VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3167

Bengal · 491 pages · 178 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3167_0327 view scan ↗

English

could not use silver. That in the meantime the bar silver was previously genuinely underweight cannot be called into any doubt, as has appeared most clearly to us, we believe, when the first undersigned in the year 1764, upon receipt of the consignment from the ship Schoonzigt directly from Europe, which had been weighed bar for bar on the balance and scales received alongside it and all found to be of full weight or of 8 marcq each, having 500 of those bars reweighed in his presence and that of all the council members then present, on a balance and scales kept here in the warehouses and used in the previous year, against a marcq weight which had been in use for many years and which, upon comparison with the received marcq weight with the balances of Schoonzigt, was found equal to it, and had already indicated various shortages on several previous consignments, first bar for bar and J. Eli Clercq afterwards by ten bars at a time, in both cases with exchanging of the scales, no difference in weight was perceived thereon, which assured us that those old scales and marcq weight were truly good and that the silver of previous years weighed in therewith was thus genuinely, as much as the sworn reports from here state, underweight. This is all that we can supply to Your Right Honourable for elucidation regarding this subject, wherefore we hope that this may be found acceptable. Agrees, P. Hoff afterwards No. 21 Although we the undersigned chiefs of the three European Nations, according to the honored order of our principals in Bengal regarding the cash purchase of dobarra saltpetre, have not been able to agree, because chief Barwell, who was ordered to do so, could not state a price to us, we have jointly, in order not to let this important work stand idle any longer, thought fit, subject to the approval of our said respected masters, to conform to the proposal of chief Barwell, namely to assign the procurement of the said salt for this year 1745 to Mr. Drabbe, on the following conditions, to wit: Firstly, That none of the three of us or our successors Draft contract regarding the collection of saltpetre between the servants of the French, English and Dutch Company will be able to break this present agreement, except by express order of our respected masters in Bengal. Secondly, The chief of the Dutch Company, as stated in the heading of this, shall alone carry out the collection of saltpetre this year for the three nations and must deliver to us the maon of saltpetre of 72¼ lb. Holland weight at three sicca rupees and four annas at such places mentioned below, without our allowing him to validate any arrears. Thirdly, We, chiefs of the French and English Company, promise on the other hand, after the signing of this, not to advance in the least any money to any native or saltpetre merchant, whoever it may be, on that account, much less to make any purchase of that combustible material directly or indirectly, but if the same is offered to us, to direct them to the Dutchman. Fourthly, The above-mentioned distribution of the saltpetre to be traded shall take place in the following places, and everyone shall be obliged to bear for his own account the expenses that arise from the weighing of his portion and the transport of that salt to their lodges, to wit: Fifthly, The distribution of the saltpetre to be traded shall take place as follows, to wit, of every 100 maon: 15 maon to the French Gentlemen 42½ ditto to the English 42½ ditto to the Dutch Except at Mouw, where the first-mentioned nation has not traded for long and the second has collected as much saltpetre as the last; thus, of the saltpetre obtained there, the English Gentlemen shall enjoy one third and the Dutch the remaining two thirds, and subsequently must pay out the above-mentioned 15 maon from their portions to the French Gentlemen. At Sjoppra At Singia At Mouw At Minapour At Sjeundie At Settepour At Dherpherrij At Bekendpour At Moneer Sixthly, We jointly promise that if any of us all, after the conclusion of this, secures any saltpetre from one or another of our debtors in reduction of their arrears, we shall divide the same among the three of us, provided the value thereof is satisfied to the creditor. Seventhly, For the reassurance of us all, we shall, after the signing of this, state to one another what saltpetre everyone has ready in his lodge, which each shall also retain, without it being counted among the forthcoming collection and distribution. Eighthly, We also promise to receive the saltpetre as soon as Mr. Drabbe shall have notified us that the same lies ready. Ninthly, We, Gillaudeau and Barwell, promise after the conclusion of this not to do the least molestation or violence, under whatever pretext it might be, to any of those whom the said Drabbe might employ for the collection of saltpetre, whereby he, Drabbe, could suffer any damage. Tenthly, We shall also jointly pay to the government the extra charges to the sum of 3500 siccas in the following manner, to wit: The French Gentlemen, rupees 500 The English, rupees 1500 The Dutch, rupees 1500 Eleventhly, We shall lend our kettles for the refining of the saltpetre to such persons as Mr. Drabbe shall name to us.

Dutch transcription

307 van zilver niet heeft kunnen gebruiken Dat ondertusschen het bhaar zilver voor tijds wezendlijk minwigtig geweest is, in geen twijffel kunnende getrokken worden, is ons, zo wij meenen; ten klaars„ „ten gebleeken, wanneer den eerstgetekende in A„o 1764 bij ontvangst van de partij van„ het schip Schoonzigt direct uit Europa„ die op de daar nevens ontvangene ba„ „lance en schaalen staaf voor staaf ge„ „wogen en alle wichtig of van 8 marcq ider bevonden waaren, 500 dier staven in zijner en aller toen aenweezende raadsleeden tegenwoordigheid, op eene hier in de Pakhuizen berustende en in het voorige Jaar gebruikte balancen en schaalen, tegens een marcq gewigt waar van men zig zeedert veele Jaaren van bediend heeft en dat bij verglijking tegen het ontvangene marg gewicht by balancen van Schoonzigt, daar meed gelijk bevonden was en diverse minwe „ten op verschede voorige partijen al gewezen had eerst Staaf voor Staaf en J„: Eli Clercq namaals bij tien staven te gelijk, in bij¬ „de gevallen met verwisseling van Schaals„ herwegen latende geen onderscheid van gewigt daar op ontwaard wierd, het geen h ons verzekerde dat die oude schaal en marq gewigt waarlijk goed waaren en het zilver van voorige Jaaren daar me¬ „de ingewogen, dus wesentlijk, zo veel de beëëdigde rapporten van hier vermelden e minwigtig is geweest. Dit is alles wat wija dit onderwerp aengaende uw E E Achtb„r tot Elucidatie suppediteerdn kunnen, waarom hoopen dat dit volgende mag bevonden worden. Accordeert P. Hoff namaels No. 21 308 Schoon wij ondergesz: opperhoofden der Arie Europische Naties naar luit de gevene„ „reerde ordre onzer principale in Bengaele omtrend de procontanten inkoop van dobarra salpeter het niet eens hebbe kunne worden, door dien het opperhoofd Barwell die zulx aenbevoolen was te doen, ons geen prijs heeft kunnen stellen, hebben wij gezamentlijk om dit aengelegene werk niet Langer te doen stil staen goed gevonden op approbatie van opgedagte onze gerespecteerde gebieders ons met de propositie van 't opperhoofd Barma /:om namentlijk de bezorging van op gedage zilt voor deezen Jaare 1745. aen de Heer Drab¬ „be op te draagen te Conformeeren op de on„ „dervolgende Conditien als. Ten 1„e Dat geen van ons driejen ofte onze opvol„ Concept Contract nopens den insaam van salpeeter tus¬ „schen de bed„s van de Franse Engelschen en Nederlandsche Compagnie „gers Te 309 „gers deeze tegenswoordige zal kunne breek dan op expres bevel onzer gerespecteerd gebiederen in Bengale Zo zal het opperhoofd der Nederlandsch Maatscappij als in hoofde deezes gezegt den insaam van salpeeter deezen Jaar alleen voor de drie naties doen en ons de maon Salpeeter van 72¼ lb. Holland gewicht tot drie sicca rop„s en vier ane„ op zodanige plaetzen onder gemeld moeten Leeveren zonder dat wij hem eenige agter „stallen zullen laaten valideeren Beloven wij opperhoofde der Fransen en Zengelschen Comp„e daar en tegens naer de teekening deezer geen de minste per„ „ningen aen eenig inlander of salpeter marchianten wie het ook zij op dat zieh te zullen advanceeren veel min eenige inkoop van die brandstoff direct nog in „direct red„e haalen doen maar het zelve 6 ons aengebooden werdende naer de Ne¬ „derlander te wyzen. zo zal de boven gemelde repartitie der te negotieerene salpeeter op de volgende plaetzen geschieden en een ider gehouden zijn de ongelden die bij het toeweegen van zijn portie en te vervoeren van dat zilt na hun Logies vallen voor zijn reek: te houden als zal de verdeeling der te negotieerene salpeeter invoegen als volgt geschieden te weeten van de 100: maon 15 m„n aen de Heeren Pransen 42½ „ „ _=o Engelsen 42½ „ _„o Nederlanders excepte tot mouw alwaar eerste gedagte natie nog niet lang genegotieerd en de twee „de zo veel sal peeter opgedaen heeft als de Laaste, dus zal van de aldaar vallen „de salpeeter de Heeren Engelsche een derde en de nederlandsche de overige twee derde genieten en vervolgens de bovengemelde 15 M„n uit haar portien aen de Heeren fransen moeten uitkeeren 4 Totj 2„e 3. 5„ 4„ 1 310 Tot Sjoppra „ Singia „ Mouw „ Minapour „sjeundie „ Settepour „ Dherpherrij „ bekend pour „ Moneer Beloven wij gezaamentlijk dat bij aldien een van ons allen na het sluiten deezer eenige salpeeter van deeze of geene onzer debiteuren in mindering hunner agter„ „stallen bemachtigen dezelve onder ons drig te zullen verdeelen mitsvoldoening van dies waarde aen den Crediteur zullen wij tot gerusting onzer allenaar de teekening deezer aen malkander opgeven wat salpeter een ider in zijn Logies ge„ „reed heeft dewelke een ijgelijk ook zal blijven behouden zonder dat onder de aan „staende, insaam en verdeeling zal gereeken zo beloven wij ook om de salpeeter zo dra te zullen ontvangen als de Heer Drabbe ons bedeeld zal hebben dat dezelve gereed Leid. zo beloven wij Gillaudeu en Barwell na 't sluiten dezes niemant van de geene die ge„ „dagte Drabbe tot den inzaam van salpeter mogte gebruiken op wat pretext het ook we„ „zen mogt geen de minste mollest of geweld aen te doen waar door hij Drabbe eenige schade zoude kunne Lijden zullen wij ook op de ondervolgende wijze de Ektraffij penningen ter somma van 3500:— Siccas gezamentlijk aen de regeering betale als D' Heeren Fransen r„oa 500. _„o Engelsen „ 1500. Nederlanders „ 1500. — g„o zullen wij onze keetels aen de zodanige tot raffineering der salpeeter Leenen als de Heer Drabbe ons zal benoemen worden worden 12„e 6„ 10„e 15„e 8„e

NL-HaNA_1.04.02_3167_0332 view scan ↗

English

12th 311 We also promise that if Mr. Drabbe shall have warned us that the saltpetre is ready to be received and we do not accept the same on the third day thereafter, the damages that might befall it through one accident or another shall be for our account and not for the supplier's account. 13th He also promises to declare truthfully the quantity that he will receive for the aforesaid advanced funds, and to give no more money or goods to those people or anyone else for saltpetre, as is described in the third article. Likewise, the arrears that he may suffer on the aforesaid advance shall remain for his account, just as those of the entire collection have been left for the account of Chief Drabbe. 14th So we also promise the said gentleman that if he should be brought any hindrance in the collection of the saltpetre by the Patna darbar, or by any of these faujdars or zamindars, etc., through the instigation of one or another who cannot achieve their objective through this conference of ours, to oppose such with him and to bear the costs or expenditures that might be caused thereby in proportion to our share. 15th We also promise to bear our share of the saltpetre that will be extorted from us in general by the government, both for making gunpowder and for the cooling of their drinking water. 16th Since the French Chief has already advanced money for saltpetre to various persons prior to this agreement, the saltpetre coming in for that shall serve in reduction of his share. 17th 18th We, Chiefs of the French and English Companies, promise to provide the Chief of the Dutch ditto, who will handle the procurement for us, with such sums of money as he shall demand for the continuation of the saltpetre trade, since experience has repeatedly taught that purchasing for cash has been well-nigh impossible. 312 19th That one shall not ever be permitted to buy saltpetre from Diebsjent or others here if they do not also show themselves to be in all fairness like other asamis, in order that, if he or others obstinately oppose this, then in the end not to take it at all, even if they then wished to deliver the same to us for less money. One should also request the same of our Lords and Masters in Bengal, so that Their Honours may also take such a resolution, in case they might sometimes want to send the saltpetre to Bengal, to leave them stuck with it there as well, in order to prevent him and all such unruly merchants in the future from their obstinacy regarding the saltpetre trade with the nations. For on the contrary, or otherwise, when he or others see that one changes resolution again in the end and we show that we need their goods, they will seek to profit from that again at other times. We, the undersigned, hold all this foregoing and written on the reverse to be good, binding, and of value, and we have each written, approved, and signed this three times in our own language, and delivered one copy thereof to each Chief. Below stood: in the Dutch Factory at Patna, May 1745. Agrees, J: Hof W: E: G: Clercq 313 Register of papers relating to disputes with foreign nations. No. 1 Copy of letters dispatched to the Calcutta Ministry of 20 September, 10 October 1765, 6 March, 26 April, 8 and 31 May, and 26 August 1766. No. 2 Letters received from the Governor and Council at Calcutta of 7 and 14 October 1765, 24 February, 28 April, 5 and 12 May, 18 August, and 1 September of this year. No. 3 Letters exchanged by the Honourable Director Vernet with My Lord Clive, Messrs. Sumner, Verelst, and Sykes since 13 September 1765. No. 4 Letters received from My Lord Clive, Messrs. Sumner and Sykes, from November 1765 to 26 June 1766. 314 No. 5 Extract from the Cassimbazar letters of 12 March and 14 July 1766. No. 6 Two copies of letters dispatched by the Cassimbazar Chief, the Honourable Johannes Bacheracht, to Mr. J: Sykes, dated 25 March and 5 June of the current year. No. 7 Translation of a letter by the gomashtas from Jagannathpur of 21 November 1765. No. 8 Ditto from the gomashtas in Sikanderpur dated 2 February 1766. No. 9 Ditto from the gomashtas from Shantipur of 9 March of this year. No. 10 Ditto from the gomashtas at Jagannathpur dated 25 April of the current year. No. 11 Extract from the gomashtas from Shantipur of 11 May. No. 12 Copy of a letter from the English Resident at Baudal dated 13 September 1765, annexed to that of the English gomashtas at Haripal of 6 September of the same year. No. 13 Ditto arzi from the sarkar Kunja Behari Das residing at Balasore, of 10 March of this year. No. 14 Ditto of just the same, dated 9 April. No. 15 Ditto by the same, of 23 April. No. 16 Ditto by the often-mentioned, dated 23 June. No. 17 Ditto from the same, 21 August. No. 18 Persian mahzar, official report. No. 19 Letter to William Aldersey. No. 20 Parwana granted by the Nawab Saif-ud-Daula. Hughli, 7 November Anno 1766. No. 21 Copy of petitions by a certain Anthony Nunis. H: E: G: Clercq 315 To the Right Honourable Robert, Lord Clive, Governor, etc., and the Council at Calcutta. My Lord and Sirs, Together with Your Lordship's and Honours' esteemed letter of the 16th of this month, we received the bill of exchange for forty thousand sicca rupees, which is hereby returned, accepted. We remain with high esteem, Below stood: My Lord and Sirs, Lower: Your Lordship's and Honours' obedient and humble servants, Was signed: G: L: Vernet, M: Isinck, L: Zuijdland, J: H: Zinner, J: C: Kist, C: Rietveld, C: M: Doeve, and O: W: Falck. To the side: Hughli, 20 September Anno 1765. To the same as above. The approaching time of departure of our first European ships placing us in pressing difficulty to properly [illegible] the same, request for saltpetre.

Dutch transcription

12„e 311 Beloven wij ook dat bij aldien de Heer Dr „be ons gewaarschuwd zal hebben dat de Ja„ „peter klaar is om te ontvangen en wij de derde dag daar aen dezelve niet acceptee de schaden die daar op door het een of a „der toeval zoude komen te vallen voor on„ en niet voor de Leveranciers reekening „zen zal. zo beloven wij op gedagte Heer ook, dat bij aldien hij door den Pattenasen dherbaa dan wel door geene of deeze fausdaars op Simidaars etc„a door de oprockeling van de een of ander die door deeze onze Conferen haar oogmerk niet berijken kunnen ind insaam der salpeter eenige hinder toege¬ „bragt mogte werden zulx met hem tegen te gaen en de onkosten of spendaties die daar door veroorzaakt mogte worden m maate onzer portie te draagen. „zullen Beloven wij ook ons aendeel te „ draagen in de salpeter die ons in 't generael door regeering zo tot het maaken van kruit als 14„e 13„e Beloofd hij ook de quantiteit die hij voor gedagte uitgesitte gelden binne krijgen zal na waarheid te zullen op geenen en op geen geld of goed meer aen die menschen of iemand anders op salpeter zo als bij het derde Articul besz: staat te geven. zo zullen de agterstallen die hij op ged„t voor„ „uitverstrekking komt te lijden voor zijn reek: te blijven even als die van den gan„ „schen insaam voor het opperhoofd drabbe zijn reek: gelaten zijn. 18„e Beloven wij opperhoofden der fransen en Engelse Comp:e 't' opperhoofd der Nede¬ 16„e Dewijl het franse opperhoofd reets voor de over eenkomst deezer geld op salpeter aen deeze en geene gavanceerd heeft zo zal de daar voor inkomende Salpeter in min¬ „dering van zijn portie dienen. het coelen harer drink water afgeperst zal werden. hetg „ Landse 15„ 17„e 312 „landse d„o die de bezorging voor ons doen zal zodanige somme gelds te verstrekken als hij zal komen te vorderen tot de voorn „zeting van de zalpeeter handel dewijl de ondervinding meermaale geleerd heeft dat de procontanten inkoop genoegzae„ onmogelijk geweest is. — 19„e Dat men geen een keer salpeter van Diebsjent of andere alhier zullen vermo¬ „gens zijn te kopen wanneer zij zig meede in alle billijkheid als andere assamies en niet laat vinden om bij aldien hij of andere zig daar halsterrig tegen zetten dan op het Laest voor al dog niet te neme al wilde zij dezelve alsdan ook voor minder geld aan ons Leeveren ook diend men zulx aen onze Heeren gebieders Bengale mede te verzoeken op dat Haar wel Ed„e ook zodanig een resolutie nemen om of zij de salpeter somtijds, na bengaele wilde afzenden om haar daa ook meede te laten zitten om hem en alzulke weerbarstige marchianten zulx in den aenstaende van haare dwijge¬ „landije omtrend den salpeterhandel met de Naties te beletten want bij het tege„ „deel of anders wanneer hij of andere ziende dat men op het Laast weer van resolutie ver„ „andert en wij thonen e haar goed benodigt te hebben zullen zij in andere tijden daar ook weer daer van zoeken te profiteeren Wij ondergesz: houden alle dit voor en ommestaende voor goed vastbondig en van waarde en wij hebben ider dit in zijn ijgen „taal driemael geschreeven goed gekeurd ondertekend en dar van aen ijder opper„ „hoofd een inhandigt. - /:onderstond:/ en 't N„s Comptoir Pattena den Maij 1745. Accordeert J: Hof W„n E G: Clercq zulx 313 N„o 1 Copia afgegaane brieven aan het kal= katsche Ministerie van den 20 7ber 10 8ber: 1765. 6 Maart 26 April, 8 en 31 Mei en 26 Aug„s 1766. — e aangekomene brieven van den Gouverneur en Raad te Kal= katta van den 7 en 14=e october 1765, 24 febr: 28 April 5 en 12 Mei 18 aug=s en p=mo 7ber deezes Iaars. — 3 _o Gewisselde brieven van den E Achtb: Heer Directeur Vernet met Mylord Clive, de Heeren summer, verelst en sykes Sed„t 13„e 7br: 1765. — aangekomene brieven van MyLord Clive, d' Heeren Sumner Sykes, van November 1765 Register der Papieren betrekking hebbende tot differente met de vreemde Natien 86 26 tot 314 van twee tot 26 Juni 1766. — N„o 5 Extract uit de kassembazaarsche brieven van den 12„e Maart en 14 Iuli 6: 9: 6 twee Copia afgegaane brieven van het kapsen =bazaars opperhoofd den E Iohan= „nes Bacheracht aan de Heer J: Sijkes in dato 25„e Maart en 5 Iuni a: C: „ 7 Translaat van een brief door de Gomastos uit Seggernaat poer van den 21=e 9br: 1765. — van de Gomastas int Spender kona in dato 2„e febr: 1766. — _o van de Gomastos uit Santipoor van 9e Maart dezes Jaars o van de Gomastos te Seggernaet poer in dato 25„e April h:o a Extract van de Gomastos uit San= „tipoer van 11 Meij. — Copij brief van den Engelschen Resident te Buddal geda¬ teerd 13 7br: 1765 annex dat der Engelsche Gomastos te Herriapaal van 6 7br: des zelven Iaars. — „ 13e _o Arzdaast van den te Bella= zoor verblyf houdende serkaar Koenjoe Beharidaas van den 10„e Maart dezes Jaars „ 14 _o van als Even in dato 9„e April „ 15 _o d„o door den zelven van den 23e April „ 16 _o d„o door meergem: in dato 23„e Iuni „ 17 _o d„o van den zelven den 21 Augustus „ 18 _o Persiaanse Mohesereth, Proces verbaal „ 19 _o brief aan William Alderseij „ 20 _o Penned, door den Nawab: seif ul Moek verleend Houglij den 7„e November A„o 1766. N„o 21 Copia „ verzoek schriften door zekere Anthony Nunis. H„ EG: Clercq DHo 27. 8 „ 10 „ 11 „ 12 _o e Aan den Heer Edele Robert Lord Elive. Gouverneur Wettc. en den Raad te Kalkatta. Mylord en Heeren. Neevens uw Lordschaps en Ed=e geerde„ van den 16„e dezer is ons geworden, de wissel van veertig duizend sikka Ropijen, dio, bij deeze, geaccepteerd, te rug gaat. Wy verblyven met hoog achting /:onderstond/ Mylord en Heeren /:Lager uwerlordschaps en Ed„s gehoorzaame en nedrigd dienaaren /: was getekend:/ G: L: Vernet. M„r Isinck, L„s Zuijdland. I: H: Zinner. I: C: Kist. C„s Rietveld. C„s M: Doeve en O: W: Salck /:too zyde:/ Hoegli den 20„e September A„o 1765.— De aannaderende vertrek tijd, onzoe Eerste Europasche scheepen, ons in een drin= gende verlegenheid brengende, om dezelve verzoeken om Salpeter. Aan als boven behoorlijk. 315

NL-HaNA_1.04.02_3167_0338 view scan ↗

English

316 Sensitivity regarding the building of a ropewalk. To the same as before. Complaint about Mr. Marriott residing at Balasore. to properly ballast and besides this to fulfill the demands of saltpeter for Batavia and Ceylon, for which all we fear that what was promised to us will not be sufficient; so we kindly request your Lordship and Honors moreover to assist with a consignment from the Calcutta stock. The friendly expressions in your Honors' letter of 26 August of this year gave us reason to hope for a favorable answer; and we do not wish to let this opportunity pass without, on our turn, sincerely assuring your Lordship and Honors that we will gladly contribute everything that can in any way serve to cultivate a true friendship and harmony between our establishments. (below stood and was signed as before, in the margin, Hughli, 10 October 1765.) To Mr. William Brightwell Sumner, together with the Council at Calcutta. Gentlemen, In answer to your Lordship's and Honors' esteemed letter of 24 February, we can have the honor to report that, according to the information given to us, judgment was passed with fairness in the case of Antoni Nunis. However, for greater certainty, we will have a further impartial investigation made as to how far his complaints are well-founded or not, and shall not fail to impart the outcome thereof to your Lordship and Honors. We remain with all high esteem. (below stood as before; was signed:) G. L. Vernet, M.r Isinck, L. Zuijdland, I. H. Zinner, C.s Rietveld, P. I. Humbert, O. W.m Falck, and I. H. Damms. In the margin, Hughli, 6 March 1766. 317 Transmission of some papers. Sending a report regarding a certain Antoni Nunis. relating thereto. Mr. Marriott, your Honors' resident at Balasore, on a certain piece of land that has belonged to the Dutch Company for many years, is having a ropewalk constructed, without allowing himself to be deterred therefrom, notwithstanding that the gomastah who resides there on our behalf has made the necessary representations to him in that regard; we therefore request your Honors to set this in order. The proofs of ownership of the land in question and some other papers relating to that matter accompany this in authentic copy, and we deem it necessary to inform your Honors that in the year 1763 a dispute arose over this between our aforementioned business agent and your Honors' Mr. Sheikh Golam Mustafa, which, however, upon the writing of our then Director, the Honorable Mr. Taillefort, and of the first undersigned to the Honorable Mr. Vansittart, was settled, and our ownership of the land was consented to. Regarding the case of Antoni Nunis, we have had a careful investigation made and have received a report thereof, which we also have the honor to present to your Honors alongside this. We hope that your Honors will perceive therefrom to your satisfaction that not the least injustice has been done to the aforementioned Nunis here, and we remain with perfect esteem. (below stood:) Gentlemen (lower:) Your Honors' humble and obedient servants (was signed:) as before (in the margin:) Hughli, 26 April 1766. To Mr. Harry Verelst, together with the Council at Calcutta. Gentlemen, We are of the same opinion as your Honors regarding the utility of having the channel in the river sounded at the same time with your Honors, and three or four of our pilot sloops, 318 which could first be repaired from the annual defects, will depart from here in a few days for that purpose, the pilots being ordered to carry out that work together with those of your Honors; regarding the buoy-barrels, however, we cannot well make any change in our previous practice, because they must necessarily be lifted, both to have them repaired here and to shift them according to the shifting of the shallows, as is necessary almost every year. It is thus for the short time that is needed for the repair that they are lifted, and we shall have all possible haste made in that regard. May it be permitted to us on this occasion to inform your Honors that we have recently received news that the gentleman who was sent on your Honors' behalf to Jagannathpur has made the headmen of the weavers and others swear not to sell any linen to anyone outside the English Company, which has caused the money that was already provided long before by our gomastahs for the purchase or manufacture of linens for our Company to be returned, and nothing is done for us; and the obstructions to our trade are even extended so far that someone who was sent by our business agents to Betagur had some pieces of linen which he had with him taken away on his return by the people of your Honors' servants there, and the man himself had to suffer some mistreatment. Concerning this and the further stoppage of our trade in all aurungs, about which the first undersigned has already complained to Mr. Sumner and subsequently also to Mr. Verelst,

