Inventory 3295
Malabar · 718 pages · 126 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
to do, though without fruit. And as they now complained anew that they were often unable to come to the city because they were detained, dragged away, and forced by violence into the work of the king or his regiadores; that, besides a new assessment of poll tax, they now had to pay far more for the customary burdens than they had ever paid before, and that this ran so high that where previously, for example, they could suffice with 20 to 30 fanums for a fishing net, they were now in its place extorted of as much as 230 and more fanums, I spoke about this with the envoy, and represented to him the distress and oppression of these poor people in a moving manner. He listened to everything with attentiveness, and not only promised, but at the same time also ordered the Governor of this province, who was present, on pain of the king's indignation: That he should take care that the Honorable Company be given no cause for displeasure, and above all that the people who had to go to the city were not detained. Yet regarding the assessment, he declared that he could say nothing, and also could not discuss it with the king, since it had now been paid in that manner for several years already, and the king would certainly yield nothing of it. However, I brought against this: That the possession of a privilege acquired through superior force and maintained through violence could never be lawful; that according to the oldest treaties, these people were subjects not only of the king, but also of the Honorable Company; that the king himself had bound himself by the latest treaty to take no more from them than ancient custom brought with it; and that on that account it was not in his power to make any change therein without the consent of the Honorable Company. And this was finally of such consequence that he undertook and promised: To speak with the king concerning the assessment of the native Christians and to provide a positive answer regarding it. It will also appear below that he kept his word in this respect, since the king, in the very next letter, requests that the previously established tax of 64 fanums for each fishing net may remain; and by which he clearly indicates that whatever more those poor people have had to pay was extorted from them in an unjust manner by the minor regiadores without his knowledge. The Tenants and Inhabitants of the Honorable Company's Gardens and Lands. These people have for some time past complained: That when they wished to bring their produce of coconuts, oil, paddy, etc., to the city, their vessels were not only hailed and inspected, but also often held in arrest until they had paid a heavy toll on those goods to the satisfaction of the guards and postholders. Having spoken about this with the envoy and demonstrated the unfairness thereof, he declared that this had occurred without the order and knowledge of the king, but that it would no longer happen in the future, and he at the same time instructed the Governors present to send written orders immediately to all their subordinate postholders and guards: That no one shall presume ever to demand or take any duty or toll from the Honorable Company's tenants, subjects, or dependents. The Boundary Separation at Saint Andries. A regiadore of the king has, on his own authority, not only moved this, but also had a boundary tree cut down and sawn into planks. The envoy, having heard this, thought he could scarcely believe it. Yet being completely convinced of the truth by the declarations of credible people, he promised: That the old boundary separation would not only be restored, but also the boundary tree returned or paid for. And both of these have also taken place. Two Pieces of Land, of which the one is situated at Manicoorde and the other at Tombolij. These have, upon unfounded claims of neighboring owners, already been taken and withheld from the Honorable Company's tenants for several years, without it being possible to obtain justice upon the protests and complaints made against it. Yet now, having thoroughly investigated everything and having even heard the people who have lived on those lands from generation to generation, the decision was reached: That these lands should immediately be returned again without exception. And this was also duly carried out shortly afterward by order of the envoy. The Land of Bitsjoer. This was given in full ownership to the Honorable Company in the year 1740 by the king of Berkincoer, by a written deed, for the maintenance of the garrison of a stockade that still stands to this day. However, shortly afterward the Crown Prince of that realm laid claim to the largest half of the same. And subsequently, that part even fell under the power of the king of Porca, who is also claimed to have had the coconut trees planted that stand upon it. Thus, this dispute began early on and has caused much disturbance
Dutch transcription
te doen, schoon sonder vrugt. En dewijlze nu op 't nieuw klaagden, dat ze dikwils niet naar de stad konden komen om datze tegenge„ „houden; weggesleept, en met Geweld tot het werk van den koning of desselfs ragiadoors gedwongen wierden; dat ze behalven eene nieuwe Schatting van Hoofd-geld, voor de Gewoone Lasten thans veel meer betalen moesten, danze ooit bevoorens betaald hadden, en dat dit zoo hoog liep, dat daarze bevoorens B: v: voor een vischnet met 20: â 30: fanums volstaan konden, hen nu in dies plaatze wel 230: en meer fanums afgeperst wierden zoo onderhield ik hier over den afzendeling, en stelde hem de nood en verdrukking van deeze arme menschen op een beweeglijke wijze voor Sij hoorde alles met oplet„ „tenthijd aan, en beloofde niet alleen, maar ordonneerde ook teffens den Gouverneur van deeze provintie die prezent was op poene van 's konings indignatie. Dat hij zorge konde dragen dat de E Comp: Geene reeden van misnoegen Gegeven 211 Gegeven en voor al het volk dat naar de stad moeste Gaan niet tegengehou„ den wierde: Dog nopens de schatting ver„ „klaarde hij niet te kunnen zeggen, en ook den koning daar over niet te kunnen onderhouden, alzoo dezelve nu al 't sedert verschijde Jaaren indiervoegen betaalt was, en de koning daar van zeekerlijk niets zoude vallen laaten. maar ik bragte hier tegen in: Dat de possessie van een voorregt door overmagt verkreegen, en door geweld Gemainctineerd, nooit wettig konde zijn; Dat blijkens de oudste Tractaten deeze menschen niet zoo wel onderdanen van den koning als van D E Comp: waaren; Dat de koning selfs bij 't Jongste Tractaat zig verbonden hadde van de„ „selve niet meer te zullen neemen, dan de oude Gewoonte meede bragte; En dat het uijt dien hoofde niet in zijne magt stond, sonder toestemming van de EComp: daar in eenige verandering te maken. En dit was Eijndelijk van dat Gevolg dat hij aannam en beloofde: Den gen Den koning over de schatting der Jnland„ „se Christenen te zullen onderhouden en dien aangaande een positief antwoord te zullen besorgen. Ook zal hier agter blijken dat hij ten deezen opzigte zijn woord heeft gehouden, alzoo de koning bij de eerst volgende brief verzoekt dat de bevoorens gestelde taxa van 64: fanums voor ieder visch- net blijven mag; en waarmee„ de hij duijdelijk tekennen Geeft, dat al wat die arme menschen meer hebben betalen moeten, hen buijten zijn weeten op een ongeregte wijze door de mindere Ragiadoors afgeperst is. De Pagters en Bewoonders van 'S Ecomp:s Thuijnen en Landerijen. Deeze minschen hebben al't seedert eenigen tijd herwaarts Geklaagt; Dat als zij hunne producten van klappers, olij, nelij enz: naar de stad wilden brengen, hunne vaartuijgen niet alleen aangeroepen en Gevisiteert, maar ook dikwils zoo lange in arrest Gehouden 212 Gehouden wierden, tot zij tot Genoegen van de wagters en posthouders een swaare Thol van die Goederen betaalt hadden. Hier over met den afzende„ „ling Gesprooken en de onbillijkheijd daar van aangethoond hebbende, zoo verklaar„ de hij dat dit Geschied was buijten or„ „dre en weeten van den koning, dog dat het in den aanstaande niet meer Grbeu„ „ren zoude, en hij gaf teffens last aan de prezent zijnde Gouverneurs, terstond aan alle hunne onderhoorige posthou„ ders en wagters schriftelijke beveelen aftezenden. Dat niemand onderneemen zal van sEcomp:s pagters onderdanen of onderhoorige ooit eenige Geregtighijd of Thol te vorderen of teneemen. De Limiet- Schijding op S:t Andries Deeze heeft een Ragiadoor van den koning niet alleen op zijn eijgen authoriteijt verzetten, maar ook een maal-boom om verre kappen en tot planken zaagen laaten. De De afzendeling zulx gehoort hebbende, vermeende het nauwlijx te kunnen Gelooven. Dog door de verklaringen van Geloofwaardige menschen van de waarhijd volkomen overtuijgt zijnde, zoo beloofde hij: Dat de oude Limiet Schijding niet al¬ leen hersteld maar ook de maal- boom terug Gegeven of betaald zoude werden. Geschied. Twee Stukjes Land, waar van het eene op Manicoorde, en het ander op Tombolij is Geleegen. Deeze zijn op ongegrond te Cl Eijsschen van door naastleggende eijge„ „naars al voor eenige Jaaren van 'sEComp=s pagters afgenomen en Gehouden, zonder dat men op de daar tegen Gedaane pro„ „testatien en klagten regt heeft kunnen erlangen. Dog thans alles in de Grond „ondersogt „en de menschen die op die landen van En dit een en ander is ook ouders 213 ouders tot ouders gewoont hebben, zelfs Gehoort zijnde, zoo viel het besluijt. Dat deeze Landen zonder exceptie ten eersten weder terug Gegeven zouden werden. En dit is ook kort naderhand, ter ordre van den afzendeling behoorlijk volbragt. Het Land van Bitsjoer Dit is in anno 1740: door den koning van Berkincoer, bij eene schriftelijke acte in vollen eijgendom aan D EComp: Gegeven, tot onderhoud van de bezetting van een Pagger die tot heeden nog staat. maar kort naderhand maakte den kroon prins van dat Rijk op de Grootste helfte van het zelve pretentie. En vervolgens raakte dat Gedeelte zelfs onder de magt van den koning van Porca, die men ook beweert dat de klapperboomen heeft laten planten die 'er opstaan. Dus is dit verschil al vroeg begonnen, en heeft veel beweeging ver oorzaakt
English
caused. One even went so far as to complain about this to the King of Trevancoor. And although those olas can no longer be found, it was nevertheless on this occasion, according to the testimony of the Palietter and Ezechiel Rhabbij, that he answered: That if the King of Porca did not want to hand it over with goodwill, one should simply take it from him by force. Nevertheless, this same King of Trevancoor, upon the conquest of Porca, likewise appropriated it for himself and had given it for the maintenance of a pagoda. And it is possible that this was one of the main reasons why nothing could be accomplished with all the representations and protests that were made in the early years. For even now that this matter was treated deliberately and fundamentally, I needed all attentiveness to counter the governor of this province, who wanted to prove with a false boundary demarcation, with the possession and planting of the coconut trees of the King of Porca, and with the subsequent conquest, 214 that the property of the King of Trevancoor was legitimate, and had since become entirely indisputable through long-standing possession. Yet, since the envoy possessed great intelligence and modesty, and I especially had the aforementioned testimony of the Palietter and Ezechiel in my favor, I effectively brought matters so far that a decision was made. To dispatch commissioners from both sides, in order to seek out and restore the true old limits on the spot itself. These also departed immediately. But after the lapse of four days, they returned without having accomplished anything, due to the governor who had offered so much opposition. And then the envoy promised that, on his return journey to the Court, he would fulfill that commission himself. Yet that did not happen either. That same governor knew how to make him so fearful with the dreaded disfavor of the Brahmins and the king that he did not dare to take the formal decision upon himself. Merely letting me know that he could not carry it out now for lack of time, but that he would confer with the king about it. The outcome has also shown that he must have done this in an emphatic manner. For in the first ola appended hereto, which I received after his departure, the king wrote: That he had given orders to two of his principal servants, together with the Palietter, to go to Bitsjoer, to inspect the boundary demarcation, and to put the Honourable Company into possession of that which it had previously possessed. And these have also duly fulfilled their charge. They went thither with the chief toll-gatherer, the Jewish merchant Ezechiel Rhabbij, and the tree-counter or overseer of the lands and gardens, and have again determined the old limits anew. The land itself, which forms a square of which each side covers a good quarter of a German mile in a straight line, has been turned over to the 215 tree-counter. And a formal deed of all this having been executed and signed by them, the Honourable Company has finally been restored to its right, and thereby a dispute that has lasted for nearly thirty years has simultaneously been cleared away, about whose favorable outcome I myself had not doubted without reason; since it is a well-known fact that the present King of Trevancoor stands very strongly under the approval of the Brahmins, and these do not easily surrender anything once they have it under their power. Having addressed the envoy on this matter and proved with the latest treaty that the king had bound himself and was obligated by virtue thereof to pay it, he knew to answer nothing else thereto than that he believed this to have been done long ago. But for lack of better evidence, I referred to a note that can be found at the back of the left-behind The Debt of Attinga memorandum of Mr. De Jong, to show: That this debt amounted in total to ƒ 76707:15:2 That on this there was only paid in cash and in pepper . . . 30229:13:8. And that consequently there was still lacking for the complete satisfaction - - - - ƒ 46478:2:— And a translation of this into Malabar having been made and handed to him, he promised to confer with the king about it, as indeed appears from the subsequent letter to have taken place. But the king writes: That the debt was already settled at the time of Mr. Cunes with his envoy Pokoe moessa marcar, and that he would look up the account thereof, and if it were found, let it be sent to me. And since one cannot prove the contrary of this due to the absence of the trade books, although it is true that Mr. Cunes preceded Mr. De Jong in the administration, 216 and the latter consequently would very improperly, and wrongly, have appended the just-mentioned note to his left-behind memorandum, this matter has therefore remained unsettled to this day, although I have already made further written application to the first minister of state who was here, requesting that this settlement might finally be looked up and sent to me without delay. According to the latest treaty, as many pepper passes must be given to the King of Crevancoor as times he has delivered 300 Candyls to the Honourable Company. Yet according to a bad practice that has crept in, for some time past not only have ten passes been issued to him annually as a fixed number, but in addition to that, the old ones that had not been used were also repeatedly renewed by a further signature. And this custom the envoy desired to The Pepper Passes
Dutch transcription
oorzaakt. zelfs is men zoo verre gekomen om daar over aan den koning van Trevan„ coor te klaagen. En schoon die olas niet meer te vinden zijn, zoo was het egter bij deeze Geleegenthijd, volgens het ge„ tuijgenis van den Palietter en Ezechiel Rhabbij, dat hij tot antwoord gaf: Dat als de koning van Porca het niet met goedheijd wilde overgeeven men 't dan maar met Geweld van hem nemen moeste. nogthans heeft deeze selfde koning van Trevancoor bij de verovering van Porca het zig insgelijx toeg'eijgent en tot onderhoud van eene Pagood Gegeven Gehad. En mogelijk dat dit een van de hoofd-reedenen is Geweest, waarom men met alle vertoogen en protestatien, die in de eerste Jaaren Gedaan zijn, niets heeft, uijtvoeren kunnen. want selfs nog nu dat deeze zaak met opzet en in de Grond verhandelt wierd, hadde ik alle oplet„ „tendheijd noodig om den Gouverneur van deeze provintie tegen te gaan die met eene valsche Limiet Schijding met de bezitting en aanplanting der klapper„ „boomen van den koning van Porca, en met de daar op Gevolgde verovering bewijzen F 214 bewijzen wilde; dat de Eijgendom van den koning van Trevancoor wettig, en't seedert door een Langjaarige possessie in't Geheel onbetwistbaar Geworden was. Dog dewijl de afgezant zeer veel verstand en beschijdenthijd bezat, en ik voornamentlijk het voormelte getuij„ „genis van den Pallietter en Ezechiel in mijn voordeel hadde, zoo bragte ik het eijgentlijk zoo verre, dat er een besluijt Genomen wierd. om van wierskanten Gecommitteer„ „dens aftezenden, ten eijnde op de plaats zelfs de oude waare limieten opte soe„ „ken, en te herstellen. Deeze vertrokken ook ten eersten. maar Quamen, na verloop van vier dagen, door toedoen van den Gouver„ „neur die zoo veel tegenstand Gebooden hadde onverrigter zaake weder terug. En toen beloofde de afzende„ „ling, dat hij in zijne terug rijze naar 't Hof zelfs die Commissie volbrengen zoude. Egter is dat ook niet Geschied. Die zelfde Gouverneur wiste hem met de Gevreesde ongunst der braminees en des konings zoo bang temaken dat hij de formeele formeele beslissing niet op zig neemen durfde. Laatende mij eenelijk weeten, dat hij het door Gebrek aan tijd nu niet uijtvoeren konde, maar dat hij den koning daar over onderhouden zoude. De uijtkomst heeft ook Getoont; dat hij dit op een nadrukkelijke wijze Gedaan moet hebben. want bij de hier agter Gevoegde eerste ola, die ik na zijn vertrek ontfing, schreef de koning: Dat hij twee van zijne voornaamste bediendens met den Pallietter ordre gegeven hadde naar Bitsjoer te gaan, de Limiet schijding tebezigtigen en de EComp: in possessie te stellen, van het Geen zij bevoorens bezeeten hadde. En deeze hebben ook aan hunnen last behoorlijk voldaan. zij zijn derwaarts gegaan met den oppertoek„ den Joods-koopman Ezechiel Rhabbij, en den boomtelter of opziender der Lan„ „derijen en Thuijnen, en hebben de oude zi„ „mieten op 't nieuw weder bepaalt. Het Land selfs dat een vierkant uijtmaakt, waar van ieder zijde ruijm Een vierendeel van een duijtsche mijl in eene regte Linie beslaat, is aan den boom 215 boomtelter overgegeven. En van dit alles eene acte in forma gepasseert en door hen onderteekend zijnde, is DEComp: eijndelijk weder in haar regt hersteld en daar door teffens uijt de weg Geruijmt een verschil dat bij de dertig Jaaren herwaarts geduurt heeft, en aan welks Goede uijt„ „slag ik zelfs niet sonder reeden Getwijf„ „feld heb; dewijl het eene bekende zaak is, dat de prezente koning van Trevan„ „coor zeer sterk onder het goedvinden van de braminees staat, en deeze niet ligt iets overgeeven, het Geinze eens onder hunne magt hebben. Hier over den afgezant aan„ „gesprooken en met het Jongste Tractaat beweezen hebbende, dat de koning zig verbonden hadde en uijt uijt hoofde verpligt was, die te betaalen, zoo wis te hij daar op niets anders te antwoorden dan dat hij Geloofde, zulx bereeds voor lange Geschied tezijn. Dog ik berief mij bij Gebrek van beetere bewijzen op eene notitie die agter de nagelatene De Schuld van Attinga Memorie den memorie van den Heer De Jong is te vinden, ten blijke: Dat deeze Schuld in't Geheel bedraagen ƒ 76707:15:2 Dat hier op in Contant en aan peper maar betaalt waaren. . . „ 30229:13. 8. En dat bij gevolg aan de Com„ pleete voldoening nog hadde - - - - En hier van eene overzetting in't mallabaars gemaakt, en hem ter hand Gesteld zijnde, zoo beloofde hij den koning daar over te zullen onderhouden, invoegen ook uijt de hier agter volgende brief blijkt geschied tezijn. manqueerden - - - ƒ46478: 2: — Maar de koning schrijft: Dat de Schuld al ten tijde van den Heer Cunes met zijn afzendeling Pokoe moessa marcar vereffent was, en dat hij de Reekening daar van zoude opzoeken, en als ze gevonden wierd mij toekomen laaten. En dewijl men het teegen„ „deel hier van bij manquement van de negotie boeken, niet bewijzen kan, schoon het waar is dat de Heer Cunes in't be„ „stier voor den Heer De Jong is Gegaan en . „ 216 en de laatste bijgevolg zeer oneijgen, en ten onregten, de even Gemeldte notitie agter zijne nagelatene memorie zoude hebben gevoegt, zoo is daar door deeze zaak tot heeden onafgedaan gebleeven, Schoon ik bereets bij den eersten Staats minister die hier is Geweest, schriftelijk nader aanzoek heb gedaan, dat die afreekening tog ten eersten mogte opgezogt en mij toegezonden werden. Volgens het Jongste Tractaat moeten aan den koning van Crevancoor zoo veel peper passen Gegeven werden als dikwils hij 300: Candijlen aan de ECompagnie geleevert heeft Dog volgens een ingesloopen quaad Gebruijk, zijn nu al 't seedert eenigen tijd herwaarts niet alleen Jaarlijx vast Thien passen aan hem afgegeven maar men heeft ook boven dien telkens de ouden die niet Gebruijkt waaren, vernieuwt door een nadere onder„ „teekening En deeze Gewoonte begeerde de De Peper Passen afgezant te
English
envoy, that this should take effect further, and that on this account he might again obtain ten passes for the year 1770, together with the renewal of all the old ones. But this I positively rejected, saying that this was contrary to the treaty, to which I was just as much obligated to adhere as I lived in the hope that the King would likewise do; that if much pepper were delivered, I would also grant many passes; but that these would not be valid for longer than one year, whether they were used or not; and that I had also already sent orders to the servants at Coilang, Calicoilang, and Porca to accept no more old passes for endorsement. The envoy, and with him the Chief Rajadore of the pepper delivery, had at first very much against this, and considered that long-standing custom in this matter had already become a law. But I convinced them in a serious yet polite manner of the contrary, and thereby finally brought it to this decision: That with respect to the pepper passes, actions shall be taken according to the contents of the latest treaty. The Pepper Delivery This having decreased very much for some years past, I lodged my complaint about it. I presented to the envoy that it was indeed utterly impossible for the Honorable Company to bear the King goodwill, while it had to experience more and more that in this matter he gave preference to its competitors. And I requested him to firmly believe that if the King of Trevancoor held his own peace dear, and if he thought that a good understanding with and the friendship of the Honorable Company could contribute anything toward it, he must then see to it that the pepper delivery be increased, or at least that the latest treaty be fulfilled. The envoy could bring nothing against this, except only that the rumors of the King's inclination toward the English were greater than the truth bore out. But having convinced him of the contrary through the entire attitude and conduct of the King in many well-known occurrences, he attributed the smaller delivery to the bad harvest and the resulting smaller collection. And having come thereby to the question of whether the King was not sometimes himself the cause of this reduction, because he gave so little to the country people and cultivators of the pepper that they could not possibly subsist on it, he admitted that this might well be true, but at the same time countered to me that the Honorable Company also paid only a little. I said that this was certainly a well-known fact, and according to law and reason it was also no more than fair that the Honorable Company paid much less than the English and other private merchants; since for the security of the Kings of Trevancoor and Cochim it had to bear the burdens of an extensive city and several lesser fortresses, and consequently also had to share in the advantages yielded by the products of the country. But if the trouble really lay solely in this, that the King would then indeed do much better to ask the Honorable Company for an increase, than if he, under all sorts of other pretexts, did not fulfill his obligations to the treaties and thereby gave the most well-founded reasons for dissatisfaction. And this the envoy could by no means contradict. He admitted that once the word was given, it had to be kept sacredly. And to conclude this subject, he promised to persuade the King: To pay the country people somewhat more for this year already than they had previously received, and that if this had a good effect, he would then give notice thereof and conclude a closer and more permanent contract regarding the price; but that in the meantime as much pepper would be delivered to the Honorable Company as could possibly be done, in order to convince it of his true inclination toward maintaining a sincere and lasting friendship. The Settlement of Daily Occurrences Since the King of Grevancoor lives somewhat far away, and it would not only be difficult for me, but also very troublesome for His Highness himself, to write to him directly about all occurrences of little importance, I proposed to the envoy and requested him that a man of standing might reside close by here and be authorized to remedy small disputes or grievances immediately. He said that the King of Cochim, the Pallietter, and the Jewish merchant Ezechiel Rhabbij were already regular authorized agents of the King, and that I should merely address myself to them. But since these three are all more or less subordinate to the Honorable Company, and on that account it would be improper to recognize them as co-judges in one matter or another, I rejected this, on the pretext that these people were not competent for this, because it had already appeared to me from experience that out of timidity they dared to speak straightforwardly neither to the King nor to me. And upon this it was decided and established: To qualify and instruct the Governors of the surrounding provinces, just as the envoy also immediately qualified and instructed those present; to settle the daily occurrences together with me, and to that end, being summoned, to come to me in person. Lastly, there was still upon special
Dutch transcription
