VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3337

Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3337_0348 view scan ↗

English

there was peace and quiet, and no strange peoples had been heard of. The said village having been visited and searched precisely by two native chiefs, one corporal, and six common soldiers, I received a report that all was well, but that they had seen almost no human being in the aforesaid negorij. Around ten o'clock I ordered the anchor to be weighed again and departed with the fleet for the negorij Tehoeha, where I arrived at one o'clock, but perceived not the least movement of people at this place. The houses which I caused to be inspected on the said small village were found entirely empty. Having nothing more to accomplish there, I departed with the fleet for Laijimoe, where I came to anchor in the evening at half past four. The orangkay of that hamlet, named Sela Poetij, came aboard to me offering an old toetombo as a gift, for which I thanked him kindly, and wherewith he returned to his negorij, which I caused to be inspected. Monday the 18th of March in the morning, I came to anchor before the negorij Hatiahoe, where the son of the old orangkay named Kinoea Suijlerie welcomed me, after which I had the negorij inspected, but having discovered nothing therein, I ordered Ensign Schemering to survey the river Aijer Boebat or Jan Compaan with some men and six orembaais. While I in the meantime inspected the negorij and found that the women and children had all fled, towards evening Ensign Schemering returned without having accomplished his mission, the heavy seas having prevented him from fulfilling this commission of his. Tuesday the 19th of March, the heavy weather having subsided, Ensign Schemering departed once again with six orembaais for the river Jan Compaan, and shortly thereafter the orangkay of Hayja arrived in the fleet, bringing me intelligence that before his negorij the pantjalling Het Verlangen lay anchored, and at the same time handed me Your Right Honourable's respected letter of the 17th of March accompanying the 60000 baked sago loaves. I thanked that regent for the delivery of the said letter and presented him with a small gift of rice and arrack, to encourage his vigilance to be shown further, as experience in the many cruises undertaken by me has convinced me that the said orangkay is very useful and in the service of the Company. Pursuant to Your Right Honourable's honoured order, I questioned the said orangkay concerning a piece of linen that he was alleged to have bought from the captain of the Ambon burghery Johannes Coning, he testifying this to be the pure truth, saying that it was not one, but indeed three pieces, and that he had paid the sum of 33 Rds for them. While the aforesaid village chief, upon further questioning, declared he was unable to say whether the linen he bought from the said Captain Coning was crossed with a blue or rather with a red stripe; thus, finding no grounds to convict him of illicit trade and nothing smacking of it having been discovered in that negorij, I left the aforesaid regent unmolested during that inquiry. In the afternoon the said orangkay of Haija took his leave and departed with two sailors for his negorij, to whom I gave orders to tell the master of Het Verlangen that he must depart with his vessel as soon as possible for Hatoemetten or Tobo and await me there. Furthermore, the orangkay of Haija recounted to me that he had delivered the letter to Hamba, and that he had answered him, just go to Captain van den Brink, I shall certainly follow you. In the afternoon at one o'clock, I came to anchor before Werinama and found lying there the pantjallings De Liefde and De Voordvarendheit. I immediately inquired of the radja of that hamlet about the condition of his negorij, and received the answer that all was in good order, just as was also reported to me by Lieutenant Gosseling after inspection was done. At nine o'clock I dropped anchor before Tatoemetten. The orangkay of Hatoemetten came immediately to welcome me, and from that regent I learned that all was well in his negorij, and that he had given the orangkay of Haija an orembaai with some men to deliver the letter to Commander Hamba, because the Tobo people had attacked the orangkay of Haija underway. I also received a report from Ensign Schemering that he had carefully inspected the river of Jan Compaan, but that he had perceived nothing there, and that on that occasion, owing to the high seas, a prau was lost and some bundles of cartridges had become wet. Wednesday the 20th of March, nothing occurred except that the Ceram Commander Hamba came to me with his vessel in the evening at half past seven, being very incensed against the orangkay of Haija, for the reason that I had ordered the said orangkay to notify [illegible] that none of the orangkays themselves

Dutch transcription

rust en vreede was, en geen vreemde volkeren vernomen hadt, dat door gem: dorp & zar d Twee Jnlandse Hoofden, Een Corporaal en ses gemeene soldaten exact gevissiteert zijnde, zo ontving Rap„ „port dat alles wel bevonden was, maar bij na geen mensch in voorsz: Negorij gezien hadden Circa tien Uuren liet ik weder Anker ligten en vertrok met de vloot na de Negorij Tehoeha, alwaar om Een uur arri„ „veerde, dog vernam geen de minste beweging van volk aan deese plaats; zynde de Huijzen dewelke heb laten visiteeren, gantsch leedig op gem: Dorpje gevonden, niets daar dan meer te ver„ „rigten hebbende, zo vertrok met de vloot naar Laijimoe daar s Avondsen half vijff ten Anker quam, den Orangkaaij van dat gehugt gen„t Sela Poetij kwam bij mijn aan Boord tot een geschenk aanbiedende een Oude Toetombo daar hem vrien„ „delijk voor bedankten, en waar mede na zijn Negorij dewelke heb laten visiteeren is te rug gekeerd: Maandag den 18: Maart des morgens quam ten Anker voor de Negorij Hatiahoe, alwaar de zoon van den ouden Orangkaija genaamd Kinoea Suijlerie mij verwelkomde, waar na de Negorij liet visiteeren, dog daar in niets ontdekt hebben„ „de, gelaste ik den vendrig schemering om met eenige man„ „schappen en ses Orembaaijen de Revier aijer Boebat of Jan Compaan optenemen. Terwijl intusschen de Negorij bezigtigde en bevondt dat de vrouwen en Kinderen alle gevlugt waren; teegens den Avond reverteerde de ven„ „drig schemering onverrigter zaake te rug hebbende de zwa„ „re zee hem belet aan deese zijne commissie te voldoen Dingsdag den 19:' Maart het zwaare weer bedaard zijnde vertrok andermaal met ses Orembaijen den vendrig Scheme„ „ring naar de Rivier Jan Compaan, en quam kort daar aan - 23 181 aan in de vloot den Orangkaija van Hayja, mij kundschap doende dat voor zijn Negorij de Pantjalling het verlangen g'ankerd lag, mij teffens inhandigde Uw wel Ed: Agtb: gerespecteerde letteren van den 17: Maart ten geleiden van d' 60000 gebakte zagoe Broodjes, Jk bedankte dien Regent voor de bezorging voor gem: Missive en vereerde hem met een smal geschenkje van Ryst en Arak, ter aanmoediging van zijne verdere te betoonen vigilantie wijl de ondervinding in de zo veel door mij gedane Bekruijssing mij overtuijgd dat gem: Orangkaaij zeer nut en ten dienste van de Comp„e is. Gemelde Orangkaaij het ik ingevolge Uw wel Ed:e Agtb: g'eerde Order ondervraagd wegens een stuk Lijwaat dat hij van den Capitain der Ambonse Burgerij Johannes Coning zoude gekogt hebben, betuijgen„ „de zulks de zuijvere waarheid te weesen, zeggende dat het niet een, maar wel drie stukken geweest zijn, en dat daar voor de somma van Rd„s 33: heeft voldaan, Terwijl voorm: Dorps Hoofd op de nader vrage verklaarde niet te kunnen zeggen of het Lijwaat dat hij van gedagte Capitain Coning gekogt heeft met een blauw dan wel met een Roode streep doorstrecken was, invoegen ik geen fundament vindende om hem van Morshandel te overtuijgen en niets daar na sweemde in die Negorij ontdekt is het bij dat onderzoeken voorn: Regent ongemolesteerd gelaten heb, des middags nam gem: Orangkaay van Haija afscheid en vertrok met Twee Mattroosen naar zijn Negorij, dewelke ik ordre mede gaf om den gezaghebber van het verlangen aantezeggen, dat zo dra mogelijk was met zyn vaartuijg naar Hatoemetten of Tobo moest ver¬ „trekken en mij aldaar inwagten. voorts heeft mij en den Orangkaija van Haija verhaald dat de Brief aan Hamba bezorgd, en dat hem g'antwoord hadt, gaat maar na den Capitain van den Brink ik zal uw wel volgen. 'S agtermiddags om Een Uur quam voor werinama ten Anker en rond aldaar leggen de Pantjalling de Liefde en de voordvarendheit; ik vernam: ten eersten bij het Radja van dat gehugt na de omstandigheid zijner Negorij, en bequam tot andwoort dat alles in een goede gesteldheit was, gelijkerwijs mij ook door den Lieutenant Gosseling na gedane visitatie Rapport is gedaan geworden, om negen uuren liet het Anker voor tatoemetten vallen- De Orangkaija van Hatoemetten quam mij terstond verwel„ „kommen, en van dien Regent vernam ik dat in zijn Negorij alles wel was, en dat hij aan den Orangkaija van Haija een Orembaaij met eenige manschappen had gegeven ter bestelling van den Brief aan den Commandant Hamba, wijl de Tobocc„ „sen den Orangkaaij van Haija onderweegs hadden aangedaan, ook ontving van den vendrig schemering Rapport dat de Revier van Jan Compaan nauwkeurig had gevisiteerd, dog dat daar niets had vernomen, en dat bij die gelegendheit door de Hooggaande Zeen een Prauw verlooren mitsg„s eenige Bossen Pattroonen nat geworden waren. woensdag den 20:' Maart niets voorgevallen dan dat de cerams Commandant Hamba des Avonds om half agt met deszelfs vaartuijg bij mij quam zynde zeer vergramt tegens den Orangkaaij van Haija, uijt oorzaak ik gem: Orangk: gelast hade om„ „lo Cisser aantekundigen, dat geene der Oranghaja zig

NL-HaNA_1.04.02_3337_0351 view scan ↗

English

absented themselves from their settlement and the orangkaya had forbidden him from speaking any other language than Malay, to which end the orangkaya of Haija had assigned the soldier Philip Davids to accompany him in order to keep an eye on things. Thursday the 21st of March in the morning, Lieutenant Gosseling had Ensign Schemering and the artilleryman Iansz come on board, holding a council with them as to what should be done, since the patjallings had all remained behind and were not to be expected anytime soon, and it was by no means advisable to remain longer in this roadstead, as time was passing and the onset of the east monsoon was to be expected. Whereupon it was approved to proceed with the voyage to Batoecissa, which was carried out accordingly at one o'clock in the afternoon, coming to anchor at 3 o'clock before the settlement of Batnassa. Barely had the anchor dropped when several peoples were seen fleeing inland, while many kept themselves hidden in the woods. I proceeded ashore with Lieutenant Gosseling and some soldiers assisted by natives, where I found nearly the entire settlement planted with caltrops or so-called Spanish riders, which I tore out as much as possible, immediately giving orders to destroy the settlement by fire, which was done at once. This being completed, Lieutenant Gosseling proceeded overland with a detachment to Tobo. Meanwhile, I had the orembaais raise anchor and set sail. When the aforesaid detachment had marched halfway, it was noticed that a large number of Ceram people, all armed, were hiding in the woods, who were greeted with bullets by the detachment in such a manner that they quickly took to their heels. In the evening at about five o'clock I came to anchor before Tobo with the orembaais, as did the patjalling de Liefde, most of the inhabitants of Tobo having run inland. However, some Toboese were seen from afar showing themselves while dancing and performing the cakalele, which, however, was not of long duration, as they followed their comrades into the woods in a hurry. I ordered Ensign Schemering into the inlet to anchor with some orembaais above the cliff of Tobo, with instructions to keep a good watch there. The patjalling de Liefde, being a good half mile away from me, finally came to anchor, its commander Tiet Bronkhorst being so intoxicated that at seven o'clock in the evening he did not hesitate to row around among the vessels with his boat, showing me all disrespect by rowing past the orembaai on which I was located, and when I called out to him who he was, shouted back that he was making the rounds. Friday the 22nd of March in the morning at sunrise, the said Bronkhorst came on board with me, whereupon I severely reproached him for making the rounds against my orders and the needless commotion caused thereby in the fleet, and ordered him to anchor closer to my orembaai, about which he cared little, but let his anchor drop at four fathoms, notwithstanding he had been warned by the artilleryman Iansz that he was lying too shallow, to which he answered that it meant nothing, saying I lie well here, being again just as yesterday incapacitated by drink, in which he daily continued. Having given orders to Lieutenant Gosseling to go ashore with the soldiers, as well as the native chiefs and their peoples having been ordered to stay close to the shore with all the orembaais and to get their guns ready, as soon as I had set foot on land, such fire was directed from the woods that I was forced to discharge all the small swivel guns of the orembaais as well as the small arms upon them, which continued until ten o'clock, when the artilleryman Jan Iansz came ashore with the mortar, subsequently having the Ceram people bombarded in such a way that their desire to shoot from the woods soon vanished, and they retreated at twelve o'clock. Whereupon I summoned Ensign de Waal with seven orembaais from the east side of the cliff, as well as sent a detachment of soldiers and some native chiefs with their peoples up the river in order, where possible, to drive them further away or get hold of them, having received six wounded in this attack. Ensign de Waal returned and brought along a wounded man, who was immediately placed on the patjalling de Liefde to be bandaged, while the said de Waal, reinforced with some men, went back toward the woods, having had to remove the commander Hambo from his vessel with all possible effort together with the orangkaya of Hatoemetting. Meanwhile, I gave orders to the native chiefs to send a hundred men inland to ruin and destroy both the temple and their dwellings by axe as well as by fire, of which I received a report at two o'clock in the afternoon.

Dutch transcription

183 Sig uijt hunne Negorij absenteerde en den orangkuij verbooden heed hij geene andere taal als maleids zoude hebben te spreeken, tot welken eynde hem orangkaij van Haija hebbe meede gegeven den soldaat Philip Davids om een oog int zijl te houden Donderdag den 21 Maart smorgens liet den Lieutenant Gosseling den vaandrig Schemering en den vuurwerker Iansz: aan boord koomen pleegende met hun leeden Raad wat men doen zoude, wijl de Patjallings alle agter„ gebleeven en voor eerst niet te verwagten waaren, en het geensints Raadsaam was op deese Rheede Langer te verblijven, ook de tijd verliep en de door braake van de oostmous„ son te wagten was, waar op goedgevonden wierd om de rijs te vorderen na Batoecissa, gelijk dan ook des middags ten een uuren gevolg nam koomende om 3 uuren voor de Negorij Batnassa ten anker naauwlijx was het anker gevallen of men sag ver„ schijde volkeren Landwaards in vlugten, terwijl veelen in het bosch sig verschoolen hielden. Ik begaf mij met den Lieutenant Gosseling en eenige Militairen g'assisteert met Inlanders na Land, alwaar Genoegsaam de Gantsche Negorij met voet angels of zogenaamde Spaanse ruijters bekt vond, dewelke zo veel mij moogelyk was het uijt rukken, stellende inmediaat ordre om de Negorij door het vuur te vernielen, gelyk op=stond geschiede, dit voltragt zijnde begaf zig den Lieutenant Gosseling met een Commando over Land na Tobo Intusschen het ik met dorembaaijs anker ligten en ging onder zeijl, eevengezegde Commando halven weegen opgemarkheerd zijnde ga vernam men men dat een groot aantal van Cerammers alle gewapend zig in het Josch schuijl hielden, die zodanig door het Commando met koogels begroet wierden dat schielijk het haze pad Roosen. Des avonds Circa vijf uuren kwams met d'orembarijs voor Sobo ten ankel gelyk meede de Patjalling de Liefde, zijnde de inwoonders van Tobo meest alle Landwaards in geloopen, egter zag men van verre eenige Toboiezen, die zig al dansende en Tjakalillende ver„ toonde, het geen egter van geen Lange duur was, wijl met en haadt hunsmackers in het bosch volgden. Ik Commandeerde de vendrige Schemering in de waal om met eenige orembaaijs boosten de klip van Sobo te ankeren met recommandatie aldaar een goede wagt te houden De Patjalling de Liefde een groote halve mijl van mij afzijnde kwam eyndelijk ten anker, zynde dies gezag hebber Tiet Bronkhorst sodanig beschonken dat seo avonds ten seeven uurens sig niet ontsag om met desselfs schuijt tusschens de vaartuijgens rond te zoeijen, mij aandoende alle des respect roeijende voor bij de orembaaij daar mij op bevond, en wanneer hem toerief wie hij (was al toeschreeuwde dat hij de Ronde died Vrijdag den 22: Maart smorgens met sons opgang kwams genoemde Bronkhorst bij mij aan boord, wanneer hem over het doen van de konde teegens mijne ordre, en de daar door gemaakte noodeloose opschudding in de vloot ernstig reprocheede, en hem ordonneerde, om digter bij mijn trem¬ baij te ankeren, daar hij zig weinig aan kreunde, maar Liet op vier vaam zijn anker vallen, niet teegenstaande hem door den vuurwerker Iansz. was gewaarschouwd dat te ondiep lag het geen b'andwoord heeft niet te zeggen ik by - 185 leg hier goed, zynde weederom eeven en in dier voegen als gisteren door den drank onbequaam en waar meede hij daagelyks Continueerde aan den Lieutenant Gosseling Last gegeeven hebbende om met de Militie aan de wal te gaans, midsg:s de Inlandse hoofden en haare vol„ keren g'ordonneert zijnde om met alle de orembaaijs digt aan de wal te houden, en hun geschut in gereedheid te brengen zo dra ik voet aan Land zou gezet hebben, wierd uijt het bosch zodanig vuur gegeven dat genoodsaakt was alle de stukjes van d'orembaaijs zo wel als het hand ge„ weer op hun Los te branden, waar meede Continueerde tot de klok thien uuren, wanneer den vuurwerker Jan Iansz. met de mortier aan de wal kwam, laatende voorts op de Cerammers zodanig bombardeeren dat hun de Lust om uyt het bosch te schieten wel haast ver„ ging, en zij zig de klokke twaalf uuren retireerde, waar na den vendrig de waal met seeven orembarijen van d'oostkant der klip ontbooden, midsg.s een Comman„ „do militairen en eenige Inlanderse Hoofden met hunne volkeren de rivier opzond om waar het mooge„ lijk hun verder te verjaagen of in handen te krijgen, hebben de in deese attacque ses gequesten gekreegen. Den vendrig de waal kwam te rug en bragt meede een ge„ questen die terstont, op de Patjalling de Leefde plaatsten om verbonden te worden, terwijl ged: de waal met eenige manschappen versterkt weeder boschwaards Lond, hebben „de met den orang kaija van Hatoemetting met alle moeyte den Commandant Hambo uyt zyn vaarthuijg moeten haalen. Intusschen gaf aan de Inlandse Hoofden ordre om een hondert man Landwaard in te zenden, om zo wel de Simpel als hunne wooningen so door de bijl als het vuur te ruineeren en te vernielen waar van 'Sagtermiddags ten twee uuren Rapport ontfing

NL-HaNA_1.04.02_3337_0354 view scan ↗

English

received that this had been carried out for two miles around, furthermore that in several places along the road blood had been noticed, though no dead, that from the river they had brought two Ceram junks and found no Buginese vessels of any kind; said junks have been burned, and the village newly built since the latest Hongi laid in ashes. Intending to have the inspection carried out early in the morning, I gave orders to that effect and positioned several orembaais on the east side of the cliff, letting the orembaai of Soija with four others remain near the pantjalling De Liefde; in the evening at nine o'clock a heavy storm blew from the W.S.W. and then again from the S.E., which arose in such a manner that several orembaais were smashed to pieces by it and went ashore, and everyone was concerned for his preservation. In that storm the following vessels were wrecked: the orembaai of great Hative, the orembaai of Soija, the orembaai of the Commandant Hamba, the pieces of the orembaai of Soija and great Hative having been salvaged. Also driven onto the beach was the pantjalling De Liefde, for whose preservation all possible human means were employed, but in vain. Saturday the 23rd of March, very early I summoned to me the helmsman of the stranded pantjalling, Piet Bronkhorst, who appeared once again so drunk that he had almost no sense, and could scarcely answer the questions I put to him, the sailors of that vessel having declared that their helmsman had been in that state the entire night, and I also received word that from the wrecked vessel of Ceram's Commandant Hamba a swivel gun had been stolen from him by the Tobo people, who were said to have departed with it to Hatoemetten. Having summoned Lieutenant Gosseling, Ensign Scheemering, and the master gunner Jansz on board, but the second-named, being ill, being unable to come, I decided with Lieutenant Gosseling and the master gunner to retrieve the ammunition and the artillery from the pantjalling De Liefde and to set fire to the wreck. Meanwhile the Toboese and those of Batoeassa made every effort, both by firing and making continuous sorties, to secure, if possible, a good booty of the ammunition goods, toward which we cut off their passage by means of the orembaais that occupied the beach, although the firing from both sides did not cease. The ammunition goods of De Liefde being distributed among all the vessels, as well as the dry gunpowder of that vessel, I further received a report from the orang kaya of great Hative that missing were three firelocks, along with some powder and a swivel gun, some cartridges, four axes, one cutlass; from the radja of Soija four cartridge pouches, one grenadier musket, one musketeer ditto, one cartridge pouch, one sword, one bayonet, two axes, along with the round shot, the lead canister shot, and the gunpowder that had been on his orembaai. The soldiers of the pantjalling De Liefde being distributed among the other vessels, the pantjalling De Catharina Geertruijda came to anchor. It having been made known to me by the orang kaya of Hatoemetting that the weapons of the Ceram Commandant Hamba lay on the beach, I ordered the master gunner Jansz to come ashore with his orembaai, who thereupon proceeded to land with some soldiers and put to flight the Ceram people standing on the beach, leaving behind on the beach a metal swivel gun with a mount and two grenadier firelocks, the remaining weapons of Hamba having been taken along by them. In the evening at six o'clock the orang kaya of Hatoemetting sent an orembaai with which, without delay, they brought off the sails of De Liefde as well as a swivel gun, giving said orang kaya orders to keep the same in his village until my further orders. In the evening at eight o'clock the Toboese began to fire heavily upon the orembaais from their hiding places, wherefore I had the vessels haul close to the shore and gave orders to the crew of the orembaai of Itawacka to fire some cannon shots at them. Sunday the 24th of March, in the forenoon at eleven o'clock, the weather being reasonably calm and Lieutenant Gosseling and master gunner Jansz coming on board with me, I resolved with them to have all the orembaais haul close to the shore in order to have the rigging dismantled from De Liefde, and after that was done to cut down as much as possible all the fruit trees still standing in the forest. Meanwhile De Catharina Geertruijda arrived, whereupon I went to said vessel and had its boat prepared to bring off the rigging and the grapnels from De Liefde. Monday the 25th of March, gave orders to burn the hull of the pantjalling De Liefde and to salvage as much of the ironwork from it as was practically possible; at midday the pantjallings De Voortvarendheid and De Saparoua came to anchor near me. Tuesday the 26th of March, early in the morning I gave orders that each of the vessels provide itself with water and firewood.