Dutch transcription

316 Gevoeligheid over de oplux„ schap. Aan als vooren Klagte over de de Bellasoor resi= deerende M„r Mar= behoorlyk te ballasten en buyten dese Eyschen van Salpeter, voor Batavia en Ceilon, te voldoen, tot welk een en ander wij vreezen, dat het ons toegezegd niet zal toereikende zijn; zo verzoeken wij u Londschap en Ed=s vriendelyk boven dien, met een partij van de Kalkatsehen voorraed te assisteeren. De vriendelyke betuigingen bij kende vroend Uwer Ed„s brief van den 26„e Augustus dezes jaars, gaeven ons reeden op een gunstig antwoord te hoopen; en wij willen deze gelegenheid niet laaten voorbygaan, zom „der u Lordschap en Ed„s op onze beurt, oprech„ „telijk te verzeekeren, dat we gaarne alles zullen Contribueeren wat maar eenigsints strekken kan, om een waare vroendschap =ten aantekweeken /:onderstond/ en was getekend als even ter zijde Houglyden 10 october 1765. In antwoord op uw Lordschaps en Ede „lens zeer geachte van den 24„e februarij nevens de Raad te Kalkatta en eensgezindheid tussen onze etablissemen Aan de Heer William Brightwell Summer, M„r Marrioth uwerEd„se Resident stuk grond alaaar te Bellasoor, op zeker stuk grond, dat Mijne Heeren kunnen wij de Eere hebben, te melden, dat, volgens het ons gegeven bericht, in de zaak van Antoni Nunis, na de billijkheid is geoordeeld. Echter zullen we tot meerder zekerheid, een nader onpartijdig onderzoek laaten doen, in hoe verre zyne klachten gegrond zyn of niet, en niet nalaaten; u Londschap en Edelens, daar van den uitslag te bedeelen. Wy zyn met alle hoog achting /:onderstond als vooren : was getekend:) G: L: vernet. M„r Isinck„ L„ Zuijdland I: H: Zinner. C„s Rietveld. P: I: Humbert. O: W=m Falck en I: H: H: damius. ter zyde Houglij den 6 Maart 1766. Kunnen .. . 317 toezending van eenige papieren zenden een bericht omtrent zeekere Antoni Ninus. de Nederlandsche komp: seedert lange Jaaren heeft toebehoord, een Lijnbaan w kende, zonder zig daar van te laaten detourneeren, niet tegenstaande d Gomasta, die aldaar onzentweegen ver blyf houd, hem, daar omtrent de noodige vertooning heeft gedaan, zoo verzoeken wi uw Ed: hier in ordre te willen stellen. De bewyzen van eigendom van het daar toe relatief. tarrain in questie en eenige andere pa„ pieren tot die zaak betrekkelijk, gaan in kopij anthentiek hier nevens en wij achten noodig uwEd: te verwettigen, dat daar over in tjaar 1763 nog eens voorm: zaekbezorger en uwer Ed: monsie sjeich Golaam Mustafa, 't welk echter, ophet schryven van onzen toenmaligen Directeur, den Edelen Heer Taillefort, en van den eerst ondergeteekende aan den Edelen Heer van Sittart, is verevend, en onze eigendom van de grond is voe„ „gestemd geworden. — Omtrent de zaak van Antoni verschil is ontstaan, tusschen onzen Aan den Heer Harrij Verelst nevens den Raad, te Kalkatta Myne Heeren. Wij zyn met uwEd„s van het zelfde gevoelen; omtrent de nuttigheid om het vaarwater in de Revier te gelijke tid met uEd: te laaten opnoemen, en drie of vier onzer loots sloepen Nunis, hebben wij een nauwkeurig onderzoek laaten doen, en daar van een bericht bekoomen, 't welkeve al mede de Eere hebben uEd: bezyden deze aan te= „boeden. Wij hoopen dat uEd: daar uit ten genoegen zullen ontwaeren dat aan voorm: Nunis, alhier geen deminste onrechtvaerdigheid is gedaan, en wij verblijven met volmaekte achting /:onderstond:/ Mine Heeren /:Lagor:/ Uwer Ed nedrige en gehoorzame die= naren /was getekend:/ als vooren:/ ter zyde Hoegli den 26„e April 1766. — Nunis welke 318 welke het eerst van de Jaarlyksche gebrek hebben kunnen hersteld worden, zullen ten doen einde over eenige daagen van hier vertrekken, zullende de lootsen geordonneert worden, om te saemen met die van uEd dat werk te verre „ten; omtrent de tonne boeijen, zullen we echter, in ons voorig gebruik, niet wel eenige verandering kunnen ma =ken, dewylze noodzakelijk moeten ge legt worden, zo wel om ze hier te laaten repareeren, als omze gelyk zulx meest alle jaaren nodig is, volgens het ver „loopen van de droogten te verplaat= 'T is dus voor de Korte tijd die met tot de reparatie nodig heeft, dat zeg ligt worden, en wij zullen daar omtren alle moogelyke spoed laten maak 't zij ons vergund, UEd„e bij deeze gelegenheid te kennen te geeven datwe onlangs hebben tyding bekomen hoe den Heer die van weegens uEd„ na Seggernaatpoer is gezonden, de hoofden van de weevers en anderen heeft laaten zweeren aan niemand buyten de Engelsche Comp: eenig Lywaet te zullen verkoopen, waar door ver= oorzaakt is, dat het geld 't welk reeds lange te vooren door onze Gomastas tot den inkoop of de aanmaaking van Lywaaten voor onze Comp: verstrekt was is te rug gegeven„ en er voor ons niets verrigt word, en de verhinderingen in onze handel worden zelfs zo verre uitgesrekte dat iemand die door onze zaak be„ „zorgers naar Betaghoor gezonden was, in de terug komst eenige stuk„ „ken Lywaat welke hij bij zig had, door het volk van UEd: bedienden aldaar zijn afgenoomen, en de man zelve eenige mishandelingen heeft moeten ondergaan. Hier omtrent en de verder stremming onzer handel in alle darrengs waar over den Eerst ondergetekende reeds aan den Heer Summer; en vervolgens ook aan den Heer Verelst gedeleerd heeft 64 15 heeft

NL-HaNA_1.04.02_3167_0341 view scan ↗

English

319 has without receiving an answer to either, we kindly request that by Your Honors' orders some redress may be effected. Underneath stood: Gentlemen. Lower Your Honors' humble and obedient servants, was signed: as before. In the margin: Hoegli the 8th of May 1766. We are. To Mr. William Brightwell Sumner, Esquire, together with the Council at Kalkatta. Sir and Gentlemen. Both Your Honors' missives of the 5th and 12th of this month have been received here, of which the first requires no answer. To the other, we must make known to Your Honors, to our regret, that our pilot sloops could not be repaired as quickly as we had wished, and only tomorrow will two of the same be able to float off, which, however, will be followed in three or four days by some others. Not having been accustomed to having any barrel buoys made in stock, this could not take place for this year, but we shall make the necessary arrangements in this regard for the future. Whenever we have complained to Your Honors about the hindrances in our linen trade, our letters have usually been accompanied by the grievances of our Gomastas, in which all the particulars necessary for the investigation were stated; and the first signatory, in his letter to Lord Clive as well as to Mr. Sumner, expressed the circumstances, to which we therefore still adhere, and in our last letter, in which we believe the most necessary particularities regarding the obstruction of our collection of linens at Leggernaatpoer have also been made known. Lastly, in response to Your Honors' remark at the end of Your Honors' letter of the 12th of this month, we can report that our intention was by no means to accuse the Gentlemen Sumner and Verelst of any negligence. We are. Underneath stood: Sir and Gentlemen. Lower Your Honors' humble and obedient servants, was signed: G: L: Vernet, M:s Isinck, L:r Zuijdland, I: H: Zinne, C:s Rietveld, I. P. Humbert, I: M: Ross, O: W: Falk and I: H: H: Damius. In the margin: Hoegli the 31st of May Anno 1766. To the Right Honorable Robert Lord Clive, Governor, and the Council at Kalkatta. My Lord and Gentlemen. We have had the honor to receive Your Lordship's and Honors' respectable missive of the 18th Instant, and have seen from it with regret that our share of the saltpeter for this year will amount to no more than 20,000 maunds. We request to be permitted to point out to Your Lordship and Honors that this quantity is much too small, in proportion to what we need to satisfy the demands and to complete the loading of the ships that we expect in this season, and that you may also please reflect that of the portion intended for us in the past year, fully 1,000 maunds less was delivered. Thus we believe we may in all fairness insist upon a more ample quantity, and request Your Lordship and Honors to be pleased to make such a change in the distribution that our share may at least equal that of the past year. The answer sent to us from 321 Mr. Marriott to our complaints about building upon a piece of land at Bellasoor belonging to the Dutch Company, we have read with all attention, but have found nothing in it that invalidates the right of ownership on our side. His Honor claims, by means of a Persian document, whereby the people who signed it and several others of whom he had made inquiries are said to unanimously confirm that the ground in question has always been included within the English boundary markers, yet confesses at the end of his letter that he is himself unversed in the language of the country, and consequently not free from the suspicion that he may have misunderstood all the witnesses. Moreover, may we be permitted to remark that a legal ownership of real estate ought to be verified not by witnesses, but with other proofs, such as deeds or similar public writings; in our previous letter we produced such a proof and demonstrated that the piece of land about which the dispute is was laid out as a garden long before the time of Mr. Cartier by our then Resident Tobias Marcelius, who sold it in the year 1736 to his Banyan Oederam and granted the aforesaid proof to him in the presence of two English Gentlemen as witnesses. Also, our right to the aforementioned ground was decided in our favor in the year 1763 by the Honorable Governor Vansittart, and upon this alone we could fairly rely; for the reasoning that Mr. Marriott employs regarding this, as if the aforementioned Governor had merely allowed himself to be persuaded by Mr. Sparkes, and, on account of more weighty occupations, had not inquired closely into this case, seems solely devised to quasi-justify the unlawful authority that one has usurped over another's property, since otherwise such reasons can find no acceptance without perpetually disputing the right to one matter or another in the future; and which would, in such a manner, happen as often as a change in the Government occurred. We therefore very kindly request that the aforementioned Mr. Marriott may be ordered to tear down the erected shed, and that our Gomasta there may be restored to the possession of the ground which is disputed with us by that Gentleman. We have the honor to be with all respect. Underneath stood: My Lord and Gentlemen. Lower: Your Lordship's and Honors' humble and very obedient servants, was signed: as before. In the margin: Hoegli the 26th of August 1766. H: Hoff First Clerk Agrees

Dutch transcription

319 heeft zonder op het een of ander antwoord te ontvangen, verzoeken we vriendelijk door uwer Ed„s beveelen eenig redres te bewerken. /:Onderstond:/ Myne Heeren. Lager uwer Ed„s nedrige en gehoorzame dienaaren /was getekend:/ als voore Ter zyde Hoegli den 8 Meij 1766. — Wyj zijn. Aan den Heer William Brightwels Sumner schildkn=t, benevens den Raad te Kalkatta Beide uwer Ed„e missives van den 5„e en 12„e dezer maand zyn hier ontfangen, waar van de Eerste geen antwoord vereischt - Op de andere moeten we uwEd„e tot ons boedweezen te kennen geeven dat onze loots sloepen, niet zo schielijk als wij wel verlange hadden, hebbende 33 we Mijn Heer en Heeren. kunnen gerepareerd worden eerst mor= „gen, twee derzelve zullen kunnen afdrij= „ven welke echter in drie of vier daagen, van eenige anderen zullen worden ge= „volgt. Niet gewoon geweest zijnde eenige Tonne boeyjen in voorraad te laaten maaken, heeft zulks voor dit Iaar geen plaats kunnen hebben, dog we zullen, hoer omtrent in den aanstaande, de noodige schikking maaken. Wanneer wij UEdelens over de verhinderingen in onzen Lywaat handel, geklaagd hebben, zyn onze brie„ „ven gewoonlyk verzeld geweest, van de klachtschriften onzer Gomastas waar bij alle bijzonderheeden, tot het onderzoek noodig, bekend stonden; en den Eerst on„ „dergetekenden heeft by zynen brief en aan Lord Ulive, zo wel als aan den Heer sumner, de omstandigheeden uijt„ „gedrukt, waar aan we ons dersalven als nog gedraagen, bij onze laatste waar bij zo we vermeenen de noodzaa= „kelykste particulariteiten, weegens Kunnen de E 320 de stremming onzer inzaameling van Lijwaaten te Leggernaatpoer al mede zyn bekend gesteld. Laatstelijk kunnen we op uwer Ed: merking aan 't einde uwer Ed„s brief van den 12„e deezer melden, dat onze mee ning geentzints geweest is, de Heeren sumner en berelst van eenige nalaa „righeid te beschuldigen Wij zin. /:onderstond:/ Myn Heer, en Heeren Lager UwerEd: nedrige en gehoort: Dienaaren /: was getekend:/ G: L: Verne M„s Isinck. L„r Zuijdland. I: H: Zinne C„s Rietveld: I. P. Humbert. I: M: Ross O: W Falk en I: H: H: Damius. /:ter zijde/ Hoegli den 31„e Mei A„o 1760 Aan den zaer Edelen Robert Lord Clive, Gouverneur en de Raad te Kalkatte Misord en Heeren. Wij hebben de eere gehad veontvan¬ U Lordschaps en Edeles respectable mis¬ „sive van den 18„e Courant, en daar uit met Leedwezen gezien dat ons aandeel in de salpeter voor dit Iaar niet meer als 20'000 m=n zal bedraagen. Wij verzoeken u Lordschapen Edeles te mogen doen opmerken dat die quan „titeit veel te gering is, na maate van het geene wij noodig hebben tot voldoening der Eisschen en een Comploete belading der scheepen die wy in dit faisoen te gemoed zien, en dat dezelve ook gelieven te reflecteeren, dat van de in den voor= leeden Iaare, ons toe gedachte portie ruim 1000 m=n minder gelevert is. Dus wij vermeenen met alle billijkheid om een ruimer quantiteit te mogen aanhouden, en u Lordschap en Edeles te verzoeken te verzoeken zodanig een verandering in de verdeeling te willen maaken dat ons aandeel ten minsten die met het gepasseerde Iaar mag evenaaren. Het ons toegezonden antwoord van 1 321 van den Heer Marriott op onze kla „ten, over het bouwen, op een stuk gron te Bellasoor, de Nederlandsche Comp toebehoorende, hebben wij, met alle attentie geleezen, dog daar in niet gevonden dat het recht van eigendom aan onze kant, kragteloos maakt. zyn E: beweert door een Persiaansch geschrift, waar by de Luiden die dat getekend hebben, en verscheide ander aan welke hij navraage gedaan hadde, eenparig zoude bevestigen, dat het Erf in questie, altoos binne de Engelsche grenspaalen, begrepen is geweest, dog bekend aan het eind van zyn brief zelve in de taal van het Land onervaaren, gevolglyk niet vrij te zijn van die suspicie, dat hij alle de getuigen qualyk kan begree „pen hebben. Boven dien zy het ons gepermitteerd aan te merken, dat een wettige eigendom van vast goed niet door getuigen maar met an „derd bewijzen, als daar zijn grond broev of dvergelyke puplieke geschriften, behoore dien geverifieert te worden, wy hebben in onze voorige zo een bewijs te voorschijn gebragt en aangetoont, dat het stuk grond daar het verschil om is, lang voor de tijd van de heer Cartier tot een Thuin is aan„ „gelegt, door onzen toenmaaligen Resident Tobias Marcelius, die het in den Iaare 1736, aan zyn Benjaan oederam verkocht en het voorsz: bewijs aan dien herden verleend heeft in presentie van twee Engelsche Hoeren als getuigen. Ook is ons recht tot het voelm: Erf den Iaare 1763, door den Edelen Heer Gouverneur van sittart, in ons faveur gedecideert, en hier op alleen zouden wij ons met billijkheid konnen be„ „roepen; want het raisonnement dat M„r Marriott daar over voert, als of welm„te Heere Gouverneur zig door de Heer Sparkes maar wat had laten wijsmaaken, en om gewegtiger occupa¬ „tien, zig niet nauwkeurig na dit geval zou hebben g'informeert, schijnd eenlyk eenlyk gepractiseert te weezen, om quasie te rechtvaardigen het onwettig gezag, dat men zig over een 'sanders goed heeft aangematigt, dewijl an„ „ders zulke reedenen geen ingang kunnen vinden, zonder het recht tot de eene of andere zaak, in het vervolg altoos te betwisten; en het welk op zo een wijs, ook zo dikwils gebeuren zou, als er verandering in de Regeering quam voor te vallen wij verzoeken dierhalven zoer vron „delijk dat voorm: Heer Marriott mag worden geordonneert de opge „rechte loots aftebreeken en onze Goma ta ginter herstelt worden in de possessoe van het Erf, het welk ons door die Heer betwist word Wij hebben deere met alle ressect te zin. — /:onderstond/ Mijlord en Heeren /:/Lager:/ Uw Lordschaps en Edeles ootmoedige en zed Gehoorzame Dienaaren /:was getekend:/ a vooren /: ter zijde:/ Hoegli den 26 aug„s 1766. H: Hoff „ E: E: Clercq Accordeert

NL-HaNA_1.04.02_3167_0345 view scan ↗

English

No 1. 322 To the Noble Lord George Louis Vernet, Director, etc., and the Council at Houglij. Noble Lord and Gentlemen, The recent complaints of your gomastas regarding obstructions in their business in the aurangs appearing, according to the reports of our gentlemen, generally to be without foundation, we deem it necessary to deliver the enclosed papers to Your Honours for Your Honours' information on this matter. We have duly received Your Honours' letter of the 20th ultimo, returning our accepted bill of exchange drawn on Your Honours by your agents at Patna, and we are with respect, Noble Lord and Gentlemen, Your Honours' very obedient servants, was signed: Clive, Wm. B. Sumner, H. Verelst, Ralph Leycester, and George Gray. Fort William, the 7th of October, Anno 1765. 323 To the same as before. For the translation, signed: Gregd. Herklots. We have received your letter of the 10th instant, and as the state of our saltpetre trade in Calcutta permits the granting of Your Honours' request for a present supply of that article from here, we have readily been persuaded thereto and have accordingly given orders to Mr. Verelst, our warehousekeeper, to supply such a person as Your Honours shall send to receive it with the quantity of 3000 bags. We cannot, however, grant Your Honours that this should be without deduction from the third part intended for Your Honours out of the whole, which we are now informed will amount to about 28579 maunds, and it must therefore be deducted therefrom; for the execution of which we have accordingly sent orders to our gentlemen at Patna. To the same as before. We have the honour to send Your Honours enclosed herewith two petitions that have been presented to us by one Anthony Nunis; the complaints he makes are of such a nature that we are obliged to present them to you, Gentlemen. We wish it were in our power to support Your Honours more effectively on this occasion, just as Your Honours may at all times rely on our good disposition toward you, and we remain with respect, Noble Lord and Gentlemen, Your Honours' very obedient servants, signed: Clive, Wm. B. Sumner, John Carnac, R. Leycester, and George Gray. Fort William, the 14th of October 1765. Below, for the translation, signed: Gregt. Herklots. 324 not doubting that Your Honours will agree with us on the necessity of conducting an inquiry into the circumstances, so that justice may take its proper course. We are, Noble Lord and Gentlemen, Your Honours' obedient and humble servants, was signed: Clive, John Carnac, H. Verelst, Fras. Sykes, Rand. Marriott, Claud Russell, Wm. Aldersey, H. Watts, Tho. Kelsall, Charles Floyer. Fort William, the 24th of February 1766. For the translation, signed: Gregs. Herklots. To the same as before. Our Master Attendant having represented to us that Your Honours usually, upon the departure of your last ship of the season, cause your pilot buoys in the river to be taken up, which can have fatal consequences for the ships and vessels that sail out throughout the entire year; and since your ships are commonly laden to the same draft of water as ours, we beg leave to submit to Your Honours whether it would not greatly contribute to the safety of the trade of both nations to survey the river at the same time with us, which is generally when the water is at its lowest, in the latter part of April or beginning of May, as it falls out with the spring tides, and instead of moving your buoys, to leave them throughout the entire year, just as ours are; as this is a matter of the utmost consequence, tending equally to the benefit of both nations, we flatter ourselves that the necessity and the advantage of this proposal will appear as clear to Your Honours as it does to us. We are, Noble Lord and Gentlemen, Your Honours' very humble and obedient servants, 325 To the same as before. was signed: H. Verelst, Rand. Marriott, H. Watts, Claud Russell, W. Aldersey, Tho. Kelsall, and Charles Floyer. Fort William, the 28th of April 1766. For the translation, signed: Gregt. Herklots. To the same as before. We have received Your Honours' letter of the 26th instant, together with the several papers enclosed therein. Those relating to the complaints against Mr. Marriott, our Resident at Balasore, have been delivered to him, and his answer demanded, of which we shall not fail to inform Your Honours. We are, Gentlemen, Your Honours' very obedient and humble servants, was signed: Wm. B. Sumner, H. Verelst, Rand. Marriott, H. Watts, Claud Russell, Wm. Aldersey, Tho. Kelsall, and Charles Floyer. Fort William, the 5th of May 1766. Gentlemen, We have received Your Honours' letter dated the 8th instant. The pilot sloops that we have appointed this year for surveying the river will depart for that service on the morning of the 19th, and we hope that yours will be in readiness to accompany them, and we think the season too far advanced to admit of any longer delay. Sensible of the bad consequences that might arise from removing our buoys for even so short a time, we are always provided with four or five spare ones, to be laid down in place of those that need any repair, and we beg leave to recommend the same method to Your Honours' constant attention, so that the river may always be properly provided.