afgezant, dat verder stand Grijpen, en hij uijt dien hoofde voor 't Jaar 1770: weder Thien passen erlangen mogte, met en benevens de vernieuwing van alle oude Dog dit wees ik positief van de hand, zeggende, dat zulx teegens het tractaat streed, waaraan ik zoo wel verpligt was mij temoeten houden, als ik in hoope leefde, dat de koning het insgelijx zoude doen; Dat als er veel peper gelevert wierde, ik ook veel passen zoude „ dat Geven; dog „ die niet langer dan een Jaar zouden Gelden, het zijze Gebruijkt wierden of niet; En dat ik ook bereeds aan de bediendens te Coilang Calicoilang en Porca ordre gezonden hadde, om Geene oude passen meer ter indorsatie te accep„ teeren. De afgezant en met hem de Hoofd-Ragiadoor van de peper Le„ „verantie hadden in't eerst hier zeer veel tegen, en vermeenden, dat de lang„ jaarige Gewoonte in dit stuk bereets tot een wet Geworden was. Maar ik overtuijgde hen op een ernstige, dog beleefde wijze van het teegendeel, en bragte het daar door eijndelijk 17 2 eijndelijk tot dit besluijt: Dat ten opzigte van de peper passen Gehandelt zal werden naar den inhoud van het Jongste Tractaat. De Peper Leverantie Deeze 'tseedert eenige Jaaren herwaarts zeer vermindert zijnde, deed ik daar over mijn beklag. Jk hield den afgezant voor, dat het immers vol„ strekt onmogelijk was, dat de EComp: den koning een Goed hart konde toedragen, terwijl zij hoe langer hoe meer ondervinden moeste, dat hij in dit stuk aan haare Competiteuren de preferentie gaf. En ik verzogte hem, vast tewillen Gelooven, dat als den koning van Trevancoor zijne eijgene Gerusthijd lief was, en dat hij meende dat eene Goede verstandhou„ „ding met en de vriendschap van de EComp: iets daar toe Contribueeren konde, hij dan maaken moeste, dat de peper Leve„ „rantie vermeerdert, of ten minsten aan 't Jongste Tractaat voldaan wierde. De afgezant konde hier niets tegen inbrengen, dan alleen dat de de den d de Gerugten van 'skonings Genegenthijd voor de Engelschen Grooter was dan de waarhijd meede bragte. Dog hem door de Gantsche houding en 't Gedrag van den koning in veel bekende voorvallen van het teegen¬ deel overtuijgt hebbende, zoo schreef hij de mindere Leverantie toe, aan het slegte Gewas, en den daar uijt voortge„ vloeijden mindere Jnzaam. En daar door Gekomen zijnde, op de vraage of niet Somtijds de koning van deeze vermindering zelfs oorzaak was, door dien hij aan de Landlieden en aanplan„ „ters van de peper zoo weijnig Gaf datze onmogelijk daar van bestaan konden. soo stond hij toe, dat dit wel waar konde zijn, maar wierp mij teffens voor, dat D E Comp: ook maar wijnig betaalde. Jk zeijde: Dat dit zekerlijk eene bekende zaak, en het volgens regt en reeden ook niet meer dan billijk was, dat DE Comp: veel. minder betaalde, als de Engelschen en andere particuliere negotianten; dewijl zij tot zeekerhijd van de koningen van Trevancoor en Cochim de lasten van 218 van eene uijtgestrekte stad en verschijde mindere vestingen tedraagen hadde, en bijgevolg ook meede deelen moeste in de voordeelen, die de producten van't land uijtleeverden; Dog bij aldien het wezentlijk alleen hier aan haperde, dat de koning dan immers veel beter zoude doen, van de EComp: eene verhoo„ „dat „ging te vraagen, als „ hij onder aller„ „hande andere voorwendsels zijne ver„ „bintenissen aan de Tractaten niet na= „quam, en daar door de Gegrondste reeden van misnoegen Gaf. En dit konde de afgezant Geenzints teegenspreeken. Hij stond toe, dat het woord eens gegeven zijnde, hijlig moeste nagekomen werden. En hij beloofde tot besluijt van dit onderwerp den koning te zullen per„ „suadeeren: om aan de Landlieden van dit Jaar al iets meer te betalen, danze be„ „voorens Gekreegen hadden, en dat als het zelve van een Goed effect was, hij dan daar van kennis Geven„ en weegens de prijs een nader en be„ „stendiger Contract sluijten zoude dog gen dog dat ondertusschen aan D EComp: zoo veel peper Geleevert zoude werden, als maar met mogelijkhijd Geschieden konde, ten eijnde haar van zijne waare Genegenthijd tot onderhouding van eene opregte en bestendige vriendschap te overtuijgen. De Afdoening van Dagelijxe voorvallen. Dewijl de koning van Grevancoor wat verre van de hand woont, en het voor mij niet alleen moeijelijk, maar ook voor zijn Hoog„ „hijd zelfs zeer lastig zoude zijn, aan hem over alle voorvallen van weijnig aangeleegenthijd direct te schrijven, zoo stelde ik den afzendeling voor en verzogte hem, dat hier digte bij een man van aanzien zijn verblijf houden, en Gequalificeert werden mogte, om Geringe verschillen of beswaarnis„ „sen terstond te verhelpen. Hij zeijde dat de koning van Cochim, de Pallietter, en de Joods koopman Ezechiel Rhabbij bereeds vaste 219 vaste Gemagtigdens van den koning waaren, en dat ik mij aan die maar addresseeren moeste. Dog dewijl deeze alle drie aan D E Comp: min of meer Gesubordi„ „neert zijn, en het uijt dien hoofde onbe„ tamelijk zoude weezen haar als meede regters in't een of ander te erkennen, zoo wees ik dit van dehand, onder voor„ geeven dat deeze menschen daar toe niet bequaam waaren, om dat mij bereeds uijt de ondervinding Gebleeken was, dat ze uijt beschroomdhijd zoo min teegens den koning als tegens mij regt uijt durfden spreeken. En hier op wierd beslooten en vastgesteld. De Gouverneurs van de omleggende Provincien te Qualificeeren en last te Geeven, zoo als de afgezant ook terstond de aanweezende Qualificeerde en last Gaf; de dagelijxe voorvallen met mij tezamen aftedoen, en ten dien eijnde zelfs ontbooden zijnde, in perzoon bij mij tekoomen. Laatstelijk, wierd nog op speciaal van
English
special request and insistence of the Envoy agreed upon and mutually promised: That neither on the side of the king nor on that of the Honorable Company should anything ever again be undertaken that could be of any consequence, without previously giving each other notice of the grievances and requesting redress or satisfaction. Thus, everything having been settled as far as possible, both what had of old been in dispute and what might give cause thereto in the future, the envoy requested his leave. I granted him this. I spoke with him privately for another half hour at the last conference held on 27 December. I urged in particular that the king must not only necessarily fulfill all that had been negotiated, but also give a prompt and satisfactory answer to the postponed points, so that I might write again in his favor to Batavia at the first opportunity and thereby change into affection and pleasure the grief and displeasure that he had given to Their High Nobilities by his former conduct. Subsequently I presented him with 4 pieces of double Bengali armozines 2 fine muskets 1 canist of powder sugar 1 ditto candy ditto 10 lb cloves and 10 lb nutmegs So that on that occasion some other, though rather lesser, gifts were also made, the memorandum of which stands entered in the Resolution of 8 January. And having shown him the same honors at his departure as at his arrival, he left very well satisfied, at least with all outward signs of contentment beforehand. While the Paliatter, whom the king of Trevancoor had explicitly ordered to accompany him, followed three days afterward, and to whom, along with a proper verbal instruction of what he was to say, I gave the undermentioned letter for delivery: To The King of Crevancoor I had the honor to duly receive Your Highness's latest ola. I see from it that Your Highness is pleased with the matters that have been concluded. This is truly dear to my heart; my intention has been none other than to give Your Highness pleasure. And if Your Highness will only place a little trust in me, then I do not doubt that I shall be fully capable of making the friendship between Your Highness and the Honorable Company as firm and far more durable than it has ever been. The principal thing that can serve toward this is certainly that all old disputes be entirely settled. And this I very kindly request Your Highness that it may take place. For now is the right time. The points that have been postponed, the chief Sarwadicariacaren will verbally present to Your Highness. And if Your Highness pleases to give a good answer thereto, then it will not only redound to my honor, but I shall also be able to inform my Lords and Masters with pleasure of Your Highness's good intentions and thereby remove all bad impressions that have existed until now, because much has previously been written about all kinds of occurrences, but nothing was ever thoroughly investigated, much less finally settled. Furthermore, I express once again my gratitude for the kindness Your Highness had to send to me the chief Sarwadicariacaren Coemaren Chembaga Ramen Poela, for he is a man who is sedate and wise. I have shown him all the honors that such a faithful and distinguished servant of Your Highness deserves. And I also do not doubt that he will have departed from here with contentment. As to the state of my health, it honors me that Your Highness pleases to inquire after it. But I cannot refrain from saying that I am very often ill. The Malabar has hitherto given me far too much care and trouble. I have been able to take neither rest nor contentment. Yet now I hope that it will soon improve. And I will certainly become completely well, if I only have the good fortune to meet Your Highness in person, and that I may then obtain, through convincing proof, the assurance that Your Highness is a sincere friend and faithful ally of the Dutch Company. Lastly, I very humbly request that Your Highness please be favorable to the Paliatter, and to hear him in what he might at times present to Your Highness in my name. I give him this letter along with him for delivery. And I sincerely wish that he may find Your Highness in a perfect state of health, the news of which will always bring me joy. May God preserve Your Highness, etc. Cochim, 30 December Ao 1769. Hereupon, I received from the hands of the Paliatter on 19 January 1770 the following friendly reply: Translation of a Malabar letter written by the king of Trevancoor to the Honorable Governor and Director Christiaan Lodewijk Senff, received on 19 January 1770: We have received, read, and understood the contents of Your Honorable Respectable's letter. All the matters that Your Honorable Respectable has made known to us through our Balia Sarwadicariacaren Coemaren Chembaga Ramen Poela and the Paliatter, they have duly reported to us, and thereby indicated that Your Honorable Respectable has accommodated in an amicable manner the unrest that recently occurred through the indiscretion of the servants, and at the same time assured that the friendship between us
Dutch transcription
speciaal verzoek en aandrang van den Afgezant goedgevonden en over en weder belooft: Dat zoo min van de kant van den koning als van de EComp: ooit weder iets ondernoomen zoude werden, het Gunt van eenig gevolg konde zijn, son„ der elkander voor af van de beswaar„ nissen kennis Gegeven en verbeetering of voldoening verzogt te hebben. Dus dan alles, voor zoo veel mogelijk afgehandelt zijnde, wat zoo wel van ouds in verschil heeft ge„ „staan, als wat in't vervolg daar toe aanleijding zoude kunnen Geeven, zoo „zijn verzogte de afgezant om „ afscheijd. Dit stond ik hem toe. Ik sprak met hem bij de laatste Conferen„ „tie den 27. December Gehouden, nog een half uurtje appart. Jk drong voorna„ „mentlijk daar op aan dat de koning al het verhandelte niet alleen nood„ „zakelijk nakomen, maar ook op de uijtgestelde poincten een spoedig en vol„ doenend antwoord Geven moeste, op dat ik bij eerste Geleegenthijd eens weder in zijn faveur naar Batavia Schrijven en 220 en daar door in Genegenthijd en Genoegen veranderen konde, het verdriet en ongenoe„ „gen dat hij door zijn voorig Gedrag Haar Hoog Edelens Gegeven hadde. vervolgens beschonk ik hem met 4: p„s armozijnen dubb: bengaalse 2: „ fijne Snaphanen 1: Cann:s poeder zuijker 1: _=o Candij _=o 10: lb: Nagulen en 10: „ Nooten Jnvoegen bij die Geleegentheijd ook nog eenige andere dog vrij mindere Geschenken zijn Gedaan, waar van de memorie ter Resolutie van den 8. ' Janu„ „arij ingeschreeven staat. En hem bij zijn afschijd die zelfde eere hebbende laten bewijzen als bij zijn aankomst; zoo vertrok hij zeer wel voldaan, ten minsten met alle uijtterlijke teekenen van vergenoeging voor af Terwijl, de Pallietter, dien de koning van Trevancoor uijtdrukke„ lijk Gelast hadde hem te verzellen, drie dagen naderhand volgde, en aan wien ik beneffens eene behoorlijke mondelinge onderregting van het Geen hij zeggen moeste ter ter bestelling meede gaf deeze onder= staande missive „ Uw Hoog hd=s laatste ola heb ik de eere Gehad wel te ontfangen. Jk zie daar uijt dat uw Hoogh=t genoegen neemt in de zaa„ „„ken die afgedaan zijn. Dit is mijn van „harten lief: mijn oogmerk is ook niet an„ „ders Geweest dan om uw Hoogh=t plaizier „ te doen. En bij aldien uw Hoogh=t maar „ op mij een weijnig vertrouwen gelieft „ testellen dan twijffel ik ook niet of ik „zal volkomen in staat zijn de vriend„ „„schap tusschen uw Hoogh=d en D EComp: „ zoo vast en veel duurzamer temaken „ als dezelve ooit Geweest is. „ Het voornaamste wat hier „ toe dienen kan, is zekerlijk dat alle „oude verschillen in't Geheel afgedaan „ werden. En dit verzoek ik uw Hoogh=d „zeer vriendelijk dat Geschieden mag. „ want nu is de regte tijd. de poincten „ die uijtgesteld zijn zal de hoofd Par„ „„wadicariacaren uw Hoogh=d mondeling „ voordragen. En bij aldien Uw Hoog h=d Aan Den Koning van Crevancoor daar 221 „daar op een Goed antwoord gelieft te „geeven, dan zal het niet alleen mij tot „eere Strekken, maar ik zal ook mijne „ Heeren en Meesters met plaizier van „ uw Hooghd=s welmeenenthijd kennis „Geeven en daar door wegnemen kunnen „alle quaade denkbeelden die tot nog toe „plaats gehad hebben, om dat over aller„ „„hande voorvallen bevoorens veel ge„ „„schreeven maar nooit iets in de Grond „onderzogt, veel min finaal afgedaan is. „voorts betuijg ik nogmaals mijne dankbaarhijd voor de goedheijd „die Uw Hoogh=t Gehad heeft, om den „ hoofd Sarwadicariacaren Coemaren „ Chembaga Ramen Poela aan mij af„ „„tezenden. want het is een man die bezadigt en verstandig is. Jk het hem alle eere aangedaan die zulk een Getrouw en aanzienelijk dienaar „ van uw Hoogh=t verdient. En ik „ twijffel ook niet of hij zal met genoe„ „„gen van hier vertrokken zijn. „ wat nu aangaat den Staat van „mijne Gezondhijd, het strekt mij „tot eere, dat uw Hoogh=d daar na Ge„ „lieft te vraagen. Maar ik kan niet nalaten „nalaten te zeggen dat ik zeer veel ziek „ben. De Mallabaar heeft mij tot nog „toe al te veel zorge en moeijte gegeven. „Jk heb geene rust nog vergenoegen kun„ „„nen neemen. Dog nu hoop ik dat „ het binnen korten beeteren zal. En „zekerlijk zal ik in't Geheel gezond „worden, als ik maar eens het Geluk „ heb uw Hoogh=d in perzoon te ontmoeten „ en dat ik dan door overtuijgende blijken „die verzeekering mag erlangen dat „ uw Hoogh=d van de Nederlandsche „ Comp: een opregte vriend en Trouw „ bondgenoot is. „ Laatstelijk verzoeke ik nog zeer „ootmoedig, dat uw Hoogh=t den Pallier„ „„ter Gelieven Gunstig te zijn, en hem „aantehooren in het geen hij somtijds „ uw Hoogh=d uijt mijn naam voor„ „dragen mogte, Jk Geef hem dezen „brief ter bestelling meede. En ik „wensch van harten dat hij Uw Hoogh=s „ in een volmaakte staat van Gezond„ „hijd aantreffen mag, waar van de „ tijding mij althoos tot blijdschap „zal strekken; „ „ God bewaare uw Hoogh=d enz: Cochim den 30. ' December Ao 1769. Hier 222 Hier op ontving ik den 19. ' Januarij 1770: uijt handen van den Pallietter het volgende vriendelijke antwoord. Translaat mallabaarse brief door den koning van Trevancoor Gesch: aan den Heer Gouverneur en directeur Christiaan Lodewijk senff ontfangen den 19. ' Ja„ 177 1770: „nuarij „ Uwel Edelen Agtb: brief hebben „wij ontfangen Geleezen en dies inhoud begreepen. Alle de zaaken „die Uwel Ed: Agtb: door onzen „ Balia Sarwadicariacaren Coemaren Chembaga Ramen Poela en den „ „ Palliester aan ons heeft laten weeten„ „hebben zij behoorlijk aan ons Gerap„ „„porteert, en daar bij tekennen gegeven, dat de onlusten Jongst door onverstand „ „ van de bediendens voorgevallen uwel „ Edele Agtb: op een minnelijke wijze „ heeft G'accommodeert en teffens ver„ „„seekert dat de vriendschap tusschen ons
English
between us and the Honorable Company residing would increase and augment more and more, over which we have derived a particular pleasure, living in the hope that the remaining matters and the engagements between us and the Honorable Company would be arranged as desired through the good efforts of Your Right Honorable. Among the matters treated there were some articles which the aforementioned Balia Sarwadicariacaren Coemaren Chembaga Rama Poela had undertaken to bring to our knowledge upon his arrival here, as he indeed has done. Namely, concerning the duty on the fishing nets, which matter our Dellawa Aijapa Mattanda Poela, previously coming into the city, had estimated and determined at 64 fanams each fishing net, and to effect the collection in the same manner, we now send orders to our Cariacaar stationed on that side. Concerning the boundary demarcation of Bitsjoer, we now order the Jekkerta Pattare, the Parwadicariacaren of Ettamanoer, and the Pallietter to go to Bitsjoer, to inspect the boundary demarcations, to settle the disputes, and to put the Honorable Company into possession of such lands as it had possessed before this. As regards the old debt of Attinga, the same was settled and balanced at the time of the Lord Commander Fredrik Cunes with our emissary Poko Moessa Marcaar. We are now busy having that account searched for, and as soon as we find it, we shall send it to Your Right Honorable. The Palietter has informed us that Your Right Honorable would give beams for the construction of the court at Coilan to complete that work, which was very dear and agreeable to us; this is the first request that we have made to Your Right Honorable, and we expect that Your Right Honorable will indeed be pleased to grant it. The remaining matters remain meanwhile reserved until the personal meeting between us and Your Right Honorable, when we hope that everything will be arranged and accommodated to satisfaction; while for the rest we refer to the verbal account of the Pallietter, written by Balia Melesetta Canaca Ananja Peroemaal and signed by His Highness. And this letter is in fact of great consequence. Because it contains not only a general approval of all that was transacted, but the King also declares himself positively concerning some points that had been deferred. In addition, the Pallietter reported verbally: That the King in a secret meeting, held in his presence, had declared himself positively to be firmly resolved to live in a sincere friendship with the Honorable Company, and on that account to give me all the satisfaction that I could claim; That he particularly sent his excuses for not having visited me up to the present day; and That he of his own accord, and in order to show an immediate proof of his sincere intention, had already given orders that a certain guard of Coenjetaij should be withdrawn entirely, to prevent the disputes that had already frequently arisen over the conveyance of cattle from Paponettij, which his post-holders had refused to let pass. Consequently, I believed I had reason to consider myself fully satisfied for the present. And on that account I could not refrain, in order to flatter the King's good disposition a little, from writing him the following short letter of gratitude. To The King of Trevancoor I have received Your Highness's latest letter from the hands of the Pallietter. I see from it that Your Highness has taken satisfaction in that which was settled between me and the Balia Parwadicariacaren Coemara Chembaga Rama Poela. And this has given me great cause for joy. But I am still much more delighted over the order of Your Highness attached thereto, that the dispute concerning Bitsjoer would likewise be settled. For this has also happened thus. The Jekkera Pattare, the Sarwadicariacaren of Ettamanoer, and the Pallietter have investigated that matter on the spot itself in the presence of Mr. Ezechiel and our chief interpreter. They have determined the boundaries. And they have restored the Honorable Company to possession of the land that lawfully belonged to it. Now, in this nothing else has indeed happened than that which fairness entailed. But I nevertheless deem it an honor for me that Your Highness, at my request, finally arrived at that resolute decision to formally settle that matter, which has given rise to much unnecessary correspondence and ill feelings for many years past. Indeed, I am so very pleased with it that I cannot refrain from thanking Your Highness in the most friendly manner for this demonstrated kindness, and I also assure Your Highness in all sincerity that this deed will not tend to any disadvantage of Your Highness. The remainder having been deferred by Your Highness until I shall have the happiness to meet Your Highness in person, I shall likewise speak of no more particulars here. But I cannot refrain from adding this: That I shall look forward with the utmost longing to the time and opportunity to be able to assure Your Highness in person of my true high esteem. And therefore I request Your Highness most cordially not to postpone this good intention for long. For I know for certain that our conference will tend to Your Highness's satisfaction. May God preserve Your Highness for many more years in health and prosperity. Cochim, the 24th of January 1770. Now I have already received the following reply to it, which likewise serves as further confirmation of what was transacted. Translation latest
Dutch transcription
„ons en DE Comp: Resideerende meer „ en meer aangroeijt en toegenoomen „zoude worden, waar over wij een bijson„ „„der Genoegen Geschept hebben, in hoope leevende dat de overige zaaken en de „ Engagementen, tusschen ons en D' E Comp: „door de Goede pogingen van uwel Ed: „ Agtb: na wensch zoude worden geschikt. „ onder de verhandelte zaaken zijn eenige „ articuls Geweest die voorsch: Balia „ Sarwadicariacaren Coemaren Chem„ „baga Rama poela aangenomen had „ met zijn komst alhier ons ter ken„ „„nisse tebrengen Gelijk hij ook gedaan „ heeft. Jeweeten, weegens de Gereg„ „„tighijd der visnetten, welke zaak „ onze Dellawa Aijapa mattanda „ Poela bevoorens in de stad koomende „ beraamt ende vastgesteld had op 64: „ fan=s ieder visnet, en om de invordering „ op deselfde wijze te doen, senden wij thans „ ordre aan onze Cariacaar aan die „kant posthoudende. wegens de limiet- „schijding van Bitsjoer ordonneeren „ wij thans den Jekkerta Pattare, „ den Parwadicariacaren van Etta„ „„manoer, en den Pallietter om naar BitsJoer 223 „Bitsjoer te gaan, de Limietschijdingen „tebezigtigen, de verschillen aftedoen, „ en D E Comp: in de possessie te stellen van „soodanige landen als zij voor deezen be„ „„zeeten had gehad. Wat aangaat de oude schuld van Attinga, dezelve is „ „ ten tijde van den heer Commandeur Fre„ „drik Cunes verevent en afgereekent „ met onzen sendeling Poko moessa „marcaar. Wij zijn thans beezig „om die reekening telaaten opzoeken, en „soodra wij dezelve vinden, zullen wij „ die aan Uwel Ed: Agtb: laten toekomen. „ Den Palietter heeft ons bekent ge„ „„maakt dat uwel Ed: Agtb: tot den „ opbouw van het hoff op Coilan „ balken zoude Geeven om dat werk „ te voltodijen, 't Geen ons zeer lief en „ aangenaam is Geweest, dit is het „ eerste verzoek dat wij aan UwelEd: „ Agtb: hebben Gedaan, en wij verwagten „ dat uwel Ed: Agtb: zulx wel zal ge„ „„lieven toetestaan. De overige zaaken blijven ondertusschen Gereserveert tot de perzooneele bij eenkomst tussen „ „ ons en UwelEd: Agtb: als wanneer „ wij verhoopen dat alles ten Genoegen zal zal Geschikt en G'accomodeert werden; „Jerwijl wij voor 't overige ons Gedragen „ aan het mondeling Relaas van den „ Pallietter, Geschreeven bij Balia mele„ „setta Canaca ananja Peroemaal en „ Getekend bij zijn Hoogh:t„ En deeze brief is in der daar van veel aangeliegenthijd. Want dezelve behelscht niet alleen een Generaa„ „le Goedkeuring van al't verhandelte, maar de koning declareert zig ook positief wee„ gens eenige poincten die uijtgesteld waaren. Boven dien rapporteerde de Pallietter mondeling: Dat de koning in eene Geheijme ver„ „gadering, ter zijner prezentie gehouden, zig positief Gedeclareert hadde, vast van voorneemen tezijn met D EComp: in een opregte vriendschap te teeven, en uijt dien hoofde mij al het Genoegen te Geeven, dat ik pretendeeren konde, Dat hij in't bijsonder zijn Excuus liet maaken, over dat hij tot heeden nog niet was bij mij Geweest; En Dat hij uijt eijgen beweeging en om een dadelijk blijk van zijne opregte meening te „ 224 te toonen, beriets ordre hadde gegeven dat eene zeekere wagt van Coenjetaij in't Geheel zoude ingetrokken werden, tot voorkoming van de verschillen die al dikwils ontstaan waaren, over den afbreng van koeijbeesten van Pa„ ponettij, die zijne posthouders niet hadden willen passieren laten. „ Bij gevolg vermeende ik reeden te hebben mij voor eerst volkomen voldaan te houden. En ik konde uijt dien hoofde niet nalaten, om de Goede Genegenthijd van den koning een weijnig te flatteeren, aan hem het volgende briefje van dankbaarhijd te schrijven. Aan Den koning van Crevancoor „uw Hoogh=t Jongste brief heb ik „uijt handen van den Pallietter ont„ „„fangen. Jk zie daar uijt, dat uw Hoogh=t „genoegen heeft Genomen, in het geen „tusschen mij en den Balia Parwadi„ „„Cariacaren Coemara Chembaga „ Rama Poela afgedaan is. En dit heeft „ mij Groote reeden van blijdschap Gegeven. „ maar nog veel meer ben ik verheugt, Over ng „ over de daar bij gevoegde ordre van uw „Hoogh=t, dat het verschil weegens Bits¬ „joer insgelijx afgedaan zoude werden. „ want dit is ook zoo Geschied. De Jekkera „ Pattare, De Sarwadicariacaren van „ Ettamanoer en de Pallietter, hebben die zaak ter prezentie van den Heer Ezechiel en onzen oppertolk, op de plaats „zelfs onderzogt. zij hebben de Limieten „ bepaald. En zij hebben de EComp: weder „ in possessie Gesteld van het land, dat „ haar wettig toequam. „Nu is wel in dezen niets anders „Geschied, dan het Geen debillijkhijd „ meede bragte. Maar ik agte het egter „ eene eere voor mij, dat uw Hoogh=t „ op mijn verzoek eijndelijk tot die Cor„ „„date resolutie Getreeden is, van die „zaak formeel aftedoen, die al 't sedert „lange Jaaren tot veel onnodig schrijf= „„werk en Quaade Gedagten aanleijding „ heeft Gegeven. zelfs ben ik daarmeede „zoo zeer in mijn schik dat ik niet kan „nalaten Uw Hoogh=t voor deeze betoonde „ Goedhijd, op de vriendelijkste wijze dank „tezeggen, en ik verzeekere Uw Hoogh=t „ook in alle opregthijd dat deeze daat uw 225 „uw Hoogh=d tot Geene nadeel zal strekken. „ Het verdere door uw Hoogh=t uijtge„ „steld zijnde, tot ik het Geluk zal hebben „ uw Hoogh=t in perzoon te ontmoeten: „ zoo zal ik ook hier van Geene zaake„ „„lijkheeden meer spreeken. maar dit kan ik egter niet nalaten nog te zeggen: „ „ Dat ik met het uijtterste verlangen „ den tijd en Geleegenthijd te Gemoed zal „ zien om uw Hoogh=t in perzoon van „ mijne waare Hooge agting te kunnen verzeekeren. En daarom verzoek ik „ „uw Hoogh=t op 't aller vriendelijkste „ om dit goed voorneemen niet lange „uijttestellen. want ik weet vast dat „ onze Conferentie uw Hoogh=t tot Ge„ „noegen zal strekken. „ „ God bewaare uw Hoogh=d nog lange „ jaaren in Gezondhijd en voorspoed. „ Cochim Den 24. ' Januarij 1770: Nu heb ik ook daar op bereets weder het onderstaande ant„ „woord erlangt, dat insgelijx tot nadere bevestiging van het verhandelte dient Translaat laats