Dutch transcription

ontfing dat zulx twee mijlen in het rond verrigt was, voorts dat op verscheide Plaatsen Langs den weg bloed hadde bespeurd, dog geen doode, dat uijt de Rivier hadden gehaalt twee Cereuse Jonken en geene boe¬ geneete vaartuygen hoe genaamd gevonden; gem Jonken zyn verbrand, en de zeedert de Iongste Hongij nieuw op gebonde Negorij in de Assche gelegd voorneemens zijnde om s morgens vroeg de visitatie te laaten doen stelde daar toe ordre en Plaaste eenige orembaaijs aan d'oostkamt van de klip, Laatende de orembarij van Zoija met nog vier anderen bij de Pant„ Jalling de Liefde verblijven; des avonds om neegen uuren waaiden en een swaare storm uyt het We: Z: W: in dan weeder uijt het Z: O:t die zig zodanig verheften dat daar door verscheijdene orembaijen aan stukkend geslangen wierden en op strand raakten en elk een voor zijn behoudenis bezorgd was. In die storm zijn de volgende vaarthuijgen verongelukt d'orembaaij van groot Hative d'orembaaij van Soija de orembaar, van de Commandant Hamba, zynde de stuk jes van d'orembaaij van Soija en groot Native geborgen Nog is meede op Arand geslaagen de Pantjalling de Liefde, tot welkers behoud alle mensch moogelyke midde¬ len zyn aangewend dog te vergeefs. Saturdag den 23: Maart, geheel vroeg ontbood bij mij den stuur man van de gestrande Pantjalling Piet Bronk„ horst, die al weederoms zoo dronken verscheen dat hij bij na geen besefheid, en mij naauwlijx op mijn aan hem gedaane vraage konde andwoord geeven, hebbende de mattroo„ sen van dat vaartuyg verklaard dat hun stuurman den gantschen nagt in die staat zo geweest was, ook erlangde tyding dat van het aan stukken geslaagene vaar„ thuijg van Cerams Commandant Hamba door de Toboen een draaij bas van hem ontvreemd was gewor den, dewelke daar meede naar Hatoemetten zoude 187 zoude vertrocken zijn. —:. den Luitenant Gosseling, den vendrig Scheemering en den vuur„ werker Iansz: aan boord ontbooden hebbende, dog den tweeden genoemde, als ziek zijnde niet kunnende koomen, besloot met den Lieutenant Gosseling en den vuurwerker om de amonitie en het geschut van de Patjalling de Liefde af te haalen en het wrak in den brand te steeken Terwijl de Toboeesen en die van Ba„ „toeassa alle moeijte aanwenden zo met het schieten en geduurige uijtvallen te doen, om waare het mooges„ „lijk een goede buijt den amonitie goederen magtig te worden, waar toe hin de Pas het afsnijden door d'orem„ „baaijs die het strand beset Hielden, schoon het schieten aan bijder kante met aphield De Amonitie goederen van de Liefde op alle vaarthuij„ gen verdeelt zijnde, zo ook het draagen niet gewordene kruijd van dat vaarthuijg, ontfing ik voorts rapport van d' orangkaija van groot Hative als dat absent waren drie p=s snaphaanen; neevens eenig kruijd en een draaijbas„ eenige Pattroonen vier p=s bijlen, een p=s houwer van den radja van soija 4: p=s pattroonen tassen, een grana dier gewaer, een musquetier dito 1: pattroon las 1: deegen 1: bajonet 2: p=s bijlen, neevens het rond scherp de Loode druijven en het buskruijd dat op zijn orembaij geweest was De saldaaten van de Patjalling de Liefde op de andere vaarthuijgen verdeelt zijnde quam de patjalling de Catharina Geertruijda ten anker. — Door den orangkaij van Hatoemetting mij bekend gemaakt zijnde dat de wapens van den Cerams Com„ „mandant Hamba op strand zeegen; gelaste ik den vuurwerker Iansz: om met zijn orembaij aan land te korten, die zig daar op met eenige Militairen naar land begaf, en op de strand staande Ceram mers op de vlugtbragt Laatende op strandag„ „ter een metale dzaaijbas aan een pand en twee granadiers granadiers snaphaanen zijnde. de overige waapens van Hamba door hun meede genoomen savonds ten ses uuren sandden orang Caija van Hatumetting een orem„ „baaij waar meede sonder tijd versuijm de zeilen van de Liefde mitsgaaders een draaijbas het afhaalen, geevende gemelde orangkaij Last om de zelve tot mijn „nes nadere ordre in zijne negorij te bewaaren. — Des avonds om agt uuren begonnen de Toboeesen de de nooo uijt hun schuijl hoeken op d' orembaijen heevig te schieten, waaram de vaarthuijgen aan de wal Liet korten en ordre gaf aen 't Volk van d'orombaaij van Itawacka om eenige kanon schooten op deselve te doen. —. Zondag den 24: Maart des voormiddags den elf uuren reedelijk stil waer zijnde en den Lieutenant Gosseling en vuur„ „werker Iansz: bij mij aanboord koomende, zo resol„ „veerde met hun om alle d'orembaaijs aan de wal te doen korten, ten eijnde het touw werk van de Liefde te laaten aftakelen, en na dies verrigting alle de Nag in't bosch staande vrugtboomen zo veel moogelijk is om te kappen, Intesschen arri„ „veerde de Catharina Goertruijda, waar op mij na gem: bodempse begaf, en liet de schuijt van het zelve klaar maaken, om het touwwerk in de dreggen van de Liefde afte haalen. —. Maandag den 25: maart gat bewel om de romp van de Pat„ „jalling de Loefde te verbranden, en daar van het ijzer werk zo veel immers doenelijk te bergen op de middag kwamen bij mij ten anker de Patjallings de voortvalendheid en de saparoua- Dingsdag „ 26:' Maart des morgens vroeg gat ik ordre dat een ijgelijk der vaartuijgen zig van waater en brandhout —

NL-HaNA_1.04.02_3337_0357 view scan ↗

English

would have to provide firewood and collect the powder of the orembaais that was salvaged from de Liefde. At one o'clock in the afternoon, received information that the Cerammese had thrown up a benting about a mile inland; upon which report I commanded Lieutenant Gosseling together with the ensigns Hauke and De Waal to proceed with 70 armed military personnel, besides the natives, to that benting and destroy the same. But as they approached the shore, such a strong south wind and a high, turbulent sea arose that the landing could not take place, and although the wind abated in the afternoon, it was then too late to proceed so far into the forest. Nevertheless, I ordered the said Lieutenant Gosseling to remain ashore with his men until my further orders. Meanwhile, at six o'clock in the evening, news was brought to me that the orembaai of Kilang had stranded and that its ammunition and goods had been salvaged from it. The sea still running just as hollow, the aforementioned officers remained encamped on land all night until Wednesday the 27th of March, when at sunrise firing was heard on shore, and Lieutenant Gosseling came with a report that he had been inland with his troops, but had found no benting, but indeed a round hill that was sheltered and surrounded by trees all around, which he had ordered to be cut down, and had put the Cerammese to flight, some of our men having been wounded in this action. Having received this report, I sent the aforementioned Lieutenant Gosseling with the ensign Hauk together with forty men to Batoeassa to ruin everything they might find there. In the forenoon at nearly eleven o'clock, the orembaai of Nalahia stranded, which furthermore could not be kept above water by its crew due to its leakage, its ammunition and goods having been properly salvaged from it, while in the meantime I gave orders to burn the wreck. At one o'clock in the afternoon, Lieutenant Gosseling returned from Batoeassa, informing me that he had marched a large mile inland, burned all the houses, destroyed the gardens and fruit trees, and that the Cerammese whom he had found in the forest had all fled. The natives who had lost their vessels I placed on an orembaai of Hatoemetting to be transported with it to Ambon, giving them a missive addressed to your Right Honorable containing my operations and that which had been encountered during this cruising. While after its dispatch, I ordered Lieutenant Gosseling to keep all the men together, in order to be able to distribute them among the orembaais and pantjallings. Furthermore, I received a report from the commander of the pantjalling de Lassum that his anchor, along with some fathoms of coir rope, was lost, and upon this I immediately sent the boats of the Catharina Geertruijda and the Voortvarendheid with some men to retrieve the grapnel of the Lassum if it were possible. Furthermore, I sent the Radja of Soya, the Orangkaija of Groot Hative, the Patty of Nallahia, the Orangkaij of Hatalaij, together with the mate Bronkhorst, to Amboina, providing the first-mentioned Radja with three muskets and some live cartridges. After this, the ensigns Hauke and De Waal returned, reporting to me that they had perceived nothing. Thursday the 28th of March, I had them search again for the lost grapnel and gave further orders to depart for Kisselauwt at the first opportunity. Lieutenant Gosseling also reported to me that two small casks with filled cartridges, namely one cask with 77 dozen and 1 ditto with 68 dozen from the Lassum, and another cask with 80 dozen at Batoeassa and Tobo had been consumed, amounting together to 225 dozen. In the afternoon at half past four, Hamba arrived with his vessel from Hatoemetting to undertake the further journey with me, but requested of me at the same time to be allowed to depart for Ambon, and that he desired a swivel gun and two muskets, which I politely refused him, as I could not give away Company weapons, adding that he could bring his interests in this regard before your Right Honorable, asking him at the same time whether he intended to depart for Amboina; whereupon he replied to me, I shall see what I do when I am at Hatoemetten, departing very maliciously back to the aforementioned place. Friday the 29th of March, in the morning at daybreak, weighing anchor, set sail for Kisselauwt. At eleven o'clock the Patty of Silu came on board with me, reporting in the name of Lieutenant Gosseling that everything in the negorij Kisselauwt was found well and that the river and the forest had been inspected. I therefore gave orders and commanded the master of the Geertruijda to set course for Kellemoerij in order to pay a visit to the negorij Cijlor after the inspection had been made, which I had made known to the chiefs of the orembaais, so that in the event of encountering trouble at Kellemoerij a vessel might be sent; arriving before the last-mentioned place in the evening at half past four and anchoring with the pantjallings the Voortvarendheid, the Lassum, and the Saparoua, when I saw the orembaais lying before Cylor. In the evening at seven o'clock, I received a report from Lieutenant Gosseling through the Patty of Sila, who lay anchored before Cijlor, that the Lieutenant had been in conversation with the people of that negorij and that they had requested of him, since it was late in the evening, that the inspection of the negorij might be deferred until early in the morning. I immediately sent the Patty of Sila back to the said Lieutenant with orders to conduct the inspection in the negorij Cijlor early in the morning, and to detain that village chief with him until such had taken place. Saturday the 30th of March, very early in the morning, not the slightest movement was seen on Kellemoerij, and everything was completely quiet. I had the boat prepared and sent it ashore with orders to ask the villagers for what reason they

Dutch transcription

189 brandhout zoude hebben te voorsien en het kruijd van d' oremba„ „ijen dat van de Liefde geborgen is afhaalen des middags de klokke een uur kreeg kindschap dat de Ceram„ „mers ceroa een wijl Landwaaren in een benting had„ „den opgeworpen; op welks rapport den Lieutenant gosse„ ling neevens de verdrigs Hauke en de dwaal commandeerde, om met nog 70: gewapende Militairen buijten d' Jnlanders zig na drie benting te begeeven, en dezelve te vernielen dog de wal zullen de naderen onthonden zo een sterke zuijde wind en een hooge verbolgene zie dat de Landing niet geschieden, en of schaan de wind in den agter„ „middag bwaarde was het toen te laat om zig zo verre basch waarden in te begeeven, des niet te min ordonneerde gemelde Lieutenant Gos„ „seling tot mijne nadere ordre met zijn volk aan de wal te blijven, Ondertusschen wierd mij des avonds om ses uuren tijding gebragt dat d'orembaaij van kilang ges„ „trand en daar van de ammonitie goederen ge„ „borgen waaren, de zee nog eeven hal gaende ble„ „ren voorm: officieren den gantschen nagt aen Land gecampeert tot. Woensdag den 27: Maart wanneer met sons opganen aen de wal geschooten wiend, en quam den Lieutenant „gosseling met rapport dat hij met zijne Man„ „schappen Landwaarden in was geweest, dog geen benting gevonden had maar wel een ronde heuvel die met boomen random beschut en om ringt was, welke hij had laaten omkappen, en de Cerammers op de vlugt gedreenen, zijnde in deese altie eenige van ons volk gequest geraakt —. —. - — Dit Dit rapport onbangen hebbende, soud ik woormelde Lieute„ nant Gosseling met den vaandrig Hauk nee„ „vens veertig man na Batocassa om alles aldaar te ruineeren wat mogte vinden, des voormiddags bij na elf uuren strande de orembaaij van Nalahia dewelke man buijten dien door desselvs Leckagie niet booren waeter konde houden, zijnde daar van d' amonitie goederen behoorlijk geborgen terwijl in„ „tusschen ordre stelde om het wrak te verbranden — Des middags om een uur kwam den Lieutenant gosseling van Batoeassa te rug mij berigtende dat hij een groote mijl land waaren in gemarcheerde was, alle huijsen verbrand, de Thuijnen en vrugtboo„ „men vernielden dat de Cerammers die hij in het bosch gevonden hadde, alle gevlugt waaren — De Jnlanders welke hunne vaarthuijgen verlooren had„ „den plaassen ik op een orembaaij van Hatoe„ „metting om daar meede na Ambon getrans„ „porteert te worden hun meede geevende een missive aan uwelEd: agtbaare behelsen„ „de mijne verrigting en het geen dat mij ge„ „duurende deese bekruijssing is ontmoet. Terwijl na dies afzending den Lieutenand gasseling gelaste om alle het volk bij elkander te houden, ten eijnde deselve op d'orembaaijs en Pant Jallings te kunnen verdeelen. Voorts ontfing van den gezaghebber van de Pantjalling de Lassum rapport dat zijn anker neevens eenige radoms vijger touw verlooren was, er zond hier op inmedi„ „aat de schuijten van de Catharina Geertruijda en de voortvarendheid met eenig volk an de dren van de Lassum waare het 191 Het mogelyk opvisschen. wyders zond het Radja van Soya de Orangkaija van Groot Hative, de Patty van Nallahia, orangkaaij van Hatalaij nevens den stuurman Bronkhorst naar Amboina, verstrekkende aan eerstgem: Radja drie snaphanen met eenige scherpe Pattroonen. Hier na quamen de vaandrigs Hauke en de waal te rug mij Rapport doende dat niets ontwaard hadde Donderdag den 28: Maart liet andermaal na de verloren: Dreg zoeken en stelde verder ordre om bij de eerste gelegendheit naar Kisselauwt te vertrekken, ook deed mij den Lieutenant Gosseling Rapport dat er Twee vaatjes met gevulde Pattro„ „nen, als een vat met 77: Zouzijn, en 1 d„o met 68: Douzijn van de Lassum, en nog een vaatje met 80: Douzijn op Ba„ „toeassa en Tobo verbruijkt waren, makende te samen uijt 225: Dousijnen Des agtermiddags om half vijf quam Hamba met zijn vaartuijg van Hatoemetting om met mij verder de Reijs te onderneemen, dog verzogt mij teffens om naar Ambon te mogen vertrekken, en dat een Draaij Bas en Twee snap„ „hanen begeerde, het welke hem in 't vriendelijke weigerde, wijl geen comp„s wapenen konde afgeven met bijvoeging zijne belangen daar teegen aan Uw wel Ed: Agtb: konde inbrengen, vragende hem te gelijk of vermeende naar Amboina te vertrekken, waar op mij repliceerde, ik sal sien wat ik doe als op Hatoemetten ben, vertrekkende zeer quaadaardig naar evengem: plaatij te rug Vrijdag den 29: Maart 's morgens met den Dageraad het An„ „ker ligtende ging onderzijl naar zisselauwt, om elf Vieren uuren kwam de Pattij van silu bij mij aan Boord, doende uijt naam van den Lieutenant Gosseling Rap„ „port dat alles in de Negorij Kisselauwt wel bevonde en de Ri„ „vier en 't Bosch gevisiteerd was, ik stelde dierhalven ordre en gelaste de gezaghebber van de Geertruijda de cours te zetten naar Kellemoerij om naar gedane visitatie de Negorij Cijlor een visite te geven, het geene aan de Hoofden der Orembaijen liet verwittigen, ten einde bij ontmoeting van onheel op Zielle„ „moerij een vaartuijg te senden, komende voor laast gen: Plaats des Avonds om Half vyf met de Pantjallings de voordraren„ „heit, de Lassum en de Saparoua ten Anker, wanneer de Orembaaijs voor cylor sag leggen; s avonds om zeeven uuren kreeg Rapport van den Lieutenant Gosseling door den Pattij van Sila die voor Cijlor g'antert lag, dat de Lieutenant met de volken van die Negorij in gesprek was geweest en aan hem verzogt hadden, vermits„ het laat in den Avond was van de visitatie der Negorij tot 's morgens vroeg mogt bevryd blijven Ik zond inmediaat den Pattij van Sila weder naar gem: Lieutenant, met ordre om des morgens vroeg in de Ner „gorij Cijlor de visitatie te doen, en dat DorpsHooft zo„ lange bij hem te houden tot zulks geschied was Saturdag den 30:' Maart, 's morgens geheel vroeg zag men de minste beweging op Kellemoerij niet, en was alles geheel stil, Jk Liet de schuijt klaar maken en zond die na Land, met last de Dorpelingen aftevragen uijt wat oorzak zij

NL-HaNA_1.04.02_3337_0361 view scan ↗

English

they did not come on board, who briefly replied to this that they were doing no harm whatsoever, immediately asking if Commander Hamba was on board. This having been answered in the negative, they were asked the reason what they had to bring forward against Commander Hamba, and what the reason was that they inquired after him so circumstantially, whereupon the aforementioned villagers answered that Hamba had taken six people away from the negorij Davang, whom he said he had delivered to the Company about three months ago; furthermore, that they were afraid to come on board because their Radja was absent. I sent word to ask them for the second time if they would not come on board to me, but received a flat reply of no, with the statement that they no longer believed the Company, though they would willingly submit to the inspection of their negorijen. I therefore remained lying at anchor before the negorij with the orembaais that were with me, and at one o'clock in the afternoon received a report from Lieutenant Gosseling that all the people had fled from the negorij Cijlor, and that he had burned their new negorij, which I considered well done, and I ordered him further to provide each of his men with 24 cartridges, in order to punish those disobedient people in the morning with some orembaais that were still lying at Kellemoerij. Sunday the 31st of March at sunrise, all the orembaais from Kellemoerij having arrived, I gave orders to the same to lie in a line before the negorij, and having the Voortvarendheid shorten sail, I summoned Lieutenant Gosseling with all the officers to me on board, as I found myself unable to go ashore due to the severe pain of the gout, giving the Lieutenant orders to make everything ready and to proceed to land with all the men. However, to be thorough and to choose the easiest way, I again sent off two native chiefs to ask the people of the aforementioned negorij if they would come on board, but received a report that no one was found in the negorij, and that most kept themselves hidden in the woods. I therefore ordered the commander of the Voortvarendheid to fire four cannon shots, and had the fireworker Jansz throw eight grenades, after which the Lieutenant reported to me on board that there was a benting in the woods, and that two of his men were wounded. Thereupon I sent the aforementioned Lieutenant with the fireworker Jansz to the aforementioned benting, and at half past four it was reported that the benting was captured, and that all the Ceilorese were in flight, having further given orders to burn and destroy everything. Monday the 1st of April, Lieutenant Gosseling coming on board to me, I commanded the same to go with all the orembaais to Killibon, and to destroy everything that might possibly be found there. I placed Ensign De Waal on the pantjalling De Saparoua and Ensign Hauke on an orembaai, having everyone supplied with water and firewood. At eleven o'clock in the forenoon, the mentioned orembaais departed for Kellibon, and at one o'clock in the afternoon I received news that the people of the aforementioned negorij had begged for mercy, offering to most obediently submit to the inspection of their negorij, to which I gave orders to carry this out most accurately. At 9 o'clock in the evening, they departed from Killebon, and Tuesday the 2nd of April at sunrise, we were abreast of the negorij Batoe loemi, where we dropped anchor at eleven o'clock before noon, likewise also the pantjallings De Voortvarendheid, De Saparoua, and De Lassum. Wednesday the 3rd of April, lying anchored before Batoeloemie, the orembaais were seen abreast of the point of Camar, which came to anchor before Batoeloemie at ten o'clock. I had the mentioned negorij accurately inspected, after the execution of which we dispatched the orembaais to Keffing, which continued the journey thither at two o'clock in the afternoon. Thursday the 4th of April at half past five in the morning, I set sail with the pantjallings, and at three o'clock in the afternoon we were abreast of Oering, the orembaais coming to anchor before Enne Enne, but found there as few people as at Oering and Goelij Goelij, wherefore I gave orders to burn the aforementioned negorijen, their houses, fruit trees, and to destroy everything. However, from the negorijen Killebon, Kotta Roua, Davang Avang, Goemeelang, Oendor, Camar, and Battoeloemie I received a report that the same had been exactly inspected and everything therein was found in good order. I can by no means refrain from bringing to Your Right Honorable's knowledge that the just-mentioned villagers have brought forward several complaints against Commander Hamba and fully testified

Dutch transcription

35 193 zij niet aan: Boord quamen, die hier op kortelijk repliceerden dat zy in het minste geen quaad deeden vragende terstont of den commandant Hamba aan boord was, het geen met Neen b'antwoord zijnde is hun de reeden afgevraagd wat zy tegens den Commandant Hamba hadden in te brengen, en wat de reeden was dat zij zo omstandig na hem vernamen, waar op voorsz: Dorpelingen antwoor„ „den dat Hamba uijt de Negorij Davang ses menscher hadde meede genomen, die hij zide circa voor Drie maanden geleeven aan de Comp„e geleverd te hebben; voorts dat zij lieden bang waren om aan Boord te komen wijl hunne Radja absent was Jk liet hun voor de tweede maal afvragen of niet aan Boord by my wilde koomen, maar kreeg volmondig ten andwoord van Neen, onder deese uitinge dat zij de Comp„e niet meer geloofden, egter dat zig de visitatie in hunne Negorijen gewillig zouden onderwerpen. — Jk bleef dierhalven met de Orembaaijs die bij mij waren voor de Negorij ge-ankerdt leggen en kreeg s middags om Een vuer Rapport van den Lieutenant Gosseling dat alle de volkeren uit de Negorij Cijlor gevlugt waren, en dat hij hare nieuwe Negorij verbrand had, 't geen voor wel gedaan hield, en hem verder ordonneerde om zijn volk ieder met 24: Pattroonen te voorsien, ten eynde in de morgenstond met eenige Orembaaijs die nog op Kellemoerij lagen, die Ongehoorsame volkeren te kastijden. — Sondag den 31: Maart met zons opgang, alle de Orembaijen van Kellemoerij g'arriveerd zijnde, gaf ordre aan dezelve om in een Linie voor de Negorij te leggen, en de voortvarendheit latende aankorten zo ontbood de Lieutenant Gosseling met alle de Officieren by mij aan boord, dewijl mij door de de zware pijn van de Jegt buyten staat bevond aan de wal te gaan gevende de Lieutenant Ordre om alles klaar te maken, en zig met alle het volk na Land te vervoegen, dog ten overvloe„ „de en om de Lagste weg. te kiesen, zond ik andermaal af twee Jnlandse Hoofden om gem: Negorijs volkeren te vragen of aan Boord wilde komen, maar kreeg Rapport dat niemand in de Negorij gevonden was, en meest zig in het Bosch verscholen hielden. Jk gelaste dierhalven de Gezaghebber van de voortvarendheit om vier canon scho„ „ten te doen, en liet door den vuurwerker Jansz: agt granaten werpen, waar na den Lieutenant my aan Boord Rapport deed dat 'er een Benting in t Bosch was, en dat Twee zijner manschappen gequest waren, hier op zond gem: Lieutenant met den vuurwerker Jansz: naar gem: Benting, en om half vijff wierd gerapporteerd dat de Benting overmeestert was, en dat alle de Ceijloreesen op de vlugt waren, hebbende verder ordre gegeven alles te verbranden en te vernielen Maandag den 1' April, de Lieutenant Gosseling by my aan Boord komende, commandeerden denzelven, om met alle de Orembaaijs na Killibon te gaan, en alles te vernielen, wat maar immers aldaar mogt te vinden zijn De vaandrig De waal plaatste ik op de Patjall: de Saparoua en den vendrig Hauke op een Orambaaij, latende een ieder van water en Brandhout voorsien, des voormiddags om Elf uuren vertrokken gemelde Orembaijen naar Kellibon en om een Uur des voormiddags kreeg ik tiding dat voorsz: Negorijs volkeren om gratie versogt hadden onder aanbieding dat aan de visitatie hunner Negorij zig gehoorsaamst zoude onderwerpen 195 Onderwerpen waar toe ordre hebben gegeven om zulks op het naauw keurigste te verrigten 's avonds om 9 uuren vertrok„ ken van Killebon en Dinsdag den 2: April met zons opgang waaren op de hoogte van de negorij Batoe loemi daar om elf uuren voor de middag het anker lieten vallen, insgelijks ook de Patjallings de voortvarendheid de Saparoua en de Lassum woensdag den 3. april voor Batoeloemie geankeerd, leggende zagmen op de hoogte, van de hoek van Camar de orembaaijs die om tien uuren voor batoeloemie ten anker kwamen ik het gem: negorie naauw beeurigh visiteeren na welkers verrigting de orembaaijen na keffing depechee„ den, dewelke des middags om twee uuren de reise na derwaarts voort zetten Donderdag den 4: April om half zes smorgine ging met de Pantjallings onderzeil, en 's agtermiddags om drie uuren waren op de hoogte van oering komende de orembaaijs voor Enne Enne ten anker, dog vonden daar zo min eenige menschen als te vering en goelij goelij waarom ordres gegeven hebbe om voorsz: negorien te verbranden hun„ „he huijzen vrugt boomen en alles te vermielen, dog van de negorijend Killebon kotta roua. davang avang. goemeelang, oendor Camar en Battoeloemie ontving ik rapport, dat dezelve Exact gevisiteerd en daar inne alles wel bevonden was Ik. kan geontzints nalaten om uwel Edele Agtb: ter kennisse te brengen dat zo eeven genoemde dorpelingen verscheiden klagten teegen den Commandant Hamba. ingebragt hebben en volmondig getuygd

