Inventory 3337
Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
posts to be on their guard. Manipa and Sawaij each reinforced with six privates. Order to the adjutant to command Dutchmen or Germans for this purpose. Likewise to the equipment master to make ready the pantjalling de Paarl van Amour. To depart for his post. passes, as well as upon the arrival of those sea rovers to be in a state of defense and to do them all conceivable harm. Order to the heads of the Company's outposts. Furthermore, to order both him and Manipa's resident Treno and the postholder at Sawaij, alongside the other subaltern heads of the outposts, that without causing much commotion or premature unrest among the natives, or intimidating them, they must be on their guard and watchful against all assaults that might occasionally be undertaken; as well as to reinforce Manipa and Sawaij each with six privates, though counting among these four men who have already been commanded thither, for which during the meeting the necessary orders were given to the adjutant, with special instruction to him to command no Englishmen or Frenchmen for this, but Germans or Dutchmen. Furthermore, the equipment master Hogerscheit was ordered to make the utmost haste in getting the pantjalling de Paarl van Amour ready, with the notice that the said vessel must necessarily be employed to undertake a voyage. Manipa's resident ordered. As well as Manipa's resident Joachim Adriaan Treno, who due to indisposition has stayed here for some time, was also instructed to depart for his post at the latest tomorrow towards evening, or else, if he finds himself unable to do so, someone else will be sent thither in his stead during that time; but he having shown himself inclined to depart and having undertaken to return to Manipa tomorrow, it was understood to keep this note concerning it. The pantjalling Het Verlangen projected for reconnaissance to Salwattij. To inform their High Nobilities of all the foregoing. Meanwhile, concerning what was reported by the aforementioned captain of Roemasoal with respect to the English, it was approved and resolved that the pantjalling Het Verlangen, which vessel the Governor testified to have already summoned on 18 February from Saparoua where it is being repaired to be here by the end of that month, as soon as it is in any way seaworthy, upon appearing in this roadstead, shall immediately be dispatched for reconnaissance to Salwattij, in order to obtain information as to how far that account corresponds with the truth and what the intended purpose of those foreign Europeans consists of; as well as to inform their High Nobilities reverently of all this in the separate letter to be dispatched in the month of May. It was below written: Thus done and resolved at Amboina in Castle Victoria, date as above. It was signed: J. A. vander Voort, I. A. de Villeneuve, J. A. Schilling, E. F. Treno, I. H. Huijgens, I. H. van Santen, and R. Houque. Monday, 8 April Anno 1771: Secret. The leaders of the cruising expedition written. And occurred attack with those of Tobo and Batoeassa. In the forenoon at eight o'clock, meeting of the Council of Policy, except for the military captain Van den Brink, being on expedition, the four heads of the spice posts, and the junior merchant Carel Frederik Treno, the latter on a commission to Bouroe and Manipa. Resumption of a letter by the leaders of the vessels that departed on an expedition to Ceram on the date 4 of the past month of March, namely the military captain Hendrik van den Brink, the Lieutenant Tekke Gosseling, the Ensign Ian Willem Schemering, and the ordinary gunner Jan Iansz, written on 27 of the aforementioned month of March in the pantjalling the Catharina Geertruijda off Sobo, which was brought to the table by the Governor. From which having been seen with much regret that the commissioners, Inspection made of some villages after prior communication, that after their departure from Haija having inspected the villages Werinama, Hatihahoe, and Hatoemetten, found everything in order there, the new villages Batoe assa and Tobo burned to the ground, at the latter found everyone in arms though hidden in the woods; those of Tobo having fired upon them when they came ashore, and thereupon they having been engaged in combat with the same from six o'clock in the morning until twelve o'clock at noon, as well as having found the woods everywhere stained with blood upon inspection.
Dutch transcription
toiren om op hun hoede te zijn. Manipa en Sawaij ider met ses gemeene militairen versterkt Ordre aan den adjudant daar toe Neder landers of duijtschers te Comman„ deeren zo mede aan den Equipagie opzigter tot het ingereedheid brengen van de patjalling de paarl de amour. om naar zijn Comptoir te vertrekken passen, mitsgaders bij aankomst van die zee schui„ „mers in staat van tegenweer te zijn, en hun alle uitden„ kelijke afbreuk te doen. Ordre aan de hofen derluijten Comps Wijders zo wel hem als manipa s. resident Treno en de posthouder te Sawaij nevens de verdere su„ balterne hoofden der buiten Comptoiren ernstig aan te bevelen, dat zonder veel beweging of een ontijdige opschudding onder den Jnlander te veroorzaken dan wel dezelve te intimuideeren op hun hoede en waak„ zaam moeten wezen, tegen alle attentaten die zom„ wijlen ondernomen mogten worden; mitsgaders Manipa en Sawaij jder met nog ses gemeene militairen te versterken, dog onder dezelve mede te rekenen vier stux die reeds derwaards gecommandeert zijn, waar toe staande vergadering de nodige ordre aan den adjudant gegeven wiert, met speciale last aan denzelven daar toe geen Engelschen of Francen, maar duitschers of Nederlanders te Commandeeren. Zijnde, wijders den Equipagie opzigter Hogerscheit gelast met de in gereedheid brenging van de pantjal„ „ling de Paarl de amour de uitterste spoed te maken, onder aankundiging dat gem: kieltje nood„ zakelijk tot het doen van een togt g'emploieert dient te worden. Mamipas resident g'ordonneert Zo als omamipas resident Joachim Adriaan Treno, die zig mits indispositie eenige tijd alhier opgehouden heeft ook aangezegt is ten langsten morgen tegen 121 41. den 7: Maart 1771: noscering naar salwattij gepro„ jecteert. al het vorenstaande hun hoog Ed: te bedeelen. tegen den avond naar zijn Comptoir te moeten vertrekken, dan wel dat indien zig buiten staat daar toe bevint als dan zo lange een ander in zijn steede derwaards gezonden zal worden; dog hij zig tot vertrak genegen betoont en aangenomen hebbende op morgen naar Mani„ pa te zullen terug keeren, zo is verstaan dien aangaande deze notitie te houden. de patjalling het verlangen ter recq ntusschen belangende het gerelateerde door vorengewaagde Capitain van Roemasoal in opzigte van de Engelschen, goetgevonden en verstaan is de pantjalling het verlangen welk vaartuig den heer Gouverneur betuigde van Saparoua alwaar hetzelve gerepareert word bereets den 18: februarij tegens ultimo dier maand dit heen ontboden te hebben, Wanneer maar eenigszints in staat is om zee te kunnen bouwen, bij verschijn ter dezer rhede immediaat ter recognoscering naar Salwattij te depecheeren, ten fine informatie te bekomen, in hoe verre dat verhaal met de waarheid overeenkomst en waar in het bedoelde oogmerk dier vreemde Europeën bestaat, mitsga„ ders Hun Hoog Edelheden van dit een en ander bij de in de maand Meij aftegane aparte brief reve„ rentelijk kennisse te geven /:onderstont:/ Aldus Gedaan en geresolveert te Amboina in 't Casteel, Victoria dato voorsz: /:was getekent. /. J: A: vander voort, I: A: de Villeneuve, J: A: Schilling, E: F: Treno, I: H: Huij„ „gens; I: H: van Santen en R: Houque. Maandag Maandag den 8: April A:o 1771: Secret, de hoofden der kruijs expeditie geschreven en voorgevallen attacque met die van Tobo en Batoeassa. Voor de middag ste agt uren vergadering van Politie, demptis den Capitain militair van den Brink, als zijnde in Expeditie, de vier hoofden der specerij Comptoiren en den onderkoopman Carel Frederik Treno de laatste in Commissie naar Bouroe en Manipa. Resumptie van een brief door Aanvankelijk geresumeert zijnde een door den heer Gouverneur ter tafel gebragte brief van de hoofden der in dato 4: der gepasseerde maand Maart in expedi„ tie naar Ceram vertrokken vaartuigen den Capitain militair Hendrik van den Brink den Lieutenant Tekke Gosseling, den Vaandrig:t Ian Willem Schemering en den ordinair duur„ werker Jan Iansz: den 27: der voornoemde maand Maart in de pantjalling de Catharina Geertruijda voor Sobo geschreven, waar uit met veel leetwezen gezien wezende dat de Commissianten gedane visitatie van eenige negorijen na voor afgaande Communicatie, dat na hun vertrek van Haija de negorijen Werinama, Hatihahoe en Hatoemetten gevisiteert daar alles wel bevonden, de nieuwe negorijen Batoe assa en Tobo in de asse gelegt op de laatste alles in de wapens, dog verholen in 't bos gevonden, die van Tobo toen aan land quamen op hun gevuurt, en zij daar op van des morgens te ses tot des middags te twaalf uren met dezelve slaags geweest zijn, mitsga„ ders het bosch bij visitatie over al met bloed gevonden hebben
English
123 43. encountered. The pantjalling de Liefde, four orembaijen, and the vessel of Ceram's Commandant stranded. Poor condition of the remaining orembaijen. ammunition salvaged. The wrecking of the pantjalling de Liefde attributed to the drunkenness of Mate Bronkhorst. severe storm while having the fleet before Tobo; stating that on the 22nd of that month in the evening at nine o'clock they were overtaken by a severe storm, during which the wind blew from all directions with a terrifying rising of the sea, in which, besides the orembaijen of Soija and Great Hative, as well as the vessel of Ceram's Commandant Hamba, the pantjalling de Liefde ran aground; that furthermore the orembaeij of Kilang, due to a sudden squall on the 26th following, was also thrown upon the beach and smashed to splinters; that the orembaeij of Nalahia, because it could no longer be kept above water, was put ashore on 27 March and burned; likewise that the remaining orembaijen are all in very poor condition, and it will therefore be impossible for them to call at any further negorijen on Ceram's South Coast; and that they were unable in that emergency to render any other assistance to the aforementioned vessels than to keep the Ceram people away from the beach by cannon fire, and thus prevent them from inflicting any harm upon the men; nevertheless, they salvaged all the ammunition of the stranded vessels, amongst which however eight barrels of grenades and fireballs on the pantjalling de Liefde got wet and spoiled, as well as the equipment of the pantjalling de Liefde, together with the sails and the rigging of that said craft; but as it was also discovered from what was further noted in the Commissioners' letter and a statement given by the crew members of the repeatedly mentioned pantjalling de Liefde, that if the mate and commander of that vessel, Piet Bronkhorst, when that misfortune occurred, had not been as drunk as a beast (as the Commissioners express it), said vessel would likely have been saved; placed in the hands of the fiscal. Search for his goods made, but nothing found. Remark on the sending hither of Ceram's Commandant by Captain van den Brink and the remarks concerning him. Resumption of three letters from Ceram's Commandant. Brink. His complaints about Captain van den Brink. it was approved and agreed to place the said Piet Bronkhorst, whom the Commissioners have sent hither, and who by order of the Governor has provisionally been placed under military arrest within the Castle, into the hands of the fiscal, with orders to the judicial officer to exercise his office and duty against that dissolute subject and to institute such action against him as is proper in good justice. While it was agreed to record that the fiscal, by order of the Governor, having made an inquiry into the goods of the said Bronkhorst in order to compensate the Company as much as possible, reported in a written statement received today that he has not been able to detect that this pilot possesses anything besides what he wears on his body. Furthermore, taking into remark that Captain van den Brink, along with the crews of the previously specified wrecked orembaijen, has likewise sent over hither Ceram's Commandant Hamba, instead of employing him on the expedition in accordance with the orders given to him by the Instruction, pursuant to the express desire of Their High Excellencies; citing that he can entirely do without the said Hamba, and that the latter had refused to express himself to him, but above all was in the way, and in his view Hamba would be the principal cause thereof; as well as the Governor presenting, in relation to this point, three letters from Ceram's Commandant Hamba, in which he among other things complains that Captain van den Brink took away from him a large rantakka and two muskets 125 45. 8 April 1771 Ceram's Commandant to be sent back. Captain van den Brink to be reproached for not obeying orders. Order to be sent to him for the restitution of the weapons of Ceram's Commandant. To regulate himself according to his Instruction. Accountability demanded from him. Claim of Ceram's Commandant regarding the retreat of the Buginese from Ceram. muskets which, with the stranding of his jonk, had fallen into the hands of the people of Tobo, but had been recaptured by his men, and that on this account he has come hither; so it has been resolved to dispatch the aforementioned Ceram's Commandant back to Ceram at the earliest opportunity, and not only to reproach Captain van den Brink most severely for violating the orders in the subject matter, but also to order him to return the weapons belonging to Ceram's Commandant to the same upon receipt of the letter; to regulate himself punctually in the execution of the expedition according to the content of his Instruction, and to account for why, during his presence at Haija, in compliance with the Governor's written order, he did not conduct an investigation into how the piece of foreign linen mentioned in the resolution of 7 March last came into that negorij, and in case he did so, why no report of his findings was made in his letter. Concerning the further contents of the aforementioned three letters from Ceram's Commandant Hamba, it was agreed to note from them, and to bring to Their High Excellencies' respected knowledge in the upcoming month of May in the separate letter, with an offer of a translated copy of the same, that
Dutch transcription
123 43. belopen. de patjalling de Liefde, vier oremba ijen en het vaartuijg van Cerams Commandant gestrant. slegte gesteldheid der overige drim baijen. „gen geborgen. tjalling de Liefde het verongelukken van de patjalling de Liefde aan de dronkenschap van Stuurman Bronkhorst toegeschreven. zwaare storm de vlot voor Tobo hebben; bedelen, dat hun den 22: dier maant des avonds te negen uuren een zware storm gedurende dewelke de wint met een schrikkelijke verheffing van Zee uit alle hoeken waaijden belopen, daar in buiten de Orembaijen van Soija en groot hative mitsgaders het vaartuig van Cerams Commandant Hamba, de pantjal ling de Liefde gestrant is, dat voorts de Orembaeij van Kilang door een opgekomen travaat den 26: daar aan mede op strant en aan spaanders geslagen, de orembaeij van Nalahia om dat niet langer boven water konde gehouden worden den 27: Maart op strant gezet en verbrant is, zo mede dat de overige Orembaijen alle zeer slegt gestelt, het hun dierhalven on„ mogelijk zijn zal verder eenige negorijen aan Cerams Zuid Cust aan te doen, en dat onvermogens zijn geweest voorschreven vaartuigen in die nood eenige andere hulpe te bewijzen dan de Cerammers door het geschut van strant te houden, en dus te beletten dat dezelve geen de ammonitie der gestrande vaartuij, schade aan het volk toebragten, dog egter de aumonitie waar onder nogtans agt vaten granaten en Vuurballen op de Pantjatting de Liefde nat en bedorven zijn ge„ gelijk ook de Equipagie van de pan, raakt, nevens de zeilen en het touwerk van gedagt kieltje alle geborgen hebben; dan dewijl uit het verder geno„ teerde bij der Commissianten brief en een door de scheepe„ lingen van meermelde pantjalling de Liefde gegeven verklaring steffens ontwaard wiert, dat indien den stuur„ man en gezagvoerder van dien bodem Piet Bronk„ horst toen dat ongeluk exteerde /: gelijk de Commissian„ ten zig uitdrukken /: niet zo dronken als een beest geweest was, gemeld vaartug denkelijk wel behouden zoude zijn; gestelt dog niets gevonden/ remarque over de herwaards zending van Cerams Commandant door Capitain van den Brink en het ge noteerde omtrent denzelven. Resumtie van drie brieven van Ce rams Commandant. Brink den zelven in honden van den sibaal Io is goetgevonden en verstaan gedagte Piet Bronk horst die de Commissianten herwaarts gezonden hebben, en ter ordre van den heer Gouverneur bij provisie binnen het Casteel in militair arrest gezet is, te stellen in han„ den van den fiscaal met ordre aan den Justitieelen offi„ cier om tegen dat liederlijk subject zijn ampt en pligt te betragten en zodanige actie op hem te institueeren als in goede Justitie behoort. recherge naar zijde goederen gedan, Terwijl verstaan is aantekening te houden dat den fiscaal op bevel van den heer Gouverneur om de Comp=e zo veel doenlijk vergelijk te dedomageeren naar de goederen van gem: Bronkhorst enqueste gedaan hebbende, bij een op heden ingekomen schriftelijk berigt gerapporteert heeft niet te en hebben konnen bespeuren dat dien piloot behalven het geen hij aan zijn lijf draagt iets bezit. — Wijders in remarque komende Capitain vanden Brink nevens de volkeren der voren gespecificeerde verongelukte Orembaijen desgelijx dit heen heeft laten overgaan Cerams Commandant Hamba, instede van denzelven Conform de hem bij Jnstructie, ingevolge de expresse begeerte hun ner hoog Edelheden gegeven last in de expeditie mede te gebruiken, onder aanhalinge hij ged=e Hamba volkomen missen kan, en dat denzelven zig tegen hem niet had willen, uitlaten, maar boven alles in de was lag, en hamba na gedagten de voornaamste oorzaak daar van zijn zal, mitsgaders den heer gouverneur met relatie tot dit poinct ook overleggende drie brieven van Cerams Commandant hamba, zijn klagten over Capitain vanden bij dewelke hij onder anderen doleert dat Capitain van den Brink hem een groote Rantakka en twee Snaphanen 125 45. den 8: April 1771: „Corams Commandant terug tezenden obedieeren der ordres te reprocheeren. af tegaane ordre aan hem tot restitutie der wapens van Cerams Commandant. tie te reguleeren. verantwoording van hem afgevordert voorgeven van Cerauws Commaan„ dan't nopens de retraite der Boegi „neesen dl: van Ceram. snaphanen die met het stranden van zijn Jonk in han„ den van die van Tobo vervallen, dog door zijn volk herovert waren, ontnomen en hij zig uit dien hoofde herwaarts begeven heeft; zo is besloten Cerams Commandant voormelt ten aller eersten naar Ceram Capitain van den Brink ver het met terug te depecheren en Capitain van den Brink over het overtreden der ordres in Cas subject niet alleen ten ernstigsten te reprocheren, maar hem ook te ordonneeren de wapens die aan Cerams Com„ mandant behoren op den ontfangst van de brief aan denzelven terug te geven, zig in 't uitvoeren der en zig princtueelijk na zijn Justuc, expeditie punctueelijk naar den inhout zijner Jnstruc„ tie te reguleeren en zig te verantwoorden, waarom bij aanwezen te Haija in nakoming van des heers Gouverneurs schriftelijk bevel geen onderzoek ge„ daan heeft, hoedanig het ter resolutie van den 7: Maart Jongstleden vermelde stuk vreemd lijwaat in die negorij geraakt is, en ingevalle zulx gedaan heeft, waarom dan van zijne bevindinge bij zijn brief geen verslag gedaan wort — Belangende den verderen inhout der vorenge„ waagde drie brieven van Cerams Commandant Hamba is verstaan daar uit te noteeren en hun hoog Edelheden onder aanbod van Copia translaat derzelve in de maand Meij aanstaande bij de apparte brief ter g'eerde kennisse te brengen; dat
English
Intention of the Cerammers to sail to Bali and Baliling. Western nations, in relation to the latter's arrival on Ceram. Statement by the Commandant that only some Cerammers are scoundrels; his promise regarding the same. And to gift 25 half-pounder balls. That he further alleges that the foreigners, Bugis, Macassars and Boutoners, of whom mention was made in his previous letters cited in the resolution of 17 December of the past year, are no longer on Ceram, but have fled out of fear of him, because they have seen that he had everyone who fell into his hands bound fast; but that on the contrary many junks, especially belonging to the peoples of Enna Enna, Goeli Goeli, Pulau Gisser and Goram, likewise from the Captain of Keffing named Boekan alongside his brothers, lie ready to sail to Bali and Baliling; and Agreement by the Cerammers with that those who are accustomed to navigate thither have decided together with the aforementioned foreigners that this year they will not come to Ceram, but head directly to the east, the Papuan Islands, and returning in the month of June must touch Ceram quietly, since he, Hamba, will then be here in Amboina due to the departure of the ships; and that he further attempts by those letters of his to put the idea into this Council's mind that not all Cerammers, but only a number of fifteen individuals, all specified by name in his letters, are scoundrels, and he certainly seeks to apprehend them gradually, but is prevented therein because the Cerammers watch each other warily and live at odds with one another. To him with 10 lb powder, 3 lb musket balls. In the meantime, with regard to his notice that his gunpowder became wet and spoiled with the grounding of his junk, Brink to the his 127 47 8 April 1771. Metten with 5 lb powder and 1½ pieces of flag bunting. Brink on account of the accomplished expedition. and his request made to the Lord Governor to be assisted with a quantity of that combustible material, it was approved and agreed to present him with ten pounds of that powder, three pounds of musket balls, and twenty-five round-shot of a half-pound calibre. As well as the Orang Kaya of Hatoemetten. Likewise it was agreed to present the faithful Orang Kaya of Hatoemetten, Canevare, of whom Captain van den Brink in his letter says he received much service, upon his request made thereto, with five pounds of gunpowder and one and a half pieces of flag bunting of the sort to make a new flag. Beneath stood: Thus done and resolved at Amboina in Castle Victoria, date as above. Was signed: I. A. van den Voort, I. A. de Villeneuve, I. A. Schilling, I. A. van Santen. Friday, 24 May, year 1777. Before noon at nine o'clock, meeting of the Council of Policy, absent the heads of the Spice Offices. At the opening of this meeting, the Lord Governor laid upon the table the written report in the form of a daily register handed to His Honour by Hendrik van den Brink, military captain, who returned on the 19th of this month from the expedition Report served by Captain van den to Ceram, the Islands of Gisser, Ceram Laut, and Goram, annexed with some relevant enclosures thereto, showing in detail to what extent the instructions given to him in mandatis on 28 February of this year have been fulfilled by him, in order to still be able to inform their High Excellencies to notify of the outcome. The aforementioned report with its enclosures read. Investigation at Haija concerning the strange piece of linen found there. the Governor General of the outcome of the aforementioned expedition with the ship now lying ready to sail. Whereupon the aforementioned report with the enclosures belonging thereto, consisting of: 1. A written report from the ordinary Artificer Jansz. and the Pattij of Sila Sosilisa addressed to the said head of the expedition. 2. A written declaration given under offer of oath by the Banda burgher Adrianus Gilberts. 3. An Arabic letter of complaint with its translations written in the name of those of Killebon, and lastly 4. A secretarial declaration granted here by a native of Cajelie and an Alfuro of Massarette, both situated on the island of Buru, having been read out, and among the proceedings on that voyage the result of the investigation conducted at Haija concerning the strange piece of linen found there having come forward in the first place, of which mention was made in the previous separate writing dispatched to their aforementioned High Excellencies on the 10th of the current month and also recently in the resolution of 20 March past; it is thus that, although it now appears therefrom that although the Orang Kaya of Haija continues to persist in his former
Dutch transcription