Dutch transcription

No 1. 322 Aan den Edelen Heer George Louis vernet. Directeur &c:a: en den Raad te Houglij Edele Heer en Heeren. De jongste klagten uwer Gomastos over verhinderingen in hunne zaaken in de Arrengs, schijnende volgens de berigten onzer Heeren, in 't algemeen, zonder fondament te zijn, denken wij het noodzaekelijk, d'inleggende Papieren tot uw Edelens onderregting deweegen aan UwEdelens t' inhandigen. Wy hebben behoorlijk ontfangen uwEdeles missive van den 20e jongst leden, onder te rug zending onzer g'accepteerde wisselbrief door Uwe bedoendens te Patna, op uw Edelens getrokken, en zyn metagting /:onder= „stond:/ Edele Heer en Heeren /:Lager:/ uwEde „=lens zave gehoorzame dienaaren /was getekend:/ Clive „ W„m B: Sumner. . . . . . . . . . . H verelst Ralph Leycester en George Graij /:ter zijde:/ Fort William den 7„e october A„o 1765 lager 323 Aan Als vooren /:Lagerstond:/ voor 't Translaat /:geteken Greq=d Herklots. — Wij hebben uwe brief van den 10 dezer ontfangen, en alzo den staat onzer Salpe handeling in Calcatte, d'involging van uw Edelens verzoek, voor een tegenwoordige verzorging van dat Artikel, van hier, boela zyn wy daar toe gereedelijk overgehaal en hebben doen volgens aan d'heer verelst onze. . . . . . Pakhuismeester order gegev om zodanig een Persoon, als uw Edelensta het ontfangen, zullen afzenden, met de quantiteit van 3000 zakken, te voorzien wy kunnen uwEdelens egter niet toe staan, dat dit zoude zijn, onvermindert het derde deel uw Edelens voor het ge heel toegedagt, 't welk wij thans onderreg zyn, dat op omtrend 28579 Maons zal uitkoomen en het moet dierhalven van het zelve afgetrokken worden tot welkers uitvoering wy dienvolgens Aan als vooren Wij hebben d' Eere UEdelens hier in= „geslooten toe te zenden, twee verzoek schrif= „ten, die aan ons voorgelegd zijn, door eenen Anthony Nunis dee klagten die hij doet, is van zoodanig een aard, dat wij verpligt zijn, dezelve aan U Myn Heeren te vertoonen Wij wenschen het in onze magt waare uw Edelens by deze gelegenheid kragtdadiger te ondersteunen, gelijk uEdelens zig ten allen tijde, op onze goede geneigtheid t' uwerwaarts kunnen gerus¬ „ten en wij blijve met agting /:onderstond:) Edele Heer en Heeren / Lager:/ uw Edelens zeer gehoorsame Dienaaren /:get=d:/ Clive, W„m B: Sumner, John Carnac . . . . . . RLycester, en George Graij /:ter zijde:/ Fort William den 14 october 1765: /:daar onder:/ voor het Translaat /:getekend:/ Gregt Herklots. — orders aan onse Heeren te Patna, gezonden hebben. orders niet 20 „ 324 niet twyfel ende of uEdelene zullen met ons over een koomen, in de noodsake„ „lykheijd, om na d' omstandigheeden een onderzoek te doen op dat het recht zijn eigentlyke Loop hebbe. Wij zyn /:onderstond:/ Edele Heer en Heeren. /:Lager:/ uw Edeles Gehoorzame en onderdanige Dienaaren /:was get:d/ Clive. John Carnac. WWerelsd. Ka=s Sykes, Rand„ Marriott. Claud Rus„ „sell. W=m Alderseij. Hwatts, Thokel „sallen Charles Kloijer /:Ter zide: Fort Villiam den 24„e Februarij 1766 /:Lagerstond:/ voor het Translaat get„d GregsHerklots. — Aan als vooren. Onse Equipagie meester, ons vertoond hebbende, dat UEdelens gewoonlijk bij 't vertrek van uw Laatste schip in 't Saisoen Uwe Loods boeijen in de rivier laaten ligten, 't welk een fo tale gevolgen kan wezen voor de scheepen en vaartuigen, die het geheele Jaar in het uitvaaren, en dewijl uwe scheepen gemeenlyk op dezelfde diepte van water als d'onze gelaaden worden, verzoeken wij vrijheid aan uEdelens te moogen voorleg„ „gen, of het niet grootelyks tot de zekerheid van den handel der beide Natien zoude toebrengen den opneem der revier, te ge= „lyker tijd met ons te doen, 't welk doorgaans is, wanneer 't water op het laagste is, in't laatst van April of begin van Maij, zo als het met het springtij uitvalt, en in plaats van uwe boeien te verplaatsen, dezelve gelyk als d' onze het geheele Iaar te laaten leggen; dewyl dit een zaak is, van d'uiterste aan =gelegentheid, gelykelyk strekkende tot voordeel van beide Natien vlyen wij ons zelve dat de noodzakelijkheid en het voordeel van dezen voorstel, 20 klaer aan UEdelens zal voorkomen als het aan ons doet. — Wy zyn /:onderstond:/ Edele Heer en Heeren /:Lager:/ uw Edelens zeer onder= „danige en Gehoorsame Dienaaren Scheepen /:was 325 Aan als vooren /:was getekend:/ H: Verelst, Rand: Marriott. H: watts, Claud: Rujsell W: Alderseij, Tho kelsall, en Charles Kloijer /:terzijde:/ Fort william den 28 April 1766. /:lager:/ voor het Translaat Aan als Vooren /:Get=d:/ Greg„t Herklots. — Wij hebben, uw Edelens brief van den 26„e dezer, nevens de verscheide daar bij ingeslotene papieren, ontfangen. Die betrekkelijk tot de klagten tegens de Heer Marriott, onse Resident te Bellasoor, zyn aan hem ter hand gesteld, en zyn antwoord g'eischt, van't welk wij niet zullen nalaaten uEdele kennis te geeven. — Wij zijn /:onderstond /: Myn Heeren /Clager uw Edelens zeer gehoorzame en onderdanig dienaaren /:was getekend:/ W=m B: Sumner H: Verelst, Rand: Marriott, H: watts Min Heeren. Wij hebben ontfangen uwel Edelens brief gedagteekend den 8„e deezer De loots sloepen die wy dit Jaar, tot het opneemen der revier gesteld hebben, zullen tot die dienst den 19e 'S morgens vertrekken en wij hoopen dat uwe ingereedheid zullen zijn, om hen te verzellen, en wy denken het saisoen te verre verloopen te zijn, om een langer uit= stel te lijden. Gevoelig over de quade gevolgen die mog= „ten komen t' ontstaan, door onze boeijen, voor zo een korte tijd weg te neemen, zyn wy altoos verzien met vier of vyf ter waarloo, omgeligt te worden in plaats van zulke die eenige ver= „nieuwing benodigt zijn, en wij verzoeken vryheid, dezelve manier aan uEdelens ge= „duurige opmerking te moogen aanbeveelen, op dat de revier altoos behoorlijk voorzien zy. Claud: Russel, W=m Aldersei, Tho: Kelsall en Charles Kloijer, /:terzijde./. Fort William den 5„e Meij 1766. — land: Wanneer e

NL-HaNA_1.04.02_3167_0349 view scan ↗

English

When Your Honours have any complaints to make regarding the hindrance of your inland trade by our people, we request that instead of the usual manner in which the same are commonly delivered, Your Honours will at the same time let us know the names of the places, the persons whom it concerns, and all other particulars that can assist our investigation in finding out the fact. Mr Sumner, in answer to his letter on the 2nd of April, informed Mr Vernet that he had made known to Mr Verelst the circumstances about which he complained, who, through lack of the necessary light as mentioned here above, has been obliged, in order to obtain information, to write to the most remote places, from where he has not yet received a sufficient answer that can enable him to reply to the letter of Mr Vernet, which otherwise he would have done already without delay of time. We cannot therefore fail to observe that Your Honours, in so readily accusing these gentlemen of negligence in paying heed to Your Honours' representations, have been somewhat too hasty. We have always been ready to hear and do justice in all matters that are left to our decision, and we are convinced within ourselves that Your Honours will never have just reason to complain that we have on any occasion whatever departed from that rule. We are. Written below: as before, and signed: ut supra. In the margin: Fort William the 12th of May 1766, below that: for the translation, signed: Greg.t Herklots. From an account that we have received from the Chief and Council at Patna, which they think they will be able to supply this season, we shall be in a position to assign to Your Honours 20,000 Maans, and have given the necessary orders to deliver it to such a servant as Your Honours shall appoint to receive it. We have received from our Resident at Bellasoor an answer to the complaints made against him in your letter of the 26th of April, of which we have the honour to enclose a copy. We have the honour to be, written below: Gentlemen, lower: Your Honours' very obedient and humble servants, was signed: Clive, W. B. Sumner, H. Verelst, Rand. Marriot, H. Watts, Claud. Russel, W. Aldersey, Tho.s Kelsall, and Charles Floyer. In the margin: Fort William the 18th of August 1766. Below: for the translation, signed: Greg.s H. Herklots. We have received Your Honours' letter of the 26th ultimo. When Your Honours consider, Gentlemen, that we have been under the necessity of providing the French this year with a quantity of saltpetre for their collection, Your Honours will find little reason to be dissatisfied with the share of 20,000 Maons allotted to Your Honours. The distribution has been made according to the estimate made of saltpetre with which we think to be provided at Patna this year; but if it is in our power, Your Honours may be assured of being supplied with more. In respect to the piece of ground that Your Honours demand at Bellasoor, notwithstanding the objections brought against it by Mr Marriott, our Resident there, we think it no matter worthy to spend our time in rare disputes over, and have therefore given orders to deliver it over to your managers. We are, written below: as before, was signed: Clive, John Carnac, H. Verelst, Rand.n Marriott, Claude Rusley, W.m Aldersey, Tho.s Kelsall, Charles Floyer. In the margin: Fort William the 12th of September 1766. Below: for the translation, Greg.s Herklots. To Lord Clive I am obliged to Your Lordship for the good intention that Your Honour shows by your esteemed letter of the 11th instant to cause all differences in the Arrengs to cease with the deputation of Mr Verelst to those districts. The well-known good qualities of that gentleman cause me to expect much good from that mission. But my Lord, permit me to say that trade will never be free as long as there are English gentlemen in the Arrengs; for besides that they use much violence, as has already appeared, the natives are so fearful of the single name of the English that they dare do nothing for another where an Englishman presents himself. Therefore I think that everything in the Arrengs must be placed on the footing of the time of Alaverdichan. Agrees P. Hoff No. 2

Dutch transcription

326 Wanneer uw Edelens eenige klagten te doen hebben wegens het verhinderen van uwen Inland schen handel door ons volk verzoeken wij dat in st de van de gewoone wijze, waar in dezelve gemoe =lyk bedeelt worden, dat uw Edelens ons terzelver tijd willen doen weeten, de naamen der plaatsen de persoonen die het aangaat, en alle andere byzonderheeden, die ons onderzoek behulp =zaam kunnen zijn in het uitvinden van het feit, De Heer Sumner gaf de Heer vernet den 2„e April in antwoord op zyn brief kennis dat hij de omstandigheeden daar hij overklaa¬ de aan de Heer verelst had bekend gemaekt die door gebrek van het noodige ligt hier boven Aan als vooren gemeld, genoodzaakt is geweest om ter ver= kryging van kundschap na de strrengste schrij „ven, van waar hij nog geen voldoend antwoord genoeg gekreegen heeft, dat hem in staat kan stellen t' antwoorden op de brief van de Heer Vernet, 't welk hij anders zonder tijd verzuim reeds zoude gedaan hebben. Hij kunnen dus niet voorbij aantemerken dat uw Edelens deeze Heeren zo gereedelijk beschuldigende, van nalaatigheid om Bij eene Reekening die wij van 't op= perhoofd en Raad te Patna Ontfangen hebben, die zij denken dit saisoen, te kunnen bezorgen, zullen wij in staat zijn, aan UEde= lens te mijsen 20'000 Maans, en hebben de noodige beveelen goegeven, om het aan zodan ig een bediende afte geven, als UEde= lens zullen benoemen om het t'ontfangen. Wij hebben van onzen Resident te op uEdelens vertooningen agt te geeven zulx wat al te voorbaarig is geweest, wy zijn altoos gereed geweest te hooren en regt te doen op alle zaaken die aan onze beslegting zijn overgelaaten, en wy zyn by ons zelve overtuigd dat uEdelens nooit billijke reeden zullen hebben te klaagen, dat wy by eenige gelegent= „heid, hoedanig ook van dien regel zijn afgeweeken. Wij zyn. /:onderstond als vooren, en getekend ut supra /:ter zide Fort william den 12„e Meij 1766 daar onder:/ voor het Translaat /: get:d/ Greg„t Herklots 2 op Bellasoor 327 Aan als vooren Bellasoor, een antwoord ontfangen, op de klagten tegens hem gedaan, in uwe brief van den 26„e April, van 't welk wij d' Eere hebben, een Copij deeze in te sluyten. — wij hebben d'Eere te zyn /:onderstond Mijn Heeren /: Lager Uw Edelens zeer Gecoorzam en Onderdanige Dienaaren /:was get: Clive, W: B Sumner; H: Verelst, Rand Marriot, H: watts, Claud: Russel, W: Alderseij, Tho=s Kelsale en Charles Kloyer /:ter zyde/ Fort William den 18 Augustus 1766 /onderstond / voor het Translaat. getekend. Greg=s H Verklots. Wij hebben ontfangen, uwEdelen brief van den 26„e laatstleeden. Wanneer Uw Edelens overwee gen Min Heeren, dat wij in de noodzaa kelijkheid zijn geweest de Franschen dit Jaar met een quantiteit salpeter ter hunner insameling te voorzien, zullen uw Edelens weinig reeden tin Ten opzigte van het stuk grond„ dat uw Edelens te Bellasoor Eyschen, niet tegenstaande het daar tegens ingebragte door de Heer Marriott onze Resident aldaar, denken wij het geene stoffe te zyn waardig om onze tyd, daar over met relden twis„ „ten door te brengen, en hebben dier= halven orders gegeven, om het aan uwe zaak bezorgers overtegeven. — Wij zijn /:onderstond:/ als voo= ren / was getekend:/ Clive. . . . . John Carnac, H: verelst Rand„n Mar= riott Claude Rusleij, W=m Al= derseij, Tho=s Kelsall, Charles den, onvergenoegt te zijn met het UEde= „bens toegelegde aandeel van 20'000 Maons De verdeeling is geschied na de gemaak „te overslag van salpeter, waar mede wij denken dit Jaar te Patna voorsien te worden dog indien het in ons vermoo= gen is, kunnen uwEdele verzekert zijn, van meerder verzorgt te zullen worden. Kloijer =den .- 328 Aan Lord Clive Kloijer /: ter zijde :/ Fort William den 12 September 1766 /:onderstond:/ voor het Tran laat Gregs Herklots. E: G. Clercq Ik ben w Lordschap verpligt voor de goede intentie die hoog dezelve toont bij zyn g'agte brief van den 11„e dezer om alle verschillen in d' Arrengs te doen Cesseeren met de bezending van de Heer Verelst naar die districten. De berugte goede hoedanigheeden van dien Heer, doenen dat ik veel goeds van die bezending verwagte. Dog my Lord permitteerd mij te zeggen, dat den handel nooit lider zal zijn, zo lange er Engelsche Heeren in de Arrengs zullen zijn, want bui¬ „ten datze veel violentie gebruijken: zo als reets gebleeken is, zyn d'inlan¬ „ders zo vroes agtig voor de Enkelde naam van de Engelsche, dat zij niets voor een ander derven doen, daar een Engelschman zig vertoond. Dierhalven denk ik, dat alles in d' Arrengs moert gesteld worden, op den Voet ten tide van Mlawerdichan Accordeert P: Hoff en N=o 2.

NL-HaNA_1.04.02_3167_0352 view scan ↗

English

and the soubahs who preceded him, when there were only native gomastas of all nations, who had their disputes settled by the zamindar of that place, and the dallals, saikars, and weavers were permitted to work for everyone unmolested. One thing could further be done for the welfare of the nations, namely that the prices be regulated by the nations for goods that would have the exact same quality in everything. I hope tomorrow to send Your Lordship that which Your Honour requested of me for his needs; meanwhile I have the honour to call myself with much respect, was signed G: S: Vernet, in the margin the 13th of September 1765. P.S. We have received no more than 3750 bags of saltpetre, which is a small quantity in comparison to the lot that I hear has been brought to Calcutta, therefore I request that you be pleased to accommodate us with somewhat more. To My Lord Clive. It is very distressing to me that I must continually trouble Your Lordship with vexatious accounts, and that after Your Lordship promised me to establish order in the aurungs so that our trade might proceed unhindered. The gomasta of the English Company in Santipore, having been summoned by Your Lordship and certainly reprimanded there over his improper conduct, currently upon his return to Santipore commits far more violence than before, having had 6 drummers beat drums all around to announce that all those weavers who had any goods in hand for the English must not work for anyone whomsoever before the English goods should be ready. According to ancient customs, those people are bound as well to our gomastas as to those of the English Company, and must accommodate us all. How then shall our Company obtain its goods in order to be able to dispatch our ships, if the English gomastas claim that the goods requested for the English Company must all be made ready first before we can obtain a single piece? In such a case, to the great prejudice of our Company, the ships would have to return empty to Batavia; and I know, My Lord, that your intention is that trade be free and open, therefore I request that you be pleased to give orders to that effect, as well as in the aurungs of the coarse linens, where they also commit such acts of violence. I take the liberty of sending Your Lordship some gomastas, who will inform Your Honour of all the particulars, so as not to make this letter too long. I have the honour to be with the highest esteem, etc. In the margin, the 25th of November 1765. A few days ago, a vessel with pigs of lead came up from our ships, in which there were also five cases of wine belonging to the captain and a small barrel from another ship's officer. The vessel was accompanied by three sailors, who, having come just above Bernagoor, were boarded by another vessel with 4 English soldiers, who immediately sabred a peon down and threw him into the Ganges; then, helped by the three sailors, they broke open the cases and stole the bottles of wine, also taking the small barrel along, and set their course for Calcutta. Now I request, My Lord, that Your Honour please give orders that an investigation be made into this, and that the guilty, upon being apprehended, be punished according to their deserts, and if possible the stolen goods be restored. In the vessel were: 27¼ dozen playing cards 48 dozen copper buttons 1 camera obscura 3 small thermometers made by Premavesie and son. Which I specify herewith because it will possibly facilitate the discovery of the thieves, just as the bearer of this letter knows the three sailors very well. I have the honour to be with the greatest esteem, etc. In the margin, the 26th of November 1765. I have duly received the letter that Your Honour did me the honour of writing on the 5th instant, and I am very astonished to learn from it that the Nawab and the faujdar have complained about me, as if I were opposing the rights due to them. Since I have been in the administration here, I have applied my utmost attention to take care that the tolls were properly paid and not in any way defrauded. But I have opposed the acts of violence that the faujdars have always sought to commit in our village, and have not wished to permit them to play the master in our village. Regarding the faujdar's assertion that an officer of the government was seized and beaten, it is, upon my word, a fabricated lie of his. We pay the tolls and ground rents, and the faujdar has nothing more to claim. If he has any complaint to bring against any inhabitant of our village, he must address himself to me, and then I will have the matter investigated and settled with equity by the village magistrate. If any ryot of our village is apprehended in any transgression whatsoever, To the same as before.

Dutch transcription

329 en de voor hem geweest zijnde soe= „bas, wanneer er eeniglijk inlandsche Go= mastas van alle naties waar en die haare verschillen door de Simidaan van die plaats lieten beslessen, en de Dallaels, Saikaars en wevers ga¬ permitteerd waaren voor ieder een ongemolesteert te werken. Een zaak zoude nog tot welzijn van de naties kunnen geschieden te weeten dat de pryzen door de naties gereguleerd wierd, op de goederen, die dezelfde qualiteit die dezelfde quali¬ teit in alles zoude hebben. — Ik hoop u Lordschap morgen te zenden het geene hoog dezelve my voor zijn benodigtheid verzogt heeft, intussen heb ik de Eere mij met voel respect te noemen /:was getekend G: S: Vernet /:in margine:/ den 13 7ebr 1765. — P:S: Wy hebben niet meer dan 3750 zakken salpeter gekroegen dat een gering getal is in vergelyking van de partij, dien ik hoord te Kalkatte Het is zeer chagrenant voor mij, dat ik uw Lordschap geduurig lastig moet vallen met verdrietige historiaale en dat na u Lordschap mij belooft hebt, ordre te stellen in d'arrengs op dat onzen handel onverhindert zoude voortgezet worden; De gomasto van d' Engelsche Comp: in santipoer door u Lordschap op ontboden en zeekerlijk over zyn onbehoorlyke behandelin= gen aldaar gereprimandeert zijnde, pleegt thans met zyn te rug komst te Santipoer vry meergeweld als voor dezen, hebbende door 6 Tamboers rond laten trommelen, dat al die wevers die eenig goed voor de Engelsche on- der handen hadden, voor niemant wie het ook mogte zijn moesten werken, voor dat de Engelsche goederen in gereetheid zoude zijn- Die lieden zyn ingevolge al oude gebruijken Aan Milord Cleve aangebragt is, derhalven verzoeke ik ons met wat meerder te willen gerieven aan - zo 330 Mijlord zo wel aan onze Gomastos als aan die van d'Engelsche Compagnie verbonden, en moe= ten ons alle gerieven, hoe zal nu onze Comp: het haare „ bekoomen, om onze scheepen te kunnen verzenden, zo d'Engelsche Gomas= tot praetendeeren, dat de goederen voor d' Engelsche Comp: gepetitioneert eerst alle in gereedheid gebragt moeten wer„ „den voor dat wij een stuk kunnen beko= „mon, de scheepen zouden in zo een ge= „val tot groote praejudice van onze Comp: loedig na Batavia moeten te rug kee= ren, en ik weet Mijlord dat uw intentie is dat den handel vrij en lieber zij, dier= halven verzoek ik daar toe ordres te willen stellen, zo wel als in d'arrengs van de groove Lywaaten, alwaar ze ook dusdanige geweldenaryen Plaegen. Ik neeme de vriheid u Lordschap eenige Gomastos toe te zenden die Hoog dezelve van alle particulariteijten zullen bedeelen om deze daarmede niet te verlan„ gen. Ik heb de Eere met de meeste hoog agting te zijn &c=a /:in margine:/ den 25„e 9br: 1765 Eenige dagen geleden is er een vaartuig met zeugen looth van onse schoepen opgekomen waar in er ook vyf kapsen wijn van de Cap= „tein en een vaatje van een ander scheeps officier was, 't vaartuig was begeleid door drie mattroosen die effen boven Ber= nagoor gekoomen zijnde, aangeklamt wierd door een ander vaartuig met 4 Engelsche Militairen, die ter stond een Ron ter neer Sabelden, en in de Ganges woerpen vervolgens geholpen door de drie Mattroosen braken de kassen open en stallen de bottels wijn, neemende het vaatje ook meede en stelde haar Coers na Kalkatte. Nu verzoek ik my Lond, dat hoog dezelve gelieft ordre te geeven dat onderzoek daar na gedaan werd en de schuldige agterhaald wordende na merites gestraft. 331 gestraft werden, en des mogelyk zijnde het gestolene gerestitueert werde. — In het vaartuig was 27¼ dozyn speelkaarten 48 _o kopere knoopen 1 Kamer obscuur 3 kloene Permomeeters gemaakt door Premavesie en zoon. — Het geene ik by deeze specificoer om dat het moogelijk de decauverte van de doeven zal faciliteeren, zo als ook brenger deezes de drie mat „troosen zeer wel ken. Ik heb d' Eere met de moetste agting te zijn /: ter zijde den 26 9ber: 1765. Ik heb de brief die uwEd: mij de Een aangedaan hebt te schrijven den 5„e dez wel ontfangen en ben zeer verwonderd by dezelve te vernoemen dat de Nawab en de Fausdaar over mij gekraagt hebb als of ik mij teegens de geregtigheeden haar Com= peteerende stelde. zedert dat ik alhier in 't bestoer geweest ben„ heb ik myne uiterste oplettendheid aangewend om zorge te draagen dat de thollen behoorlijk voldaan, en niet hoe genaamd gefrodeert wierd Maar ik heb mij g'opponeert tegens de geweldenarijen doede fausdaars altoos ge= zogt hebben in ons dorp te pleegen en Jaar niet willen permitteeren de baaste speelen in ons Dorp. Aangaande het zeggen van den fausdaer dat een officier van't Gouvernement gevat en geslagen zoude zijn, is op myn woord een opgeraapte beugen van hem. Wij betaalen de thollen en grond pagten en de fausdaar heeft niets meer te pree= „tendeeren, zo hij iets in te brengen heeft teegens eenig inwoonder van ons dorp moet hy zig bij my addresseeren, en dan laat ik de zaak onderzoeken en afdoen, naer billykheid door den Dorpmeester. — zo eenig reijet van ons dorp in eenige overtreeding hoe genaamd, g'apprehendeert word Aan als vooren . . . . ..

NL-HaNA_1.04.02_3167_0355 view scan ↗

English

become, such a person is punished by us according to the exigency of the case, without the faujdar or anyone from the Durbar being permitted to interfere therein. But if a manslaughter has been committed among the natives, or if a native has died in an unforeseen manner, or if he has come or been brought to our hospital to be cured and happens to die of his illness, I do indeed inform the Hugli faujdar thereof and request that the Adalat send some people to investigate the matter, solely out of prudence and not out of obligation, for as long as our Company has been established in Bengal and has possessed the villages of Chinsura and its dependencies, Bernagoor and its dependencies, Calcapoer and its dependencies, no reasonable faujdar has ever interfered with what occurred in our village, and we have always been masters to administer justice fairly over our ryots. And if any faujdar has done anything contrary to this, as there are some examples, it occurred in an unfair and violent manner, which I am certain your Lordship will not approve. And why should we not currently enjoy the same privileges that we have always enjoyed? I hope, My Lord, that your Honour will be assured that what has been cited is the sincere truth, and that you will not give credence to the complaints of the faujdar or the Nawab, who, seeing that they are frustrated by your wise arrangement from committing violence, seek to turn past acts of violence into a law. I have the honour to be with the greatest respect, Hugli, dated the 7th of December anno 1765. Was signed: G. L. Vernet. To the same as before I already had the honour to write to your Lordship on the 7th of this month concerning the complaints that have been made against us by the Nawab and the Hugli faujdar. Since then I have received letters from both the Nawabs on the same subject, about which I was not a little astonished, as to my knowledge nothing has occurred that could have given well-founded reason for those complaints. The faujdar himself, recently arriving from Calcutta, has let me know that the contents of your Lordship's letter to me were known to him, and he immediately ordered our incoming vessels with linens to be detained, which appears to me to be proceeding somewhat too violently, especially at a time when we need those goods so very urgently for the full loading of our last European ships. The embarrassment into which I see myself brought thereby compels me to take refuge once again with your Lordship, in the firm confidence that your Lordship will not permit the Dutch Company to be so greatly prejudiced over a matter that ought not to have such consequences; which would certainly happen if, by the further detention of our linens, we were prevented from dispatching our ships at the appointed time, to which we are strictly bound. I would therefore consider myself exceptionally obliged if your Lordship would please issue such orders that the transit of our merchandise is no longer hindered. And to show on my part that I do not intend to demand anything improper or irresponsible from your Lordship, I undertake to investigate as soon as possible what the causes of those complaints may be, which I swear again in truth that I do not know; and subsequently, however this investigation may turn out, it will in my opinion not be difficult to remove the dispute. As time is already far advanced, I flatter myself that your Lordship will not reject my reasonable request, and in the hope of a speedy and favourable reply I remain with the highest esteem, beneath stood and was signed as before, in the margin the 12th of December 1766. To the same as before The reason I had for not absenting myself from here was that I feared the faujdar might commit some violence in my absence; but since he departed for Calcutta tonight, I shall also have the honour tomorrow to visit your Lordship and give verbal assurance of the true esteem with which I have the honour to be, beneath stood and was signed as before, dated 15 December 1765. To the same as before The faujdar has again permitted free passage for our goods and vessels, which I think occurred on your Lordship's orders; I therefore have the honour to express my gratitude to your Lordship for this. I have the honour to be with the greatest esteem, beneath stood and was signed as before, dated the 27th of December anno 1765. To the same as before Last year your Lordship assured me by letter and also by word of mouth that in all the aurangs some arrangement would be made whereby our trade would suffer no obstruction, but would proceed just like that of the English Company, and that the Council of Calcutta would depute Mr. Verelst to all the aurangs to that end. I have lived in that good hope until now, and in order to lose no time I already sent money in November to Saggernaatpoer, Badal, and Herriapaal to make a beginning with the contracting for our Company, and in December I further sent all the money thither for the collection of the Company's demand, intending, when Mr. Verelst should go to the aurangs, to conform myself to that reasonable arrangement. Some of our gomastas then already began in December to give money on pattani to the paikars, weavers, and dallals.