NL-HaNA_1.04.02_3337_0364 view scan ↗

English

testified that they would by no means obey him, as he, Hamba, had robbed them of all their goods, both of gold and of people, and this in the name of the Governor, threatening them each time with a letter that he says he received from His High Nobility the Lord Governor-General of the Dutch Indies, asserting that the Lord Governor on Ambon does not dare to presume to do him any harm, indeed that all the Rajas and Pattis bow beneath his feet. The Orang Kayas of Quaus, Kanak Kanak, Kelebia Sela, and Quaij Koda, coming aboard my vessel with four orembaais, made a request to me on behalf of the Commandant Hamba for a Company swivel gun, which I refused them in very polite terms, informing them that this cannot be done without prior knowledge of Your Right Honourable. After this they took their leave of me and departed. At half past five in the evening I came to anchor before the settlement of Quamoea, where I remained lying until Friday, 5 April, when, at sunrise, I set sail, and at ten o'clock, owing to a calm, came to anchor between Quamoer and the island of Keffing, from where we set sail at noon at twelve o'clock, but had to anchor again at five o'clock. In the evening at half past eight, Lieutenant Gosseling reported to me that he had sacrificed the settlements of Enna Enna, Oering, and Goelij Goelij to the fire, as well as cut down the fruit trees, and that its inhabitants had indeed offered some resistance with their weapons, but seeing that their force was too weak, had taken to flight, two men of theirs having been wounded in this destruction. Furthermore, that the settlement of Quamoer had been properly inspected and nothing was discovered therein, after which I ordered the said officer to proceed with the orembaais to Pulau Gisser and await me there. Saturday, 6 April, in the morning at four o'clock, we weighed anchor and set sail. Sunday, 7 April, at one o'clock at night, we came to anchor between Pulau Gisser and Ceram Laut with the pantjalling De Voortvarendheid, where we found the orembaais lying, the pantjallings De Saparoua and De Lassum not yet having arrived. On the island of Keffing all the people had fled, except for the family of the Commandant Hamba, and on Pulau Gisser likewise not a single person remained. Early in the morning Lieutenant Gosseling, along with Ensign Hauke, came aboard, whom I ordered to provide me with a written report of what they had accomplished and what had occurred from Kelliben to Pulau Gisser. At three o'clock in the afternoon, the Orang Kayas of Rarakeit and Warroe came to inform me that they had been summoned by a letter from the Commandant Hamba, asking me if there was anything they could do for my service; thanking them for this, they thereupon took their leave and returned to their settlements. Monday, 8 April, early in the morning, I gave orders to haul all the orembaais onto the beach and ordered Lieutenant Gosseling to hold himself in readiness to inspect Ceram Laut, and at half past seven the said officer brought to our knowledge that the orembaai of Hatoepoetij was completely unserviceable, wherefore they burned it. Tuesday, 9 April, Lieutenant Gosseling departed with some soldiers and natives for Ceram Laut to inspect the said place, and at noon he returned, reporting to me that nothing was found there and the greater part of the people had fled; furthermore, that on Keffing no one other than the Commandant Hamba kept house with his family, nothing having been seen of the vessels that the said Hamba said were in readiness there for reinforcement and for the service of the fleet, and thus that assertion was found to be untrue. Wednesday, 10 April, in the morning, Lieutenant Gosseling came to hand over to me a declaration from the Banda burgher Adriaan Gilberts, containing the ill treatment by the former Commandant Hamba, which document I have the honour to present to Your Right Honourable. Furthermore, the pantjalling De Lassum was sent by me from Keffing to Pulau Gisser, and at six o'clock the pantjalling De Saparoua arrived. Thursday, 11 April, nothing having occurred. Friday, 12 April, repaired some orembaais. Saturday, 13 April, the pantjalling De Saparoua came to anchor, Ensign De Waal and the mate making their arrival known to me. Sunday, 14 April, the soldier Willem Abrahams broke his leg, whom I sent to the chief surgeon for treatment. The master of De Saparoua having lost his grapnel, I had another given to him in its place by the master of the pantjalling De Lassum, pending further accounting. In the afternoon, receiving report that the orembaais were provisioned as much as possible, I ordered each of them to take in water and firewood. Monday, 15 April, I went aboard the orembaai and undertook the voyage to Goram with the others remaining, ordering the masters of the pantjallings De Lassum and Saparoua to steer directly for Waroe at the first opportunity, being quite fearful

Dutch transcription

getuijgd hom in geenen deele te willen gehoorzamen, alzo hij Hamba haar van alle hunne goederen ontroofd zo van goud als menschen en zulks op naam van de gouverneur dreigende haar telkens met een brief die hij zegt van zijn Hoog Edelheijd den heer gouverneur generaal van nederlands India ontfangen te hebben, ondernitting dat den heer gouverneur op ambon niet durft onderstaen hem eenig leet te doen Ja dat alle de Radjas en Pattijs onder zijne voeten buik„ „ken de orang Caijen van quaus kanak kanak kelebia sela en quaij Koda met vier orembaaijs bij mij aan boord komende hebben mij uit naam van den Commandant Hamba verzoek gedaan om een Comp:s draaybas het geene hun met zeer vriendelijke termen heb afgeslagen onder te kennen gave dat zulks niet zonder praealable voor kennis van u wel Edele. Agtb: geschieden kan, waarna van mijn afscheid na„ men en vertrokken om halff ses uuren des avonds kwaam voor de negorie qu amoea. ten anker alwaar leggen bleef tot Vrijdag Den 5: April. wanneer met zon opgang, onderzeil. ging en om tien uuren kewamen door stille tusschen quamoer en het Eiland keffing ten ankeer van waar des middags onderzeil gingen om twaalff uuren dog moesten om vijf uuren weeder anker des avonds. ten halff negen rapporteerde mij den Luitenant Gosse„ „ ling dat de negorij Enna Enna oering en goelij goelij aan het vuur hadde opgeofferd mitsgaders de vrugt bomen ouwer gekapt en dies jnwoonders wel eenige teegenstaende met hunne wa„ „pens gedaan, dog ziende dat hunne magt te zwak was zig op de vlugt begeeven hadden, zijnde in deeze verdestruu„ ring twee oman van hun gequest geworden, voorts M dat 197 Zondag den dat de negorie quamoer behoorlijk gevisiteerd en daar in niets ontdekt was na het welke gemelde officier gelaste om met de orembaaijs na P=lo gisser door te loopen en aldaar mij afte wagten Saturdag Den 6: april des morgens om vier uuren ligten anker en gingen onder zeil 7:' April 's nagts om een uur kwamen tusschen p=lo gisser en Ceram laut ten anker met de Pantjalling. de voortvaarend„ „heid alwaar vonden leggen: den orembaaijs zijnde de Patjal„ lings de Saparoua in de Lassum nog niet g'arriveerd, Op het Eiland keffing. waren de volkeren alle gevlugt uijtgezondert dto de famillie van den Commandant Hamba zijnde op P=lo gisser meede geen mensch verbleeven des morgens vroeg kwam den Lui„ tenant Gosseling nevens den den vaendrig Hauke aan boord wien ik gelaste dat mij bij een schriftelijk berigt zoude op„ geeven het door hun verrigten voorgevallene van kelliben tot p=lo gisser toe Om drie uuren des namiddags quamen de orang Caijen van Ra„ rakiet en warroe mij kennis geeven dat door een brief van den Com„ mandant Homba waren op ontboden mij vragende of er ook iets van mijne dienst was daar voor hune bedankende vervol gene afscheid namen en na hunne negerien terug keerden osse Maandag Den 8: April des morgens vroeg gaf ordre om alle de orembaaijen op strant te haalen en gelaste den Lieutenant Gosseling zigklaar te houden om Ceram Laut te visiteeren en om halff agt bragt wij„ 4 gem: officier ter kennisse dat de orembaaij van Hatoepoetij ten eenmaale ongebruykbaar was, weshalven den zelven het verbranden Dingsdag den 9 April vertrok den Lieutenant Gosseling met eenige militairen en Jnlanders na Ceram Laut om gemelde plaats te visiteeren en op de middag reverteerdte denzelve mij mij berigtende dat aldaar niets gevonden en het meeste gedeelte van het volk gevlugd, voorts dat op keffing niemand anders dan den Commandant Hamba, met zijne famille huis hield zijnde de vaartuigen die ged=te Hamba. gezegt heeft. dat aldaar tot versterking en ten dienste van de vloot in gereedheijd waeren niets vernomen en dus dat voorgeeven onwaar bevonden Woensdag den 10: april des morgens quam den Lieutenant Gosseling mij overhandigen een verklaring van den Bandas vrijburger Adriaan Gilberts. in houdende de slegte behandeling van den Ear„ Comandant Hamba, welk schriftuur de eere hebbe u wel Edele agtbaere aan te bieden, Wijders is de Pantjalling de Lassum door mij van keffing naar P=lo gisser gezonden en om ses uuren arriveerende de Pan„ tjalling de Saparoua Donderdag den 11 April niet voor gevallende vrydag „ 12 _. o eenigorembaaijs gerepareerden Saturdag „ 13 _„o kwaam de pantjalling de saparoua: ten ankeer makende den vendrig de waal in den stuurman mij hunne komst bekeend Sondag den 14: April brak den soldtaat willem Abrahams zijn been dewelke ter geneezing aan den oppermeester toezend, De gezaghebber van de Saparoua zijn dreg verlooren hebbende zo liet hem een ander in dies steede, door den gezaghebber van de Pantjalling de Lassum tot nadere verandwoording afgeeven 's agtermiddags rapport ont„ vangende dat de orembaaijs zo veel mogelijk voorzien was en gelasten een ieder van haar om water en brandhout in te neemen Maandag den 15:' April begaf mij op den orembaaij en ondernam met de andere resteerende de reise na goram ordenneerende de gezag hebber van de pantjalling de Lasum en Saparoua om bij eerste geleegendheid derect na waroe te steevenen wel bevreest Was

NL-HaNA_1.04.02_3337_0367 view scan ↗

English

would not be able to reach goram, because those vessels are not such good sailers, and I constantly had to wait for them. I sent the Catharina Geertruida and the voortvarendheid north about to Goram to see if it could be reached along that route, though I was fearful of it, as the southeast winds were daily beginning to set in. Having transferred to the orembaaij of the negorij oma, I weighed anchor on Tuesday 16 April at sunrise, and departed for goram, taking along an orangtoua of quamoer to serve me as a guide; having promised him to favor him with a gift, as I had no one in the fleet who knew the way. In the afternoon at three o'clock we came to anchor at goram before the negorij onder katalokat with all the orambaaijs, whereupon immediately the orangbaija of that negorij named Ballijam welcomed me, and assured me that everything in his negorij was in good condition, while to various questions he answered me that he had seen no foreign vessels. I found there in the roads a burgher pantjalling, a ditto of a Chinese, a chiampang, all from Banda, who showed their passes to me, properly signed by the Banda Governor Petters. I had the said vessels strictly inspected, and received the report that nothing illicit had been found there. On Wednesday 17 April in the morning Lieutenant gosseling made ready to go inspect the negorijs and departed behind the land with two native chiefs. At one o'clock I came to anchor before the negorij katalokat, finding it very populous. After the inspection and finding that all was well, I set sail, but at eight o'clock in the evening was forced by the current to come to anchor before the negorij kilalar, where we remained. On Thursday 18 April, when we set sail in the morning, but at seven o'clock we came to anchor again before the negorij oendor katalokat. I gave order to burn the orembaaij; distributing its people among the vessels I had with me. Since nothing was noted in the said negorijs, I made ready to set sail, and departed from there on Friday 19 April, and was forced by the heavy wind and current to turn back, dropping anchor before the negorij Rumeun. From there I departed on Saturday 20 April in the morning at sunrise. I sighted a chaloupe of the fleet in the southeast, sending word to its mate to turn back to waroe. On Sunday 21 April, having come to anchor at one o'clock at night before the negorij arrasolie, I found at six o'clock in the morning anchored before the negorij dinama the pantjalling de Lassum, the mate reporting to me that he had seen nothing. After which, setting sail, we arrived at half past seven before Ravakit, in which negorij all the people were found complete; except for the negorij chief, the orangcaaija Balavini with his people from the negorij kellibat, although the Company's flag stood planted on the beach, which I had taken down and took into custody. On Monday 22 April at eight o'clock in the morning, I ordered Lieutenant gosseling to inspect the negorij strictly with some soldiers and two native chiefs, who upon his return reported to me that he had noticed nothing amiss there, and everything was in good condition. That inspection having been performed, I departed for waroe, taking leave of the orangtoua of quamoer with expressions of gratitude for the guidance provided on goram, rewarding him as compensation with a modest present. At eleven o'clock in the forenoon a heavy squall arose, being forced by the rough sea to weigh anchor and set sail, but we drifted past the negorij behind the shoals, where we dropped anchor, which we weighed again at two o'clock in the afternoon, and in the evening at half past seven arrived before the negorij waroe, finding there in the roads the pantjalling de Saparoua, of which Ensign de waal and the commander came on board with me, reporting that they had noticed nothing up to that day. Having been in the roads not long, the orangcaija of waroe came to welcome me and informed me that his negorij was in good peace and quiet, and at present his people were present, recounting to me at the same time that he had understood from the orangcaija of Nottie that four days ago he had seen below his negorij several Papuan mahoelios, but where they had set their course the orangcaaij of Hottij could not state. On Tuesday 23 April nothing occurred. On Wednesday 24 ditto in the afternoon at about one o'clock, the pantjalling de voortvarendheid and the Catharina Geertruida arrived, of which first-mentioned vessel the boat was completely battered, so I had it hauled onto the beach to repair it as much as possible. The gunner Ian Iansz on shore [illegible]

Dutch transcription

41 199 was goram niet te zullen krijgen, uit oorzaak die vaarthuigen so bezeilste niet zijn, en geduurig na hun wagten moest. De Catharina Geertruida en de voortvarendheid zond ik benoorden om na Goram om te zien of het konde langs die route ophaalen, daar egter voor bevreest was, dewijl de Zuid oost winden dagelijks begonden door te staan op de orem „baaij van de negorie oma over gestapt zijnde, zo ligte — dingsdag den 16: april met zous opgang anker, en vertrok naar goram der„ „waards meede neemende een orangtoua van quamoer om mij te dienen als gids; hebbende aan dezelve beloofd hem met een schenkagie te zullen verceeren, wijl niemand in de vloot had die de weg wist. 's agtermiddags om drie uuren kwamen op goram voor de negorie onder kataloka t ten anker met alle de orambaaijs, wanneer op stond den orangbaija van die negorie genaamd Ballijam mij ver„ „welle komde, en verzeekerde dat alles op zijn negorie in een goede staat was, Terwijl op diverse vragen mij andwoorde dat geen vreemde vaarthuigen vernomen had. vond aldaar ter Rheede een burger Pantjalling een d=o van een Chinees, een Chiampang alle van Banda die hunne passen aan mij vertoonden, behoorlijk door den Bandas heer gouverneur Petters onderteekend gem: vaarthuigen het ik exact visiteeren, en bequam tot rapport dat mits - ongepermitteerd daar en bevonden was woensdag den 17. april smorgens maakte den luitenant gosseling zig gereed om de negorien te gaan visiteeren en vertrok met twee Jnlandse hoofden agter 't land om een uur kwam voor de negorie katalokat ten an„ „ker, bevond dezelve zeer volkrijk Na de visitatie en dat alles wel bevonden had zo ging onderzeil, dog was savonds om agt uuren en uuren genootzaakt door de stroom voor de negorie kila „lar ten anker te komen, alwaar bliven leggen donderdag den 18: april, wanneer des morgens onderzeil ging, maar om zeeven uuren kwamen weeder voorde negorie oendor kata„ „lokat ten anker d'orembaaij ordre om dezelve te verbran„ „den; verdeelende de volkeren daar van op de bij mij heb„ „bende vaarthuigen in gem: Negorien mits vernoomen zijn „de maakte klarigheid om onder zeil te gaan, en vertrok vrijdag den 19 april van daar en was genootzaakt door de swaare wind en stroom te rug te keeren, het anker voor de negorie Rumeun te laaten vallen, van daar vertrok Saturdag den 20: april des smorgens met Zons opgang, ontwaarde een Chialoup van de vloot in 't Z:de oost laatende den stuurman daar van waar schouwen om na waroe te rug te keeren Zondag den 21: april 'snagts om een uur voor de negorie arrasolie ten an„ „ker gekomen zijnde, zo vonde smorgens ten ses uuren voor de negorie dinama ten anker, de Pantjalling de Lassum doende den stuurman mij rapport dat niets vernomen had, waarna onderzeil gaande zo arriveerden ten half agt uuren voor Ravakit, in welke negorie alle de volkoren Compleet bevonden; excepto het negories hoofd den orang„ „caaija Balavini met zijn volk uit de na„ „gorie kellibat, schoon egter 's Comp: vlag aan strand geplan„ stond, dewelke heb laaten afhaalen en in bewaaring geno„ Maandag den 22. april, smorgens ten agt uuren gelaste den luitenant gosseling om met eenige militairen en twee Jnlandse hoofden de negorie exact te visiteeren dewelke bij zijne terug komst mij rapporteerde dat ik „men.— 43 201 dingsdag dat daar in mits vernomen had, en alles zig in een goede staat bevond, dies visitatie dan verrigt zijnde, zo vertrok naar waroe geevende den orangtoua van quamoer onder dank„ betuiging voor de gedane weg wijzing op goram zijn afscheid hem tot recompens met een smal presentje beschenk en de voormiddags ten Elf uuren ontstonder een zware buij zijnde genootzaakt door de holle zee anker te lig„ „ten en onder zeil te gaan dog dreeven voor bij de negorie agter te banken, alwaar het anker lieten vallen, het geen des agter„ „middags ten twee uuren weder ligten, en savonds om half agt waar de negorie waroe arriveerden, vindende aldaar ter Rhede de Pantjalling de Saparoua, waar van den vendrig de waal en de gezagvoerder bij mij aan boord kwamen, doen derap„ „port dat tot heeden toe niets vernomen hadden, net lang ter Rhee„ „de geleegen hebbende, of den orangcaija van waroe kwam mij verwil„ „bekomen en gaf mij kennis dat zijn negorie in goede rust en vreede, en tans sijne volkeren present waarin verhaalende mij teffens dat sig van den orangcaija van Nottie verstaan had dat voor vier atmalen geleeden beneeden zijn negorie verscheide papoese Mahoe„ „lios gezien hadde, dog waar hunne Coers gesteld hebbe konde hij orangcaaij van Hottij niet opgeven- den 23: april niets voorgevallen woensdag den 24: _=o sagtermiddags Circa een uur arriveer„ „de de Pantjalling de voortvarendheid, en de Catharina Geertruida van welke eerst gem: vaarthuig de schuit te eenemaale ontramponeert zijnde, liet ik dezelve op strand haalen om die zo veel mogelijk was te repareeren — Den vuurwerker Ian Iansz: aan strand een land

NL-HaNA_1.04.02_3337_0370 view scan ↗

English

taking a walk, he was met by two people from Boero, who made known that about two months ago they had been taken from their country by the Papuan pirates and carried off directly as captives to Salwattij, where they had to look for nutmegs and deliver them to the Radja of Salwattij, who had traded the same to an Englishman who was lying in the roads there during their presence; that they had departed again from Salwattij with the Papuans who had taken them away from Boero, subsequently landed at Waroe, where they were seized by the people of Waroe and brought to the Alfurs, because it had come to their ears that the cruising fleet was at anchor off Ravaket; furthermore that the aforementioned Papuans, having also learned this, had departed, but that during their stay here they had traded in flintlocks, powder and lead, which they had exchanged with the Englishman. Thursday the 25th of April, before noon, I went ashore to pay a visit to the Orang Kaya of Waroe, but found no one except him and his mother; and because upon my arrival he had assured me, contrary to the truth, that all his people were present in the negorij, I placed him under arrest and thus also complied at the same time with what was ordered of me by instruction to apprehend that village chief in a subtle manner and bring him in custody to Ambon, to which end I handed him over to Ensign Schemering, with orders to that officer to treat him well and do him no harm; I also took from the aforementioned Negorij Waroe a female person with her child, belonging at home in the negorij Oerieng. In the afternoon, the pantjalling de Passuw coming here to anchor, I immediately issued orders that everyone should make themselves ready to set sail at the first opportunity. Friday the 26th of April, in the morning at 4 o'clock, we weighed anchor and departed for Hottij, where in the afternoon we arrived in the bay of Schoewala between Small and Great Hottij, all four pantjallings coming to anchor off Great Hottij at five o'clock in the afternoon. Saturday the 27th of April, at seven o'clock, I had the anchor weighed and arrived off Great Hottij at 9 o'clock. Immediately I commanded Ensign Hanke, accompanied by two native chiefs, some soldiers and natives, to inspect the negorij thoroughly, reporting to me upon his return that he had found nothing therein, wherefore I then also took leave of the Orang Kaya, thanking him for his kind reception and presenting him with some bottles of arrack; furthermore issuing orders to continue the journey to Hatilen tomorrow, however weighing anchor this afternoon and going to stay behind the point on the west side of Hottij until: Sunday the 28th of April, when at four o'clock in the morning the fleet set sail, and in the evening at about seven o'clock anchored between Hottij and Hatilen. Monday the 29th of April, at the break of day, we set our course directly for Hatilen, being Tuesday the 30th of April, nothing of importance occurred. Wednesday the 1st of May, at two o'clock in the morning, we came to anchor in the bay of Hatilen. Thursday the 2nd of May, remained at anchor in the bay of Hattilen in order to await the pantjallings with another six orembaais; furthermore no matters of importance occurred. Friday the 3rd of May, at the rising of the sun, saw two pantjallings far out at sea, whereupon I sent out some small orembaais to tow the same; and the Voortvarendheid came to anchor in the afternoon, when I received a report from the ensign and the mate that everything was in good order on their vessel, which report I also received in the evening at half past seven from the commander of the Catharina Geertruijda, who had likewise arrived in the roads at seven o'clock. Saturday the 4th of May, at twelve o'clock noon, the pantjalling de Lassum came to anchor. I ordered the commanders of the vessels lying here in the roads to provide themselves in good time with water and firewood, in order to cross over to the Seven Islands as soon as practicable to await the orembaais there. At half past one I took a friendly leave of the Orang Kaya of Hatilen and presented him with a small gift of rice in gratitude for his faithful assistance and the sending of orembaais for the towing of the pantjallings. At two o'clock we weighed anchor and departed for Sawaaij, but at nine o'clock in the evening had to cast anchor near the islands of Sawaij. Sunday the 5th of May, at sunrise we set sail, and before noon at eleven o'clock arrived off the post of Sawaaij, where I went ashore to inquire what was happening thereabouts; but having been unable to obtain the slightest information, and the sergeant assuring me that nothing had occurred, I had some orembaais caulked and supplied with water and firewood, after which I took my leave of the postholder and went on board at 7 o'clock in the evening. Monday the 6th of May, at four o'clock in the morning, resumed the journey again and saw the pantjalling de Saparoua far out at sea, and at nine o'clock came

