Inventory 3337
Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Maccasser the 29 June 1771 The 13 October 1770 the second Draftsman departed by the pantjalling De Bedrieger together with a prau from Niga to Allas and Stello. The 14th ditto came the Calibla together with the Tomitalang below to speak about the Company's slaves, and promised that they would order all the king's children to each deliver a slave in order to be able to help us all the sooner, and after this date to try to settle with them again. 18th ditto received 2 male slaves and one female slave. 19th ditto ditto 1 male slave, and Sergeant Westhuijsen also returned from Bima. 20th ditto received 2 male slaves. 21st ditto 1 male slave, and the second humble draftsman also returned. 22nd ditto went upstairs to hear how it came to pass that it took so long before the Company's slaves came down; however, we could obtain no delay because the Callibla was ill and they alleged that besides this they could do nothing; we therefore had to go downstairs again without having accomplished our business; also issued to the Company's slaves on the Neptuijn 125 gantings of that rice from the Balinese prau obtained the 26 July, because no rice has yet been received from the Sumbawarese. The 23 October 1775: The prau returned from Taliwang and the anachoda reported to us that he had no more than two slaves, and that Demong Dammang had gone overland. 25th ditto received 2 male slaves. 26th ditto received 2 male slaves. 27th ditto received 4 male slaves. 28th ditto went upstairs again and presented to them once more that the time was now indeed approaching nearer and nearer, that we could stay no longer, and at what time we would receive the remainder of the slaves; they answered us that they could bring together no more than 20 pieces because they had received no more than two from Saliwang, Jerewe, Helloen, and Allas, and they had firmly relied on them; we presented to them that we knew nothing of that, that we only proceeded upon their own promise, but that it did not matter to us and that we would be satisfied with 20 pieces if the king then went with us himself to Maccasser and excused himself to the Right Honorable Lord himself on this point; they considered this for well over two to three hours and finally it came out that the king was still only a child, but that one of the three of them would definitely go; we answered them that that was well and good, but that it was stated in the contracts that the king himself had to come to renew them, and not an envoy, and that a Dignitary of the Realm was also regarded as an envoy, but that we would also be satisfied with that if the Dignitaries of the Realm would depart together with us, lest it might otherwise go again just as before, merely promising but not showing up; they let their thoughts dwell on this again until almost evening, and finally resolved to deliver the promised 50 pieces of slaves within the space of ten days, and to let Raden Tomangon and Singarie Warong go as envoys to Maccasser, though they could not depart any sooner until we had departed in order first to get everything ready for them; furthermore, they asked us how much the Company's balance still was; we answered them 163 pieces of slaves; they responded that that was not possible, because from the previous year they still had 616 rixdollars to their credit with the Resident of Bima, and that this surely would not yet have been deducted from it; we answered them that we did not know about that, but that they would not be wronged in that matter; whereupon we departed again, recommending once more that they just keep their word. The 29 November 178 early in the morning, since we had to remain here for another ten days, it was thought proper to go once more to Salimparing to see whether it was true, as the rumors were, that the Ceram people had arrived there; however, it was proposed that if we all went, we would once again not receive the Company's slaves and would then be delayed from one time to the next, and the bad monsoon was near so that we could stay no longer; resolved to let the First Draftsman go alone with the attendant, together with the Bedrieger and two vessels of the Malay Captain, and the two of us to remain here to see to having everything ready by the return, so as to be able to depart. In the afternoon received the Company's missive from the Right Honorable Lord, which was sent to us by the Resident of Bima by the gunner Anthonij Labie; resolved immediately thereupon to have the Balinese prau prepared as soon as possible and to let it depart with the first undersigned; were however in great difficulty because 235 gantings of rice had been taken from the cargo for the use of the Captain's people and the Company's slaves, because no rice had yet been received from the Sumbawarese; therefore thought it proper to excuse ourselves to Gusti Waijantaga that a little was missing from the cargo; also received one more Company's slave; the First Draftsman also departed. The 30 October 170 received 0 pieces of Company's slaves. 