Dutch transcription

332 word, word een zodanig naar exegentie van zaaken gestraft door ons zonder dat de fausdaar of imand van den DEerbaar zig daar meede mag bemoeijen. Maar zo er een doodslag onder de in= =landers begaan is, of dat een inlander op een onvoorzienige wijze, gesturven is, of dat hij ons hospitaal gekomen of gebragt is om zig te laaten Cureeren, en aan zijn ziekte komt te sterven, laat ik wel den Houglischen fausdaar zulx bekend maaken, en verzoeke dat den Adalet eenig volk zende, om de zaak te onder= „zoeken, eenlyk uit voorzigigheid maar niet uit een moet, want zo lange onze Comp: in Bengale g'etablisseert is, en de dor „pen Chinsura en zyne onderhoorige, Ber= „nagoor en zyn onderhoorige, Calcapoer en zyne onderhoorige bezeten, heeft, heeft geen billyke Fausdaar zig oock bemoeit met het geene in ons dorp geschiede en wij zijn altoos meester geweest van over onze Reyeds na billykheid Justitie te Oeffer „nen, en zo eenig Fausdaar iets gedaan Aan als vooren Ik heb op den 7„e dezer reeds d' Eere gehad u Lordschap te schrijven over de klachten die door den Nawab en den Houglischen Fansdaar heeft dat daar tegens strijde, zo als er eenige exempels zijn, is het op eene onbillyke en ge= weldige wijze, 't gaen ik verzekerd ben, dat u Lordschap niet zal approbeeren. — En waarom zouden wij thans van dezelfde voorregten niet Jouisseeren doe wij altoos gepuisseert hebben: — Ik hope Mylord dat uw Edele verzekert zal zijn van het aangehaalde als een opregte waarheid zijnde, en niet zult geloof slaan ae de klagten van de Fausdaar of de Nawab die ziende dat zy door uw wyze arangement gefrustreert zijn van geweld te pleegen zoekende voorige geweldenarijen tot een wet te doen passeeren. — Ik heb d' Eere met de meetste Eerbied te zijn H=e ged=te den 7„e December A„o 1765. — /:was getekend:/ G: L: Vernet. — heeft tegen 333 tegen ons zyn gedaan, sedert heb ik van beide de Nawabs over het zelfde onderwerp brie „ven ontfangen, waar over ik niet weinig ben verwondert geweest, zynde er mijnes weetens, niets voorgevallen, dat gegron de reeden tot die klagten heeft kunne geeven, De Fausdaar zelve Iongst van kalkatte komende, heeft my laaten woe =ten den inhoud van uw Londschap schry „ven aan my hem bewust was, en heeft terstond onze afkomende vaartuigen met Liwaaten, laaten aanhouden 't welke mij voorkomt, wat al te violent gepro sideerd te zijn, voornamelijk in een tijd dat wij die goederen, tot de vollaading onzer laatste Europase scheepen, zo zeer noodig hebben. De verleegentheid waar in ik mij daar door gebragt zie, dring mij weder myne toevlugt tot u Loodschap te neemen, in het vast vertrouwen dat U Lordschap, niet zal toelaaten dat de Holla „sche Comp:, om een zaak die zulke gee „gen niet behoorden te hebben, zo zeer zo de geprejudiceert worden; 't welk zekert zoude wezen bij aldien wij door het verder arresteeren onzer Lywaaten, belet wierden op de bepaalde tijd, waar aan wij sterk ge= bonden zijn, onze schoepen te depecheeren. Ik zoude mij dierhalven byzonder verplicht, achten, als u Londschap geliefde zodanige ordre te stellen, dat den aftocht onzer Koop= „mansz: niet meer verhinderd wierde, En om van myne zyde te toonen, dat ik niet van meening ben u Lordschap iets ongevoeg= lyks of onverantwoordelyks te vergen, neeme ik aan, zo spoedig moogelijk, te onderzoeken wat tog de oorzaaken van die klagten mogen wezen, 't geen ik nogmaals in waarheid betuige niet te weeten, en 't zal vervolgens, hoe ook dit onderzoek moge uitvallen, na myne gedagte niet moeyelijk wezen het verschil uyt den wegte ruimen. Dewyl de tyd reets verre is ingeschooten vlye ik my dat u Lordschap, myn bellyk verzoek niet zal van de hand wijzen, en ik verblijve in hoop op een spoedig en gunstig antwoord met de meeste hoogagting /onderstond:/ en was getekend:/ als vooren ter zyde den 12 xber: 1766 zoude Aan a 29 00 334 Aan als vooren . . . . . . . . . . . . De reeden dien ik had om mij hier van daan niet te absenteeren, was dat ik vreesde dat de Fausdaar in min absen¬ tien eenige violentie zoude pleegen maar vermits hy deeze nagt naar Calcatta vertrokken is, zal ik ook morgen, de Eere hebben U Lordschap te gaan bezoe ken en mondelinge verzeekering doen van de waare agting waar mede ik de Eer heb te zijn /:onderstond en was gete„ =kend als vooren, ged=t 15 xber 1765. — Aan als vooren De fausdaar heeft weder den vrijen doortogt voor onze goederen en vaarto gen toegelaaten, het geene ik denke op u Lordschap ordres geschied te zijn dierhalven heb ik d' Eere u Lordschap daar voor mijne dankbaarheid te betuigen. — Ik heb de Eere met de maetst agting te zijn, onderstond en was geteken als vooren ged„t den 27 December A„o 1765. — Aan als vooren voorleden Iaar heeft w Lordschap mij bij broeve en ook bij monde voozekert dat er in alle d'arrengs eenige schekking zoude gemaakt werden, waar door onzen handel, geen obstructie zoude lyden maar als die der Engelsche Comp: voortgang zoude hebben en dat den Raad van Calcatte ten doen eynde de Heer verelst naar alle d'arrengs zoude committeeren Ik heb tot nu toe in die goede hoop gebeeft en om geen tijd te verliezen heb ik al in November geld na Saggernaatpoer, Badal, en Herriapaal gezonden om een begin van de aanbesteeding voor onze Comp: te doen en in december heb ik verder al het geld tot dinsameling van 's Comp=s Eisch derwaards gezonden, denkende wanneer de Heer Verelst naar d'arrengs zoude gaan my dan te schikken naar does billyke arrengement Eenige onzer Gomastas hebben dan al in december begonnen geld aan de Paij= kaars, wevers en Dallaals op Potton te geeven 2 .. Aan ..

NL-HaNA_1.04.02_3167_0358 view scan ↗

English

to give and the other on 11 January, but money from the English having arrived in the aurungs of Badel and Herriaal on 13 February, all the dallals, paikars, and weavers have been prevented from doing anything for us, under threats that if they did anything for anyone other than the English, they would pay gunnahgari, while all requests made by our gomastas to the English gentlemen present there have been unable to effect anything to our benefit. Therefore, I request your Lordship to give orders so that our trade may proceed. I have the honor to be with much respect was below and was signed as before in the margin, Hooghly, 6 March 1766. It grieves me exceedingly that at the beginning of your Lordship's return from a fatiguing journey, I am forced to trouble your Lordship with unpleasant complaints. The gomastas of the English Company To the same as before in the aurungs of Merriapaal and Deniacaly commit impermissible violence there and thereby obstruct the trade of our Company. They have forbidden all the paikars and weavers to produce any piece-goods for anyone other than the English Company for a period of two months. And in order to be certain that they will not violate these orders, the gomastas have extorted mutchulkas, that is written bonds, from those people, whereby none of them dares to produce or deliver a single piece of cloth for our Company. I request a prompt redress concerning this, and have the honor to call myself with much respect was below and was signed as before in the margin, Hooghly, 5 August in the year 1766. To the same as before to let me know whether your Lordship has already received an answer from Batavia, and if not, to inform me of the same upon receipt thereof. I have the honor to be with much respect was below and was signed as before in the margin, Hooghly, 8 August 1766. To the same as before. Whereas the time of the saltpetre harvest is already far advanced, and our Patna servants write to us that they do not yet know how much our share will consist of, I request, my Lord, that you be pleased to give the necessary orders in this regard to Mr. Middleton so that we may obtain our rightful share. Your Honour will also oblige me, my Lord, if Your Honour would be pleased to order that we are given somewhat more than last year, for we have not even received all the promised saltpetre. was below and was signed as before, in the margin, Hooghly, 9 July 1766. To the same as before. I have just now been honoured with Your Honour's letter of the 9th of this month and have immediately dispatched orders to our servants in Patna to sell the arrack in such manner as your Lordship mentions, and I have no doubt, my Lord, that all reasons for complaints will disappear. However, if such should occur again, please have the people who bring the arrack into the camp arrested and make inquiries so that one may find out who carries on such a shameful trade, for I cannot believe that our chief would make himself guilty of that, and let the guilty party be punished. was below and was signed as before in the margin, Hooghly, 18 July 1766. P Ho W: E: G Clercq Agrees To Mr. Sumner The enclosed copy of a letter that I wrote to Lord Clive on the 6th of this month and His Honour's answer to it of the 8th following, of which I will also send Your Honour a copy, will show Your Honour that although we have now given money on cotton in all aurungs much earlier than your honours, the English Residents nevertheless obstruct our trade everywhere. Where now, Sir, is that right of early money advances on cotton which your honours insisted upon so strongly last year? After we have been the first to be active, it counts for nothing at all. I leave to your own judgment, Sir, whether that is fair; and this is how we are treated in Chandrakona and in all the other aurungs. I therefore request, Sir, pursuant to the promise of Lord Clive, To the Gentleman Clive, in his esteemed letter of 8 March, that you will take this matter to heart so that our trade may soon proceed everywhere. I ask for nothing but what is fair; therefore, may Your Honour be pleased to put yourself in our place for a moment and judge how Your Honour would wish to be treated. I have the honor to be with much esteem, etc. signed G. L. Vernet dated 31 March 1766. There is among your inhabitants a sircar named Bonimali who for this year has farmed the village of Cassipoor and the haut, or market, situated therein. That man inflicts much violence upon the inhabitants of our village of Barnagore and causes much injury to our village, Sumner Esqr. Sir! preventing the people of Cassipoor from going to the haut of Barnagore and those of Barnagore from going to the haut of Cassipoor, causing the people of our village who come to Cassipoor to be dreadfully whipped, and stationing men at all avenues of our village so that no one may bring anything to our market for sale. In proof thereof, on the 27th of this month he sent eight men, both pykes and sepoys, into our village to seize a Brahmin who had managed to come to our market from outside to sell mangoes. The people of our village resisted them and captured one sepoy and two pykes out of the eight, whereupon the entire population of Cassipoor, armed with cutlasses and lathis, prepared to attack those of Barnagore; but our people, seeing this, also armed themselves and assumed a posture to receive those of Cassipoor, but the latter, seeing this, withdrew, which our people also did, preventing

Dutch transcription

335 geeven en de andere den 11 Jannuarij maar den 13 februarij geld van d' Engelsche in de Arrengs van Badel en Herriaalgekom zynde, zyn alle de Dallaals Paykaars en woevers belet voor ons iets te doen, met areigementen, dat zo zy iets voor iemand anders als voor de Engelsche deeden, zij Gonagarij zoude betaalen, kunnende alle verzoeken die onze Gomastos aan de aldaar zijnde Engelsche Heeren, gedaan hebben, niets ten goede voor ons te wegen brengen, derhalven verzoek ik u Lord schap ordre te willen stellen op dat on =zen handel voortgang mag hebben Ik heb d' Eere met veel respect te zijn /:onderstond:/ en was getekend als voor ter zyde Hoegh den 6 Maart 1766. Het doed mij ten hoogsten leed dat in het begin van uw Lordschap te ru komst van een fatigante reis ik ge „noddzaakt ben uw Londschap lastig vallen met onaangenaame klagten De Gomastas der Engelsche Compag Aan als vooren in d Arrengs van Merriapaal en Deniacalij pleegen aldaar een on permitteerd geweld, en stremmen daar door den handel, van onze Com= pagnie, zy hebben alle de Paykaers en wevers verbooden geen Lywaaten voor iemand anders als voor de En= gelsche Compagnie, geduurende twee maan den tijd aan te maaken en om verzekert te zyn dat zij die or= dres niet zullen overtreeden, heb ben de Gomastos van die Lieden, moet =selkas /: verband schriften/ afgenomen waar door niemand van haar Lie= den een stuk goed voor onze Comp: derft aanmaaken of afgeeven Ik. verzoek een spoedig redrae daar omtrend, en hebbe de Eere mij met veel respect te Noemen, /:onderstond:/ en was getekend als vooren ter zijde, Houglij den 5=e Augustus Anno 1766. Van in 336 Aan als vooren selveft my te laaten woeten of u Lordschap al antwoord van Batavia gekreegen heeft, en zo niet mij bij ontfangst van het zelve, zulks bedeelen Ik hebbe de Eere met voes Res pect te zijn /:onderstond:/ en was getekend als vooren / ter zijde Houglij den 8 Aug=s 1766 Aan als vooren. Nademaal de tijd van de recolte van d Salpeeter reets verre ingeschooten is en dat onze Satnase bediendens ons seh „ven nog niet te weeten in hoevoel onsaar =dees zal bestaan, ik verzoeke Me Lord des noodige ordres daaromtrent aan de heer Middelton te willen geven op dat wij ons geregtig aandeel mogen erlangen uEdele zult my ook verpligten M Lord in dien uEdele geliefte te ordonne „ren dat ons wat meer als voorleeden Iaar gegeven word, want wij hebben to al het beloofde Salpeter niet gen =kraegen /:onderstond:/ en was gete= kend als vooren, ter zijde Houglij den 9e Julij 1766. — Aan als vooren Op stonds ben ik vereert geworden met uEdele brief van den 9„e dezer en heb immoediatelijk ordres aan onze bediendens in Patna afgevaerdigt om den verkoop van Arak indier voegen als u Lordschap komt te mel= „den te verkoopen, en twyfel geenzints MyLord of alle redenen van klag¬ =ten zullen verdwynen. maar zo zulks mogt weder geschieden geloeft de Loeden die d' arak in 't kamp brengen, te laaten opvatten en informaties neemen op dat men kan te waeten koomen wie zulk een schandelens handel= drijft, want ik kan niet gelooven dat ons opperhoofd zig daar aan schuldig zoude maaken, en de schuldige gestraft werde /:onderstond/ en al was was getekend als Vooren ter zyde Houglij den 18„e Iuly 1766. — P Ho W: E: G Clercq Accordeert 337 Aan de Heer Somner D:' ingeslootene Copia van een brief doen ik aan Lord Clive den 6„e dezer geschree „ven heb en zyn Edeles antwoord op dezelve van den 8„e daar aan waar van ik uEdele ook een Copij zenden zullen, uEdele te doen zien dat schoon wij thans veel vroe= „ger als uEdel=es geld op Lotton in alle darrengs gegeven hebben, d' Engelsche Residenten nogthans onzen handel over al beletten. Waar blijft nu Myn Heer dat regt van vroegegeld vorstrekking op Potton daar uEdelens voorleeden Iaar zo sterk opsting. Na dat wij d' Eerste in de weer zijn geweest geld het gaensints. — klaat aan uwen eigen oordeel Mynstoer, of dat billyk is, en zo woed met ons gehandelt in Chandercona en in alle d'andere arrengs, Ik verzoeke dan MynHeerg ingevolge de belofte van Lord Elive 338 Aan de Hoer Clive, bij zijn g'agte schrijven van den 8e maart, die zaak ter harte te willen na „men, op dat onzen handel spoedig over al voortgang mag hebben. Ik verzoeke niet als 't geene billijk„ is, dierhalven gelieft UEdele zig voor een wijle in onze plaats te stellen, en te oordeelen hoe uEdele gaarnege handelt zoude willen zijn. Ik heb d' Eers met veel agting te zijn /:onderstond:/ &tc=a /:get=d:/ G: L: vernot ged=t den 31„e Maart 1766. — Daar is onder uw ingeseetene aen Serkaar genaamd Bonimali di voor dit Iaar het dorp Kapipoer en de Haat, of markt daar in gelegen gepagt heeft, die man doet de ingeseten van ons dorp Bernagoor voel gewelt aan, en brengt veel nadoel aan ons dor Sumner Esqr. Myn Heer! belettende het volk van kapipoer op de Haat van Bernagoor en die van Benna„ „goor op de staat van Kassiepoer te gaan latende het volk van ons dorp, doe te Kas= =sipoer komen eisselijk Chambokken, en zettende volk aan alle avenues van ons Dorp op dat niemand iets op onze markt te koop zoude brengen Ten blyke daar van heeft hy den 27„e dezer maand agt zo pyks als sepais in ons dorp gezonden om een Brambenoes te vatten, die van buijten op onze markt had weeten te koomen, om manges te verkoopen, het volk van ons Dorp kanten Zig tegens dezelve aan, en kree¬ gen een sepai en 2 packs van de agt ge= vangen, waar op het gansche volk van Kassipoer, gewapend met houwers en lasties, zig gereedmaakte om die van Bernagoor te overvallen, maar de onze dat ziende, wapende zig ook en stelde zig in postuur, om die van Kassipoer te ontfangen, maar deze laatste dat ziende, trokken af 't geene de onze belettende ook

NL-HaNA_1.04.02_3167_0363 view scan ↗

English

To Mr. Verelst. also did. Please, Sir, give orders in this matter, and punish the aforementioned Bonimali as well as the sepoys and paik who I am sending to Your Honour for their insolent behavior, in order to prevent the bad consequences that such tyrannical treatment as that of Bonimali would bring with it. I have the honor to be etc. /: was signed :/ G: L: Vernet. On the 31st of March I wrote a letter to Mr. Sumner, a copy of which is enclosed herewith; that gentleman gave me in answer that he had sent that letter, together with the enclosures cited therein, to Your Honour, to do what was necessary in that matter. Since then, my affairs have called me to Cassimbazaar, so that I have not been able to write to Your Honour about it, and since the vexations in all the aurangs continue and the Company's trade must suffer considerably thereby, I very kindly request a prompt redress. I have the honor to be etc. was signed: G: L: Vernet /: in the margin :/ Hooghly, the 29th of April Anno 1766. W: Ely Clercq Agrees J: Ho W: E: Clercq Agrees H 340 To Mr. F. Sykes. Worthy Sir. It grieved me not to have had the pleasure of Your Honour's company at the baptism of my son Clive George; your distant absence is indeed the cause thereof, as well as that I cannot inquire as often into Your Honour's welfare, which I hope to be according to Your Honour's wish. Your Honour's obliging offers of service at various times give me the liberty to trouble Your Honour. The chowkies in the Murshidabad and Telengana branch as well as higher up have multiplied and become so tyrannical that it is impossible for our vessels to pass without wasting a great deal of time and incurring unbearable expenses; our vessels with gunnies etc. have been detained here and there for over three months, and large sums 341 extorted, say 50 to 60 and even more rupees taken for each vessel, whereas they only have to give three or four rupees; for since we pay the King's toll here to the Bakshbandar, why must we have money extorted everywhere? It is certainly not the intention of the Committee, of which Your Honour is a member, and My Lord Clive has also assured me that he would write to Your Honour about it; but I believe that I do no wrong in writing to Your Honour, to my friend, about it, with the request to be pleased to give orders that all the vessels that are provided with our dastaks can sail freely, without anything being extorted from them other than what the manjis must give, which in some places amounts to some cowries and in others to 1, 2, 3 to 4 rupees, and no more; whereby also Your Honour will singularly oblige me. I have the honor sincerely to call myself, below was written: signed G: L: Vernet in the margin, the 20th of November Anno 1765. To the same as before. I was honored with Your Honour's obliging letter of the 8th of this month, and cannot express enough with the pen how grateful I am for all the tokens of friendship and services shown therein; I hope that my conduct will make up for the weakness of my pen. Now to leave Your Honour ignorant of nothing and to enable you properly to give orders regarding that which concerns us, Your Honour should know that on all trade goods of whatever name coming from Patna, we pay toll in Patna, of which a rawana is made, and here we pay toll to the Bakshbandar, of which a rawana is made and shown at Patna. But the goods that are made in Bengal in the aurangs, or come from Cassimbazaar or other places, pass upon the presentation of our dastaks, and upon that dispatch talikas are made, which remain in the hands of the 342 Bakshbandar, and after the dispatch of the ships the account is drawn up and the rolls are liquidated. Of the goods that are brought in from outside with our ships, upon the sale thereof a talika is made, which likewise remains in the hands of the Bakshbandar. And according as the Bakshbandar sees that there are talikas under him, he demands money and takes care that he is always paid in advance. All this is likewise observed with the goods of private individuals. And I can assure Your Honour on my word of honor that since I have been Director, I have applied my utmost attentiveness so that everything was properly paid, and not defrauded. Notwithstanding that, the present faujdar has written a heap of falsehoods to the Prince, as Mr. Bacheracht will make known to Your Honour. He has also told a heap of lies to Lord Clive, from which it has arisen that our goods coming from the aurangs have been seized, and are lying on the ground under the open sky spoiling, which will be the reason that we shall not be able to dispatch our last ships, to the great prejudice of our Company. But I shall tell Your Honour the true reason for these doings of the faujdar. He would like, after the manner of some former tyrants, to impose fines on the inhabitants of our village on various frivolous pretexts, send sazawals and gurzbardars into the houses of the people, drag them to the Durbar, and commit more such insolences, which I oppose, and therefore he now vexes us, and has certainly made Lord Clive believe a heap of lies, and his Lordship seems to protect him in this, for his Lordship has written to me that he does not wish to interfere in that matter, and has not even answered me to a letter.