Dutch transcription

een wandeling doende kwamen hem twee Boeroneesen te gek„ „moet gaan, bekend makende dat zij voor Circa twee maanden geleeden van hun land door de Papoese Rovers waren genomen, en gevankelijk direct naar Salwattij weggevoerd, alwaar noo„ „ten hebben moeten zoeken, en aan den Radja van Salwattij leeve„ „ren die dezelve verruijlt had aan een Engelsman, dewelke aldaar bij hun aanweezen ter Rheede lag, dat zij met de Papou„ „en die hun van Boero weggenomen hebben van Salwattij weeder zyn vertrokken, vervolgens op waroe aangeland, alwaar door waroeneezen zijn opgevat en bij de alphoer eesen gebragt, wijl dezelve ter ooren gekomen was dat de kruijs vloot voor Ra „vaket ten anker lag; voorts dat op gem: Paponen dit mee„ de vernoomen hebbende vertrokken waren dog dat geduurende hun verblijf alhier hebben genegotieerd in snaphaanen kruit en loot, dat zij met den Engelsman verruijldt heb„ „ben— donderdag den 25: april voor de middag ging ik aan land om den orangcaija van waroe een visite te geeven, dog vond niemand dan hem en zin Moeder en wijl mij met mijne aankomst Contrarie de waarheid ver„ zeekerd had dat alle zijne volkeren in de negorie Present waaren, zo hebbe hem in arrest genomen en dus daar meede ook teffens voldaan aan het mij g'ordon„ „neerde bij instructie om dat dorps hooft op een sub= „tile wijs te ligten, en in verzeekering naar ambon te brengen, ten welken einde denzelven aan den vaandrig schemering overgegeven hebbe, met last aan dien officier om hem wel te handelen en geen sermaat aan te doen ook hebbe uit gem: Negorie waroe meede genomen een vrouws Perzoon met haar kind in de negorie oerieng te huis gehoorende, 'sagtermiddags de Pantjalting de Passuw hier ten anker 45 203 anker komende, stelde inmediaat ordre dat een ider zig ge„ „reed konde maaken om bij eerste geleegentheid onderzeil te gaan rijdag den 26:' April 'Smorgens om 4: uuren ligten anker en vertrokken na Hottij, alwaar 's agtermiddags in de bogt van Schoewala tusschen klijn en groot Hottij arriveerden, komende des mid„ „dags ten vijff uuren alle vier de Pantjallings voor groot Hottij ten anker Saturdag „ 27: april om zeeven uuren liet anker Ligten en quam om 9: uuren voor Groot Hottij: inmediaat Commandeerde ik de vendrig Hanke verzeld van twee Jnlandse hoofden, eenige soldaaten en Inlanders om de negorie naauwkeurig te visiteeren. doende mij bij zijn retoer berigt dat daar inne niets gevonden had, waar„ „omme dan ook van den orangkaaij afscheid nam, hem voor zijn vriendelijk onthaal bedankende, en met eenige bouteiljes arak vereerde; stellende wijders ordre om op morgen de reize na Hattilen voort te zetten, het egter heeden middag-anker ligten, en ging agter de hoek aan de westkant van Hottij vertoeven, tot: Zondag den 28:' april, wanneer om vier uuren des 'smorgens de vloot onder zeil raakte, en savonds Circa zeeven uuren tusschen Hottij en Hati„ „len ankerden: Maandag den 29:' april, met het aanbreeken van den dag stelden onze Coers di= „rect naar Hatilen zijnde Dingsdag „ 30:' april niets van belang voorgevallen: woensdag „ 1:' Meij des smorgens om twee uuren quamen in de baaij van Mati„ „len ten anker Donderdag „ 2:' Meij, bleef in de baaij van Hattilen ten anker, ten einde de Pantjallings met nog ses orembaijen in te wagten; zijnde wijders. wijders geen zaaken van belang g'exteerd: vrijdag den 3:' Meij, met het opgaan der zonne zag ver in zee twee Pantjallinge waar op eenige kleene orembaaijs uitzond om dezelve te boegseeren en kwam de voortvarendheid 's agtermiddags ten anker, wanneer van den vendrig en den stuurman rapport ontving dat op hun bodem alles in goede ordre was, welk berigt ook des avonds ten halff agt van de gezaghebber van de Catharina Geertruijda die al meede om zeeven uuren ter Rheede g'arriveerd was, hebbe erlangd. Saturdag den 4:' Meij: 'smiddags om twaalff uuren kwam de Pantjalling. de Lassum ten anker. Ik ordonneerde de gezaghebber van de alhier ter Rheede leggende vaarthuijgen omme zig bij tijds van water en Brandhout te voorzien, ten eijnde zo spoedig doenlijk na de zeeven Eilanden te kunnen oversteeken, om aldaar de orembaaijs afte wagten, om halff twee nam vriendelijk afscheid van den orankaaija van Hatilen en vereerde hem met een Smal geschenk van Rijst tot dank erkentenis voor zijne getrouwe assis„ „tentie en het zenden van orembaaijs tot boegseering van de Pan„ „tjallings om twee uuren ligten anker en vertrok naar Sawaaij„ dog moest des avonds ten neegen uuren bij de Eilanden van Sa„ „waij het anker werpen— Zondag den 5:' Meij met zons opgang gingen onderzeil en voor demidsags om elf uuren arriveerden voor de Post van Sawaaij, alwaar mij na de wal begeeven heb, om eens te verneemen wat daar omstreeks pas= „seerden, dog geene de minste narigt hebbende kunnen bekomen, en den Sergeant mij betuijgende dat 'er niets was voorgevallen liet ik eenige orembaaijs Calfaten, en van water en Brandhout voorzien waar na van den Posthouder mijn afscheid nam, en mij des avonds om 7: uuren naar boord begaf. Maandag den 6:' Meij om vier uuren des morgens ondernam weeder de reize en zag de Pantjalling de Saparoua ver in zee, en kwam ten neegen uuren. dig

NL-HaNA_1.04.02_3337_0373 view scan ↗

English

47 205 Tuesday the 7th of May Wednesday the 8th ditto hours anchored at the Seven Islands. Not long thereafter the master of the Saparoua made report to me that his mast had become disabled, and that he was not in a state to reach the Seven Islands with it; therefore, upon his request, I sent the said pilot to Sawaaij, in order to repair the mast there with a woolding if such can be done, and furthermore ordered him to follow me to Pulo Ticus as soon as practicable, as one could otherwise be brought into embarrassment regarding provisions for the people. Furthermore the Seven Islands were inspected, but nothing found there. Nothing occurred that is worthy of note. Thursday the 9th ditto before noon at 6 o'clock weighed anchor, arriving Friday the 10th ditto before the Negorie Lisabatta and Honialij at anchor to purchase some necessities; at nine o'clock departed from there and in the afternoon at half past two o'clock came to anchor before Pulo Sirij; rounding behind the point of Cauwa lay an orembaai with raised washstraiks belonging to the Moor Aroding of the Red Mountain, who showed me a pass from Your Right Honourable; notwithstanding this I inspected that vessel thoroughly, but found not the least forbidden trade goods therein; at three o'clock in the afternoon arrived in the bay of Rawa, and remained lying at anchor there until Saturday the 11th of May, when in the morning at four o'clock weighed anchor, which at eleven o'clock in the forenoon let fall again before Pulo Ticus. Sunday the 12th of May, nothing occurred, remaining lying anchored to await the pantjallings. Monday the 13th of May at sunrise sighted far out at sea the pantjallings the Catarina Geertruijda, and the Lassum, which in the afternoon came to anchor. I ordered their masters to issue provisions to the soldiers without delay. Tuesday the 14th of May nothing worthy of note occurred, but Wednesday the 15th ditto in the early morning gave orders to the masters of the aforementioned pantjallings to make themselves ready to sail in order to depart for Amboina; weighing anchor in the morning at seven o'clock set sail, and at two o'clock met near the passage of Nassauw a chiampang with the Moorish burgher named Alim wala, being provided with a proper pass from Your Right Honourable; having inspected that vessel and found no unauthorized goods therein, I let the same go on its way; at three o'clock came to anchor before the passage of Nassauw, and in the evening at half past five got under sail again. Thursday the 16th forenoon at eleven o'clock came to anchor in the bay of Makanoffel, and at one o'clock in the afternoon departed from there, having advanced by half past five in the evening to behind the point of Sial, where remained at anchor through the night until Friday the 17th of May, when at dawn got under sail, but at half past nine let fall the anchor again in the Laijbaaij; at three o'clock in the afternoon the Radja of Mamala came to give me notice that his orembaai by leakage could barely keep above water, for which reason he very urgently requested me that I would permit him to return to his negorie, which request, as being grounded in equity, I have permitted him under favorable construction of Your Right Honourable. Saturday the 18th of May in the morning at half past two o'clock weighed anchor and shaped course for the bay of Wakasieuw, but were compelled to, N. 207 on account of the heavy current that ran off the shore, and because the orembaais got further and further out to sea and were pulled past the point of Waccasieuw, on top of which there was such a high and raging sea that everyone was in the utmost danger, from which some of the orembaais were saved by God's grace, whose Chiefs came on board to me, declaring that it was impossible to round the point of Wakkasieuw without danger to life, adding that four orembaais had already been lost from sight; wherefore I thought fit, in order not to expose myself along with the other survivors to manifest danger to life, to go ashore, and at the same time to inquire after the four missing orembaais, whereof I received news that three had been seen between the point of Wackasieuw and Alang, but where the fourth had ended up, no one could tell me; but I had barely been ashore for two hours when nine persons from Wassoe came to meet me, who related to me the disaster that had befallen them, consisting in this, that their orembaai had capsized, and that by swimming to a small orembaai, which had become separated from the other orembaais by the high-running sea, through God's preservation and goodness they had preserved their lives in a miraculous manner, and had fortunately landed at the Negorie Wakkasieuw, their Pattij having drowned along with 19 other persons and three soldiers. I immediately gave orders to place the nine rescued natives onto other orembaais, and commanded Lieutenant Gosseling that as soon as the opportunity presented itself he should depart with the orembaais for Ambon, but if he saw no opportunity at present, then to run into the Laaijbaaij and await further orders, because I intended to undertake the journey overland to Amboina; whereupon I took leave of everyone, thanking them for the faithful services.

Dutch transcription

47 205 Dingsdag den 7:' Meij woensdag „ 8:' d=o uuren bij de zeeven eijlanden ten anker, niet lange daar na deede de gezaghebber van de Saparoua mij rapport dat zij mast onbequaam geraakt, en hij niet in staat was om daar meede de zeeven Eilanden te bereijken, dierhalven heb gem: Piloot op zijn verzoek na Sawaaij verzonden, om aldaar de mast met een woeling zo zulks geschieden kan te verhelpen, en hem wijders g'ordonneerd om op P=lo Ticus zo spoedig doenlijk mij te volgen, alzo in verleegentheid zoude gebragt kunnen worden om randsoen voor het volk Wijders zijn de zeeven Eilanden gevisiteerd, dog niets daar ge„ „vonden: niets voorgevallen dat aanteekenings waardig is. donderdag - „ 9: d=o voor de middags om 6: uuren ligten anker koomende vrijdag „ 10: d=o voor de Negorie Lisabatta en Honialij ten anker ter inkooping van eenige benoodigtheeden, om neegen uuren vertrok van daar en kwaame 'Sagtermiddags om halff drie uuren voor P=lo Sirij ten anker, rond- agter de hoek van Cauwa leggen een opgeboeijde orembaaij van den moor Aroding van 1 den rodenberg-, die mij een Pat van uwel Edele Agtb: vertoonde, des niet teegenstaande zo heb dat vaartuig ex„ „act gevisiteerd, maar geene de minste verbooden handel whaaren daar in gevonden om drie uuren des namiddags kwam in de bogt van Rawa, en bleef aldaar ten anker leggen tot. Saturdag den 11:' Meij, wanneer Smorgens om vier uuren anker ligte, dat ten elf uuren des voormiddags voor P=lo Ticus weeder liet vallen. Sondag „ 12:' Meij, niets voorgevallen, blijvende geankerd leggen om de Pantjallings in te wagten: Maandag „ 13:' Meij met zons opgang ontwaarde ver in zee de Pantjallings de Catarina Geertruijda, en de Lassum, dewelke 'sagter„ gen „middags. ik zie ds „middags ten anker kwamen, Ik gelaste dies gezaghebbers zon„ „der uitstel randsoen aan de militairen te verstrekken: Dingsdag den 14:' Meij niets aanteekenings waardig voorgevallen dog woensdag - „ 15:' d=o des Smorgens vroeg gaf ordre aan de gezaghebbers van eevengem: Patjallings hun reijsvaardig te maaken om naar Amboina te verstrekken, ligtende des morgens om zeeven uuren het anker gingen onderzeil, en om twee uuren ontmoete bij het gat van Nassauw een Chiampang met den moors bur„ „ger gen=t Alim wala, zijnde voorzien met een behoorlijke passe van uwel Edele Agtb: dat vaartuig gevisiteerd en daar inne geen ongepermitteerde goederen gevonden zijnde; zo liet het zelve sijns weegs vertrekken, om drie uuren kwamen voor het gat van Nassauw ten anker, en 'savonds om halff ses geraakte weeder onder zeil: Donderdag den 16:' voormiddags om Elff uuren kwaamen in de baaij van Makanoffel ten anker, en om een uur des middags vertrokken van daar, zijnde des avonds te halff- ses tot agter de hoek van sial gevordert, alwaar des nagts- ten anker verbleeven tot: Vrijdag den 17:' Meij wanneer met den dageraad- onderzeil geraakte, dog om halff thien in de Laijbhaaij weeder het anker. lieten vallen, 's agtermiddags-drie uuren kwam het Radja van Mamala mij kennis geeven dat zijn orembaaij door leccagie naauw= „lijks booven water konde houden, welhalven mij zeer instantig verzogt dat hem wilde toestaan om na zijn negorie te veig te keeren, welk verzoek als in billijkheid bestaande onder gunstige welduijding van uwel Edele Agtb: aan hem hebbe gepermitteerd. Saturdag den 18:' Maij 'Smorgens ten halff drie uuren ligten anker en schepten na de baaij van wakasieuw, dog waaren genootzaakt om. } ƒ e N. 207 om de wille der swaare stroom die uijt de wal Liep, en dat de orembaijs hoe langs hoe meer in zee geraakten, en voor bij de hoek van waccasieuw getrokken wierden, waar en booven 'er zo een hooge en verbolgene zee stond, dat een ieder in het uijterste gevaar was, daar uijt sommige der orembaaijs door Godsgenade gered zijn, wiens Hoofden bij mij aanboord kwaamen; verklaren„ „de dat het onmogelijk was om zonder leevensgevaar de hoek van wakkasieuw te booven te koomen, met bijvoeging dat reeds vier orembaijen uit het gezigt geraakt waaren, weshalven goed„ „vond om mij neevens de verdere vlotelingen aan geen baan blij„ „kelijk leevens gevaar te exponeeren na de wal te begeven, en teffens te verneemen na de vier absente orembaaijs waar van tijding erlangde dat er drie gezien waaren tusschen de hoek van wackasieuw en Alang, dog waar de vierde beland was, wist mij niemand te zeggen, dog ik was naauwlijks twee uuren aan 9, de land geweest, of omij quamen te gemoet neegen Persoonen van wassoe die mij het hun overgekomen ongeluk relateerde, hier in bestaande dat hunne orembaaij 't onderste booven geslaagen was, en dat zij door 't swemmen na een kleene orembaaij, die van de andere orembaaijen door de hoog gaande zee afgeraakt was door Gods bewaring en goedheid hun leeven op een miraculeu„ „se: wijze hadde behouden, en gelukkig op de Negorie wakka„ „sieuw waaren aangeland, zijnde hun Pattij met nog 19: per„ „soonen en drie soldaaten verdronken, Ik gaf terstond ordre om de gesauveerde neegen Inlanders op andere orembaaijs te plaatsen, en gelaste den Lieutenant Gosseling om zodra de occagie zig aanboord met de orembaijs naar Ambon te ver„ „trekken, dog zo daar geene tans toe zag als dan de Laaijbaaij in te loopen en nadere ordres afte wagten, wijl ik van voorneemens was om de reijs over Land naar amboina te onderneemen, invoe„ „gen van een ider afscheid nam, hun bedankende voor de getrouwe diensten. ende G zon„ aar te

NL-HaNA_1.04.02_3337_0376 view scan ↗

English

services and departed by the overland road to Alang; arriving at night at one o'clock through Heaven's goodness at Castle Victoria, thus having brought my expedition to an end, with which I hope that the highly esteemed intentions both of Their High Mightinesses and of your Honorable and Respectable self will have been satisfied as far as was possible for me. While taking the liberty to subscribe myself with the highest respect, was written beneath, Honorable and Respectable Sir, lower, your Honorable and Respectable's humble and obedient servant, was signed, H: van den Brink, in the margin, Amboina Victoria the 19th May A:o 1771:— Agrees J Paringauw per seal 1 Reijner examined Report to the Honorable Valiant Military Captain and head of the Expedition fleet Hendrik van den Brink Honorable Valiant Sir. By order of your Honorable Valiant self, we the undersigned on Thursday being the 11th of this month in the afternoon around 4 o'clock proceeded from Poeloe Geser to Keffing to investigate there for what reason the Captain of Keffing, Bouwhoekan, had with his people abandoned their settlement and hidden themselves. Around 5 o'clock toward evening we arrived at Keffing, whereupon immediately having employed means to speak with the aforementioned Captain, an Islander was at once sent with a prahu to that place where the Captain was staying, being in the mangrove forest on the northwest side of the settlement Quars located about 1 mile from Keffing. At sunset the aforementioned dispatched Islander returned, who reported to the first-signed that he had spoken in my name with the said Captain; because it was evening he could not come forth to speak with us, but that he would do so tomorrow, whereby we were obliged to stay overnight on Keffing. The next day, being the 12th of this month, before noon around 9 o'clock, we saw the aforementioned Captain with a malwely and 5 prahus, all with armed men, heading from the aforementioned mangrove forest toward Keffing, and having arrived there at 10 o'clock, we spoke with him. But because he was afraid that he would be attacked by the peoples of Amba, for which reason he requested us to come over to him in his vessel, as we immediately did, whereupon we asked him why he did not remain in his settlement and kept himself so hidden. Thereto he gave as answer that in the month of March of the past year, when Amba had departed for Ambon, he had entrusted the governance of affairs on Keffing to him, and that during the absence of Amba some dispute was caused among the peoples of the island of Keffing between those of Amba, which he wished to settle. However, the peoples of Amba would not obey this, so that he was obliged to wage war with them daily until the month of April of the past year, when Amba, with a captured Buginese vessel on which having under arrest the Orang Kaya of Toboe, and Amba had been provided by the Honorable Company with gunpowder, muskets, and small swivel guns to use for defense against foreign vessels, yet that the contrary thereof has appeared. For instead of first questioning the said Captain how and why such disputes among them were caused, the mentioned Amba immediately distributed the Company's weapons to the peoples of Quaos, Tela, Keliwaroe, Kilteraij, and Kowaij in order to strike against the repeatedly mentioned Captain and his peoples, whereby he was obliged to abandon his settlement on Keffing until such time that the Honorable and Respectable Lord Governor of Amboina with the Hongi fleet should have arrived at Keffing, to submit their complaints at that time as well as those of Poeloe Geser. Therefore, as soon as he learned that the Hongi fleet was near, he proceeded with his people back to his settlement on Keffing, and also had called upon the peoples of Poeloe Geser to come over to him and remain there until the arrival of

Dutch transcription

diensten en vertrok over de Landweg. naar Alang; koomende des nagts ten een uur door Theemels goedheid aan 't Casteel vic„ „toria, hebbende dus mijne expeditie ten eijnde gebragt, waarmee „de ik verhoope dat aan de Hoog g'eerde intentie zo van Haar Hoog Edelens als van uwel Edele Agtb: zo veel mij mogelijk is geweest zal voldaan hebben. Terwijl de vrijheid neeme met het hoogste respect mij te onder „schrijven /:onderstond:/ wel Edele Agtbaren Heer /. lager/ uwel Edele Agtb: onderdanige en gehoorzamen dienaar /. was getekent: /. H: van den Brink /: in margine /: Am „boina victoria den 19:' Meij A„o 1771:— Acordeert J Paringauw p zeg 1 Reijner nagesien Rapport Aan Den welEd Man haften Capiteijn Militair en hoofd van de Expeditie vloot Hendrik van den Sprink Wel Ed Manhaften Heer. uit ordre van uwelEd Manh: hebben wij onder getekende op Donderdag zinde den 11: deser des „ agtermiddags Cirka 4: uuren ons van Poeloe Qq: ser na kessing begeven om aldaar te ondersoeken, om wat reden den Capiteijn van keffing Bouw hoe kan, met zyn volk hunne negorie hebbe verlaten en sich schuijlhelden Cirka 5 uur tegens den avond quamen wij op keffing waar op terstond mid delen aangewent hebbende om voorm Capiteijn te spreken, zoude opstond een Inlander met een praauw na die plaats alwaar den Capiteijn zig op hield zynde in 't mange mange bos, aan de noord w=t kant van de negorije=quars Cirka 1 mijl van kessing gelegen met zons ondergang quam gem: af gezonden inlander weder te rug dewelke den eerst getee kende berigte dat hij uijt mijne naam met gem Capiteijn gesproken had vermits het avond was hij niet ten voorschijn kon Coomen om met ons te spreeken, maar dat zulks morgen zoude doen waar door wij genoodzaakt geweest zijn op kef„ „fing te overnagten Des anderen daags zijnde den 12: deser voor den middag Cirka 9 uur sagen den voorm: Capitijn met. 209 met een malwely en 5 praauwen alle met gewapen de mannen uijt voorm mangemange bos na keffing toe stevenen, en om 10 uur aldaar aangekomen zijnde, spraaken mij met den selven maar vermits bevreest was dat door de volkeren van Am„ ba zoude gattacqueerd worden, welshalven ons versogt om bij denselve in zyn vaarthuijg over te comen gelyk wij op stond hebben gedaan waarop wij den zelven vraagde waarom met in zijn negorij bleef en sig soo schuijl hielden daar op ten andwoord gaf dat in de maand Maart Ao pass=to wanneer Amba„ na Ambon was vertrokken 't bestier der sake op ketfing aan hem had opgedragen, en dat geduurende 't afwesen van Amba eenige questie ander de volkeren van 't ijland kessing tusschen die van Amba is veroorsaakt 't welke hij heeft wille beflisse egter hebben de volkeren van Amba zulks niet willen gehoorsamen, soo dat hij ge noodsaakt is geweest dagelyks met hun te oorlogen tot in de maand April A:o pass=to/ wanneer Ambo met een vermeesterd bouginees, vaarthunen waar op in arrest hebbende den orangkaaij van Toboe en Amba door de E: Comp: met kruyjt snaphanen en stukjes is ver sien geweest om tot defensie tegens vreemde vaartuijgen te gebruijken egter dat 't tegendeel daar van is gebleken want in plaats van gem: Capiteijn eerst te ondervragen hoe en waarom zulke verschillen onder hen zijn veroor saakt heeft gerepte Amba terstond Comps wapens ver deelt aan de volkeren van quaos Tela, keliwaroe, kil„ teraij en kowaij om tegens den meerm: Capitijn en sijn volkeren te slaan waar door hij genoodsaakt is geweest zijn negoroij op keffing te verlaten tot er tijdt dat den wel Ed Agtb: Heer Gouverneur van Amboina, met de „op keflang Hongij Bloot „ zoude zijn gearriveerd, om als dan haar lieder klagte, zoo wel als die van poeloe gisfer in te brengen Derhalven zoo dra vernoomen heeft dat de hou„ „gij vloot nabij was hem met sijn volk weder na zijn negorij op keffing heeft begeven en teffens de volke ren van Poeloe Giver ook geroepen had om bij hem over te koomen en aldaar zoo lang te vertoeven tot de Comst van

NL-HaNA_1.04.02_3337_0381 view scan ↗

English

arrival of the Right Honorable Lord Governor with the hongi fleet in order to then lodge their complaints about the improper treatment and persuasion of Amba, but that as soon as the said Amba with his retinue learned of this, he prevented the people of Poeloe Giser by the said arms from crossing over to the Captain at Keffing, which has caused both the said Captain and the people of Poeloe Gisser to be forced to take flight, whereas they otherwise would have remained in their negorijs to lodge their complaints. Further, the Captain of Keffing declares that if the often-mentioned Amba continues in this manner with his threats, as he has always done until now whenever they do not comply with his tyranny, not merely saying, but "in your negorij, when the Company comes, I will have you all hanged on the gallows," which various threats cause us to retreat from the Honorable Company, whereas we otherwise endeavor to obey fully the orders of the Honorable Company; and that shortly after the departure of the hongi fleet the Commandant Amba partially had the houses in the negorij of the said Captain burned and had some torn down, as if he had orders from the Honorable Company to do so. Further, that Amba in the month of April of the past year, before he held the said Orang Kaya of Tobo under arrest, was handed two pieces of metal cannon by the people of Tobo, being the pieces from the orembays that were wrecked there some years ago during the presence of our Expedition fleet, on the condition that the said Amba must hand them over to the Honorable Company, but that the Captain learned that Amba did not comply with this, but kept them for himself; likewise that, upon the wrecking some years ago of two cruising orembays at Poeloe Gisser under the command of Lieutenant Goedhard, 4 pieces of metal cannon were salvaged by the people of the island of Gisser, which after the passage of time were handed to the said Amba under the promise to deliver them to the Honorable Company, yet that Amba, about 3 years ago, upon the arrival of the Expedition fleet under the command of the military Captain Hendrik van Den Brink, delivered no more than 2 pieces to him, and kept the remaining 2 pieces for himself; whereupon the first undersigned asked the frequently mentioned Captain of Keffing whether he was not aware of what had become of those pieces, to which he answered me that he did not know, but thought likely that Amba had sold or pawned them, though not knowing to whom. Further, the said Captain of Keffing declared he had nothing more to say, while requesting that his dispute, as well as that of the people of Gisser, might be taken into consideration by the Right Honorable Lord Governor at Ambon, so that he would no longer have to live as a fugitive due to the improper actions of Amba. Whereupon the first undersigned further requested him to go on board with me to the Commandant of the Expedition fleet, but he refused me this out of fear, requesting nothing other than that his declaration might be handed over to the Governor at Amboina; with which this declaration of his came to an end, and he immediately departed again for his former hiding place with his vessels. After which we departed from Keffing at about 12 o'clock noon, and arrived at Poeloe Gisser at about 2 o'clock in the afternoon and gave a verbal report of all this to the Commandant of the Expedition fleet, while requesting to submit a written report thereof later. In witness of the truth, as the above-mentioned was declared in our presence, confirmed the same with our signatures. Underneath stood: Poeloe Gisser, the 12th of April, Anno 1771. Was signed: J: Jansz: and Pieter Sosilisa Patti Sila. Agrees. Signed: J H Paringau Secretary. Agrees Saringaiu Saparoua Right Honorable Pious Discrete Sir On the 16th at eleven o'clock at night, I had two shots fired from the cannon because I was informed by the negorij of Titouwaij that off the coast of the same, more than twenty Ceram vessels were in sight, which were continuing their course toward Aboubou. At twelve o'clock four orembays arrived here in the Labouan: the Patti of Ouw as Admiral, the orembay Paperou, the orembay Lian, and the orembay Kaijetetou, whom I immediately informed thereof, and they also set sail at once to search for the said Ceram vessels. The day before, the 15th, two Ceram vessels were in sight of Ameth, which Corporal Adamsz, still stationed there, let me know; however, up to this point, as far as I know, they have not yet attacked any negorijs. They have all been warned to keep a watchful eye. Of this I have the honor to make a report to your Honor, wherewith I remain with all high esteem. Underneath stood: Right Honorable Pious Discrete Sir. Lower: Your Right Honorable Pious Discrete Sir's very obedient servant. Was signed: O: C: Aengeveld. In the margin: Nussa Laut Beverwijk, the 17th of November 1771. Agrees November 1771 J Beijnon

