Inventory 3337
Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
123 246 stated, but that those of the negorij Hatilen and Hottij likewise trade with the said peoples. Furthermore, that some time after the departure of the Salwattiers, the son of the radja of Roemasaal arrived at his negorij with a small and large Mahoelie, having sold two flintlocks and some trifles to the people of Waroe. While upon further interrogation as to why he made up such gross lies to the head of the recent cruise expedition by saying that his subordinates were present in the negorij, whereas the contrary was found, since His Honor found no one else but him, the declarant, and his mother, he replied to this that when he went on board to welcome the Captain, his people were present in the negorij; but that during the time he was on board, they had all fled out of fear, in the same manner as they had also done upon the arrival of the recent Hongi fleet in the past year, as well as when the Commissioners were present before his negorij for the proclamation of the manifesto concerning the cession of Ceram. Lastly, he, the declarant, stated that the negorij Waroe was divided into three campongs, with the quimelaha, named Leba, having command over one campong, the orangtoua Domies over the second, and he, the declarant, over the third or the smallest, it being therefore impossible for him to make the inhabitants remain in the negorij. With which this declaration of his came to an end. Underneath stood: Examined d V: Soenen Underneath stood: Thus done and declared at the ordinary council chamber of Justice at Amboina at Castle Victoria, date as above, in the presence of Simon Troojers and Gerardus Hengeveldt, both members of the Honorable Worshipful Council aforesaid, who have signed the minute of this, along with the declarant and me, the secretary. Lower: This witnessed: Was signed: E: J: Beijnon secretary. Today, the 31st of May Anno 1771: Appeared before and in the presence as above. Waroe, orangkay of Waroe, to whom his declaration given on the 28th of this month was now read aloud anew by form of re-examination clearly in the Malay language and made understandable, the appearer persisted therein invariably, without desiring that anything be added or removed. Underneath stood: Thus done and re-examined at the ordinary council chamber of Justice at Amboina at Castle Victoria, date as above. Was signed: set in Arabic characters by the re-examined Waroe. Lower: In my knowledge: Signed: E: J: Beijnon secretary. In the margin: Present before us: Signed: S:n Projer and G:s Hengeveldt. Agrees. Haringaru 125 248 Articles, which the inhabitants of Waroe shall have to observe until such time as other orders are received from the undersigned Extraordinary Councillor of Netherlands India, Hendrik Breton, Governor and Director, along with the Council at Amboina. Firstly The peoples mentioned in the heading of this are made known that all the Cerammers now stand again solely under the authority and governance of the Governor and Director, along with the Council at Amboina, since the King and Grandees of the Realm of Tidoore on the 4th of the Month Jofar 1182 have renounced the right that His Highness had to the negorijen of Ceram's East Coast, and have restored all the negorijen on Ceram forever to the Dutch Company. Secondly They are made known that they are hereby released from the oath of allegiance that they had made to His Highness of Tidore. Thirdly For that reason, the undersigned Governor forbids all inhabitants of Waroe to obey any orders from the Tidore Court, or to give any more tribute to the same, and on the contrary orders them to show not the least honor or any help to the emissaries who might come to Waroe on behalf of the Tidore Court, but to apprehend them and deliver them over to the Company. Fourthly The inhabitants of Waroe, now standing under the Company, shall not be permitted in any way to sail with Tidore flags and pennants, but must only use those that are given to them on behalf of the Company and none other. Fifthly They shall not be permitted to maintain intercourse any longer with the Papuans, whatsoever named, or any peoples in the Moluccas, but must drive away, chase off, or apprehend them when they arrive among them, and hand them over to the Company; but when such foreigners resist against this, they must be killed and their vessels captured. Sixthly The inhabitants of Waroe shall not be permitted to send any vessels, whether on an embassy or privately, to any of the Papuan Islands, whatsoever named, or maintain correspondence with foreign nations, but must content themselves solely with those lands that have been given to them on behalf of the Company. Seventhly All the Buginese, Macassars, Mandharese, and other foreign peoples coming from the west or east, shall be apprehended, handed over to the Company, and, in case of unwilling surrender, struck dead. Eighthly Both the chiefs and common inhabitants of Waroe shall have to search whether any spice trees are to be found in their district, and upon discovery of the same, make this known to the undersigned Governor.
Dutch transcription
123 246 „teert, maar dat die van de negorij Hatilen en Hottij insgelijks met gem: volckeren handel drijven. — — voorts dat eenige tijd na het vertrek der salwattiers de zoon van den radja van roemasaal met een kleine en groote Mahoelie zijn. negorij aangedaan, twee snak„ „hanen, en eenige kleinigheeden aan de volckeren van waroe verkogt hebben. Terwijl op verdere interogatie waarom het hoofd van de Jongste kruijs Expeditie zulke grove leugens, op de mouw leeft gespelt met te zeggen dat zijn onderhorige in de nogerij present waaren daar nogthans het Contrarie van dien bevonden is dewijl zijn E: niemand anders, dan hem declarant en zijn moeder gevonden had, zo quam hier op te repliceeren, dat toen sij na boord ging om den Capitain te gaan verwelkommen, zijn volck, in de negorij present geweest zijn; maar dat in die tus„ „schen tijd dat aan boord was, zij alle uijt vreese gevlugt waaren, in welker voegen zij meede gedaan hebben, met de komst van de Jongste Hangij vloot in A=o pass=o als meede toen de Commissianten, ter afkandi„ „ging van het manifest, noopens den afstant van Ceram voor zijn negorij aanweesig zijn geweest: —:—: Laastelijk verklaarde hij declarant dat de negorij waroe, in drie Campangs verdeelt was hebbende. het Commando over d' eene Campang, den quimelaha, leba genaamt, over de tweede, den orangtoua Do„ „mies, en over de derde af de klijnste hij declarant, zijnde het hem overzulks ondoendelijk geweest om de inwoonders, in de negorij te doen verblijven. —. Waarmeede deese zijne declatatie kwam te eijndigen /:onderstond:/ -.- - nagesien d„ V: Soenen /:onderstond:/ Aldus gedaan en gedeclareert, ter ordinaire raadkamer van Justitie tot Amboina aan 't Casteel Victoria, dato voors: ter presentie van si„ „man Trogers en Gerardus Hengeveldt beijde leeden. uit den E: Agtb: raad voornoemd die de minute deses, nevens den declarant, ende mij secretaris hebben on„ „derteekend /:lager:/ Dit getuijgd: /: was geteekend:/ E: J: Reijnon secretaris. Heeden den 31: Meij Anno 1771: Compareerde voor en ten overstaen als vooren. —. . – . Waroe, orangkaaij van Waroe, aan de welke sijne op den 28: deeser gegeevene declaratie thans de no„ „vo bij Corma van recollement in die maleid„ „sche spraake duijdelijk voorgehouden en te verstaen gegeeven zijnde, so bleef hij Comparant daar bij onveranderlijk persisteeren zonder te begeeren dat er iets bij ofte afgedaen zal werden /:onderstond:/ Aldus gedaan gerecolleerd ter ordinaire raed Camer van Justitie tot amboina aen 't Casteel victoria dato voorz: /:was geteekend :/ met arabi„ „sche kragter gesteld door den recolland waroe /:lager :/ In kennisse van mij /:geteekend:/ E: J: beijnon sec:s /:in margiene:/ ons present /:ge„ „teekend:/ S=n Proger en G=s Hengeveldt, Accordeert. Haringaru 125 248 van waroe zullen moeten observeeren tot zo lange dat andere ordre van den ondergeteken„ „de Raad extra ordinair van Nederlands India Hendrik Breton Gouverneur en directeur benevens den Raad te Amboi „na ontfangen. — Eerstelijk Prticulen, dewelke de Inwoonders werden de in hoofden dezer genoemde volkeren bekent gemaakt, dat alle de Cerammers nu weder alleen onder 't gezag en bestier van den gouverneur en directeur beneevens den Raad te Amboina staan, alzo de koning en Rijxgroten van Tidoore op den 4: de Maand Jofar 1182: van het zein regt dat zijn Hoogheid op de Negorijen van Cerams oost Cust gehad heeft gerenuntieert en alle de negorijen op Ciram voor altoos aan de Hollandsche Comp: gerestitueert hebben Ten 2=de werd hun bekend gemaakt, dat zij bij dezen ontslagen worden van den Eed van trouwe die zij aan zijn Hoogheit van Roove gedaan hebben— Ten 3=de ouit dien hoofde verbied den ondergetekende gouverneur alle inwoon„ „ders van waroe om eenige ordres van het Tidorsche Haf te obedieeren, af tribuit aan 't zelve meer te geven en ordonneert daar en tegen de zendelingen die van wegens het Tidorsche waf te waroe mogten komen geen de minste eere of eenige hulpe te bewijsen, maar hun op te paeken en aan de Comp: over te leveren. — sen 4 ver en d:/ raed steel Ten 4=e de Jnwoonders van waroe nu ander de Comp: staande zullen in gemen deele vermogen met Tidorese vlaggen en wimpels te vaaren, maar alleen gebruiken moeten die welke hun van wegens de Comp: werden gegeven en anders niet — 71 zullen zij niet vermogen langer gemeenschap houden, met de Pappoen, hoe genaamt of eenige volkeren in de Moluccos maar die wanneer bij hun aankomen moeten verdrijven weg jagen of opvangen, en aan de Comp overgeven, maar wanneer zodanige vreemdelingen zig daar tegens te weer stellen, dan moeten zij gedood en hunne vaartuigen vermees„ „tert worden — De Jnwoonders van waroe, zullen geen vaartuigen het zij in gezandschap of particulier naar een der Papoese Eilanden hoe genaamt vermogen te zonuden of brief wisseling met vreem de natien houden, maar zig eenelijk moeten vergenoegen met die landen die hun van wegens de Comp: gegeven zijn — de Ten C= Alle de boegineesen, Maccassaren, Mandhareesen en, andere vreemde volkeren van de west of oost konnende, zullen overwvan„ „gen aan de Comp: overgelevert en bij onwillige overgave dood geslagen moeten worden. zo wel de hoofden als gemeene jnwoonders van waroe zullen hebben op te speuren of er geen specerij bomen in hun district te vinden zijn, en bij ontdekking van dezelve zulx bekend maken aan den ondergeteekende gouverneur Ten 8. Ten 6=de Ten 5de sen
English
9th. Annually, by mid-September, the people of Waroe must appear at the main castle in Amboina with a corocoro of three nadjoes to attend the Hongi. 10th. For all Company ships, sloops, pantjalangs, or other vessels that might happen to be cast upon Waroe through distress at sea, the inhabitants remain bound to assist with everything within their power, and the chiefs shall have to take care that no harm is done to such a vessel. 11th. If any inhabitant of Waroe, whether chief or commoner, fails to comply with these articles, he shall be punished for it most rigorously, indeed even with death, according to the findings of the case. And 12th. In return, they are permitted to transport the products that Waroe yields to Amboina or Banda, provided that they first obtain a pass for that purpose from Sawai and call at no other places than those where the Company possesses holdings. Below stood: Given at Waroe the 10th of November Anno 1768. Was signed: A. Breton In the margin: The Company's large seal pressed in red lacquer, and written beside it: By order of the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor and Director of this Province. Was signed: P. I. Beynon, Secretary of the Hongi. Lower down: Agrees. Signed: J. H. Paringauwe, Secretary. Ten 9. 1 E Agrees Haringarw [illegible] Checked: Van Loenen. 129 251 To the Right Honorable Lord! Amboina. Joan Abraham van der Voort, Governor and Director there. Right Honorable Lord, Since Your Right Honor's separate dispatch of the 29th of November 1770, sent in original with the Chinese Tjie Tjenko, was brought back to Amboina due to his aborted voyage, and on that account could not be answered by Mr. Munnik, my predecessor in administration; I now have the honor to reply briefly both to this letter and to Your Right Honor's two subsequent separate letters of the 16th of March and the 1st of April of this year, and in the first place to express my gratitude to Your Right Honor for the intelligence provided in your oldest dispatch of the 29th of November 1770 regarding the appearance of a Spanish or English ship, which was reportedly seen off the island of Gebe and around the districts of Maba, Weda, and Pattani with the intention of bartering spice trees for flintlocks and gold and silver fabrics; as I likewise offer thanks for the communication and the transmission of the declaration of the Ambon burgher Pieter Goedvriend, proving that a certain French brigantine had made landfall on the north coast of Ceram in the month of April of the past year, whose crew members had made the most favorable offers to the named Pieter Goedvriend, solely with the aim of obtaining clove and nutmeg saplings. Furthermore, accepting the communication regarding the arrest of the Weda native Lokman with some of his companions, I refer in that regard to what is noted in our general letter of today; wherein Your Right Honor will also find answered the matter noted by Your Right Honor in the dispatch of the 16th of March last, concerning the hostilities committed by the Tobelo Alfoors at Bouro, and the report of the Captain of Mixoual, who had related that the Papuans of Salwatti were reportedly intending to overpower the first-named island with 100 corocoros, Your Right Honor.
Dutch transcription
J N 250 'sjaarlijks met Medio September zullen die van waroe te Amboina aan 't hoofd Casteel moeten verschijnen met een Corra Corra van drie Nadjoes om de Hongij bij te wonen. — Ten 10: Alle Comp„s schepen, sloepen, Pantjallings, of in in dere vaartui „gen, die door zeenood op waroe mogten komen te vervallen, blijven de inwoonders gehouden met al wat hun doenlijk is te adsisteeren, en de opperhoofden zullen moeten zorge dragen dat aan zodanig een vaartuig geen leed gedaan werde. — Ten 11: Indien eenig Jnwoonder van waroe het zij opperhoofd of gemeene deze articulen niet nakomt zal hij daar over op 't rigoureust Ja zelfs met de dood gestraft werden naar bevinding van zaken, ve indelijk im, en Ten 12: Daar en tegen word hun vergunt om de Producten die waroe uijt levert te mogen vervoeren naar Amboina of Banda, mits daar „toe eerst een pas van Sawaij halen en gene andere plaatzen aan doen, den dezulke alwaar de Comp: bezittinge heeft. /onderstont/ Gegeven te waroe den 10:' November Ao 1768: /:was getekent/ A: Breton /:inmargine / 'sComp:s groot zegul gedrukt in roo„ „den lacque en daar bij gesz: Ter ordonnantie van den wel Ed: gostr: groot Agtb: Heer gouverneur en directeur dezer Provintie /was gete„ „kent:/ P: I: Beijnon hongij Secret:s / lager/ Accordeert / geteekend. / J: H: Paringauwe Sec:s Ten 9. 1 E Accordeert Haringarw geen en den p Cmp gens vermees. teg 8 in e dere over wvan„ dood ekend llen . 1 he„ nagesien/ „ V„n Loenen. 129 251 Aan den wel Edelen Agtbaren Heer! Amboina. Joan Abraham van der Voort, Gouverneur en directeur aldaar. Wel Edele Agtbare Heer Vermits uw wel Edele Agtbares aparte missive van den 29:e N„ „vember 1770: in originali verzonden met den Chinees Tjie Tjenko, door desselfs verloren reise op Amboina te rug gebragt, en dieswegens niet door den Heer Munnik, mijn praedecesseur in 't bestier beantwoord heeft kunnen werden; en zoo heb de eer zoo wel op deese als op uw wel Edele Agtb: twee latere aparte brieven van den 16:' Maart en 1:' April deeses Jaars, thans kortelijk te rescribee„ „ren, en uwel Edele Agtb: in de eerste plaatsdank te betuijgen voor het bij des„ „selfs oudste missive van den 29:' November 1770: gegeven narigt van de verschijning van een spaansch of, Engelsch schip, dat van het eiland gebe, en omtrent de districten van Maba, weda en Pattani gezien zoude zijn met voorneemen om specerij boomen teegens snaphaanen en goude en zilvere stoffen in te ruilen: gelijk almeede bedanke voor de Communicatie, en de toezending van het declaratoir van den Ambons Burger Pieter Goedvriend, ten blijke dat zeekere fran„ „sche Brigantijn, in de maand April van het gepasseerde Iaar, op de Noord„ „Cust van Ceram wat aangeland, en wiens schepelingen genoemden Pieter goed„ „vriend de favorabelste aanbiedingen hadden gedaan, eenelijk met oogmerk om Nagel en Noote Boomties magtig te werden: Wijders voor Communicatie aannemende de opligting van den wedarees Lokman„ met eenige zijner makkers, refereere ik mij dien aangaande aan het genoteerde bij onse gemeene brief van heeden; waar bij uw: wel Ed: Agtb: almede b'ant„ „woord- zal vinden het door uw wel Ed: Agtb: genoteerde bij missive van den 16:' Maart verweeken, betreffende de gepleegde vijandlijkheeden der Tobilse alsoeren te Bouro, en de bekentmaking van den Capiteijn van Mixoual, die gerelateert had dat de Paponen van Salwatti voorneemens zouden zijn eerstgenoemd Eijland met 100: Corre Corres te overrompelen, uwel Edele Agtb:
English
Your Honorable will be able to perceive from our outgoing general letters, and the reports accompanying them, that we leave nothing untried to continually admonish the kings of Ternate and Tidore to keep their predatory subjects in check, and to punish them for their misdeeds. Admonitions, yes even threats of the displeasure of Their High Excellencies, were employed by us with the King of Batchian to make the voyages of his subjects to Ceram cease. Notwithstanding this, I have, however, little hope that this unlawful communication of the Batchianese will cease during the lifetime, or under the reign of this king, if the Company does not counter and prevent the same with forceful measures; since I, during my many years of residence here, have learned by experience that this fretful prince, who moreover is by far not the most well-intentioned, generally makes it his habit to elude our admonitions and good arrangements with vain promises, indeed even to answer our commissioners with sharp words and expressions when they urged him to keep his promises, or convinced him how contrary his conduct was to the sworn contracts, to which he always knows how to give another meaning, and to interpret as it suits his purpose. The two other main Moluccan kings are of a much better disposition; the one of Ternate appearing to me upright and good-natured. Among other proofs that His Highness has given of his well-intentioned zeal for the interests of the Company, it is in my opinion not the least that he has always shown himself ready, upon the slightest complaint or requisition, to deliver his ill-disposed subjects to the Company, or even to punish them most rigorously. The King of Tidor is also regarded here as a good and complaisant man, but one who does not possess the art of restraining his Papuan subjects. This scum of a people also has, in secret, its protectors among the Tidorese court grandees, who, finding their profit in the depredations of the Papuans, always know how to prevent their king, under one or another specious pretext, from punishing those robbers, or from curbing their misdeeds with his military force. This brief description of the nature and qualities of the present main Moluccan kings I have deemed not unserviceable to impart to Your Honorable for contemplation; just as I, reciprocally, consider as communicated the written report of the post-holding sergeant at Sawaij dated 26 February of this year, which was set down in Your Honorable's last missive of the first of April last, containing in substance that an English three-masted ship had lain at anchor off Salwatti, of which the crew had claimed to be awaiting six other ships at that place. I shall be mindful to give Your Honorable notice as soon as possible, in case anything further regarding the design or presumptive voyage of these or other adventurers should come to my ears, of which nothing has yet been heard here, as little as of the appearance of other European ships. Wherewith, after kind greetings, I remain, underneath was written, Honorable Sir, lower, Your Honorable's willing friend, was signed, P: I: valckenaar, in the margin, Ternaten in Castle Orange the 17th of May 1771. Agrees, J Paringaua. Ternaten To the Honorable Paulus Iacobus Valkenaar Governor and Director there Honorable Sir, I must, in dutiful reply to Your Honorable's separate letter of 17 May last, begin again with complaints about the continuous, alarming wandering and plundering of the Papuans within the jurisdiction of this province, who, according to the accompanying declaration of a native of Cajelie and an Alfuro of Maserette, both situated on the island of Boeroe, during the most recently passed Mohammedan fast, seized these people in the bay of Cajelie with a small mahoelie and brought them from there behind the land to their corra-corras, which were there to the number of six, from where they subsequently were transported to Salwattij, while the aforesaid robbers on that occasion allegedly carried off as many as one hundred people from Boeroe. Furthermore, the said declaration dictates that an English ship lay before Salwattij, which there bartered nutmegs for flintlocks. In order to avoid prolixity, I request to be allowed to refer regarding these matters to the further contents of that paper, and I kindly thank Your Honorable for the given brief description of the nature and qualities of the main Moluccan kings, with the remark that, since the King of Tidor does not possess the art of holding his Papuan subjects in check, and those robbers have their protectors in secret among the Tidorese court grandees, there is in my opinion little likelihood of seeing the alarming wandering of those marauders cease unless it is prevented and countered from our side by forceful and effective means, to which I regard as the most capable means the proposal made to Their High Excellencies by the late Mr. van Schoonderwoert from Ternaten and by the Honorable Mr. Breton from here, to...
