Inventory 3337
Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Makassar, 29 June 1771, certain disgruntled court grandees had departed from here to a village called Matoeanging, I sent an emissary to these chiefs, namely the Jureli Kankelo and Joneli Joeij, to order them to present themselves, along with their adherents, tomorrow before the Company's Great Garden, where I had also summoned the King of Tambora's realm grandees, as many as had remained loyal to him, by an assistant interpreter, and they all appeared at the appointed hour, Thursday the 8th, namely Jureli Tambora, Joereli Baramboeng, and Jeneli Lalwong, who were all of the King's party. These having entered first and having been informed by me of the reason why I had summoned them here separately from their king, the other disgruntled persons also approached. They were addressed first and asked about the reason for their withdrawal, but especially whether they had been incited by one or another and strengthened in this From Makassar, 29 June 1771, their rebelliousness and open defection. They replied: That they had come to this on no one's advice or instigation, but on the contrary out of their own free motion, after mature deliberation, and as an effect of their despondency, since their grievances already submitted previously had not been able to obtain a hearing or acceptance, as it had appeared to them. That nevertheless, however much longing for a deliverance or release from their king, and in proof of their acknowledgment of seeking no help anywhere except from the Company, they had taken good care not to go outside the limits or the territory of the Honorable Company. I asked them upon this whether they had previously, in a lawful and proper manner according to the laws of the land in such cases, respectfully From Makassar, 29 June 1771, brought their complaints before the King, with submissive insistence for relief from the burdens pressing them so heavily. Jureli Kankelo, one of the chiefs of the departed Tamborese, answered that he had done so not only to the King in person, but had also conferred on this subject with his fellow grandees of the realm, the first two who were now present on the King's behalf, trying to bring about less severity or violence and, on the other hand, somewhat more accommodation and, where possible, to obtain restitution of the fines imposed on the majority of the subjects by the King before their departure hither, as one of the most suitable means to calm the aversion and mutinous spirit of the people; but that these efforts of his had proved, up to the present date, to have had no desired effect. This declaration of the disgruntled persons having been From Makassar, 29 June 1771, sufficiently confirmed as true by Jurili Barambong, Jureli Tambora, and Jeneli Lalwong, and verified upon my further questioning of them all: That these same grievances of the Tamborese subjects against their king had been investigated at Bima by the Resident before their arrival hither, and had been decided to the mutual reassurance of both sides to the extent that the King had promised a gentler governance and had declared that he would forever forget the memory of these disputes and rebelliousness; but that, notwithstanding this, he had subsequently resumed his former cruelties and oppressions while still over there, which they also testified they would not have failed to bring once again before the eyes of the Resident with their complaints, From Makassar, 29 June 1771, had they not been diverted from doing so both by the preparations for their passage and especially by the prospect and hope of finding a more suitable opportunity for it here. After a repeated confirmation of the foregoing, I recommended the present realm grandees to give their King a faithful report of what had occurred at this meeting and of the interests brought forward by the disgruntled persons, as well as of the declaration by all of them of the truth of the raised matters. Having promised this, they thereupon arose and departed. The disgruntled crowd was dismissed at the same time, but strictly ordered not to remove themselves together any further from here than the place they had already occupied for their stay. In the afternoon I sent the interpreter Pietersz From Makassar, 29 June 1771, Pietersz to the King, to summon his aforementioned realm grandees to appear before me the next morning at 10 o'clock; whereupon on Friday the 9th, at the appointed time, there appeared Jureli Tambora, Jureli Barambong, Jeneli Lalwong, and Jeneli Wowo, whom I held up to view and informed circumstantially in emphatic terms how they must now be convinced that their prince, according to their unanimous confirmation, had fallen into this labyrinth not from outside but, on the contrary, through his own actions alone, and how completely in vain had been everything I had sought to bring about for the removal of discord and for peace and love between the parties, asking them at the same time whether they could now devise any other means in this regard.
Dutch transcription
290 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771, „der sekere misnoegde hofgrooten van hier begee„ ven hadden na eene Negorij geheten Matoean„ „ging sond ik een zendeling na dese hoofden zijn„ „de den Iureli Kankelo en Ioneli Joeij om hen aan te zeggen, van zig met hunne adhorenten te„ gens morgen alle te vervoegen voor 's Comp„s groote Thuijn, alwaar ik bij mij door eenen ondertolk teffens ontbooden hadd des koo„ „ning van Tambora sijne rijxgrooten, zo veele als hem waaren blijven aankleeven, en zij verschee„ „nen alle op het bepaalde uur te weeten Iureli Tambora, Joereli Ba„ donderdag den 8:' „ramboeng, en Jeneli Lalwong, die alle van 'S konings Partij waaren dese het eerst bin„ nen gekoomen en door mij onderrigt, om wat reden ik hen afsonderlijk van kunnen koning alhier ontboden hadd naderden ook de ove„ „rige misnoegden dewelke het eerst aangesproo„ ken en gevraagt, na de oorzaak van hunne retraite, dog Jnsonderheijd, of t' ook door den eenen of 't anderen wierden aangehitst, en in dese van Maccasser Den 29:' Iunij 1774, dese hunne weder spannigheid en opentlijken af„ „val gestijft antwoorden; Op niemands Raad of t' Jnstigatie daar toe ge koomen te zijn, maar wel in tegendeel uijt eijge vrije beweging na rijp overleg, en door een uijtwerksel van hunn: klijnmoe„ „digheid, alzo hunne bereeds te vooren ingediende beswaarnissen (:so 't hen toegescheenen had :/ geen gehoor of 't ingang hadden mogen verkrijgen dat ze niet te min hoe zeer ook na een bevrijding of t' ontslag van hunnen koning haken„ de en ten bewijse hunner erkentenis van geene hulpe nergens ten zij bij DE maatschappij te zoeken wel gesorgt had„ den van zig niet te begeeven buijten de„ limiten of het Territoir der E Comp: Ik vroeg hen hier op, of te hunne klagten alvooren op eene na lands wetten in dier gelijken geval geoorloofde en betamelijke wijze den 2. 92. Van Maccasser Den 29: Iunij 1771, den koning eerbiedig onder het ooge gebragt hadden, met submisse Jnstantie om verlig„ „ting der hen zo zwaar drukkende Lasten, Iu„ „reli kankelo, een der hoofde van de uijt gewee„ „ke Iamboreesen antwoorde, zulks niets alleen bij den koning in persoon te heb„ „ben gedaan, maar ook zijne mede rijks„ grooten /:de beijde eersten die van 's konings wegen thans preesent waaren:) over dit sujet te hebben onderhouden, ten zoeken te bewerken, minder strengheid of geweld daar en tegen wat meerder Jnschicking en waar 't mogelijk te verwerven, restitutie der boe„ „tens aan 't meerendeel der onderdaanen door den koning voor hun vertrek na herwaarts op gelegd als een der bequaamste middelen om de afkeerigheid en muijtziekte van 't volk te kunnen stillen, dog dat deze zijne poging, was gebleeken tot dato heden als nog van geen gewenschte uijtwerking te zijn geweest, dese verklaaring der misnoegden door van Maccasser Den 29 Iunij 1771 door Iurili Barambong, Iureli Tam„ „bora en Ieneli Lalwong genoegsaam als waar bevestigt, en op mijne nadere aan hen allen gedaane afvrage be„ waarheid zijnde dat dese zelfde beswaarnissen van den Tamborese onderdanen tegens hun„ „nen koning voor hunne op komst her„ „waarts op Bima door den Resident onderzogt en in zo verre tot weder zijds ge„ „rust stelling beslist waaren dat den ko„ „ning eene zagtere regeering beloofd en verklaard hadde het geheugen deser onee„ nigheden en weder spannigheid voor al„ toos te zullen vergeten, Edog dat hij in weerwil hier van in 't vervolg sijne voor„ gaande wreedheden en onderdrukkingen. nog ginter zijnde begonnen hadd te ver„ vatten, en het geene ze ook betuijgden niet te zouden hebben nagelaten an„ „dermaal voor d' oogen van den Resi„ „dent met hunne klagten te brengen, waaren 294 Van Maccasser Den 29. Iunij 1771 waaren ze daar van niet gediverteert, so door de toebereijdselen van hunne overtogt als insonderheid door het voor uijtzigt ende hoope van daar toe alhier een bequamer geleegentheid te zullen aantrebben; Na een herhaalde bevestiging op dit voorgaande recommandeerde ik de preesen„ „te rijksgrooten Kunnen koning, van het voorgevallene bij dese te samenkomst ende Jn„ „gebragt belangen der misnoegden, zo wel als hunner allen verklaaring van de waar„ heid der geopperde zaaken een getrouw ver„ slag te doen, het geene dese beloofd heb„ „bende, hier mede opgereesen en vertrokken zijn, den misnoegden hoop wierd hier mee„ „de te gelijk gedepecheert, dog ernstig gelast zig te zaamen niet verder van hier te ver„ wijderen dan de plaats die ze bereets tot haar verblijf hadden betrocken; Ik sond S na de middags den Tolk Pieterst, van Maccasser den 29: Iunij 1771 Pietersz: na den koning, om zijne voorn: rijks„ „grooten tegens 's ander daags morgens om 10:' uuren bij mij te beschijden, waar op ook, vrijdag den 9:' ter bepaalde tijd verscheenen Iureli Tambora Iureli Barambong Teneli Lalwong, en Jeneli wowo, welken ik in termen van nadruk omstandig voor oogen hie lot en te kennen gaf, hoe ze nu overtuijgd moesten zijn, dat hunn: vorst dus volgens hun eenparige bevestiging, met buijten maar wel in tegendeel door zijn eijgen toedoen alleen in dit Labijrinth was ge„ raakt, en toe out verre alles te vergeeft, was geweest wat ik tot wegruijming van de vree„ „de en liefde tusschen parthijen had steken te weege te brengen, Hen teffens afvraagende of ze nu ook nog eenig ander middel konden uijt denken hier in van 2
English
From Makassar, 29 June 1771. of use. But they all answered no, and declared that they would only await their fate from the discretion of the Company, into whose hands they declared they had all surrendered themselves, in order to help promote their well-being and best interest in reliance upon a powerful support, which they were assured they could nowhere better receive. And upon this they departed again to their lodgings. Saturday the 10th. Over this delicate matter of the Tamborese, I had the Political Council convened, presenting in detail the context of the affairs since the origin of these unrests, as extensively recorded in today's adopted resolution, and the outcome dictated: From Makassar, 29 June 1771. To keep the king here until further notice; but on the other hand, to send all the Tamborese present here with their grandees back to their country; and to provide the Resident of Bima with the requisite notification of all this, with such orders and further arrangements as can be looked up in the said record of this meeting. I also had, on Sunday the 11th, the King of Tambora informed through the Chief Interpreter Brugman, accompanied by the substitute interpreter Bleij, of what had been resolved in the meeting the day before to the benefit of his cause in the hope of a desired outcome, and what urgent reasons had moved me not to permit him to return to Tambora this time with his subjects. It appeared that he, judging the arrangements made to be good and necessary, also willingly awaited the result of the order arranged for Bima's Resident on this subject. From Makassar, 29 June 1771. He only made a request that such of his people as wished of their own choice to remain at his service during his stay here might stay with him and be excused from the return journey. The grandees had indicated that due to a shortage of men they would not be ready to travel before the 17th or 18th of this month, and asked me to provide them with a letter of safe conduct. Being informed of this in the manner aforesaid by the interpreters, who had returned and brought news that the Queen of Tanette had arrived, I had, on Monday the 12th, Tuesday the 13th, the King of Tambora, upon his request to retain some people here for his service and also for the preservation of the royal regalia, answered through the aforementioned Blij that this was granted to him, and that for this purpose the Tureli Baranboeng, along with 2 sergeants and their subordinates, had been set aside; as well as that I would give orders that after the arrival of his people in Tambora, the village elders and old folk should be sent out everywhere the remaining dissatisfied Tamborese had dispersed, in order, where possible, to work upon them so that, putting all resentment aside, they might once more be persuaded to reconcile with him. For all of which he had me very politely thanked, but requested that the Tureli Tambora might be left with him instead of the aforementioned, and that for the reason that the former cherished a special desire to go and find his wife left behind, who was only 3 months postpartum when he departed hither. Which I arranged accordingly to the king's liking. He had also made known to the interpreter Blij the flight of 5 of his personal slaves, who had gone over to the dissatisfied people at Matoanging, requesting that I give orders that the same be handed back over to him. From Makassar, 29 June 1771. Wednesday the 14th, an emissary of the Queen of Tanette came to give me notice of her arrival, offering his mistress's greetings, for which I thanked Her Highness with reciprocal greetings. Thursday the 15th, the envoy of Dompu's king having appeared upon obtained access, I handed him a letter for his master. Friday the 16th and Saturday the 17th, nothing occurred. Sunday the 18th, I sent the Chief Interpreter Brugman, accompanied by Jeneli Lalwong and Jeneli Wowo together with the sergeants who had thus far kept to the side of Tambora's king, with the under-interpreter Blij, to the discontented Tamborese staying at Matoanging and their chiefs Tureli Kankelo and Jeneli Toeij, in order to make a final effort to see if there might yet be means, through amicable ways and promises, to bring them to reconcile again with their king. But in vain, for notwithstanding this, they obstinately persisted in their previously given declaration. Nevertheless, upon the reclamation of the king's runaway slaves, of which only 3 were found among them, they handed them over voluntarily, indicating they knew nothing of the other two. Upon this, I had these 3 slaves handed back to the king, who thanked me for all the trouble taken, upon the return of the dispatched interpreters on Monday the 19th, and in accordance with the notification given to him had promised to give orders that the Turelis Tambora and Barambong, with their subordinates, should make ready to travel by the day after tomorrow, in order to be able to depart for the opposite shore. Also, a message from the King of Gowa for information
Dutch transcription
296 van Maccasser Den 29 Iunij 1771, van nutt; Dog zij antwoorde alle van neen, en be„ 89 „tuijgden hun lost, alleen te zullen affwagten van het goedvinden van dE Comp: in wiens handen zij verklaarden zig alle te hebben overgegee„ ven, om hun wel zijn en best te willen hel„ pen bevorderen in vertrouwen, op een kragti„ gen bij stand, dien ze versekert waaren ner„ „gens beter te zullen kunnen wedervaa„ „ren. en hier op vertrocken ze weder na hunne verblyff plaatsen Liet ik over dit netelig geval der Iam„ Saturdag den 10:' „boreesen den politiquen Raad Convocee„ „ren, stellende 't samen hand der zaken sedert den oirspronk, de ser on„ lusten omstandig daar inne voor (:zoo als bij de gehoudene resolutie van heeden breedvoerig aangetekend:) en den uijtslag dicteerde, den van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 Den koning hier te houden tot nader dog daar en tegens; alle de hier aanwesende Tamboreesen met hunne Rijksgrooten weder na hun land te zen„ den, en den Resident van Bima zo verre de ver„ „Eijschte kenniss van het een en ander te doen ge„ „worden, met Sodanigen Last en verdere „beraaming, als bij de gewaagde aantekening, deeser vergadering zijn na te slaan; ook liet ik Sondag den 11:' den koning van Tambora verwittigen door den oppertolk Brugman verseld van den sub„ W stitut Dolk Bleij, wat tot voordeel van zijne zaak in de hoope op een gewenschten uijtslag daags te voor in vergadering was beraam, en welke drin„ gende redenen mij bewogen hadden van niet toe te laten dat hij dit maal met zijne onder„ daanen weder na Tambora zoude keeren, het scheen dat hij de genoome schickingen voor goed in noodisakelijke keurende ook bereijdwil„ „tig afwagten het gevolg van den last op dit 298 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771, dit sujst voor Bimas Resident geschikt alleenlijk had hij versoek gedaan, dat sodanige zijner volkeren, als hem uijt eijge keuse ge„ duurende zijn vertoef alhier ten dienst wil„ de staan, bij hem blijven en van de hern rij„ „ze g' Excuseert blijven mogten; de rijksgrooten hadden te kennen gegeeven, door gebrek aan volk niet voor den 17: of 18: deser rijsvaardig te zul„ „len kunnen zijn, en lieten mij versoeken, van hen een geleijde brief te willen mede geven hier van invoegen als voorm: geinformeert door de tolken, die wederom zijn gekoomen, en tijding mede brag„ Maandag den 12:' ten, dat de koninginne van Tanette was g'„ „arriveert tiet ik Den koning van Tambora op sijn versoek, Dingsdag „ 13:' om eenig volk alhier tot zijn dienst en bewaa„ „ringe teffens der Rijks Jnsigina te mogen aan houden door den voorn: Blij antwoorden, zulks aan hem toe te staan en hier toe te hebben van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 hebben afgesondert den Tureli Baranboeng, nevens 2: Sergianten en hunne onderhoorige, zoo mede dat ik last zoude geeven dat de glasvangs en oude lieden na de aankomst sijner volkeren op Tambora, over al waar zig de agter gebleevene misnoegde Jamboreesen verstrooijt hadden zouden afgesonden werden om, waar 't mogelijk op ken te bewerken, dat ze alle gevoeligheid, ter zijde stellende zig nog een maal tot bevre„ „diging met hem persuadeeren lieten, voor al het welke hij mij zier heuslijk liet bedanken, dog ver„ „sogt dat den Iureli Tambora mogte bij hem wer„ „den gelaten in stede van den voornoemde en dat wel om reeden den eersten een bijsonder verlangen voed„ „de zijn agter gelate huijsvrouw die met zijn ver„ „trak na herwaarts pas 3: maanden oud krams was te gaan vinden, het geen ik dusdanig tot 's konings gevallen hier in verschikte nog had hij den tolk blij te kennen gegeeven de vlugt van 5: zijner lijf Eijgenen, die zig tot de misnoegden op Matoe„ 3 „anging hadden begeeven versoekende dat ik wil„ „de order geeven dat deselve weder aan hem uijt gelee„ vert 300 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771, „vert werden, quam een zendeling van de koninginne van Ia„ woensdag den 14:' nette mij onder aanbieding van zijne meesteresse haare groete teffens kennis geeven van haar ar„ „rivement, waar voor ik haare hoogheijd na weder groete bedanken liet Den gesant van dompos koning op verkreegen donderdag „ 15:' acces verscheenen stelde ik hem ter hand een brief voor zijnen meester en Saturdag den 17:' niets voor gevallen Sond ik den oppertolk Brugman om verseld van Sondag „ 18 Jeneli Lalwong en Ieneli wowo nevens de E. ser„ „geanten, die zig tot dus verre aan de zijde van Tamboras koning gehouden hadden, met den ondertolk Blij, bij de hen op matoeangieng op houdende malcontente Iamboreesen en der„ „selve hoofden Tureli kankelo en Jeneli Toeij, om eene laatste poging aan te winden of er nog vrijdag „ 16: middel van Maccasser Den 29: Iunij 1771 middel mogte weesen hen langs minnelijke weegen, en toe zeggingen daar toe te brengen dat ze hen weder met hunnen koning versom„ „den, Edog te vergeefs, want ze in weerwil hier van onverzettelijk bij hunne te vooren gegeeve„ „ne verklaaringe waaren blijven volherden, niet te min, op de reclame van 's konings weggeloo„ „pe slaaven waar van er maar 3 stuks onder hun gevonden wierden leverden zij dezelve goedwvillig over te kennen geevende van de beijde andere niets te weeten; Ik liet dese 3: slaaven hier op weder aan den koning over geeven, die mij voor alle aangewonde moeijte bij retour der afgesondene Tolken op; Maandag den 19:' bedankt en ingevolge mijne aan hem gedrane aan„ zegging beloofd had te zullen last geeven, dat de Iu„ „relis Tambora en Barambong, met hunne on„ derhoorige tegens overmorgen zoude maken rijs„ vaardig te zijn ten Eijnden na d' overwal te kun„ „nen vertrekken, ook is een boodschap van Goahse koning ter in„ formatie
English
From Makassar The 29th of June 1771 inquiries after my well-being, answered with return greetings. Granted access to the Queen of Tanette on Tuesday the 20th upon her request, made through an envoy with greetings delivered, for tomorrow, at which time I caused the King of Tambora to be notified that he likewise must appear before me accompanied by his two state councillors, the Jurelithes of Tambora and Baramboeng, in order to hand over to them the letter for their escort to the Resident of Bima pursuant to what was decided on the 10th of this month, and further to expedite their journey, which His Highness accepted. Wednesday the 21st, the Queen of Tanette, accompanied by Aroe Paopas and Aroe Lipoekassi, appeared at the appointed hour. The mutual compliments having been discharged, the first thing Her Highness made known to me was her intention to hold a feast within a few days on the occasion of the tooth-filing of some of her children, for the attendance of which there had already arrived at her residence from Mandhar a certain little prince named Tjampalagiang. After this, Her Highness brought forward some claims to certain serfs and paddy fields in the districts of Maros and Segeri, notified in a paper which she presented, with the request that I would lend her a helping hand therein; whereupon, after having expressed my thanks for the communication of her intention, I promised to have the matter regarding her claims investigated before anything in her favor could be effected. Her Highness, contenting herself with this assurance, departed again after lingering a little while; after which the King of Tambora, together with his realm administrator and shahbandar mentioned above, likewise entered. I informed him that I had recommended to the Resident of Bima, by the letter which I at the same time handed to these two dignitaries for their escort thither, not only to render them the necessary assistance in summoning and gathering the scattered Tamborese, but also in particular to influence them all as much as possible to submit themselves to their sovereign in order thereby to bring about mutual peace and harmony again; which I likewise urged these two with all emphasis to put into effect. They promised to use their utmost endeavors to this end, and the King, thus an eyewitness and earwitness to the efforts made on his behalf, acknowledged his special obligation for this in his own manner, in terms that showed his and his people's dependence on the Company. Herewith this meeting ended, after wishing the dignitaries a safe crossing. I also caused the band of discontented Tamborese at Matoekanging to be notified by the chief interpreter Brugman to prepare for the journey to their country against tomorrow morning with one of their leaders, the Jureli Kankeboe, as it had been deemed best to detain the Jeneli Foeij here for specific urgent reasons. They declared they would comply with this order and at the same time received the passport sent to them for this purpose. Brugman having performed this, I then sent him to the Saleyerese regents to announce their audience for tomorrow morning, in compliance with which they appeared collectively on Thursday the 22nd. Initially, I informed them that the disputes that had arisen between the regents of Boekit and Onto over the separation of their boundaries, as decided by the collective regents upon my order at the house of the chief interpreter with my approval, should now take effect once and for all and remain settled; while the Resident was ordered upon his return thither, in accordance with the verdict, to make a proper division thereof and to distinguish it with a boundary post on which the mark of the Company is branded, as well as to keep a drawing of the ground sketch of these boundaries with the archives there as an instrument, in order thereby to cut off all further disputes concerning this. The interim regent of Boekit, Daleng Mamanka, hereupon addressing me on behalf of his present Ponggawas, Galardangs, and other elders, made a request to be confirmed in that dignity; while the Regent of Poeta Bangoeng, by reason of his infirm condition and advanced years, insisted on his discharge from that chieftainship and the succession thereto in favor of his son Patta. Both requests having been granted, I recommended them all, and especially the two last mentioned, faithfully to persevere in their due submission and obedience, and equally to show the Resident his proper respect and deference; all of which they declared they would observe, with expressions of thanks from the newly appointed. And thereupon they requested their dismissal in order to return to their country in the near future, which I granted them on this occasion, wishing them a speedy crossing. Until Monday the 26th, nothing noteworthy occurred. Tuesday the 27th, the sergeant of the Tamborese, Aza, one of the creatures and instruments of the King and therefore deemed most advisable not to be allowed to depart with the others to Tambora, nevertheless found the means to depart from here with the rest, which was discovered today too late to be able to overtake him. Wednesday the 28th, the Labbitjara of Tanette and Captain Massikie, both arrived in the name of the Queen in the capacity of her envoys, after delivering greetings from their mistress, made known that she intended on Friday the 23rd to
Dutch transcription
