had not said with the intention that the meat could be preserved from spoiling by re-pickling, but in the expectation that the re-pickling that had been done would be successful." And in his answer to the further Insinuation No. 9, Art. 1, 2, and 3, he says: "That by re-pickling he means to make it understood that he saw the examined barrels containing good meat, after the running out of the old brine water, refilled again with new brine water, and re-pickled, without taking the meat out of the barrels." Yet this evasion is far too foolish for it to be able in the least to soften, much less take away, the contradiction between his Report and the Declaration granted in favor of Elin. For the words "could be" are far too clear not to understand thereby that which has already happened, but indeed that which is yet to happen. And that the simple refilling cannot be called such a re-pickling as that of which he speaks in his report also appears fully if one only notes what ingredients he deems necessary for that work, and which are of such a nature that they impossibly melt, and consequently also cannot, merely by the pouring in of the brine water, be introduced between the pieces of meat, 86. Antilogia §. 47. Apologia as is nevertheless necessarily required if the same are to prevent spoilage. Therefore, the Declaration of Pinket is certainly inadmissible, yea, I may say without hesitation, openly false. And from this follows not inappropriately the question of how the same then came into the world and may have been obtained by Elin? If one wishes to judge from the similarity of the case described in §. 38, one would have to think that the deponent was brought to granting the same in a sinister manner by deception. And that this may have taken place more or less, I will gladly concede; but that nevertheless at the same time quite stronger compelling reasons must also have contributed to it, I am likewise forced to conclude; since otherwise Pinket would indeed have come to the recognition of his error and would have turned back when the opportunity was given to him by the judicial Insinuations; instead of which he has now remained obstinate and was shameless enough to maintain his untrue statements, though somewhat twisted and disguised, and even to confirm them under oath. Yet this remains upon his own conscience
Dutch transcription
84. Apologia Antilogia §. 47. uijt hunne b'eedigde Attestatien N„o 2. 4. 6. en 7. woordelijk uijtgeschreven, en daar meede aange„ „zoont heb: Dat niet alleen nooit eenig vleesch, maar ook inzonderheid die parthij, met Noordnieuwland, en Haarlem aangebragt niet Verpeekeld is. En dat deeze senschen notoir de beste kennis van deeze zaak moeten en ook maar alleen kunnen gehad hebben, zal een ieder gaarne toestemmen, als men maar in aanmerking neemt: Dat Boonen geweest is tweede Dispensier en bij gevolg meede Admi= =nistrateur van Elin; Van Bazel, ordinaire Gecommitteerde, en van der Poel Opperkuijper en Opziender van 't Vleesch Pakhuijs, in die zelfde Administratie; En Overbeek Extra ordinaire Gecommitteerde met Pinket, om d'evengemeldte parthij te visiteeren; zo dat hun getuijgenis allezinds irreprochabel is. Ten Derden: Verklaart Pinket: „ Dat hij van „de Verpeckeling gedeeltelijk ook getuijge is ge„ „=weest. „ Maar dit kan ook onmogelijk waar zijn, ten minsten niet, zo d' Opperkuijper van der Poel, geen valschen Eed heeft gedaan. Want deeze zegt uijtdrukkelijk N„o 6. Art: 3. en 4. „ Dat „de door Pinket en Overbeek goedgekeurde Vaten: niet C: Antilogia §. 47. Apologia „niet verpeckeld, maar eenelijk met nieuwe Pee= „:kel weder opgevuld zijn, voor zo verre de oude „afgelopen was; Dat zo dra de Gecommitteer„ „=dens eene parthij daar van gevisiteert hadden, „zij heen gegaan waren; en dat hij (:attestant:) „dan de Vaten weeder met Peekel hadde doen op„ „=vullen of volmaken. „ En Ten Vierden: zo werd deeze Verklaring van Pinket ook formeel tegengesproken, door het Rapport dat hij zelfs en zijn meede Ge „committeerde Overbeek na volbragte Com. =missie, in dato 11„e Maart 1754. aan den Edelen Heer van Gollenesse overgegeven hebben. Want na eene korte vertooning der reedenen, waarom zij bij de 3 maanden met dat werk hadden moeten doorbrengen, zo vervolgen zij in deeze bewoording: „ Tot „men eindelijk gementioneerde Vaten bij klij„ „ne parthijen hebbende laaten openen, waar- uijt van alle dezelve d' Eerste Peeckeling „met een hoope bloed verzeld quam uijtlopen, „en na onze beste kennis /: hoewel het meest „oud en taaij Vleesch is, waar van wij dik„ „=wils hebben gekookt, geproeft en vertoond „aan de Heeren Opperkooplieden, dat egter na gedagten Apologia Antilogia §. 