2 November ditto 3 ditto. 3 ditto ditto 1 ditto. 4 ditto the first humble Draftsman returned, though without having accomplished his business, because he could get no further than the islands of Oetang, and on the 3rd ditto at night encountered such strong winds that the pantjalling De Bedrieger broke its anchor cables and was no longer able to sail any further; also the accompanying vessels of the Malay Captain became separated and in the morning were not
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Iunij 1771 „ 14 _o den 13 8ber: 1770 vertrok den tweede Tekenaar p„r de opantjalling de Be„ drieger benevens een oprauw van Niga naar Al„ „las en stello„ quam den calibla benevens den Tomitalang be„ neede, om over sComp: slaven te spreeken en beloof„ „den dat sij souden alle konings kindere ordonneeren om ieder een slaep te leveren om des te eerder ons ons te konnen helpen en naar dato weederom met haar te sien te vereffenen, 18: _o „ ontfingen 2: manslaven en Een vrouwsslaaff „ 19 _o „ _o 1: manslaaf, als meede retourneerde den sergiant westhuijsen van Bima, 20 _o „ 2 op s omanslaven ontfangen 21 _o „ 1 „ manslaaff als meede retourneerde den tweede needrige teekenaar 22: _o „ Gingen naar boven omme te hooren hoe dat quam dat het so lang aan hield eerde sE Comp. sla„ ven afquamen egter wij konden geen uijtstel krijgen also den Callibla siek was en sij voorgaven, buijten dien niets te kon„ nen doen moesten dierhalven onverigter zaake weederom beneede gaan als meede ga„ ven aan sE Comp: slaven op de Neptuijn van die rijst uijt de Balijse prauw so den 26 „ „ 482 Van Maccasser den 29 Junij 1771 26 Iulij gekregen 125 gantings af also af also van sumbauwareesen nog gien rijst ontfangen Retourneerde de praauw van Taliwang en den 23 8ber: 1775: rapporteerde ons den anachoda dat hij niet meer als twee slaaven hadde en dat Demong Dammang over land was gegaan 4: p„s mansslaven ontfangen gingen wederom naar boven, en hielden haarl: nog „ 28 _o „ „maals voor dat die tijt nu immers meerder en meerder begon te nadere dat wij niet langer konden blijven en op wat voor tijt, dat wij die Rest van sla„ „ven soude ontfangen sij ons ter antwoord gaven dat sij niet meer als 20 p„s konden bij malkan„ der brengen also sij van saliwang Jerewe Helloen Allas niet meer als twee hadden ontfangen, en sij op haarl: vast staat hadden gemaakt wij haar voor„ hielden, dat wij daar van niet wusten dat wij op haar eijge belofte maar te werk gingen eg„ „ter dat het ons niet konde verscheelen, en dat wij souden te vreeden weesen met 20 p„s indien dan de koning met ons selfst naar omaccasser ging en sig bij den wel Ed: gestr groot agtb: Heere 2 „ — 2: „ — „ 25 _o „ „ 26 _o „ selfst _o _o _ o „ 27 _o „ van Maccasser den 29. Iunij 1771 selfst verschoonde over dese poinct zijlieden zig wel ruijm. twee â drie uuren besonnen en laastelijk uijt quam dat de koning nog maar een kind was egter dat een van haarl: drie vast soude gaan, wij haar antwoorden, dat 't wel was Gedog in de Contracten stond dat de koning selfste woesten komen om die te vernieuwen maar geen af„ gesante en dat een Rijxgroote ook waar voor een afge„ „sante aangesien wierd egter dat wij daar meede ook al souden te vreeden weesen, indien de Rijkxgrooten met ons saamen woude vertrekken, dan het anders alweder „om mogte gaan, gelijk als van te vore en maar belo„ ven Gedog niet komen op dagen daar over al weder„ om tot bij na den avond haar gedagte liete gaan de en resolveerden laastelijk binnen de tyt van thien dagen de beloofde 50 stuks slaven te sulle leveren en als afgesante naar maicasser den Rading To„ mangon en singarie warong te laten gaan, egter deselven niet eerder konnen vertrekken, als tot dat wij waren vertrokken omme alles eerst voor haarl: klaar te maaken verders vroegen ons hoe veel nog de bestaan dE Comp: waren wij haarl: ant„ woorden 163 p„s slaven sij respondeerden dat dat niet mogelijk was also sij van voorl: Iaar nog rd:s 616 aan den Bimas Resident te goed hadden en 484 Van Maccasser Den 29 Iunij 1771 en dat die seeker daar van nog niet zouden sij afgi„ trokken, wij haarl: antwoorden daar van niet te wee„ ten egter daar in haarleeden niet soude te kort ge„ schieden waar op wij wederom vertrokken onder nogmalige recommandatie haar woort maar te hou„ den. 