302 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 „formatie na mijne welstand, onder weder groete beantwoordt, Acces verleent aan de koninginne van Tanetto dingsdag den 20: op haar versoek, door een zendeling, onder afge„ legde groet, gedaan, tegens morgen tegens wan„ nier Jk den koning van Tambora deed aan zeggen mede bij mij te moeten verschijnen verseld van zij„ „ne twee rijksraaden de Iurelies Tambora en Baramboeng, ten Eijnde aan dese den brief ter hunner geleijde aan den Bimas Resident ingevolge 't beslootene op den 10: hujus te over„ handigen en verder hunne rijz te vervorderen, het geen zijn hoogheijd aannam, de koninginne van Tanette veresild van Atoe Pao woensdag 21 pas en Aroe Lipoekassi, verscheen op het bepaalduur de wederzijdse pligt plegingen afgeligt zijnde, was het eerst dat haare hoogheid mij te kennen gaff, haare Jntentie om binnen wijnige dagen, ter gelegentheijd van het Ian„ de slijpen van eenige haaren kinderen een feest aan te regten ter bij wooninge van 't welke bereeds bij haar uijt de Man„ dhar, Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 „dhat g'arriveert was seker prinsje genaamt Tjampala„ giang, hier na bragt haare hoogheid eenige preetensies te ber„ „de op sekere lijf bijgenen en padij velden in de districten van maros en Sagerie genotificeert bij een papier, Het geen ze in daar van op drong met versoek van haar daar in„ „ne de behulpsame hand te willen leenen, waar op ik na mijnen dank te hebben betuijgd voor de Communica„ tie van haar voorneemen, beloofde de zaak omtrent haare vorderingen te zullen laten onder zoeken al„ voorens, daar van iets in haar favuur te zullen kun„ „nen bewerk stelligen, Haare hoogheid zig met dese toezegging genoegende, is na nog een wijnig toe„ „vens; weder vertrocken, waar na den koning van koning van Tambora nevens sijnen rijks bestierder en sjabandhaar hier voorwaarts genoemt, mede bin„ nen kwamen Jk gaf den te kennen, den resident van Bima /: bij den brief dien ik aan dese beijde rijls grooten ter hunner geleijde derwaarts, teffens ter hand stelde:) te hebben aan bevoolen, niet alleen de nodige hulp aan herl: te bewijsen in het oproepen en bij een samelen der verstrooijde Iam„ „boreesen, maar ook in 't bijsonder zo veel doenlijk op hen allen te bewerken dat ze Een onderwierpen aan hunnen vorst om daar 304 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 daar door de onderlinge vreede en een dragt weder te weege te brengen, het geen ik aan dese beijde mede met allen nadruk recommandeerden in 't werk te stellen, zij beloofden hunn uijt terst devoir hier toe te zullen aanwenden en den koning dus oog en oorgetuijge van de bemoeijenissen die men ten zijnen voordeelen deed erkende zijne bijsondere verpligting daar voor op zijne wijze in termen, die zijne en der sijnen afhanke„ „lijkheid van dE Comp: te kennen gaaven, hier mede scheijde de„ se bij een komst na de rijksgrooten een behouden overtogt toege„ winscht te hebben De Bende der misnoegden Tamboreesen op matocan„ „ging tiel ik meede door den oppertolk Brugman aanzeg„ „gen, zig met eenen hunner aanvoerderen den Iureli kankeboe tegens den aanstander morgen stond ter rhijze te begeeven na hunland ter wijl men goed gevonden had den Ieneli Foeij, om par tuisculiere dringende redenen alhier nog aante houden, zij betuijgden aan dese ordre te zullen voldoen en ontfingen teffens de Pas, tot dit Eijnde hen toegesonden; Brugman, dit verrigt hebbende sond ik daar op na Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 de salijereese regenten, om den 't accestigen mogen ochtend aan te zeggen, in voldoening waar aan zij gesamentlijk zijn ver„ „scheenen, donderdag den 22:' aanvangtelijk gaf ik hen te kennen, dat de geschillen gereesen tusschen de regenten van Boekit in onto over de schijdinge hun„ ner Limieten zodanig de zelve door de gezamentlijke regen ten op mijn ordre ten huijse van den oppertolk onder mijne goed„ keurig beslist ware in dier voege nu eenmaal voor attoos zou„ „den stond grijpen en afgedaan blijve, ter wijl den Resident gelast was bij zijn retour aldaar navolgens het gewijsde, een geregte verdeeling daar van te maken en de zelve te distin„ „queeren met een grenspaal waar op het merk van dE Comp: gebrand zij mitsgaders een afteekening van de grond schets deser limiten bij de retro acte aldaar te bewaaren to een muniment ten eijnde alle verdere verschillen desen aangaan„ „de daar mede den weg af te snijden; Den pro jnterim regent van boekit daleng Mamanka hier op 't woord uijt naam sijner hier presonte Pongauwas glardangs en verder oudsten tot mij rigtende deed versoek om in die waardigheid te mogen werden bevestigd; ter wijl den Regent van Poeta Ban„ „goeng uijt hoofde van zijnen swacken staat en hooge Jaaren jn„ steerde om sijn ontslag van die hoofdij en de successie in 't selve ten 306 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 ten behoeven van sijn zoon Patta, het een en andere toe gestaan sijnde recommandeerde ik hen alle en insonderheijd de beijde 't laatst ge„ noemde in hunne verschuldigde submissie en onderdanigheid ge„ trouwelijk te vollerden, en gelijkelijk den Resident zijn behoorlijk respect en ontzag te bewijsen het geene ze allen verklaarden te zullen na komen, onder dank betuijginge der nieuw aangestelde en daar meede hun de missie versogten ten Eijnden eerstdaags weder na hun land te retourneeren 't welk ik hen bij dese geleegentheijd verleende en een spoedige overtogt toe wenschte, tot Maandag den 26:' niets bij sonders voor gevallen den sergeant der Tamboreesen aza eene der Creaturen en werk „ dingsdag „ 27:' tuijgen van den koning dierhalven 't raadsaamst g'oordeert. niet met d' anderen na Tambora te laten vertrekken heeft egter het middel gevonden met de overige zig van hier te begeven 't geen men heden te laat om den te kunnen agter haalen eerst ontdekte, den Labitjara van Tanette en den Capitain Massikie woensdag „ 28:' beijden uijt naam van de koninginne in hoedanigheid als laa„ re zendelinge gearriveert gaven na afgelegt groet van haare meesteress, te kennen dat dezelve van intentie was vrijdag den 23:' om
English
From Maccasser, 29 June 1771 Friday to return to her states the coming morning because of the emergency, for which, after the inquiries communicated therewith, I had Her Highness thanked, wishing her a prosperous journey. Thursday the 29th, nothing occurred. The 30th, the southern regents of Bira, being ready for their departure, appeared upon obtaining access to take their leave, and on that occasion Daeeng Matino, who had been provisionally appointed by Resident Mol as Craceng or regent of Lemo, requested his confirmation in that dignity; which, on the grounds of the satisfaction thus far given by him, was granted to him, under the recommendation, however, not to slacken in any way in maintaining his submission to the Company and obedience to the orders of the resident, as his ancestors did, for which he solemnly promised to be on his guard; and herewith they departed together. December Saturday the 1st until Tuesday the 4th, nothing occurred. Wednesday the 5th, a slave of the Glarrang of Bontoealak, who was found severely wounded on the beach to the west of the negorij Vlaardingen, was placed by me into the hands of the officer, in order to gather the required information regarding the circumstances of that incident, which was only partially accomplished through the examination of the wounds alone, without being able to demand a statement from the wounded man on account of his weakness, and he seemed not likely to survive long from his wounds, which had been declared mortal; whereupon the aforementioned owner, having been informed of the incident, repeatedly had a request made to me through an envoy to be allowed to collect this unfortunate slave of his; he had been refused twice because the course of the officer's inquiries would have been obstructed thereby; but not long thereafter, the wounded man having passed away in the hospital, the body was delivered to his envoys upon the further request of the Glarrang. Thursday the 6th until Saturday the 8th, nothing occurred. Sunday the 9th, I sent Ensign Willem Hendrik Geltens together with the under-interpreter Coenraad Jansz Bleij on a commission to the Queen of Tanette, in order to congratulate Her Highness, according to ancient custom, with the offering of a small gift on the occasion of the birthday of her grandchildren. Monday the 10th until Wednesday the 12th, nothing occurred. Thursday the 13th, the interpreter Israel Pietersz was sent to the Glarrang of Bontoealak in order to remind him of the required satisfaction promised to me regarding the complaints made to him about the repeated kidnapping and violence committed by the Bone Prince Mappa, and at the same time to insist upon the restitution of the value enjoyed by him of an abducted subject of the Company; in answer to this I received a further promise that he would attempt to satisfy my demand as soon as he had thoroughly investigated the matter and had summoned this Mappa to appear before him; thus one had to have patience with it anew. Friday the 14th, nothing occurred. Saturday the 15th, there arrived from Goak some envoys of the King, named in the ordinary daily register; their commission consisted of the announcement that their great fast was soon to begin; after this, having answered the King's special greetings to me and having thanked them for maintaining the ancient customs in this case, these people departed again for Goak. Sunday the 16th until Tuesday the 18th, nothing happened. Wednesday the 19th, Ensign Geltens with the interpreter Bleij, who were sent on a commission to the Queen of Tanette, returned here. Thursday the 20th until Saturday the 22nd, nothing occurred. Sunday the 23rd, the interpreter Pieter Bartels, stationed at Maros, arrived here from the interior, accompanied by a Toadjie, an envoy of the King of Bone, both charged with a letter from His Highness to me; I sent the Company's envoy Mandjarekie to the Glarrang of Bontoealak, while the interpreter Pietersz departed for the King of Goah; both were ordered to deliver...
Dutch transcription
Van Maccasser Den 29 Iunij 1771 vrijdag om den aanstaanden morgen na haare staaten om de nood te retourneeren voor welke na vrage in 't daar bij gecommuniceerd ik haare hoogheid, onder toewensching eener voor spoedige rhijze heb laten be„ danken donderdag den 29 niets voorgevallen „ 30 de zuijder regenten van bira gereed tot hunne heen reijze verscheenen op verkreegen acces om hun afscheijd te neemen, en bij die geleegentheid versogt den door resident Mol tot Craceng of regent van Lemo. ter preuve aan gestelden daeeng Matino zijne beves„ „tiging in die waardigheid; het geen op fundament van het genoegen, dus verre door denselve gegeeven aan hem is toege„ „staan, onder decommandatie nogtans van in de aanhondinge zijner submissie onder de Comp: en gehoorsaamheid aan de beveelen van den resident gelijk zijne voorzaaten in geenen deele te vertraagen waar voor hij plegtig beloofde zig te zullen wagten en hier meede ver„ trocken zij te samen, December Saturdag den 1:' tot Dingsdag den 4:' niets voorgevallen; woensdag 308 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 Donderdag den 6:' Een slaaf van den gladrang van Bontoealak aanstrand woensdag den 5:' bewesten de negorij vlaardingen swaar gequetst gevonden was door mij in handen van den officier gesteld, ten Eijnde na den toedragt van dat geval de verEijschte informatien te kunnen beleggen, het geen voor een gedeelte was arr„ digt met de schouw der wonden alleen, sonder dat men den gequesten uijt hoofden sijner swakheid eene ver„ klaaring had kunnen afvorderen en zij scheen zijne won„ den die als dodelijk waaren opgegeeven niet lange te zullen overleeven, wanneer den voornoemden Eijgenaar van 't geval g'informeert een eer andermaal door eenen sinde„ „ling aan mij versoek had laten doen, om desen sijnen on„ geluckigen slaaf te mogen laten afhaalen men had hem 2: rijzen afgeweesen om dat den Cours. der Enquesten van den officier daar door verhindert zoude zijn geweest, dog niet lange daar na den gequesten in 't hospitaal zijn„ „de koomen te overlyden, is op het nader versoek van den glarrang het lijk aan zijne afgezondene over gelevert, tot saturdag den 8: niets voor gevallen Sond ik den vaandrig will„m Hend„k Geltens nevens sondag den ondertolk Coenraad Iansz: Bleij in Commissie na de „9 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 de koninginne van tanette om haare hoogheid vol„ „gens het oude gebruijk met de aanbieding van een kleijn geschenkje te vergelukken wegens het verjaar fiest haa„ rer kindskinderen, en de Maandag den 10:' tot woensdag den 12: niets voorgevallen, Donderdag „ 13:' wierd den tolk Israel Pietersz: na den glarrang van Bontoealak gesonden, ten eijnden deselven te in dagti„ „gern de gerequireerde satisfactie mij toegezegd op d' aan hem, gedaane klagten, voor de herhaalden mensch Roof en geweld gepleegd door den Bonijb Prins Mappa en te ge„ „lijk op de Restitutie der bij hem genoote waarde van een ontvoerden 's Comp: onderdaan aan te dringen, tot ant„ „woord hier op bequam ik een nadere toe zegging dat hij aan mijnen Eijsch zoude tragten te voldoen sodra hij de zaak grondig onder zogt en desen mappa bij zig ontboden zoude hebben dus men op nieuw, geduld daar meede te neemen had; vrijdag den 14:' niets voorgevallen; Zaturdag 310 van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 „ 23:' Arriveerden van goak eenige afgesondene van den koning met zaturdag den 15:' aam in 't ordinair dagregister vermeldt:/ hunnen last be„ stond in de aankondiging dat hunne groote vaste eer lang tond in te gaan hier na 's konings bij sindere groete aan mij be„ intwoord en deselve voor de onderhouding der aloude gebruijken dit geval bedankt hebbende vertrocken dese lieden wederom a goan, Tot dingsdag den 18. niets gepasseert „ 19:' everteerde alhier den in Commissie na de koning Inne van Sanet woensdag afgesondene vaandrig geltens met den tolk Blij tot Saturdag den 22: niets voorgevallen Arriveerde uijt de binnen landen alhier den op maros beschij„ sondag den tolk Pieter Bartels die verseld was van eenen Toadjie zendeling van den koning van bonij beijden met eenen brief van sijne hoogheijd aan mij gechargeert, tond ik den 's Comp: zendeling Mandjare kie na den glar„ rang van Bontoealak ter wijl den tolk Pieters=z na den koning van goah vertrock beijden waaren ze gelast te over„ donderdag „ 20:' Sondag „ 16:' „handigen Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 de koninginne van tanette om haare hoogheid vol„ „gens het oude gebruijk met de aanbieding van een kleijn geschenkje te vergelukken wegens het verjaar feest haa ret kindskinderen, en de Maandag den 10:' tot woensdag den 12: niets voorgevallen, Donderdag „13:' wierd den tolk Israel Pietersz: na den glarrang en Bontoealak gesonden, ten eijnden deselven te in dagti „gen, de gerequireerde satisfactie mij toegezegd op d' aan hem gedaane klagten, voor de herhaalden mensch Hoof en geweld gepleegd door den Bonijs Prins Mappa en te ge „lijk op de Restitutie der bij hem genoote waarde van ee ontvoerden 's Comp: onderdaan aan te dringen, tot an „woord hier op bequam ik een nadere toe zegging dat hij aan mijnen Eijsch zoude tragten te voldoen Sodaa hij de zaak grondig onder zogt en desen mappa bij zig ontboden zoude hebben dus men op nieuw, geduld daar meede te neemen had; vrijdag den 14:' niets voorgevallen; Zaturdag
English
310 From Maccasser The 29th of June 1771 Saturday the 15th There arrived from goak some envoys from the king, named in the ordinary daily register; their commission consisted of the announcement that their great fast was soon to begin; after this, having answered the king's special greeting to me and thanked the same for the observance of the ancient customs in this case, these people departed again for goah. Until Tuesday the 18th, nothing occurred. Wednesday the 19th There returned here the ensign geltens, who had been sent on a mission to the king Inne of Sanette, together with the interpreter Blij. Until Saturday the 22nd, nothing occurred. Sunday the 23rd There arrived here from the inland areas the interpreter Pieter Bartels, stationed at maros, who was accompanied by a Toadjie, an emissary from the king of bonij, both charged with a letter from his highness to me. Sunday the 16th I sent the Company's emissary Mandjarekie to the glarrang of Bontoealak, while the interpreter Pietersz departed for the king of goak; both were ordered to hand Thursday the 20th hand From Maccasser The 29th of June 1771 over a copy of the recently published and renewed placard against the carrying of exposed or uncovered hip weapons, assegais, and other sharp Indian weapons, and this particularly for the information of those two courts so that their subjects might guard themselves against the consequences of transgressing that prohibition, which was accepted and acknowledged. Tuesday the 25th until Saturday the 29th, nothing occurred. Sunday the 30th The commissioner Le Cerff and his command arrived here today in the roads with the Bouton interpreter; the requested audience for the purpose of being able to hand over the letters brought along from his master I was forced, due to indisposition, to postpone until a later opportunity. Monday the 31st, nothing occurred. January in the year 1771. Tuesday the first, nothing. Wednesday the 2nd My indisposition continuing, and I being thereby unable 312 From Maccasser The 29th of June 1771 to attend the ceremony of receiving the Bouton letter, the secunde was commissioned thereto, while the envoy had been notified through the interpreter to appear in the castle for that purpose today before noon at 10 o'clock; and so this ceremony was completed under the customary honors, and the two letters brought along by him were properly handed over and received. Until Monday the 14th, nothing occurred. Tuesday the 15th The southern regent of Tiro, with his subordinates and lesser chiefs, having arrived here a few days ago, except for two, namely the chiefs of grassing and weer, who had remained behind, appeared before noon at my summons; his request to be admitted as soon as possible with the delivery of the annual tribute of his competency, in order to be able to return to his land thereafter, having been granted to him for tomorrow, he answered my question regarding his long delay that this had been caused by the absence of the aforementioned, whom he promised to send hither promptly upon returning to his land, so that they themselves might appear before me regarding their Thursday the 3rd their From Maccasser The 29th of June 1771 there appeared an emissary from the king of goah, who requested an audience for his master and other court grandees to pay the customary compliments on the new year, and on that occasion gave me specifically to know: That his master, in making this request, was by no means unaware that in this respect it was not granted to goak until bonij had preceded herein, but that since it appeared that bonij would again be neglectful in this just as in the previous year, since the new year was already so far advanced without audience having yet been requested on the part of Bonij, as far as was known to them, they, the Maccassars, therefore did not wish to fail any longer in this their obligation. I had the king greeted in response for his attention to observing the customs, but postponed the requested audience for a few days on account of indisposition. Friday the 25th, Saturday the 26th, and Sunday the 27th, nothing. sent 316 From Maccasser The 29th of June 1771 Monday the 28th The glarrang of Bontralacq and the Bouton envoy each sent their emissaries in order to request an audience for their principals, which was granted to both for the coming morning; and they then also appeared at the appointed hour. Tuesday the 29th The soele wattang and the glaarang of bontoealacq, accompanied by the Djemma Iongang, who brought along in their retinue a Pabitjara Tjetta, recently sent hither from the inland areas by the king of bonij, principally for further elucidation of that about which these and the 3 first mentioned now came to complain to me, namely: That Aroe Pantjana in the Province of Sagerie had taken away some paddy fields from the king's subjects under the pretext of having ownership over them, and at the same time strictly forbidden them to cultivate the same further. It was in further confirmation of these complaints that the last-mentioned appeared with them in their retinue, and they jointly appealed in the king's name to the boundary demarcation
Dutch transcription
310 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 „ 23:' Arriveerden van goak eenige afgesondene van den koning(:met Zaturdag den 15:' naam in 't ordinair dagregister vermeldt :/ hunnen last be„ stond in de aankondiging dat hunne groote vaste eer lang stond in te gaan hier na 's konings bij sondere groete aan mij be„ „antwoord en deselve voor de onderhouding der aloude gebruijken in dit geval bedankt hebbende vertrocken dese lieden wederom na goah, Tot dingsdag den 18. niets gepasseert „ 19:' reverteerde alhier den in Commissie na de koning Inne van Sanet woensdag te afgesondene vaandrig geltens met den tolk Blij tot saturdag den 22: niets voorgevallen Arriveerde uijt de binnen landen alhier den op maros beschij„ sondag „den tolk Pieter Bartels die verseld was van eenen Toadjie zendeling van den koning van bonij beijden met eenen brief van sijne hoogheijd aan mij gechargeert, Sond ik den 's Comp: zendeling Mandjarekie na den glar„ „rang van Bontoealak ter wijl den tolk Pieters=z na den koning van goak vertrock beijden waaren ze gelast te over„ donderdag „ 20:' Sondag „ 16:' „handigen Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 „handigen een afschrift van het onlangs gepubliceert en gerenoveert placcat tegens 't draagen van ontbloote of on overdekte heup geweezen afsagaijen en andere Indiaan„ „se scherp geweer en zulks wel in sonderh: in sonderheijd tot na rigt voor die beijde hooven ten eijnde hunne onderdaanen zig voor de gevolgen der Frans gressen van dat verbod zou„ den mogen hebben te wagten het geen aangenoomen en be„ hoofd wierdt. dingsdag den 25: tot Saturdag den 29: niets voor gevallen. Sondag „ 30:' den Commissiant Le Cerff en zijn bij hebben Commando arriveerde met den Boutonsen Tolk heden alhier ter rhee„ de het versogt acles voor desen ten zijnde de meede ge„ bragte brieven van sijnen meester te kunnen overhandigen was ik genoodsaakt, door indispositie tot op een nadere gelegentheijd uitte stellen; Maandag „ 31: niets gepasseert Januarij A„o 1771, Dingsdag den Eersten niets, woensdag „ 2:' mijne ongesteldheijd Continueerende en ik hier door buijten staat 312 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 staat 't Ceremonieel der ontfangst van den Bouthonsen brief bij te woonen so wierd den secunder daar toe gecommitteert ter wijl den afgesant door den tolk was aangesegt tot dat Eijnde „heeden voor de maddags om 10:' uuren in 't Casteel te verschijnen zoo als dan ook deese plegtigheijd onder het gewoon honneur is volbragtende twee door hem mede gebragte brieven, behoorlijk overgegeeven en ontfangen zijn; tot maandag den 14:' niets voorgevallen De zuijder regent van Tiro met zijne onderhoorige en min„ dingsdag „ 15 „dere hoofden al voor weijnig dagen alhier g'arriveert /: op twee na te weten de hoofden van grassing en weer die agter gebleven waaren:/ verscheen deese voor de middag op mijn ontbodt zijn versoek om met de Leverancie van 't Jaarlijks tribuit van sijne Comptentie ten spoedigsten te mogen werden g'ad„ mitteert ten Eijnde daar na weder na zijn land te kun„ „nen keeren hem zijnde toegestaan tegens morgen ant„ „woorde hij op mijne vraag na sijn lang vertoef dat zulks was te wege gebragt door het wegblyven der E: voornoemde die hij beloofde bij te rug komst op zijn land ten eersten herwaarts te zullen zenden ten eijnde zij zig zelve voor mij wegens donderdag den 3:' hunne Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 verscheen een zendeling van den koning van goah die voor zijn muester en verdere hof grooten ter aflegging van de gewoonlijke begroeting met het aangevange Jaar acces ver„ sogte en bij die geleegentheid in 't bij sonder aan mij te kennen gaff, Dat sijn meester bij dit aansiek geen sints onkun„ dig was dat zulks ten deesen op sigten goak niet eerder wierd g'accordeert dan na dat Bonij alvoorens hier inne voor gegaan was maar dat vermits het scheen dat bonij hier in evengelijk in het voorgaande Jaar weder zoude nala„ „tig blijven vermits het aangevange Jaar reeds zo verre was ingeschooten zonder dat Bonijs wege /: zo verre haar was bekent:) daar toe als nog acles was versogt zij (:Maccassaren:) dierhalven niet langer aan dese hare gehoudenisse wilde manqueeren, Ik liet den koning hier op voor zijn aandagt in 't naar koomen der gebruijken begroeten dog 't versogte ac„ „les nog voor eenige dagen uit hoofde van Jndispositie uijtstellen; Vrijdag den 25:' Zaturdag den 26: en Sondag den 27:' niets, zond 316 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 zond den glarrang van Bontralacq en den Boutonsen Maandag den 28:' gesant ijder hunne zendelingen ten Eijnde acces voor hun„ ne principaalen te versoeken 't geen aan beijden tegens den aanstanden voor de middag is g'accordeert dewelke dan ook ter bepaalde uur verscheenen den soele wattangen glaa„ dingsdag „ 29:' „rang van bontoealacq verseld van den Djemma Iongang, die in hun gevolg meede bragten eenen Pabitjara Tjetta onlangs door den koning van bonij uit de binnen lan„ „den herwaards gesonden principaal tot nadere bluci„ datie van het geene waar over dese en de 3: eerst gen: van weegen Bonij als nu hun beklag bij wij quamen doen te weeten; Dat Aroe Pantjana in de Provincie van Sagerie van 's konings onderdaanen eenige Padij velden hadd ontnoomen onder voorwendsel van eijgendom daar op te hrebben en hen teffens streng verboden desilve ver„ „der te bewerken; Het was tot nadere bevestiging deser klagten dat den laasten voorn: in hun gevolg hier bij verscheen en zij geza„ mentlijk uijt 's konings naam zig beriepen op de Limiet scheijding
English
From Makassar, 29 June 1771 division formerly made under the administration of the Lord Governor, by and through the Junior Merchants Camerling and Kruger, in the presence of various grandees of the realm from the side of Boni and Tanette, and whereby the aforementioned disputed fields, as well as those under the jurisdiction of the settlement of Tesieng on the northern banks of that river, were assigned to Boni. I answered them regarding this that I would have the necessary arrangements made to that end, so that Boni and Tanette, without prejudice to either, should retain those fields which had been assigned to them for cultivation by the Company in earlier times, further ordering the aforementioned Pabetjara Tjitta to hold himself in readiness to travel, so as to proceed to Tanette with the Company’s interpreter and emissary, just as they departed thither. Access having been granted hereupon to the Bouton envoy, I found, after the customary civilities had been exchanged, the principal motive for his visit to be the lack of certain necessities which he came to request of me. Having granted this, I addressed him on this occasion in emphatic terms concerning the conduct maintained by the Boutonese, principally regarding the stranded sloop De Nooteboom and its cargo and ammunition. His explanation in response to my questions amounted essentially to this: That his master, the King, had not been able to obtain any more cloves from the cargo beyond all that they had brought here and delivered into the Company's warehouse, in addition to the quantity that had been sent directly to Batavia by the King; That, as regards the difference observed upon the receipt of these spices in the trade warehouse compared to the weight stated in the King’s letter, such was very probably to be attributed to the manner and means whereby the weighing over there was performed with a steelyard, and, by contrast, here upon the scale; That concerning the artillery, etc., upon their departure hither they had heard nothing other than that the same must still be lying at the place where De Nooteboom was wrecked, without knowing anything further of it. From Makassar, 29 June 1771 To all of which I gave him in reply that I was all the better informed of the conduct of the Boutonese with respect to this case, confronting him on that occasion with where those cloves, etc. although only a small quantity of only twelve pounds, originated from, which had been offered for sale on Boneratta by the people of the settlement of Callesoesoe, but had been seized by the Boneratters and sent from there to the King of Boni, just as, notably, His Highness had sent the same to me. But he sought to excuse this by saying that the people of Copia, closest to the place where De Nooteboom was stranded, if robbery had been committed, and not the Callesoesoe people, must have been complicit in it. This, as he pretended to believe, did not appear improbable to him, since those ill-disposed subjects had never wished to submit directly to the King’s commands, and had long before been declared rebels, apostates, and enemies of the crown. Your master, I retorted to this, will then have the opportunity to consider himself particularly indebted to the Company, if it should ever please them to deliver a sensible and well-deserved chastisement to these apostate subjects of his on account of their robbery committed against De Nooteboom. But this was not followed by any further defense from the envoy, who, after a short stay, took his leave and departed. From Makassar, 29 June 1771 Friday, the 30th I sent by water to the Queen of Tanette the assistant interpreter Israel Pietersz, accompanied by the emissary Daeeng Mandjarekie and an emissary of Boni, in order to complain to her in my name about the unqualified behavior of her son Aroe Pantjana, of which mention is made on the 28th of this month, as well as to demand prompt satisfaction and reparation. From Thursday, the 31st of January, to Sunday, the 3rd of February Nothing occurred. Monday, the 4th I sent the assistant interpreter Coenraad Jansz Bley to the court of Gowa in order to give communication to the King of my discharge from this administration, as well as that Their High Excellencies had chosen in my place as Governor and Director of this Celebes the Lord Paulus Godofredus van der Voort, whom I expected here daily; for which information the King had me thanked with reciprocal greetings. The same I also had announced this day by the aforementioned Bley to the Queen of Tallo, and at the same time conveyed my surprise to Her Highness that no notice had been given to me from her side of her return from Sidenreng, from where, according to what I had heard indirectly, she had already returned some time ago. She had herself excused to me for this omission as being brought about, on the one hand, by the mourning in which she was plunged over the demise of her most beloved niece Craceng Lempangang, daughter of Aroe Palaccas, and, on the other hand, by an indisposition from which she had been suffering for some days; for the rest having me thanked with reciprocal greetings for the communication given, according to the report made to me upon the return of the aforementioned interpreter.