Dutch transcription

comst van den wel Ed Agtb: Heer Gouverneur met de hongij vloot om als dan haar lieden klagte over de on behoorlijke behandeling en persuatie van Amba in te bren „gen, maar dat zo dra gem Amba met zijn gevolg zulks heeft vernoomen/ heeft de Poeloe Giser belet door gem: wapens bij den Capitain op keffing over te koomen, waar door is veroorsaakt dat soo wel gem: Capitijn / als de voekeren van Poeloe Gisser zig hebben moe„ ten op de vlugt begeven, daar zi lieden anders in hunne negorijen zouden zijn gebleven om haar klagten in te bren gen verders verklaart den Capiteijn van keffing dat soo bij aldien den m: gerepte Amba sodanig met siijn drygemente blift voortvaren, gelyk hij tot nog toe altoos gedaan heeft wanneer zi lieden niet aan zijn dwingelandij wille voldaen niet te seggen blyft maar in jouw negorij als de Comp: komt sal ik ulieden alte maal aan de galg doen ophangen welk een en ander drij u „gementen ons van D E Comp doet retireeren daar wij ana ders aan de ordres van D E: Comp: tragtten ten vollen te gehoorsa „men, en dat kort na 't vertrek van de hongij vloot den Commandant Ambo gedeeltekik de huijsen in de negorij van gem: Capiteijn heeft laten verbranden en sommige om ver heeft laten rukken of hij van de EComp daar order toe gehad heeft, verder dat Amba in de maand April Ao pass=to voor dat hij den orangkaaij van Tobo: voorm: inarrest heeft ge houden door de volkeren van Sobo is ter hand gesteld twee ps metale stukijes, sijnde de stukjes van de orembays die bij 't aanwesen van onse Expeditie vloot voor eenige sa ren aldaar zijn verongelukt, onder Conditie dat gen „most Amba dezelve aan d' E Comp: overhandigen maar dat hij capiteijn vernoomen heeft dat amba sulx niet is na „gecoomen maar dezelve voor hem heeft gehouden, als mede dat met 't verongelukke voor eenige Jaren van twee Cruys orembanen op poeloe Gisser onder 't Com „riando van den Liutenand Goedhard, 4 ps metale en stukjes door de volkeren van 't eijland Gisser zijn gei„ borgen, dewelke na verloop van tijt aangem: Amba„ met zyn ter hand gesteld onder belofte aan d:E: Comp te zullen overhandigen egter dat Amba Circa 3 Iaar geleden 't met de Comst van de Expeditie vloot onder 't Comman do: van den Capitijn militare Hendrik van Den Brink nagesien d„ V„ Loenen. Brink aan denselve niet meer dan 2 p:s heeft afgegeven en dat de overige 2. p:s voor hem heeft behouden, waar op den eerstgetekende aan meergem: Capitijn keffing vraagde of niet bewust was waar op die stukjes gebleven waren mij ten andwoord gaf zulks met wiste, maar denkelyk dat Amba dezelve verkogt of verpand had egter niet wetende aan wien, verders verklaarde ge „repte Captijn kessing met meer te seggen had, mits versoekende dat zyn geschil zoo wel als de volkeren van gisser bij den wel Ed Agtb: Heer Gouverneur op Ambon mogt in overweging genomen worden, op dat niet langer als een vlugteling door de onbehoorlyke gedoentens van Amba zoo moest leven. waar op den Eerst getekende al verder versogt om met mijn bij den Commandant van de Expeditie vloot aan boord te gaan, egter mij zulks uit vrees revuseerde en niet anders versogt dan dat zyn ver klaring maar den gouverneur te Amboina mogt werden overhandigt; waar mede dese zijne verklaring quam te Eijndi gen, en terstond weder na syn vorige schuijl plaats met sijn vaarthuijgen is vertrokken. — waar na wij des middags Cirka 12: uur van keffing zijn vertrokken, en na den middag Cirka 2 uur op poeloe gisser arriveerde en van een en ander aan den Commandant van de Expeditie vloot een mondelik verslag deede, mits versoekende om nader een schrif„ telijk rapport daar van te zullen dienen — Inteken der waarhijd zodanig als t boven gem: in ons presentie is verklaard 't zelve met onse handtekening bekragtigt /onderstond/ Soeloe Gisser den 12. April A=o 1771: / was getekend/ I: Iansz: en Pieter Sosilisa pattij Sila, /Accordeert /getekend/ I H Parmngauw Tec:s Accordeert Saringaiu Saparoua Wel Edele Vrome Discrete Heer Den 16: snags om Elff uuren, hebbe twee schoten uit het Canon laten doen omdat mij geadverteerd waar van de Negorij van Titouwaij, dat op de hoogte van dezelve, meer dan twintig zeeramse vaarthuijgen in het gezigt waren, welke hun Cours naar Aboubou deden voortzetten, om twaalff uuren ariveerden alhier in de Labouan, vier oorembaijs de Pattij van ouw als Admiraal oranbaaij Paperou de orembaaij Lian en de orembaij Kaijetetou, die ik aanstont daar van; kennisse hebbe gegeven, en zijn ook ten eersten daar op afgevaren om gemelde Ceramse vaarthuijgen opte zoeken, daagste vooren den 15: den zijn twee ze„ „ramse vaarthuijgen onder het gezigt van Ameth geweest, het geen den Corporaal Adamsz: aldaar nog posthoudende mij heeft laten weten, dog tot dies verre hebben dezelve zoo veel mij bekend is, nog geen negoriijen aangedaan, dezelve zijn altemaal geadverteerd een waakzaam oog te houden Hier van hebbe de Eer uwelEdele Rapport te doen, waarmede met alle Hoog agting verblijve sonder„ /:stond:/ welEdele Vrome Discrete Heer :/ Lager /. uwel Edele Vrome Discrete Heer Zeer geshamo¬ „zaamste Dienaar /was getekend/ O: C: Aengeveld /in margine:/ Nussalaut Beverwijk den 17=de November 213 Accordeert November 1771 J Beijnon sinte geduicCleren Nagerin 59

NL-HaNA_1.04.02_3337_0387 view scan ↗

English

214 Respectful Report to Joan Abraham van der Voort Governor and Director of this Province and its dependencies Right Honorable Sir The undersigned military lieutenant, having been ordered by Your Right Honorable to go cruising with the pantjalling de Saparoua, manned by 14 sailors and 7 soldiers, from the Three Brothers until Pigeon Island is open, and to that end having been provided by Your Right Honorable on the second of July past with an instruction for his guidance, and to which end he set sail from here the following day with the said small vessel, now has the honor upon his return from that voyage on the 2nd of this month to report to Your Right Honorable that he encountered no noteworthy matters in those regions, and thus also no foreign vessels upon which any the least suspicion of smuggling or illicit scheming could fall, since those that were seen or encountered in that circuit were all provided with proper passes. However, it happened that on the 14th of July, when the undersigned had made the rounds along the shore of Liang with the boat and returned on board that evening, he found there a native with two children, whom the mate had apprehended that day with a timbel of ripe and unripe cloves. Having questioned and examined this native on this matter with the utmost accuracy, I understood from him that he had fetched those cloves from his clove forest below the Devil's Rock and wanted to bring them to Mamala, and that this was caused by a piece of wood falling upon a branch of a Right Honorable Sir clove tree and breaking it to pieces; that he was a subordinate from the village of Mamala and, having been put to work here on the fortifications, had left Ambon quietly and without a pass, without reporting to the postholder of Hitoelamma or the raja of Mamala, but that the postholding corporal of the last-mentioned village had permitted him to go and inspect his clove orchard at the said place; but as the conduct of this native appeared to me quite suspicious, at least through his clandestine departure from this main castle, I sent him the following day under escort of two soldiers to the chief of Hila, by whom I was also informed by a short letter that on the 9th of July the soldier Lodewijk Adriaan of Amboina, sent thither by me, had passed away. Herewith I hope to have complied with Your Right Honorable's respected order and my duty, and in that expectation I call myself with the greatest veneration at the bottom Right Honorable Sir lower Your Right Honorable's very obedient and dutiful servant was signed I. A. van Eerten in the margin Amboina the 7th of August Anno 1771. Agrees. JSaringauw 1 6 examined J Reijmon sworn clerk 65 216 Joan Abraham vander Voort Governor and Director of this Province and its dependencies Right Honorable Sir The undersigned military ensign, having been honored by Your Right Honorable on the 21st of the recently passed month of June with an instruction of the same date containing your honored order to go cruising from here with the pantjalling de Voortvarendheid to Honimoa, between the fairway of that island and Nussalauwt, now has the honor upon his return today to dutifully report to Your Right Honorable that in fulfillment of that order, having immediately boarded the said small vessel together with a corporal and six common soldiers, he set sail with the same and cruised the prescribed route, to wit back and forth to the point of Cowak south of the villages of Latu and Hoealooij, to discover whether any East Ceram people or other smugglers were staying around those districts; but that notwithstanding all applied vigilance and the most accurate examination and inspection of the vessels that came within reach of the said pantjalling during that voyage in the prescribed fairway, he discovered none that could be held suspect of unauthorized smuggling with any the least foundation, as they were all provided with proper passes, except Respectful Report to the Right Honorable Sir a prahu coming from Ceram, or Roemakaij and Camariang, and laden with sago manta, which was encountered and detained by the boat because it could produce no pass, and for which reason he sent the crew in arrest to the postholder of Hoorn, who, however, released them again upon information obtained the following day that they had been dispatched by the said postholder himself. Thus there being nothing further noteworthy and deserving the attention of Your Right Honorable to report, the subscriber, trusting to have herewith satisfied Your Right Honorable, will subscribe himself with obliged high esteem. at the bottom Right Honorable Sir lower Your Right Honorable's very humble and obedient servant was signed A.t W.m Delius in the margin Amboina the 11th of August Anno 1771. Agrees. Sarengauw 6 examined P Deser sworn clerk

Dutch transcription

214 Eerbiedig Rapport Aan den Joan Abraham van der Voort Gouverneur en directeur dezer Pro„ „vintie en den Resorte van dien Wel Edele Agtbare Heer Den ondergeteekende Lieutenant militair door Uwel Ed: Agtb: g'or„ „donneert zijnde omme met de Patjalling de Saparoua bemand met 14: zeevarende en 7 militairen te gaan kruijssen van de drie gebroe„ „ders tot 't duijven Eijland open is, en ten dien eijnde door UwelEd: Agtb: op den tweede Julij passato gemunieert zijnde met een Jnstruc„ „tie tot desselfs narigt en ten welken eijnde hij daags daar aan met gem: kieltje van hier is onderzeijl gegaan heeft tans bij zijn retour van dien togt op den 2: deezer d'eere UwelEd: Agtb: te rapporteeren, dat hem in die Contrijen geen merkwaardige zaken ontmoet zijn, en dus ook geene vreemde vaartuijgen waar op eenige de minste suspicie van morshandel of konkelarijen heeft kunnen valle, nademaal die geene wel„ „ke in die ronte gezien of ontmoet zijn alle van behoorlijke passen voorzien waren. Egter is het gebeurt dat op den 14 Julij wanneer den ondergeteekende met de schuijt langs de wal van Liang de ronde gedaan hebbende dien avond aan boord te rug quam aldaar vond een Jnlander met twee kinderen dien den stuurman dien dag met een timbel rijpe en onrijpe nagelen in handen gekregen had. waar over ik dien inlander ten allernauwkeurigste onder„ „vraagt en g'examineert hebbende uijt den zelven verstond dat hij die nagulen uijt zijn nagulbosch onder de duijvels klip gehaald had en die na mamala brengen wilde en zulx veroorzaakt was dat er een stuk hout op een tak van een Wel Edelen Agtbaren Heer nagul nagulboom gevallen en den zelven aan stukken geslagen hadde, dat hij een onderhorige uijt de negorij Mamala was en aan de fortificatien ter arbeid alhier gesteld zijnde zig stil en zonder Ras van Ambon begeeven had, zonder zig bij den Posthouder van Hitoelamma of den Radja van Mamala te melden dog dat hem den Posthoudent Corporaal van laastgem: negorij gepermitteerd had om zijn nagul dousjong ten gem: plaats te gaan bezigtigen; dan dewijl mij het gedrag van dien Jnlander al vrij suspect voorquam ten minsten door zijne Claudestine verlating van dit hoofd: Casteel, zond ik: hem 'sanderen daags onder escorte van twee soldaaten aan het opperhoofd van Hila„ van welke mij ook door een briefje berigt wierd dat op den 9 Julij den soldaat Lodewijk Adriaan van Amboina, door mij der„ „waards gezonden, was overleeden. — Hier meede verhoope aan UwelEd: Agtb: gerespecteerde ordre en mijn pligt voldaan te hebben en in die verwagting noeme mij met de meeste veneratie /:onderstond:/ WelEdele Agtb: Heer /:lager:/ Uwel Ed: Agtbaare zeer gehoorsame en trouwschul„ „dige dienaar /:was geteekent:/ I: A: van Eerten /:in margine:/ Amboina den 7 Augustus A:o 1771. Accordeert. JSaringauw 1 6 nagesien J Reijmon E getr Cleveq 65 216 Joan Abraham vander Voort Gouverneur en directeur dezer Provin„ „tie en den resorte van dien Wel Edele Agtbaren Heer Den ondergeteekende vendrig militair op den 21=' der Jongst gepas„ „seerde maand Junij door UwelEd: Agtb: verEerd zijnde met een Jnstructie van dien zelven datum inhoudende derzelver g'eerde ordre omme met de pantjalling. de voortvarendheid van hier te gaan kruijssen naar Honimoa, tusschen het vaarwater van dat Eijland en Nussalauwt, heeft tans bij zijn retour„ op heeden d' Eere Uwel Ed: Agtb: schuldpligtig te Rapporteeren; dat hij in voldoening dier last zig aanstonds op gemeld kielje neevens een Corporaal en ses gemeene militairen vervoegd hebbende met het zelve is onderzeil gegaan ende voorschreeven route te weeten tot af en aan de hoek van Cowak bezuijden de negorijen Latu en Hoealooij bekruijst heeft, omme t' ontwa„ „ren of geen Oost Cerammers of ander Lorrendraijers omtrend die districten zig ophielden; dog dat hij niet teegenstaande alle aangewende waaksaamheid, en allernauwkeurigste onderzoek en visitatie der vaartuijgen die op dien togt in voorschreeven vaarwater onder het bereijk van gem: Pat„ „jalling gekomen zijn, geene ontdekt heeft, welke met eenig de minste fondament, van ongepermitteerde mors„ „handel hebben kunnen werden verdagt gehouden, als zijnde alle van behoorlijke Paken voorsien uijtgezondert Eerbiedig Rapport aan den Wel Edelen Agtbaren Heer een ƒ „ den praauw komende van Ceram, of Roemakaij en Camariang 1 en geladen met sagoe manta, die door de schuijt ontmoet en aangehouden wierd, uijt hoofde dezelve geen Pas konde vertoonen en waar omme het volk in arrest aan den Posthouder van Hoorn overzond, dog die op het daags daar aan bekomen onderrigt dat dezelve door den gem: posthouder zelfs afgezonden waren weeder ontslagen hebben. Dus niets aanmerkings waardig en d'attentie van Uwel Ed: Agtb: meriteerende meer te berigten zijnde, zal den teekenaar in vertrouwen van Uwel Ed: Agtb: hier meede voldaan te hebben zig met verpligte hoog agting onderschrij„ „ven. /onderstond:/ WelEdele Agtbaren Heer /:lager:/ Uwel Edele Agtbaren zeer onderdanigen en gehoorsamen dienaar /:was geteekent:/ A=t W=m Delius /:in margine:/ Amboina den 11: Aug=s A:o 1771. Accordeert. Sarengauw - 6 nagesien P Deser EE getr Clercq

NL-HaNA_1.04.02_3337_0395 view scan ↗

English

69 218 In the Name of God, the Merciful, the Compassionate. Haruku. To prevent Hamba from exalting himself higher than the Honorable Gentleman, or from taking more treasures, for he enjoys treasures from the entire land of Ceram. Hamba puts himself in the place of the Company. Does the Company also enjoy treasures from the entire land of Ceram? Hamba thus brings shame upon the Honorable Company on Ceram, and therefore he is also no good on Ceram. The people of Davang, six in number, have erred; those people request them back from Kelibon, promising to give six slaves in their place. The Orang Kaya of Kelibon requests the Honorable Company to remember that the power over the whole land of Ceram given to them is like a discarded fish. Below stood: for the translation into Malay, signed A=n Rijkschroeff. Lower down: Agrees, was signed: I: H: Paringauw, Secretary. To the Honored Gentleman, My Lord Johan Constantijn Cruypenning, Chief who holds authority over us who are here. Very Good Sir: With this letter I inform my Lord that, according to the statement of the Chinese Njo Hoksaeng, three Ceram junks attacked him, plundered him, and took everything without leaving anything in his orembaai; that those Cerammers chopped off the mast of his orembaai; that all this is said to have happened at Hatumeten, on the boundary between Kariatie and Camariang, on Sunday morning, the 2nd of the month of June 1741. The said Chinese having signed this, underneath stood: Generous Sir, we both your servants, signed, Simon Patinilun, Orang Kaya of Watusia, and C: Lesituimia, Master of Watusua. In the margin: Watusia, the 2nd day of June 1741. Lower down: the signature of the Chinese Njo Hokseeng, written in Chinese characters. Below stood: translated at Amboina on June 6, Anno 1741, by me, was signed: A=n Rijkschroeff. Translation of a Malay letter written in Arabic characters by the Orang Kaya of Hatumeten, Janfare, to the Governor and Director of this Province, as well as the Chief of Saparoua, in the month of May of this year. Whereas the Honorable Gentleman Hendrik Breton, Councilor of the Netherlands Indies as well as Governor and Director of Amboina, together with our Chief of Saparoua, have found upon investigation that Your Honor's servant, the Orang Kaya of Satumetten named Jangfar, strictly follows the Honorable Company's orders, so shall I, Your Honor's servant, also do nothing other than live and die with the Honorable Company. Because I, Your Honor's servant, have heard tidings that the people from the upper side wish to depart tomorrow, I have placed the name of the Captain on the outside of this letter, and they must deliver this letter with great haste. Therefore, I, Your Honor's servant, send this letter to the Honorable Governor together with our Chief of Saparoua, requesting that you do not take this amiss but forgive it, since I, Your Honor's servant, have heard tidings and also seen that many Ceram sails have passed the bay of Watumetten. For this reason, I, Your Honor's servant and Orang Kaya of Watumetten, dispatch this letter to Your Honors, both Gentlemen, so that whenever it pleases Your Honors, orders may be given everywhere throughout the whole land of Ambon that good watch be kept above all. I, Your Honor's servant, have written this letter in the month of Muharram (or May), being precisely the full moon to the end. Below stood: rendered from the Arabic script by me, was signed: P:s Sapteno. In the margin: Ambon at Castle Victoria, June 10, 1771. Lower down: for the translation from the Malay, was signed: I: D: Beijnon. Agrees, J: Beijnon, Sworn Clerk. All examined. 73 222 Jan Paulus, soldier stationed at Ceith, related that the previous evening, being May 22 at about eight o'clock by estimate, he had set out from the post with a gaauw manned by four natives to make the rounds as usual; and having arrived at the corner named Hulong, they then dragged the prahu onto the beach to go along there overland as far as Aser Pantjurang, where he discovered two vessels close to the shore. Whereupon the relator immediately sent one of the natives accompanying him to inform the Orang Kaya of that negorij that two Ceram junks were lying at anchor. Whereupon the Orang Kaya, with his brother, came without delay to the relator, each bringing his flintlock, accompanied by six of his subordinate natives, being not a stone's throw away from the aforementioned two vessels lying at anchor. Then the relator had an accompanying native ask the people on the Ceram vessels: orang apa di laut? And receiving no answer, this was repeated twice more, so that at the third question someone from one of the two vessels answered: mau tanya apa, kalau ada cengkeh bawa juga kemari. Whereupon the relator, as well as the Orang Kaya and his brother, fired their flintlocks loaded with ball at them, which was answered by no fewer shots with swivel guns, judged by the sound of the bang, from both Ceram vessels.

