VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3298

Surat · 522 pages · 132 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3298_0314 view scan ↗

English

280. The 16th of August Anno 1770 49. And requested of his Honour, in his capacity as Governor of the Mogol's Castle, 50. permission to be allowed to construct on the Wharf in Jengibander, otherwise also called the garden, 51. 3 to 4 residences for council members 52. and 6 to 7 clerks' rooms, with a common kitchen and dining room for the same, 53. each of the first-mentioned residences to be 18 English yards in length and 22 to 23 equal yards in width, 54. made of wooden posts, with a wall capable of withstanding the inclemencies of the weather, 55. and further of a decent height up to circa 4½ yards, 56. all under a simple tiled roof, with a wooden attic and without gesso, 57. and the clerks' rooms to be 6 to 7 yards in length and 4 to 5 yards in width, 58. which permission was then also granted in due form on the 14th of the said month of April by the aforementioned Chief and Council, as appears from their own confession in their letter of 3 October 1769, 59. however, not before Your Honours' aforementioned Chief and Council had, prior to proceeding to this, caused the place where we desired to build these residences and rooms to be inspected by two deputies, namely the Major and Commandant of the Castle, Mr. Wouth, and a member of their assembly, Mr. Bouchen, 60. and thus, after they were previously fully informed both of the place and of our requested carpentry works, as well as of the necessity thereof for us, 61. whereupon we then, relying fully on this solemnly granted consent, which was abundantly followed by the agreement of the town Governor, set to work at the earliest opportunity, 62. so that we already purchased considerable quantities of timber and masonry materials, 63. and had a wooden dwelling torn down, which served for the housing of our Fiscal and third Member in our assembly, as well as of two of our Bookkeepers, and as an Office of Trade. 64. And we had already advanced so far with this work 65. that one of the residences for the council members was almost completed, while nothing more was lacking on it than the roof, the doors, and windows, and plastering, 66. 281. A The 16th of August Anno 1770. 66. and the foundations of the second residence had been laid, and wooden posts or uprights had been erected. 67. When we, to our greatest surprise, were prevented therein on the 5th of July, 68. as it was thought fit on that day, merely through a common sepoy, to forbid all masons and carpenters from laying a hand to any work for us, 69. without giving us any, even the slightest, notice or warning thereof, 70. so that we found ourselves compelled, on the 7th of the just mentioned month, through two of our council members, to enquire of the then Chief, Mr. Price, 71. what reasons might have induced his Honour to this stoppage, 72. and whether this might perhaps have as its basis an assertion that we had exceeded the established stipulations, 73. and the said Chief having declared hereupon to our deputies 74. that the prohibition issued originated from Your Honours, 75. and that the established stipulations concerning these buildings had not been exceeded, 76. we sent on the 8th following a further deputation to the said commander, 77. with the request that we might then be allowed to proceed properly with these carpentry works in accordance with the permission granted, 78. and representing at the same time the injustice done to us and the damage which was being caused by this procedure to the Honourable Dutch Company. 79. And his Honour having given in answer to this that in his opinion it would merely be an affair or delay of a few days, 80. we therefore suspended action until the 27th of the aforementioned month, when we dispatched our first letter of that day to Your Honours' Chief and Council here, as the same is appended hereto under Z. A., 81. and thereby, citing all the aforementioned, repeated the request mentioned in Article 77. 82. But receiving no answer thereto, 83. other than solely by letter of the 9th of August that Their Honours could grant no permission to proceed with these carpentry works before and until they had received further orders from Your Honours. 84. And already beginning to fear that which we afterwards, to our regret, have found to be all too true. 85.

Dutch transcription

280. Den 16e Augustus A„o 1770 49. / En van zijn welEd„e in qualiteijt als Gouverneur van 's Mo„ gols Casteel versogt heeft. 50. / Permissie tot het mogen maaken op de Werff /: in Jengiban„ der, anders ook wel de thuijn genaamt:/ 51. / Van 3. a 4. Wooningen voor raadsleeden 52. / en 6 a 7. Penniste kamers, met een algemeene keuken en Eetens vertrek voor dezelve, 53. 1 jeder der Eerst gem: woningen ter lengte van 18. Engelsche ijarden en 22 â 23, gelijke garden breed. 54. gemaakt van houte stutten, met een muur die bestaanbaar is teegens de injurien van Lugt„ 55. en Voorts van een ordentelijke hoogte tot Circa 4½ garden 56. / alles onder een simpel pannedak, met een houte solder en zonder Gessen. 57. / En de Penniste kamers ter lengte van 6 a 7. ijarden en breede van 4 â 5. Jarden, 58. /. welke permissie dan ook op den 14. Aarde gedagte maand April, door voorengen: Cheff en raad in forma is verleend, blijkens haare eijgene Confessie bij haaren brief van den 3 8ber 1769. 59. , Egter niet of uwelEd=s meergenoemde Cheff en Raad; hadden, eer en bevoorens hier toe over te gaan, de plaats, alwaar we deese Wooningen en kamers begeerden te timmeren, door Twee Gecommitteerdens, te weeten den Major en Com„ mandant van het Casteel den Heer Wouth, en een der Leeden haarer Vergade„ ring den Heer Bouchen doen bezigtigen. 60. , En dus, na dat bevoorens zo wel van de plaats als van onse verzogte Timmeragien, gelijk meede van de nood zakelijkheid der zelve voor ons, ten vollen onderrigt waaren: 61. Waar op wij dan, ons ten vollen op dit plegtig verleend Consent, dat ten oversloede door de toestemming van den stads Gouverneur gevolgd was, gerustende, met den eersten aan het werk gegaan zijn 62. zulks wij bereeds aanzienelijke quantiteijten Timmer en Metzel -Materialen ingekogt. 63. Eene planke wooning, die tot huijsvesting van onsen fis„ caal en derde Lid in onse vergadering, mitsgaders van Twee onser Boekhouders, en tot een Comptoir van Negotie dienden, doen wegbreeken hadden. 64. / En wij waaren met dit werk bereeds zoo verre gesorderd. 63. dat een der wooningen voor de raadslieden, bij na vol„ tooijd was, Terwijl daar aan niets meerder als het dak, de deuren, en vensters, en plaisteren ontbrak. 66. 281. A Den 16e Augustus A„o 1770. 66. En de fundamenten van de Tweeden wooning gelegd, en houte stutten, of standers opgeregt waaren. 67. Wanneer wij, tot onse grootste surprice, daar in op den 5. ' Julij, belet wierden. 68. / alzoo men kon goed vinden dien dag, slegts door een gemeenen Chipaij, alle Metzelaaren en Timmerlieden te Verbieden, geen hand aan eenig werk voor ons te slaan, 69. zonder ons daar van eenige de allerminste kennisse ofte onser tuure te geeven 70. / sodanig dat wij ons genoodzaakt vonden, om den 7=e der even gemelde maand, door Twee onser raadsleeden, aan den toenmali„ gen Cheff de Heer Price, te doen afvraagen. 71. / welke redenen zijn Ed=e tot deeze stateering permoveeren mogten 72. En of zulx ook wel eene sustenue, als of we de gemaakte be„ paling te buijten gegaan waaren, ten grond slag hebben mogten 73. / Ende gemelde Cheff hier op, aan onse Gecommitteerdens hebben gedeclareerd. 74. / Dat het gedaane verbod van uw Ed:s afvloeijde, 75. / en dat de Gemaakte bepaling, omtrend deeze gebouwen, niet te buijten gegaan was 76. sonden wij den 8=e daar aan eene nadere Commissie aan gedag„ ten gebieder, 77. Met versoek, dat men ons dan met deeze Timmeragie, agter„ volgens de verleende permissie, zoude laaten voortgaan, na behooren, 78. / En representatie teffens van het ongelijk dat ons aangedaan en de schade welke door deeze proceduure aan de Ed:e Neder„ landse Compagnie toegebragt Wierden! 79 Ende zijn WelEd=e hier op ten antwoord gegeeven hebbende, dat het na zijne gedagten eeniglijk eene affaire of tardement, van Weijnige dagen zijn zouden 80. „ zoo supersedeerden wij tot den 27=e der meergenoemde maand„ wanneer wij onse eerste missive van dien dag, aan uw Ed„t Cheff en Raad alhier lieten afgaan, soo als dezelve hier bij ge„ voegd is onder Z. A. 81. / En daar bij, onder aanhaaling van al het voor en gemelde het Art: 77. genoemde Verzoek herhaalden. 82. / Dog daar op geenig antwoord erlangende. 83. / als eeniglijk bij missive van den 9:e Augustus dat haar Ed„s geene toestemming tot het voortvaaren met deeze timmeragien konden verleenen, voor en alteer nadere beveelen van uw Ed„s ontfangen hadden. 84. / En bereeds beginnende te vreesen, het geen we naderhand tot ons leedweesen, maar al te waar bevonden hebben. 85.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0316 view scan ↗

English

282. 33. The 16th of August Anno 1770 85. Namely, that they intended not to honor their once given word and consent, but to break the same at their pleasure. 86. Thus we resolved to dispatch once again, on the 21st of September following, the letter marked B annexed hereto, 87. And therewith, in case they remained negligent in fulfilling the granted permission, to protest not only against all damages and losses which the Honorable Dutch Company might ever suffer through this stoppage, 88. but also against all consequences that might arise therefrom in time, 89. leaving all of the same for Their Honors' account and responsibility. 90. We had reasonably expected a favorable effect from this writing of ours! 91. The letter from the Surat Ministry of the 3rd of October following, which we received on the 6th of the same month under letter E, convinced us fully of the contrary, 92. as they informed us therein that the prohibition received up to that day had not yet been changed by Your Honors, 93. not only that they had not received Your Honors' decisive answer thereto, 94. but they also saw fit to accuse us as if we had exceeded the condition made upon the granting of permission. 95. An accusation so contrary to the truth that we have not only fully refuted the same in our reply written thereto on the 31st of October aforesaid, 96. but which we shall also further extinguish and annihilate in the continuation of this document. 97. Thus, continuing the thread of our narrative here to avoid tedious repetitions, 98. we finally received, on the 23rd of October, and thus a full sixteen weeks after this stoppage had been undertaken, a letter from the Lord Chief and Council here, dated the day before, annexed hereto under D, 99. wherein, to our unspeakable astonishment, they saw fit to inform us 100. that Your Honors judged these buildings to have as much relation in general to the city as to the Castle, 101. and they had deemed it expedient to refer the decision thereof to the Nabab as Governor of the city, 102. C. D. 283 The 16th of August Anno 1770. 102. who, they did not doubt, would give us a clear answer. 103. We shall also defer the demonstration of this improper and wholly unlawful manner of acting to the continuation of this document, and proceed here to state 104. that, very easily perceiving that Your Honors intended to pass off the city Governor as the basis and motive for the stoppage inflicted, 105. and thus, if possible, to shift the blame from your own shoulders, 106. notwithstanding that His Excellency had not caused us the least hindrance up to that day, and delayed doing so for fully 2 months thereafter, 107. we saw fit to reply to the Surat Lord Chief and Council by our letter of the 31st of October following, annexed hereto under E, 108. fundamentally stating 109. that, having to deal solely with Their Honors for the reasons alleged therein, as they had so solemnly granted us the permission, 110. we could with no appearance of justice be judged to be dependent upon Your Honors' pleasure in this matter, 111. in such a manner that we could be judged obligated to conform to that referral to the Nawab, 112. since Their Honors were bound to let us enjoy the given consent, or otherwise to compensate all damages, etc.; 113. while we could by no means comprehend how the Nawab himself could deliver a verdict in a matter in which His Excellency had never caused us any hindrance, 114. and in which we thought we might hold ourselves assured of his goodwill. 115. And although we repeated our former requests and protests again herewith, this nevertheless had no other effect 116. than that we, on the 7th of December of the aforementioned year, 117. precisely, and what is very remarkable, after the city Governor, two hours before, had summoned the brokers of our Company into the Darbar, and had for the first time spoken to them about these dwellings, weeks after we had been referred thither, and fully 5 months after the first obstructions had been inflicted upon us by Your Honors, 118. and had told them that they should deliver a message to our Director that they must build not with stone, but with wood, planks, and bamboos, 119. because the inhabitants and, notably, the English were very much against it. 120. C. 2.

Dutch transcription

282. 33. Den 16e Augustus A„o 1770 85. Namentlijk, dat men voorneemens was zijn eens gegee„ sen woord en Consent geen gestand te doen, maar het zel„ ve na Goed vinden te verbreeken. 86: zo wierden wij te raade, om nog maals op den 21:e septem„ ber daar aan; te laaten afgaan de brief onder L B deezen annex, 87. / En daar bij, ingevalle men nalatig bleef in het praes„ teeren van de gegeevene permissie, te protesteeren, teffens alle schaaden en nadeelen, welke de Ed„e Nederlandse Compagnie door deese stateering, immermeer te Lijden heeft, niet alleen 88. maar ook teegens alle gevolgen welke daar uijt in der tijd zouden voortkomen kunnen. 89. / alle dezelve voor Haar Ed„s reekening en verantwoordinge overlatende: 90. / Hadden wij dus billijk een goed effect van dit ons schrij„ ven te gemoet gesien! 91. / de Missive van het sourats Ministerie van den 3:e 8br daar aan, welke wij den 6:e dito ontfingen sub. LE overtuijgaden ons ten vollen van het teegendeel, 92. /Alzoo men ons daar bij melde dat het ontfangene verbod tot dien dag, door uwelEd:e nog niet verandert was. 93. nog dat zij uwelEd„s beslissend antwoord, daar op ontfangen hadden, niet alleen; 94. / maar men vond teffens goed om ons te beschuldigen, als waaren wij de gemaakte bepaling, bij het verleenen van Permissie, te buijten gegaan. 95. Eene beschuldiging dermaten met de Waarheijd strijdende dat wij dezelve niet alleen bij onse daar op in antwoord ge„ schreevene missive van den 31. ' October meer gemeld, ten vollen gerefuteerd hebben, 96. Maar die wij ook nog in 't vervolg deeses nader dooden en te niete doen zullen, 97. Dus dan alhier ter vermijding van Lastige Cediten, den draad onses verhaals vervolgende, 98. zoo ontfingen wij eindelijk, op den 23:e' 8br: en dus wel sestien weeken, nadat men deeze stateering ondernoomen had„ eene missive van den Heere Cheff en Raad alhier, gedateerd des daags bevoorens hier bij sub. D 99. waar bij men tot onse onuijt spreekelijke verwonderinge goed vond, ons te melden. 100. Dat uwelEd:s oordeelden, deeze Gebouwen, zoo veel betrek king te hebben in 't generaal tot de stad als tot het Casteel 101. / sij dienstig G'agt hadden om de uijtspraak daar van op te dragen aan de Nabab. als Gouverneur van de stad. 102. C. D. 283 Den 16 Augustus A„o 1770. 102. Dewelke zij niet en Twijfelden of zouden ons een klaar antwoord Geeven. 103:/ wij zullen de monstratie van deeze oneigene en ten eenen maal onwettige manier van handelen, ook al tot het ver„ volg deezes verschuijven, en alhier voort vaaren te melden 104:/ Dat wij zeer ligt penetreerende, dat uw Ed=e voorneemens waaren, om den stads Gouverneur als de Bazis en beweeg-Oor„ zaak van de toegebragte stateering te doen doorgaan 105. / En dezelve dus, zoo mogelijk, van uw en halze af te schuijven, 106. / Niet tegenstaande zijn Excellentie ons tot dien dag geene de min„ ste verhindering toegebragt had, en daar meede nog wel 2: maan„ den na dies, heeft vertoefd. 107. Goed vonden den Souratschen Heeree Cheff en Raad bij onse brief van den 31:e 8br daar aan hier agter gevoegd sul E: 108. / Te rescribeeren, hoofdsaakelijk 109. Dat wij om de aldaar G'allegueerde reedenen, eeniglijk met haar Ed„s als dewelke ons de permissie zo plegtig hadden verleend, te doen hebbende, 110. / met geen schijn van regt konden worden g'oordeelt van uw Ed:s goed vinden in deezen afhankelijk te zijn, 111: / zoodanig dat wij verpligt souden kunnen worden G'oordeelt, ons na dat renvoij, aan de Nawab, te schikken, 112. / daar haar Ed„s gehouden waaren, ons van het gegeeven Consent te doen jousseeren, of anders alle schaden te vergoeden enz: 113. / Terwijl wij Geensints beseffen konden, hoe de Nawab selfs uijt„ spraak zouden kunnen doen; in een zaak waar in zijn Excellentie ons nooijt eenige hindernis toegebragt had 114. En waar in wij ons, van zijne wel menentheid vermeenden versekert te mogen houden. 115. / En of schoon we hier bij al wederom onse voorige verzoeken en„ protestatien herhaalden, zoo is dit tog van geene andere uijt„ werkinge geweest. 116. / als dat wij op den 7:e December desevengemelden jaars 117. / Juijst, en dat zeer remarquabel is, na dat den stads Gouverneur, Twee Uuren bevoorens, de Makelaars van onse Compagnie in den Derbaar ontbooden en haar wel E: weeken dat men alderwaarts was gerenvoijeerd, en wel 5: maanden na dat ons de eerste beketselen van UwelEd: toegebragt waaren, voor de N3 eerste maal over deeze Wooningen gesprooken, 118. / En haar gesegd had, dat zij teegen onsen Directeur moesten boodschappen dat men niet met steen, maar met hout, planken en Bamboesen timmeren moesten. 119. / Alzoo de inwoonders en N:B: de Engelschen er zeer teegen waaren. 120. C. 2.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0318 view scan ↗

English

284. The 16:e August A„o 1770. G2=mo 120. In a letter sent by the Surat Chief and Council of the 5:e prior, received in reply under F, 121. that our application to the Nawab for permission would itself demonstrate that we believed the buildings in question have as much relation to the city as to the Castle, 122. with a further declaration that His Excellency, as well as Your Honor, was dissatisfied with the building of these dwellings, etc. 123. Notwithstanding that they, upon the aforementioned permission, had to agree fully that they had granted us permission for the construction of the mentioned dwellings. 124. Meanwhile, as we were thus, to our great grief, so unlawfully hindered on negligible pretexts in completing the carpentry begun, 125. we resolved, in order to demonstrate our pure intentions, and that we did not intend to undertake any work that could be judged by anyone to be of any detriment to the interests of the Honorable English Company at this place, 126. in our letter of the 3:e March of this year, under G1mo, 127. after first having thoroughly refuted, as we believe, the assertions of Your Honor's Council here, 128. to request the well-mentioned Chief and Council to have examined by their available Captain Engineer, 129. firstly, the carpentry of the new buildings, and whether they can with any appearance of reason be said to be detrimental either to the Mogol Castle or to the city, 130. and secondly, our old and dilapidated dwellings, 131. in order to investigate whether the inhabitants thereof run any danger of being buried under the ruins of the same. 182. While we moreover transmitted to Your Honors an inspection of two dwellings occupied by five of our servants, conducted by three members of our assembly assisted by competent master craftsmen, under L=a G 2=de, 133. as clear proof that it was utterly impossible for us to reside here in such a manner. 134. And we were so firmly persuaded of the good outcome of this our condescension, 135. Gt 1=mo H. 285. The 16:e August A„o 1770. 135. that we did not doubt in the least that we would finally be restored once again to our acquired right. 136. All the more so when all the aforementioned, both the old dwellings and the new carpentry, had been properly examined by Captain Engineer Nilson, 137. and he had submitted a report of his findings, which we can never suppose to be in any degree contrary to all that has been advanced by us. 138. Yet, in order to show in all respects 139. that we solely desired dwellings of stone that would protect us from the injuries of the weather 140. and could make life in these regions somewhat more pleasant for us, without having anything else in view thereby, 141. we declared in our letter of the 6=e April following, annexed hereto under L=a H, 142. that we would gladly be content to have the walls etc. of the dwellings in question made of such thickness as should be judged sufficient by Your Honor's Engineer. 143. And if we have ever, my Lords, been wrongly suspected by Your Honor, as if this stone dwelling aimed at making anything, by whatever name, that could ever be detrimental to Your Honor, 144. such a declaration ought at least always to have convinced Your Honor of the sincerity of our intentions, 145. since we thereby placed the manner of building entirely into your hands, 146. it depended upon Your Honors themselves to free yourselves from all panic terror. 147. Nevertheless, and as evidence that, cost what it may, 148. yea, without considering what an impartial world will judge of such a procedure, 149. and without paying any heed to the consequences, 150. it is intended, via forca, to oppose this carpentry contrary to good faith and a solemn consent once given, 151. and thereby having made it a pleasure to treat us as on multiple occasions previously, 152. and most recently in A„o 1763, regarding the unloading of goods at our wharf, 153. of which ancient right they would not allow us to enjoy, except after many troubles etc., 150.