Dutch transcription
Van Maccasser Den 29 Iunij 1771 schijding voor heen onder de regeering van den heer gouverneur tot en door de onderkooplieden Camerling en kruger ten bij weesen van Verschijde rijksgrooten van de zijde van bonij en Tanette gedaan en waar bij de voorn: queestieuse velden zo wel als die on„ „der 't Ressort van de Negorij Tesieng aan de noorder oevers van die rivier bonij waaren: toe geweesen; Ik antwoorde hen hier op dat ik de nodigebschickingen daar in zoude laaten bewerk stelligen ten Eijnde Bonij en Ia„ netto onvermindert ijder die velden welke haar ter bewer„ „king door dE Comp: in vroeger tijd waaren toegeweesen quamen te houden gelastende wijders den voorn: Pabetjara Tjitta, van zig rijsvaardig te houden ten Eijnde na Tanette niet 's Comp: tolk en zendeling te gaan gelijk ze derw=ts, ver„ trokken zijn; Hier op aan den Boutonsen afgesant acces gegeeven zijnde bevond ik na t afleggen der gewoone heus heeden de voornaamste bewoogreeden van zijn besoek te weesen het gebrek aan eenige benodigtheeden die hij mij versoek quam het geen ik accordeert hebbende hem bij deese geleegentheijd in nadruckelijke termen onderhield over den Boutonders gedrag 318 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 gedrag gehouden voornamentlijk omtrent de gestrande Chialoup de nootebomm en haar lading en ammunitie, sij„ ne verklaaring op mijne vraagen quam zakelijk hier op uit dat sijn meester den koning van de lading geen nagulen meer hadde kunnen magtig werden al 't geene zij alhier aangebragt en in 's Comp: pakhuijs overgelevert hadden nevens de quantiteijt die door den koning direct na Batavia was gesonden; dat wat belangdt het verschil bij den ontfangst dier specerijen in 't negotie Pakhuijs ontwaard met het op„ „gegeeven gewigt bij 's konings brief zulks zeer waar„ scheijnelijk toe te schrijven waare aan den wijse en het middel hoedanig de toeweeging ginter met een daats en en daar en tegen alhier op de schaal was verrigt, dat ze nopens 't geschut etc: bij hun vertoek na her„ „waarts niets anders vernoomen hadden, als dat het zel„ ve nogter plaase moest leggen alwaar de noteboom ver„ ongelukt was zonder verder iets daar van te weeten, Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 op al het welk ik hem ten antwoord gaf zo veel te beter van het gedrag der Bouthonders, ten aansien van dit geval onderrig te weesen houdende hem bij die geleegentheid voor van waar die nagulen C: al hoe wel maar een geringe quantiteijt van maar twaalff ponden:/ her komstig warren die op Bo„ neratta door de volkeren van de negorij Callesor soe ter verkoop aangebragt edog door de Boneratters aange„ slagen en van daar aan den koning van bonij overge„ „sonden waren zo als weten: zijn hoogheid mij desel„ ve had toegeschikt dog zier van tragten hij deese te verschoonen met te seggen dat de volkeren van Copia 't naast bij de plaats alwaar de nooteboom was gestrand (:zo er roof gepleegt was:/ en niet de Calesoesoers daar aan handdadig moesten zijn het geen hem gelijk hij zig hield te gelooven niet on„ waarschijnlijk voor quam aangesien zo als quad„ „willige onderdanen nimmer direct onder 's ko„ „nings bevalen hadden willen staan in al van lange te vooren voor rebellen afvalligen en vijanden van de kroon waaren verklaart uwen meester her vatte ik hier op zal dan de geleegentheijd kunnen hebben van zig in 't bijsonder aan de Comp: verschuldigt te agten „ d - 320 Van Maccasser den 29: Iunij 1771 agten in dien het haar eens mogte komen goed te dunken dese zijne afvallige onderdaanen ter oorsaake van hunnen roof aan de Nooteboom gepleegd een gevoelige en wel ver„ „diende Castijding te laten toe dienen dog het geen door den gesant van gaen verdere verdeediging agtervolgd wierd nee„ mende na een wijnig toevens hier op hun afschijd en vertrocken; zond ik te water na de koninginne van Tanette den vrijdag den 30:' ondertolk Israel Pietersz verseld van den sende„ „ling daeeng mandjarekie en een bonijse zendeling ten Eijnde bij haar uijt mijn naam te doleeren over het m„ „gequalificeert bestaan van haaren zoon Aroe Pantjana waar van op den 28: hujus gewig voorkomst mitsga„ „ders om dagelijke satisfactie en reparatie over te be„ geeren, niets voorgevallen. zond ik den ondertolk Coen: Iansz: bleij na het hoff Maandag „ 4: van goah ten eijnden den koning Communicatie te geeven, van mijn ontslag uit dit bestier mitsg=s Januarij tot sondag den 3:' donderdag „ 31 Februarij dat Van Maccasser den 29: Iunij 1771, dat haar hoog Edelheedens in mijne plaats tot gouverneur en directeur deser Celebes g'Eligeert hadden den heer Paulus Godofredus van der voort dewelke min dagelijks alhier te gemoet zagt voor welke informatie den koning mij onder Con„ tra groete had laten bedanken, Het selve liet ik door voorn: bleij deesen dag mede aan de koninginne van Tello aankondigen en teffens mijn verwondering aan haar hoogh„d te kennen geeven over dat mij van haaren 't wegen geen kennis was ge„ daan van haar terug komst uijt sideenring van waar zij na, 't geen ik van ter zijden vernoomen hadd al reeds eenigen tijds geleden gereverteert was zij liet, har over dit versuijm bij mij verschoonen als te weege gebragt eens deels door den rouw waar in zij gedompeld lag over het afsterven van haare bemindste nigte Craceng Lem„ pangang dogter van aroe Palaccas anderdeels door een Indispositie waar aan zij zedert eenige daagen was labo„ reerende voor 't overige mij onder weder groete voor de„ gegeeve communicatie hebbende laaten bedanken, na W luijd: het verslag dat mij bij te rug komst door voorm: Tolk
English
From Makassar, 29 June 1771 Having provided an interpreter, Tuesday the 5th I sent the aforementioned interpreter to the soelewattang and the glaraang of Bontoalacq in order to inform them, just as had been done at the courts of Gowa and Tallo, of the recent change in the government here, the King in the interior having already been notified thereof by me in a letter, as I let them know, while asking whether they had also heard anything in particular concerning His Highness. To this they answered that they had heard from the mouths of some natives who had not long ago come down from there that the King was preparing to depart for Luwu with no other purpose than solely to mediate, if possible, some disputes that had arisen among the people of Luwu, which having been accomplished, they expected His Highness to return hither soon without further delay. Such was the report of the interpreter upon his return from there. Wednesday the 6th The envoys mentioned under the business of 29 January previously, sent to complain to the Queen of Tanette From Makassar, 29 June 1774 of Tanette concerning the acts of violence of her son Aroe Pantjana, returned today and brought me a report of their commission, stating that the Queen, having listened to the matter calmly, had nevertheless given them not a word in answer to me, but had merely declared that she intended to come here in person before long, when she hoped to have the opportunity to confer with me orally on that subject, as indeed she arrived here on Thursday the 7th sending word to me of her arrival with the customary compliments. Friday the 8th Nothing occurred. Saturday the 9th There arrived a Bone interpreter from the soelewatang of Bone, who, as it appeared, had again become entangled in new hair-splitting, just as in the past year to be found on 21 July, with the toll lessee over some petty traders, commonly called Pagilings From Makassar, 29 June 1771 by them, people who each with a load of merchandise travel back and forth in small groups from here to the interior and there find a market for their goods. These people were the ones who, contrary to the regulation made at that time, of which the requisite notice had been given to the aforementioned regent for his guidance and observance, nonetheless, disregarding it in fraud of this order and refusing to observe it, stubbornly wished to persist in their former arbitrary practices, pretending to be ignorant of this regulation, through which it had come about that various of them had now been detained by the servants of the lessee. This gave occasion for this mission, and at the same time was the subject about which the aforementioned minister now lodged a complaint with me, adding the ridiculous request, as it were, that I would be pleased first to deliberate on this matter with the King, his master, so that, after it was subsequently approved and established by his sovereign, it could henceforth serve as a guideline for them. From Makassar, 29 June 1771 Sunday the 10th I had him answered that since in the past year, as a favor, one of these smugglers had been released, the seized goods returned, and the soelewattang had at that time been informed regarding the customs in force among us in this regard, so that, as had been his duty, he might enlighten the King thereof and further take care that those people, being likewise instructed in this respect, should behave accordingly, in order thus to prevent continuous quarrels of that nature, it therefore appeared very strange to me that he was only now beginning to speak of an agreement on this matter with the King his master; furthermore, that we were always accustomed to maintain such servants as the toll collector in his legitimate rights, and that His Highness of Bone, for special reasons, was no less obliged to do so. The Queen of Tanette having sent word to me through an emissary, with the usual greetings, requesting an audience, I sent From Makassar, 29 June 1771 Monday the 11th the assistant interpreter Israel Pietersz to notify Her Highness that I would expect her visit on Tuesday the 12th Whereupon she also appeared with her retinue. After taking our seats and exchanging mutual courtesies, the princess made known that she had understood very well the message delivered to her in my name by the interpreter Israel Pietersz and the Company's emissary Daing Mandjareki regarding the grievances of the King of Bone concerning the paddy fields situated at Totjitta, which Her Highness had caused to be cultivated, knowing no better than that they belonged to her in ownership, as they fell under a parcel of paddy fields called Balang-E, which were also hers; That having already previously intended to come hither in person, she had for that reason delayed the answer for so long; Furthermore,
Dutch transcription
322 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 Tolk gegeeven is, zond ik den voorn: Tolk blij naden soelewattang Dingsdag den 5: en glaraang Bontoalacq om deselve gelijk als aan de hoven van gaak en Tello was gedaan van de voor gevalle verandering in de regiering alhier te infor„ „meeren zijnde den koning in de binnen landen mede be„ „reeds daar van bij eenen brief door mij verwittigd zoo als ik hen liet weeten onder afvraage of 2: ook iets par„ „ticuliers aangaande zijn hoogheijd vernoomen hadden ze antwoord den hier op uijt de mond van eenige Jnlan„ „ders die niet lang geleeden van daar afgekomen waaren te hebben vernoomen als dat de koning zig gereed ge„ maakte om na Loewoe te vertrekken met geen an„ der oogmerk als alleen om aldaar eenige onder de Loewoensen geresene verschillen des mogelijkte be„ middelen het geen verrigt zijnde zij zijne hoogheijd zonder verdere vertraaging spoedig herwaarts verwagtede zo luijde des tolks berigts bij retour van daar; de afgesonde vermeld onder de materie van den 29:' woensdag den 6: Ianuarij bevoorens om bij de koninginne van Tan ette van Maccasser Den 29: Iunij 1774 Tanette over de geweldenarijen van haren zoon Aroe Pantjana te doleeren reverteerden heeden en bragten mij van desen hunnen last berigt dat de koninginne de zaak bedaart hebbende aangeloort egter aan henl: geen woord daar op tot andwoord aan mij gegeeven maar eenlijk verklaart hadde dat zij eerlang dagte in persoon alhier te koomen, wanneer ze hoopte geleegentheijd zullen hebben mij op dat supt mondeling 't onderhouden zoo als ze dan ook vas alhier arriveerde op, donderdag den 7:' laatende mij onder de gewoone pligt ple„ gingen van haare komst kennis geeven vrij dog Zaturdag „ 9:' arriveerde een bonijse Tolk van den soele„ watang van bonij die gelijk 't bleek weder in nieuwe hair kloverijen even als in den voorleden Iaare /: te vinden bij den 21:' Julij:/ met den boomspagter was geraakt overeeni„ „ge smalle handelaars Pagilings in de „ 8:' niets voorgevallen wandeling 314 Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 wandeling bij hen genaamt menschen die ijder met een dragt koopwaaren bij klijne troepen van hier na de binnen landen gints en herwaarts trecken en aldaar 't de biet hunner goederen vinden deese lieden waaren het die tegens de voststelling te dier tijd ge„ maakt en waar van aan den steede houder voornoemt de verEijschte kennis ter sijner narig en observantie gegeeven was des ongeagt in 't fraudeeren deser ordre en zonder dezelve te willen in agt nemen by hare voorige willekeurige gewoonten stijfhoofdig wilde blij„ ven volherden als houdende zig van dese bepaling onkundig te zijn en waar door het dan ook te weege was gebragt dat desen en geenen van henlieden door de die„ naars van den pagter als nu waeren aangehouden Het geen de aanleijding deser bezending en te ge„ „lijk het onderwerp was over gem: minister als nu bij mij doleeren liet met bij voeging van een ridicul ver„ „soek quasi„ dat ik dit stuk alvoorens met den „koning zijnen meester geliefde te beraadt, slagen, om vervolgens 't zelve door zijn souverain beaamt en vast gesteld zijnde, /(:als dan voortaan tot een rigtsnoer voor„ henl: te kunnen strecken, Ik Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 Zondag den 10:' Ik liet hem hier op antwoorden dat vermits a„o „pass„o ten gevallen eenen deser sluijkers gelargeert, het aangehaalde te rug gegeeven, en hij soele wattang te ge„ „lijk bij die geleegentheid g' jnformeert was geworden, nopens de gebruijken die er ten desen reguarde bij ons in zwang gingen, ten Eijnde hij gelijk het van zijn pligt geweest was, den koning daar van zoude kunnen Eluideeren en wijders zorge draagen dat die menschen, mede dien aangaande onderrigt hen daar na quamen te gedraagen om dus Continueele Harrewaaren van dien aard te kunnen voorkomen, het mij over„ zulks als nu zeer vreemd voorquam, dat hij thans eerst begon te spreeken van een over een komst op dit stuk met den koning zijn meester, wijders dat wij altoos gewoon waren zodanige bediendens als den Tolhefser, in zijne regtmatige beswaarnissen te maintineeren en dat zyn hoogheijd Bonij uijt bij sondere reden niet minder daar toe verpligt was de koninginne van Tanette mij door een sende„ „ling onder de gewoone groete om acces hebbende la„ „ten versoeken zond ik Maandag 326 van Maccasser Den 29: Junij 1771 den ondertolk Israel Pietersz om haar hoog„ Maandag den 11:' „heid aan te zeggen dat ik haar bezoek verwagten zou„ de tegens „ 12: Dingsdag Gelijk zij ook met haar gevolg verscheenen is, Na genoomen zitplaats en wedersijdse af„ „gelegde heusheeden gaf die vorstinne te konnen; dat zij zeer wel verstaan had de bood„ „schap uijt naam van mij door den tolk I„ „stael Pietersz, en 'sComps sendeling Da„ „ing mandjareki aan haar gedaan, over de doleantien des konings van bonij, aangaan„ „de de padij velden geleegen op Totjitta die haar hoogheid had laten bewerken niet beeter weetende of deselve waaren haar in Eijgendom toe behoorende gelijk ze onder een parthij Padij velden genaamd Balang- E die mede de hare waren sorteerde, Dat zij reeds bevorens van intentie ge„ „weest zijnde in persoon herwaards op te komen het antwoord, om die reede so lange had opgeschort, voorts
English
From Makassar, the 29th of June 1771 further to have to express her astonishment at how the King of Boni could make claims to these fields, since His Highness and all the people of Boni together must have known that they belonged to her, although it was true that they were taken away and appropriated by His Highness during the administration of Governor Blok, just when she, the Queen, wished to depart for Luwu; nevertheless, the aforementioned Mr. Blok had at that time admonished her to depart in peace, with the promise that, if possible, he would ensure that they would be restored to her in due course; she further appealed to the Shahbandar Voll, stating that he was aware of these disputes and had also handed over Balang-E to her in the previous year. Voll, being asked by me how the matter actually stood and whether this dispute had subsequently been decided and settled by Mr. Blok or not, answered that he was well aware that Her Highness had claimed these disputed fields from the King of Boni at that time, under the pretext that they lawfully belonged to her, but that this ruler had argued with much foundation to the contrary that the fields belonged to him, which was why the dispute had remained undecided and the fields were left under Boni; about which Her Highness had then remarked with much bitterness in this manner: if I cannot get the one, namely Totjita, then just take the other, meaning Balang, as well; wherewith, to his knowledge, the matter had rested until the present day, except only that Her Highness in the past year, after the distribution, when Voll was on a commission at Pantjana, had requested to have the aforementioned Balang-E, being a small tract of land consisting of 99 pieces of paddy fields, back again because of the lack of fields, just as she had also taken them back into her possession. I then asked her whether all this was true; her answer was, Yes. From Makassar, the 29th of June 1771 Upon this, I pointed out to her how wrongly she had acted by arbitrarily having the lands called Tolgitta plowed and thereby appropriating them, since the aforementioned Mr. Blok had at that time—fourteen years having now elapsed—been unable to award them to her on any solid basis, just as I declared that I could not find any well-founded reasons for it now, as well as the consequences of murder and manslaughter that such arbitrary conduct could have entailed had the people of Boni resisted it with force at that moment, ordering her therefore to renounce her unfounded claim to those fields now and forever, and to remain satisfied with the aforementioned Balang-E; at the same time to send her emissaries immediately with those from Boni named Laudo and the Matoa Tjitta, accompanied by the Company's interpreter Pieter Bartels, to Segeri, in order to restore those lands to Boni. Her Highness answered only that she would submit to my ruling and acquiesce in it. From Makassar, the 29th of June 1771 After this, the Northern Regent Lo Lo of Kalukuang appeared, complaining about a certain subject of Her Highness named Paccallé, who had taken into his possession four pieces of paddy fields called Pusekapa, located in the village of Tanuntung. The latter, being present before the Queen and asked for the reason for this, had nothing else to offer in his defense than the assertion that they had been given to him by the Shahbandar Voll; which, being denied by Voll upon inquiry, he was ordered to restore those paddy fields likewise to the aforementioned regent. Furthermore, this chief complained about another 20 pieces of paddy fields located on the north side of the Segeri River in the village of Pesing, which had also been arbitrarily taken into possession by the Queen's people. Whereupon I also recommended to Her Highness, who claimed ignorance of this dispute, to renounce those fields in favor of the lawful owner; and that if the Tanete people had already cultivated them, then, for this year but no longer, the fruits thereof might be enjoyed by the cultivator, provided that he pays the customary dues of the land to the lawful owner. Lastly, I admonished Her Highness to renounce once and for all in like manner certain 14 pieces of fields located within the boundary of the King of Boni, called Ioa-tjabbang and Riattasepa, and never to raise any dispute about them again, since that matter had also been decided in favor of Boni in earlier times and had to remain settled. She answered merely, Just as you please, subsequently taking her leave with a rather cold and discontented countenance. In the afternoon, I sent the interpreter Bartels to the Gallarrang of Bontoala to inform him
Dutch transcription
Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 voorts haar verwondering te moeten betuygen, hoe den koning van bonij op deese velden konde praten„ „sie maken nademaal zyn hoogheid en de gesament„ „lijke boniers moesten bekent weesen, dat deselve haar toe quamen, schoon het waar was datze door zijn hoog„ „heid, onder de regeering van den heer Gouverneur Blok, Juijst wanneer /:zij koning ginne:) na Loewoe wilde vertrekken, weg genoomen en g'Eijgent waren egter had wel gemelde heer Blok daar te dier tijd ver„ „maant om maar gerust te vertrekken, met belofte van des mogelyk te zullen zorge drag dat de zelve haar in der tijd gerestitueerd wierden haar verders beroe„ „pende op den sjabandlaar voll, dat die van de„ „se geschillen bewuestheid droeg en haar ook in den voor„ leeden Jaare Balang-b hadde overgegeeven, voll hier op door mij gevraagd zijnde hoe 't Eeijgentlijk hier meede geleegen was en of deese questie door den heer Blok vervolgens was bestist en afgedaan ofte niet, zo gaf deselve tot antwoord, wel bewust te zijn dat haar hoogheid te dier tijd deese in dispuit leggende velden/ 328 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 velden van bonijs koning hadde gepretendeert, on„ „der voorgeeven dat ze haar wettig toe behoorden, dog dat dien vorst daar en teegen met veel grond hadde beweert, dat die velden hen toequamen, weshal„ „ven die questie ongedecideert gebleeven en de velden onder Bonij gelaten waren waar over haar hoogheid zig toen nog met veel betsheid in deser voegen hadde uijt„ gelaten; als ik het eene /: te weeten Totjita :/ met krijgen kan neemd dan het andere /:meenende Ba„ „langh:/ ook maar weg waar bij die questie zij„ „nes weetens tot heeden gebleeven was, als alleen dat haar hoogheid in a„o p„o na de verthiening wanneer hij voll zig op Pantjana in Com„ „missie bevond verzogt hadde om het voorsz Ba„ „lang s. /: zijnde een landstreekje van 99:' stuks padij velden:/ vermits 't gebrek aan velden weder te rugte mogen hebben, gelijk zij deselve ook, we„ „der na haar hadde genomen; Ik vroeg haar hier op, of dit een en ander in de waarheid bestond haar antwoord was, Ja Hier van Maccasser Den 29: Iunij 1771 Hier op kield ik haar voor, hoe qualijk zij gedaan had met de Landerijen genaamt Tolgitta Eijgenwillig te laten beploegen en daar door haar als toe te eijgenen, daar haar deselve door wetm: heer Blok te dier tijd zijnde nu reets te zedert vertien Jaaren verlopen met geen fondament hadden kunnen werden toe„ geweesen, also min als ik verklaarde daar toe thans eenige gegronde reedenen te kunnen vinden, mitsga„ „ders de gevolgen van moorden dood slagen, die een zoda„ „nig wille keurig gedoente, ingeval de Boniers zig op dat pas met geweld daar teegen gesteld hadden, zou„ de hebben kunnen na zig sleepen, haar dierhalven ordonnee„ „rende, om van nu af voor atthoos afstand te doen van dee„ „se haare ongefundeerde pratensie op die velden, en zig te vree„ „den te houden met voors: Balang-E teffens om ten eer„ sten haare zendelingen met die van Bonij gen:t Lau„ „do en den matoa Tjitta /: verseld zullende werden van s Comp„s tolk Pieter Bartels:/ na Sagerie te sen„ „den, ten Eijnde die Landerijn aan Bonij te restitu„ „geren Haar hoogheid antwoorde hier op eenlijk, dat zij zig aan de uijtspraake van mij onderwerpen en zig des getroosten zoude, Hier 320 van Maccasser den 29: Iunij 1771. Hier na verscheen den Noorder Regent Lo Lo van Kaloekoea doleerende over zeeker onderdaan van haar hoogheid gen: Packereh, die k: stuks Pa„ dij velden gen=t Poesekapa, en geleegen op de negorij Tanoentong had na zig genomen, deesen /. bij de konin„ „gin: present:/ na de reeden hier van gevraagd werden„ „de had niets anders tot zijn verschooning in te bren„ „gen, als dat voorgaf hem deselve door den sjabanst: voll gegeven waren 't welken op afvraage door hem voll ontkend zijnde wierd denselve g'ordonneert, om die Padij relden insgelijks weder aan den voorsz regent te restitueeren, Wijders doleerde dit hoofde over nog 20 stuks Pa„ „dij velden geleegen aan de noorkant van de revier Sagerie op de negorij Peesing almeede door 't volk van de koninginne willekeurig in possessie ge„ noomen waar op ik haar hoogheid /: die zig van dese ques„ „tie ignorant dield:/ teffens recommandeerde al meede van die velden ten behoeven van den wet„ tige Van Maccasser Den 29: Junij 1771 „tige eijgenaar afstand te doen en dat ingeval de Ia„ „nettereesen deselve reeds mogten hebben bewerkt. als dan /: voor dit Jaar dog niet langer:/ de vrugten daar van zullen mogen werden genoten bij den beplanter mits hij aan den wettigen Eijgenaar betaale de ordinai„ re geregtigheid van 't land; Laastelijk vermaande ik haar hoogh: om in zel„ vervoegen van zekere 14: stuks velden geleegen bin„ „nen de Limiet schijding van den koning van bonij gen=t Ioa- tjabbang en Riattasepa mede tens voor al af te zien, en daar over minmner meer questie te mo„ veeren alzo die zaak almeede in vroeger tijd ten taveu„ „re van Bonij uijtgeweesen was en het daar bij moest blijven berusten, Bij antwoorde Slegts zo als het u geliefd nee„ „mende vervolgens met een vrij koel en 't onvreeden ge laat afschijd; S na de middags zond ik den tolk Bartels na den glarrang van Bontoealak, om hem te ver„ „wittigen