intentie der Cerammers om naar Balij en baliling te varen. westerse natien, met relatie tot der laatste komst op Ceram opgave van den Commandant dat slegts eenige Cerammers schelmen zijn belofte ten aanzien derzelve. em 25: half ponder kogels te besclent dat hij daar bij voorgeeft, dat de vreemdelingen /. Boegi„ neesen, maccassaren en boetonders. /: van dewelke bij zijne vorige brieven, ter resolutie van den 17: xber anno pass:o geciteert gewag gemaakt word, niet meer op Ceram, maar uit vreeze voor hem, om dat ge„ zien hebben dat hij al de geen die in zijn handen qua„ „men vast binden liet; gevlugt zijn, dog dat daar en tegen veele djonken speciaal aan de volkeren van Enna Enna, Goeli Goeli, P=lo Gisser en Goram item van de Capitain van Keffing Boekan genaamt nevens deszelfs broeders klaar leggen om naar Balie en Baliling te varen, en afspraak door de Ceranmers met dat die genen welke gewoon zijn derwaards te navigeren met vorengerepte dreemdelingen te zamen besloten hebben„ dat zij in dit Jaar niet op Ceram komen, maar direct naar de oost /. de papoese Eilanden /. voort te stevenen, en in de maand Iunij retournerende stil op Ceram aangie„ „ren moeten, dewijl hij Hamba zig als dan mits het vertrek der schepen hier te Amboina bevinden zal en dat hij wijders dezen raade door die zijne brieven in het denkbeelt tragt te brengen dat niet alle Cerammers maar eenlijk een getal van Vijftien stux alle nominatien bij zijne brieven gespecificeert schelmen zouden zijn, en hij wel zoekt die langzamer hand op te vatten, dog daar in verhindert wort, door dien de Cerammers den een den ander geprapent oppassen en in onmin„ met elkander leven. hem met 10: lb: kruijt 3: d: snaphaan in middens met betrekking tot zijne te kenne gave dat 7. zijn buskruit met het stranden van zijn Jonk Brink na't zijn 127 47 den 8: April 1771. metten met 5: lb kruijt en 1½ ps vlagge doek. drink wegens de volbragte Expeditie. nat en bedorven geworden is, en zijn aan den heer gouverneur gedaan verzoek om met een parthij van die brandstoffe g'adsisteert te worden, goetgevonden en ver„ staan is hem met thien ponden van dat pulver, drie pond snaphaan kogels en vijf en twintig rondscherp van een half lb: Caliber te vereeren. als mede den orangkaeij van Matoe Desgelijx is verstaan den getrouwe Orangkaeij van Hatoe„ „metten, Canevare van wien Capitain van den Brink bij zijn brief zegt veel dienst gehad te hebben, op zijne daar toe gedane instantie te beschenken met vijf pond buskruit en een en een halff stuk vlagge doek in zoort tot het aanmaken van een nieuwe Vlag. /:onderstont. /. Aldus gedaan en gepasseerd te Amboina in 't Cas„ teel Victoria dato voorsz. /:was getekent:/ I: A: van den voort, I: A: de Villeneuve, I: A: Schilling, I: A: van Santen, Vrijdag den 24: Meij anno 1777: Voor de middag ten negen uren vergadering van Politie, absent de hoofden der spe„ „cerij Comptoiren. Sij aanvank dezer bij eenkomst wierd door den Heer gouverneur ter tafel overgelegt, het aan zijn Ed: over„ handigt schriftelijk Rapport bij fonna van Dag Register door den op den 19: dezer van de expeditie gedient Rapport door Capitain vanden na Ceram, de Eilanden Cisser, Ceramsaut, en goram gereverteerden Capitain militair hendrik Van slag kennis te geven. het voorm: Rapport mat dies bijlage gelezen zoek te haija nopens, het aldaar gevondene vreemd stuk lijwaat. van den Drink annex eenige daar toe relative bijlagen, in het breede aantonende in hoe verre door denzelven voldaan is aan de hem bij Jnstructie van den 28: febr: hujus anni in mandatis gegevene poinc„ ten, ten einde als nu met 't zeil reede leggende schip hun hoog Edelens nog van dies uijt den Gouverneur Generaal hun hoog Edelens nog kennisse te kunnen geven van de uitslag der voorsz: expeditie. Waar op het voorm: Rapport met de bijlagen daar toe gehorende, bestaande 1: in een schriftelijk Rapport van den ordinair Vuurwerker Iansz: en den Pattij van Sila Sosilisa aan gemelde expeditie hoofd gerigt. 2: Een schriftelijk en onder presentatie van Eede verleend declaratoir van den bandas burger Adrianus Gilberts 3: arabisch klagt schrift met dies translaten uit naam van die van Killebon geschreven en ten 4: een alhier verleend secretarieels de Claratoir door een Jnlander van Cajelie en een abfoerees van Massarette beide geleegen op het eiland Bouro. opgelesen, en onder het verrigten op dien togt in de eerste resultaat van het gedaane onder plaats te voren gekomen zijnde het resultaat van het gedaane onderzoek te haija nopens het aldaar gevondene vreemd stuk lijwaat waar van bij vorige afgegaane apart schrijven aan welmelde hun hoog Edelens van den 10: Courant en ook laast bij resolutie van den 20: Maart. passato gewag gemaakt word; zo is ofschoon daar uit als nu komt te blijken, dat alhoewel den orangkaaij van Haija blijft persisteeren bij zijn voor„ maliq
English
129 49: the 24: May 1771: Haija the same to the number of 3: pieces remains unfounded importation of foreign sorts of linen on Ceram can occur through other channels. pieces of foreign linen found among the Wedaresses. the color of the stripes in the more mentioned denial probability. van den Brink in favor of Haija's Orangkaij sending approved. pretension of the Orangkaij of repeatedly pretending with the addition of having bought the same to the number of three pieces from the burgher Captain Cooning for having bought from Captain Cooning. 33: or 11: rds the piece, considering that this nevertheless does not have sufficient foundation to call into question the truth of the statement made under presentation of an oath by the mentioned Captain Cooning, and it thus still remains a secret, which it would be difficult to discover, besides and except that due to the heavy navigation of the Macassars, Buginese, Boutoners and other western nations on Ceram it would not be too far-fetched to maintain that such foreign sorts can be brought in through completely different channels, since it is fully known that both English and Company assortments are sold on that coast, and the Governor during the recent hongi undertaken by His Honour at Kessing found the very same assortment among the Wedaresses, moreover it gives even greater probability to Captain Cooning's denial that Haija's Orangkaij comes to testify that he does not know what color the stripe was that ran through the linen found in his possession; approved and understood, both for those reasons, as well as especially the favorable testimony that Captain van den Brink sets down in his report, both regarding the vigilance and helpfulness of that regent, shown in various cruises made previously and now again, and the absence of the slightest proof to suspect him of any machinations or underhand dealings, to acquiesce in the decision taken by the often-mentioned head of the expedition, to leave without effect the sending of that regent with which he was charged by instruction; further to request the esteemed approval of their High Nobles approved to make no further movements concerning that matter, but indeed to send that piece of linen to Batavia. in the appendices of Captain van to request to make no further movements concerning it, but to let it rest here, yet nevertheless to send the questionable piece of linen just as it was handed over to the Governor by Saparoua's head van Blijdenberg, sealed, to Batavia for the pleasing speculation of Their High Nobles. Having reflected on various complaints set down to the charge of the Ceram Commander Hamba, appearing both in the aforementioned report of Captain van den Brink as well as the report of the Fireworker Jansz:, the declaration of the Banda burgher Gilberts and the writing of the people of Kellibon, item the oral accusations of the people of Oering, containing in substance: Firstly the aforementioned report of the Fireworker Jansz: and the Patti of Sila Josilisa on the occasion of the inquiry demanded of them as to what reasons had moved the Captain of Kessing Bouw hoekan with his people to abandon their negorij and keep themselves hidden. "that in the month of March of the past year, when Hamba had departed for Amboina and had entrusted the authority at Kessing to him, some dispute had arisen, the settlement of which was prevented him by the people of Hamba, so that he was forced to war with them daily until the month of April of the same year, when Hamba returned with a captured Buginese vessel on which the Orangkaij of Toboe was arrested, instead of investigating and settling this mentioned dispute, he distributed the gunpowder, small cannons, and muskets, which were entrusted to him for the defense of the Company's interests, to the peoples 131 the 24: May 1771: peoples of Guaos Tela Kellewaroe, Killetaij, and the negorij Kowaij in order to strengthen them therewith in their displayed disobedience, so that he, the Captain, not finding himself able to withstand them, was forced together with his people to abandon Kessing, with the intention upon the arrival of the Hongi to bring his complaints to the Governor alongside those of Pulau Gisser, which was no sooner heard of by Hamba, or the same, through the force of the aforementioned weapons, contested the arrival of the people of Pulau Gisser at Kessing to him, the Captain, whereby their intention was not only fruitless, but forced him, the Captain, as well as those of Pulau Gisser to seek a safe refuge, further declaring that the continuous threats and vexations of the more-mentioned Hamba alienated them from the Company, and that Hamba shortly after the departure of the hongi fleet had the houses in the negorij of him, the Captain, partly burned down and torn down under the pretext of having orders thereto from the Honourable Company, furthermore that Hamba in the month of April of the past year, before he held the Orangkaij of Toboe under arrest, had received from its inhabitants two pieces of bronze small cannons, being from the cruising orembaais shipwrecked some years ago off Toboe, on condition of handing the same over to the Honourable Company, but that Hamba complied with this as little as regarding the 4: bronze small cannons that were lost under the command of Lieutenant Goedhardt, and of which Hamba handed over only two pieces to Captain van den Brink and retained the rest for himself or alienated them. 51.
Dutch transcription
129 49: den 24: Meij 1771: Haija hetzelve ten getalle van 3: stuken blijft ongefundeert invoer van Vreemde sortementen van lijwaat op Ceram kan door andere Canaal geschieden. r wedareesen gevondene stukken vreemd lijwaat te vinden. d Couleur der streepen in meerm: ontkentenis waarschijnelijkheid bij. van den Brink in faveur van haijas Orangkaeij opzending voor goed gekeurt. voorgeven van den drangkaeij van maalig voorgeven met bijvoeging het zelve ten getalle van van Capitain Cooning gekogt te hebben. drie stukken van den burger Capitain Cooning gekogt te hebben voor 33: of. 11: rd:s 't pees, uit aanmerking zulx nogtans geen dfandament genoeg heeft, de waarheid der onder presentatie van Bede gedaane verklaring van gem: Capitain Cooning in twijffel te mogen trekken, en het dus nog een gehaim blijft, daar het beswaarlijk vallen zoude agter te komen, buiten en behalven dat het door de sterke vaart der Maccas„ saren, bougineesen, Boetonders en andere westersche na„ tien op Cerai niet te verre gezogt zoude zijn te sustineeren, dat zulke vreemde sortementen door geheel andere Canalen kunnen worden aangebragt, nademaal het ten vollen bekent is, dat zo wel Engelsch als Comp:s sorteering op die Cust gesleeten word, en den heer gouverneur bij de door zijn bewijs daarvan in de te kessing bij de Ed: verrigte Jongste hongij te kessing dezelfde sorteering bij de wedaressen gevonden had, daar en boven het nog meerder waarschijnelijkheid aan Capitain Coonings ont„ wrijsseling van haijas orangkaeij nopen kentenis bij zet dat Haijas orangkaeij komt te betuigen lijwaat, set aan Capitain Coonings niet te weten van wat kouleur de streep geweest is, die door het bij hem gevondene lijwaat geloopen heeft; goet gevonden en verstaan, zo om die reedenen, als wel voorna„ op het fanorabel getuijgenis van Cap: mentlijk het favorabel getuigenis dat Capitain van den brink bij zijn Rapport ter nederstelt, zo nopens de vigilantie en dienstvaardigheid van dien regent, in ver„ scheide voorheen en nu weder gedaane bekruissingen betoond, als de ontstentenisse van de allerminste bewijzen om hem van eenige Conkelarijen of morsserijen te suspecteeren te acquisceeren in het genomen besluit van meerm: expeditie hoofd, omme de aan hem bij Jnstructie werd desselfs bunten effect gelatene belaste opzending van dien regent buiten effect te laten; voorts de g'eerde goedkeure hunner hoog Edelens te verzoeken goed gevonden over die zaak geen verdere mouvementen te maken. maar wel om dat stuk lijwaat na Batavia te zenden. ba bij de Bijlagen van Capitain van verzoeken omme daar over geene verdere mouvementen te maken, maar het hier bij te laten berusten, dog evenwel het questieuse stuk lijwaat zodanig als hetzelve door Saparouas hoofd van Blijdenberg den heer gouver neur is ter hand gestelt, ter believende speculatie van hoog dezelve verzegult na Batavia te zenden. Gereflecteert zijnde op verscheijde zo bij het voorwaards ge„ „mentioneerde Rapport van Capitain van den Brink klagten over kesfings orangkaeij tam als het berigt van den Vuurwerker Jansz:, het deClaratoir den Brinks Rapport voorkomende van den bandas burger Gilberts en het geschrift van de volkeren van Kellibon, ter neder gestelde klagten ten lasten van den Cerams Commandant Hamba item de mondelinge beschuldigingen van de volkeren van Oering in substantie behelsende. P=mo het voorm. berigt van den Vuurwerker Iansz: en L den Pattij van Sila Josilisa ter gelegentheid van het aan hun gedemandeerde onderzoek wat redenen den Cappi„ tain van Kessing Bouw hoekan met zijn volk be„ wogen hadde hunne negorij te verlaten en zig schuil te houden. „ dat in de maand Maart annopass:o wanneer Hamba, naar Amboina was vertrocken en het ge„ op keffing zag aan hem had toevertrouwt 'er eenige quasti was „komen te ontstaan, welker beslissing hem door het „volk van Hamba was verhindert, zo dat hij ge„ „noodzaakt is geweest dagelijx met hun te oorlogen „tot in de maand April deszelven Jaars, wanneer Hamba met een vermeestert Boeginees vaartuig op „het welke den orangkaeij van Toboe g'arresteert „was terug quam, insteede van dit gem: geschil te „onderzoeken en te beslissen het kruit, stukkes en „snaphanen, 't geen hem ter defensie van sComp:s „belangen is aanvertrouwt heeft verdeelt aan de Volkeren 131 den 24: Meij 1771: „tolkeren van Guaos Tela kellewaroe, kille, „taij en de negorij kowaij om dezelve daar mede in hunne „betoonde ongehoorzaamheid te stijven, invoegen hij Capi„ „tain zig daar tegen niet bestand vindende genoodzaakt „is geweest nevens zijn volk kessing te verlaten, met voor „nomen bij aankomst der Hongij zijne klagten aan „den Gouverneur nevens die van P=lo Gisser in te brengen „'t geen zo dra van Hamba niet vernoomen was, of „denzelven heeft door het gewelt der voorm: wapens Plo „de P=lo Gissers hunne aankomst op Kessing bij hem „Capitain betwist, waar door hunlieder voornemen niet „alleen vrugteloos is geweest, maar hem Capitain zo „wel als die van P=lo Jisser genoodzaakt na een „goed heen komen te zoeken, alverder verklarende dat „de geduurige dreijgementen en vexactien van meermelde „Hamba hun van de Comp=e verwijderde en dat Hamba „kort na het vertrek van de hongij vloot gedeeltelijk de „huisen in de negorij van de hem Capitain heeft laten „verbranden en om ver rukken onder voorwendzel daar „toe van d' E: Comp=e ordre te hebben, voorts dat ham„ „ba in de maand April anno pass:o voor dat hij den „orangkaeij van Tobo in arrest heeft gehouden, twee „ p„s metaale stukjes, zijnde van de voor eenige Jaaren „voor Toboe verongelukte kruijs Orembaeijs van dies „inwoonders had ontfangen onder Conditie dezelve aan „'d E: Comp=e te overhandigen, dog dat Hamba dit „ zo min is nagekomen als omtrent de 4: metaale „stukjes die onder Commando van den luijtenant Goed„ „hardt verloren zijn geraakt en van welke Hamba „aan Capitain van den Brink alleen twee p=s „heeft overgegeven en de overige voorzig behouden of veralieneert 51.
English
alienated, the said Captain of Keffing concluding all this with the request that his dispute might be taken into consideration by this government, so that he would no longer be forced to wander outside his country as an exile and fugitive. Secondly, the written declaration of the Banda burgher Adrianus Gilberts, under offer of oath, that those of Pulo Gisser made known to him that Hamba demanded contribution from them, which was also paid by them. Thirdly, the translated Arabic petition written in the name of those of Killibon, stating that Hamba elevates himself above the Governor, amasses the treasures of Ceram, brings the Honorable Company into contempt, and that the six orangkayas who are held in custody are innocent, for whose release and restitution they promise to give an equal number of slaves. And finally, the grievance of those of Oerong, consisting in this, that Hamba not only robs them of most of their goods, takes away the people, and exercises all manner of violence against them in the name of the Governor, but moreover threatens them with the protection of an even higher power and the letter received by him from His Right Honorable the Governor-General, with this arrogant pretense that the Governor of Ambon does not dare to do him any harm, indeed that all the Rajas and Pattis must bow beneath his feet. Thus, after deliberation, it was resolved for the present not to take any final resolution thereon, but to submit the aforementioned petitions alongside the respectful separate letter to the discerning eye of Their Right Excellencies and to await their disposition thereon, yet adding these remarks: that although it has already appeared most clearly on several occasions, both from the previously cited separate letter of the 10th of this month and now again in the report of Captain van den Brink regarding the letter from him, Hamba, which was found to be untruthful—namely, that twenty-two vessels lay ready at Keffing to assist the expedition fleet, of which not a single one was to be found—that Hamba's goodwill toward the Honorable Company means very little, and that he merely seeks to appease the Company with promises that he is unable to carry out; nevertheless, concerning the accusations regarding the extortions and exactions, assuming they are indeed based on truth, viewed from another angle they have their utility in weakening unfaithful subjects of the Honorable Company, who, contrary to their word and promises, indeed even solemn engagements, do not hesitate on every occasion that serves them to harm the Company not only in its vital interests, but also to rob and steal from others whenever they see an opportunity, besides which the Company suffers no harm from it nor can suffer any, since it derives no use or benefit from Ceram anyway, but rather gains from the fact that the Cerammers, through continuous and internal disputes among one another, as well as through continuous vexations from someone like Hamba, are often, if not prevented, at least disrupted in their evil designs; all the more so as it is noteworthy that most of these aforementioned complaints against Hamba were brought forward by settlements that have always been regarded as enemies and infringers of the Company's exclusive spice trade, who, if their complaints were grounded on good reasons or could stand the test, ought to employ entirely different means and present what they have to say in person to the Governor, against a man like Hamba whom the weakness of Keffing and the few relatives and friends he has with him there could not protect against the certain mortal danger to which he exposes himself by pushing his acts of violence too far, which he also has to expect from peoples who bear him an inward hatred. Further having been read the secretarial declaration mentioned hereinbefore and given by a native of Cajelie and an Alfur of Massarette, both situated on the island of Bouro, found by the expedition fleet at Waroe and brought hither from there, stating that during the latest past Mohammedan fast they were abducted from their country by the Papuans and subsequently taken to Salwatty, near which island they found at anchor a three-masted English ship; further, that after the lapse of a month they were sent by the Raja of Salwatty with some people to Sebe and Pattany, and having taken in over one hundred pounds of nutmegs at both of those places, having returned therewith to Salwatty, those
Dutch transcription
veralieneert, komende gem: keffings Capitain tot slot van dit alles nog te verzoeken, dat zijn geschil door deze regeering in overweging genomen mogt worden, op dat niet langer genoodzaakt behoefde te zijn als een balling en vlugteling buiten zijn land te swerven. 2=e het schriftelijk declaratoir van den bandas burger Adrianus Gilberts onder presentatie van Eede „ dat „die van p=lo Gisser aan hem hebben te kennen gegeven „dat hamba haar Contributie heeft afg'eijscht, welke „ook door hun voldaan is 3=e het translaat arabisch klagt schrift uit naam van die van killibon geschreven „ dat Hamba zig „boven den gouverneur komt te verheffen, de schatten van „Ceram hoofd, dE: Comp=e in veragting brengd en dat de „ses davangers die in hegtens zitten onschuldig zijn, „voor welker ontslag en restitutie zij even zo veel slaven „belooven te geven. En eijndelijk de beswaarnisse van die van Oerong hier inne bestaande, dat Hamba hun niet alleen van hunne „meeste goederen berooft de menschen wegneemt en op naam „van den Gouverneur alle geweld omtent hun oeffent, maar „hun boven dien met de protextie van een nog hoger „magt en de brief door hem van zijn Hoog Edelheit „den heere Gouverneur Generaal ontfangen, droijgen„ „de met dit verwaant voorgeven dat den Gouverneur „van Ambon zig niet derft onderstaan hem eenig „leet te doen, Ja dat alle de Radjas en Pattijs „onder zijne voeten bukken moeten. Zo is na deliberatie verstaan daar op voor eerst geen finaal besludit te nemen, maar de voorwaarts Vermelde 133 53. den 24: Meij 1771: tegens Hamba geen finaal besluijt genomen. hoog Ed:s gedeforeert, gelaten met aan bieding dien documenten. nopens de voorm: klagtschriften vermelde klagt schriften nevens het eerbiedig aftegaan apart schrijven onder het doorsiend oog van Hun hoog Edelens maar de dispositie daar over aan haar te brengen en hoog derzelver dispositie daar op af te wagten, egter met bijvoeging van deze aanmerkingen, dat ofschoon het „ bij Voeging der nevenstaande Conside al verscheide malen zo wel uit het reeds vermelde bij voren geciteerde apart schrijvens van den 10: hujus en nu weder in het berigt van Capitain van den Brink wegens het leugemagtig bevonden schrijven van hem Hamba, dat 'er te keffing twee en twintig vaartuigen tot adsis„ tentie der expeditie vloot gereed lagen, waar van 'er geen een te vinden is geweest; ten klaarsten blijkt dat Hambas welmeenentheid voor 'd E: Comp=e weinig zeggen wil, en denzelven de Maatschappij maar zoekt te paijen met beloften die hij onvermogens is ter uit„ voer te brengen, nogtans wat de accusatien omtrent de knevelarijen en Concussien betreft, gestelt die al op de waarheid gegrond zijn, dezelve van een andere kant be„ schout, haar nuttigheid hebben tot verklenring van on„ trouwe onderdanen van dE: Comp=e, welke tegens hun woord en beloften, Ja zelfs plegtige verbintenissen aan zig niet ontzien de maatschappij bij alle gelegentheden die hun daar toe dienstig zijn, niet alleen in haren hart ader te benadelen, maar ook van anderen te rooven en te steelen, als zij 'er maar kans toe zien, behalven dat de Comp=e daar bij geen nadeel tijd of lijden kan, wijl zij dog van Ceram geen nut of voordeel trekt, maar wel daar uit, dat de Cerammers door gedurige en inwen„ „dige twisten onder elkanderen, mitsgaders door Conti„ nueele dexatien van zo iemand als Hamba in hunne quaade desseinen veel maal zo niet belet ten minsten gestoort werden; temeer het op merkelijk is, dat ratien. Relaas van een Jnlander van Caijelie en een Alsoerees van Malsarette op Bouro nopens hun wedervaren welke hunlieden van hunland weg gevoerd hebben. dat de meeste dezer voormelde klagten tegen hamba zijn voortgebragt van negorijen die altijd als vijanden en entrepreneurs van 's Comp=s privativen specerij handel zijn aangemerkt, die wanneer hunne klagten op goede gronden steunden of den toets konde uitstaan zig van geheel andere middelen moesten bedienen en het geen zij te zeggen hebben in perzoon den Gouverneur voorbrengen, tegens een man als hamba die de swakheid van kef„ fing en de weinige verwanten en vrienden, welke hij daar bij zig heeft niet zouden kunnen beveiligen tegen het gewis levens gevaar waar aan hij zig bij het al te verre pousseeren zijner geweldenarijen bloot stelt, in 't geene hij ook te verwagten heeft van natien die hem eens inwendigen haat toedragen. Alverder geleesen zijnde 't secretarieel declaratoir hier voren vermeld en verleend door een inlander van Cajelie en een alfoerees van Massarette beijde gedeurende hun verblijf, bij de paporgeleegen op het Eiland Bouro door de expeditie vloot op Waroe gevonden en van daar herwaarts gebragt, dicteerende dat zijlieden onder de Jongste gepas„ seerde Mahumetaanse vasten door de Papoen uijt hun land geroofd en vervolgens na Salwattij ge„ voert omtrent dat Eijland hebben vinden ten anker leggen een drie mast Engelsch schip, voorts dat zij na verloop van een maand door den radja van Salwattij met eenig volk na Sebe en Pattanij gezonden, mitsgaders na het inneemen van ruijm hondert ponden noten musschaten op die beijde plaatsen daar mede te salwattij gereverteert zijnde die
English