Dutch transcription

284. Den 16:e Augustus A„o 1770. G2=mo 120. / bij een door den Heer souratsen Cheff en Raad afgesondene brief van den 5:e daar bevoorens sub F in antwoord ontfangen 121. dat onse vervoeging bij de Nawab om permissie zelfs zoude aan„ toonen, dat wij gedagt hebben, dat de gebouwen in quaestie zoo veel betrekking hebben tot de stad als tot het Casteel„ 122. met een verdere verklaaringe, dat zijn Excellentie, zoo wel als uw Ed e met het Timmeren deeze wooningen on„ voldaan was ensz: 123. / Niet tegenstaande zij lieden bij opgedagte Permissive volmondig moesten toestemmen, ons tot de extructie, der Gementioneerde wooningen, Permissie te hebben 124. / Jmmiddens dat we dus tot ons groot verdriet op niet noemenswaardiger voorwenselen, in het voltooijer der aangevangene timmeragien, zoo onwettelijk ver„ hinderd wierden. 125. , resolveerden we, om ter aantooning van onse suivere gevoelens, en dat we niet voorneemens waaren eenig werk te onderneemen, dat jemand van eenig nadeel, voor de be„ langen der Edele Engelsche Compagnie ter deezer plaatse, konde worden G'oordeel, 126: / om bij onse missive van den 3:e Maart deeses jaars, sul G1mo 127. Na alvoorens het g'avanceerde van uw Ed=ns raad alhier, zoo wij vermeenen, grondig te hebben wederlegd. 128. / van Welgemelden Cheff en Raad te verzoeken om door haaren aan handen hebbenden Capitain Jngenieur te laaten Exami„ Verleend, 129. „ Eerstelijk de Timmeragie der Nieuwe gebouwen en off deselve met eenigen schijn van reeden kunnen worden gesegt of voor 's mogols Casteel of voor de stad nadeelig te zijn. 130. / En ten tweeden, onse oude en bouwvallige Woningen. 131. / ten Einde te ondersoeken, of de bewoonders daar van, geen gevaar loopen, van onder de ruines derzelver, te worden be„ graven. 182. / Terwijl we daar beneevens aan haar Ed„s oversonden eene door drie leeden onser vergaderinge, G'assisteerd met des verstand hebbende werkbaasen, gedaane visitatien van twee woonhuij„ sen door vijf onser Dienaaren bewoond. sub La G 2=de 133. / Tot een klaar bewijs, dat het ons volstrekt onmogelijk was, om op dusdanigen wijse alhier te habiteeren. 134. / En wij hielden ons van den goeden uijt slag van deese onse Condescendance, dermaten gepersuadeert, 135. Gt 1=mo neeren. H. 285. en 16:e Augustus A„o 1770. 135. / Dat we geensints twijffelden of we souden eindelijk eens weeder in 't verkreegen regt hersteld geworden zijn. 136. / Te meer wanneer alle de vooren gemelde, zoo oude wooningen, als nieuwe Timmeragie, door den Capitain Jngenieur Nilson, behoorlijk g'examineert waaren, 137. / En dezelve van raport van desselfs bevinding, dat we nooijt kunnen, onderstellen, met al het door ons G'avanceerde in eenigen maaten strijdig te zijn, gediend had. 138. Egter en om in allen deelen te toonen, 136. dat we eeniglijk wooningen begeerden van steen, die ons voor de Jnjurien van de Lugt bevrijden. 140. / en ons het leeven in deezen gewesten eeniger maten veraan„ genaamen kunnen, sonder daar meede iets anders te beoogen, 141. Verklaarden wij bij onsen brief van den 6=e April daar aan, hier bij G'annexeerd onder L=a H. 142. / dat wij ons gaarn zouden vergenoegen met de muuren etc: der quaestieuse wooningen van sodanige dikte te laaten maa„ ken als dezelve door UwelEd:s Jngenieur zouden worden G'oordeeld, bestaan te zijn. 143. / En zoo we ooijt mijne Heeren, door uw Ed„e ten onregte gesoup„ conneert geworden zijn, als beoogden men met deeze steene wooningen, het maaken van iets hoe genaamd dat Uw Ed„e immermeer, nadeelig zijn konde, 144. / zoo had een diersselijke verklaaring, UwelEd„en van de op„ regtheid onser gevoelens, tog altoos behooren te overtuijgen, 145. / Alzoo we daar door de manier van Timmeren geheel in„ uwe handen stellende, 146. het van uwelEdelen zelfsafhing zig van allen terreur pancique te bevrijden, 147. Even wel en ten blijke, dat men, het koste wat het wilde, 148. /. Jaa: zonder te denken, wat eene onpartijdige wereld 1 van zulk een proceduure oordeelen zal, 149. / En zonder op de gevolgen eenigen agt te slaan, 150. / voorneemens is, via forca deeze Timmeragen, teegens de goede Trouw, en een eens gegeeven plegtig Consent teegente gaan, 151. en daar door het vermaakte hebben ons, als wel meer maalen bevoorens, 152. / en nog Laatstelijk in A„o 1763, met den ontlos der goe„ deren aan onsen werff, 153. / van welk oud regt men ons niet, als na veele moeijten Etc: heeft willen doen Jouisseeren, 150.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0320 view scan ↗

English

The 10th of August, Anno 1770. To demonstrate all the vexations and troubles, we had to perceive from the latest letter of the English ministry here, dated the 3rd of May last, Lit. J: That all our aforesaid demarches and compliances had been of not the slightest benefit, since they notified us therein that Your Honors, in reply to the letter with which the report of the Engineer was transmitted to them, had written back: That Your Honors could see no reason why they should alter their decision cited in the missive of the 21st of October, with these specious reasons, which may perhaps be somewhat satisfactory to anyone not fully informed of the truth of the case: That they, therefore, cannot think of concerning themselves with the Nabab in this regard, just as if this were his explicit desire, and as if it were he who hindered us from continuing with the started carpentry works, of which we shall fully demonstrate the contrary hereafter in its proper place. And having herewith concluded the First Point proposed to us in Art. 22, namely the narrative of everything that has occurred in and about this affair, and which corresponds to such an extent with the pure truth that we summon the entire Council of Surat, indeed the entire world, to point out anything that is not in agreement therewith, we shall now proceed to the Second Main Point proposed to us. Namely, A, that we are fully and indisputably entitled to the construction of the residences in question, and B, that Your Honors are bound to maintain us therein, as we have already advanced herebefore in Art. 24, 25, 26, and 27. And this right is so evident that it requires no adstruction or elucidation, at least none other than for someone who is completely ignorant of the affairs of Surat. The 10th of August, Anno 1770. For it is entirely squaring with all the rules of natural law that as soon as the Noble Dutch East India Company thought fit to settle in this place for the pursuit of trade, and they had obtained the requisite permission for this from the legitimate sovereigns of these lands, the Mogol kings, along with the granting of such privileges as are expressed in our Firmans and are due to us according to ancient customs, it simultaneously obtained the right of habitation, equal in this respect—though in other cases far greater and more illustrious—to that of native citizens. That is, namely, that in this case, just like a native citizen, it acquired the right to purchase lands here, to appropriate them, and to build residences and warehouses upon them as it saw fit, provided—which we readily admit—that the buildings could not serve to disturb the established government. This proposition is so true that it requires no further proof, while the use we have always made of it fully confirms it. For at the very place where we wished to build the disputed residences, namely in Jengie Bander, otherwise also called the Garden, situated between the inner and outer city walls, close under the artillery of the Castle, before and long before the English Company made itself master of the Castle of Surat, with the consent of the Castle Governors of that time, to whom it pertained to grant permission for the construction of all residences and buildings situated on the same side of the city as our wharf, we did build various stone residences, as the houses of the first two undersigned can serve as proof thereof, as well as a third which recently collapsed again due to old age. While we have surrounded this wharf of ours with a stone revetment on the river side, solely to prevent it from being swallowed up over time by the current of the river...

Dutch transcription

286. Den 10e Augustus A„o 1770. 154. / alle verdrietelijkheeden en moeijten aan te toonen 155. / moesten wij uijt den Laatsten brief van het Engelsch ministerie alhier van den 3=e Meij jongtleeden L=a J: ontwaa 156: /: Dat alle onse voorengem: demarches en toegefelijkheef„ den, van geenigen den minsten vrugt geweest waaren 157. / alsoo men ons daar bij melden, dat Uw elEd:e 158. in antwoord op den brief, waar bij deselve het berigt van den Jngenieur toegesonden was, hadden gerescribeert, 159:/ dat uwelEd=n geen reeden konden zien, waarom zij haar besluijt, bij de Missive van den 21=e 8br aangehaald, veranderen zouden, 160. , met deeze Schoon schijnende, en voor alle, welke niet van de waarheijd des gevals, ten vollen onderregt zijn, mogelijk eenigsints voldoende redenen, 161. dat zij dierhalven niet daar op denken kunnen, van zig deezen aangaande met den Nabab te bemoeijen, 162: / even eens als, of het deeze zijne Uijtdrukkelijke begeerte was, en of die ons de voortgang, met de aangevangene timmeragien, belette, 163. / waar van we het Contrarie hier agter, ter zijner plaatse ten vollen aantoonen zullen. 164:/ Ende hier meede dan het ons art: 22. Voorgestelde Eerste point. 165. / namentlijk het verhaal, van alles wat zig in en omtrent deese affaire toegedragen heeft, afgehandelt hebbende. 166: en het welke dermaaten, met de suijvere Waarheid over eenkomtig is, 167. dat we den geheelen souratschen raad, ja de ge„ heele Warelo summeeren, om iets te kunnen aantoo„ nen, wat daar meede niet over een stemmig is. 168, zo zullen we thans overgaan, tot het ons ons voorgestelde Tweede hoofd Point. 169. Namentlijk A dat we tot de extractie der woonin„ gen en quaestie, ten sollen en zonder eenige teegen spraaf„ gewettigd zijn. 178. / en B dat uwelEd„s gehouden zijn ons daar in te maintineeren, 171. / zoo als wij hier voorens art: 24. 26. 26, en 27. bereeds hebben G'avanceerd. 172. En dit regt is zo evedent, dat het na geene adstructie ofte opheldering, ten minsten niet anders als voor den geenen Wel„ ke de souratse zaaten geheel onkundig is, nodig heeft, 173. ren. 287. Den 16. e Augustus A„o 1770. 173. / Want het is tog met alle de regulen van het natuurlijke regt ten uijtersten quadreerend, 174. / Dat zoo ras de Edele Nederlandse Oost Indische Compagnie, goed-vond zig ter deezer plaatse tot het drijven van Negotie needer te zetten. 175. / En zij daar toe van de wettige opperheeren deser Landen, de Mogolse koningen, de vereijschte permissie verkreegen hadden. 176. / Onder het teffens Accordeeren van zoodanige privilegie„ als bij onse Firmans uijtgedrukt staan, en aan ons, volgens de al oude Usantien Competeerende zijn. 177. / zij teffens het regt van inwooning, egaal in deezen 178. / schoon in andere gevallen vrij grooter en heerlijker 179: / met dat van de Geboorne burgers verkreeg, 180. / dat is namentlijk, dat zij in deezen gevalle, even als een geboo„ ren burger, het regt erlangde van alhier gronden te koopen, en die te approprieeren en met Wooningen en pakhuijsen te betimmeren, na goed dunken, 181. / mits /: het geen we gaarn willen toestemmen:/ dat de Gebou„ wen niet konden strekken tot stooring van de vastge„ stelde regeering, 182. deese stelling is zoo waaragtig dat dezelve geen verder bewijs vereijscht, 183. / Terwijl het gebruijk, dat we daar van altoos gemaakt hebben, dezelve ten vollen bekragtigd, 184. / Want wij hebben, ter selver plaatse, alwaar we de quatieuse wooningen timmeren Wilden, 185. / te weeten in Jengie Bander, anders ook wel de thuijn genaamd, leggende tusschen de binnen en buijten stads muur, digh onder het geschut van het Casteel 186. /bevoorens, en voor en al eer de Engelsche Compagnie zig meester van het sourats Casteel gemaakt had. 187. / met toestemming van de Casteels Gouverneurs in der tijd. 108: / als dewelke het verleenen van permissie, tot de Extractie van alle wooningen en Gebouwen, aan deselve zijde der stad met onse werff geleegen, incumpeerd. 189: /. wel diverse steene wooningen getimmert „ 198. / zoo als de huijsen van de twee Eerst ondergeteekende, daar van ten blijke kunnen verstrekken. 191. / als meede een derde dat nu onlangs door ouderdom weder„ om ingestort is, 192. / Terwijl we deeze onse werff met een steene beschoeijing aan de rivier kant eeniglijk, om niet door den stroom der rivier, door den tijd te worden ingeslokt om met zeld hebben 192 do

NL-HaNA_1.04.02_3298_0322 view scan ↗

English

288. The 16th of August Anno 1770. 192. besides such other stone buildings as have been granted to us to build by the respective English Chiefs Mr Spencer and Price, such as the outbuildings of the Director, and the residences of the Fiscal and such; 193. over and above this natural right of ours, we have at the same time a privileged right. 194. For in the year 1709, 195. when we made a request to the Mughal King, Sja Alem, to be authorized to build in the village of Roen, situated behind Omra, 196. His Majesty expressly ordered thereupon, 197. that for the service of the Honorable Dutch Company, to that end, a place shall be granted to us for residences for the chief and others in the city, or else in the Garden, the present shipyard. Letter K. 198. And this order was thereafter, or in the year 1729, confirmed to such a degree by the Mughal King Mhamet Sjka, 199. That His Majesty, by express firman of the 10th year of his reign, or according to the Mughal chronology 1140, 200. decreed, and granted to the Honorable Dutch Company forever, 201. To buy land for their own money in Souratta in Jengie Bander within the outer city walls along the river side. 202. And to make a place there for storage, 203. without anyone being permitted to hinder or trouble them therein, 204. with this further express command, 205. that this order should be strictly followed and no change may be made therein, 206. nor also should any new written order be demanded herefor yearly, 207. so that they, the Dutch, these are the words, can continue to pursue their trade with full peace of mind, under Letter 2. 208. Thus it seems to us to have been demonstrated as clear as the sun at noon 209. that we possess the right to buy land and build upon it, not only according to jus naturale, 210. But have also obtained the same by express firmans from the sovereign of these lands. 211. 289. The 10th of August Anno 1770 211. And the same, my Lords, is even stronger with respect to the residences and rooms in question. 212. Because we have obtained for that, on top of all this, full permission in due form from the Chief of Surat, in his capacity as Governor of the Mughal Castle, and the Council, 213. as has been demonstrated hereinbefore from article 48 to 60 inclusive. 214. Are we thus, for the construction of buildings, 215. by virtue of the privileges granted to the Honorable Dutch Company by the Lords of these lands, 216. Fully legitimized! 217. Have we moreover, for the construction of the residences and rooms in question, 218. also by virtue of the consent so solemnly granted by Your Honor the Chief and Council, in their known aforesaid capacity, 219. obtained an indisputable right, 220. it is equally true that the Surat Council and Your Honors yourselves are bound to maintain us therein, 221. And consequently to let us enjoy the permission once given. 222. Unless they wish otherwise to make themselves guilty of a great injustice and the violation of public faith; 223. And this was the second part of the Second Point, which we had to prove here according to articles 25 and 170. 224. Because over and above that the Chief and Council of the Honorable English Company at Souratta are indisputably bound to this, 225. by virtue of their capacity as Governor of the Mughal Castle, 226. according to which their indispensable duty entails that they all the inhabitants, 227. And also those who reside at Souratte under the enjoyment of any noble privileges, 228. Must protect and defend against all harassment, by whomever it might be inflicted upon them, 229. Not only, 230. but also, to all the European nations residing there, 231. and among them also the English Dutch Company, 232. to cause them to enjoy peacefully and undisturbed the excellent rights and privileges granted to the same by the Mughal Kings, as sovereign Lords of these lands, 233.

Dutch transcription

288. Den 16„e Augustus A„o 1770. 192. buijten zodanige andere steene gebouwen, als ons door de respective Heeren Engelsche Cheff M=r Spencer en Price, te timmeren G'accordeert zijn, zoo als de bij„ gebouwen aan het van den Directeur, en de Wooninge, van Fiscaal en 'sz: 193. / boven en behalven nu dit ons natuurlijk hebben we teffens een gepriviligeerd regt. 194. / alzoo in den Jaare 1709. 195. / wanneer wij bij den Mogolsen koning, sja Alem, verzoek deeden, om te worden gequalificeerd van in het Dorp Roen. /:agter omra gelegen./ te mogen timmeren, 196. / zijne majesteijt daar op expresselijk ordonneerde, 197. / dat voor den dienst der Edd:e Nederlandse Comp: ten dien einde ons een plaats en tot wooningen voor het opperhoofd en andere in de stad, dan Wel in de Thuijn /: de tegenswoordige werff:/ zal worden verleend. Lr K. 198. / En deeze ordre is dien na, of in den Jaare 1729. door den migol„ sen Koning mhamet Sjka, dermaten bekragtigd, 199: / Dat zijne Majesteijd, bij expresse firman van het 10e Jaar zijner regeeringe, dan wel na de Mogolse tijd reekening 1140. -, 200: statueerde, en aan de Ed„e Neederlandse Comp=e voor altoos accordeerde, 201: / Om in souratta in Jengie bander binnen de buijten stads muuren aan de revier kant, voor hun eijgen geld Grond te koopen. 202. / En aldaar tot berging een plaats te maaken, 203. / zonder dat jemant hem daar inne verhinderen of ver„ moeijelijken mag, 204. / mett dit verder expres bevel. 205. / dat deeze ordre strict zoude opgevolgd en daar inne geene veranderinge mogen gemaakt, 266. / nog ook hier van jaarlijx geen nieuw bevel schrift gevordert worden, 207. / op dat zij /: de Hollanders:/ dus zijn de woorden, met volle gerustheid, haaren handel kunnen blijven voortzet„ ten, sub La 2. 208. Dus dunkt ons zoo klaar als de son op den middig te hebben daar gedaan 209. dat we 't regt van gronden te koopen en die te betimme„ ren, niet alleen, volgens het jus naturale bezitten 210. Maar het zelve ook bij Expresse Firmans, van de souverain deezer landen, verkreegen hebben. 211. 289. Den 10e Augustus Ao 1770 211. / En het zelve mijne heeren is nog kragtiger, ten aansien van de Wooningen en kamers in quaestie. 212. / om dat we daar toe; booven dit alles, eene volkomene per„ missie van den souratsen Cheff, in de qualiteijt van Gouverneur van 's Mogols Casteel, en den Raad, in forma g'obtineerd. hebben, 213. / zoo als zulx hier vooren van art: 48. tot 60. in Clusive be„ toogd is. 214. / zijn wedus tot het timmeren van gebouwen; 215. , uijt hoofde van de aan de Ed:e Nederlandse Compagnie, door de Heeren deezer landen verleende voorregten, 216. / Ten vollen gewettigd! 217. / hebben wij daar en booven, tot de extructie der Wooningen en kamers in quastie, 218. / meede uijt hoofde van de door UwelEd=e Cheff: en Raad, in haare bekende meergedagte qualiteijt, zoo plegtig verleende toe„ Stemming, 219. / een indesputabel regt erlangd 220. even waaragtig is het, dat den souratsen raad en uwelEd„e zelven, gehouden zijn, ons daar bij te maintineeren, 221. / En ons dien volgens van de eens gegeeven permissie te laa„ ten fouisseeren. 222. p: Willense zig andersints aan geene groote onregtvaardigheid en het schenden van de publicque trouw, schuldig maken:/ 223. En dit was het tweede Gedeelte van het Tweede Point, dat ons alhier volgens art: 25 en 170. te bewijsen stond. 224. want buijten en behalven, dat den Cheff en Raad van de Edele Engelsche Compagnie te souratta daar toe ontegenspree„ kelijk gehouden zijn, 225. uijt hoofde van haare qualiteijd van Gouverneur van 'S mogols Casteel, 226. / als volgens dewelke haren indispensabelen pligt mede brengt, dat zij alle de Jnwoonders, 227. En ook die geene welke onder genieting van eenige heerlijk previlegien, te souratte geseeten zijn, 225. Teegen allen overlast, door wie zij haar ook mogt worden aan„ gedaan moet beschermen en protegeeren, 229. / Niet alleen 230. / maar ook, om alle de daar gesetene Europeese Natien, 231. / en daar onder mede de Engelsche Nederlandse Comp:e 232. /de aan dezelve door de Mogolse Koningen, als souveraine Heeren deezer lander, toegestaane Uijtmuntende voorregten en privelegien, vreedig en ongestoord te doen genieten 233.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0324 view scan ↗

English

290. M. and 16th August Anno 1770. 233. And also to maintain it therein, even against other fellow rulers of the city, in case they might presume to make any infringement upon it, 234. without being allowed to tolerate that any hindrance, whether in trade or in dwelling, or otherwise, be caused to us by anyone, whosoever he may be, 235. (so they are also very expressly bound thereto according to the solemn promises made to us by them and by Your Honours yourselves, on more than one occasion. 236. Thus Mr. Spencer and Council wrote to us 237. at the time when Your Honours began the war here against the native government, 238. and wished to make yourselves masters of the Castle. 239. on behalf of Your Honours, by a letter of the 18th February 1759: roughly in these words: 240. we assure Your Honours that the execution of these measures will in no way interfere with, or tend to diminish, the privileges in trade or otherwise, to which the Honourable Dutch East India Company or Your Honours yourselves are entitled in Surat, 241. And after Your Honours had made yourselves masters of the Surat Castle, 242. from time to time the greatest assurances regarding this were always given to us, 243. not only by the Surat Chief and Council; 244. by letter of the 12th March 1759, Litt. N 245. wherein Their Honours state, 246. that they assure us that they will, in accordance with their promise, strictly respect our lawful privileges, 247. likewise by missive of the 9th November of the aforementioned year under O. 248. whereby Their Honours, granting us the construction in stone of the necessary kitchens, provision houses, and slave quarters, further express themselves as follows, 249. "when We shall give our consent to all that Your Honours may reasonably desire," 250. and finally by their letter of the 20th December 1759 under Litt. P: wherein Their Honours declare 251. their earnest desire to be 252. to live in close harmony and friendship with our Nation in general, and in this city in particular, 253. with the express addition, 244. 3 291. The 16th August Anno 1770. 254. "and although providence has favoured us with many advantages, be assured that we shall never make use of them to your detriment, but that we shall be ready to assist You on all occasions, etc." 255. but also at the same time by Your Honours yourselves, 256. in your highly esteemed letter of the 25th January 1765, Litt. A. 257. wherein Your Honours declared to us in plain words 258. that the assurances and promises made by Mr. Spencer were given by Your Honours' express order and 259. with the declaration that Your Honours' constant endeavour would be to preserve inviolate the privileges of the European Nations residing in Surat 260. And thus the said Surat Chief and Council are bound, 261. to maintain us even in the present case, regarding the commenced construction of the dwellings in question, 262. against each and everyone who would wish to prevent us from doing so, 263. and so much the more, to let us enjoy properly the permission once granted, 264. without themselves causing us any hindrance therein, as has now occurred. 265. And bringing this part of the second point mentioned in article 25, although needing almost no further corroboration, a little closer into discussion, 266. it is indeed evident 267. that as soon as the permission has been requested according to order, 268. and has been granted in due form, 269. and that with such mature consideration and deliberation 270. that not the slightest misrepresentation or deception could have taken place, 271. the same must also be left free and unhindered to the one who obtained it; 272. for over and above that the keeping of a word once given ought to be the most solemn and sacred thing ever observed among mortals, 2ndly while by good faith (as Cicero says) not only every citizenship exists on its own, but at the same time the whole of mankind, 3rdly so that when one takes that away, all human society is taken away; 273. thus the arbitrary breaking of promises once made exposes the whole of mankind to all kinds of dangers and disasters. order 274

Dutch transcription

290. M. en 16:e Augustus A„o 1770. 233. / En haar ook daar bij, zelfs teegens andere meede regenten der stad, in gevalle die mogten onderstaan daar op eenigen inbreuk te doen, te mointineeren, 234. zonder te moogen gedoogen, dat ons door jemand, wie hij ook zijn mooge, eenigen hinder, in den handel of in wooning, als an„ dersints, toegebragt worden, 235. (zoo zijn dezelve, daar toe meede wel expresselijk verbonden volgens de plegtige beloften, ons door haar en uwelEd. e selve, op meer dan eenen tijd gedaan. 236. /. Dus schreef ons den Heer Spencer en Raad 237. / ten tijde dat uwelEd=en den oorlog alhier teegens de Jnlin„ se regeering begonnen, 238. / en zig van het Casteel meester maaken Wilden. 239. / uijt naam van uw Ed, bij een brief van den 18' Februarij 1759: Z: M. in deeze bewoording en 240. wij verzeekeren uwelEd, dat de Uijtvoering deezer maatre„ „gulen, in geenerleij wijze zal bemoeijenisse hebben, met „ of tot vermindering -strekken, van de voorregten in „den handel of Anderzints, waar toe de Ed=e Nederlandse „Oost-Indische Compagnie of UwelEd:e zelven in sourat„ „ta, geregtigt zijn, 241. En nadat uwelEd:e zig de meesters van het sourats Casteel gemaakt hadden. 242. / zijn ons van tijd tot tijd, daar omtrend, altoos de Grootste verseekeringen gegeeven. 243. / niet alleen door den Heer souratsen Cheff en Raad; 244. / bij brief van den 12:' Maart 1759, L=a N 245. alwaar haar Ed:le Leggen, 246. / dat zij ons verzekeren dat zij volgens haare belofte de regtmatige voorregten van ons naauwkeurig, zullen respec„ teren, 247. / ins gelijks bij missive van den 9 e November des evengemel„ den jaars sub O. 248. waar bij haar Edelen, ons het Timmeren van steen van de noodige keukens, provisie huijsen, en slaven, vertrek„ ken toestaande, zig verders aldus uijtdrukken, 249. „ wanneer Wij onse toestemming zullen geeven tot al wat uwelEd=e reedelijker wijse kennen begeeren, 250: / en eijndelijk bij haaren brief van den 20:e Decemb:r 1759. sub L=a P: alwaar haar Edelen betuijgen. 251. / haar ernstige begeerte te zijn 252. / Om met onse Natie in 't algemeen, en bij zonder in deeze stad, in een naauwe harmonie en vriendschap te leeven. 253. / met de Expresse bijvoeging, 244. 3 291. Den 16 Augustus A„o 1770. 254„ en al hoewel de voorsienigheid ons met veele voordeelen be„ „Gunstigt heeft, weest verzeekerd, dat wij daar nooit gebruijk „zullen maaken, tot uw nadeel, maar dat wij gereed zullen „weezen, Uw in alle geleegentheeden te helpen en 'sz: 255. / maar ook teffens door UwelEd„s selven, 256. / bij derselver seer G'eerde Letteren van den 25:e Januarij 1765. La. A. 257: / alwaar uwelEd=e ons met ronde woorden hebben verklaard 258. / dat de door den spencer gedaane verzeekeringen, en belof„ ten, gegeeven zijn, op UwelEd:e uijtdrukkelyke Last en 259. / met betuijging dat uw Ed„s bestendige pooging zijn zoude, om de Voorregten der Europeese Natien te souratta gezee„ ten, ons sendbaar te bewaaren 260. En dus zijn welgemelde souratsen Cheff en Raad gehouden, 261. / om ons in het onderhavige geval, van de aangevangene Timmering der Wooningen in quastie, 262. / selfs te maintineeren, teegens elk en een jegelijk wie ons zulx zoude willen beletten, 263:/ en zoo veel te meer, om ons van de eens verleende Permissie te laaten Jouisseeren, na behooren, 264. / zonder ons daar in zelfs, zoo als thans is geschied, eenige verhinderinge toe te brengen. 265. Ende dit gedeelte van het tweede Poinct airt: 25: gemeld schoon bij na geene adstructie noodig, nog een weinig na„ der, ter discussie brengende. 266. / zoo is het immers esident 267. dat zo ras de permissie na de ordre gevraagd, 268. / en in forma verleend is, 269. en wel sodanig, met een rijp beraad en overleg 280. , dat er geene de minste verkloering of misleijding, heeft kunnen plaats hebben, 271. deselve ook aan den geenen diese G'obtineerd heeft, vrij en onverhinderd, gelaten worden moet 272. / want buijten en behalven, dat het gestand doen van van een eens gegeeven woord, het plegtigste en heijligste behoord te zijn, wat immermeer onder stervelingen in agt genoomen word, 272. do Terwijl door de Goede trouwe /:gelijk Cirert segd:/ jeder bor„ gerschap op sig selven, niet alleen maar teffens het geheele mensdom bestaat, 3do 272 /de zulx dat wanneer; men die weg neemd, alle menschelijke ge„ meenschap weg genoomen word. 273. / zoo steld de Willikeurige verbreeking van de eens gedaa„ ne beloften, het geheele mensdom, voor allet leij gevaaren, en rampen bloot. ordre 274