Dutch transcription

69 218 In den Name Gods des Barmhertigen Haroeko ontfermers om te beletten dat Hamba zig niet hooger komt te verheffen dan d' Edele Heer, of dat hij meer schatten neemt want van 't gantse Land van Ceram geniet hij schatten. Hamba. steld zig in steede van der Compagnie geniet de Compagnie ook schatten van 't gantse land van Ceram Hamba dus op Cerammaakt. dE. Compagnie beschaamd, daarom en deugd hij ook met op. Ceram het volk van davang ses en getal hebben mits gepecceerd verzoeken die menschen daar aan kelibon weeder te rug, zullende ses slaven voor in plaats geeven, Den orangCaij van Kelibon verzoekt van dE. Comp: te gedenkeen dat de magt van het gantse land van Ceram aan hun gegeven, eeven is als een vis die verworpenligd /:onderstond /: voor de vertaling in 't malyjes / getekend A=n Rijkschroeff /lager,/ Accordeert / was getekend: I: H: Paringauw sect:s Aan de G'Eerde Heer Mijn Heer Johan Constantijn Cruypenning Hoofd die het gezagh over ons, die hier zijn, houdt Zeer Goeden Heer: met deesen brief maak ik mijn Heer bekeend, dat na het gesegde van den Chi„ nees Njo Hoksaeng drie Ceramse Jonken hem aangedaan geplondert en alles afgenoomen zoude hebben zonder iets in zijn orembaaij, over te laaten dat die 1 Klilon Cerammers Cerammers de mast van zijn orembaaij afgekapt hebben, dat zulx alles geschiet zoude weesen op stalumeten op de grendscheyding van kariatie en Cama„ riang op sondag 'smorgene den 2: van de maand Junij 1741 hebbende gem: Chinees. deese onderteekent onderstond genereuse Heer, wij beide uwe dienaaren getekend, Simon Patinilun, onangkaij van Watusia, en C: Lesituimia scheed meester van Watusua, in margine Matusia den 2 dag van Junij 171 / lager de handteekening van de Chinees Njo Hokseeng, met Chineese Caracters gesz /onderstond /: getrauwlateerd tot Amboina den 6. Junij A:o 171: door mij /was geteekend:/ A=n Rijkschroeff: Translaat Maleids briefje met Arabi„ sche Caracters. geschreeven door den orang Kaij van Hatumetten Ianevare aan den Heer Gouverneur en Directeur deeser Provin„ tie als meede het opperhoofd van Saparoua in de maand Meij deses Jaars. — dewijl den Ed: heer Hendrik Breton raad van nederlands India mitsgaders gouverneur en directeur van Amboina nevens ons opper„ hoofd van Saparoua bij onderzoek bevonden hebben, dat uw Ed: Lie„ „naar den orangkaij van Satumetten genaamt Iangfar sE Comp beveelen regt op volgd zo zal ik uwel Ed: dienaar ook niet andere dan met dE: Comp: leeven en sterven dewijl ik uw Ed: dienaar tijding gehoort hebben dat de volkeren van de boven kant mor„ gen willen vertrecken, zo hebbe de naam van den Capitain buijten op deesen brief gesteet, zullende zijl: deesen brief niet dan met groo„ ten haast moeten overbrengen, pe dierhalven zoude ik. u w Ed: dienaar deesen brief aan den 220 Ed: Heer gouverneur nevens ons opperhoofd van Saparoua verzoe„ „kende dit niet qualijk te neemen maar te vergeeven dewijl ik uw Ed: dienaar tiding gehoort en ook gezien hebben dater veel. Ceramse zeij„ „len. de baaij van Watumetten zijn gepasseert om welke reeden ik uw Ed: dienaar en orangkaaij van Watumetten deesen brief aan uw Ed beijde Heeren laate afgaan om wanneer het uw Ed belieft. over al op het geheel Land van Ambon bevelte geeven. dat voor al goede ragt word. gehouden. Ik uw Ed: dienaar hebbe deesen brief geschreeven in de maand Macharan (of meij:/ zijnde Juijst de volle maan tot het Eijnde on„ derstond:/ uijt het Arabisch schrift overgebragt. door mij /:was geteekend P:s Sapteno. /. ter zeijde /. Ambon aan 't Casteel victoria den 10: Junij 1771: /:lager:/ voor de vertaaling uijt het malieds. /. was geteekend:/ I: D: Beijnon Accordeert J Beijnon Egetw: Clercq: e. antern alles Nogesien 73 222 Jan Paulus soldaat bescheiden onder Ceith, relateerde dat hij des avonds bevorens, zijnde den 22: Meij ten agt uuren na gissing, met een Gaauw met vier Jnlanders bemaand om na Gewoonte de ronde te doen van de post was vertrokken en bij de hoek genaamt Hoelong gekomen zijnde, de prauw toen op 't strand gesleept hadden, om van daar over lang te gaan, tot aan aser Pantjoerang, ontdekte hij daar twee vaartuijgen digt aan de strand, waar op den Relatant ten eersten, een zijner met hem gaande inlanders afzond om den orangkaaij dier negorij te verwistigen dat ir twee ceramse Jonken ten anker leiden waar op den orangkadij met desselfs broeder zonder ver„ „tragen bij den retatant gekomen zijn brengende elk hun snaphaan mede, vergeseld met ses zij„ ner ondergeschikte inlanders zijnde geen steen te„ worp verre van gerepte twee, ten anker leg„ gende vaartuijgen, toen liet den Relatant door een vergezellende, Jnlanders, aan 't volk ar„ op de Ceramse vaartuigen, vragen; orangapa„t die Luut, en vermits geen antwoord ontfing, wierd zulx nog tweemaal herhaald, zo dat zij de derde vraag, door een uit de twee vaartuigen g' andwoord wierd, Mauw tanja apa, kaloe ada tjeng kij bawa djuga kamarie. waar op den Relatant als mede den orangkaij en desselfs broeder hunne met scherpgeladene snaphaanen daar op Losschoten, 't geen door gene mindere schoten, met draijbas, „sen, na 't geknal g'oordeelt, uit beide ceramse vaartuijgen

NL-HaNA_1.04.02_3337_0400 view scan ↗

English

vessels was answered by aiming at the deponent and the accompanying party, so that the bullets whizzed over the heads of the deponent, the orangkaya, and the accompanying natives. Thus a good hour was spent shooting back and forth, after which the two junks put out to sea, shouting, ada beijik orang ceith nanti boleh likat, then turning their prows toward a place on Ceram named Waipoeti, situated between the corner of Sial and the post Lochoe, after which the deponent and the company with him, the deponent returned to his post and the orangkaya and natives to their houses. Upon my question put to the deponent, what time by estimation it had been when this occurred, how large the Ceramese vessels were, and how strong the crew of the same appeared to him, the deponent; He answered by estimation between one and two o'clock at night; The length of one junk seemed to him easily 7 to 8 fathoms, but the other appeared a fathom shorter, And the larger of the two junks he thought to have been manned by well over 40 heads, and the other by over 20 ditto; Whereupon the deponent, knowing nothing further to report that was pertinent to the matter, went back again to his post Lute, after being provisioned anew with live cartridges under strict orders to take all possible care that all such foreign vessels were kept away from the coast, and the native would thus be prevented from carrying on any spice trade with those rovers. Below stood: Hila Amsterdam, the 24th of May, anno 1771. Was signed: M: Hartog. Agrees: Saringaa Today, the 3rd of June, anno 1771, appeared before me, Hendrik van Wieringen, assistant and sworn clerk of this administrative post, present the witnesses named hereafter, Abraham Christoffel, native of Saparoua, aged by estimation 35 years, of the Reformed religion, who, in favor of the sincere truth, came to report the following: That on Friday the 31st of the past month he had paddled along the shore from Poorto with a prahu in order to sail to the Passer Poetij, to the end of shooting deer there; that at about eleven o'clock in the morning he had arrived at a place called Hoenipoetij, where he encountered two Ceramese junks, one of which was very large; That the same, paddling toward the shore, called out to him, the deponent, where are you going, which he answered by saying I am going to fish, upon which they called out to him again, if you have fish then bring it here, but he, the deponent, replying that he had no fish, they asked him for the third time, do you have ubat, upon which he, the deponent, likewise having asked what ubat do you mean, they answered thereto, gunpowder, to which he, the deponent, had replied, that I do not have, and seeing subsequently that the aforementioned vessels were coming ever closer to the shore, whereby he, having become afraid, had paddled in all haste close along the beach, though he had nevertheless seen that the aforementioned junks had anchored at the above-mentioned place Hoenipoetij; Furthermore, the deponent came to declare that those vessels, as it appeared to him, came from the side of Hitoe, but that he was not aware which Ceramese they were, nor how long they had stayed there, as he had used all speed to get out of their sight; Wherewith the deponent came to end this his report. Below stood: Thus done and executed at Saparoua at Fort Duurstede, date as aforesaid. Lower: quod attestor. Was signed: H: van Wieringen, sworn clerk. Agrees: Palingauw Report of Daniel Pieters, soldier of negorij Lima, who arrived here this morning around 10 o'clock, that yesterday evening at by estimation 8 o'clock three Ceramese junks were seen by him, coming from the corner Sial, and having immediately called his fellow soldier Joseph Kril to see this, as well as the orangkaya and many natives of that negorij, which junks having come near the place Palang, two of the same steered along the shore to the north, while the one kept itself drifting there at sea, the moon having then already risen; the deponent and the mentioned Kril, with the orangkaya and many people, all kept quiet, but from the junk a voice was heard, koe! Wherefore the deponent urged the people to call back, but not doing so, the deponent himself made a similar sound, after which the junk came closer to the shore, at which time the mentioned Joseph Kril fired his musket at the vessel, and that was answered by a shot from a swivel gun from the junk, after which both the orangkaya and both aforementioned soldiers shot again at the junk, which was followed from the junk with a swivel gun that went off, and four of which the powder merely flashed in the pan; subsequently was heard shouting from the junk, Hollanda, Hollanda, and it then sailed from there back to the corner Sial, on which occasion 10 live cartridges were fired. Whereupon the deponent, knowing nothing further to report that was pertinent to the matter, went back again to his post Liete, after he was provisioned anew with live cartridges under strict orders to take all possible care that all such foreign vessels were kept away from the coast, and the native would thus be prevented from carrying on spice trade with those rovers. Below stood: Hila Amsterdam, the first of August, 1771. Was signed: M:r Hartog. Agrees: Jv: Raringauw

Dutch transcription

vaartuijgen, op den Relatant en t verzellend geselschap gemikt geantwoord wierd, zo dat zo wel den Relatant, den orangkaij en hun verzellen„ de inlanders de kogels over 't hoofd snorden. dus over En weder wel een uur met schieten besteed wierd waar na de twee Jonken in zee Liepen roepen„ „de, ada beijik orang ceith nanti boleh likat, toen hunne stevens wendende na een plaatsop ceram genaamt waijpoeti gelegen tusschen de hoek van sial en de postLochoe, waar na den Belatant en 't bij hebbend gezelschap, den Relatant na zijn post en den orangkaij en Jnlanders na hunne hui„ „sen te rug keerden; Op mijn gedane vrage aan den Relatant, hoe laatst na Gissing geweest was toen dat is voor„ gevallen, hoe groot de Ceramse vaartuigen wa„ „ren, en hoe sterk hem Relatant de bemaning derzelve was toegeschenen; Antwoorde na gissing tusschen Een en twee uren des nagts; de Ligte der ine Jonk dagte hem wel 7: â 8: va„ „dem, dog de andere scheen wel een vadem korter, En de grootste der twede Jonken dagte hem wel met ruim 40: koppen, en de andere met ruim 20: dito bemand geweest te zijn; waar op den Relatant /.als niets meer ter zaak dienende wiste optegeven / wederom na deszelfs - 224 diszelfs postlute te rug gaan na dat op nieuw met scherpe pattroonen was verzien onder ernstige ordre om alle mogelijke zorge te dragen dat alzulke vreemde vaartuigen van onder de Cust geweerd wierden, en den inlander dus belet zoude worden met die 'z wer„ „vers geen specerij handel te drijven; /:onderstond:/ Hild Amsterdam den 24: Meij A„o 1771: /:was getek:/ M: Hartog Accordeert Saringaa 225 Op Huijden Den 3 Junij A„o 1771: Com„ „pareerde voor mij Hendrik van wieringen Adsistend en gesw: schriba deses comptoirs, present de getuijgen nagenoemt Abraham Christoffel geboorting van Saparouca, oud na gessing 35: Jaren van gerefor„ „meerde veligie, welke ten faveure der opregte waar„ „heid het volgende quam te relateren; Dat hij op vrijdag den 31: der Jongst gepasseerde maand van Poorto met een Prauw langstrant was geschept, om naar de passer poetij te varen, ten eijnde aldaar hartebeesten te schieten, dat hij circa Elffuren des K morgens gekomen was op een plaats gen=t Hoeni„ „poetij, alwaar hem twee ceramse Jonken waar van de eene heel groot was g'rencontreert waren; Dat deselve na de walscheppende hem relatant habden toegeroepen waar gaat gij na toe het welk beantwoor„ „dende met te seggen ik ga vissen hem daar op we„ 14 „der van hun toegeroepen wierd heb gij vis soo brengeit „se hier dog hij relatant repliceerende van geen vis zo te hebben, sij lieden hem ten derdemaale vraagde hebt gij oebat waar op hij relatant insgelijks gevraagt 11„ hebbende wat oebat meent gij, zij daar op antwoorden tat na gul dat hij retatant daar op g'repliceert had die het ik niet en vervolgens ziende dat voortmelde vaartuijgen hoe langs hoe digter aan de wal quamen waardoor hij bang geworden zijnde in alle haast digt langs strant heen geschept was dog hij egter gesien had dat voorm: Jonken op boven gem: plaats Hoenipoe„ tij „tij ten anker waren gegaan; vervolgens quam den retatant nog te verklaren dat die vaartuijgen na het hem toescheen vande kant van Hitoe quamen dog dat hem niet bewust was welke cerammers deselve waren, nog ook hoe lang aldaar vertoeft hadden vermits alle spoed had aangewend om uijt hun gesigt te geraken; waar meede den relatant dit sijn relaas quam t eijn„ „digen /:onderstont:/ Aldus gedaan en gepasseert tot Saparoua ter Fortresse Duursteede dato voorsz: /:Lager:/ quod Attestor /:was getek: F: van wie„ „ringen geswo schriba. Accordeert Palingauw l ro 79 do 226 Relaas van den heden morgen omtrent 10: wein hier gekomen soldaat van negorij Lima Daniel Pieters, dat gisteren avond na gissing 8: uren door hem gezien waren drie Ceramse Jonken, komende van de hoek sial en terstont zij mede soldaat Joseph Kril geroepen hebbende om zulx te zien gelijk ook den orangkaij en vele inlanders dier ne„ „gorij welke Jonken na bij de plaats Palang gekomen zijnde, twee derzelve langs dewal na bevienste„ „venden, terwijl d'ene het daar in zee trijvende hield, zijnde de maan toen reeds opgegaan den Relutant en gemelde kril met den Orangkaij, en veel volk hielden zig alle stil, dog van de Jonke wierd een stem gehoord koe! waarom den relatant het volk aansette om weder te roesen, dog zulx niet doende, gaf den relatant zelfs een gelijk geluid, waarna de Jonke nader bij de wal kwam als wanneer gerepte Joseph Kril zijn snaphaan op het vaar„ „tuig Los schoot, en dat wierd door een schoot uit een draibas van de Jonke l'andwoord waarna zo wel den orangkaij als beide voorsz: soldaten wederom op de Jonk schoten, 't geen uit de Jonke met een brai„ „bas die losging, en vier welke het poloer op 't sintgat slegts afbrande vervolgens wierd, gehoord roepende uit de Jonke Hollanda, Hollanda, en stevende toen van daar weder na de hoek sial, bij welke ge„ „legenheid 10: vaste pattronen verschoten zijn waar waar op den Relatant /. als niets meer ter zaak dienende wist optegeven / wederom na deszelfs post liete te rug gaan na dit opnieuw met scherpe pattroonen was verzien onder Ernstige ordre om alle mogelijke zorge te dragen, dat al zulke vreemde vaartuigen van onder de„ cust geweerd wierden, en den inlander dus belet zoude worden met die zwervers geen spece„ „rij te drijven /:onderstont:/ Hila Amsterdam den Eersten Aug„s 1771: /:was getek:/ M:r Accordeert Jv: Raringauw Hartog; — 1 83

NL-HaNA_1.04.02_3337_0411 view scan ↗

English

Joan Abraham van der Voort, Governor and Director of this province. Honorable, Worshipful Sir. The undersigned Burgher Captain, having been furnished upon his departure for the island of Bouro with a written ordinance from Your Honorable Worship dated 6 April of this year, whereby qualification and commission were granted to him to attack and overpower all illicit roamers and pirates encountered on that route or appearing along the shores of that island, subsequently to bring them up hither, as well as to sink the vessels that offer resistance and to punish the crew sailing thereon with death; provided that upon his return hither he remained bound to submit a true and pertinent report in writing; thus he finds himself obliged, in fulfillment of this last respected requirement, to set down respectfully at present: To the Honorable, Worshipful Sir! That although in the fairway between this and the aforementioned island of Bouro, both on the outward and return voyages, no such sea-rovers were encountered, nor perceived by him, he nevertheless, during his completed journey behind that island, having inquired most meticulously among the mountain peoples as to what hostilities had been committed by that rabble and in how great a force they had been present there, learned thereupon that not long ago some 50 Corra Corras with Papuans had raged at that place, robbing, plundering, and destroying everything that came before them, on which occasion also fifteen of their countrymen, having fallen into the hands of those robbers, were carried off by them as prisoners, which unfortunate fate would have befallen many more had they not secured themselves by fleeing into the mountains, although even there they scarcely found themselves in safety, since that rabble ventured to come as far inland and up into the mountains as they had ever dared to do heretofore; the principal cause of which they attributed to the Tobellorese, who not only accompanied the aforementioned Papuans in considerable numbers on that predatory enterprise, but were the principal encouragers in bringing them to such places otherwise unusual for the Papuans; the truth of which a multitude of huts left behind here and there, which served as their dwelling places, have assured to the undersigned. The undersigned, when he departed for the hinterland, also saw several vessels crossing to sea, which however were not [illegible] that he could discover of what kind of nation they were. That is all that has come before the humble signatory for the information of Your Honorable Worship concerning these roamers and pirates, hoping that herewith Your Honorable Worship's respected requirement will be fulfilled to some extent, in which expectation he takes the liberty to subscribe with the greatest veneration, Below stood: Honorable, Worshipful Sir. Lower: Your Honorable Worship's very humble and obedient servant. Was signed: J. Cooning. In the margin: Amboina, 9 July a=o 1771. Agrees. W. Suringauw A. V. Loenen. Examined. No. 1. Extract of the declaration granted by the Tidorese Lokman cum suis, under date of 17 January 1771. No. 2. Copy of the narrative of Djambohone, native of Cajelie, cum suis, concerning their abduction from Bouro to Palawattij, their encounters there, and the trade conducted by the Papuans on the north coast of Ceram. No. 3. Extract of the report of the military Captain Hendrik van den Brink concerning his completed expedition to the south and north sides of Ceram. No. 4. Extract report regarding the work performed by the Commissioners Hendrik van den Brink cum suis on the south and north coasts of Ceram in A:o 1769. No. 5. Narrative of the native Bahiel of Amblauw, dated 3 May A:o 1769. No. 6. Re-examined declaratory statement by way of examination of the arrested orangkay of Waroe. No. 7. Copy of the instructions issued in A:o 1768, on 10 November of that same year, for observation by the aforementioned orangkay of Waroe. Below stood: Amboina, the [illegible] July A:o 1771. Was signed: I. A. Schilling. Register of such enclosures as are cited in the report that the undersigned Fiscal presents this day in the Council of Policy to the charge of the arrested orangkay of the negorij Waroe, by name Waroe. Agrees. J. Paringauw J. Beijnon, Sworn Clerk. Examined. Respectful Report to the Honorable, Worshipful Sir, Joan Abraham van der Voort, Governor and Director of the Province of Amboina with its dependencies, together with the Honorable Members of the Council of Policy. Honorable, Worshipful Sir and Fellow Members. In the report that the humble subscriber presented to Your Honorable Worship on 14 February of last year, it was pointed out from the declaration of the Tidoreses or Wedarese Lokman cum suis, already sent from here to Batavia at the disposal of Their High Noble Lordships, that the orangkay of the negorij Waroe, by name Waroe, did not hesitate, in defiance of the 3rd article of his instructions, which he received for observation in A:o 1768 from the Honorable, Rigorous Sir, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies Hendrik Breton, as former Governor and Director of this province, not only to admit the aforesaid subjects of the King of Tidore into his negorij, but even to provide them with guides to Davang, instead of apprehending them and delivering them up to the Honorable Company. Since that regent was brought up hither under arrest by the military Captain Hendrik van den Brink upon his return from the recently conducted cruising expedition of Ceram, and was interrogated most exactly by the subscriber, by order of the Honorable, Worshipful Sir Governor aforesaid, in the presence of commissioned members from the Court of Justice, both concerning the admission of the aforementioned Tidorese as well as

Dutch transcription

85 218 Joan Abraham van der Voort gouverneur en directeur deser provintie Wel Edele Agtbaren Heer. Den ondergeteekende burger Capitain bij desselfs vertrek na het Eijland Bouro gemunieert zijnde met een schriftelijke ordon„ „nantie van UwelEd: agtb: gedateerd 6: April deses Jaars waar bij aan hem qualificatie en Commissie verleend is alle ongepermitteerde zwervers en roovers in die route ontmoetende dan wel langs de stranden van dat Eijland zig vertoonende te attacqueeren en te overmeesteren, vervolgens alhier op te brengen mitsgaders de vaartuigen die zig te woer stillen in den grond te booren, en de daar op varende manschap met de dood te straffen; mits gehouden blijvende bij retour alhier te dienen van een waar en pertinent rapport in geschrifte zo vind hij zig verpligt om ter voldoening aan dit laast g'eerd requisiet thans Eerbiedig ter needer te stellen —: —. Dat of schoon hem in 't vaarwater tusschen dit en gem: Eij„ Aan den wel Edelen agtbaren Heer!— „land E „land Bouro zo wel op de heen als herwaarts reijse geene buergelij„ „ke zee schuijmers zijn ontmoet, nog door hem ontwaard geworden, hij egter bij zijne gedaane togt agter dat Eijland zig op het nauwkou„ „rigste bij de berg volkeren g'informeert hebbende, wat vijande„ „lijkheeden door dat gespuijs gepleegt en in hoe groote magt zij aldaar aangeweest zijn, daar op vernoomen had dat het niet lange geleeden was of 50: Corra Corras met papoin waren daar ter plaatse gewoest roovende planderende en ver„ „nietende alles wat hun voor quaam bij welke geleegendheid ook vijftien hunner landgenooten in de handen dier roovers gevallen zijnde door hun gevangelijk zijn meede gevoerd, wel„ „ke ongelukkig noodlat nog veele meer zoude getroffen hebben bij aldien zij zig door de vlugt in het gebergte niet hadde be„ „veijligt, hoe wel zij daar nog naauwlijk zig in zeekerheid bevonden dewijl dat gespuijs zig heeft onderstaan zo verre land en bergwaards te koomen als zij nog ooijt voor deesen heb„ „ben derven doen; waar van zij de voornaamste oorzaak toe schreeven aan de Tobillers die niet alleen in een tamelijke meenigte gem: papoer in die roofzugtige onderneeming ver„ „gezeltschapt hebben, maar de voornaamste aanmoedigers geweest zijn om dezelve op zodanige voor de papoen anders ongewoone plaatsen te brengen; waar van een meenigte hier en daar overgelatene hitjes die tot hun verblijfplaats gediend, den ondergeteekende de waarheid verzeekert heb„ „ben —: — -- — - - - - - -- Ook heeft den ondergeteekende wanneer na het agter land vertrok verscheide vaartuigen na zee zien oversteeken welke egter na niet waaren dat heeft kunnen ontdeken van 230 van watzoort van natie dezelve geweest zijn —. —.. at is al het geene dat den needrigen teekenaar tot Uwel Ed: agtb: narigt omtrent deese zwervers en roovers is voorgekoomen, verhoopende dat hier meede eeniger maaten uwel Ed: Agtb: g'eerd requisiet voldaan zal zijn in welke verwagting de vrij„ „heid neeme met de meeste neneratie te onderschrijven, /:onderstond:/ WelEd: Agtbaren Heer /:lager:/ uwel„ Ed: agtb: zeer ootmoedigen en gehoorzamen Die„ „naar /:was geteekend:/ J=s Cooning /:in margiene/. Amboina den 9: Julij a=o 1771:—: —: Accordeert. W Suringaua A„r V„ Loenen. nagesien 89 231 No 1. Extract verklaring verleend door den Tidorees Lokman C: S: sub dato 17:e Januarij 1771. 2: Copia Relaes van Djambohone inlander van Cajelie, C: S: wegens hunne vervoering van Bouro na Palawattij, hunne ontmoetingen aldaar en handel die door de Papouen aan Cerams Noord Cust is gedreven. „ 3: Extract Rapport van den Capitain militair Hendrik van den Brink wegens desselfs volbragte ex„ „peditie aan de zuijd en noodkant van Ceram. „ 4. . Extract berigt nopens 't verrigte door de Commissianten Hend=k van den Brink C: S: aan de Zuijd en Noord Cust van Ceram in A:o 1769. „ 5. _=o Relaas van den inlander Bahiel van Amblauw, ged=t 3:e Maij A:o 1769. „ 6. Gerecolleerd De Claratoir bij wijse van examinatie van den g'arresteerde orangkaij van Waroe. „ 7. Copia Instructie in A:o 1768, den 10:e Novemb: des zelven Jaers afgegeven ter observantie aan voorm: Waroes orangkaij. ps /:onderstond:/ Amboina den: Iulij A:o 1771. /:was getekend/ I: A: Schilling. Register van Sodanige Bijlagen als 'er geciteerd zijn bij 't berigt dat den ondergetekende fiscaal op Heden in Rade van Politie overgeeft ten laste van de gearresteerde orangkaij der negorij Waroe in name Waroe. Accordeert J Paringauw Gt J Beijnon sum Egestr Clercq nagesien 73 232 Eerbiedig Berigt Aan den wel Edele Agtbaere Heer. Joan Abraham van der voort: Gouverneur en Directeur der Provintie Amboina met den Resorte van dien nevens De E: Leden van den Raad van Politie, Wel Edele Achtbaare Heer en Mede Leden. Bij 't berigt dat de nedrige subscribent aan uwel Ed: agtb: gepresenteerd heeft den 14:e febr: I=o leden is uit de ver„ klaring der reets van hier ter dispositie Hunner Hoog Edelheedens na Batavia versondene Tido- of Weda=reesen Lokman C: S: aangewesen dat de orangkoeij der negorij Waroe in name Waroe zig niet heeft ontzien in weer„ wil van 't 3: artikul zijner Instructie, die hij ter observan„ „tie ontvangen heeft en A:o 1768. van de wel Ed: gestr: Heer Raad extraord=s van Nederlands India Hendrik Breton, als gewese gouverneur en directeur deser Provintie, de voorsz: onderdanen van Tidors koning niet alleen in desselfs negorij te admitteeren maar hen ook zelve weg wijzers mede te geven na Davang, in stede van zi op te pakken en aan de Ed: Comp: over te leveren. zedert dien Regent door de Capitain militair Hendrik van den Brink met desselfs retour uit de Iongst gedane kruijs expeditie van Ceram dit hem in arrest opgebragt en door den tekenaar ter ordre van den wel Ed: Agtb: Heer Gouverneur welmeld, ten overstaan van gecommitteerd leden uit den Raad van Iustitie op 't exactste ondervraagt geworden zijnde zo over de admissie der voorm: Tidoreesen als

NL-HaNA_1.04.02_3337_0420 view scan ↗

English

as well as that which is further charged against him in the exhibits produced herewith marked No 1 to 7; he has sought to answer regarding the first accusation, or the admission of those Tidorese, as follows, vide his re-examined declaration quoted under No 6: That when the aforementioned subjects of the King of Tidore had been in his negorij, he had not been present, but had been among the Alfoors in the mountains, and that upon his return to the negorij he had first learned that some Tidorese had arrived, provided with a pass from their ruler, to whom his subordinates, by virtue of that pass, had granted transport to Davang; also that the native Modien had served as their guide, by whom the said pass had also been read in the negorij; testifying that he would not have failed to detain the aforementioned Tidorese and send them up if he had been present; furthermore denying that his brother's son had accompanied the repeatedly mentioned Tidorese to Davang, as he was still very young. While he nevertheless, with respect to what is found to his charge in the exhibits under No 2 and 3, confesses: That recently a mahoelij from Salawattij anchored off his negorij, and that the crew detailed thereon exchanged two muskets, though no gunpowder or bullets, but some other trifles, for cloths and some pieces of linen in kind, and also departed again after the lapse of a day; offering in excuse thereof that he is not the only one who admits the Papuans, but that those of Hatelen and Edottig also trade with them. Further testifying that after the departure of the aforesaid Salawatties, the son of the Radja of Roemasool also visited his negorij with a small and large mahoelij and sold two muskets, alongside some trifles, to the people of his negorij. Furthermore, with relation to the third accusation, whereof mention is made under No 3, 4 and 5; saying that when he went on board to welcome Captain van den Brink, his people had been present in the negorij, but that in the meantime they had fled out of fear, just as they had also done upon the arrival of the most recently conducted Hongij in A:o futuro, and when the Commissioners for the proclamation of the Manifest regarding the cession of Ceram to the Honorable Company had been present before his Negorij. Pretending finally that because the negorij Waroe was divided into three campongs, and he only had command over the third and smallest of them, it had therefore also been impossible for him to cause the inhabitants of Waroe to remain in the negorij. Having thus circumstantially set down the defense of the aforementioned orangkay of Waroe, it will not be difficult to demonstrate that this Regent has made himself guilty of perfidy and perjury; for although, apart from the declaration of the aforementioned Tidorese, no other evidence is at hand to fully convict him that he admitted the same into his negorij and granted transport by land to Davang, he nevertheless fully confesses to having tolerated both the Papuans of Salawattij and those of Roemasool in his negorij, and that his subordinates also traded with them in muskets and other wares, running directly counter to the aforementioned Instruction, wherein Article 5 expressly states: they shall not be permitted any longer to hold communion with the Papuans, by whatever name, or any peoples in the Moluccas, but when they arrive among them, they must expel them, drive them away, or intercept them and hand them over to the Company; but when such foreigners resist, they must be killed and their vessels captured.