135 55. The 24th of May 1771. With the dispatch of a copy to the Governor of Ternate, Mr. Valkenaar. To demand from the orang kaya of Hatoemetting the two iron one-pounder swivel guns of the pantjalling De Liefde. That spices were bartered by the said raja to the English for twenty flintlocks, as well as several cannonballs and a small amount of gunpowder; that furthermore, the English having left Salwattij, they, along with others under the supervision of Papuans, were sent to the north coast of Ceram to sell those flintlocks for the repeatedly mentioned raja to the Cerammers; And finally, that the Papuans, on the occasion of their aforesaid raid, carried off at least one hundred people from Bouro, but that the declarants have not heard whither the aforementioned English vessel set its course from Salwattij. To bring the same before Their High Nobilities. It was approved and agreed to bring this report before Their High Nobilities, so that it may serve them as a further elucidation of the rumour communicated in the previous separate letter of the 10th of this month concerning the foreign vessel that had been at Salwattij, which in all likelihood was the same one; furthermore, to send a copy thereof to Governor Valkenaar in Ternate at the first opportunity for his information. Captain van den Brink having delivered here to the orang kaya of Hatoemetting, Tanevare, two iron one-pounder swivel guns from the pantjalling De Liefde, which was stranded before Sobo, but these not having been handed over by him during that regent's presence here in the past month of April, it was decided to instruct the chief of Sapparoua, van Blijdenberg, by letter to demand the same from him immediately and to send them hither. A certain Kirra Kirra, along with two women and a child, formerly abducted from Xulla by the Papuans, sold at Hatilen, and redeemed there by Captain van den Brink, to remain under the care of that officer. A certain Kirra Kirra, formerly abducted from Xulla by the Papuans and sold at Hatilen, having been exchanged by Captain van den Brink during his presence at the latter place from a native, Latoeronie, for black baftas and white Guinees, along with two women and a child, it was resolved to leave those persons under his care until the owners from Xulla appear to redeem them. Satisfied with the conduct of Captain van den Brink, forwarding his report and attachments to Their High Nobilities. Finally, it was agreed to be satisfied with all the other actions of Captain van den Brink and to humbly present the report together with its attachments in original to Their High Nobilities. Beneath stood: Thus done and resolved at Amboina Victoria, on the date aforesaid. Was signed: I: A: van der Voort, S: A: De Dilleneure, A: van den Brink, I: A: Schilling, C: F: Treno, I: H: van Santen, R: Houque. Tuesday, the 4th of June Anno 1771. In the morning at nine o'clock, meeting of the Council of Policy, the chiefs of the spice offices being absent. The Governor communicated to the assembly 137 57 Letters from Hila and Laricque, and the report of the soldier Jan Paulus, concerning the roaming of the Cerammers with two of their junks and the hostilities that occurred there. Encounter of the said military man with the Cerammers in those districts. The pantjalling De Saparoua to cruise the beaches of Hitoe, and Lieutenant van Eerten dispatched thereon with a corporal and 6 privates. Communicated the reports from the chiefs of Hila and Laricque, the merchant Mattheus Hartog and junior merchant Jacob Hugo Huijgens, by their letters dated the 24th and 28th of May last, and the report of the soldier stationed at Theijt, Jan Paulus, appended to the former, stating that several Ceram junks were again roaming the fairway, two of which had been seen from the said village. When a native from the village asked what people they were, they answered in Malay that if they had cloves, they should just bring them. Thereupon, sharp shots from flintlocks were fired at them, which was answered with no fewer shots from swivel guns by the Cerammers, with whom the soldier Egger had had a similar action between the boundary of Asseloeloe and Oering, challenging our men to come out to sea and fight them. Furthermore, a third Ceram junk was seen far out at sea, and seven others near the corner of Sial. That His Honour thereupon immediately had the pantjalling De Saparoua, the only one of the three that returned from the expedition in a serviceable condition, prepared and provisioned for two months, or until the end of next month, to cruise the shores of the Hitoe coast until that time, or longer as necessity shall require, from the islands the Three Brothers in the west to the corner of Liang, and beyond until Dove Island comes into view in the east; and placed on that vessel the military Lieutenant Johannes
Dutch transcription
135 55. den 24: Meij 1771. met toezending van een afschrift aan den heer Ternaats Gouverneur Valkenaar. van de pantjalling de Liefde van vorderen. die specerijen door ged=e radja aan de Engelsche tegens twintig snaphanen, zo mede ettelijke kogels en een weij„ „nig buskruijd getrocqueert zijn, dat wijders de Engelsche Salwattij verlaaten hebbende, zij met meer anderen onder opzigt van Papoën naar Cerams noord Cust afgezon„ „den zijn om die snaphanen voor meermeld Radja aan de Ceramse En eijndelijk dat de Papoen ter gelegentheid van voorsz: hunne roostogt wel hondert menschen van Bouro vervoert hebben, dog dat de declaranten niet gehoort hebben werwaards voorgewaagd Engelsch schip van Salwattij de Cours gesteld heeft. het zelve hun hoog Eds aant leden zo wierd goed gevonden, en verstaan dit Relaas onder het oog van hun hoog Edelens te brengen, ten einde hoog dezelve te kunnen dienen tot een nader elucidatie van het reeds bij vorig apart schrijven van den 10:e dezer maand bedeelde gerugt omtrent het te salwattij aangeweest zijnde vreemd schip en het geene waarschijnelijk het zelfde zal geweest zijn, voorts den heer Gouverneur Valkenaar in Ternaten tot hun narigt een afschrift daar van bij eerste gelegentheid te laten toekomen Door Capitain van den Brink aan Hatoe, mettings orangkaeij Tanevare ter overbreng twee ijzere een ponder draaijbassen na herwaarts ter hand gestelt zijnde twee ijzere een hatoemettings drangkaij ofte ponder draaij bassen van de voor S0b0 gestrande pan„ „tjalling de Liefde dog bij aanwesen van dien regent in de voorleden maand April alhier niet door hem afgegeven a toir geroofde kirrakirra met nog twee verkogt en aldaar door Capitain van den brink ingelost onder be „rutting van dien officier te laten verblijven. brink houd men zig voldaan. en bijlagen aan hun hoog Edelens afgegeven is verstaan Sapparouas hoofd van Blijden„ berg bij schrijving te gelasten dezelve ten eersten van hem af te vorderen en herwaard te zenden. zekeren doorde pappoen van Culla Zekeren wel eer door de Papoen van Xulla geroofden vrouws perzoonen en een kind te hatilen en te hatilen verkogten Kirra Kirra met nog twee vrouws perzonen en een kind door Capitain van den Brink bij zijn aanwezen op laast gemelde plaats van een inlander Latoeronie tegens swart baftas en wit Guinees ingeruilt zijnde, zo is beslo„ len die perzonen onder zijne berusting te laten tot dat de eigenaars van Xulla opdagen om haar in te lossen. Met de verigting van Cap=t vanden Eijndelijk wierd verstaan om zig met alle de overige verrigtingen van Capitain van den Brink voldaan te houden en het Rapport met dies bijlagen in origi„ onder overzending van zijn Rapport nali hun hoog Edelens onderdanigst aan te bieden. /:onderstont:/ Aldus Gedaan en geresolveert te Amboina dictoria dato voorschreven, /:was getekend. /. I: A: van der Voort, S: A: De Dilleneure, A: van den Brink, I: A: Schilling, C: F: Treno, I: H: van Santen, R: Houque Dingsdag den 4.: Junij A:o 1771. door demiddag ten negen uuren verga „dering van Politie, absent de hoofden der specerij Comptoiren. Den heer gouverneur heeft aan de vergadering gecommuniceert 137 57 brieven van Hila en Laricque Jan Paulus. behelsende het swerven desserammers met twee hunner Jonken en vijandelijk heden daar bij voorgevallen. de patjalling de Saparoua ter be kruissing der Hitoese stranden. en daarop den lieutenant van Eerten met Een Corporaal en 6: gemeene afge vaardigt. gecommuniceert de berigten van de hoofden van hila en Laricque den koopman Mattheus Hartog en onder„ koopman Iacob Hugo Huijgens bij brieven van dezelve gedateert 24:' en 28: Maij Jongstleden en het nevens de eerste gevoegde relaas van den onder theijt beschei„ en het relaas van den soldaat te leits, denen soldaat Ian Paulus dicteerende dat 'er weder verscheidene Ceramse Jonken in 't vaarwater sworven, waarvan 'er twee van gem: negorij gezien waren, die op de vrage van een Jnlander uit dezelve wat volk zij waren in 't maleids g'antwoord hadden, dat zij nagulen hebbende ontmoeting van dien voorm: militair die maar moesten brengen; dat daar op met scherp uit de snaphaanen op hun gevuurd zijnde, zulx met geen minder schooten met draaij bassen door de Cerammers beantwoord was, met dewelke de soldaat Egger tusschen de limiet scheiding van Asseloeloe en Oering een hadde gelijke actie gehad dagende de onse uit om met hen in zee te komen vegten; voorts dat nog een derde Ceramse Jonk ver in Zee en zeven anderen bij de hoek van Sial gezien waren — Dat zijn Ed. daar op inmediaat de pantjalling de Saparoua de eenigste van de drie welke van de expeditie in een bequaame staat geretourneerd is, heeft doen in gereedheid brengen en voor twee maanden of tot ultimo aanstaande proviandeeren om tot die tijd of wel langer na dat de noodzakelijkheid zulx zal ver„ eisschen de stranden van de Hitoese Cust te bekruis„ sen van de eilanden de drie gebroeders in 't westen tot de hoek van Liang en daar boven tot dat het duijven eiland open komt in het oosten, mitsgaders op dat vaartuig geplaats den Lieutenant militair Johannes „ in die districten.
English
Johannes August van Eersten with a Corporal and six common soldiers and the said officer and the master of that small vessel Hendrik Prange provided with the following Instruction. Instructive order for the Military Lieutenant Iohannes August van Eerten and the commander of the pantjalling the Saparoua Hendrik Orange departing from here to cruise the beaches of the Hitoe coast. Since recently the Ceram rovers and smugglers have again appeared with two rather large junks, first off the negorij Cheit belonging under Hila and thereafter between the boundary line of Asseloeloe and Oering falling under Lahicque, who among other things upon the question what people they were and why they came gave to understand that they gladly would have cloves: So I, considering that all necessary precautions serve and must be used to prevent and counter all smuggling in that precious ware, have seen fit to send you with the vessel named in the heading of this to cruise the beaches of the Hitoe coast or properly from the Three Brothers in the west up to the negorij Liang or even above that until Poulo Sombo or the Dove Island opens up in the east. To that end you must upon receipt of this set sail and turn the prow to the place of their destination just named, in order to continue cruising the same until late in the coming month of Iulij or longer as shall be further ordered to you by me. Getting any East Cerammers in sight during that cruising, you shall seek to run them down and overtake them, and discovering upon inspection in the vessel or vessels, which must be performed by you in the most meticulous manner, any spices, to punish the crew found thereon with death as spice thieves. As it might happen that the aforesaid people, noticing that you cruise in that quarter to observe and prevent their doings, will employ all means and seek to attack you treacherously, so as thereby also to take reprisal for the burning of their negorijen and the ruining of their fruit trees with the recent expedition fleet, I recommend you to be on guard and watchful in all respects; employing in all circumstances good soldier- and seamanship: Lieutenant van Eerten in the military matters and the commander Orange in his craft, as befits alert officers. All that which is overtaken and captured from the frequently mentioned rovers and smugglers being for the captor, provided that the spices according to the purchase price and the war equipment according to appraisal be delivered to the Company, of which you will have to give notice to the soldiers and sailors under your authority, so that everyone may thereby be inflamed with zeal and courage to overtake the same; as I expect that you as well as they will make all efforts thereto, that I may remain. Below stood. Your friend. Was signed: I: A: van der voort. In the margin: Amboina the 2: Junij 1771. Lower: P: S: The sealed packet handed to Lieutenant van Eerten in which are to be found two Low Dutch and two translated French protests must, upon an unexpected encounter with a foreign European ship or vessel, be opened by the same and a copy of each be delivered on such foreign vessel by a non-commissioned officer armed only with a sidearm. With which the council, after summary consideration, has fully conformed, as also with the order given by the Governor by circular letter of the 31: Maij to the heads of the spice offices to not only be on guard and watchful, but also to keep themselves on the negorijen and posts respectively belonging under their districts constantly in a posture of defense against all enterprises of the aforesaid rovers and smugglers, who seeing a chance thereto might easily make a raid here or there and thus take reprisal for the chastising of their negorijen with the recently returned expedition fleet; whereof it is understood to keep this record and to give their High Nobles most respectful notice of this continuous roving of the Cirammers, in spite of the constant cruising and the chastising of the same, both with the hongi fleet and the recently undertaken expedition, with the presentation of the aforesaid two letters of the heads of Hila and Laricque, item the report of the soldier Ian Paulus. Below stood: Thus Done and Resolved in Amboina in the Castle Victoria on the date aforesaid. Was signed: I: A: van der voort, I: A: De Villeneuve, A: van den Brink, I: A: Schilling, C: F: Treno, L: H: van Canten, and R: Hougue. Friday the 21: Junij Anno 1771. In the morning at nine o'clock, Council of Policy, absent the heads of the spice offices. On the occasion that the recorded has been disposed by common resolution of today upon the report of Haroeko's head, the Junior Merchant Cruijpenning, regarding the investigation conducted by him in what manner the East Cerammers despoiled the vessel of the Chinese Njo-hokseeng between the border separation of Kaijhatoe and Camariang, and whether the regents of the last-mentioned negorij and the orangkayas of Hatoesoea and Waij Sameth currently held under arrest, or rather others under the jurisdiction of Haroeko, the
Dutch transcription
Johannes August van Eersten met een Corporaal en ses gemeene militairen en gedagte officier en den ge„ zagvoerder van dat kieltje Hendrik Prange voor„ zien van de ondervolgende Instructie. Instructive ordre voor den Lieu„ „tenant militair Iohannes August van Eerten en den gezaghebber van de pantjalling de Saparoua Hen„ drik Orange vertrekkende van hier ter bekruissing van de Stranden der hitoese Cust. Dewijl zig dezer dagen de Ceramse Zwervers en morshan„ delaars weder met twee tamelijke groote Jonken hebben vertoond, eerst voor de negorij Cheit gehorende onder„ hila en daar na tusschen de linnetscheijding van Asse„ loeloe en Oering resorteerende onder Lahicque, die onder anderen op de vraage wat volkeren zij waren en waarom zij quamen te kennen gegeven hebben dat zij gaanne nagulen hadden: Zo heb ik uit aanmerking alle nodige precautien dienen en moeten gebruikt worden, om allen morshandel in die precieuse whaare te beletten en tegen te gaan, goed gevonden UE: met het vaartuijg in den hoofde dezes genoemd aftezenden ter bekruijssing van de stranden der hitoese Cust of eigentlijk van de drie gebroeders om de west tot aan de negorij Liang of zelfs daar boven tot dat Poulo Sombo of het duijven eiland openkomt om de Oost. Ten dien eijnde zullen UE: op den ontfangst dezes moeten onderzeijl gaan en de steeven wenden na de plaats hunner destinatie zo even genoemd, om dezelve te blijven bekruijssen aanstaande tot in het laast ven der maand Iulij of langer na dat uE: door mij nader zal werden g'ordonneert. Onder die bekruijssing eenige oost terammers in 't oog krijgende, zullen uE: dezelve zoeken op te lopen en te agter halen, mitsgaders in het vaartuijg of vaartuijgen bij visita„ tie, die door UE: op het allernaukeurigste zal moeten ge„ schieden, eenige specerijen ontdeckende, de daar op gevon„ den wordende manschappen als specerij dieven met de dood te straffen. Nadien het zoude kunnen gebeuren dat voorsz: volkeren bemerkende dat UE: aan dien oord kruijssen om hun doen 139 59: den 4: Junij 1771:— recommandatie aan de opperhoofden tot waakzaamheid tegens de onder nemingen den Zwervens. doen na te gaan en te beletten, alle middelen zullen in 't werk stellen en zoeken UE: verradelings te overvallen, om daar door teffens represaille te nemen over het verbranden hunner negorijen en ruineeren hunner vrugtbomen met de Jongste expeditie vloot, recommandeere ik UE: in allen opzigte op hoede en waakzaam te zijn; gebruijkende in alle omstandig„ heden goede soldaat en Zeemanschap: de lieutenant van Eerten in het militaire en den gezaghebber Orange in zijn metie, gelijk wakkere officieren betaamt. zullende al het geen op de meermelde swervers en mors„ handelaars agterhaald en opgedaan word voor den aanha„ haler zijn, mits dat de specerijen na de inkoops prijs en het oorlogs tuijg volgens taxatie aan de Comp=e geleevert worde, waar van UE: aan de onder hun gezag staande soldaten en matrosen over zulx kennis zullen moeten geven op dat een ieder hier door met ijver en kloekmoedigheid moge worden ontstoken om dezelve te agterhalen; gelijk ik verwagte dat UE: zo wel als zijlieden daar toe alle pogingen zullen aanwenden, op dat ik mag blijven. /:on„ derstond. /. uw vriend. /. was getekent:/ I: A: van der voort /:in margine.:/. Amboina den 2: Junij 1771. /:lager. /. P: S: het aan den lieutenant van Eerten ter hand gestelde geslooten pacquet waar in te vinden zijn twee nederduijtse en twee translaat fransche Protesten moet bij onverhoopte ontmoe„ „ting van een vreemd Europisch schip of vaartuijg door denzelven g'opend en van elks een afschrift op zodanigen vreemden bodem door een onder officier alleen met een zijd geweer gewapend bestelt worden. Met dewelke de vergadering na genomene resumtie zig ten vollen heeft geconformeert, zo mede met des door den heer Gouverneur bij Circulaire schrijvens van den 31: Maij gegevene ordre aan de hoofden der spe„ cerij Comptoiren om niet alleen op hoede en waakzaam te zijn, maar zig ook op de negorijen en posten onder hunne districten respective resorteerende steeds in pos„ tuur van defensie te houden tegens alle ontreprises van voorsz: swervers en morshandelaars welke daar toe kans ziende hier of daar ligt een stroop zouden kunnen van het voorm: swerven der Ceram mers hun hoog Ed:s onder aanbieding van die papieren kennisse te geven. kunnen doen en dus represaille nemen over het Cas„ „tijden harer negorijen met de Jongst gereverteerde expe„ ditie vloot; waar van verstaan is deze notitie te houden en hun hoog Edelens van dit aanhoudend swerven der Cirammers, inweerwil van de geduurige bekruijssingen en het Castijden derzelve, zo met de hongij vloot als de Jongst gedaane expeditie eerbiedigst ken„ nisse te geven, onder aanbieding van de voorsz: twee brieven der hoofden van Hila en Laricque item het relaas van den soldaat Ian Paulus. /:onder„ stond:/ Aldus Gedaan en Geresolveert te Amboina in 't Casteel Victoria dato voorsz /:was getekent /. I: A: van der voort, I: A: De Villeneuve, A: van den Brink, I: A: Schilling C: F: Treno, L: H: van Canten en R: Hougue. Vrijdag den 21:' Junij A:o 171. voor de middag ten negen uuren vergadering van Politie, absent de hoofden van de specerij Comptoiren. Ter gelegentheijd dat het aangetekende bij gemeene reso„ lutie van heeden gedisponeert is op het berigt van Haroekos hoofd den onderkoopman Cruijpenning nopens het door hem gedaan onderzoek op wat wijze de Oost Cerammers het vaartuijg van den Chinees Njo=hokseeng tusschen de grens-scheijding van Kaij„ hatoe en Camariang gespolieert hebben, mitsgaders of de regenten van laastgemelde negorij en de tans in arrest zittende orangkaijen van Hatoesoea en Waij Sameth dan wel andere onder het resort van haroeko de
English
Against the admission of foreign vessels or those without a pass to the negorijen on the inner coast of Ceram. Necessity to apply the edict also to the inner coast of Ceram, taking into consideration that the East Ceramans must not be granted safe refuge in their bays, creeks, and rivers. Proposal to Their High Nobilities regarding the renewal and extension of the aforementioned edict on account of the collusions of the regents of the inner coast of Ceram with the East Ceramans. Further reports concerning the continuous roaming of the East Ceramans. It being considered no less useful than necessary that the edict of the 23rd of February 1765, enacted in conformity with the intention and desire of Their High Nobilities contained in a secret letter to the Honorable Councillor Extraordinary and former Governor of this Province, Willem Fockens, dated 14 December 1764, decreeing banishment for life and confiscation of their goods, together with the exclusion of their families from the regencies for the Radjas, Pattijs, and Orangkaijen, alongside the Orangtouas or elders of Leijtimor, the Hitoe and Laricque Coast, as well as the islands of Oma, Honimoa, and Nussalaut, of such district or place where any vessel, whether of the Ceramans, Burghers, Mardijkers, Chinese, or of any other native, or indeed a foreigner of whatever nation he might be, not possessing a pass from the Governor of this province or from the heads and postholders of the subordinate offices and posts, might be found to have anchored or to still be anchored, should also be made applicable to the Regents with their elders of the negorijen on the inner coast of Ceram, insofar as they fall under Hila, Haroeko, and Saparoua, up to Hattoemetting in the east, specifically concerning the East Ceramans from Batuassan in the west to Guamour and Kessing in the east; and that consequently the regents with their Orangtouas or elders on the aforementioned inner coast should, by an edict to be published and affixed everywhere in the Malay and Arabic languages, be prohibited from admitting any vessel of the East Ceramans under penalty of being, in contravention of this prohibition, deposed without form of trial from their regencies and banished for life with the confiscation of their goods, for having tolerated before their negorijen or having granted shelter in their inlets, rivers, and creeks to any vessel of those peoples under whatever name or pretext it might be; thus, because it would not be possible for those roamers and smugglers to maintain themselves for so long in the vicinity of the spice offices and clove-yielding districts if the regents of the inner coast of Ceram did not hold with the East Ceramans and tolerate them before their negorijen or grant them a safe refuge in the rivers and creeks found there in abundance, as well as assist them further with victuals, water, etc., and even conduct trade with them, it has been approved and agreed upon the proposition of the Lord Governor to propose to Their High Nobilities, in the forthcoming autumn advices, the enactment of such an edict. After this, it having been represented by His Honor to the meeting that, upon the further reports received concerning the continuous roaming of the East Ceramans around the clove-yielding districts, consisting, according to the letter from Saparoua's chief Van Blijdenberg by letter of the 6th instant, of people of Tobo, Guellemoeri, Guellebon, Ceijlor, and Kisslaut, who, according to a declaration of one Abraham Christoffel transmitted therewith, showed themselves with two junks, of which one was very large, off Hoenipoetij, situated between Poorto and Haria, and asked the declarant first for fish, thereafter for oebat, and upon the requested explanation of that word, demanded cloves from him; he immediately ordered to be made ready the patjalling De Voortvarendheid, and at the same time assigned the Ensign August Willem Delius, alongside a corporal and six soldiers, to cruise therewith until the end of July, or as much longer as necessity will require, in the fairway between the islands of Honimoa and Nussalaut, off and on the cape of Coak, as can be seen more fully in the instruction drawn up by the Lord Governor for that officer and the commander of the aforementioned patjalling, Hendrik de Lange, reading verbatim: The 21st of June 1771. The patjalling De Voortvarendheid dispatched for cruising with Ensign Delius until the end of July. Instruction for that officer and the commander of the said patjalling. Instructive order for the Military Ensign August Willem Delius and the commander of the patjalling De Voortvarendheijt, Hendrik De Lange, departing from here for Honimoa to cruise in the fairway between that island and Nussalaut. Whereas, shortly after the return of the expedition fleet, the Ceramese roamers and smugglers have appeared everywhere in the fairway off and on the spice offices, and according to the letter of the Chief of Saparoua, the merchant Ian Willem van Blijdenbergh, were seen with two junks off Hoenipoetij, situated between Poorto and Haria, I have therefore, considering that all necessary precautions ought and must be taken to prevent and counteract all smuggling trade in spices, thought fit to dispatch you with the vessel named in the heading of this order, to cruise in the fairway between the islands of Honimoa and Nussalaut, off and on the cape of Coak south of the negorijen of Latoe and Hoealooij, which negorijen you must also run into sight of from time to time, to ascertain whether any East Ceramans or other smugglers happen to appear around that coast. Upon receipt of this, you shall therefore have to set sail and direct your course straight to the place of your destination, and continue cruising the same until the latter part of the coming month of July, or later, as you shall further be directed by me.