NL-HaNA_1.04.02_3298_0326 view scan ↗

English

292. 16th August Anno 1770. 274. And reduces rational creatures far below the wild beasts, at whose violence they nevertheless all tremble, according to the words of Justinian to Chosroes in Procopius pers: II. 275. And who indeed shall ever be secure in himself when all promises and obligations may be broken with impunity and at whim, 276. Yea, who will ever dare to rely on solemn assurances, 277. When one is at liberty openly to undermine a word once given, which is the foundation of all peace and tranquility. 277. item Justice, so closely bound to the woman, will go astray 278. And a country where such maximes were introduced would hasten to its ruin even faster than the sun to its setting, 279. that also the permission for the construction of the buildings in question was properly and duly requested, 280. is evident because we asked for it from Your Honour's Chief here in his capacity as Governor of the Mogol's Castle, 281. and this in writing (vide Art: 48 to 58 inclusive) 282. pursuant to Your Honour's own assertion and desire, contained in your missive of 25th January 1765. 283. wherein Your Honours state having an indisputable right to expect from us that upon the erection of any new building, a request thereto be made to Your Honour's Chief here as Governor of the Castle 284. Judging at the same time that such a request is far more properly made in writing 285. That this same consent was granted in forma, we have clearly demonstrated hereinbefore in art: 58 from a missive from the Surat Chief and Council of 3 8b 1769; 286. And that this took place with prior deliberation and mature consideration, without the least surprise having occurred in that regard, 287. Is fully shown by the inspection advanced hereinbefore in art: 59 and 60 by the Commissioners Wouth and Boucher, 287. 2nd While we, in refutation of all those malicious and slanderous rumors, as if we had bought this consent with money, or offered money for it, 287. 293 The 16th August Anno 1770. 287. 3rd do here declare individually, most solemnly and in the presence of an all-seeing God, never to have promised or paid anything for it, to anyone, whosoever he may be; 288. having now shown that we have a right to the construction of the dwellings in question from Art: 169 to 213. 289. having likewise established that the Surat Council and Your Honours yourselves are bound to maintain us therein, from Art: 220 to 262 included, 290. And having irrefutably demonstrated that one is so much the more bound to let us enjoy the permission once granted, peacefully and undisturbed, art: 263 to 287. 291. so no one will be able to contradict us with any semblance of right, that Their Honours, in the contrary case, 292. are bound and obliged, 293. to redress and compensate all damages and losses which we come to suffer through such unlawful conduct, 294. 295. Because they are the sole and only cause of all these damages and losses. 296. Which arise from not promptly performing that to which good faith and justice bind them. 297. And which they previously granted of their own free will in accordance with equity, and with mature deliberation, 298. And thus the Gentlemen of the Surat Council are obliged, in any case and in every event upon further obstruction, to indemnify us for, 299. all those moneys which the Honourable Dutch Company has spent on building the commenced dwellings already mentioned in art: 65 and 66, 300. all those moneys which have already been advanced prior to this unlawful stoppage for the purchase of all kinds of materials. 301. the amount of all the spoiled building materials which, through continuous exposure to the rain and open air, are practically entirely ruined, 302. And finally the amount and the value of a house, previously inhabited by our fiscal and mentioned in Art: 63, 303. And which we, on the grounds of the aforementioned permission to construct stone dwellings on the very site where this house stood, have torn down, 304.

Dutch transcription

292. 16:e Augustus A„o 1770. 274. En maakt de redelijke schepzels, verre beneeden de wilde dieren, voor welker geweld sij nogtans alle schrikken, volgens het seggen van Justiniaan tot Chosroës bij Prokopius perd: 11. 275. / En Wie tog zal zig zelven immermeer seeker zijn, Wanneer alle beloften en Verbintenissen ongestraft, en na goedvinden, mogen verbrooken worden, 276. / Jaa: wie zal zig ooijt op plegtige verzeekeringen berusten durven, 277. Wanneer het vrij staat om een eens gegeeven woord, dat het fundament van alle rust en vreede is, openbaarlijk den bodem in te slaan. 277. J:o De Geregtigheijd zoo nauw aan de vrouwe verknogt zal dwaalen gaan„ 278: /. En een Land alwaar dier gelijke maximes wierden ingevoerd, zoude nog sdietijker na haar bederf hebben, als de son na haaren ondergang, 279. / dat mede de Permissie tot de extructie van de Gebouwen in quaestie behoorlijk en na de ordre versogt is, 280. blijkt, om dat we se gevraagt hebben, bij uwelEd:s Cheff al„ hier in qualiteijt van Gouverneur van 's mogols Casteel, 281. / ende zulx in scriptis /:eid Art: 48: tot 58. inclusive:/ 282. /agtervolgens uwelEd:es eigene sustenue en begeerte, vervat bij derzelver missive van den 25:e Januarij 1765. 283. / al waar uwelEd„s zeggen „ Ern onbetwistbaar regt te „hebben, om van ons te verwagten, dat bij het opregten van „eenig nieuw gebouw, daar toe versoek gedaan werden, aan „ uweled„s opperhoofd alhier als Gouverneur van het Casteel„ 284. / Oordeelende teffens „ Dat zulk versoek veel betaamlijker bij geschrift geschied„ 285: Dat dezelve toestemming in forma verleend is, heb„ ben we hier vooren art: 58. uijt eene missive van den sourat„ sen Cheff. en raad van den 3 8b 1769; klaarlijk gedemonstreed 286. / En dat zulx met een voorgaand beraad en rijp overleg„ en, zonder dat daar omtrend de minste verrassing heeft plaats gehad, geschied is, 287. Toond de hier vooren art: 59. en 60. G'avanceerde Visita„ tie door de Gecommitteerdens Wouth en Boucher, ten vollen aan, 287=do Terwijl wij tot refuteering van alle die kwaadaardige en Lasterlijke uijt strooijselen, als hadden wij deese toestem„ ming met geld gekogt, of daar voor gebooden, 287. 293 Den 16:e' Augustus A„o 1770. 287. 3d=o alhier hoofd voor hoofd, op 't aller plegtigste en in het bij weesen van een alziend. God. verklaaren, daar voor nooijt iets beloofd nog betaald te hebben, aan niemand, wie hij ook zijn mooge; — 288. / hebben we nu getoond dat we regt hebben tot de extructie der Wooningen in quaestie van Art: 169. tot 213. 289. / hebben we teffens daar gedaan, dat den souratsen raad en UwelEd:n selven, Gehouden zijn, ons daar in te maintinee„ ren, van Art: 220. 262. ingeslooten, 290. En onweversprekelijk betoogd, dat men zoo veel te meer gehouden is, ons van de eens verleende permissie vreedig en ongestoord te laaten jouisseeren, art: 263. tot 287. 291. zoo zal ons niemand met eenigen scheijn van regt kunnen teegenspreeken, dat Haar Ed„s bij het Contrarie van dien. 292. gehouden en verpligt zijn, 29/3. / om alle schaaden en Nadeelen, welke wij, door soodanig een onregtmatig gedrag, komen te lyden, 294. / te beteren en te vergoeden, 295. /Om dat zij de eenige en alleene oorsaak zijn, van alle deeze schaaden en Nadeelen. 296. / Die voortkoomen, door het niet dadelijk praesteren van dat geen, waar toe haar de Goede trouwe, en het regt verbind. 297:/ En dat zij bevoorens uijt eijgen vrijen wil overeenkom„ komstig de Billijkheid, en met een rijp beraad hebben toegestaan, 298. / En dus zijn de Heeren van den souratsen raad verpligt, om immers en in allen gevalle, bij verdere verhinderinge, ons te erstaden, 299: alle die gelden, welke de Ed:e Nederlandse Comp:e bekostigd heeft, tot het timmeren der bereeds art: 65. en 66. gemelde aangevangene wooningen, 300. alle die Gelden, welke men bereeds voor deese onwet„ tige stateering, heeft uijtgeschooten, tot den inkoop van allerleij materialen. 301. / het bedraagen van alle de bedorvene bouw stoffen, die door het Continueel verblijven in de reegen en open lugt, ge„ noegzaam geheel vernietigd zijn, 302. / En eindelijk het montant en de waarde van een huijs, zoo bevoorens door onsen fiscaal en Art: 63. gemeld„ bewoond geweest is, En dat wij uijt hoofde van de meer gedagte permissie 303. om steene wooningen ter selver plaatse, alwaar dit huijs gestaan heeft te maaken, afgebrooken hebben, 304.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0328 view scan ↗

English

The 16th of August Anno 1770. Unless Your Honours were yet to change your mind, and compel the said council to honour their word once given to us as soon as possible, and otherwise no reasons can be devised or pretended that could acquit their Honours of it, even if one wished to seek every possible escapade, also pretending (of which, however, we must at the same time testify never to have perceived anything) that the Gentlemen of the Surat council, in granting permission, were in any way restricted by Your Honours, while such is of no consequence to us, since their Honours certainly well knew, or indeed ought to know, how far their authority extended in this matter, and it cannot be presumed that they would have granted something so solemnly if they did not know themselves to be authorized to do so, and everyone is accountable for their own acts and omissions on their own behalf. It is enough for us that we requested the permission at the proper place in accordance with Your Honours' own stance and desire, see Art: 280. and 284., and also obtained it immediately in the most solemn form. And having now reached by this our proposed Third Main Point of Art: 28., namely: The refutation of the pretended reasons of the Surat Gentleman Chief and Council, in the first place, and secondly, the demonstration of the unheard-of illegality of their envoy to us, to the Gentleman City Governor. Thus we will once again begin with the first, and demonstrate that the pretended reasons with which their Honours seek to justify the molestation inflicted upon us, as found in their missives of the 3rd of October, cited hereinbefore from art: 91: to 96:, and of the 5th of December, both of the past year, are entirely untrue and altogether inapplicable, invented solely to justify their improper manner of proceeding with some specious reason, the best their Honours could certainly find, being well aware of the proverb that he who wishes to beat a dog can easily find a stick. And thus, with regard to the letter of the 3rd of October, we advance that contrary to what is stated there, namely, that we had only obtained permission to make some dwellings of wooden props that were to be filled with thin walls, we have in no way whatsoever transgressed or violated the same; for no one will be able to maintain that these newly begun dwellings are not constructed in such a manner as we requested according to art: 50: to 60. and was granted to us, namely of wooden props, filled with a wall that is capable of withstanding the inclemency of the weather, under a simple tiled roof and without plastering. On the contrary, we are able to prove that our Director, in order to remove all wrong impressions, had the walls made fully two inches and more thinner than the Master Mason of Your Honours' Castle judged sufficient against the air and rain, and which he had already begun, just as they were indeed made half and more thinner than our previously built stone dwellings of the Director and the Secunde, over and above that our declaration mentioned in art: 142., of contenting ourselves with having the same walls made of such thickness as Your Honours' own Captain Engineer judged sufficient against the weather, fully demonstrates that we never campaigned for heavier or lighter walls, and that we desired no other than those that were solely capable of warding off the inclemencies of the weather.

Dutch transcription

294: Den 16:e Augustus A„o 1770. 302. / Ten waare dan nog, dat UwelEd=ns tot andere gedagten wilden koomen, en gemelden raad verpligten, om ons haar eens gegeeven woord, Ten aller eersten gestand te doen, 305. / En anders kunnen er geen reedenen worden Uijtgedagt of voorgewend, welken haar Ed:e daar van vrij spreeken kunnen. 306. al wilde men zelfs, om alle mogelijke E schapades te zoeken, ook voorgeeven. 307. /:waar van we egter teffens moeten betuijgen nooit iets te hebben ontwaardn:/ 308. / Dat de Heeren van den Souratsen raad in het Terleenen van permissie, door UwelEd: in eeniger maaten waaren gebourneert, 309. Terwijl sulx voor ons niets ter zaake doed. 310. / Alzoo haar Edelen; zeekerlijk wel geweeten hebben, immers behoorden te weeten, in hoe verre haare Autho„ riteijt in deezen zig uijtstrekke, 310:/s het niet te presumeeren is, dat zij iets zoo plegt son„ den hebben toegestaan, wanneer haar zelven, daar toe niet gewettigd kenden, 311. / En een jeder de verantwoording van zijn doen en laaten, voor zig selfs, verschuldigd is, 312. / genoeg is voor ons, dat wij de Permissie ten behoor„ lijker plaatse agter volgens UwelEd„s eigene Sustinue en begeerte, siet Art: 280. en 284. , gevraagd, 313. / En ook dadelijk in de plegtigste forma Verkreegen hebben: 314. / Ende hier meede nu genadert zijnde, tot het ons Aot 28. voorgestelde Derde Hoofd point 315. Namentlijk, — 316. De Wederlegging van de voorgewende reedenen van den Couratsen Heere Cheff en Raad, in de Eerste plaats 317. / En ten Tweeden, de aantooning Ian de Ongehoorde onwettigheijd van der zelver Eenvooij, van ons, aan den Heere Stads Gouverneur, 318. / zoo zullen we al Wederom met het eerste een aan„ vang maaken, 319. / En aantoonen, dat de Voorgewende redenen Waar meede haar Ed:e de aan ons toegebragte statee„ ringe, zoeken te billijken, 320. zoo als die bij haare missives van des 3:e 8br hier vooren van art: 91: tot 96: aangehaald. 321. 295. Den 16 Augustus A„o 1770. 321. En van den 5: December beijde a„o p=o gewonden worden 322. / Geheel onwaaragtig en ten eenen maal in applicabel zijn 323. / Eeniglijk uijt gedagt, om haare oneigene manier van procedeeren, nog met eenige schijn reeden, de beste nog see„ kerlijk die haar Ed=e vinden konde, te billyken. 324. / als wel bewust van het spreekwoord, dat die een hond wil slaan, slegts een kluppel vinden kan„ 325. / En dus ten aan van de brief van den 3„e 8ber avanceeren, 326. / Dat we teegens het gemelde aldaar 327. / Namentlyk, dat we eeniglijk permissie bekomen hebben, Om eenige Wooningen te maaken van houte stut„ ten, die gevuld stonden te werden met dunne muuren, 328. / in niets het allerminste aangegaan zijn, of het zelve overtreeden hebben; 329. want niemand zal kunnen staande houden, dat dee„ ze aangevangene nieuwe wooningen niet zodanig ge„ timmerd zijn 330. / als wij blijkens art: 50: tot 60. Verzogt hebben, en ons toegestaan is 331. / te weeten van houte stutten, met een muur gevuld, die bestaanbaar is, teegen de injurien van de Lugt, 332. onder een sumpel pannedak en sonder Gessen 333./ Jn tegendeel zijn wij in staat te bewijsen, dat onsen Directeur, om alle verkeerde denkbeelden, weg te neemen, de muuren nog wel twee duijmen en meer dunner heeft doen maaken. als den Metselaars baas van uwelEd:s Casteel, teegen de lugt 334. en reegen bestaan baar oordeelden en hij dezelve reeds aange„ vangen had. 335. / zoo als dezelve ook in der daad de helfte en meer dunner zijn gemaakt, als onsen bevoorens gebouwde steene woo„ ningen van den Directeur en Secunde„ 336. , buijten en behalven dat onse verklaaringe art: 142. gemeld 337. / Van ons te zullen vergenoegen, met dezelve muuren van zodanige dikte te laaten maaken als uwelEd„s eigene Capiteijn Jnginieur, bestaanhaar oordeelde tegen de lugt„ 338. Ten vollen aantoond 339. Dat we nooijt voor swaardere of ligtere muuren ge„ ijverd hebben. 340. / En dat we geen andere begeerden, als die eeniglijk in staat waaren, om de Jnjurien de slugts af te weesen. „ 341.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0330 view scan ↗

English

296. 16 August Ao 1770. 341. But supposed for a moment that we had slightly exceeded the stipulated arrangement, 342. which we nevertheless deny in the strongest possible terms, 343. even then we would have done nothing other 344. than conduct ourselves in accordance with the word given by the Lord Chief and by two commissioners from the Surat Council in a solemn commission, 345. without our being liable to render the least account in that regard, 346. or that the same administration could, for that reason, judge itself to be released from its given consent, 347. since our Director and our fellow member of the Council Holmberg offer to swear by solemn oath, 348. which also cannot be denied by the commissioners mentioned in Art: 59, 349. that the said commissioners declared to the Lord Director during the inspection carried out 350. that it would not depend so precisely on a little or a few feet in length, breadth, or height, 351. and not unjustly so. 352. For if the entire structure can be of no detriment to anyone, as will be demonstrated hereafter, 353. then it is evident that a little larger or smaller is of no consequence. 354. It being thus apparent that this accusation is entirely untrue and fabricated, 355. no less improper and ridiculous is the consequence which they wish to draw from it, 356. namely: that otherwise the city would not have been alarmed about our buildings. 357. Wishing thereby to insinuate indirectly that these timberworks could be detrimental to the governments, or rather the castle and the city, 358. whereas we shall clearly demonstrate the contrary of this in the continuation of this document. 359. Should one wish to be informed as to who was alarmed about these buildings! 360. It was not the native regents, 361. for they have never caused us any hindrance, which they certainly would have done otherwise. 362. It could not be the English Council, 363. 297. 16th August Ao 1770. 363. because they would then never have agreed to our starting this timberwork. 364. Thus they were nothing but sheer, fabricated pretexts, 365. which we cannot answer better 366. than with the statement of a certain very knowledgeable officer, 367. namely, that they are persons devoid of the requisite knowledge who would ever maintain 368. that these dwellings could be detrimental to the city or the castle; 369. and with this being set down from Art: 326 to the preceding article, 370. and also holding as refuted the proposition of the Surat administration in their letter of 5th December 371. regarding the damages, that these were supposedly caused by our bad conduct in deviating from the permission, 372. since it contains nothing other than the accusation refuted hereinbefore, 373. and likewise requires no further refutation here; 374. we shall thus proceed to the second part of the third main point presented to us, 375. in order to demonstrate the unheard-of nature and illegality of referring us to the Lord Governor of the city. 376. And since this unlawful referral appears to us in the letters from the Lord Surat Chief and Council 377. of 22 October cited hereinbefore Art: 98 to 102, 378. of 5th December mentioned hereinbefore under Art: 120 to 121 and 122, 379. and of 8th May last past ad Art: 155 et seqq., 380. we shall answer the same here point by point in their context. 381. And with regard to the first mentioned of 22nd October, state: 382. that what is set down there, namely that your honors would judge 383. our buildings on the wharf to have as much relation in general to the city as to the castle, 384. cannot be understood by us otherwise 385. than that your honors wish to indicate thereby 386. that these buildings on the wharf, being situated in the city of Souratta and under the artillery of the castle, 387. and

Dutch transcription

296. Den 16 Augustus Ao 1770. 341. / Dog voor een oogenblik gesteld, wij waaren de Gemaakte bepaaling, eens een weijnig te buyten gegaan. 342. / het geen we nogtans wel, ten allerkragtigsten Ontkennen 343. / zoo zouden we daar in ook selfs niets anders gedaan hebben, 344. / als ons agtervolgens het gegeevene woord van den heere Cheff en van twee gecommitteerdens uijt den souratsen raad, in eene plegtige Commissie te gedragen, 343. zonder dat we dien aangaande eenige de minste verantwoor„ dinge zouden schuldig zijn. 346. of dat het zelve ministerie, Om die reeden zoude kunnen. oordeelen van haar gegeeven Consent, te zijn ontslagen, 347. / alzoo onsen Directeur en het meede tid onser Vergadering Holmberg, zig aanbieden, om met solemnelen Eede te sweeren. 348. / het geen ook door de Art: 59. genoemde Gecommitt=s niet zal kunnen worden ontkend. 349. / Dat gemelde Gecommitteerdens aan den Heer Directeur bij de genoome visitatie, hebben verklaard. 350. / Dat het juijst zo net op een weinig of eenige voeten in lengte, breete, of hoogte, niet aankomen zoude, 351. / en niet te onregt. 352. / Want zo zal het geheele getimmerd aan niemand van eenig nadeel zijn kan, zo als hier agter zal worden aangetoond, 353. / zoo is het evident, dat een weinig grooter of kleinen, niet ter zaake doed. 354. / geblijkt het dus, dat deeze beschuldiging geheel on„ waar en Versonnen is, 355. / niet minder oneigen en belagchelijk is de Consequentie, Welke men daar uijt trekken wil„ 356. / Namentlijk; dat andersints de stad over onse ge„ bouwen, niet geallameerd zoude zijn geweest. 357. Daar meede van ter zijden willende te kennen geeven als of deeze Timmeragien aan de reegeeringen, of wel het Casteel en de stad, van nadeel konden zijn 358. / Dan het tegendeel van dien, in het vervolg deeses klaarlijk zullende demonstreeren. 359. Wilde men wel Eens onderrigt zijn, Wie over deeze gebouwen geallarmeerd waaren! 360. / De inlandse regenten waaren het niet, 361. / Want die hebben ons nooit eenige verhindering toe„ gebragt, het geen zijn anderzints sekerlijk zouden hebben gedaan. 362./ Den Engelschen raad konde het niet zijn, 363. 297. Den 16e Augustus A„o 1770. 363. Omdat ons dan, nooit het aanvangen van deeze Tim„ merage, zouden hebben, G'accordeert. 364. / dus waaren het niet als Loutere, verdigte voorwend„ selen 366./ Die we niet beeter kunnen beantwoorden 366. / als met het seggen van zeeker zeer kundig officier 367. / Dat het namentlijk lieden sijn van de Vereijste kennisse ontbloot welke ovit wilden staande houden, 368. / Dat deeze wooningen tot nadeel van de stad of het Casteel zijn konden; 369. /. Ende met dit ter needer gestelde van Art: 326. tot Articul preced: 370. / Dan ook voor wederlegd houdende, het geposeerde van het sourats ministeerie, bij haaren brief van den 5:e December, 371. / ten opzigte van de schaden, dat die door ons kwaad beleid„ inde afwyking van de Permissie zouden zijn veroorzaakt, 372. / alzoo het zelven, niet anders als de hier vooren gerefuteer„ de beschuldiging behelsende. 373. , Ook alhier geene verdere wederlegginge noodig heeft; 374:/ zo zullen we overgaan tot het tweede gedeelte van het derde ons voorgestelde Hoofd point. 375. / om aan te toonen de ongehoord, en onwettigheid van het renvoij van ons aan den Heere stads Gouverneur, 376. , Ende vermits dit weder regtelijk renvoij ons voorkomt bij de brieven van den heer Souratsen Cleff en Raad. 377. / Van den 22. October hier vooren aangehaald Art: 98. â 102. 378. / Van den 5:e December hier vooren gementioneerd onder Art: 120. â 121. en 122. 379. / En van den 8=e Meij jongstleeden ad Art: 155. et segg: 380. / zullen we deselve alhier stukswijsen in haaren samen„ hang beantwoorden. 381. / En ten aanzien van de Eerst gemelde van den 22:' October, seggen, 382. / Dat het aldaar ter needergestelde, dat namentlijk uwelEd=e oordeelen zouden, 383. onse Gebouwen op de Werff zoo veel betrekking te heb„ ben in 't generaal tot de stad als tot het Casteel 384. / bij ons niet anders kan worden begreepen, 385. /als dat uwelEd=e daar meede willen te kennen geeven, 386. / Dat deze gebouwen op de Werff, in de stad Souratta en onder het geschut, van 't Casteel geleegen zijnde, 387./ r en