'S morgens vroeg von de goed, ter wijl nog thien dagen den 29 Novemb„r 178 alhier vertoeve moesten nog eens naar salimparing te gaan om te sien of het dit waarheijd was gelijk als de gerugte waren dat de Cerammers aldaar ware aangekomen egter proponeerde w dat so„ wij allemaal ginge dan al wederom sE Comp: slaven niet kreegen en dan van een tijt tot den anderen uitgesteld wierden ende quade maisson naar bij was dat wij niet langer meer konden blijven Resolveerden den Eerste teekenaar alleen te late gaan met d oppas benevens de bedrieger en twee vaartuijgen vanden Cap. t malejer en wij twee alhier te blijven omme te sien tegens de terug komst alles klaar te hebben omme so te konnen vertrekken. smiddags ontfingen sE Comp: missive van den wel Ed: gestr: gr: agtb: Heere welke ons door den Brimas Resident p„r den bosschieter Anthonij Van Maccasser den 29 Iunij 1777 Anthonij Labie wierden toegesonden resolveer„ den aanstonds daar op de Baliesche praauw ten Eers„ ten te laten klaar maaken en met den Eersten ondergeteekende te laten vertrekken Gedog waere seer verleege also uijt de lading 235 gan„ tings rijst genome ten gebruijke voor het volk vanden Capitain en 'S E Comp: sla„ „ven also nog geen Rijst van de sumbauwareesen ont „fangen vonden dierhalven goed ons bij gustij waijantaga daarom te verexcuseeren dat een wijnig aan de lading manqueerende ontfingen ook nog een sE Comp: slaaf als mede vertrok den Eerste Teekenaar den 30 8ber 170 ontfingen 0: p„s sE Comp slaven 2: 9ber „ do 3 „ Do 4 „ „ Retourneerde den Eerste needrige Teekenaar Gedog sonder verrigting van saaken also hij niet verder heeft kon„ „nen komen also bij de Eijlanden van oetang en den 3: huis: s nagts sulke sterke wind heeft gekreegen dat de pantjallang de bedrieger de opangislings ge„ brooken en niet staat was meer verder te zeijlen ook die bij sig hebbende vaartuijgen van den Capit: malijer absent geraakt en 's morgens niet „ 3 „ „ _o 1 „ „ _o - _o
English
From Maccasser the 29th of June 1771 seen nothing more, and firmly thought that it had returned back again, whereupon the first humble undersigned asked the mate what he thought, whether he could still reach Salimparing; he replied thereto that he could hardly beat up to windward within the time of 8 days, since the westerly winds blew rather hard there, therefore resolved to return back again, as the time fell somewhat too long, and it was the 7th day that the Sumbawanese had promised to deliver the slaves; thereupon, in the evening, Captain Malijer sent a small prahu away to search for the other vessels, and also received again an Honorable Company's slave, as well as there arrived the sister of the King of Bima, Crain Balasarie, together with the widow of the old Nene Ranga and the wife of Datoea Boedia with 10 vessels; had them asked what she came to do here and whether she had permission to come here; she let us know that she came to view the grave of her grandfather and that she had requested the Bima Resident therefor. Returned the vessels of Captain From Maccasser the 29th of June 1771 Captain Malijer which had put into Oetang, because the Balinese pantjalling had become so leaky that they had almost not been able to keep it above water, resolved therefore to send up-country to request commissioners from Sumbawa to take over that pantjalling, and to write to the Balinese that they could come to collect it from here; received also again 1 piece Honorable Company's male and 1 female slave. Sent up-country to the negorij and let know that the time had expired and that we requested the Honorable Company's letter, together with the remaining slaves, to be sent down, as well as the commissioners to take over the Balinese prahu; the Callibla thereupon let know that he would come down himself the day after tomorrow to take over that prahu as well as to bring the letter for reading, and firmly on Saturday thereupon to be able to receive the Honorable Company's letter, as well as to dispatch the Honorable Company's slaves; received again 1 piece Honorable Company's slave. 