Dutch transcription

Aan de Heer Verelst. ook deeden. Geloeft myn Heer ordre daarin te stellen, en gemelte Bonimali¬ als mede de sipai en paijks die ik uEdele toezende te straffen over haar ensolent gedrag, om voor te komen de quaade gevolgen die zo een Franni que behandeling als die van Bonc„ mali zoude na zig sleepen. — Ik heb de Eere te zyn enz: /: was ge= tekend:/ G: L: Vernet. Den 31„e Maart heb ik een brief aan de Heer Somner geschreeven waar van een Copij hier ingeslooten is, doen heer heeft mij ten antwoord gegeven, dat hij die brief benevens de daar by aangehaalde bylaagen uEdele toegezonden had, om het noodige daar in te doen zeedert hebben myn affaires mij te Cas= simbazaar geroepen zo dat ik uEdele daar over niet heb kunnen schrijven, en vermits de vecsatien in alle d'arrengs Continueeren en 's Comp=s handel daar Considerabel moet lyden verzoek ik zeer vriendelyk een spoedig redres. — Ik heb de Eere te zyn etc=ra was getekend: G: L: vernet /= ter zijde:/ Hoegli den 29„e April A„o 1766. WW„: Ely Clercq Accordeert J:Ho W: E: Clrcq Accordeert H 340 Aan de Heer. F Sijkes. Waarde Heer. Het heeft mij gesmert het plaisier niet gehad te hebben van uEdele gezelschap bij het doopen van myn zoon Elive George u verre afwezendheid is wel d'oorzaak daar van, als dat ik mij zo dikwils noet kan en forme= „re van uEdel=s welstand doen ik hope na uEdele wensch te zijn uwE deles obligeante aanbieding van diensten op verscheide tyden, doen mij de vryheid noemen uEdele lastig te vallen de Sjoukies en de Morsiasche en Tillengijse spruijt zo wel als hooger op zyn zoodanig aan- gegroeijt en Tirannig geworden dat het on= mogelyk is voor onze vaartuigen te passeeren zonder er een hope tijd te verspillen en ondra= „gelyke depanses te doen, daar zyn van onze vaartuigen met Goenijs enz: roets over drie „hier en daar maanden „ opgehouden en groote sommen 341 afgeperst, pa 50 a 60 en wel meer ropijen voor ijder vaartuig genoomen, daar ze maar drie of vier ropijen moeten geeven want vermits wij hier aan die Baxbander s koningsthol betaalen, waaroms moete wij over al geld afgeperst worden? het is zoekerlyk niet de intentie van de Com mite, waar van uEdele een ligt zijt, en MyLord Clive heeft mij ook verzekerd dat hij uEdele daar over zoude schrijven maar ik geloove dat ik niet qualyk doe aan UEdel=s aan myn vrind daar over te Schrijven met verzoek ordre te willen stellen, dat alle de vaartuigen die met onze destekken, verzien zijn vry kunnen vaaren, zonder iets afgeper te worden, als 't geen de mangies moe geeven en op sommige plaatsen op eenig Couries en op andere op 1. 2. 3 a 4 ropijen beloopt, zonder meer, maar meede uEdele mij Singelier zult verpligten Ik heb de Eers mij opregtelyk te noemen onderstond ik: getekend G: L: vernet ter zyde den 20 November A„o 1765. Aan als tvooren Ik ben vereert geworden met uEd obligaante letteren van den 8=e dezer, en kan niet genoeg met de penne uitdrukken, hoe erkennelijk ik ben voor alle de daar bij be= „wezene bliken van vrindschap en diensten, ik hope dat myn gedragsupleeren zal aan de zwakheid van min pen: Om nu uwE van niets onbewust te laaten en in staat te stellen, naar behooren ordres op het geene ons aangaat te geven, dient uwE: te weeten dat wij van alle No= gotie goederen hoe genaamt die van Patra koomen Thol in Patna betaalen waar van er een rowanna gemaakt en alhier aan de Barbander thol betaalen, waer van een Rowanna gemaakt en te Patna vertoond word. Maar de goederen die in Bengale in d'arrengs gemaakt werden of van Cas= „simbazaer of andere plaatsen koomen passaeren bij het vertoonen van onze destekken en by die verzending werden en Salikas gemaakt die in handen van den E 342 den Baxdander vertoeven en na de bezending van de scheepen werd de roek: opgemaakt en de Rollen geliquideerd van de goederen die van buyten met onze scheepen aangebragt werden werd bij verkooping van dien een Talika gemaakt die insgelyks in handen van den Baxbander blyft En na maate dat de Barbander zoet dat er Talikas onder hem zyn eischt hy gelden draagt zorg dat hy altoos voor uit is Dit alles werd insgelijks geobserveert m de goederen der particuliere En ik kan uEd op myn woord van Eere verzeekeren, dat seedert dat ik Directeur ben geweest, ik mijn uiterste oplettend: heid aangewend heb op dat alles rigtig betaald, en niet geprodeert wierd. — Niet tegenstaande dat, heeft de proc sente fausdaar een hoope falciteijten aan den vorst geschreeven, zo als de Heer Bacheracht uEd=e bekent zal maaken. Hij heeft ook een hoope leugens aan Lord Elive gezegt waar uit ontstaan is dat onze goederen uit d'arrengs komende gearresteert zijn, en op den grond onder den blooten Hemel leggen te beder- ven 't geene oorzaak zal zyn dat wy onze laatste scheepen niet zullen kunnen verzenden tot groote projudicie van onze Comp: Maar ik zal uEdele de waare raeden van dit gedoente van de fausdaar zeggen. Hij zoude gaaren willen, na de gewoonte van eenige voorige dwingelanden, d'inwoon „ders van ons dorp op diverse frivoole praetex= „ten boetens opleggen sydddaarsen gorsber= „daars in de huizen van de menschen zenden na de Dherbaar sleepen, en meer diergelyke insolentien plaegen, daar ik my tegens oppo= „neer, en daar chagrineert hij ons thans, en heeft Lord Clive zeekerlyk een hoope Leugens wijs gemaakt, en zyn Londschap schynt hem hier in de handen boven het hoofd te Houden want zyn Lordschap heeft my geschreeven zig niet te willen bemoeijen met die zaak en heeft my ook niet eens geantwoord op ee brief „ F

NL-HaNA_1.04.02_3167_0368 view scan ↗

English

letter that I have written to him regarding this, and of which I send Your Honour the copy along with that of Lord Clive, requesting that you might write to His Lordship concerning this and point out that if the faujdar is permitted to do that, nothing else is to be expected than the ruin of our inhabitants, and ultimately that our village will be abandoned by the inhabitants, whereby our Company will suffer great damage in everything, and its service will not be able to make any progress. This also prevents me from taking advantage of the invitation of His Lordship for the celebration that he is to give at Calcutta on the 16th, for how can I absent myself from here under these circumstances? I very kindly request a speedy redress in this matter. Mrs. Vernet, as well as I, are most highly obliged to Your Honour for the good wishes that you are pleased to extend regarding our son, and would also gladly have had your company. She asks to be assured of her esteem, and no one can be more sincere than I. Was written below: worthy friend; lower down: Your Honour's humble servant and worthy friend; signed as before; in the margin: the 15th of December 1765. P.S. The faujdar having departed last night for Calcutta, I shall also go there, in the hope that in his absence no violence will be committed. Before yesterday I was honoured with Your Honour's esteemed letter of the 23rd of this month, which again gives me proof of Your Honour's goodwill towards me, for I now find that Your Honour was largely right not to write to Lord Clive before having seen how it would turn out, but Sir, it was a critical matter for me, and I had to use every means to remove the obstacles, in order to be able to account for myself to the Honourable Company and to be blameless. It has taken a good turn. taken. The faujdar has reopened trade and navigation, and leaves us in peace in our village, so that nothing remains for me but to thank Your Honour most kindly for the help otherwise offered in this matter. I have the honour to be with the greatest esteem, was written below, and was signed as before; in the margin: Hooghly, the 29th of December 1765. When Your Honour did me the honour of spending a day with me, I gave Your Honour a note of various outrages committed by the chowkies. I did not add the extortions that were carried out between Tellingij and Hooghly, because Your Honour can sufficiently see from the one how things are going everywhere. Now I have again received a letter from our gomastas from Jaggernaat Poer, who inform us that a vessel has been detained at Poergens, and that although an order has gone from Moxudabad to release it, they refuse to obey those orders, but have taken a peon and a gomasta into custody, and extort 6 rupees from them daily and hold the vessel. The other chowkies situated above Piergens, to the number of about 18, which by order of Moxudabad had let the vessel pass, hearing that it had been detained at Bergens, have sent all the men there in order also to extort as much as possible from that vessel. See, Sir, what unheard-of outrages are committed; it is now as if one were in a land of robbers. I hope nevertheless that everything will be put on a good footing by Your Honour's wise consideration, and in the meantime please effect the release of that vessel, and that the money extorted from it be restituted, as well as everything that is on the memorandum given to Your Honour, and what I shall also show Your Honour shortly that was further extorted from us, be restituted, restituted, and henceforth our vessels, on the authority of our dastaks, pass and repass without paying anything other than the cowries that the manjhis must pay. I have written to Mr. Bacheracht about this, who will have the honour to speak with Your Honour concerning it. I have the honour to be with much esteem, etc. Hooghly, the 16th of March 1766. To the same as before. The Raja of Santipore named Kissensjent has, through one of his servants named Bharo Tjekker Betti, had the gomastas of the Company flogged with a chabuk in those aurangs in order to extort money, and thereby not only obstructed trade for a long time but also offered many insults to the Company, about which Mr. Bacheracht will speak to Your Honour and present the matter as it occurred. I therefore request not only the restitution of the extorted money, but also that the said Bharo Tjekker Betti be flogged with a chabuk at Santipore in the presence of all the gomastas in the same manner as he did to ours, so that the Honourable Company may receive satisfaction in a striking manner for an insult done to it that is unprecedented. I have the honour to be with the greatest esteem, was written below, and was signed as before; in the margin: Hooghly, the 26th of May 1766. This morning I was honoured with Your Honour's esteemed letter of the 29th, and express my gratitude for the attention Your Honour has been pleased to give to my complaints in my letter of the 26th of May; but, Sir, the insult done to our Company is too great to be satisfied with so slight a satisfaction. For more than one hundred years that the Company has been established in these regions, it has never

Dutch transcription

343 brief dien ik hem daar over geschreeven heb, en waar van ik uEdele de copy toe zende met die van Lord Clive met verzoek zyn Londschap daar over te wil len schrijven, en te vertoonen dat zoo de faus daar dat toegelaaten word, er niet ander van te verwagten is als de ruine van onze inwoonders en op het laatste dat ons dorp van d inwoonders verlaaten zal worden, waar door onze Comp: in Aan als vooren alles veel schade zal lyden, en haar dienst geen voortgang zal kunnen hebben Dit belet mi ook te profiteeren van d'in vitatie van Mylordschap voor de feest die hy te Calcatte den 16e staat te gev want hoe kan ik in deze omstandighe den my hier van daan absenteeren Ik verzoek zoer vrindelyk een spoedig redr hier in. Juffr. vernet zo wel als in zyn uEdeb ten hoogsten verpligt voor de goede wen due dezelve ten opzigte van onze zoon g lieft te doen en hadden ook gaarn uw gezelschap willen bij hebben zij verzoekt van haar agting verzekert te zyn en niemant kan opregtelyker zyn als en ik /:onderstond:/ waarde vriend /:lager:/ UEd„s gen: dien=ten waarde vriend /:getek=d= als vooren ter zijde den 15 xber 1765. — P: S: de fausdaar gisteren nagt naar Calcatte vertrokken zynde zal ik er ook gaan, op hoop dat in zyn absentie geen geweld zal gepleegt worden. — voor aergesteren ben ik vereert geworden met uwEd: g'ëerde schrijvens van den 23„e dezer die mij weder blijken geeft van uw Edeles wel menentheid ten mijnen opzigte want ik ondervinds thans dat UE grootelyks gelyk gehad hebb My Lord Clire niet te schryven voor dat gezien had, hoe het af zoude loopen, maar Myn Heer het kwamer met mij op aan, en ik moest alle middelen in't werk stellen d'obstae= kels weg te krygen, om mij by d' EComp: te kunnen verantwoorden en onberise pelijk te zijn. Het heeft om een goeden keer ver genoomen G 344 genomen de Fausdaar heeft den Jan „del en vaart weder opengesteld, en laat ons in ons dorp met rust, zo dat my niet overig als uEd op het vriende lykste te bedanken, voor de andersints aangeboodene hulpe in deeze zaak N Ik heb de Eerd met de meeste agting te zyn, /:onderstond:/ en was getekend als vooren ter zyde Houglij den 29 xber 1765.— soen uw Edele mij de Eere gedaan hebt een dag by mij te zijn heb ik uEdele een notitie van diverse geweldenarijen der schoukies gegeven, ik heb daar by niet ge voegt de afpersing dies er gedaan werden tusschen Tellingij en Houglij om dat uEdele genoeg kan zien uit het eene hoe het over alomgaat Thans heb ik weeder een brief gee¬ kreegen van onze gomastos uit Jag gernaat Poer, die ons bedeelt dat een vaarthuig g'arresteert is te Poergens en dat schoon er ordre van MoxudMaad gegaan is om die te Largeeren zy die Aan als vooren ordres niet willen obedieeren, maar een Ron en een Gomasta in regten is genomen hebben, en haar dagelijks 6 ropijen appersen en het vaartuig aanhouden d' andere Schi= oukies die boven Piergens leggen ten ge= talle van omtrent 18 en op ordre van Moxuaitbaad het vaartuig hadden laten passeeren, hoorende dat hij te Bergens g'arresteert was, hebben al het volk daer na toe gezonden, om ook van dat vaartuig zo veel mogelijk afte persen. — ziet myn Heer wat ongehoorde geweldenarijen en gepleegt worden, het is thans of men in een rooversland was ik hoope nogthans dat alles door UEdeles wijze overleg op een goeden voet zal gebragt werden, en in tussche gelieft de largatie van dat vaartuig te be= „werken, en dat de hem afgeperste gelden gerestitueerd werden, als mede alles wat op de uw Edele gegevene Memorie staat en 't geene ik uEdele ook nog binnen korte zal aantoonen dat ons verder afgeperst, weder geres= ordres. titueert 345 titueert werde en voortaan onze vaartui= gen op het gezegt van onze Destekken, pas „seeren en repasseeren, zonder iets te betaalen als de Couris die de mangies moe ten betaalen. Ik heb d Heer Bacheracht daar over geschreeven die de Eere zal hebben UEdele daar over te spreeken Ik heb de Eere met veelagting te zijn &a Hoegli den 16e Maart 1766. Aan als vooren De Ragia van santipoer in naame Kissensjent heeft door aen zyner bedien „dens genaamt Bharo Tjekker Betti de Gomastas van de Compagnie in die arrengs laaten Chambokken om geld afte persen, en door den han del niet alleen lange tijd gestremd maar ook de Comp: veel affronten aangedaan, waar over de Heer Bac heracht uEdele zal spreeken en de zaak voorleggen zo als het toegega is, ik verzoek dan niet alleen de resti tutie der afgeperste gelden maar ook dat de genoemde Bharo Tjekker Betti te Santijpoer in presentie van alle de Gomastas op dezelve wyze gechambokt werde als hy de onze gedaan heeft, op dat d' E Comp: op eene eelatante wyze sa= tisfactie krijge, van een aan haar geda¬ ne affront, die nooit gehoort is Ik heb d'Eere met de meetste ag= ting te zijn /:onderstonden was getekend als vooren ter zyde Hougli den 26 Meij 1766. Heeden morgen den ik vereert ge „worden met uEdele g'agte schryvens van den 29„e en betuige mijne dank= baarheid voor de attentie die uEdele hebt gelieven te slaan op mijne klag- ten by mine brief van den 26 maij, maar, MynHeer, het affront onze Compagnie aangedaan is te groot om voldaan te zijn met zo aen geringe satisfactie, zoedert meer dan hon= dert Iaaren dat de Comp: in deze geweste g'etablisseert is heeft zij Aan als vooren dat noort

NL-HaNA_1.04.02_3167_0371 view scan ↗

English

346 never suffered such affronts, and if we did suffer any affronts we were maintained by the Nawabs, and those who did us any harm were severely punished. What would our Company say then, if it saw that at a time when Your Honour's Company has not only promised to maintain ours against all outrages of the Moors, and always to obtain satisfaction for the harm suffered, but also by letters to the Calcutta Council has very strictly ordered to maintain us in all our privileges and to maintain us against all outrages of the Moorish regents, we must suffer such unheard-of cruelties and affronts, without Your Honour, who could do it with a word, causing us to obtain proper satisfaction. It would certainly think that the fault lay with me, and that I had not taken this matter enough to heart. I request then, Sir, once more that Bharo Tjekker Bottie at Santipoer be flogged with a sjambok in the presence of all the Gomastors in the same manner as he treated ours, and that the extorted money be restored. I have the honour to be, was written below, and was signed as before, in the margin Hoegli the 28th of June 1766. Agrees, W. E. Clercq To 347 To Mr. Vernet. Sir, I have had the honour to receive Your Honour's letter of the 26th instant, by which Your Honour informs me of a theft committed by the English sailors, and in order to discover the perpetrators, I have ordered that a warning should be posted immediately in the customary places, whereby a reward is promised to the discoverers; and Your Honour may be assured, Sir, that I shall take all other possible precautions to find those who committed the theft, and in case they are discovered, they will not only be punished with the utmost severity, but the stolen goods will be returned immediately. One cannot be with greater esteem than I have the honour to be, was written below, No. 3. 348 To the same as before. Was written below: Sir, lower: Your Honour's very humble and very obedient servant, was signed: Clive. We have three men here in the hospital who were wounded in a dispute they had with some Dutchmen, but those whom Your Honour sent to see them, neither the European nor the Peon recognize them, nor would they recognize them even if they were the same ones who committed the theft, because the matter took place in the dark. Nevertheless, in order to know if they are the thieves, I shall order their clothes to be searched, and proceed to take all other proper measures. Was written below and was signed as above. To the same as before. I have the honour to inform Your Honour that, upon investigation made into the criminals pursuant to Your Honour's letter, I learned that they have taken flight to the factory of Frederiknagore, wherefore I have written to the chief of that place, demanding that he surrender them immediately to the guard sent from here. Mr. Mende Baillie being very desirous to take ship for Europe as soon as possible, as there is no room for him on our ships, I must trouble Your Honour to kindly grant him a place on one of Your Honour's ships, provided he pays for it. I am with all respect and esteem, was written below, and was signed as before. To the same as before. 349 sent to receive them together with the stolen goods. I hope to make the favourable outcome known to Your Honour within a few days. I am with respect, was written below, and was signed as before, dated Calcutta the 2nd of December in the year 1765. To the same as before. The Nawab, as well as the Faujdar of Hoegli, have complained to me that the officer who was appointed by the Government to collect the duties has been seized, beaten, and forbidden to make any further collection, and also that the fiscal of Chinsurah has arrogated to himself a judicial authority, previously unauthorized and never in use, by putting him on trial like an evildoer, as well as in matters of Meum and Tuum, which belongs solely to the office of Faujdar of Hoegli. Allow me to remark that, although I wish at all times to maintain the closest friendship with your Company, nevertheless in matters like this, in which I must defend the rights of the Government, it would not be proper for me to do anything that would conflict with them, and which I could also not justify to my superiors. I am, was written below, and was signed as before, dated Calcutta the 5th of December in the year 1765. To the same as before. The recounted disputes and complaints between the Dutch and English gomastas I can readily understand must be just as disagreeable to Your Honour as they are to me; but since this sort of people always find it useful for their own interest to stir up such disputes, or at least to make representations about them to their masters.

Dutch transcription

346 nooit diergelyke affronten ondergaan en zo wij eenige affronten ondergingen wierden wy door de Nawals gemin =tineert, en die geene die ons eenig leed aan deeden wierden strenge= „lyk gestraft. wat zoude onze Compa= gnoe dan zeggen, zo zy zag, dat in een tijd dat uEdeles Compagnie, niet alleen de onze belooft heeft te meinteneeren tegens alle gewelden arijen der moe= ren, en altoos satisfactie over het geleedene Saet te doen erlangen maar ook by brieven aan den kalka =sche Raad zeer sterk geordonneert heeft ons in alle onze voorregten te handhaven en tegens alle gewel- =denarien der moorsche regenten te meinteneeren, wij zulke nooit gehoorde Kruoteiten en affronten moeten ondergaan, zonder dat uEdele die het met een woord kunnen doen, onze behoorlike satisfactie doeden erlangen. zy zoude vast denken dat het aan my naperde, en dat ik die zaak niet genoeg ter harte genomen had Ik verzoek dan Mijn Heer nogmaals dat Bharo Tjekker Bottie te Santipoer in presentie van alle de Gomastor op dezelve wijze gechambokt werde als hy de onze ge¬ „daan heeft en dat de afgeperste gelden gerestitueert werden. Ik hebbe d' Eer te zijn /:onderstond:/ en was getekend als vooren ter zyde Hoegli den 28 Iuny 1766. — Accordeert W„: E Clercq aan 347 Aan Myn Hoer Vernet. Min Heer. Ik heb d' Eere gehad te ontfangen uw Edeles missive van den 26„e dezer, by de„ „welke uEdele mij kennis goeft van een diefstal door de Engelsche Mattroosen gepleegd, en ten einde de daders te ondekken, heb ik gelast dat ten eersten een waarschouwing op de ge= woone plaatzen zoude aangeplakt worden waar bij een belooning aan de ontdekkers toegezegt word; en uEdele kunt verzekert zyn Mijnsteer, dat ik alle andere moogelyke voorzorgen zal neemen, om de geene die de diefstal gepleegt hebben uit te vinden en ingevalle zy ontdekt worde, zullen zij niet alleen met d' uiterste strengheid gestraft maar de gestoolene goederen ten eersten weder gegeven worden. Men kan met geen meerder agting wezen dan ik d' Eere hebte zyn /onderstond No. 3. 348 Aan als vooren /:onderstond:/ Mijn Heer: /: Lager: rE delen zeer onderdanige en zeer Gehoorzame dienaa /:was getekend:/ Cleve. — Wy hebben hier in 't Hospitaal drie mannen die gequest zyn geworden ine verschil dat zij met eenige Hollanders gehad hebben, dog de geene die uEdebe gezonden heeft, om hun te zien nog de Europeesch nog de Pon kennen ze niet en zouden hun ook niet kennen schoon het dezelfde waaren die de diefstalgepleeg hadden, dewyl de zaak in den donker geschied is, Niet tegenstaande ten einde te weeten of het de dieven zyn, zal ik ge lasten dat hunne kleederen onderzogt worden, en voort vaaren met alle an dere behoorlijke maat Regulen te neemen. /:onderstond:/ en was getekend als boven. Aan als vooren Ik heb d' Eere uEdele te berigten, dat ik bij gedaan onderzoek, na de misdadige ingevolge van uw Edel„e missive, vernomen dat zij de vlugt genomen hebben in de fac= torie van Fredrik nagord waarom aan het opperhoofd dier plaats geschreeven heb, eischende dat hij dezelve ten Eersten overgeeven aan de wagt die van hier De Heer Mende Baillie zoer geneegen zijnde, om hoe verder hoe lie= ver na Europa schoep te gaan, gelyk er geen plaats voor hem in onze scheepen is, moet ik uEdele lastig vallen, hem een plaats in eene van UwEdele schoe pen te willen verleenen, mits daar voor betalende Ik ben met alle Respect en agting /:onderstond:/ en was getekend als vooren. Aan als vooren gezonden .. Van 349 gezonden, heb om dezelve nevens de ge „stolene goederen t onvangen. Ik hoop uEdele binnen weinige daagen den voordeeligen uitslag bekent te maaken Ik ben met respect /:onderstond:/ e was getekend als vooren, /:gedateerd:/ Calcutta den 2 December A„o 1765 Aan als vooren De Nawab, zo wel als de fausdaar van Hoegte¬ hebben mij geklaagt, dat de officier die door 't Gouvernement gesteld is tot de insameling der Geregtigheeden is gevat, geslaagen en verbooden eenige verdere insameling te doen, als mede dat de fiskaal van Chintsura, zig een geregtelijk gezag heeft aangematigt, voor dezen ongeoor= „loofd, en nooit in gebruijk geweest, door hem, gelyk een boosdoender te regt te stellen zo wel als in de zaken van Meum & Suum, 't welk eenlyk aan het ampt van Fausdaar van Houglij toekomt. Aan als vooren De verhaalde verschillen en klagten, tusschen de Hollandsche en Engelsche gomastos kan ik gereedelyk begrijpen, dat dezelve even ge= lyk aangenaam voor UEd: moeten weezen, als diezelve voor mij zijn, dog alzo dit soort van volk het altoos voor hun eige Interest dienstig vind, zulke verschillen te stooken, of ten minsten ze vertooningen deswegen te doen, aan hunne Vergunt my aantemerken, dat hoewel ik wensche ten allen tijde, de nauwste vrindschap met uwe Comp: te onderhouden egter in zaake als deze, waar in ik de regten van 't Gouverne= ment moet voorstaan, het mij niet zoude de voegen iets te doen, dat daar tegens zoude strijden, en 't geen ook aan mijn superiooren, niet zoude kunnen verantwoorden. Ik ben /:onderstond en was gete=„ kend als vooren. (gedateerd:/ Calcutta den 5=e December A„o 1765. — vergunt meesters .