NL-HaNA_1.04.02_3298_0332 view scan ↗

English

The 16th August Anno 1770. 387. There under the protection and special patronage, according to our obtained eminent privileges from the Mughal King, 388. And thus belong under those of the city and Castle, both as servants of the Mughal, 389. if Your Honours understand this expression—which we cannot hide is very obscure and ambiguous—in this manner, 390. we gladly wish to consent thereto, 391. because both the Governor of the city and the Governor of the Castle are bound to preserve us inviolable in our pre-eminences and privileges obtained from the Mughal Sovereign, 392. But if Your Honours might mean something else by this, 393. such as that our dwellings on the Wharf could be to the detriment of both or either of them, etc., 394. we deny this most emphatically, and summon everyone to prove that with even the very slightest evidence, 395. While we must declare that the meaning of what is further mentioned there, that Your Honours have deemed it expedient 396. to refer the decision thereof to the Nawab as Governor of the city, 397. is just as little to be comprehended as the foregoing. 398. For to suppose that Your Honours thereby wished to indicate that they wished to discharge themselves of the burden of government, and delegate such solely to the Nawab, 399. would be foolishness on our part, as we experience the contrary daily, and frequently to our detriment, 400. And such would conflict with Your Honours' own contention in their letter of the 25th January 1765, 401. Namely, that they have an indisputable right to expect from us that, upon the erection of any new building, a request thereto be made to Your Honours' Chief here, as Governor of the Castle, 402. without Your Honours making any mention there of the city Governor; 403. consequently, we could by no means comprehend how Your Honours now proceed to such condescension, 404. August Anno 1770. 404. to assign a decision to the Nawab over a matter which Your Honours previously, as proven, maintained belonged to your Chief, 405. if we did not perceive the adder which sought to hide itself in the grass, 406. And did we not notice, as clear as the sun at midday, that it was intended, for reasons unknown to us, 407. far from allowing us to enjoy the so solemnly granted permission, 408. And to guarantee the same to us according to good faith, 409. now that we were in the midst of the work, and we had already incurred heavy expenses, 410. to obstruct its progress entirely, 411. And that, being unable to find even any valid reasons for this, 412. not even such as were in any way capable of justifying the undertaken stoppage, 413. one intended to shift this matter from one's own neck and onto that of the Nawab, 414. In order to make His Excellency pass for the moving cause of this stoppage, although he had never shown any displeasure against this carpentry work, 415. which in present times is all too possible, 416. On account of the known influence of the British ministry upon the native government in this place; 417. And although we may reasonably assume hereby to have lifted the mask, 418. While Your Honours, searching your conscience, 419. will know best how truly we have hit the nail on the head, 420. yet we shall by no means let the matter rest there, 421. but further prove 422. that the aforementioned referral is unlawful in the highest degree, 423. and to which end it only needs to be noted 424. That as soon as it is satisfactorily proven, as indeed it is! 425. That the granting of permission for the erection of any buildings depends on the Surat Chief, according to Your Honours' own repeatedly cited contention, 426. The 16th August Anno 1770. 426. that we requested it there in proper form, 427. And it was solemnly granted to us by Your Honours, 428. it also follows of itself that the one who granted us the permission must maintain us therein, 429. even against anyone who wishes to cause any disturbance therein, 430. without any referral to another ruler being appropriate here, 431. or that such could in any way release the Surat English Council from their obligation. 432. Just as little as there can now be any referral of application here, 433. just as little do Your Honours have the power or authority to refer us thither, 434. nor are we bound to comply with that referral, 435. so that the same could serve to any detriment of our lawfully acquired right; 436. wherefore Your Honours will please not take it amiss that we observe 437. That the imperious manner of writing, customary toward one's own subordinates, "We have deemed it expedient," is very ill-suited here; 438. for it is certain in law 439. That to every college, court of justice, etc., to which the principal matter belongs, 440. all the consequences thereof are also relative, 441. so it also follows therefrom that Your Honours, in this case, can never pronounce any decision to our detriment, 442. At least not until such time as we ourselves thought fit to apply to Your Honours and complain about the Surat administration, 443. as we currently find ourselves compelled to do, 444. While there are no precedents 445. that we ever addressed ourselves to Your Honours in similar occurrences, 446. Nor that Your Honours interfered directly therewith, 447. except once in Anno 1764, 448. when it was thought fit to refuse us the repair of an old place for storing a small supply of gunpowder. 449.

Dutch transcription

298 Den 16=e Augustus A„o 1770. 387. / Aldaar onder de protectue en bijsondere bescherming, agter volgens onse verkreegene eminente voorregten van den Mogolschen Koning, 388. / En dus onder die van de stad en Casteel, beijde als dienaren van den Mogol, behooren, 389. / zoo UwelEd=e deeze Uijtdrukking, die we niet kunnen verbergen dat zeer duijster en dubbelsinnig is, aldus begrijpen. 390. / willen we daar in Gaarn toestemmen 391. / alsoo, en den stads en den Casteels Gouverneur, beide gehouden zijn, ons bij onse van de Mogolse opper„ heer en verkreegene preeminentien en voorregten, onsehenbaar te bewaaren, 392. / Dog zoo UwelEd:e daar door iets anders mogten bedoelen, 393. / als dat onse Woningen op de Werff voor beijde of een van die, tot nadeel zoude kunnen zijn, enz: 394:/ ontkennen wij zulks ten kragtigsten, en summee„ ren jeder een, om dat selfs met de allerminste blijkbaarheijd, te probeeren, 395.:/ Terwijl wij moeten betuijgen, den sin van het verder aldaar gemelde Dat uwelEd dienstig geagt hebben. 396. / om de uijtspraak daar van op te draagen aan nawab als Gouverneur van de stad. 397. / alzoo min als het voorgaande te bevatten 396. / Wantom te onderstellen, dat uwelEd.:e daar meede wilden te kennen Geeven, dat zij zig van den Last der Regeeringe wilden ontslaan, en zulks alleen aan den Na„ wab opdragen. 399. soude dwaasheijd van ons zijn, alzoo we het teegen gestelde dagelijx, en dikwerff tot ons nadeel ondersinden 400. , En zulks zouden strijden, teegen UwelEd=e eigen sustenua„ bij derselver brief van den 25=e Januarij 1765. 401. / Dat Namentlijk een onbetwistbaar regt hebben om van ons te verwagten, dat, bij 't opregten van eenig nieuw gebouw daar toe verzoek gedaan worden, aan uwelEd=e opperhoofd alhier, als Gouverneur van het Casteel, 402. sonder dat UwelEd„s aldaar eenig gewag van den stads Gouverneur komen te maaken, 403. / bij gevolg zouden we Geentsints kunnen bevatten, hoe uwelEd=e tot dusdanigen Condescendance thans overgaan, 404. 299. Augustus A„o 1770. 10 404. / om de Nabak eene Dicisie op te draagen, over een zaak die uwelEdele bevoorens, zoo als beweesen, hebben staande gehouden, aan haar opperhoofd te Competeeren, 405. / bij aldien we niet Ontwaarden den Adder welke zig in de bloemen schuijl zogt te houden, 406. / En we niet zoo klaar als de son op den middag merk„ ten, dat men het, om ons onbekende oorsaaken toegelegd had. 407. , om wel verre van ons van de zo plegtig verleende permissie te doen jouisseeren, 408. / En ons dezelve agtervolgens de Goede trouw te guarandeeren, 409. / Ons nu we midden in den arbeid waaren, en we bereeds swaare ongelden gedaan hadden, 410. / dies voortgang geheellijk te beletten, 411. , En dat men daar toe selfs geene wittige reedenen kunnende vinden. 412. / selfs niet de zodanige, welke eenigsints in staat waaren, om de ondernoomene slateering te billijken, 413. / voorneemens was, deese zaak, van zijnen halse en op die des Nawabste schuijven, 414. / Om zijn Excellentie dies, schoon nooijt eenig ongenoe„ gen, teegens deeze Timmeragie betoond hadden, voor de Cause movens van deese Stateering, te doen doorgaan, 415. , het geen in de teegenwoordige tijden maar al te mogelijk is. 416. / Uijt hoofde van het bekend vermogen van het Brits ministerie „ op de Jnlandse regeering aan deesen Oord: 417. / En of schoon we hier meede billijk mogen vast stellen, het Marquer te hebben opgeligt. 418. / Terwijl UwelEd=e eens in haar gemoed tastende, 419. , best zullen weeten, hoe zeer we de spijker op het hoofd geslagen hebben, 420. , zoo zullen wij het daar bij geensints laaten berusten, 421. / maar al verders probeeren 422. / dat het vooren genoemde renvoij in den Uijtersten graad onwettig zij, 423. , en waar toe maar alleen diend aangemerkt 424. / Dat zoo ras ten genoegen beweesen is, als Jaa ! 825. / Dat het verleende van permissie tot de extractie van eenige gebouwen van den souratsen Chep agtervolgens uw Ed=e egene sustinue te meermaalen aangehaald dependeerd, 426. 4. 300. en 16=e Augustus A„o 1770. 426. / dat wij het aldaar in forma gevraagd hebben. 427. / En het aan ons, door Haar uwelEd:e plegtig geaccor„ deerd is, 428. , het ook van zelfs volgd; dat den geenen, die ons de permissie verleend heeft, ons daar in maintineeren moet 429. / selfs teegens elk wie daar in eenige stooringe wil toebrengen. 430. zonder dat hier eenig renvoij aan eenen anderen regent, te passe koomen kan. 431. / of dat zulks den souratsen Engelschen Raad in eeniger maaten van hunne verpligtinge zou„ de kunnen ontslaan. 432. / Alzoo min als hier nu eenig renvoij van applicatie zijn kan, 433. „ alsoo min hebben UwelEd: de magt of authoriteijt ons /derwaarts te renvoijeeren, 434. / nog zijn wij gehouden ons na dat renvoij te schikken 435. (zodanig dat ons het zelve tot eenig nadeel in ons wettig verkreegen regt, zouden gedijen kunnen, 436. / alwaarom uwelEd:s het ons niet kwalijk gelieven te neemen, wij aanmerken. 437. / Dat de heerschende en aan zijn eigen onderhoorigen gebruijkelijke manier van schrijven, Wij hebben dien„ stig g'agt alhier zeer kwaalijk voegd, 438. / want is het in regten zeeker, 439. / Dat tot ijder Collegie, regtbank en sz: alwaar de hoofd zaak behoord„ 440. Ook alle de sequeelen van dien, betrekkelijk zijn„ 441. / zoo volgd ook daar uijt, dat UwelEd:e in dit geval„ nimmer eenige Decisie, tot ons nadeel, vellen kunnen 442. / Jmmers niet tot zoo lange wij niet goed vonden ons zelfs bij uwelEd:e te vervoegen, en over het sourats ministerie te klaagen. 443. / zoo als we ons daar toe thans genoodzaakt vinden, 444. / Terwijl 'er geen voorbeelden zijn, 445. / dat wij ons ooijt in diergelijke voorvallen aan UwelEd geaddresseert, 446. Nog dat uwelEd zig daar meede direct bemoeijt hebben 447. uijtgezonderd„ e eenige reijse in A„o 1764. 448. wanneer men konde goed vinden, om ons het repareeren van een oude plaats tot bergen van een kleijne voorraad kruijt, te weigeren. 449.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0335 view scan ↗

English

The 16th of August Anno 1770. And we, in order to prevent great misfortunes, were compelled to address ourselves on this account to Your Honours. And it appearing then from this by deduction once again, that we can be judged even less to have to submit to that referral, since we, as not being subordinates of Your Honours, always retain the right to compel the Surat Council to perform their solemnly pledged word, or otherwise, to compensate for all suffered damages. And how could we, in the contrary case, ever be secure here in all public transactions, if we were obliged to be satisfied every time Your Honours might think fit to countermand what was solemnly contracted with us by the Surat Ministry, and that we should even be obliged to conform thereto? Leaving the consequences thereof to the consideration of any impartial person, while it is certain that in such a case we would be regarded as less than the lowest merchant, so we must further remark, that we cannot comprehend how Your Honours can think fit to refer us to the Nawab, as Governor of this city, since it was indeed all too well known to Your Honours that His Excellency had not, up to that day, caused us the least hindrance, and the same has moreover delayed almost two months after this referral, when, according to our thoughts, His Excellency could possibly no longer reject the continual admonitions and persuasions given to him to that end, and he was thus compelled, nolens volens, to oppose this building also as City Governor. And as it would indeed be the greatest absurdity in the world for us to go and ask the Nawab The 10th of August Anno 1770. what reasons might move the Surat Council or Your Honours to break publicly a solemnly given word, and consequently good faith, and thus unlawfully prevent us from the commenced building of the new dwellings, would His Excellency, if not beforehand well instructed of Your Honours' desire and pleasure, not very conveniently have been able to ask whether we took him for Your Honours' echo, and supposed that His Excellency could constantly make known the reasons Your Honours had to thwart us? At least we cannot rely on what the said Nawab would otherwise have answered, for to tell us that His Excellency himself was against this building is completely improbable, since in such a case His Excellency would indeed have caused us the obstruction himself, without using Your Honours' Chief and Council here, or Your Honours yourselves, for that purpose. In short, Gentlemen, this action is just as absurd and unlawful as if one imposes a punishment on an innocent person and at the same time refers him to a third party to go and ask there why he has been treated so unfairly, and solely devised, to speak plain Dutch, that is, straight out, to cover Your Honours and the Surat Council before the public, who are incapable of giving any reasons for this conduct of theirs. Yet this will never be accepted as current coin by the impartial world, since we have clearly demonstrated herebefore from Article 220 to 287 inclusive that Your Honours and the Surat Council are obliged to maintain us in the granted permission, and to protect and defend us against all molestation inflicted upon us even by other rulers, yea, even if it were regarding this commenced building. The 16th of August Anno 1770. Thus we proceed safely to answering the second letter of the 5th of December, cited in Articles 120, 121, 122, and 378, wherein the Surat Council informs us that our applying to the Nawab for the continuation of the buildings, after we had obtained permission from the Governor of the Castle, would fully demonstrate that we ourselves thought that the buildings in question had as much relation to the city as to the Castle, and that the permission of both Governors at the same time was necessary. And purposing first to refute this part of that letter before we proceed to what is further advanced therein, we shall, with adherence to what has been set down by us herebefore from Article 381 to 489 inclusive, as everything here is also of the same application, while we must once again declare for the sake of completeness that the statement that the buildings in question have as much relation to the city as to the Castle appears to us still just as incomprehensible as in Articles 382 to 394, briefly state, without entering in any way into the necessity of the permission of the Lord City Governor, as we would by no means be free from mockery if we wished to decide a matter known to all Surat, and which we prefer to pass over in silence, while, whatever the case may be, it is certain that the inhabitants who wish to build on the same side of the city as our wharf on the river side, need for that purpose solely the permission of the Castle Governor, and can presently always suffice with that, that immediately after we had obtained formal, solemn consent for the building of the dwellings in question from the Surat Lord Chief and Council,

Dutch transcription

301. Den 16=e Augustus A„o 1770. 449. / En wij tot voorkoominge van groote Ongelukken, ge„ noodzaakt waaren, ons desweegens bij uwelEd te addressee„ ren. 450. / Ende hier uijt bij gevolg trekking dan alwederom ge„ blijkende, 451. / dat wij nog minder kunnen worden G'oordeeld om ons na dat renvoij te moeten schikken, 452. / Terwijl wij als geene onderhoorigen van UwelEd„ns zijn. 453. / altoos het regt behouden, 454. , om den souratsen raad tot het preesteeren van haar plegtig gegeeven woord, 455. / ofte anders, tot erstaving van alle geleedene nadeelen, te verpligten, 456. / En hoe zouden we tog bij het teegen gestelde immer„ meer alhier in alle publicque handelingen zeeker zijn. 457. / als we ons velkens te vreeden zouden moeten houden 458. / Wanneer uwelEd=e mogten goed vinden van het door door het sourats ministerie met ons plegtig gecon„ tracteerde te Contramandeeren, 459. / En dat wij zelfs zouden gehouden zijn, ons daar aan te gedraagen, 460. / Dat de gevolgen daar van aan jeder onpartijdige, ter overweeging overlatende, 461. Terwijl het zeeker is dat we in dusdanigen gevalle minder als den Geringsten Koopman zouden te agten zijn 462. / zoo moeten we nog aanmerken, 463. / Dat we niet begrijpen kunnen, hoe uwelEd=e Kun„ nen Goedvinden ons te renvoijeeren aan den Nawab, als Gouverneurs, deeser stad. 464. / Dater het uwelEd„e immers al te wel bekend was, dat zijn Excellentie ons tot dien dag, nog geen het min„ ste beletzel, had toegebragt, 465. / En den zelven daar meede nog bij na twee maanden na dit renvoij vertoeft heeft 466. wanneer na onse Gedagten zijne Excellentie de daar toe aan hem Continueele gevaane aanmaningen en persuatien, mogelijk niet wel langer van de hand heeft kunnen wijsen 466. „ Ende hij dus genoodzaakt wierd deeze Timmera„ gie, Nolens volens; meede als stad Gouverneur, tegen te gaan. 468. / En daar het immers de Grootste ongerijmdheyd des weereld zoude zijn, dat weden Nawab gingen vraagen. 469. en 449. 302. Den 10:e Augustus A„o 1770. 469. / welke reedenen den souratsen raad of wel UwelEd=en mogt permoveeren, 470. / om een eens gegeeven plegtig woord, en bij gevolg de goede trouwe, publicq te verbreeken, 471: / En ons de aangevangene Timmeragie der nieuwe Wooningen dus onregtmaatig te beletten, 472. / zoude zijn Excellentie, bij aldien bevoorens niet wel van uwelEd=es begeerte en Goedvinden was onderigt geworden, 473. / niet zeer gevoegelijke hebben kunnen vragen, 474. / off wij hem voor de Echo van uwelEd:e aansagen, 475. / en onderstelden, dat zijn Excellentie steeds konde bekend maaken, de reeden die uwelEd hadden om ons te dwars„ boomen. 476. Ten minsten wij kunnen geen faat maaken, op het geen gemelde Nawab ander zoude geantwoord hebben, 477. Want om ons te zeggen, dat zijn Excellentie teegen deeze Timmeragie selfs was, 478. / is Geheel onwaarscheijnelijk, 479. / alzoo in zulken gevallen zijn Excellentie ons de Ver„ hindering selfs wel zoude toegebragt hebben, 180. / sonder daar toe uwelEd:s Cheff en Raad alhier, dan wel UwelEd:s selfs te Gebruijken, 481. / En fin mijne Heeren deeze handeling is wven onge„ rijmd, en wederregtelijk, 482. / als of men eenen onschuldigen straffe oplegd en hem teffens tot een derde overwijst, om bij die te gaan vraagen, Waarom men hem zoo onbillyk gehandelt heeft, 483. / En eenlijk, om Goed Hollands dat is regt uijt te spreeken, uijtgedagt„ 484:/ om uwelEd:e en den souratsen raad, die onmoge„ lijk eenige reedene van dit hun gedoente geeven kun„ nen, bij het Publicq te Dekken, 485. / Dog dit bij de onpartijdige waareld nooijt voor gang„ baare munt, aangenoomen worden zullende, 486. / Alzoo we hier voorens van Art: 220: tot 287. ingesloo„ ten klaarsten hebben aangetoond, 487. / Dat uwelEd:e en den souratsen raad gehouden zijn„ ons bij de verleende Permissie, te maintineeren, 488. / en ons teegen allen overlust, die ons zelfs door andere regenten, 489. Ja al was het over deeze aangevangene Timme„ ragie, wierd aangedaan te beschermen en te pro„ te geeven; 490./ 303. Den 16=e Augustus A„o 1770. 490. / zoo gaan we dan veijlig over ter beantwoording, van den Tweeden brief van den 5:e December Art: 120. 121. 122. en 378: aangehaald. 491. / alwaar den souratsen raad ons melden, 492. „ Dat onse vervoeging bij de Nawab tot voortzetting „der Gebouwen, 493. / nadat we permissie van den Gouverneur van het Casteel verkreegen hadden, 494. / Ten vollen zouden aantoonen, 495. /„ Datwe selfs gedagt hebben, dat de Gebouwen „in quastie, zo veel betrekking tot de stad als tot „het Casteel hadden„ 496. / „ En dat de Permissie van beijde Gouverneurs te „Gelijk noodzaakelijk was„ 497. /„ En dit gedeelte van dien brief eerst zullende „refuseeren, bevoorens we tot het verder aldaar G'avanceerde overgaan, 498. / zoo zullenwe, onder inhaesie van het door ons hier vooren van Art 381„ tot 489. inCluis, ter nedergestelde, 499 , als alles alhier meede van deselve applicatie zijnde, 550. Terwijl we nogmaals ten overvloede moeten be„ tuijgen. 501:/ Dat ons het gezegde dat de gebouwen in quaestie, zo veel betrekking hebben, tot de stad als tot Casteel, 502. / Nog even onverstaan baar als Art: 382. â 394. voorkomt 503. / kortelijk zeggen, 504: / zonder ons in eeniger voegen in te laaten, ten opzig te van de noodzaakelijkheijd, der Permissie van den Heere stads Gouverneur. 505. als we geenzints van bespotting zouden vrij zijn. 506. / wanneer we wilden decideeren, een zaak die geheel Souratta bewust is, 507. En die wij liever met stilswijgen passeeren, 508. Terwijl het, wat er ook van weesen mag, zeeker is, dat de Jngezeetenen, welke aan deselve zijde der stad, met onse werff aan de revier kant bouwen willen, 508 do daar toe eeniglijk de permissie van den Casteels Gouverneur noodig hebben, en daarmeede thans altoos volstaan kunnen, 509. / Dat we„ voort na Datwe een plegtig Consent tot het Timmeren der Wooning en in quaestie van den souratsen Heere Cheff en Raad in forma hadden verkreegen, 540. 490.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0338 view scan ↗

English

304. The 10th August Anno 1770. 510. We have given notice thereof to the Lord City Governor, 511. Having also requested His Honour's consent, so far as was necessary, or might be. 512. And which was also given to us by His Excellency in due form, 513. Even with the addition of these very remarkable words, provided the English have nothing against it, I am heartily willing to allow it, 514. Without it being of any relevance here, or being able to effect the slightest change therein, 515. Whether we did so out of decency, politeness, or obligation. 516. For if we have done the same out of an excess of politeness, 517. And because we possibly judged that decency required it, 518. Then we thereby intended to show His Excellency a particular honour, which can never redound to our disadvantage, 519. And if we followed our obligation in this regard, 520. Then we have acted well and according to orders, 521. And this too can never plead otherwise than in our favour, 522. Yea, even assuming that we absolutely need the permission of both Governors, 523. Posito sed non Concesso, 524. For then, by requesting it, we have fulfilled all the requisites to the utmost degree: 525. And proceeding herewith to the following passage of the aforementioned missive of 5 December, 526. Wherein the Surat Council informs us, 527. "That they would have good reasons to believe, 528. "That the Nabob would have received a multitude of complaints regarding our buildings, 529. "And that he was as dissatisfied therewith as Your Honours, 530. With this singular further addition, 531. That Their Honours dare say that in case we betook ourselves to the Nawab, 532. His Excellency would give us sufficient reason why he interfered therewith, 533. Here the snake can no longer remain hidden beneath the grass, but rears its venomous head, 534. 305. The 16th August Anno 1770. 534. In such a way that it is seen by all who do not wilfully choose to be blind, 535. For here it is said that they believe the Nawab has received a multitude of complaints, 536. Whereas His Excellency had never yet, at the writing of that letter, that is 5 December 1769, interfered with our carpentry work, 537. And without our being informed of what those complaints might consist. 538. Which they certainly would not have omitted to do, had they been able to bring forth even one valid complaint, 539. Yea, had they been able to bring forward any reason, 540. But being unable to do so, 541. They tell us that His Excellency is as dissatisfied therewith as Your Honours, 542. In order, if possible, to intimidate us thereby, and make us renounce our lawful right, 543. But we would like to be informed in this regard, 544. How the Surat ministry came to know that the Lord City Governor was dissatisfied with this carpentry work. 545. Has His Honour complained of this to them and in the meantime allowed us to proceed with the work, yet according to his concurrently given consent? 546. Then it is evident that Your Honours yourselves, as well as the Nabob, judge that His Excellency has nothing to do with these buildings, 547. Because he could otherwise have prevented the work himself, and it would not have been necessary to apply to Your Honours in this respect, 548. And consequently it is incomprehensible that we are referred to someone who Your Honours yourselves tacitly indicate has no right to oppose us, 549. But whatever the case may be, it likewise brings no change to our acquired right. 550. Although we cannot disguise that it appears to us rather that the Nabob, to such complaints, 551. Assuming for a moment that His Excellency truly made them, 552. Has been instigated and possibly persuaded by some persons stricken with a panic terror and ill-disposed towards us. 552. d de 534. 306. The 16th August Anno 1770. 552. And the statement of His Excellency quoted here before in art: 117 and 118 also gives us good ground for this sentiment, 553. While what is set down in the often-mentioned letter quoted here before in Art: 531 and 532 clearly shows, 554. That one must have been very well and most accurately informed as to what the answer and reasons of the well-mentioned City Governor would be, 555. Since they boldly dare to tell us that those reasons, NB: would be sufficient, 556. As if reasons could ever be found that could justify, with any appearance of plausibility, the breaking of a given word, 557. And consequently the public breach of good faith; 558. Thus we have now arrived at the last letter of the often-mentioned ministry of 8 May last, 559. Also quoted here before in Art 379 and 155 et seq. to 163, 560. Approached, 561. But while the same contains not the slightest proposition that we have not already refuted before, 562. And solely consists of a communication that Your Honours could see no reason why they should alter their resolution, 563. Imparted to us by the Surat ministry by missive of 21 October, 564. Alter, 565. And consequently consists of an open declaration, 566. That Your Honours, notwithstanding all our efforts and demonstrated condescension quoted here before from Art: 124 to Art: 146 inclusive, 567. Were and remained determined to oppose this carpentry work via force, contrary to the given word and good faith. 568. Thus, as it requires no further debate, 569. We shall pass over it with indignation at such unlawful conduct, 570. Only remarking upon the specious pretext made there, 571. That Your Honours cannot think of meddling with the Nabob concerning this. 572.