Dutch transcription
Agtb: zal uijt onse afgaande gemeene Letteren, en de daar bij verzelde Berig„ „ten, kunnen ontwaaren, dat wij niets onbezogt laaten om de Ternaatse en Tidoreese koningen onophoudelijk te vermaanen hunne roofzieke onderdaanen in teugel te hou„ „den, en weegens hunne enveldaden te straffen vermaningen, Ia zelfs bedreigin„ „gen met de ongunst Hunner Hoog Edelheeden, werden door ons bij den koning van Batchian in 't werk gesteld, om de vaart zijner onderdaanen na Ceram te doen ophouden: Dit niet teegenstaande heb ik egter geringe hoop dat deze ongeoorloofde Correspondentie der Batchianders bij het leeven, of, onder de regee„ „ring van dezen koning zal cesseeren, zo de Comp: dezelve niet met kragtdadige middelen tegen gaat en belet; vermits ik, geduurende mijn Leeven jarig ver„ „blijf alhier, bij ondervinding heb geleert, dat deze wrevelige vorst, die daar en boo„ „ven op verre na de welmeenendste niet is, doorgaans zijn gewoonte maakt om onze vermaningen, en goede schikkingen door eijdele beloften te eludeeren, jaa zelfs onze Commissianten met scherpe woorden en uijtdrukkingen te b'antwoorden wanneer ze bij hem aanhielden om zijne beloften gestand te doen, dan wel overtuijgden hoe strijdig zijn bedrijf was met de bezwoorene Contracten, die hij altoos eenen ande„ „ren sin weet te geeven, en uijtteleggen zo als het in zijn kraan te pas koomt: De twee andere Molukse Hoofd koningen zijn veel beeter van imborst; zijnde die van Ternate zoo mij voorkomt opregt en goedaardig; onder andere blijken die zijn Hoogheit heeft gegeeven van zijn welmenende ijver voor de belangen der Maatschappij, is mijns bedunkens niet de minste, dat hij zige altoos bereitvaardig heeft getoont om op de minste klagte of requisit, zijne quaadwillige onderdanen aan de Comp=e over te leeveren, dan wel zelfs ten rigourensten te straffen: De koning van Tidor werd hier ook voor een goed en Iagtsinnig-man gehouden, dog die de kunst niet bezit om zijne Papoese onderdanen te bedwingen, Dit schuim van volk heeft onder de Tidoreese hofgrooten, in 't geheim, ook al zijne bescher„ „mers die hun profijt vindende bij de stroperijen der Papoien hun koning altoos, onder het een of ander spetieus voorwendsel weten te beletten om die rovers te straffen, of hunne euveldaden met zijne oorlogsmagt te beteugelen: Deze korte beschrijving van den aart en hoedanigheeden der teegenwoordige Moluk„ „sche Hoofdkoningen heb ik niet ondienstig g'agt uwel Edele Agtb: tot speculatie te bedeelen; gelijk ik reciproquelijk voor gecommuniceert houde het schriftelijk Rapport van den posthoudende Sergeant te Sawaij de dato 26:' februarij dezes Jaars dat bij uw wel Ed: Agtb: laatste missive van den eersten April J„o Leeden is ter needer gesteld, in substantie behelzende dat 'er een Engelsch drie mast schip voor Salwatti ten anker had geleegen waar van de schepelingen hadden voorgegeeven aldaar ter plaatze nog ses andere scheepen te zullen inwagten. Ik zal indagtig zijn om uwel Ed: Agtb: ten spoedig„ „sten kennisse te geeven, ingevalle mij iets naders wegens het dessein of de pre„ „ sumptive. t 151 „sumptive reize van deze of andere, avantururs mogt ter ooren koomen, waar van men hier nog niets heeft vernomen; zo min als van de verscheijning van andere Europee„ „sche scheepen: waar mede na geneegene groete verblijve /.onderstond. /. wel Edele Agtb: Heer ./. lager. /. uw wel Edele Agtbares bereidwillige vried. /. was getekent. /. P: I: valckenaar /. in margine. /. Ternaten in 't Casteel orange den 17:' Meij 1771:— Accordeert J Paringaua Berig„ Tiboreese te hou„ in„ koning Ceram dat deze de regee„ gtdadige ver¬ en boo„ t jaa wanneer hoe der koomt: die die der De den, dog schuim bescher„ altoos, ver Moluk tb: tot houde dato van den dat er„ waar van scheepen spoedig„ of de pre„ tive. ande„ zelfs om 253 in 133 254 Ternaten Aan de wel Edele Agtbare Heer Paulus Iacobus Valkenaar Gouverneur en Directeur aldaar wel Edelen Agtbaren Heer Ik moet in gedienstig andwoord op uw wel Edele Agtb: aparte Let„ „teren van den 17: Maij I„o Leeden weeder beginnen met doleantien over het aanhoudende zorgelijk swerven en Rooven der Papoen onder het resort deeser Provintie, die na luijd het neevensgaande declaratoir van een Jnlander van Cajelie en een Alfoerees van Maserette, beide geleegen op het Eijland Boeroe onder de Jongst gepasseerde Muhametaanse vasten deese menschen in de baaij van Cajelie met een kleine Mahoelie genoomen en van daar agter het Land na hun Corra Corra welke haar ten getalle van ses aldaar bevonden gebragt hebben van waar ze vervolgens na sal „wattij getransporteert zijn terwijl voorsz: Rovers bij die geleegendheid wel hondert menschen van Boeroe zouden vervoerd hebben voorts dicteerd ged: declaratoir dat vóor salwattij een Engels schip geleegen het welk aldaar Noten Musschaten teegens snaphanen getrocqueert heeft Ik verzoeke ter vermijding van prolixeteit mij omtrend het een en ander aan den verderen inhoud van dat Papier te mogen gedragen en bedanke uw wel Edele Agtbare vriendelijk voor de gegeeven korte de scriptie van den aard en hoedanigheeden der Moluxe Hoofd koningen, onder remarque dat wijl die van Tidor de kunst niet bezit om zijne Papoese onderdanen in teugel te houden en die Rovers onder de Tidoreese Hofs grooten in't geheim haare beschermers hebben er mijns eragters weinig apparentie is om dat sorgelijk swerven dier Marodeurs te zien Cesseeren indien het van onse zijde niet door middelen van klein en na druk word belet en teegen gegaan waar toe ik als het bequaamste middel aanmerke de door wijlen den Heer van Schoonderwoert uit ternaten en daar d' Ed: Heer Breton van hier gedaane propositie aan hun Hoog Edelens om. -
English
To as before, in order to punish the people of Maba, Weda, and Patani sensibly, with the latter, His Honour maintaining that not only would the smuggling trade be partially crushed by this, but at the same time the robberies would be prevented which they continually commit under the name of the Papuans within the jurisdiction of this government, as I have little doubt, but rather take it for certain, that the former take all too much part in the raiding. It would therefore be desirable if Their High Mightinesses could resolve to do so and Your Honourable Worship could get hold of the known Padja of Killemoerij, to which end I request that no means be left unexplored, and in conclusion to be assured that, after respectful greetings, I gladly remain, underneath stood, Right Honourable Sir, Your Honourable Worship's willing friend, was signed, I. A. van der Voort. In the margin: Amboina, in the Castle Victoria, the 15th of June 1771. Lower down: P.S. After the closing of this, I receive a letter from the Postholder at Sawaij, Brandis, dated the 2nd current, communicating among other things that the English ship which was at Salwattij, mentioned in my separate letter to Your Honourable Worship of primo April, had according to the account of the Captain of Roemasoal, Ibrahim, departed for the Spanish Manilhas and intended to return to Salwattij within three months; where they had also intended to establish a post, had they not been prevented from doing so by the Alfurs under threat of massacring the English in that case; which and other matters I have deemed not unserviceable to bring to Your Honourable Worship's knowledge. Referring to my previous separate letter of the 15th of June past, enclosed herewith in duplicate, I direct this solely to accompany a copy of a report from the Burger Captain here, Iohannes Coning, from which Your Honourable Worship will be pleased to see the invasion made by the Papuans, assisted by the Tobelorese, on the hinterland of Boeroe with fifty kora-koras, and the abduction of a number of Alfurs from that already partially depopulated island; island, where those marauders have robbed, plundered, and destroyed everything that came before them, so that it is utterly necessary that the further progress of those robberies be stopped by the most forceful and emphatic means; to which end I hereby implore Your Honourable Worship's good offices with the King of Tidor; while of this and other matters notice is also soon dutifully to be given to Their High Excellencies, and Their High Excellencies respectfully requested to be pleased to devise such measures as they shall judge necessary and expedient for reaching the aforesaid objective. In the meantime, next to respectful greetings, I remain with all readiness, underneath stood, Right Honourable Sir, Your Honourable Worship's willing friend, was signed, I. A. van der Voort. In the margin: Amboina, in the Castle Victoria, the 26th of August 1774. Agrees A. Paringauw Checked W. Je dut Report to the Honourable Sir Jan Willem van Blijdenbergh, Chief over the islands Honimoa and Nassalaut and a part of Ceram. Honourable Sir, Pursuant to the highly respected orders given to us, the undersigned Ioseph Pietersz, Corporal, and Ian Nanulaeta, messenger, to perform the census on Ceram according to custom, we arrived for that purpose on the 6th of the month of June at Familauw, and on the 7th following at Haija; but as the village head or orang kaya was then at Saparoua, the elders were notified by us to assemble the people of that village at the baleo; whereupon we heard both from the elders and common people that they say that from Upper Ceram two persons were about to come down hither, namely Mata-ulu of Cellimoerij and Ciris of Ceijlor, commanding as captains over several junks. Upon which saying, being asked by us how they could know this, we received in answer that the orang kaya's son named Hoewaja, who had recently returned thither from Werinama, had brought that news with him; whom we then also had called, and being interrogated by us whether the aforementioned was true, as also whether he did not know whither they would direct their course, he answered us regarding the first that the arrival of several junks was certain and true, and regarding the second, that since the Company
Dutch transcription
Aan als vooren om de Maba=wedda- en Pattanijreesen gevoelig te caslyden, met laatstgem: zijn Ed: sustineerende dat de sluijkhandel voor een gedeelte daar door niet alleen den boden zou ingeslagen worden, maar ook teffens belet de roverijen die zij bij aanhoudentheid op den naam der papoen onder het resort van dit gouvernement pleegen also ik het genoegsaam in geen twijfel trecke, maar veel eer voor zeeker stelle dat de eerste maar al teveel deel hebben in de stroperijen wenschelijk ware het overzulx dat Hoog deselve daar toe resolveeren konde en uwel Edele Agtbare den bewusten Padja van killemoerij magtig worden, waar toe ik verzoeke geene middelen onbezogt te laeten en ten besluijte verzekerd te zijn dat ik na respectiiuse groete gaarne verblijve /:onderstond:/ wel Ed: Agtbaren Heer, uw wel Edeles Agtbares bereijdwilligen vrind:/ .was getekend:/: I: A: van der voort. /in margine:/ Amboina in't Casteel victoria den 15:' Iunij 1771:/ Lager:/ P: S: Na het sluijten deeses ontfange ik een brief van den Posthouder te sawaij Brandis, ged„t 2:' Courant; onder anderen bedeelende dat het op salwattij aangeweest zijnde Engels schip verm: bij mijn apart schrijvens aan uw wel Edele: Agtb: van Primo April volgens het verhaal van den Capitain van Roema„ „soal Ibrahim zou vertrocken zijn na de spaanse Manilhas en voor„ „nemens weesen binnen drie maanden weeder op salwattij te komen; alwaar ook g'intentioneert geweest waaren een Post aanteleggen in dien hun zulx door de alfoeren onder bedreiging de Engelsen in dat geval te zullen massacreeren niet was belet geworden: welken en ander ik niet ondienstig g'oordeeld hebbe uw wel Edele Agtb: ter kennisse te brengen Mij gedragende aan mijne voorige aparte Letteren van den 15: Junij Pass„o hier bij in duplo gevoegd rigte ik deese eenelijk ten geleijde van een Copia Rapport van den Burger Capitain alhier Iohannes Coning, waar uit uwel Edele Agtbare bij geliefte zal zien de inva„ „sie door de Papoin gesecondeert door de Tobilders op het agter land van Boeroe gedaan met vijftig corre corren en het vervoeren van een partij Alfoeren van dat bereeds gedeeltelijk gedepopuleerde Eijland; d 135 256 Eijland, daar die marodeurs alles geroofd, geplunderd en vernield hebben wat hun maar voorquam invoegen het ten uijtersten noodsakelijk is dat de verdere voortgang dier roverijen door mid„ „delen van de meeste klein en nadruk worden gestuijt; waar toe ik uwel Edele Agtbare goede, officien bij Tidors koning im„ „ploreere bij deese; terwijl van dit een en ander ook eerlang schuld„ „pligtig kennisse staat gegeeven te worden aan hun Hoog Edelens, en Hoog dezelve eerbiedig versogt om zodanige maatregulen te willen beramen als ter bereijking van het voorsz: oogmerk nood zakelijk en dienstig oordeelen zullen: Ik blijve inmiddens naast respectieuse groete met alle volvaardigheid /:onderstond:/ wel Edele Agtbare Heer uw wel Edele Agtbare bereijdwil„ „ligen vrind:/ was getekend:/ I: A: van der voort /:in mar gine:/ Amboina in't Casteel victoria den 26: Aug:s 1774. Accordeert A Paringauw laatstgem: maar den ke t Zi welEd: boin sluijten dis; angeweest Agtb Roema¬ en voor¬ komen; en dat in Junij de inva¬ agter vervoeren puleerde es ƒ na . Nagesien W: Je dut 13 257 Rapport Aan den wel Edelen Heer Jan Willem van Blijdenbergh opperhoofd over de eilanden Honimoa en Nassalaut en een gedeelte van Ceram Wel Edelen Heer Ingevolge zeer g'eerde ordre aan ons ondergetekendens Ioseph Pietersz Corporaal en Ian Nanulaeta boode gegeven, omme na gewoonte de ziel beschrijving op Ceram te doen zijn wij ten dien einde den 6. ' van de maand Iunij te Familauw aange„ „komen, en den 7:' daar aan te Haija, dog als toen het negorijs hoofd of orangkaij zig te saparoua bevindende zijn door ons de oudstens aangezegt geworden, het volk dier negorij op de baleeuw bij den an„ „deren te laten komen; als wanneer wij hebben gehoort zo wel van de oudstens als gemeenen, dat zij zeggen dat 'er van boven Ceram stonden herwaards aftekomen twee perzoonen als Mata-ulu van Cellimoerij en ciris van Ceijlor voerende als Capitain op eenige Jonken, op welke zeggen door ons gevragt zijnde hoe zij zulx kon„ „den weten, kreegen wij tot andwoord, dat de sorangkaijs zoon gen=t Hoewaja kortelingen van werinama aldaar terug gekomen, die tijding had mede gebragt, den welken wij dan ook lieten roepen, en door ons ondervragt zijnde, of het voorschreven waar was, als ook of hij niet wist waar zij haare Cours na toe zouden stellen; op 't eerste ons ten antwoord heeft gegeven, dat nopens de aankomst van eenige Jonken zeker en waar was, en op 't tweede, dat vermits de Compag 2 nie Op
English
had not ruined and damaged their lands, they therefore wished to come here and through trade try to gain profits for their feast days; - subsequently we asked them for a prau, to let us be brought with it to soeloetij, but we received as an answer that they dared not give it to us, while the Crammers were about to come down from above; we replied thereto that they should not fear and only let us depart in time; but they answered again as before, we having for that reason remained there four days expecting that they would procure us a small vessel; since our large orembaeij is too heavy and awkward to row up into the wind. furthermore that the 10th of the same month, a man named Sopalauw came to us in the large orembaeij, to call us from there; saying that an orembaeij had been prepared for us; thereupon we went to the beach, having taken with us three of our rowers, and arriving there we find the small vessel lying, with one man and five children, who were assigned there for our transport, which children appearing to us to be incapable of handling the paddle from Haija to Toeloetij, the first undersigned Corporal went to the Negorij, to ask for other crewmen for the same, and while the elders kept themselves hidden on that account and had not been to be found, I asked a marinjoe, whom I found alone under the baleuw, for that reason (but he showing that he did not care about it, I had to address him in harder terms on that account, wherefore he then went to call out for people in the entire negorij, hereupon all the male persons turned out with muskets, assegais, and pikes, pursuing me with these to kill me, for which I took flight through the gate of the palisade of the negorij to the beach, where the second undersigned stood alongside the aforementioned three rowers of ours, who then noticing that a misunderstanding had arisen on the beach, addressed those people in a friendly manner and asked them, how Company peoples could kill one another! that if it were their enemy the Alfurs who were seeking their lives, they could take up arms against them, but that it was improper to do that against Company subjects, which made them halt and laying down their arms, they made us return with them into the negorij a little while thereafter, which we did, and while we were sitting in the house of the orangkaij, they all left us together, we knowing out of the crowd only the following, namely selijau, Tanasij, sopalau, and hoewaija; after this was sent to us the eldest priest named Anavij in the name of the elders and the common people, in order to bribe us with four pieces of lingoum planks, for concealing what had happened from the chief; which matter we are deferring to Your Honour, to judge the people of Haija according to fairness, and we subscribe ourselves in all humility was written underneath Honourable Sir lower Your Honour's very humble servants signed Ioseph, Pietersz, Corporal, and Jan Nanulata messenger in the margin Saparoua the 5th July 1771 - even lower translated from the Malay signed A: Martens; - Agrees J Paringauw H Checked d v Loenen Report to the Honourable Sir Jan Willem van Blijdenbergh chief over the islands Henimoden and Nussalaut and a part of Ceram. Honourable Sir. After I received Your Honour's very esteemed order, in order to bring the written command to Coelor, Jha, Latoe, Hoewalooij, Elipapoetij up to Amaheij, and arriving first at Coelor on the 15th of the month June, before and prior to letting the said written command be read out, I made effort and by making private inquiries, sought to learn whether there, after the return of the cruising fleet from Ceram, any junks of the upper Cerammers had also been seen, which had anchored or passed around there, but having heard nothing upon that inquiry, as also happened at the other subsequent negorijen up to Amaheij, I had the said written command proclaimed at the last-mentioned negorij on the 25th of the same month and from there subsequently from negorij to negorij performed the same, as well as each chief having signed for the acknowledgment on the same paper, I returned again to Coelor on the First of July, and thus going from there returned back to this place of residence on the 4th of this month; wherefore with all humility I call myself was written underneath Honourable Sir lower Your Honour's humble servant was signed C:s Manufrutij messenger in the margin Sapardua the 5th July 1771: was written underneath translated from the Malay, was signed A: Martens Agrees J Baringduu Checked V Loenen.
Dutch transcription
„nie haare landerijen bedurven en beschadigt heeft zijlieden daar„ „om dit heen willen komen en door den handel profijten zien te halen voor haere feest daagen: - vervolgens hebben wij van hen een prauw gevraagt, om ons daar mede naar soeloetij te laeten brengen, dog wij kregen tot and„ „woord dat zij ons, die niet durven geven, terwijl de Crammers van boven stonden aftekomen; wij repliceeren daar op dat zij niet moesten vreesen en maar ons bij tijds zouden laten vertrekken; dog zij antwoorden weder als voren hebbende wij om dies oorzaake aldaar gebleven vier dagen verwagtend dat zij ons een vaartuijgje zullen tebezorgen; vermits onze 108 groote orembaeij te swaar en ongemakkelijk is om in de wind op te roeijen. wijders dat den 10 van dezelve maand, een man met naam Sopalauw bij ons in de groote orembaeij is gekomen, om ons van daar te roepen; zeggende dat voor ons een orembaeij gereert gemaakt was; daar op zijn wij na 't strand gegaan, bij ons mede genomen hebbende drie van onse scheppers en daar komende vinden wij het vaartuijgje leggen, met een man en vijff kinderen, die tot onse transport daar geschikt waren, welke kinderen ons voorkomende buiten staat te zijn van Haija tot Toeloetij de pangaaij te voeren, is den eerst : onderge„ „teekende Corporaal na de Negorij gegaan, om voor dezelve andere manschappen te vragen, en terwijl de oudstens zig des wegens verborgen hielden en niet te vinden waren geweest heb ik een marinjoe, die ik alleen onder de baleuw vond, daarom gevraagt (dog denzelven tonende zig daar aan niet te kreunen heb ik hem met harder termen daarom moeten aanspreeken, waar door hy toen om volk in de geheele negorij is 259 is gaan uitroepen, hier op zijn alle de mansperzonen op gedaagd met snaphanen, assagaijen en Pieken mij daar mede vervolgen, „de om te dooden, voor 'twelke de vlugt nam door de poort van de pagger der negorij naar 't strand, alwaar zig den tweeden ondergetekende nevens de voornoemde drie scheppers van ons, stond die als toen bemerkende dat het op strand door een misvatting ont„ „staan is, dat volk in 't vriendelijk aansprak en hen vragende, hoe dat Compagnies volkeren malkanderen zouden dooden! dat als het hun vijand de alfoeren waren die op hun leven lerden zij de wapens daar tegen konden opvatten, maar dat het onbe„ „hoorlijk was, dat tegen Comp onderdanen te doen, 'twelk hun deed stille staan en de wapens afleggende ons een weinig daar na met hun weder in de negorij te keeren, het geen wij deeden en terwijl wij in het huijs van den orangkaij zaten, verlieten zij ons alle tezamen, kennende wij uit den hoop alleen de volgende als selijau, Tanasij, sopalau en hoewaija, hier na is tot ons gezonden de oudste priester genaamt Anavij in de naam van de oudstens en gemeenen, ten einde ons om te koopen met vier stuks lingoa planken, tot het vertwijgen van het voorgevallene voor het opperhoofd welke zaak wij uwel Ed: zijn defererende, om na billijkheid te oordeelen over de volkeren van Haija, en onderschrijven ons in alle nedrigheid /:onderstond:/ wel Edelen Heer /:Lager:/ uwel Edele zeer nedrige dienaeren /.getekent / Ioseph, Pietersz, Corporaal, en Jan Nanulata boode (in„ margine:/ Saparoua den 5:' Julij 1771 — /nog lager /. uit het maleids vertaald /. getekend. /. A: Martens; — Accordeert J Paringauw H nagesien d„ v„n Loenen 141 360 Rapport aan den wel Edelen Heer Jan Willem van Blijdenbergh opperhoofd over de eilenden Henimoden en Nussalaut en een gedeelte van ceram. Wel Edelen Heer. Na dat uwel Ed: zeer g'eerde ordre ontfangen heb,e ten einde het schriftelijk beveel na Coelon Jha, Latoe, Hoewalooij, Elipapoetij tot Amaheij te brengen, en 't eerst op Coe„ „lor komende zijnde den 15: van de maand Junij heb ik voor en al eer ik geme. schriftelijk bevel liet aflezen mij bevlijtigt en door onder 's hands navagens te doen, getragt te vernemen of 'er aldaar, na de terugkomst van Ceram der kruis vloot, ook Jonken van de boven Cerammers gezien zijn, die daar omstreeks ten anker gegaan of gepasseert waren, dog op die informatie niets vernomen hebbende, zo als zulx ook geschiede op de andere daar aan volgende negorijen tot Amaheij toe, heb ik op den 25: derzelve maand, gemelt schrif, telijk bevel oplaast gemelde negorij laten afkon digen en van daar vervolgens van negorij tot negorij 4 5 0 tot nogorij 't zelve verrigt, als mede ider hoofd voor de kundschap op het zelve papier getekend hebbende, ben ik den Eerste Julij wede te Coelov gereverteerd, en dus van daar gaand den 4: dezer verblijft plaats te rug Gekomen weshalven met alle nedrigheid mij noeme /:onderstond:/ wel Edele Heer /:Lager:/ uwel„ Ed: nedrige dienaar /:was getekend: /. C„s Manu„ frutij bode /:in margine:/ Sapardua den 5: Julij 1771: /:onderstond :/ uit het maleids vertaald, /:was geteekend:/ A: Martens Accordeert J Baringduu 6 1 . 1 - 193 73 nagesien „ V„ Loenen.
English
145 262 Report to the Honorable Sir Jan Willem van Blijdenbergh Chief over the Islands of Hoenimoa and Nussalaut and a part of Ceram Honorable Sir, Having been dispatched by Your Honor's esteemed order with a written command to Nepa up to Hattoemetten, and having arrived therewith first at Nepa on 16 June, I diligently sought, prior to proclaiming the same, to learn through inquiry and investigation whether, after the return of the cruising fleet from Ceram, any Ceram jonks had been seen there that anchored there or in the vicinity, or passed the negorij; but the people of Nepa claimed to have heard or seen nothing of the sort, just as afterwards at Familauw the same happened to me from its inhabitants. Subsequently I came from there to Haija, and I was told by a sopalaugi that further up eight Ceram jonks lay near the place named Laimoe, which had arrived there already six days ago. Thereupon I asked him if he did not know what people they were; he answered us that those jonks are: two from Tobo, two from Ceijlor, two from Batoelomij, and two from Cessilauw; but arriving at Toeloety I heard nothing. Wherefore, being at Laimoe, I used artifice and conducted a rigorous investigation into the aforementioned eight jonks, but they denied everything, both the orangkay and the elders saying they knew nothing of it. At Tihnia I learned the same, as also afterwards at Voling, where I arrived on the 21st of the same month; and after having taken my night's rest there that evening, the next morning those eight jonks came into my sight, being at sea off the coasts of Toeloesaij and Balihahoe. Whereupon I rebuked the people of Voling over their pretense that they had not seen those jonks, and received from them only the answer that they too had seen them then for the first time. I asked there for a prahu or small orembaij to have myself transported to Werinama and Hatoemetten, but the people of Toelasaij, Walihahoe, and Voling said that they refused to do that on account of the eight jonks being at sea, wherefore I could not proceed any further than Walihahoe. I then first proclaimed the aforementioned written order to them, and subsequently to those of Laimoe, to whose orangkay I spoke kind words and wished to persuade him to come over with me to Your Honor, but he could not be persuaded to do so, as he is fearful of death. On my return journey I arrived on the 5th of this month at Nepa, and on the 9th thereafter at Saparoua, having had each of the chiefs of the negorijs duly sign the said written order for the acknowledgment received. Wherefore I subscribe myself with all humility, (underneath was written:) Honorable Sir, (lower down:) Your Honor's very humble servant, (was signed:) Christiaan Sahusiwa, messenger of Nussalaut, (in the margin:) Saparoua, 10 July 1771, (lower down:) translated from the Malay, (was signed:) A. Martens. Agrees, J. Laringauw 147 Checked, A. V. Loenen. 264 Honorable Sir! The undersigned, having been dispatched by Your Honor to Ceram to proclaim to the chiefs of the negorijs there from Coelor to Hatoemetten the written order received, saw at the negorij of Coelor when he was there on 17 July last, as did the orangkay and all the common people, that four Ceram jonks coming from Ceram sailed past there. From that negorij he subsequently departed in the company of the messenger of Nussalaut named Christiaan Sahusiwa for Haja; but underway between the just mentioned negorij and Tamilauw, seeing a Ceram jonk approaching from afar, we stepped out of the orembaeij out of fear and went to hide ashore, leaving the orembaeij and the rowers, being people of Familauw, on the beach. Shortly thereafter, the said Ceram jonk appeared at that place, and we heard that the crew sailing on it asked the Tamilauw people whether there were Dutchmen or the messenger there, subsequently approached with their vessel up to our orembaaij, and allowed to come over to them Jan Willem van Blijdenberg, Chief over the Islands of Honimoa, Nussalaut, and a part of Ceram. Report to the Honorable Sir one of the aforementioned Tamilauw people named Djuma, who saw that the same was equipped with 8 swivel guns, 20 muskets, and 1 barrel of gunpowder, and at the same time learned that they were people of Assan, Davan, Kellibon, and Oerang. Thereafter we arrived at Haja and understood from its orangkay that the orangkay of Hatoemitting received five slaves for the free passage past his negorij of the vessels coming from there this way. Having arrived at Leijmoe, we found there on the beach a similar vessel of the people of Derong, who were housed there under the baleuw. Subsequently having come to Hatihahoe, we also found lying there on the beach a jonk of the people of Tobo, from whom, upon our question of what they had to do there, we received as an answer from those of Hatihahoe that the people of Tobo came to visit them on account of kinship. We also encountered there an elder of Werinama named Zancvora, who told us that it was people of Assan, Davan, and Killibon who had stripped that Chinese of his goods. From there we wanted to have gone to Werinama and Hatoemetting, but since six Ceram jonks were also lying at anchor there before a river called Bebot, on which, as we learned from those of Hatihahoe, people of Enna Enna, Kamer, Killebon, Batoelomi, Kessilauw, and Davar were present, we did not go thither out of fear, but only with our people [illegible] that written order.