Dutch transcription
141 61 tegen de admissie van vreemde vaartuigen of die met geen passe maken tot de negorijen aan Cerams binnen Cust. Noodzakelijkheid, om het placaat de Oost Cerammers in hunne bhaijen, kreeken en rivie„ ren geen veilige schuijlplaats verleenen, in aanmerking voorzien zijn ook betrekkelijk te genomen zijnde, dat niet min nuttig dan noodzakelijk is dat het placcaat van den 23: Februarij 1765: in Confor„ „mitté de intentie en begeerte hunner hoog Edelhedens vervat bij secrete missive aan de Edele heer raad Extra ordinair en voormaligen Gouverneur dezer Provintie, Willem Fockens in dato 14: December 1764: g'emaneerd, statueerende een bannissement advitam en Confiscatien, hunner goederen, mitsgaders seclusie van derzelver familien uit de regentschappen voor de Radjas, Pattijs en Orangkaijen nevens de Orangtouas of oudstens van Leijtimor, de Cust Hitoe en Laricque, item de eilanden Oma, Honimoa en Nussalaut van sodanigen district of plaats, alwaar eenig vaartuijg 't zij van de Cerammers, Burgers, mardijkers, Chineesen of van eenig ander Jnlander, dan wel vreemdeling van wat natie die ook moge zijn, geen pas van den Gouverneur dezer provintie dan wel van de hoofden en posthouders der subalterne Comptoiren en posten hebbende, bevonden mogte worden ten anker gelegen te hebben of nog te leggen, ook betrokkelijk wierd gemaakt tot de Regenten met hunne oudstens van de negorijen op Cerams binnen Cust, in zo verre onder Hila, Haroeko en Saparoua resorteeren tot Hattoemetting in 't oosten speci„ „aal omtrent de oost Cerammers van Batuassan in 't westen tot Guamour en kessing in 't oosten en dat over zulx de regenten met hunne Orangtouas of oudstens op voorm: binnen Cust bij een Placcaat al omme in de maleidse en arabische tale te publiceeren en affigeeren, wierden g'interdiceert het admitteeren van eenig vaartuijg der Oost Cerammers sub pane van kelarijen der regenten van Cerams binnen Cust met de OostCerammer en u t hoofde hun hoog Edelens de renovatie en ampliatie van het voorm: placcaat voor te slaan. Nadere Berigten wegens het aan houdent swerven der Oost Ceram mers. van in Contraventie van dit interdict eenig vaartuig dier volkeren onder wat naam of pretext het ook zoude mogen wezen voor hunne negorijen getollereerd of in derzelver in„ hammen, rivieren en kreeken schuilplaats verleend te hob„ ben zonder forma van proces uit hunne regentschappen ge„ zet en met verbeurt making hunner goederen advitam waarschijnelijkheid van de kon zullen verbannen worden; zo is uit hoofde het niet moge„ lijk zoude wezen dat zo de regenten van Cerams binnen Cust met de Oostcerammers niet houlden en dezelve voor hunne negorijen tollereerden of die in de rivieren en kreeken aldaar in menigte te vinden, een veilige schuijlplaats verleenden, mitsgaders daar en boven met mond behoeftens, water &:a assisteerden Ja zelfs met haar handel dreeven die zwervers en morshandelaars hun zo lange in de nabijheid der specerij Comptoiren en nagul gevende districten konden ophouden, op de propositie van den Heer Gouverneur goed gevonden en verstaan hun hoog Edelens bij de aftegaane na jaarse advisen het emaneeren van zodanigen Placcaat voor te dragen. Hier na door zijn Ed: aan de vergadering vertoont zijnde dat op de bekomene nadere berigten wegens het aanhou„ „dende zwerven der Oost Cerammers omtrent de nagul gevende districten, bestaande na luijd het schrijvens van Saparouas hoofd van Blijdenberg bij brief van den 6: Courant en volkeren van Tobo, Guel„ lemoeri, Guellebon, Ceijlor en Kisslaut, die zig volgens een daar bij overgezonden, declaratoir van eenen Abraham Christoffel met twee Jonken waar van het eene heel groot was, voor Hoenipoetij gelegen tusschen Poorto en Haria vertoont en aan den declarant eerst na vis daar na om oebat en op de gevraagde explicatie van dat woord van den zelven nagulen begeerd 143 63 den 21: Junij 1771: de patjalling de voortvarendheid ter bekruijssing met den vendrig Delius tot ultimo Julij afge zouden. Jnstructie voor dien officier en de ge zagvoerder van gemelde patjalling begeert hadden; ten eersten in gereedheid heeft doen brengen, de patjalling de voortvarendheijd en teffens gerecomman„ „deert den vendrig August Willem Delius nevens een Corporaal en ses soldaten, om daar mede tot ultimo Julij of zo veel langer als het de noodzakelijkheid zal komen te vereisschen te kruijssen in 't vaarwater tusschen de eilanden Honimoa en Nussalaut tot af en aan de hoek van Coak gelijk breeder te zien is bij de door den heer gouverneur voor dien officier en de gezagvoerder van voormelde patjalling Hendrik de Lange ontworpene Jnstructie verbotinus luijdende Instructive ordre voor den vaan„ „drig militair August Willem De„ lius en den gezaghebber van de Patjalling de voortvarentheijt Hendrik De Lange vertrekkende van hier naar Ho„ nimoa om tusschen dat Eiland en Nus„ salaut in 't daarwater te kruijssen. Aangezien de Ciramse zwervers en mors handelaars zig kort na 't retour der Expeditie vloot alomme in het vaarwater af en aan de specerij Comptoiren vertoond hebben en volgens schrijvens van het opperhoofd van Saparoua den koopman Ian Willem van Blijdenbergh met twee Janken voor Hoenportij gelegen tusschen Poorto en Haria gezien zijn, zo heb ik uit aanmerking alle nodige voorzorge dienen en moeten gebruikt worden, om allen morshandel in specerij te beletten en tegen te gaan, goed gevonden UE: met het vaar„ tuijg in den hoofde dezes genoemd af te zenden om te kruissen in 't vaarwater tusschen de eilanden honimoa en Nus„ salaut tot af en aan de hoek van Coak bezuijden de negorijen Latoe en Hoealooij, welke negorijen UE: ook nu en dan eens in 't gezigt moeten lopen, om te vernemen of zig geen oostcerammers of andere Loirendraijers omtrent die Cust komen te vertoonen. UE: zullen dan ook op den ontfangst dezes moeten onderzeijl gaan en de steven direct naar de plaatse hunner destinatie wenden en dezelve blijven bekruijssen tot in 't laast der aan„ staande maand Julij of later na dat UE: door mij nader zal
English
shall be ordered. If, during that cruising, you catch sight of any East Serammers, Your Honours shall seek to overtake them; Your Honours should also now and then sail around the aforementioned islands and run within sight of Molanen, to see whether they might not be trapped at that latitude, and succeeding therein, if upon inspection of the vessel or vessels, which must be carried out by Your Honours in the most meticulous manner, you discover any spices, to punish the crew found thereon as spice thieves, that is, with death. Because it could happen that the aforesaid peoples, realizing that Your Honours are cruising on that side to track them down and obstruct them, will employ all means and seek to ambush Your Honours treacherously, in order thereby at the same time to take reprisals for the burning of their negorijen and the ruining of their fruit trees by the recent expedition fleet, I therefore recommend that Your Honours be on guard and vigilant in every respect, further employing in all circumstances good soldiering and seamanship, the Ensign Delius in military matters and the Master De Lange in his profession, as befits alert officers. All that is captured and seized from the frequently mentioned roamers and smugglers shall belong to the captor, provided that the spices are delivered to the Company at the purchase price and the war gear according to appraisal, of which Your Honours shall have to inform the soldiers and sailors under your authority, so that everyone may thereby be inflamed with zeal and courage to overtake them, just as I expect that Your Honours, as well as they, will make every effort to that end. The sealed packet handed to the Ensign Delius, containing Dutch and translated French protests, must, in the unexpected event of encountering a foreign European ship or vessel, be opened by him, and those protests must be delivered on such foreign vessel by a non-commissioned officer armed only with a sidearm; this being the principal matter that I have to order Your Honours, I remain meanwhile, underneath was written, Your Honours' friend, was signed, S: A: vander voort, in the margin, Amboina the 21st of June 1771. Thus the council, after summary review of that paper, 145 65. the 21st of June 1771. The council took satisfaction in both matters. Chief of this cruise informed. Return of the citizen Captain Cooning from the hinterland of Bouro. Serves as written Report. Contents of the same. fully conformed therewith, whereby it was understood both to keep this note and that the aforesaid Ensign Delius and Master De Lange, just before the start of this meeting, obtained their dispatch; taking with them a letter addressed principally to Saparouas' chief of Blijdenbergh to give him the necessary notice of this cruising. Underneath was written: Thus Done and resolved at Amboina on the date aforesaid. Underneath was written: I: A: van der voort, I: A: De Villeneuve, H: van den Brink, I: A: Schilling, : F: Treno, I: H: van Santen and Hougue. Tuesday the 16th of July Anno 1771. Before noon towards hours, Meeting of the Council of Policy, absent the heads of the spice offices. The citizen Captain Iohannes Coning, having recently returned here with his sloop from the hinterland of Bouro, having upon his return handed over a written Report to the Governor, containing in substance: That upon his departure for Bouro on the 6th of April past, he was furnished by His Honour with a written order whereby he was granted authorization and commission to attack and overpower all unpermitted roamers and pirates encountered on that route or appearing along the beaches of that Island, and subsequently to bring them in here, as well as to sink the vessels that resisted and to punish the crew sailing thereon with death. That although in the fairway between this and the said Island, both on the outward and return voyage, no such sea rovers were encountered nor sighted by him, he nevertheless, during his journey behind that island, having inquired in the most meticulous manner of the mountain peoples what hostilities had been committed by that rabble and in how great a force they had been there, had learned thereon that it was not long ago that fifty Corra Corras with Papuans had been at that place, robbing, plundering, and destroying everything that came before them, on which occasion also many of their compatriots, having fallen into the hands of those robbers, were carried off captive by them, which misfortune would have struck even more others had they not saved themselves by fleeing to the mountains, although they still barely found themselves in safety there; because that rabble had dared to come as far inland and into the mountains as they had ever ventured to do before; for which they attributed the primary cause to the Tobilders, who not only assisted the Papuans in large numbers in robbing, but had even been the principal instigators and leaders in bringing them to such places otherwise unusual for the Papuans, of which a multitude of huts left standing here and there, which had served as their dwelling places, had assured the exhibitor of the truth. Furthermore, that when sailing to the hinterland he had seen several vessels crossing from the shore to the sea; which
Dutch transcription
zal worden g'ordonneert. Onder die bekruijssing eenige oostcerammers in 't oog krijgende, zullen UE: dezelve zoeken te agterhalen ook dienen uE: de eilanden voormelt nu en dan eens rond om en Molanen in 't gezigt te loopen, om te zien of ze op die hoogte niet te attrappeeren zijn, en daar in reusseerende in het vaartuig of vaartuigen bij visitatie die door UE: op het allernaukeurigste zal moeten geschieden eenige specerijen ontdekkende, de daar op gevonden wordende manschappen als specerij dieven dat is met de dood te Straffen. Dewijl het zoude kunnen gebeuren dat voorsz volkeren doen bemerkende dat UE: aan dien kant kruijst om hun na te speuren en te beletten alle middelen zullen in 't werk stellen en zoeken UE: verradelings te overvallen, om daar door teffens reprosaille te nemen over het verbranden hunner ne„ „gorijen en ruineeren hunner vrugt bomen met de Jongste expeditie vloot, zo recommandeer ik uE: in allen opzigte op hoede en waakzaam te zijn, gebruikende voorts in alle omstandigheden goede soldaat en zeemanschap de vaandrig Delius in het militaire en den gezaghebber De Lange in zijn metie gelijk wackere officieren betaamt. Zullende alle het geen op de meermelde swervers en mors„ handelaars agterhaald en opgedaan word voor den agterhaler zijn, mits dat de specerijen na de inkoops prijs en het oorlogs tuijg volgens taxatie aan de Compagnie geleverd worde, waar van UE: aan de onder hun gezagstaande soldaten en mat„ „troosen overzulx kennis zullen moeten geven, op dat een ieder hier door met ijver en kloekmoedigheid moge worden ontstoken om dezelve te agterhalen, gelijk ik verwagte dat uE: zo wel als zijlieden daar toe alle pogingen zullen aanwenden. Het aan den Vaandrig Delius ter hand gestelde gesloten pacquet, waar in te vinden zijn, een nederduijtsch en een translaat fransche protesten, moet bij onverhoopte ont„ moeting van een vreemd Europisch schip of vaartuijg door denzelven g'opend en die protesten op zodanigen vreemde bodem door een onder officier alleen met een zijd geweer gewapend bestelt worden; dit het voornaamste zijnde, dat ik UE: te beveelen heb, blijve ik ondertusschen:/: on„ derstond. /. UE: vriend /was getekend:/ S: A: vander voort /:in margine.:/ Amboina den 21. Junij 1771: Zo heeft de vergadering na genomen resumtie van dat papier 145 65. den 21: Junij 1771: In het een en het ander door de vergadering genoegen genomen. hoofd van deze bekruissing kennis gegeven. Retour van den burger Capitain Cooning van het agterland van Bouro. dient van Schriftelijk Rapport. Jnhoud van hetzelve. papier zig daar mede ten vollen geconformeert, waar van verstaan is, zo wel deeze notitie te houden als dat voorn: vendrig Delius en gezagvoerder De Lange even voor het aangaan dezer bij eenkomst hunne depeche bij hunne depeche Saparouas erlangt hebben; mede nemende een briefje aan Sa„ parouas hoofd van Blijdenbergh ten principalen gerigt om hem van deze bekruijssing de nodige kennis te geven. /.onderstond:/ Aldus Gedaan en gere„ solveert te Amboina dato voorsz: ¶ onder„ stond:/ I: A: van der voort, I: A: De Villeneuve, H: van den Brink, I: A: Schilling, : F: Treno, I: H: van Santen Hougue. en Dingsdag den 16: Julij A:o 1771: Voor de middag tegen uuren Vergadering van Politie, absent de hoofden der spece„ rij Comptoiren. Den burger Capitain Iohannes Coning onlangs met zijn Chaloup van het agterland van Bouro alhier gereverteert, bij zijn retour aan den heer gouverneur over handigt hebbende een schriftelijk Rapport, in substantie behelsende Dat hij met deszelfs vertrek na Bouro op den 6:e April passato door zijn Ed: gemunieert is geworden met een schriftelijke ordonnantie waar bij hem qua lificatie en Commissie is verleend alle ongeper„ mitteerde Zwervers en Rovers in die route ontmoe„ „tende dan wel langs de stranden van dat Eiland zig vertoonende te attacqueeren en te overmeesteren vervolgens en de ren doen na te stellen. 9 aar n vervolgens alhier op te brengen, mitsgaders de vaar„ tuijgen die zig te weer stelden in den grond te booren en de daar op varende manschap met de dood te straffen. Dat of schoon hem in 't vaarwater tusschen dit en het gem: Eiland zo wel op de heen als herwaards reijse geene dergelijke zee schuijmers zijn ontmoet nog door hem ontwaard geworden hij egter zijne gedaane togt agter dat eijland zig op 't naukeurig ste bij de berg volkeren g'informeert hebbende wat vijandelijkheden door dat gespuijs gepleegd en in hoe groote magt zij aldaar geweest waren, daar op vernomen had dat het niet lange geleeden was of vijftig Corra Corras met Papoen waren daar ter plaatse geweest rovende, plunderende en vernielende alles wat hun voorquam, bij welke gelegentheid ook veele hunner landgenooten in de handen dier rovers gevallen zijnde door hun gevankelijk waren mede gevoerd, welk ongeluckig tot nog meer anderen zoude getroffen hebben bij aldien zij zig door de vlugt na het gebergte niet gesouveert hadden, hoewel zij zig daar nog naulijks in zekerheid bevonden; dewijl dat gespuijs haar had onderstaan zo verre land en bergwaards te komen als zij nog ooit voor heenen hadden derven doen; waar van zij de voornaamste oorzaak toe schreven aan de Tobilders, die niet alleen in menig„ te de Papoën in het rooven g'assisteert, maar zelfs de voornaamste aanmoedigers en aanvoerders ge„ weest waren, om dezelve op zodanige voor de Papoen anders ongewoone plaatsen te brengen, waar van een menigte hier en daar staan gebleevene hutjes, die tot hun verblijf plaats gediend hebben den vertoonder van de waarheid verzekert had. Voorts dat wanneer na het agterland zeilde verscheide vaartuigen uit de wal na zee had zien oversteeken; welke e
English
147 67. The 16th of July 1771. Necessity to curb the Papuans and Tobelorese in their raiding on Bouro. The Papuans are encouraged and assisted by the Tobelorese in raiding. Reasons why those scoundrels are protected by the grandees of the Tidore court. To present the aforementioned report to Their Right Excellencies with a request to devise measures to halt the Papuan robberies. Which having been discussed and taken into consideration, that if the robbing and plundering of the Papuans and Tobelorese on the aforesaid island is not prevented and counteracted by means of force and emphasis, it is greatly to be feared that the already partially despoiled island of Bouro will soon become almost entirely depopulated, now that the Alfur in the mountains are not even safe any longer; but are fetched and carried off even from there by the Tobelorese, who encourage the Papuans in their raiding expeditions, and indeed even assist therein, which is all the more to be feared since, according to the separate letter of the Governor of Ternate, Mr. Valkenaar, written to the Governor here under date of 17 May last, the Papuan pirates are secretly protected among the grandees of the Tidore court, because these find their profit in the incursions of those rogues and always manage to prevent their king under one or another specious pretext from punishing those marauders or curbing their evil deeds with his war force; thus it has been approved and resolved to respectfully give Their Right Excellencies notice of all this in the forthcoming separate letter this autumn, while presenting the aforesaid report of the burgher Captain Coning, so that Their Right Excellencies might devise such efficacious measures to halt the further progress of the robberies and incursions on the island of Bouro as they shall deem necessary and expedient for achieving that objective, and furthermore also to send a copy of the frequently mentioned report to the aforementioned Governor of Ternate for His Honour's information and consideration /:below which, however, were too far away to be able to discover of what nation they had been. was written./ Thus done and resolved at Amboina in Castle Victoria on the date aforesaid /:was signed:/: J: A: van der Voort, J: A: De Villeneuve, H: van den Brink, J: A: Schilling, C: F: Treno, J: H: van Santen, R: Hoeque. Friday the 16th of August 1771, before noon at half past eight o'clock, meeting of the Council of Policy, absent the heads of the spice comptoirs and the junior merchant Van Santen, the latter due to indisposition. Having been exhibited on the table by the Governor and subsequently read, two reports dedicated to His Honour from the military Lieutenant Johannes August van Eerten and Ensign August Willem Delius, regarding their completed cruising expeditions, the first having cruised with the patjalling the Saparoua along the beaches of the Hitu coast from the islands the Three Brothers in the west up to the Pigeon Island in the east, and the other with the patjalling the Voortvarendheid between the islands Honimoa and Nussalaut up to and off the point of Cowak south of the negorijs Latu and Hoealooij on the inner coast of Ceram; that of Lieutenant van Eerten essentially containing that on 14 July last, having made the rounds with the boat along the shore near the negorij Liang, he had, upon his return on board, found there a native 149 69. Lieutenant van Eerten and Ensign Delius have served reports regarding their completed cruising expeditions. Content thereof. The first mentioned caught a native on Liang with a timbel of cloves. And examined the same as to how he had obtained those cloves, and sent him up to Hila. Ensign Delius arrested a prahu with sago manta coming from Roemakaeij that had no pass. The orangkaya of Waroe removed from office for admitting Tidorese into his negorij and banished to Bouro, and to present to Their Right Excellencies the report served in that regard by the fiscal along with the documents. with two children, whom the commander had meanwhile caught with a timbel of ripe and unripe cloves; that having examined the said native most closely in this regard, the same had declared to have fetched those cloves from his dusun below the Devil's Rock, with the intention of bringing them to Mamala, adding that while working here on the fortifications, he had departed quietly and without a pass from Ambon, without reporting to the postholder or the raja of Mamala; but which pretext having appeared very suspicious to the said officer, he had sent the aforementioned native to the chief at Hila under an escort of two soldiers. The report of Ensign Delius stating that during his cruise he likewise had no remarkable encounters; and that the vessels he discovered were all provided with proper passes, except for a prahu coming from Roemakaeij or Camariang laden with sago manta, which, being unable to show any pass, had for that reason been detained by him and its crew sent to the postholder at Hoorn belonging under Haroeko; thus, after resumption of the frequently mentioned two reports, it has been approved and agreed to rest satisfied with the actions of the aforesaid two officers and to present those papers to Their Right Excellencies among the annexes to the autumn advices, along with a brief report of the above. After this, resumption having been taken of an ample report from the titular merchant and fiscal of this province, Jan Adam Schilling, with several documents submitted therewith, to the charge of the orangkaya of Waroe, who was brought up under arrest with the expedition fleet and held hostage in the government's irons
Dutch transcription