English
332 From Maccasser the 29th of June 1771 to inform of the outcome of the decision concerning the disputed fields of Totjitta, which had been awarded to the Bonijers, with further orders to request him to send the djemma tongang and the Pabitgara tjetta along with him (the interpreter) thither by tomorrow, in order to be able to assist at the handover of the same; after which he was dispatched to the queen of Tanette to request on her behalf also an envoy, provided with the necessary orders for the handover of these fields to the Bonijers, which she put into effect by appointing thereto her Honourable Pabetjara and the soeroe toallang. Wednesday the 13th: The interim governor of the district of Lange Lange, situated in the southern provinces, accompanied by many lesser regents from that region, appeared before me. They made known that they had come hither according to yearly custom to deliver the stipulated tribute to this Castle, and requested at the same time with one voice that, since the lawful regent of the aforementioned district had passed away, I would deign to favour the aforementioned interim governor with the succession to that dignity. But, From Maccasser the 29th of June 1771 since I had as yet received no report on that subject from Boelecomba's Resident, I postponed them, with the promise to declare myself to them on that matter on a further occasion after having received advice; further granting their request to be allowed to deliver the brought cotton yarn into the Company's warehouses. Thursday the 14th: Bartels departed with the Bonijese envoys and the Pabitjara Tjitta to Sagerie in order to await there the Tanetterese envoys for the handover of the paddy lands mentioned under the 12th of this month. Friday the 15th, Saturday the 16th, Sunday the 17th, Monday the 18th: Nothing occurred. Tuesday the 19th, Wednesday the 20th. Thursday the 21st: Through the under-interpreter Israel Pietersz, with a friendly greeting, I had the king of Goah informed that I would receive him and the other courtiers the day after tomorrow, which was accepted as such. Friday the 22nd: Nothing occurred. Saturday the 23rd: The king of Goah appeared with his entire retinue. 334 From Maccasser the 29th of June 1771 The ceremonial of his reception is mentioned more fully in the ordinary daily register, as well as the reason and occasion for the visit. Sunday the 24th: Nothing occurred. Monday the 25th: I was informed by the Lolo of Sagerie, who arrived at that moment, that nothing had come of the agreed handover of the paddy fields of Tjotjita, of which mention was made hereinbefore more than once, both due to the sluggishness of the authorized persons of the queen of Tanette, who had failed to appear there at the appointed time, and due to other obstacles. For, after having spent two days there in vain awaiting the fulfilment of the queen's promise, and having finally wished to insist on the restitution, the antong goeroe Poea Sapirie, who had been put into the unlawful possession of those fields by Aroe Pantjana, had very brusquely had the envoys answered that, since the paddy fields had not been assigned to him by the queen, Her Highness could have no disposition over them. Thereupon, I immediately sent the same interpreter to Her Highness to complain about this and to insist that she charge Captain Daeeng Massiki with the execution of that matter; and she sent me word in reply that she had already had a letter prepared to order once again, in all seriousness, that the claimed fields be handed over de facto to the Bonijer. From Tuesday the 26th of February to Monday the 4th of March inclusive: Nothing occurred. Tuesday the 5th: Upon the return of the interpreter Bartels from the northern province, accompanied by the former Dsemma Tongang of Sagerie, it was reported to me that those of Tanette, in accordance with the orders given to them, had made proper restitution to the Bonijers of the Tjittase paddy fields seized from them by Aroe Pantjana. I ordered the Djemma Tongang to bring the report of this to the gladrang bontoa Jacq for further communication to His Highness of Boni. Wednesday 336 From Maccasser the 29th of June 1771 Wednesday the 6th, Thursday and Friday the 7th and 8th: Nothing passed. Saturday the 9th: The Bouthonese ambassador had me greeted by an envoy and on that occasion made known that, since he was informed that, as on the last voyage, so many troops were again about to depart for Bouthon, to his master's utmost displeasure, he was ordered to make every effort with me to bring about that, just as in earlier years, now again only one sergeant and two privates would be employed and commissioned for that purpose, with the request that I would continue with the old custom without introducing novelties, which were exceedingly burdensome to them. But, this repeated proposal and request I cut short abruptly, in the same manner as had already been done in the past year, and had the ambassador informed thereupon that all precautions against the least appearances in cases of such weight were necessary and equitable to put into effect, and that I therefore
Dutch transcription
332 Van Maccasser den 29: Iunij 1771 „wittigen, van den uijtslag der beslissing over de questieu„ „se velden van Totjitta die de Bonijers toegewee„ sen waaren met verderen last om hem te versoeken den djemma tongang en den Pabitgara tjetta tegens morgen met hem (:tolk:/ derwaarts mede afte zenden, ten Eijnden bij de weder overgaven, der zelve te kunnen adsis„ teeren waar na hij tot de koninginne van Tanette wierd afgevaardigd om van harentweegen mede een sende„ „ding te versoeken voorzien van de nodige last tot de overgave deser velden aan de Bonijers het gaan zij werkstellig maakt niet daar toe te committeeren haaren E: Pabetjara en den soeroe toallang; den prointerim steede houder van 't inde zuijder woensdag den 13:' provincien geleegen district lange lange verseld van vee„ „le mindere regenten, uijt dien oord zijn bij mij verschoe„ nen zij gaaven te kennen herwaarts opgekoomen te zijn om na Jaarlijkse usantie den bepaalden tribut aan dit Casteel op te brengen en versogten teffens uijt ee„ „nen mond dat ik vermits den wettigen regent van voorn„ district was komen aflijvig te worden wilde met de succes„ sie in die waardigheid begunstigen den voorn: steede houder, dog van Maccasser den 29: Iunij 1771 dog verniets ik over dat supct nog geen na rigt Boelecom„ „bas Resident ontfangen hadd stelde ik henl: uijt, met toe„ zegging van bij nadere gelegentheijd na bekomen ad„ „ 99 vijs mij daar over aan hen te zullen verklaaren af Cor„ „deerende wijders hunne Jnstantie om het mede gebrag„ „te Cottoene gaaren in s Comp„s pakhuijsen te mogen leveren; donderdag den 14:' vertrok Bartels met de Bonijse afgezondene en den Pabitjara Tjitta en Sagerie om aldaar de Sanette„ reese afgezondene in te wagten ter over gave van de Pa„ „dij Landen onder den 12: hujus vermelot; „ 15:' Zaturdag den 16:' vrijdag Zondag „ 17:' Maandag „ 18:' niets voorgevallen dingsdag „ 19:' woensdag „ 20 donderdag„ 21:' Liet ik door den ondertolk Istael Pietersz den koning van Goah onder een vriendelijke groet aan zeggen hem en„ „de verdere hofgoooten tegens overmorgen te zullen re„ „cipieeren het geen zodanig g'accepteert wierdt; „ 22:' niets voorgevallen Vrydag Saturdag „ 23:' verschein den koning van goah, met sijn gantsche Hof„ „gezin 334 van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 „gezin 't Ceremonieel zijner, Receptie is breeder bij het ordinair dagregister vermeldt zo wel als de reden en aanleijding tot bezoek; niets voor gevallen wierd mij door den Lolo van Sagerie, die op 't stondarri„ Maandag „ 25:' „veerde berigt, dat van d' afgesprooke overgaave der padij velden van Tjotjita, waar van hier voor een en andermaal is gewog gemaakt, niets geworden was zoo door de traag„ „heid der bevoegdens van de koninginne van Tanette, die in gebreeke gebleeven waaren, op de bepaalde tijd al„ „daar te verschijnen, als door andere hindernissen, want zij, na twee daagen te vergeefs aldaar te heb„ ben toegebragt in afwagting aan de voldoeninge van 's koningenn: belofte, en ten laatsten op de resti„ „tutie hebbende willen aandringen zo had den antong goeroe Poea Sapirie die door aroe Pantjana in 't on„ regtmatig bezit dier velden was gesteld zeer brusq: aan d' afgesondene ten antwoord laten geeven, dat vermits de Padij velden hem door de koninginne met waaren opgedragen, haare hoogheid, ook geen sondag den 24:' beshifting Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 beschifking over deselve konde hebben, Ik zondijlings daar op denselven Tolk aan haar hoogheid, om hier over te doleeren en aan te dringen dat zij den Capitain Daeeng Massiki met de uijt voering dier zaak belasten wilde en zij liet mij wederom antwoorden dat ze alreeds een brief had in gereedheid laaten. brengen om ander„ maal, met allen Ernst 't ordonneeren dat de gepreetendeer„ de velden de facto aan de Bonijer wierden overgegeeven, van dingsdag den 26: Februarij tot Maandag den 4:' Maart jnClusive niets voorgevallen Dingsdag „ 5:' wierd mij met de te rugt komst van den Tolk Bartels uijt de Noorder Provincie, verseld van den gewesen Dsemma Tongang van Sagerie gerapporteerd, dat die van Tanette inge„ „volge den last aan hun gegaven, aan de bonijeers behoorlijk tes„ „titutie hadden gedaan van de Tjittase Padij velden hen voor Attoe Pantjana ontweldigt, Dk beval den Djemma Iongang het na rigt hier van te brengen bij den gladrang bon„ toa Jacq ter verdere Communicatie aan zijne hoogheijdt van borij; woensdag 336 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 niets gepasseert gelijk ook en vrijdag den 7: en 8:' Liet mij den Bouthonsen gesant door een sendeling be„zaturdag den 9:' groeten en bij die gelegentheid te kennen geeven dat ver„ mits hij g'informeert was dat er wederom als de laatste rijse zo veele manschappen na Bouthon stonden te ver„ „trekken, tot zijns meesters uijtterste ongenoegen, hij ge„ „last was all zijn de voir hier tegen bij mij aan te wenden om te bewerken dat gelyk in vroegere Jaa„ ren zo ook nu wederom maar Een serg„t en twee gemeene daar toe g'Emploijeert gecommitteerd wierden met versoek dat ik bij het oude gebruijk wilde Continueeren zonder nieuwigheeden in te voeren, die hen boven maten Lastig waren, dan, dit herhaald voorstel en versoek sloeg ik ingelijker voegen als in ao pass„o bereets geschieden kort af, en tiel den gezant hier op weeten, dat alle voorzorge op de minste apparenten ingeval„ „len van zulken gewigt noodsakelijk en billijk waaren dat men die in 't werk stelde en dat ik het Donderdag woensdag den 6 daarom
English
From Maccasser, the 29th of June 1771 therefore judged it better to adhere to the recently introduced custom, whereby in the event of illness or death of the one, the other can take his place again; Sunday the 10th and Monday the 11th: nothing happened. Tuesday the 12th: nothing occurred. Wednesday the 13th: the under-interpreter Bleij was sent to Aroe Palacca in order to hand over to Her Highness the letter recently brought for her from Batavia, for which she conveyed her thanks. Thursday the 14th to Sunday the 17th: nothing occurred. Monday the 18th: the aforementioned letter was offered to me for perusal by Aroe Palacca, which upon translation was found to be from her grandson who had been relegated to Ceylon, as appears from the translated contents of the same to be found among the appendices. Her Highness had instructed the bearer, Moentoe, upon handing over said letter, just as he did, to request that the same, after due reconsideration, might be returned to her, seeing that she had not yet fully grasped the meaning of some words occurring therein, and therefore wished to review its contents attentively once more, and subsequently also send the same to His Highness of Boni in the interior; furthermore, that we might be pleased to instruct her how she ought to proceed in order to provide this grandson of hers in a secure manner with one thing or another for which he had asked, accompanying this message with many compliments, from which it appeared that she had not entirely dismissed from her mind all hope of beholding this grandson of hers once again; whereupon the letter, having been duly reviewed with the assistance of the Malay writer, was subsequently handed back to the aforementioned interpreter of Boni, with instructions to notify the Queen that we remained obliged to her for the communication of its contents and gladly agreed that she might also let His Highness of Boni read it; furthermore, that it was particularly pleasing to me to have learned from it the good reception that [illegible], and in case she had anything ready for him, she should send the same to me in good time, while I took it upon myself to assist in the safe delivery thereof. I was also requested by the envoy of Bouton, whose messenger appeared before me, to be willing to assist him with some gunpowder and bullets; whereupon a cartridge full of the former was delivered to him, but the latter, not being on hand here in that caliber, remained unfulfilled, and I ordered the messenger to tell his principal to hold himself ready for departure within 9 to 10 days, which he undertook to report to the envoy, and herewith departed again; Tuesday the 19th and Wednesday the 20th: nothing occurred; Thursday the 21st: the Queen of Tanette, having obtained access yesterday from the incoming Governor for today, appeared before His Honour on a visit with her customary retinue and solemnly delivered her compliment of congratulation on His Honour the Respected's arrival; furthermore, an interpreter was dispatched today to the envoy of Bouton to remind him to appear within the Castle by the appointed day in order to receive the letter for his master the King and thereupon proceed on his journey, which he promised duly to perform. Friday the 22nd: an emissary from the Ponglipoh of Soping, having appeared before me on behalf of the Queen of Tanette, reported that his aforementioned master, having come down from Soping, had arrived at Tanette to accompany his spouse, whose purpose with this journey was to come to Maccasser because she wished to provide herself with some conveniences and curiosities brought by the Chinese junk, and that the Ponglipoh would accompany her hither, in order, after staying here for 3 to 4 days, to depart again alone for Sabouton, where he would await his spouse in order subsequently to return to Soping. Upon this, the said emissary also separately informed me on instructions from his aforementioned master how gladly the same would wish to announce himself on that occasion for a private conversation with me, but that the suspicious nature of the Prince of Boni was too well known to him to give even more nourishment to it by paying a visit to me, which would undoubtedly come to the ears of the same and thus give occasion to see me burdened with many troublesome effects of his suspicion. I charged this emissary to thank his mistress with return greetings on my part for the communication given, and to tell the Queen as well as his master the Ponglipoh that, since the latter had already advanced so close by, I would tolerate his coming here, though in addition I had rather wished that he had remained within Soping. Saturday the 23rd: his arrival here was announced to me by the chief interpreter Gerrit Brugman, and Sunday the 24th: he sent greetings to me through Aroe Lipoe Cassie, repeating his desire to be able to do so to me in person, and expressing the particular regret with which he saw himself prevented herein for the reason mentioned above; I answered, with return greetings, that I no less, now that he was here, would gladly await his visit, but likewise being just as fearful of the consequences, was obliged to refrain from it. Monday the 25th and Tuesday the 26th: nothing occurred. Wednesday the 27th: after the rising of the Political Council, the envoy of Bouton appeared at the Government House at the appointed hour, for whose dispatch
Dutch transcription
van Maccasser Den 29: Iunij 1771 daarom beter oordeelde bij 't korts ingevoerde gebruijk te blijven, waar door bij ziekte of te overlijden van den eenen de andere zijn plaats weder kan vervullen; Zondag den 10:' en Maandag den 11:' niets gebeurdt, Dindsdag den 12: niets voorgevallen woensdag „ 13:' wierd den ondertolk Bleij na Aroe palacca gezonden ten Eijnde haare hoogheid ter kand te stellen den brief on„ „langs van Batavia voor haar aangebragt waar voor zij haare dank betuijging liet doen Donderdag „ 14: tot sondag den 17:' niets voorgevallen Maandag „ 18:' wierd mij den evengewaagden brief door aroe Pa„ lacca ter tecture aangebooden, zijnde bij Trans„ „taat bevonden te wesen van haaren op Ceijlon gerelegeerden kleen zoon blijkens den vertaal„ „den Jnhoud der selve onder de bijlagen te vinden, Haare Hoogheid had den brenger Moentoe gelast bij 't overhandigen van dien brief gelijke hij deed te versoeken, dat haar deselve 338 van Maccasser Den 29: Iunij 1771 deselve nagenoome resumptie weder mogte wer„ „den te rug gegeeven Aangezien zij eenige daar in„ „ne voor koomende woorden niet in haaren volkoo„ „men zin als nog bevatt hadde, en dierhalven der„ „selven inhoud andermaal met aandagt wilde nagaan, en denselven vervolgens ook aan zijn Bonijse Hoogheid na de binnen landen toe zenden; wijders Dat men haar geliefde t' onderregten hoeda„ „nig zij te werk moest gaan, om desen haaren, kleijn zoon van het een of t' andere, waarom hij verzogt had, op eene secure wijze te versor„ „gen versellende dese bordschap met veele pligts plegingen, waar uijt het schien, dat ze alle hoo„ „pe van desen haaren kleijn zoon nog eens weder„ „om te aanschouwen, niet t'eenemaalen uijt den zinn: stelde; waar op den Brief met behulp van den Maleijds schrijver quase geresumeert vervol„ „gens weder aan den gen: Bonijsen Tolk ter hand is gesteld, met last, de koninginne aan te zeggen dat men haar voor de Communicatie van dies in houd verpligt bleef en gaaren toestemmen, wilde, dat Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 dat ze dien aan zijn Bonijse hoogheid mede liet lee„ „sen; verders dat het mij bijzonder aangenaam was daar uijt vernoomen te hebben, het goed onthaal dat haaren ingeval zij iets voor den selven gereed had, zij mij 't zelve wat vroegtijding zoude doen geworden, terwijl ik op mij, nam de veijlige bezorging daar van te secunderen, ook wierd ik door den Boutonse gesant wiens zengeling bij mij verscheen, versogt, hem te wil„ len adsisteeren met eenig buskruijd kogels; waar op hem van 't Eerste een Cardoes vol is afgelangt, dog 't laatste alhier van dat Calibier niet aan handen zijnde bleef onvoldaan, en ik gelaste den sendeling zijnen principaal aan te zeggen, van zig binnen g: â 10 daagen rijs vaardig te houden het geen hij aannam den gezant te zullen rapporteeren, en hier mede we„ „der vertrocken is; dingsdag den 19:' en woensdag den 20:' niets voorgevallen; donderdag „ 21:' de koninginne van Tanette daags te vooren bij den aankoomend Heer Gouverneur aCces voor heden ge„ „obtineert 340 Van Maccasser Den 29: Junij 1771 „obtineert hebbende, is bij zijn wel Ed: ter bezoek verscheenen, met haar gewoon gevolg en heeft haar Compliment van felicitatie wegens zijn Ed: agtb: ac„ „rivement plegtig verrigt; wijders is heeden een tolk na den Bontons ge„ zant afgezonden, om hem te indagtigen tegens den bepaalden dog binnen 't Casteel te verschijnen ten Eijnden den brief voor sijnen meester den ko„ „ning t' ontfangen en daar op rijze te vorde„ ren, het geen hij behoofde behoorlijk te zullen na„ „koomen, Een sendeling van den Ponglipoh van Po„ vrijdag den 22:' „ping uijt naam van de koninginne van Tanette bij mij verscheenen berigte, dat zijn meester voorn=t uijt soping afgekoomen op Tanette g'arriveert was ter begelijding van zijn gemalinne, wiens oog„ „merk met dese togt was om op maccasser te koomen vermits ze haar voor zien wilde van eenige gerief„ „lijkheden en snuijsterijen met de Chinase Jonk aan„ „gebragt en dat den Ponglipos haar haar tot herwaarts: verzellen zoude, om, na 3: a 4 dagen toevens alhier weder Van Maccasser Den 29: Iunij 1771 weder alleen na sabouton te vertrecken alwaar hij zij„ „ne gemalinne zoude blyven afwagten om vervolgens weder na soping te keeren Hier op gaff mij dien sendeling nog apart uijt last van gen: zijnen meester te kennen, hoe gaar„ „ne dezelve zig bij die gelegentheid: tot een bij sonder mond gesprek bij mij zoude willen doen aandienen. edog dat hem het agterdogtig naturel van bonijs vorst te wel bekent was om nog meer voedsel daar aan te geeven door eene visite bij mij af te leggen die denselven ongetwijffeld zoude moeten ter ooken koomen en dus aan lijdinge geeven mij met veele Lastige uijtwerkselen van zijn argwaan te zien op ge scheept, Ik belast desen zendeling sijne meesteresse onder weder groete van mijn ent weegen te bedan„ ken voor de gegeeve Communicatie ende koninginne zo wel al zijnen meester den Ponglipol aan te zeggen, dat vermits dese bereeds zo verre na bij 99. gevordert was ik mij zijn komst alhier zoude la„ „ten 342 Van Maccasser Den 19:' Iunij 1771 „ten welgevallen, dog daar bij liever gewenscht had„ „de dat hij binnen soping verbleeven ware wierd mij zijn arrivement alhier, door den opper„ Zaturdag den 23:' tolk gerrit Brugman aangekondigt, en Liel hij mij door aroe Lipoe Cassie begroeten, onder zondag „ 24:' herhaaling van zijn begeerte om mij zulks in persoon te kunnen doen en het bij zonder leed waar meede hij zig om vooren gewaagde reden hier jnne verhindert zag; ik antwoorde, on„ der weder groet dat ik niet minder, nu hij Mappa hier was, gaarne zijn bezoek zoude afwagten, dan ook even zeer voor de se„ quelen bedugt, daar van genoodsaakt was af„ te zien en Dingsdag den 26: niets voorgevallen na 't schijden van den Politiquen raad ver„woensdag „ 27:' scheen binnen 't Gouvernement ter bepaald„ uur den Boutonsen gezant, tot welkers de Maandag „ 25 peche
English