Dutch transcription
145 262 Rapport Aan den wel Edelen Heer Jan Willem van Blijdenbergh Opperhoofd over de Eisanden Hoenimoa en Nussartaut en den gedeelte van Ceram Wel Edelen Heer door uwel Ed: g'eerde ordre afgevaardigt zijnde met een schriftelijk bevel na Hepa tot Hattoemetten en daar meede op den 16: Junij 't eerst op Ne„ „pa aangekomen heb ik alvooren het zelve af te kondigen mij, berlytigen ge „tragt door onderlasting en na vorsching te vernemen, of na de terug komst van de kruijs vloot van Ceram, aldaar ook Ceramse Jonkeen zijn gezien die daer of daar omtrend g'ankert hebben of de negorij gepasseert zijn, dog het volk ven„ Hepa. gaven. voor daar omtrend niets vernomen of gezien te hebben gelijk mij d daar nate Familauw van derzelver bewoonders ook 't zelve weder vaeren is vervolgens quaam ik van daarte Haija en mij wierd voor eenen sopalaugi„ zegt dat er hooger. op agt. Ceramse Jonken lagen by de plaats genaamt Laimoe, die alses daagen daar aangekomen waren daar op heb ik hem gevragt of hij niet wist wat zij voor volkeren waren, antwoorde den zelven wij dat die Jonken zijn, twee van Tobo, twee van Ceijlor, twee van Batoelomij en twee van. Cessilauw, dog te Toeloety komende heb ik niets gehoort Weshalven wanneer ik te Laimoe zijnde heb ik list gebruik ten sterkena vorsching, gedaan na voorsz agt Jenkeen, maar zij onthenden alles zeggende zo wel den orangkeaij als oudstens daar van niets te weten Op Tihnia vernam ik het zelfde, zo als ook daar na te voling alwaer ik den 21: derzelve maand aangekomen ben, en nadien avond aldaar mijn nagt rust te hebben genoomen, is mij des morgens daar aan die agt Jonken in in 't gerigt gekomen, zijnde in zee kuosten Toeloesaij en Balihahoe op 't welke de volkeren van voling over haar voorgeven dat zij die Jonken met gezien hadden hebbe berispt en daar alleen tot andwoord van haer bekomen. heb, dat zij ze ook toen eerst hadden gezien, Ik pebaldaar om een prauw of klein. orembaij gevragt om mij te la„ ten overbrengen na werinama en Hatoemetten, dog de volkeren van Toelasaij Nalihahoe en voling. hebben gezegt, dat zij wesen dat doen, om de in zee zynde agt Jonkeen, waarom ik ook niet verder heb kunnen komen, als nog wel tot Walihahoe het afkeondigen: van voorsz schriftelijk bevel heb ik toen eerst aan dezelve gedaan en vervolgens aan die van Laimoe welken orangkaij ik goede woorden heb gegeven en willen bewegen met mij tot uw Ed: over te komen, maar was egter daar toe niet over te halen geweest, nademaal den zelven voor de dood bevreesd is In mijn te rug reise ben ik den 5: deeser te Nepa in den 9: daaraen te Saparoua aangekomen, hebbende op het gemeld schriftelijk bevel ider der negorijs hoofden voor de verkreegene kindschap behoorlijk geteekend Weshalven mij met alle nedrighid onder schryve (onderstond:/ wel Edelen Heer /(lager uwel Edele zeer nedrigen dienaar / was geteekend:/ Christe„ „aan Sahusina. boode van Nissalant /in margine/ Saparoua. den 10: Julij 1771: /lager/ uijt het maleids. vertaald / was geteekend /. A: Mar„ tens, accordeert J Laringauw 147 nagesien A V Loenen. 264 wel Edelen Heer! Den ondergetekende door uwel Ed: na ceram afgevaardigt zijnde, om de hoofden der negorijen aldaar van Coelor tot Hatoemetten de ontfan„ „gene schriftelijke ordre aan te kundigen, heeft op de negorij Coeler als hij den 17: Julij Jongsteden daar was, gezien gelijk ook den orangkaeij en aan „le het gemeene volk, dat vier ceramse Jonken va„ ceram afkomende daar voor bij zijn gevaren; van die negonij is hij vervolgens in gezelschap van de boode van nussalaut genaamt Christiaan sahusiwa vertrokken na haja, dog onderweg tusschen even gemelde negorij en Famibouw door ons van verre een Ceramse Jonk ziende aankomen, zijn wij uit vreese uit de orembaeij gestapt en duur op de wal ons gingen versteeken, laten„ de de orembarij en de roeijers, zijnde volkeren van Familauw aan het strand blijven; hadt daar na is gemelde ceramse Jonk daar ter plaatse verschee„ „nen en wij hoorden dat het daar op varendvolk de tamilauwers vroeger of daar hollanders dan wel de boode was, naderde vervolgens met hun vaar„ „tuig tot aan onze orembaaij en lieten bij hun over Jan Willem van Blijdenberg opperhoofd over de eilanden Honi„ „moa, Nussalaut, en een gedeel„ „te van ceram. Rupport Aan den wel Ed: Heer komen „komen een der voorsz: Tamelauwers genaamt Djuma, welke heeft gezien, dat 't zelve met 8: draaijbassen, 20: snaphanen en 1: vat met buskruijt voorzien was, en teffens vernomen, dat zij volkeren waren van Assan,davan, Kellibon en oerang, daa na zijn wij op Haja g'arriveert en van desselfs orangkaeij verstaan, dat den orangkaij van Hatoe„ „mitting vijf slaven heeft gekreegen, voor de vrije passagie der van daar dit heen komende vaartuigen voor bij zijne negorij; op Leijmoe g'arriveert zijnde, hebben mij aldaar op het strand een diergelijk vaartuig gevonden, van de volkere van derong welke aldaar onder de baleuw gehu „vest waren; vervolgens gekomen zijnde op hate „hahoe, vonden wij daar ook op strand leggen een Jonk van de volkeren van Tobe, van dewelke op ons vraage wat zij daar te verrigten hadden, var die van Hatihahoe ten antwoord bekomen hebbe dat het volk van 3000 uit hoofde van verwand schap haar quamen bezoeken; ook hebben wij aldaar aangetroffen een oudste van werindmazanc vora genaamt die ons gezegt heeft, dat het volkeren van Assan, davan en Killibon zijn geweest welke die Chinees van zijn goederen hadden onthooft; van daar wilden wij na weri nama en Hatoemetting hebben gegaan, maar vermits aldaar ook ses ceramse Jonken ten ankerlagen, voor een riveer gemaakt Bebot, waar op zo als wij van die van Hatihahoe vernamen volkeren van Enna Enna, kamer killebon, batoelomi, kessilauw en davar zig bevinden; zijn wij uit vreese niet derwaard gegaan, maar alleen met ons volk die schrifteke ordre 3
English
451 266 order sent thither, on which all the village chiefs have signed, for the notification that was made to them by me, and hoping that with this the purpose of my mission will have been fulfilled, as well as that this paper may be agreeably accepted, so I call myself in all submissiveness: was written below: Honorable Sir: lower: Your Honor's humble servant: signed: with an Arabic letter and written beneath it, Halauweta raja of Jha: in the margin: Saparoua the 3rd August Anno 1771: was written below: translated from the Malay: was signed: A: Martens Agrees J Beijnon Junior Clerk witnessed checked d's 1' Loenen. folio 53 268 Report to the Honorable Sir: Jan Willem van Blijdenbergh chief over the Islands Honimoa Nussalaut and a part of Ceram Honorable Sir The undersigned, having on the first dispatch to Ceram to make known to the chiefs of the villages there from Tamelauw to Hatoemetting the written order given to him, been unable to go further than to Watihahoe, from where he was forced to return for reasons as cited in his submitted written Report, and being sent out again anew by Your Honor for the same purpose, he arrived on the 17th of July last at Samilouus with the raja of Iha, who also had to perform a similar commission, and it was seen there by both of us, as well as by the orangkay and the common natives, that four Ceram junks coming from Ceram sailed past that village, after which, as we continued the journey to Haya, we noticed underway between the last village and Tamilauw a Ceram junk that came toward us along the shore, for which we, being afraid, went ashore and hid ourselves there, leaving our orembai and crew, being natives of Samilauw, lying on the beach. Not long thereafter that vessel appeared there, from which we heard them asking whether the Hollander or the messenger was there, subsequently coming to our orembai and calling one of the Samilauw people named Sabdic over into their junk, who saw that that vessel was mounted with 8 swivel guns and 20 muskets and a barrel of gunpowder, and also learned that they are people of Avan, Davan, Kelibon, and Derin. After their departure we arrived at Haija and learned from the regent of that village that a man of Oerong was said to have told him that the orangkay of Hatoemetting received five slaves in exchange for letting the Ceram vessels pass his village freely. Thereafter arriving at Larmoe, we found lying on the beach a Ceram junk from Teeling whose crew were staying under the balehu there; thereafter arriving at Hatihahoe, a Ceram junk from Tobon was also pulled up on the beach there, and asking what they had come to do there, those of Hatihahoe gave us the answer that the Tobo people are their relatives and for that reason had come there; also the eldest of Wermama named Tanavara informed us that people of Aftang, Davang, and Kellibon had robbed the Chinese of his property; from there we would have gone to Weriama and Hatoemetting, but seeing that six Ceram junks were staying there before a river named Bobot, being from the villages Enna Enna, Kamar, Kellibon, Batoelomi, 155 270 Batoelomi, Keslauw, and Davang, we did not go thither, but sent the aforementioned written order with our people overland to those villages, on which all the village chiefs signed for the notification made to them by me, and hoping that with this the purpose of my mission will have been fulfilled, as well as that this paper may be agreeably accepted, so we call ourselves in all submissiveness: was written below: Honorable Sir: lower: Your Honor's humble servant: signed: Christiaan Samusiwa messenger of Nussalaut: in the margin: Saparoua the 3rd August Anno 1771: still lower: translated from the Malay: signed: A Martens Agrees J:C: Paringauw First checked d' V' Loenen. 15 folio 1 Today, the 10th of August Anno 1771 Appeared before me, Abraham van Steenwijk, bookkeeper and sworn scribe here, present the witnesses named below: 271 Radjawane, Kepala Soa of the village Cabauw, aged by estimation forty years, being of the Mahometan Religion, gaining a livelihood by making gardens, who, at the requisition of the Honorable Johan Constantijn Cruijpenning, Junior Merchant and head of this station, related for the pure, sincere truth how, yesterday morning around ten o'clock, he sailed in a prahu manned with eight children to the Pigeon Island in order to put the Honorable Company's lime into baskets; arriving there, he was surprised by a Ceram junk hidden there, equipped with three bronze and one iron swivel gun, two muskets, and further native weapons, manned with twenty Ceram men, whom the deponent learned after the fact were said to be people of Davan; that the aforesaid Cerammers first surrounded the deponent and the children who were with him, and seized the deponent, and subsequently brought him bound to their junk, without knowing for what purpose; that when the deponent came into the junk, by good fortune he saw a Cailolo man named Momole, who went missing 7 or 8 years ago on Poelo Gisser through the stay of the orembai of Caijlolo, who addressed the deponent in his language, he, Momole, pleading to persuade the Cerammers to set the deponent on free footing again, whereupon, through the intercession of the aforementioned Momole, the deponent was released. Lastly, the deponent declared that in the aforesaid Ceram junk he saw four aro bags with cloves, each holding
Dutch transcription
451 266 ordre daar heen gezonden, op 't welke alle de negerijs hoofden onderteekend hebben, voor de be„ „kentmaking dat door mij aan haar lieden ge„ „daan is, en verhoopende dat hier mede aan het oogmerk van mijne uitzending zal hebben voldaan, als ook dat dit papier aangenamelijk mag g'accepteert worden, zo noeme mij in alle onderdanigheid /:onderstond:/ wel Edelen Heer /:lager:/ uwelEdele nedrige dienaar /:getekend:/ met een arabische letter en daar onder geschreven, Halauweta radja van Jha /:in margine:/ Sapa„ „roua den 3: Augustus A„o 1771: /:onderstond:/ uit het maleids vertaal /:was getekend:/ A: Martens Accordeert J Beijnon Iunr. Clercq getw nagesien d„s 1„ Loenen. ƒ53 268 Rapport Aan den wel Edelen Heer: Jan Willem van Blijdenbergh opperhoofd oover, de Eilanden Honi „moa Nussalaut en een gedeelte van Ceram WelEdele Heer Den ondergetekende op de eerste afzending na Ceram om de Hoofden der negoroijen al daar van Tamelauw tot Hatoemetting het hem mede gegeven schriftelijk bevel bekent te ma ken niet verder hebbende kunnen koomen als tot watihahoe van waar hij genoodzaakt weerd te rug te moeten keren om redenen als by sijn overgeleverd schriftelik Rapport aangehaald staan en op nieuw door uwe EEd ten dien zelven einde weder afgesonden Zijnde is hij met het radja van Iha die ook dierge lyke Commissie te verrigten had op den 17 den Iuly Jongstleden op Samilouus aangekoomen en door ons beyde, aldaar gezien, als ook door de orangkaij en de gemeene Inlanders, dat vier Ceramse Ianken van Ceram afkomende voor„ „bij die negorij gevaren zijn, waarna wij de reise na haya voortzettende onderweg tus„ schen de laatste nogarij en Tamilauw een Ce „ramse Ionk gewaar weerden die langs de wal maans toe quam waere voor wij be„ vreest zijnde made wal zijn gegaan en ons aldaar verborgen hebben, latende onse orembaij en volk zynde Inlanders van Sa milauw milauw aan strandleggen niet lang daar na is dat vaarthuijg daar op gedaagd uijt dewelke wij hoorden vragen of daar holl anders den wel de bode was, komende vervolgens bij onse orembaij en riepen tot haar over inde Ionk een der samilauwers genaamt Sabdic welke heeft gesien dat dat vaarthuijg gemon„ teert was met 8 Draaijbassen en 20 snaphanen en een vat bus kruijt en ook vernoomen dat zij volkeren van Avan, Davan kelibon, en derin zijn, na hun vertrek quamen wij op Haija en vernamen van den regent dier ne gorij dat een man van oerong hem zoude ver stelt hebben, dat den orangkaij van Hatoemet „ting vijf slaven bekoomen heeft voor dat hij de Ceramse vaarthuijgen zyn negorij vry laat passeeren, daar na op Larmoe komende vonden wij op het strandliggen een Ceramse Ionk van Teeling welkers manschap onder de baleeuw aldaar woonden; daar na op ha tikahoe koomende lag aldaar ook op strand gehaald een Ceramse Ionk van Tobon en vragende wat zy daar quam en doen gaven die van Hatihahoe ons tot andwoord dat de Toboresen hunne Familien zijn en om die reden daar gekoomen waren ook heeft den oudsten van wermama genaamt Ta navara ons berigt dat volkeren van af„ tang Davang, en kellibon die Chinees van zijn goed ontzet hadden; van daar zouden wij na weriama en Hatoemetting hebben ge„ gaan dog vermits wij Iagen dat sig ses Ceramse Ionken hun daar op hielden voor een rivier genaamt Bobot, zynde van de negorijen Enna Enna, kamar, kellibon Batoelomi 155 270 Batoelomi, keslauw, en Davang, zin wij met derwaards gegaan, maar voorsz: schrif„ telijk bevel met ons volk over land na die ne gorijen gezonden, op 't welke alle de negorij's hoofden ondertekend hebben voor de bekentmaa„ king door mij aan haar lieden gedaan is, en ver hopende dat hier mede aan het oog merk van myne uyt zending zal hebben voldaan als ook dat dit papier aangenamelik mat geaccepteerd worden, zoo noeme wij in alle on derdanigheijd /:onderstond:/ wel Edelen Heer /lager/ uwel Edele nederige Dienaar /getekend / Chris uijn „tiaan Samusiwa /bode van Nussalant:/ in margne / Saparoua den 3. Augustus Ao te 1771: /nog lager / uit het maleids / vertaalt/ getekend/ A Martens Accordeert J:C: Paringauw Jte nagasien d„ V„ Loenen. 15 ƒo 1 Op Huijden Den 10:' Augustus Ao 1771 Compareerde voor mij Abraham van Steenwijk Boek¬ „houder en geswooren scriba alhier Present de getuijgen Nagenoemt. 271 Radjawane Capala soa van de negorij Cabauw, oud ma Gissing veertigh jaren, zijnde van de Mahometaanse Religie, Etnckende met thuijnen temaaken, dewelke ter Requisitie van D' E: Johan Constantijn Cruijpenning onderCoopman en hooft deses Comptoirs, voor de zuivere opregte waar„ „heijdt relateerde hoe dat hij op gusteren voormiddag Circa Thien uuren, met een prauw, bemand met agt kinderen na de duijve Eijlandt is gevaaren omme 's: E: Comp: kalk in mande te doen, aldaar komende verrast is geworden door Een aldaar verschole„ „ne Cieramse jonk, voorzien met drie metaale, Een ijsere draaij bassen, twee snaphanen en verdere Inlands waapenthuijg, bemand met Twintig Coppen Cerammers /:die den relatant na dato ver„ „nam dat 't volk van Davan soude weesen:/ dat voorsz: Cee„ „rammers den relatant en zijne bij hem zijnde kinderen ten eers„ „ten heeft omsingelt en den relatant aangepackt en vervolgens gebonde na haare Jonk gebragt, sonder teweete ten wat Eijnde, dat doe den relatant in de jonk quam, per geluck een voor 7: of 8 Jaaren op Poelo Gisser (:door 't verblijve van de orambaaij van Caijlolo:/ te soek geraakte Caijlolonees in naame Mamole vernam, welke den relatant in zijn taal aanspraak, hem Momole smeekende om de Cerammers te bewegen van hem relatant weder op vrije voete te stelle 't welk op voorspraake van meer geciteerde Momole, den relatant los gelate wierdt Sluijtelijk verclaarde den relatant, dat hij in voorsz: Ceramse Ionk vier Aroo zacken met Nagulen gesien heeft, houdende Elke
English
Each bag, according to the relator's estimate, three gantings or three baroth of cloves, which according to Mamole had reportedly been purchased on Liang by the aforesaid smugglers, from where that rabble departed yesterday evening. Herewith the applicant ended his given account, being ready, if required, to confirm the same by oath. Below stood: Thus done and passed at the office Haroeko at the stronghold Zeelandia on the date aforesaid in the presence of Jacobus Christoffel Wonderling, sergeant, and Bernardus Laukens, carpenter, under-surgeon in the service of the Honorable Company assigned here, who along with the relator and me, the sworn scribe, have duly signed the original of this. Lower: Attested by this. Signed: A:n V:n V:n Steenwijk, sworn scribe. Agrees. J Reijnon Junior. C. le Clercq AV PD Santen: Examined 159 167 To the Honorable Sir. Jan Willem van Blijdenberg. Chief at this office. Honorable Sir. The undersigned Casper Tapilatoe, having been dispatched to Ceram on the 21st of the month of August by respected order of Your Honor, arrived on the 26th of that month, together with the orang kaya of Lepa Bakaralij, at Hatoemetting, from where, wishing to proceed further up toward upper Ceram, we were warned by Hatoemetting's orang kaya Janevare that he had been informed by his Alfurs that the Papuans had arrived at Hate with one hundred kora-koras, and three padewakangs with Macassarese lay at anchor off Quellibon; but we, wishing to continue our journey, then caused the said orang kaya of Hatoemetting to resolve to go along with us, who had his orembaai prepared for our transport and provided with the necessary weapons, and departed from there together with us to sail to Kessing, but having arrived off Quellemoerij, the raja of that village came aboard 272 aboard with us in a prahu, asking where we were going, whether we had to deliver a letter, or what we had to do, to which questions we answered that we had been sent out by Your Honor, and intended to proceed further upward, asking him at the same time whether the way was safe or unsafe, to which he replied that no harm was to be feared from the three padewakangs with Macassarese, since they had already departed from Quellibon, but that we had to be on our guard against the Papuans at Hotte, saying further that the Company having destroyed their lands, they did not know what to live on, to which saying we gave as an answer that this had happened because the Ceram people engaged in clove smuggling and harbored strangers, but whereupon that raja said that his village's people did not practice such things, but rather those of the villages of Quellibon, Selor, Kesselauwt, and Aban, just as the first two peoples had recently been out to buy cloves; and on that occasion near Camariang they robbed a Chinese of his goods. Thereupon we asked him whether they had been able to purchase cloves or not, to which he gave as an answer that he had heard that those smugglers from the Hitoe coast had obtained some cloves, that the people of Liang had transported that spice for trade to Camariang, as well as some from the island of Oma, together in the quantity 463 of half a bahar, but that these were not freshly picked, but cloves from the previous harvest, which they exchanged for white and black, also fine Macassarese linens, for each of which linens they obtained five chupahs of cloves; furthermore, that orang kaya said that we should inform Your Honor that one should arrive with the small hongi at the village of Quellemoerij, and that they would then give a clearer and plainer account regarding this, and also that if we had brought cloves along, we could jointly see that we could obtain whatever we might desire for them, since that spice had become very expensive there. Upon returning from Kessing, we met in the village of Goeli Goeli a certain native from P:l Gisser named Iman, who sends his regards to Your Honor, and further requests you to go thither, whereupon the Ceram people will demonstrate the bad conduct of the Commandant Hamba, although he still looked after the Company's affairs well, but nevertheless goes completely too far with plundering and extorting their goods, which in time will force their people to have to take flight. The priest of the village of Javan, during our presence there, also said that those of 274
Dutch transcription
Elke zacken na des relatants gessing, drie gantings of drie Baroth nagulen, welke na 't zeggen van Mamole door voorsz lorrendraaijers op Liang gekogt soude sijn, van waar die geboefte guster avendt van daan zijn gekomen. — Eijndigde hier meede den reqant sijn gegevene Relaas, bertijdt zijnde sulx voor Eysschende 't zelve met Eede te bevestigen /:onderstont:/ Aldus Gedaan en Gepasseerdt Ten Comp„ „toir Haroeko aan de vastigheid Zjelandia dato voorschree„ „ven Ter presentie van Iacobus Christoffel Wonderling Zergeant, en Bernardus Laukens Timmerman onderchi„ „rurgijn bij de in dienst der E: Comp: alhier bescheijden die de mi„ „nude dezes nevens den Relatant ende mij geswooren scriba behoorlyk hebben onderteekend. / lager / Dit Getuijgt Am jt gen /:getekent:/ A:n V„n V:n Steenwijk geswooren Ccriba — Accordeert. J Reijnon Junr. C ebn Clercq AV PD Santen: Nagesien 159 167 Aan den Wel Edelen Heer. Jan Willem van Blijdenberg. opperhoofd ten deesen Comptoire. WelEd: Heer. — Den ondergeteekende Casper Tapilatoe ter g'eerde ordre van uwelEd: op den 21: van de maand augustus na Ceram afgevaar„ „digt zijnde, is den 26: dier maand nevens den orangkaaij van Le„ „pa Bakaralij te Hatoemetting g'arriveerd, van waar ons weder na boven Ceram willende begeeven, is ons door Hatoemettings orangkaaij Janevare gewaarschouwt, dat hem door zijn alfoeren berigt was dat de Papoen met Een Hon„ „dert Corra Corra op Hate waren aangekomen en drie Pa„ „duwakans met maccassaren voor quellibon ten anker laegen; dog wij onse reijse willende voortzetten, leeft het gem: orangkaaij van Hatoemetting als toen doen resolveeren met ons meede te gaen, den wel„ „ken zijn orambaaij tot ons Transport, 't heeft ba„ „ten maken en met nodige wapens voorsien en ver„ „trok met ons gezamentlijk van daar om na kessing te varen, dog tot voor quellemoerij gekomen zijn „de, is de radja dier negorij met een Praauw aan„ „ boord 272 „boord bij ons gekoomen, dragende waar wij natoe gingen, of mij een brief moesten bestellen, of wwat wij doen moesten op welke vrage mij g'androord hebben dat wij door uwel Ed: waren uijtgezonden, en van meeninge waren om ons verder opwaards te begeven, hem te gelijk vragende of de weg veilig of onveilig was op 't welke hij repliceerde dat 'er geen quaad te vroesen was van voor de drie Padawakans met Mac„ „cassaren, wijl die reeds van Quellibon vertrocken waren, maar dat wij tegens de Papoen op Hotte op ons hoede moesten zijn, zeggende verder dat de Comp=s hun Landerijen vernietigt hebbende zij niet wisten waer van te kunnen leeven, op welk zeggen wij ten ant„ „woord hebben gegeven dat van zulx geschied was om dat de Cerammers in de Nagulen sluijkerijen pleegden ende vreendelingen ophielden, dog waar op dien radja zeide, dat zijn negorijs volkoren zulx niet bedreeven, maar wel die van de negorijen Quellibon, selor, kesselauwt, en Aban, gelijk de twee eerste volkeren nag onlangs waren uijtgeweest, om nagulen te koo„ „pen; en bij die gelegendheijd omtrent Camari„ „ang een Chinees van zijn goederen berooft hebben, daar op vraegen wij hem of zij nagulen hebben kunnen inkoopen, of niet gaf denselven tot ant„ „woord dat hij heeft vernomen, dat die smatte„ „laars van de Cust Hitoe wat nagulen hadden opgedaan, dat de Liangers die specerij ten handel na Camariang hebben overgevoert, als ook eenige van het Eijland Oma te zamen ter quantiteit 463 quantiteit van Een Halve Blaar, dog dat het geen verse geplukte, maar Nagulen van de voorige oogst zijn geweest, die zij ingevuijld hebben tegens witte en zwarte item fijne Maccassaarse Lijwaaten, voor ider van welke Lijwaaten zij vijf tjoepas nagulen bekomen heb„ „ben; voorts zeide dien orangkaaij nog dat mij uw wel Ed: zouden ter kennisse brengen, dat met de kleijne Hongij op de Negorij auellemoerij zoude aan„ „koomende en dat zij als dan desweegen een klaarder en duijdelijker verhaal zouden geven, zo ook dat zo wanneer Nagulen hadden mede gebragt wij gezamentlijk zoude kunnen zien dat wat wij maar immers zoude begeeren daar voor zouden kunnen bekomen, nademaal die specerij aldaar zeer duur was geworden;- Bij te rug komst van ketting, hebben wij op de Negorij Goeli Goeli ontmoet zeekeren Jnlander van P:=l Gisser gen:t Jman die uwel Ed: laat groeten, en en wijders versoeken derwaards te gaen, als wan„ „neer de Cerammers zullen vertoonen het quaed gedrag van de Commandant Hamba, hoewel die sComp=s zaken nog wel waarnam, maar eg„ „ter zig gehael te buijten gaat met het raven en af„ „persen van bunne goederen, dat haar lieden in der tijd nog eens nootzaken zal de vlugt te moeten noemen. —.- De Priester van de Negorij Iavan bij ons aanwesen aldaar heeft mede gezegt dat die van 274