147 67. Den 16: Julij 1771: Noodzakelijkheid om de Papoen, en tobilders, hun roostuijt op Bouro te beteugelen. teert. tidoreese hof grooten beschermd worden. voormeld Rapport aan te bieden roverijen. Waar over gesproken en in aanmerking genomen zijnde, dat zo wanneer het rooven en plunderen der Papoen en Tobil„ ders op het voorsz: Eijland niet door middelen van klem en nadruk werd geweerd en tegen gegaan het grotelijks te dugten is, dat het reeds ten deele gespolieerde Eijland Bouro eer „lang bij na geheel ontvolkt raken zal, nu de alfoeren in 't gebergte zelfs niet meer veijlig zijn; maar van daar zelfs gehaalt en vervoerd worden, door de Iobilders die de papoen in hunne rooftugt aanmoedigen, Ja zelfs daar in adsisteeren, waarvoor men des te meer te vreesen heeft de Papoen werden door de Tobilders nademaal na luijd de aparte brief van den heer ternaats in het rooven aangemoedigt en g'assi: Gouverneur Valkenaar aan den heer Gouverneur alhier geschreven in dato 17: Meij passato de Papoese Rovers onder de Tidoreese hofs grooten in 't geheim be redenen waarom dat gespuijs door de schormt worden, wijl deze hun profijt bij de stroperijen van dat geboefte vindon en hun koning altoos onder t een of ander spetieus voorwendsel weten te beletten om die marodeurs te straffen of hunne euvel daaden met zijne Hun hoog Ed: Capitain Coonings oorlogs magt te beteugelen; zo is goed gevonden en ver„ met verzoek om middelen te bestaan hun hoog Edelens bij de aftegaane aparte raamen tot stuijting den papoese brief in dit na Jaar onder aanbieding van het voorsz Rapport van den burger Capitain Coning van dit een en ander eerbiedig kennisse te geven, ten einde hoog dezelve tot stuijting van den verderen voortgang der roverijen en Stroperijen op het Eijland Bouro zodanige efficatieuse middelen zoude kunnen beramen, als ter be„ reijking van dat oogmerk noodzakelijk en dienstig zullen oordeelen en voorts ook Copia van 't meermelde rapport te zenden aan den voorn: heer Ternaats gouverneur tot zijn Edele narigt en speculatie /:onder„ welke egter te verre af waren om te kunnen ontdekken van welke natie die geweest zijn. stont./ den lieutenant van Eerten en den drig Delius hebben van rapporten „singen gedient. Jnhoud derzelve stont/ Aldus Gedaan en Geresolveert te Amboina in 't Casteel dictoria dato voorsz /:was getekent:/: I: A: van der Voort, I: A: De Villeneuve, H: van den Brink I: A: Schilling, C: F: Treno, J: H: van Santen R: Hoeque. 771: Vrijdag den 16: Augustus A77 voor de middag ten half negen uuren vergadering van Politie, absent de hoof„ „den der specerij Comptoiren en den onder koopman van santen, de laatste door indispositie. Door den heer Gouverneur ter tafel g'exhibeert en vervolgens gelezen zijnde, twee aan zijn Ed: gedediceerde rapporten van den lieutenant militair Iohannes wegens hunne gedaane bekruis August van Eerten en Vendrig August willem Delius, de eerste met de patjalling de Saparoua gekruijst hebbende langs de stranden der Hitoese Cust van de eijlanden de drie gebroeders in 't westen tot aan het duiven Eijland in 't oosten en den anderen met de patjalling de voortvarendheid tusschen de eilanden Honimoa en Nussalaut tot af en aan de hoek van Cowak bezuiden de negorijen Latu en Hoealooij aan Cerams binnen Cust, dat van den lieutenant van Eerten hoofdzakelijk behelsende dat hij den 14: Julij passato met de schuit langs de wal bij de negorij Liang de ronde gedaan hebbende bij zijn terug komst aanboord, aldaar gevonden had een Jnlander 149 69. der met een timbel nagulen in han den gekregen. En denzelven onderzogt hoedanig aan die nagulen gekomen was mitsg=s na Hila opgezonden. Den Vendrig Delius heeft een prauw sagoe manta die geen pas had van Roemakaeij komende g'arresteert. den orangkaiij van Waroe over het admitteeren van Tidoreesen op zijn negorij gedimoveert en na Bouro gebannen mitsg: het dientwegen door den fiscaal gediende berigt met de stukken hun hoog Ed=s aan te bieden. de eerstgem: heeft op siang een Julan, een Jnlander met twee kinderen, welke den gezaghebber intusschen met een timbel rijpe en onrijpe nagulen in handen gekregen haeft; dat hij gedagte Jnlander dieswegen ten naukeurigsten g'examineert hebbende denzelven gedeclareerd had, die nagulen uit zijn doussang onder de duivels klip gehaald te hebben; met voornemens om die na Mamala te brengen en bij voeging dat hij alhier aan de fortificatien arbeidende zig stil en zonder pas van Ambon: begeven had, zonder zig bij den posthouder of den radja van Mamala te melden; dog welk 3 voorgeven gedagte Officier seer suspect te voren gekomen zijnde, had hij voorm: Jnlander onder een escorte van twee militairen na hila aan het opperhoofd gezonden. dicteerende het Rapport van den Vendrig Delius dat hij gedurende zijnde bekruissing mede geen merkwaardige ont„ moetingen gehad; en dat de vaartuigen die hij ontdekt heeft alle van behoorlijke passen voorzien geweest zijn, excepto een prauw komende van Roemakaeij of Camariang ge„ „laden met zagoe manta, die geen pas kunnende ver toonen overzulx door hem aangehouden en het volk daar van aan den posthouder te Hoorn gehorende onder haroe ko gezonden was; zo is na resumtie der meermelde twee Rapporten goed gevonden en verstaan zig met de ver„ „rigtingen der voorsz: twee Officieren voldaan te houden en die papieren onder de bijlagen tot de najaarse advijsen hun hoog Edelens aan te bieden, met een kort verslag van het bovenstaande. Hier na resumtie genomen zijnde van een ampel berigt, van den titulair koopman en fiscaal dezer provintie Jan Adam Schilling met eenige daar bij overgelegde stukken ten laste van den met de expeditie vloot in arrest op ge„ bragte en in 's heeren boeijen gegijselden Orangkaeij van
English
stood Thus Done and Resolved in Amboina at Castle Victoria on the date aforementioned. It was signed: I: A: van der Voort, I: A: De Villeneuve, H: van den Brink, I: A: Schilling, C: F: Treno, J: H: van Santen, R: Hoeque. Friday, 16 August 1771, in the morning at half past eight o'clock, Council meeting, absent the heads of the spice offices and the junior merchant van Santen, the latter due to indisposition. The Governor presented to the table and thereupon were read two reports dedicated to His Honour from the military Lieutenant Johannes August van Eerten and Ensign August Willem Delius, regarding their completed cruising. The first, having cruised with the pajalang De Saparoua along the shores of the Hitu Coast from the Three Brothers islands in the west to the Duiven Island in the east, and the other with the pajalang De Voortvarendheid between the islands of Honimoa and Nussa Laut as far as off and on the corner of Cowak south of the settlements of Latu and Hualoy on Ceram's inner coast. That of Lieutenant van Eerten mainly containing that on 14 July past, having made the rounds with the boat along the shore near the settlement of Liang, upon his return on board, he found there a native with two children, whom the commander in the meantime had apprehended with a basket of ripe and unripe cloves; that he had examined the said native most closely on this matter, who declared that he had fetched those cloves from his plantation under the Duivelsklip, intending to bring them to Mamala, and adding that, being working here on the fortifications, he had departed quietly and without a pass from Ambon, without reporting to the postholder or the raja of Mamala. But this pretext having appeared very suspicious to the said officer, he sent the aforementioned native under an escort of two soldiers to Hila to the chief. The report of Ensign Delius stating that during his cruising he also had no remarkable encounters; and that the vessels he discovered were all provided with proper passes, except for one proa coming from Rumahkay or Kamarian laden with wet sago, which, unable to show any pass, was therefore detained by him and the crew thereof sent to the postholder at Hoorn belonging under Haruku. Thus, after resumption of the repeatedly mentioned two reports, it was approved and agreed to be satisfied with the proceedings of the aforesaid two officers and to submit those papers among the annexes to the autumn dispatches to Their Right Excellencies, with a brief account of the above. Hereupon resumption was taken of an extensive report from the titular merchant and fiscal of this province, Jan Adam Schilling, with several documents submitted therewith, to the charge of the Orang Kaya of the settlement of Waru situated on Ceram's north coast, named Waru, who was brought under arrest with the expedition fleet and detained in the Company's irons, concerning the admitting of subjects of Tidore's king not only into his settlement, but also giving guides to the same to Davang situated on Ceram's south coast, of which mention is made in the separate resolution of this council of 16 February of this year. In which document the officer, after having described the defense of the detainee in detail, demonstrates that this regent has made himself guilty of treachery and perjury, citing from his own confession that he tolerated both the Papuans of Salawati and those of Rumasoal in his settlement, and that his subordinates also traded with him in muskets and other wares, running straight against the fifth article of the Instructions handed to him in the year 1768 by the Honourable Mr. Breton, reading verbatim: they shall no longer be allowed to maintain intercourse with the Papuans of whatever name, or any peoples in the Moluccas, but when they arrive among them, must drive them away, chase them off, or capture them and hand them over to the Company, but when such strangers resist, they must be killed and their vessels captured. Wherefore the presenter also rightly considers that the aforesaid regent has also subjected himself to the penalty mentioned in the 11th article of the aforementioned Instructions, stating: If any inhabitant, whether chief or commoner, does not observe these articles, he shall be punished for it most rigorously, indeed even with death, according to the findings of the case. Thus, the officer continues, it is not the first time that he admitted the Papuans into his settlement, but already did so shortly after the receipt of the aforementioned Instructions, as appears from exhibits numbers 4 and 5; adding thereto in conclusion that the repeatedly mentioned Regent must in any case be considered unworthy to
Dutch transcription
stont/ Aldus Gedaan en Geresolveert te den lieutenant van Eerten en den „drig Delius hebben van rapporten „singen gedient. Jnhoud derzelve Amboina in 't Casteel dictoria dato voorsz /:was getekent:/: I: A: van der Voort, I: A: De Villeneuve, H: van den Brink I: A: Schilling, C: F: Treno, J: H: van Santen R: Hoeque. 771: Vrijdag den 16: Augustus Ao 17 voor de middag ten half negen uuren vergadering van Politie, absent de hoof„ „den der specerij Comptoiren en den onder koopman van Santen, de laatste door indispositie. Door den heer Gouverneur ter tafel g'exhibeert en vervolgens gelezen zijnde, twee aan zijn Ed: gedediceerde rapporten van den lieutenant militair Iohannes wegens hunne gedaane bekruis August van Eerten en Vendrig August willem Delius, de eerste met de patjalling de Saparoua gekruijst hebbende langs de stranden der Hitoese Cust van de eijlanden de drie gebroeders in 't westen tot aan het duiven Eijland in 't oosten en den anderen met de patjalling de voortvarendheid tusschen de eilanden Honimoa en Nussalaut tot af en aan de hoek van Cowak bezuiden de negorijen Latu en Hoealooij aan Cerams binnen Cust, dat van den lieutenant van Eerten hoofdzakelijk behelsende dat hij den 14: Julij passato met de schuit langs de wal bij de negorij Liang de ronde gedaan hebbende bij zijn terug komst aanboord, aldaar gevonden had een Jnlander 149 69. der met een timbel nagulen in han den gekregen. En denzelven onderzogt hoedanig aan die nagulen gekomen was mitsg=s na Hila opgezonden. Den Vendrig Delius heeft een prauw sagoe manta die geen pas had van Roemakaeij komende g'arresteert. den Orangkaiij van Waroe over het admitteeren van Tidoreesen op zijn negorij gedimoveert en na Bouro gebannen mitsg: het dientwegen met de stukken hun hoog Ed=s aan te bieden. de eerstgem: heeft op siang een Jnlan, een Jnlander met twee kinderen, welke den gezaghebber intusschen met een timbel rijpe en onrijpe nagulen in handen gekregen heeft; dat hij gedagte Jnlander dieswegen ten naukeurigsten g'examineert hebbende denzelven gedeclareerd had, die nagulen uit zijn doussang onder de duivels klip gehaald te hebben; met voornemens om die na Mamala te brengen en bij voeging dat hij alhier aan de fortificatien arbeidende zig stil en zonder pas van Ambon: begeven had, zonder zig bij den posthouder of den radja van Mamala te melden; dog welk voorgeven gedagte Officier seer suspect te voren gekomen zijnde, had hij voorm: Jnlander onder een escorte van twee militairen na hila aan het opperhoofd gezonden. dicteerende het Rapport van den Vendrig Delius dat hij gedurende zijne bekruissing mede geen merkwaardige ont„ moetingen gehad; en dat de vaartuigen die hij ontdekt heeft alle van behoorlijke passen voorzien geweest zijn, excepto een prauw komende van Roemakaeij of Camariang ge„ „laden met zagoe manta, die geen pas kunnende ver toonen over zulx door hem aangehouden en het volk daar van aan den posthouder te Hoorn gehorende onder haroe ko gezonden was; zo is na resumtie der meermelde twee Rapporten goed gevonden en verstaan zig met de ver„ „rigtingen der voorsz: twee Officieren voldaan te houden en die papieren onder de bijlagen tot de najaarse advijsen hun hoog Edelens aan te bieden, met een kort verslag van het bovenstaande. Hier na resumtie genomen zijnde van een ampel berigt van den titulair koopman en fiscaal dezer provintie Jan door den fiscaal gediende berigt, Adam Schilling met eenige daar bij overgelegde stukken ten laste van den met de expeditie vloot in arrest op ge„ bragte en in 's heeren boeijen gegijselden Orangkaeij van de de aan Cerams noord Cust gelegen negorij Waroe in name Waroe over het admitteeren van onderdanen van Tidors koning in deszelfs negorij niet alleen, maar ook het geven van wegmijzers aan dezelve na davang gelegen aan Cerams zuid Cust, waar van mentie gemaakt word bij de aparte resolutie dezer tafel van den 16: febr: dezes tafpl Jaars bij welk schriftuur den officier na de defensie van den gegijzelden omstandig beschreven te hebben aantoond dat dien regent zig aantrouwloos en meinedigheid heeft schul„ dig gemaakt, met uit zijne eige Confessie aan te halen, dat hij zo wel de papoen van Salwattij als die van Roe„ ma soal in deszelfs negorij getollereerd heeft en dat ook zijne onderhorigen met hem in snaphanen en andere wharen ge„ handelt hebben, regel regt aanlopende tegens het vijfde articul van de hem in A:o 1768: door de Ed: heer Breton ter hand ge stelde Instructie in verbis luidende zullen zij niet vermogen langer gemeenschap te houden met de Papoen hoe genaamd, of eenige volkeren in de Moluc„ „cos, maar die wanneer bij hun aankomen moeten verdrijven, weg jagen of opvangen en aan de Comp=e overgeven, maar wanneer zodanige vreemdelingen zig daar tegens te weer stellen dan moeten zij gedood en hunne vaartuigen vermeestert worden. Weshalven den vertoonder ook ten rogten vermeend dat voorsz regent zig ook de straffe bij het 11: articul van voorm: Instructie vermeld heeft subject gestelt, dicteerende: Jndien eenig inwoonder het zij opperhoofd of gemeene deze deze articulen niet nakomt, zal hij daar over op het rigoureust Ja zelfs met de dood gestraft worden na bevinding van zaken. alzo vervolgd den officier het de eerste keer niet is dat hij de papoin in zijn negorij g'admitteerd, maar zulks reeds gedaan heeft kort na den ontfangst van meerm: Jnstructie, gelijk blijkt bij de producten w:o 4: en 5: ten besluite daar bij voegende dat meergem: Regent in allen gevalle geconsidereert moet worden onwaardig te
English
151 71. The 16th of August 1771: Five Malay reports of various content concerning the wandering to be longer worthy of bearing the title of Orangkaij over a negorij whose inhabitants nevertheless do not respect or obey him, and of which he has also made himself entirely unworthy through his misconduct, all the more because he truly received the aforesaid Tidorese in his negorij and granted them transport to Davang, etc. Whereupon it was deliberated and taken into consideration that although the frequently cited Orangkaij of Waroe has well merited, on account of the treacherous and punishable conduct described hereinbefore, besides demotion from the regency, a banishment from here ad vitam to such place as their High Excellencies would be pleased to deem fit, yet out of consideration that he, being a cunning fellow and one who knows the overland route between the north and south side of Ceram, might still be of service to the Company in due time, it was approved and agreed solely to demote him from his regency and to detain him in this Province pending the esteemed approval of the aforementioned High Excellencies; however, to deprive him of the opportunity to escape, to send him to Boeroe with explicit orders to the resident there to have him closely watched and to ensure that he does not flee from there; it being furthermore approved to present the fiscal's report, with the documents submitted therewith, to their High Excellencies for their favorable consideration. Subsequently, five Malay and translated Dutch reports were also read, directed by Saparoua's chief Van Blijdenbergh and sent to the Lord Governor, namely: One from the messenger of Nussalaut, Christiaan Sahusina, dated the 10th of July last, containing that at Haija it had been told to him by a certain Sapalau that higher up eight Ceram junks were lying near the place named Lijmoe, which had already arrived there six days ago, namely two from Tobo, two from Ceijlor, two from Batoelomi, and two from Kissalaut, besides an equal number that had been seen between Toeloesaij and Hatiahoe. One from Corporal Joseph Pietersz and the second messenger of Saparoua, Jan Namulata, dated the 5th of July, stating that at Haija they had learned from the people and the elders there that Cerammers were on the verge of coming down from above, consisting of two persons, namely Mataulu of Kellimoerij and Kiris of Ceijlor, one of them wielding authority over some junks as captain; the said inhabitants of Haija, upon being asked for their grounds of knowledge, having said that the orangkaij's son named Hoewaija, who had recently returned there from Werinama, had brought that news with him; who, upon being questioned by the informants, had affirmed this, adding that the Cerammers claimed the Company had spoiled and damaged their lands, wherefore they wished to come thither and seek to obtain profit through trade before their feast days. One from Cornelis Manuputij, first messenger at Saparoua, dated as just mentioned, containing nothing material. The fourth report from Christiaan Sahusiwa, messenger of Nussalaut, dated the 3rd current, stating that four Ceram junks passed by Tamilau on the 17th of July, which was seen by the informant together with all the people of the negorij; the informant having encountered a Ceram junk on the journey to Haija between Tamilau, which came towards them along the shore, but for which he went to shore out of fear, leaving the orembaeij on the beach, where that junk approached him and from which it was asked whether they were Dutchmen or if it was the messenger, calling at the same time one of the crew of the orembaeij, being a Tamilau man, to 153 73 the 16th of August 1777: to them, who then saw that that vessel was mounted with eight swivel guns, 20 muskets, and a barrel of gunpowder, learning at the same time that it consisted of people from Avan, Davang, Kelibon, and Oeron; further, that upon arriving at Leijmoe he had found a Ceram junk from Oerong lying on the beach, whose crew lived under the baleeuw there, and furthermore that at Hatihahoe a junk from Tobo was also found on the beach, regarding which, upon asking what they came to do there, those of Hatihahoe had given as an answer that the Tobo people were of their family and for that reason had come there; it being said by an elder of Werinama named Tanavara that the people of Avan, Davan, and Kelibon had robbed a certain Chinese of his property; and finally that the informant would have continued his journey to Werinama and Hatumetting, but since he saw that six Ceram junks were staying there before a river named Robot, being people from Enna Enna, Kamar, Kellibon, Batoelomi, Keslauwt, and Davang, he had been obliged to abandon his intention. The fifth or last report from Halauweta, raja of Iha, dated the 3rd of this month, holding that he, being at Coelor on the 17th of July, together with the orangkaij and the people of that negorij, saw that four Ceram junks sailed past there, which came from above or the east side, with the addition that on his further journey to Haija between that negorij and Tamilau he encountered a Ceram junk, for which he, having become afraid, had gone to the shore. Of which wandering of the East Cerammers on the inner coast, where, as is clearly evident, they have a safe retreat and hiding place, and will undoubtedly be assisted with the necessary provisions, since it would otherwise be impossible for them to remain so long in the vicinity of the clove-producing offices and districts, so that it has already been noted
Dutch transcription
151 71. den 16: Augustus 1771: Vijf maleidse Rapporten van verscheiden inhoud Concerneerende het swerven te zijn om langer den titul van Orangkaeij te voeren over een negorij wier Jnwoonders hem tog met agten of gehoor„ zamen en die hij zig door zijn wanbedrijf ook gants onwaar„ dig heeft gemaakt, temeer hij de voorsz: Tidoreesen waarlijk in zijn negorij ontfangen en transport verleend heeft na Davang enz: Waar over gedelibereerd en in aanmerking genomen wezende dat ofschoon veel geciteerde Orangkaeij van Waroe door het hier boven beschreven trouwloos en strafwaardig gedrag, be„ „halven dimotie uit het regentschap een bannissement van hier advitam ter plaatse daar het hun hoog Edelhedens zouden gelieven goed te vinden wel gemeriteerd heeft, egter uit Consideratie hij de Comp=e als een doorsle„ „pen knaap zijnde en die den Landweg van de noord en Zuijd kant van Ceram kundig is in der tijd nog van dienst zoude kunnen wezen, goed gevonden en verstaan den„ zelven eenlijk van zijn regentschap te dimoveeren en in deze Provintie op de g'eerde goedkeuring van welmelde hun hoog Edelens aan te houden, om hem egter de gelegentheid te beneemen van te kunnen echappeeren na Boeroe te verzenden met uitdrukkelijk bevel aan den resident aldaar, om hem naukeurig te doen gaade slaan en zorge te dragen dat hij het van daar niet ontvlugte, zijnde wijders nog goedgevonden 's fiscaals berigt met met de daar bij overgelegde stukken hun hoog Edelens ter believende speculatie aan te bieden. vervolgens zijn nog gelezen vijf maleidse en trans er Cerammers na batavia te zenden laat nederduitsche Rapporten van Saparouas opper hoofd van Blijdenbergh gerigt en aanden heer Gouverneur toegezonden, namentlijk Een van de boode van Nussalaut Christiaan Sahu sina gedagteekend 10: Julij passato behelzende dat t dat hem te Haija door eenen Sapalau gezegd was dat 'er hoger op agt Ceramse Jonken lagen bij de plaats genaamt Lijmoe, welke reeds voor ses dagen daar aan gekomen waren, als twee van Tobo, twee van Ceijlor, twee van Batoelomi en twee van kissalaut, behalven nog een gelijk getal die tusschen Toeloesaij en Hatiahoe gezien waren.. Een van den Corporaal Joseph Pietersz: en tweede boode van Saparoua Jan Namulata gedateert 5: Julij die„ teerende dat zij te haija van het volk en de oudstens aldaar ver„ nomen hadden, dat 'er Cerammers van bovenstonden af te komen, bestaande in twee perzonen als Mata= ulu van kellimoerij en Kiris van Ceijlor, voerende de eene als Capitain het gezag over eenige Janken, hebbende gemelde Jnwoonders van Haija op de vrage na redenen van wetenschap gezegt dat des oranghaeijs zoon genaamd Hoewaija kortelings van Werinama aldaar terug gekomen die tijding had mede gebragt; welke daar op door de rela „tanten ondervraagd zijnde zulx had g'affirmeerd, onder bijvoeging dat de Cerammers voorgaven de Comp=e haare landerijen bedorven en beschadigt had, zijlieden daarom der waards wilde komen en door den handel profijt zien te behalen voor haar feest dagen. Een van Cornelis Manuputij eerste boode te Saparoua gedateert als eeven niets zakelijks behelzende dicteerd. het vierde Rapport van Christiaan Sahusiwa boode van Nussalaut gedateert 3: Courant dat 'er vier Ceramse Janken voor bij tamilau op den 17: Julij zijn gepasseert, 't geen door den relatant nevens alle het negorijs volk gezien is, zijnde hem relatant op de reise na haija tusschen tamilau een Ceramse Jonk ontmoet, die langs de wal na hun toequam, dog voor dewelke hij uit vreese na de wal is gegaan, latende de orembaeij aan strand leggen, waar die Jonk hem ge nadert is en uit dewelke gevraagt wierd of zij hollanders waren dan wel of het de boode was, roepende teffens een vat 't volk den Orembaeij zijnde een tamilauwer bij 153 73 den 16: Aug:s 1777: bij hunlieden welke als toen gezien heeft dat dat vaartuig gemonteerd was met agt draaij bassen, 20: snaphanen en een vat buskruit, vernemende teffens dat het bestond uit volkeren van Avan, davang, Kelibon en Oeron„ voorts dat hij op Leijmoe komende een Ceramse Jonk van Oerong op het strand had vinden leggen, welkers manschap onder de baleeuw aldaar woonden, en wijders dat te Hatihahoe mede een Jonk van Tobo op het strand gevonden is, welke op de vraagen wat zij daar quamen doen, die van Hatihahoe ten antwoord gegeven hadden, dat de Toboeesen van hunne familie en om, die reden daar gekomen waren, wordende door een oudste van Werinama genaamt Tanavara gezegt, dat de volkeren van Avan, Davan en kelibon zekeren Chinees van zijn goed beroofd hadden, en eijndelijk dat den relatant zijne reize na Werinama en Hatumetting zou hebben voort gezet, dog vermits hij gezien heeft dat, zig ses Ceramse Jonken aldaar op hielden voor een rivier genaamt robot zijnde volkeren van Enna Enna, kamar, kel„ libon, Batoelomi, keslauwt, en Davang. had hij zijn voornemen moeten staken. Het rijfde of laatste Rapport van Halauweta radja van Jha gedateert 3: dezer, houdende dat hij te Coelor zijnde op den 17: Julij nevens den orangkaeij en het volk van die negorij gezien heeft dat vier Ceramse Jonken daar voor bij gevaren zijn, welke van boven of de oostkant afkwamen, met bijvoeging dat hem op zijne verdere riese na Haija tusschen die negorij en Tamilau een Ceramse Jonk is ontmoet, waar voor hij bevreest geworden zijnde na de wal was gegaan. Van welk swerven der Oost Cerammers op de binnen Cust daar zij gelijk niet onduister blijkt een veilige re„ traite en schuilplaats hebben, Ja ongetwijffelt wel met de nodige mond behoeftens zullen g'assisteert worden, dewijl het hun anders onmogelijk zou zijn zig zo lange in de nabijheid der nagul gevende Comptoiren en dis„ tricten te kunnen op houden, invoegen dat reeds is aangemerkt