English
"We have received, read, and understood the contents of Your Right Honourable's letter. Regarding the matters that Your Right Honourable discussed with our Balia Sarwadicariacaren, Cormaren Chembagakama Poela, he has duly reported to us. And it is upon this foundation that we have issued such orders as have served to Your Right Honourable's satisfaction. We strongly desire to meet Your Right Honourable, but our manifold affairs have detained us for so long, as the Pallietter will have clearly explained to Your Right Honourable. Yet we hope that this meeting will soon be held. Written by Balia Melesetta Canaka ananja Peroemaal and signed by His Highness." From Travancore, written to the Governor and Director Christiaan Lodewijk Senff, received on the 19th of February Anno 1770. Translate ola by the King. Yet, because it otherwise contains no matters of substance, I shall not dwell upon it either, but merely let follow here two letters that might occasionally be of speculation; namely: one written to me by the First Minister of State, who has been here as an envoy, and the other dispatched by me in reply to him. Translate ola written by Balia Parwadicariacaren Coemara Chimbaga Rama Poela to the Governor and Director Christiaan Lodewijk Senff, received on the 13th of February 1770. "With great pleasure we took our leave from Your Right Honourable at Cochin, and when we arrived here before our Master, we made known to His Highness the polite reception and the shown affection with which Your Right Honourable treated us, and along with that delivered a proper report to His Highness of all the matters that Your Right Honourable entrusted to us. The King is exceedingly pleased with the conduct of Your Right Honourable and has affirmed to us that the objective of His Highness in the future shall be nothing other than to cultivate a close understanding with Your Right Honourable, about which we do not doubt the Pallietter will have already given a detailed account to Your Right Honourable. And alongside this, Your Right Honourable will also have observed from the letter which His Highness has written to Your Right Honourable, the perfect inclination that His Highness has to live in good friendship with Your Right Honourable. His Highness ardently desires to see and speak with Your Right Honourable, and hopes that this meeting will take place shortly. On the 6th instant, three vessels of the pirates arrived off the latitude of Ansjenga, and furthermore along Coilan to Brins Jan about 20 of their craft had shown themselves far out at sea. Therefore, His Highness has stationed Coenjecoetas [soldiers] all along the sea beaches to keep watch, and on the 9th thereafter, 2 to 3 vessels came close to the shore at night at Changamogom and Brins jan. On that evening, 7 ballons came from the north along the beaches intending to go south, but upon reaching Changomogom, the guards detained them and said that they were not allowed to continue their journey. Thereupon, one of those vessels came close under the shore, and from it an officer and a private came ashore, who, speaking with the Parwadicariacaren of that place, made it understood that they came from Cochin and that they were Company's servants destined for a Dutch ship that lay at anchor at Brinsjan. In a time when pirates cruise the sea, the servants of the Honourable Company who are sent out on a detachment might well carry a letter with them, or otherwise fly the Company's flag; otherwise, one would not easily recognize them, even though they claimed that they were the Company's servants, for the pirates could also come ashore under that pretext. Therefore, the aforementioned officer was requested to remain there until the King had been written to and the reply received. The King thereupon immediately replied that one should not detain the Company's servants there, but on the contrary let them depart immediately, as was done. Yet one may well be glad that through such occurrences no mishaps took place. The officer was ashore for only 2 hours, and when the Company's servants are sent on detachment without a letter or any token, quarrels might occasionally arise with the guards stationed here and there. Therefore, we request Your Right Honourable in the future, when dispatching military detachments, to first write a letter to us and send notice thereof, and alongside that a letter to the head of the detachment. Signed by Edemaren Chembaga Rama Poela." To the First Minister of State of the King of Travancore, Coemaren, Chembaga Rama Poela. "I have duly received Your Honour's ola, and have seen from it that Your Honour departed from here satisfied. This pleases me. I am also very well pleased with the report that Your Honour made to the King of Travancore. His Highness's affection is fully evident to me, both from his letter and from what the Pallietter has verbally made known to me. My esteem for Your Honour's person and good qualities has since greatly increased. And I assure Your Honour that nothing will be more pleasant to me than if the good friendship between the King of Travancore and myself may remain lasting through the good offices of Your Honour, and that I may soon [illegible]"
Dutch transcription
„Wij hebben uwel Edele Agtb: brief „ ontfangen Geleezen en dies inhoud ver„ „staan. van dezaken die uwelEd: Agtb: verhandelt heeft met onzen Balia „ „ sarwadicariacaren, Cormaren Chembaga „ kama Poela heeft denzelven ons be„ „„hoorlijk berigt Gedaan. En het is op „ dit fondament dat wij soodanig ordres „ hebben Gesteld als uwel Edele Agtb: „ tot Genoegen hebben Gestrekt. wij ver„ „ langen zeer sterk om uwel Ed: Agtb: „ te ontmoeten. maar onze menigvul„ „„dige bezigheeden hebben ons zoo lange wederhouden, Gelijk den Pallietter „ „ uwelEdele Agtb: zulx duijdelijk zal „ te verstaan Geeven hebben. Dog wij „ verhoopen dat die bij eenkomst haast „ zal Gehouden werden. Gesch: bij Balia „ Melesetta Canaka ananja Peroemaal „ en Getekend bij zijn Hoogh=d. „ van Trevancoor Gesch: aan den Gouverneur en directeur Christiaan Lodewijk Senff ontf: den 19. ' februarij A:o 1770: Translaat ola door den koning Dog 226 Dog dewijl het zelve an„ „ders Geene zaakelijkheeden bevat, zoo zal ik mij ook daarmeede niet ophouden, maar eenelijk hier nog volgen laaten, Twee brieven die somtijds van speculatie 6d zoude kunnen zijn; Jeweeten: Een door den eersten staats minister, die als af„ „gezant hier is Geweest, aan mij Ge„ „schreeven. En de andere door mij in ant„ „woord aan hem afgezonden. Translaat ola door Balia Parwadicariacaren Coemara Chimbaga Rama Poela ge„ schreeven aan den Heer Gou„ „verneur en Directeur Chris= „tiaan Lodewijk Senff ontfangen den 13. ' febr: 1770. — „Met zeer veel genoegen hebben wij „ ons afschijd van uwelEdele Agtb: op „ Cochim Genomen, en toen wij alhier „ bij onze meester Quamen, hebben wij „zijn hoogh=t bekent Gemaakt, het „ beleeft onthaal en de betoonde Genegent„ „„hijd waarmeede uwel Edele Agtb: ons „ bejeegent heeft, en daar nevens een behoorlijk lia maal „behoorlijk Rapport aan zijn Hoogh=d „ Gedaan van alle zaaken die uwel Edele Agtb: ons opgedragen heeft. De koning „ is ten uijttersten voldaan over het gedrag „ van uwel Edele Agtb: en heeft ons be„ „tuijgt, dat het voorwerp van zijn Hoog Ed= „ in het toekomende niet anders zijn zal „ als om met uwelEdele Agtb: een nauwe „ verstand houding te Cultiveeren, waar „ over den Pallietter zoo wij niet twijf„ „„felen uwelEdele Agtb: reets een om„ „standig verslag zal hebben Gedaan. „ En daar nevens zal uwel Edele Agtb: „ ook b'oogt hebben bij de brief die zijn „ ho=t aan uwel Edele Agtb: Geschreeven „heeft, de volmaakte Geneegentheijd „die zijn Hoogh=d heeft, om met uwel „ Edele Agtb: in een Goede vriendschap „ te leeven. zijn Hoogh=t begeert met „ verlangen om uwel Edele Agtb: tezien „en spreeken, en verhoopt dat die bij een„ „komst binnen korten zal Geschieden. „ Den 6. ' Courant zijn op de hoogte „ van Ansjenga drie scheepen van „ de zee roovers Gekomen, en daar benee„ „vens langs Coilan tot Brins Jan „ zig diep in zee verthoond hadden omtrend 227 „ omtrend 20: van derzelver vaartuijgen, „ daarom heeft zijn Hoogh=d aan de zee„ „stranden over al Coenjecoetas /:zoldaten:/ „ laten stellen om wagt te houden, en den „ 9:' daar aan zijn op Changamogom en „ Brins jan 2: a 3: Scheepen des nagts digt „ aan de wal gekomen, en op dien avond „ quamen van de noord 7: ballons langs „ de stranden de wil hebbende naar de „zuijd dog op Changomogom komende „ hebben de wagters haar aangehouden, „ en Gezegt dat zij hunne reijze niet „ mogte voortzetten, daar op is een van „ die vaartuijgen kort onder de wall „ Gekomen, en daar uijt is een officiere „ en een Gemeen aan de wal Gekomen, „ die met den Parwadicariacaren van „ die plaats spreekende verstond men „dat zij van Cochim Quamen, en dat „zij sComp=s Dienaaren waaren, gedes„ „tineerd naar een hollandsche schip „dat op Brinsjan ten anker lag. „ Jn een tijd dat de piraten de zee bekruij„ „„zen mogten de dienaren van D E Comp: „die uijtgezonden werden in Commando„ „ wel een brief meede neemen, dan wel „ sComp=s vlagge voeren, anders zoude men dezelve we en 11 e g dezelve niet wel kennen, schoon zij voor„ „gaven dat zij sComp=s dienaren waaren. „want dezee roovers konden onder dat „pretext ook aan de wal komen. daarom heeft men Gem: officier verzogt om „ „ daar zoo lange te blijven tot dat er aan„ „ den koning zoude Geschreeven en het „ antwoord bekomen zijn. den koning „ heeft daar op ten eersten G'antwoord „ dat men sComp„s dienaren daar niet „ zoude aanhouden, maar in tegendeel „ dezelve ten eersten laten vertrekken, ge= lijk geschied is. Dog men mag wel „ „blij zijn, dat door diergelijke behande„ „„lingen Geen ongemakken zijn voorge„ „ vallen. Den officier is 2: uuren lang „ maar aan de wal geweest, en wanneer „ sComp=s Dienaren sonder brief of „ eenig teeken op Commando gesonden „ werden, zouden Comwijlen met de „wagters die hier en daar Gesteld zijn „ eenige Querellen konnen krijgen. dier„ „halven verzoeken wij Uwel Edele Agtb: „ in het toekomende bij het afzenden „ van militaire Commandos eerst een „ brief aan ons te schrijven en daar ken„ „nisse van te laten toekomen, en daar benevens 228 „ benevens een brief aan het hoofd van het „ Commando. Geteekend bij Edemaren Chem„ „ baga Rama Poela. „ Aan Den Eersten slaats minister van den koning van Trevancoor Coemaren, Chembaga Rama Poela. „ VwEd: ola heb ik wel ontfangen, en „ daar uijt gezien, dat UwEd: vergenoegt „ van hier is vertrokken. Dit is mij „ lief. Jk ben ook seer in mijn schik „ met het rapport dat UwEd: aan den „ koning van Trevancoor heeft gedaan. „zijn Hoogh=t Genegenthijd blijkt mij „ ten vollen zoo uijt desselfs brief, als „ uijt het Geen mij de Pallietter „ mondeling heeft bekent gemaakt. „ mijne agting voor UwEd: perzoon en „ Goede hoedanigheeden is 't zeedert „ Grootelijks vermeerdert. En ik verzee„ „ker UwEd: dat mij niets aangenamer „ zal zijn als wanneer de Goede Vriend= „„schap tussen den koning van Crevancoor „ en mij, door de Goede diensten van UwEd: „bestendig mag blijven, en dat ik spoedig het
English
may enjoy the happiness of meeting His Highness in person. Meanwhile, it would be well if His Highness would be pleased to give orders that the settlement of the debt of Attinga be looked into. For if that is not done now, this matter will again fall into oblivion. And yet I would gladly see all those old matters settled once and for all. His Highness will then have so much less trouble. And I will be in a position to write to Batavia in such a manner as His Highness himself will desire of me. That which Your Honour pleases to mention concerning the soldiers who were detained at Changomogon appears to me as a matter not worth being much spoken of. For I did not send the detachment through the King's country, otherwise I would certainly have written to His Highness first. But it departed first for Coilang along the inland waters, and afterwards from there to Brinsjan by sea. Consequently, not through the King's country. And who then gave the Ragiadoor the authority to stop vessels on the open sea, I do not know; at least this ought not to happen in this manner. Everyone knows that the pirates have no Europeans in their service. The Dutch soldiers are also all too well known for anyone to take them for pirates or strangers. And therefore it was merely an act of wantonness on the part of the Ragiadoor that he stopped those people on their journey. And certainly this could have given cause to a great misfortune again, had the officer not been in this country for a long time, and had he not strictly observed the order that I have given to all my subordinates, namely rather to endure some injustice from the King's servants than to avenge themselves immediately and thereby give cause to harmful estrangements. Yet this is a trifle that cannot make any breach in the friendship. When the hearts on both sides are sincere, nothing is interpreted for the worse, but everything for the best. And therefore I request Your Honour always to keep in good remembrance my assurances that I gave Your Honour verbally. I shall also never forget Your Honour. God bless Your Honour. Cochim, the 14th of February 1770. And herewith I conclude these Notes. They do not indeed have the form of a formal Treaty; but nevertheless they need not yield in force and value to one of the most binding. For the negotiation does not consist of a private conversation held secretly with the envoy and afterwards somewhat embellished. But everything was deliberately and thoroughly examined in public. The promises were made mutually in good faith, and the resolutions taken after mature deliberation with mutual consent. All Council Members, the Jewish merchant Ezechiel Rhabbij, the Paliat Achan, and 5 to 6, yea sometimes more of the most distinguished servants of the King of Trevancoor, were present. The Secretary and I myself, along with two clerks of the envoy, kept notes. And subsequently everything was approved by the King of Trevancoor himself in three separate yet autographed letters, and thus all old disputes over which there has been contention for so long, and whose settlement was partly already deemed impossible, were cleared out of the way at once, except for one concerning the demolition of the newly erected forts, of which I nevertheless still expect a good outcome: so I deem that I may now rightly hold and submit this writing as an authentic document of value, upon which one may in future rely with full peace of mind and certainty. At least I take the liberty to present the same as such in all respect to Their High Mightinesses. And living at the same time in the hope that it will also be accepted in that manner, and my conduct maintained in this will be favourably approved: so for the rest I wish nothing more than that my weak efforts may substantially serve the benefit of the Honourable Company. Cochim, the 25th of February Anno 1770. /was signed:/ C: L: Senff. Agrees. Examined. Gab: Grodeler Re Schutz Secretary Treatise on Various Matters concerning The State of the Honourable Company's Interests on the Coast of Mallabaar. drawn up by The Titular Governor Christiaan Lodewijk Senff At Cochim The 15th of April Anno 1770. Table of Contents of the Sections. Introduction I. Of the Possessions on the Coast of Mallabaar in general . . Page 2 to 14: II. Of the Forts Chettua, Cranganoor and Coilang - - - - Page 15: to 37: III. Of the Islands of MoetoeCoenoe . . . . . . . . . . . . Page 38: to 42: IV. Of the Fortress Cananoor . . . . . . . . . . . . . . . Page 43 to 48 V. Of the City of Cochim . . . . . . . . . . . . . . . . . Page 49 to 54. VI. Of the Quay - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Page 55: to 59. VII. Of the Nabob Heijder Alichan - - - - - - - - - - - - Page 60: to 76. VIII. Of the King of Trevancoor - - - - - - - - - - - - - Page 77: to 92. IX. Of the Trade and Expenses on the Coast of Mallabaar - Page 93: to 106: Table of Contents of the Sections. X. Of the Commission on Trade - - - - - - - Page 107 to 113: XI. Of the General Transfer . . . . . . . . Page 114: to 126: XII. Of the Fanums . . . . . . . . . . . . . Page 127: to 140: XIII. Of the Cash Advances to the Administrators . . . . . . Page 141 to 147: Afterword - - - - - - - - - - - - - - - - - Page 148 to 150: Treatise
Dutch transcription
„ het Geluk mag genieten, zijn Hooghd „ in perzoon te ontmoeten. „ „ Ondertusschen was het goed, als zijn „ Hoogh=d ordre geliefde te geeven, dat de „ afreekening van de schuld van Attinga „ moeste opgezogt werden. want als dat „ nu niet Geschied, zal die zaak weder in't vergeet-boek raaken. En evenwel „ „ zag ik Gaarne dat alle die oude zaaken „ eens vereffent mogte werden. zijn Hoogh=d „ zal dan zoo veel teminder moeijte „ hebben. En ik zal in staat zijn, zooda„ nig naar Batavia te kunnen schrijven, „ „ als zijn hoogh=d zelfs van mij begeeren „ zal. „Het Gunt UwEd: Gelieft temelden „ van de militairen, die op Changomogon„ „ aangehouden zijn, komt mij voor als „ eene zaak die niet waard is, dat er „ veel overgesprooken werd. want ik „heb het Commando niet gezonden gehad, „ door 't land van den koning anders zoude „ ik zekerlijk eerst aan zijn Hoogh=d „ Geschreeven hebben. Maar het is ver„ „„trokken eerst na Coilang langs de „ binnen wateren, en naderhand van „ daar naar Brinsjan ter Zee. bijgevolg 229 „ Bijgevolg niet door 't land van den „ koning. En wie dan den Ragiadoor „ magt heeft Gegeven, om vaartuijgen „ in volle zee tegen te houden weet ik niet „jen minsten behoorde dit zoo niet te „ geschieden. De Roovers weet een ieder „dat Geene Europeezen in hunnen dienst „ hebben. Ook zijn de Hollandsche sol„ „daten al te wel bekent, dan dat iemand „ die voor roovers of vreemdelingen hou„ „„den zoude. En daarom is 't ook van den „ Ragiadoor maar eene Enkelde baldadig„ „„hijd Geweest dat hij die menschen in hunne reize heeft tegen gehouden. „ „ En zekerlijk zoude dit weder tot een Groot „ongeluk aanleijding hebben kunnen „ Geven, als de officier niet lange in „ dit land was Geweest, en als hij niet „nauwkeurig in agt hadde genomen, de ordre die ik aan alle mijne onder„ „hoorige heb gegeven, om namentlijk „liever eenig ongelijk van 'skonings „ bediendens te verdragen, dan zig terstond „ te wreeken, en daar door tot natelijke „ verwijderingen aanleijding te geeven.„ „ Dog dit is eene beuzeling die in „de vriendschap Geen inbreuk maken kan ƒ de n nogon de „kan. wanneer de harten van weers„ „kanten opregt zijn, word niets ten quaden, „ maar alles ten besten uijtgelegt. En „ daarom verzoek ik UwEd: mijne ver„ „ zeekeringen die ik UwEd: mondeling „ Gegeven heb, althoos in Goede gedagten „ tehouden. Jk zal UwEd ook nooit „ vergeeten. God zegene UwEd:„ Cochim Den 14. ' Februarij 1770: En hiermeede besluijt ik deeze Aanteekeningen. dezelve hebben wel niet de forme van een formeel Tractaat; maar behoeven egter in kragt en waarde voor een der bondigsten niet tewijken. want de verhandeling, bestaat niet in een afgesondert gesprek, met den afgezant in stilte gehouden, en naderhand zoo wat opgesmukt. maar alles is in't openbaar met opzet en in de Grond onderzogt. De beloften zijn over en weder ter Goeder trouwe Gedaan, en de besluijten na een rijp overleg met wederzijdsche toestemming Genomen. Alle Raads-leeden, de Joods koopman Ezechiel Rhabbij, De Pallietter. en 5: â 6: Ja somtijds meer der 30 23 der aanzienlijkste bediendens van den koning van Trevancoor zijn, Prezent Geweest. De Secretaris en ik zelfs met twee schrijvers van den afgezant hebben aanteekeningen Gehouden. En vervol„ „gens alles door den koning van Tre„ „vancoor selfs bij drie differente dog eijgenhandig onderteekende brieven goedgekeurt, en dus op een maal uijt de weg Geruijmt zijnde alle oude ver„ „schillen, waar over zoo lange Getwist is, en welker afdoening men Gedeelte„ „lijk al voor onmogelijk heeft gehouden, tot op een na, wegens het slegten der nieuw aangelegde forten, waar van ik egter ook nog een Goeden uijtslag verwagte: zoo vermeen ik, dat ik dit schriftuur nu met regt mag houden en opgeeven, als een Egt stuk van waarde, waar op men zig in den aanstaande met volle Gerusthijd en zeekerhijd beroepen mag. Ten minsten gebruijk ik de Htoutmoedighijd het selve als zoodanig in alle Eerbied Haar Hoog Edelens aantebieden. En teffens in hoope leevende dat het ook indiervoegen aangenomen, en mijn Gehouden d poolvli Gehouden Gedrag in dezen Gunstiglijk Goedgekeurt werden zal: zoo wensch ik voor 't overige niets meer dan dat mijne Swakke pogingen de EComp: wezentlijk tot nut mogen strekken. Cochim Den 25 ' Februarij Ao 1770; /was Geteekend:/ C: L: Serff. Accordeert. Nagezien Cab: Grodeler Re Schutz secret:s 231 Verhandeling over Verschijde Baaken raakende Den staat van 'S E Comp:s Belangen ter Custe MMallabaar. opgestelt door Den Titulair Gouverneur ue Christiaan Lodewijk 2 Te Cochim Den 15: April A„o 1770. d a 22 231 Der Afdeelingen. Inhoud Inleijding I. van de Bezittingen ter Custe Mal„ „labaar in 't algemeen. . „ 2. tot 14: II. van de Forten Chettua. Cranga„ „noor en Coilang - - - - „ 15: „ 37: I11. van de Eijlanden MoetoeCoenoe „ 38:„ 42: 1V. van de Vesting Cananoor. . . . „ 43. „ 48 v. van de stad Cochim. . . . . . . . „ 49. „ 54. VI: van de Kaaij - - - - - - - - - „ 55: „ 59. VI1. van den Nabab. Heijder„ Alichan - _ _ _ _ - - „ 60: „ 76. V7I1. van den koning van Trevan¬ „coor - - - - - - - - - - „ 77: „ 92. IX: van den Handel en omslag ter Custe Mallabaar - „ 93: „ 106: 8: 1:— —. A: van Inhoud Der Afdeelingen. X: van de Provisie op den Handel - - - - - - - 5: 107: tot 113: XI. van het Generaal Transport. . . „ 114: „ 126: XII: van de Fanums. . . . . . . „ 127: „ 140: XIII. van de Contante Vooruijtver¬ „strekking aan de Administrateurs. . . . . . „ 141: 8: 147: 1 – – – – - – - - - „ 148. 4: 150: Verhandeling Naareede 1
English
232 Introduction Treatise on various matters, committed to paper by the undersigned titular Governor Christiaan Lodewijk Senff, in compliance with the honored orders and desire of Your High Mightinesses, The Gentlemen of the High Government of the Indies at Batavia, by Resolution of 28 July, as also by Separate and General letter of 26 September Anno 1769. By the above-mentioned Resolution and Separate Letter, Your High Mightinesses have been pleased to require of me several reflections and reports on matters of importance, which are well worthy of being further investigated and elucidated. In addition, there are some Points in the General Letter, the answer to which was omitted in the most recently sent 5.1 Introduction advices, because I deemed it more convenient to elucidate Your High Mightinesses separately on that matter. And this treatise being now intended to accomplish both as far as possible, I humbly request permission, under Separate Chapters, First to insert the very words of Your High Mightinesses orders or Remarks, and then to let my Respectful Reflections follow; in order that in this manner I may be both concise and clear. Chapter - Of the Possessions on the Malabar Coast in general Separate Letter Although the prospect of acquiring the Island of Vypin may for the present be considered almost hopeless, if not impossible, Your Honor must nevertheless seize an upcoming opportunity, and then try to capture it, and acquire it in ownership for the Company. Although Your High Mighti- nesses are pleased here to speak of the Island of Vypin alone, I nevertheless believe that it will be best to let my Reflections on the Possessions in general precede it; 5. 2: 233 1. Of the Possessions in general as this will shed great light on several subsequent discourses, and at the same time include the answer to the order written in the margin. The Possessions and Properties of the Honorable Company on the Malabar Coast, with the exception of Cannanore of which will be spoken separately, lie scattered and isolated from one another, on a narrow strip of Land, which extends fully 36 common miles along the seacoast, and is separated from the mainland by an Inland Waterway, which in some places is very wide, but in others again very narrow, and into which several Rivers discharge from the mountains. 5: 4: This inland water has four outlets into the sea, namely: The First and northernmost at Chettuvai, where nothing but small craft can pass. The Second at Cranganore, can in case of need be navigated by small Sloops. The Third at Cochin, is navigable, even for 5:3: 1. Of the Possessions in general. small Ships, if they draw less than 12 feet. And The fourth or Southernmost lies at Quilon or properly Kayamkulam, but also so shallow, that nothing but fishermen's vessels can go in and out. 5: 5: Thereby now this strip of land is divided as it were into Three separate Islands. On the First, counted from the north, which is 7 miles long, the king of Cranganore holds his court, and the rest belongs to the Honorable Company, the Zamorin, the king of Cochin and some minor princes. Yet the Company has the greatest authority there, both on account of the district of Paponetty, which is of a considerable extent, and on account of the Fortresses of Chettuvai and Cranganore, which both lie upon it; the First on the north and the latter on the South side. The Second, named Vypin and 5 miles long, which extends from Cranganore to Cochin, 234 1. Of the Possessions in general belongs principally to the king of Cochin and his general the Paliath Achan. And the Company has upon it only a few Gardens and Lands, with the Post of Ayacotta, which lies opposite Cranganore. And of the Third, which occupies the entire space between Cochin and Quilon for the length of 24 miles, and with us bears the name of the southern lands, the King of Travancore is at present the sole master; while the Company possesses nothing there in ownership except the city of Cochin, And the Residencies of Porakad and Kayamkulam along with some Gardens and Lands, some of which are still of some Consideration. 5:6: Consequently one can rightly say that the Honorable Company's Properties lie scattered, and as it were enclosed by the lands of the Zamorin and the kings of Cochin and Travancore. And it is for that reason also notorious that these Three princes can solely come into consideration with respect to a peaceful possession and 1. Of the Possessions in general habitation. From the Zamorin, although formerly the most powerful, one has at present little to fear. For the last visit of the Nawab Hyder Ali Khan still presses him so heavily that he will not easily recover. And besides this he is at present much disturbed by the Moors, who having long since settled in his Country and gradually obtained so much power that they now already begin to dictate terms to him. At all events this is certain, that he must not know himself capable of curbing that restless and enterprising people by his own power alone, since otherwise he would not have caused an application to be made to me by his Envoy asking for help against them. And if it continues thus he will in fact also need foreign help; since recently in a private battle 300 Nairs and 200 Moors remained dead on the field. 5:8: The King of Cochin has never had any 5: 7:
Dutch transcription
232 Inleijding Verhandeling over verschijde zaaken, door den ondergeteekenden titulair Gouverneur Christiaan Lodewijk Jenff ten papiere gebragt, in voldoe„ „ning aan de G'eerde ordres en begeerte van Haar Hoog Edelens, De Heeren der Hooge Indische Regeering te Batavia, bij Resolutie van den 28:' Julij, zo meede bij Aparte en Gemeene brief van den 26:' September A:o 1769. Bij de bovengemeldte Resolutie en Aparte Brief hebben Uw Hoog Edelens van mij gelieven te vorderen, verschijden Be„ „denkingen en Berigten, over zaaken van aangelegendhijd, die wel waardig zijn, na„ „der onderzogt en opgeheldert tewerden. Hier bij komen eenige Pointen in de Gemeene Brief, waar op het antwoord bij de Jongst verzondene 5.1 Inleijding verzondene advijsen overgeslaagen is, om dat ik het gevoegelijker oordeelde, uw Hoog Edelens dien aangaande afzonderlijk te elucideeren. En deeze verhandeling thans geschikt zijnde, om het een en ander na mogelijkhijd te volbrengen, zo verzoek ik ootmoedig per„ „missie, onder Separate Hoofd-deelen, Eerst de eijgenste woorden van Uw Hoog Edelens ordres of Aanmerkingen te mogen inschrijven, en dan mijne Eerbiedige Bedenkingen volgen te laaten; ten eijnde op die wijze, zo wel kort als duijdelijk te kunnen zijn. Adeeling - Van de Bezittingen ter Custe Mallabaar in 't algemeen Aparte Brief of Schoon de Appa„ „rentie tot verkrijging van het Eijland Baijpien voor tegenwoordig wel genoegzaam hoopeloos, zo niet onmogelijk mag werden gestelt, moeten VE: nogthans eene voor„ „komende kans waarneemen, en het als dan zien te bemagtigen, en voor de Comp:e in eijgendom te verkrijgen. Alhoewel vw Hoog Ede¬ „lens hier van 't Eijland Baijpien alleen gelieven te spreeken, zo vermeen ik egter, dat het best zal zijn, mijne Bedenkingen over de Bezittingen in 't algemeen, voor af telaaten gaan; 5. 2: 233 1. Van de Bezittingen in 't algemeen gaan; dewijl zulx verschijden navolgende verhandelingen een groot ligt bijzetten, en teffens het antwoord op de ter zeijden staande ordre insluijten zal. De Bezittingen en Eijgendommen van d' EComp:e ter Custe Mallabaar, uijtge„ „zondert Cananoor waar van afzonderlijk gesprooken zal werden, leggen verstrooijt en van elkander afgezondert, op een smalle strook Lands, die zig wel 36: gemeene mijlen langs dezee-kant uijtstrekt, en van de vaste wal afschijden werd door een Bin„ „nen-Water, het welk op zommige plaatsen zeer breed, dog op andere weder heel smal is, en waar in zig verschijde Rivieren uijt het gebergte ontlasten. 5: 4: Dit binnen water heeft vier uijt„ „gangen in zee Jeweeten: De Eerste en noordelijkste bij Chettua, waar niets als klijne vaartuijgen passeeren kunnen. De Tweede bij Cranganoor, kan des noods met klijne Chialoupen bevaaren werden. De Derde bij Cochim, is vaarbaar, zelfs voor 5:3: 1. Van de Bezittingen in 't algemeen. voor klijne Scheepen, als ze minder dan 12: voet diep treeden. En De vierde of Zuijdelijkste legt bij Coilang of eijgendlijk Calicoilang, maar ook zo ondiep, dat 'er niets als vis„ „schers vaartuijgen uijt en in kunnen gaan. 5: 5: Hier door nu werd deeze strook lands als in Drie bijzondere Eijlanden verdeelt. Op het Eerste van 't noorden afgereekent, dat 7: mijlen lang is, houdt de koning van Cranganoos zijn hoff, en behoort voor 't overige aan de EComp:e, den samorijn, den koning van Cochim en eenige klijne vorsten. Dog de Comp. e heeft daar het meeste tezeg„ „gen, zo uijt hoofde van 't landschap Paponettij, dat al van eene ta„ „melijke uijtgestrekthijd is, als om de wille van de Vestingen Chettua en Cranganoor, die beijde daar op leggen; het Eerste aan de noord-en het laatste aan de Zuijd-kant. Het Tweede, Baijpien genaamt en 5: mijlen lang, dat zig van Cranganoor tot Cochim 234 1. Van de Bezittingen in 't algemeen Cochim uijtstrekt, behoort voorna¬ „mentlijk den koning van Cochim„ en desselfs veld-Heer den Pallietter. En de Comp:e heeft daar op alleen eenige wijnige Thuijnen en Landerijen, met de Post Aijcotta, die tegens over Cranganoor legt. En van het Derde, dat de gantsche ruijmte tusschen Cochim en Coilang beslaat ter lengte van 24: mijlen, en bij ons den naam draagt van de zuijdlanden, is thans alleen meester de Koning van Trevancoor; terwijl de Comp=e daar niets in eijgendom bezit dan de stad Cochim, En de Resi¬ „dentien Porca en Calicoilang beneffens eenige Thuijnen en Lande„ „rijen, waarvan zommige nog al van eenige Consideratie zijn. 5:6: Bij gevolg kan men met regt zeggen, dat 's EComp:s Eijgendommen verstrooit, en door de landen van den samorijn en de koningen van Cochim en Trevancoor als ingesloten leggen. En 't is uijt dien hoofde ook notoir, dat deeze Drievors„ „ten ten opzigte van eene geruste bezitting en 1. Van de Bezittingen in 't algemeen en inwooning; maar alleen in aanmer„ „king kunnen komen. Van den Samorijn, Schoon voor deezen de magtigste, heeft men thans wijnig te vreezen. want het laatste bezoek van den nabab Heijder Alichan drukt hem nog zo sterk, dat hij niet ligt tot ver„ „haal zal komen. En buijten des werd hij thans zeer ontrust, door de mooren, die rig van langen tijd herwaards in zijn Land ter needer gezet en gaande weg zo veel ver„ „mogen gekreegen hebben, datze hem nu al de wet beginnen te stellen. Althoos dit is zeeker, dat hij zig niet in staat moet kennen, dat onrustig en onderneemziek volk, uijt eijgen magt alleen te beteugelen, vermids hij anders door zijnen Afzendeling bij mij geen aanzoek zoude hebben laaten doen om hem daar tegen tewillen helpen. En als 't zo voortgaat zal hij in der daat ook wel vreemde hulpe noodig hebben; de„ „wijl nu Jongst in een particulier gevegt 300: naijros en 200: mooren op de plaats dood gebleven zijn. 5:8: De Koning van Cochim heeft nooit eenige 5: 7:
English
235 1. Of the Possessions in general. given any signs, at least not in public, of wishing to oppose the Honorable Company. And at present he will do so all the less, now that scarcely more than the name of his former power remains to him. 5:9: But with the King of Travancore matters stand entirely differently. For since he expanded his dominion southward as far as Cape Comorin and eastward and northward past Cochin as far as Cranganore, and thereby obtained the best pepper lands in his power, his might has increased to such an extent that his neighborhood cannot be other than dangerous. The truth of this has also been sufficiently proven by experience, through the unauthorized privileges that he has gradually usurped, and the large tracts of land belonging to the Honorable Company's property that he has taken into possession. And although these excesses have now been redressed, and the Honorable Company has been fully restored to its old rights and privileges, as appears from the notes concerning the negotiations with the King of Travancore 1. Of the Possessions in general which I had the honor to offer to Your Right Noblenesses alongside my separate letter of 15 March last, nevertheless all attentiveness will have to be exercised to keep him in peace and quiet, and to bring him so far that he considers his own well-being to be more or less dependent upon the Honorable Company's friendship and interests. 5:10: Accordingly, it would not be bad at all, but seems on the contrary to be somewhat necessary, that the Honorable Company either voluntarily abandons its scattered possessions, or attempts to become the sole master of the entire extent between Chettua and Quilon. And indeed, the former would require little effort. The execution would follow of itself, if only the forts of Chettua, Cranganore, and Quilon were demolished and abandoned, as I shall have the honor to demonstrate further under Section II. But for the latter, I see no chance at all; at least not by means of money, promises, or offers. 5:11: 236 1. Of the Possessions in general For the Zamorin was not even willing to cede the few sandy lands near Chettua that are currently mortgaged to the Honorable Company, although I employed the strongest persuasions and even offered not only to conclude a new treaty with him, but also to bring about that his arrears would be forgiven, and that he would moreover be honored with a considerable present. His reasons for refusal were mainly based on this: that he regarded this little piece of land as the only hiding place to which he could take refuge in order to save his life under the Honorable Company's protection, in case he might at some time be driven out of his kingdom by some misfortune or other, and that he would therefore rather lose ten times as much of his other lands than the smallest part of this. 5:12: The King of Cochin becomes sorrowful if one only begins to speak of the island of Vypin. He says: that this is the only thing that still gives him any standing 1. Of the Possessions in general. and maintains him, and that if he were to cede this, he would then not only no longer be able to bear the name of king, but also that his memory would soon be eradicated, just like that of the King of Porca. 5:13: And from the King of Travancore one has even less to expect; because he is at present rich and so powerful that no offers of money, friendship, or service can gain any hold on him; and upon which foundation certainly also rests the answer that he recently gave to the King of Cochin, when the latter requested him in person for the restitution of one of his pleasure houses: that he indeed wished to live in friendship with him and the Company, but nevertheless would not part with a handbreadth of land of that which he had conquered by force of arms. 5:14: Consequently, one may well establish it as certain that the Honorable Company can never become the sole master of those lands by gentle and equitable means. And this being so, nothing else remains but to make use of open force; 237 1. Of the Possessions in general however, I by no means dare to advise this either, as long as some prince or other does not force the Honorable Company, as it were, to resort to that extreme. For it is known from experience that even the most just war is often subject to vicissitudes that arrive unexpectedly as well as can be highly disadvantageous. And even if one achieved one's objective in that manner, it would still remain to be seen whether that possession would indeed be so peaceful and advantageous that one could recover from it the expenses already incurred and further to be incurred; so that this will appear more fully under Section VII, concerning the Nawab Hyder Ali Khan. Section II. Of the Forts Chettua, Cranganore, and Quilon. Separate Letter. Regarding the reduction of the Company's establishment on the Coast of Malabar, we note the declaration of the former Commander Breekpot, why he, in conformity with the orders 5:15: In the year 1765, Your Right Noblenesses had already ordered in the most emphatic manner the forts of Chettua
Dutch transcription
235 1. Van de Bezittingen in 't algemeen. eenige blijken gegeeven, ten minsten niet in 't openbaar van zig tegens de EComp:e te willen aankanten. En thans zal hij 't zoveel te minder doen, nu hem van zijn voorig vermogen nauwlijx meer als de naam is overgebleven 5:9: Dog met den koning van Trevan„ „coor is het gantsch anders gelegen. want 't seedert hij zijne Heerschappij ten zuijden tot aan Caab Comorijn en Oost en noordwaards voor bij Cochim tot aan Cranganoor uijt„ „gebreijdt, en daar door de beste Peper landen in zijne magt gekregen heeft, is zijne magt zodanig toegenomen, dat zijne Buurschap niet dan gevaarlijk kan zijn. De waarhijd hiervan is ook uijt de onder„ „vinding al genoegzaam gebleeken, door de ongepermitteerde voorregten, die hij zig successive aangemaatigt, en de groote brokken lands die hij van 's E Comp:s Eij„ „gendommen in possessie genomen heeft. En schoon deeze Excessen thans geredresseert zijn, ende EComp:e volkomen weder in haare oude Regten en voorregten herstelt is, blijkens de Aanteekeningen wegens het verhandelte met den koning van Trevancoor ooit 1. Van de Bezittingen in 't algemeen Trevancoor, die ik de Eere gehad heb, uw Hoog Edelens bezeijden mijne Aparte van den 15:' Mart Jongstleeden, aantebieden, zo zal egter alle oplettendhijd gebruijkt moeten werden, om hem in rust en vreede te houden, en zo verre tebrengen, dat hij zijn eijgen welzijn van 's EComp:s vriendschap en belangen min of meer afhangelijk agt. 5:10: Overzulx was het dan gantsch niet quaad, maar schijnt in tegendeel eenigzinds noodzaakelijk te zijn, dat de EComp:e, of haare verstrooijde Bezittingen van zelfs laat vaaren, of datze tragt, vande gant„ „sche uijt gestrekthijd tusschen Chettua en Coilang alleen meester te werden. En in der daat zoude het Eerste wijnig moeijte behoeven te kosten. De volbrenging zoude van zelfs volgen, als maar de porten Chettua, Cranganoor en Coilang geslegt en verlaaten wierden, gelijk ik de Eere zal hebben, onder de II: Afdeeling naader aantetoonen. Dog tot het laatste zie ik in't geheel geene kans; ten minsten niet door middel van Geld, Belofte of Aanbiedinge. 5:11: 236 7. Van de Bezittingen in 't algemeen Want de Samorijn, heeft niet eens afstand willen doen, van de wijnige zand= „landen bij Chettua, die thans bij de EComp:e verpandt zijn, schoon ik de kragtigste per„ „suasien in 't werk gesteld en zelfs aange„ „booden gehad heb, niet alleen een nieuw Tractaat met hem tezullen sluijten, maar ook te bewerken, dat hem zijn agterstal quijt gescholden, en hij boven dien met een aanzienlijk present vereert wierd. zijne ree„ „denen van wijgering steunden voornamend„ „lijk hier op: Dat hij dit brokje aanmerk„ „te, als de eenigste schuijlplaats, werwaards hij zijne toevlugt zoude kunnen neemen, om onder 's EComp:s Protectie zijn leeven te redden, ingevalle hij zomtijds door 't een of ander ongeluk uijt zijn koningrijk verdreeven mogte werden. en dat hij daar„ „om van zijne andere landen liever Thien„ „maal zo veel, als van dit het geringste gedeelte zoude missen willen. 5:12: De Koning van Cochim word bedroeft, als men maar van het Eijland Baijpien begint te spreeken. Hij zegt: Dat dit het eenigste is, wat hem nog eenig aanzien 5:11: 1: Van de Bezittingen in 't algemeen. aanzien geeft en staande houdt, en dat, als hij hier van afstand deed, hij dan niet alleen geen naam van koning meer zoude voeren kunnen, maar dat ook schielijk, zelfs zijne gedagtenisse, zo als die van den koning van Porca zoude uijtgeroeijt werden. 5:13: En van den koning van Trevan„ „coor heeft men nog minder tewagten; De„ „wijl hij thans Rijk en zo magtig is, dat geene aanbieding van geld, vriendschap of Gedienstighijd, op hem vat kunnen vinden; en op welk fondament ook zeekerlijk steunt, het antwoord, dat hij nog Jongst aan den koning van Cochim gegeeven heeft, wanneer die hem in Persoon om de restitutie van een zijner Lust-Huijzen verzogte: Dat hij wel met hem ende Comp:e in vriendschap leeven, maar egter geen handbreet land missen wilde, van het geen hij met de waapenen verovert hadde. 5: 14: Bij gevolg mag men 't wel vast stellen, dat de ECompe door zagte en billijke middelen van die Landen nooit alleen meester werden kan. En dit zo zijnde; blijft 'er niets anders over, dan van openbaar geweld 237 1. Van de Bezittingen in 't algemeen geweld gebruijk temaaken. maar ook hier toe durf ik geenzinds aanraaden, zo lange met de een of ander vorst de EComp=e als dwingt, tot dat uijterste te moeten treeden. want het is uijt de ondervinding bekent, dat ook de allerregtvaardigste oorlog, dikwils aan wisselvalligheden onderworpen is, die zo wel onverwagts komen, als ten hoogsten nadeelig zijn kunnen. En al was 't, dat men op die wijze zijn oogmerk berijkte dan zoude het egter nog tebezien staan, of die bezitting wel zo gerust en voordeelig zijn zoude, dat men de Gedaane en verder tedoene onkosten, daar uijt goed maaken konde; invoegen dit onder de VII. Af„ „deeling, van den Nabab Heijder Ali„ „chan nader blijken zal . Afdeeling. Jan de Forten Chettua, Changanoor en Coilang. Aparte Brief. Nopens de reductie van 's Comp:s ommeslag ter Custe malla„ „baar, merken wij de betuijging van den gewezen Commandeur Breekpot„ waarom hij Conform de ordre deesen 5:15: In't Jaar 1765: hebben uw Hoog Edelens al op de nadrukkelijkste wijze gelast gehad, de forten Taffel Chettua ter
English
II. Concerning the Forts Chettua, etc. that the demolition of the forts Coilang, Chettua, and Cranganoor has not proceeded, has flown from a good and praiseworthy intention. But on the contrary, we consider the decision of the present administration, namely to remove all servants and effects from Chettua and Coilang and to leave there only a Resident with some native servants, yet to postpone the leveling of the fortifications somewhat until further news should have been received from here, as a remedy that is still far worse than the disease itself. And therefore leaving this resolution for what it is, we expect that Governor Senff, upon the further reflections of Commander Breekpot regarding the forts, will send us as soon as possible his advice, suited to the condition of affairs on the Malabar Coast. Paragraph 16. Consequently, all pretexts were denied here, all postponements cut off. I indeed thought to understand very clearly that the demolition of Chettua, Cranganoor, and Coilang to demolish. Since then, this matter has been urged more strongly year by year. And by secret letter of the 26th of September 1768, which I found here, the execution thereof was not only especially recommended to me, but Your Right Excellencies also repeated the previously threatened indemnity and declared at the same time not to await the slightest further consideration in that regard, but that the leveling of the forts Chettua and Coilang should proceed immediately, in order to be able subsequently to proceed also to Cranganoor. Forts 238 II. Concerning the Forts Chettua, etc. forts entailed something disadvantageous to the Honorable Company's interests. It was also certain that, this once having occurred, the loss would be practically irreparable. But I nevertheless did not have enough experience to place so much confidence in it that I could have supported my opinion with sufficient reasons of urgency. Merely to say with Mr. Breekpot: that the present critical circumstances of the times did not permit the execution at present, seemed to me even more dangerous. And therefore, being quite compelled to think of a means that would absolve me of obstinate disobedience, and yet could not be harmful to the Honorable Company in case Your Right Excellencies might at times change your opinion, from this flowed my proposal of last year, which in fact did not even have a true intention as its foundation. Paragraph 17. For Coilang, notwithstanding the resolution taken, was left entirely untouched, since on that side the King of Travancore and the English II. Concerning the Forts Chettua, etc. are not at all to be trusted. And from Chettua the artillery and personnel were indeed withdrawn, but there was no danger in this for that time. The then Commandant Becker confirmed my opinion. And by sending the one and the other back thither, that fortress will be fully restored again to its former state, as is to happen within a few days, when the water in the river becomes but a little higher from the first rains. Indeed, this is certain: that my proposal had no other purpose than merely to gain time. And considering it enough for me to have succeeded so far therein that I have nevertheless now obtained the opportunity to be permitted to present my respectful opinion regarding that matter freely to Your Right Excellencies, so shall I also immediately make a beginning therewith, and try to demonstrate in the most concise manner that the Honorable Company cannot dispense with those forts, as long as it is not inclined to abandon the city of Cochin, nay, the whole of Malabar. Paragraph 18. Paragraph 19. 239 II. Concerning the Forts Chettua, etc. The most essential of the Honorable Company's interest and concerns on this Coast certainly consists in this: 1. That it lives in peace and friendship with the native neighboring princes; 2. Maintains the city of Cochin in a flourishing state; 3. Draws the customary revenues from its remaining possessions; and 4. Remains master of the products of the land to the extent that it can keep the principal ones for itself, and can take a tolerable export duty from the remainder. And for all of this, the aforementioned three forts are absolutely necessary, for the following reasons. Paragraph 20. Firstly: it appears from the description given under the First Section that these three forts, as well as Cochin, lie at the mouths or openings of a great inland water, along which all products that are harvested in the land of the King of Cochin, and partly also in that of the King of Travancore, must come in order to be transported by sea, as there is otherwise no way out. Paragraph 21. For at Chettua, not only does the inland water cease, but to the north of the same, close to the other side of the river, begins immediately the territory of the Zamorin, who always lives in enmity with the Kings of Cochin and Travancore, and on that account will not grant free passage to their products. Paragraph 22. And at Coilang, the inland water likewise ceases. To the south thereof there is no exit. Coilang itself does have a small bay, which somewhat facilitates unloading and loading, but even thither the goods must be carried a little way overland. And on that account it would be not only much more difficult but also more costly if anyone wished to bring his products from this side to Anjengo or further south. Paragraph 23. Consequently, everything that the inland territories
Dutch transcription
11. Van de Forten Chettua en p: Jafel, met de Demolitie der porten Coilang, Chettua en Cranganoor niet is voortgegaan, aan — voort„ „gevloeijt te wezen, uijt een goed en prijsselijk oogmerk. maar daar en tegen Considereeren wij het besluijt van't present ministerium— om namendlijk alle Bediendens en Effecten van Chettua en Coilang wegteneemen, en daar eenelijk telaaten, Een Resident met eenige Jnlandsche Bediendens, dog het slegten der vestingwerken nog wat uijttestellen, tot dat men verdere tijding van hier zoude ontfangen hebben, als een remedie„ die nog veel erger is, als de quaal„ zelfs. — En daarom deeze resolutie laatende, voor het geen dezelve is, — zo verwagten wij, dat de Gouverneur serff. — op de nadere bedenkingen, van den Commandeur Breckpot, — ten aanzien der Forten ons ten spoedigsten zal laaten toe„ „komen, zijn Advis, geschikt na de Constitutie der zaaken, ter mallabaarse Cust. 5:16: Bij gevolg waren hier alle uijt„ „vlugten ontzegt, alle uijtstellen afgesne„ „den. Ik vermeende wel zeer duijdelijk te begrijpen, dat het demolieeren der Chettua, Cranganoor en Coilang te demolieeren. 'T seedert is dit stuk Jaarlijx sterker aangedrongen. En bij secreete brief van den 26:' september 1768:, die ik „hier vond, wierd de uijtvoe„ „ring daar van niet alleen in 't bijzonder mij aanbevolen, maar Uw Hoog Edelens herhaalden ook de bevoorens gedrijgde vergoeding, en verklaarden teffens, geen de minste Consideratie meer daaromtrent te zullen ver„ „wagten; maar dat het slegten der Forten Chettua en Coilang ten eersten voort„ „gang zoude neemen, om vervolgens ook tot Cranga¬ „noor te kunnen overgaan. Forten 238 11: Van de Forten Chettua en K: Forten iets nadeeligs voor 's E Comp:s Be„ „langen insloot. ook was het zeeker, dat zulx eens geschied zijnde, het verlies ge„ „noegzaam onherstelbaar zoude zijn. maar ik hadde egter geene ondervinding genoeg om daar op zoveel vertrouwen te stellen, dat ik mijn gevoelen met genoegzaame reedenen van aandrang zoude hebben kun„ „nen ondersteunen. met den Heer Breekpot enkeld tezeggen: Dat de presente critic„ „que tijds omstandigheeden, de uijtvoering thans niet toelieten; scheen mij nog gevaarlijker. En daarom wel genoodzaakt zijnde, op een middel te denken, dat mij van eene obstinate ongehoorzaamhijd vrij spreeken, en egter voor de EComp:e niet schaadelijk zijn konde, ingevalle uw Hoog Edelens zomtijds van gevoelen veranderen mogten: zo is daar uijt mijne voorJaa„ „rige propositie voortgevloeijt, die in der daat ook nog niet eens eene waare meening tot grondslag heeft gehad. §: 17: Want Coilang is niet tegenstaande de genomen resolutie in't geheel onaange„ „roert gelaaten; dewijl aan die kant de koning van Jrevancoor en de Engelschen in 11. Van de Forten Chettua en H: in 't geheel niet te vertrouwen zyn. En van Chettua is het geschut en volk wel weggeligt: maar hier in stak voor die tijd geen gevaar. De toenmalige Comman„ „dant Becker bevestigde mijn gevoelen En met het een en ander derwaards terug tezenden, zal die vesting volkomen weder in haar voorige staat herstelt zijn; zo als binnen wijnig dagen staat te geschie„ „den, wanneer het water in de Rivier door de eerste Reegen maar een wijnig hooger word. Immers dit is zeeker, dat mijne propositie geen ander oogmerk gehad heeft, dan om maar tijd tewinnen. En het voor mij genoeg agtende, daar in zo verre te zijn geslaagt, dat ik evenwel nu gele„ „gendhijd erlangt heb, uw Hoog Edelens mijn eerbiedig gevoelen nopens die zaak, vrijmoedig temogen voordraagen; zo zal ik ook daarmeede terstond een begin maa„ „ken, en op de bondigste wijze tragten aantetoonen: Dat de EComp:e die For„ „ten met missen kan, zo lange zij niet geneegen is, de stad Cochim, ja: de gantsche Mallabaar te verlaaten 5:18: 5:19: 239 11: Van de Forten Chettua enj=r Het essentieelste van 's EComp:s Jnterest en Belangen te deezer Custe be„ „staat zeekerlijk hier in: 1: Dat zij met de Jnlandsche Buur-vorsten, in vreede en vriendschap leeft; 2: De stad Cochim in een florisante staat onderhoudt 3: van haare overige Bezittingen de gewoone Jnkomsten trekt; En 4: van de Producten van 't land in zo verre meester blijft, dat zij de voornaam„ „sten voor zig houden, en van de overigen eene dragelijke uijtvoers geregtighijd neemen kan. En tot dit alles zijn de voormeldte Drie forten absolute noodzaakelijk, om de volgende Reedenen. 5: 20: Ten Eersten: Beijkt uijt de beschrijving, onder de T: Afdeeling ge„ „geeven, dat deeze drie forten zo wel als Cochim aan de monden of openingen leggen, van een groot Binnen water waar langs alle Producten, die in't land van den koning van Cochim, en gedeeltelijk ook in dat van den koning 5:19: van II. Van de Forten Chettua entz: van Trevancoor vallen, komen moeten, om ter zee vervoert te kunnen werden; alzo er anders geen uijtweg is. 5: 21: Want bij Chettúa houdt niet alleen het binnen water op, maar benoorden het zelve, digte aan de overkant van de Rivier; begint ook terstond het grond gebied van den Samo„ „rijn, dewelke met de koningen van Cochim en Trevancoor althoos in vijandschap, leeft, en uijt dien hoofde aan haare producten geene vrije passage verleenen zal. 5: 22: En bij Coilang houdt insgelijx het binnen water op. Daar bezuijden is geen uijt„ „gang. Coilang zelfs heeft wel eene klijne Bhaij, die het lossen en laaden eenigzinds gemakkelijk maakt. maar ook daar na toe moeten de Goederen al een stukje wegs over land gedraagen werden. En 't zoude uijt dien hoofde niet alleen veel beswaarlijker maar ook kostbaarder vallen, indien ie„ „mand zijne producten van deese kant „voor daar „ bij naar Ansjenga of verder naar de zuijd brengen wilde. 523: Bij gevolg moet alles, wat de binnen landen