English
from Seloor, Quellibon, Avan, and Kesselauw, with the new moon already sent out four junks to search for cloves, and that having obtained the same, they will transport that spice crop to Java; the first signatory also encountered there two men of Quellibon, who asked us who we were, whereupon we answered that we were people of Xepa; which they however seemed to doubt, asking the same once again of our Massenaijers or bailers, being people of Japa, from whom they received the same answer; yet they did not believe it, but said that they were the Mourits of the chief of Saparaua and the son the schoolmaster of Amaheij who at the last-mentioned place had fired upon them; arriving at Haija, we saw two junks there; one lying at anchor before the negorij, and the other before the place Selijau. All of which we have heard and seen, and therefore have judged it our duty to report to your Honour, wherewith we subscribe ourselves in all submission, stood below: Honourable Sir, lower: your Honour's humble and obedient servants, was signed: with a small cross and written beside it: drawn by Caspar Tapolateu, and with another Moorish character being the mark of the above-named orangkaaij Bakaralij, in the margin: Saparoua the 16th 7ber Anno 1771, lower: translated from the Malay, signed: A: Martens -. Agrees JParingauw examined Santen Secret. Banda Anno 1771. 276 Right Honourable, highly born Sir, Right Honourable, highly Esteemed Gentlemen How desirable and satisfactory the outcome has been of the contracts to be renewed with the Southwesterners, I respectfully refer thereto the papers recorded in the general resolution of 7 February 1771; but since your Right Honours have made a two-fold speculation concerning the points prescribed in the secret instructions, the one regarding the hidden spice plantations and the other on account of the boundary pillars to be erected on uninhabited islands, I humbly trust to be admitted for a sufficient elucidation: Firstly That the searching out of spice trees in those regions is from Banda the 12th August Anno 1771 recommended in the yearly general instructions and upon the return of the commissioners a special oath is taken each time therefor, and merchant Carleber being fully aware of this, I conferred with him in particular in detail, and on my account authorized him to spend some hundreds of rixdollars for the pointing out of concealed spice trees, to be further examined in the fitting answer in the secret report of 31 December 1770, by the words that neither of this nor of similar trade carried on with the overseas Portuguese could any convincing evidence be discovered. Finally, by this report I hit upon the thought always to have the required investigation made by the postholder of each place after the departure of the commissioners, and to that end, by instructions of 23 July 1771, ordered an accurate inspection to be carried out of all accessible places and groves, constantly reminding them that upon the arrival of the commissioners they must yearly assure under the customary oath that no spice trees were discovered, with promises in addition of premiums and advancements to the discoverers of 278 From Banda the 12th August 1771 of genuine nutmeg or clove trees. Secondly, that the passage from Banda's comprehensive description of the year 1756 in verbis for the rest one finds around these parts several uninhabited islands that deserve no or the least consideration gave the greatest cause for my opinion that it would suffice, when wind and weather permitted, only to erect and renew the Company's right of retention on the most favourably situated places by pillars, added to which the annual declaration of the pilotage in those regions makes known that many were inaccessible to the Company's sloops and pantjallangs because of the rocks and shoals, but to succeed in this to any degree one would now have to remain behind for an entire year awaiting the opportunity to cross over with small proas, following the customs of the surrounding peoples; and on this account some such markstones were distributed among the postholders in order to make the necessary use thereof, notwithstanding the obtained assurance that the Papuans and other strangers, whenever they happen to land there, From Banda the 28th August Anno 1771 demolish them again and completely ruin them. As experience then confirms that, with a singular view to Nila and Serua, these islands at the time of the ordinary expeditions cannot well be visited, lying too far in the southeast, a further proof whereof is found in the secret report of the commissioner Carleber, and according to the comprehensive description cited herebefore, nothing noteworthy having occurred since the extirpations carried out at these places in the years 1745 and 1661, it is safe for me to state, from the modest produce brought in from time to time under my administration, that among the Southwesterners the inhabitants of Nila and Serua are the most encouraging of all. In favour of the poor incomes of the Company's servants in this desolate province, a fortunate moment will have to be awaited, although in the meantime I very gladly acknowledge that the reduced price of rice must serve as a great relief in housekeeping, because to improve their condition noticeably by encouraging a permitted trade to the southeast
Dutch transcription
van seloor, quellibon, Avan, en Kesselauw, met de nieuwe maan alreeds vier Jonken hebben uijtgezon„ „den om nagulen te zoeken, en dat zij dezelve bekomen hebbende dat specerij gewas na Java zullen overbrengen; den Eerstgeteek: heeft aldaar ook aangetraffen twee mannen van quellibon, dier ons vraegen, wie wij waren, waar op wij antwoorden dat wij volkeren van Xepa wa„ ren; dog waar aan zij scheenen te twijffelen, het zelve van onse Massenaijers of scheppers zijnde volkeren van Japa andermaal vroegen, van dewelke zij 't zelve andwoordt kreegen; dog deselve geloof den daar niet aan maar zijden dat het de Mourits van het opperhoofd van saparaua waren en de zoon de schoolmeester van Amaheij die ter laast gem: /: plaats op haar hadden geschoten;— op Haija komende, hebben wij aldaar Twee Janken gezien; een voor de Negorij, en de andere voor de plaatsselijau ten Anker leggende. Alle het welke wij gehoort en gezien, en dierhalven het van onse pligt geoordeelt hebben uwelEd: te moeten be„ „rigten, waarmede ons in alle onderdanigheit onder schrijven /:onderstond:/ wel Ed: Heer /:lager:/ uwel Ed. onderdanige en nedrige Dienaren /:was getekend:/ met een kruijsje en daar bij gesz: gesteld door Caspar Ta„ „polateu, en met nog een moors Caracter zijnde 't merk van de hier boven genoemde orangkaaij Bakar„ alij /:ter zijde :/ Saparoua den 16:' 7ber: A=o 1771: /:lager:/ uit het maleids getranslateert /: getee„ „nog „kend:/ A: Martens -. Accordeert JParingauw nagesien Santen Secreet. Banda A:o 1771. getee„ 276 Hoog Edele wijdgeb: Heer: wel Edele Groot Agtbaare Heeren Hoe gewenschten voldoenend den uijtslag der te vernieuwen beroepe Contracten met de zuijdwesterlingen geweest is daar toe e mij eerbiedigst op de ter gemeene resolutie van den 7: febr: 177: ingeschreevene papieren, maar dewijl over de poincten bij secreete mntructie voorgeschreeven, door uw hoog Edelhee„ dens eene twee voudige speculatie gemaakt is d'eene omtrent de verborgene specerij plantagien end' andere wegens de op teregtene merkpielaaren op onbevolkte eijlanden zoo vertrouwe nedrigst voor eene genoegsame elucidatie te zullen worden g'admitteert Eerstelijk Dat het opsoeken van specerij boomen in die contrijsen bij van Banda den 12: Augustus Anno 171:— bij de Iaarlijkse gemeene instructies aanbevoolen en na terug komste der gecommitteerden daar voor telkens eenen speciaale eed gepeesteert wordende mitsgaders Coopman Carleber hier van volk be„ „wust, ik hem daar over in het particulier breedvoe„ rig onderhouden, en voor mijn reekening gequalifi„ ceert hebbe eenigs honderden rd„s te bestreden voor het aanwijsen van g' occulteerde specerij boomen nader„ te beschouwen in het gepaste antwoord bij secreet rapport van den 31: xber 1770. door de woorden nog hier van nog van diergelijken met de overwalsche Por„ „tugeezen gedreeven handel eenige blijken van overtuijging te hebben konnen ontdecken, En fin door ditrelaars ben ik vervallen op de gedagten omme altoos na het vertrek der commissianten door den posthouder van elken oplaats het vereijchte ondersoek te laten doen, en tot dien eijnde bij instructie van 23: Iulij 1771 gelast van alle accessibele oplaatsen en bosschagien eene naukeurige besigtiging te be„ werkstelligen haar liede steets indagtigende om bij arrive van de gecommitteerdens Iaarlijks onder den gewonen eed te moeten versekeren datter geener specerij boomen ontdekt geweest sijn, met beloftens daar te boven van preemis in bevorderingen aande ontdeekeris van 278 Van Banda den 12:' Augustus 174. van egte nooten off nagelboomen, Ten Tweeden dat de periode uijt Bandas radicali beschrijving van den Iare 1756 in verbis voor het overige vind men om deeser oird nog al verschijde onbevolkte eijlanden die geen ofde minste reflexie verdiene de meeste aanlijdings gegeven heeft tot mijne sustime van te sufficieren, wanneer wind neweer het toelieten, om alleenlijk op de best gelegene plaatsen sComp:s regt van aanhouding door op te regten, piela„ ren te vernieuwen, acceederende hier bij de eenjarige bekent, verklaring der opielotie in die conterijen „ de kost dat veele door de rotsen en klippe voor sComp:s chia„ „loupen en pantzallangs ongenaakbaar waren, maar men nu om hierin eeniger maten te recusseeren gansch Iaar soude moeten overblijven ter in wagtinge vande geleegentheijd met kleijne prauwe over te vaaren in op volginge van de omaximesij der om leggende volkeren, en uijt deesen hooft zijn eenige diergelijke merksteenen onder de posthouders gedistribueert ommedaar aff het nodige gebruijkt te maken in weer wil vande erlangde verzekeringe dat de opapoesen en andere vreemdeling deselve bij occasie daatse daar Van Banda Den 28:' Aug: A„o 171 daar komen aante landen weder affbreeken en funititus verhielen. Gelijk dan wij dus met zonderling aspect op Nivba sorda de ondervinding bevestig, dese eijlanden ten tijde der oredi„ naivebezendingen niet wel 't approbeeren zijn als leggende te verre in het zuijd oosten, een nader bewijs vandien word gevonden in het secreete rapport vanden commissiant car„ „lebur en na de hier vooren aangehaalde raditale beschrijving zeedert die inde Iaaren 17453 / 1661 volbragte extirpaties van deeseplaatse niets aanmerkens waardig voorgekomen wezende, staat mij uijt de nu en dan onder voorgekoment veesent mijn bewind aange voerde geringe producte gerustelijk te beweeren, onder de zuijdwetterlingen de bewoonders van Nila en Seroa de aanmoedigste van allen te sijn. „faveure/ Ins van desobere inkomsten van sComp: dienaren indeseakelige provintie, zal een gelukkige tijd stip moeten ingewagt worden, off schoon ik onderwijlen zeer gaarne advoueert de verminderde oprijs vanderijs te moeten strec„ ken tot groot soulaas in het huijshouden, want a hunne staat merkelijkte verbeteren door eene aan te moedigen g'oorloofden handel op de zuijd oost
English
From Banda, the 18th of August 1771. eastward, but especially on the South-Western Islands, the likelihood of this is very slight. The burghers are lamenting the losses suffered on the voyages of the past two years, and despite the free wax trade, only one vessel currently lies ready to sail for the southwest in the coming days. Regarding the passage through the channel of Lonthoir, no change has been observed since last year's survey. In this respect, I refer to the enclosed report, which I accompany with a second report mentioned in the separate southwestern papers under the chapter on Damme, the latter differing greatly from the high praise found in the archives of past times concerning the commodious bay located there, said to be fit for an entire fleet of ships. With regard to the information given by the Governor of Ambon, Mr. Van der Voort, in a secret letter dated the 23rd of April 1771, concerning the English sighted along the coast of Ceram, I take the liberty to request from Your Right Honourables positive orders on how to conduct myself here should, contrary to expectations, a foreign ship appear with the intention of sailing into the roadstead under a pretended lack of drinking water or other maritime distress, seeing that I am destitute of any instructional papers applicable to this matter. In another case concerning the shipmasters, I am incessantly troubled to submit favorably to Your Right Honourables the transport of massoy aboard spice ships, on the grounds that this fragrant bark could in no way cause any harm to that aromatic cargo, and even less promote any taint thereof. In addition, I have not been able to reject the general request of the Banda traders that the fixed sale of rice from the Company's warehouses be maintained on the present footing, so that they may find an opportunity to diminish their supplies brought from Java at moderate profits, since in the contrary case they would not dare venture to import a single corge of this necessary staple. And when I, for my part, add to this the satisfaction of the third-class residents with the reasonable prices of 40 to 45 rixdollars per last, I firmly trust that my recommendation, for the sake of the public interest involved, will be approved and made permanent by Your Right Honourables. I remain with unshakeable veneration, was signed: Right Honourable, Ruling Sirs, Right Honourable, Highly Respected Sirs, lower: Your Right Honourables' dutiful and submissive servant, was signed: Jacob Pelters, in the margin: Banda, the 12th of August, Anno 1771. Respectful From Banda, the 12th of August, Anno 1771. Respectful Report To the Right Honourable, Respected Sir, Jacob Pelters, Governor and Director of this Province. Right Honourable, Respected Sir, In compliance with Your Right Honourable's most respected orders, the undersigned proceeded to the Lonthoir Channel and there sounded and surveyed it, from the corner of the Lonthoir reef at 7 fathoms to the burnt corner of Gunung Api to 7 fathoms deep, and measured from the shore it was found to be 110 fathoms wide, all of which can be navigated by a deep-drawing ship. In the channel, the findings were as follows: First, setting the course off the entrance according to the weather and wind, when one has sailed the north of Pulau Ai to the west-north-west, and Pulau Run and Pulau Ai are a handspike's length apart from each other, then the course is straight east-south-east until the outermost point of Gunung Api that one can see bears north by west. One then has a depth of 8 to 9 fathoms. Then one sees the post of Celamme just clear of the gallows point, where one can then steer directly towards; passing From Banda, the 13th of August 1771. one passes the burnt point as close as practicable in order to run no danger from the reef, then tacking up between the nutmeg plantation of Raningen and Comberen and subsequently toward the shipping roadstead. This is all that the undersigned, Your Right Honourable's humble servants, can report on this matter. We therefore take the liberty to sign ourselves with all respect, was signed: Right Honourable, Respected Sirs, Your Right Honourable's humble and dutiful servant, was signed: Cornelis Brouwer, witnessed by me present, Pieter Cappelman, in the margin: Banda, the August 1771. To From Banda, the 12th of August 1771. Right Honourable, Respected, Ruling Sir, To the Right Honourable, Respected Sir, Jacob Pelters, Governor and Director of the Province of Banda and its Dependencies. Pursuant to the extract received from the assembly of the 12th of October last, on the island of Damme, whereby the commissioners for the southwest, DE: Carlobuir and Schel, were ordered to make an accurate survey and chart of the bay at this place, we take the liberty To report to Your Right Honourable: That its entrance lies due west, and it is situated on the east side of this island, on which corners one must avoid reefs, principally on the south corner, toward which the current sets strongly. Once inside the bay, one must again avoid the north side and keep to mid-channel. The depth of this bay inwards is estimated at half a Dutch mile. In mid-channel, one drops 60 fathoms of line without finding bottom, up until close to the reef, where there is 35 fathoms of foul ground. The reefs extend
Dutch transcription
280 van Banda den 18:' Aug=s 1771 oostmaar boven al op de zuijd wester eijlanden, hier tot is de ap„ „parentie zeer gering, de burgers lamenteeren over de verliesen op de reijse vande twee laatste Iaaren en in weer wil vanden vrijen waxhandel legt nog maar een vaartuijg klaar om eerstdaags nade zuijdwest te stevenen. omtrent de passage door het Canaal van Lontaxyis zedert den „opneem voor Iarigen geene verandering vernomen, ik beroepe mij dezentalven op het ingesloten berigt, en late het zelve verselt gaan van een tweede rapport waarff inde apparte zuijdweste papieren onder het Cappittel van Damine melding gemaakt is, het laatste grotelijk verschillende vanden op heff die wegens de aldaar tevindene renden bequaambaaij voor een geheele vloot scheepen inde archiven van de gepasseerden tijt voor komte Ten reguarde van de door den heer Ambons gouverneur van der voort bij een secreeten brief van den 23: april 177: gegeve kennis van de langs de ceramse cust vernomen Engelschen, gebruijke de har„ diesse van uw hoog Ed:s te versoeken positive beveelen, hoedanig hier te gedragen, wanneer teegens verwagting een vreemd schip quam opdagen met voornemen door een opretente gebrek aandrink water of ander zeed nood de rheede te bezeijlen, nademale ik ont„ bloot ben van eenige instructie papieren op dese materie toepasselijk In een ander casus met betrecking tot de scheeps overheeden worde ik on ophoudelijk lastig gevalle om uw Hoog Edelheedens in gunste voortedragen de te vervoer van Massooij met Specerij van Banda den 12: Aug„s 1771:— specerij scheep, als vermenderde dat dese geurige bast aan die avomatigpie ladinge ver eenig nadeel konde veroorsaak en nog mindeeene derselver in fectu te bevorderen. Daar te boven hebbe niet mogen van de hand weyzen het algemeene versoek der Bandase handelaars dat de bepaalde verkoop van rijst uijt 's Comp pakhuijsen mogte gelaten worden op den teegenwoordige voet ten eijnde hier door occasie her dcie te vinden haar en aanbreng van Iava met matige winsten te dimuniceeren dewijl in contrarie geval niet souden dur„ „ven onderstaan een corl van dit noodwendige Woedsel in te voeren en als ik nu voor mijn aandeel hier bij voege het genoegen der ingesetenen vande derdeclasse over de civile prijsen van 40 a 45 rd„s het last zoo vertrouwe vastelijk dat mijne voordragt om de wille van het daar bij inge „wickelst algemeen belang door uw hoog Edelheedens zal g'aggreeert en bestendig gemaakt worden Ik blijve met eene onschenbarsveneratie /onderstond:/ Hoog Edele wijdgebiedende Heeren wel Edele: Groot Agtb: Heeren /lager:/ uw hoog Edelheedens trouwschuldigen en submissie dienaar (was geteekend:/ J:b: Pelters /in margine:/: Banda den 12:' Augustus Anno 1771:— Eerbiedig 282 van Banda den 12:' Augustus Ao 1771: Eerbiedig- Rapport Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heere Jacob Petters. Gouverneur en Directeur deeser Provintie, Wel Edelen: Agtbaaren Heer In opvolging van uwel Edele Agtbaare seer gerespecteerde ordres hebben sig de ondergeteekendens haar vervoeg en 't Lonthoirse Canal en aldaar en aldaar gepijlt en op genoomen, als van de hoek van 't Lonthoirse riff van 7: v=m tot de g'brande k vande goenong Apie tot 7: v=m diep en vandewal ge meeten bevonden wijt te sijn 110 v=m dat alles met een diep gaant schip kan gepasseert worden hebbende in de canaal bevonden te zijn als volgt Eerstelijk de coers voor gaats stellende na ge„ legentheijt van weers wind als men dan de noord van p„lo bij in 't w: t: A:o heeft geseijld en pl„o rhunnen plo tij een wind boomsleg te uit malkander, dan is de coers regts o: t Z: tot dat mende buijtenste 1 van de goenong Apie die men sien kan N:o 11: â W: dan heeft mende diepte van 8: a 9: v=m dan diet mende post van celamme Even vrij vande galge't alwaar men dan regt op toe kan zeijlen, daarr passeert van Banda den 13:' Augustus 1771 — passeert men de gebrande, 't zoo na als't doendelijk is, om geen gevaar van 't riff te lopen boegende dan op tussen 't perk van raningen en comberen en vervolgens nade scheeps rhede„ dit is 't al dat de ondergeteekenden uwel Edele Agtbaare onderdaanige Dienaren hier van weeten te berigten Neeme dierhalve de vrijheijd ons met alle Eerbied te teekenen /onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heeren uwel Edele Agtbaare onderdanige en Trouschuldige Dienaar /was geteekend:/ C„s Brouwer Egipn:s mij present P: Cappelman in aargine/ Banda den aug„s 1771:— Aan 284 Van Banda Den 12:' Aug:s 171 Wel Edelen Achtbaren Gebiedent Heer Aan den wel Edelen Achtbaaren Heer Jacob Pitters Gouverneur en Directeur der prooventie Banda en den Resorte van dien, Ter opvolge op het ontfangene Extract ter vergaadering vanden 12:' october Iongstleeden ten Eijlande Damme door de zuijde wester gecommitteerdens DE: Carlobuir en schel gelast van een nouwkeurig opneem en seijling te doen van debaij hier ter plaatse zoo neemen wij de vrijmoedigheijt, uw wel Edelen Agtbaaren Te berigten Dat derselver ingang regt west is, en aan de oostkant van dit Eijlandt geleegen op wel kere hoeken men reevent te meijden heeft, en prin„ „cipaal op de suijdt hoek waar de stroom sterk naa toetrekt, binnen debaij zeijnde moet men wederom de noordt zijde meijden en Middens vaar waater houden. deverte van dese baij naa binnen waarts is na gissing ½ uE: meijl midden vaar waater goijdt men met 60 vaam zeijn geen grondt tot digt aandereev en 35 vaam vuijle grondt, de reeven strekken
English
From Banda, 13 August 1771. Examined. extend a cable length from the shore, in some places more, in others less; the width is estimated at ¼ to 1 mile. Furthermore, in this bay there is a projecting point where the residence of the commissioners stands. When one has the said residence to the north, one can gradually head toward it until one finds clean bottom at 25 and then 18 fathoms. Then one bearings the south point of the bay southeast and this residence due east. Further, one can run down to 10 fathoms of mud at a cable length from the shore and no closer, as the bottom rises steeply. At the last-mentioned depth one lies sheltered from all winds, and the same is suitable for the anchoring of ships and smaller vessels. As the undersigned have also inspected the roadstead off the post, where a ship and smaller vessels can anchor at a depth of 8 and 10 fathoms on sandy bottom, though with a north and northeast wind it becomes a dead lee shore. Herewith we hope to have complied with the intention of the received extract; therefore, we take the liberty to call ourselves, with deep respect and humility, Below was written: Right Honorable, Worshipful, Ruling Lord, Lower: Your Right Honorable, Worshipful's entirely obedient and faithful servants, Was signed: A. Bruijnves, J. Louw In the margin: Dammo-adij, 13 October 1770. W. Meijerman. Registry 6 Copy of incoming secret letters from Macasser of the year 1771, Letter Ab. Copy of enclosures belonging to the said secret letters, Letter B. Copy of the secret Macasser Daily Register, Letter C. Registry 6 Copy of incoming secret letters from Macasser, Letter Mb, of the year 1771. Copy of enclosures belonging to the said secret letters, Letter B. Copy of the secret Macasser Daily Register, Letter C. G Copy Incoming secret letters from Macasser Separate Secret Incoming Letterbook Anno 1771. A in Copy of a secret letter received from Macasser. To His High Nobility, The High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, The Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, Together with The Honorable, Right Honorable Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Honorable, Right Honorable Lords, The satisfaction and approval with which it has pleased Your High Nobilities once again Copy of a secret letter received from Macasser. To His High Nobility, The High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, The Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, Together with The Honorable, Right Honorable Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Honorable, Right Honorable Lords, The satisfaction and approval with which it has pleased Your High Nobilities once again From Macasser, 29 June 1771. again to honor the first-signed's actions in and concerning what was communicated in his separate advices sent last year, were, in Your High Nobilities' respected letters of 31 December of the past year, by no means the only subjects that appeared agreeable to him. The unanimity of Your High Nobilities' sentiments regarding more than one main matter with the views set down concerning them on his side, together with the favorable trust and the expectation of further continuation in a similar management of affairs in this cautious and anxious administration on the part of the second signatory, have likewise contributed to placing upon us an obligation which we are as yet only partly able to acquit ourselves of with a grateful acknowledgment of the special honor we place in these tokens of Your High 3 From Macasser, 29 June 1771. High Nobilities' favorable opinions, and which we shall always endeavor in all respects to answer. Having thus fulfilled our duty regarding this subject, we shall proceed to answer Your High Nobilities' aforementioned first letters, as well as to give a very brief report concerning the state of native affairs, which this time offer little of note other than the most desirable and at the same time most weighty general peace and tranquility throughout this entire Celebes. According to custom, we shall give precedence herein to the realm and the ruler of Bonij. We left the same at our last advices, as at that time he was still staying in the inland country, not without reason suspected of designs consistent with his vengeful, domineering, and turbulent nature, which therefore made us look forward very much From Macasser, 29 June 1771. made us look forward to his coming hither. The former was frustrated by timely precaution and appropriate measures, and the latter, upon repeated invitations, finally succeeded, with His Majesty returning hither in good health on 23 May past. However, just as our longing at that time was for a desired recovery of the heir to the throne, Aroe Mampoe, so our apprehension expressed on that occasion has since been justified. His illness, growing steadily worse, which caused almost all prospect of recovery to be set aside, has finally and completely dashed our only wavering hopes, as on the 8th of this month the fatal news of his passing was brought to us on behalf of Bonij, after, upon the King's arrival before the first-signed on the 6th prior, His Majesty, upon explicit inquiry into the condition of this prince, had already indicated that rumors mentioned he had passed away, and that for the announcement