Dutch transcription

304. Den 10e: Augustus Ao 1770. 510. / Wij daar van kennis gegeeven hebben, aan den Heere stads Gouverneur, 511. / Teffens zijn WelEdeles Toestemming, zoo verre noodig was, of zijn mogte, gevraagd. 512. En die ons ook door zijn Excellentie in behoorlijke forma gegeeven is 513. / Met bijvoeginge selfs van deese seer remarquable be„ woordinge, wanneer de Engelschen er niets tegenhebben mag ik 't van harten lijden 514. / sonder dat het hier iets ter zaake doet, of daar in eenige de minste veranderinge te weegen brengen kan, 515. / of we zulx gedaan hebben, uijt eene welvoeglijkheid, beleefdheijd, of verpligtinge„ 516. / Want hebben we het zelve gedaan uijt eene overtollige politesse, 517. / En om dat we mogelijk oordeelden, dat de Welvoege„ lijkheijd zulx meede bragt, 518. / zoo hebben we zijn Excellentie daar meede eene bijsondere Eere willen aandoen, die ons nooijt tot nadeel strekken kan, 519. / En hebben we hier omtrent onse verpligtinge gevolgd, 520. / zoo hebben we wel en nade order gehandelt, 521. / En ook dit een en ander kan nooijt anders als in ons voor„ deel pleiten, 522. / Ja: zelfs al ondersteld men ook dat we absolut de permissie van beijde Gouverneurs noodig hebben, 523. / Posito sed non Concesso, 524. / Want dan hebben we met die te vragen, aan alle de requisiten, in den Uijtersten graad voldaan: 525. / Ende hier meede nu overstappende tot de volgende periode van de opgem: missive van 5: December, 526. / alwaar den souratsen raad ons meld, 527. / „ Dat zij goede reedenen zouden hebben om te gelooven, 528. 1 „ Dat de Nabab een meenigte van klagten, ten opzigte „onsen gebouwen zoude ontfangen hebben„ 529: 7„ En dat daar meede zoo wel onvoldaan was, als uwelEd„e 530. / met deese singuliere verdere bijvoeging, 531. / dat haar Ed=s durven seggen, dat in gevalle, wij ons bij den Nawab vervoegden, 532. / zijne Excellentie ons voldoende reeden zouden geeven, waarom zig daar meede bemoeijde, 533. / hier kan de slang niet langer onder het Gras verborgen, blijven, maar steekt haaren vergiftigen kop te voorschijn, 534. 305 Den 16:e Augustus A„o 1770. 534. / zoodanig dat hij van alle, die niet willens blind zijn willen, gesien word, 535. / Want hier seijd men te geloven dat de Nawab een meenigte van klagten ontfangen heeft, 536. / Daar zijn Excellentie zig nog nooijt bij 't schrijven van die brief, dat is den 5: December 1769. met onse Timmeragie bemoijd hadden 537. / En zonder dat men ons meld, waarin die klagten bestaan zouden. — 538. , het geen men zeeker niet nalaten hebben zoude, had men maar een Falabele klagte kunnen te voorschijn bren„ gen, 536. 1. Ja: had men maar eenig „ reeden te berde brengen kunnen, 500. / dog zulx niet kunnende doen, 541:/ zegt men ons, dat zijn Excellentie, daar meede zoo wel onvoldaan is als uwelEd=e 542. / om was het mogelijk ons daar door te intindeeren, en van ons wettig regt te doen afzien, 543., dog wij wenschten hier omtrent wel eens te weesen on„ derrigt. 540. / hoe het souratse ministeree kennisse gedraagen heeft, dat den Heere Stads Gouverneur met deese Timmeragie, onvoldaan was. 545. / heeft zijn Ed=e zulks aan haar geklaagd en ons im„ middels met het werk laaten voortvaaren, egter volgens zijn meede gegeevene toestemming 7 546. / zoo is het evident dat uwelEd:e selfs, beneevens de Nabab„ oordeelen, dat zijn Excellentie met deeze gebouwen, niets te doen heeft, 547. / om dat dezelve andersints het werk zelfs belet konde hebben, en het niet noodig zoude zyn geweest, zig desweegens bij uwelEd te vervoegen, 548. , En bij gevolg onbegrijpelijk dat we gerenoijeerd worden aan jemand, die uwelEd:e selfs tacite te kennen geeven, dat geen regt heeft, ons teegen te gaan, 549. / Dog wat hier ook van zijn moge, zulx maakt almede geen verandering in ons verkreegen regt. 550. / schoon wij niet kunnen ontveijnsen, dat het ons eerder toescheijnd dat den Nabab tot zulke klagten, 551. / voor een oogenblik ondersteld dat zijn Excellentie het Waarlijk gedaan heeft, 552. / Door eenige, met een terreur pancique aangedaane en ons quaad gunnende menschen, aangespoord en mogelijk gepersuadeerd is. 552. d de 534. 306. Den 16:e Augustus A„o 1770. 552. En het hier vooren art: 117: en 118. aangehaalde zeggen, van zijn Excellentie geeft ons tot dit gevoelen meede veel goed, 553. / Terwijl het gemelde bij meer gedagte brief hier voo„ ren Art: 531. en 532. ter needer gesteld, klaar aantoond, 554. / Dan men zeer wel en ten naauwkeurigsten moet on„ verrigt geweest zijn, wat het antwoord en reeden van welgem: stads Gouverneur Weesen zouden 555. alzoo men ons volmondig durft zeggen, dat die reeden NB: voldoende zijn zouden, 556. als of er ooijt reeden konden gevonden worden, welke het verbreeken van een gegeeven woord, 557. / En bij gevolg het publicq schenden van de goede trouw„ met eenigen schijn, billijken konnen; 558. / Dus zijn we dan nu tot den Laatsten brief van meer„ gedagte ministerie van den 8=e Meij Jongstleeden; 559: / hier vooren Art 379. en 155. et segg tot 163. ook al aan„ gehaald. 568. / genadert, 561. / Dan Terwijl deselve geene de minste positie behelsd„ welke we niet al bevoorens wederlegd hebben, 562. En alleenlijk bestaat, in een Communicatie dat Uwel„ Ed=en geen reeden konden zien waarom zij haar besluijt, 563. /. ons bij missive van den 21:e 8br door het sourats minis„ terie bedeeld, 564. / veranderen zouden, 565. / en bij gevolge in eene openbaare verklaringe 566. / Dat uwelEd niet teegenstaande alle onse gedane devoiren en betoonde Condescendance hier vooren van Art: 124. tot Art: 146. ingeslooten, aangehaald, 567. / voorneemens waaren en bleeven, deeze Timmerage via force, teegens het gegeeven woord en goede Trouwe, teegen te gaan. 568. / zoo zullen we dezelve als geene verdere debatteering vereijschende, 569. met verontwaardiging over zulk een onregtmatig gedrag, Passeeren 570. , alleenlijk op het aldaar schoon-schijnend voorwend„ sel 571. / Dat uwelEdele niet daar op kunnen denken„ om sig met den Nabab; deesen aangaande, te bemoeijen. 572.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0341 view scan ↗

English

307. and 16th August Anno 1770. 572. Thereby also wanting to insinuate indirectly once again that it was he who was supposed to have caused us these obstacles, we remark, 573. that whereas the previous letters from the ministry of Surat were quite obscure and ambiguous, we do not understand these at all, 574. nor can we draw any conclusion from them. 575. After all, Your Honors were never requested by us to interfere with His Excellency regarding this matter, 576. and such would have been foolishness on our part, 577. for we know very well, and the entire case demonstrates to everyone, that it is Your Honors who, for reasons we prefer to keep silent, are obstructing this carpentry work of ours. 578. His Excellency has also never, as has been said repeatedly, caused us any hindrance, 579. except nearly 6 months after we had already been obstructed by Your Honors and had already exchanged several letters on the matter. 580. And just as little can we now suppose that the said Lord Governor of the city would have addressed Your Honors by way of complaints regarding this, 581. because His Excellency would thereby demonstrate that he himself has no right to any intervention, 582. whereas his Honor complained to Your Honors and let us proceed undisturbed for years. 583. Consequently, we cannot see that there can be any interference here with the Nabab, 584. except insofar as Your Honors intend to come onto the stage behind his screen and play the intended role, 585. in order to cover yourselves as much as possible before the public, as we have indeed experienced repeatedly. 586. And thus having refuted everything that could in any way, with the slightest appearance of reason, serve to justify the unlawful conduct of the council of Surat, 586. as well as having demonstrated their obligation 587. to maintain us in their granted consent, and thereby to keep their given word, 588. we shall now, as this has already become more extensive than we had wished, 589. proceed to the fourth principal point proposed by us in article 29, 590. namely, to show now by deduction how unfairly and unlawfully we are being treated, 591. [illegible] 308. The 16th August Anno 1770. 591. without mentioning here so many kinds of public oppressions as we have had to endure for a considerable time, 592. and which are known in the papers of Surat, principally of 1762 and 1765, 593. since we could cast those into a pool of oblivion, 594. in order to deal with each other henceforth, were it up to us, as friends, co-religionists, and allies, 595. if only Your Honors would be able and minded to grant us our competent right, 596. and to conduct yourselves continuously in accordance with equity and good faith. 597. And to this end serves briefly: 598. That we, having presented truthfully the case in question, as well as everything that has been written and transacted therein, from article 38 to article 167, 599. have subsequently from article 168 to 287 proven to legal satisfaction and, as we believe, most closely, 600. that we are entitled to the carpentry of the dwellings in question, 601. that Your Honors are bound to maintain us therein, 602. and that we must be allowed to enjoy the granted permission peacefully and undisturbed, 603. or that otherwise the council of Surat is bound by law and equity 604. to make good and compensate all losses and damages which we come to suffer through their unlawful conduct, from article 291 to 313; 605. that we, moreover, have thoroughly refuted the pretended reasons of the ministry of Surat with which they sought to justify this obstruction, from article 319 to 373, 606. not only, 607. but at the same time have most clearly demonstrated the unprecedented nature and unlawfulness of the referral to the Lord Governor of the city, from article 375 to 588; 608. so that upon reading, it already fully appears from this to an expert, impartial reader how unfair the conduct of the gentlemen of the council of Surat is. 609.

Dutch transcription

307. en 16e Augustus A„o 1770. 572. Daar meede van ter seijden, al weeder willende te kennen gee„ ven, dat die het was, welk ons deese beletselen zouden hebben toegebragt, remarqueeren, 573. / dat daar de voorige Letteren, van het souratse ministeerie, vrij duijster en dubbelsinnig, waaren we deese in het geheel niet begrijpen. 574/ nog daar op eenig facit trekken kunnen, 575. Immers zijn UwelEd: door ons nooijt versogt, om zig dee„ zen aangaande met zijn Excellentie te bemoeijen, 576. en zulx zoude dwaasheijd van ons zijn geweest, 577. / Want wij weeten zeer wel, en het geheele geval toond aan„ jeder aan, dat UwelEd=en het zijn die, om reedenen, Welke wij „liever zwijgen willen, ons deese Timmeragie beletten, 578. / zijn Excellentie heeft ons ook nooijt, zoo als te meermaalen geseijd eenige hindernis toegebragt, 579. als wel bij na 6 maanden, na dat we al door uwelEd:e belet geworden waaren en daar over bereeds al verscheijden brieven hadden gewisseld, 580. / En alzoo min nu kunnen wij onderstellen dat geseijden Heere stads Gouverneur zig desweegens bij uwelEd:e bij wijse van klagten vervoegt hebben zouden, 581. / om dat zijn Excell:t daar meede zoude aantoonen selfs geen regt tot eenige stateering te hebben, 582. / Terwijl zijn wel Edele bij uwelEd:e klagtig viel, en ons onverhinderd voortjaaren Liet, 583. / Jnvoegen we niet kunnen zien, dat hier eenige bemoeijenis met de Nabab-plaats hebben kan, 584. / als in soo verre u'wellE:de voorneemens zijn, agter zijn scherm op het tooneel te koomen, en de voorgenoomen rolle te speelen, 585. / Ten einde zig zoo mogelijk voor het Publicq te dekken, zoo als we zulx wel te maermaalen ondervonden hebben, 58 6:r j=o En dus alles wederlegd hebbende, wat maar eenigsints, tot billij„ king van het onwettig gedrag van den souratsen raad, met de minste schijn, zouden kunnen dienen, 586. / mitsgaders aangetoond haare verpligtinge. 587./ om ons bij haare verleende toestemming te maintineeren, en daar door haar gegeeven woord, gestand te doen, 588: / zoo zullen we alzoo deese albereeds grooter geworden is, als wij wel gewenscht hadden. 589: thans overgaan tot het art: 29. ons voorgenomene Vierde Hoofd-Point. 590. /om namentlijk nu bij gevolg trekking te doen sien hoe onbillijk en onregtmatig men ons tracteerd. 591. nis ts ge g gedane ld e 308. Den 16e Augustus A:o 1770. 591. /zonder alhier gewag te maaken; van zoo veeler hande openbaare verdrukkingen, als wij seedert eenigen geruij„ men tijd hebben moeten ondergaan, 592. / en bij de souratse papieren, voornamentlijk van 1762. en 1765. bekend staan. 593. / alsoo wij die in een poel van vergeetenheid souden kunnen werpen. 594. / Om voortaan, waare het van ons afhankelijk, als vrienden, Geloofs, en Bondgenooten, onderling te handelen 595. / wanneer UwelEd=e dan maar kond en goed sinden ons het Competeerend regt te doen Geworden. 596. En zig steeds agtervolgens de Billijkheijd: en trouwe te gedraagen, 597. / En hier toe diend kortelijk, 598. / Dat wij het geval in quaestie, mitsgaders van alles wat daar in geschreeven en gehandelt is, van Art: 38. tot Art: 167. na Waarheijd hebbende voorge„ steld, 599. / vervolgens van art: 168: â 287. ten genoegen regtens en zoo wij vermeenen ter allernaaksten, hebben beweesen, 600. / Dat we tot de Timmering der Wooningen in quaestie geregtigd zijn. 601. / dat uwelEd=e gehouden zijn, ons daar bij te mainti„ neeren, 602. / En dat men ons van de verleende permissie, vree„ dig en ongestoord, moet laaten Jouisseeren, 603. / of dat andersints den souratsen raad na regten en de billijkheid verpligt is, 604. / om ons alle schaaden en nadeelen, welke wij door haar onregtmatig gedrag komen te lijden, te beteren en te vergoeden, van Art 291. e. 313, 605. / Dat we daar en booven de voorgewende reedenen van het sourats ministerie, Waar meede men deeze stremming sogt te billijken, grondig wederleyd hebben, van Art: 319. a 373. 606. / niet alleen 607. / maar teffens de ongehoord - en onwettigheid van het renvoij aan den Heere Stads Gouverneur van Art: 375. tot 588. ten klaarsten aangetoont 608. / Dus daar uijt bij lectuure aan een kundigen onpartijdig leeser, bereeds alten vollen geblijkt de onbillykheid van het gedrag der Heeren van den souratsen raad. 609.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0343 view scan ↗

English

309. and 16th August Ao 1770. 609. And this will increase noticeably with everyone, 610. When one shall perceive that these dwellings in question, 611. can not be of even the slightest disadvantage either to the obstructors or to the Lord Governor of the city ad Art: 367. and 368. 612. even that they cannot arouse any suspicion or jealousy in anyone who has any knowledge of affairs and is not tormented by a constant panic terror; 613. On the contrary, that they are being built solely 614. because we are in the highest degree in need of the same, 615. our lodge being completely dilapidated and uninhabitable through old age Art: 44. to 47. , 616. in order to protect ourselves by means of the same against the inclemencies of the weather and the numerous vermin Art: 41, 42. and 43. 617. And thereby to make life and our stay in these regions as pleasant for us as is possible, 618. And this we shall now further demonstrate briefly, 619. 1st from their situation and location, 620. 2nd from the manner in which they are built, and as has been solemnly granted to us, 621. regarding the first 622. the location of these new dwellings is 623. Projected on our Yard and Jengiebander, situated between the inner and outer city walls 624. not two musket shots away, and thus virtually under the artillery of the Surat Castle, 625. And belonging to us in ownership and for building upon, according to the express firmans of the Mogol Kings Tjha Alem of the year 1709. and Mhamet Sjha of the year 1729. 626. advanced herebefore from art: 191. to 207. inclusive, 627. with the front towards the river side. 628. And behind the house on the north-east corner of said yard, inhabited by the secunde. 629. In such a manner that from these new dwellings to be built for the Council Members, of which one, as said before, is already nearly finished, 630. one cannot see the Surat Castle at all, 631. And even if one wanted to place a piece of artillery in these dwellings, one would not be able to cover the Castle with it. 632. [illegible] 310. The 16th August Ao 1770. 632. over and besides that one, in such a case, would still be obliged to pull down the house of the secunde first, 633. In consequence whereof this can not only not be denied by all the officers of the English Company, and by all knowledgeable people, 634. but must even be publicly acknowledged with an expression of the shame that they would feel over their countrymen, 635. who wished to maintain that these dwellings could in the slightest respect be of disadvantage, 636. as we are able to prove with the entire English nation at Souratta, 637. And with regard to the second, the manner in which they are built, 638. that indeed proves as clear as the sun at noon 639. that they can be used or appropriated for nothing else than for habitation 640. for they are 18 in length, 22 to 23 in width, and only 4½ English Yards high, or a little less or more. 641. they are made of wooden props or uprights, 642. in between with a thin wall that is durable against the inclemencies of the weather, 643. of such thickness and such as Your Honour's own engineer would judge to be sustainable, ad Art: 142. et seqq: 644. And thus with no other difference with respect to those that were built here in the time of Mr Hodges, 645. except that whereas the props or uprights of those were filled with earth and lime, to such thickness as was deemed fit, 646. these would be filled with a very thin wall, 647. and this because they are then better secured against the accidents of fire, 648. and especially better habitable for Europeans 629. as it is known that the walls of earth produce so much vermin that they are virtually uninhabitable, 650. 311. The 16th August Ao 1770. 650. And rather suited to constantly exhaust people than to afford any rest. 651. they are moreover with a single tiled roof and without ceilings; 652. each dwelling consisting 653. of four rooms; namely 2 parlour and 2 bedrooms, a small courtyard in between, 654. and behind that a kitchen, pantry and provision space, woodshed and privy with a sleeping place for the slaves above it. 655. and thus no more lavish than someone of a certain rank requires for his accommodation, 656. While the name of the other permitted dwellings for clerks, to wit rooms, 657. Requires no further explanation, 658. Thus, considering the objectives set before us in art: 22 to 29. to have been fulfilled, 659. We now believe to have fully shown to Your Honours and the entire impartial world, and to have proven legally to satisfaction, 660. That in the disputed case regarding the building of the new dwellings, 681. We have been treated by the Surat Chief and council in the utmost unlawful manner, 662. Yea, contrary to good faith, and a public and solemn consent once given, 663. While it is known that they still continue to do so, 664. refusing us that which is granted to the humblest inhabitant, 665. And which cannot be refused to anyone with any semblance of fairness, 666. And that consequently the protests made by us by letters to the aforementioned ministry of 21st September and 31st October 667. treated in detail herebefore in art 86. 87. 88. 89. 107. and 115. 668. are in every way well-founded and legally indisputable, 669. so we wish to hope, 670. yea, by virtue of the equity and justice of our cause and do not doubt in any way, 671. whether Your Honour, now informed of the truth of the matter in all this, 672. [illegible]