English
together with the account of one Radjawang who was surprised by a Ceram junk. Said junk from Davan, heavily armed. According to the story, allegedly bought by them on Liang. Hila's chief sent notice with orders to investigate this. Proposal to place a corporal with two men on Hatoenoeko during the clove harvest approved as necessary. It was considered that, by the separate resolution of this board dated the 21st of June last, it was agreed to respectfully inform Their Right Excellencies via separate dispatches to be sent off in due time, submitting the aforesaid five reports, and adding thereto an account of one Radjawang, Capala Soa of the settlement Cabauw, who was surprised in a prahu at Duiven Island by a Ceram junk from Davan concealed there, carrying three brass and one iron swivel guns, two muskets, and further native weaponry, who had brought the informant bound to their junk, but released him again at the request or intercession of one Mamole, an native of Caijlolo, who had told them that the four straw bags of cloves, which the informant saw in the aforesaid junk, each estimated to contain three barots, were bought by the Cerammers on Liang; of which occurrence the Governor declared that he gave notice yesterday to Hila's chief Hartog, sending him the aforesaid account, and ordered him to conduct a thorough investigation, and upon any discovery to have the guilty parties apprehended and subsequently sent hither in safe custody together with the documents against them, with which the council concurred. Lastly, it was proposed by the Governor to the council whether it would not be expedient, besides at Liang and Mamala on the coast of Hitoe, where the posts have already been reinforced by His Honour, to also place a corporal with two men during the clove harvest on Hatoenoeko, not far from Aijer Pandjurang near the boundary of Zeijt and Kaiteto, since, according to the incoming reports, the Cerammers not only show themselves mostly along the Hitoese coast, but its inhabitants also need to be kept under observation more than others, and all means and ways should be prevented as much as possible from carrying on illicit trade with the aforesaid rovers, or selling their cloves to them, just as the two natives of Ceith, Latoelolij and Marapattij, currently detained in the lord's irons, have attempted to do, according to what was mentioned in a letter from Hila's chief Hartog dated 27th of July last. Thus, the above, being likewise understood in this manner by the members, was approved and agreed upon to dispatch from here tomorrow a corporal with two European common soldiers, to remain stationed at Hatoenoeko aforesaid during the approaching clove harvest. Agrees, Ringauus Appendices belonging to the secret letters and resolutions adopted in the Council of Policy at Amboina from the year 1770 to the year 1771 — for the Netherlands Register of the appendices belonging to the separate letters and resolutions of the years 1770 and 1771 No. 1: Declaration of the citizen Goedvriend containing his experiences on Ceram, dated 29th October 1770 - - - - - - - Page No. 2: Ditto of the orangkaija of Hattilen Massapait stating the arrival of a French barque on the aforementioned coast, dated the 28th October 1770: - - - - No. 3: Ditto of three elders from the aforementioned settlement of Hatilen, Latoelolij, Marapattij, and Lissapessij, also speaking of said barque, dated 29th October 1771: No. 4: Extract from the journal kept on the pantjalling De Paarl d'amour, sailing from Batavia to Amboina, beginning on the 7th January 1771: - - - Page 71 No. 5: Report in the form of a daily register kept by the Military Captain van den Brink during his recent cruising expedition to Ceram, dated the 19th May 1771: - No. 6: Ditto of the ordinary fireworker Jansz and associates to the said Captain van den Brink, dated 12th April 1771: - - - No. 7: Letter from the Ensign and Commandant on the island of Nussalant, Otto Christoffel Hengeveld, addressed to Saparoea's chief van Blijdenberg regarding the arrival of some Ceram vessels, dated 17th November 1771: - No. 8: Report of the Military Lieutenant van Eerten of his recent cruising expedition from the Three Brothers to the Duiven Island, dated the 7th August 1771: - - - - Page 61 No. 9: Ditto as above from the Ensign Delius to Honimoa, dated 11th August 1771: - - - No. 10: Malay translation of a dispatch written by the orangkaija of Kellibon to the Governor No. 11: Translation of a Malay letter by Simon Patiruhu and associates, orangkaija of Hatoesua, to Haroeko's chief Cruijpenning, dated 6th June 1771: - - - - - - - - No. 12: Ditto ditto by the orangkaija of Hatumetten Janevare to the Governor, dated 10th June 1771: - - - - Page 70 No. 13: Account by Jan Paulus, soldier stationed at Ceith, regarding the encounters with a Ceram vessel, dated the 24th May 1771: No. 14: Ditto as above by Abraham Christoffel, dated the 3rd June 1771: - - - - No. 15: Ditto as above from the soldier Daniel Pietersz, dated 1st August 1771: - No. 16: Report of the Burgher Captain Johannes Coning of his undertaken expedition to the hinterland of Boura, dated 9th July 1771: - No. 17: Short register of the following papers of the Fiscal Schilling, dated July 1771. No. 18: Report of the Fiscal Schilling concerning the former orangkaija of Waroe named Warve, dated 22nd July 1771: - - - - Page 93 No. 19: Ditto
Dutch transcription
mitsgaders het relaas van eenen Radja wang die door een Ceraens Jonk geworden. gemelde Jonk van Davang en sterk g'armeert volgens verhaal op liang door hun zoude gekogt zijn. hilas opperhoofd onder toezending gegeven met last om daar na re cherge te doen propositie om op hatoenoeko geduurende de nagul oogst een Cor poraal met twee man te plaatten als noodzakelijk g'amplocteert. aangemerkt bij de aparte resolutie dezer tafel van den 21: Junij Jongstleden verstaan wierd hun hoog Edelens tijd aff te gaane aparte advisen eerbiedig kennis te geven, onder aanbieding van de voorsz: vijf rapporten, en daar nevens te voegen een relaas van eenen Radjawang, Capala Soa van de negorij aan het duijven Eiland is verratt Cabauw die aan het duive Eiland in een prauw is verrast geworden door een aldaar verschoolene Ceram, se Jonk van Davan, voerende drie metale en een ijzere draaij bas, twee snaphanen en verdere Inlands wapentuig, welke den relatant gebonden na haar Jonk hadden gebragt, dog hem weder op verzoek of voor„ spraak van eenen Mamole Jnlander van Caijlolo in vrijheid gestelt, welke hun verhaald had, dat de vier hebbende vier zakken nagulen in, die stro sakken met nagulen, die den relatant in de voorsz Jonk gezien heeft, ieder na gissing inhoudende drie barot door de Cerammers op Liang gekogt waren, van welk geval den heer Gouverneur verklaarde hilas opperhoofd Hartog gisteren onder toezending van het van gem: relaas hier van kennisse voorsz: relaas kennisse gegeven en gelast te hebben om daar na nauwkeurige recherge te doen, en bij eenige ontdekking de schuldige in apprehensie te doen nemen en vervolgens met de stucken ten hunnen laste in goede verzekering herwaards op te zenden, waarmede de vergadering zig heeft geconfirmeert. Laastelijk door den heer gouverneur aan de verga„ dering voorgestelt zijnde of het niet dienstig zoude wezen om behalven op Liang en Mamala aande Cust van Hitoe, daar, door zijn Ed: de postjes reets versterkt zijn ook een Corporaal met twee man geduu„ rende de nagul oogst te plaatzen op hatoenoeko niet verre van aijer pandjurang omtrent de grens scheijding van Zeijt en Kaiteto, nademaal volgens de 155 75. den 16: Aug 1771: de daar van inkomende berigten de Cerammers zig niet alleen het meest onder de hitoese Cust vertoonen, maar dies inwoonders ook meer dan an„ deren dienen in 't oog gehouden en alle middelen en wegen zo veel mogelijk benomen te worden, om met de voorsz: swervers mors handel te pleegen, of hunne nagulen aan dezelve te verkoopen, gelijk de tans in 's heeren boeijen gedetineerde twee inlanders van Ceith Latoelolij en Marapattij getragt heb„ ben te doen na het vermelde bij brief van hibas opperhooft hartog gedateert 27: Julij passato zo is het vorenstaande bij de Leeden mede in diervoegen begrepen wezende goedgevonden en verstaan op morgen van hier af te zenden een Corporaal met twee europeese gemeene mi„ litairen om geduurende de op handen zijnde nagul oogst op hatoenoeko voorm: gepos teert. te blijven Accorteert Ringauus Bijlaagen gehoorende tot de secreeti¬ Breeven en Resolutien genomen en Raade van Politi te Amboina reeden den Jaare 170. tot Ao 171: — voor Neederland istet 157 „ 2: _=o van den orangkaija van Hattilen Massapait dicteerende de aankomst van een fransche Barcq aan eevengem: Cust gedateert den 28:' October 1770: - - - - „ „ 3: _=o van drie oudstens uit de eeven gem: Negorie van Hatilen, Latoelolij, Marapattij: en Lissapessij Spreekende almeede van die gemelde burcq ged=t 29:' 8ber: 1771:„ „ 4: Extract uit het Iournaal gehouden op de Pantjalling de Paarl d'amour, zeijlende van Batavia naar Amboina, beginnen„ „de op den 7:' Januarij 1771: - - - „ 9:7: „ 5: Rapport bij forma van Dag Register gehouden door den Capit: militair van den Brink geduu„ „rende zijne Iongst gedane bekruijssingen naar Ceram gedat: den 19:' meij 1771:-„ „ 6: _=o van den ordinair vuurwerker Iansz: C: S: aan den gem: Capiteij van den Brink geda„ „ 7: Brief van den vaandrig en Commandant ten Eijlande Nussa„ „lant otto Christoffel Hengeveld. gerigt aan Saparoeas Hoofd van Blijden„ „berg noopens de aankomst van eenige Ce„ „ramse vaartuigen gedat=t 17:' 9ber: 1771:-„ „teert 12:' april 1771: - - - „ N„o 1: verklaringe van den burger Goedvriend behelzende zijn weder vaaren op Cerams gedat=t 29: oc„ „tober 1770: - - - - - - - P=a Register der Sijlaa„ „gen gehoorende stot de aparte Brieven en Resolutien: - van Ao, 177 1770: en 1771 No. 8. g N=o 8: Rapport van den Lieutenant militair van Eerten van zijne Iongst gedane bekruijssingen van de drie gebroeders tot het duijven Eijland ged=t den 7:' Aug=s 1771: - - - - P=o 61: „ 9: _=o als eeven van den vaandrig Delius naar Ho„ „nimoa ged=t 11:' aug=s 1771: - - - „ „ 10: maleids Translaat missive gesz: door den orankaija van Kellibon aan den Heer gouverneur „ „ 11: Translaat maleidse brief door Simon Patiruhu C: S: orangkaija van Hatoesua aan Haroe„ „kos hoofd Cruijpenning ged:t 6: Junij 1771: - - - - - - - - „ — „ 12: _=o _=o „ door den orangkaija van Hatumetten Janevare aan den Heer gouverneur gedateert 10:' Junij 1771: - - - - „ 70 „ 13: Relaas door Ian Paulus soldaat bescheiden onder Ceith noopens de ontmoetingen met ben Cerams vaartuig gedateert den 24:' maij 177:„ „ 14: _=o als Eeven door Abraham Christoffel ged=t den 3:' Junij 1771: - - - - „ als eeven van den soldaat Daniel „ 15: Pietersz: gedateerd P=mo aug=s 1771:-„ „ 16: Berigt van den Burger Capitain Iohannes Coning van zijn gedaane togt na het agter land van Boura gedat:t 9: Julij 1771:-„ „ 17: Registertje van de daar agter aan volgende Papieren van de fiscaal Schilling ged=t Julij 171. „ „ 18: Berigt van den fiscaal Schilling betreffende den gew: orangkaaij van waroe in name Warve ged=t 22:' Julij 1771: - - - - „ 93 _=o No. 19.
English
159 No. 19: Extract from a declaration provided by the Tidorese Lokman, concerning the transport from Waroe to Iavang, dated 17 January 1771: - - - - Folio 93: No. 20: Declaration of the native Djambohonij and associates, of their abduction and further encounters both at Bouro and on Ceram, dated 20 May 1771: - - Folio 105 No. 21: Extract from the report of the military Captain van den Brink regarding the aforementioned orangkaya of Waroe, reporting on what was performed on the commission to the South and North Coast of Ceram by van den Brink and associates, dated 31 May 1774: - - Folio 113: No. 22: Ditto from an account given by a native of Amblauw named Rahiel, containing that 20 Papuan mahoelis were present at the negorij of Waroe, dated 3 May 1771: - Folio 117: No. 23: Ditto, dated 19 May 1771: - - - - - Folio No. 24: Declaration of the orangkaya of Waroe of the arrival in his negorij of Tidorese envoys, dated 28 May 1771: - - - - Folio 121: No. 25: Instructive articles given by the Honorable Ordinary Councilor and then Governor of this province, Hendrik Breton, to the inhabitant of the negorij of Waroe, dated 10 November 1768: Folio 125: No. 26: Letter from the Governor of Ternate, Valkenaar, to the Governor of this province, Ioan Abraham van der Voort, dated 17 May 1771: - - - Folio 129: No. 27: No. 27: Letter from the Governor of Ambon, van der Voort, to Ternate, being the answer to the abovementioned letters received from there, dated 26 August 1771: - - Folio 133: No. 28: Report to the Head of Saparoea, van Blijdenberg, by Corporal Ioseph Pietersz and associates, of their experiences on Ceram, dated 5 July 1771: - - - - - - - - Folio 137: No. 29: Ditto to the same as above by Co. Manuputij, of his executed commission to Ceram, dated 5 July 1771: - - - - - Folio 141: No. 30: Ditto to the same as above by Christiaan Sahusina, messenger of Nussalauwt, regarding his activities on Jepa, dated 10 July 1771: Folio 145: No. 31: Ditto to the same as above by the Raja of Iha Haluweta, of his activity on Ceram, dated 3 August 1771: - - - - Folio 149: No. 32: Ditto by Christiaan Sahusiwa, messenger of Nussalant, of his executed commission on Ceram, dated 3 August 1771: - - Folio 153: No. 33: Attestation of the native Radjawane, Capala Soa of the negorij of Cabauw, of his kidnapping by some Cerammers, and further occurrences, dated 10 August 1771: - - Folio 157: No. 34: Report to the Head of Saparoea, van Blijdenbergh, by the native Bakar Alij, of his executed commission to the Coast of Ceram, dated 16 September 1781: - - - - Folio 161: 1774 Amboina Victoria, on the last day of August Anno 1772 107: 153: Ca 1 161 On this day, the 29th of October Anno 1770, appeared before the undersigned commissioned members of the Hongi Council, together with me, the Secretary, in the presence of the titular Junior Merchant and Fiscal of the fleet, Dirk Goetbloed: The Ambon burgher Pieter Goedvriend of Leuven, aged fifty-eight years, being of the Roman Catholic religion, who, upon express questioning whether during his stay here a two-masted French bark anchored before this negorij, where it lay, who guided those foreign Europeans, what they did here, whether they also asked for spices or their trees, whither they subsequently steered their vessel, and when all of this occurred, declared it to be the pure and honest truth, as well as knowing well and having thorough knowledge that in the month of March or April of this year (the day unspecified) a two-masted French bark tacked back and forth before this negorij, and eight men, together with a soldier formerly stationed at the post of Sawaij who, as he heard, had deserted from there to those foreign Europeans, all provided with firearms, came ashore; that the said soldier went to the house of the Orangkaya and delivered a message to that Regent in the name of the Captain of the French bark that the same would come ashore immediately to fetch water, firewood, and provisions. That thereupon the boat returned to the ship; shortly thereafter the Captain of that vessel set foot on land, sent the boat back to the ship a second time, but kept three of the boat's crew with the aforementioned soldier, the latter to show him the way, by his side; and after having walked through the entire negorij with him, told the Orangkaya that he wanted to have six slaves, and that if he delivered them to him willingly, he would also pay for them properly. That thereupon the Orangkaya conferred with him, the declarant, and they together deemed it best that the Orangkaya surrender a pair of poor slaves to the said Captain, and that he therefore, after previously having shown more than ten sickly and crippled slaves to the Captain, surrendered two Papuan slaves for
Dutch transcription
159 N„o 19: Extract uit een verklaring verleend door den Tidorees Lokman, betreffende het transport van waroe naar Iavang gedateert 17: Jann: 1771: - - - - P=/o 93: „ 20: verklaring van den Inlander Djambohonij C: S: van hunne ontschaking en verdere ontmoeting zo te Bouro als op Ce„ „ram ged=t 20:' maij 1771: - - „ 105 „ 21: Extract uit het Rapport van den Capt: militair van den Brink ten aspecte van den hier voorengem: orangkaija van Waroe berigt. noopens het geene in de Commissie van de zuijd en NoordCust van Ceram is verrigt door van den Brink C: S: gedateert 31:' meij 1774: - - „ 113: Relaas gegeven door een Inlander van Amblauw gent. Rahiel Contineerende dat aan de Negorij waroe zijn aangeweest 20: Papoese mahoelis ged=t 3:' meij 1771: - „ 117: „ 24: verklaring van den orangkaija van Waroe van de aankomst in zijn negorie van Tidoreese afgezanten ged=t den 28:' meij 1771: . - - - „ 121: „ 25: articulen Instructive door den Edelen Heer Raad ord=e en doenmalige gouverneur dezer provintie Hendrik Breton aan de Inwoonder van de negorij waroe gegeven ged=t 10:' 9ber: 1768: „ 125: „ 26: Brief van den Heer Ternaats Gouverneur valkenaar aan den Heer gouverneur dezer provin„ „tie Ioan Abraham van der voort ged=t den 17:' Meij 1771: - - - „ 129: ged=t 19:' meij 1771: - - - - - „ „ 22: _=o uit een „ 23: _=o „ N=o 27: N=o 27: Brief van den Heer ambons Gouverneur van der voort, naar Ternaten zijnde het andwoord op de bovengem: van daar ontfangen missiven ged=t 26: Aug=s 1771: - - P=/o 133: „ 28: Rapport aan het Saparouas Hoofd van Blijdenberg. door den Corp=l Ioseph Pietersz: C:S: van hun wedervaaren op Ceram gedateerd 5:' Julij 1771: - - - - - - - - „ 137: „ 29: _=o aan als booven door C=o manuputij van zijne gedane Commissie naar Ceram, ged=t den 5:' Julij 1771: - - - - - „ 141: „ 30: _=o aan als boven door Christiaan Sahusina bode van Nussalauwt weegen zijne Verrigtingen op Jepa ged=t 10:' Julij 177: „ 145: „ 31: _=o „ boven door den Radja van Tha Halu„ „weta van zijne verrigting op Ceram _=o door Christiaan Sahusiwa bode van Nussalant van zijne gedane Commissie op Ceram, ged=t 3:' aug=s 1771: - - „ 153: „ 33: attest van den Inlander Radjawane Capala Soa van de negorie Cabauw van zijne opligting door eenige Cerammers, en verdere voorvallen ged=t 10:' aug=s 1771: - - „ 157: „ 34: Rapport aan het Saparouas hoofd van Blijdenbergh door den Inlander Bakar Alij van zijne ge„ „dane Commissie naar de Cust van Ceram gedateert 16: 7ber: 1781: - - - - „ 161: ged=t 3:' aug=so 1771: - - - - „ 149: 1774 Amboina victoria Adijulto Augustus Ao 1712 „ 32: _=o 107: 153: Ca 1 161 Op Heden den 29: October A„o. 1770. Compareerde voor de Ondergeschreeven gecommitteerde Leden van den Hongij Raad, nevens mij Secretaris, ten overstaan vanden titulair ondercoopman en fiscaal vande vloot Dirk Goetbloed. Den Ambonsburger Pieter Goedvriend van leuven oud agt en vijftig Jaren zijnde van de Roomse Godsdienst de„ „welke op expresse afvrage of gedurende zijn verblijf alhier geen twee maste france Bark voor deze negorij ten anker gekomen is, waar dezelve geleegen, wien die vreemde Europeen de weg gewezen heeft, wat alhier gedaan, of ook na Specerijen dan wel derzelver bomen gevraagt, werwaarts vervolgens de steven gewend hebben, en wanneer het een en ander voorgevallen is. ? Declareerde de zuijvere en opregte waar„ „heid te wezen, mitsgaders wel te weeten en grondige kennisse te dragen dat in de maand Maart of April dezes Jaars /: de dag onbepaalt :/ een twee maste france bark voor deze negorij over en weder gelaveert heeft, en agt man met een ter poste sawaij bescheiden geweest zijnde, dog zo hij vernomen heeft van daar tot die vreemde Europeen overgelopen soldaat, alle van geweir voorzien aan de wal gekomen zijnde, gerepte sol„ „daat zig naar de woning van den Orangkaij vervoegt, en dien Regent uit naam van den Capitain van de france Bark gebootschapt heeft, dat den zelven aanstonds aan land zou komen om water, brandhout, en provisien te halen. Dat daar op de schuijt naar boort te rug kerende kort daar aan de Capitain van dien kiel voet aan Land gezet, de schuit ten tweede maalen naar boort te rug gezonden, maar drie van het schuijts volk met voormelde zoldaat, de laaste om hem de weg te wijsen bij zig gehouden, en na dat met den zelven de gantsche negorij doorgegaan was, tegen den Orangkaij gezegt heeft, hij zes slaven wilden hebben, en dat indien hem die goedwillig leverde, hij dezelve dan ook wel betalen zou. Dat daar op den orangkaij zig met hem declarant bera„ dende, zij te samen best oordeelden de Orangkaij een paar slegte slaven aan gem: Capitain afstond, en die dierhalven na dat bevorens meer dan tien stux Castaterige en kreu„ „pele aan, den Capitain vertoondt hadt twee papoese slaven voor
English
Today, the 29th of October Anno 1770, appeared before the undersigned delegated members of the Hongi Council, together with me, Secretary, in the presence of the titular junior merchant and fiscal of the fleet Dirk Goetbloed, the Ambon burgher Pieter Goedvriend of Leuven, aged fifty-eight years, being of the Roman Catholic religion, who, upon express questioning whether during his stay here a two-masted French bark had dropped anchor before this village, where it had lain, who showed those foreign Europeans the way, what was done here, whether spices or their trees were inquired after, whither they subsequently steered their vessel, and when each of these things occurred, declared it to be the pure and sincere truth, and also to know well and possess thorough knowledge that in the month of March or April of this year, the day undetermined, a two-masted French bark tacked back and forth before this village, and eight men with a soldier who had been stationed at the post Sawai, but as he learned had deserted from there to those foreign Europeans, all provided with firearms, having come ashore, the said soldier proceeded to the house of the Orangkai, and delivered a message to that Regent in the name of the captain of the French bark that he would soon come ashore to fetch water, firewood, and provisions. That thereupon the boat returning to the ship, shortly thereafter the captain of that vessel set foot on land, sent the boat back to the ship for the second time, but kept three of the boat's crew with the aforementioned soldier, the latter to show him the way, and after he had walked through the entire village with him, said to the Orangkai that he wanted to have six slaves, and that if he delivered them willingly, he would also pay well for them. That thereupon the Orangkai consulting with him, the declarant, they together deemed it best that the Orangkai cede a couple of poor slaves to the said captain, and that he therefore, after having previously shown more than ten cast-off and crippled ones to the captain, sold two Papuan slaves to him for forty rixdollars each; which aforementioned captain, according to what he said, intended to take with him to Mauritius for the amusement of his wife. Furthermore, the deponent declared that although the bark had meanwhile dropped anchor on the reef, the captain nevertheless did not return on board that evening, but turning to him, the declarant, asked who he was, where born, what he had to do here, how long he had served the Company, and where his dwelling was. That he, the declarant, replying thereto that he had served the Company for about thirty years, that he was now in burgher freedom, for that reason had come to this village to conduct trade, and that his dwelling place was on the baleu, the captain further requested him to be permitted to sleep there that night as well, and that he, consenting to this as he did not dare refuse, thus entered further into conversation with the captain, and was then asked by the same where in this place nutmeg and clove trees were to be found; to which he served in reply that these did not stand on Ceram's north coast; the captain replied again that there had to be one nutmeg and two clove bays here, because they were marked on his charts, but that the strong northwesterly winds had prevented him from calling at them, adding that he had expressly come hither from Mauritius, not for cloves and nutmegs, which he knew how to obtain in plenty, but to buy the trees and bring them to Mauritius, whither he intended to return around the back of Goram and past the Land of Eendragt; at the same time promising him, the declarant, that he would show him on his charts the places where the nutmeg and clove trees grew. That the evening having been spent in these and similar discourses, and the captain having purchased a quantity of coconuts, pumpkins, and poultry in the morning, he requested him, the declarant, to go on board with him to take the midday meal there, but that he refusing this, the captain departed for the ship at ten o'clock in the morning, and in the afternoon his commander with a mate who was at the same time a cartographer.