Dutch transcription
Van Banda den 13:' Aug:s 1771:— Nagezlen strekken een cabel Lengte uijt de wal en dit op eenige plaatsen Meerder op ander minder, de weijfte is na gissing ¼ â 1: muijl. vervolgens heeft men in deese baij een uit steekendt hoeki alwaar de gecommitteerdens wooning staat wanneer men gem: woo„ „ning in het noorden heeft, kan men langzaamer handt daar na toe hou„ den tot dat men 25: en vervolgens 18: vaadem schoone grondt danpeijlt mendesuijd hoek van de baaij z: /: o„t en deese wooning regt oost verder kan men loopen tot op 10: vaam modder een cabbel lengtte vandewal en niet nader, terwijl de grondt steijl op loopt op de laast gem: diepte Leijdt, men beschiet voor allewinden en is deselve bequaam om te ankeren voorscheepen en Minder vaartuijgen, Als meede hebbende ondergeteekendens inspecsis genoomen vande rheede voor de post alwaar een schip en minder vaartuigen kunnen ankeren op de diepte van 8: en 10: vaaden sandt gront edog met een Noorde en noord ooste windt een botte laager wal Hier meede verhoopen aande intentie van het ontfangen Extract te sullen hebben volddaan dierhalven wij de vrijheijdt oneemen ons met diepe agtingen ootmoedt te noemen /onderstond:/ wel Edelen Agtbaaren Gebiedent Heer /:lager:/ uwel Edelen Agtbaaren gants gehoorsaame en Trouw schuldige Diennaaren /was geteekend:/ A: Bruijnves, I:s Louw /in margine/ Dammo=adij 13: october: A=o 1770, W: Meijerman gister 6 Copia Aan komende secreete Brieven van Macasser van den Iaare 1771: L=ra Ab:— Copia Bijlagen gehoorende tot de gem: secreete Brieven L=a B. Copia secreet Macasters Dagregister L=a C: sister 6 Copia Aankomende secreete Brieven van Macasser La Mb: van den Iaare 1771: Copia Bijlagen gehoorende tot de gem: secreete Brieven L= B opia secreet Macasters Dagregister L=a C: G : Copia Aan Hemendisueae Brieven van Macasser Apart Secreet Inkomend Briefboek A=o 1771: A in Copia Secreete Brieff ontvangen van Macasser Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edel Hoog Agtbaar Wijdgebiedend heer den Heere Petrus Albertus van der Paria, Gouverneur Generaal Benevens De wel edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edel Hoog Agtb: weijd gebiedend Heer Wel Edele Gestrenge Heeren, Het genoegen en de goedkeuring met de„ welken het u Hoog Edelheeden alwe„ derom opia Secreete Brieff ontvangen van Macasser Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edel Hoog Agtbaar wijdgebiedend heer Den Heere Petrus Albertus van der Pavra, Gouverneur Generaal Benevens De wel edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edel Hoog Agtb: wijd gebiedend Meer Wel Edele Gestrenge Heeren, Het genoegen en de goedkeuring met de„ welken het u Hoog Edelheeden alwe„ derom van Maccasser den 29 Iunij 1771: — derom hebben behaagt des eerstgeteekende zijne verrigtingen in en omtrent het be„ deelde bij sijne in den voorleeden Iare afgesondene aparte advijsen te vereeren waren in uwer hoog Edelheeden ge„ respecteerde letteren van den 31: xber ao pass„o geensints de eenigste onderwer„ „pen die hem aangenaam sijn voor„ gekoomen de eenstemmigheijd uwer Hoog Edelheeden gevoelens ten aansien van meer dan eene hoofdsaak met de begrijfp en daar omtrent van sijn sijde bij deselve ter neder gestelt benevens het gunstig vertrouwen en de verwagting van verdere Continuatie in eene even„ gelijke maneance van saaken indit omsigtig en sorgelijk bestuur aande zijden van den tweeden Tekenaar hebben mede toegebragt om op ons te leggen een Gehoudeniss waar van we als nog maar voor een gedeelte in staat sijn ons te kunnen acquiteren met een dank„ baar betuiging van de bisondere Eere die we stellen in dese blijken uwer Hoog 3 Van Maccasser den 29: Iunij 1771: Hoog Edelheeden favorabele opinien en aan dewelke we allenthalven steeds sullen tag ten te beantwoorden waar mede wij aan onse pligt omtrent dit suset voldaan hebbende, treeden sullen tot de beantwoording uwer Hoog Edelhee„ den I:o Letteren voorm: so wel als tot een seer beknopt verslag wegens den toestand der inlandsche saaken welke ditmaal wijnig aanmerkelijks komen op te leveren, dan wel het allerwenschelijkste te gelijk gewig„ tigste vreede en rust algemeen, op dit geheele Celebes, wesullen na gewoonten daar inne voor„ rang geeven aan het rijck enden vorst van, Bonij we verlieten deselve bij onse laatste ad„ vijsen (als te dier tijd nog vertoevende in de binnen landen niet sonder reeden gesus„ pecteert van desseinen met sijne wraak heersch en woel sugtigen in borst over een komstig t geen ons dieshalven seer deed van Maccasser den 29 Iunij 1771: deed uitzien na sijne herwaarts komst de eerste door tijdige voorsorge en gepaste maatregulen verijdelt en het laatste op herhaalde no„ diging eijndelijk gelukt in sijn Masesteijt op den 23: Meij Po in welstand alhier gerever„ teert Maar was ons verlangen die tijd na een gewenschte herstelling van den Troons op volger Aroe Mampoe onse bedug„ ting daar over bij die gelegentheijd voorgebragt sedert even reedig sijne langs hoe meer verergende quaal die genoegsaam alle apparentie tot geneesing ter sijde deed stellen heeft eijndelijk onse nog slegts wankelende hope geheel in al vereijdelt also op den 8 husus Bonijs weegen ons de funeste tijding van sijn ont„ slapen is toegebragt nadat met 's konings binnen komst bij den eerstgeteekende op den 6 bevoorens sijn Masesteijt op expresse af vrage nade toestand van desen Prins reeds te kennen gegeven hadde dat de gerugten gewaagden hij overleede waare en dat ter bekend making
English
From Makassar, the 29th of June 1771: the announcement thereof, an express deputy was already on the way but had not yet arrived, which gave well-founded cause to request and urge the prince with the greatest insistence upon the haste and importance involved in looking out again for another successor to the crown, endowed with the requisite capacities, loyalty, and inclination to unite in a lasting friendship with the Company, just as has been maintained by His Highness thus far, and in that way to look after the interest and prosperity of the Realm of Boni; and that one gladly wished to be assured of His Highness's absolute choice in this regard before the first signatory should depart from here, in order to be able to supply Your High Nobilities with the required information on this matter. His Highness answered this with the declaration that, however numerous his house of children might be, he nevertheless presently deemed among them all From Makassar, the 29th of June 1771: hardly one capable of that dignity; that he nevertheless, as soon as the actual news of Aroe Mampoe his death should have arrived, would convene the council of state in order to deliberate on the election of another, promising then to give a report thereof; and that in case of necessity, noticing the fickleness and discord of the Boni court nobles at times during such an election, as he seemed to wish to make us believe, he would then indeed name one or two persons who appeared to him to be the most suitable for it. The investigation into the overrun bark De Vrijheijd and the reclamation of that vessel and the cargo it had contained, recommended by Your High Nobilities' joint advices, having been judged best by us to be handled separately, and to use the credit and authority of His Highness for that purpose, as it still stands in a higher degree than that of the Honorable Company among the insolent Mandharese nation, we previously undertook secret espionage by sent confidants, and through From Makassar, the 29th of June 1771: whom one has been truthfully informed who the leaders of these predatory scum have been; whither they directly set their course immediately after the deed was committed; how the cargo of that vessel was dealt with; to whom, and for what price, the same was disposed of after the division of the laden plunder; and whither the leaders of these pirates subsequently dispersed upon their return to Mandhar. All of which particulars appear in detail in an account thereof given here by a certain Buginese named Tjinrana, inserted among the secret annexes, and the substance of which has gone into two letters written to this prince on this subject, with urgent request for assistance in this matter so that he might bring into effect and assert, on our behalf, his demands for the restitution of this From Makassar, the 29th of June 1771: robbery, and further for full satisfaction for this monstrous conduct, to the Maradia or King of Bangaij, one of the seven princes who hold possession of the Mandharese realm. In reply to this, at the aforementioned meeting, we saw with pleasure that His Majesty had already been informed by rumor of this case beforehand, but in a manner that still left much doubt and uncertainty, and moreover appeared dissonant with the information imparted to him by us. But in order to have more accurate intelligence of this case, His Highness, before having received both of our letters, had already sent someone on his behalf on a reconnaissance mission, who had not yet returned. Which His Majesty brought forward as a reason why he could not yet execute anything in this task assigned to him, and therefore suspended the same until his arrival here, in order to be able then to make further arrangements with one another about it. Wherefore 9 771 From Makassar, the 29th of June, year 1771: Wherefore this matter now having been taken up here, it was asked what intelligence His Majesty had obtained from Mandhaar in that regard, but we learned that the emissary sent out on his behalf to investigate matters had not yet returned. The King, having been presented with the question of what would be the best course to take in this case to compel the Mandharese to make satisfaction for this violence with full restitution of the plunder, appeared very eager to pay those peoples a visit with weapons and on that occasion to punish them according to their deserts, offering himself for that purpose as, in his judgment, the most capable means to indemnify the Honorable Company. The difficulty brought against this was not so much founded on the uncertainty whether the King of Bangaij or really his people were truly guilty of that robbery, since one doubts this little or not at all anymore, as well as on the interest of the Company, which by no means required the neighbor, if he were to show himself willing to make satisfactory compensation
Dutch transcription
van Maccasser den 29: Iunij 1771: bekendmaking van het selve reeds een expresse afgevaardigde op weg waar nog niet aan„ gekomen was 't geen een gegronde aanlijding gaaf om den vorst met de meesten aan„ drang te versoeken en voor te houden den hast en aangelegentheijd die er op gesloten lag in weder na een ander successeur tot de kroon uit te sien geadapteert van de vereijchte Capaciteijten trouwe en inclinatie om in een bestendige vriendschap met de Comp: gelijk als door sijne hoogheijd dus lange was onderhouden te vereenigen en langs dien weg het belang enden welvaart van het Bonijse Rijck te behartigen en dat men van sijne hoogheijds volstrekte keuse hier omtrent bevoorens den eerstgeteekende van hier quam te vertrecken gaarne wenschte versekert te weesen om in staat te sijn aan uw hoog Edelheeden dien aangaande het vereijschte narigt te kunnen suppediteeren sijn hoogheijd beantwoorde dit met de ver„ klaaren dat hoe talrijk sijn huijs van kii„ deren ware hij egter uijt hen allen tegens„ woordig g van Maccasser den 29 Iunij 1771: woordig naauwlijks een tot die waardigheijd Capa„ bel keurde dat hij niet te min, so spoedig de Effective tijding van aroe Mampoe sijn dood soude sijn ingekoomen den rijksraad soude laten beleg„ „gen ten eijnde over de verkiesing van eenen an„ deren te raadpleegen beloovende als dan verslag daar van te sullen geeven en dat hij in cas van noodsaa„ ke remarcqueerende de wispelteurigheijd en on eens gesindheijd der Bonijse Hof Edelen somwijlen bij sodanigen verkiesing gelijk hij ons indien waar scheen te willen brengen als dan wel een of twee persoonen die hem het geschikste daar toe voor quamen wilde opgeeven Het ondersoek na de afgeloope Barck de vrijheijd ende reclamatie van dat vaartuijg en dies ingehad hebbende laading aanbevoolen bij uwer Hoog Edelhee„ den gemeene advijsen door ons best geoordeelt sijnde afsonderlijk te behandelen en het credit en ontsag vaan sijn hoogheijd als nog in een meerdere graad dan die van de E Comp: bij de Htoutmoedige man„ dhareese natie daar toe gebruijken hebben we bevoorens heijmelijke verspiedingen door uijt„ gesonden vertrouwlingen in 't werk gestelt, en door van Maccasser den 29: Junij 1771: door dewelke men voor de waarheijd is onderrigt gewor„ „den wie de hoofden van dit roof gespuijs sijn geweest, werwaarts se 't eerst hunnen cours direct na 't gepleeg„ de feit hebben gesegt Hoedanig met de lading van die kiel is gehandelt aan wie, en voor wat prijs het selve na verdee„ ling van den ingeladen buit is van de hand geset en waar heen de hoofden deser Rovers in 't vervolg bij hun retour op Mandhaar sig hebben verspreijd Alle welke bijsonderheeden omstandig voorko„ men in een Relaas daar van door sekeren Bou„ ginees genaamt Tjinrana alhier gegeeven in„ gelascht onder de secreete bijlaagen en waar van het sakelijke Influeert in twee brieven aan desen vorst over dit suset geschreeven met Instantie om adjude hier inne ten eijnde sijne vorderingen van onsent weegen op de restitutie van desen van Maccasser den 29 Iunij 1771: roof, en verder om een volleedige satisfactie over dit en orm bestaan bij den Maradia of koning van Bangaij eene der vorsten van het seeven tal, die het mandhareese rijck in besit hebben te wil„ „len in het werk stellen en doen gelden, In antwoord op deese bij de voorgewaagde sagen we men genoegen dat sijn mabesteijt al te voor bij gerugt van dit geval was geinformeert geraakt dog op eene wijse die nog veel twijffeld en onse kerheijd overliet en buijten des ook diessonant voor„ quam met de Informatien hem daar van door ons bedeelt dan om naauwkeuriger bescheijd van dit geval te hebben had sijn hoogh: bevoorens onse beijde brieven te hebben ontfangen al reeds iemand van sijnen 't weegen op kondschap uijtgesonden die nog niet gereverteert was het geen sijn Masesteijt tot een reeden ingebragt waarom hij nog niets indeese hem opgedrage last konde werkstellig maken en deselve dierhalven surcheerden tot sijne komst alhier om als dan daar over nadere beramingen met den anderen te kunnen nemen weshalven 9 771 van Maccasser den 29. Iunij Ao 1771: Weshalven dese saak als nu hier op ter hand genomen sijnde vroeg men wat narigt sijn Majest: dien aangaande van mandhaar had bekoomen dog vernamen dat den sendeling sijnen twee„ gen ter ondersoek van saken afgesonden nog niet was gereverteert. wat weg t best in dit geval in te slaan om de mandhareesen te noodsaaken tot de satisfactie wegens dit ge„ weld met volkomen restitutie, van den roof den koning hier op voorgehouden sijnde schen deselve seer begeerig die volkeren een besoek met de waape„ „nen te geeven en bij die geleegentheijd daar over na verdiensten te straffen, biedende sig daar toe aan als na sijn oordeel het bequaamste middel tot dedo„ „magement van de E Comp: De zwaarigheijd die men hier tegen ingebragt niet so seer gefundeert op de onsekerheijd of wel de ko„ „ring van Bangaij of eijgentlijk de sijne wesent„ lijk aan dien roof schuldig waaren also men sulx wijnig of wel geheel niet meer in twijffel treckt als wel op het belang der Comp: het welk geensints vorderde den nabuur wanneer deselve sig tot eene genoegsame voldoening bereijdwillig quam
English
from Maccasser the 29: Iunij 1771:— appeared to show anxiety and alarm over this, his highness acknowledged that, although contrary to his initial offer, this was nevertheless acceptable, and on this it was mutually deemed proper to await the return of the aforementioned Bonijs envoy, in order thereafter to dispatch on the Company's behalf a capable person, assisted by the king's deputies, to reclaim that loot and to obtain full satisfaction from Bangaij, upon whose return, from their report, a further decision could then be made as to how one ought to proceed further in this matter. This having been thus settled, they continued by making known to his highness the displeasure conceived by your High Excellencies on the occasion of the complaints made by the Ambon Ministry regarding the frequentation of the Bonijers on the coasts of Ceram, where and in the vicinity of which many of them had been encountered, requesting that his highness would once and for all issue the necessary orders to the end that this offense, being utterly contrary to the contracts, might be cleared out of the way. from Maccasser the 29: Iunij Ao 1771: The truth of this appeared unbelievable to his Majesty; he declared that his subjects living along the bay of Bonij, where the lack of suitable vessels for such voyages was particularly too great among them for them to be suspected of being guilty of this, while it was certain that the dialect by which they were allegedly recognizable was also used and in vogue among other peoples settled nearby, thus alone provided no sufficient proof that they were Bonijers, the more so, as he further reported, because contrary to this presumption, recently two Ceram vessels had entered the river of Tjinvana—which must therefore rather cast suspicion upon the Wadjorese and Mandharese—and had also departed from there again, which his highness, however much the Pongauwa Aroe Tha had urged him for permission to seize them and send the people hither, had allowed to pass with no other purpose than thereby to prevent all causes of discord and embroilments that could have resulted from too great a hastiness in this regard. from Maccasser the 29 Iunij Ao 1771: He promised, however, to forbid his people in the strictest terms from taking any part therein, and upon any reappearance of such adventurers, to have them seized and handed over to the Honorable Company. Complaints from Ternate concerning the dominion claimed by a number of Bonijers over the territory of Limbotto appeared no less strange to his highness; he declared the same, like the preceding matter, to be mendacious and showed himself offended by the credence which people, as he said, were all too often ready to give without prior investigation to all accusations against his subjects, while other nations—by which he meant those of Wadjo and Mandhar—were permitted to sail back and forth without passes and thus to enjoy a freedom of which they were not only deprived, but on top of that still had to bear the suspicion of complicity. 13 from Maccasser the 29: Iunij 1771: It was replied to this that in this case concerning Limbotto, it was not merely an infraction of the pass or unimpeded navigation by others that was intended, but especially the lust for domination of those who dare to exercise authority on another's soil without being in the least authorized to do so; and that, as far as the Wadjorese and Mandharese were concerned, through the cruising expeditions fitted out against them, many of these rovers fell into the net, and the opportunity for doing so would be removed from them in the future as much as possible. Yet his highness, being intent solely upon this, asserted, according to his custom, the great necessity of a severe punishment for all violators of the Bongais Treaty, rather than the capture of a single one of their vessels that merely happened to fall into our hands, as they cleverly and ingeniously knew how to use other than the usual passages in their route to and fro, and thus all expeditions against them seemed to him to be of only slight effect, and that as long as the chastisement of these nations was not taken in hand in earnest, he would always be apprehensive of greater consequences thereof. In the month of September past, we received from the king from the interior a small parcel of 12: lb of cloves, alongside four pieces of linen of non-Company sorting, both of which had been overtaken and seized on Boneratta from the people of Calisoesoe, who had also come to market there, a clear proof of the unfaithful and deceitful character of this nation, and of which we made the necessary use in due time with the king and grandees of Bouton, as will appear below under that subject; for the attention shown in this matter, his highness was informed of our particular satisfaction, and requested for another suitable
Dutch transcription
van Maccasser den 29: Iunij 1771:— quam te toonen hier over te ontrusten en te over„ vallen avoueerde sijn hoogheijd dat hoewel tegens sijn eerste aanbieding gekant sulks egter aanne„ melijk was en wedersijds wierd hier op goed ge„ vonden de te rugkomst van den voorgewaag„ den Bonijs sendeling in te wagten om daar na van comp: wegen een bequam persoon ge„ adsisteert met 's konings afgevaardigden tot de reclame van dien roop en een volleedige satis„ factie nadien van Bangaij te depecheeren bij re„ „tour derwelken als dan uijt hun berigt nader soude kunnen werden beslooten hoedanig hier inne verder dienen te werk te gaan Dit aldus vast gesteld sijnde vervolgde men sijne hoogheijd te kennen te geeven het misnoegen uwer Hoog Edelheeden op„ gevat bij geleegentheijd der klagten uijt het amlonse Ministerie gedaan over de Fre„ quentatie der Bonijers op de custen van ceram alwaar en omstreeks veele derselven gerencon„ treert waaren met versoek dat sijn hoogh:t eens voor altoos de nodige ordres wilde afvaardigen ten eijnden desen aanstoot als volstrekt tegens de van Maccasser den 29: Iunij Ao 1771: de contracten strijdig uijt den weg geruijmt werde dewaarheijd hier van quam sijn Masesteit on„ gelooflijk voor hij verklaarde dat sijne onderdaa„ nen woonende aan de bogt van Bonij waar langs het gebrek aan bequaame vaartuijgen tot dier gelijke togten en onder hen insonderheijd te groot was dan dat sehier aan schuldig gesuspec„ teert souden kunnen werden terwijl het se„ ker was dat de spraak waar aan deselve souden sijn kenbaar geweest bij andere daar na bij ge„ setene volkeren mede geusiteert en in swang dus alleen geen voldoend bewijs uijtleverde dat het bonijers ware geweest te meer gelijk hij verder berigtede dat contrarie dit vermoeden onlangs bin„ nen de rivier van Tjinvana het geen dus veel eer de bedenking op de wadsoreesen en man„ dhareesen moet doen vallen twee ceramse vaartui„ gen ingeloopen en ook weder van daar vertroc„ ken waren die sijn hoogheijd hoe seer den Pongauwa Aroe tha hem was aangeweest om verloff van de selve te mogen bemagtigen en het volk herwaarts op te senden met geen ander oogmerk had laaten passeeren als om daar gen van Maccasser den 29 Iunij Ao 1771: door voor te koomen alle oorsaaken tot tweedragt en Brouillerien die uit alte groote voorbarigheid hier omtrent souden hebben kunnen resulteeren Hij beloofde egter de sijne ten strengsten te sullen interdiceeren van daar inne eenig deel te hebben en bij weder verschijning van sodanige avanturiers deselve te sullen laten oppackken en aan de E Comp: overgegeeven, Beklagten uijt Ternaten over de heer schap„ „pij door een deel Bonijers op het Territoir van limbotto aan sig geijgent quamen sijn hoogheijt niet minder vreemd te voor hij verklaarde deselve even als het voorgaande voor Leugenagtig entoonde sig gebelgt, over het geloof dat men gelijk hij seijde te vasen sonder voorgaande ondersoek gereed was te geeven aan alle betigtigingen sijner onderdaanen. ondertusschen men aan andere natien waar mede hij die van wadso en mandhar in het oog had toeliet gints en herwaarts sonder pas„ sen te vaaren en dus een vrijheijd te genieten waar van sij niet alleen verstooken maar daar 13 van Maccasser den 29: Iunij 1771: daar en boven de suspicie van deel genootschap nog moesten dragen Men hervatte hier op dat bij dit geval omtrent limbotto geen overtreding van Pass nogte ombelemmerde vaart door andere alleen zo seer bedoelt wierd maar wel insonder„ heijd de heersch sugt der geenen die op eenes anderen grond gesag durven voeren sonder in het minste daar toe bevoegd te sijn en dat wat de wad Ioreesen en mandha„ reesen betrof door de bekruijssingen die daar tegen wierden g'Equipeerd veele deeser swervers in het net quaamen aan wien d' occagie daar toe in het vervolg soveel mogelijk benoomen wierdt Dog sijn hoogheid het alleen hier op gemunt hebbende beweerde na sijne gewoonte seer noodsake„ lijkheijd, van een strenge strafoeffening aan alle de overtreders van het Bongaijsch verbond veel eer dan het wegnemen van een enkele hunner vaar„ tuijgen die maar bij geval in dehanden der onse quamen te geraaken daar sij listig en vernuftig andere van Maccasser den 29: Iunij 1771:— andere dan de gewone passagies in hunne route gints en her wisten te gebruijken en dus alle uijtrustingen daar tegen, maar slegts van een gering effect hem voorquamen en dat so „lange de castijdingen van dese naties niet eens met ernst ter hand genoomen wierd hij altoos voor meerder gevolgen daar van bedugt soude wesen, In de maand gter passo ontfingen wevan den koning uijt de binnen landen een partijtge van 12: lb garioffel nagulen nevens vier stucken lijwaat van geen Comp: sorteering 't welk een en ander op Boneratta was agter„ haald en aangehouden vande volkeren van Cali„ soesoe, die daar meede aldaar ter markt waren gekomen en klaar bewijs van het ontrouwt en bedriegelijk Caracter deser natie en waar van wij op sijn tijd bij den koning en Rijksgrooten van Bouton het nodige gebruijk hebben ge„ maakt, so als onder de materie in 't vervolg sal blijken voor de attentie hier inne betoont heeft men sijn hoogh: ons bisonder genoegen te kennen gegeven en versogt om een ander be„ quam