2 pieces From Maccasser the 29th of June 1771 the 7th of November 1770 2 pieces Honorable Company's male slaves received. In the afternoon the King and dignitaries let us know that the one Ranga was murdered by one of old Nene Ranga's men, who formerly had carried his pinang box, and that nobody had suspected any ill of him; however, he must have gotten some bad thoughts, since the Nene Ranga had been to a small negorij to take away people who did not want to submit to him, among whom this man had also been one, and upon his return had had those people tied up, among whom his brother had been; and having seen him tied up, firmly thought that the turn would also fall to him; as the Nene Ranga was thus sitting smoking opium, he gave him two stabs, so that he dropped dead at once, as well as his sergeant; whereupon the perpetrator, together with the friends of his, everything that was male, were murdered and the rest seized; as well as received again 8 pieces Honorable Company's slaves. the 9th From Maccasser the 29th of June 1771 the 9th of November 1770 sent the messenger Niga up-country and had our condolences offered to the King and dignitaries on account of the murder of the Nene Ranga; however, at the same time had them requested once more most urgently that they would please receive us tomorrow so that we might finally depart, which they also promised us. Went up-country in the morning and conversed with them about where the rest of the promised Honorable Company's slaves were; they gave us as an answer that, on account of this case of the Nene Ranga, it was impossible for them to deliver the full number, and that they were not able to get more than 40 pieces of slaves together, and that they most humbly begged the Company's pardon that they could not keep their word; we told them why they had kept us waiting for so long with it if they did not want to deliver more than 40 pieces; they answered again that the 10th From Maccasser the 29th of June 1771 that they had done their best sufficiently, but nevertheless could not get them together; we thereupon asked them that five pieces were still missing, and when we would receive them; they replied to us that those would come down tomorrow, together with the Honorable Company's letter; finally recommended to them once more regarding the sappanwood that they should take good care of it, and that if anything thereof went missing, or if the Company should receive any report thereof, it would be for their account; as also to cut still more in addition, in case next year perhaps three ships should come instead of two, so that it would not fall short; they answered us that everything was already stored and nothing thereof could go missing, as also that they would have still more cut in addition; further asked them if it was still certain that commissioners were going to Maccasser, so they showed us those who were the ones they would send; the dignitaries sent us the Honorable Company's letter down and received another five pieces Honorable Company's; the letter with proper honor, as well as sent sent Rading Mandang as commissioner to take over the Balinese prahu, which we properly handed over to him under receipt with its cargo, as also a letter to King Gustij Waijantaga, see outgoing letter. The 12th of November 1770 departed from Sumbawa and arrived the 27th under God's blessing in the roadstead of Maccasser. Underneath stood: Maccasser the 29th of November 1770. Was signed: I. Dieterich J:s, J. L. Helmkampf and Captain Malijer Abdul Cadier. From Maccasser the 29th of June 1771 To the
Dutch transcription
486 van Maccasser den 29 Junij 1771 niet meerder gesien, en vast gedogt, dat weder om te rug gekeert ware, den eerste nedrige Teekenaar daar op aan den stuurman gevraagt wat hem dunkte of hij nog wel salimparing konde krijgen hij daar op geantwoord, dat hij het swaarlijk binnen de tijt van 8 dagen konde op laveeren also de westlijke winde alwaat hart daar stonden dierhalven geresolveert weederom te rug te keeren also de tyt wat al telang viel, en den 7: de dag was daar de sumbaureesen beloofd hadden de slaaven te leveren sond daar op 's avonds den Capit malijer een klijne praauw weg, omme de andere vaartuijgen te soeken ontfingen ook weder om een S E Comp:s slaaf, als meede arriveer„ de, de suster van den koning van Bima Cra„ in balasarie benevens de