Dutch transcription
Ca 1 Op Heden den 29: October A„o. 1770. Compareerde voor de Ondergeschreeven gecommitteerde Leden van den Hongij Raad, nevens mij Secretaris, ten overstaan vanden titulair ondercoopman en fiscaal vande vloot Dirk Goetbloed. Den Ambonsburger Pieter Goedvriend van leuven oud agt en vijftig Jaren zijnde van de Roomse Godsdienst de„ „welke op expresse afvrage of gedurende zijn verblijf alhier geen twee maste france Bark voor deze negorij ten anker gekomen is, waar dezelve geleegen, wien die vreemde Europeen de weg gewezen heeft, wat alhier gedaan, of ook na Specerijen dan wel derzelver bomen gevraagt, werwaarts vervolgens de steven gewend hebben, en wanneer het een en ander voorgevallen is. ? declareerde de zuijvere en opregte waar„ „heid te wezen, mitsgaders wel te weeten en grondige kennisse te dragen dat in de maand Maart of April dezes Jaars /: de dag onbepaalt :/ een twee maste france bark voor deze negorij over en weder gelaveert heeft, en agt man met een ter poste sawaij bescheiden geweest zijnde, dog zo hij vernomen heeft van daar tot die vreemde Europeen overgelopen soldaat, alle van geweir voorzien aan de wal gekomen zijnde, gerepte sol„ „daat zig naar de woning van den Orangkaij vervoegt, en dien Regent uit naam van den Capitain van de france Bark gebootschapt heeft, dat den zelven aanstonds aan land zou komen om water, brandhout, en provisien te halen. Dat daar op de schuijt naar boort te rug kerende kort daar aan de Capitain van dien kiel voet aan Land gezet, de schuit ten tweede maalen naar boort te rug gezonden, maar drie van het schuijts volk met voormelde zoldaat, de laaste om hem de weg te wijsen bij zig gehouden, en na dat met den zelven de gantsche negorij doorgegaan was, tegen den Orangkaij gezegt heeft, hij zes slaven wilden hebben, en dat indien hem die goedwillig leverde, hij dezelve dan ook wel betalen zou. Dat daar op den orangkaij zig met hem declarant bera„ dende, zij te samen best oordeelden de orangkaij een paar slegte slaven aan gem: Capitain afstond, en die dierhalven na dat bevorens meer dan tien stux Castaterige en kreu„ „pele aan, den Capitain vertoondt hadt twee papoese slaven 161 voor voor vaertig rijxd„s ieder aan denzelven verkogt heeft; die meer„ „melde Capitain volgens zijn zeggen van voornemen was tot plaisier voor zijn vrouw met zig naar Mauritius over tevoe„ „ren. - Voorts declareerde den relatant dat alschoon de Bark intus„ „schen op het rift het anker had laten vallen, den Capt=n egter dien avond niet weder naa boort gegaan is, maar zig tot hem declarant wendende gevraagt heeft, wien hij was; waar ge„ „boren, wat hier te verrigten, hoe lange de Comp: gedient hadt, en waar zijn woninge was. dat hij declarant daar op antwoordende de Comp: Circa dertig Jaren gedient te hebben, dat nu in burger vrijdom, uit dien hoofde tot het drijven van handel naar deze negorij ge„ „komen en zijn woonplaatse op de baleeuw was, de Capitain hem verder verzogt heeft, dien nagt daar meede te mogen slapen, en dat hij zulx als niet durvende weijgeren, toestaan„ „de, dus alverder met den Capitain in gesprek raakte, en hem als toen door denzelven gevraagt is waar ter plaatze noten en nagel bomen te vinden waren, mitsgaders dat hij daar op in antwoord dienende, die aan Cerams noord Cust niet stonden; de Capitain weder gerepliceert heeft, hier een noten en twee nagel baaijen moesten zijn, want dat die in zijne kaarten bekent stonden, maar de sterke noord weste winden hem belet hadden dezelve aante doen, met bijvoeginge dat expres van Mauritius herwaarts gekomen was, niet om nagelen en noten die genoeg te krijgen wist, maar om de bo„ „men te kopen, en die naar Mauritius te brengen, werwaarts agter goram om en langs het land van den Eendragt heen te rug meende te keeren; teffens hem declarant belovende dat hem de plaatsen alwaar de Noten en Nagul bomen groeijden in zijn kaarten aantoonen zou. dat met deze en diergelijke discourssen den avond doorge„ „bragt wezende, en de Capt:n des morgens een parthij Clappus pompoenen en gevogelte gekogt hebbende, hem declarant verzogt mede naar boort te willen gaan om aldaar het mid„ „dag maal te houden, dog dat hij zulx weijgerende, de Capt:n des morgens te tien uuren naarboort vertrokken is, en smiddags zijn Commandeur met een stuurman die te gelijk kaartema„ ker. —
English
163 ashore, and sent to him, the declarant, and also had a musket presented to him by those two persons, and had four maps shown to him, namely two Dutch, one English, and one French, in all of which the declarant testified to have seen that Cambello was noted therein as a clove trading post, Cauwa as a clove bay, and the Makohalat river also as a clove bay or spice river. The relator further declared that after this had been shown to him, the aforementioned Commander offered him, in the name of the Captain, one thousand rixdollars or Spanish dollars if he would come over to them and cross over with the bark to Mauritius, and if he pointed out spice trees to them, on top of that one hundred Spanish dollars for each young tree that would be brought thriving and well to Mauritius; which the declarant states he refused, and gave in answer to the Commander that he had a wife and children at Amboina, and was not of a mind to abandon them, and that concerning Cambello, the Honourable Company had already demolished that place well over one hundred years ago after all the clove trees there had been eradicated, and had settled the people at Amboina to cultivate the clove culture in that place; as well as that at the Makohalat river there lived none other than a wild and savage people who occupied themselves with taking each other's lives, or as the declarant expressed it, headhunters. The appearer further declared that the aforementioned Commander and mate having subsequently departed back on board in the afternoon, the bark then immediately weighed its anchor, but that it was in his estimation fully ten o'clock in the evening before that vessel got under sail, which was caused by the fact that those strangers, whatever trouble they took, could not bring their anchor home, which iron the declarant maintains they must have lost on the rocks; while with regard to the question put to him, what course that bark set from here, [illegible] set from here, and whether the orangkay of this hamlet is not aware that the repeatedly mentioned French Captain slept one night with him, the declarant, on the bale-bale, he answered that the said French bark, leaving this settlement, steered eastwards, and in his opinion the Captain's stay on the bale-bale must well be known to the orangkay, but that it might nevertheless be that this regent is ignorant of it, since as soon as the bark cast anchor, the women and children had retreated into the woods, and the orangkay, to look for his wife and children towards the evening when he, the declarant, was in conversation with the Captain, separated himself from them and also went thither, without returning to the settlement that evening, so far as the declarant knows. Lastly, the declarant also related that in the month of May or June of this year, four Papuan vessels from Roemasoal, or Mixoul, appeared before this settlement, and their masters told him that in the preceding month of March a Spanish or English ship had been at the Papuan Island Gebe, likewise at the districts of Maba, Weda, and Pattanij situated on the coast of Halmaheira, to barter spice trees for muskets as well as gold and silver moors, and that those foreign Europeans had, among other things, not only obtained thirty small trees at a single settlement whose name is unknown to the declarant, but also promised to return after the lapse of seven months. Wherewith the appearer ended this, his deposition, giving as reasons for his knowledge as in the text, and being ready, if required, to confirm the same with a solemn oath. Below was written: Done at the Settlement of Hatiling, date as above. Was signed: P:r Goedtvriendt. Lower: In the presence of me, signed: N:s Galloo. In the margin: Present before us, signed: P: B: De Mackenna and G: Hengeveldt.
Dutch transcription
163 „ker was, aan de wal, en bij hem declarant gezonden, mitsga„ „ders hem door die twee personen een snaphaan present doen, en vier kaarten laten vertoonen heeft, te weeten twee hollandse: een Engelsche en een france, in alle dewelke den declarant betuijgde gezien te hebben dat Cambello daar in bekent stond voor een nagul Comptoir, Cauwa voor een nagul bhaaij en de rivier Makohalat meede voor een Nagul bhaaij of noten rivier. Declareerde den relatant verder dat na hem zulx vertoont was, den Commandeur voormeld hem uit naam van den Capitain een duijzendt rijxd:s of spaansche matten aange„ „boden heeft indien tot hun overkomen, en met de bark naar Mauritius overgaan wilde, en wanneer hun specerij bomen aanwees, nog daar en boven een hondert spaanse mat„ „ten voor elke jonge boom die fleurig en wel op Mauritius zou worden gebragt; 't welk den declarant verklaart gerefu„ „seert, en den Commandeur in antwoord gegeeven te hebben dat te Amboina vrouw en kinderen hadt; en niet van gedagten was dezelve te verlaten, en dat belangende Cambello, de Ed: Maat„ „schappij die plaats voor ruijm een hondert Jaren na dat alle de nagul bomen aldaar uijtgeroeijt waren, bereets gedemolieert en het volk te Amboina geplaatst hadt, om daar ter plaatze de nagul Culture voort te queeken; gelijk ook dat aan de rivier Makohalat niet anders dan een wild en woest volk die zig met elkander het leven te beneemen ophouden /: of zoo den declarant zig uittede koppesnelders :/wonden. Declareerde den Comparant alverder dat den Commandeur en stuurman voormeld vervolgens des namiddags weder naar boort vertrokken zijnde, de bark toen opstonds zijn anker geligt heeft maar dat het na zijn gissing wel tien uuren des avonds geweest is, voor dat dien bodem onder zeil geraakte 't geen veroorzaakt wierd, door dien die vreemde„ „lingen wat moeite ook deeden hun anker niet konde thuijs krijgen, welk houlizer den declarant sustineert, dat zij op de klippen verloren moeten hebben; terweijl ten aanzien: van de aan hem gedane vrage, wat Cours die bark van hier meer„ was tot vertevoe¬ tus in t=m tot aa hadt, tig tain toestaan„ tze st die weste voeginge niet om d aarts us mid„ des dags ma„ m hem ter hier gesteld, en of den orangkaaij van dit gehugt niet bekent is dat meermelde france Capitain een nagt bij hem de Cla„ „rant op de baleeuw geslapen heeft, antwoorde dat gedagte france bark deze negorij verlatende Oostwaarts op geste„ „vent is, en na zijn gedagten het verblijf van den Capitain op de baleeuw den orangkaij ook wel bekent moet weezen, dog dat het nogtans wel zijn kan dien regent desweegen on„ „kundig is, vermits de vrouwen en kinderen zo haast de Bark het anker liet toegaan bosch waarts in geweeken waren, en den orangkaij om zijn vrouw en kinderen opte zoeken tegen den avond als hij declarant met den Capitain in gesprek was, zig van hun afgezondert heeft, en meede derwaarts gegaan is, zonder dien avond, voor zo verre den declarant weet in de negorij te retourneeren. Laastelijk relateerde den declarant nog, daet in de maand meij of Junij hujus anni, voor deeze negorij verscheenen zijn vier papoese vaartuijgen van Roemasoal /:of Mixoul:/ en de voerders derzelver hem verhaalt hebben, dat in de maand maart bevorens een spaans of Engelsch schip, op het Papoese Eijland Gebe, item op de Cust van Halmaheira gelegen districten Maba, Weda en Pattanij aangeweest is, om specerij bomen tegen snaphanen zo mede gout en zilver moor te troucqueren, en dat die vreemde Europeen onder andere op een enkelde negorij welkers naam den declarant onbekent is, niet alleen dertig boomptjes be„ „komen, maar ook belooft hebben na verloop van zeeven maanden te rug te zullen komen. Waar meede den Comparant dit zijn declaratoir eindigde, gevende voor reedenen van wetenschap Ut in textu en bereijd zijnde 't zelve des gerequireert wordende met solemnele eede te bevestigen /:onderstond:/ Actum op de Negorij Hatiling dato Utsupra /:was getekent:/ P:r Goedtvriendt /:lager:/ in kennisse van mijn /:geteek:t/ N:s Galloo. /:in mar„ „gine:/ ons present /:getek:t/ P: B: De Mackenna en G: Hengeveldt.
English
165 Today, 28 October Ao: 1770. Appeared before the undersigned commissioned members from the Hongi Council alongside me, the Secretary, in the presence of the titular junior merchant and fiscal of the fleet Dirk Goetbloed: Massapait, orangkaya of the village of Hatilen, who, upon express questioning whether he does not know that in this year a two-masted French barque lay at anchor in these roads, how long it stayed here, what it did here, and whither it subsequently directed its course, as well as when this occurred, and whether those foreign Europeans did not ask to purchase spices or the young trees thereof here? declared in favour of the sincere truth to be true and truthful, that without being able to specify the time, while in his village, he heard that such a vessel had come to anchor before this post, and that upon repairing hither he also found the same here, and saw that the French exchanged all kinds of provisions for Nuremberg wares, as well as that five bags were sent on board that vessel by the former post-holder Lodewijk August Larchet, but without knowing what goods were in the same, or how long the said barque remained here. Declaring further that the aforesaid barque, departing from here, sailed on to his village, and upon their arrival there he, following the example of Sergeant Larchet, likewise provided that foreign nation for their money with a quantity of coconuts and sold two young slaves to the French for eighty rixdollars, but that he was not in the least asked by those foreign Europeans for any spices or their young trees, although he testified to being ignorant of whether they perhaps made that request to the Ambon burgher Goedvriend, who resides in his village. Wherewith the appearer concluded this his declaration, giving as reasons for his knowledge as in the text, and being prepared to confirm the same with a solemn oath if required. Beneath stood: Done at the Post of Sawai, date as above. Was signed with [illegible] a Moorish character, written beside it: this is the mark of the Orangkaya of Hatiling. Lower: in my knowledge, signed: Ns Galloa, sec. In the margin: present before us, signed: P: B: De Mackenna and G: Hengeveldt. Today, 29 October Ao 1770. Appeared before the undersigned commissioned members alongside me, the Secretary of the Hongi Council, in the presence of the titular junior merchant and fiscal of the fleet Dirk Goetbloed: Latololij, Marapatij, and Lissapessij, all three elders of the village of Hatilen, who, upon express questioning whether they do not know that in this year a two-masted French barque lay at anchor before this village, what those foreign Europeans did here, and whether they did not ask to purchase spices or the young trees thereof? declared in favour of the sincere truth to be true and truthful, as well as knowing well and having thorough knowledge, that now, to the best of their recollection, six or seven months ago a two-masted barque letting drop anchor before this village, the master thereof accompanied by a soldier from Sawai, appeared in the village with his boat's crew, all armed, and that the way was shown to them by the said soldier. That they, the declarants, seeing this and learning that it was a French barque, out of fear of that foreign nation fled into the forest with women and children and all the village folk, but returned to the village toward evening, and then saw that the master of that vessel was on the bale-bale with the Ambon burgher Pieter Goedvriendt, where they declare that he stayed that night, and having returned on board the next day, the barque set sail in the evening. Furthermore, the declarants declared not to know nor to have heard that those foreign Europeans asked to purchase spices or their young trees, but that they provided themselves here with a quantity of coconuts, pumpkins, bananas, lories, and cockatoos, and also bought two slaves from the Orangkaya. Wherewith the declarants concluded this their declaration, giving as reasons for their knowledge as in the text, and being prepared to confirm the same with a solemn oath if required. Beneath stood: Done at the village of Hatiling, date as above. Was signed with a cross and two characters, and written beside it: made by Latololij, Marapatij, and Lissapessi. Lower: in my knowledge, signed: N:s Galloo, sec. In the margin: present before us, signed: P: B: De Mackerna and G: Hengeveldt. Agrees. Haringauw [illegible] 167 Examined.
Dutch transcription
165 Op Heeden den 28 October Ao: 1770. Compareerde voor de ondergeschreeven gecommitteerde Leden uit den Hongij Raad nevens mij Secretaris, ten Overstaan van den titulair ondercoopman en fiscaal vande vloot Dirk Goetbloed. Massapait orangkaij der negorij Hatilen, dewelke op ex„ „presse afvrage, of niet weet dat in dit Jaar een twee maste france bark ter dezer Reede ten anker gelegen, hoe lange die zig alhier opgehouden, wat alhier gedaan, en werwaarts ver„ „volgens de steeven gewent heeft, als ook wanneer zulx voor„ „gevallen is, en of die vreemde Europeen hier geen specerijen dan wel derzelver Jonge bomen te koop verzogt hebben ? ten faveure der opregte waarheid declareerde waar ende waar„ agtig te weesen, dat hij zonder de tijd te kunnen bepalen, in zijn negorij zijnde, gehoort heeft zodanig een vaartuijg voor deze post ten anker was gekomen, en dat zig daar op her„ „waarts begeevende het zelve ook alhier gevonden, en gezien heeft dat de francen allerlei verversching voor neuren„ „burger wharen inruilden, zoo mede dat door den gewee„ „sen posthouder Lodewijk August Larchet vijf zakken naar boort van dien bodem gezonden maar niet te weten wat goederen in dezelve geweest zijn, of hoe lange gemelde bark alhier verbleeven is. Declareerende voorts dat meerm: bark van hier vertrekken„ „de, naar zijn negorij voortgezeilt is, en hij die vreemde natie bij aankomst aldaar voor hun gelt, na't voorbeelt van den Sergeant Larchet insgelijx met een partij Clappus voorzien en twee slaafjes voor tagtig rijxd:s aan de francen verkogt heeft, maar hem door die vreemde Europeen in 't minste na geen specerijen dan wel derzelver boometjes gevraagt is, schoon egter betuigde onkundig te zijn of zij die vrage Somwijlen aan den ambons burger Goedvriend die zig op zijn negorij bevind gedaan hebben. waar mede den Comparant dit zijn declaratoir eindigde, geven„ „de voor redenen van wetenschap. ut in textu, en bereid zijnde 't zelve des gerequireerd wordende met solemnele Eede te bevestigen /:onderstond:/ Actum op de Post Sawaij dato utsupra /:was geteekent:/ met een bekent de Cla¬ geda geste„ Capitain ze en, en, en den , gaan in de teg aand ee en coul:/ sch heira w est op een Zeeven be„ gde, tu op de riendt d op „ agte een moorse Caracter /:daar bij geschreeven :/ dit is het merk van de Orangkaij van Hatiling /:lager :/ in kennisse van mijn /:geteek„t:/ N„s Galloa sec: /in margine:/ ons present /:getek:t:/ P: B: De Macken= „na en G: Hengeveldt. Op Heeden den 29: October A„o 1770. Compareerden voor de ondergeschreeven gecommitteerde Leden nevens mij Secreta„ „ris van den Hongij Raad ten overstaan van den titulair on„ „derCoopman en fiscaal van de vloot Dirk Goetbloed. Latololij, Marapatij en Lissapessij alle drie oudstens van de negorij Hatilen, dewelke op expresse afvrage of niet weten dat in dit Jaar een twee maste france bark voor deze nego„ „rij ten anker geleegen heeft wat die vreemde Europeen alhier gedaan, en of geen specerijen dan wel derzelver Jonge bomen te koop gevraagt hebben? ten faveure der vrgte der opregte waar„ „heid verklaarden waar ende waaragtig te wezen, mitsgaders wel te weten en grondige kennisse te dragen, dat nu, na hun best onthout, zes of zeven maanden geleden een twee maste bark voor deze negorij het anker latende toegaan het hooft van dezelve verzelt van een zoldaat van Sawaij, met zijn Schuijts volk alle gewapent in de negorij verscheenen, en hun door ge„ „dagte zoldaat de weg geweesen is. — Dat zij declaranten zulx ziende en vernemende het zelve een france bark was, uit vreeze voor die vreemde natie met vrouw en kinderen en het gezamentlijke negorijs volk bosch„ „waarts ingevlugt, dog tegen den avond in de negorij gereverteert zijn, en als toen gezien hebben dat het hooft van dat vaartuig zig op de baleeuw bij den ambons burger Pieter goedvriendt bevondt, alwaar zij verklaren dat hij dien nagt verbleven, en des an„ „deren daags zig weder naar boort begeeven hebbende; de bark des avonds onderzeijl gegaan is. — Voorts verclaarden de declaranten niet te weten nog gehoort te hebben dat die vreemde Europeen specerijen dan wel der„ „zelver Jonge bomen te koop gevraagt maar dat zig hier van een partij Clappus, pompoenen, piesang, loeries en kakatoes voorzien, als ook twee slaven van den Orangkaij gekogt hebben Waar Waar meede de declaranten dit hun declaratoir eindigden gevende voor redenen van wetenschap ut in textu, en bereid zijnde 't zelve des gerequireert wordende met solemneele Eede te bevestigen /:onderstond:/ Actum op de negorij Hatiling dato Utsupra. /:was getekent:/ met een kruisje en twee Caracters /:en daar bij geschreeven:/ gesteld door Latololij, Marapatij, en Lissapessi, /:lager:/ in kennisse van mijn /:geteek„t/ N:s Galloo sec=s /:in margine :/ ons present /:geteekent:/ P: B: De Mackerna en G: Hengeveldt. Accordeert Haringauw geteek„t/ Macken= van ta„ „ van ten ego„ hier hun a naste hooft van Schuijts door ge„ t bosch„ verteert vaartuig bevondt, des an„ k van s hebben katoe 167 Nagesien
English
169 Monday the 7:th of January 1771: in the morning and throughout the day completely calm fetched water dried the sails inspected the guns and found 4: to be wet in the evening at 8: o'clock the Honorable Company's sloop De Hoop renamed Ternate arrived here in the roads together with an English three-masted ship which intended to go to China at night the wind westerly not with a fresh breeze Tuesday the 8:th of January in the morning and throughout the day the wind northerly with a light breeze clear sky good weather served our rigging cleaned the small arms after midday the wind westerly again in the evening the Honorable Company's pantjalling De Lassen arrived here in the roads at night the wind westerly. Wednesday the 9:th of January in the morning and throughout the day the wind northerly light and calm performed the necessary ship's work at night again dead calm. —. — Thursday the 10:th of January in the morning and throughout the day the wind variable with rain and thunderstorm fetched firewood with the boat gave a ½: month's ration to the crew at night calm again- - Friday the 11:th of January in the morning and throughout the day the wind northerly with a squally sky hauled our boat onto the beach cleaned the bottom of it and tarred the same at night completely calm with a squally sky with rain— Extract from the journal kept on the pantjalling De Parel a Mour sailing from Batavia to Amboina. - Saturday the 12:th of January in the morning and throughout the day the wind northerly with variable weather at night ditto with rain The young sailor named C: Eldert Elderts of Dordrecht has died. Sunday „ 13:th of Jan: in the morning and throughout the day completely calm at night ditto Monday „ 14:th ditto ditto completely calm at 10: o'clock the breeze westerly weighed our anchor and set sail together with the English ship shaped our course into the Strait of Boeton at 12: o'clock were becalmed again with a rising sky in the north instantly dropped our grapnel again at the depth of 20: fathoms sharp ground: continuation of the 14:th ditto took bearings then of the second point at north-northwest ½ north: the middle of the northern island at south by west: cleaned our small arms at night completely calm with fine weather. -- - Tuesday „ 15:th ditto in the morning and throughout the day the wind northerly with a light breeze squally sky with rain good weather remained lying at anchor performed our necessary ship's work at night the wind easterly with a squally sky good weather. —. Wednesday „ 16:th ditto in the morning and throughout the day the wind northerly with a squally sky remained lying at anchor. —. Thursday the 17:th ditto in the morning and throughout the day the wind westerly mostly calm with the flood tide weighed our grapnel and warped as much as possible toward the first narrows after midday the wind northerly again with a fresh breeze dropped our grapnel again at the depth of 15 fathoms Friday - - - „ 18:th ditto throughout the day the wind northerly with a squally sky remained lying at anchor cleaned our small arms inspected the guns and found 4: of them to be wet unloaded the same and reloaded them further at night 171 at night completely calm. —. — Saturday the 19:th of Jan: In the morning completely calm after midday the wind northwest with the flood tide weighed our grapnel and sailed toward the first narrows where we again came to anchor at 4: o'clock due to strong contrary winds at the depth of 18: fathoms. — Sunday „ 20:th ditto in the morning completely calm at 10: o'clock the current turned in our favor weighed our grapnel at once and set sail shaped the course northward into the strait and passed the first narrows at ½: 12: o'clock afternoon the wind from the southwest with a topsail breeze shaped the course to the north and north by east constantly sounded no bottom at sunset took bearings of the point of Boeton at northeast the wind still from the southwest with a squally rising sky with rain thunder and lightning shaped the course northward constantly sounded no bottom at 8: o'clock sounded and found the depth of 42: fathoms green stiff ground dropped our grapnel at once at the aforementioned depth at night the wind northerly with rain—.. Monday „ 21:st ditto in the morning and throughout the day a northerly breeze remained lying at anchor at sunrise took bearings of the Peak of Boeton east by north the Lampe Point to the south, during the day performed the necessary work. —.— Tuesday „ 22:nd ditto in the morning completely calm before noon the wind from the south weighed our grapnel at once and set sail shaped the course toward the second narrows at 10: o'clock the wind southerly with a rising squally sky with heavy rain and wind our bowsprit happened to break dropped our grapnel at once again at the depth of 25: fathoms stiff ground found that the bowsprit near the break was completely rotten without a spar on the stump of the bowsprit to carry our jib on in the evening and at night the wind westerly good weather. — Wednesday