English
15 From Maccasser, the 29th of June 1771: to be willing to appoint a capable and trusted person to fill the post of the one to whose supervision this discovery is owed, as he had been stationed there since the year 1764, by agreement between His Highness and the then Governor Sinkelaar, for the purpose of investigating and preventing the smuggling trade which, from the situation of those islands, is to be presumed to have been carried on along there unhindered multiple times in the past, regarding which the King has made promises. With this, we conclude this matter, intending, in case the King, pursuant to his aforesaid promises, comes to settle the succession to the Bonian throne before the dispatch of this letter—and for which in the meantime no further urging shall be spared—to make mention of it at the close of this letter. Goa offers no particular matter of importance, unless we should wish to consider as such that, upon repeated complaints from the harbor boom farmer, we have seriously complained to the King about the continuous abuse of unhindered access granted again, as has occurred multiple times before, to a number of Mandharese vessels From Maccasser, the 29th of June 1771: at the settlement of Sapiria, situated at the entrance of the Poase River, and that de novo promises were thereupon made by that ruler to order his shahbandar stationed there repeatedly and in the strictest terms to admit no more such or other foreign vessels that, pursuant to our proposal, have not first called here and are able to show written proof thereof from our farmer. The princess, grandmother of the two deposed rulers Aroe Palacca, resides at the Bonian court. We are no longer so burdened as before with her troublesome requests regarding the presence of her aforesaid favorite, although—even though we cannot fathom on what foundation—she does not yet seem to have put the hope of this entirely out of her mind. For the rest, this realm, as well as Tello, From Maccasser, the 29th of June 1771: Tello, continues in profound peace and harmony. In Soping, it is currently just as peaceful, and all restless designs on the part of Boni seem to have been prevented and entirely frustrated through the precautions taken against an uprising of the peoples of Tomanzoesoe salo that had already been set in motion (see our latest dispatches of the past year). This is all the more certain now that the King of Boni, after steady admonitions, has already returned here from the interior. Concerning Wadso and Loewoe, we likewise have no substantive matters to report. Maros and the other Northern Provinces also yielding no report of importance, we therefore pass them by, but briefly report regarding Tanette that a fresh example of the outrageous conduct of the princess's favorite, her son Aroe Pantgana, committed against the Bonian settlement of Totjitta, From Maccasser, the 29th of June 1771: Totgitta, brought to our attention the complaints of the latter inhabitants, whose sown fields he had violently usurped and partly appropriated. This was conveyed to us via an embassy sent for that purpose by his master, the King of Boni, through the glarrang of Bontoealacq, urgently requesting a decision and satisfaction regarding this dispute, the usurper having managed to base this action of his solely on a flimsy pretext of ownership. Because one was not immediately sufficiently convinced of the rights of the aggrieved parties, one was forced to postpone the decision herein for a while until an investigation into the truth of the matter had been made. We took the necessary measures for this, upon the outcome of which this case was decided in favor of the Bonians. And the restitution thereof, although accompanied by slow progress owing to the negligence of the princess's officials, was at last carried out, as this and more such disputes will further appear to Your Right Excellencies from the accompanying separate daily register, among others under the 29th and 30th of January and 19 From Maccasser, the 29th of June 1771: and the 21st of February and 1st of February, to which we request leave to refer. A matter of little importance, because it was suppressed at its inception and cleared out of the way, but which nevertheless, through the innate, passionate, and hot-tempered nature of both sides, could have had great consequences. And this Aroe Pantjana, who is sufficiently aware of how greatly one is disgusted by his misconduct, seems for some time to be prudently keeping away from here, presumably out of fear of prosecution, lest in time the entire weight and burden of all his committed knaveries and roguish acts should descend upon him through an apprehension, if possible, and deportation; with which he was indeed threatened in the past year, to see whether it might exert some influence of fear on his unyielding, refractory, and malicious disposition. However, in that case, this would certainly displease and wound the deposed princess mother to the utmost, and could turn the friendship between the Honorable Company and Her Highness into hatred and aversion, which at present does not matter so very much, but matters and
Dutch transcription
15 van Maccasser den 29: Iunij 1771: quaam en vertrouwt persoon te willen benoemen tot plaats vulling van die aan wiens toesigt dese ontdecking is te danken als aldaar sedert ao 1764 bij over eenkomst tusschen sijn hoogh: en den toen „maligen heer Gouverneur Sinkelaar aange„ „stelt geweest tot navorsching en weiring van den sluijkhandel die uijt de situatie van die Eijlanden te preesumeeren is dat bevoorens te meer maalen daar langs onverhindert is gedreeven waar toeden koning beloften heeft gedaan, waar meede dese materie eijndige sullen„ de ingevall den koning ingevolge sijne voorm: beloften voor het afgaan deses in de weder op: volging op den Bonijsen troon komt te be„ schicken en waar toe middelerwijl geen na„ deren aandrang sal werden gespaart als dan op het slot deses daar van melding doen Joa geeft geen bijsondere stoffe van ge„ wigt aande hand ten sij we daar voor nemen wilde dat wij bij den koning over het aanhou„ dend misbruijk van een onverhinderden toegang die aan een deel Mandhareese vaartuijgen van Maccasser den 29: Iunij 1771: — op de negorij Sapiria geleegen voor aan „ de Po„ ase revier gelijk sulks al meermaalen is ge„ schied weder verleent geworden is op de herhaal„ de klagten van den booms Pagter ernstig gedo„ leert en daar op door dien vorst de novo be„ loften gedaan sijn sijne aldaar posthoudende sjabandhar bij herhaaling ten striksten te sullen ordonneeren geene diergelijke of an„ „dere vreemde vaartuijgen meer aldaar te admit„ teeren die ingevolge ons gedane voorstel niet alvoorens alhier aangeweest en een schriftelijk bewijs van onsen opagter daar van sullen kun„ nen vertoonen, De vorstinne Groot moeder van de beijde ge„ detroneerde vorsten Aroe Palacca houd haar ver„ blijf aan het Bonijse hoff men vind sig niet meer so seer gelijk voor heen met hare lastige ver„ soeken om te tegenswoordigheijd van de voorsz: hare Lieveling opgescheept hoe wel schoon we niet kunnen bevroeden op wat fundament sij egter den Hoop daar toe nog niet eenemaal uijt den sin schijnt te hebben gestelt voor het overige continueert dit Rijck, so wel als Tello „in van Maccasser den 29: Iunij 1771: Tello: in een diepen Rust en Eendragt soping Is het thans even so vreedsaam en schij„ „nen alle onrustinge ontwerpen van Bonijs zijde door de aangewende voorsorge, tegens eene reeds aanden gang gebragten opstand der volkeren van Tomanzoesoe salo E vide onse laatste advijsen van Ao pass. o voorgekoomen en geheel verydelt te sijn 't geen te meer vast te stellen is nu den Bonijsen koning reeds uit de binnen landen na gestadige aanmaa„ ningen alhier gereverteert is van wadso en Loewoe hebben we mede geen sakelijke stoffe tot verhandeling Maros ende verdere Noorder Provincien almede geen verslag van aangeleegentheijd op gee„ vende, passeeren wedierhalven dog berigten ter loops van Tanette dat een versch staalt se van het buiten spoorig gedrag der vorstinne lieveling haar soon Aroe Pantgana gepleegd op de Bonijse negorij Totjitta in van Maccasser den 29: Iunij 1771: — Totgitta ons de klagten deser laatsten wier zaaij„ velden hij met geweld sig had aangematigt ge„ deeltelijk te eijgenen daar over onder het oog deed komen, bij een besending door den glar„ „rang van Bontoealacq tot dat eijnde aan ons door sijn meester Bonijs vorst afgevaar„ „digt met dringend versoek om decisie en satis„ factie van dit geschil; hebbende den ontwel„ diger dit sijn bedrijft alleen op een nietig voor„ wendsel van eijgendom weeten te brengen, De beslissing hier van om dat men al aan„ stonds van het regt der beleedigden niet genoeg, saam was overtuijgt was men genoodsaakt voor eene wijle uit te stellen tot dat nade waarheijd der saak was ondersoek gedaan namen we hier toe de nodige beraamingen bij welker uitslag dit geval in faveur der Bonijers uijtgesprooken en de te rug gave derselven hoe wel door toedoen der nalatigheijd van der verstinne bevoegdens van een tragen voortgang verseld ten laasten egter is ter uitvoer gebragt so als dit en meer diergelijke Hacquettes u Hoog Edelheedens uijt 't nevens gaande apart dag regis„ ter onder andere bij den 29 en 30: Iann: en 19 van Maccasser den 29: Iunij 1771: en 21: februarij I:o fabruarij nader sal consteeren waar aan we versoeken ons te mogen refereeren een saak gering om dat deselve in sijn geboorte is gedempt en uijt den weg geruijmt, maar die egter door het ingeschape, driftig en oploopend na„ turel van de een en andere van groot gevolg had kun„ „nen werden en desen aroe Pantjana die ge„ noegsame bewustheijd heeft hoe seer men van sijn wangedrag gedegouteert is schijnt sig zeedert eenigen tijd voorsigtiglijk van hier te onthouden denkelijk uit vreese voor prosecutie om met eeniger tijd het gantsche gewigt enden last van alle sijne gepleegde schelmstucken en fielterijen op hem, door een opligting (des mogelijk en versending te sien nederdaalen; waar mede hij in ao pass„o wel gedreijgt is of het ook eenige invloed van vreese op sijn onbuijgsaam weerbarstig en quadaardig gemoed mogte kunnen verwecken, dog het geen indat Cas de versatte vorstinne moeder seekerlijk ten uijtersten mis„ haagen en gevoelig maaken de vriendschap tusschen de E Comp: en haar hoogh: in haat en afkeer soude kunnen doen verkeeren, waar aan thans wel so veel niet geleegen legt edog saaken en
English
From: Makassar, 29 June 1771: and events in the future could make Her Highness once again of consideration to the Company. In the southern provinces, a notable incident also occurred in the past autumn on Boelecomba to a certain Lamaije. This man, undeniably proven to be a subject of the Company, nonetheless had the misfortune, by order of a certain Aroe Theeko and Daing Manakoe, to be violently attacked by some Bone laborers in the past year, and to be deprived of all his possessions, wife, and children, entirely unspared, in the most unjust manner in the world, and this under the pretext that he, being a man of Bone and consequently attached to their ordinary and extraordinary court services on all occurring occasions, had withdrawn himself from this his required duty. This case was no sooner communicated to us by the Resident From: Makassar, 29 June 1771: Resident Mol, than all means were employed to discover the truth or falsehood of the pretexts of his enemies, and to this end the necessary orders were given, emissaries dispatched, investigations convened, testimonies gathered, some contradicted, others judged satisfactory; and all this, although upon the closest examination the innocence of that man was at last demonstrated clear as day by irrefutable proofs confirming him as a subject of the Honorable Company, was nevertheless accompanied by so much delay, opposition, and machinations, that we rightly consider we would weary Your High Excellencies with a detailed account thereof. We therefore shorten this matter with the decision of Bone's monarch upon our very earnest and pressing grievances, after being fully convinced of the violence and injustice done to this man by the two aforementioned scoundrels, who were privileged with His Highness's kinship and protection; who then also was at last restored to full possession of his stolen goods and family, and, insofar as the former were already alienated or missing, with a sufficient equivalent. From: Makassar, 29 June 1771: Equivalent, we repeat, upon the pressing grievances brought forward by us to the King of Bone concerning this, and our forceful protection granted to that mistreated man, the more so as this blatant and brazen act, executed as if under the very eyes of the Company's garrison, was furthermore immediately viewed by us as an excessive debasement of the authority of the Honorable Company on its own territory, which was judged necessary to be opposed with vigor, in order to deprive these and similar audacious scoundrels of the inclination to do so in the future, and to clip their wings, and to show that the Honorable Company lacks neither power nor authority, and we neither firmness, zeal, nor vigilance in the protection of the Company's lawful subordinates, who, encouraged and heartened by the example of such efficacious protection, must, or at least ought, to become increasingly bound to the Honorable Company by the unbreakable bonds of loyalty and esteem. Saleijer On 23 From: Makassar, 29 June 1771: Saleijer occupied us during the past autumn with the examination of the disputes that arose between the regents of Boekit and Onto regarding their boundaries, over which the decision reached here was ordered to the Resident for execution, and this quarrel was thus cleared out of the way to the satisfaction of the parties, without there being anything more to report concerning these obedient islanders this time, other than that on this occasion we send over to Your High Excellencies the former Pongauwa of the Bonto Bango district, mentioned in our separate letter of 20 October 1769, in order to be banished to wherever it shall please Your High Excellencies to approve. The still pending dispute on the opposite shore has thus far, although fruitlessly, cost us more trouble to settle concerning the boundary markers between allies, the kings of Dompo From: Makassar, 29 June 1771: Dompo and Sangar, of which the commencement as well as the suspension of that investigation, brought about by inconveniences and difficulties, has already been communicated to Your High Excellencies in our latest advices. We then resume the broken thread of this report with that which was made known to us in his interest by the first-named—however somewhat prematurely and impetuously he may have conducted himself in the negotiations held regarding this—subsequently in his letter dated 17 October, pressing for the ratification of earlier arrangements having no relation to the present case, while he persistently remains negligent regarding the tenor of the judgment rendered here concerning the second party's claim to several of his subjects and slaves who deserted to him, and seems to want to ward off the equitable satisfaction thereof through frivolous evasions. The 25 From: Makassar, 29 June 1759: That which was answered to him regarding this in our letter of 8 November last, according to the demands of the case, will be able to show Your High Excellencies that we very much desire to clear this discord out of the way in the most convenient manner, if possible to mutual satisfaction. But since this goal could not yet be reached through the means already employed, another commission from here will be decreed for this purpose in the coming month of September, as the most suitable time to make the voyage back and forth quickly, in the expectation that this quarrel, which in time could lead to worse consequences, will then finally be settled. Concerning the King of Tambora and his rebelling subjects, we limited ourselves in our last reports to the time when the fire of this discord, after the desertion of a large portion of the malcontents, was ignited most fiercely.
Dutch transcription
van: Maccasser den 29: Iunij 1771: en gebeurtenissen in het vervolg, soude haar hoogh:t weder van consideratie kunnen doen werden voor de Maatschappij inde zuijder Provincien is mede in het gepasseerde na Iaar een geval van distinctie gebeurt op„ Boelecomba aan een en Lamaije Dese man onbetwistbaar gebleeken een onderdaan van de Compagnie te weesen had niet te min het ongeluk uijt last van eenen Aroe Theeko en daing Manakoe door eenige Bonijse volkwerkers in ao pass„o met geweld aangevand en van sijn geheele besitting vrouw en kinderen al even onverschoont op de onregtvaardigste wijse van de wareld beroofd te worden, en sulks onder voorwendsel dat hij een Bonijer en gevolgelijk bij alle voorkomende geleegenthee„ den aan hunne gewoone en buiten gewoone hofdiensten geattacheert sig van dese sijn verschuldigde opligt onttrocken had Dit geval wierd ons so dra niet door den Resident van Maccasser den 29: Iunij 1771: Resident Mol gecommuniceert of men stelde alle middelen in het werk om agter de waarheijd of valscheijd der voorwendselen sijner vijanden te geraaken en hier toe de nodige beveelen ge„ geven sendelingen afgevaardigt Informatien belegt getuijgenissen ingewonnen, geene tegen ge„ sprooken andere voldoende gekeurt en dit alles of schoon bij een naauwkeurigst ondersoek de on„ schuld van dien man door ontegenspreekbare bewijsen die hem als een onderdaan vande EComp: bevestigde ten laatsten middag klaar was aange„ toont al egter met so veel vertraging tegenstand en kuijperijen verseld dat we met reeden agten u Hoog Edelheeden door een omstandigt verhaal derselve te sullen vervullen we bekorten dierhalven dese materie met de decisie van Bonijs vorst op onse seer ernstige endringende doleantien na volkomen te sijn overtuijgd van het geweld en onregt door de beijde voornoemde met sijn hoog„ heijds maagschap en protectie bevoorregte fielten, desen man aangedaan, die dan ook ten laatsten in't volle besit sijner ontroofde goederen en huijsgesin en in so verre de eerste reets vera „lieneert of te soek waren met een genoegsaam Equivalent van Maccasser den 29 Iunij 1771: Equivalent is herstelt geworden we herhaalen op de dringende doleantien bij den koning van Bonij daar over door ons voorgebragt en onse kragtige maintenue aan dien mishandelden man verleent te meer dit caiant en bru„ taal stuk selfs als onder 't oog van sComp: besetting g'eesteert, boven dien als eene al te verre gaande prostitutie van het gesag der E Comp: op haar eijgen grond gebied bij ons al aanstonds aange„ merkt men oordeelde met viguer te moe„ =ten tegen gaan, om dese en soortgelijke meer vermetele schelmen daar toe in het vervolg den lust te beneemen ente kortwieken en te doen sien dat het de E Comp: aan geen magt en gesag en ons aan geen Cordaatheijd ijver en attentie ontbreekt tot beveijliging van s maatschappijs wettige onderhoorige dewel„ ke door het voorbeeld eener sodanigen effica„ cieuxe bescherming g'encourageert en opge„ beurt langs hoe meer aandeE Comp door de onverbrekelijkste koorden van trouw en hoog„ agting moeten ten minsten behooren ver„ bonden te raaken saleijer op 23 van Maccasser den 29: Iunij 1771: Salijer occupeerde ons in het I„o verweken na Iaar het ondersoek der geschillen gereesen tus„ schen de regenten van Boekit en onto ter sake van hunne Limieten waar over de decisie alhier gevallen den resident ter executie aan bevoolen en desen twist dus tot genoegen van Partijen uijt de weg is geruijmt sonder dat er van dese gehoorsame Eijlanders ditmaal iets meer te berigten valt dan nog dat we bij dese gelegentheijd tot u Hoog Edelhee„ den oversenden den geweesen Pongauwa van het district Bonto Bango vermelt bij onse aparte letteren vanden 20 october 1769 ten eijnde met believen uwer Hoog Edelheeden werwaarts het hoog deselve sullen komen goed te maeken vinden te werden verbannen De nog sweevende Twist op de overwal heeft ons dus verre alhoewel vrugte„ loos meer moeijten gekost te beslegten tusschen de grenschpaalen onder Bondge„ nooten de koningen van Dompo van Maccasser den 29. Iunij 1771: Dompo en Sangar waar vanden aanvang so wel als de opschorting van dat ondersoek te weege gebragt door inconvenienten en swaarigheeden aan u Hoog Edelheeden bij onse laatste ad„ visen bereeds is bedeelt geworden we hervatten dan den afgebrooken draad van dit verslag met het geene door den 't eerst genoemden in sijn belang wij wat Pree„ matuur en driftig hij sig ook sodanig bij de daar over gehoudene onderhandelin„ „gen gedraagen heeft daar na aan ons bij sijn brief gedagtekend den 17 october is te kennen gegeven aandringende op de ratificatie van vroegere schickin„ gen tot het opresente geval geen betrec„ king hebbende intusschen hij aan den teneur van 't gewijsde alhier omtrent des tweeden pretentie op verschijde sijner na hem overgeloopene onderdaanen en slaa„ ven, aanhouden blijft nalatig te sijn ende bellijke voldoening daar aandoor frivoole uit„ vlugten schijnt te willen afweeren Het 25 van Maccasser den 29 Iunij 1759: Het geene hem hier op bij onsen brief van den 8 november pass„o naden Eijsch der saake is geantwoord sal u. Hoog Edel„ heeden kunnen doen sien dat we seer verlangen dien twee spalt op de gevoege„ lijkste wijse indien mogelijk tot weder zijds genoegen uijt den weg te ruijmen, Dan vermits men dit doel door de reeds aangewende middelen nog niet heeft kunnen berijken sal men in demaand september aanstaande als de bequaamste tijd om spoedig de rhijse der toen herwaarts te kunnen afleggen daar toe een andere malige commissie van hier de cerneren in verwagting dat dit krackeel dat van slimmer gevolgen inder tijd soude kunnen werden als dan eijndelijk beslist aak en sal Nopens Tamboras Koning en sijne revolteerende onderdaanen bepaalde we ons bij onse laat„ ste berigten ter tijd het vuur van desen Twee spalt nadesertie van een grootdeel der misnoegden op het hevigste ontsteeken was
English
From Maccasser the 29th of June 1771: was applied to preliminary precautions and measures at that time in order to calm the minds on both sides and, where possible, bring the defected back to submission, in which, although without any fruit, one continued until the 10th of November last, on which day the first signatory, after convening a special meeting, made this historical account known in its entire context to the Political Council, and thereupon such measures were devised as Your High Noble Lordships will be able to observe in detail from the copy of the resolution formed thereof, inserted among the annexes to this letter; continuing that the resident Stigt as well as the Commissioners Diterich and colleagues, as far as was required for the execution of the order given to them therein, were given the necessary information regarding the substantial matters handled on that occasion, and were charged to make a final attempt to effect, by way of 27 From Maccasser the 29th of June in the Year 1771: a desired reconciliation, the restoration of the monarch to his realm and dignity, with instructions to Stigt to take care in the meantime that everything there remains quiet and peaceful, and to provide us with the required communication regarding the outcome of this mediation. The result of this, by a written deed of the negotiation held on this matter among our joint allies there, Sumbauwa excepted, has then finally confirmed us entirely in that about which some doubt had previously still been harbored, namely: that truly an unbearable treatment by the monarch had as it were forced these subjects of his into defection, and that they could not be moved to any repentance or reconciliation, remaining resolute in their absolute refusal ever to recognize and accept him as their king again; although the other monarchs seem to take some interest in his restoration, yet From Maccasser the 29th of June 1771: yet what one believes must rightly be regarded merely as a consequence of their fear of meeting with similar circumstances sooner or later, since it is sufficiently well known that they are all more or less guilty of unheard-of extortions and vexations of their subjects, especially those of Bima and Dompo; wherefore definitively on the 6th of this month such further decision was taken regarding this, and subsequently put into execution, as the copy thereof to which we request leave to refer, as well as the written report received thereof, inserted among the separate annexes, accompanies this letter; having for the present, pending further notice, rejected as inadvisable the request made to us on that occasion by this dethroned prince, namely to be allowed to settle in Bima under the post of the Honorable Company, but, on the other hand, pending Your High Noble Lordships' favorable compliance, suspended his dispatch to your parts, for which Your High Noble Lordships have been pleased to qualify us, 29 From Maccasser the 29th of June 1771: in order to obtain permission for him from the same to settle here, or else in one of the Southern or Northern Provinces, as we respectfully request for this purpose by this letter, since we do not have the least objection that makes us deem the contrary necessary. Sumbauwa: the last cruise thither having expired with the return of the Commissioners Dieterich and Helmkampff in the past year, we received a letter from the king and grandees of the realm dated the 11th of November last, which, serving to accompany forty slaves delivered by them in reduction of debt, at the same time confirmed us in the expectation that a parcel of wood sufficient for two shiploads was lying ready there, while their complaints made therein concerning the prevailing poverty in their country, as well as concerning the arbitrary conduct of the Wadjorese residing there, with accusations of the latter as the cause of the frequentation of their coasts From Maccasser the 29th of June 1771: by the English nation, and furthermore excuses regarding the suspicions conceived against them in this matter, accompanied by promises to pay proper attention to the felled sappanwood that had been brought into stock for collection and to ensure that it should not decrease before the arrival of the ships this year, as well as to send their envoys hither, have given further hope that hereby all previous reasons for displeasure may have been removed by them, that affairs with this ally may take a turn for the better, and that the authority of the Wadjorese, now that the Nene Ranga, regent of the realm, has been removed by a violent death, may be clipped by the remaining well-disposed grandees of the realm. In our letter to them, written on the 9th of May last in reply to the one mentioned above, we feigned to be satisfied with their recent conduct, and therefore held as valid their