From Maccasser, the 29th of June 1771 This separate meeting was held in the presence of the incoming Governor, Mr. van der Voort. The envoy, having been shown to his seat, indicated that he was ready for his departure, whereupon the points were presented to him point by point, just as contained in the letter that was to be handed to him for his master, with the express order to give an accurate report thereof to the king upon his arrival at Bouthon, without concealing anything of what had been presented to him on this occasion, which he solemnly declared he would fulfill. And having further received the letter, he was escorted out with the same honors as upon his arrival. From Thursday the 28th to Sunday the 31st, nothing occurred. April Tuesday the 2nd From Friday the 5th Monday the 1st, the sub-regents of the southern provinces, Grassing and Weero, arrived to deliver their tribute here. They were charged with a letter from Resident Mol for their escort. The reason for their late arrival being asked of them, they attributed it to the illness of their principals, for which reason this was accepted as valid; however, it was nevertheless emphatically recommended to them to take care to be here at the proper time in the future. Until Thursday the 4th, nothing occurred. Until Sunday the 7th, nothing occurred. Monday the 8th, the Queen of Tanette, through an envoy presenting her greetings, made known her intention to return to Tanette this afternoon together with the Ponglipoe of Soping, from where the latter was to undertake the journey further to his land; for which message Her Highness was thanked with return greetings and both were wished a prosperous journey, while the envoy also took his departure. Tuesday the 9th, an extraordinary envoy named Glarrang Patjelang was dispatched to Boni with a letter to His Highness, to be found among the appendices of this document. From Wednesday the 10th until Sunday the 28th inclusive, nothing special occurred that needs to be noted down in this. Monday the 29th, the envoy Glarrang Patjelang, mentioned here before on the 9th of this month from the interior, returned today and brought from His Bonese Highness a letter in response to the aforementioned, while at the same time verbally delivering the message that His Highness was to undertake the journey hither 3 days after the departure of this envoy, of which there was all the less doubt since His Highness had refused a Luwu envoy, who had recently obtained an audience and had requested the prince in the name of the nobility of the realm of the Luwus to proceed into Luwu before his departure, with that intention. Tuesday the 30th, nothing occurred. May From Wednesday the 1st until Friday the 3rd, nothing occurred. Saturday the 4th, the audience for the Tomilalang of Boni, who recently returned here from the interior, requested by the interpreter Moentoe, being postponed until the following day, Sunday the 5th, the same appeared in the morning at 8 o'clock. Having been seated, he made known the motive of this visit, which consisted of the communication ordered by his prince to be brought here, for which he had traveled ahead overland, and after carrying out his charge had the intention to depart this evening by water for Malassera. It contained that the king, ready to travel to return hither, was first to proceed to Tjinrana for a certain solemn purpose, and that being fulfilled, subsequently to embark at Tipolos to continue the journey to Maccasser, yet to call at Macassero in passing, where he, the Tomilalang, was appointed to await his master. I had the king thanked for this report, as very agreeable to me, with return greetings, which this envoy promised to fulfill, and therewith departed. From Monday the 6th to Wednesday the 8th, nothing occurred; and likewise from Thursday the 9th to Sunday the 12th inclusive. Monday the 13th, news was brought that His Bonese Highness had approached close to Boelecomba. Tuesday the 14th and Wednesday the 15th, nothing occurred. Thursday the 16th, a letter from the prince of Bima was received with the arrival of the Nakhoda Intje Kadjappi. From Friday the 17th until Wednesday the 22nd, nothing occurred. Thursday the 23rd, early in the morning the king's arrival from the corner of Panakoekang was observed; the same arrived here around half past eight, being saluted with 9 shots and welcomed while sailing past the Castle. Not long after, the message of His Highness's arrival was brought by an envoy with greetings and inquiries after my health, for which thanks were given, and in the afternoon the head interpreter Brugman was sent to His Highness to request an audience for our delegates, which was granted. Friday the 24th, the titular Senior Merchant van Blijdenberg, together with the License Master Voll, proceeded thither as such in order to welcome the king on behalf of myself and Mr. van der Voort upon his happy arrival, of which, upon their return, verbally
Dutch transcription
van Maccasser den 29:' Iunij 1771 peche dese afzonderlijke bij een komst is gehouden ter pre„ „sentie van den heer aankomend Gouverneur van der voort, den gezant zit plaats aangeweezen zijnde gaf te kennen gereed te zijn tot zijn vertrek waar op den selven articulatim voor gehouden zijn,d' poincten zodanig als in den brief, die hem voor zijnen meester stond te werden overhandigt vervatt is met Expresse Last, om bij zijn arrivement op Bouthon den koning hier van naauwkeurig verslag te doen, zonder iets van het geen hem bij deese geleegentheid is voorgehouden te vrrzwij„ gen het geen hij plegtig betuijgde te zullen naakoomen, en wijders den brief ontfangen hebbende met gelijk hon„ neur als bij zijn komst is uijtgeleijgt Donderdag den 28:' tot sondag den 31 niets gepasseert April Maandag den 1:' arriveerden de onder regenten der zuijder pro„ vincien Grassing, en weero, om hun tribut alhier op te brengen ze waaren belast met een brief van den Resident Mol, ter hunner begelijding de reeden van him hunne 344 Van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 „ne spaade op komst hin afgevraagt zijnde schree„ ven ze dien toe, aan de ziekte hunner principaalen weshalven dit dan ook voor gangbaar aangenoo men wierd, dog hen niet te min met na druk aan bevoolen zorge te dragen in den aanstaanden ter behoorlijke tijd alhier te weesen tot Donderdag den 4:' niets voorgevallen tot sondag den 7:' niets voorgevallen Liet de koninginne van Tanette door een sendeling Maandog „ 8:' onder aanbieding van haare groete bekend ma„ „ken haar voorneemen, om desen nade mid„ „dag te saamen met den PonglipoE van soping na Tanette te rug te keeren van waar den laatste de rijze verder na zijn land stond te onderneemen; voor welk berigt men haare hoogheid onder weder groete bedanken en aan beij„ „den een voorspoedige rijze toewenschen liet ter wijl den afgezondenen hier meede zijne de van vrydag „ 5:' dingsdag den 2:' peche dingsdag den 9:' is Een buyten gewoone zindeling in na„ „me glarrang Patjelang na Bonij afge„ vaardigd, met een brief aan zijne hoog„ „heijd, te vinden onder de bijlaagen deeses, van woensdag den 10:' tot op „ 28 jnClusive mets bij sonders voor gevallen, dat Zondag in dese behoeft aangetekent te werden Maandag „ 29 den sendeling Glarrang Patjelang hier voor op den 9:' hujus gedagt uijt de binnen landen heden geretourneert bragt van zijn Bonijse Hoogheid eenen brief in antwoord op den voor gerepten, te ge„ lijk bij monde boodschappen de dat zyn hoogheid 3: dagen na't vertrek van desen mede de Rijse herwaarts stond te onderneemen, waar aan te minder twijffel was aangezien zijn hoogheid, een Loewoeneese zendeling, die kort te vooren audientie verkreegen en den vorst uijt naam, peche verkreeg; van Maccasser den 29:' Iunij 1771 van 346 van Maccasser Den 29:' Iunij 1771 van den Rijks adel der Loewoneesen verzogt had om voor zijn aftogt zig binnen Loewoe te willen begeeven, met die Jntentie dit versoek had afgesla„ „gen niets voorgevallen niets voorgevallen het acces voor den onlangs uijt de binnen landen Saturdag „ 4:' alhier geretourneerden Tomilalang van Bonij door den tolk Moentoe versogt tot 's anderen daags uijtgesteld zijnde verscheen deselve, 'S morgens ten 8:' uuren de beweeg reeden van dit zondag „ 5:' besoek, gaf hij geseten zijnde te kennen, te bestaan in de Communicatie, hem door zijnen vorst gedeman„ dart, alhier te brengen, waare toe hij overland voor uijt getoogen was, en na verrigten last den zin„ had, nog desen avond te water na malassera, te vertrecken ze behelsde dat den koning reijs„ Dingsdag den 30:' Meij van woensdag den 1:' tot vrijdag den 3:' vaardig van Maccasser den 29: Iunij 1771 „vaardig om herwaarts te keeren, zig alvoo„ „rens na Tjinrana tot seker plegtig Eijnde dog te te begeven en daar dan voldaan zijnde, ver„ „volgens zig te Tipolos in te scheepen om de rijze na maccasser te vervorderen, dog in 't voor bij gaan Macassero aan te doen alwaar hij /: Tomilalang:/ beschijden was sijnen meester te gaan inwagten; Ik liet den koning voor dit berigt, als mij zeer aan„ „genaam, bedanken, onder weder groete, het geen de„ ze zendeling beloofde te vol brengen en daar mede vertrok; van Maandag den 6:' tot woensdag den 8:' niets voorgevallen; en zo mede van donderdag den 9:' tot sondag den 12:' in clusive Maandag „ 13:' wierd tijding gebragt dat zijn Bonijse hoogheijd tot bij Boelecomba was genadert; „ 14:' en woensdag den 15:' niets voorgevallen; dingsdag donderdag „ 16 is een brief van Bimas vorst met het arrivement van den Nachoda jntje kadjappi ontfangen; van 348 van Maccasser Den 29: Iunij 1771 tot woensdag den 22:' niets voorgevallen 'S morgens vroeg vernam men 's konings aan „ donderdag „ 23:' „komst van de hoek van Panakoekang de„ zelve arriveerde alhier omtrent half ne„ „gen onder het voor bij zijlen van't Casteel met 9:' schooten gesalueert en verwelle komt zijnde niet lange waar na van sijn Hoogheijds komst de boodschap door een sindeling wierd ge„ bragt onder begroeting en Informatie na mij„ „nen welstand, waar voor bedankt en des na de middags den oppertolk Brugman tot sijn Hoogheijd afgesonden is, om acces voor onse gecommitteerden te versoeken, het geen g'accordeert wierdt begaven zig den Titulair opperkoopman van Blij„ vrijdag „ 24:' „denberg, benevens den Licentmeester voll als sodanig derwaarts ten Eijnde den koning van wegens mij en den Heer van der voort met zijn gelukkig arrivement te verwelle komen, waar van bij hun retour bij van vrijdag den 17:' monde
English
From Saturday the 25th until Friday the 31st nothing occurred, as little as on Saturday the 1st and Sunday the 2nd June. Monday 3: His Highness's request for an audience was deferred until a further opportunity, and, Tuesday the 4th: a message was delivered on his behalf, with the aforementioned interpreter Moentoe, that the king of Goak had enquired after the welfare of the royal family of Bonij as well as that of the dethroned king, his predecessor, and requested an audience with His Highness. I had my satisfaction concerning this conveyed to the king, and with reciprocal greetings offered thanks for the communication provided regarding this and other matters, while at the same time I dispatched the chief interpreter to set the audience requested yesterday by the king for the day after tomorrow, which he accepted. From Maccasser, the 29th June 1771. Wednesday 5: nothing occurred. Thursday 6: the king of Bonij, with a numerous retinue, paid me a ceremonial visit. The essential business transacted on this occasion has been incorporated into the separate advices to the Honourable High Government of the Indies, which are shortly to depart with me. Friday 7: communication was given to the Courts of Goah and Tello of the upcoming ceremony of the public presentation of the Honourable incoming Governor Paulus Godofredus van der Voort, set for Saturday the 22nd instant, for which thanks were returned, with the promise that on their part they would not fail at that time in the observance of the established customs for such circumstances. Saturday the 8th: the definitive news of the death of the Crown Prince in the interior was announced to me on behalf of the monarch of Bonij by two nobles of the realm expressly dispatched for that purpose. Sunday the 9th: From Maccasser, the 29th June 1771. I took leave of them with expressions of gratitude to their master for that communication, and in the afternoon they were followed by the interpreter Bleij, through whom I had His Highness informed—just as was done on the 7th with the courts of Goah and Tello—of the appointed day of the presentation of Mr. van der Voort, which ceremony His Highness answered he would attend in person; and the same announcement was also made to the Queen of Tanette by one of the Company's emissaries. Audience with the king of Bonij having been requested by the aforementioned interpreter for our deputies for Tuesday the 11th: Monday 10: there departed thither, under the escort of the customary guard, the Shahbandar Voll and the shopkeeper Simon Monsieur, dispatched solely to pay a formal compliment of condolence to the king on the passing of the Crown Prince Aroe Mampoe, and on that occasion From Maccasser, the 29th June 1771, to present on our behalf a small gift, customary in such instances, for which His Highness, with reciprocal greetings, had his indebtedness expressed, as they reported upon their return. Wednesday the 12th and Thursday the 13th: nothing occurred. Friday 14: I sent the chief interpreter Gerrit Brugman to the Regent of Bonij to remind him of the settlement of the realm's outstanding debts, for which the time was steadily approaching with the dispatch of the advices being at hand, requesting that he provide me with a definitive reply regarding this matter so that I might include it in the papers to be sent off, and upon my arrival at the headquarters be able to inform Their High Mightinesses accordingly; wherefore it would be all the more agreeable to me if, prior to my departure, they still resolved to bring the same to liquidation. From Maccasser, the 29 June 1771. The Regent sent his thanks with reciprocal greetings for the reminder of this their obligation, and gave as his answer that the realm, being for the present incapable of any discharge of its debts, was nevertheless eagerly looking out for contingencies that might bring them the good fortune whereby they might find themselves to some extent in a position to do so, and that they did not fail to apply their diligence to this end with assiduous deliberations in order to be relieved of this burden. Saturday the 15th: nothing occurred. Sunday 16: late and in the early part of the night, I received notification on behalf of His Highness of Bonij through an interpreter that Aroe Theeko, wife of the Supreme Commander of the Realm Aroe Iha, had passed away. I thanked His Highness for this communication, and sending off the emissary with this expression of condolence, instructed him to convey my reciprocal greetings to his master. From Maccasser, the 29th June 1771. Monday the 17th: I received report from the chief interpreter that the northern regents and those of the mountains from Maros to Mandalte had all assembled together, in accordance with their summons, in order to fulfill their duty at the upcoming presentation of Governor van der Voort. Tuesday the 18th: an audience having been requested of the king of Tambora by the Company's extraordinary emissary Glarrang Patjelang for our deputies for this afternoon, which he accepted, the junior merchants Simon Monsieur and Thomas Johannes Linkers departed at four o'clock for his lodgings in the Kampong Molucco. Their commission consisted of making known to this monarch the fruitlessness of our efforts, so often employed thus far, not only to remove the pending disputes and discords, but also especially to overcome the
Dutch transcription
van Saturdag den 25:' tot vrijdag den 31:' niets gepasseert, zo min als Saturdagden 1:' en Zondag den 2:' Iunij maandag „ 3:' is zijn hoogheijds versoek om acces tot nader gelegent„ heid gedeferreert, en, dingsdag den 4:' uijt desselfs naam geboodschapt, met den meerge„ noemden tolk Moentoe, dat goaks koning na den welstand der koninglijke fa Mibie van bonij te gelijk dien van den gedethioneerden koning /: sij „nen voorzaat:/ had laten verneemen en bij zijn Hoogheijd acces versoeken, jk liet den koning mijn genoegen hier over te kennen geeven, en onder we„ der groete voor de gegeevene Communicatie van dit een en andere bedanken, ter wijl ik ter zel„ ver tijd den oppertolk afvaardigde, om het ver„ „sogte acces van gisteren den koning tegens over„ „morgen te bepaalen die zulks accepteer„ „de, - monde rapport is ingekoomen, van Maccasser Den 29' Iunij 1771, woensdag „ 350 van Maccasser den 29:' Iunij 1771, niets gepasseert heeft den koning van bonij met een tal rijk hof donderdag „ 6: gezin mij een Ceremonieele vizite gegeven het zake„ lijke by deese gelegentheijd verhandelt is geinflueert bij de aparte advijsen aan de Edele hoge Indiasche regeering die eerlang met mij staan afte gaan is aan de Hooven van Goah en Tello Com„ vrijdag municatie gegeeven, van de aanstaande plegtigheijd der publijque voorstelling van den agtb: Heer aan komend gouverneur Paulus Godofredus van der voort op Saturdag den 22:' hujus, be„ „paald, waar voor bedankt wierat, onder toezeg„ „ging van tegens dien tijd aan hunne zijde niet te zullen Failleeren, in de observantie der vast „gestelde gebruijken bij diergelijke omstandigheeden; wierd mij van wegens Bonijs vorst door saturdag den 8 twee Expres daar toe afgezonde Rijks Ede„ „len de absolute tijding van des kroms Prins. overlijden in de binnen landen, aangekondigt, woensdag den 5:' die „ 7: . Sondag den 9:' van Maccasser den 29:' Iunij 1771 die ik met dank betuijging aan haar mees„ „ter voor die Communicatie weder haar afscheijd gaf en des na de middags gevolgt zijn van den tolk Bleij, door wien ik sijn hoogheid, gelijk op den 7:' bij de hoven van goah en Tello is geschied van de bepaalden dog der voorstelling van den Heer van der voort died adverteeren, welke plegtigheijd sijn hoogheijd ten andwoord had gegeeven in persoon te zullen koomen bij woonen en dezelve annunciatie wierd mede aan de koninginne van Tanette ge„ „daan door eene van 's Comp„s zendelingen het acces bij den koning van Bonij door voorn: Tolk voor onse gecommitteerdens versogt zijn„ „de tegens Maandag „ 10:' vertrocken onder geleijde van het gewoon Escorte derwaarts den sjabandhaar voll en den winkelier Simon Monsieur, alleen afgesonden om een statieus Conpliment van Condoleance bij den koning over het afsterven van den kroon parins Aroe Mampoe af te leggen, en bij die ge„ „legentheid 352 van Maccasser Den 29: Iunij 1771, „legentheid een smal geschenkje in diergelijke voor„ „vallen gebruijkelijk uijt onse naam aan te bieden, waar voor sijn Hoogheijd onder weder groete sij„ „ne verschuldigheijd had laaten betuijgen gelijk de„ „se bij hun retour rapporteerden; woensdag den 2:' in donderdag den 13:' niets voorgevallen sond ik den oppertolk Gerrit Brugman na den vrijdag „ 14 Rijks bestierder van bonij om denselven te Jn„ „dagtigen de voldoening der agterstallige schul„ „den van het Rijk waar toe de tijd met de depe„ „che der advijsen als op handen zijnde vast na„ „derde, met versoek, dat hij mij dien aangaan„ „de Positie beschijd wilde doen geworden om en staat te zijn het selve bij de afte zendene pa„ pieren te laaten Jnflueeren, en met mijn komst ter hoofdplaats haar Hoog Edelhedens dien aangaande te kunnen Jnformeeren waarom het mij te liever zoude weesen indien ze voor mijn vertrek nog resolveerden dezelve tot Liqui„ „diteit te brengen; dingsdag den 11:' van Maccasser den 29 Iunij 1771 Den Rijksbestierder liet mij voor de herrinne„ ring deser hunne gehoudenis onder een weder groet 189 bedanken en ten antwoord geeven, dat het rijk voor als nog tot eenige afdoeninge haarer schul„ „den onvermoogende, niet te min seer uijtziende was na toevalligheden, die henl: het geluk mogten aanbrengen waar door zij daar toe eenigen maten in staat bevinden konden en dat ze niet in gebree„ „ke bleeven hunne zorge tot dit Eijnde met assiduiele beraamingen te besteeden om van dit gewigt te wer„ „den ontheven; Saturdag den 15:' niets voorgevallen, Zondag „ 16:' ontfing ik laat en in de voornagt van wegen zijn Hoogheijd Bonij door eenen tolk de bekent making dat Aroe Theeko huijsvrouw van den op„ per Rijksveld Heer Aroe Iha was koomen te overlijden Ik bedankte zijn Hoogheijd voor dese Communi„ „catie met welke betuijging onder Condoliancs ik den g 354 Van Maccasser Den 29: Junij 1771 den zendeling afvaardigende gelaste zijnen mees„ „ter mijnen weder groete te brengen; ontfing ik van den oppertolk het berigt dat de noorder Maandag den 17:' regenten en die der gebergtens van Maros tot man dal„ „te toe alle gezamentlijk waaren opgekoomen, volgens het ontbod der zelven ten Eijnde aan hunne ver„ „schuldigdheijd bij d' aanstaande voorstelling van den Heer Gouverneur v: d: voort te voldoen; den koning van Tambora door 's Comp„s dingsdag den 18 buijten gewoonen zondeling glarrang Patjelang om acles voor onse gecommitteerden tegens desen na de middag verzogt zijnde 't geen hij accepteerden ver„ trocken om vier uuren na zijn Logement in de Cam„ „pong Molucco d' onder kooplieden Simon Mon„ Sieur en Thomas Johannes Linkers hunne last bestond, in desen vorst bekent te maaken de vrugteloosheijd onser tot dus verre zoo menigwerf aangewende pogingen ten Eijnde de Zweevende geschillen en oneenigheden niet alleen uijt den wegt wegt te ruijmen, waar ook insonderheijd te verwinnen den
English
from Makassar, the 29th of June 1771 the obstinate resistance and aversion of his subjects to any mediation or reconciliation with him, and that they had therefore now been dispatched in the name and on behalf of the government of this Celebes (which for urgent reasons could not find it proper in this state of affairs to allow the king to return to Tambora) to demand in that capacity from his hands all the regalia and further ornaments of the crown, as many as might be found in his possession; The king, not a little affected by this, complied with the desire of the delegates by handing over these and those items mentioned in their submitted report, and testified that he would willingly submit to this fate of his, but requested that, as a special comfort in his misfortune, it might graciously be permitted to him to settle down to reside as a private person in Bima, somewhere under the jurisdiction and protection of the king there. 356 from Makassar, the 29th of June 1771 Until Friday the 21st nothing occurred. Saturday the 22nd. The king of Goah, having had his sister, the queen of Tello, induced by his shahbandar, Craeeng Bonto, and the gallarrang of Mangassa, not to dispatch the peoples of Thain and Tello on her behalf to attend the present audience with the Honourable Governor at the fort, she secretly informed the chief interpreter of this through two of her interpreters early in the morning before the start of this ceremony. He gave me notice of this, adding that these envoys had stated that their mistress, having lived for some time in discord with her brother and having recently been reconciled with him again through my mediation, had for that very reason made difficulty about rejecting the king's advice in this matter, from Wednesday the 19th, from Makassar, the 29th of June 1771 and therefore, by way of her excuse, sent me a message by this means that her deputies would not appear today, requesting that she, for the reasons described above, be held excused in the best manner. Underneath stood: Agreed. Was signed: I. In voll, sworn clerk. Examined: W.V.J. Weijerman. S Appendices belonging to the Secret Makassar Letters 358 From Makassar, the 29th of June 1771: Translation of a Bugis letter written by the Queen of Tanette to the Honourable Governor David Boelen. After the customary compliments. I hereby expressly make known to the Honourable Governor that I have received his letter from the hands of the under-interpreter and have well understood the contents thereof, namely that according to the sergeant's statement I was refusing to pay the tithe of the settlement Kekeang. I testify that I have not done so, but rather related to the sergeant the ancient custom of the settlement Kekeang. Yet if it now pleases the Honourable Governor that the tithe of that aforementioned settlement must be paid, then I will make my utmost efforts to pay the same. Underneath stood: Written at the settlement Pantjana on the tenth of the month of Rajab in the year 1184. Lower stood: Signed for the translation: Fr. Brugman. Translation From Makassar, the 29th of June 1771: 7 360 from Makassar, the 29th of June 1771: Translation of a Malay letter written by the Sultan together with the grandees of Dompo to the Honourable Governor David Boelen. After the customary compliments. The Sultan together with the grandees makes known to the Honourable Governor David Boelen and the Council that we have expressly sent Boemi hotjo Rasanai and Djina and Djina Lomadie to convey this our letter, and it further serves for communication that our Resident, together with the overseas allies accompanied by two of my grandees named Radja Bitjara and Ieneli Kielo, have been to the land of Sangar to inspect the regions of our disputed lands. There the boundary line between Tambora and Sangar lying on the south side was read out, which paper is sealed and confirmed with the territorial seal of the then king of Tambora named Mamangoen, who acknowledged having borrowed a piece of land called Kiesie from the king of Dompo named Manoeroeng Ladjoe Abdul Rasoel. Hereupon the Resident declared that the contents of this paper cannot be broken. Subsequently his Honour sent someone to inspect this tract of land
Dutch transcription