NL-HaNA_1.04.02_3167_0376 view scan ↗

English

whether they contain the truth or not, it is no wonder that one hears them complaining so frequently. Our orders have repeatedly been given, both to our various gentlemen and to our gomastas in the diverse aurungs or weaving places, not to hinder or disrupt your affairs in any way; and that these orders have been observed, even to the detriment of our collection, is convincingly evident from the small quantity of goods that they have thus far been able to send us, being as yet not a third part of their annual amount provided, whereas in other years, when our orders regarding your people were strictly followed, our residents and gomastas had at this season of the year a much larger share of their collection ready for us. And the reasons adduced by them for the present shortfall are the execution of our orders, so secretly concerning your gomastas that they are thereby greatly hindered in the continuation of their own affairs. But in order not to detain your Honour any longer with general arguments upon particular grievances, which can indeed carry little weight by citing them, I request permission to present to your Honour the sentiments of some of our gentlemen and gomastas in the various weaving places regarding the subject and dispute. Our Resident at Malda writes: that we must attribute the lack of certain assortments, which he is ordered to provide, to the purchase by the Dutch gomastas, who have made a considerable collection this year. Our Resident at Keerpoy, Harial, and Haripal says: that in his weaving places and surrounding villages the Dutch affairs are carried on as expeditiously as ours; that with regard to the same persons who contract for both the Dutch and English affairs, your contractor, he daily finds that they fall very short in paying attention to our linens; that although our money, as usual, was advanced very early in the season, the weavers, nevertheless enticed by obtaining from them two rupees per piece more than what we allow, have been induced to bring more than half of the best pieces to the Dutch. The gomastas at various places under the abovementioned resident complain: that our advance was delivered in January, and the Dutch had made theirs only in April; that nevertheless, when they demand the linens from the weavers, the Dutch gomastas appropriate the same as theirs; that they had never hindered the Dutch goods, or chopped them; that if such false accusations are brought against them, they will be afraid to continue our collection, which is very considerable this year, and of which only seven thousand pieces have now been collected; and that the receipt of our cloths is now daily becoming less and less. Our resident at Baulpore writes: that immediately upon receipt of our orders he rendered all assistance to your gomastas there, that they were buying up daily and would soon have your collection complete; that they had until now been provided from the money that we have advanced to the pykars and weavers in our service, buying the same linens that we had contracted for and for which we had already long since provided money; and that our strict orders to him concerning your people had caused a very considerable reduction in the receipt of our cloths there. As regards the allegation that any violence had been committed by our gomastas in the coarse linen-producing aurungs, we have the most convincing proofs that the stories must be without foundation, since we have not received a thirteenth part (1/3) of our allotment from there, where in particular our gomastas have fallen shortest in providing their share of our goods, arising, as they have shown, from the purchases of the Dutch. I have investigated the complaints that your gomasta Samram had to make, to whom your Honour had directed me to learn some particulars, which in fact consist of nothing other than this: that our resident and gomastas will not permit that the linens, for which we have made advances a considerable time before your Honour, should be taken for your Honour's service; a demand so very unreasonable that I cannot think your Honour would tolerate it. Nevertheless, your Honour's gomastas have already received directly many linens which our gomastas had previously spoken for, which is a matter as undoubtedly true as that our advances were made long before yours, and of which a large quantity is still outstanding. The only gomasta whose conduct your Honour has pleased to describe in detail is that of Santipore since his return from Calcutta. Upon my earnest urging to your servant Samram for an explanation thereof, he declared to me, as well as to Mr. Verelst, that although complaints had previously been made, there had not been the least cause of complaint against our gomasta since his last return to Santipore. This circumstance I think the more necessary to urge, in order to show your Honour what deceitful reports of this nature are falsely presented, since, as has been noted before, your Honour's other complaints are merely general, and this is the only one that your Honour has recounted in detail. I must further remark, upon the question which your Honour pleases to ask, how your Company will now obtain its goods in time so that your Honour can dispatch your ships, if which

Dutch transcription

350 moesters 't zij dezelve waarheid behelzen of niet is het geen wonder dat men dezelve zo de „wyls hoort klaagen, onze bevaelen zy zoo wel aan onze verscheidene Heeren als aan onze Gomastos in de diverse Arrengs of woefplaatsen, bij herhaling gegeven om uwe zaaken in geene deelen te hinderen of te stooren, en dat deze ordres zijn naargekoomen zelf tot benadoeling van onze inzameling, blykt overtuigend, door den geringen quam titeit van goederen, die zy tot nog toe in staat zyn geweest ons te zenden zynde als nog geen derde van dies Jaarlyks bedraagen, bezorgd daar in andere Jaaren wanneer onze bevoelen in opzigt van 11 volk, strik =telyk wierden opgevolgd onze residente en Gomastos in dit Iaar getijde een veel grooter aandoel van hunne inzame =ling voor ons in gereedheid hadden en hunne bygebragte reedenen voor het tegenwoordig gebrek, zyn de vol: =brenging onzer beveelen, zo bedektelyk uwe Gomastas betreffende, dat zy daar door grootelyks verhinderd worden, in de voortzetting hunner eigene zaaken, Dog om uEd niet langer opte houden, met al- gemeene reederingen, op byzondere be= =zwaarenisse welke dog van weinig kragte kunnen zijn door dezelve aan te haalen verzoek ik vryheid uEd: de gevoelens van eenige onzer Heeren en Gomastos in de verscheidene waefplaatzen over het onderwerp en verschil op te geeven. Onze Resident te Malda, schrijft. Dat wij het gebrek aan sommige sortementen; welke hy gelast is te verzorgen, moeten toeschrij= =ven aan den inkoop der Hollandsche Gomastas die dit Iaar een aanmerkelijke insameling gedaan hebben! Onze Resi¬ =dent te Kepoij Herriaal en Herri= apaal, zegt. Dat in zyne weefplaatsen en omleggende dorpen de Hollandsche zaaken zo spoedig als d' onze voortgezet. worden. Dat met betrekking tot dezelf= de persoonen, die voor beide de Holland= =sche en Engelsche zaaken Contracteeren uwe /:aan= 351 /:aannoemen:/ hy da gelyks bevind zy zeer te„ kort schieten, in het acht gaeven op onze Lywaaten; Dat hoe wel ons geld, na gewoon „te zeer vroeger het saisoen, was vooruit ver„ =strekt, egter de weevers bekoort door het verkrijgen van hen a Twee rop=n p„r stuk meerder dan dat wy toestaan, zyn ver= leid geworden, om maer dan de helft der beste stukken na de hollanders te brengen; De Gomastas op verscheedene plaatzen, onder de bovengem: residente klaagen; Dat onze voor uit verstrekking in Iannuarij was afgegeven, en de hollan „ders die hunne eerst in April gedaan hadden, dat egter wanneer zy de Lijwa= „ten van de waevers eisschen, de Holland- „sche Gomastos zien dezelve als de hanne toete eigenen, dat zy noost de Hollandsche goederen verhindert, of dezelve gesjapt hadden, dat indien zulke valsche be= „schuldigingen tegens hen worden uitgebragt zij bevreesd zullen zijn, onze insaameling voort te zetten, welke dit Jaar zeer aanmerkelyk is, & waar van thans nog maar zeven duijzend stukken zyn verzameld, st dat de ontfangst onzer kleeden thans dagelyks minder en min= der is; onze resident te Badaal schrijft„ Dat hy onmiddelyk op de ontfangst onzer bevoelen, uwe Gomastas aldaar alle hulpe beweezen heeft, dat zy dagelyks opkogten en laaste uwe insameling zoude voltallig hebben, dat zy tot nog toe voorzien waaren uit het geld, dat wy aan de Pykaars en we= „vers in onze dienst ophand gegeven hebben, kopende dezelve Lywaaten die wij gecon= „tracteerd, en waar voor wy raeds voorlange geld verstrekt hadden, en dat onze Strik¬ te beveelen aan hem belangende uw volk en zeer aanmerkelijke vermindering, in den ontfangst onzer kleeden aldaar veroorzaekt hadden wat aangaat dat eenig geweld door onze Gomassas, in de grove Lywaat ge= vende arrengs, zoude gepleegt zijn, hebben wi de overtuigentste bewijzen, dat de ver= „haalen zonder grond moeten weezen, alzo wy geen dertiende gedeelte 1/3 van onze aanbestoeding, van daar ontfangen hebben van alwaar 352 alwaar byzonder onze Gomastes in het bezo gen van hun aandeel onzer Goederen 't meer te kort geschooten zijn, ontstaande gelijk zij vertoond hebben, door het inkoopen der hollanders. Ik heb de klagten die uwe Gomasto samram te doen had, onderzocht aan wie uwEd: my geweezen had om eenige byzonderhoeden te verneemen, welke in der daad in niets anders dan in deze bestaan, Dat onze resident en gomastos niet willen toelaaten, dat de Lywaaten voor dewelke wy reeds een geruimetijd voor uwE voor uitverstrekking gedaan hebben, tot uwE dienst zoude genomen worden; en vordering zo zeer onroede =lyk, dat ik noet kan denken, uEd het zelve zoude gedoogen, evenwel hebben uEd: Gomastos reeds daadelijk veele Lij= waaten ontfangen, die onze gomastos bevoorens gesprooken hadden, welke een zo ontwyfelbaar gebeurde zaak is als dat onze voor uitverstrekkinge lange voor de uwe gedaan waaren en van welk een groote party nog uitstaande zijn. De eenige gomaste woens gedrag, het uEd: gelieft heeft, omstandig te beschrijven is die van santipoer zoedert zyn terug komst van Kalkatte, op myne ernstige aandrang aan uwe Dienaar Samram, om eene uitlegging daar van, verklaarde hij aan mij, zo wel als aan de Heer Verelst dat alhoewel bevoorens klagten gedaan waaren, geen de minste raeden van klagten, tegens onze gomaste zoedort zijne laatste te rugkomst te Santipoer, geweest was. deze omstandigheid denke ik te moer noodzakelijk aan te dringen, ten einde uw Ed aan te wijzen welke beugenachtige be= =rigten van deeze natuur verkeerdelyk voorgesteld worden, sed=t gelyk bevoorens is aangemerkt uEd=e andere klagten, maer algemeen, en deeze de eenigste is die uEd omstandig verhaalt heeft. Ik moet verder aanmerken, op de vraag doe uEd: gelieft te doen, hoe zal nu uwe Comp: haare goederen in tijds bekoomen, dat uEd: uwe scheepen kan weg zenden, indien welke

NL-HaNA_1.04.02_3167_0379 view scan ↗

English

353 the English gomastas demand that the goods ordered for the English Company must be ready before your Honour can obtain a single piece, and that in such a case your vessels would have to return empty to Batavia, to the great prejudice of your Company. It is unnecessary to say more in reply to this than briefly to observe that your Honour has already been able to send away two fully laden ships this season, whereas we have dispatched only one, and she almost entirely laden with goods from the previous year, although our annual investment is so much more extensive than yours. Allow me to assure your Honour that I shall always endeavor, not only to do everything in my power to prevent all causes of dispute between the servants of the two Companies, but will take particular pleasure in promoting mutual harmonious concord. I am, was written underneath, and was signed as before. To as before. I have been honored with your Honour's letter of the day before yesterday. We have had so much business here, and Mr. Somner has been ill for so long, that we could not yet send Mr. Verelst to the aurungs, but I assure your Honour that as soon as Mr. Somner has recovered, your Honour's complaints shall be the subject of our discussions. Signed Clive. Calcutta, the 8th of March 1766. Agrees. W. E. G. Clercq. To... 354 I think to send Mr. Verelst to all the aurungs to endeavor to put an end to the disputes between the gomastas of the nations. Signed G. L. Vernet. Extract from a letter from My Lord Clive to the undersigned dated the 11th of September 1765. Agrees. J. Le Clercq. 355 To Mr. Vernet. Sir, I have just now the honor to receive your Honour's esteemed letter of the 31st of March. Having been very dangerously ill and in a bad state of health during these two months, and still continuing to be very indisposed, I have been under the necessity of withdrawing myself from all business, and have now come to Garetty for a change of air. Your letter to me, as well as the copies of those to and from Lord Clive, I have sent to Mr. Verelst and have earnestly recommended him to take the same into immediate consideration and to give such orders as are necessary to remove the difficulties of which your Honour complains. This, I hope, will have the desired effect, and I have the honor to be, etc. Signed Sumner. Dated at Garhetty, the 2nd of April 1766. Agrees. W. G. Clercq. 356 To Mr. Vernet. Dear Sir, I had the pleasure to receive your Honour's esteemed favor of the 20th of November, and should certainly have answered the same if my, etc. The gentlemen are at present busy making an inquiry into the number of the chowkies that currently exist, and how many are needed for the collection of the country's revenues. As soon as the plan is framed, I will inform your Honour how many Pachotra chowkies have been established by the Government. The others, as superfluous, will be abolished. I am convinced that they in general can cause greater prejudice to the trade of a country than the troubles which they cause along the way. Your vessels, upon producing the Company's dastak, will be allowed to pass unhindered after paying only a few 357 few cowries, although I know this is a lawful demand upon the manjhis, not upon the Company. As soon as I learn in what manner your Honour pays the duties as before, whether at Hooghly as previously or in some other manner, I shall take care that orders are sent everywhere in the country to prevent any further complaints, and be assured that no troubles will be caused to your Honour if I can prevent it. With regard to private matters, whenever I can be of any assistance to your Honour in that respect, please command me freely; my offers of service are not mere compliments, but made with a sincere intention to carry them into execution. I was very sorry that I could not be present at the baptism of your Honour's son. I wish that he may become as great and happy a man as his godfather, Lord Clive. I had the pleasure a few days ago to receive your Honour's esteemed favor, together with the copies of your Honour's and My Lord Clive's letters enclosed therein. Since your Honour says you are going to Calcutta, I thought I might well postpone writing to your Honour or to his Lordship regarding the subject mentioned therein until I should know whether your Honour had settled the matters when you had a conference with each other; and if they were not completely settled, I think the Nawab and I will be able to adjust the differences to further satisfaction. The Faujdar there demands unreasonable and very intolerable things. It is true that both you, the English, and the French experienced such treatment some years ago, but then they were regarded as acts of violence, and such to which we were obliged to submit. I remain, was written underneath, Dear Sir, lower down, Your Honour's, signed Francis Sykes. In the margin: Motijheel, the 8th of December 1765.

Dutch transcription

353 d'Engelsche gomastos vorderen, dat de goederen voor d' Engelsche Comp: g'eischt gereet moeten zin, ver uwE een stuk kunt krijgen, als dat in zo een geval uwe scheepen ledig naar Bata= via zoude moeten wederkoeren, tot groot nadeel voor uwe Comp: Het is onnoodig hier op meerder in Antwoord te zeggen dankortelyk aantemerken, dat uwE bereets in staat geweest zijt, twee vollaedene scheepen dit saisoen weg te zenden, daar wy maar een afgevaardigd hebben, en zy byna geheel gelaaden met goederen van voorl: Iaar alhoewel onze Iaarlykse aanbesteeding zo veel uitgebreider is dan de uwe. vergun mij UEd te verzoekeren dat ik altoos zal tragten, niet alleen wat in myn vermoogen is aantewenden, ten einde alle oorzaaken van verschil, tusschen de dienaaren der twee Compn voor te komen maar een byzonder vermaak zal neemen int voortzetten van onderlinge een stem= migen= eens gezendheid Ik den /:onderstond:/ en was getekend als vooren Aan als vooren Ik ben met uEdele brief van eergisteren vereert geworden, wi hebben hier zoo voele bezigheeden gehad, en de Heer Somner is zo lang ziek geweest dat wy de Heer Verelst nog niet konde zenden naar d'arrengs maar ik verzoekere uEdele dat zo dra de Heer Somner hersteld zal zijn, uEdele klagten zullen het subject onzer verhandelingen zin /:get=d:/ Clive Kalkatte den 8„e maart 1766 Accordeert Hi W„ EG Clercq Aan. . . 354 Ik denk de Heer verelst naar alle de arrengs te zenden om te tragten de verschillen tusschen de Gomastos der natien te doen cesseeren /:getekend:/ G: L: Vernet. —:: Extract uyt een brief van MyLord Clive aan den ondergetekende geda= =teerd den 11' September 1765. — Accordeert J: Le Clercq 355. Aan de Heer Vernet. — Myn Heer. zo even heb ik d' Eere te ontfan= gen uwEd: g'agte van den 31e Maart, in deze twee maanden zoer gevaar „lyk en in een slegte staat van gezond „heid geweest zynde en nog aanhou= „dende zeer onpasselyk te zyn ben ik in de noodzakelykheid geweest, mij van alle bezigheeden t'ontrekken en ben thans om een verandering van lucht te Garettij gekomen, uit brief aan mij, zo wel als de Copijen van die aan en van Lord Clive heb ik aan de Heer verelst gezonden en hem nadrukkelyk aanbevoolen dezelve ten eersten in overweeging te neemen, en zodanige beveelen te geeven als noodig zyn om de moeye= lijkheeden daar uEdele over klaagt weg te neemen, dit hoop ik zal van 5 . 't gewenschte effect weezen en hebbe d'Eere te zyn &„: /:get=d:/ Sumner /:gedat:d/ te Garhettij den 2„e April 1766. 6 Accordeert J:Ho W: G Clercq 356 Aan de Heer Vernet. Waarde Heer. Ik had het vermaak t'ontfangen uwEd„e g'eerde van den 20 9ber: en zoude dezelve zeekerlijk b'antwoord hebben indien mijne enz: De bed=s zyn thans beezig onderzoek te doen naar het getal der sjoukies, die orthans zijn en hoe veel er benodigt zyn, tot d'insa= meling van 'slands geregtigheeden, zoo dra het plan zal beraamawezen, zal ik UEd: bedeelen, Pachontra sjonkies er door de Regeering zyn vast gesteld, De andere als overtollig zullen afgeschaft worden, Ik ben overtuigd dat zij in 't algemeen groter nadeel aan den handel van een Land kunnen toebrengen, dan de moeyelijk „heeden die zij onderweg veroorzaaken hwe vaartuigen zullen op de ver= tooning van 's Comp=s destek, onversindert mogen passeeren na eenelyk eenige weinige 357 weinige Couris betalende hoe wel ik weet dit een gerechtelijke Eisch op de Mangiesen niet op de Comp: is, zo dra ik verneem op welke wijse uEd: de geregtigheeden betaald van als vooren 't zy te Houglij gelyk bevoorens of opoe nige andere wijze zal ik zorge dragen dat over al in het land ordres gezonden worden, ter vookoming van eenige verbe klagten, en zyt verzekert dat uEd: geen moeyelykheeden zullen aangedaan worden en ik het kan verhinderen. Met opzigt tot de particuliere zaake wanneer ik ooit UEd daaromtrend eenige hulp kan toe brengen gelieven uEd my vryelyk te beveelen, myne aanbiedinge van dienst zyn geene Com =plimenten maar met een waar inzigt, om dezelve ter uitvoering te stellen. Het heeft my zeer gespeeten dat i niet by het doopen van UEd=s zoon heb kunnen wezen ik wensch dat hij een zo groot en gelukkig Man als zyn Doop vader Lord Elive mag worden Ik had het vermaak voor eenige daagen te ontfangen uEd=s g'eerde nevens de Copijen van UEd„s en Mylord Elive 's brieven daar ingeslooten Dewijl UEd: zegt na Kalkatte te gaan heb ik gedagt wel te moogen uitstellen om UEd=s of zyn Lordschap nopens het onderworp daar in vermeld te schrijven, tot ik zoude weeten of uEd: de zaaken vereffent hadde toen dezelve een mond gesprek met el= „kander hadde en was het dat zy niet vol= komen geheel gein digt waare, denk ik de Nawab en ik de verschillen wyders genoegen te zullen kunnen byleggen de Jans daar vergt onroedelyk en zeer onbe„ staanbaard dingen. Het is waar dat beide uL: de Engelsche, en de franschen eeni= „ge Iaaren geleden zodanige behandelingen ondervonden, dog dan woerden zij aange- merkt als daden van gewelt, en zulke waar wij verpligt waaren ons t' onderwerpen ik blijve /:onderstond:/ Waar de Heer /:Lager :/ Uw Ed=s W: . . :get=d:/ P=s Sykesk ter zij de Moetijill den 8 Xber 1765. M Het

NL-HaNA_1.04.02_3167_0387 view scan ↗

English

It will be pleasant for me to hear that the disputes have been settled to the satisfaction of both; I think I have a clear idea of the privileges with which the Dutch Company is favored. Public disputes always conflict with the attachment of friends and often cause the breach of friendship. I hope your Honor will have had much pleasure on his journey to Calcutta. I am with much respect, subscribed and was signed, as before, at the side, Mootejill, the 23rd of December 1765. I will speak with Mr. Bacheracht about what was cited in your Honor's esteemed letter of the 16th instant and try to see to it that your Honor will be satisfied in everything, etc., was signed Fra.s Sykes, at the side, Kassembazaar, the 19th of March 1766. To the same as before. I had the pleasure of writing to your Honor a few days ago. Concerning the complaints that your Honor made to me, that one of your people was treated so badly by the Naib of the Raja of Neddia, I have investigated the matter and reprimanded the Raja in such a manner that I think it will prevent all such insolence from him in the future. Subscribed and was signed, as before, at the side, Moetijill, the 26th of June 1766. Complaints. No. 4. Extract from a letter written by the Chief and the Council at Cassembazaar to the Honorable Lord George Louis Vernet and Council at Hoegli, dated the 12th of March 1766. With regard to the silk, we cannot refrain from bringing to your Honors' knowledge how, upon the appearance of the Pattenie of the November crop, extraordinary commotion arose here, because the English seem to have taken the decision to keep the native merchants out of the silk trade, and, whether through their own recklessness or the misunderstanding of their servants, had everywhere prohibited by beat of drum the sale of any Pattenie to anyone besides themselves. We were thus included under this general prohibition, and the people who had gone out on our behalf with money to buy returned without Pattenie, reporting that no one wanted, or for fear of the prohibition dared, to sell them any. In the meantime, the British gentlemen saw fit to fix a price upon the same, which the country people were not permitted to overcharge on pain of heavy fines. These people, on the other hand, took that tyranny so hard that they could neither with kind words nor with threats be moved to wind the cocoons. The first undersigned pointed out, more than once, to their Chief here the consequences of these measures of theirs and insisted particularly on the repeal of the prohibition issued so generally against selling any Pattenie to anyone. To justify their actions, many reasonable arguments were put forward, which self-interest put into their mouths, and they sought to satisfy us with assurances that they had no intention whatever of hindering us, but to issue a counter-order in our favor, they would not agree to; from which it was sufficiently evident that the intention had indeed been to keep us out of it, if possible, at least for a time, until the best Pattenie should have been bought up. But their scheme was thwarted and altered by the refusal of the country people and the earnest insistence of the first undersigned; so that not only was an order sent not to include us in the prohibition, which with respect to the native merchants persisted for a long time thereafter, though it has now quasi been repealed. Instead of the English having gained any advantage through these coercive measures, which commerce can in no way tolerate, they have on the contrary caused the Pattenie to come to market much later than usual, much of it not yet wound off, and the price, instead of decreasing, has risen noticeably, so that the increased price of the aforesaid sorts must be attributed purely to them. The native merchants have indeed been permitted in public to buy, yet they have been asked what they would do with the Pattenie without being able to reel it, because all the reelers that could be found there would be taken to their side. Meanwhile, much is being bought and stored up in secret, both by the goldaars and merchants, though in public, as before, little appears, whereby those who dare to take the risk make a profit by demanding a higher price for theirs. The same is also the case regarding the finished thread for fabrics, whereby these then must necessarily become dearer. Extract from the letter written by the Chief and the Council at Cassembazaar to the Honorable Lord George Louis Vernet and the Council at Hoegli, dated the 14th of July 1766. Since the gathering of the silk in sort has again not succeeded according to demand this year, and we fear that the silk for Europe and Japan this time will by no means equal that of the previous year in quality, we cannot refrain from showing your Honors the causes and reasons thereof, so that it may always be evident that the unfavorable outcome is not to be attributed to our inattention or bad management, and we may be held blameless in that regard. In our respectful reports of the 12th of March last, we have already stated the causes of the increased price of the Pattenie or raw silk, and the scheme to deprive us of the best or finest sort. The means to accomplish the latter having failed the English at that time, they have nevertheless not neglected to use others. Agrees. J: Hoff., First Clerk

Dutch transcription

358 Het zal my aangenaam zijn te hoore dat de verschillen tot beiden genoegent beslegt; Ik denke een klaar denkbeeld hebben van de previlegien waar me de Hollandsche Comp: is bevoorregt Publi ke verschillen stryden altoos met de verknogtheid van vrienden en veroorza veeltijds de verbreeking der vraendschap Ik hoop dat uEd: veel genoegen in zijn togt na Kalkatte zal gehad hebben. — Ik ben met veel achting /:onderston en was getekend :/ als vooren ter zyde Mootejill den 23 xber 1765. Ik zal met de Heer Bacheracht spreeken over het aangehaalde by uEdele g'agte schryvens van den 16„e dezer en zoeken te maken dat uEdele in alles voldaan zult zijn &=a /:was getekend:/ Fra„s Sykes /:ter zide:/ Kassembazaar den 19„e Maart 1766. — Aan als vooren Ik had het vermaak uEdele voor eenige dagen te schryven. De Aan als vooren klagten die uwE mij gedaan hebt, dat een van u volk door den Naib der Raja van Neddia zo slegt zoude gehandelt zijn, Ik heb na de zaak onderzoek gedaan en de Raja zodanig doorgehaalt dat ik denk zulx alles insolenties in 't vervolg van hem zal voorkomen. /:onderstond en was getekend:/ Als vooren ter Zijde Moetijill den 26„e Junij 1766. — Klagten. N:o 4. 359 Extract uit een Missive geschree„ „ren door het opperhoofd, en den Raad te Cassembazaar aan den EE: Achtb:e Heer George Louis Ver„ „neten Raad, te Hoegli: gedateert den 12e: Maart 1766. Met opzigt tot de zijde kunnen wij niet af zijn uw E. E. Achtb„e ter kennis te brengen, hoe bij het uitkoomen der Pattenie van de November theelt, hier ongemeene beweeging ontstaan is, door dien d'Engelschen, het besluijt schijnen, de genomen te hebben, om de Jnlandsche kooplieden, uit de zijde handel te houden, het zij door eige onbedagt„ „zaamheid, of misverstand haarer bediendens, bij tromslag over al, verboden hadden, aan niemant buiten hen, eenige Pattenie te verkoopen wij waa„ „ren dus onder dit algemeen verbod begreepen, en de luijden, die van onsentweegen, met gela uitge„ „gaan waaren, om te koopen, keerden zonder Patte„ „nie te rug met het rapport dat hen niemand eenige wilde, of om des verbods wille, vreesde, te verkoopen, Tusschen beiden vonden de Heeren Britten goed, een prijs op dezelve te bepaalen, welke de Landsluijden op verbeurte van Swaare geld 360 gele boeten, niet mogten overeischen. Deese Daar en teegen naamen die dwinglandij soo hoog op, datze nog met goede woorden, nog met bedreigingen, te beweegen waren om de ga„ „letten aftewinden. Den Eerst ondergeteeken „de vertoonde, meer als eens, aan hun opper„ „hooft alhier, de gevolgen, van deeze haare maatreegelen en drong voornaamentlijk, op 't intrekken, van het soo generaal gedaan verbo om aan iemand eenige Pattenie te verkoop Men bragt tot regtvaardiging van haar doen veele reele reedenen bij, die het eigen belang in den Mond gaf en sogt ons te vreede te stellen, met betuigingen, dat men geenzints voorhad„ ons hinderlijk te zijn, maar om een teegenbe vel in onsen voordeele te geeven, daartoe wil men niet verstaan; waar uit dan genoegsaam te merken was, dat het wel de meening ge„ „weest is, om ons des mogelijk ten minsten voo een tijd, tot dat de beste Pattenie weggekogt soude geweest zijn, daar buiten te houden. Dog haar ontwerp is door de weigering der Landling „den en het ernstig aandringen van den eer„ ondergetekende, vereidelt en verandert; sulk niet alleen een ordre gesonden is, om ons uit verbod, dat ten opzigte der inlandsche koop„ „lieden, nog lange daar na stand greep, dog nu quasi ingetrocken is, niet te begrijpen In steede nu dat de Engelschen, door die dwangmiddelen, die de koophandel dog in geenerlij wijze veelen kan, eenig voordeel be„ „haalt soude hebben soo is door dezelve in tegendeel veroorzaakt, dat de Pattenie veel laa„ „ter als gemeenlijk ter markt gekomen veele nog niet afgewonden en de Prijs, in plaats van te verminderen, merkelijk gesteegen is, sulks de verduuring der voorgemelde soorten, bloo„ „telijk aan hen moet geweeten worden. Den Inlandschen kooplieden is wel in het openbaar, vergund, te mogen koopen dog men heeft hen gevraagt wat zij met de Pattenie doen zouden, sonder ze te kunnen verhaspelen, want alle de haspelaars, die 'er te vinden waa„ „ren, soude men na zigneemen. veele word on„. „dertusschen, in 't verborgen, soo door de goldaars als kooplieden, gekogt, en opgelegd, dog in 't open„ „baar ziet men, als voor deezen, wijnig te voor„ „schijn koomen, waarmeede die geene, die het niet wagen, wagen, voordeel doen, door een hogere prijs voor de haare te bedingen. soodanig is het ook omtrent, aen gereede draad tot stoffen, geleegen, waar door deeze dan, noodzaake¬ „lijk, verduuren moeten. Extract uit de Missive ge„ „schreeven door het Opperhoofd en den Raad te Cassembazaar aan den E: E: Achtb:e Heer George Louis Vernet, en den Raad te Hoegli gedateert den 14:' Julij 1766. Daar de Insaam der zijde in zoort dit Jaar weder niet na den Eisch geslaagt is, en wij vree„ „sen dat de zijde voor Europa en Japan, ditmaal de voorjaarige in deugt geensints evenaaren sullen, kunnen wij niet af zijn, uw: EE: Achtb„r daer van de oorzaaken en redenen te vertoonen, op dat althoof blijken mogen, dat den nadeeligen uitslag niet aan onse onoplettentheid of kwaad bestier, te wijten zij en wij daar omtrent onschuldig gehouden mogen werden. Bij onse eerbiedige advisen van 12„e Maart jongstl: hebben wij bereets opgegeven de oorzaaken der ver„ „duuring van de Pattenie ofte ruuwe zijde, en den toelegom ons te versteeken van de beste of fijnste zoord. Het middel om het laatste uit te werken den Engelschen, toen ter tijd misluckende, hebben zij daarom niet nagelaaten, andere te besigen, Accordeert. J: Hoff„ &e Clercq die 361