Dutch transcription

309. en 16e Augustus A„o 1770. 609:/ En dit zal bij jeder nog merkelijk toeneemen, 610. Wanneer men zal ontwaaren, dat deeze wooningen in Quaestie, 611. / nog voor de beletters, nog voor den Heere stads Gouver„ neur, van eenige het minste nadeel zijn kunnen ad Art: 367. en 368. 612. / selfs dat ze bij niemand die eenige kennis van zaaken heeft en met geen geduurig terreur panique gekweld is; eenige agterdogt of jalousie verwekken kunnen, 613. / Jn teegendeel dat ze alleen getimmerd worden. 614. / om dat we dezelve ten hoogsten benoodig zijn, 615. / als zijnde onse Loge, door Ouderdom geheel vervallen en onbewoonbaar Art: 44. â 47. , 616. / om door dezelve ons voor de Jnjuurien des Lugts en het menigvuldig ongedierte te beschermen Art: 41, 42. en 43. 617. / En om ons daar door het leeven en ons verblijf in deeze Gewesten, zoo, veel te veraangenamen, als mogelijk is, 618. / Ende zulx zullen we nu nog kortelijk aantoonen, 619. r=m uijt derselver gelegentheid en standplaats, 620. 2/ do uijt de manier waar op ze gebouwd worden, en zoo als ons plegtig toegestaan is, 621. omtrent het eerste 622. / zoo is de stand plaats van deese nieuwe wooningen 623. / Geprojecteerd op onsen Werf en Jengiebander, leggende tusschen de binnen en buijten stadsmuur 624. f. geen Twee snaphaan schooten, en dus genoegsaam onder het geschut van het sourats Casteel, 625. / En aan ons in eigendom en ter betimmering Compa„ teerende, volgens de Expresse firmans van de Mo„ golse Koningen Tjha Alem van den Jaare 1709. en Mhamet Sjha van den Jaare 1729. 626. hier vooren van art: 191. tot 207. in clusive g'avanceert, 627. met het front na de revier kant. 628. / En agter het huijs op de Noord-Oosthoek van gem: werff, door den secunde bewoond. 629. / zoodanig dat men uijt deeze nieuw te bouwene wooningen, voor de raads Leeden, waar van er zoo als bevoorens gesegd, bereeds een bij na vaardig. 630. / in 't geheel het sourats Casteel niet zien kan, 631. / En al wilde men een stuk geschut, in deese wooning gen planten, zoo zoude men daar meede het Casteel nie niet bestrijken kunnen. 632. en3 reedenen deeze leyd 13 eur t 609. 310. Den 16e Augustus Ao 1770. 632. buijten en behalven, dat men, insulken gevalle„ nog zoude verpligt zijn, om het huijs van den secun„ de eerst onder de voet te haalen, 633. / Jnvolgen dit bij alle de officieren van de Engelse Compagnie, en bij alle des kundige Lieden, niet alleen niet Ontkend worden kan, 634: maar zelfs publicq moet worden G'avoueerd met betuijging van de schaamte, die zij over haare Landslieden, 635. / welke wilden sustineeren, dat deeze wooningen in den minsten opzigte van nadeel zijn Kunnen, gevoelen zouden, 636. / zoo als wij in staat zijn, om met de geheele Engelsche natie op souratta te bewijsen, 637. / En ten aansien van het Tweede, de manier waar op ze getimmerd worden, 638. / die bewijst immers zoo klaar, als de son op den middag 639. / dat ze nergens anders als ter bewooning kunnen gebruijkt nog nimmermeer G'approprieert worden 640. wantze zijn lang 18. Breed 22. a 23. en hoog maar 4½. Engelsche Yard, of een weijnig minder of meer. 641. / ze zijn gemaakt van houte stullen of Standers, 642. / tusschen beijde met een muurtjen dat bestaan„ baar is teegen de injuurien van de Lugt, 643. / van die dikte, en zoodanig als UwelEd:e eijgen nen Jngenieur zoude oordeelen bestaan te zijn, ad Art: 142. et segg: 644. / En dus met geenig ander Onderscheijd, in op zigte van die welke ten tijde van den Heer Hodges alhier getimmerd, zijn, 645. als daar de stutten of standers van geen gevuld wierden, met aarde en kalk, tot zoo„ danigen dikte als men goed vond, 646:/ deze zouden gevuld worden, met een zeer dun muurtjen, 647. / en zulx om datse als dan beeter teegen de ongelukken van brand beveijligd, 648. / en voornamentlijk beeter voor Europeesen bewoonbaar zijn 629. / alsoo het bekent is, dat de muuren van aard„ zoo veel ongedierte voorbrengen, datse genoeg saa onbewoonbaar zijn, 650. 311. Den 16:e Augustus A„o 1770. 650. / En eerder geschikt om menschen gestadig af te matten, als eenige rust toe te brengen. 651. / ze zijn daar en booven met een enkeld pannedak en zonder Gessen; 652. / bestaande jeder wooning, 653. / in vier vertrekken; als 2: spreek en 2. slaap kamers, een klein plaatsjen tusschen beijde, 654. / en daar agter een Combuijs, dispens en provisie plaats hout hok en secreet met een slaap-plaats voor de slaven daar booven. 655. / en dus niet overvloediger, als jemand, van eene seekere qualiteijt, tot zijn verblijf behoordigd is, 656. / Terwijl de naam van de overige toegestaane woonin„ gen voor pennisten, te weeten kamers, 657. / Geene verdere verklaaringe vereijscht, 658. / Dus dan aan de ons art: 22 â 29. voorgestelde oog-mer„ ken, voldaan agtende, 659. / Vermeenen wij thans aan UwelEd=en en Geheele on„ partijdige wereld, ten vollen te hebben getoond, en ten genoegen regtens beweesen. 660. / Dat in het Qucestieuse geval omtrend de Timme„ ring der nieuwe wooningen, 681:/ Wij door den souratsen Cheffen raad ten Uijter„ sten onregtmaatig, 662. / Ja. teegens de Goede trouwe, en een eens gegeeven publicq en plegtig Consent, behandelt zijn, 663. / Terwijl het bekend is, dat men daar meede al nog voortvaaren blijft, 664. / ons weijgerende het geen men aan den geringster Jnwoonder toestaat, 665. / En aan niemand, met eenigen schijn van billyk„ heijd, W'eijgeren kan, 666. / Ende dat bij gevolg de door ons gedaane protestatien bij brieven aan voorgemeld ministerie van den 21=e Septem„ ber en 31=e 8br 667. / hier vooren art 86. 87. 88. 89. 107. en 115. in het breede verhan„ deld. 668 / allezints gegrond en onweederspreekelijk regtens zijn, 669. / zoo willen wij verhoopen. 670. / ja. uijt hoofde van de billijkheid en regtvaardig„ heijd onser zaak en geensints twijffelen, 671: / off uwelEd:e nu van de waarheijd des gevals in allen deesen onderregt. 672. worden hoog Standers staan„ ge Heer d tot aard Jaar 650.

NL-HaNA_1.04.02_3298_0346 view scan ↗

English

312. The 10th of August, Anno 1770. 672. And being fully persuaded of the purity of our intentions, 673. we will be done that justice, 674. of in the very first place, to prevent further damages and disadvantages to the Honourable Dutch Company, 675. commanding the Surat Chief and Council, 676. to let us proceed properly with this commenced construction of the new dwellings and rooms, following and in compliance with the solemnly granted permission, 677. And to that end, to revoke the impediment imposed thereon as promptly as possible, 678. As well as to maintain us against each and every person who might cause us any hindrance on that account; 679. whereas otherwise, and in the unexpected absence thereof, 680. we shall be compelled, formally, 681. as we do provisionally hereby, 682. in the name and on behalf of the Honourable Dutch East India Company, 683. in the first place against the Surat Council aforementioned, 684. and now in the case aforesaid, against Your Honours yourselves, 685. to protest in the best and most concise form, 686. against all damages and losses which the aforementioned Honourable Dutch Company, 687. ever has suffered or shall suffer through this imposed obstruction; 688. as well as against all consequences that may arise therefrom in due course, 689. leaving all the same to the responsibility of the said Surat ministry, 690. and of Your Honours yourselves. 691. And herewith ending this, 692. we express our personal respect for Your Honours, 693. and have the honour to be, with all due respect, Underneath stood: Right Honourable Grand Worshipful Lord and Lords. Lower: Your Honours' and Your Worships' very humble servants. Was signed: M. J. Bosman, A. J. Sluijskens, J. van der Heijden, N. Holmberg, P. Huijsinga, F. B. Zimmerman, Corn. van Citters A. son, and R. Corn. de Vassij. In the margin: Surat, the 14th of September, Anno 1770. 313. The 16th of August, Anno 1770. and being noted as the only hope for a good success. Approved. And after deliberation with the requisite attention, it was, in consideration that this document is not only properly drafted and in accordance with the truth, but was also the only measure from our side that can currently still be employed with any hope of success, and that even if it might not make the slightest impression on the hardened minds of Governor Hodges and his Council members, it nonetheless must convince the entire impartial world of the injustice so horribly done to us in this matter and of the public violation of good faith, unanimously agreed by all the members to approve the aforementioned document in all parts; and to confirm it as valid, and thus to 314. The 16th of August, Anno 1770. to append thereto but to wait with the dispatch council. regarding the request in the letter from His Honour of 16 July last at the request of the Honourable Secunde Sluijsken send an English translation, so that the aforementioned Mr Hodges may find no opportunity to withhold it from his superiors for some time for lack of a translation, to let it go forward; yet however to postpone it for some time, and if possible, until after the answer from the English, from the Surat Chief and Council, to the Director's letter dispatched on the 16th of July for permission to construct a new house instead of the collapsed one of the chief surgeon, and which request the said Chief declared he would submit to Bombay, shall have been received. Furthermore, it having been proposed verbally by the Secunde Sluijsken that he, expecting back here from Mocha towards the middle of the upcoming month of September, 315. The 16th of August, Anno 1770. to have the ship de Gansjouwer, expected from Mocha, escorted in with 2 narrow-vessels. Resolved to grant this. his ship de Gansjouwer, sent thither, having on board a very rich cargo both for its owners and for freight on behalf of the merchants of this city, and that around that time numerous small and large pirate vessels frequently roam here in the roads and from there up to Cape St. Jan, requesting that the narrow-vessels might be granted to him to cruise for this ship; it was approved to grant the said request, and to order the equipment supervisor to proceed outwards with both narrow-vessels at the proper time, and there under and to and fro off Cape St. Jan to cruise for the said Mocha-trader, and to safeguard the same against all perils to the best of their ability. Finally, 316. The 16th of August, Anno 1770. the soldier and stable master Fleur promoted to Corporal at 14 guilders per month. Finally, it was decided to appoint the soldier Anthon Fleur, who was appointed stable master of the Company's stable in place of the deserted Sergeant Marx, to Corporal at 14 guilders per month with a new contract of three years. Underneath stood: Thus done, resolved, and decreed in the Dutch Trading Post of Surat on the day, month, and year aforesaid. Was signed: M. J. Bosman, A. J. Sluijskens, Jac. van der Sleijden, N. Holmberg, [illegible], F. B. Zimmerman, Corn. van Citters A. son, R. Corn. de Vassij. Monday, the 1st of October, Anno 1770: All present, before noon, The Lord Director, the Members of this council,

Dutch transcription

312. Den 10:e Augustus A„o 1770. 672. / Misgaders van de zuijverheijd onser gevoe„ lens ten vollen gepersuadeert, 673. / zullen ons dat regt doen, 672. / van ten aller Eersten; tot voorkoominge van verdere schaaden en Nadeelen aan de Ed Neder„ lansche Compagnie, 675. / Den Heere Souratsen Cheff en Raad te gelasten 676. / om ons met deeze aangevangene timmeragie der nieuwe wooningen en kamers, agtervolgens van en in voldoeninge aan de plegtig verleende permissie, te laaten voortvaaren na behooren, 677. / En ten dien einde de daar aan toegebragte stremming ten spoedigsten in te trekken, 678. / Mitsgaders ons te maintineeren teegen elk en een jegelijk welke ons desweegens eenige verhinderinge toebrengen mogten 679. / terwijl wij andersints en bij onverhoopte ont„ Stentenisse van dien, 680. / zullen genoodzaakt worden, om formeel 681. / zoo als wij provisioneel doen bij deesen 682. / uijt naam ende van weegens de Edele Nederland„ sche Oost Indische Compagnie, 683. / in de Eerste plaats teegens den souratsen raad meer genoemd. 684. / En thans ingevalle voorschreeven, tegen uwel Ede zelve 685. / te protesteeren in de beste en bondigste forma 686. / tegens alle schaden en nadeelen welke welgem: Edele Nederlandse Compagnie, 687. /door deeze toegebragte Stateering immermeer te„ lijden heeft of lijden zal; 688: / misgaders teegen alle gevolgen welke daar uijt in der tijd voort koomen kunnen, 689. / alle dezelve ter verantwoordinge van gem: sou„ rats ministerie, 690. / En van uwel Edelen zelve overlatende, 691. / Ende hier meede deesen eyndigende, 692. / betuijgen wij onse personeele agting agting voor uwelEdelen 693. / en hebben de eer met alle betamelijke respect te zijn. /:onderstond:/ WelEdele Groot Agtbaare Heer en Heeren /:lager:/ uwelEd:e Agtbaares en UwelEd=s zeer onderdaanige Dienaaren /:was geteekent:/ M=s J=n Bosman, A:m J:s Sluijskens, J=s van der Hleijden, N:s Holmberg, P=s Huijsinga, F:s B=s Zimmerman, Corn:s van Citters A:t zoon, n R:s Corn: de Vassij. /:margine:/ Souratta den 14=e September A„o 1770. — 313. Den 16e Augustus Ao. 170 en als de Eenigste hoof tot goed succes aangemerkt zijnde. G'approbeerd word En waar op met de vereijschte. Attentie sijnde Gedelibereert so wierd, uijt overweeging dat dit schriftuur niet alleen na behooren, en overeenkom¬ stig de waarheijd Gecoucheerd, maar ook 't eenigste was, waboevan, onze zijde thans nog met eenige hoofd van succes kan worden in 't werk gesteld, en dat als door 't selve ook al geen de minste indruk op 't verhard gemoed van den Gouverneur Hodges en zijne Raadsleeden maaken mogte, het egter de geheele onpartijdige waareld van 't ons soo Gruwelijk in dee¬ sen aangedaane onregt en van 't puplicq schenden der goede trouw, sal overtuijgen moeten, met Eenparigheijd van alle de Leeden goed gevonden, opgemelde Schrif¬ tuur in allen deelen te approbeeren; en ijsled te keuren en 't selve alzoo met elk ge ken erman, Souratta ƒ 314. Den 16 Augustus A. 1774 daar bij te voegen dog met het afsenden te wagten raad. nopens het versogte bij brief van zijn Agt: van den 16:' Julij jeleeden op versoek van den E secunde sluijsken en god gesonden en Engels Jans t en Engelsch Translaat, op dat den Voornoemde mr Hodges Geene geleegent heijd mag vinden om het nog eenige tijd voor sijne Supereeuren, bij gebrek van translatie, agter te houden, te laaten afgaa dog egter daar meede nog eenigen tijd en soo„ moogelijk te supercideeren tot dat men na antwoord van den Engelszen van den Soureetsen Cheff en Raad het antwoordwoord, op des Directeurs op den 16=e Julij, afgevaardigde Missive om per„ missie, tot het timmeren van een nieuw huijs, in Steede van 't ingestorte van den oppermeester, en welk versoek gemelde Chef verklaard heeft na Bombaij te zullen voordraagen, sal hebben erlond Voorts door den secunde Sluijsken mondeling sijnde voorgedraagen, hoe dat hij teegen 't midden der aanstaande maent September alhier van Mocha te rug verwagtende, 315. Den 16: Augustus A„o 1770. om hit van Mooha verwagt wor„ dende schip de Gansjouwer met 2 smals cheepen te laten in haalen besloten zulks te accordeeren verwagtende is, desselfs naderwaarts ge„ soudent schip de Gansjouwer, in hebbende eene seer rijke Laading soo voor sijne rheeders als ter vragt voor de kooplieden deeser stad, en dat 'er dikwerf om die tijd menigvuldige kleijne en groote roovers vaartuijgen alhier op de rheede en van daar tot aan Caap S:t Jan Swerven, met versoek dat de Smalscheepen aan hem ter Kruijsling op dit schip mogten worden verleend, wierd goedgevonden, 't selve versoek te accordeeren, en den Equipagie opziender te gelasten, om zig ter behoorlijker tijd met de beijde smalscheepen na buijten te begeeven; en aldaar onder en af en aan Caap S' Jan op„ gedagte mochas vaarder te kruijssen, en den selven voor alle nadeelen na vermoogen te beveyligen. Eijndelijk den ende 316. Den 16: Augustus Ao 170. den soldaat en stalmeester Fleur bevordert tot Corporaal met ƒ14: —. ter maand Eijndelijk wierd verstaan om den in plaats van den Gedeserteerden sergeant Marx aangestelden stal„ meester van 's Comp:s stal, den soldua Anthon Fleur, aan te stellen tot Corpo¬ raal met ƒ 14:-: ter Maand en nieuw verband van drie Jaaren. /:onderstond:/ aldus gedaan geresolveert en Gearresteert in 't Nederlands Comptoir souratta ten daage, maand en Jaare voormeld. /:was geteekend:/ M:r J:n Bosman„ A:m J„s Sluijskens, Jac=b van der Sleijden, N„ Holmberg, . . . . . . . . . . . . F:s B: Limmr man, Corn: van Citters A:o zoon R:s Crn: de Vassij Maandag Den 1e October Anno 1770: alle praesent, voorde middag, Den Heer Directeur de Leeden deezen,

NL-HaNA_1.04.02_3298_0351 view scan ↗

English

317. The 1st of October Anno 1770. Mr. Price having given notice by a letter of having received permission for the new... Having convened this assembly today, initially ordered note to be taken of the following, namely: That His Honour on the 22nd of August last having received a letter from the former English Chief, the Gentleman William Andrew Price, tending to a request, as a certain person of distinction at Bombay had said that His Honour, for the permission granted to us at the time of his administration in the capacity of Governor of the Mogul's Castle together with the English Council for the construction of the new stone dwelling, was rewarded with a sum of money, [asking for] a formal declaration of the truth or falsehood of this rumor, as appears from the said letter inserted here. Translation 318. The 1st of October Anno 1770. To which the adjoining was answered. Translation of an English letter written by the Right Honourable Gentleman William Andrew Price, Esquire, former Chief of the British Nation in this city, to the Right Honourable Worshipful Gentleman Martinus Joan Bosman, Director and Chief Commander of this Directorate, together with the Council, dated Surat the 22nd of August Anno 1770. Honourable Gentleman and Gentlemen! Since it is being said by a certain person of distinction at Bombay that the permission which I, together with the Surat Council, have given to Your Honours for the building of some indefensible dwellings for the housing of the servants of Your Honours' Company, was granted because Your Honours would have rewarded me for that reason with a sum of money; I therefore hereby summon Your Honours, as men of honor, and who occupy a public office, to declare without any reservation in the most solemn manner the truth or falsehood of this rumor, so insulting to my honor and good name. I have the honor to be, below stood: Right Honourable Gentleman and Gentlemen, lower: Your Worships' very humble and obedient servant, was signed: W: A: Price, in margin: Surat the 22nd of August 1770. For the translation, was signed: N:s Holmberg. Thereupon, on the day following, the said former English Chief was given the following declaration by letter from the Gentleman Commander and all the members of this Assembly, tending to demonstrate the falsehood of these rumors. 319. The 1st of October Anno 1770. To the Right Honourable Worshipful Gentleman! William Andrew Price, Former Chief of the Honourable English East India Company, at Surat. Right Honourable Worshipful Gentleman! Having found ourselves honored with Your Honour's letter of yesterday, we cannot sufficiently express our astonishment as well as our regret that people should be found who, so degenerated from all virtue, undertake to slander Your Honour's good name with matters so directly contrary to the truth. It is on that account and in defense of that same truth that we have not wished to delay a single moment in complying with the requisition contained in Your Honour's above-mentioned letter, and we hereby declare and testify, head for head on our honor, and on the oath sworn by each of us upon his admission to our assembly, that we neither together, nor any of us individually, ever at any time have given or caused to be given to the Gentleman William Andrew Price, former Chief etc., any moneys, whether for the obtaining of his consent as Castle Governor to be allowed to make some dwellings and chambers of wooden posts with a wall capable of withstanding the injuries of the weather under a simple tile roof and with a wooden floor, solely for the housing of the servants of the Honourable Dutch Company at this office, 320. The 1st of October Anno 1770. A soldier deserted. The swearing-in of the weighed spices has been completed. office, or as a reward for the said Mr. Price, together with the English Council, having granted us permission thereto, and that we consequently hold and declare all such tales to be slanderous and defamatory rumors, as contrary to the truth as the light is to the darkness. We would, on the other hand, do an injustice to that same truth if we did not at the same time hereby make mention of the pleasure which we still daily feel in the recollection of that good harmony which constantly, at the time that Your Honour was placed at the head of the British ministry, has resided here not only among all the Europeans, but also in particular between both our Nations. We have the honor to be, below stood: Right Honourable Worshipful Gentleman! lower: Your Honour's Worships' humble servants, was signed: M:s J:n Bosman, A:r J:s Sluijsken, J:b van der Sleijden, N:s Holmberg, P:s Huijsm:ga, F:s B:s Zimmerman, C:s van Citters A:o son, R:t C:s de Passij, in margin: Surat the 23rd of August Anno 1770. That on the 24th ditto the Portuguese soldier Andreus Lasarus Ansjengo deserted to the English. That on the 23rd ditto, as appears from an extract of the minutes submitted by the Honourable Second and Chief Administrator Sluijsken as President of the Council of Justice, before the said Council pursuant to the resolution...

Dutch transcription

317. Den 1=e October A„o 1770. de Heer Prise bij een missive te kennen hebbende Gegeeven de permissie der nieuwe te hebben Ontfangen deezer vergadering heeden hebbende doen Convoceeren liet aaniankelijk aanteeke„ ning houden van 't volgende, als. Dat sijn Ed=e op den 22. Aug„s Jongst¬ leeden van 't geweesen Engelsch opperhoofd van Heer William Andrew Price, een Missive ontfangen hebbende, tendeerende dat hij resuspeaterd wed, geldvon versoek, om terwijl seeker persoon van vor aanzien te Bompaij gesegd had, dat Ed: voor de ten tijde van desselfs bestier„ in qualiteijt van Gouverneur van 's Mo„ gols Casteel neevens den Engelschen raad aan ons verleende permissie tot de extruc„ tie der nieuwe steene wooning en met een somme geld soude sijn beloond een pligtige verklaringe van de waar of onwaarheijd van dit Uijtstrooijsel blij„ kende gemelde missive desen G'insereerd. Translaat eert toir 1 1770: zen, 1ijs 318. Den 1: October A„o 1770 is daar op het nevenstaande G'antwoord Translaat Engelsche missive geschreeven door den WelEdelen Heer William Andrew Price, schildknaap gew. opperhoofd der Britsche Natie in dese stad aan den WelEdelen Agtb: Heer Martinus Joan Bosman Directeur en Hoofd Gebieder dezer Directie, beneevens den raad gedateerd Souratta den 22. August A„o 1770. E: Heer en Heeren! Nadien door een zeeker persoon van aanzien te Bombaij gezegd word; Dat de permissie, die ik benee„ vens den souratschen Raad aan UwelEd: gegeeven hebbe„ tot het opbouwen van eenige onweerbare wooningen tot huijsvesting van de Dienaaren van UwelEd„s Compagnie„ verleend is geworden, om dat uwelEd: mij desweegen„ met een somme Gelds zouden hebben beloond; zoo sommere ik uwelEd:e bij deezen, als mannen van Eer, en die een publicq beroep bekleeden, om zonder eenige agterhoudentheijd op de allerplegtigste te ver„ klaaren, de waarheijd of valsheid van dit uijtevoij„ sel, zoo honend voor mijn Eer en goed naam. Ik heb de Eere te zijn /:onderstond:/ A: Heer en Heeren /:lager:/ uw agtb: zeer ootmoedige en Gehoorsaame Dienaar /:was Geteekent:/ W: A: Price /:in margin:/ Souratta den 22=e Augustus 1770. voor de Vertaa„ ling /:was geteekend:/ N:s Holmberg. Daar op daags daar aan volgende aangemelde gew: Engelsch opperhoofd bij missive door den Heer Gebieder en alle de leeden deeser Vergaderinge de volgen„ „de./ 319. Den 1 October Anno 1770. de Verklaringe trekkende ter aanthoo„ ning van de valsheijd deeser Uijtstrooij„ selen afgegeeven is. Aan den WelEdelen Agtbaaren Heer! William Andrew Price voormaal opperhoofd der Ed=e Engelsche Oost Indische Compagnie, te Souratta „ons vereerd gevonden hebbend met UwelEd„s missive van Gisteren kunnen wij onse verwondering alsoo wel als ons leedweesen niet genoegsaam be„ tuijgen, Dat er lieden souden gevonden worden, welke dermaaten van alle deicgd ontaard, onderneemen uwelEd:s goede naam te lasteren, met zaaken, zoo „ Direct strijdig tegen de Waarheijd, „Het is uijt dien hoofde en tot voorstand der selver waarheijd, dat wegeen oogenblik hebben willen tar„ deeren met aan de bij opgem: uwelEd: missive vervatte requistie te voldoen en wij declareeren en verklaren, hier meede hoofd voor hoofd op onse Eer, en op den Eed, door een jeder van ons bij sijne admissie in onse vergadering, gepraesteert, Dat wij nog te zaamen, nog iemand van ons afsonderlijk, nooijt of nimmer aan den Heer William Andrew Price, gewesene Cheff & hebben gegeeven of doen Geven, eenigen Gelden, 't zij ter verkrijginge van sijne toestemminge als Casteels Gouverneur tot het moogen maaken van eenige woningen en kamers van houte stut„ ten met een muur bestaanbaar tegens, voor de Jnjurien van Lugt onder een simpel panne Dak en met een solder van hout, eeniglijk tot huijsvesting der duakeren van D' Ed=e Nederlandse Comp=e ten deesen WelEdele Agtbaare Heer! Comptoire an August zien bbe #e rd: 1is 320. Den 1:e October A„o 1770. Een soldaat gedeserteert De beediging der Uijtgewoogene spe„ cerijen is volbragt, Comptoire dan wel tot een belooninge voor dat gem: Heer Price beneevens den Engelschen Raad, ons daar toe permissie hebben verleend, en dat wij dienvolgens alle diergelijke vertellingen houden en verklaaren, voor Lasterlijke en Eerroosende Uijtstrooijselen, soo seer strijdig met de Waarheyd als het Ligt met met de duijsternis Wij souden daar en teegen deselve waarheijd te kort doen, bij aldien we teffens bij deesen geene melding maakten van het vermaak het welk we nog dagelijx gevoelen in de herinnering van die goede harmonie, welke er steeds ten tijde dat uwelEd: sig aan het hoofd van het Britsch ministerie gesteld vond, alhier niet alleen onder alle de Europeesen, maar ook in het bij sonder onder ons beijder Natie geresideert heeft Wij hebben d' eer te zijn /:onderstond:/ WelEd:e Agtb: Heer! /:lager:/ uwelEd: Agtb„s onderdanige dienaaren /:was Geteekent:/ M„s J:n Bosman:, A=r J:s Sluijsken, J=b van der Sleijden, N:s Holmberg, P„s Huijsm„ ga, F„s B:s Zimmerman, Cs: van Citters A:o zoon„ R:t C„s de Passij - /:in margine:/ Souratta den 23:e du„ gustus Ao 1770. Dat op den 24:e D:o Den portugee„ sche soldaat Andreus Lasarus Ansjengo tot de Engenschen overgeloopen is Dat op den 23:' D=to blijkens eene door den E secunde en Hoofd Administra„ teur sluijsken als praesident van den raad van Justitie overgelegde Extract Notulen voor gem: Raade ingevolge 't g'arcesteerde ter :