English
240 II. Of the Forts Chettua etc. lands between Coilang and Chettua produce, necessarily pass either Cochim or one of the three forts, if it is to be transported by sea. And this alone sufficiently demonstrates the necessity of maintaining and preserving them. For if those forts were not there, everyone would make use of that outlet which was most convenient to him. One would not be able to prevent the export, much less force the countryman to bring his produce to the market or for taxation of the Honorable Company. And thus, by abandoning those forts, one would also at the same time abandon one of the main matters Section 19 whose existence adds the greatest strength to the promotion of the Honorable Company's interests on this coast. Section 24: Secondly: It also appears from the aforementioned description Section 5 how extensive and scattered the Honorable Company's properties lie from one another. Chettua is reckoned at 12 and Coilang at fully 24 miles from Cochim; and yet one finds up to the extreme limits of both those places gardens and lands which must pay dues. Now it is certainly virtually impossible, at such a great distance, to be able to take proper care that those lands are not ruined by the lessees, not diminished by the neighbors, and the dues thereof collected in due time, if the supervision had to come from Cochim alone. But by means of and under the protection of those forts, such can take place very conveniently and easily. And in that respect, the precious conquest Paponettij comes especially into consideration, which may rightly bear the name of the storehouse of Cochim. Section 25: For if this tract of land did not lie between Chettua and Cranganoor and was not more or less covered thereby, the neighboring princes would soon make themselves masters of it, and particularly the Zamorin, to whom it formerly belonged. Thus one would be deprived of a considerable relief of over 550 lasts of nelij or unhusked rice, which that tract of land currently delivers annually in dues alone, both for 241 II. Of the Forts Chettua etc. provisions for the garrison and the poor community, and to be able to assist Ceylon in time of need, as happened in the last five months with a considerable quantity of 482 lasts. And not only that one would have to miss this benefit of grain, but one may also well assume that if those forts were once demolished, one would then get little or nothing from the entire leasing of the gardens and lands, which nevertheless in cash still amounts to a notable capital of more than f 50000:—.—, as is evident from the specific statement made thereof in the general letter of 15 March last. Section 26: Thirdly: These forts serve greatly for the preservation of friendship with the indigenous neighboring princes. For without them, these would continually advance further if they found the land open, and not only curtail the Honorable Company's privileges, but also make themselves masters of its properties. And thus one would perpetually be at odds and in dispute with them, instead of being able to live in peace now, and thereby fulfill the purpose of a quiet habitation. Section 27: Fourthly: These forts also give Cochim a particular strength, in case the Zamorin or the King of Travancore might at times wish to undertake something hostile against it. For by water, one has nothing to fear from either. Their approaches would have to take place by land. And then it is certain that those forts can be of the greatest use. For if they attack them first, their force is thereby weakened, and one gains time to put oneself in Cochim all the better in a state of defense. And if they leave them behind them, one has the opportunity to send strong detachments thither by sea, which continually fall upon their rear, cut off the supply of provisions, and thus, if not entirely frustrate their enterprise, at least greatly impede it. Section 28: Fifthly: It is impossible for Cochim to flourish without those forts; for the city itself and its surrounding 242 II. Of the Forts Chettua, etc. district yield few products and even fewer provisions to attract the stranger thither. The principal things, and particularly live cattle, must come from the other side of the inland water. Now, if the outlets thereof were not closed by the forts, the inhabitants of Cannanore, Tellicherry, Mahé, Calicut, and Anjengo, who in respect of provisions cannot possibly do without this region, would run in there and buy their necessities first-hand. One could no more compel them to come and fetch their needs from Cochim than the countryman to bring his produce and provisions to the market there. And yet this is the only thing that provides a livelihood for the inhabitants, and consequently keeps the city in prosperity. Section 29: And sixthly: to each of those forts, besides the aforementioned general ones, there are also attached particular advantages or qualities which the Honorable Company cannot well do without, without great detriment. Section 30:
Dutch transcription
240 II. Van de Forten Chettua enk landen tusschen Coilang en Chettua uijtlee„ „veren, noodwendig, of Cochim of Een van de Drie forten passeeren, als het ter zee vervoert zal werden. En dit alleen toont genoegzaam aan, de noodzaakelijkhijd van derzelver aanhouding en bewaaring. Want als 'er die forten niet waren, dan zoude een ieder zig bedienen vandien uijtgang, die hem het beste gelegen legt. men zoude den „veel min den Land„ uijtvoer niet beletten zijne producten bij „man duingen kunnen, de EComp:e temarkt ofter vertholling te brengen. En dus zoude men met het verlaaten van die porten ook teffens vaaren laaten, Een van de Hoofdzaaken §: 19: welker bestaan de bevordering van 's EComp=s Custe de meeste kragt belangen te deezer bijzet. 5:24: Ten Sweeden: Blijkt ook uijt de voormeldte Beschrijving §: 5: hoe uijtgestrekt en verstrooit 's EComp:s Eij„ „gendommen van elkander afleggen. Chettua werd gereekent op 12: en Coilang wel op 24: mijlen van Cochim; en egter vindt men tot het uijterste van beijde Thuijnen en Landerijen, die die plaatsen geregtighijd nen 11: Van de Forten Chettua, en 18: geregtighijd betaalen moeten. nu is het zeekerlijk genoegzaam onmogelijk, op zulken verren afstand, behoorlijk zorge te kunnen draagen, dat die landen door de Pagters niet geruineert, door de Buuren niet vermin„ „dert, en de geregtigheeden daar van op zijn tijd ingevordert werden, indien de toezigt alleen van Cochim moeste komen. maar door middel en onder bescherming van die forten, kan zulx zeer gevoeglijk en ge„ „makkelijk geschieden. En komt ten dien opzigte voornamendlijk in aanmerking het kostelijk Conquest Paponettij, dat met regt den naam mag draagen, van de voorraad-schuur van Cochim 5: 25:— Want als dit landschap niet tusschen Chettua en Cranganoor inlag en daar door min of meer gedekt wierd, dan zouden de nabuurige vorsten zig spoedig daar van meester maaken, en inzonderhijd De Samorijn, wien het voor deezen toebe„ „hoort heeft. Dus zoude men ontstoken raaken van een merkelijk ontzet, van over de 550: Lasten nelij of Rijst in bol„ „sters, die thans dat landschap Jaarlijx„ alleen aangeregtighijd uijtleevert, zo tot spijse 241 11. Van de Forten Chettua en Vr: spijze van't Guarnisoen ende arme Gemeente, als om in tijd van nood Ceijlon te kunnen bijspringen, gelijk in de Jongste vijf maan„ „den met eene aanzienlijke quantitijt van 482: Lasten is geschied. En niet alleen, dat men dit voordeel aan Graanen zoude moeten missen, maar men mag ook wel vaststel„ „len, dat als die forten eens gedemolieert waren, men dan van de Gantsche ver„ „pagting der Thuijnen, en Landerijen wijnig of niets krijgen zoude, die egter in Con„ „tant nog al een naamwaardig Capitaal van meer dan ƒ 50000:—. — uijtmaakt blijkens de specificque Aanwijzing, die daarvan bij de gemeene brief van den 15:' mart Jongstleeden is gedaan. §: 26: Ten Derden Dienen deeze forten grootelijx tot conservatie vande vriend„ „schap met de Jnlandsche Buur vorsten. Want zonder dezelve zouden deeze al geduurig verder indringen, als ze het land openvonden, en niet alleen 's EComp:s voorregten besnoeijen, maar zig ook van haare Eijgendommen meester maaken En dus zoude men euwig met dezelve over hoop en in verschil leggen, insteede dat 11. Van de Forten Chettua en1z dat men nu in vreede leeven, en daar door aan het oogmerk van eene geruste Jnwooning voldoen kan Ten Vierden Geeven deeze Forten ook aan Cochim eene bijzondere sterkte, in„ „gevalle zomtijds de Samorijn of koning van Trevancoor iets vijands daar tegen mogten on„ „derneemen willen. Want te water heeft men van beijde niets tevreezen. Hunne aannaa„ „deringen zouden telande moeten geschieden. En dan is het zeeker dat die porten van't grootste nut kunnen zijn. Want attaqueeren zij die eerst, hunne magt werd daardoor verswakt, en men krijgt tijd zig te Cochim des te beeter in staat van defensie te stellen. En laaten zij die agter zig leggen, men heeft gelegent „hijd ter zee kragtige detachementen der„ „waards te zenden, die haar gedurig in de rug vallen, den toevoer van Leevens mid„ „delen afsnijden, en dus haare onderneeming zo niet in't geheel verijdelen, ten minsten grootelijx beswaaren kunnen 5: 28: Ten Vijfden: Is het onmogelijk dat Cochim zonder die porten floreeren kan want de stad zelfs en haar omleggend 5: 27: district 242 11. Van de Forten Chettua, en H: district, leeveren wijnig producten en nog min„ „der Leevensmiddelen uijt, om den vreemde„ „ling derwaards te trekken. Het voornaamste en inzonderhijd leevend vee moet van de overkant van het binnen water komen. Indien nu de uijtgangen daar van door de porten niet gesloten waren; dan zouden de Jnwoonders van Cananoor, Jellicherij mahé, Calicut en Antjenge, die ten op„ „zigte van de Levensmiddelen deeze landstreek onmogelijk missen kunnen, daar binnen loopen, en koopen hunne benoodigtheeden uijt de eerste hand. men zoude hen zo min dwingen kunnen, hun gerief van Cochim tekomen haalen, als den Landman, om zijne Producten en Provisien daar ter markt te brengen. En evenwel is dit het eenigste, dat voor de Jngezeetenen een middel van bestaan verschaft, en bij gevolg de stad in fleur houdt. 5: 29: En sen sesden: zo zijn aan ieder dier forten behalven de evengemeldte alge„ „meene, ook nog bijzondere voordeelen of Eijgenschappen verknogt, die de EComp:e zonder groot nadeel niet wel missen kan. 5: 30:
English
11. Concerning the Forts Chettua, etc. Paragraph 30. For Coilang has been the seat of the emperors of the Malabars for about a thousand years, as may be deduced from the era still used to this day, and certainly on that account claims the privilege that all vessels wishing to put to sea from between Cape Comorin and Cochim must obtain their passes there. Indeed, even the natives admit that this prerogative is attached to it. And on that account it would cause far too great an injury to the Honourable Company's honour and respect if, by demolishing that fortress, one also simultaneously surrendered that extraordinary privilege. Paragraph 31. Coilang may also rightly be regarded as the key to the realm of the King of Trevancoor, for his principal palaces and pleasure seats lie close by it. From here he can be attacked in the very heart of his country. And yet it is strong enough to offer resistance to his enterprises. Experience has shown more than once that he has suffered a repulse before it with a great force. Moreover, according to the testimony of the present Chief Rosier, the fortifications have diminished very little in that respect. A slight repair on the land side can completely restore them to their former state, while nothing is needed on the sea side, because no one can land there on account of the rocks and continuous surf. And if the garrison were then slightly reinforced, and some heavier ordnance of 18 or 24 pounds brought there instead of the 6-pounders that now lie there, even large ships, lying close against the reef in 6 fathoms of water, could find their protection here, if they might sometimes be compelled to seek a secure hiding place, as recently was the case with Azia during the presence of the fleet of the Marhettas. Paragraph 32. Lastly, Coilang is at least, even were it nothing else, a fixed boundary line and landmark of the Company's territory and sovereignty over the sea and inland waters up to that point, and also serves to be regarded and maintained as such, especially also to prevent the further encroachment of the English. For these already have great influence over the King of Trevancoer. And how much more would that not increase if, Coilang once being demolished, they thereby obtained the freedom to transfer their inconvenient, cramped Ansjenge to that better location? By means of access to the inland waters, they would then soon manage to get all the products of the country into their power as well. Indeed, they would care nothing at all for Cochim, whereas now, for the sake of their subsistence, as in Paragraph 28, they must still spare this city somewhat. And even if they failed in their objective in this matter, and the King of Trevancoor kept this place for himself, things would nevertheless be not a whit better. For he, having once gotten rid of that thorn in his foot, would, just as well as the English, set limits to the Honourable Company's trade and territory that would be difficult for it to overstep. And he would soon arrogate to himself an absolute sovereignty over land and water, of which the Honourable Company would then also have tacitly yielded its right. Paragraph 33. Chettua is likewise a frontier fortress, which defines the Honourable Company's territory to the north, just as Coilang does to the south. It has only four demi-bastions, and for that reason might perhaps not be able to offer the greatest resistance in the event of an enemy attack. But to check the first onslaught of a native does not require so much, the more so because its situation is such that by land it can be attacked on only one side. And then it can at least serve the purpose that, in the event of a sudden surprise attack, the inhabitants of the countryside may know whither to take their refuge and secure the most precious of their possessions. Some strength is also needed here to resist the encroachment of Moors and other bad people who, having been driven out of the country of the Samorijn, Paragraph 34. gladly settle here. But this fort seems to have been built chiefly for the sake of the Paijencherij Nairos, a family of free lords who formerly belonged under the Samorijn, but afterwards voluntarily placed themselves under the protection of the Honourable Company. At least these people maintained this and urged it most strongly when the artillery and men were removed from there in the past year. And if that is true, then this fortress cannot be demolished without giving these people the most grounded reasons to abandon the Honourable Company and return again under the authority of their former protective lord. Paragraph 35. And as regards Cranganoor, it is as necessary as any of the other forts, not only to keep in check the petty King of Cranganoor, who frequently breaks out into excesses, intrigues eternally with the Samarijn, and allows all kinds of bad people in under the pretext that he cannot deny anyone the freedom of the pagoda, but also chiefly to keep open the fairway to Chettua, Paponettij and
Dutch transcription
11. Van de Forten Chettua en p: 5: 30: Want Coilang is al voor omtrent Duijzend Jaaren de zeetel geweest, vande keijzers der mallabaaren, invoegen men af„ „neemen kan uijt de Jaartelling die tot heeden nog gebruijkt werd, en eijscht zeeker„ „lijk uijt dien hoofde het voorregt dat alle vaartuijgen daar hunne Lassen moeten neemen, die van tusschen de Caab Comorijn en Cochim in zee willen steeken. Jmmers dat dit prerogatief daar aan verknogt is, staan de Jnlanders zelfs toe. . En't zoude uijt dien hoofde een al te groote kraak aan 's EComp:s Eere en agting geeven, als men door 't slegten van die vesting, ook teffens van dat bijzonder voorregt afstand deed 5: 31: Ook mag men Coilang met regt houden voor den sleutel tot het Rijk van den koning van Trevancoor. want zijne voornaamste Paleijsen en Lust plaatsen leggen daar digte bij. men kan hem van hier in't hartje van zijn land aantasten. En egter is het sterk genoeg, om zijne onder„ „neemingen tegenstand te kunnen bieden. De ondervinding heeft al meer dan eens doen zien, dat hij met eene groote magt daar 243 11. Van de Forten Chettua. entb: daar voor het hoofd heeft gestooten. ook zijn devesting werken volgens 't getuijgen is van het presente opperhoofd Rosier ten dien opzigte nog wijnig vermindert. Eene geringe verhelping aande Landkant, kan dezelve volkomen in haaren voorigen staat herstellen; terwijl aande zee kant niets noodig is, omdat daar wegens de klippen en Continueele Branding niemand lan„ „den kan. En als dan het Guarnisoen een wijnig versterkt, en in steede van de 6: Ponders die 'er thans leggen, eenig swaar„ „der geschut van 18: of 24: Lond daar gebragt wierd, zouden zelfs groote scheepen, op 6: vaam water digte tegens het Ripp aan, hier hunne bescherming kunnen vinden, als ze zomtijds genoodzaakt mogten zijn, gelijk nu Jongst Azia, bij 't aanweezen van de vloot der marhettas, een verzeekerde schuijlplaats te zoeken. 5: 32: Laatstelijk is Coilang ten minsten, alwas 't niets anders, een vaste schijde Zaal en merk Teeken van 'sComp:s Grond„ „gebied en Heerschappij over de zee en bin„ „nen wateren tot daar natoe, en dient ook als zodanig aangemerkt en onder„ „houden eg gt ine g 11. Van de Forten Chettua en H: „houden tewerden, voornamendlijk meede om den verderen Jndrang vande Engelschen te beletten. want deeze hebben nu alreeds op den koning van Trevancoer een Groot vermogen. En hoe ongelijk meer zoude dat niet toeneemen, als Coilang eens geslegt zijnde, zij daardoor vrijhijd kregen, hun ongelegen, bekrompen Ansjenge; naar die beetere standplaats over tebrengen? Zij zouden dan door middel van den toegang tot de binnen wateren, wel spoedig maaken, ook alle Producten van't land in hunne magt te krijgen. Ia: zij zouden om Cochim in't geheel niet geeven, daar zij nu, om dewille van hun levens onderhoud, §: 28: deeze stad tog eenigzinds ontzien moeten. En alwas 't ook, dat zij in dit stuk hun oogmerk misten, ende koning van Trevancoor deeze plaats voor zig zelven hield, dan zoude het egter geen hairtje beeter gaan. want deeze, dien doorn eens uijt de voet quijt geraakt zijnde, zoude zo wel als de Engelschen, aan 's EComp:s Handel en Grond gebied Paalen zetten, die 't haar moeijelijk vallen zoude te overtreeden. En hij zoude zig spoedig overland en water eene volstrekte Heerschappij aan„ maatigen 244 11. Van de Forten Chettua en H: „maatigen, waarvan de EComp:e dan ook haar Regt stilswijgende vergeeven zoude hebben. 5:33: Chettua is insgelijx eene Grens„ „vesting, die 's EComp:s Grond gebied om de noord bepaalt, zo als Coilang om de zuijd. Dezelve heeft maar vier halve Bolwerken, en zoude uijt dien hoofde mogelijk net in staat zijn, bij een vijandlijke aanval de grootste tegenstand te bieden. maar om de eerste aanloop van een Jnlander te stuijten, daar toe werd ook zo veel niet vereijscht, temeer, om dat haare situatie zodanig is, datze telande maar aande eene zeijde geattacqueert kan werden En dan kanze ten minsten daar toe dienen, dat de Landlieden bij eene schielijke overrompeling weeten kunnen, wer„ „waards hunne toevlugt teneemen, en het kostelijkste hunner bezittinge te bergen. Ook is hier eenige sterkte noodig om den indrang tegen tegaan, van mooren en ander slegt volk, dat uijt het land van den samorijn verdreeven zijnde, 5: 34: gaarne „ 11. Van de Forten Chettua ensz: gaarne hier nestelt. Dog voornamendlijk schijnt dit fort gebouwt tezijn, omde wille van de Paijencherij nairos, een geslagt van vrij- Heeren, dat eerst onder den samorijn gehoort, dog naderhand zig vrijwillig onder de Pro„ „tectie van de EComp:e begeeven heeft: Ten „minsten hebben deeze menschen zulx staande gehouden en ten sterksten daar op aange„ „drongen, wanneer in 't gepasseerde Jaar het geschut en volk van daar wierd geligt. En bij aldien dat waar is, dan kan deeze vesting ook niet geslegt werden, of men geeft aan dit volk de gegrondste reedenen om de EComp:e te verlaaten, en weder onder 't gezag van hunnen voorigen Bescherm„ „Heer terug tekeeren . 5: 35: En wat aangaat Cranganoor het zelve is zo noodzaakelijk, als een van de andere porten, niet alleen om het koningje van Cranganoor in bedwang tehouden, dat dikwils uijtspat, euwig met den samarijn konkelt, en allerhande slegte lieden toelaat, onder voorwendsel van de vrijheijd der Pagode aan niemand tekunnen wijgeren; maar ook voornamendlijk, om het vaar„ „water open te houden, naar Chettua, Paponettij en
English
245 II: Concerning the Forts of Chettua, etc.: and the mountains; since here all wood rafts and vessels that are in any way loaded must pass close by. § 36: Therefore I believe I have not simply shown, but sufficiently and concisely proven: That the Honorable Company cannot dispense with the posts of Coilang, Chettua, and Cranganoor, or it would render Cochim and at the same time the whole of Mallabaar useless to itself. The reasons upon which my opinion rests, I have derived from the nature of the matter itself, from the situation and condition of the country, and from that which is unavoidably required for the maintenance and advancement of the Honorable Company's interests. Consequently, the same are firm and perpetual, both for the present and future times. And for that reason, I can by no means agree with the statement of Mr. Breekpot in his further Considerations, as if the usefulness of these forts would only then become apparent when the Nabob Heijder Alichan had made such considerable conquests for the benefit of the Honorable Company, as His Honor beforehand considers necessary and also possible. II: Concerning the Forts of Chettua, etc.: For this implies that those strongholds at present, and without those conquests, might very well be dispensed with. § 37: Furthermore, the expectation of Mr. Breekpot rests solely on a bare supposition of what might happen in the future, and consequently has not the least ground of certainty. The Nabob once defeated, or his power being notably diminished by some other unfortunate event, the entire concept that is built upon it would fall to pieces. And besides this, I hope under the VIIth Section to show further that the entire proposition of Mr. Breekpot cannot well be accepted; because it has no appearance of a good success, and because the execution, indeed even the undertaking thereof, could be detrimental to the Honorable Company's interests. IIIrd Section. Concerning the Moetoe Coenoe Islands. Resolution concerning the three small islands: These small islands belonged 246 III. Concerning the Moetoecoenoe Islands named Parouw, Porte, Moetoecoenoe, which were taken over from the Samorijn in reduction of his debt for 16000 Rop:s, it being noted by the retired Commander Breekpot that a claim thereto was since raised by Trevancoor, and that the Prince would not so easily abandon that claim or come to an accommodation, so it has been approved—in consideration that the aforesaid small islands yield no more than f 307:-:- in money, and 1115 Cranganoor parras of nelij in annual revenues, and thus could well be ceded to the King of Trevancoor for 16000 Rop:s, if he were inclined to accept the same for that amount, provided that the remainder of the Samorijn's debt of 12000 Rop:s can be recovered from the lands taken from him into sequestration—to give instructions to the Titular Governor Senff to cede those small islands to Trevancoor on the aforementioned conditions. § 38: to the Kingdom of Paroe, when the Samorijn made himself master thereof in the last war. And having ceded the same to the Honorable Company after he had already been driven out of that Kingdom again by the King of Trevancoor, the claim of the latter seems not to have been altogether unfounded. § 39: Yet during my presence he has not shown the least sign of his claim. On the contrary, it happened shortly after the incident at Coeriapallij that some of his soldiers took away some goods from there, but that very same day also brought them back of their own accord to the place where they had stood. And since the envoy of the King likewise said nothing thereof during the conferences held, I believed that I should not bring up that matter either, in order to give no occasion for the renewal of the claim if I spoke of it first and thereby more or less showed as if I called the legality of the Honorable Company's possession into doubt. § 40: At the same time, one can easily understand that the King of Trevancoor will gladly want to have those islands; but that he will want to give money for them, I do not believe, however. It might also not be good at all to cede the same to him; for they lie right in the middle between Cranganoor and the fort of Coeriapallij, which the King had newly built on the corner of Paroe. All vessels going to Chettua, Paponettij, and the mountains must pass either Cranganoor or Coeriapallij. The latter cannot happen at all without his consent, and also not with wood rafts and loaded vessels, § 35. And if he then likewise had a fort placed on those islands directly opposite Cranganoor, he would have it in his power 247 III. Concerning the MoetoeCoenoe Islands. if not entirely to close that waterway, at least to obstruct it greatly, and thereby cause the Honorable Company and its subjects much trouble and grief. § 41: Moreover, these islands now yield much greater revenues than before. At the latest leasing at the end of August 1769 they yielded 1150 Rop:s in specie and not in fanums. And this, calculated on the principal sum of 16000 Rops:-, yields an annual interest of 7 3/16 per cent, which is not at all unacceptable; especially when one considers that this income has its origin in a debt that will possibly never, or at least not except very slowly and with much difficulty, find its settlement out of the sequestered lands of the Sammorijn. § 42: Indeed, these are the reasons that have moved me for the present to leave the execution of Your Right Honorable's honored order in this regard deferred. And I also live in hope that such will be unnecessary for the future. But