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Iunij 1771: was tot de preeliminaire voorsorge en mid„ delen te dier tijd in het werk gestelt ten eijnde de gemoederen van wedersijden te assopieeren en de afgewekene tot onderwerping waar 't mogelijk te rug te brengen waar bij men alhoewel sonder eenigen vrugt gecontinueert heeft tot op den 10 9ber: passato ten welken dage den eerst geteekende na het Convo„ ceeren eener bisondere vergadering dit His„ „toriaal in sijn geheelen Samenhang in den Politicquen Raad te kennen ge„ geeven en daar op sodanige maatregulen sijn beraamt als u Hoog Edelheeden uijt het afschrift der daar van geformeerde resolutie onder de bijlagen deses ingelascht breedvoerig sullen kunnen beoogen vervolgende Dat aan den resident stigt so wel als aan de Commissianten Diterich C: s: C: so verre tot de uijtwoering der aan henl: daar bij gegeeven last wierd vereijscht:) van het sake„ lijke bij die geleegentheijd verhandelt denodige kennis gegeeven en eene laatste poging op gedra„ „gen is in het werk te stellen om langs den weg 27 van Maccasser den 29:' Iunij A:o 1771: eener gewenschte reconciliatie den vorst in sijn Rijck en waardigheijd hersteld te sien onder recommandatie aan sigt van intusschen besorgt te sijn dat alles aldaar stil en ge„ rust blijve, en ons van het gevolg deser bemid„ deling de vereijschte Communicatie te geven Den uijtslag hier van bij een schriftelijke acte van de tusschen onse gesamentlijke Bond„ genooten aldaar sumbauwa except over dese saak gehoudene onderhandeling, heeft ons dan eijndelijk geheel en al bevestigt in het geene waar aan men bevoorens nog al eenigen twijffel had geslagen Namentlijk Dat waarlijk een ondragelijke behande„ „ling van den vorst dese sijne onderdaanen tot afval als gedrongen hadde en Dat se tot geen inkeer of versoening te be„ weegen hem volstrekt weijgeren bleeven ooijt meer voor haaren koning te willen er kennen en aanneemen; alhoewel de andere vorsten eenig be„ lang schijnen te nemen in sijne herstelling dog ge „ van Maccasser den 29: Iunij 1771: dog het geen omen meent ten regten te moeten aanmerken, alleen als een uijtwerksel hunner bedugting van de een of te anderen tijd ingelijke omstandigheeden te sullen gevaaken aangesien het genoegsaem bekend is dat se alle min ofte meer aan ongehoorde Extorsien en krievelavij„ en hunner ondersaaten schuldig sijn inson„ derheijd die van Bima en dompo weshalven difinitif op den 6: hudus hier over sodanig nader besluijt genoomen en vervolgens ter Executie gelegt is als het afschrift derselve waar aan weversoeken ons te mogen gedraagen so mede het daar van ingekome schriftelijk Rapport onder de aparte bijlagen ingelastt desen is versellende hebbende het versoek door desen ont„ troonden Prins bij die geleegentheijt aan ons gedaan namentlijk om sig op Bima onder sE Comp: post ter woon te mogen be„ geeven als voor eerst onraadsaam tot nader van dehand gewesen dog daar en tegen onder uwer Hoog Edelheeden gunstige inschicking gesurcheert sijne versending na costij waar toe u Hoog Edelheeden ons hebben gelieven te 2 29 van Maccasser den 29: Iunij 1771: te qualificeeren ten eijnde van hoog deselve voor hem te verwerven verloff om hier dan wel in eene der suijder of Noorder Provincien sigte mogen nedersetten gelijk wij daar toe beijde „se reverentelijk versoek doen also wij geene de minste bedenkingen hebben die het Contvarij ons doen noodsakelijk agten Sumbauwa de laatste bekruijssing der„ waarts met de te rug komst der Commissi„ anten Dieterich en Helmkampff in ao pass„o g'exspireert sijnde ontfingen we van den koning en rijksgrooten een brief in dato 11 9ber: I„o verweeken, dewelke ten geleijde streckende van veertig slaaven door hent. in mindering van schuld gelevert ons te gelijk in de verwagting dat aldaar een oparthij hout genoegsaem voor twee scheepsladingen gereed lag bevestigde terwijl hunne daar bij gedaane klagten over de heerschende ar„ moede in hun land so wel als over het wil„ lekeurig gedrag der aldaar inwoonende wad Ioreesen met beschuldiging deser als de oorsaak der frequentatie van hunne Custen door elve van Maccasser den 29 Iunij 1771:— door de Engelsche natie en wijders verschoonin„ gen wegens de suspicien in desen tegens haar op gevat verseld van beloften om op 't gekapte sap„ panhout dat ter afhaal in voorraad was ge„ bragt behoorlijk te sullen agt geeven en be„ sorgen dat het selve tegens de komst der schee„ pen in deesen Iaare niet quame te vermin„ deren so ook om hunne gesanten herwaarts te sullen zenden verder hoope gegeven hebben dat hier mede alle voorgaande redenen van misnoegen door hen sullen mogen sijn uit den weg geruijmt de saaken met desen Bondgenoot een keer ten goeden nemen en t gesag der wad Ioreesen nu den Nene Ranga Rijksbestierder door een geweldige dood van kant geraakt is door de nnog overige wel gesinde rijks groo„ „ten Gekort wiekt werden wij hebben bij onsen brief aan hen in antwoord op den voorgewaagden den 9: maij I„o geschreeven den schijn gemakt van over hunne laatste Conduite te sijn voldaan en dierhalven als valabel gehouden hunne -
English
From Makassar, the 29th of June 1771. their presented arguments with regard to the English and Wajo-Bugis, expecting that they will fulfill their made promises, and particularly also regarding the settlement of their debts in this year, although it nevertheless appears somewhat from the absence of their envoys expected here in the past month of February, as well as from various difficulties in the Resident Higt his latest of the date 13th of April, that without steady pressure on this Court, as little great expectation is to be built on the one as on the other. The motives, then, that have caused us to proceed to provide against this as much as possible with the dispatch of as much cash as Ruijteveld has carried thither, and the dispatch of the Ensign Lecerff, in order, beyond the secret charge entrusted to him, to be further armed under the main part of Salemparang, to be able to render the required assistance to the Resident during his continuing sickly state, From Makassar, the 29th of June 1771 principally in an assiduous encouragement of the Sumbawanese to keep their promises, Your High Nobles will find broadly mentioned in our ordinary resolutions taken regarding this on the 17th of April and 14th of May; wherefore we take the liberty to refer thereto, while we hope to experience the effect of these devised precautions against a disappointment of our expectation for the delivery of sappanwood sufficient for two shiploads, and Your High Nobles will please approve the disposition that we, for lack of another capable subject, have taken in this matter regarding the aforementioned Lecerff, notwithstanding he was relieved by Your High Nobles to the main settlement. Furthermore, having taken occasion hereto from the death of their former regent, we have encouraged this Court in appropriate terms to a firmer compliance From Makassar, the 29th of June 1771. with the contracts, as well as the avoidance of all intercourse with or admission of the English, and the sending of their envoys hither this year, whereby the expulsion of the Wajo-Bugis there will as much as possible be pursued gently, and all possible means of political skill will be employed hereto. To satisfy Salemparang's King Gustij Wajantaga, the Commissioners Dieterich and Helmkampf had already, prior to the receipt of Your High Nobles' honored orders, been instructed to restore to the same the vessel seized by the first-named under the coast of Sanggar; they have complied with this in this manner, to wit, that the same, because the monsoon was no longer favorable to them at the time when they received our order regarding this, was left by them on Sumbawa, with recommendation to that Court to please arrange that the same should be properly handed over further to that Gusti. From Makassar, the 29th of June 1771. Yet, also to satisfy the honored charge of Your High Nobles, we have demanded an accounting here regarding this case, and from the defense submitted thereon against the accusation brought before Your High Nobles by Salemparang's King, as well as from the account of the circumstances occurring in that incident according to two declarations presented under offer of oath and attached among the enclosures of this alongside the aforesaid deduction, the innocence of the Commissioner Dieterich, as having acted alone in that case, alongside the falsity of their accusation, was clearly and satisfactorily discovered, as we also trust that Your High Nobles, upon the review of those documents, will completely exonerate him from transgression of his orders. Of this we have also sought to convince that prince and to reassure him by the letter which, to accompany Your High Nobles' letter alongside the gift for the same, recently departed thither from here via Bima with the sloop De Goede Trouw, From Makassar, the 29th of June 1771. for the delivery of which, as well as the execution of the required investigation with which Your High Nobles have pleased to charge us, no more capable subject has appeared to us than the Ensign Lecerff already named herebefore, not because he possesses any knowledge of that country and its intrinsic power above others here, for no one of those qualifications is to be found here, but because his alert and enterprising nature, combined with a sufficient knowledge of the language and intercourse with the native, but especially his zeal and loyalty shown in various commissions, seemed to promise us in every way an expectation of good success in his regard. He has to this end been provided by us with the necessary instruction in writing regarding the special objectives of Your High Nobles in this, under recommendation of the utmost secrecy and discretion in his undertakings, From Makassar, the 29th of June 1771. as the copy thereof accompanies this among the enclosures. With the above-mentioned defense of Lieutenant Dieterich, brought with full proofs to the charge of the King's own subjects, we further in the mentioned letter persuade this prince in appropriate language: That never was order given by us to attack his people on his coasts; on the contrary, that the willingness with which that loss was not only restored to him again, but moreover the gift and the proposal in the accompanying letter, can serve as so many proofs of the favorable dispositions of Your High Nobles toward him; That it is now left solely to his choice to have full confirmation of this in the embracement of the offered treaty of friendship, with exclusion of all other European nations; and all this under assurance that
Dutch transcription
51 van Maccasser den 29 Iunij 1771:— hunne ingebragte redenen ten aansien der En„ gelschen en wad Soreesen in verwagting datse aan hunne gedane toeseggingen en inson„ derheijd ook omtrent de afdoening hunner schulden indit Iaar sullen komen te be„ antwoorden alhoewel het niet te min uijt het weg blijven hunner in lo vergangen alhier verwagte gesanten so wel als uijt deese en geene swarigheeden in des Resi„ dent Higt sijne laatste van dato 13 April I eenigsints voorkomt dat sonder een ge„ stadigen aandrang aandit Hoff op het eene even so min als op t andere grote ver„ wagting te bouwen sij De beweeg redenen dan die ons hebben doen overgaan om hier tegen soveel mogelijk te voorsien met de versending van nog soveel Contanten als Ruijteveld derwaarts heeft mede gevoert ende depeche van den vaan drig Lecerff ten eijnde buijten de hem opge„ draage secreete last nader onder het hoofd deel van Salemparang te gewapen den resident geduurende desselfs aanhoudende siekelijken staat „ „ van Maccasser den 29. Iunij 1771 staat de vereijschte hulpe te kunnen toebren„ gen voornamentlijk in eene assidueele aan„ spooring der sumbauw reesen tot het gestand doen hunner beloften sullen u Hoog Edelheeden uit onse ordinaire besluiten hier over op den 17 April en 14 Maij genomen in het breede vermeld vinden weshalven we de vrijheijd neemen ons daar aan te gedraagen inmiddens we het effect deser beraamde voorbehoedselen tegens eene te leur stelling onser verwag„ ting tot de leverantie van sappanhout genoegsaam toerijk ende voor twee scheeps ladingen hop te sullen ondervinden en u Hoog Edelheeden sullen gelieven te aggreeren en dispositie die we bij gebrek van een andere bequaam voorwerp overden voorm: lecerff onaangesien bij door u Hoog Edel„ heeden na de hoofdplaats was verlost in deesen hebben genomen voorts hebben we dit Hoff onder aanlijding hier toe genoomen uit de dood van hurinen geweesen rijksbestierder tot een volstandiger beantwoording 33 van Maccasser den 29:' Iunij 1771: beantwoording aan de contracten so wel als het vermijden van allen ommegang met ofte admissie van de Engelschen en de op zending hunner gesanten desen Iave na herwaards in gepaste termen aange„ spoort sullende so veel mogelijk de ver„ drijving der wad soreesen aldaar sagt ses aan betragt en alle mogelijke middelen van Industre Politicq hier toe aangewend werden Salemparangs koning gustij wajantaga te vergenoegen was albereeds de commissianten Dieterich en Helmkampf bevoorens den ontfangst uwer Hoog Edelheeden g'eerde beveelen gelast het door den t eerstgen: onder de wal van sangara vermeestert vaartuig den selven terestitueeren se sijn sulks nage„ komen in deser voegen te weeten dat het selve vermits de Mousson hen niet meer gunstig was ter tijd wanneer se onse ordre desen aan„ gaande ontfingen door hen op sumbauwa is gelaaten met recommandatie aan dat hoff van te willen besorgen dat het selve verder aan dien gustij behoorlijk wierde ter hand gesteld Dani ƒ en om C er van Maccasser den 29: Iunij 1771: Dan egter ook om aan de g'eerde laast uwer hoog Edelheeden te satisfacieren hebben we alhier wegens dit geval verantwoording gevor„ dert en uijt de daar op ingediende verdediging tegens de beschuldiging door salemparangs koning bij u hoog Edelheeden ingebragt so wel als uijt het verhaal der omstandigheeden bij dat voorvaal gebeurt volgens twee onder pree„ sentatie van eede overgelegde en onder de bij„ lagen deses nevens de voorsz: diductie ge„ voegde verklaaringen de onschuld van den commissiant Dieterich als alleen in dat cas geageert hebbende nevens de val„ schijd harer betigting klaar en ten genoe„ gen ontdeckt gelijk wij ook vertrouwen dat u hoog Edelheeden bij de resumptie van die stucken hem van overtreeding sij„ ner last volkomen sullen vrij kennen, Hier van hebben wedien vorst mede getragt te overtuijgen en ter neder te setten bij den brief die ten geleijde uwer hoog Edelheedens letteren benevens het geschenk voor den selven onlangs met de Chialoup de goede trouw van hier over Bima 35 van Maccasser den 29: Iunij 1771: Bima derwaarts is afgegaan tot welkers be stelling te gelijk het uijtvoeren van 't g'eijschte ondersoek waar meede u Hoog Edelheeden ons hebben gelieven te chargeeren, geen be„ quaamer subsect ons is voorgekoomen als den hier vooren bereeds genoemden vaandrig lecerff met om dat hij van dat land en desselfs Intrmseque magt boven anderen alhier eenige kundigheid besit want van die vereijschtens is niemand hier te vinden, maar vermits sijne wak„ „keren en ondernemenden aard gevoegd bij eene genoegsaame kennis van despraak en ommegang met den inlander dog insonderheijd sijn ijver en trouw in ver„ schijde Commissien betoont ons alleszints een verwagting van goed succes ten sijnen opsigten scheenen te belooven, Hij is tot dit eijnde door ons voorsien van de nodige onderrigting in scriptis aangaande de bisondere oogmerken uwer hoog Edelheeden in desen, onder recommandatie van de uijterste sucretesse en discretie in sijne onderneemingen gelijk gs van Maccasser den 29: Iunij 1771: gelijk het afschrift daar van desen onder de bijlagen is versellende. Bij de boven gerepte verdediging van den luij„ tenant Dieterich met volle preuven gebragt ten lasten van 's konings eijge onderdaanen ver„ volgen we desen vorst in den gemelten brief in gepaste Taal te overreeden, Dat nimmer door ons is last gegeeven. tot het aandoen der sijnen op sijne custen in tegendeel Dat de wilvaardigheijd waar meede hem dat verlis weder is gerestitueert niet alleen maar boven des het geschenk en den voorslag bij versellenden brief, tot so veele bewijsen kunnen dienen van de toegeneegene dispositien uwer hoog Edelheeden voor hem Dat het nu alleen aan sijne keuse overge„ „laaten hier van volkome bevestiging te hebben in de amplectatie van het aangebooden ver„ „bond van vriendschap met seclusie van alle andere Europeesche natien; en dit alles onder versekering Dat
English
from Maccasser the 29: June 1771: That the advantages which in time will flow to him from such a relationship with the mighty Company are of such a nature that they will never cause him to regret this step. Herewith Resident Higt was requested to ensure that the mission of Lecerff to Salemparang would be carried out with all required solemnities to the utmost possibility there. Meanwhile, in the Instructions given to Lecerff, as already stated, nothing has been omitted of what might serve to inform him concerning the secret intentions of Your High Excellencies in the event it should happen that Gustij Waijantaga might see fit to spurn so favorable an offer as this, and thereby bring upon himself the wrath and indignation of the Company along with the weight thereof by an unpleasant visit to his coasts in due time. And Lastly, from Maccasser the 29: June 1771: Lastly, in order that no haste should hinder him in the execution of this his commission, we have not set him a strict time, but only recommended him to ensure that at the latest by ult:o November of the coming year the written report of his experiences, investigations, and discoveries should be here, in order to serve as material for the reports that are then to be supplied to Your High Excellencies with the autumn dispatches. Nothing having come to our notice this year regarding the navigation of the English in these regions or on the opposite shore, it will remain a constant subject of our concern, through steady, urgent remonstrances accompanied by close supervision over the course of affairs, to ensure that their further intrusion, both on this and on the opposite coast everywhere, is earnestly opposed and made difficult. Concerning Bima we have nothing of substance to treat, and thus we come in conclusion to Bouthon. from Maccasser the 29: June 1771: Bouthon. The prospect of a favorable extension of the term for the delivery of the indebted two hundred slaves, together with the lack of a suitable vessel for their transport, were the reasons which, if one is to believe them, prevented the King and his Council of State from delivering any in reduction in the year 1769. Furthermore, a number of excuses concerning the suspicion of illicit trade, of which our Commissioner Lecerff is accused of having charged them, accompanied by an explanation regarding the failed expedition of the Extirpators in the past year, the cause of which was as cleverly as unjustly attributed to the insistence, zeal, and rashness of Lecerff during a season supposedly suitable for it; followed by a weak argument intended to prove that not their subjects, but a band of other peoples, formerly such but now long since independent refugee rebels, were guilty of the plunder of the stranded sloop de Noteboom, with the communication of a consignment of 10¼ piculs of cloves from the cargo of from Maccasser the 29: June 1771: the same, and the transport of 20 shipwrecked men along with 50 slaves to Your High Excellencies. These together constituted the principal contents of the letters which reached our hands after the dispatch of our spring advices concerning this matter sent from there under Assistant Jansen, to accompany their envoys and our aforementioned Commissioner, with which a parcel of 1027 pounds of cloves was also received here. The envoy here, being questioned among other things at his first audience on the 29 January of this year about the remaining cargo and the entire ammunition etc. of the said sloop, and confronted with the case that occurred on Boneratte recounted under the subject of Boni, maintained, just as his master had argued before Your High Excellencies, that no subjects of the King, but rather the people of Copea, situated closest to the place where the sloop was stranded, were guilty of this theft and must have taken a part of it elsewhere from Maccasser the 29: June 1771: for sale; which was contradictory to what he had declared shortly before, namely that, apart from the two parcels mentioned above, no more cloves had been salvaged, and as for the cannon, that they must still be found at the place where that little keel was lost. Our knowledge to the contrary having nevertheless been made known to him, he found himself embarrassed in a deep silence, which confirmed our suspicion against them. To this contributed not a little the request which he, on 9 March following, in the King's name, repeated as in the past year, though now with all possible insistence, to persuade us to organize the present commission of the Extirpators for the future not as strong as it has been for the past three years, but merely on the old footing again; to which, however, an answer was given with appropriate emphasis regarding the unshakeability of our measures taken in that regard. This
Dutch transcription