NL-HaNA_1.04.02_3167_0392 view scan ↗

English

which have had better consequences for them, consisting herein: that several times they have had the Pattenie that had been purchased for us detained in the places themselves or along the way, whereby not only much time passed uselessly for us, which they meanwhile seized to their own advantage, but whereby they also deterred the goldaars, as these were thereby driven to great expense and risk, from making purchases for us. One case among others will be sufficient to confirm the truth hereof. In the month of February last, some goldaars at Poetia and Malontje, two villages situated on the other side of the Ganges, having purchased some parcels of Pattenie for us, prepared to set out on their way hither. Forthwith an English gomasto came and prevented the transport. The first undersigned received report thereof and spoke with the English chief about it. The latter promised to provide for it, but it was left at that. The dispatched buyers returned once again having accomplished nothing. Indignant at such a manner of proceeding, the first-mentioned did not fail to confer with Mr Sijkes by a letter dated 25 March, here annexed under P: a: in copy, for Your Right Honourable's contemplation, and to urge with emphasis the release of that Pattenie and the prevention of such outrages by his gomastos or those of his people. This indeed had the consequence that the same was released after the lapse of much time since the detention, yet they have refrained from punishing the guilty person for it and from giving us equitable satisfaction, nor did they deem that letter worthy of any reply, but not from once again having the transport of other parcels prevented, or at least tolerating such. Our fear of an inferior quality of the contracted silk fabrics is grounded on the obstacles that the English cause the merchants and weavers in the purchase of the Tanna or prepared thread for the same. Notwithstanding the repeated verbal complaints that the chief has had made on that account, they do not cease, in some places where the best Tanna is produced, to absolutely prevent the purchasing for us. They will not even hear mention of it, for when the first undersigned himself had the opportunity to speak to the English chief in person and brought it up once again, the latter had each time the incivility to retire promptly without even hearing the first-mentioned out, much less giving any answer, and the matter remains in its former state. Going from bad to worse, some servants of the English head gomasto kischnender Hottoe have recently not hesitated, in the village of Moddopour situated near here, to tear off from as many looms various silk fabrics of ours, five pieces in number, which were stretched upon them and already partially woven, partly to tear them to pieces, and to dash them against the ground, with orders (certainly on the part of the said head gomasto) accompanied by harsh threats to the workmen to cease that labour for us and to work for the English Company. The chief has sent the pieces, with the part of the looms alongside the weavers, to Mr Sijkes. Now our suppliers are beginning to complain about the obstacles they encounter in the purchase of the bora or the cloth for the Bandanoeses and sjappalenssen, which constitute such a considerable part of the requisition, on which account we are very apprehensive that, if these do not cease, the fulfilment thereof especially will turn out very deficient. and in a serious letter dated 5 June last, also lying here annexed sub lit: b. in copy, insisted upon punishment of those servants and satisfaction for so excessive a deed, yet as little as he troubled himself with the complaints regarding the Tanna, just as little satisfaction has been obtained in the latter case, just as he also spared the effort to answer the aforementioned letter in any manner in writing. Pr W: E EG Clrcq Agrees. No: 5 To Mr Fr: Sijkes. Sir Today I received a report through people who return for the second time having accomplished nothing that the Pattenie which was purchased for the Dutch Company and detained by a certain Radakisno mondor, gomasto of your Resident at Rangpour boulia, of which I spoke to you the last time when I had the honour to be with you, notwithstanding the orders given by you, has not yet been released and my people are prevented by force from transporting the same hither. It grieves me, Sir, that I must trouble you so often, yet I am not the cause of the trouble that is thereby caused to you; I would much rather wish not to have need to complain about the boldness and insolences of such persons as the said gomasto and his equals, who do not hesitate every moment, when it pleases them, to commit all manner of brutalities and violence. These in the meantime, being in the highest degree insufferable and unjust, oblige me hereby once again upon

Dutch transcription

362 die voor hen van beter gevolgen geweest zijn, hier in bestaande: dat zij verscheidene maalen, de Pu „tenie, die voor ons gekogt was, in de plaatsen zelve ofte onder wegen, hebben laaten aanhouden, waar door niet alleen veel tijd nutteloos voor ons voor „bijging, welke zij middelerwijl ten haaren voor„ „deele waarnaamen, maar waar door zij ook de goot„ „daars, als die daar door op groote kosten en risico gejaagd wierden, afgeschrikt hebben, om voor ons inkoop te doen. Een geval onder anderen Sal genoe zijn om de waarheid hier van te bevestigen In de Maand februarij Jongstl: eenige goldaars te Poetia en Malontje, twee dorpen aan de overzijde van de ganges geleegen, eenige partijen Pattenie voor ons ingekogt hebbende, maakten zig gereed, daar meede herwaarts op wegte gaan. Strakskwam een Engels gomasto en belette den vervoer. Den eerst onder, „gelekende kreeg daar van berigt en sprak het en „gelsche opperhoofd daar over. Deezen beloofde daarin te voorzien, dog het bleef daar bij De uitgesonden koopers kwaamen anderma onverrigter saake te rug. Verontwaardigt over sulk aan een handelwijze, bleef den eerstget=d niet in gebreeke den Heer Sijkes bij een brief, onder den 25„e Maart hier nevens onder P: a: in Copia, tot uwer E8: Achtb„e speculatie, overgaande, te onder„ „houden en met nadruk op de Largatie dier Pattenie„ en het weeren van diergelijke uit spattingen sijner of der sijnen gomastos, aan te aringen. Dit is wel van dat gevolg geweest dat deselve na verloop van veel tijds sedert de aanhouding, is losgelaten, dog men heeft zig onthouden den schuldigen daar over te straffen en ons billijke voldoening te geven, also men als dien brief eenig antwoord waar„ „digte keuren, maar niet om andermaal den vervoer van andere partijen te laten beletten, of zulx ten minsten te gedoogen. onze vreese voor eene minder deugd der aan besteede Sijde stoffen, is gegrond op de hin„ „derpalen die de Engelschen den kooplieden en wevers toebrengen, in den inkoop van de Tanna of gereede draad tot deselve ondanks de herhaalde mondelinge klagten die het op„ „perhoofd des wegen heeft laten doen, laat men niet af in sommige plaatsen, daar de beste Tanna valt, het koopen voor ons, volstrekt te beletten. Men wiler selfs niet van niet hooren, b 363 hooren gewagen want toen den eerst onderge„ „getekenden zelfs in perzoon, gelegentheid had„ het Engelsch opperhoofd te spreeken, en een an„ „dermaal daar van op haalde, had den laatstge„ „melde telkens de onbeleeftheid, van zig promp„ „telijk te retireeren sonder den eerstgemelde eens uit te hooren, veel min eenig bescheid te geven en de zaak blijft in voorigen staat. van kwaad tot erger overslaande hebben eenige bediendens van den Engelschen Hoofd gomasto kischnender Hottoe, zig onlangs niet ontzien, in het dorp Moddopour hier na bij gelegen, di„ „verse zijde stoffen van ons, vijf stuks in getalle, die op zo veele weef getouwen gespannen en voor een gedeelte reets afgeweeven waaren, daar„ „af te rucken, gedeeltelijk te verscheuren, en tegen den grond te Smijten, met ordre /:seekerlijk van weege gem: Hooft gomasto :/ verselt van harde bedreigingen aan de werklieden, om dien aarbeid voor ons te staaken, en voor de Engel¬ „sche Compagnie te werken. Het opperhoofd, heeft de stucken, met het gedeelte aergetouwen„ nevens de wevens, aan den Heer Sijkes geson¬ Nu beginnen onse Leverantiers te klagen, over de beletselen die hen voorkomen in de in„ „koop van de bora of het doek tot de Bandanoe„ „sen en sjappalenssen welke sulk een aansie„ „nelijk deel van den Eisch uitmaaken, waarom wij seer bedugt zijn dat, als die niet ops houden, de voldoening derzelve voornamentlijk seer gebreckelijk vallen zal: „den en bij een ernstige brief onder den 5„e Junij Iongstleeden, hier nevens meede sub l=a 6. in Copia leggende, om straffe over die bediendens en voldoening over een soo verregaand bedrijf, aan„ „gehouden, dog so weinig als hij zig aan de klugeren omtrent de Tanna gestoort heefd, soo min satis„ „factie heeft men in het laatste geval bekoomen, gelijk hij ook de moeijte gespaart heeft, om opgemel„ „de brief in eeniger wijze, schriftelijk te beantwoor„ „den. Pr W„: E EG Clrcq „den Accordeert. No: 5 364 Aan de Heer Fr: Sijkes. Mijn Heer Heeden heb ik door luijden die ten tweede maale onverrigter saake te rug koomen berigt gekregen dat de Pattenie, welke voor de Nederlandse Compagnie Gekogt, en door sekere Radakisno mondor, gomasto van Uwen Resident te Rang„ „pour boulia aangehouden is waar van ik UwelEd: laastemaal toen ik de Eere had bij UwelEd: te zijn gesproken hebbe, ondank uwEd: gegeven ordre als nog niet vrijgelaaten en mijnen huijden met Geweld belet werd, deselve herwaards te vervoeren Het doet mij leet Mijn Heer dat ik uwEd: soo dikwijls lastig vallen moet, dog ik ben geen oorzaak van de moeijte die UwEd: daar door veroorsaakt word, ik wenschte veel Eer niet nodig te hebben, mij te„ „beklagen over de stoudheijd en Jnsolentien van alsulke Persoonen, als Gemelde Gomastro en zyns Gelijken die zig niet ontzien Elk ogen„ „blik, als het hen Lust, allerhande Brietaliteiten en Geweld te pleegen, Dese ondertusschen, als ten hoogsten onverdraaglijk en onbillijk, verpligten mij UwEd: mits deesen Nogmaals op

NL-HaNA_1.04.02_3167_0396 view scan ↗

English

most earnestly to request that such orders be issued against this, so that such things may never happen again, and that not only the detained goods at Poetia and Molotje be released at the earliest, but also that no hindrance or impediment be caused to the dispatch and transport of all others purchased by my order and for my masters. I insist upon this all the more strongly since there is no reason that can justify the contrary, and it would otherwise also conflict with the promises and assurances which I have received from Your Honour. For the rest, I leave it to Your Honour's discretion to discipline the insolence and boldness of the said Modor according to his deserts, but I request to be spared in the future from the insulting boldness of such people. I have the honour to be below Sir, Your Honour's humble and obedient servant was lower certified signed Joh:s Bacheracht. signed Joh:s Bacheracht in the margin stood Kassembazaar the 25th March 1766; To the same as above I request that Your Honour be pleased to grant me justice and satisfaction regarding the violence that was committed by the servants of your chief gomasto Kischmender and by his order in the village of Moddopour against several weavers who had silk fabrics on their looms and in hand for the Dutch Company. Those servants, while uttering many insolent words, did not shrink from violently tearing loose, ripping up, and ruining from the looms the pieces with which the said workmen were engaged, insisting that they should not be completed before and until the English Company had obtained its requirements. I send Your Honour the weavers with the pieces, and the bearer of this will make known to Your Honour the names of those who committed such bold outrages. Considering the matter and the consequences thereof, I hope Your Honour will provide me with all reasonable satisfaction, not only with a prohibition for the future, but also by the execution of an appropriate punishment upon those insolent persons, without giving credence to the usual manner of excuse by denial of an act that was committed in public, which, if it remains unpunished, will certainly give cause to more others to commit similar outrages, which then, without fail, will give rise to much unrest and unpleasant consequences. I have the honour to be below Sir, Your Honour's humble and obedient servant was signed Joh:s Bacheracht in the margin stood Kassembazaar the 5th June 1766: Lower certified was signed Joh:s Bacheracht No. 6. Translation of a Bengali letter written by the gomastos from Teggermaatpoer to their principals here, dated 21 9br: received here the 5 xbr: 1765 Certified The gomastos of Seroep Gends and Mhanendpoer make known to Your Honour that Your Honour was informed of the state of affairs in our letter of the 9th 9br: dispatched with Ramkissor Moetia. Presently 43 packages of linen are being dispatched in three vessels which departed from here on the 8th. The two dustucks sent to us by Your Honour have been handed to the tjerindaars, but Your Honour must provide us with a dustuck along the route of Jellingij, to be delivered to the vessels wherever they may be met with. Last year, when the linen was last dispatched, there were present on account of Rasbeherrie as tjerindaars Ekberchan, residing here, and Sobharam Raij of Santspoer, because the first three vessels dispatched from here were convoyed by military from over there, who did not pay the rahdarie the passage money at the ghat Rehelpoer Boggelch, which, according to the said peons, was demanded of them, just as all this was reported to us by those tjerindaars, and it was also made known that they had told this to Samram, but that he had not listened to it, so that they demanded the same from us. We also turned them down, and shared this among all of us equally. But thereupon Ekber and Sobharam made their complaint to the faujdar of Rade Mehel, and subsequently two chopdars were dispatched to us yesterday, making a demand of one hundred and fifty rupees and wages for the period of one year that they had to run about for this, with the interest thereof and expenses of peons. Due to the arrival of the said chopdars we have to endure so much that it is impossible to report all of this to Your Honour. This country belongs under the Raja, but there is no one who interposes for us here, and no attention is paid to what we write to the Gentlemen, so that the service here becomes too burdensome, if not impossible, for us, because the expenses run up unnecessarily. The custom is that upon the receipt of linen over there a signed memorandum of the expenses of the tjerindaars is taken, but Your Honours do not observe this, and the tjerindaars are simply dismissed in the meantime, so that they then come here and cause us trouble, and what can we accomplish against that?

Dutch transcription

365 op 't Ernstigst te versoeken, daar tegens so„ „danige ordres te stellen dat zoo noit weeder mogen Plaats hebben, en dat niet alleen de aangehouden Parthijen te Poetia en Molo „tje ten Eersten Gelargeert, maar ook aan het afsenden en vervoeren van alle anderen, di op mijne ordre en voor mijne meesters gekog werden geen hinder of belet toegebragt word Jk houde hier om te sterker aan wijler geen reden is, die het Contrarie kan billijken en het andersints ook strijden souden met de beloften en versekeringen welke ik van UWEd: ontfangen hebbe, Ik laate voor het overige aan Uw Ed: goedvinden over, om de trol onbescheidentheijd, en koenheid van Gem: Mo dor na Verdienste te Corrigeeren dog vers mij voor het vervolg van de honende vermel „heijd sulker menschen te bevrijden: Jk hebbe de Eere te zijn /onderstond/ Mijn heer Uw Ed„e Nedrige en Gehoorsame dienaar /we /:laager: accordeert /: get:/ Joh:s Bpacheracht. / „getekend Ioh„s Bacheracht / ter zijde stot Kassembazaar den 25:' Maart 1766; An als vooren Jk versoek dat UwEd: mij regt en voldo „ning Gelieft te laten weedervaaren, op het Geweld dat door de bediendens van uwen hooft gomasto kischmender en op zijne ordre in het dorp Moddopour aan verscheide wevers die zijde stoffen voor de Nederlandse Compagnie op haar Getouwen en onderhanden hadden Gepleegt is, Die bediendens hebben onder het uijtbraaken van veele Jnsolente Redenen, zig niet ontzien om de stukken waar meede Gemelde werklieden bezig waaren van de Getouwen, Geweldiger hand los te maken te verscheuren en te bederven, willende dat zij niet souden werden volvoert voor en al„ „eer de Engelsche Compagnie haare benodigt bekomen had ik sende UwEd: de wevers met de stukken toe, en brenger deezes sal uwEd: de Naamen der Geener die zig zoo stout vergreepen hebben, bekent maaken, de saak en de Gevolgen daar van overwegende sal UwEd:, hoope ik mij alle billijke genoegdoening ver„ Schaffen met een verbod niet alleen van het toekomende maar ook door de oeffening van een gepaste straffen aan die bru„ „tale sonder Geloof te geven aan de Gewoone manier van ontschuldiging door ontken„ „tenis, van een daad die in het openbaar bedreven is, welke Uijt blijvende: Ge„ „wisselijk voet zal geeven aan meer andere, om Gelijke buiten sporig„ Uiwen „heeden E 366 heeden te bedrijven die dan met nalaate sullen veel beweeging en onaangename Gevolgen te verwecken; Jk hebbe de Eere laager te zijn /onderstond/ myn heer: UwEd„n Fedr en Gehoorsame Dienaar /was getekend) Joh„s Bacheracht /ter zijde stond/ Kassen bazaar den 5:e: Junij 1766: /Lager / aC Cordeel /was getekend/ Joh„s Bacheracht No. 6. W„: EEj Clercq De Gomastos van Scroep Gends en Mhanendpoer maken uwE bekend dat uwE verslag van zaaken is gedaan by ons schrijvens van den 9. gbr: met Ramkis„ sor Moetia afgezonden. Thans worden in drie vaartuigen 43 Pakken Lynwaat afgezonden die of den 8„e van Ever vertrokken zijn. De twee door uwE ons toegezondene Desteks, zijn de Tjanindaers inhandigd, maar uwE moet ons een Destek langs de weg van Iellingij bezorgen, om afgegeven te wor„ „den aan de vaartuigen, waar dezelve ook worden aangetroffen. Voorleeden Iaar, dat er de laatste heer Lywaet verzonden is zyn er Translaat van een Bengaalsche brief geschreeven door de Gomastos uit Tegger„ =naatpoer aan hunne prin„ cpaalen alhier, de dato 21 9br: ontfangen alhoer den 5 xbr: 1765 Accordeert Jo ummer voor „ 367 voor reekening van Rasbeherrie als Tjerindaars by geweest Ekbeechan, alhier thuishoorende, en Sobharam Raij van Santspoer, dewyl de Eerste drie van hi verzondene vaertuigen door Milatai van Ginter geconvoyeerd zijn, die aan de Ghattij Rehelpoer Boggelch; de Rahdarie /:het papsagie geld:s niet voldan hebben, en 't welk volgens zeggen der voorm: pions van hun gevordert ik zo als ons dit oen en ander door die Tj nindaers aangediend en tevens bekend gemaekt is, dat zij zulx aan Samram zouden gezegt, dog deze daar na niet geluisterd zou hebben, invoege zy zulx van ons begeerden wy hebben hun ook van de hand gewezen, en zulx met ons alle rec eens bedeelt. Maar daar op hebben Ekber en Sobharam hun beklag gedaan by den Fransdaar van Rade Mehel„ en vervolgens zyn ergisteren twee spe „daars op ons afgezonden een Eisch doende van Een hondert en vyftig ropijen en Loon voor den tyd van een Iaar dat zy hier om hebben moeten loopen, met den in„ terest van doen en ongelden van Pions Door de komst van voorm sjobdaer moeten wy zo veel uitstaan, dat het onmoogelyk is, uwE dit alles te melden Deze Contrije behoord onder den Radja maar niemandis er die zig hier voor ons interponeert, en op het geen wy de Heeren Komen te schrijven, word ook geen reflexie geslaagen zo dat ons den dienst hier te zwaar, zo niet onmoogelyk valt, dewyl de ongelden onnut op loopen. Het gebruik is dat by den ontvangst van Lynwaat ginter een getekende Memo¬ „rie der ongelden van de Tarendaers geno„ „men word, dog zulx neemen uwE niet in acht en de Garendaers worden on„ „dertusschen maar afgedankt, zulx ze dan heer koomen en ons aan moeyelykheid helpen en wat kunnen wij daar tegen van uitrechten

NL-HaNA_1.04.02_3167_0399 view scan ↗

English

368. Outrights. Now we have distributed everything, and it is now up to Your Honour to do what is best. On the 17th of this month, the Gomashta of Rasbeherrie, named Ram Gopaal Thakoer, was sent to Palie and returned with nine pieces of linen, but as soon as that merchandise was brought to the gate of the Factory, English Peons from the factory at Sroep Gends, seeing this, came to take the same away and bring it to the English Factory. We have written about this to the English Commissioner, and he thereupon sent a letter to the English Company's Gomashta Nendekosor Tjetgutja, with orders to release that linen, without this having been complied with or followed up despite the receipt of that sent letter, because that Gomashta was rather greatly angered over it. Today, Sam Boos, Gomashta of Gourie Mitter, sent some money to a Rokdaar, a wholesale supplier, and seventeen pieces of linen were brought to him for it, but on the way, the broker of the English at Sroep Gends, learning of this, had the same taken from the people and carried away. Previously we have given Your Honour notice of affairs, and now it is done again. Signed: Ieggernaat Boos, Ram Kissen Daes, Iesoda Doelaal Serma, Hotthoenaat Daes, Ram Gopael Serma, Samsonder Boos, Nayansoek Dhaes, Kissen Gobindaes, Radhasjoin Neeuwkie, and Sjeech Mahmed Akkel. Underneath stood: according to the statement of Gopielaal, translated into Portuguese by, signed: Iacob Eilbracht. Agrees: HC. El. Clercq over No 7. 369 Translation of a Bengali letter written by the Gomashtas from Sjenderkona to their principals, the native merchants Restenzoel and associates, dated the 2nd and received here the 5th of February 1766. We were previously in negotiations concerning the affairs with the gentleman who is here on behalf of the English Company, and received as an answer from him that he would hold the Ponniah on the 28th of January and at the same time settle our affairs. Thereupon, under the names of Hawelet and Potton, we made advances to the Pykaars and weavers. The Englishman, without holding the Ponniah, subsequently gave large 370 advances to all the Pykaars and weavers of Sjnderkona, Kgherpaij, and Rada Negger, and said that they now had to fulfill the contract, while he would begin the business in April, and according to which contract two pieces of linen must be supplied each month by every weaver under penalty of suffering insults and seeing their goods taken away by force. We subsequently went again to that gentleman to inquire what arrangement His Honour had made on our behalf for obtaining linen. That gentleman replied to this that he could not withdraw from the contract according to which he had given money to the Pykaars and weavers; but that he would hold the Ponniah in April, begin the new contracting, and at the same time regulate our work, giving orders to the Pykaars to deliver linen to us. But the latter asked that gentleman how they could deliver goods to us if he would not desist from the contract. To this nothing was said. Meanwhile, the weavers dare not weave any piece of other goods than that which has been assigned to them by that gentleman, for if they make anything else, and he notices it and the matter is proven, he then has the loom taken away and stored in his Factory, so that they can prepare nothing else, while besides this they must also suffer insults. We are therefore considering all kinds of means to make our work proceed, so that the pieces which are woven for us here and there are brought to us quietly and secretly by night; how shall affairs proceed in such a manner. Underneath stood: translated according to Sam Ram's statement by, signed: Iacob Eilbracht. Agrees: Ws. EG Clercq Here No 8. 371 Translation of a Bengali letter written by the Gomashta from Santipoer to their principals, dated the 9th and received here the 10th of March 1766. We, Bidjij Ram and Ramram, make known that we were taken away in the dark by the people of the Santipoer Naib Bharot Tjekkor Bhottie and brought to the said Naib, by whom his servants were subsequently ordered to keep us both in a room and under secure custody, making a claim against us as asamis of two thousand rupees. We thereupon asked what there might be to our charge regarding this detention, and received as an answer that we had to deliver the broker. This made us reply that we were not guarantors for the broker, undertaking however to look for him if they would release us and give people along with us, but thereupon we were