Dutch transcription
245 11: Van de Forten Chettua entb: en 't gebergte; dewijl hier alle Houtvlotten en vaartuijgen, die eenigzinds gelaaden zijn, digte voorbij passeeren moeten 5: 36: Overzulx vermeen ik dan niet simpel aangetoont, maar genoegzaam bondig bewezen te hebben: Dat de EComp:e de porten Coilang, Chettua en Cranga„ „noor niet missen kan, of zij zoude Cochim en teffens de gantsche Mallabaar voor haar onnut maaken. De Reedenen, waarop mijn gevoelen steunt, heb ik afgeleijdt uijt de natuur der zaake zelfs, uijt de gelegendhijd en gesteldhijd van't land, en uijt het geen tot onderhouding en bevondering van 's EComp:s Belangen onvermijdelijk vereijscht werd. Bij gevolg zijn dezelve vast en althoos duurende, zowel voor de presente als toekomende tijden. En ik kan uijt dien hoofde geenzinds toestem„ „men, het zeggen vanden Heer Breekpot, bij zijne nadere Bedenkingen, als of de nuttighijd van deeze forten dan eerst blijken zoude, wanneer de nabab Heijder Alichan ten behoeve vande EComp:e zulke Conside „rable veroveringen gedaan hadde, gelijk zijn Ed: voor af noodig en ook mogelijk agt. ijnt or 10 ij 11: Van de Forten Chettua enk: agt. Want dit sluijt in, dat die vestingen zeer thans, en zonder die veroveringen, wel gewist kunnen werden. §: 37: Ook steunt de verwagting vanden Heer Breekpot alleen op eene bloote voor on„ „derstelling van het geen inden aanstaande zoude gebeuren kunnen, en heeft bij gevolg geen de minste grond van zeekerhijd. De nabab eens geslaagen, of zijn vermoogen door een ander ongelukkig toeval merkelijk ver„ „mindert zijnde; zoude het heele Concept in duijgen leggen, dat daarop gebouwt is. En buijten des hoop ik onder de VII: Afdeeling nader tedoen zien, dat de gantsche Propositie van den Heer Breekpot niet wel aangenoomen kan werden; om dat dezelve geene apparentie heeft van een goed succes„ en om dat devolbrenging, Ja zelfs de onderneeming daarvan, voor 's EComp:s belangen nadeelig zoude kunnen zijn. U1 Afdeeling. Van de Eijlanden Moetoe Coenoe Resolutie Concerneerende de drie Deeze Eijlanden behoor¬ 5:38: Eijlandjes „den 246 111. Van de Eijlanden Moetoecoenoe Eijlandjes, Parouw, Porte, moetoecoe„ „noe genaamt, welke — vanden samorijn, in mindering van des„ „selfs debet, voor Rop:s 16000: - zijn overgenoomen, — door den afgegaa„ „nen Commandeur Breekpot genoteert werdende, dat door Trevancoor 'tsedert daar op pretensie gemoveert — wierd, —. en dat de vorst die pretensie zo ligt niet zoude laaten vaaren, of tot een, accomodement komen — zo is uijt aanmerking, de voors: Eijlandjes niet meer dan ƒ 307:—:- in gelde, en 1115: Cranganoorse Parras nelij aan inkomsten Jaarlijx geeven, en dus — wel voor — Rop:s 16000:-. aan den koning van Trevancoor zouden kunnen werden afgestaan, indien hij geneegen was, dezelve daarvoor te aanvaarden, mids het overige van Samorijns debet, van Rop:s 12000:—. kan gevonden werden, uijt de van hem in sequestratie genomen landen, — goedgevonden, — den Titulair Gou„ „verneur serff in mandatis tegeeven, om aan Jaevancoor die eijlandjes op voormeldte Conditien aftestaan. nogthans heeft hij geduurende mijn aanwezen niets het minste van zijne vordering laaten blijken Jn tegendeel is het kort na 't voorval te Coeriapallij gebeurt, dat eenige zijner soldaaten van daar eenige goederen weghaalden, dog dien eijgensten dag ook van zelfs weder terug bragten, ter plaatse, daarze gestaan hadden. Endewijl de Afzen„ „deling vanden koning daar van bij de ge„ „den tot het Rijk van Paroe, wanneer de samorijn zig in den laatsten oorlog daar van meester maakte. En hij dezelve aande EComp=e afgestaan hebbende, na dat hij bereeds weder door den koning van Trevancoor uijt dat Rijk verdreeven was, zo schijnt de pretensie van den laatsten niet in 't geheel ongegrondt te zijn geweest. „houdene 5: 39: III. Van de Eijlanden MoetoeCoenoe „houdene Conferentien, insgelijx niets heeft gezegt, zo heb ik vermeend die zaak meede niet temoeten ophaalen, ten eijnde tot het ver„ „nieuwen der pretensie geene aanleijding te„ „geeven, wanneer ik eerst daarvan sprak en daardoor min of meer toonde, als of ik de wettighijd van 's EComp:s Bezitting in twij„ „fel trok. 5: 40: Teffens kan men wel nagaan, dat de koning van Trevancoor die Eijlanden gaarne zal willen hebben. maar dat hij 'er geld voor zal willen geeven geloof ik egter niet. ook zoude het mogelijk gantsch niet goed zijn, dezelve aan hem aftestaan. wantze leggen regt in 't midden, tusschen Cranganoor en het fort Coeriapallij, dat de koning op den uijthoek van Paroe nieuw heeft laaten bouwen. Alle vaartuijgen, die naar Chettua, Pa„ „ponettij en't gebergte gaan, moeten of Cranganoor of Coeriapallij passeeren. Het laatste kan buijten zijne toestemming, en ook met Houtvlotten en gelaaden vaar„ „tuijgen in 't geheel niet geschieden 5: 35: En als hij dan op die Eijlanden regt tegen over Cranganoor insgelijx Een fort liet zetten, zoude hij 't in zijne magt hebben, dat 247 1111: Van de Eijlanden MoetoeCoenoe. dat vaarwater zo niet in't geheel tesluijten, ten minsten zeer te belemmeren, en daar door de EComp:e en haare onderdaanen veel overlast en verdriet aan te doen. Boven dien geeven deeze Eijlanden thans veel grooter Jnkomsten, dan bevoo„ „rens. Bij de Jongste verpagting onder ult:o Augustus 1769: hebben dezelve gerendeert Rop:s 1150: in specie en niet in fanums En dit gerekent opde Hoofd-somme van Rops 16000:—. geeft een Jnterest Jaarlijx van 7 3/16: p:r C=to C=to, het gunt gantsch niet onaanneemelijk is; temeer als men aan„ „merkt, dat dit Jnkomen zijnen oorsprong heeft, uijt eene schuld, die mogelijk nooit of ten minsten niet dan zeer langzaam en met veel moeijte, uijt de gesequestreerde landen van den sammorijn haare ver„ „effening zal vinden. 5: 42: Immers dit zijn de reedenen, die mij bewogen hebben, voor als nog de vol„ „brenging van uw Hoog Edelens geEerde ordre ten deezen opzigte, uijtgestelt te „laaten. En ik leef ook in hoope, dat zulx voor den aanstaande onnoodig zal zijn. Dog §: 41:
English
1/11. Of the Islands MoetoeCoenoe 5th Section. Of the Fortress Cananoor. Resolution Paragraph 43: With relation to Cananoor, having been proposed by Commander Breekpot to transfer the same to the Nabab for a certain sum of money, it has after deliberation been agreed to write to and instruct the ministers to still treat regarding the aforementioned fortress, according to the proposal of the retired Commander Breekpot, if the circumstances of affairs permit such, and the contrary does not absolutely command it. This fortress I inspected on my journey hither from Souratta. I find the same very advantageously situated, at the entrance of a small bay, on a protruding tongue of land, which is lapped by the sea all around, except for a very small part where it is attached to the mainland. Here lies a hornwork, consisting of two high, regular, and spacious bastions, joined to each other by a strong curtain wall, with a covered way and fairly wide ditch in front of it, which turns the tongue of land virtually into an island. And as this fort But if not, it can still, and shall also immediately take place, if I may only be supported by Your High Noblenesses' further approval at the first opportunity. 248 4th Section: Of the Fortress Cananoor: can only be attacked from this side, the fortifications here are not only very sufficient to resist a large force with a small garrison, but are also still in a very good condition, contrary to what had previously been reported about it. For the bastions and curtain wall, made of freestone, have not the slightest cracks as yet; and look on the outside as sound as if they were only newly masoned. Of the main rampart, solely the earth has been washed away somewhat heavily in some places due to lack of oversight and repair. And nothing is lacking at the ditch either, except that the same must be deepened, and the outer berm raised with bricks and repaired a little here and there. Paragraph 44: Furthermore, this fort previously had a high and strong tower, which however was pulled down with great effort a few years ago. Also, the single old walls along the water, with a large Paragraph 45: roundel, 1v: Of the Fortress Cananoor. roundel, which in earlier days had to cover the entrance of the bay, have fallen considerably into decay. But instead thereof, far inwards, a new retrenchment has been made, as high and strong as the main work towards the landward side; so that the old fort is thereby reduced by more than half, and virtually enclosed in ramparts all around. Yet in my opinion entirely unnecessary and without reason. For on the seaward side, on account of the heavy rocks and continuous surf, it would be difficult for a naked fisherman to come ashore, much more so than for an armed warrior. Consequently, one has no attack to fear from there. And thus one could also very easily have spared those expenses, or could have spent a part thereof much better on the repair of the old works. Paragraph 46: Yet, in whatever good condition this fort may be, and with how little effort and expense it can again be restored entirely: it is nevertheless, according to my 249 5th Section. Of the Fortress Cananoor humble opinion, entirely useless and even harmful to the Honorable Company; for it has no territory of any extent, scarcely a musket shot far, from which one might derive any advantage. And the hill Carla, which belongs in property to the Honorable Company, and has also at times been leased out for a few rupees, lies on the opposite side of the bay so far away that the artillery cannot reach thither. Large profits on trade this factory has never yielded; since the sales have ordinarily only consisted of that which the native ruler Adij Ragia has taken on his own account, and transported with his own ships and vessels to Mocha and other places. The products of pepper, cardamom, and sandalwood that are produced there are always very expensive, and also could not be obtained except with great effort and in only small quantities. Due to the distant remoteness from Cochim, and the impossibility of being able to assist it at all times, one is brought to the necessity of constantly keeping a stronger garrison there than the good situation in peacetime 1v. Of the Fortress Cananoor. would otherwise require. Nor can one make use of the fairway between both with any peace of mind, at least not with sloops, for fear of the Marathas and yet another pirate mob called Malwas, which this year appeared at sea very early with 2 grab-ships of two masts and 7 gallivats, and thus stronger than ever. And what is worst of all, I do not know whether one may hold oneself assured in the future of a quiet and peaceful possession; since the English will fall upon the neck of the said Adij Ragia again, and on that occasion it may very easily happen that the Honorable Company also gets involved in those troubles. Paragraph 47: Therefore, I cannot see otherwise than that the decision of Your High Noblenesses is in every way praiseworthy, to rid oneself of this burdensome post in the most convenient manner. And I have also already sought to enter into negotiations with Heijder Alichan in this regard. But having been unable to succeed directly in my intention, I thought to do it by means of Adij Ragia; but
Dutch transcription
1/11. Van de Eijlanden MoetoeCoenoe V:Afdeeling. Van de Vesting Cananoor. Resolutie 5: 43: Deeze Fortresse heb¬ Met relatie tot Cana„ „noor door den Commandeur Breek„ ik in mijne herwaards rijze „pot — voorgesteld zijnde, —. van souratta bezigtigt. Jk om dezelve aan den nabab voor vind dezelve zeer voordeelig eene zeekere somma gelds overtedoen, — zo is na deliberatie verstaan, gelegen, aan 't Jnkomen de ministers aante schrijven en te van eene Klijne Bhaij, op gelasten, als nog met de voor„ eene uijtsteekende Land Jonge, „meldte vesting te handelen, na 't voorstel van den afgegaanen Com„ die rondsom door de zee word bekabbeld, tot op „mandeur Breekpot, indien de om„ „standigheeden van zaaken zulx een wijnigje na, daar ze permitteeren, en het Contrarie niet aan de vaste wal hangt. absolute gebieden. Hier legt een Hoorn-werk, bestaande in Twee hooge reguliere en ruijme Bolwerken, door eene sterke Courtine aan elkander gehangen met een Bedekte weg en tamelijk breede Gragt daar voor, die de Land-tong als tot een Eijland maakt. En gelijk dit port Dog zo niet, het kan nog, en zal ook ter„ „stond geschieden, als ik maar met uw Hoog Edelens nader goedvinden bij eerste gelegend„ „hijd gesterkt mag werden van 248 IV: Van de Vesting Cananoor: van deeze kant maar alleen geattacqueert kan werden, zo zijn devesting werken, hier niet alleen zeer voldoende, om met eene klijne Bezetting eene Groote magt tegen te staan, maar bevinden zig ook nog in een zeer Goede staat, Contrarie het geen men bevoorens daarvan opgegeeven heeft. Want de Bolwerken en Courtine, van Arduijn steen gemaakt, hebben nog geen de minste scheuren; en zien op 't uijter„ „lijke zo gaaf uijt, als of ze eerst nieuw gemetseld waren. van de Hoofd-wal is door gebrek aan toezigt en reparatie, alleen de aarde op zommige plaatzen wat veel afgespoeld. En aan de Gragt manqueert ook niets, dan dat dezelve uijtgediept, en de buijten Bherm van Jiggel steenen opgehaalt, hier en daar een wijnig verholpen moet werden. Voorts heeft dit fort bevoorens een hooge en sterke Joren gehad, dog die voor wijnig Jaaren met groote moeijte is om verre gehaalt. ook zijn de enkelde oude muuren langs 't water, met eene Groote 5: 45: 5: 44: Ronduijt 1v: Van de Vesting Cananoor. Ronduit, die in vroegere dagen het inko„ „men van de Bhaij heeft moeten dekken, merkelijk vervallen. maar in steede van dien is verre binnenwaarts, eene nieuwe Afsnijding gemaakt, zo hoog en sterk, als het Hoofd-werk naar de landzeijden; zodat het oude port daardoor meer als de helfte verklijnt, en genoegzaam rond„ „som in wallen gelegt is. Dog volgens mijne gedagten in 't geheel onnoodig en zon„ „der Reeden. want aan de zee kant zoude het wegens de swaare klippen en geduurige Branding, voor een naakte visscher beswaarlijk vallen, aan land tekomen, veel meer dan voor een gewaapent oor„ „logs man. Bij gevolg heeft men van daar geen aanval te vreezen. En dus zoude men ook die onkosten zeer ge„ „makkelijk hebben bespaaren, of een gedeelte daarvan vrij beeter besteeden kunnen, aan de velhelping der oude werken. 5: 46: Dog, in wat goede staat dit fort zig ook bevindt, en met hoe wijnig moeij„ „te en ongelden het weder in't geheel her„ „stelt kan werden: zo is het egter volgens mijn 249 5v. Van de Vesting Cananoor mijn gering gevoelen, in't geheel onnut en zelfs schaadelijk voor de E: Comp:e want het heeft geen territoir van eenige uijtgestrekt„ „hijd, nauwlijx van een snaphaan schoot verre, waarvan men eenig voordeel zoude kunnen trekken. En de heuvel Carla, die de EComp:e in eijgendom toebehoort, en ook zomtijds voor eenige wijnige Ropijen verpagt is, legt aan de overkant vande Bhaij zoverre weg, dat het geschut niet derwaarts rijken kan Groote winsten op den Handel heeft dit Comptoir nooit afgeworpen; alzo de verkoop ordinair maar heeft bestaan, in het geen de Land Regent Adij Ragia voor zijne Reekening geno„ „men, en met eijgene scheepen en vaartuij „gen naar Mocha en andere plaatsen vervoert heeft. De Producten van Peper, Cardamom en zandelhout, die daar vallen, zijn althoos zeerduur, en ook niet als met groote moeijte, in maar klijne quantiteijten te krijgen geweest. Door de verre afgelegend„ „hijd van Cochim, en de onmogelijkhijd, om het ten allen tijden tekunnen assisteeren werd men tot de noodzaakelijkhijd ge„ „bragt, daar steeds een sterker Guarnisoen te houden, als anders de goede situatie in vreedens 1V. Van de Vesting Cananoor. vreedens tijd wel vereijschen zoude. ook kan men van het vaarwater tusschen beijden, met geene gerusthijd, ten minsten met geene Chia„ „loupen gebruijk maaken, uijt vreese voor de marhettas en nog een ander Root-geboefte malwas genaamt, het welk dit Jaar al heel vroeg met 2: Gourabs van Twee masten en 7: Galbets, en dus sterker dan ooit, in zee is verscheenen. En wat het slimste van allen is, zo weet ik niet, of men zig in den aanstaande wel verzeekert mag houden, van eene geruste en vreedige possessie; alzo de Engelschen na gedagten Adij Ragia weder op 't lijf zullen vallen, en het bij die gelegenthijd zeer gemakkelijk gebeuren kan dat de EComp. e in die onlusten meede ge„ „melleert raakt. 5: 47: Over zulx kan ik niet anders zien, of het besluijt van uw Hoog Edelens is alle„ „zinds prijsselijk, om zig van deeze Last post op de gevoeglijkste wijze te ontdoen. En ik heb ook al gezogt gehad, dierwegens met Heijder Alichan in onderhandeling tekomen. Dog direct in mijn voorneemen niet heb„ „bende kunnen slaagen, zo heb ik vermeend het door middel van Adij Ragia te zullen doen. maar
English
250 1V: On the Fortress of Cananoor but this has also had no success. This man has come forward on his own behalf, and has requested that the fort might be ceded to him. § 48. Concerning the bid that he makes, and my thoughts that it will perhaps be worth more to him than to Heijder Alichan, I have already had the honor to inform Your Right Noblenesses in the separate letter that was dispatched under the date of March 15 last. And adhering to its contents in this regard, I only add to it: That I am indeed of the opinion that Cananoor will be much better spent on Adij Ragia than on Heijder Alichan; since the latter will esteem it little, whereas on the contrary the former, being a bold and enterprising man and a bitter enemy of the English, will give these competitors of ours enough to do if he has this fort in his power and is secretly supported a little; which furthermore is by no means contrary to the interest of the Honorable Company. V Section On the city of Cochim Resolution § 49. This city is fairly large, and displays in its situation an elongated semi-circle, of which the flat side borders on the water. It is about 300 Rhineland rods long and 100 Rhineland rods wide, and on the land side regularly fortified with an earthen rampart and 5 spacious large bastions, which lie 50 and 60 rods from each other, and which have faces and gorges of 20, flanks of 5, and second flanks of 25 rods. But on the water side one finds only 5 small points or projecting angles, for the most part with single walls without an earthen rampart in between. The city is also at its weakest in this place, and the bare wall between the so-called Galjoen and the River Gate is in the worst condition, so that along a length of 30 rods it threatens to fall over. But the remaining fortifications have a good outward appearance, and are also indeed very good; except that the inner and outer walls of the main ramparts have some cracks here and there, Regarding the City of Cochim it has been resolved to leave the same in statu quo. Section 251 On the city of Cochim. which in my opinion is solely to be attributed to the fact that the earth on top, which through time must naturally blow away and wash off, has not been raised again over time, thereby providing an outlet for the water; instead of which it now remains standing on the ramparts during the rainy season and sinks through to the foundations, depriving them of their strength. § 50. Thus this city is effectively constructed as a fortress, and also fully capable of offering a spirited resistance, especially against an indigenous enemy, whom I think one would not even need to fear; while even a European force would find its work cut out for it, if one had enough men and war supplies on hand. The only fault that can be found with it, and which has also often served as an objection, consists in this: That its extent, even in peacetime, requires a strong garrison of at least 6 to 700 heads. But when one takes into consideration: That the maintenance of the military here does not cost much; that a reduction, or the withdrawal and demolition of old works and the construction of new works cannot happen without excessive expenses, and without spoiling the entire layout and ruining many inhabitants; and that the Honorable Company is nevertheless obliged, for the protection of its extensive possessions, and especially on account of the King of Trevancoor, always to keep a strong garrison here; then no one can say otherwise than that Your Right Noblenesses have rightly rejected the proposals made by some engineers in that regard, and have now determined by a positive resolution: To leave the city in statu quo. And on that account I would not have spoken of it at all, were it not that I felt obliged to make a proposal which, when executed, will not require much trouble and expense, and yet will serve completely not only to strengthen properly the weak places on the river side, but also to provide great convenience and benefit for the inhabitants and servants of the Honorable Company, and at the same time to promote health remarkably. 252 V: On the city of Cochim. § 51. At the extreme east end of the city, close under the point the Galjoen, a canal comes out of the river, which under the name of Slooterdijk runs inside the aforementioned wall without ramparts, and at its foot, up to the point Stroomburg, from where it turns inward with an oblique angle and ends entirely just past the Commandery, near the Main Guard or the Bay Gate. This is a muddy, stinking pool, a collection of all filth, which cannot even be kept clean by dredging because it has not the least flow through it. And therefore, to remove this nuisance and at the same time leave the city the advantage that small vessels can enter when it is impossible for them, with the slightest ripple of the water, to moor outside against the quay, my concept was: To completely fill the canal from the Galjoen up to the point Stroomburg
Dutch transcription
250 1V: Van de Vesting Canandor maar ook dit heeft geen succes gehad. Deeze is voor zig zelfs opgekomen, en heeft verzogt, dat het Fort aan hem mogte werden afge„ „staan: 5:48: Van het bod dat hij doet; en van mij¬ „ne gedagten, dat het hem mogelijk meer waard zal weezen, dan Heijder Alichan heb ik bereeds de Eere gehad uw Hoog Ede„ „lens kennis tegeeven, bij de aparte Brief die in dato 15:' mart Jongstleeden afgevaar„ „digt is. En mij deezen aangaande aan dies Jnhoud gedraagende, zo voeg ik eenelijk nog daar bij: Dat ik in der daat van gevoelen ben, dat Cananoor aan Adij Ragia veel beeter, dan aan Heijder Alichan besteet zal zijn; alzo de laatste het wijnig zal agten, daar in teegendeel de Eerste, een stout en onderneem-ziek man, en van de Engelschen een bitter vijand zijnde, deeze onze Competiteuren genoeg tedoen zal geeven, als hij dit fort in zijne magt heeft, en onder 's hands een wijnig onder„ „steunt werd; het gunt dan meede tegens het Jnterest van de EComp:e geenzinds strij„ „dig is. V: Afdeeling Van de stad Cochim Resolutie §: 49: Deeze stad is tame„ Belangende de Stad Co„ „chim is verstaan, dezelve „lijk groot, en vertoont in haare Laage Een Langwerpig Half-Rond, waar van de platte zeijde aan 't water paalt. Dezelve is lang Circa 300:, en breed 100: Rijnlandsche Roeden, en aan de Landkant regulier beves„ „tigt, met Een Aarde wal, en 5: Ruijme groote Bolwerken, die 50: en 60: Roeden van elkander afleggen, en dewelke Facen en keelen van 20: Flancquen van 5, en secunde flancquen van 25: Roeden hebben. Dog aan de water kant vindt men maar 5: klijne Punten of uijtsteekende hoeken, voor 't grootste gedeelte met enkelde muuren zonder aarde wal tusschen beijden. ook is de stad hier ter plaatse het swakste, en de bloote muur, tusschen het zo genaamde Galjoen en de Rivier Poort het slegste ge„ „stelt; zo dat ze ter lengte van 30: Roeden drijgt om verre te vallen. Dog de overige vesting-werken hebben op't uijterlijke een goed aanzien, en zijn ook in der daat zeer wel; excepto, dat de binnen en buijten muur„ „ren van de Hoofd-wallen, hier en daar te laaten in statu quo. eenige Afdeeling 251 Van de stad Cochim. eenige scheuren hebben, het gunt volgens mijne gedagten alleen daar aan toeteschrijven is, dat men de aarde van booven, die door den tijd wel verstuijven en wegspoelen moet, niet gaande weg weder opgehoogt, en daar door aan het water zijnen afloop bezorgt heeft; in steede dat het nu in den Reegen tijd op de wallen staan blijft, en tot aan de fondamenten doorzakt, endezelve haare kragt beneemt. 5: 50: Dus is deeze stad effective tot eene vesting aangelegt, en ook volko„ „men geschikt, om eene wakkere resis„ „tentie te kunnen bieden, voor al tegens een Jnlands vijand, dien ik denk, dat men niet eens zoude behoeven tevreezen; ter„ „wijl zelfs eene Europeeze magt haar werk zoude vinden, als men volk en oorlogs behoeftens genoeg aan handen hadde Het eenigste wat daar aan uijttezetten valt en het gunt ook al dikwils tot eene tegen„ „werping heeft gedient, beslaat hier in: Dat haare uijtgestrekthijd, zelfs in vree„ „dens tijd een sterk guarnizoen van ten minsten 6: â 700: koppen vereijscht. maar als men in aanmerking neemt; Dat het onderhoud V. Van de stad Cochim onderhoud der militairen hier niet hoog te staan komt; Dat eene verklijning, of het intrekken en vernietigen van oude, en het maaken van nieuwe werken niet ge„ „schieden kan, zonder excessive onkosten, en zonder den gantschen Aanleg te bederven en veel Jngezeetenen te ruineeren; en dat de EComp:e tog verpligt is, tot bescherming van haare uijtgestrekte Bezittingen, en voornamendlijk om dewille van den koning van Trevancoor, hier althoos eene sterke Bezetting te houden; dan kan niemand anders zeggen, of uw Hoog Edelens hebben met regt depropositien, door eenige Jnge„ „nieurs ten dien opzigte gedaan, verwor „pen, en als nu bij een positief Besluijt vast gesteld: De stad telaaten in statu quo: En ik zoude uijt dien Hoofde daar van ook in't geheel niet eens gesproo„ „ken hebben, was 't niet, dat ik mij ver„ „meende verpligt tevinden; een voorstel te „doen, het welk ter uijtvoer gebragt zijnde, niet veel moeijte en kosten vereijschen, en egter volkomen dienen zal, om de swakke plaatsen aan de Rivier kant, niet alleen insgelijx nabehoren te versterken, maar ook voor de Jnwoonders en Bediendens van 252 v: Van de stadt Cochim. van de EComp:e, een groot gerief en nut te verschaffen, en teffens de gezondhijd merke„ „lijk te bevorderen. 5: 51: Aan 't uijterste oost eijnde vande stad, digte onder de Punt het Paljoen komt eene Gragt uijt de Rivier, die onder de naam van Slooterdijk, binnen de voor„ „meldte muur zonder wallen, en aan derzelver voet voortloopt, tot aan de Punt stroomburg, van waarze zig met eene schuijnse Hoek naar binnenwaarts keert, en even voor bij het Commandement, bij de Hoofd wagt of de Bhaij-Poort, in't ge„ „heel eijndigt. Dit is een modderige stink poel, eene verzameling van alle onrijnighijd, die ook met uijtdiepen niet schoon gehouden kan werden, omdat dezelve geen de minste doorstraaling heeft. En om derhalven dit ongemak wegteneemen en teffens de stad het voordeel telaaten, dat klijne vaartuijgen binnen kunnen loo„ „pen, als het voor dezelve onmogelijk is bij de minste kabbeling van't water, buijten tegens de kaaij aanteleggen, zo was mijn Concept: De Gragt, van 't Galjoen af tot aan de Punt stroomburg toe, in't geheel