37 van Maccasser den 29: Iunij 1771: Dat de voordeelen die hem uijt sodanig eene betrecking met de magtige compagnie in der tijd sullen komen toe te vloeijen van een aard sijn om hem nimmer over desen stap te sullen kunnen doen berouw hebben Hier bij is den Resident Higt gedemandeert te besorgen dat de commissie van Lecerff na Sa„ lemparang in 't werk gesteld welde, met alle de vereijschte solemniteijten, na de uijterste mogelijkheijd aldaar Intusschen er bij de Instructie aan Lecerff gelyk reeds gesegt mede gegeeven ook niets is overgeslagen over„ geslagen van het geene hem tot onderwijs soude kunnen strecken, aangaande de ge„ heijme insigten uwer hoog Edelheeden in„ „geval het eens quam te gebeuren dat Gustij waijantaga konde goed vinden, eene so favorabele aanbieding als dese te versmaden, en sig daar door de gramschapen verontwaardiging van de maatschappij nevens het gewigt derselve, door een onaangenaam besoek op sijne Custen inder tijd op den hals te haalen en Laastelijk van Maccasser den 29: Iunij 1771: Laastelijk op dat geene overhaastinge hem in de Executie deser sijne last hinderlijk sij hebben we hem ook so seer geen tijd bepaald maar alleen gerecommandeert te besorgen dat uijterlijk tegens ult:o 9ber: J„o aanstaande het schriftelijk verslag sijner wedervaaren navorsching en ontdeckingen alhier sij omme tot stoffe te kunnen strecken voor de berigten die aan u hoog Edelheeden bij de na Iaarige advijsen als dan staan gesuppedi„ teert te werden, van. D'Engelschen hare vaart in dese Contrijen so min als op de overwal ons dit Iaar niets te vooren sijnde gekomen sal het een bestendig onder„ werp onser sorge blijven door gestaadige dringende vertoogen verseld van een naauw toesigt op 't beloop van saaken te bewerken dat hunne verderen indrang so op dese als de over Cust allerweegen met ernst tegen gegaan en difficiel gemaakt werde van Bima hebben we niets sakelijks te verhandelin en komen dus ten besluijte aangaande Bouthon 39 van Maccasser den 29: Iunij 1771: Bouthon het uijtsigt op een gunstige ver„ lenging van het Termijn ter voldoeninge van de verschuldigde Twee hondert slaaven bij 't ge„ brek aan een bequaam vaartuijg tot Transport derselven waaren de reedenen die den koning en sijn Rijks Raad sal omen hen gelooven verhinderden anno 1769 eenigen in omindering te hebben kunnen leveren wijders een deel ver„ schooningen wegens de suspecie van mors„ handel waar van onse Commissiant Lecerff be„ „tigt werd hen sulks ten lasten te hebben gelegt verseld van een verantwoording over de mis„ lukte togt der Extirpateurs in annopass„o de oorsaak waar van aan den aandrang van Lecerff sijnen ijver en voortvarentheijd in een quasi daar toe aangeleegen saijsoen so behendig als te onregt toegeschreeven en ag„ tervolgt werd van een swak vertoog ten bewijse dat niet hunne onderdaanen, maar een hoop andere wel eer sodanige dog thans sedert lange als uijtgewekene rebellen Independente volkeren aan de spolie van de gestrande Chialoup de Note Boom schuldig sijn met de Communicatie eener remisie van 10¼ pic„s nagelen uijt het Carguasoen van van Maccasser den 29:' Iunij 1771: van deselve en het Transport van 20 man schip breukelingen nevens 50 slaaven na u Hoog Edel„ heeden, Maakten te saamen den voornaamen Inhoud uijt der brieven die ons na de depeche onser over dese stoffe handelende voorjaarige advijsen onder den adsistent Iansen versonden van daar sijn ter hand gekomen ten geleijden hunner ge„ santen en onsen Commissiant meerm„t waar meede ook een parthij van 1027 ponden nagulen alhier is ontfangen, Den gesant hier op den 29 Ianuarij deses Iaars bij sijn eerste gehoor onder anderen nade overige lading ende gantsche ammunitie Etc: vande gem: Chialoup ondervraagt en met 't geval g'exteert op Boneratte /onder de materie van Bonij verhaalt overtuijgd heeft even gelijk sijn meester bij u Hoog Edelheeden bewerkt staande gehouden dat geene onderdaanen van den koning maar wel het volk van Copea 't naast bij de strand plaats vande Chialoup geleegen aan desen Hoof schuldig en daar van een gedeelte na elders te 41 van Maccasser den 29:' Iunij 1771: te koop moesten hebben gebragt strijdig met het geen hij kort te voor had verklaart Nament„ lijk dat buijten de hier voorgewaagde twee parthijen geene nagelen meer geborgen waren en wat het geschut betrof dat het selve nog op de oplaats alwaar daat kieltje is gebleven te vinden moest sijn van het tegendeel egter onse bewustheijd te kennen gegeeven sijnde vond hij sig belem„ mert onder een diep stilswijgen 't geen ons vermoeden tegens hen bevestige en hier „toe heeft mede niet weinig gecontribueert het ver„ soek dat hij den 9 maart daar aan uijt s konings naam weder gelijk in ao pass„o dog nu met alle mogelijke aandrang quam te herhaalen om ons te beweegen depresente Commissie der Extirpateurs naderwaarts met so sterk gelijk nu reets sedert drie Iaaren maar slegts op den ouden voet weder te willen inrigten dog waar op hem in gepasten nadruk met de onversettelijk„ heijd onser daar omtrent genomene maat„ regulen is geantwoord. Dit
English
Maccasser the 29th of June 1771. This now, added to what further appears in the journal of Lecerff from the 27th of August to the 29th of December of the past year, regarding the ruse whereby the king repeatedly feigned to be ill as often as Lecerff requested an audience to present our last letter from the preceding year, and what befell our people there to the extent that a lack of provisions, being the subject of their repeated complaints in two letters, caused us to decide that a vessel with sufficient supplies for subsistence had to be sent to them; furthermore, the proof that cloves were brought for sale on Boneratte by the people of Calisoesoe, and the deceit in reporting a number of slaves as having been sent to Batavia, which differs so noticeably from the summary delivered there and out of whom only 14 persons could be accepted as fit for service; these matters, whatever the report of skipper Gomberg presented to Your Right Excellencies concerning his commission might have seemed to offer in excuse of 43 from Maccasser the 29th of June 1771. of the king and his associates, have nevertheless largely confirmed for us the idea of their deceitful conduct, and have spurred us all the more, upon this latest commission, to insist in our letter to the king as well as in the instructions given to our people upon the prompt restitution of what is still lacking from the cargo and ammunition, etc., of the aforementioned keel, as well as upon the assistance owed from their side to our men during their expeditions for the inspection of spice crops, and furthermore to insist, among other things, upon the dispatch in this year of at least 46 slaves, young and healthy folk, in deduction of the quantity that must still be satisfied, as was also the principal subject treated upon the departure of the envoy on the 27th of March last to report orally to his master in such manner. But it was the relief of Ensign Lecerff to the headquarters, and by no means at the king's request, that we have not sent him thither again, from Maccasser the 29th of June 1777. and which consequently determined our choice in this matter upon Sergeant Johan Christoffel Steijnbach, as having appeared the most capable to be entrusted with this commission through the reputation of his conduct during the last two expeditions to those islands, alongside the instruction given to him regarding the most recognizable appearances of the nutmeg and clove trees, but especially regarding the manner in which to conduct himself under all suspected circumstances, with the addition of four soldiers besides the two Amboinese who are thoroughly knowledgeable of those spice crops, which will sufficiently enable him to execute to satisfaction the orders contained in his instructions, of which we respectfully hope to be able to share the outcome with Your Right Excellencies with the autumn advices, as we presently have no further report at hand on this matter beyond 45 from Maccasser the 29th of June 1771. beyond that which has thus been briefly shared and can be examined in greater detail from the accompanying enclosures, to which we take the liberty of respectfully referring Your Right Excellencies. And as we undertook hereinbefore at the conclusion of the Bony matter to give Your Right Excellencies further disclosure in case the necessary arrangements regarding the Bony succession should be made before the departure of the first signatory from here, we now discharge our duty in this respect with this account: that after repeated attempts in the meantime regarding this weighty affair, progress has only been made to the extent that, upon the taking of a formal farewell by from Maccasser the 29th of June 1771. 3 by the first signatory upon his departure from here with the Prince of Bony in the presence of the second signatory, having addressed him thereon once again in the most emphatic and at the same time most pressing manner, and having once again presented to the prince the importance of a speedy settlement in this matter, the assurance was given by him that he would soon formally resolve the necessary arrangements herein, with the promise, following the friendly admonition of the first signatory, to confer beforehand communicatively with the second signatory, the outcome of which will then be a subject for discussion in the following advices this autumn, or perhaps earlier. Furthermore, the king has sufficiently declared that the inclination of the collectively voting nobility, and also of himself, was leaning toward His Highness's grandson named Latanri Boeboe, of whom mention is made in the memoir of the first signatory accompanying this on this subject among other princes eligible for the crown; 47 from Maccasser the 29th of June 1771. and when His Highness was thereupon urged to be willing at the same time to look out for and choose such a person who possesses the requisite fidelity and capacities to govern and look after the affairs and welfare of the realm during the minority of this prince as regent in the commendable manner as has been praiseworthily observed by the king during his reign, he gave not indistinctly to understand that his son Aroe Ponre came into consideration with him for this; yet upon persuasion of the necessity that a man of greater fire and capability than was presumed of this prince should be taken for this purpose, he seemed not entirely averse to that opinion and promised to take this matter likewise into further careful consideration, it currently appearing to us in all respects that Prince Pongauwa Lakasie, or Aroe Tha, has largely lost the king's goodwill formerly shown so visibly to him on all occasions, and must have spoiled things badly with him. We
Dutch transcription
Maccasser den 29:' Iunij 1771: van Dit nu gevoegd bij het geene verder in het dag verhaal van Lecerff vervolgt van den 27 aug„s tot den 29: xber anno pass„o voor komt bij den list waar mede den koning sig telkens siek te sijn veijnsde so dikwils Lecerff gehoor versogt, om hem onsen laat„ sten brief in het voorleeden Iaar onthaal de onsen wedervaaren tot so verre, dat ge„ brek aanlevens middelen /:'t onderwerp hunner herhaalde klagten in twee brieven ons heeft doen besluijten een vaartuijg met genoeg„ saamen voor raad tot levens onderhoud, hen te moeten toesenden dan nog het bewijs dat door die van Calisoesoe op Boneratte Specerij nagelen ter verkoop sijn aangebragt en de mislijding in een getal slaaven als na Batavia versonden op te geeven, die so mer„ „kelijk defereert met het aldaar aangebragt summier en uit dewelke nog maar slegts 14 kop„ pen tot den dienst bequaam hebben kunnen werden geaccepteert dit een en andere hebben bij ons wat ook het verslag vanden schipper Gomberg aan u Hoog Edelheeden weegens zijne Commissie gesuppediteert ter verschoning van 43 van Maccasser den 29: Iunij 1771: van den koning C: s: mogt schijnen te geeven al egter het denkbeeld hunner slinker handel„ wijse veel al bij bij ons voltooijt en ons des te meer aangeset bij dese Iongste Commissie in onsen brief aan den koning even seer als omtrent den last de onse gegeeven op de oprompte restitutie van het geene nog aan de lading en ammuni„ tie Ctc: van meerm: kieltje ontbreekt so wel als op de assistentie aan hunne sijde verschul„ „digt de onse in hunne togten ter visitatie na spe„ çerij gewassen te bewijsen, en wijders de versen„ ding in desen Iare van ten minsten 46: slaven Iong en gesond volk, in mindering van de parthij, die nog voldaan moet wer„ den onder anderen aan te dringen gelijk sulks ook geweest is het principaal sujct bij de depeche van den gesant op den 27: maart laastl: verhandelt om aan sijn meester sodanig bij monde te Rapporteeren, Dan het was de verlossing van den vaandrig Lecerff na de hoofdplaats en geen sints op des konings versoek dat we denselven niet wederom derwaarts hebben van Maccasser den 29 Iunij 1777: hebben gesonden en 't geen over sulks onse keuse hier in bepaalt heeft op den sergeant Iohan Christoffel Steijnbach als door de reputatie sij„ „ner Conduite geduurende de twee laatste tog„ „ten na die Eijlanden heb bequaamste voorgekoomen om dese Commissie te kunnen toe vertrouwen waar bij het onderrigt hem gegeeven aangaande den kenbaarste apareilles der nooten en nagul Boomen dog wel nnson„ derheijd aangaande de wijse hoe, danig sig by alle vermoedelijke omstan„ digheeden te gedraagen met de toevoe„ „ging van vier militairen benevens de twee amboineesen volkomen van die specerij gewassen kundig sullen so wel ertroken hem in staat kunnen stellen de ordres in sijne Instructie ver„ vat, ten genoegen te Executeeren waar van we den uijtslag met de na Iaa„ rige advijsen u hoog Edelheeden hope Eerbiedig te sullen kunnen bedeelen terwijl we over dese stoffe thans geen verder verslag aan handen hebbende buijten 45 van Maccasser den 29: Iunij 1771: buijten het geene dus kortelijk is bedeelt en omstandiger uijt desen versellende bijlaagen waar aan we de vrijheijd nemen u Hoog Edelheeden met Eerbied over te wijsen sal kunnen werden na„ gesien En gelijk wij hier voor op het slot van de Bonyse materie hebben aan„ genoomen u Hoog Edelheeden na„ dere openinge te geeven ingeval er in de Bonijse successie voor des eerstgeteeken„ dens vertrek van hier het nodige mogt sijn beraamt so quiten we thans daar van onsen pligt met dit verhaal, Dat na herhaalde tentame intusschen over dese gewigtige affaire men in so verre daar meede alleen is gevordert dat Bij het memen van een plegtig afscheijd door van Maccasser den 29: Iunij 171: — 3 door den Eerstgeteekende op sijn vertrek van hier bij Bonijs vorst in het bij weesen van den tweeden Teekenaar den selven daar over andermaal op de nadruckelijkete te gelijk dringenste wijse onderhouden en de aangeleegentheijd van een spoedige beschicking hier inne den vorst nog„ maals voorgehouden door den selven versekering gedaan is hier in eerlange het nodige formeel te sullen besluiten onder toe„ segging op de vriendelijke vermaning van den eerstgeteekende van hier over alvoorens Commu„ nicatief met den Tweeden Teekenaar te sullen handelen waar van den uitslag als dan eene stoffe sal sijn ter verhandeling bij de volgende advisen dit na Iaar ofte ook wel vroeger Dan nog heeft den koning genoegsaam verklaart dat de inclinatie van de gesamentlijke stemmenden Adel en ook van hem selve overhellende was tot sijn hoogt: klijn soon genaamt latanvi Boe„ boe van dewelke bij de emorie van den eerst getee„ kende desen versellende op dit onderwerp onder an„ dere meer tot de kroon verkiesbare Prinsen „melding 47 van Maccasser den 29:' Iunij 1771:— „melding werd gedaan en wanneer sijn Hoogheijd daar op voorgehouden is om dan te gelijk te willen uijtsien en verkiesen den sodanigen die de vereijschte trouwe en capatiteijten Possideert, om geduurende de minder Jaarigheijd van desen Prins als Regent Trijks saaken en welvaart te kunnen bestieren en be„ hartigen op den prijsselijken voet als sulks door den koning gedurende sijne regeering lofwaardig is betragt geworden Iaf hij niet onduijdelijk tekennen dat sijn soon Aroe Ponre daar toe bij hem in aanmerking quam, al egter bij over reeding van de nood„ sakelijkheijd dat hier toe een man van meer der vuur en bequaamheijd dan men vermoedelijk van desen Prins sig voorstelde wierde genomen scheen hij ook niet geheel vreemd van dat gevoel te sijn en beloofde dese saak al omede in een nadere aandag„ tige overweging te sullen nemen schijnende het ons thans in alle opsigten toe dat den Prins Pongauwa Lakasie of Aroe Iha des konings goede geneijgtheijd wel eer voor hem in alle geleegentheeden so sigt baar„ lijk betoont voor een groot deel verlooren en het lelijk bij hem moet verkeurven hebbe„ wij
English
From Maccasser the 29th of June 1771. Examined We conclude this herewith with our heartfelt wish for Heaven's blessings upon the weighty interests of the Honorable Company and your High Noble Persons, finding ourselves honored to be, underwritten: High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lords, Noble Severe Lords, lower: your High Noble Lordships' very obedient and faithful servants, was signed: D: Boelen, P: P: van der voort, B: V: Pleuren. In margin: Maccasser In the Castle the 29th of June Anno 1771. D D van Haak Translation From Maccasser the 29th of June 1771. Examined We conclude this herewith with our heartfelt wish for Heaven's blessings upon the weighty interests of the Honorable Company and your High Noble Persons, finding ourselves honored to be, underwritten: High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lords, Noble Severe Lords, lower: your High Noble Lordships' very obedient and faithful servants, was signed: D: Boelen, P: P: van der voort, B: V: Pleurer. In margin: Maccasser In the Castle the 29th of June Anno 1771. D. D van Haak Translation From Maccasser the 29th of June 1771. Examined Translation We conclude this herewith with our heartfelt wish for Heaven's blessings upon the weighty interests of the Honorable Company and your High Noble Persons, finding ourselves honored to be, underwritten: High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lords, Noble Severe Lords, lower: your High Noble Lordships' very obedient and faithful servants, was signed: D: Boelen, P: P: van der voort. B: V: Pleurer. In margin: Maccasser In the Castle the 29th of June Anno 1771. D. D van Haak Secret Maccasser Daily Register 286 From Maccasser The 29th of June 1771. Secret Daily Register Tuesday The 16th, Wednesday The 17th: nothing occurred. Thursday the 18th, Friday the 19th: Saturday the 20th: Arrived an envoy from the Queen of Tello who had been sent from the Sidenreng interior for no other purpose than to greet me on her behalf and to inquire after my welfare, wherefore the bearer departed again with a return greeting and expressions of gratitude to Her Highness. Sunday and Monday the 21st and 22nd: nothing. Through the interpreter Israel Pieters, I had the King of Goack, who had especially stepped into the breach for the owner of a certain vessel seized by the boom farmer on suspicion of smuggling, notified that the offense committed therein had for this once, for the sake of His Highness, been overlooked and that vessel released again, but that I also expected from the King's side greater vigilance regarding the Mandharese, of whom I was informed that some From Maccasser The 29th of June 1774, vessels were again lingering near Sapiria, with the request that he would deny entrance to the Goack river, at whose outlet into the sea this settlement is situated, to them and henceforth also to all of that nation forever, which he promised me he would comply with, expressing thanks for the favor shown contrary to the farmer's intent, letting Wednesday the 24th: the seized vessel be taken over again by an envoy. Thursday the 25th until Sunday the 28th: nothing. Monday the 29th: Upon received information that a certain Bonian petty prince Mapa had abducted a Company subject here nearby and around, and subsequently already sold him off elsewhere, whereby the restitution of this robbery had for the time being become impossible, I sent the sub-interpreter Pietersz to the glarrang of Bontaalak as, in the absence of the suke wattang of Bonij, primarily responsible for the transgressions of the royal family, in order to urge upon him the restitution of the moneys derived from this sale, and further to proceed to the place where 288 From Maccasser The 29th of June 1771, further indications concerning this act of violence might be given to him, being at the same time charged with the delivery of a letter to the Queen of Tanette, whither he set out on his way. Tuesday the 30th: Wednesday the 31st: I sent with the interpreter Pieter Bartels, stationed at Maros, a letter to the King of Bonij to the interior. November Thursday the 1st until Saturday the 3rd: nothing. Sunday the 4th: The interpreter Pieters, having executed his charge mentioned under the 29th of the past month, returned today with a report that after having delivered the letter to the Queen of Tanette, on which occasion he was accompanied by the Sergeant Carel August Routje, commanded to the shipment of the tithes, he arrived with the same back at Sagerie, and had there been further informed regarding the reason for his commission to the glarrang of Bontocalaca, namely: From Maccasser The 29th of June 1771, that the abducted person, a prahu builder by trade, had been engaged under false pretenses by the said Mappa to repair his vessel, but that, instead of being put to work, he was on the contrary overpowered by the prince's people, bound hand and foot, and thus thrown into a vessel and carried off headlong down the river; upon which complaint made hereabout to the glarrang, he promised me through this interpreter to do everything possible to obtain, if not the abducted subject, at least the price of the same, and by no means to leave the guilty party unmolested concerning this. Monday the 5th: Through an envoy from the recently arrived ambassador of Dompo's King, an audience was requested for the same, who thereupon Tuesday the 6th: appeared and handed me a letter from his master, to be viewed among the appendices. Wednesday the 7th: Having learned that the majority of the Tamborese present here, under
Dutch transcription
van Maccasser den 29: Iunij 1771: — Nagezien Wij besluijten dese hier mede met onsen hertelij„ wensch van 't Hemels zegeningen over de gewig„ tige belangens van de Ed: Maatschappij en u Hoog Edelheedens Luijster-rijke Persoonen ons vereert vindende te mogen sijn /onderstond:/ Hoog Edele Hoog Agtbaare wijdgebiedende Heeren wel Edele Gestrenge Heeren /: Lager./ uwer Hoog Edelheeden seer Gehoorsame en Trouwschuldige Dienaaren /was geteekent:/ D: Boelen, P: P: van der voort, B: V: Pleuren. /:in marginne/ Maccasser In het Casteel den 29. Junij A=o 1771: D D van Haak Translaat van Maccasser den 29: Iunij 1771: — Nagezien Wij besluijten dese hier mede met onsen hertelij wensch van 't Hemels Zegeningen over de gew tige belangens van de Ed: Maatschappij en uH Edelheedens Luijster-rijke Persoonen ons vereert vindende te mogen sijn /onderstond:/ Hoog Edele Hoog Agtbaare wijdgebiedende Heer wel Edele Gestrenge Heeren /: Lager./ uwer Hoog Edelheeden seer Gehoorsam en Trouwschuldige Dienaaren (was geteekend D: Boelen, P: P: van der voort, B: V: Pleurer /in marginne/ Maccasser In het Castee„ den 29. Junij Ao 1771: D. D van Haak Translaat van Maccasser den 29: Iunij 1771:— Nagezien Translant Wij besluijten dese hier mede met onsen hertelij wensch van 's Hemels zegeningen over de gew tige belangens van de Ed: Maatschappij en u H Edelheedens Luijster-rijke Persoonen ons vereert vindende te mogen sijn /onderstond:/ Hoog Edele Hoog Agtbaare wijdgebiedende Heer wel Edele Gestrenge Heeren /: Lager uwer Hoog Edelheeden seer Gehoorsam en Trouwschuldige Dienaaren /was geteekent D: Boelen, P: P: van der voort. B: V: Pleurer /:in marginne/ Maccasser In het Castee„ den 29. Junij Ao 1771: D. D van Haak Secreet Maccasserr Dagregister 286 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771, Secreet Dag Register Dingsdag Den 16: Woensdag Den 17: niets voor„ „gevallen Donderdag „ 18 Vrijdag „ 19: Arriveerde Een sendeling van de koninginne van Tellodie Saturdag den 20:' uijt de sideentingse binnen landen tot geen ander Eijnde was gesonden als om mij van haren 't wegen te groeten en na mijne welstand Informatie te nemen waar voor den bren„ „ger met een Contra groet en dankbetuiging aan haare Hoog„ heid weder vertrocken is Sondag en maandag den 21:' en 22:' niets Liet ik den koning van Goack, die sig voor den Eijge„ naar van seker door den booms pagter op suspicie van sluijkerij aangehaald vaartuijg in 't bij sonder hadde in de bresse gesteld door den tolk Israel Pieters aanzeggen dat den misslag daar bij begaan voor ditmaal ten gevalle van sijne hoogheijd door de vingeren was gesien en dat vaartuijg weder gelargeerd, dog dat ik ook van 's konings zij de meerder waaksaamheijd verwagtede omtrent de mandhareese, waar van mij onderrigt was dat zig eeni„ „ge Van Maccasser Den 29: Iunij 1774, „ge vaartuijgen weder op hielden bij Sapiria, met versoek dat hij den ingang der goakse rivier op welkers uijtwatering in zee deese negorij geleegen is aan henl: en voortaan ook aan alle van die natie voor altoos wilde ontzeggen het geen hij mij belooven deed, te zullen na koomen onder dank betuijging voor de beweese gunst tegen 's pagters doel, latende, woensdag den 24:' het aangehaald vaartuijg door een en zendeling weder overneemen, Donderdag: „ 25:' tot sondag den 28:' niets „ 29:' op bekoomen informatie dat seker Bonijs prinsje maandag Mapa hier na bij en omtrent geroofd en vervolgens reeds na elders van de hand gezett hadde een Comp: onder daa„ nen waar door de restitutie van desen roof altoos voor eerst ondoenlijk was geworden sond ik den ondertolk Pietersz, na den glarrang van Bontaalak als bij af„ weesendheijd van den soeke wattang van Bonij voor de Transgressen van de koninglijke familie responsa, „bel in de eerst plaats ten Eijnde op de restitutie der pern: uijt deesen koop geproflueert bij den sel„ „ven 't urgeeren en verder zigte vervoegen ter plaatse al„ waar 288 Van Maccasser Den 29 Iunij 1771, „waar hem nadere aanwijsing weegens dit geweld mogte werden gedaan zijnde teffens belast met de bestelling van een brief aan de koninginne van Tanette werwaerts hij zig, op weg begieven heeft sond ik met den op maros beschijden tolk Pieter Bartels een woensdag den 31:' brief aan den koning van bonij na de binne landen, tot Saturdag den 3: niets den tolk Pieters zijnen last bij den 29:' der Jongst ver zondag „ 4:' wekene maand vermeld verrigt hebbende, retourneerde he„ den, met berigt als dat hij, na den brief aan de koninginn: van Tanette te hebben overhandigt, en waar bij hij van den tot den afscheep der verthie„ „ning gecommandeerden sergiant Carel August Routje was verseld geweest, met den selven weder op Sagerie g'arriveert, en aldaar nader g' jnfor„ „moert was, nopens de reeden van zijne Commissie na den glarrang van Bontocalaca, namelijk, November donderdag den 1:' dingsdag den 30:' dat van Maccasser Den 29: Iunij 1771, dat den geroofde van handwerk een prauw bouwer, on„ der voorwendsels door gem: Mappa ware aangenoa„ men, om desselfs vaartuijg te verstellen, dog dat hij, in plaats van te werk gesteld te zijn in tegendeel door 's princen volk overmand, gevleug„ „geld en sodanig in een vaartuijg gesmeeten over hals over kop de Rivier uijtgevoerd was geworden, op welke klagte hier over aan den glarrang ge„ daan, hij mij met desen tolk belooven liet, alles in 't werk te zullen stellen, om zoo niet den geroof„ den onderdaan, ten minsten de prijs van de selver te bekoomen, en den schuldigen daar over in gee„ „nen deelen ongemoeijt te zullen laaten, Maandag den 5: wierd door een sendeling van den onlangs alhier g'arriveerden afgesant van Dompos konings voor denselven acles versogt die hier op„ Dingsdag „ 6:' verscheen en mij een brief van sijnen meester overhandigde, onder de bijlagen te b'oogen; woensdag „ 7:' vernoomen hebbende, dat zig het meerendeel der alhier aan weesende Iamboreesen on„ der