van Maccasser den 29: Iunij 1771 den handneckigen tegenstand en afkeer sijner onderdaanen van eenige bemiddeling ofte verzoen„ „nig, met den zelven, en dat ze dieshalven uijt naam ende van wegen de regoering deser Celebes /:de wel„ „ke om dringende redeken niet had kunnen goed„ vinden den koning weder na Tambora in dese ge„ „steldheijd van zaken te laten retourneeren:) thans waaren afgezonden om in die hoedanigheijd uijt zijne handen te vorderen alle de Rijks Jnsignia en ver„ „dere ornamenten van de kroon zo veele als er on„ „der zijne berusting te vinden mogten zijn; Den koning niet wijnig hier over aangedaan voldied aan de begeerte der afge sondene met d' overgave van dese en geene za„ „ken vermeld by hun ingediend Rapport en betuijgde zig gewillig te zullen onder wer„ pen aan dit zijn lot, dog versogt dat hem als een bijsondere troost in zijn ongeluk gunstig mogte werden toegelaten, zig als een Privaat persoon tot Bima ergens onder 't ressort ende protectie van den koning aldaar 356 van Maccasser den 29: Iunij 1771 aldaar ter woon te mogen gaan nederzetten, tot vrijdag den 21:' niets voor gevallen de koning van Goah door sijnen Sabandhaar saturdag 122:' Craeeng Bonto en den glarrang Mangassa sij„ ne suster de koningem: van Tello hebbende laten Jnduceeren dat ze tot het bij wonen van de huijdige voorstelling van den heer Gouver„ „neur a: d: voort niet behoefde van haren 't wegen af te vaardigen de volkeren van Thain en Tello liet zij zulks door twee haa„ „rer tolken in 't hijmelijke 's morgens vroeg voor 't aangaan van dese plegtigheid verwitti„ gen den oppertolk die mij hier van kennis gaf, daar bij voegende, dat dese afgezon„ dene verklaart hadden, hoe haare mees„ teresse voor eenigen tijd met haaren Broe„ der in oneenigheid geleeft en onlangs we„ „der met den zelven door mijne tusschen spraak verzoent geraakt zijnde even daar „om swaarigheijd gemaakt hadde 's ko„ van woensdag den 19:' „nings Van Maccasser den 29:' Iunij 1771, „nings raad in desen te verwerpen en dieshal„ ven tot haare verontschuldiging mij langs de„ „sen weg deed boodschappen, dat haare gecommit„ „teerden heeden niet zouden verschijnen versoe„ „kende zulks om de voorbeschreve reedenen, haar te willen te besten duijden /:onderstond/ Ac„ „cordeert /:was geteekend:/ I: I„n voll gesw: Clercq: Nagszig WV:J: MWeijerman S Bijlagen gehoorende tot de Secreete Macasserse Brieven 358 Van Maccasser Den 29 Iunij 1771: Translaat Boegineese Brief Geschreeven door den Koninginne van Tanette Aan Den Edelen Heer Gouverneur David Boelen Na ordinaire Complimenten Maaten bj desen Eoxpresplijk aan den Edelen Heer Gouverneur be„ kent dat ik desselvs brief uijthanden van den ondertolk ontfangen en den inhoud van dien wel verstaan hebbende als dat ik volgens zegge van den sergeant de thiende van de negorij kekeang zoude weijgere te voldoen ik betuijge zulx niet gedaan te hebben maar wel aan den sergeant verhaald hebben het oude gebruik van de negoryj Kekeang Gedog den Edelen Heer gouverneur thans behaagde dat de thiende van van die gem. Nrgorij moet voldaan werden so sal ik mijne uijterste de voir aan wenden om deselve te voldoen /:onderstond:/ Geschree„ ven op de Negorij Pantjana den thiende van de maand Radja in 't Iaar 1184. /lager :/ voor d' Translatie geteekent F„r Brug„ Translaat Van Maccasser den 29 Iunij 1771: man, 7 360 van Maccasser den 29: Iunij 1771: Translaat Maleijdse Brief eschr: door den Sulthan benevens Rifisgroo. ten van dompo Aan den Edelen Heer Gouverneur David Boelen Na ordinaire Complimenten So maaket den sulthan nevens hijksgrooten aan den Edele Heer Gouverneur David Boelen, en den Raad bekent dat wij loepresselijk Boemi hotjo Rasa„ „nai en djina en djina Lomadie hebbe afgesonden ter overbrenging van dee„ sen onsen brief en dient verders ter Communicatie dat onsen Resident sigt, me„ vens de overwalsche Bondgenooten versel van twee mijner Rijksgrooten met naa„ „me Radja Bitjara en Ieneli kielo op het land van Sangar zijn geweest om de strecken van ons in disput leggende landen te ondersoeken zo wierd dan de limiet schijding tusschen Tambora en sangar op geleesen die aan de zuid kantlegge welke Papier is verzeguld en bekragtigt met het land zegul van den Toemaliggen koning van Tambora gen„t mamangoen die bekenne Een stukje land gen„t kiesie van den koning van dompo geleend te hebben genaamd Manoeroeng Ladjoe Abdul Rasoel Hier op verklaarde den Resident dat den inhoud van dit papier niet kan verbrooken werden vervolgens zond zijn E iemand om dit landtreekje
English
From Makassar, the 29th of June 1771: to go inspect; having accomplished this, the Resident ordered that the Dompo people must remain outside the negorij Sangar, as well as the Sangar people, that they also must keep outside Kamboe when the Resident proceeds there to speak with the King of Dompo. On the 5th of the month Jumadil awwal, being a Sunday, there arrived at Kamboe the clerk Hendrik Voll, the steersman Jan, and the gunner Anthonij, alongside all the allies, accompanied by two grandees of Sangar. We were astonished by these latter two, who care nothing for the Resident, but rather for the clerk and the steersman. This latter person has drawn a chart, but entirely according to the statement of the Sangar people, and although it is not accurate, it was shown to us, at which we were greatly frightened, since the chart agrees with the statement of Sangar that the source of the River Kamboe is on the north side and its outlet on the south side. Which we must declare to the contrary and, according to our memory, state that the River of Kamboe has its source at Roekan pasie and its outlet on the north side; however, the River of Cempo has its outlet on the south side and its source at the negorij Taha; and this we are very willing to confirm by oath. Upon this, the steersman gave us in answer that he made this chart by estimation, but not according to practical experience. Whereupon we presented to him to trace the source of this river in order to examine it according to the truth. However, the steersman refused this and offered to make another chart for us, but has not done so to this day. Concerning the negorij Bandang Kamboe, which lies on the sea side to the west 362 From Makassar, the 29th of June 1771: west of the river Kamboe, this matter was settled by the Noble Lord Governor at Makassar and may not be broken. But the negorijen that lie on the south side and have not yet been settled all belong to us, namely Himpo, Sambretaia, Milo, Roehoekanaga, Roehoe hampasie, and Mount Bohior gampa, which negorijen belong under the grandees named Toreliedia and Tineliedia from ancient times to the present day, who also must deliver rice and sappanwood to the Honorable Company and maintain the Europeans who are sent here. Therefore, it seems incomprehensible to us what moved the Sangar people to want to take these above-mentioned negorijen for themselves, and if these above-cited negorijen were to be taken from us, we would be utterly incapable of contributing anything, neither rice nor sappanwood. Therefore, we most humbly beseech the Noble Lord Governor that these negorijen, which from ancient times have belonged under Dompo, may remain under us. And regarding the demanded Samparadja with his subordinates, alongside Siauw, upon my arrival at Dompo, which was on the 9th of the month Jumadil awwal, I immediately gave orders to my grandees who had remained here to have them searched for. But they could not find them, as they, as soon as the King of Sangar arrived here in his country, which was on the 1st of the month Safar, had absented themselves without anyone knowing whither they fled or how they got wind that they were to be surrendered, although the King of Sangar arrived here three months before me, and From Makassar, the 29th of June 1771 And concerning the 65 head of escaped slaves from Sangar who were said to be staying in our land, we are utterly ignorant of that, just as we already were at the time when Mr. Bakker was here for that purpose, having caught no more of them all than three head, who are named Kanaha with his wife Lampolie and their daughter at the negorij Boodje, whom we surrendered to the Resident. Underneath stood: Written in the land of Dompo the 21st of the month Jumadil akhir, here on Friday 1184, named Bah, that is the 17th of October 1770. Lower: Signed for the translation: G. Brugman. Translation 1771: 364 From Makassar: The 29th of June 1771: Translation of a Malay letter sent by the King and Grandees of Sumbawa to the Noble Lord Governor at Makassar, Reading as follows: After manifold greetings, We expressly make known to the Noble Lord Governor that the Commissioners have been here and have reminded us of the land debts, and who also investigated the condition of the land of Sumbawa, as well as who brought contraband goods here and who are the actual cause of this. Concerning our land debts, we think we currently have enough sappanwood in readiness with which we could have paid our debts, since the Honorable Company had the goodness to be willing to accept sappanwood instead of slaves. But we have been very unfortunate in this, since no ship arrived this year to collect that dyewood; nevertheless, we shall take care of that as far as humanly possible, in the hope that it will be collected in the coming year. Furthermore, the Commissioners received 40 head of slaves in reduction of the debt, and we request to be allowed to pay the remainder in sappanwood. That the King has not yet departed for Makassar according to ancient custom to renew the contract with the Honorable Company is because we have not yet [illegible] our debts
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Iunij 1771: te gaan besigtigen na sul verrigt hebbende ordonneerde den Resident dat de Domponeesen buiten de negorij sangar moeten blijven gelijk meede aan de sangareesen dat die zig ook buiten kamboe zullen moeten houden wanneer den resident sig daar sal begeeven, om met den koning van dompo tespreeken op den 5 van de maand Iumadil ouwal opsondag quam te kamboe„ den schrijver Hendrik Voll Stuurman Ian en den bosschieter Anthonij nevens alle bondgenooten verseld van twee Ryksgrooten van sangar wij verewvonderde ons over deese twee laatste die om den Resident niet en geeven maar wel om den schriba en den stuurman deese laaste heeft Een haart geformeert maar alles op het zeggen van desangareesen en deselve alhoe wel niet goed is aan ons verthoond waar over my dus zeer verschrikt vermits dehaart met het zegge van sangar nelbver een komt dat de oorspronk van de Rivier hamboe aan de woord kant en sijn uit lossing aan de Zuidkant zoude weesen, Hot geen wij Contrarie moeten bekennen en volgens onse geheugenisse verklaa„ „raan, dat de Revier van kamboe zijn oorspronk heeft op Roek an pasie, en zijn uit lossing aan de noordkant dog de Revier van Cempo dieheeft zijn uitlossing aan de zuijdkanten sijn oorspronk op de negorij Taha en zulx wille wij seer gaarne met Eede bevestigen Hier op gaf den stuurman ons ten antwoord dat hij deese kaart magissing gemaakt heeft maar niet volgens ondervinding waar op wij hem presenteerden den oorspronk van deese revier na te gaan om deselve nawaarheijd te ondersoeken dog den stuurman wijgerde dit en presenteerde om ons een andere kaart voor ons te maaken maar heeft zulx tot heeden nog niet gedaan Belreffende de negorij Bandang Kamboe dieligt aan de zeekant ten weste 362 Van Maccasser den 29: Iunij 1771: Weste van derevier khamboven dese zaake is beret door den wel Edelen heer gou„ verneur op maccasser afgemaakt en die niet magt verbrooken werden dog de Ne„ „gorijen die aan de zuijd kant leggen en nog niet zijn afgemaakt behoort ons alle toe te weeten himpo Sambre taia, milo Roehoe kanaga Roehoe hampasie ende Berg Bohior gampa, welke negorijen sorteert onder de Reijksgrooten gen=t Torelie dia, en Tinelie dia van oudscher tot heeden toe die ook de leverantie van rijsten Sappanhout aan D'E Comp moeten doen ende Europesen moeten onderhouden die hier werden gesonden Dierhalven komt ons onbegrippelijk voor wal desangareesen moveerde om deese bovenstaande negorijen na sig willen neemen en wanneer dat deese boven aangehaalde Negorijen van ons mogt werden afgenoomen zo zijn wij ten Eenemaal onvermogen om iels te kunnen Contribueeren zo min Rijst als Sappanhout dierhalven smeeken wij sier needrig aan den Edele Heer gouverneur dat deese negorijen die van oudsher onder Dompo gesorteert hebben onder ons mogen blijven En aangaande den gerequireerden Samparadja met sijn onderhoorige neevens Siauw zoheb ik met mijn arrive op Dompo 't geene geweest is den 9: van de maand Ioemadil auwal, ten eersten aan mijne Rijksgrooten die alhier verbleeven waren ordre gegeven op deselve te laten op speuren, dog zehebben deselven niet kunnen vinden alshebbende sig sodra den koning van Sangar alhier op zijn land arriveerde 't geen was den 1: van de maand sappar, geabsenteert, zonder dat men weet werwaards zij gevlugt zijn hof hoedanig zijer de lugt van gekreegen hebben dat ze moesten over„ „gegeven werden al sijne dekonng van sangar reeds drie maanden voor mij hier gekonen en Van Maccasser den 29 Iunij 177 En omtrent de gevlugte 65. kopen slaaven van sanger, die sig op ons land zouden ophouden daar van sijn wijten Eenemaale onkundig gelijk wij reeds waaren ten tijde wanneer de heer Bakker daar om hier geweest is hebbende van die alle niet meer als driekoppen gattrapeert, die genaamd zijn kanaha met sijn vrouw Lampolie en hun dogter op de negorij Boodje dewelke wij aan den Resident hebben overgegeven /:onderstond:/ Geschreeven op 't land van dompo den 21. der maend Ioemadil a hier op vrijdag 1184: gen„t Bah „ dat is den 17: october 171 /lager / voor d' translatie geteekent /: G: Brugman, Translaat 1771: 364 Van Maccasser: Den 29: Junij 1771: Translad Malijdsche brief selet: do den konig en Rijksgrooten van Sumbauwa Aan den Edelen Heer Gou„ „verneur te Maccasser Luijdende aldus Nameenigvuldige begreetingen Maaken wi Eoepreselijk aan den Edelen Heer Gouverneur bekhint, dat de Commissianten alhier zijn geweest, en ons hebben doen hervinneeren de zand schulden, die ook de toestand van het land sumbauwa hebben ondersogt gelijk meede wie Contrabando goederen hier aanbragt, en wie de wesentlijke oorsaak hier van zijen betreffende onse landschulden denken wij tegen„ woordig genoegsaem sapparhout in gereedheijdt tehebben leggen, waar meede wij onse schulden soude hebben kunnen voldoen, dewijl d'E Comp: de goedheid heeft gehad van Sappanhout insteede van slaven te willen ontfangen dog wij sijn hier in zeer ongelukkig geweest vermits geen schip van dit Iaar is aan „gekoomen ter afhaal van dat verfhout, egter sullen wij daar voor so veel immers mogelijk sorg dragen op hoop dat in 't aanstaande Iaar het selve sal afgehaald worden Wijders hebben de Commissianten 40: stux slaven in mindering van de schuld ontfangen, en versoeke de roog resteerende en sappanhout te mogen voldoen, Dat den koning volgens oude gebruijk nog niet naar maccasser vertrokken is om het Contract met d'E Comp: te vernieuwen is om dat wij ons schulden nog niet
English
From Maccasser: the 29th of June 1771 have not settled, we shall first send our envoys thither named hadeen Tamangon and sangenie warong to appear before the Honorable Lord Governor. And regarding the English, when they were here we immediately gave notice thereof by letter of the first of September, as to what moved the English to come here. When the commissioners investigated this matter, it appeared that the Wadjorese are the cause of this, who fetched the English and upon their arrival immediately gave them lodgings in their campong, doing everything strictly according to their own pleasure and discretion without wishing to listen to our good advice and admonition, all of which happened without our prior knowledge. This is all that we can report to the Honorable Lord concerning the English, while we at the same time place our hope and trust in His Right Honorable Rigorousness, who looks after our welfare in this regard. We further most humbly request of the Honorable Lord on behalf of the Company, if the same might still have any pity on us, by no means ever to send the dispenser here to sumbauwa again. He does nothing but buy stolen Sumbawanese, and when we claimed them and requested to exchange the stolen persons out of consideration that he is a commissioner of the Honorable Company, because from an ordinary merchant we would take the stolen persons back for nothing, he then pretends to demand three in return for one instead, which practice absolutely leads to the ruin of our land; wherefore we place our trust in no one else but the Company to take away such practices. We have no other sign of life than to testify day and night our trust in the Honorable Company. Underneath was written: written in the land of sumbauwa the 21st of the month of Radjab on Sunday in the year 1189; with us the 11th of November 1770. Lower was signed for the translation: I:s Brugman. Translation 366 From Maccasser the 29th of June 1771: Translation of a Buginese document written by the Queen of Tanitte and handed over to the Right Honorable Rigorous Lord David Boelen, Councillor Extraordinary of the Dutch Indies as well as Governor and Director of this Celebes, of such claims as Her Highness claims in the Honorable Company's Northern Province on the villages to be named hereafter, namely: Firstly, on the village of kamansang. In this village, Matinroe-e Tanete, this Matinroe-e Tanette was the grandmother of the present Queen, had a niece named Beedja, who had a male slave named Pantsang, who settled in this village and married a certain female person there named Malloeng, or commonly called Boekoe, which latter had a sister named garattjing, commonly called Carra D jinne. The aforesaid Pandjang with his wife mallang procreated with each other the son named sandoe, who grew up and married a female slave named Tokeng belonging to one Intje te auw. They begot four children together, to wit 2 sons and 2 daughters, who were divided in former times, namely 1 son named Pandang and a daughter named Maralia was the share of Tanette; thus on both these last-mentioned, as well as on the grandchildren of Carra d inne, the Queen now makes a claim. On the village of Ponto kapetta lie 128 paddy fields, of which 60 are held by IntJena Baso alias treo situated on the north side, and the remaining 68 on two different fields south of the aforesaid village, one place named Patsome and From Maccasser the 29th of June 1771. and the other oering gallang. These the Queen claims, for the reason that the Queen has understood that the son of the Tannang of that place, named Paradoe, has transferred the said places to the Maros interpreter. Thirdly, on the village of soerod Jirang, north of the Honorable Company's redoubt, lives a Tanetterese named Ioa pamacko, who is married to a certain female person named Trochie, with whom he procreated a daughter who is named damaisa. These her aforesaid parents have left four slaves who, up to the death of the aforesaid damaisa, have increased to seven individuals through procreation, who are to be found in the said village to this day. Concerning this claim, the Queen sent the messenger thither to demand the slaves amicably, whereunto one Ioeanna I. doeppa gave as an answer to the messenger: if you had brought a seal from the Queen with you, I would give notice thereof to the Lord Resident, and could then hand over Her Highness's slaves to you. Upon this report the Queen did not send further, for the reason that Her Highness had in the meantime spoken with His Right Honorable Rigorousness on this account concerning this claim. Lastly, on a female person named Roekia, whom the previous King of Tanette had sent to the island of Kalao in order to live there and play the violin, where having arrived, she married a fellow Tanetterese and procreated a daughter with him, who was named Maadi, which latter is now the wife of Eraceng Maarang with whom she has some children, she makes a claim for the division both of the children and of other accumulated goods, and which Maadi is now living in the village of Pitoea, subordinate to the province of Segeri. Underneath was signed for the translation: I: Brugman. Translation
Dutch transcription
Van Maccasser: den 29 Iunij 1771 niet ver dffent hebbe zullen voor eerst onsen afgesanten thans derwaards senden gen:t hadeen Tamangon, en sangenie warong om voor den Edelen heer gouver„ neur te verschijnen, en wat aanbelangt de Engelschen, wanneer die hier geweest zijn hebbe wij immers daar van ten Eersten bij brief van den Eersten Septem„ „ber kennisse gegeven ten geeven, wat de Engelsche, heeft gemoveert hier te komen wanneer de gecommitteerd:s deese saak hebben ondersogt zo is gebleeven dat de wadjoreesen hier van oorsaak zijn die Engelschen hebben gehaalt en met hun komst ten eersten logies in haar Campong gegeven doende deselve maar alles nahaar welgevallen en goedvinden zonder na onsen goede raad vermaning te wille luisteren zijnde sulx alles buiten onse voorkennisse geschiet dit is alles 't geen wij den Edelen Heer omtrent de Engelschen kunnen berigten ter wijl wij op zijn wel Ed: gestr: teffens onsen hoop en vertrouwendheijd stellen die ons wel weesen hier omtrent behartigen, versoeken wijders seer onderdanig aan den Edelen Heer sComp: weegen wan„ neer deselve Eenige medelijden met ons nog mogt hebben, om dog nooijt meer de dispencier hier op sumbauwa tesenden hij niets anders gestole sumbauwareesen tekoopen en wanneer wij deselve reelameerden en versoeke om de gestolene inte ruijlen uit Consideratie hij een Commissiant is van de Edele Comp: want bij eenen nego„ ticant neemen wij de gestolene voor niet weg dan pretendeert hij drie voor een inde plaats welke gedoentenisse volstrekit tot ruim van ons land is weshalven wij onsen vertrouwentheijd op niemant anders stellen op de Comp: om diergelijke gedoentenis weg„ te neemen. Hebbe nietsanders tot teeken van leeven alste betuijgen dag en nagt onsen vertrouwent„ heijd op dE Comp: te selen :onderstond:/ geschreeven op 't land van sumbauwa den 21' van demaand Radjab opsondag in't Iaar 1189: bij ons den 11: November 1770 /:lager / voor de transtatie geteekent I:s Brugman Translaat 366 van Maccasser den 29 Iunij 1771: is de groot moeder van de prezente Translaat Boegines geschrift gesch: doorde koningine van Tanitte en overgegeeven aan den wel Edelen gestrengen Heer Boden David Raad Extra ordinair van Nederlands India Mitsg:s Gouverneur en directeur deeser Celebes van sodanige preten„ tien dewelke haar hoogheijd in sE Comp: noorder provintie op de natenoemene negorijen is pretendeerende Namentlijk op denegorij kamansang op deese negorij heeft matimroere Tanete Een nigt gehad Eerstelijk gen:t Beedja die an manslaaf had gen„t Pantsang dewelke op dese negorij zig A deese matimraari tamette heeft ter neder geset, en aldaar met Een zeeker vrouws persoonen getrouwt die gen:t was koningenne Malloeng, op in de wandeling gen„t Boekoe welke laaste een suster heeft gehad gen:t garattjing in de wandeling gen„t Carra D jinne voormelde Pandjang met zijn vrouw mallang hebben met malkanderen den soon geprocreert gen:t sandoe welke groot wierde en trouwde met Een slaven gen„ Tokeng toebehoorende Eenen Intje te auw zij teelden bij den anderen virkinderen te weeten 2: zoons en 2: dogters die in vroeger tijden zijn verdeelt geworden namentlijk 1: zoon genaamt Pandang en dogter gen„t Maralia, was de porte van Tanette, dus op dese beijde laast gemelde, als ook van Carra d inne haare kinds kinderen, thans de koninginne pretentie maakt, op de negorij Ponto kapetta leggen 128 padij velden, waar van 60 onder berus„ ting van IntIena Baso alias treo geleegen aan de noord kant ende overige 68 op twe diverste velesken besuijden de voorsz megorijt Eene pleek gen„ Patsome en Van Maccasser den 29 Iunij 1771. Ten derden Laatstelijk en 't andere oering gallang dese pretendeert de koninginne, om reeden dat de koninginne, verstaen heeft dat de soon van de Tannang dier plaetse gen„t Paradoe gemelde plecken aan den maros tolk heeft overgedragen. op de negorij soerod Jirang boosten sE Comp:s schans is woonagtig Een Tanetterees gen:t Ioa pamacko, die met Een zeeker vrouw persoon is getrouwt gen„t Trochie, waar bij hij Een dogter heeft geprocreert, die gen„t is damaisa dese hare ouders voormelt hebben vier slaven nagelaten die tot op de dood van den voors: damaisa tot op seeven koppen door voortteeling zijn vermeerdert dewel„ kie tot heeden te op de gemelde negorij te vinden zijn, over deese pretentie heeft de koninginne den zendeling na derwaarts gesonden om in der minne slaven afte Eysschen waar op Eenen Ioeanna I. doeppa aan den zendeling ten antwoord heeft gegeven in dien gij Een zegul van de konin„ ginne had meede gebragt, dan zou ik aan den heer Resident daar van ken„ „nis geven en als dan haar hoogheijds slaven aan u kunnen overhandigen op dit berigt heeft de konninginne niet nader gesonden om reeden haar hoog heijd intusschen dier weegen zijn wel Edele estrengen over deese pretensiehad geproken op een vrouw persoon gen:t Roekia die den voorigen koning van Tanette nat Eijland Kalao haft gesonden ten eijnde aldaar te leeven salond veeng speelen alwaar gekomen zijnde is zijn met en meede Tanetterees getrouwt en daar bij een dogter geprocreert die was genaamt Maadi welke laatse thans de vrouw van Eraceng Maarang is daar zij Eenig kinderen bij heeft pretentie maakt om de deeling soo van de kinderen als van anderen bij een gesamelde goederen en welke rnadi thans op de negorij Pitoea woonagtig is sorteerende onder de proventie sagerie /onder„ stond:; voor de vertaalinge, was geteekent I: Brugman Translaat