47 „gedagten, door Verpeekeling, met de vereischte ingre= „dienten van Coriander Zaat en Peper, voor het be„ „derf zoude kunnen preserveeren:/ g'examineerd „hebbende bevonden, ensz: „ En hier uijt blijkt immers klaar, dat zij zo wel ordre gehad moeten hebben tot de Verpeckeling, gelijk hun die ook waarlijk volgens 't getuijgenis van Overbeek N„o 7. art: 2. , geduurende hunne verrigting, op 't gezigt van de slegte gesteldheid der Oude Peckel, door mij gegeeven is, als dat de verpeekeling in der daad niet volbragt moet zijn. Want, hadden zij geene Ordre daar toe gehad, wat zoude hun zog bewogen hebben, van Verpeekeling te spreeken, terwijl zij bij d' Eerste schriftelijke Ordonnantie van den 18=en xbr: 1753, maar eenelijk gelast waren, het vleesch te visi= „teeren. En was de Verpeekeling toen ter tijd al volbragt geweest, hoe konden ze dan zeggen, Dat het Vleesch na gedagten door Verpeekeling zoude kunnen preserveeren. 'T is waar. Deeze zelfde Pinket heeft op de aan hem gedane Insinuatie W„o 8. art: 10. tot ant„ „woord gegeeven: „ Dat hij in zijn meede Gecom„ „mitteerde Overbeek bij hun schriftelijk Rap. „port; met geen oogmerk gezegt hadden, dat „het Vleesch, door Verpeikeling voor bederf zoude kunnen 85 26. „ Antilogia 3. 47. Apologia „kunnen gepreserveert werden, maar in Verwagting „dat de gedaane Verpeekeling van succes zoude zijn„ En bij zijn antwoord op de nadere Insinuatie N„o 9. art: 1. 2. en 3. zegt hij: " Dat hij met Verpeeke„ „len wil te verstaan geeven, dat hij de g'exami= „neerde Vaten met goed vleesch, na 't uijtloopen „ van 't oude Peekel Water, weder met nieuw „ peekel water heeft zien opvullen, en verpee„ „kelen, zonder het vleesch uijt de Vaten te neemen„ Dog deeze uijtvlugt is al te onnozel, dan dat de„ „zelve de tegenstrijdigheid tusschen zijn Rapport en d' in faveur van Elin verleende Verklaring in 't minste zoude verzagten, veel min dan wegneemen kunnen. Want de woorden zoude kunnen zijn al te klaar, om daar door, niet het geen bereeds geschied is, maar wel het geen nog geschieden moet, te verstaan. En dat het simpel opvullen geene zulke Verpeekeling ge= noemt kan werden, als waar van hij bij zijne rapport spreekt, blijkt ook volkomen, als men maar aanmerkt, wat ingredienten hij tot dat werk nodig oordeeld, en dewelke van die natuur zijn, dat ze onmogelijk smelten, en bij gevolg ook niet door 't ingieten alleen van 't Teckel Water, tusschen de Stukken Vleesch in gebragt 86 Antilogia §. 47. Apologia gebragt kunnen werden, zo als egter noodzaakelijk vereijscht werd, wanneer dezelve het bederf voorko: „men zullen. Overzulx is de Verklaring van Pinket zeekerlijk on¬ „aanneemelijk, Ja ik mag zonder schroom zeggen, openbaar Valsch. En hier uijt volgt niet oneigen de Vraage, hoe dezelve dan in de waereld gekomen en door Elin verkregen mag zijn? Wil men uijt de gelijkhijd van 't geval oordeelen dat 3. 38. beschreven staat, dan zoude min moeten denken, dat d' attestant op eene sinistre wijze door mis„ lijding tot het verleenen van dezelve gebragt was. En dat dit min of meer plaats gehad kan hebben wil ik gaarne toestaan; maar dat egter teffens ook vrij sterkere drang redenen, daar toe meede gewerkt moeten hebben, ben ik genoodzaakt ins„ gelijx te moeten vast stellen; dewijl anders Pin„ het wel tot erkentenis van zijn abuijs gekomen, en weder te rug gekeerd zoude zijn, toen hem door de geregtelijke Insinuatien daar toe gelegentheid gegeeven wierd; in steede dat hij nu hardnekkig ge¬ bleeven en onbeschaamt genoeg geweest is, zijne on„ „waare opgaaven, schoon eenigzints verdraijt en bewimpeld, staande te houden en zelfs met Eede te bevestigen. Dog dit blijft aan zijn eijgen geweeten