NL-HaNA_1.04.02_3298_0355 view scan ↗

English

321. The 1st of October Anno 1770. Secretary. At the latest session of the 16th of August, the respective judicial commissioners who assisted in the successive weighings of the spices brought in by the ships De Jonge Lieve, 't Huijs ter Meije, and 't Huijs Om duly took the oath, while said minute is given place herein. Thursday The 23rd of August Anno 1770. Before noon All being present Subsequently, an extract having been submitted by the Honorable President from the resolution taken in the Council of Policy at Souratta on Thursday the 16th of August Anno 1770: "And finally, to have the judicial commissioners who assisted in the successive weighings of the spices swear to their kept records before the Council of Justice of this Directorate." Underneath stood: Agreed. Was signed: Cornelis van Citters, son of Aarnout. Thus it was asked by His Honor of the present judicial members, The 1st of October Anno 1770. The sentence against the deserters was approved by the Director by an act. the Honorable members Frans Bernard Zimmerman, Robertus Cornelis de Vassij, Pleun van der Kuijl, Fredrik van den Busch, Pieter van der Sprenkel, Mattijs Monté, and Jan van Swijndrecht, whether they were now prepared to confirm the validity of their reports submitted in this regard, and of their kept annotations with the spice booklets, by solemn oath; and as everyone answered an unreserved "yes" thereto, they accomplished the same head by head, with the raising of the two front fingers of their right hands, and the clear pronunciation of these words: So truly help me God Almighty. After which proceeding, the former fellow member of this assembly, but presently Secretary of Policy, the Honorable Cornelis van Citters, son of Aarnout, also being called inside and asked in the manner aforesaid whether he was prepared to take an oath for the accuracy of the weighings and validity of the reports and annotations submitted and kept by him in the aforementioned capacity, he answered "yes" and also accomplished it with the raising of the two front fingers of his right hand, and the clear pronunciation of these words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Extracted from the memorial of the Honorable Council of Justice of this trading post. Was signed: E. N. Wiarde, Secretary. That on the 27th the sentence pronounced by the Council of Justice on the 23rd of that month in the trial initiated by the Fiscal, the Honorable Jacob van der Sleijden, against Godfried Lekman of Selwits, soldier, 322. 323. The 1st of October Anno 1770. The pound weights in use were calibrated against the standard or test weights. soldier cum suis for desertion, was approved by the Director by the following act. The undersigned Director, having carefully examined all the documents belonging to the trials initiated by the merchant and Fiscal Jacob van der Sleijden against Godfried Lekman of Selwits cum suis for desertion, approves the sentence passed by the Honorable Council of Justice of this Directorate on the 23rd of this month against the aforementioned persons, just as it lies, and permits that the same be pronounced and executed. Underneath stood: Souratta, the 27th of August Anno 1770. Was signed: Martinus Joan Bosman. That on the 31st, by two judicial commissioners in the presence of the Fiscal, the pound weights in use were compared and calibrated against the standard or test weights kept here, and the balances were properly examined, as appears from the following report. To the Right Honorable Sir! Martinus Joan Bosman, Director and Commander-in-Chief of this Directorate. Right Honorable Sir! The undersigned judicial members have, in the presence 324. The 1st of October Anno 1770. in the presence of the Fiscal, the Honorable Jacob van der Sleijden, compared all the pound weights on hand and in use against the standard or test weights kept here and found them in agreement, and subsequently had them calibrated with the customary calibration irons for the year Anno 1770, consisting of the following; namely: 70 pieces of pound weights of 50 lb each; whereof 50 pieces with the Warehouse Master 10 pieces with the Equipment Overseer 10 pieces with the Purveyor 7 pieces of 25 lb each; whereof 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor 7 pieces of 10 lb each; namely 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor 7 pieces of 5 lb each; namely 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor 7 pieces of 4 lb each; whereof 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor 7 pieces of 3 lb each; namely 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor 7 pieces of 2 lb each; namely 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor 7 pieces of 1 lb each; namely 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor 7 pieces of 1/2 lb each; whereof 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipment Overseer 1 piece with the Purveyor Please turn over.

Dutch transcription

321. Den 1e October A„o 1770. secretaris. ter Jongste sessie van den 16. e Aug.:s de Respective Justitieele gecommitteerdens dewelke bij de successive uijtweegingen der met de Scheepen de Jonge Lieve, 't Huijs ter meije, en 't Huijs om, aangebragte specerijen G'assisteerd hebben den Eed behoorlijk hebben afgelegt, terwijl gedag„ te Notul in deesen plaats gegeeven word, Donderdag Den 23e Augustus Anno 1770. voordemiddag Praesentibus Omnibus Vervolgens door den E Heer Praesident zijnde overgelegt, Een Donderdag den 16:e Augustus A„o 1770. „En eijndelijk om de Justitieele Gecommitteerdens dewel„ „bij de successive uijtweegingen der specerijen G'assisteerd „hebben haare gehoudene Aantekeningen voor den Raad „van Iustitie deses Directie te laaten b'eedigen /:onderstond:/ Accordeerd. /:was geteekend:/ Corn: van Citters Aarn=t zoon, zoo wierd door zijn Ed=e aan de praesente Justitieele Extract uijt de Resolutie genoomen in raade van Politie te souratta Leeden, 3: „ op en 1 October A„o 1770. 'T vonnit tegens de deserteurs is door den Heer Directeur bij een Acte G'approbeerd. Leeden D' E:s F s B d Zimmerman, Robertus Cornelis de Vassij, Pleun van der Kuijl, Fredrik van den Busch Pieter van der Sprenkel, Mattijs Monté, en Jan van Swijndrecht af„ gevraagd, of als nu bereijd waaren de deugde„ lijkheijd, van haare dient weegen ingediende Rapporten, en van haare gehoudene Annotatien bij de Specerijer Boek„ jes, met een solemneelen Eed te bekragtigen; En alsoo een jeder daar op volmondig Ia antwoorde, zoo volbragten ze dezelve hoofd voor hoofd, met het opstee„ der twee voorste Vingeren haarer Regterhanden, en die duij„ delijke uijtspraake deeser Woorden. zoo waarlijk helpe mij God Almagtig. Na welke verrigting het geweesene medelid deeser ver„ gadering; dog thans secretaris van Politie D:E: Cornelis van Citters Aarn:t zoon, meede binnen geroepen, en invoegen voorsz: afgevraagd zijnde, of hij voor de suijverheijd der Uijtwee„ gingen en deugdelijkheijd der Rapporten en Annolatien, door hem in voorm: qualiteijt ingediend en gehouden bereijd was een Eed af te leggen, zoo antwoorde dezelve van Ja, en vol„ bragt ze dan ook met het opsteeken der twee voorste vingeren zijner Regter hand, en de duijdelijke uijtspraa„ ke deezer Woorden zoo waarlijk helpe mij God Almagtig /:onderstond:/ G'Extraheerd uijt het Memoriaal van den Agtbaaren Raad van Justitie deeses Comptoirs /:was geteekend:/ E„ N„k Wiarde. secret„s Dat op den 27=e 't door den raad van Justitie op den 23 ' dier maand geslagen Vonnis in 't Proces G'intameerd door den Fiscaal d: E: Jacob van der Sleijden Contra Godfried Lekman van Selwits soldaat 322. 323 Den 1e October A„o 1770. De ingebruijk zijnde Pond gewigten zijn tegens de stand of Proef gewigten G' Eykt. soldaat C: S: over desertie door den Heer Directeur bij onder volgende Acte is G'ap„ probeerd. Den Ondergeteekenden Directeur naaukeu„ rig G'examineert hebbende, alle de stukken, gehoo„ rende tot de processen door den koopman en Fis„ caal Jacob van der Sleijden, G'entameert, Con„ tra Godfried Lekman, van Selwits /: C: S: / over Desertie, approbeert de door den Agtbaaren Raad van Justitie deezer Directie, in dato 23=e deeser geslagen sententie teegens de voormelde Persoonen, zoo als ze legt, en staat toe dat deselve Gepronunti„ eert en G'executeerd werden /:onderstond:/ Souratta den 27=e Augustus A„o 1770. /:was geteekent:/ M„s I=n Bosman Dat op den 31=de door twee Justiti„ eele Gecommitteerdens ten overstaan van den Fiscaal de in gebruijk sijnde Pond ge„ wigten teegens de alhier berustende stand of Proef gewigten geconfronteerd en ge„ eijkt mitsgaders de Balancen behoorlijk G'examineerd sijn blijkens 't ondervolgende Rapport. Aan den WelEdelen Agtbaaren Heer! Martinus Ioan Bosman. Directeur en Hoofd-Gebieder dezer Directie, WelEdele Agtbaare Heer! D'ondergeteekende Justitieele Leeden hebben ten overstaan 324. Den 1 October A„o 1770. overstaan van den Fiscaal D: E: Iacob van der Sleijden, alle de aan handen, en Gebruijk zijnde, Pond gewigten tegens d' alhier berustende stand of Proef Gewigten geconfronteerd en Accoord bevonden en dezelve vervolgens met de gewoone Eijk ijzers voor de Jaare A„o 1770. laaten Eijken, bestaan„ de in de volgende; als 70. P s Pond Gewigten van 50: lb ieder; waaren van 50: Pees Bij den Pakhuijsmeester 10: „ „ „ Equipagie Opziender 10: „ „ „ Dispencier 7: pies van 25:– lb ieder. daar van 5: pees Bij den Pakhuijsmeester 1: „ „ „ Equipagie opziender: 1::„ „ „ dispenbier 7: pees van 10. lb: ieder. te Weeten 5: p„s Bij den Pakhuijs meester. „ „ Equipagie opziender 1: „ „ „ Dispencier 7: pees van 5:–. lb ieder Namentlijk 5: peek Bij den Pakhuijs meester „ „ Equipagie opziender Dispentier „ „ 7: pees van 4. lb. ieder, daar van 5: p:s Bij den Pakhuijs meester „ „ Equipagie opziender 1: „ Dispencier. „ „ 7: pees van 3:–. lb ieder, te weeten 5: p„s Bij den Pakhuijsmeester Equipagie opziender Dispencier 7: pees van 2: lb ieder, te weeten 5: p:s Bij den Pakhuijsmeester Equipagie Opziender Dispencier 7: pees van 1: lb ieder, Namentlijk 5: p„s Bij den Pakhuijsmeester Equipagie opziender „ Dispencier „ 7: pees van ½. lb. ieder waar van 5: p„s Bij den Pakhuijsmeester Equipagie Opziender 1: „ 1: „ Verte. 1: „ 1. „ 1: „ 1: „ „ 1: „ „ „ 1:„ 1:„ „ „ 1:„ 1: „ „ „ „ Dispenbier 1: „

NL-HaNA_1.04.02_3298_0359 view scan ↗

English

325 The 1st of October Anno 1770. 7 pieces of ¼ lb. each, namely 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipage Overseer 1 piece with the Dispenser 7 pieces of 1/8 lb. each, to wit 5 pieces with the Warehouse Master 1 piece with the Equipage Overseer 1 piece with the Dispenser 8 pieces of balances of various sorts, namely 6 pieces large and 1 piece small iron, all found to be entirely in agreement 1 piece small copper Furthermore, the 20 pieces of copper 50-pound weights recently brought by the ships 'T Huijs ter Mije and Jonge Lieve, having been properly checked against the test weights kept here and also found to be good, have again been properly stored in the reserve chest. We hope to have completed our commission to satisfaction, and subscribe ourselves with respect, below stood, Right Honorable Worshipful Sir, lower, Your Right Honorable Worship's humble and obedient servants, was signed, R:t C:s de Vassij, P:s van der Sprenkel, in the middle, in my presence, was signed, J: van der Sleijden, in the margin, Souratta the 31st of August 1770. That on the 1st of September, the sailor Jan Schokkaart of Groningen was appointed as quartermaster and master on the [illegible] d'uijt winner with 14 florins per month under a new contract of three years, in place of the master Nanning Gresteij who deserted to the English. 326. The 1st of October Anno 1770. The above-mentioned soldiers are increased in pay. That on the said date, by order of the Lord Director upon their made request, upon the expiration of their contracts, the undermentioned soldiers from the garrison are increased in pay, namely: Johan Jacob Trinner of Wirtenberg, trumpeter, from 10 florins to 24 florins per month. Jurriaan Cooter of Hamburg, soldier, from 10 florins to 12 florins per month, with the addition of the surplus of his earned pay since the 15th of November 1768, at which time his contract expired. Jacob Meijer of Beijersdorf, soldier, from 13 florins to 14 florins per month, with the addition of the surplus of his earned pay since the 1st of September 1769, being the time that his last contract expired. 327. The 1st of October Anno 1770. And the persons mentioned in the margin engaged in service as soldiers at 12 florins. Johan Casper Woonrouw of Saxan Louwenburg, soldier, from 9 florins to 11 florins per month. Willem Nijnens of Swentenhauisen, from 11 florins to 18 florins per month, with the surplus of his earned pay since 18 August 1767, being the time of the expiration of his last contract. Joseph Uijsburg of Ypres, soldier, from 11 florins to 13 florins per month. All under a contract of three years, starting on the said date. As well as that on the following dates were accepted into the service of the Honorable Company as soldiers at 12 florins per month, namely: on the 1st of September, Domingo de Baam of Bengal Francisco Jevan Cisco Havier of Madras Pedro de Roseiro of Bengal Tome de Lima of Souratta Manuel Anthonij de Coersa of Braganza 328. The 1st of October Anno 1770. On the 12th Mattys Martin of Souratta Francisco de Cose of Bombaij Jan Hendrik Tomas of Colombo On the 24th ditto Manuel Rodrigo of Stoeval Jeronimo de Monde of Calcutta Geraldo Joseph of Stoeval Joseph Treremarques of Spade de La Meo On the 27th ditto Jacob Michel of Cessabon Enas de Roseiro of Manulhas Mattheus Eneus of Bompaij On the 28th ditto Francisco Witurino of Lisbon Jean Baptist of Lisbon Manuel Repose of Lisbon under a contract of 5 years. 329. The 1st of October Anno 1770. Having insisted with the English chief for an answer regarding the rebuilding of a stone house in place of a collapsed house, it was answered that that request will be presented to Bombaij. Furthermore, that on the 3rd ditto the Council members Huijsinga and van Citters, having been sent to the English chief Mr. Draper to request and insist upon an answer to the letter of the Lord Director dated 13th July last concerning the construction of a new stone house in place of one collapsed from old age, the said deputies received as an answer that that request was sent to Bombaij, but no answer had yet been received thereto, and that his honor would urge a speedy answer in the first letters to be sent. That on the 5th, a letter prepared for the Bombaij Ministry was approved and signed, 330. The 1st of October Anno 1770. Tending to request an answer regarding the debt of James Stevens. tending to make a further request for an answer to our repeatedly renewed application for the settlement of the debt of James Steevens, who suffered shipwreck at Punto Gale, of the following content: Bombaij To the Right Honorable Highly Esteemed Mr. Thomas Hodges, President on behalf of the Honorable English Company and Governor of His Royal Majesty's Castle, Together with The Council. Right Honorable Worshipful Sir and Sirs! When in our letter of the 15th of March 1769 we insisted with your honors to please oblige the merchant James Steevens to settle such sum of 1048 Rupees as was paid by the servants at Punto Gale to his crew upon the stranding of his vessel,

Dutch transcription

325 Den 1e October A„o 1770. 7: pees van —¼. lb. ieder, als 5: p„s Bij den Pakhuijsmeester „ „ Equipagie opziender 1: „ „ „ Dispencier 7: pees van 1/8: lb: ieder, te weeten 5: p„s Bij den Pakhuijsmeester 1: „ „ „ Equipagie Opziender Dispencier „ 8: pees Balancen in soort; als 6: p„s Groote en. . . . 1: „ kleine ijzer en Cal te maal accordeerende bevonden 1: „ kleijne kopere Voorts zijnde met de scheepen 'T Huijs ter Mije ende Jonge Lieve. Jongst aangebragte 20:. pees koper 50 Ponden gewigten, behoorlijk teegens de alhier berustende Proefge„ wisten geconfronteerd; En almeede goed bevonden zijnde in de voorraad kist weeder behoorlijk geburgen Wij verhoopen onse Commissie tot genoegen te zullen hebben volbragt, en noemen ons met Eerbied /:onderstond:/ WelEd: Agtb: Heer /:Lager:/ uwelEd: Agtb„s onderdanige en Gehoorsaame Dienaaren /:was geteekent:/ R:t C=s de Vassij P:s van der Sprenkel, /:in medio:/ ten mijnen overstaan /:was geteekent:/ J: van der Sleijden, /:in margine:/ Souratta den 31:e Augustus 1770. 1: „ „ Dat op den 1e September den matt„s Jan Schokkaart van Groningen tot quartiermeester en Gezaghebber op de is tot quartiermeester met /:den aangesel ovrij d' uijt winner met ƒ 14. ter maand onder een nieuw verband van drie Jaaren aangesteld is, in steede van den na d'En„ den Mattroos scokkaart gelsche, 1: „ 6 326. Den 1e October A„o 1770. Novenstaande Militaie zijn in Gagie verhoogt. gelsche overgeloopenen Gezaghebber Nanning Gresteij. Dat opgemelden Datum, op ordre van den Heer Gebieder op haar ge„ daan versoek, mitstijds Expiratie de onder„ staande Militairen uijt 't Guarnisoen in Gagie verhoogt zijn, als. Johan Jacob Trinner van Wirtenberg Trompetter van ƒ10:- tot ƒ: 24: - per maand Jurriaan Cooter van Hamburg Sold:t van ƒ 10:—. tot ƒ12::- per maand met toevoe„ ging van 't surplus sijner Verdiende ga¬ gie zeedert den 15=e Gber 1768. als wanneer sijn Verband is G'expireerd geweest, Jacob Meijer van Beijersdorf sold:t van ƒ 13:: tot ƒ14. ter maand met toevoeging van 't surplus sijner Verdiende Gagie sedert den 1:e September 1769. sijnde den tijd dat sijn Jongste verband is G'ex„ pireerd. / da 327. Den 1„ October A„o 1750. En de ter zijde Gem: persoonen als sol¬ daaten met ƒ12:-: in dienst gewoonden pireerd geweest, Johan Casper Woonrouw van Saxan Louwenburg soldaat van ƒ: 9: tot ƒ/1: per maand. Willem Nijnens van Swentenhauisen van ƒ. 11: tot ƒ 18: -. per maand met 't surplies sijner verdiende gagie zeedert 18 Augustus 1767, zijnde den tijd van d' Expiratie sijns Jong„ sten verbands. Joseph Uijsburg van Ijperen, soldaat van ƒ. 11. - tot ƒ 13=- ter maand Alle onder een verband van drie Jaaren, op gemelden datum ingaande, Mitsgaders dat op de ondervolgende datums als soldaten met ƒ12:-: ter maand in den dienst der E: Comp:e sijn aangenomen, als op den 1e September, Dominge de Baam van Bengaalen Fran Cisco, ing 328. Den 1 October A„o 1770. Jevan Cisco Havier van Madras Pedro de Roseiro van Bengalen, Tome de Lima van Souratta manuel Anthonij de Coersa van Bregance op den 12e Mattys martin van Souratta Francisco de Cose van Bombaij Jan Hendrik Tomas van Colombo F - op den 24e. Dito Manuel Rodrigo van Stoeval Calcatte Jeronimo de monde „ stoeval Geraldo Joseph „ Jeseph Treremarques, spade de La meo. op den 27e Dito Jacob michel van Cessabon: Enas de Roseiro „ manulhas mattheus Eneus „ Bompaij op den 28e Dito Francisco Witurino van Lissabon Jean. zijnde ant H een op in steed bin 329. Den 1e October A„o 1770. Bij het Engelseh opperhoofd Ginsteerd zijnde. op antwoord nopens den opbouw van een steene in steede van een in gestort huijs is G'antwoord dat, dat versoek na Bombaij voorgedragen word den insus va antij apt Jean Baptist van Lissabon _=o Manuel Repose „ onder een verband van 5 Jaaren Voorts dat op den 3. e d=o de Raadsleeden Huijsinga & van Citters na 't Engelsch opperhoofd den Heere Draper sijnde ge„ sonden om te versoeken en te Insteeren op een antwoord op 't schrijven van den Heer Direc„ teur in dato 13 e Julij Jongstleeden nopens den opbouw van een nieuw in steede van een voor Ouderdom ingestort steene Huijs, ge„ melde Gecommitteerdens ten antwoord heb„ ben gekreegen, Dat dat verzoek na Bombaij overgesonden dog daar op als nog geen ant„ woord ontfangen was, en dat sijn Ed:s bij eerst af te gaane schrijvens op een spoedig antwoord aandringen soude. Dat op den 5de eene in Gereedheijd Gebragte, _ 1 330. Den 1e October A„o 1770. tendeerende versoek om antwoord over de schuld van James Stevens Gebragte Missive voor 't Bombaijs Minis terie, G'approbeerd en Geteekent is, ten dee„ rende een nader versoek om antwoord op deser tijds te meermaalen herhaalde instantie tot voldoeninge van de schuld van den te Pun„ to Gale Schipbreuk geleeden hebbenden James Steevens, van volgenden Jnhoud, Bombaij Aan den WelEdelen Groot Agtbaare Heere Thomas Hodges Praesident van Weegens de honorabele Engelsche Compagnie en Gouverneur van zijn koninglijke majesteijts Casteel Beneevens Den Raad. WelEdele Agtbaare Heer En Heeren! Wanneer we bij onsen brief van den 15:e maart 1769. „ bij uwelEd: insteerde om den koopman James Steevens te „ willen verpligten ter voldoeningen van sodane Summa „ van Rop:s 1048:-. als door de bediendens te punto-Gale aan„ „ zijne scheepelingen bij het stranden van desselfs scheep„ 6 jen