English
From Makassar, the 29th of June 1771: Translation of a Malay letter from Camoedien, Sultan of Bouton, together with all the grandees of the realm. To the Right Honourable, Valiant Lord Governor and Council at Makassar. After the customary compliments. I have received your letter with the usual honours from the hands of my envoys and Ensign Lecerf in very good order, as well as the 150 rixdollars in recognition money, a piece of fine humhum, and one ditto cassas. Upon reading the letter, it appeared to us that your Honour, together with the Council, suspected us of negligence and slight regarding the non-delivery of the 200 slaves. However, this was solely caused by the fact that we had not yet received a positive answer to our request to the Honourable Company asking whether we might be permitted to deliver those bondsmen in four instalments, to know whether this would be granted or not. And while we were waiting here, the letter and order arrived requiring the delivery of the full number of 200 heads, at a very inconvenient time when no vessel could be dispatched from here to Batavia. Thus, it was only now possible to do so with a number of 50 heads, in the hope that our aforementioned request would be granted. We have dispatched them with three vessels under the supervision of four babato or princes and three mantris on the 2nd of the month of Rajab, with orders to the said envoys that in case they cannot reach Batavia, they are then to try to make Makassar and deliver them there to the Right Honourable, Valiant Lord Governor. At the end of the past west monsoon, the Governor-General, on behalf of the Company, sent a captain here with five sloops and a letter by which I was ordered to prepare the 200 slaves at once. Shortly thereafter, the ensign also arrived with a letter containing the same order. Over this, I and the councillors of my realm were deeply troubled, and finally resolved to send 50 heads directly to Batavia, as we had also promised and assured the captain that we would do. Furthermore, I am very sorry to have discovered in the letter of the Lord Governor that I am accused of permitting smugglers of spices and other contraband goods, such as Mandarese, Wajoese, Cerammers, and Bandarese who are unprovided with passes, within my territory, or granting them a place of refuge. Where, then, in which river or in what roadstead did Ensign Lecerf discover such people? It is true that the Bone people and their subjects, as well as the Mandarese and Wajoese, continually sail back and forth year in and year out without passes, but they do not trade in spices. And as for the Cerammers and Bandarese, not the slightest news of them has ever been heard here. To better discover the truth of this matter, the captain who was here made every effort with two of his accompanying sloops to cruise everywhere along the coast of Bouton. But after they returned having discovered nothing of that nature, the captain expressed his great astonishment that Ensign Lecerf dared to spread such rumours and thereby disturb the Honourable Company. To this I replied that I could not believe Ensign Lecerf would have fabricated such things. Furthermore, I have understood from the letter of the Lord Governor that I did not allow the envoys of the Honourable Company to be taken where they wished to go. In this regard, I maintain that I have not made myself so guilty of violating the contract, since out of pure compassion I did not wish to expose them to danger in many reefs. For he even wanted to go further than the usual places that had previously been visited by the sergeants, and which they had not even wanted to traverse completely because of the numerous heavy mountains and forests. I pointed out all these difficulties to him, but he would not listen to them and kept insisting on departing for the islands. Thus, after he had been here for 3 to 4 days, I let him go. Nevertheless, at his departure, in the presence of the captain, I asked him once again to stay for a few more days, as the winds were blowing too hard and he could easily meet with an accident. But he refused, and answered that if he had to or was destined to suffer an accident, such could happen to him just as well while sitting here on a mat as at sea or elsewhere. I therefore let him depart with an interpreter and his retinue. Having advanced with these to off the village of Kamboese, the wind began to freshen considerably, on account of which the interpreter advised him to take in the sails and only row. But the ensign absolutely insisted on sailing, and even beat the crew members to
Dutch transcription
368 Van Maccasser Den 29 Junij 1771: Translaat Maleijdsche Brief van Camoe „dien, Sulthan van Bouton benevens alle de Rijxgrooten. Aan den wel Edele Gestr: Heere Gouverneur en Raad tot Maccasser Na de Gewoonlijke Comptimentenrt Ik hebbe hoogst derselver brief uijthanden van mijne gesanten en den vaandrig Lecerf, met het gewoone honeur zelr wel ontfangen zo meede de 150 rd:s Recognitie penningen een stuk fijne Hamans en Een dito Cassa Bij lectura van de brief is ons voorgekoomen dat uwel Ed: gestr: ne„ „vens den raad ons verdagt hielden van negligentie en kleijnagtig weegens t met voldoen der 200 stuks slaaven 't geene dog eenelijk is veroorsaakt door dien wij op ons versoek aan d'E Comp: om die zij Eijgenen in vier Ter mijnen te mogen voldoen nog geen positief antwoord hadden ontfangen of sulx zoude geaccordeert worden dan niet en ter wijl men hier was wagtende quam de briefen ordre, om het volle getal, van 200 koppen te moeten leveren Juijst om een seer ongelegene tijd in welke men geen vaartuig van hier konde afsen„ „den na Batavia als hebbende sulx nu Eerst kunnen geschieden met een getal van 50 koppen inhoope dat ons voorsz versoek als hebben wij versonden met drie vaertuigen onder opsigt van vier Babato / of Princen en drie Man„ tries op den 2: van de maand Radjab met last aan den gem: gesanten ingevalle van Maccasser den 29 Iunij 777 ingevalle zij Batavia niet ontfangen niet mogten kunnen, besterven als dan te sien om maccasser te krijgen en zee aldaar aan den wel Ed: Gestr: Heer Gouverneur over te geven In 't laaste der westmousson verweeken heeft den Heer gouverneur gena„ „vaal Comp: weegen een Capitain nevens vijf Chialoupen hier gesonden met een Brief waar bij ik g'ordonneert wierd om de 200 stuks slaven ten Eersten in gereedheijd te brengen en kort hier na quam ook den vaandrig met een brief die deselfde ordre vervatte Hier over heb ik en mijne Rijksraaden ons zeer gequeld en Eijndelijk geresolveerd om 50 stuks direct na Batavia te zenden zo als wij zulx dan ook aan den Capitain beloofden verseekert hebben te sullen doen voorts doot het mij zeer leed, in de brief van den heere Gouverneur te hebben ontwaard dat ik beschuldigt wordt van morshandelaars in specerijen en an„ dere verbodene goederen als Mandhareesen; wad poreesen Cerammers en Band, „Iareesen, die sonder passe voorsien zijn onder mijn Territoir tepermitteeren of aan deselve schuijtplaats te verleenen, waar dog in welke Revier of op wat Rheede heeft den vaandrig lecert desulke ontdeckt wel is, waar dat de Bonijers en derselver onderhoorige zo mede de mandhareesen en wad poreesen Continueel Iaar in Iaar uit af en aanvaaren zonder opassen maar ze handelen met in specerijen en aangaande de Cerammers en Bantareesen daar van werd hier selfs geen deminste tijding vernoomen, om van dit een en ander diste beeter de waarheijd te ontdekken heeft den alhier geweesene Capitain alle de voiren aangewend met twee zijner bij hebbende Chialouppen 370 van Macasser den 29: Junij 1771 Chialouppen over al onder de wal van Bouthou te laten kruissen dog na dat deselve weder te rug gekomen waren en mits van die natuur hadden kunnen ontdekken zo betuijgde den Capitain zijne groote verwondering den vaandrig zeserp dier„ gelijken heeft durven spargeeren en dE Comp: daar door ontrusten waar op ik ten antwoord gaf nie te kunnen gelooven dat den vaandrig heserf zule soude heben iut getoijd: Wijders hebbe uijt de brief van den heere gouverneur verstaan dat ik de sende„ lingen van d'E Comp: niet heb laten brengen waar ze weesen willen hier omtrent sus„ tineere mij zo seer niet aan overtreeding van het Contract schuldig gemaakt te heb„ ben vermits ik uijt enkel meedelijden henl: niet heb willen bloot stellen aangevaar in veel Satilfies, want hyj wil zelfs verder gaan als de gewoonlijke plaatsen die be voorens door de sergeanten zijn gevisiteert en welke zijl: met eens alle hebben willen door kruijssen om de veel vuldige swaave gebergtens en boschaadse ik heb hem alle dese swaarigheijt voorgehouden maar hij wilde daar na niet luijsteren en bleef al aanhouden om na de Eijlanden te vertrekken zo dat ik denselven na 3: â 4 dagen hier geweest te zijn heb laten gaan egter versogt ik hem bij zijn vertrek in preesentie van den Capitain nog maals om nog eenige daagen te vertoeven wijl dewinden te sterk woeijen en hij ligtelijk een ongelijk zoude kunnen krijgen dog hij wilde niet en antwoorde in dien hij een ongeluk zoude of moest krijgen, hem sulx hier op een matje zittende so wel konde overkomen als op ze of elders dus hem liet vertrekken met een Tolk en dies gevolg waar meede geadvanceert zijndetot voor de negorij kamboese, was de wind braaf beginnen op te wakkeren weshalven de Tolk hem had geraaden om de zijlen te bergen en eenelijk te roeijen dog de vaan„ drig had absolut willen zijlen en selfs de opvaarende menschen geslaagen om
English
The 29th of June From Maccasser Translation of a Malay letter written by the Sultan Caijmoedin and the dignitaries of Bouton to the Right Honourable Governor and the Council at Maccasser. After the customary compliments: We hereby make known to the Lord Governor that we have duly received his letter, brought by the Salayerese, and understood its contents concerning the sloop the Noote Boom, coming from Amboina and bound for Batavia with a cargo of cloves, which was wrecked off the coast of Bouton due to heavy winds and a hollow sea. Of those on board, the assistant Johannes Jansz immediately with some of his men was robbed of his goods by the wild and savage peoples who apply themselves to nothing other than murder and robbery, having no king and no fixed dwelling place, keeping themselves here and there in small woods, who in ancient times were called Combouwa and also had a king at that time, though presently no longer. He was compelled to leave that place and keep himself in the scrub along the shore until the people of the old king's son met him and brought him to their master, which prince lives in a remote small village of Bouton, who also received the assistant with all affection and assisted him with all necessary sustenance. Subsequently, that prince made this misfortune known to me and the dignitaries, which we had to hear with the greatest consternation and sorrow regarding the damage to the Honourable Company. Whereupon we immediately thought fit to send a mantri along with an interpreter to that prince to fetch the Europeans. Which mantri, upon his return, brought 20 European heads, as well as the Buginese Tosaleeng, who, no sooner having heard of the misfortune of the sloop, immediately proceeded to the place of the wreck and bought 9 picols and 60 catties of cloves from those predatory people. Thus, upon his arrival, we immediately confiscated the purchased cloves from him, as no one, not even the people of Bouton, is permitted to trade therein. Afterwards, I had a house built next to the European dwelling for the shipwrecked crew and had daily provisions and also clothing provided to them. And after we were informed of everything, we immediately resolved to send two mantris with their subjects, armed, after those robbers; however, having arrived there, they saw or found no one, all having taken flight into the wilderness, but they still found 10 picols and 25 catties of cloves, which the predatory people were perhaps not able to take with them. And further that Your Right Honourable was pleased to mention in his letter that, because they did not set to work quickly enough to his liking, this resulted in the vessel, by the turbulent sea, first becoming nearly full of water and subsequently being dashed to pieces on the rocks, so that the Boutonese residing thereabouts assisted him with a vessel and brought him back hither again. Having arrived here, he spoke of nothing other than his lost goods, practicing all kinds of ruses and evasions to accuse the interpreter as the cause of the loss of the vessel, which he will certainly not fail to make the Honourable Company believe as well. But he will not listen to me, much less will he give ear to the words of an interpreter, treating them as if they were his own serfs. The King and the dignitaries have also read with much emotion a letter brought hither from Saleijer, since its contents in no way agree with the truth, of which we can also maintain no one else to be the cause than the ensign, as he seeks the misfortune and ruin of the land of Bouton; and therefore we can no longer endure or tolerate his conduct. The bearers of this are my mantris Litaijoe along with Pangalassangs and an interpreter with his retinue, on a vessel that also conveys the Honourable Company's people across, in order to appear with all submission before the presence of the Lord Governor and Council. Lastly, it is the very humble request of the King, along with his dignitaries and all subjects of Bouton, if the Honourable Company still has any pity on us, by all means not to send the ensign Zecerfs hither in the coming year, but to commission another in his place. We also very humbly request pardon that we did not dispatch our emissaries to Maccasser earlier, as the recent dispatch to Batavia prevented us from dispatching them sooner. Below stood: Written in the land of Bouton, in the presence of the Sultan, the 6th of the month Saban on Sunday in the year 1184, being according to our reckoning. Lower: Signed for the translation: G=t Brugman.
Dutch transcription
Den 29 Junij van Maccasser om dat ze na sijn zin nietschielijk genoeg de handen aan 't werk sloegen 't welke dan van dat gevolg is geweest dat 't vaartuijg, door de onsluijmige zoeerst bij na vol wa„ ter geraakt en vervolgens op de klypen aanstukken geslagen is zo dat de Boutonders daar omstreeks woonagtig hem met een vaartuig geassisteert en weder na herwaards gebragt hebben hier gekomen zyndes praak deselve van niets anders als van sijne verlorene goederen, practiseerende alderhande listen en draijen om den Tolk als de oorsaak van 't verlies des vaarthuijgs te beschuldigen 't geene hij zeekerlijk niet in ge„ breeke zal blijven om aan DE: Comp: mede wijs te maaken, maar hij wil na mijn niet luijsteren, veel minder zal hij aan 't zeggen van een Tolk gehoor geven, want desamen hem als of zijn lijfeijgene waren, Dekoning en Rijksgrooten hebben ook met veel aandoening geleesen een brief van saleijer alhier aangebragt also dies in houd geensints over Een komstig is met. dewaarheijd waar van wij al meede niemand anders kunnen sustineeren de oorsaak te sijn als den vendrig als die het ongeluk en verderf van het land Bouton zoeht en daarom: kunnen wij desselfs gedoentenis niet langer dulden of verdragen, De brengen deeses zijn mijn mantries litaijoe neevens Pangalassangs en een tolk met zijn gevolg, op Een vaartuig die s E Comp: volk teffens meede overvoeren ten Eijnde met alle onderwerping voor 't heer Gouverneurs en raads aangesigt te verschijnen Laastelijk is den konings nevens zijne Rijkegrooten en alle onderdaanen van Bouton seer nedrig versoek, indien d' E Comp: nog Eenig medelijden met ons heeft om dog voor al den vaandrig zecerfs in't aanstaande Iaar niet herwaarts te senden maar een ander in zijn plaats te Committeerden versoek en ook zeer needrig Excuuse dat onse sendelingen, niet eerder na Maccasser hebben afgeson„ den also de Iongste besending na Batavia ons verhindert heeft deselven eerder te depecheeren /:onderstond:/. Geschreeven op 't land van Bouton, in preesentie van densulthan den 6 van de maand saban op sondag in't Iaar 1184: zijnde volgens onse tijd reekening /lager:/ voor de vertaaling geteekent/ G=t Brugman, Translaat 1 vol 372 van Maccasser den 29: Iunij 1771: Translaat Maleijdsche brief Teschree„ ven door den Sulthan Caijmoedin en de Rijksgrooten van Bouton aan den wel Edelen Heer Gouverneur, nevens den Raad tot Maicasser Na de ordinaire Complimenten Maake bij deese aan den Heer Gouvernour bekent dat wij des„ „selfs brief die door de zaaleijereesen aangebragt is seer wel ontfan„ „gen en desselfs inhoud verstaan, hebbe betreffende de chialoup de noote Boom, komende van Amboina de wil hebbende naar Batavia met een lading nagelen, die aan de van Bouton veronge„ luck is doos swaare winden en holle zee, waar van de opvarende adsistend Iohannes Iansz: ten Eerste met Eenige van zijne door de wilde en woeste volcheren die zig niet anders toe leggen als met moorden en rooven ook geen koning en hebbe en geen vaste, woonplaats als hier en daar zig in bospcheesies op houdende die in houde tijde genaamt wierden Combouwa en ook een koning te dier tijd gehad hebbe dog tegenswoordig niet meer van zijne goederen beroofd en hij genoodsaakt geworden is om die plaats te verlate en langs strand in kruipel bosses zig op te houden tot dat 't volk van des ouden konings soon hem heeft ontmoet en bij hunne van Maccasser den 29 Iunij 1771: hunne meester gebragt welke prins op uene afgeleegene kleijne negorij van Bouton woond, die ook den adsistent met alle genegentheijd gerecipieert en van alle de noodige nooddrust geadsisteerd heeft ver„ volgens heeft dien prins mij en Rijks grooten dit ongeluk late bekent maaken, 't welke wij met de grootste ontstettenisse en leedweesen, de schaade van d' E Comp: hebbe moeten hooren waar op wij ten Eersten goed vinden een mantrie neffens een tolk na dien Prins te senden om de Europeesen af te halen welke man„ trie met sijn te rug komst 20 koppen Europeesen hadde mede gebragt benevens de Boeginees Tosaleeng die niet zo dra van 't ongeluk van de Chialoup verstaan hebbende of had zig ten eersteen na de veronge„ „lukte plaats begeeven en van dat roof volk 9 pic: en 60: kattes: na„ „gulen ingekogt zo hebbe wij ten Eerste met sijn aan komst, hem de ingekogt nagelen afgenoomen also niemant zelfs geen Bouton„ „ders gepermitteerd is daar inne te negotieeren, vervolgens hebbe ik een huys naast de Europese wooning voor de ongelukte scheepelingen laten opbouwen en hunlieden dagelijks mond kost laten besorgen als meede kleederagien, en na dat wij van alles onderrigt zijn geweest resolveerde wij ten eerste twee Mantries met desselfs onderdaanen gewapent na die vovers tesenden, dog daar gekomen hebbe zij nie„ „mant gesien of gevonden hebbende alle de vlugt in de wildernisse genomen, maar nog 10 picols en 25 Caltees nagelen gevonden die de roof volkeren moogelijk niet hebbe kunnen meede neemen, Jn wijders dat uwel Ed: gestr: in desselfs heeft gelieve te melden dat Va
English
From Maccasser the 29th of June 1771: that the peoples of Combouwa, Kalesbosoe, and the king of Kopea were said to have made themselves guilty of the robbery of the Honourable Company's shipwrecked chialoup. I, alongside the dignitaries of the realm, testify to having no knowledge of this, but it is well known to us that there is a rascal of a prince of Kalesoesoe named Lankaupa, who was cast out by the peoples of his villages and fled to those robber peoples, and he also sold the cloves to Tosalang. Nevertheless, we shall not fail to have the Honourable Company's goods traced, as well as the robbers thereof, whether dead or alive, and give notice thereof to the Honourable Company. Furthermore, we have sent the 20 Europeans, 10 piculs, and 25 cattees of cloves to Batavia with our envoys, divided among 3 vessels, who also departed before the Maccassarese envoys, because the shipwrecked crew lived in discord with Ensign Lecerff, since the said Lecerff always took the best for himself of what I provided to the poor people for provisions. Also, the ensign requested me several times to send the said assistant with his own vessel to Oedjoeng Pandang, but I would not agree to this, because such unfortunate people are under my responsibility, whereupon the ensign managed to devise a trick and secretly sent the assistant away at night with the vessel of Tosalang, so as to have the opportunity to speak ill of From Maccasser the 29th of June 1771: of Boutong, in order that the Honourable Company might become all the more embittered against the Boutonese. The bearer of this is Mantrio Litasse. I have delivered into his hands 9 picols and 60 catjes of cloves which I seized from Tosaleng, with orders to hand them over to the Governor and Council, to the end that they may deal with them as they see fit, whether to refund Posaleng his money or not. Lastly, we jointly request the Governor and Council, whenever Boutonese might be found elsewhere who trade in cloves, to punish them according to their deserts, and whenever cloves might yet be found here in due time, they will certainly be from the shipwrecked chialoup. Was written on the land of Bouton the 6th of the month of Saban on Sunday in the year 1124. Lower stood: Signed for the translation, Brugman. Translation. From Maccasser the 29th of June 1771: Translation of a Bugis letter written by the King of Boni to the Right Honourable, High and Mighty David Boelen, Governor. After the customary compliments: Furthermore, this serves for communication that I have received the letter from Your Honour from the hands of the Maros and Boelecomba interpreters, and have well understood its contents. But as to the matters mentioned therein, I testify to being entirely unaware of them. I have therefore immediately summoned all the peoples of the villages where Lamaije resides, and ordered them to restore all the plundered goods of the said Lamaije, and to pay in cash for whatever might be missing. And concerning the sealed paper of the Makadantana and the presence of Daeng Mandsarekie at Boelecomba, this is also unknown to me. Therefore, I strictly order the peoples of the villages to restore the plundered goods as swiftly as possible. Yet had it pleased the Noble Lord to order me to investigate the matter, I would have done so, as the elder of the village where Lamaije resides testifies that the father of the said Lamaije was married at Boelecomba, and the rest of this family are all subjects of Caijoe, Zeeko Marowangie; and if the Noble Lord would be pleased to inquire further into this From Maccasser the 29th of June 1771: matter, there goes herewith an envoy who is accustomed to investigating such affairs. Furthermore, I inform the Noble Lord that those of Boneratte have come to me to bring their tribute, and at the same time to communicate that a Bonese envoy, whom I and Governor Sinkelaar saw fit to place on Boneratte in order to keep a watchful eye there so that none of the Honourable Company's prohibited trade wares were imported into Boneratte, has passed away. They also brought along cloves which they seized from the peoples of Calesoesoe named Latave, and which I have handed over to the interpreter Bartels, along with the linens that the peoples of Calesoesoe received from a Mandharese in exchange for cloves. Further, I have nothing to send as a token of life except a little of the best dried venison. Please do not accept it according to its value, but as a pure token of affection. Was written in Boni, Tuesday the 21st of November in the year 1770. Lower stood: Signed for the translation, F. Brugman. Translation. From Maccasser the 29th of June 1771: Translation of a Malay letter written by the apprehended King of Goa named Cesman to his grandmother, Aroe Palacka, reading as follows: These few lines serve expressly to make known to my grandmother that I am exiled here on Ceylon, and thus am not of equal standing with my peers as other kings and princes are. Yet I must comfort myself, as I am enjoying great benefits here on behalf of the Company from the Noble Lord and Council, whereby I am still held in great prestige and esteem among the peoples, and my high birth still shines forth; and through God's goodness, I am also still in perfect health. Furthermore, I request that my wife Boediman might come hither, and send me at the same time clothes, scented oil, and some incense. Further for communication that the land of Ceylon is not yet fully recovered. I also request you to embrace on my behalf, with friendly greetings, the following, namely my brother the King of Goa, Karaeng Tabaringan.