Dutch transcription
169 Maandag den 7:e Januarij 1771: 's morgens en door den dag geheel stil haalde waater droog de zijlen visenteerde de stukken en Bevan„ „den 4: Nat te zijn 's avonds om 8: uuren quaam alhier ten reeden 's E: Comp: saloep de hoop her doop Ternaaten benee„ „vens Een Engels drie mast schip de welke de wil na siena ladt 's nags de wind wistelijk niet en Crisse Coelt Dingsdag den 8: Januarij 'smorgens en door den dag de Wind Noor„ „delijk met een Labbere coelt klaar lugt goet weer schiemande ons tuijg maakte 't hand geweer schoon na de mid„ „dag de wind weeder westelijk den 's avonds is alhier, ter reeden gekoomen 's E: Comp=s Pantjalling de Lassen 'snags de wind Wistelijke. Woensdag den 9: Januarij 'smorgens en door den dag de wind Noordelijk Lab„ „ber en stil verrigten 't noodige scheeps werk 'snags weeder dood stil. —. — Donderdag den 20: Januarij 'smorgens en door den dag de wind verabel met reegen en onweer haalde Brandhout met de schuijd geeven voor Een ½: maand randsoen aen 't volk 'snags weeder stil- - Vrijdag den 11: Januarij smorgens en door den dag de wind Noordelijk met een buijeege lugthaalden ons schuijt op strant maakten deselven onder schoon en teerden de zelven 'snags geheele stil met een buijeege lugd met ree„ „gen— Extract uit het sunnaal gehouden op, d' Pantjalling De Padrl a Mour Zeijlende van Batavia naar Amboina. - Zaburdae 9 — . Zondag Maandag Saturdag den 12: Januarij 'smorgens en door den dan de wind noordelijk met Caria„ abel weer 'snags d=o met rengen Is overleeden die Jong mar„ „troos gen:t C: Eldert Elderts van Dorderegt. „ 13. Jan: smorgens en door dag geheel stil snags d=o „ 14: d=o _=o geheel stil om 10: uuren 't lugie westelijk bie„ „ten ons Anker en lijdend onderz: berievens 't Engelse schip Boegden ons Coers straat Boeton in om 12: uuren kreegen weeder stilte met en op haalende lugt in 't noord sig „ten op stond ons dreg weeder wallen op de dipten van 20: vaam scherpe grond: vervalg van den 14: d=o Peijlden als doen de tweede wak hoek in k: N: W: ½: N: 't middag van 't noorder ijland in 't Z: h 't w: maakten ons hand geweet schoon 'snagt geheel stil met maaij weer. -- - dingsdag „ 15 d=o smorgens en door den dag de wind noordelijk met en labber Coelte buijerge bugt met reegen goet meer bleeven geankert leggen verrigt ons noodige scheeps werk snags de wind oostelijk met en buijteg lugt goet weer. —. Woensdag „ 16: d=o smorgens en door den dag de wind Noordelijk met en buijeege lugt bleeven geankert leggen. —. Donderdag den 17: d=o 'smorgens en door den dag de wind westelijk meest stil met de vloet ligten ons dreg en boegseerde zoo voel men konde nade Eerste Engten na de mid„ „dag de wind weeder noorden met en vresse Coeltie lietten ons drig weeder vallen op de diepten 15 v=m Vrijdag - - - „ 18: d:o door den dag de wind noorden met en buijeege lugt bleeven geankert leggen maakten ons hand geweer schoon visenteerde de stuken en bevond 4: daar van Nat te zijn haalden deselven aff en laadense weeder voorts 'snags 171 snags geheel stil. —. — Zaturdag den 19: Jan: Smorgens geheel stil na de middag de wind N:o W: met de vloet ligten ons dreg en zeijlde na de Eerste Engte alwaer wij weeder om 4: uuren door sterke teegen wind ten anker quae„ „men op de diepten van 18: vaam. — sondag „ 20: d=o smorgens geheel stil om 10: uuren kreegen de stroom te baast ligten op stond ons dreg en leijden onderzeijl boogden de Coers om de noord straadt in en passeerden om ½: 12: uuren de Eerste Engte na middag de wind aan 't Z: w=t met en topzeijl Coelte doegden de coers om de N: en N: t0: Laaten gestadig geen grond met sons ondergang perjlden de hoek van Boeton in 't N:o O: de wind nog aan 't zw: metEn buijeege op haalende lugt met reegen donder en weerligt Boegden de coers noorde aan laoden gestandig geen grond om 8: uuren laoden en bevonden de diepten van 42: v=m groen stik grond lietten op stond ons breg vallen op voornoemde diepten snags de wind noordelijk met reegen—.. do Maandag „ 21: d=o 'smorgens en door den dag 't lugier noordelijk blaeven g'an„ „kert leggen met sans op komst Teijlden de Piek Boetoni 't0: 't N:s de lampe hoek in 't zuijden, op den dag verrigten 't noordige werk. —.— Dingsdag „ 22: d:o smorgens geheel stil voordemiddag de wind aen 't z:t h„t lig„ „ten op stand ons drag en lijdent onder zeijl boegden de coert op de tweede Engte aan om 10: uuren de wind zuijden met en op haalende buijeege lugt met zwaar neegen en wind quaam ons boegspriet te breeken lietten op stond ons drag weeder vallen op de diepte van 25: v: stik grond bevonden dat de boegspriek bij de brenk ten Eenemaal verrat was zonder Een spier op de stomp van de boegspriek om ons kluijver daar aan te vooren savonds en 'snags de wind westelijk goet weer. — Woensdag
English
58 Wednesday the 23: Jan: in the morning entirely calm at daybreak saw the pantjalling De Lassum lying at anchor to the S:W: of us, saw also the pantjalling De Hoop renamed Ternate and the English ship sailing. Before noon the wind from the S:S:W: with a squally sky, clearing up again with calm weather, immediately weighed our grapnel and set sail, directed the course through the second narrows, which we passed at 4: o'clock, subsequently directed the course to the N:d, the wind decreasing to light and calm, dropped our anchor at 9: o'clock in a depth of 22: fathoms rocky ground. At night entirely calm. Thursday 24: d:o in the morning at daybreak entirely calm, saw the sloop Ternate lying at anchor near us, as well as the English ship, at sunrise took bearings on the north point of the Paggesaane shore to the N:W: and the point of Lewawa to the N:N:E:, through the day the wind north with squally weather, remained lying at anchor. Friday 25: d=o in the morning entirely calm, before noon the wind from the S:W: immediately weighed our grapnel and set sail, directed the course toward the point of Lewawa, at 11: o'clock the wind turned north again with a fresh breeze, dropped our grapnel again, took bearings then on the north point to the N:W: ½: W: and the point of Lewawa to the N:E: depth 15: fathoms green muddy ground, in the afternoon, evening, and at night variable with rain, thunder, and lightning. Saturday the 26: Jan: in the morning and through the day the wind N:N:E: variable with rain and wind, fetched water and firewood, at night entirely calm with good weather. Sunday the 27: Jan: in the morning and through the day entirely calm, remained lying at anchor, at night as before with squalls of rain. Monday 28: d=o in the morning at daybreak the wind easterly with a light breeze, weighed anchor and set sail, directed the course to the N:N:E: close-hauled over depths of 15: fathoms green muddy ground, at 10: o'clock got calm again and counter-current, dropped our grapnel again in the aforementioned depths. In the afternoon the wind again from the N:W: by W: to S:W:, immediately weighed our grapnel and set sail, directed the course to the N:E: by N:, at sunset took bearings on the north point of the Paggezaamen to the W: by S: and S: by E: and the point of Lewawa to the S: ½: W:, the wind from the south with a decreasing breeze, calm, dropped our grapnel again in the depth of 23: fathoms, at night entirely calm. Tuesday 29: d=o in the morning at daybreak entirely calm, at 8: o'clock a breeze from the west, weighed our grapnel and set sail, directed the course to the N:E: by N: over the depth of 15: to 25 fathoms. In the afternoon the sky gathering again in the north with thunder and lightning, dropped our grapnel again in the last-mentioned depth, took bearings then on the center of the island Wawonij to the N:E: by N:E:, furthermore at night the wind northerly, light, and calm. Wednesday 30: d:o in the morning at daybreak the wind from the E:S:E: with a light breeze, good weather, immediately weighed our grapnel and set sail, directed the course to the N:E: and E:N:E: close-hauled, at sunset took bearings on the northernmost part of the island Wawonij to the N: 2 degrees easterly and the southernmost part of Boeton to the S: ½: W:, reckoned 1:½: miles off it. Continuation of 30: d=o in the evening at 8: o'clock reckoned to have sailed since the bearing E:N: 2:½: miles. First watch the wind north with a moderate topsail breeze, directed the course E:N:E:, reckoned 3½. Second watch the wind as before with the breeze, course to the E:N:E:, reckoned 3: miles. Agrees J Baringauw 175 To the Honorable Sir Joan Abraham van der Voort Governor and Director of this Province. Honorable Sir! Saturday the 2: March Anno 1771 was when the undersigned, in order most respectfully to comply with Your Honor's highly respected orders contained in the instructions handed to me this day in accordance with the resolution taken in the Council of Policy on 5: February last past, took leave of Your Honor; whereupon Monday the 4: March in the morning at daybreak I proceeded on board the pantjalling De Catharina Geertruijda, in order with it and the pantjallings De Saparoua, De Voortvarentheid, De Lassum, and De Liefde, Respectful Report in the form of a Daily Register together with together with the orembaais of Nussanive, Kilang, Coija, Groot Hative, Latoehalat, Halong, Alang, Lillebooij, Baguala, Coelij, and Groot Hoetoemoerij, Mamala, Negorij Lima, Jtawakka, Sirrij Serrij, Sila and Akoon, Nallahia, Toelehoe, Oma, Wassoe, Hoelalieuw, Cabauw, Wackasieuw, Oering, Toebang, Hatoepoetij, together making up a number of 26: orembaais, the aforementioned vessels all being properly equipped and the pantjallings manned additionally with three and two extra sailors each, and besides that there were also placed upon them two gunners, together with two bomb-throwers, and one hundred twenty-five soldiers with Lieutenant Tekke Gosseling, Ensigns Johan Willem Schemering and Johan Thomas Hauk, likewise the commanding sergeant Hendrik de Waal and the ordinary pyrotechnician
Dutch transcription
58 woensdag den 23: Jan: smorgens geheel stil niet den dag sien de pantjalling De Lassen„ in 't Z: w=t ons ten anker leggen sien meeden de Pantjalling ae Hoop herdoopd Ternate en 't Engelsche schip zijlende. — voor de middag de wind aan 't Z: Z: w=t met een buijeege lugt dregt met koegen weeder op klaarende ligten opstond ons dog en leijden onderzeijl boegden de coers de tweede Engte door dien wij om 4: uuren passeerden voegden de Coers vervol„ „gens om de N:d de wind affneemende tot labber en stil lietten om 9: uuren ons anker vallen op de diapten van 22: v=m stk grond. snags geheel stil. —. . — Donderdag „ 24: d:o 'smorgens met den dag geheele stil sien de sloep Per„ „nate bij ons ten anker leggen als meede 't Engels schip met sons opkomst Teijlde de noordhoek van de paggesaane wal in 't n: w=t en de hoek van Lewa„ „wa en 't N: N: O: door den dag de wind noord met buijeen weer bleeven g'ankert leggen Vrijdag „ 25: d=o 'smorgens geheel stil voor de middag de wind aan 't Z:t W:t ligten op stond ons dreg en leijdent onderzijl boegden de Coers op de hoek van lewawa aen om 11: uuren de wierd weeder noorde met en vrisse coelt lietten ons dreg weeder vallen peijlden als doen de noord hoek in 't N: W:t ½: w:t de loek van le„ wewa in 't N=t O: diep 15: V=m groend stik grond na de middag savonds en snags habel met ree„ „gen donder en weerligt. —. Zaturdag den 26: Jan: smorgens en door den dag de Wind N: N: O:t vera„ „bel met reegen en winthaalde waater en brand„ „lout 'snags geheel stil met goed weer. —. Sondag - - e Sondag den 27: Jan: smorgens en door den dag geheel stil bleeven g'ankert leggen 's nags als vooren met buijeeg van reegen. Maandag „ 28: d=o smorgens met den dag de wind oostelijk met en labbere Coettligten anker en beijdent onderzeijl baagden de Coers om de N: N: O: bij de wind op over de diepten van 15: v=m groend stik grond om 10: uu„ „ven kreegen weeder stilte en teegen stroom lietten ons drag weeder vallen op voornoemde diepten. Na demiddag de wiend weeder aan 't N: W=t W=t tot Z: W=t ligten op stond ons dreg en lijdent onderzeijl. boegden de boers om de N: O: 't N:s met sons ondergang peijlden de Noord loek van de paggezaamen en 't: w: 't z: a: z=d de boek van Lewena in 't Zi½: w: de wind aan 't zuijden met en afnee„ „mende coelt stil lietten ons dreg weeder vallen op de diepten van 23: vaam snags geheel stil- Dingsdag „ 29: d=o 'smorgens met den dag geheel stil om 8: uuren 't leegie westelijk ligten ons dreegen leijdent onderzeijl boegden de Coers om de N: O: 't N: over de diepte van 15: tot 25 Van Na de middag de lugd weeder op haalende in 't Noord met donder en weerligt lietten ons drag weeder vallen op laast gemeld diepten peijlden als doen 't midden van 't eijland wawanij in 't N:o N: o: voorts snags de wind Noordelijk Labber en stil.- Woensdag „ 30: d:o smorgens met den dag de wind aen 't L: O: met en labber caelt goet neer ligten op standons dreg en lijdent onderz: boegden de Coers om de N: O: en O: N: O: bij de wint op met sons ondergang peijlden 't Noordelijkste van 't eijland wawonij in 't N:t 2zoo oostelijk 't zuijdelijkste van Boeton in 't Z: ½: w: gisten 1:½: mijl daar aff. . — vervolg van 30: d=o s savonds om 8: uuren gisten gezijld te heb„ „ben zoedert de peijling O: N: 2:½½: mij l: wagt de wind noorde met en gemeene tapzijl — 173 t op zeijl Coelt boegden de Coers O: N:o O: gegest3½. 3b wagt de wint als vooren met de Coeltcoers om de O: N: O: gegest 3: mijl. —.. . Ea Accordeert J Baringauw E en ƒ 17 175 Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Joan Abraham van der Voort Gouverneur en Directeur deser Provintie. — wel Edelen Agtbaren Heer! Saturdag den 2: Maart A„o 1771. was het dat den ondergeteekende om Eerbiedigst te voldoen aan Uw wel Ed Agtb: veel gerespec„ „teerde Ordres vervat bij de aan mij op heeden overhandigde Jnstructie volgens het geresolveerde in Raade van Politie op den 5: Febr: Jongst Leeden van Uw wel Ed: Agtb: afscheid nam:, wanneer Maandag den 4: Maart des morgens met het aanbreeken van den dag my na Boord van de Patjalling de catharina Geer„ „truijda begaf, ten einde met die en de Patjallings de Saparoua, de voordvarentheid, de Lassum en de Liefde„ Eerbiedig Rapport bij forma van Dag Register benevens f benevens d' Orambayen van Nussanive. Kilang, Coija, Groot Hative. Latoehalat, Halong; Alang, Lillebooij Baguala Coelij, en Groot Hoetoemoerij Mamala. Negorij Lima Jtawakka Sirrij Serrij Sila en Akoon Nallahia Toelehoe oma wassoe Hoelalieuw Cabauw Wackasieuw Oering Toebang Hatoepoetij te samen een getal van 26: Orembayen uyt„ „makende, zijnde de voorsz: vaartuijgen alle behoorlijk gemon„ „teert en de Patjallings ieder met Drie, en Twee Mattro„ „sen Extra Bemand, en boven des daar op nog geplaatst Twee Cannonniers, mitsg=s twee Butschieters en Een Hondert vijf en Twintig Militairen met den Lieutenant Tek, „ke Gosseling, de vendrigs Johan willem Scheme, „ring, en Johan Thomas Hauk, item den Comman„ „deerend sergeant Hendrik de waal en den Ordinaar vuurwerker
English
19 177 fireworker Jan Jansz: together with the Commanders of the aforementioned vessels, undertook the Expedition to the South Coast of Ceram, the Islands of Keffing, Poelo Gisser, Ceram Lauwt, Sulwattij, Manoewocke, and Goram, and in order to get out of this Narrows, upon my arrival on Board I gave Orders to immediately weigh Anchor and set sail upon the firing of a signal shot, setting the course between Saparoua and Nussalauwt, with orders to await me at Amaheij; but owing to a lack of Drinking water, I was forced to call at the Bay of Nallahia, from which I departed that very same afternoon with the Orembaaijs that lay Anchored there, it being Tuesday the 5th of March, nothing occurred, passing Wednesday the 6th of the same in the morning Nussalauwt and continued the Course directly to Amaheij where in the afternoon I came to Anchor with a part of the Fleet, finding there the Patjallings de Liefde and de Voordvarendheit Thursday the 7th of March the Patjalling de Saparoua arrived, and I gave orders to Lieutenant Gosseling to distribute the guns and weapons among the Orembaijen, and furthermore to issue Rations to the Soldiers, as well as to the Natives as much sago as they could conveniently stow in their vessel, because the Patjalling de Lassum was encumbered in her sailing by the fullness of the Rations she was carrying. — Friday the 8th of March I had the Orambaays provided with water and Firewood, and summoned all the officers and Commanders to me on board, giving them written orders, consisting of this: that the mariners should be obliged, when lying in the Roads here or there, to make the Round at night with their boat, and that the Officers should take care that after the beating of the Tattoo or the setting of the watch no movement or disturbance be made among their people. Saturday the 9th of March, dispatched Twelve Orembaaijs under the Command of Lieutenant Gosseling and Ensign Schemering in order to inspect the Negorijen Latoe, Hoealooij, Ajer Tala, Sepa, and Famelauw in the most accurate manner, and upon meeting foreign peoples or vessels to act according to the Contents of the Instruction. To Haija I sent off Ensign Hauke and the Commander of the Patjalling de Lassum, and in the afternoon had the Articles of War read aloud, to the end that everyone should know what to observe and what his bounden duty was; having accomplished this, the schoolmaster of Amaheij came on Board, delivering into my hands a Letter from Your Right Honourable dated Amboina the 4th of March 1771: containing Orders to make inquiry of the Orangkaay of Haija concerning a certain piece of Linen which, instead of being pierced with a Red stripe, is pierced with a blue one and stamped with a foreign chop, and which the aforesaid Orangkaaij has pretended to have bought from the Burgher Captain Coning, but is utterly denied by the latter, as to how the Orangkaaij of Haija came by that sort of Linen, as also, upon suspicion of illicit trade committed by him, to secure his Person and send him to Amboina in the safest manner. Sunday the 10th of March at four o'clock in the afternoon we weighed Anchor and departed with the remainder of the fleet from Amaheij, giving to the schoolmaster of that Negorij for delivery a Letter to Your Right Honourable, serving in Answer to the Missive received yesterday dated the 4th of March, and furthermore to announce that I lie anchored in the Roads of Amaheij with the four Patjallings and Two Orembaaijs. Monday the 11th of March in the evening at sunset we arrived off the Negorij Haija; the Orangkaay of this Place came to welcome me, and Towed the Patjalling into the Bay of Seriauw where at eight o'clock in the Evening we let fall the Anchor; finding there fourteen Orembaijen, together with two small Ceram vessels, namely one from the Negorij Foling and one from Familauw, in which upon proper inspection nothing else was found than Sago and some old Coconuts — Tuesday the 12th of March having waited until today for the Ceram commander Hamba, and the Orangkaaija of Haya having come on Board to me, I ordered him to prepare an Orembaaij with all speed, in order to deliver a Letter to Keffing's Commander Hamba, and to bring this about all the more quickly, I gave him a soldier as an escort, who at the same time served to keep a watchful eye. In the Evening around half past seven o'clock the Pantjalling de Liefde arrived and I immediately gave orders to have the Negorij Haija inspected by Ensign de Waal together with some Native Chiefs, having received as a Report that everything was found to be in order. Wednesday the 13th of March, Lieutenant Gosseling and Ensign Schemering came to Report to me that neither at the Ajer Talla nor in the Negorij Latoe Hoealoosij was anything improper found. — Thursday the 14th of March nothing occurred. Friday the 15th of the same the Commander of the Lassem was ordered to deliver two One-pounder pieces to de Voortvarendheit with fifty Pieces of Round shot, of One Pound likewise to de Geertruijda. Saturday the 16th of March, because neither the Ceram Commander Hamba nor the Orangkaaij of Haija appeared, I resolved to proceed further with my assigned Expedition, wherefore I divided the orembaaijen, namely Eight under my command, six under Lieutenant Gosseling on the Right wing, and Ensign Schemering and De Waal on the Left wing, departing in that manner with them for Hatiahoe — Sunday the 17th of March, at eight o'clock in the morning we let fall the Anchor off the Negorij Soeloetij, the Orangkaya of that Place named Nahoeoeloe coming immediately to welcome me on the Orembaaij, and after having partaken of a light breakfast, he reported to me that his Negorij was in good order.
Dutch transcription
19 177 vuurwerker Jan Jansz: nevens de Gezaghebbers van voornoemde vaartuijgen, de Expeditie na de Zuyd Cust van Ceram, de Eijlanden Keffing, Poelo Gisser, Ce„ „ram Lauwt, Sulwattij, Manoewocke, en Goram ondernam, en om uyt deese Engte te geraaken, zo gaf met mijn komst aan Boord Ordre om op het doen van een Peijn-schoot immediaat Anker te ligten en onder„ zeil te gaan, de cours stellende tusschen Saparoua, en Nussalauwt, met bevel mij op Amaheij intewagten; dog door gebrek aan Drink=water, wierd ik genoodzaakt om de Baaij van Nallahia aan te doen, uijt dewelke met d' Orembaaijs die aldaar g'Ankert lagen nog dien eigenste middag ben vertrokken, zynde Dingsdag den 5: Maart niets voorgevallen, passerende woensdag den 6: _„o 's morgens Nussalauwt en vervolgde de Cours direct naar Amaheij alwaar des agtermiddags met een gedeelte der Vloot ten Anker quam vindende aldaar de Patjallings de Liefde en de voordvarendheit Donderdag den 7: Maart arriveerde de Patjalling de saparoua, en gaf ordre aan den Lieutenant Gosseling om de geweeren en wapens op de Orembaijen te verdeelen, en voorts aan de m„ Militairen Randsoen te verstrekken, als mede aan de Jn„ „landers zo veel zagoe, als in hun vaartuijg gevoegelijk bergen konden, wijl de Patjalling de Lassum in het zeilen door de volheid van zijn inhebbende Randsoen daar mede be„ „lemmerd was. — Vrijdag den 8: Maart let ik d' Orambaays van water en Brandhout voorzien, en ontbood alle d' officiers en Gezaghebbers bij mijn aan boord, gevende hun schriftelijke ordre, hier in bestaande„ dat de zeevarende zoude gehouden zijn, om des nagts wanneer hier of daar ter Rheede leggen met hunne schuijt de Ronde Saturdag den 9:' Maart, depecheerde Twaalf Orembaaijs onder Commando van den Lieutenant Gosseling, en den vendrig Schemering om de Negorijen Latoe, Hoealooij d'eijer Tala, Sepa, en Famelauw op het nauwkeurigste te visi„ „teeren, aen bij ontmoeting van vreemde volkeren, of vaar„ „tuijgen na den Jnhoud der Jnstructie te handelen. Naar Haija zond ik af den vendrig Hauke, en den Gezaghebber van de Patjalling de Lassum, en 's agter„ middags liet de Krijgs Articul Brief voorleezen, ten einde een ieder zoude weeten wat in agt te neemen en van zijn schuldige gehoudenisse was; dit verrigt hebbende quam den schoolmeester van Amaheij aan Boord aan Boord mij ter hand stellende een Brief van Uw wel Ed Agtb: ged„t Amboina 4:' Maart 1771: vervattende Ordre, om bij den Orangkaay van Haija na zeker stuk Lijwaat het welk in steede van met een Roode met een blauwe streep door„ „stooken, en met een vreemd sjap gestempelt is, en het geen voorm: Orangkaaij voorgewend heeft van den Burger Cap„n Coning gekogt te hebben, dog door den laasten finaals ontkent word mij te informeeren op wet wijze den Orangkaaij van Haija aan dat zoort van Lijwaat gekoomen is, mitsg„s bij suspicie van mors„ „handel door hem gepleegd zig van zijn Perzoon te verzeekeren en hem op de secuurste wijze naar Amboina te zenden. Sondag den 10: Maart des middags ten vier uuren ligten Anker en vertrok met de resteerende vloot van Amaheij gevende aan den schoolmeester dier Negorij ter besorging over een Brief aan Uw wel Ed: Agtb: dienende in Antwoord van de opgisteren ontfangene Missive dato 4: Maart, en voorts ter bekentmaking dat met de vier Patjall en Twee Orembaaijs ter Rheede Ama„ „heij g'ankert leggen. den 11: Maart des avonds met sons ondergang kwamen Maandag voor de Negorij Haija, d' Orangkaay deses Mlaats kwam mij verwilkommen, en Boegseerde de Patjalling in de Bhaag Ronde te doen, en dat de Officieren zouden hebben zorge te dra„ „gen dat na het slaan der Taptoe of opgezette wagt geen beweging ofte op schudding onder hun volk gemaakt word van l 21 179 van Seriauw alwaar om agt Uuren des Avonds het An„ „ker lieten vallen; vindende aldaar veertien Orembaijen, nevens twee ceramse kleene vaartuijgjes, als eene van de Negorij Foling en een van Familauw, waar inne na behoorlijke visitatie niets anders bevonden is geworden dan Zugoe en eenige oude Clappus — Dingsdag den 12:' Maart tot heeden op de Ceramse commandant Hamba gewagt hebbende, en aan Boord bij mij gekomen zijnde den Orangkaaija van Haya, zo gelaste hem om met alle spoei een Orembaaij gereed te maken, ten einde aan keffings Commandant Hamba een Brief te bezorgen en om zulx des te schielijker zijn beslag te doen erlangen, gaf hem ten geleide een militair meede die teffens verstrekte om een oog in t zijl te houden. Des Avonds circa half agt. Uuren arriveerde de Pantjalling de Liefde en stelde immediaat ordre om door den vendrig de waal nevens eenige Jnlandse Hoofden de Negorij Haija te visiteeren hebbende tot Rapport, bekomen dat alles behoorlijk bevonden was Woensdag den 13: Maart, quam den Lieutenant Gosseling, en den ven„ „drig Schemering mij Berigten dat aan de Ajer Talla nog in de Negorij Latoe Hoealoosij niets onbehoorlijk bevonden was. — Donderdag den 14: Maart niets voorgevallen Vrijdag den 15: _„o is den Gezaghebber van de Lassem gelast om twee Een sonders stukjes aan de voortvarendheit met vijftig P„s Rondscherp, van Een Pond insgelijks op de Geertruijda aftegeven Saturdag den 16: Maart, wijl den Ceramse Commandant Hamba nog den Orangkaaij van Haija niet quamen opdagen zo resolveerde om mijn aanbevolene Expeditie verder voort te zetten weshalven de orem„ „baaijen verdeelde, als Agt onder mijn commando ses onder den Lieutenant Gosseling op de Regter vleugel en de vendrig Schemering en De waal op de Linket vleugd vertrekkende in diervoegen daar meede naar Hatiahoe — Sondag den 17: Maart, om agt uuren des morgens lieten het Anker voor de Negorij Soeloetij vallen, komende opstonds den Orangkaya van die Plaats genaamt Nahoeoeloe mij op de Orembaaij verwellkommen, en na een ontvugteringetje ge„ „bruijkt te hebben, zo berigte mij dat zyn Negorij in goeden t rieef