NL-HaNA_1.04.02_3298_0365 view scan ↗

English

331. The 1 October Anno 1770. and dispatched. advanced to the ship The Industrie, Your Honours replied to us in your honoured letters of the 14th April that this matter was submitted to your venerable officials in England, and that Your Honours were awaiting their reply. We have suspended action on this matter until the 10th October following, when we renewed our aforementioned request by letter of that day. However, since Your Honours replied by letter of the 14th December that Your Honours, for the reasons mentioned therein, could not yet give us a satisfactory answer, we have once again waited until the present day, and now take the liberty, as we are informed that most of your ships from Europe have already arrived at Bombay, to request Your Honours once more, with repetition of all that was mentioned in our previous letters written concerning this matter, to oblige the said James Steevens to the payment of the aforementioned debt. And although we can never believe that Your Honours' superiors in Europe could or would ever discharge anyone without payment from such a just debt, we nevertheless cannot refrain from submitting to Your Honours' own consideration how disagreeable it is to be obliged to demand back with so many difficulties such moneys advanced for rescue in the utmost distress. We have the honour to be with much respect, /:was written beneath:/ Honourable, Worshipful Sir and Gentlemen /:lower:/ Your Honours' humble servants /:was signed:/ M:s J:n Bosman, A=m J:s Sluijsken, I: van der Sleijden, N:s Holmberg, I: Huijsinga, F:s B:s Zimmerman, C: van Citters Aarnout's son, and R: C:s de Vassij /:in the margin:/ Surat the 1st September 1770. And that the same letter was handed over on the 6th thereafter to Mr Draper by the commissioners Zimmerman and de Vassij. That. 1 n 332. The 1 October Anno 1770. To the second in Broach, Meijer, a short trip at his own expense is permitted. From Broach a letter and a duplicate inventory of the end of August have been received. The deduction for Bombay together with an English translation handed over. That on the 10th the Second Factor of Broach, Egidius Meijer, upon his made request, was permitted by a brief note to make a short trip hither at his own expense. And that on the 11th ditto a letter was received from both Factors together with the first set of their trade books of the year 17 23/10., and a duplicate inventory of that office of the end of August last past, with expressions of thanks for the permitted sight presents to the Governor and quarter-collector there. That on the 14th the deduction to the English ministry in Bombay, inserted in the latest resolution of the 16th August, was handed over, together with an English translation, by the commissioners Huijsinga and van Citters according to custom to and the 1st set of trade books Huijsinga The 333. The 1 October Anno 1770. The Second of Broach arrived. Account of the used and remaining stamps. Huijsinga and van Citters according to custom to Mr Draper, with the request to dispatch the same thither as soon as possible. And finally that on the 17th the aforementioned Second Factor of Broach, in accordance with the permission granted to him, arrived here, bringing with him the second set of the trade books of that office. Furthermore, the Director produced an account of the receipts and expenditures of the used & prepared instrument stamps, as well as of the remainders of the same from the 1st March to the end of August, drawn up by the Chief Administrator and examined and signed as approved by two Judicial Councillors together with the Fiscal. Whereupon it was thought proper 2 334. The 1st October Anno 1770. It was thought proper to insert the said finding here, while at the same time it was noted here Of which the moneys have been counted into the treasury. that the moneys of the used stamps, on the warrant of the Director, have already been counted into the treasury at rupees 125:28. Finding of such blank and printed instrument stamps as were still in the custody of the undersigned, along with an indication of such types as have been stamped and initialed as well as used since the 1st March until the present, and how many pieces of each still remain; namely: Blank stamps: Of 25 Rixdollars: Remaining on hand 20 pieces; Initialed on date 12 July: — pieces; Total: 20 pieces; Used: — pieces; Remaining on date: 20 pieces. Of 20 ditto: Remaining on hand 12 pieces; Initialed: — pieces; Total: 12 pieces; Used: — pieces; Remaining on date: 12 pieces. Of 10 ditto: Remaining on hand 24 pieces; Initialed: — pieces; Total: 24 pieces; Used: — pieces; Remaining on date: 24 pieces. Of 8 ditto: Remaining on hand 35 pieces; Initialed: — pieces; Total: 35 pieces; Used: 1 piece; Remaining on date: 34 pieces. Of 6 ditto: Remaining on hand 57 pieces; Initialed: — pieces; Total: 57 pieces; Used: — pieces; Remaining on date: 57 pieces. Of 5 ditto: Remaining on hand 29 pieces; Initialed: — pieces; Total: 29 pieces; Used: 4 pieces; Remaining on date: 25 pieces. Of 4 ditto: Remaining on hand 29 pieces; Initialed: — pieces; Total: 29 pieces; Used: 1 piece; Remaining on date: 28 pieces. Of 5 ditto: Remaining on hand 43 pieces; Initialed: — pieces; Total: 43 pieces; Used: — pieces; Remaining on date: 43 pieces. Of 2 ditto: Remaining on hand 49 pieces; Initialed: — pieces; Total: 49 pieces; Used: — pieces; Remaining on date: 49 pieces. Of 1 ditto: Remaining on hand 6 pieces; Initialed: 50 pieces; Total: 56 pieces; Used: 6 pieces; Remaining on date: 50 pieces. Of 1/2 ditto: Remaining on hand 137 pieces; Initialed: — pieces; Total: 137 pieces; Used: 25 pieces; Remaining on date: 112 pieces. Of 1/4 ditto: Remaining on hand 94 pieces; Initialed: 100 pieces; Total: 194 pieces; Used: 55 pieces; Remaining on date: 139 pieces. Of 1/8 ditto: Remaining on hand 43 pieces; Initialed: 150 pieces; Total: 193 pieces; Used: 114 pieces; Remaining on date: 79 pieces. Printed stamps consisting of acts, passes, and letters of protection, exactly as in the finding of the date end of February of this year: Remaining on hand 515 pieces; Initialed: — pieces; Total: 515 pieces; Used: — pieces; Remaining on date: 515 pieces. Total pieces: Remaining on hand 1122 pieces; Initialed: 300 pieces; Total: 1422 pieces; Used: 206 pieces; Remaining on date: 1216 pieces. /:was written beneath:/ Surat the day end of August Anno 1770. /:In the margin:/ The remaining stamps found as above by us, the undersigned Judicial Commissioners /:was signed:/ R:t C:s de Vassij, Matt:s Monte /:in the middle:/ in my presence /:was signed:/ J: van der Sleijden

Dutch transcription

331. Den 1 October A„o 1770. en afgesonden. „jen The Industrie uijt geschooten, sijn hebben uwelEd ons daar op bij derzelver G'eerde Letteren van den 14:e April Gerescribeerd, dat deese zaak aan derselver Eerwaarde Amp„ „ tenaaren in Engeland onderworpen was, en dat uwelEd=e Ver„ „ selver antwoord verwagtende waaren, wij hebben hier op Gesupersedeerd tot den 10:e October daar aan, wanneer wij de „ voorgem: onse Jnstantie bij brief van dien dag vernieuwd hebben, Dog daar op door uwelEd=e bij missive van den „ 14:e December sijnde antwoord, dat uwelEd=e ons daar „ op om de daar bij gemelde reedenen nog geen voldoenend antwoord konden Geeven, hebben wij wederom tot „heeden afgewagt, en neemen thans de vrijheid, alsoo we G'informeerd sijn, dat bereeds de meeste uwer „ scheepen uijt Europa op Bombaij aangeland zijn„ „ uwelEd=e onderherhaalinge van al het gemelde bij onse „ voorige deesen aangaande geschreevene brieven nogmaals te ver„ „soeken om gedagten James steevens tot de betaalinge van „ voorgemelde schuld te verpligten, en schoon wa nooijt kunnen gelooven dat uwelEd: superieuren in Europa ooijt iemand van diergelijken regtvaardige schuld sonderen kunnen of willen libereeren, soo kunnen we egter niet voor bij uwelEd: selfs in Consideratie te geeven hoe onaangenaam het is, om „ diergelijke gelden tot redding in de Uijterste verlegentheijd „ Uijtgeschooten, met zoo veele moeijelijkheeden te rug te „ moeten vraagen. „ Wij hebben d' eer met veele agting te zijn, /:onderstond:/ „ WelEd: Agtb: Heer en Heeren /:lager:/ uwelEd: Agtb:s oot„ „moedige dienaaren /:was geteekent:/ M:s J:n Bosman„ „ A=m J:s Sluijsken, I: van der Sleijden, N„s Holmberg, I: Huij„ „ Singa, F:s B=s Zimmerman, C: van Citters Aarn:t zoon, en „ R: C:s de Passij /: in margine Souratta den 1:' september 1770. En dat deselve Missive den 6:' daar aan door de gecommitteerdens zimmerman en de Vassij aan den Heer Draper is overhan„ digt. Dat. 1 n 332. Den 1 October Ao 1770. Aan den 2n te Brootchia Meijer is een spring togtje op eijgen kosten toegestaan van Brootchia is een missive en een dubbelde opneem onder Ult„o aug„s ontfangen. van deductie voor Bompaij benevens een Engels Translaat overge„ geeren Dat op den 10sde. den Tweeden Frac¬ toor van Brootchia Egidius meijer op zijn gedaane Instantie bij een briefjen is toegestaan op zijn eijgen kosten een spring„ togtjen na herwaarts te moogen doen En dat op den 11=e d„o van de beijde Fac„ toors is ontfangen eene Missive neevens 't Eerste stel haarer Negotie boekjes d' A„o 17 23/10. , en een dubbelden opneem van dat Comptoir onder ult„o Augus„ts Jongstlee„ den onder dank betuijging voor de toege„ stane zigt offers aan den Gouverneur en quart Jnvorderaar aldaar, Dat op den 14=de de bij 't Jongste be„ sluijt van den 16e. Augustus G'inserreerde Deductie aan 't Engelsch Ministerie te Bombaij met en beneevens een Engelsch Translaat door de Gecommitteerdens en het 1e. stel Negotie Boekjes Huijsinga Den 333. Den 1 October A„o 1770. Den Tweeden van Brootchia Garrineerd Rekening der Verbruijkte en Restant Zeguls. Huijsinga en van Citters na gewoonte aan den Heer Draper is overgegeeven, met ver„ „soek deselve ten spoedigsten derwaarts af te vaardigen, En Eijndelijk dat den 17. e der vooren gemelden Tweeden Factoor van Brootchia in voldoening van de hem verleende Permissie, alhier aangekomen is, mee„ „de brengende het tweede stel der Negotie Boekjes van dat Comptoir. Voorts produceerde d' heer Directeur eene door den Hoofd Administrateur op„ gemaakte en door twee Justieele Raden beneevens den Fiscaal G'examineerde Accoord geteekende Rekening van ont„ fangst en uijtgaave der verbruijkte & aangemaakte Instrument Zeguls mits„ gaders van de Restanten derselver 't zee¬ „dert P„o Maart tot ult„o Augustus soo wierd goed gesonden 2 334. Den 1: October A„o 1770. Goedgevonden gemelde bevinding deezen te Insereeren, Terwijl alhier teffens Waar van de Gelden in Cassa geteld zijn aangeteekend wierd dat de Gelden der ver„ bruijkte op ordonnantie van den Heer ge¬ bieder reets met rop:s 125:28. in Cas geteld Bevinding van zodanige Schoone en gedrukte Instrument zeguls als bij mij Ondergeteekende nog in waare woesen, Neevens aanwijsing van zodanige zoorten als 'er 't zedert pm Maart tot heeden zoo wel aan„ „gestempeld en geparapheert als verbruijkt, en hoe veel stux van ieder nog Resteerende zijn; te Weeten waarenter In dato 12 Julij Restant edigen verantw: Geparapheert te zamen verbruykt Datum 20:: st: —: st: 20:- st: —:- stux 20:—. 12:–. „ —:–„ 12:—. 12:–„ —:–„ 29:—„ —: –„ 29:—. 29:—„ —:–„ . . . . . . . . . . „ 29:—„ —: —„ 29:–„ 4: –„ 25:—: 4: _„o. . . . . . . . . . . „ 29:—„ —: —„ 29: —„ 1: —„ 28: —: 5: _„o. . . . . . . . . „ 43:-„ —: —„ 43:—„ —: —„ 43: —: „ 2: _„o. . . . . . . . „ 49: —„ —: —„ 49:—„ —: —„ 49: —. 6:–„ 50:—. „ — 4 _„o. . . . . . . . . . . „ 94: —„ 100: —„ 194:—„ 55: — „ 139: —. „ — 1/8. _„o. . . . . . . . „ 43: —„ 150: —„ 193: —„ 114: —„ 797: Gedrukte zeguls bestaande in Adtens Passen, en Protectie Brieven even Als bij Bevinding in dato Ult=o Februarij —:-„ 515:—. —:-„ 515:—. deezes Jaars. . . . . . . . . . . . stux 515:–. Teld stux 1122: Sux 300: stuvs 422: stux 206: Sctux 1216: —.— /:onderstond:/ Souratta Adij Ult„o Augustus A„o 1770. /:Jn margine:/ De resteerende zeguls als op gem: besonden bij ons ondergeteekende Justi„ tieele gecommitteerdens /:was geteekend:/ R:t C:s de Vassij, Matt:s Monte /:in medio:/ ten mijnen Overstaan /:was geteekent:/ J: van der sleijden 8: _„o. - . . . . . . . . . . . . „ 35:—„ —: —„ 35: —„ 1: -„ 34:—. „ 6: _„o. . . . . . . . . . „ 57: —„ —: —„ 57:—„ —: —„ 57: —: „ —½ _„o. . . . . . . . . „ 137:—„ —: —„ 137: —„ 25: —„ 112: —. „ 10: _„o. . . . . . . . „ 24:—„ —: —„ 24: —„ —: —„ 24: —. „ 1: _„o. . . . . . . . . . „ 6: —„ 50: —„ 56: —„ Schoone Zeguls van 25: Rijksd:. . . . . „ 5: „ „ „ 20: _„o. . . . . . . . . „ zijn. „ - Stipp te

NL-HaNA_1.04.02_3298_0369 view scan ↗

English

335. The 1st of October Anno 1770. Approval of a memorandum of some gifts presented by verbal order, and that the amount be settled under the ultimate of August. Anno 1770. On the ultimate of February, paid to the messenger who, on behalf of the Honorable Director, delivered the letter to General Fattesing with some accompanying gifts, and furthermore obtained a Parwana for the free transit of the Honorable Company's linens from Brootchia to this place, as follows: The memorandum of some small gifts successively presented by verbal order of the Honorable Commander from the 1st of November last until today to General Fattesing, and the procuring and purchasing of various Pommerijs or shawls having been submitted, it was deemed proper to approve the same, as they could not have been avoided but had to be done out of necessity, and to have the amount thereof, to a sum of Rupees 393½, paid out of the treasury by warrant under the ultimate of August last, in order to enter it in the books, and furthermore to detail in this document the gifted goods along with their costs: Memorandum of some monies paid by order of the Right Honorable Director, likewise Pommerijs purchased and procured during the book year 1769/1770, namely for: 24.—. 34.—. eleven 25.—. 28.—. 43.—. 49.—. 50.—. 112.—. 139.—. 149.—. 336. The 1st of October Anno 1770. Specification of some expenses paid to Harkarras. For the traveling expenses incurred for him and his retinue, as well as the hire of 1 freight cart, etc., at 3 to 11 daily, Rupees 60.—. Some small gifts and expenditures necessarily made by him to the Diwan and secretary of the said General according to the custom of the country, Rupees 33½; Rupees 93½. Pommerijs presented on the occasion of the sale of the imported merchandise, during the contracting of the return goods, namely: 7 pieces of Pommerijs or shawls, of which: 2 pieces to the Honorable Company's First Broker, Rupees 90.—. 2 pieces to the Second Broker, Rupees 90.—. 2 pieces distributed among the Linen Suppliers, Rupees 90.—. 1 piece to the son of the Honorable Company's First Broker, named Doosa Bhaij, Rupees 30.—; Rupees 300.—. Total, Rupees 393½. Below was written: Souratta, the ultimate of August, Anno 1770. Was signed: some heathen characters signifying the name of the Honorable Company's Modi. In the same manner, a specification submitted by the Purveyor Monte of some expenses paid to the Harkarras who, in the recently elapsed book year, were sent from here as well as returned with some extra letters, etc., to the amount of Rupees 92.—, having been presented, it was decided to approve the same, and to have the monies satisfied out of the treasury by warrant under the ultimate of August Anno 1770, on the 13th of March, 337. as well as that of an approved specification. The 1st of October Anno 1770. in order to still be entered in the expired book year in which these charges were borne, and to incorporate that account into this document: Specification of what was paid by the undersigned to the Harkarras who in this book year were sent from here, returned, and arrived with extra letters, etc., to wit: In May, to an Ahmedabad Harkarra who brought a robe of honor, for board during his stay and traveling money on his return journey, together, Rupees 20.—. According to custom, presented at his departure with a pattoo or rain-cloth, Rupees 7.—; Rupees 27.—. To 2 Harkarras who in November 1769 were dispatched from here to Poona, but not finding the Prince Madurauw there, went to the army, and only returned in March of this year, paid, Rupees 65.—. Total, Rupees 92.—. Below was written: Souratta, the ultimate of August, Anno 1770. Was signed: H. Monte. While it was furthermore deemed proper to approve a specification submitted by the Master Attendant Pleun van der Kuijl regarding the making and placing 338. The 1st of October Anno 1770. Regarding a newly made railing along the river side and the extending of a lean-to roof in front of the Council Chamber of Justice, etc. of a new railing along the entire stone revetment and around the approach of both water gates on the Honorable Company's wharf, over a length of 681 feet, as well as the extending of the lean-to roof of the Council Chamber of Justice on the North-East side, together with the adapting of a gallery for the dwelling of the Honorable Secunde, amounting in cash to Rupees 1940: 24, and out of the Company's provisions to Rupees 663: 17, making together Rupees 2611: 41, since the same did not appear to this Council to be set too high at all, and to have the amount thereof, in the manner aforesaid, received out of the treasury under the ultimate of August; and to insert the specification itself into this document. Specification

Dutch transcription

335. Den 1:e October A„o 1770. approbatie van een memorie van Eenige op mondelijkge ordre ge„ „dane Geschenken en dat bedragen onder Ult: Aug=s te verevenen Brief aan den Generaal Fattesing met eenige bygevoegde geschenken overgebragt, en daar beneevens Een Perwana ter vrije Passeering van S: E: Comp:s Lijwaaten van Brootchia na herwaarts g'obtineerd heeft, het volgende betaald, als A„o 170. Adij ult„o Februarij Aan den afzendeling die van weegens den Heer Directeur de De memorie van eenige opmonde¬ „linge ordre van den Heer Gebieder 't zedert : P=mo November Jongstleeden tot heeden Succes„ sive gedaane kleine schenkagien aan den Generaal Fattesing, en 't besorgen en inkoo„ per van diverse Pomerijs of s' Jaals overge„ legd sijnde, wierd goed gevonden deselve als niet hebbende kunnen Gemenageert, maar noodsakelijk moeten gedaan worden, te approbeeren en dies bedragen tot eene som„ ma van Ro/o. 393½. om het zelve bij de boeken nog onder ul„o August Laastleeden te verkan„ delen uijt Cassa te laaten betaalen en voorts de verschonkene goederen met haar kostende in deesen te Extendeeren: Memorie van eenige op ordre kan den WelEd: Agtb:r Heer Directeur betaalde Gelden, Item Jngekogte en besorgde Pommerijs geduurende het Boekjaar 173/10 Namentlijk voor. 24:—. 34:—. elnven 25. -. 28:—: 43: —. 49: —. 50:—. 112:—. 139:— /49: te en 336. Den 1: October A„o 1770. specificatie van eenige Ongelden aan Harkarras betaald voor de Gedaane Reijs onkosten, voor hem en dus gevolg„ mitsgaders huur van 1 Vragt kar ensz: a 3„a 11 daagsis ro/a 60:—. Eenige door hem aan de Diwaan en secretaris van gedagte Generaal noodsakelijk gedaane kleijne ge„ „schenkjes en uijtgiften volgens Lands gebruijk „ 33:½ r„ 93:½. Verschonkene Pommerijs ter gelegentheijd van den verkoop der aangebragte koopmansz:, in de gedaane Aanbesteeding van Rethouren, als 7: –. stux Pommerijs of sjaals daar van 2 p„s aan 's: E: Comp„s eerste Makelaar. . . . ro/s 90: —. 2: „ „ _„o Tweede _„o. . . . . . „ 90: —. 90: —. _„o Lijwaat Leveranciers verdeelt. . . „ 1: „ „ de zoon van s E Comp„s Eerste Makelaar in 30: –. „ 300:—. Naame doosa Bhaij. . . . . . . . „ Somma - - - - Ro/a. . . . 393½ /:onderstond:/ Souratta Adij ult„o augus„s A„o 1770. /:was geteekent:/ eenige heijdense Caracters betekenende de naam van 's E Comp:s Moedij 2: „ „ Inselver voegen sijnde overgelegt eene door den Dispencier Monte overgegeevene specificatie van eenige betaalde ongelden aan de Harkarras die in 't Jongst gepasseerde Boekjaar met eenige Extra Brieven &=ra, Wits zoo van hier gesonden als Geretourneert sijn, ten bedraage van Rop:s 92:—. zoo wierd G'approbeerd, en dies bedragen beslooten Deselve te approbeeren, en de gelden op ordonnantie onder ult=o Augus„ts A„o 170. Adgj 13 Maart„ uijt 337. zo wel als dat van een G'approbeerde specificatie Den 1 October A„o 1770. uijt Cassa te laaten voldoen, ten einde nog in het afgeloopen boekjaar, waar in deeze lasten gedragen sijn verhandelt te worden, Mitsgaders die Rekening in deezen in te lijven, Specificatie, van het door den ondergetee„ „kenden betaald aan de Harkaras die in dit Boekjaar met Extra brieven ensz: soo van hier gesonden geretourneerd en aangekoomen zijn; te weeten. In Meij aan een Amed Abaadse Harkarra die met Eeren kleed ge„ „bragt heeft voor kostgeld geduurende zijn verblijf en reijsgeld op zijn te rug reijs te saamen. . . ro/a 20: —. Volgens Usansie bij zijn vertrek met een pattoe of reegen kleed beschonken. . . . . „ 7:— ro/a 27:—. aan 2 Harkarra die in 9br 1769. van hier na Poena afge„ „vaardigd: dog den Vorst Madurauw aldaar niet vin„ „dende na 't leger gegaan, en in Maart deezes jaars Eerst weeder te rug gekoomen zijn, betaald - - - - - „ 65:—: Somma Rop:s 92:—. /:onderstond:/ Souratta den ult„o augus„t A„o 1770. /: was geteekent:/ H: Monte. Terwijl al verders goed-gesonden, wierd om eene door den Equipagie opzien„ „der Pleun van der kuijl ingediende specificatie weegens 't doen maaken en Setten./ 93:½. 338. Den 1 October A„o 1770. weegens een aangemaakts nieuuw Leuning lang de Reeier kant en 't Uijtsetten van een afdak voor de Vergader saal van Justitie &=a sitten van een nieuwe Leuining, langs de gantsche steene beschoeijing, en rond„ „som den opgang der beijde waater poor„ „ten, op s: E: Comp:s werf, ter lengte van 681. Voeten, zoo meede 't uijtsetten van 't afdak van de Vergaderzaal van Justitie op de N: O: Bier mitsgaders 't appropieeren, van een Gaanderij voor de wooning van den Heert secunde groot in Contant R„a 1940: 24. En uijt sComp:s voorraad:. . . . . „ 663: 17:- rop„s 2611 41 . dan wel te zamen. .. te approbeeren, nadien deselve deesen raade in 't geheel niet toescheen te hoog gestelt te sijn, en dies bedragen invoegen voorschreeven, nog onder ulto Augusi uijt Cassa te laaten ontfangen; mitsgaders de specificatie selven deesen te Jnserreeren. Specificatie

← previousnext →