English
Of the City of Cochim V. to fill it in completely; to give it a new opening into the river at this place; to extend the same further, straight through the city, into the city moat; and then to place two lock gates or common lift gates, namely: one against the city wall, and the other near the Bridge of Calwettij, which Mr. Breekpot had newly constructed. Paragraph 52: For if this is done, then one will be able to compel all the rainwater that falls on the plain between the city and the Honorable Company's Garden—which presently runs into the city moat and from there passes under the Bridge of Calwettij into the river—to flow through the city and flush out Slooterdijk. Even at spring tides, one will be able to fill the city moat and, at the ebb tide, let the water run off again through the city. Furthermore, the so-called small Gate next to the Boom will be completely closed, and the River Gate alone left open; the narrow projecting corner or point called the Galjoen will be broadened inwards and converted into a strong bulwark; the bare wall along the riverside, which presently 253 Of the city of Cochim 1: presently threatens to collapse, will be supported by an earthen rampart, and thus not only provide the city with its full defense where it is at its weakest, but also keep it continuously clean; which are two requirements of truly very great importance. Paragraph 53: At the same time, I would also like to propose to Your High Excellencies: to assign the house standing on the point of Stroomburg, presently occupied by the Major, to the Secunde, and to construct an appropriate room next to it on the inner courtyard toward the Commandery for the trade office, in order thus to bring both the two primary officials and the principal offices somewhat closer together. The house where the Secunde currently resides could then either be left to the head of the military, or perhaps even better, be sold. For although it occupies a large area and also affords sufficient convenience, it is nevertheless so old and dilapidated that it constantly requires considerable repairs. And particularly V: Of the city of Cochim. particularly, the trade office beneath it consists of such small, low, and stifling rooms that the clerks practically perish from the heat, and the books must smother from dampness. Paragraph 54: Yet this is a private or domestic matter of so little importance that it actually does not belong to the subject of this treatise. Having therefore touched upon it merely lest I might not obtain another and better opportunity for it later, I hope this slight digression will cause Your High Excellencies no displeasure. Of the Quay. Number Paragraph 55: Resolution This work consists Concerning the quay of a revetment made of below the point of Stroomburg, laterite stones, which runs it being noted by Commander Breekpot from the Galjoen for a that he had no opportunity length of 100 rods in a to apply any remedy against that evil, straight line, which required time and opportunity: VI: Section. it is resolved and agreed to demand from the Titular Governor Senff 254 VI. Of the Quay. his Considerations runs, to the point of Stroomburg. and Advice on how he Here it takes an oblique believes the aforementioned projection into the river of 10 rods. quay or revetment could be made And proceeding from there again in the most economical manner, firm and strong, at a right angle for a in order to withstand the heavy drainage length of 20 rods, it finally of the river and run no danger ends at about the middle of the of being washed away again with every rainy curtain between Stroomburg monsoon. and the so-called Commander's Point. The first part is still in very good condition; and it can also be kept as such with little expense and effort, provided care is taken to reinsert immediately any single stones that sometimes fall out, and to have the holes made in the bank by vermin filled up at once, so that neither the rain from above nor the lapping of the water from below can gain any hold on the work itself. The second part is so solid and strong that for the present it seems to require no repair at all. But the Paragraph 56: VI. Of the Quay the third part is in a very ruined condition, and actually constitutes the piece that is of primary importance in this matter. For upon this the strong current of the descending mountain water exerts its full force. The aforementioned projecting corner causes an eddy that removes the sandy ground before it to such an extent that in some places, barely 1 rod from the city wall, one already has a depth of 3 to 4 fathoms, and a little further, indeed 6 to 9 fathoms. And if one adds to this the continuous beating of the water with the slightest northwest and westerly winds, then one can very easily understand why, up to now, no upright walls or wooden revetments have been of any use. Paragraph 58: I also think that all such works, however costly and strong they might be made, will initially be of no avail so long as it is not possible to improve the foreland in such a manner that it cannot be [eroded] by the strong eddy Paragraph 57: not
Dutch transcription
Van de Stad Cochim V. geheel te dempen; daar aan te deezer plaatse eene nieuwe opening naar de Rivier te geeven; dezelve voorts, dwars door de stad heen, tot in de stads Gragt te trekken; en dan Twee schut sluijzen of gemeene ophaal deuren tezetten, teweeten: Eene tegens de stads muur aan, en de Andere bij de Brug van Calwettij, die de Heer Breekpot nieuw heeft laten maaken. 5: 52: Want als dit geschied, dan zal men al het Reegen water, dat op de vlakte tus„ „schen de stad en 's EComp:s Thuijn valt, en het welk thans in de stads gragt, en van daar onder de Brug van Calwettij door in de Rivier loopt, dwingen kunnen, door de stad te stroomen, en slooterdijk uijt„ te spoelen. zelfs zal men bij ppring tijden de stads gragt kunnen vol loopen, en het water bij de Ebbe, door de stad weder af„ „loopen laaten. voorts zal men het zo ge„ „naamde keijne Poortje naast de Boom in 't geheel sluijten, ende Rivier Poort alleen open laaten; de smalle uijtsteekende Hoek of Punt het Galjoen binnenwaards verbreeden en in een sterk Bolwerk veranderen de bloote muur langs de Rivier kant, die thans 253 Van de stad Cochim 1: thans drijgt om verre tevallen, door een aarde wal ondersteunen, en dus aan de stad, waarze op haar swakste is, niet alleen haare volle Defensie geeven, maar ook de„ „zelve geduurig schoon houden kunnen; Het welk twee vereijschtens zijn, waar aan in der daat zeer veel gelegen legt. 5:53: Teffens zoude ik uw Hoog Edelens ook wel willen voordraagen: om het Huijs dat op de Punt stroomburg staat, en thans door den Majoor bewoont werd, aan den secunde tegeven, en daar naast op de binnen plaats naar 't Commandement toe, een bequaam vertrek voor't negotie Comptoir temaaken, ten eijnde dus zo wel de twee Eerste Bediendens, als de voornaamste Comptoiren, wat digter bij elkander te krijgen. Het huijs, waar de secunde thans zijn verblijf houdt, zoude men dan, of aan 't Hoofd der militie overlaaten, of mogelijk nog beeter ver„ „koopen kunnen. want schoon het zelve eene groote ruijmte beslaat, en ook gemak genoeg uijtleevert, is het egter zooud en bouwvallig, dat het al geduurig merkelij„ „ke verhelpingen noodig heeft. En inzon„ „derhijd v: Van de stad Cochim. „derhijd bestaat het negotie Comptoir daar onder, in zulke klijne, laage en bedompte vertrekjes, dat de Peninsten van hitte ge„ „noegzaam versmagten, ende Boeken door vogtighijd verstikken moet. 5: 54: Dog dit is eene particuliere of Huijselijke zaak van zo wijnig aangele „gendhijd, dat die eijgendlijk tot het onderwerp van deeze verhandeling niet behoort. En daarom dezelve ook maar alleen aange„ „roert hebbende, om of ik zomtijds daar toe geene nadere en beetere gelegenthijd erlangen mogte, zo hoop ik dat deeze geringe uijtwijding uwHoog Edelens tot geen ongenoe„ „gen zal strekken. Van de Kaaij. Nt 5:55: Resolutie Dit werk bestaat Ten belange van de kaaij, in eene Beschoeijing, van onder de Punt stroomburg, door den Commandeur Breekpot kapoksteenen gemaakt genoteert werdende, dat hij die van't Galjoen af ter geene gelegenthijd gehad heeft, lengte van 100: Roeden tegens dat quaad eenig hulpmid„ in eene regte Linie voort„ „del, waar toe tijd en gelegenthijd VI: Asdeeling. vereijschte „loopt 254 VI. Van de Kaaij. vereijschte, in't werk te stellen: „loopt, tot aan de Punt stroom„ zo is goedgevonden en verstaan, „burg. Hier neemtze schuijns„ van den Titulair Gouverneur senff „hoekkig eenen uijtsprong te vorderen, zijn E: Consideratien in de Rivier van 10: Roe„ en Advis, opwat wijze hij „den. En van daar weder vermeend, dat de voormeldte Regt hoekkig voortgaande, kaaij of Beschoeijing op de mena„ „gieuste wijze, hegt en sterk ter lengte van 20: Roeden, zou kunnen gemaakt werden, om eijndigtze op't laatst om„ de swaare afwatering der Rivier „trent de helfte van de te kunnen wederstaan, en geen Courtine, tusschen stroom„ gevaar te loopen, bij elke Reegen „burg ende zo genaamde mousson weder weg te ppoelen. P. Commandeurs Lunt. Het Eerste gedeelte staat nog zeer wel; en kan ook met wijnig kosten en moeijte zodanig gehouden werden, als men maar zorge draagt, de enkelde steenen, die zomtijds uijthalven, ten eersten weder insteeken, ende Gaaten die het ongedierte in de wal maakt, ter„ „stond weder opvullen te laaten, op dat zo min de Reegen van booven, als de kabbeling van 't water van onderen, op het werk zelfs eenigen vat kan krijgen Het Tweede gedeelte is zo hegt en sterk, dat het voor eerst in't geheel geene ver„ „helping schijnt noodig te hebben. Dog het 8: 56: & V7. Van de Kaaij het Derde gedeelte bevindt zig in een zeer desolate staat, en bevat eijgendlijk het stuk„ waar op het in deezen voornamendlijk aan„ „komt. Want hier op oeffent de sterke stroom van 't afkomend Berg water zijne volle kragt. De voormeldte úijtsteekende Hoek is oorzaak van eene maaling, die den zandigen voorgrond zodanig wegneemt, dat men op zommige plaatsen, nauw„ „lijx 1: Roede vande stads-muur af, al de diepte heeft, van 3: â 4: vaam, en een wijnig verder wel van 6: â 9: vaam. En als men hier eens bijvoegt, de geduu„ „rige slag van't water, bij de minste noordwest en weste winden, dan kan men zeer ligt nagaan, waarom tot nog toe geene regt op staande muuren of Houte Beschoeijingen van nut zijn geweest 5: 58: Ik denk ook, dat alle diergelijken werken, hoe kostbaar en sterk die ge„ „maakt mogten werden, voor eerst niets zullen helpen kunnen, zolange het niet mogelijk is, den voorgrond zodanig te ver„ „beeteren, dat die door de sterke maalstroom 5: 57: niet
English
255 VI. Concerning the Quay is not excavated any deeper. And this, according to my humble opinion, can be achieved in no other way than by sinking all old and worn-out gamels or cargo-lighters filled with stones at the point, and from there as far as necessary, throwing into the water as many large and small cliff stones as one can possibly bring in by means of the vessels outside the shipping season, with an abundance of live oyster shells in between, to see if these might settle and form a solid bank. At least I did it that way at Souratta, and have already made a beginning with it here again, which has hitherto had a good effect. And for that reason, being able to propose this remedy with all the more certainty as it is grounded in experience, I have no doubt that by proceeding in this manner, one must finally gain ground and through time, though slowly, achieve the intended purpose, without this costing much trouble or burdening the Honourable Company with heavy expenses. VII. Concerning the Nabob Heyder Alichan. Section. Concerning the Nabob Heyder Alichan. Separate Letter We send herewith the further reflections of the former Commander Breekpot—and expect that Governor Senff will send us as soon as possible his advice concerning the contract with Aider Naik proposed therein. Paragraph 59. This Heyder Alichan, formerly known by the name of Heyder Nayk, is of low birth, and has made himself so formidable solely through treachery, audacity, and a fortunate outcome of his enterprises. He currently possesses great treasures and holds dominion over vast lands, but his entire existence is nevertheless nothing but unrest and uncertainty. A prince who is born by nature to rule can also rely on his subjects to naturally honour and obey him if he governs according to the laws of equity. But this fortunate state of affairs does not apply to Heyder Alichan. 256 VII. Concerning the Nabob Heyder Alichan. Having acquired his rule through treachery, he must also maintain it through unlawful deeds of violence and oppression. All genuine princes, indeed all people, are his enemies. He has no friends other than those he buys for money. And even their loyalty lasts no longer than as long as they consider themselves well-rewarded and satisfied. If the least thing is lacking in this, or if they merely believe themselves to have been insulted, they likewise become his bitter enemies. Indeed, their enmity is all the more dangerous to him the better opportunity they have, under the pretext of friendship, to commit against him that very same treachery which he had committed for his own benefit. And for that reason, it would be an extraordinary thing for him, indeed a stroke of luck in a thousand, if his rule and power were to be of any duration, and if it went otherwise or better with him than that which the experience since the earliest times has made into a confirmed truth; namely: that all powers acquired through injustice and arisen suddenly, ordinarily disappear again just as suddenly. Paragraph 60. Consequently, not the least reliance can be placed on the power of this new potentate. One cannot know today whether it will still exist tomorrow. And yet Mr. Breekpot believes that the Honourable Company could make use of it to secure a permanent seat and trade on the Mallabaar for the future, and at the same time to obtain sovereign mastery over something to which it has neither right nor claim, and which lawfully belongs to the Samorin and the kings of Cochim and Trevancoor. Paragraph 61. To that end, His Honour proposes to conclude a contract with Heyder Alichan, and thereby bring him so far as to compel the king of Trevancoor to cede, for the benefit of the Honourable Company, all the shores or islands of the Mallabaar situated between the sea and the rivers from Chettua to Coilang, insofar as they belong to him; as well as 257 VII. Concerning the Nabob Heyder Alichan. to likewise induce the king of Cochim to cede, for the benefit of the Honourable Company, everything he possesses in this region, and in return to reinstate him in the possession of all lands that the king of Trevancoor has taken from him, and of everything situated to the northeast of Cochim up to Pananij. Paragraph 62. To demonstrate the possibility of this, His Honour lays down as a certain fact: that Heyder Alichan, after having brought the English to reason, will first of all attack the king of Trevancoor and make him, along with the king of Cochim, tributary under him. But he nevertheless professes greatly to fear whether one will be able to conclude an advantageous contract with him after this has taken place. Yet having subsequently heard that peace was made with the English, and that Heyder Alichan had returned to the Canarese territory, His Honour almost dares to assert that the conclusion of the intended contract
Dutch transcription
255 VI: Van de Kaaij niet verder werde uijt gediept. En dit kan, volgens mijn gering gevoelen, op geene andere wijze verkregen werden, dan dat men alle oude Gamels of Los-vaartuij „gen, die afgevaaren zijn, met steenen gevuld op de Hoek laat zinken, en van daar tot zo verre het noodig is, zoveel groote en klijne klip steenen in't water werpt, als men buijten den scheepen tijd, door middel vande vaartuijgen, maar aanbrengen kan, met rijkelijk leevendige Oester-schulpen tusschen beijden, om of die zig zomtijds zetten, en eene vaste bank formeeren wilden sen minsten heb ik te souratta op die wijze gedaan, en hier ook bereeds weder daarmeede een begin gemaakt, het welk tot nog toe van een goed effect is ge„ „weest. En uijt dien hoofde dit middel, als op de ondervinding steunende, met des te meerder zeekerhijd mogende voorslaan, zo twijfel ik ook niet, of men zal in diervoegen voortgaande, eijndelijk veld moe„ „ten winnen, en door den tijd, schoon lang„ „zaam, het voorgestelde oogmerk bereij„ „ken, zonder dat zulx veel Hoofdbreekens §: 59: kosten VI. Van de Kaaij Afdeeling. Van den Nabab Meijder Alichan. Aparte Brief Wij zenden hier neevens, de nadere Bedenkingen van den geweezen Commandeur Breek„ „pot — en verwagten, dat de Gouverneur senff ons ten spoe„ „digsten zal laaten toekomen, — zijn Advis, — nopens het daarbij geproponeert wer„ „dende Contract met Aider naik. 5: 60: Deeze Heijder Ali„ „chan, bevoorens bekent onder den naam van Heij„ „der naijk, is van eene gemeene afkomst, en heeft zig alleen door ontrouwe, stoutmoedighijd, en een geluckige uijtslag zijner onderneemingen, zo ontzaggelijk gemaakt. Hij bezit thans groote schatten en voert het gebied over uijtge„ „strekte Landen. maar zijn gantsch be„ „staan is egter niets als onrust en onzee„ „kerhijd. Een vorst, die uijt de natuur tot Heerschappij gebooren is, kan ook staat maaken, dat zijne onderdaanen hem uijt de natuur eeren en gehoor„ „zaamen zullen, als hij volgens de wetten van billijkhijd regeert. maar deeze ge„ „lukkige gesteltenisse heeft ten opzigte do kosten, of de EComp:e op swaare ongelden jaagen zal. van VII. 256 VII. Van den Nabab Heijder Alichan van Heijder Alichan geen plaats. Hij zijne Heerschappij door ontrouwe verkreegen, hebbende, moet dezelve ook door ongeregte bedrijven van geweld en onderdrukking staande houden. Alle wezendlijke vorsten ja alle menschen zijn zijne vijanden Hij heeft geene vrienden, dan die hij voor geld koopt. En ook de trouwe van deeze duurt niet langer, dan zo lange zij zig wel beloont en voldaan agten. Als hier het minste aan manqueert, of dat zij maar vermeenen beleedigt tezijn, dan worden het insgelijx zijne bittere vijan„ „den. zelf is haare vijandschap voor hem des te gevaarlijker, hoe beeter zij gelegent„ „hijd hebben, onder schijn van vriendschap aan hem die zelfde ontrouwe tepleegen, die hij ten zijnen behoeve heeft gepleegt gehad. En't zoude uijt dien hoofde voor hem een bijzonder, ja een geluk uijt duijzenden zijn, als zijne Heerschappij en vermogen van eenigen duur waren, en dat het met hem anders of beeter ging dan het gunt de ondervinding vande oudste tijden af, tot eene bevestigde waar„ „hijd heeft gemaakt; namendlijk: Dat alle door onregt verkreegene en schielijk opgekomen VII. Van den Nabab Heijder Alichan. opgekomen magten, ook ordinair schielijk weder verdwijnen Bij gevolg is op het vermogen van S deeze nieuwe mogendhijd geen de minste staat temaaken. men kan heeden niet weeten, of dezelve morgen nog inweezen zal zijn En egter vermeend de Heer Breekpot dat de EComp:e zig daar van zoude kunnen bedienen, om op de mallabaar voor het toekomende eenen vasten zeet en Handel te krijgen, en teffens het souverain meesterschap te erlangen, van iets, waarop zij geen Regt nog aanspraak heeft, en het gunt den samorijn ende koningen van Cochim en Trevancoor wettig toekomt 5: 62: Ten dien eijnde proponeert zijn Ed:e „ om met Heijder Alichan een Contract te „sluijten, en hem daardoor zoverre te bren„ „„gen, Dat hij den koning van Trevancoor „ noodzaakte, afstand temoeten doen ten „ behoeve van de EComp: van alle de stran„ „„den of Eijlanden van de mallabaar, „gelegen tusschen de zee en Rivieren van Chettua af, tot Coilang toe, voor zoo „verre die hem toebehooren. „ zo meede: 8: 61: „om 257 171. Van den Nabab Heijder Alichan. „ om den koning van Cochim insgelijx „ te beweegen, afstand tedoen ten behoeve „ van de EComp:e, van alles wat hij in „ deeze streek bezit, en hem daar en tegen „ weder in't bezit testellen, van alle Lan„ „„den, die de koning van Trevancoor van „ hem afgenomen heeft en van alles wat „ gelegen is, om de noordoost van Cochim „ tot Pananij toe.„ 5: 63: Om de mogelijkhijd hiervan aantewijzen, zo steld zijn Ed: als een zeeker zaak vast: „ Dat Heijder Alichan „ nade Engelschen tot reeden gebragt te heb„ „„ben, het eerst van allen den koning „ van Trevancoor op't lijf vallen, en hem „ met den koning van Cochim tributair „ onder zig stellen zal. „ maar betuijgt egter grootelijx tevreezen: „ of men, na „dat dit geschied zal zijn, met hem wel „een voordeelig Contract zal kunnen „sluijten. „ Dog naderhand gehoort heb„ „bende, dat de vreede met de Engelschen gemaakt, en Heijder Alichan weder naar het Canareese terug gekeert was, zo vermeend zijn Ed: haast te durven verzeekeren: „ Dat het sluijten van't beoogde Contract
English
VII. Concerning the Nabab Heijder Alichan a contract could be made with little effort and expense, and that Heijder Alichan would also be very easily persuaded to contract everything with the Honourable Company that should be proposed to him, the more so if one, in order to encourage him, offered and promised beforehand that whenever he should please the Honourable Company in all respects, one would then cede the fortress Cananoor for his benefit. Section 64. Thus a matter of the utmost importance was proposed and recommended here, and the execution thereof also represented as light and easy, as equitable and possible; and I readily admit that the effect thereof would certainly add an indescribable advantage, prestige, and power to the Honourable Company's interests on this Coast. But I nevertheless find in the proposal itself so much obscurity, and in the means of execution so much uncertainty and difficulty, that I do not believe it can ever take place in that manner. Section 65. For firstly, it is scarcely conceivable that Heijder Alichan will take up arms against the King of Trevancoor, now that he has made peace with the English. The close alliance that exists between the two is all too well known to him. He cannot attack the one party without also bringing upon himself the enmity of the other. And if he then has no inclination to break anew with the English, it is also impossible that he can do harm to the King of Trevancoor. Section 66. Secondly, I also do not know whether Heijder Alichan will now be as ready as he has previously shown himself inclined to enter into an alliance with the Honourable Company. It is possible that at that time he thought he would derive great assistance and advantage therefrom in his enterprise against the English. But that this must since have changed, I believe I may fully deduce from various circumstances, and principally from a certain separate letter of 11 June 1767, whereby the Extraordinary Councillor and Governor of Ceylon Falck not indistinctly expresses his displeasure that Mr. Breekpot had not delivered the demanded flintlocks to Heijder Alichan, and subsequently adds these remarkable words: "That it was to be lamented that others made off with the pepper, and Heijder Alichan moreover regarded us as cowards." It is also certain that shortly after my arrival at this place, I dispatched a polite letter of compliments to him and had it properly delivered, with the intention of making his acquaintance in that manner and subsequently entering into negotiations with him; but that up to this day I have not yet obtained an answer to it. Section 67. Thirdly, even assuming Heijder Alichan allowed himself to be persuaded to conclude a contract, it nevertheless cannot enter my mind that he will be willing to do so on conditions that are advantageous for the Honourable Company alone, but notoriously detrimental to him. And yet this is firmly and certainly implied in the proposal of Mr. Breekpot; for according to the same, Heijder Alichan would raise a mighty army, come a long way with it, conquer the land of the kings of Cochim and Trevancoor, and yet have to surrender a large part thereof back to the Honourable Company for nothing, without a reciprocal promise, without payment of the expenses that have already been incurred, and without compensation for the advantages that he can enjoy in the future if he keeps those lands under himself. Is it really possible that this can happen? I think not. Heijder Alichan will not proceed to that, even if one did not merely promise him the fortress Cananoor, but actually surrendered it in advance. This recompense would be all too trifling for him. He would reject it with indignation. And he, as a usurper who for the sake of money betrayed his own master, will rather have himself paid double by foreigners than perform such great trouble and expense for nothing. Section 68. Fourthly, entering into such a contract would, in my opinion, imply a great injustice that could not well be excused; for the Honourable Company has no right nor claim to those lands over which Mr. Breekpot wishes to dispose of its sovereignty. The same lawfully belong to the Zamorin and the kings of Cochim and Trevancoor, and are also possessed by them as their own to this day. None of them has at present, or in recent years, given the Honourable Company such cause for offense as would deserve to be punished by open force of arms. Consequently, there are also no motives to be found that would justify depriving those princes of their property without guilt, and making oneself master thereof. Section 69. And fifthly, it cannot fail but that the fulfillment of that contract would greatly tend to the detriment of the Honourable Company's interests, and in