Dutch transcription

als 't geene hem alverder ten laste gelegd word bij de hiernevens g'exhibeerd werdende bijlagen gemerkt met N=o 1: tot 7. ; heeft hij zig wegens de eerste accusatie of de admissie dier Tidoreesen aldus tragten te verantwoorden, vide desselfs gerecolleerd de Claratoir gequoteerd met N=o 6. Dat toen voorm: onderdanen van Tidors Koning in zyne na¬ „gorij geweest waren, hij niet present geweest maar zig bevonden pd hadde bij de Alfoeren in 't gebergte, en dat hij met desselfs te rug komst in de negorij eerst verstaan hadde dat 'er eenige Tidoressen met een pas van hun vorst voorzien waren aangekomen, welke zijne onderhoorige uit kragte van die Pas transport verleend hadden na Davang; mitsg:s dat tot hun gids verstrekt hadde de Inlander Modien, door wien ook gem: pas in de negorij was gelezen geworden; met betuiginge dat niet gemanqueert zoude hebben om meerm: Tidoreesen aan te houden en op te zenden bij aldien present ware geweest; ontkennende vs dat zijn broeders zoon de meergerepte Tidoreesen na Davang verseld zoude hebben, alzo die nog zeer Iong was. Terwijl hij egter ten opzigte van 't geene tot zijne laste gevonden word bij de bijlagen sub N=o 2: en 3. bekend. Dat 'er kortelings een Mahoelij van Salawattij voor desselfs negorij ten anker gekomen is, en dat de daarop bescheidene manschap twee snaphanen, dog geen kruijt nog koegels maar eenige andere klenigheden tegens kleedjes en eenige Stukken p. lijwaat inzoort verruijlt hebben, mitsg=s na verloop van een dag weder vertrokken waren; Tot verontschuldiging dier„ wegens bij brengende dat hij niet de eenigste is die de Pa„ „pouen admitteerd maar dat ook die van Hatelen en Edottig met hen handel drijven. Betuijgende voorts dat na 't vertrek der voorsz: Salawatties de zoon van den Radja van Roemasool ook met een klaend en groote Mahoelij zijn negorij aangedaan en twee Snaph raren nevens eenige kleenigheden aan de volkeren zijner negorij verkogt heeft. Wijders 95 233 Wijders met relatie tot de derde beschuldiging, waar van bij N=o 3, 4. en 5: gewag gemaakt word; zeggende, dat toen hij na boord ging om de Capitain van den Brink te verwelko„ men zijn volk in de negorij present geweest was, maar dat dezelve in die tusschen tijd uit vreese gevlugt waren, zo als zij mede gedaan hadden bij de komst der Iongst ge„ „daane Hongij in A:o futuro, en toen de Commissianten ter afkondiging van 't Manifist nopens den afstand van Ceram aan de Ed=e Maatschappij voor zijn Negorij aanwezig geweest waren. Voorwendende eindelijk dat dewijl de negorij Waroe in drie Campongs verdeeld weezen hij maar over de derde en kleinste derzelve te Commandeeren hadde, het hem oversulx ook ondoenlijk was geweest om de Inwoonders van Waroe in de negorij te doen verblijven. Dus omstandig de refensie van den voorengeciteerde orang„ „kaeij van Waroe hier bij ter nedergesteld hebbende, zal 't niet moeijlijk vallen om aan te toonen dat die Regent zig aan trouwloos-en=meineedigheid heeft Schuldig gemaakt; want of schoon 'en buiten de verklaring der voorm: Tidoree„ „sen geen ander bewijs voor handen is om hem ten vollen te kunnen overtuigen, dat hij dezelve in desselfs negorij g'as„ „mitteerd en over de land weg na Davang transport ver„ „leend hebbe, bekend hij egter volmondig zo wel de Papouen van Talwattij als die van Roemassal in desselfs negorij getollereerd en dat ook zijne onderhoorige met hen in Snaphanen en andere wharen handel gedreven hebben, re„ „gel regt aanlopende tegens de voorm: Instructie waar bij art: 5: uijtdrukkelijk g'expresseert staat „ zullen zeij „niet vermogen langer gemeenschap houden met de papou„ „en hoe genaamt of eenige volkeren in de Molucros „maar die wanneer bij hun aankomen, moeten verdrijven „wegjagen of opvangen en aan de Comp: overgeven, maar „wanneer zodanige vreemdelingen zig daar tegens te wee= „stellen, dan moeten zij gedood en hunne vaartuijgen vermeesterd „worden. Tid resen zoude en zijn seld ve dat vonden elfs heidene maar Stukken van een dier de Pa„ en tottij wa een kleendr Snap i zijner ties x

NL-HaNA_1.04.02_3337_0422 view scan ↗

English

on pain, as is further stated in Art: 11: of that Instruction: "If any inhabitant, whether chief or commoner, does not comply with these articles, he shall be punished for it in the most rigorous manner, yes, even with death, according to the findings of the case;" The arrested orangkaij, having according to his own confession acted contrary to the content of the 5th article, has consequently also made himself subject to the punishment with which the offenders are threatened in the 11th article; and that it is not the first time that he has allowed the Papouen to come into his negorij, but had already effected such shortly after the receipt of the aforesaid Instruction, is evident from the annexes sub No 4: and 5. Therefore he is and can be regarded as nothing other than a willful violator of the aforesaid orders; for although, according to his allegation—which the undersigned privately knows to be the truth—he has command over only the smallest part of the three Campongs of which the negorij Waroe is composed, and for the rest is little respected, as appears from the annex sub No 5., and consequently has also not been in a position to comply literally with the content of the aforementioned Instruction, he nevertheless, in order to show himself to be an honor-loving and faithful subject of the Hon. Company, could and should have given notice in secret immediately, or at least as quickly as possible, of the arrival and trade of those Papouen in his negorij, but not have kept such concealed; whereby he has also sufficiently demonstrated that that nation was admitted into his negorij with his consent and will; so that this may be further deduced and established from his frank confession "that he is not the only one who allows the Papouen to trade with his subordinates, but that those of ratilen and Rottij do so as well": just as if their illicit trade could justify him in following their punishable footsteps. Therefore, whether he omitted to give notice of the arrival and trade of the Papuan peoples in his negorij out of fear of his subordinates, who certainly hold him in little regard, or on account of his private interest, as is most probable, 234 he must in any case be considered unworthy to bear any longer the title of orangkaeij over a negorij whose inhabitants nevertheless neither respect nor obey him, and of which he has also made himself entirely unworthy through his misconduct. Wherefore the undersigned is also, subject to correction, of the opinion that, for the reasons alleged above and the probability that exists that he truly received the aforementioned Tidorese in his negorij and granted transport to davang, together with the deceitful statements, both regarding the presence of the people of Warde and the number of Papuan vessels that were present in his negorij in a:o 1769, he ought to be removed from his dignity as orangkaeij and not be permitted to cross over to Ceram again, but to be detained here or else banished from here to elsewhere for some years, as a deterrent to the other chiefs of Ceram. Trusting herewith to have fulfilled the intention of Your Right Hon. Worships, I remain for the rest with deep veneration, (underneath was written:) Right Hon. Worshipful Sir, and Fellow Members, (lower down:) Your Right Hon. Worships' humble and bounden servant, (was signed:) I: A: Schilling, (in the margin:) Amboina the 22nd of July A:o 1771. — agrees J Daringaruw 99 Egesw Clercq J Beijmon examined 10t 235 Extract from a declaration provided by the Tidorese Lokman in so far as it concerns the transport from waroe to Davang dated the 17th of January 1771:— Lokman of Tidorie, by outward appearance forty years, Loa, aged by estimation 50: and samsie in the 40: years, both from the negorij Toewaij weda, together with kanap, aged 40. years, of Papoea, being according to statement a serf of the Tidorese sabdoe, all adhering to the Mohammedan religion; who, each being heard separately at the requisition of the Judicial Officer, declared the following; namely: Lokman, that he, the declarant, was raised from his youth at the Court of Tidorie, having for some time held there the dignity of Pinang or tampat sirie bearer; that in their last great month of Araaij, by a missive, in the capacity of envoy, he was dispatched by his Lord and Prince, the King of Tidorie, to the Papuan kings of mixoal to collect the customary gifts of karet, Amber, Taripangs, and slaves, in order to be able to send the same to Their High Honors as a reciprocal gift with the Company's ship expected in Ternates. — that for that purpose there departed and were dispatched with him from Tidorie three kaijsisies named Sale, sapdoemoeliha, together with one Bobo, who stayed for a long time in Tidorie and was also said to be a tampat sirie bearer

Dutch transcription

op pane zo als bij Art: 11: van die Instructie nader vermeld word „Indien eenig inwoonder het zij opperhoofd of gemeene dese ar„ „tikelen niet nakomt zal hij daar over op het rigoureust Ja „zelfs met de dood gestraft worden na bevinding van zaken; De gearresteerde orangkaij na volgens desselfs eigene bekentenis tegens den inhoud van het 5. artikel gehandelt hebbende heeft zig gevolgelijk ook Subject gemaakt aan de Straffe dir de overtreders bedreigt is bij 't 11. artikel; en dat het niet de eerste keer is dat hij de Papouen toegelaten heeft in zijn negorij te komen, maar zulks reits heeft werkstel„ lig gemaakt kort na de ontfangst van voorsz: Instructie is blijkbaar uit de bijlagen sub N=o 4: en 5. derhalven is en kan hij dan ook voor niet anders aangezien worden als een moed¬ „willige overtreder der voorsz: ordres; want hoewel hij ook na zijn voorgeven, 't geen de ondergetekende in 't particulier bes„ „wust is de waarheid te zijn, maar over 't klienste gedeelte der drie Campongs, waar uit de negorij Waroe gecomponeert is, te Commandeeren heeft en voor 't overige weinig geteld word, zo als Consteerd bij de bijlaag sub N=o 5. , en dienvolgende ook niet in staat is geweest aan den inhout der voorm: Jn„ structie letterlijk te voldoen, zo hadde hij egter om te betoo¬ nen een eerlievind en: trouw onderdaan der Ed: Maatschappij te wesen; van de aankomst en handel dier Papouen in zijne negorij illico of immers zo spoedig mogelijk in Secretesfe kunnen en behooren kennisse gegeven maar zulx niet ver„ swegen te hebben; waar door hij dan ook genoeg. heeft betoond dat die natie met zijne toestemminge en wille in desselfs negorij zijn g'admitteerd geweest; invoegen dit nog nader af te leiden en vast te stellen is uijt desselfs ronde bekentenis „ dat „ hij niet de eenigste is welke de Papouen toelaat om met „ desselfs ondergeschikte handel te drijven, maar dat die van „ratilen en Rottij zulx mede doen: Even of derzelver onge„ „permitteerde handel hem konde wettigen hun Strafboor voet„ „spoor op te volgen. Het zij derhalven dat hij g'ommitteerd hebbe van de aankomst en handel der Papouse volkeren in b zijn negorij kennisse te geven uijt vreese voor zijne onderhoori¬ „ge, die hem zekerlijk weinig agten, het zij uit hoofde van desselfs particuliere intrest, zo als 't waarschijnlijkste is, p hij 234 hij in allen gevalle geconsidereert moet worden onwaardig te zijn om langer de titul van orangkaeij te voeren over een nego„ rij, wier ingezetenen hem tooh niet agten nog gehoorzamen, en die hij zig door zijn wan bedrijf ook gantsch onwaardig heeft gemaakt Alwaaromme de tekenaar ook onder Correctie van oordeel is dat hij om de voor aangetogene redenen en de waarschijnlijkheid die er resideert, dat hij de voorm: Tidoreesen waarlijk in zijn negorij ontvangen en transport verleend heeft na davang, mitsg:s de Leugenagti„ „ge opgaven, zo omtrend de aanwesentheid der volkeren van Warde als 't getal der Papouse vaartuijgen die in zijn negorij zijn aangeweest in a:o 1769, van zijne waardigheid als orang „kaeij behoord gedimoveerd en niet gepermitteerd te worden om wederom na Ceram over te gaan maar om alhier aange„ houden dan wel voor eenige Iaren van hier na elders gerelegeert te worden tot afschrik der overige hoofden van Ceram Hiermede vertrouwende voldaan te hebben aan de intentie uwer wel Ed: agtb: noeme ik mij voor 't overige met diepe veneratie /:onderstond :/: Wel Ed: Agtb: Heer, en Mede Leden, /:lagjer:/ uwer wel Ed: Agtb: ootmoedige en trouwschuldi„ „ge dienaar /:was getekend:/ I: A: Schilling /:in margine/ Amboina den 22:e Julij A:o 1771. — accordeert J Daringaruw dit „ na ierbes„ get volgende m: Jn„ beloo e„ betoond negorij te leiden dat met van onge„ voet„ eerd in d derhoori„ de ste is; van ine ppij teld rt te 99 Egesw Clercq J Beijmon nagesien 10t 235 Extract uit een verklaring verleend door den Tidorees Lokman voor zo verre het transport van waroe naar Davang betreft dit ged=t den 17: Januarij 1771:— Lokman van Tidorie na het uiterlijk aanzien veer„ „tig Iaaren Loa oud na gissing 50: en samsie in de 40: Iaeren beijde uit de negorij Toewaij weda mitsg=s kanap oud 40. Jaaren van Papoea, zijnde volgens opgave een lijfeijgene van den Tidorees sabdoe alle de mahomedaamse Gods dienst toegedaan; dewelke ider afzonderlijk gehoord zijnde ter requi„ „sitie van den Iustitieelen officier het volgende verklaarden; teweten: Lokman dat hij declarant van zijn zeugd of aan bij het Hoff van Tidorie is opgevoerd hebbende zedert eenige tijd herwaards aldaar bekleed de waardigheid van Pinang of tampat sirie draager; dat hij in hun laaste groo„ „te maand van Araaij P„r een missive in de qualiteit van sendeling door zijn Heer en vorst den koning van Tidorie is afgezonden na de Papoese kooningen van mixoal om de gewoone geschenken van karet, Amber Taripangs en slaven aftehalen ten einde deselve of te kunnen senden aan hun Hoog Edelheedens tot een weder geschenk met het in Ternates verwagt werdende 's Comp: schip. — dat ten dien fine met hem van Tidorie vertrocken en af„ „gesonden zijn drie kaijsisies in name Sale, sapdoe„ moeliha, nevens eenen Bobo die een tijd lang te Tidorie zig opgehouden en mede een tampat sirie draager zoude wezen

NL-HaNA_1.04.02_3337_0428 view scan ↗

English

being of the king of Batjang, besides eight more rowers who were Weda people from the village of Toewaaij, and four slaves belonging to the queen of Tidor; that having arrived on Micoal, he immediately sent back from his retinue to Tidore by prahu the kaibisis Sale and Moeliha, as well as Boba, with a large piece of ambergris, several picols of trepang, and eleven slaves, the same being convoyed by a separate vessel of the Misool people; that in order to obtain linen cloth to present the same to the petty rulers of Micoal, and thereby to make them willing to provide more other gifts, he, with his remaining party consisting of the kasisie Sabdoe and eight bailers, of whom four were Tidorese and four Weda people, crossed over to Hotte in the prahu with which he had come from Tidor, but finding no linen cloth there, had proceeded to the settlement of Waroe in order at the same time to fetch from there the Tidorese kasisie Abdoel Moetalim; that upon his arrival at the said settlement, finding neither the mentioned kasisie Abdoel Moetalim nor being able to obtain any linen cloth, he, on the advice of the orang kaya of Waroe, had proceeded overland to Davang in the company of a nephew of the mentioned orang kaya, along with another native named Modien, as well as six of his massenaijers, of whom four were Tidorese and the two remaining were slaves of his traveling companion Saptoe, besides four more slaves who belonged to him, the declarant, in ownership. Below was written: Agrees. Signed: I: A: Paringauw, Secretary. Agrees. Paringaru 103 Examined. r V. Loenen. 105 For the Honorable Company. On this day, the 20th of May, Year 1771. Appeared before me, Jacobus Hendrik Paringauw, Secretary of Policy of this Government, present the witnesses to be named hereafter: Djambohone, a native from the settlement of Caijelie situated on the island of Boeroe, and Chitama, an Alfur from the soa Moel belonging under the settlement of Massarette, who, upon express questioning by me, the Secretary, as to how they came to leave their settlements and the island of Boeroe, as well as how they arrived at the settlement of Waroe situated on the north coast of Ceram and subsequently arrived here, related the plain truth to be that, during the most recently passed Mohammedan fast, being near Namlea with a prahu in the bay of Caijelie, they were taken there by some Papuans who were in a small mahoelie, first behind the land to the kora-koras of those pirates, which were lying there to the number of six vessels with yet a number of mahoelis, and were further conveyed with those vessels to Salawattij; That upon their arrival at that island, they found anchored near the same a very large three-masted English ship, and after the lapse of a month were sent by the Radja of Salwattij with some people to Gebe and Pattanij, and after taking in fully one hundred pounds of nutmegs at those two places, returned with the said spices to Salwattij. That subsequently the Radja of Salwattij bartered the aforementioned nutmegs with the English for twenty flintlocks as well as several bullets and a small quantity of gunpowder, and his people bartered two baskets of oysters for one flintlock to the aforementioned foreign Europeans; that further, the English having departed Salwattij, L: S: 236 Salwattij, they, the relators, with several others, were dispatched under the supervision of Papuans to the north coast of Ceram to sell those flintlocks on behalf of the Radja of Salwattij to the Ceram people; That the Papuans having accomplished this, and wishing to return from Ceram to Salwattij, they, the relators, with three others, seized their chance in the evening and secretly went ashore at Waroe and into the forest, and coming forward after the departure of the Papuans, were kept hidden by the mother of the orang kaya for another fifteen days, but were thereafter brought into the settlement; That their aforementioned three companions were sold a few days later by Zokero, kimelaha of Waroo, to other Ceram people, but they, the relators, remained with the orang kaya until the arrival of the cruising fleet, when they were led deep into the forest toward the Alfur hamlets and were there locked in wooden shackles, which they broke to pieces during the night with the aid of a piece of wood that served them as a head pillow, and further took to flight, thus meeting the gunner Ian Iansz on the beach, and were at their request taken along hither by the same, and arrived here yesterday. Lastly, the relators declared that on the occasion of their aforementioned raiding expedition the Papuans carried off fully one hundred people from Boeroe, and that they did not hear whither the aforementioned English ship set its course from Salwattij, nor whether more ships of that nation were expected there. With which the declarants came to end this their account, giving for reasons of knowledge as in the text, and being prepared to confirm the same under solemn oath if required. Below was written: Thus done and related at Amboina in Castle Victoria, date as above. Was 107 232 Was signed with two crosses written next to them: placed by Djamboehonij and Clitame. Below: Which I attest, Secretary. Was signed: I: W: Paringauw. In the margin: Present before us. Signed: A:r Maartens and G:s A:s Fiers. Agrees. J. Reijnor Junior Clerk Examined. A. V. Loenen.