Dutch transcription
374 van Maccasser den 29 Iunij 1771: dat de volkeren van Combouwa Kalesbosoe en de koning van kopea zig zou„ „de schuldig gemaakt hebbe aan den voof van sE: Comp: verongeluckte Chialoup ik neffens Rijksgrooten betuijge zulx niet te weten maar het is ons wel bekiend dat er an deugeniet van Een prins van Kalesoesoe is gen„t Lankaupa die van zijn negorijs volkeren verstooten en gevlugt is na die roof volkeren en deese heeft de nagulen ook aan Tosalang verkogt, egter niet te min zullen wij niet in gebreeke blijve om dE Comp: goederen te laten naspeuren gelijk meede de rovers van deselve 't zij levendig of dood en de E: Comp: daar van ken„ „nisse geven vervolgens hebbe wij de 20: Europeesen 10: pic:s en 25. Cattees na„ „gelen naar Batavia versonden met onsen afgesanten op 3: vaar„ „tuijgen verdeelt die ook voor de maccassaarse afgesanten vertrokken is vermits de verongelukte scheepelingen met den vaandrig Lecer fe in oneenigheijd leef den om dat gem: Lecerff althoos't beste na sig nam van 't geen ik de arme wenschen tot leevens middelen toeschikte, ook heeft den vaandrig verscheijde maelen mij versogt om den gem: adsistent met zijne Eijge vaartuijg na oedjoeng Pandang te wille versenden dog hebbe sulx niet wille accordeeren vermits diergelijke ongeluckige menschan ter mijner verantwoording zijn, waar op den vaandrig een list heeft weeten uijt te vinden en den adsistent stiltjes des nagts met het vaar„ tuijg van Tosalang weg gesonden om dus geleegentheijd te hebbe quaad van Van Maccasser den 29 Iunij 1771: van Boutong te spreeken op dat d'E Comp: des te meer op de Boutonders verbittert mogte worden, Den brengen deses is Mantrio litasse hebbe deselveter hand gesteld 9: picols en 60 Catjes nagelen 't geen van Tosaleng heb afgenomen met ordre deselve aan den Heer gouverneur en raad over te geven ten Eijnde zo„ danige daar meede te handelen als goed vinden zullen 't zij om Posaleng zijn geld wederom te restitueeren of niet, Laastelijk versoeken wij gesamentlijk anden hee ouverneur en raad wanneer er Boutonders elders mogt gevonden werden die in nagelen negotieeren de sulke na verdienste te straffen en wanneer hier in der tijd nog nagelen mogten gevonden werden zullen die zeekerlijk, van de verongelukte Chialoup weesen /onderstond:/ geschreeven op het land Bouton den 6 van demaend Sambang op Sondag in't Iaar 1124 /:lager; voor de vertaling Geteekend Brugman J: Translaat a 376 Van Maccasser den 29 Iunij 1771: Translat Boegineese brief Geschreven door den koning van Bonijevan den wel Edele Gestrenge Agtb: Heer Gouverneur David Boelen Na de ordinaire complimenten Wijders diens ter Communicatie dat ik de brief van den Edelheijd uijt„ handen van den marose en Boelecombas tolken ontfangen en den inhoud van dien wel verstaan hebbe dog de daar inne vermelde affaires betuijge daar van ten eenemaale onbewuste te weesen hebbe dierhalven ten eerste alle d' negorijs volkeren daar lamaije woonagtig is laten roepen en hun lieden geordonneert om alle de geroofde goederen van gem: lamaije terestitueeren en 't geen absent mogt geraakt weesen in Contanten te voldoen. En betreffende 't gechiapte papier van de makadantana en 't aanweesen van daaeng mand sarekie op Boelecomba is mij ook onbekent dierhalve de Negorijs volckeren ernstig ordonneere om de geroofde goederen ten ten spoedigste te moeten restitueeren Dog had het den Edel heer behaagt mij te ordonneeren om de saake te ondersoeken zo zoude ik zulks gedaan hebbe vermits de oudste van de ne„ „gorij door lamaije woonagtig is getuijge dat de vader van gem: Lamaije op Boelicomba getrouwt is en derest van dese familie zijn alle onderhoorige van Caijoe, Zeeko marowangie en indien de Edel heer zig nog nader na deese van Maccasser den 29: Iunij 1771: dede zaake gelisde te Informermer wn zo gat hier neven dus dops sendeling die gewend is diergelijke zaake te ondersoeken, Wijders melde den Edel heer dat die van Boneratte bij mij gekomen zijn om hun tribut tebrengen en teffens te Communiceeren dat een Bonijsen sendeling die ik en de heer Gouverneur Sinkelaar hebben goed gevonden om op Boneratte te laten ten Eijnde aldaar een oog in't zeijl te houden dater geen van dE Comp: verbodene handel whaven op Boneratte werden in„ gevoert is komen te overleijden ook hebbe zijlieden kruitnagels meede gebragt die zijl: van de volc keren van Calesoesoe genaamt Latave hebben afgenomen en dewelke aan den tolk Bartels hebbe overgegeven neffens de lijwaaten die de volkeren van Calesoesoe van een mandhareese, voor kruijdnagel ontfan„ gen hebbe, voorts hebbe niets tot een teeken van leven te zenden als een wij„ „nigharte beste toppa gelieve deselve niet nawaarde te accepteeren maar als Een zuijvere genegentheijd /onderstond:/ Geschreeven in Bonij Dingsdag den 21: November in't Iaar 1770 /lager:/ door de translatie getekent/ F„t Brugman Translaat 378 van Maccasser den 29 Iunij 1771: Translaat Maleijdsche Bref deschreven door de g'apprehendeerde koning van Goa gen„t cesman aan desselfs Groot moeder Aroe Palacka, Luijdende als volgt Deese wijnige letteren dienen Expresselijk om mijne groot bekend te maken dat ik alhier op ceijlon gebanne en dus niet met mijnsgelijke gelijk andere koningen en vorsten gelijk standig ben dog egter moet ik mijn getroosten also alhier Comp: weegen groote weldaden van den Edel heer en raad ben genietende waar door nog in eenen groo„ ten aansien en agting onder de volkeren benen mijne hooge geboorte nog uitblinkende is en ben ook door gods goedheijd nog in eene vol„ „maakte gesondheijd Wijders versoeke dat mijnen vrouw Boediman herwaards mogt komen ensendt mij teffens kleederagien ruijkende olij en wat doepas voorts ter Communicatie dat het land van ceijlon nog niet te volle hersteld, is ook versoeke onder volgende onder vriendelijke groete mijnent wegen te omhelsen namentlijk mijnen broeder den koning van goa kranig Taba ringan
English
1771 from Maccasser the 29th of June vingan krain Patoe Kangan besides her husband kram bisserijaroe barroe, and of Balbakeria Krain Lempangan / kram Balla Sarie Aroe mampoe, daing Tasaijoe Dannie, krain sangi vingan daing Tima, Patiema also to my grandmother daing Tamsanga and subsequently to all my blood relatives who are in maccasser and sort under the court of Goa /:was written beneath:/ =written on Ceylon the 19th of the month moeharrang in the year 1183: lower down:/ for the translation, signed J. Brugman Translation 380 from Maccasser the 29th of June 1771: Translation of a Malay Letter Written by Toerelie kankeloe, together with the other Toekelies and all the Denelies with all the dignitaries of the realm of the country of Tambora to the Honorable Lord Governor and Council at Maccasser: After the customary compliments, we hereby collectively inform the lord governor and Council that as soon as we had arrived here on Tambora, we gathered all the dispersed subjects together and made known to them all the intention and admonition of the lord governor, that they might resolve to accept their king again, whereunto they collectively gave as an answer that they had all firmly resolved in their hearts never to want their king again. On the 3rd of the month Roemallang there arrived here the Bima Resident, his clerk, as well as two delegates on behalf of Bima named Boemie Parika Bosc: Tjankoe, Boemie Pavisie, and also on behalf of Pekat Boenie Pangalassan, and Patti Tempo, whereupon from Maccasser the 29th of June 1771: whereupon the Resident ordered the delegates of Bima to present themselves to us, as they did appear before us and, in the name of the king of Bima, urged us and in the best manner advised us with sweet words that we might collectively resolve to accept our king again; to which we gave the delegates as an answer that such is utterly impossible for us, because the burden he laid upon us was too unbearable, and that he did not treat us according to the laws of the country as our former kings did. Subsequently, the resident sent the flagman Anthonij, accompanied by one of the delegates of Pekat, Boemie Pangalassang, to each of our Goerelies and Genelies in particular to persuade us with good words and to return to our king, but everyone answered thereto that such is no longer possible. On the 16th of the same month, being a Thursday, the Resident, together with his clerk and the delegates of Bima and Pekat, proceeded to the Company's house here, where he also caused to appear all the Toevelies and the Calie or Priests. Here he used the aforementioned Anthonij as an interpreter, but he was so little capable of making the Resident's meaning known to us, as well as ours to the Resident, that the Resident was necessitated 382 from Maccasser the 29th of June 1771: to use his clerk as an interpreter, whereupon we came to understand that the Honorable Lord Governor had written a letter to the Resident, and thereby commanded him to admonish us, if it were possible, that we might reconcile and reunite ourselves with our king again, adding that our king had done nothing wrong against the Company nor against the Honorable Lord Governor, and it was therefore best to give heed to the admonition of the Honorable Lord and to accept our king again. Whereupon we then collectively gave as an answer that all of us, under the soles of the feet of the Honorable Lord Governor as well as to the resident and the other present Allies, requested that we might be excused from this, because we could no longer endure or bear the extreme abuses of the king, while we now lived in the hope that the Honorable Company would take care and prevent him so that such abuses should never occur again, whereon we answered again: forgive us, for it is a yoke which falls too heavy and unbearable upon us. On the 6th of the following month, the Resident summoned Toevelie Kankeloe, Toereli Tambora, and Toerelie Baamboeng with Toerelie wauw, the Calie Jenelie kankoeij, Jeneli from Maccasser the 29th of June 1771: whereupon the Resident ordered the delegates of Bima to present themselves to us, as they did appear before us and, in the name of the King of Bima, urged us and in the best manner advised us with sweet words that we might collectively resolve to accept our king again; to which we gave the delegates as an answer that such is utterly impossible for us, because the burden he laid upon us was too unbearable, and that he did not treat us according to the laws of the country as our former kings did. Subsequently, the resident sent the flagman Anthonij, accompanied by one of the delegates of Pekat, Boemie Pangalassang, to each of our Goerelies and Jenelies in particular to persuade us with good words and to return to our king, but everyone answered thereto that such is no longer possible. On the 16th of the same month, being a Thursday, the Resident, together with his clerk and the delegates of Bima and Pekat, proceeded to the Company's house here, where he also caused to appear all the Toevelies and the Calie or Priests. Here he used the aforementioned Anthonij as an interpreter, but he was so little capable of making the Resident's meaning known to us, as well as ours to the Resident, that the Resident was necessitated
Dutch transcription
1771 van Maccasser den, 29 Iunij vingan krain Patoe Kangan neffens haar man kram bisserijaroe barroe, k van Balbakeria Krain Lempangan /kram Balla Sarie Aroe mampoe, daing Tasaijoe Dannie, krain sangi„ vingan daing Tima, Patiema ook aan mijn groot moeder danig Tamsanga en vervolgens aan alle mijnen bloedt verwanten die op maccasser sijn en onder het hoff van Goa sorteere /:onderstond:/ =geschreeven op Ceijlon den 19 van demand moeharrang in 't Iaar 1183: lager :/ voor de translatie „ geteekent J„r Brugman Translaat 380 van Maccasser den 29: Iunij 1771: Translaat Maleijdsche Brief Geschreeven door Toerelie kankeloe, nevens de verdere Toekelies en alle Dene„ „lies met de gesamentlyke Ruijkisgrooten van 't land Tam„ bora Aan den Edel Heer Gouverneur en Raad tot Maccasser: Na de ordinaire Complimenten zo maaken wij gesamentlijk aan den heer gouverneur en Raad bekent dat so dra wij alhier op Tambora gearri„ veert waren, wij alle de gesamentlijke verstrooijde onder„ danen hebben bij een versamelen en hun alle te kennen gegeven de intentie vermaninge van den heer gouverneur, dat ze mogten resolveeren om kunnen koning wederom aan te neemen waar op zijl: gesamentlijk ten antwoord hebben gegeven dat zijl: alle in hun harte vastelijk beslooten hadden om hunnen koning mimmer wederom te willen op den 3: van de maand Roemallang is alhier g'arriveert den Bimas Resident dessefs schriba als meede twee gecommit„ teerdens van Bimas weegen genaamt Boemie Parika Bosc: Tjankoe, Boemie Pavisie zo ook van weegens Pekat Boenie Panga„ lassan, en Patti Tempo waar van Maccasser den 29 Iunij 1771: waar op den Resident de gecommitteerdens van Bima heeft geordonneert om zig bij ons te vervoegen, gelijk zij bij ons verscheenen zijn en ons uijt nam van den koning van Bima hebben aangemaand en met zoete redenen ten besten geraaden, dat wij gesamentlijk mogten resolvee„ ven om onsen koning weederom aan te neemen op 't welke wijl de gecommitteerdens ten antwoord hebben gegeven dat sulx voor ons volstrekt onmogelijk is also de last die hij ons opgeleijde te ondraaglijk, was en dat hij ons niet na 's landwetten gelijk onse voorige koningen behandelde, vervolgens sond die resident den vlagge man Anthonij zijnde verseld van een der gecommiteerdens van Pekat Boemie Pangalassang bij een ijder onser Goerelies en Gene„ lies in't bijsonder om ons met goede woorde over te halen en tot onsen koning weder te keeren dog een ijder heeft daar op geantwoord, dat sulks niet meer mogelijk zij op den 16 derselven maand zijnde Donderdag heeft den Resident nevens zijn scriba met Bimas en Pekats gecommitteerdens zig op s Comp: huijs alhier begeven alwaar hij teffens deed verschijnen alle de Ioevelies ende Calie of Priesters hier gebruikten hij voormelden Anthonij als tolk dog die zo ommn in staat was ons des Residents omeenig als de onse aanden Resident teverstaan te geeven waar door de Resident genood„ saakt 382 van Maccasser den 29 Iunij 1771: rakt wierd om sijn scriba voor tolk te gebruijken, als wan„ hier wij quamen te verstaan dat den Edel heer gou„ erneur een brief aan den Resident geschreeven had, en em daar bij bevoolen om ons te vermaanen indien 't nogelijk was dat wij ons met onsen koning wederom versoe„ en en vereenigen mogten, met bijvoeging dat onsen koning iets tegens de Comp: nog teegen den Edel heer gouverneur mis aan had en het derhalven best was de vermaaning van den Edel. Heer gehoort te geven en onsen koning ieder aan te neemen waar op wij toen gesamentlijk ten antwoord gaven dat wij alle, zo onder de voet zoolen van den Edel heer gou„ erneur als aan den resident en d' overige presente Bondge„ rooten versogten om daar van te moogen geExcuseert zijn ermits wij de verre gaande mishandelingen van den koning niet langer dulden of verdraagen konden terwijl wij hans op hoop leefden, dat d'E Comp: sorge dragen en hem beletten dat diergelijke mishandelingen nooijt neer geschieden daar op wij weeder geantwoord hebben ergeefd 't ons want het is een Iok t welk ons te waar en ondraaglijk vald op den C: van de volgende maand liet den Resident Toevelie Kankeloe, Toereli Tambora en Toerelie Ba„ „amboeng bij Toerelie wauw den Calie Ienelie kankoeij Teneli van Maccasser den 29 Iunij 1771: waar op den Resident de gecommitteerdens van Bima he geordonneert om zig bij ons te vervoegen, gelijk zij bij ov verscheenen zijn en ons úijt nam van den Koning va Bima hebben aangemaand en met zoete redenen ten besten gevaaden, dat wij gesamentlijk mogten resolv ven om onsen koning weederom aan te neemen op 't welke wijl de gecommitteerdens ten antwoord hebb gegeven dat sulx voor ons volstrekt onmogelijk is also de last die hij ons opgeleijde te ondraaglijk, w# en dat hij ons niet na 's landwetten gelijk onse voor koningen behandelde, vervolgens sond die resident den vlagge man Antho„ zijnde verseld van een der gecommiteerdens van Pekat Boemie Pangalassang bij een ijder onser Goerelies en Ten lies in 't bijsonder om ons met goede woorde over te ha en tot onsen koning weder te keeren dog een ijder t daar op geantwoord, dat sulks niet meer mogelijk z op den 16 derselven maand zijnde Donderdag hee den Resident nevens zijn scriba met Bimas en Pekat gecommitteerdens zig op s Comp: huijs alhier begeven als hij teffens deed verschijnen alle de Toevelies ende Calie of Pro hier gebruikten hij voormelden Anthonij als tolk dog de ommn in staat was ons des Residents meenig als de onse aanden Res teverstaan te geeven waardoor de Resident genot saakt
English
from Maccasser the 29 June 1771: was compelled to use his scribe as an interpreter, when we came to understand that the Honourable Lord Governor had written a letter to the Resident, thereby commanding him to exhort us, if it were possible, that we might reconcile and reunite ourselves again with our king, with the addition that our king had done nothing wrong against the Company nor against the Honourable Lord Governor, and it was therefore best to heed the exhortation of the Honourable Lord and to accept our King again; whereupon we then jointly gave as an answer that all of us, under the soles of the feet of the Honourable Lord Governor as well as to the Resident and the other present Allies, requested to be excused from this, because we could no longer suffer or endure the far-reaching mistreatment by the king, while we now lived in hope that the Honourable Company would take care and prevent him so that such mistreatment should never happen again; whereupon we answered again: forgive us, for it is a yoke which falls too heavy and intolerable upon us. On the [illegible] of the following month, the Resident sent Toevelie Kankeloe, Toereli Tambora, and Toerelie Baramboeng to Toerelie Wauw, the Calie Jenelie Kankoeij, Teneli from Maccasser the 29 June 1771: Tenelie Wara, Denelie Assie, Tenelie Lavat, Boomie Loema, and to all the other grandees and subjects of Tambora, in order to exhort them de novo whether it might be possible to turn back to their king and accept him again; if so, that this could then happen in the presence of the Resident and all the Allies, so that they could bear witness to it; whereupon all the Tamborese, both those who were standing upon, under, and around the house, unanimously cried no, and that this was as impossible as it is to bring beasts back to life whose throats have been cut and whose blood has been drained. On the 6th of the month of Sauwal, the Resident, together with the secretary and the commissioners from Bima named Boemi Parika, Boemie Hango, and Boemi Pavisi Bolo, appeared again at the Company's house, where there were also present the commissioners from Dompo named Boemi Sela Kara and Boemi Lalele, as well as those from Sangar, being Boemi Ionga and Naka Mau, and on behalf of Pekat, Boemi Pangalassang and Patta Tempo, being further accompanied by the Panghulu of the Malays and Matoa Wadso, this meeting serving expressly to try once more from Maccasser the 29: June 1771: to try whether the Tamborese could be persuaded to accept their king, under the promise that if they were willing to incline thereto, the Honourable Company would guarantee that the king would be corrected and would no longer resort to any outrages; all of which was then presented to us by the Resident, who added that if we would listen to his advice and exhortation, he and all the Allies would be most grateful to us. Our answer thereto consisted in this: that we had already made our complaints against the king known at Maccasser to the Honourable Lord Governor, and even more extensively to all of them, and it was therefore utterly impossible to accept the king again, humbly requesting an excuse in this regard. Hereupon the Resident gave as an answer, why we had not raised our complaints against the king at Maccasser when all the Allies were present there, stating that nothing had been heard then of these complaints of ours, nor of any aversion toward the king, but only as soon as they had departed from Maccasser. Whereupon we replied again that our king, before the departure of the Resident and the allies to this place, had not yet committed any outrages, and not until after their departure, wherefore we had only then brought in our complaints, requesting hereupon once again a thousand times for an excuse, as it was not possible for us to reunite with the king. Subsequently from Maccasser the 29 June 1771: the Resident ordered us to prepare a vessel to take a letter to Maccasser, whereupon Toekelie Kankelo, alongside the other grandees of the realm, resolved to send Boemi Sampolo Warroe and Naka Sampolo Lalekang, together with their subjects, to Maccasser with a letter to the Honourable Company; while on the vessel Sergeant Asang also made the crossing as a passenger. The same, having departed, returned again because of heavy northern winds, all the rigging having been broken. Having subsequently been provided with everything anew, the Resident had this Company's letter taken from our envoys and delivered to Sergeant Assang, who then departed with another vessel to Maccasser without our prior knowledge, at which we are very amazed, and we have asked the other allies whether they agreed with the Resident to take back the letter of our envoys, but the collective allies gave as an answer to this that this happened without their prior knowledge. We are very fearful of such actions of the Resident, because the Honourable Lord might sometimes think that we do not want to deliver the Company's letter. /was signed:/ Written in the land of Tambora on the 22nd of the month Sauwal on Tuesday the year 1184. Translation
Dutch transcription
382 van Maccasser den 29 Iunij 1771: zaakt wierd om sijn scriba voor tolk te gebruijken, als wan„ „nier wij quamen te verstaan dat den Edel heer gou„ verneur een brief aan den Resident geschreeven had, en hem daar bij bevoolen om ons te vermaanen indien 't mogelijk was dat wij ons met onsen koning wederom versoe„ „nen en vereenigen mogten, met bijvoeging dat onsen koning niets tegens de Comp: nog teegen den Edel heer gouverneur mis daan had en het derhalven best was de vermaaning van den Edel. Heer gehoort te geven en onsen Koning weder aan te neemen waar op wij toen gesamentlijk ten antwoord gaven dat wij alle, zo onder de voet zoolen van den Edel heer gou„ verneur als aan den resident en d' overige presente Bondge„ „nooten versogten om daar van te moogen geExcuseert zijn vermits wij de verre gaande mishandelingen van den koning niet langer dulden, of verdraagen konden terwijl wij thans op hoop leefden, dat d'E Comp: sorge dragen en hem beletten dat diergelijke mishandelingen nooijt meer geschieden daar op wij weeder geantwoord hebben vergeefd 't ons want het is een Iok 't welk ons te swaar en ondraaglijk vald op den C: van de volgende maand liet den Resident Toevelie Kankeloe, Toereli Tambora en Toerelie Ba„ ramboeng bij Toerelie wauw den Calie Jenelie kankoeij Teneli van Maccasser den 29 Iunij 1771: Tenelie Wara, Denelie Assie, Tenelie Lavat, Boomie Loema en bij alle de verdere grooten en onderdaanen van Tam„ bora gaan ten Eijnde haar de novo aan te maanen of het mogelijk zij hen weder tot hunnen koning te wenden en denselven, wederom aan te neemen zo Ia dat sulx als dan in preesentie van den resident en alle de Bondgenooten konde geschieden op dat deese daar van konden getuijgenis dragen waar op alle de Tamboreesen, zo wel die op als onder en rondsom het huijs stonden een paarig geroepen hebben van neen en dat zulks zo onmogelijk was als men Beesten welke de keel afgesneeden en 't bloed afgetapt is weeder kan doen herleeven, op den 6: van demaand sauwal, heeft zig den resident benevens den schrijver en de gecommitteerdens van Bima gen„t. Boemi Parika Boemie Hango en Boemi Pavisi Bolo weder laten vinden op het Comp: huijs alwaar thans op present waaren de gecommitteerdens van Dompo met naamen Boemi Sela Kara en Boemi Lalele, zo meede die van Sangar, zijnde Boemi, Ionga en Naka Mau, en weegens Pekat Boemi Pangalassang en Patta Tempo nog verseld zijnde met den Pangoeloe der Maleijers en Matoa wad so, dienende dese vergadering expres om nogmaals te probeeren 384 Van Maccasser den 29: Iunij 1771: probeeren of de Tamboreesen tot de aanneeming van hunnen koning zouden te beweegen zijn, onder belofte indien zij daar toe inclineeren wilden d'E Comp: daar voor soude in staan dat de koning gecorrigeert werden en tot geene buijten spoorigheijd meer overgaan soude alle't welke dan ook aan ons voorgehouden wierd door den Resident die daar nog bij deed dat so wanneer wij na sijnen raad en vermaaning wilden luijsteren, hij en alle de Bondgenooten ons ten hoogsten zouden dankbaar wesen, ons antwoord daar op bestend hier inne dat wij onse klagten teegens den koning op maccasser reeds aan den Edel heer gouverneur en nog breed voeriger aan henlieden alle hadden bekent gemaakte en dierhalven 't volstrekt onmogelijk was den koning weder te acceptee„ ven versoekende hier omtrend needrig Excuse hier op gaf den resident ten antwoord, waarom of wij dan op matcasser wanneer alle de Bond„ genooten daar present waaren, onse klagten tegens den koning niet hadden geoppert, dat omen als toen niets had vernoomen van deese onse klagten zo min als adversie teegens den koning, maar wel zo dra zijl van maccasser vertrokken waaren waar op wij weder om gerepliceert hebben dat onse koning voor het vertrek van den Resi„ dent ende bondgenooten na herwaards nog geene buiten sponigheeden had gepleegt en niet eerder als na hun vertrek weshalven wij ook toen eerst onse klagten ingebragt hadden versoekende hier op nogmaals duij„ „sentmalen om Excuus als niet mogelijk zijnde ons weder niet den koning te verEenigen vervolgens van Maccasser den 29 Iunij 1771: vervolgens ordonneerde den resident ons een vaartuijg klaar te maaken om een brief na Macasse tebrengen waar op Toekelie kankelo nevens de verdere rijks grooten gevonden hebben om Boemi Sampolo warroe en naka Sampolo Lalekang nevens desselfs onderdaanen naar maccas„ „ser tesenden met een brief aan d' Edele Comp: terwijl op het wvaartuig meede overvaart den sergeant Asang als passagier zijnde 't selve vertrokken door swaare noordewinden wederom te rug gekomen, en alle het zeijltuig gebroo„ ken verolgens van alles weder voorsien zijnde heeft den resident dese 's Comp: brief van onse gesanten laten afneemen en aanden sergeant Assang over„ gegeven die toen met Een ander vaartuig naar Maccasser is vertrokken buiten ons en voorkennis waar voor wij zeer verwondert staan en hebben aan de andere bondgenoten gevraagt of zijl: met den resident over een gekoomen zijn om de brief van onse afgesanten weder te rug teneemen maar de Gesamentlijke bondgenooten hebben hier op ten ant„ woord gegeven dat sulx buiten hun voorkennis geschied is wij sijn over diergelijke gedoenten van den resident seer bevreest, om dat den Ed: heer Somwijlemogte denken dat wi 's Comp.:s brieff niet willen overbrengen /onderstond:/ Geschreeven op 't land Tambora den 22. van demaand Sauwal op dingsdag 't Iaar 1184: Translaat