Dutch transcription
VII. Van den Nabab Heijder Alichan „ Contract, met wijnig moeijte en kosten „ zoude kunnen geschieden, en dat ook Heijder „ Alichan heel ligt te beweegen zoude zijn „ alles met de E Comp:e te contracteeren, wat „ hem voorgeslagen zoude werden, temeer„ „als men, om hem te animeeren, voor „ af aanbood, en beloofde, dat wanneer „ hij de EComp:e in alle deelen ten believe „was, men dan ten zijnen behoeve afstand „ zoude doen, van de fortresse Cananoor.„ 5: 64: Dus werd hier eene zaak van de uijterste aangelegendhijd voorgedraagen aangeraaden, en de volbrenging daar van ook zo ligt en gemakkelijk; als billijk en mogelijk gestelt, En ik stem gaarne toe, dat het effect van dien zeeker„ „lijk 's EComp:s belangen te deezer Custe, een onbeschrijfelijk voordeel, Aanzien en vermoogen bijzetten zoude. maar ik vinde egter in het voorstel zelfs zo veel duijsterhijd, en inde middelen ter uijtvoe„ „ring zoveel onzeekerhijd en swarigheijd dat ik niet geloof, dat het op die wijze ooit geschieden kan. 5:65: Want voor Eerst: zo is het nauw„ „lijx 258 VII. Van den Nabab Heijder Alichan „lijx te denken, dat Heijder Alichan tegens den koning van Trevancoor de wapenen opvatten zal, nu hij met de Engelschen vreede gemaakt heeft. De nauwe ver„ „bintenisse, die tusschen beijden legt, is hem al te wel bekent. Hij kan de Eene parthij niet aantasten, zonder zig de vijandschap van de andere meede op den hals te haalen. En bij aldien hij dan geene genegendhijd heeft, met de Engelschen op't nieuw te breeken, zo is 't ook onmogelijk, dat hij den koning van Trevancoor quaad kan doen. 5:66: Ten Tweeden: weet ik ook niet, of Heijder Alichan nu wel zo gereed zal weezen, als hij voor deezen zig geneegen heeft getoont, met de EComp:e eene verbintenisse aantegaan. mogelijk dat hij indie tijd heeft gedagt gehad, daar uijt groote hulpe en voordeel te zullen trekken, in zijne onderneeming tegens de Engelschen. Dog dat dit 'tseedert ver„ „andert moet zijn, vermeen ik vol„ „komen temoogen opmaaken, uijt ver„ „schijde omstandigheeden, en voornamend„ „lijk uijt zeekere aparte Brief van den 11:' Junij der 5 VI1. Van den Nabab Heijder Alichan 11:' Junij 1767:, waarbij De Heer Raad Ex„ „tra ordinaris en Ceijlons Gouverneur Falck niet onduijdelijk zijn misnoegen tekennen geeft, over, dat de Heer Breekpot aan Heijder Alichan de g'eijschte snaphaanen niet afgegeeven hadde, en vervolgens deeze aanmerkelijke woorden daar bij voegt:„ Dat het te bejammeren was, „ dat andere met de Peper gingen strijken, „ en Heijder Alichan ons boven dien „ voor lafhartigen aanzag. „ ook is dit zeeker. Dat ik kort na mijne aankomst te deezer plaatse, een beleeft Compli„ „ment briefje aan hem heb afgezonden en wel bestellen laaten, met intentie om op die wijze kennis temaaken, en vervolgens met hem in onderhande„ „ling tekomen; dog dat ik tot heeden daarop nog geen antwoord heb erlangt. §: 67: Ten Derden Dog genomen, Heij„ „der Alichan liet zig tot het sluijten van een Contract beweegen, zo kan het egter niet in mijne gedagten komen, dat hij zulx zal willen doen, op Conditien die voor de EComp:e alleen voordeelig, maar voor hem notoir schaadelijk zijn. En egter legt 259 VII. Van den Nabab Heijder Alichan legt dit in't voorstel van den Heer Breek¬ „pot vast en zeeker opgeslooten. want volgens 't zelve zoude Heijder Alichan een magtig leeger op de been brengen, daar„ „meede een verre weg afkomen, het land van de koningen van Cochim en Jrevan¬ „coor inneemen, en egter een groot gedeelte daarvan aan de EComp:e weder overgeeven moeten, voor niet, zonder teegenbelofte zonder betaaling der onkosten, die bereeds gedaan zijn, en zonder vergoeding der voordeelen, die hij in 't toekomende genieten kan, als hij die landen zelfs onder zig houdt. Is het wel mogelijk, dat dit geschieden kan. . Jk denk van neen. Heijder Alichan zal daar toe niet over„ „gaan, al was 't ook, dat men hem de vesting Cananoor niet simpel beloofde, maar wezendlijk voor af overgaf. Dit recompens zoude voor hem al te gering zijn. Hij zoude het met verontwaardi„ „ging verwerpen. . En hij als een Gewelde „naar, die om dewille van't geld zijn eijgen Meester verraaden heeft, zal zig van vreemde liever dubbeld betaalen laaten, dan dat hij zo groote moeijte en onkosten voor niet zoude doen. 8: 68: 171: Van den Nabab Heijder Alichan Ten Vierden: zoude het aan„ „gaan van diergelijken Contract, volgens mijne gedagten eene groote onregtvaar „dighijd insluijten, die niet wel te ver„ „schoonen zoude zijn, Want de EComp:e heeft op die landen, waarover de Heer Breekpot haar souverainitijt wil beschikken, geen Regt nog aanspraek Dezelve komen den samorijn, ende ko„ „ningen van Cochim en Trevancoor wettig toe, en werden ook door hen tot heeden als eijgen bezeeten §: 5:, Geen van allen heeft thans, of in de Jongste Jaaren de EComp:e zulke reeden van beleediging gegeeven, dat die verdienen zouden, door openbaar geweld van wapenen gestraft tewerden. Bij gevolg zijn 'er ook geene motiven tevinden, die het billijken zou„ „den, om die vorsten zonder schuld van 't haare te berooven, en zig zelven daar van meester te maaken. §: 69: En ten vijfden: zo kan het ook niet missen, of de nakominge van dat Contract zoude 's EComp:s belangen grootelijx tot nadeel strekken, en haar 5: 68: in
English
260 VII: Concerning the Nabob Heijder Alichan. instead of a certain seat and trade, provide an uncertain, or at least unprofitable one. For, quite apart from the fact that a war is subject to many vicissitudes, which in an instant can turn the most fortunate situation into a very unfortunate one and could cause the entire enterprise to turn out badly, everyone knows what bad consequences a hostile invasion ordinarily brings in its wake. The lands, cities, and villages are devastated, the plantations ruined, the means of subsistence consumed, and the people slaughtered, driven away, or reduced to begging. And what use would the Honorable Company have for a possession that, thoroughly ruined and stripped of inhabitants, cannot recover for a long time and cannot yield the intended profit? Paragraph 70. Moreover, it is a certain consequence that if Heijder Alichan were to conquer the kingdom of Trevancoor, he will either keep it for himself or return it to its owner. If the first happens, one must fear having a far more dangerous neighbor in Heijder Alichan than presently in the King of Trevancoor, because, in proportion to his greater power, he will also be more haughty and intractable. And if the King of Trevancoor is restored, one can expect nothing else but that he will employ all his might to avenge his injury upon the Honorable Company and harm it both in its trade and in its possessions. He will not even fail to do this if he gets the slightest wind that there is an intention to enter into negotiations with Heijder Alichan to his detriment, even if that undertaking were never realized or carried out. On this account, I therefore consider that the proposition of Mr. Breekpot, as it now lies, cannot be accepted. The aim intended thereby is indeed good and praiseworthy, but the means to obtain it are either impracticable, unjust, or harmful, Paragraph 71. 261 VII: Concerning the Nabob Heijder Alichan. and the attempts thereto even dangerous. The Honorable Company would suffer the greatest disadvantage from it. And therefore, being unable to align my opinion with that of His Honor, I hope by no means to do wrong if I place the entire proposal, with its execution and the supposed advantages, among those things that are sooner to be wished for than expected, and whose possibility exists solely in a loose imagination. Nevertheless, it is by no means my intention to maintain that the Honorable Company should conclude no contract at all with Heijder Alichan. I only disapprove of an offensive alliance according to the draft of Mr. Breekpot; just as I would not dare to advise a defensive alliance if by that it were meant that the parties would be obliged to assist each other immediately in their wars with money, troops, ships, weapons, etc. For the Honorable Company has few or no enemies; he, on the contrary, many. Paragraph 60. It is hardly possible that he can ever be at peace. Paragraph 72. VII: Concerning the Nabob Heijder Alichan. If it is not the Nabob of Arcad, it will be the English, and if not these, then the Marhettas who will seek his ruin and continually keep him in turmoil; just as the latter are currently again effectively in the field against him and, according to the latest reports received from his army by an envoy of the King of Cochim, have already brought him into such straits that he has offered one lac of pagodas to be rid of them, while they demand at least three lacs. Paragraph 73. Consequently, he will continually need the assistance of the Honorable Company and also demand it at the place where he finds himself closest in his distress. And if one could not give it to him immediately to his satisfaction, as it will be virtually impossible to keep a sufficient supply on hand for that purpose simultaneously on Coromandel, Ceylon, and the Malabar, then his friendship would certainly turn into enmity, and he would do more harm than good. Paragraph 74. 262 VII: Concerning the Nabob Heijder Alichan. It also cannot fail that all his enemies must at the same time become enemies of the Honorable Company if it renders him actual assistance. And if something mortal were to befall him, or his power were diminished by some other unfortunate accident, then it would have to bear the entire burden alone, which would plunge it into great trouble and difficulty. Paragraph 75. Yet I do not at all wish to oppose the conclusion of such an alliance that has solely the maintenance of peace and friendship as its objective. On the contrary, I think that it will be necessary to seek to obtain this, and also, if possible, to enter into it without loss of time, especially if this can be done on these conditions: That he binds himself to indeed help, but not to insult nor to damage, the Honorable Company and its friends and neighbors with whom it is effectively in alliance; and that the Honorable Company, on the other hand, shall be obliged to him, to the utmost of its ability, Paragraph 74.
Dutch transcription
260 VII: Van den Nabab Heijder Alichan. in steede van eenen zeekeren, eenen onzeekeren, ten minsten onvoordeeligen zeet en Handel verschaffen. want ongereekent, dat een oorlog aan veele wisselvalligheeden onderworpen is, die in een oogenblik de aller gelukkigste gestel„ „tenisse zeer ongelukkig kunnen maa„ „ken, en die de gantsche onderneeming quaalijk zouden kunnen doen uijt val „len, zo weet een ieder wat slegte gevolgen eene vijandlijke invasie ordinair na zig sleept, De Landen, steeden en Dorpen werden verwoest, de plantagien geruineert de Leevens middelen verteert, ende men„ „schen, afgedoodt, of verdreeven, of tot den Beedel -zak gebragt. En wat zoude de EComp:e dan aan een Bezitting heb„ „ben, die in de grond bedurven, en van Jnwoonders ontbloot, in lange tot geen verhaal komen, en het beoogde voor„ „deel niet uijtleeveren kan. 5: 70: Boven dien is het een vast gevolg, dat als Heijder Alichan het Rijk van Trevancoor eens veroveren mogte, hij het zelve, of voor zig houden, of aanden Eijge„ „naar weder terug geeven zal. Geschied het 2 VII: Van den Nabab Heijder Alichan het Eerste, moet men vreezen, aan Heijder Alichan een veel gevaarlijker gebuur te zullen hebben, als thans aan den koning van Trevancoor, dewijl hij, na rato van zijne meerdere magt, ook opgeblaazener en onhandelbaarder zal zijn. En werd de koning van Trevancoor weder hersteld dan kan men ook niet anders verwagten, of hij zal alle zijn vermogen in 't werk stellen, om zijn leed op de E Comp:e te wree„ „ken, en haar zo wel in haaren Handel als in haare Bezittingen afbreuk te doen. zelfs zal hij dit niet nalaaten als hij maar de minste lugt krijgt dat men van voorneemen is, met Heijder Alichan tot zijn nadeel in onder„ „handeling te treeden; alwas 't ook, dat die onderneeming nooit tot stand of ter uijtvoer wierd gebragt. uijt dien hoofde vermeen ik dan dat de Propositie van den Heer Breekpot, zo als die thans legt, niet kan aangenomen werden. Het daarmeede bedoelde oog„ „merk is wel goed en prijselijk maar de middelen om het te verkrijgen, zijn of ondoenlijk, of onbillijk, of schaadelijk §: 71: en 261 VI1: Van den Nabab Heijder Alichan en de Loogingen daar toe zelfs gevaarlijk De EComp:e zoude daar bij het grootste nadeel lijden. En daarom mijn gevoelen niet kunnende voegen, bij dat van zijn Ed:e, zo hoop ik geenzinds quaalijk te zullen doen, wanneer ik het gantsche voorstel, met dies uijtvoeringe en de gesupponeerde voordeelen, stelle, onder die dingen, die eerder te wenschen dan te verwagten zijn, en welker mogelijkhijd alleen in eene losse verbeelding bestaat. nogthans is mijne intentie geen„ „zinds, om staande tehouden, dat de EComp:e in 't geheel geen Contract met Heijder Ali„ „chan sluijten moet: Jk keur alleen af een Aanrandent verbond volgens 't Con¬ „cept van den Heer Breekpot; zo als ik ook niet zoude aanraden durven een verdeedigent verbond, indien daarmeede bedoelt wierd, dat parthijen verpligt zou„ „den zijn, elkander in hunne oorlogen met geld, volk, scheepen, wapenen enzz: daadelijk bij te staan. want de EComp=e heeft wijnig of geene vijanden, Hij inte„ „gendeel veel 5: 60: Het is niet wel mo„ „gelijk, dat hij ooit in rust kan komen. Is der„ §S: 72: VI1: Van den Nabab Heijder Alichan Is het niet de nabab van Arcad, het zullen de Engelschen zijn, en zo niet deeze, dan de marhettas, die zijnen ondergang zoeken, en hem geduurig in beweeging houden zullen; zo als de laatsten thans ook weder effective tegens hem te velde leggen, en hem, vol¬ „gens de Jongste berigten, door een afzende„ „ling van den koning van Cochim uijt zijn leeger ontfangen, bereeds zoverre in't nauw gebragt hebben, dat hij al Een Lacq Pagoden gebooden heeft, om van haar ontslaa„ „gen teraaken; terwijl zij op zijn minste Drie Lacq begeeren. 5: 73: Bij gevolg zal hij de hulpe van de EComp:e al geduurig noodig hebben, en die ook eijschen ter plaatse, daar hij zig in zijne verleegenthijd het digtste bij bevindt. En als men hem die niet terstond na zijn genoegen geeven konde, Gelijk het genoegzaam on„ „mogelijk zal zijn, ten dien eijnde op Cor„ „mandel, Ceijlon en de Mallabaar te gelijk, eenen toerijkenden voorraad aanhan„ „den te houden, dan zoude zeekerlijk zijne vriendschap in vijandschap verkeeren, en hij meer quaad dan goed doen. 5: 74: 262 V71: Van den Nabab: Heijder Alichan Ook kan 't niet missen, of alle vij„ „anden van hem, moeten teffens vijanden van de ECompe werden, indien zij hem daadelijke hulpe bewijst. En als hem dan iets menschelijx overquam, of dat zijn vermogen door een ander ongelukkig toeval verminderte, dan zoude zij den gantschen Last alleen moeten draagen het gunt haar in groote moeijte en beswaariis zoude storten 5: 75: Dog het sluijten van zulk een verbond, dat alleen de onderhouding van vreede en vriendschap tot een doelwit heeft, wil ik geenzinds tegenspreeken. Jn tegendeel denk ik, dat het noodig zal zijn, de verkrijging daarvan te zoeken, en ook, als 't mogelijk is, zonder tijd ver„ „zuijm daartoe te treeden, voornamentlijk, als zulx geschieden kan, op deeze Conditien: „ Dat hij zig verbindt, de EComp:e en haare „ vrienden en Buuren, waarmeede ze effec„ „„tive in Bondgenootschap staat, wel te „helpen, maar niet te beleedigen, nog „ te beschaadigen; en dat de EComp:e daar „tegen verpligt zal zijn, hem na uijterst vermogen 5: 74:
English
VII. Regarding the Nabab Heijder Alichan to accommodate him to the best of our ability with everything he might require in the way of war implements and other necessities against cash payment, whether this takes place immediately upon receipt or shortly thereafter, provided the sum is not too large and circumstances make a prompt delivery unavoidable. 15: 76: For that can not only do no harm, but will also attract no one's attention, and in many respects will even serve to the great advantage of the Honorable Company. At the very least, one will by this means be placed in a position to keep a dreaded and mighty enemy outside the territory of the Honorable Company and of her friends. And if that happens, it is also certain that the interest of the Honorable Company will be far better served, and her seat and trade will be granted far greater stability and capacity, than if one sought to expand her dominion and possessions and in the meantime permitted, indeed even brought about, that her old allies were subjugated by a foreign power and their lands devastated by an all-destructive war, on whose flourishing state, however, so much depends for her, especially here on the Malabar Coast. VIIIth Section Regarding the King of Trevancoor. Resolution And considering that the said Breekpot is of the opinion that, in order to preserve Trevancoor from an engagement toward a greater delivery of pepper to the English, and to prevent him from perhaps no longer considering himself bound to the contract, the same should, as soon as it is in any way perceived that he approaches the friendship of the Company somewhat more closely, be cajoled with all manner of accommodations, and care be taken that his demands for ammunition and artillery goods are satisfied as closely as possible, and that a moderate advance in cash be made to him: it is therefore resolved to instruct the titular Governor Senff to make use of that proposed means as the exigencies of affairs require. I have already remarked above in §: 9: That the King of Trevancoor is a dangerous neighbor, and that all attentiveness will be necessary to keep him in peace and quiet, and to bring him so far that he considers his welfare more or less dependent upon the friendship and interests of the Honorable Company. And to this end it can certainly also serve that, following the proposal of Mr. Breekpot, one satisfies his demands for ammunition and artillery goods, and now and then accommodates him with a moderate advance in cash. But this alone is nevertheless not enough to detach him from the English, or in the least to oblige him, especially if one were not to make use of that means until one perceived that he approached the friendship of the Honorable Company somewhat more closely. For he has no need to address himself in that respect to the Honorable Company, since he can succeed in that very same manner, and possibly in some respects much better, with the English themselves. §: 77: 77. VIII. Regarding the King of Trevancoor. It is further resolved to order the titular Governor Senff to confront the King of Trevancoor, on a suitable occasion, with his speculative engagement with the English and his conduct toward the Company, in terms of weight and emphasis, yet at the same time in the most polite manner, as his predecessor states he had no opportunity to do so. Separate Letter. Concerning the Pepper Having collectively seen that the King of Trevancoor arranges the delivery as his interests seem to advise him, whereby in the latest year only a trifling quantity of 360'243: lb: was delivered to the Company, it appears to us that one must seek to obtain that product from the Trevancorean in a much larger quantity by ways and channels proper to a merchant, and not by means of force. I have also demonstrated in §: 62:—71: that it would be entirely inadvisable to humble him with the help of Heijder Alichan. And as appears from §: 14: and 76: I am even of the opinion that this should by no means take place through an open war, as long as he does not, as it were, force the Honorable Company to resort to that extremity. §: 78: 264 VIII. Regarding the King of Trevancoor. Consequently, entirely different means will have to be devised and put into practice in order to keep him within the bounds of reasonableness and somewhat more adhering to the fulfillment of the contracts. And of this I shall now, as a sequel to the foregoing, give as brief an indication as possible. §: 79: It is known from experience that all native princes wish to be flattered and outwardly honored; nor are examples lacking to prove that the Honorable Company has often been plunged into the greatest difficulties by the arrogant and sullen conduct of her servants. Consequently, the one must be observed, and the other avoided in the highest degree. And I state this so much the more in the first place regarding the conduct that must be maintained with respect to the King of Trevancoor, in order §: 80:
Dutch transcription
VII. Van den Nabab Heijder Alichan „vermogen te gerieven, met alles, wat hij „ aan oorlogs Gereedschap en andere Be„ „„hoeftens noodig mogte hebben, tegens „ contante betaaling, het zij die terstond bij „den ontfangst geschied, dan wel kort nader„ „„hand, als de somma niet te groot is, en „dat de omstandigheeden, eene spoedige af„ „„gaave, onvermijdelijk maaken. „ 15: 76: Want dat kan niet alleen geen quaad, maar zal ook bij niemand in 't oog loopen, en in veel opzigten de EComp:e zelfs tot groot voordeel strekken. Ten minsten zal men door dit middel in staat raaken, eenen gedugten en magtigen vijand, buijten het grond gebied van de EComp=e en van haare vrienden te houden. En als dat geschied, is 't ook zeeker, dat het Jn„ „terest vande EComp:e vrij beeter behartigt en haaren zeet en Handel vrij meerder vastighijd en vermogen bijgezet werden zal, dan of men haare Heerschappij en Bezitting zogte uijttebrijden, en onder„ „tusschen toestond, Jazelds bewerkte, dat haare oude Bondgenooten door eene — vreemde magt te ondergebragt, en derzelver Landen door een al vernielenden oorlog n 263 VII: Van den Nabab Heijder Alichan. oorlog verwoest wierden, aan welker bloeijende staat haar egter, voornamendlijk hier ter Custe Mallabaar, zoveel gelegen legt. VII1: Afdeeling Van den Koning van Trevancoor. Resolutie En gemerkt gedagte Breekpot van gevoelen is, dat om Jrevancoor te preserveeren voor een engagement, tot een meerder leve„ „rantie van Peper aande Engelschen, en om voortekomen, dat hij zig misschien niet verder aan't Contract gevhouden zoude agter, den zelven zodaa maar eenigzinds bespeurt werd; dat hij de vriendschap van de Comp:e wat meer naadere, met allerleij geriefelijkheeden diend tewerden gecajoleert en gezorgt dat desselfs Eijschen van Ammunitie„ en Arthillerij-Goederen, zo na — mogelijk voldaan, en hem eene maatige vooruijt verstrekking van Contanten gedaan werde: zo is verstaan, den titulair Gouverneur senff in mandatis te geeven, om van dat voorgestelt middel„ naar eijsch van zaaken — ge„ „bruijk temaaken. Ik heb voorwaards §: 9: bereeds aangemerkt Dat de koning van Fre„ „vancoor een gevaarlijk gebuur is, en dat 'er alle oplettendhijd zal noodig zijn, om hem in rust en vreede tehouden, en zo verre tebrengen, dat hij zijn welzijn, van 's EComp:s vriendschap en belangen min of meer afhangelijk agt. En hier toe kan zeekerlijk meede dienen dat men, na't voorstel van den Heer Breekpot, zijne Eijschen van Ammo„ „nitie en Arthillerij- Goe„ „deren voldoet, en hem Nog nu 5:77: 77. VIII. Van den koning van Trevancoor. Nog is verstaan, den titu„ „lair Gouverneur seuff te gelasten, om — den koning van Trevan„ „coor bij eene bequaame gelegent„ „hijd, desselfs speculatief engage„ „ment met de Engelschen, en zijn gedrag omtrent de Comp:e, eens in termen van klein en na„ „dieuk, dog teffens op de civielste wijze, voortehouden, wijl zijn predecesseur zegt, daar toe geen occagie gehad te hebben. 3 Aparte Brief. Betreffende den Peper Jnzaam gezien hebbende, dat de koning van Trevancoer, — de leverantie schikt, zo als zijne belangen hem schijnen aanteraaden, waardoor in't Jongste Jaar slegts aan de Comp:e geleevert is, eene geringe quantitijt van 360'243: lb:, zo schijnt het ons toe, dat men door wegen en Canalen, een koopman eijgen, dat Product van den Trevan„ „coorder moet zien te krijgen, tot een veel grooter quantitijt, en niet door middelen van geweld. Ook heb ik van 5: 62: —71: aangetoont, dat het gantsch met raadzaam zoude zijn, hem door hulpe van Heijder Alichan te verneederen. En blijkens 5:14: en 76: ben ik zelfs van ge„ nu en dan met eene matige vooruijt verstrekking van Contanten gerieft. maar dit alleen is egter niet genoeg; om hem van de Engelschen afte trekken, of in't min„ „ste te verpligten, voor al als men van dat middel niet eer gebruijk mogte maaken, dan wanneer men bespeurde, dat hij de vriend„ „schap van de EComp:e wat meer naaderde. want hij heeft niet noodig zig ten dien opzigte aan de EComp:e te addresseeren; alzo hij op die zelfde wijze, en moge„ „lijk in zommige opzigten veel beeter bij de Engelschen zelfs teregt kan raaken. „voelen „ §: 78: 264 VII1. Van den Koning van Trevancoor. „voelen, dat zulx in't geheel door geen open„ „baare oorlog dient te geschieden, zo lange hij de EComp:e niet als dwingt, tot dat uijter„ „ste temoeten komen. Bij gevolg zullen 'er gantsch andere middelen uijtgevonden en in't werk gestelt dienen tewerden, om hem binnen de paalen van redelijkhijd, en wat meerder aande nakominge der Contracten te houden. En hier van zal ik nu, tot een vervolg op het voorgaande, zo kort mogelijk aanwijzin„ „ge doen Het is uijt de ondervinding bekent, dat alle Jnlandsche vorsten gaarne ge„ „vlijt, en voor 't uijterlijke gehert willen zijn: ook manqueert het aan geene voorbeelden, om te bewijzen, dat de ECompe dikwils door een hoogmoedig en stuurs gedrag van haare bediendens, in de Groot„ „ste moeijelijkheeden is gestort. Bij gevolg moet het eene in agt genomen, en het ander En ik stel ten hoogsten vermijdt werden. dit zoveel temeer in de Eerste plaats, no„ „pens het gedrag dat men houden moet, ten opzigte van den koning van Trevancoor, 5: 80: om §: 79