Dutch transcription

wezen van den koning van Batjang buijten (nog agt roeijers zijnde wedaresen uit het dorp Toewaaij, en vier slaaven toebe„ „horende de kooninginne van Tidor dat hij op micoal gekomen zijnde van zijn gevolg ten eersten na Tidorie p„r praauw terug gezonden heeft de kaijbisies sale en Moeliha mitsgaders Boba met groot stuk amber verscheijdene Picols Taripangs en Elff stuks slaven werden „de deselve geconvoijeert door een apart vaartuijg der moxual„ „ders. dat hij ter bekoming van Lijwaten om deselve aan de vorstjes van micoal te vereeren en daar door gewilligen te maaken tot het leveren van meer andere geschenken, met zijn overig geselschap bestaande in den kasisie sabdoe en agt scheppers, waar van vier Tidoreesen en vier wedaneesen met de prauw, waarmede hij van Tidor was gekomen, naar Hotte is over gestooken, dog daar geen Lijwaten vindende zig begeeven had na de negorij waroe om tegelijk van daar aftehaalen den Fi„ dorees kasisie Abdoel Moetalim. dat hij bij zijn aankomst te dier negorij nog den gen: kasitie Abdoel Moetalim vindende nog ook eenig lijwaten kunnen de bekomen op den Raad van de orangkaaij van waroe zig over de land weg na Davang begeeven had, ingeselschap van een broeders zoon van gem: orangkaaij, met nog een in„ „lander Modien genaamt, als ook ses sijner massenaijers daar van vier Tidoreesen en de twee overige slaaven van zijn reijs genoot saptoe buijten nog vier slaaven die hem declarant in eijgendom toebehoorden /:Lager/ Accordeert /:geteekend:/ I: A: Paringauw seC=s accordeert Paringaru 103 nagesien „r V„ Loenen. 105 voor d' E: Comp: Op Heden Den 20e: Maij Ao. 17701 Compareerde voor mij Jacobus Hendrrik Paringauw secretaris van Politie dezes gouvernements present de natenoeme„ ne getuigen Djambohone Jnlander uit de ten Eilande Boeroe geslegen negorij Caijelia, en Chitama alfoerees uitt soa Moel gehorende onder de negoorij Massarette dewelke op expresse afvrage van mij secretaris hoedanig uit hunne negorijen en van het Eijland Boero geraakt, mitsgaders op do aan Cerams noord Cust gelegen negorij waroe ter hou gekoomen en vervolgens al„ „hier g'arriveert zijn, relateerden de zuivere waarheid te wesen, dat zij on„ „der de Jongst gepasseerde Mahometaanse vaste zig omtrent Namlea, met een prauw in de bhaaij van Caijelie bevindende aldaar door eenige papoen die in een kleine Mahoelie waren genomen, eerst agter het land na de Corra Corras van die rovers, welke aldaar ten getalle van zes stux met nog een partij Mahoelis lagen en voorts met die vaartuijgen naar Sallawattij gebragt zijn Dat bij hun aankomst op dat Eiland omtrend het zelve geankert hebben gevonden een met heel groot drie mast Engels schip, en na verloop van een maand door de Radja van Salwattij met eenig volk maar Gebe en Pattanij gezzonden, mitsgaders na het inneemen van ruijm hondert pond noten musschaten op die beide plaatzen, met gedagte specerijpte salwattij gereverteerd zijn. — Dat vervolgens de Radja van salwattij voormelde noten musscha„ „ten, met de Engelschen tegen Twintig snaphanen zo meede ette„ „lijke kogels en een kliine quantiteit buskruit, mitsgaders zijn volk twee maanden oesters tegen een snaphaan aan voorschreeven vreemde Europeen getrocqueert heeft; Dat wijders de Engelschen Salwattij L: S: 236 Salwattij verlaten hebbende, zij relatanten, met meer andere, onder opzigt van Papoen naar Cerams noord Cust afgezonden zijn, om die snaphanen van wegen den Radja van Salwattij aan de Cerammers te verkopen — Dat de papoen zulx volbragt hebbende, en van Ceram naar salwat„ „tij wildende retourneeren zij relatanten met drie andere des avonds hun slag waargenomen en zig heimelijk op waroe naar de wal en in 't bosch begeven hebben, mitsgaders na het vertrek der papoen te voor„ „schijn komende door de moeder van den orangkaaij nog vijftien dagen verborgen gehouden, dog daar na in de negorij gebragt zijn— Dat hunne voorschreeven drie makkers wijnig dagen daar na door zoke„ „ro quimelaha van waroo aan andere Cerammers verkogt, maar zij relatanten tot de komst der kruijsvloot bij den orangkaaij verbleeven, toen diep boschwaarts naar de alfoerse gehugten in geleid, aldaar in houte boeijen gesloten zijn, die des nagts door hulp van een vstuk hout dat hun tot een hooft kussen diende aan stukken gebroken zig voorts op de vlugt begeven, dus den vuurwerker Ian Iansz aan strand ontmoet hebben, en door den zelven op hun versoek mede herwaards genomen, mitsgaders op gisteren alhier aangeland zijn Laastelijk de Clareerden de relatanten dat de pappoen ter gelegenheid van voorschreeven hunne roostogt wel hondert menschen van Boeroe vervoert, en dat niet gehoort hebben werwaards voren„ gewaagt Engelsch schip van Salwattij de Coers gesteld heeft, dan wel of daar nog meer scheepen van die natie verwagt wierdi waar mede de declaranten dit hun relaas quamen te eindigen geevende voor redenen van wetenschap ut in textn, en bereid zijnde zulx des gerequireerd wordende met solemneele eede te bevestigen /onderstont/ Aldus Gedaan en Gerelateert te Amboina Jn 't Casteel arctoria dato voorsz: wast „ 107 232 /was getekent mett twee kruijsjes daar bij gesz:/ gesteld door Djamboehonij en Clitame /lager:/ quod Attestor secret:s /was getekend/ I: W: Paringauw /in margine.:/ ons present /getekent:/ A:r Maartens en G:s A:s fiers Accordeert. J Reijnor n Juwr Egehn. Clercq nagesien A„ V„ Loenien:

NL-HaNA_1.04.02_3337_0435 view scan ↗

English

Extract from the report of the Captain of the Military Hendrik van Den Brink regarding his completed expedition to the south and north side of Ceram, dated 19 Maij Anno 1771: Before noon at eleven o'clock a heavy squall arose, and being forced by the hollow sea to weigh anchor and get under sail, we drifted past the negorij behind the banks, where we dropped anchor, which we weighed again in the afternoon at two o'clock, and in the evening at half past seven arrived off the negorij Waroe, finding there in the roads the pantjallings de Saparoua, whereof the ensign De Waal and the commander came on board to me, reporting that until today they had learned nothing. Having lain at the roads not long, the orangkaij of Waroe came to welcome me and informed me that his negorij was in good rest and peace, and that at present all his people were present, recounting to me at the same time that he had understood from the orangcaija of Hottie that four days ago he had seen several Papuan mahoelies down below his negorij, but where they had set their course the orangkaaij of Hottij could not state. Wednesday 24th April, in the afternoon around one o'clock, arrived the pantjallings de Voortvaarentheijd and the Catharina Geertruijda, of which first-mentioned vessels the boat being entirely disabled, I had it brought ashore to repair it as much as possible. The fireworker Jan Jansz taking a walk on the beach was met by two people from Boero, who made known that about two months ago they were taken from their country by the Papuan pirates and carried off captive directly to Salwatte, where they had to gather nutmegs and deliver them to the Radja of Salwattij, who traded the same to an Englishman who was lying there in the roads during their presence; that with the Papuans who took them away from Boero they departed again from Salwattij, subsequently landed at Waroe, where they were apprehended by Waroenese and brought to the Alfoers because it had come to their ears that the cruising fleet lay at anchor off Rarakit; furthermore that the said Papuans, having also learned this, had departed, but that during their stay here they traded in snaphaunces, powder, and lead that they had exchanged with the Englishman. Thursday 25th April, before noon I went ashore to pay a visit to the orangkaija of Waroe, but found nobody except him and his mother, and because upon my arrival he had assured me contrary to the truth that all his people were present in the negorij, I took him under arrest, and thus thereby also fulfilled what had been ordered me by instruction to subtlely remove that village chief and bring him in custody to Ambon, to which end I handed him over to Ensign Schemering, with orders to that officer to treat him well and do him no insult. Lower stood Agrees. Was signed: J: H: Parringauw, secretary. Agrees: J. Baringauw. Examined: Pieter Clercq. Extract from a report concerning what was accomplished in the commission to the South and North Coast of Ceram by the Captain of the Military Hendrik van den Brink and the junior merchant and shopkeeper Johan Adam Schilling, item the hoekum Gape alongside seven other lesser grandees of the Tidorese Empire, dated 31 Meij 1769: Upon our arrival at Waroe, the orangkaij of that negorij gave us to understand that his subordinate village people had already fled into the woods for some time and that he had barely been able to gather enough rowers to man a small orembaai with which he came to us, recounting at the same time that on account of that shortage of people he, the orangkaij, had been forced to tolerate that about a month ago, under the authority of the Sangaji Taloko of Pattanie, 10 Papuan mahoelies came to anchor before his negorij, which after a stay of 10 days had departed again for Goram without having been able to sell the slaves and tripang they had brought along. Furthermore that five days after their departure there had also arrived before his negorij 2 mahoelies belonging under the Radja of Salwatten, who likewise had brought slaves and tripang for trade, which articles of trade they, just like the aforesaid Pattaniese, being unable to find buyers for, they had after a delay of 4 days departed in the same manner for Goram; the orangkaij declaring that he would never have tolerated that the said vessels had approached his shores if he had found himself in any way capable of repelling the same, but because he could not have prevented it with the few men who had remained with him in the negorij on the beach, he had therefore had to look upon it with favorable eyes and tolerate it, trusting therefore that the blame thereof might not be laid upon him. Which we then also have had to consider as such, notwithstanding that one might well deduce from the account of a native of Amblauw named Bahiel, who came over to us at Waroe and requested our protection against his master, the Tidorese or rather Xullanese Falahoe residing there, who according to his claim had bought him from the Captain of Groot Hottie and whose account we have the honor to annex hereto for consideration, that the orangkaij's pretense—not only regarding the flight of his subordinate villagers at the time the aforesaid Papuan vessels called at that negorij, but also regarding the number of those vessels themselves—is far from the truth. Underneath stood Agrees. Was signed: I: H: Paringauw, secretary. Agrees: J Barengauw. 115. Checked: Adriaan van Loenen.

Dutch transcription

10 Extract uijt het Rapport /238 van den Capitain Militairen Hendrik van Den Brink wee„ „gens desselfs volbragte Expe„ ditie aan de zuijd en noordd„ kant van Ceram gedateert den 19: Maij A„o 1771: voormiddags ten Elf uuren ontstond er een zware buij zijnde genoodzaakt door de holle zee anker te ligten en onderzeil te gaan, dog dreeven voor bij de negorie agter de banken, alwaar het anker lieten vallen het geen des agtermiddags ten twee uuren weder Ligten, en savonds om heelf agt voor de negorie warde arriveerden vindende aldaar ter Rheede de Pantjallings de suparoua, waar van den vendrig de waal en den gezagvoer„ „der bij mij aanboord kwamen, doende rap„ „port dat tot heeden toe, niets vernoomen hadden; niet lang ter Rheede geleegen hebbende, of den orangkaij van waroe kwam mij verwellekomen, en gaf mij kennis dat zijn negorie in goede rust en vreede, en tans alle sijne volkeren pre„ „sent waaren, verhaalende mij teffens dat hij van den orangcaija van Hottie verstaan had, dat voor vier Etmalen geleeden beneeden zijn negorie ver„ „scheide Papoese Mahoelies gezien hadde dog waar hunne Coers gesteld hebbe konde hij oranckaaij van Hottij niet opgeeven; wenstag woensdag den 24=ste April sagtermiddags circa een uid arriveerde Pantjalling de voortvaarent„ „heijd, ende Catharina Geertruijda van welke eerstgem: vaartuijgen de schuit ten eenemale ontramponeert zijnde liet ik de selve op strand haalen, om die zo veel moogelijk was te repareeren; Den vuurwerker Jan Jansz: aanstrand een wandeling doende kwamen hem twee Boe„ „roeneesen te gemoet gaan bekendmaaken „de, dat zij voor circa twee maanden geleeden va hun land door de Iapoese Roverswaaren gena„ „men en gerankelijk direct naar sal watte weg gevoerd, alwaar nooten hebben moeten zoeken en aan den Radja van salwattij lee„ veren, die de zelve verruijlt had, aan een Engelsman, dewelke aldaar bij hun aanweg „zen ter Rheede lag, dat zij met de Papouen die„ hun van Boero weggenoomen hebben van salwattij weeder zijn vertrocken, vervolgens op waroe aangeland, alwaar door waroe niezen zijn opgevat en bij de Alphoereezen gebragt wijl dezelve ter ooren gekoomen was, dat de kruijs vloot voor Rarakit te anker lag; voorts dat gem: Paporen dit meede vernoomen hebbende vertrokken waren„ dog dat geduurende hun verblijff alhier hebb genegotieerd en snaphaanen kruit en loot„ dat zij met den Engelsman verruijld hebben. Donderdag 11 239 Donderdag den 25:e April, voor de middag ging ik aan land, om den orangkaija van warde een visite te geeven, dog vond niemand dan hem en zyn moe„ „der, en wijl mij met mijne aankomst contrarie de waarheijd verzeekerd had dat alle zijne vol„ „keren in de negorie Present waaren, zo hebbe hem in arrest genomen en dus daar meede ook teffens voldaan aan het mij g'ordon„ „neerde bij instructie om dat dorps Hoofd op een subtile wijs te ligten, en en verzeeke„ „ring naar Ambon te brengen ten welke„ einde den zelven aan den vaendrig scheme„ ring overgegeven hebbe; met last aan dien of officier om hem wel te handelen en geen smaat aan te doen /: Laager Accordeert /:was geteeken:/ J: H: Parringauw seer: Accordeert J. Baringauw de . Lanr E geter Clercq Geegeseert 240 Extract uijt een Berigt nopens het geene in de Commissie van d' Zuid en noord Cust van Ceram is verrigt door den Capitain militair Hendrik van den Brink en den. onderkoopman en winkelier Iohan Adam Schilling, item den Hoekum Gape nevens nog zeven mindere grooten des Tido„ reesen. Rijks ged:t 31: Meij 1769: — Bij onse aankomst te waere gaf: om den orangkaij dier negorij te verstaen dat zijne onderhorige dorps volkeren reets. zedert eenige tijd Boschwaarts in ge„ vlugt waren en dat nauwelijks zo veel scheppers bij een hadde kunnen versame„ „len om een klein orembaijtje te bemanen waarmeede bij ons gekomen is, ver„ halende teffens dat uijt hoofde van dat volks Gebrek hij orangkaij heeft moeten gedoogen dat voor Circa een maand geleeden. onder het gezag van den Senghadje Taloko van Pattanie 10: papoese Mahoelies voor zijn ne„ gorij ten anker gekomen zijn welke na een verblijff van 10. dagen weeder vertrok„ „ken waren na Goram zonder hunne mede gebragte slaven en Tripans van de hand te hebben kunnen zellen Voorts dat vijf dagen, na hunne depart almeede voor zijn negorij gekomen wa„ „ren 2: Mahoelies gehoorende onder den Radja van Salwatten die ins gelijks ten han „del meede gebragte slaven en Trepans welke articulen van Negotie zij zomm als de voorsz: Pattaniers aan de man kunnende brengen waren zij na een ver„ toef, van 4: dagen en zelver voegen na goram vertrokken, betuijgende hij orang kaij dat noit getolleert zoude hebben dat gem vaartuijgen zijne stranden genadert en waren indien hy zig maar enigsints in staat bevonden hadde, dezelve afte kunnen weeren maar dewijl hy sulx niet hadde kunnen verhinderen met de weinig man„ schap die by hem in denigorij aanstrand gebleeven waren, hij zulx dierhalven met goede oogen hadden moeten aansien en gedorgen: vertrouwende mits dien dat hem de schuld daar van niet ten laste gelegt mogte worden, het geene w w. dan ook als zodanig wel hebben moeten, Considereren, niet tegenstaande men. wel zoude kunnen mogen. opmaken uit het relaas van een Jnlander van Amblauw in name Bahiel die bij ons tot waroe overgekomen is en onse be„ „scherming verzogt heeft tegen zijn Lijf heer den aldaar zig bevonden heb„ bende Tidorau of liever xullanees falahoe, dewelke hem volgens zijn voor geven gekogt zoude hebben van den Capitain van Groot Hottie en welkers relaas w' de eere hebben te speculatie dezen te annexeren dat des orangkaijs voorgeven niet alleen ten aanzien van de vlugt zijner onderhoorige dor„ „pelingen ten tijde dat de voorsz Papoese vaartuijgen die negorij aan gedaen hebben, maar ook ten opzigte van 't getal dier vaartuigen zelve verre van de waarheijd afwyjkende is /:onderstond Accordeert / was getekend:/ I: H Paringauw: secretaris Acgordeert J Barengauw 115 nagesien Ad„ v„r Loenen.

NL-HaNA_1.04.02_3337_0443 view scan ↗

English

242 Extract from an account given by the native of Amblauw named Bahiel, on board the pantjalling Het Verlangen, lying at anchor in the roadstead of Waroe, dated 3 May, anno 1769: Coming to the questioning, namely whether he, the deponent, did not know when and how many Papuan vessels had recently been at Waroe, what they had done, how long they had stayed there, as well as where they had headed, and likewise how strong the population of the village of Waroe had been in his estimation at that time, he answered: That one month ago, twenty Papuan maholies came to anchor before the village of Waroe, among which were some from Weeda, Maba, and Patanie, each manned by 18, 20, indeed 30 hands, all under the command of the Sangaji of Patanie, bringing slaves and sea cucumbers for trade, having stayed at Waroe for one month. Upon their arrival, they hauled their vessels onto the beach and during their stay occupied themselves with felling sago trees and fishing, the sago trees being sold to the Papuans by the people of Waroe and also designated for felling. But as soon as the rumor reached Waroe that a sloop and two pantjallings had arrived at Poeloe Gisser, the said Papuan people hauled their vessels into the sea without delay, but to what place they departed was unknown to him. He further related that a few days after the departure of the aforementioned twenty maholies, there also arrived five paduwakans manned with subjects of the Raja of Salwattij, who likewise carried a cargo of slaves and sea cucumbers, hauling their vessels onto the beach; however, upon the rumor of the sloop and the two pantjallings, they departed again. Furthermore, he, Bahiel, said that the village of Waroe was very populous and was not lacking in people when the Papuans were there, but that as soon as the sloop and pantjallings currently lying here in the roadstead came into sight, everyone fled into the forest, with only the orangkaya together with his wife, the karsisie, and some children remaining in the village of Waroe. Lastly, he, the deponent, said that several female persons from various villages resided in Waroe, being married there, and some already had children, of whom he, the deponent, gave the following names: Boetima of Amblauw Abliva of Amblauw Rooija of Amblauw Nijaij of Oerong, and Boenga of Boeroe Lower down: Agrees: was signed: J. H. Saringauw, clerk Njaij Kaijlehoe Ara Agrees J. Reijnon Amer Sworn clerk Examined A. Loenen 121, 244 Today, 28 May anno 1771: There appeared before the monthly sitting members from the Honorable and Worshipful Council of Justice of Fort Victoria in Amboina, in the presence of the titular merchant and fiscal of this province, the Honorable Johan Adam Schilling: Waroe, orangkaya of the village of Waroe, situated on the north side of Ceram, estimated to be thirty years of age, who, upon detailed questioning by the judicial officer as to why he had dared, in spite of the instructions he had received and the manifesto proclaimed in his village in his presence regarding the renunciation of the feudal rights over Ceram by the King of Tidor, not only to admit the Tidorese Lokman with his retinue into his village last year, but also to provide them with guides to Davang, instead of detaining them and subsequently delivering them to the Honorable Company as unauthorized rovers, answered that at the time the aforementioned Tidorese were in his village, he was not present, but had been with the Alfoors in the mountains. That upon his return to his village, he was informed by his subject villagers that some Tidorese, provided with a pass from their king, had arrived, and by virtue thereof they had granted them further transport to Tavang, and indeed by land, having provided them with the native Modien as their guide, by whom the pass of the aforementioned Tidorese was also read in the village. Saying further that he had by no means forgotten the prohibition against receiving Tidorese, and that he would certainly have detained them and sent them on, had he, the deponent, been present in his village. Upon further questioning, the deponent answered that the aforementioned Tidorese, as he was informed, had bartered some slaves on Ceram for linens, further denying that his brother's son had gone along with the aforementioned Tidorese, affirming that he is still very young. Upon further questioning whether one or more of the maholies of Salwattij had come to Waroe some time ago, and had sold or bartered any muskets, powder, and bullets there, the deponent answered that recently a maholie of Salwattij had arrived and had bartered two muskets there—though no powder nor bullets, but some other trifles—for textiles and some pieces of linen of various kinds, as well as coarse bowls and saucers, and had departed again after the lapse of a day; saying that he, the appearer, is not the only one who admits the Papuans into his village.

Dutch transcription

242 Extract uijt een Relaas gege„ „ven door den Inlander van Am„ „blauw gen=t Bahiel in de Pantjal„ ling het verlangen leggende g'ankert ter rheede waroe gedateert, den 3:' Meij Anno 1769: koomende of afvraage /: of hij relatant niet wist wanneer en hoeveel papoese vaartuijgen er onlangs op waroe geweest, wat deselve verrigt hoe lange daar verbleeven mitsgaders werwaards na toegeschept waren adidem hoe sterk te dier tijd de negorij waroe van volck na zijn gissing geweest was:/ te antwoorden Dat een maand geleeden voor de negorij waroe ten anker gekoomen zijn twintig papoese maholies, waar onder eenige van weeda, Maba, en Patanie ider met 18:' 20: Ja 30: koppen bemant alle onder het Commando van Sengha„ dje Patanie meede brengende tot negotie slaaven en triepans, zijnde een maand op waroe verbleeven; hebbende met hun komst hunne vaartuijgen op strant gehaald en geduurende hun legdaagen sig beesig gehouden met zagoe boomen om te kappen, en visschen; wordende de zagoe boomen door de waroeneesen aan de papoen verkogt, en ook om te kappen aangeweesen dog so dra op waroe het gerugt kwam dat te Poeloe gisser een Chialoup en twee Pantjallings gekomen waaren hebben gem: Papoese volkeren sonder tijd versuijm hun„ „ne vaartuigen in zee gehaald dog na wat plaats vertrocken zijn was hem onbekent verhaalende verder dat eenige daagen na het vertreeck van voorsz: twintig mahoelies nog arriveer„ den arriveerden vijf Paduwakans bemant met onderdaenen van den Radja van salwattij die insgelijks tot laading hadden slaaven en triepans haalende hun vaartuijgen op stranden, dog op het gerugt van de Chialoup en d twee Pantjallings weeder vertroc„ „ken verders seijde sij Bahiel, dat de negorij waroe seer volck rijk was en het aangeën menschen manqueerden, wanneer de papoen daar waren, dog dat so dra de thans alhier ter rheede leggende Chialoup en Pantjallings in het gezit gekoo„ „men zijn alles na het Bosch:t gevlugt was zijnde den orangkaij neevens zijn vrouw, den kaijsisie en eenige kinderen in de negorij waroe verbleeven. seggende laastelijk hij relatant dat verscheijdene vrouwsper soonen van diversche negorijens op waroe sig onthielden al: daar getrouwt en sommige reeds kinderen hadden en waar van hij relatant de volgende kwam op te geeven als Boetima van Amblauw Abliva: „ Rooija. . „ Nijaij - - - - „ oerong en Boenga - - - - „ Boeroe Lager/ Accordeert : / was geteekent/ J: H: Saringauw se C=s Njaij. . „ Kaijlehoe - - „ — Ara „ Accordeert J Reijnon Amer E gesw: Clercq : - _=o _o _o nagesign A„r „ Loenen. 121, 244 Heeden den 28: Meij A:o 1771: Compareerde voor de mandelijxe vaceerende Lee„ den uijt den E: agtb: raad van Justitie des Casteels Victoria in Amboina ten overstaan van den titulair Coopman en fiscaal deser Provintie DE: Johan Adam Schilling. -. waroe orangkaij van de negorij Waroe geleegend aen de noordkant van Ceram oud na gissing dertig Jaaren dewelke op naauwkeurige afvrage van den Justitieelen officier waarom hij zig had durven onderstaan, om in weerwil zijner ontfangene Jnstructie en het ter zijner negorij in presentie van hem afgekondigt manifest wegens den af„ „stand van Cerams leen rogt, door den koning van Tidor den Tidorees Lokman, in Anno pass=o met zijn gevolg, niet alleen in zijn nagorij te admitteeren maar ook weghuijzers te geeven naar Davang, in steede van dezelven aan te houden, en vervolgens als ongepermitteerde z wervers aan dE: Comp: over te leveren! Le antwoorden deselve, dat hij ten tijden voorz: Ti„ „doreesen in zijn negorij bevonden niet present, maar bij de aljoereesen in het gebergte was geweest. — Dat hij bij te rugkamst, in zijn negorij door zijn onderhorige dorps volkeren is onderrigt geworden geworden dat eenige tiboreesen met een pas van hun koning voor„ „sien, waaren aangekomen, en uijt kragte van dien hun verder hadden transport verleent, naar Iavang, en dat wel over de Ladweg, hebbende tot hun Gids verstrekt, den Jnlander Modien, door wien de pas van voorz: Tidoreesen ook was geleezen in de negorij—. —. Zeggende wijders, dat hem het verbod van Tidoreesen aante„ „houden, geensints vergeeten is, en hij haar ook wel aange„ „houden, en op gezonden zouden hebben, bij aldien hij de„ „clarant in zijn negorij was present geweest; op ver„ „dere afvrage kwam den declarant te antwoorden, dat de meerm=e Tidoreesen, zo als hem berigt is, eenige slaven te Ceram tegens Lijwaaten verruijlt hebben ontkennende voorts dat zijn broeders zoon met voor„ „noemde tidoreesen zoude meede gegaan zijn, als betuijgende dat die nog zeer Jongis. —: Op nadere afvrage, of er niet voor eenige tijd geleeden een of meer der Mahoelis van salwattij op waroe gekoomen, en aldaar eenige snaphaanen kruit, en kogels verkogt of verruijlt hadden! zo antwoorden den declarant, dat kortelings een Mahoelie van sal„ „wattij, gekomen en aldaar twee snaphanen, dog geen kruijt nog kogels, maar eenige andere kleinigheeden, teegens kleedjes en eenige stukke Lijwaat in zoort: mitsgaders graove kommen en pierings verruijlt hadden, en na verloop van een dag weeder ver„ „trakken waren; zeggende dat hij Comparant d'ee„ „nigste niet is, die de papoen in zijn negorij admit„ „teert.

← previousnext →