Dutch transcription

368. „Autrechten. Thans hebben wij alles bedeeldt en nu staet het aan uwE om te doen wat best is. Den 17„e dezer is de Gomasto van Rasbeherrie, in name Ram Gopaa Thakoer naar Palie gewoert en te re gekomen met neegen stukken bij „waat, maar zo dra als dat goed to de poort van de Loge gebracht waa zijn er Engelsche Pions van de fach de scroep Gends zulx ziende het zelve komen wegneemen, en naer Cum Loge brengen. — wy hebben hier over aan Engelschen gecommitteerde g schreeven en deze heeft daar op aan d' Engelsche Comp„s Gomasto Nen de ko „sor Tjetgutja een brief gezonden, met ordre om dat Lijwaet te lange „ven zonder dat zulx onaengezien de ontvangst van die brief gezond nog gevolg genoomen heeft dewyl die gomasta veel eer dat - over verstoord is geworden. Heeden heeft Sam Boosgomas„ „ta van Gourie mitter aan een Rokdaar een leverancieir in 't groos eenig geld gezonden en daar voor wierden hem zeventien stukken Lijwaat toegebracht, maar onderweeg heeft de dallael van de Engelschen te scroep Gends, zulx vernee„ „mende, het zelve van 't volk laeten afneemen en weg brengen. Bevoorens hebben wij UwE ken„ „nie van zacken gegeven en thans ge„ „schied het weder /:getekend:/ Ieggernaat Boos Ram kissen Daes, Iesoda doelaal serma, Hot„ „thoenaat Daes, Ram Gopael Ser„ „ma Samsonder boos, Nayansoek Dhaes, Kissen Gobindaes, Radha „sjoin Neeuwkie, en Sjeech Mahmed Akkel /:onderstond:/ volgens opgave van Gopielaal in het Portugeesch vertaald door /: get:/ Iacob ilbracht. Accordeert: H HC: El. Clercq over No 7. 369 Met den Heer die zig alhier van wegen de Engelsche Comp: bevind, zijn wij over de affaires, bevoorens in onderhanden „ling geweest en hebben van denzelve tot antwoord bekoomen dat hij den 28„e Iannuarij Ponniah houden en met een onze zaaken reguleeren zoude. — Daar op hebben wij onder den naam van Hawelet en Potton aan de Pykaars en wevers voor uitverstrekking gedaan. De Engelschman, zonder Ponniah te houden heeft vervolgens aan alle de Pijkaars en wevers van Sjnderkona kgherpaij en Rada Negger zwaare Translaat van een Bengaelsche brief geschree„ „ven door de Gomastas uit sjenderkona aan hunne principaal de inlandsche Kooplieden Restenzoel C: s: gedateerd den 2„e en ont„ „fangen alhier den 5 februarij voor 1766. 376 voor uitverstrekking gegeven en gezegt dat zij nu aan het Contract voldoen moe „den, terwijl hij met de zaaken in April de „ginnen zou, en volgens welk Contract en 's maends, twee stukken Lywaet moe „ten bezorgd worden door ider weever op pane van affront te moeten leiden en hun goed met geweld te zien weg neemen. Wy zyn vervolgens weder by dien Heer geweest om te vernoemen, welk schikking zijn E wegens ons, ter bekomen van Lijwaet gemaekt had. Die Heer gaf hier op tot bescheid, dat hij van het Con„ „tract, volgens het welke hij geld aan de Pi kaars en wevers gegeven had, niet kon afzien; maar dat hij in April Ponnial houden, de nieuwe aanbesteeding be ginnen, en met een ons werk regula ren zoude, aan de Pijkaars ordre ge vende om Lywaat aan ons te bezorgen maar deze vraegde dien Heer, hoe zij aan ons goed zouden Leeveren, indien hij van het Contract niet desisteeren wilde, Hier op wierd niets gezegt. ondertusschen durven de wevers goen stuk ander goed weren, als het geen hun door dien Heer opgedraagen is, want zo zij iets anders maa ken, dat hij het gewaar en de zaak bewezen word, dan laat hij het weeftouw wegnee= „men en in zyn Loge bergen, zo dat zij niets anders gereed konnen maaken, dewijl zij boven dit nog affronten moeten beiden Wy zijn over zulx op allerlei middelen bedagt om ons werk voortgang te doen hebben, zo dat de stukken, die hier en daar voor ons geweeven worden, ons Htil= letjes en bij nagt ter sluik toegebracht worden; hoe zullen op zo een wijs de affaires voortgang hebben. /:onderstond:/ volgens sam Rams opgave overgezet door /:getekend:/ Iacob Eilbracht. Accordeert P W„s E EG Clercq Hier N=o 8. 371 Wij Bidjij Ram en Ramram maken bekend, dat wij door het volk van den santipoer„ „sen Naib Bharot Tjekkor Bhottie in den don= ker weg gehaalt en by den gem: Naib ge= „bracht zin, door wien vervolgens den zijne bediendens geordonneert wierd, om ons beide in een Kamer en goede verzeekering te houden, op ons als afsamees een pretensie makende van twee duijzend ropijen. wij vroegen hier op wat er omtrent deze verzeekering ten onzen lasten weezen mogt, en kroegen tot bescheid dat wij den Da„ „lael bezorgen moesten, Dit deed ons antwoor= „den dat wij geen borgen van den Dalaal waaren, echter aanneemende denzelve op te zoe„ ken, zo men ons largeeren en volk meede geeven wilde, maar daar op wierd ons Translaat van een Bengaal„ „sche brief geschreeven door de Go= =mastor uit santipoer aan hunne principaalen in dato den 9e en ontfangen alhier den 10„e Maart toe 1766.

NL-HaNA_1.04.02_3167_0404 view scan ↗

English

added, that this would be discussed tomorrow, and that we should just stay in the room; while the guards received orders to watch us during the day as people of means. Upon this we were then brought into the room and placed in detention, until early the next morning when we were brought forth; and at the same time four peons were ordered to chastise us with ready bamboos. We indeed asked what the reason was for this procedure, and demonstrated at once that we had already contributed to the assessment of the inhabitants of Santepoor imposed or demanded, but received for an answer that we had indeed paid this for our part, but that we now still had to pay for the account of the merchants. Without listening to our further remonstrances, orders were given to beat us, whereupon we cried out in the name of the Company, a request for justice, to which they answered not to say that we were free to cry out for justice; and that the Dutch Company might also just do for us what it could. Out of fear of punishments and to avoid affronts, we promised to yield to the sacrifice; we were thereupon brought with peons to our lodge and gave all the cash in the treasury, consisting of three hundred twenty-four rupees, and for the remainder of the demand of one thousand rupees returned some pieces of linen, and they obligated us to give security for this. We find ourselves hereby virtually deprived of life, and keeping ourselves hidden, affairs stand still. Beneath it stood: according to the statement of Sam Ram, translated by, signed: Jacob Eilbracht. Agrees: P. Hof P. Le Clercq Number 9. With our previous letter, the state of affairs in the aurang was communicated to you; we now inform you of what has occurred since. Mr. Barwell, an English gentleman, having arrived here, summoned the headmen of the weavers and four of the English gomastas to him; he made them swear with Ganges water in their hands that they would sell no linen to anyone outside the English Company. By the performance of which oath, the thokdars, or headmen of the weavers, have returned to us the money that they received from us as an advance. How will it go with us now? On the 22nd of April, someone went on our behalf to Beta Gloor; returning with 7 pieces of linen, not only was the good taken from him on the way by the people of the English, but this man was driven away with a severe beating. Beneath it stood: according to the declaration of Sam Ram, translated by, signed: Jacob Eilbracht. Agrees: P. Hof W. El. Le Clercq Translated Extract from a letter from the Gomastas at Zeggernaatsoer to their principals, dated 25th of April, and received here on the 5th of May 1766. Number 10 Translated Extract from a Bengali letter written by the Gomasta from Santipoor to their principals, dated the 11th, and received here on the 13th of May 1766. Bharrs Tjekker Bettie Isaac, we wrote of in our previous letter and is known to Your Honour. He has since bound himself in writing for the benefit of the Raja to produce two thousand rupees by the 5th of May, and thereupon he arrived here. No sooner had he arrived than he had Gobinderam Sarkar seized and hung by his hands from a trestle and terribly beaten. Gobinderam, being terrified, said that he was now acting on behalf of Bhollonaat. But without listening to this, he had him thrashed even worse. We, seeing this, kept ourselves so concealed here and there that Tjekker Bettie could lay hands on not one of us. The said agent of the Raja, seeing that he could not collect the promised money, fled from here on the night of the 4th of this month with all his people, and since that time, no one on behalf of the Raja having appeared before us, we have returned from our hiding places and made a start on the work. Beneath it stood: according to the statement of Sam Ram, translated by, signed: Jacob Eilbracht. Agrees: P. Hof W. El. Le Clercq Number 11. Copy of a letter from the Resident at Buddal, dated the 13th of September 1765. My Lord and Gentlemen, In my address of the 27th past, I informed Your Honours of the cause of the complaints by the Director etc. at Hooghly, which Your Honours' letter of the 26th past, accompanied by a second, obliges me to trouble Your Honours with again on the other hand. Your Honours' first orders for their assistance reached me only five days before the date of their latest complaints, and in that intervening time, none of their gomastas have come. On the 4th of August, I offered them 200 pieces, and gave orders for all required help; they purchase daily, and I am well assured that they will soon complete their collection. The Dutch Gomastas could have been supplied much earlier, had they avoided other paikars etc.

Dutch transcription

372 toegevoegd, dat daar morgen over gespr „ken zou worden, en dat wij nu maar ^ de Ho „mer zouden blijven; terwijl de wagters ovare kregen ter daeg op ons te passen als luijden van „mogen zijnde Hier op woerden wy dan inde kamer gebracht en in verzeekering gesteld, too. anderen daegs morgens vroeg wanneer wij voor den dag gebracht; en tevens vier Pions geordonneert wierden, om ons, m van een gereete bamboesen te Kastijde wij vroegen wel wat de reeden was vo deze procedure, en vertoonden met een dat wij reets gecontribueert tot de scho „ling der inwoonderen van santepo opgelegt of afgevordert, maar kreeg ten antwoord, dat wij dit voor ons aand wel voldaan hadden, maar dat o nu nog voor raek= van de koopl „den betaelen moesten. zonder te luijsteren na onz verdere Remonstratien wierd er ordre gegeven om g onste slaa zulx wij op naam van de Comp: dohan uit vreeze voor straffen ter vermyding van affronten beloofden wij ten offer zul= te koomen, wij wierden daar op met Pions naar onze Loge gebragt en gaven beide antsc den „ voorraed van de kas ten beste, bestaen¬ de in drie hondert vier en twintig ropijen en voor het restant van den Eisch van duizend Ropyen eenige stukken Lijwaat te rug gegeven, en men verplichte ons hier voor cautie te stellen. wij bevinden ons hier door genoegsaam van het Leeven beroofd, en ons verborgen houdende staen de zaeken stil /:onderstond:/ volgens sam Rams opgave getranslateert door /:was getekend:/ Iacob Eilbracht. /:een verzoek om recht:/ roepen, het welk men beantwoorde niet te zeggen dat wij vrij dohaij mogten roepen; en dat de holland sche Compagnie ook maar voor ons doen mogt wat zy kon. Accordeert P:Ho P„: El Clercq een No 9. 373 Bij onze voorige is uw den toestant van zaaken in de arreng mede gedeelt thans geven wij uw kennis van 't geen zee„ „dert is voorgevallen. M=r Barwell Een Engelsch Heer, hier g'arriveerd zijnde heeft de hoofden der wevers, en vier van de Engelsche gomastos bij zig ontbooden, deze heeft hij met Ganges waar ter in de hand laten zweeren, dat zij buijten die Engelsche Comp: aan niemand eenig Lij„ „waat verkoopen zouden. Door het presteeren van welke Eed, de Thokdaers, of hoofden der wevers, het geld, dat zij van ons op haid ontfan„ „gen hebben, ons te rug hebben gegeven. Hoe zal het nu met ons gaan. Den 22„e April is er onzentweegen imant naar Beta Gloor geweest, te rug komende Translaat Extract uijt een brief van de Gomastos te Zeg= gernaatsoer aan hunne principaalen de dato 25e April en ontfangen alhier den 5=e Meij 1766 met met 7 stukken Lijwaat, is hem onder weg niet alleen het goed door het volk van de Engelschen afgenoomen, maar deze man heeft men met een pak slaag weg gejaegt /:onderstond:/ volgens sam Rams uitsegging /: vertaald door /:get:d:/ Iacob libracht Accordeert D. Hof W: ElijClercq No 10 374 Bharrs Tjekker Bottie 'Izaak hebben wij bij onze voorige geschreeven en is uwE bekend. Hij heeft zig zedert ten behoeven van den Radja schriftelijk ver= „bonden om twee duizend ropyjen tegen den 5 Mei te zullen Opbrengen en daar op is hij alhier aangekoomen, zo dra was hij niet gearriveert of hij liet Gobinderam serkaar oppakken en aan een bok aan de handen ophangen en eisselijk slaan. Gobinderam beangst wezende, zeide dat hij thans gaen bedoende van Bhol„ „lonaat was. Maar zonder hier na te luisteren, liet hij hem nog erger afrossen. Wij, dit ziende, hielden ons hier in daar, zoodanig verborgen, dest Tgekker Translaat van een Extract uyt een Bengaalsche brief geschreeven door de Gomasta uit Pantipoor aan hunne principaalen de dato den 11„e en ontfangen alhier den 13„e Mei 1766. — Bestig Bettie geen een van ons in handen, heeft konnen kryjgen, genoemde sig daar van den Ragia ziende dat hij de beloofde penningen niet konde bij aen brengen is den 4„e „zer 's nagts hier van daan gevlugt met al zyn volk, en zedert die tyd niemand van weegen den Radja by ons vertoond hebbende, zyn wij uit onze schuilplaat „zen alhier te rug gekoomen met het werk aen begin gemaakt /:onderstond volgens samrams opgave vertaald door /:was get:d:/ Iacob Eilbracht. Accordeert Nof W: E GClercq No. 11. 375 Copy brief van den Resident te Buddal gedateerd den 13e September 1765. — Mylord en Heeren En myn adares den 27 Jongstleeden on= „derrigte ik UEdelens de oorsaak der klag= „ten door den Directeur &c„a te Houglij welke uEdelens brief van den 26: J: verzeld van een tweede :/ my verpligt uEdelens anderdeels weeder lastig te vallen. UEdelens eerste bevoelen tot hunne bystand, zyn mij eerst geworden, vyf dagen, voor den datum hunner laatste klagten, en in dien tusschen tijd, zyn geene hunner gomastas gekoomen. Den 4e Augustus heb ik hun 200 stuk „ken aangebooden, en gaf orders tot alle ver „eischte hulpe zy koopen dagelyks in, en ben wel verzekert dat zij spoedig hunne in- zaameling, voltallig zullen maaken De Hollandsche Gomastas, zouden al vroeger voorzien hebbe kunnen weezen, indien zij verkoopen hadden, andere paykaers &ca.

NL-HaNA_1.04.02_3167_0410 view scan ↗

English

376 to employ etc., but they imagined that I as usual would permit those who are bound to the Noble Company and are in service under contract solely to supply them before my collection was complete, by which means they have always procured their quantity earlier and cheaper. Our disbursements made in advance enabled the paykaars etc. to assist them therein, without them spending anything. The Dutch gomastas, being disappointed in this assistance and foreseeing the difficulty of providing their share of the collection in time, applied to other dallaals etc. I could not tolerate that they should purchase those linens for which I had contracted and made advances, which was truly the case while at the same time farming them out, and that is the reason for their complaints. I have not opposed them and wished they had not opposed me; their own ill-considered dependence, in expectation of being supported by dallaals, paykaars etc. who could not serve them without breach of contract, has been the hindrance, and that their affairs have come to a standstill is the fault of their improper way of acting. The English Company's paykaars, dallaals and weavers cannot deliver more linens than those that are needed. If the Dutch gomastas employ others, no disputes will occur, and they will be provided for. I have the honour to remain with much respect, below stood etc., was signed Nichs. Grueber. In the margin: Fort William the 7 October 1765. Below that: A true copy, was signed W. Majendie. Lower stood: for the translation, signed Gregs. Herklots. I must only add here that, pursuant to my orders to the dallaals to assist them, I have noticed that nowhere near as many linens are being brought as before, which must be because the Company's pykaars etc. are permitted to serve the Dutch. Copy translation of a letter from the English gomastas at Herriapaal to the resident there, dated the 6 September 1765. We have received Your Honour's letter of complaints against us, that we were holding back the business of the Dutch gomastas at Dienniacalij, beating their weavers, and putting a chop on their linens. We gave our advances to the weavers in the month of January. The Dutch gave theirs in the month of April. The same speed is made for both, and now the French and the Dutch have received a quantity of linens, and we to date only seven thousand pieces, and at present it becomes less daily. When our arreng gomastas ask the weavers for linens, they complain to the Dutch gomastas to say that they are theirs; this is the cause of their complaints. We have never beaten their weavers; what have we to do with their affairs? From the weavers to whom we have made advances, we must receive linens, and if they do not give them but sell them to the Dutch, we must threaten them, or all our business must come to a standstill. If the weavers sell our linens to other people and we are not allowed to punish them, how then can business proceed in the arreng? Formerly no one had such power when black gomastas were here. We have never stopped any Dutch linens or put a chop on them; no one can prove this against us. If only such 377 such false complaints are made and Your Honour is angry with us, we will become afraid to conduct business. The collection is larger this year than any year before. In seven months we have received only seven thousand pieces; at present we get fewer linens daily and have only five months left to fulfill the same. How can the Company's demand be met? Your Honour is our master, and we must do as Your Honour orders, but we cannot answer for the collection. Below stood: Fort William the 7 October Anno 1765. Lower: A true copy, was signed Wm. Majendie, secretary. Lower stood: for the translation, signed Gregs. Herklots. Request. Agreed DV. Eijlenc 378 Translation of a Persian arzdasht, written by the sercaar Koensjoe Beharoe Daas residing at Bellazoor, to the Honourable George Louis Vernet, Director of Bengal, Behar and Orissa, received here the 10th of March 1766. Benevolent Lord, my protector, whose widespread shadow may increase. Mr. Marriott, an Englishman who is at Bellazoor, has had construction done on Company land without my knowledge, and a certain peon named Tillok Ram has had a small gate made on the south side of the wall of the Company's lodge for fetching drinking water. As a Company servant, I deemed it necessary to bring this to Your Honour's notice, because it might happen No 12.

Dutch transcription

376 &c=a in 't werk te stellen, dog verboelden zi dat ik (: als gebruikelijk / zoude toelaaten, dat d welke aan d' Edele Comp: verbonden en den verdrag in dienst zijn eenelijk hun zoud verzorgen, voor dat myne insaameli voltallig was door welke middelen hunne quantiteit, altoos vroeger en goed kooper bezorgd hebben, onze voor in't verstr kingen stelde de Paykaars &c„a in staat he daar in te helpen, zonder dat zij iets ui „gaaven. De Hollandsche Gomastas, zij in deeze onderstand, te leur gesteld en voo zaagen, de moeyelykheid om hun aande in d'ensameling in tijds te verzorgen, in d zig bij andere Dellaals &c„a vervoegden Ik kon niet gedoogen, dat zij die Lijwake zouden koopen, waar voor ik had gecom tracteert en advances gedaan, 't welk waarlik de zaak was /:terzelver tijd, de ve ontboerende:/ en is de reeden hunn klagten. Ik heb hun niet tegen gewees en wenschte zij niet, tegen mij gewees waaren, hunne eigene qualyk overgeleg Ik moet hier eenelijk byvoegen, dat ingevolge myne orders aan de Dallaals, om hen te helpen, ik opgemerkt heb, er op verre na zo voel Lywaaten, niet ge= „bragt worden als bevoorens 't welk moet zijn, om dat de Comp=e Pykaars &ca toegestaan is de Hollanders te doenen. Ik heb d' Eere met veel respect te blijven /:onderstond:/ &c=a /was geteekend afhankelykheid, in verwagting van door Dalaals Paykaars &a ondersteund te worden, die hen niet konden dienen„ zonder aen breuk in 't Contract is de verhindering geweest, en dat hunne zaa„ „ken hebben stil gestaan is de schuld van hunne oneigene wyze van doen. D' Engelsche Compes. Pykaars, Dalaels en weevers kunnen geen meerder Lywaa= „ten Leveren dan die er van nooden zijn. Indien de hollandsche Gomastas andere in't werk stellen zullen er goen verschillen voorvallen, en zij verzorgd worden. Nich=s af Nichs. Grueber : ter zijde:/ Fort William den 7 October 1765. /:daar onder:/ Een wa afschrift /:was getekend/ W: Majendis Jea lager stond:/ voor het Translaat / get=d Gregs Herklots. Copij Translaat van een brief van d' Engelsche Gomastos te Herriapaal Aan den Re sident aldaar, gedagteekend den 6 Septem 1765. — Wij hebben ontfangen uw Edeles brief van klagten tegens ons, dat wi de zaaken der Hollandsche Gomas te Dienniacalij zouden teegenhouden hunne weevers slaan, in een sjapO¬ hunne lywaaten zetten, onze advan hebben wy de weevers in de maan van Jannuarij gegeven, De Holla „ders gaven de hunne in de maan April, dezelfde spoed word voor beide gemaakt, en nu hebben des „schen, en de Hollanders een quanti Lijwaaten ontfangen, en wy tot hee eenlijk zeven duijzend stukken, en thans word het dagelyks minder, wanneer onze arreng Gomastos, by de wevers na Lywaaten vraagen klagen zij aan de Hollandsche Go= mastos, om te zeggen, dat het de hunne zijn, dit is de oorzaak hunner klagten; wy heb„ „ben nooit hunne weevers geslaagen, wat hebben wij met hunne zaaken te doen? De weevers aan welke wy advances gedaan hebben, van hun moeten Wij Lywaten ontfangen, endoen zij die niet geeven maar aan de Hollanders verkoopen, moeten wy hen dreigen, of alle onze zaaken moeten stil staan, In dien de wevers onze Lywaaten, aan ander volk ver= =koopen, en wy hen niet moogen straf= „ten, hoe kunnen dan de zaaken in de Arreng voortgang hebben, bevoorens had niemand zodanig een magt, wanneer zwarte Gomastas hier waa= ren, we hebben nooit eenige Holland= sche Lywaaten teegen gehouden, of een sjap daar op gezet niemand kan dit teegens ons aantoonen, indien eenelyk zulke - 377 zulke valsche klagten gedaan vor den en uEdele toornig op ons zijt zullen wy bevreesd worden de zaaken waar te neemen, De insaameling is dit Jaar grooter, dan eenig Jaar bevoo„ =aens in zeven maanden, hebben wij eenelyk zeven duizend stukken ont¬ vangen, thans krygen we daagelyks minder Lijwaaten, en hebben eenelijk vijf maanden om dezelve te voldoen hoe kan de Compagnies Eissch voldaan worden, uEdele zyt onze gebieder en wy moeten doen, gelyk uEdele ordonneert, dog kunnen voor de In¬ =sameling niet instaan /:onderstond Fort William den 7 october A„o 1765 /:Lager:/ Een waar afschrift /:was getek=d) W„m Majendue secret=s /lagerstond:/ voor het Translaat, /:getekend:/ Greg=s Hor =klots. Verzoek. Accordeert DV: Eijlenc 378 Translaat persiaan, „sche Arzdaast, geschreeven door den te Bellazoor ver„ blijf houdende sercaar Koen„ „sjoe Beharoe Daas Aan den EE. Achtbaaren Heer George Louis Vernet Directeur van Bengale Behaer en Orissa, ontvangen alhier den 10„e Maart 1766 Goedgunstige Heer; myn Voorworp Wiens uytgestrekte schaduwe vermeerdere M=r Marriott een Engelschman die zig te Bellazoor bevind, heeft op 's comp„s grond, zonder mijn voorkennis, laten bouwen, en zeke= „re Pion in naame Tillok Ram, heeft aan de Zuidkant van de muur van s Comp„s Loge, een poortje laaten maaken, tot het haalen van drinkwater Ik heb als een Comp„s dienaar noodig geoordeelt uwE dit ter kennisse te brengen, om dat het zou kunnen gebeuren No 12.

← previousnext →