weduwe van den ouden Nene Ranga en de vrouw van datoea Boedia met 10: vaartuijgen, lieten haar vraagen quam doen en of sij permissie wat sij hier had om hier te komen sij ons liet weeten dat sij het graf van haar groot vader quam bekijken en dat sij den Bimas Resident daarom versogt hadde Retourneerden de vaartuijgen van den Capitain Van Maccasser den 29 Iunij 1771 Capitain Malijer welke oetang waren bin„ „nen geloopen geweest also de Baliese pantjalling was so lek geworden, dat sij het bij na niet hadde konnen boven water houden resolveerden dierhalven naar boven te senden, omme gecommitteerdens van Sumbauwa te versoeken die pantjalling over te neemen en aan de Baliers schrijven dat die se alhier konden komen afhaelen ontfin„ „gen ook weederom 1: p„s sE Comp: mansen 1: vrouws slaaff zonden boven naar de negorij en Lieten weeten dat de tijd vervloote was en dat wij SE Comp: brief benevens de resteerende slaa„ „ven versogten beneeden te stuuren als meede de gecommitt:s om de Balijsche praauw over te neemen liet den Callibla daar op weeten dat hij overmorgen selft soude afkomen omme die praauw over te neemen als meede den brief ter Lectuure te brengen en vast den za„ daar op sE Comp: brief te turdag konnen ontfangen als omeede 'sE Comp: slaven aftesenden ontfingen weederom 1 p:s SE Comp: slaaff 2 p„s 488 van Maccasser den 29 Iunij 1771: den 7. 9ber: 1778: 2 p„s sE Comp: manslaven ontfangen 's agtermiddags liet ons den koning en Rijks„ „ 8. „ grooten weeten dat die eene Ranga ver„ moord was door een van souden nene ranges volk die voor deesen sijn pienang doos gedraagen, en dat niemand arg op hem gehad, egter hij seeker quade gedag„ „te moest gekreegen hebben also de nene ranga was op een klijne negorij geweest om volk wegtenemen, die niet onder hem hebben willen staan, en daar deese ook een van was geweest, en dat volk bij sijn te rug komst hadde late vast binde, waar onder sijn broeder was geweest en die gesien hebbende gebonde te sijn vast gedagt, hem ook het beurt soude vallen den nene ranga so sitten„ de onder 't amphioen schuijven twee steeken gegeeven, dat hij met Eens is blijven leggen als mede sijn sergiant, hebbende daar op den dader benevens de ovriende van hem alle wat mans ware vermoord ende rest opgevat als meede ontfingen weeder om 8 p:s sE Comp: slaaven, by9 Van Maccasser den: 29: Junnij 1771 den 9: 9ber: 1770 zonden den sendeling Niga naar boven en lieten aan den koning en Rijxgrooten onse Condolatie afleggen wegens het vermoorden van den nene Ranga, egter lieten te glijk nog„ „maals instantigst versoeken dat sij ons dog mor„ „gen mogten accepteeren op dat wij maar eens weg quamen welk sij ons ook beloofden, singen 's morgens naar boven, en onderhielden haarl: waar de rest van de belofte sE Comp: slaven waaren, zij ons ter antwoord gaven dat haarl:s we„ gens dit geval van den onene Ranga onmogelijk was het volle getal te leve„ ren en dat sij niet meer in staat ware als 40 p:s slaven bij malkan, der te krijgen en dat sij oodmoedigst Excuus versogten bij dE Comp: dat sij haar woort niet konden houden wij haarliden dat seijden waarom dat sij ons dan so lang daar meede hadden op gehouden want niet meer als 40 stux wouden le„ veren sij weederom antwoord Dat 10 „ „ 490 van Maccasserden 29 Iunij 1771 Dat sij genoeg haar best hadden gedaan egter niet bij malkander konden krijgen wij daar op haarlieden dan vroegen dat egter dan ig„ ter dan nog vijf p„s manqueerden en wanneer wij die souden ontfangen sij ons repliceerden dat die morgen benevens sE Comp brief zou„ den afkomen recommandeerden haar laastelijk dan nog wegens het sappanhout dat sij dat wel mogten bewaren of dat er met daar van absent quam of so dE Comp: daar van eenige narigt kreeg voor haarl: reecq: was als ook nog omeer daar bij te kappen so aanstaande Iaar alte met insteede van twee drie scheepe quame op dat het niet man„ ^al gueerde sij ons antwoorden dat alles Geborgen en daar van niets konde absent kome als meede dat nog meer daar bij souden laten koppen verders vroegen naarl: nog of nog vast was dat naar gecommitteerdens naar maccasser gingen, so ons deselve vertoonde dat die geinge het waren die sij senden souden, zonden de Rijxgrooten ons sE Comp: brief beneden en nog vijf p„s sE Comp: ontfangen de brief met behoorlijk honeur als mede zonden zonden Rading Mandang als gecommitt„s om de Baliesche praauw over tenemen welke wij hem onder quitantie behoorlijk overgaven met haar lading also ook een brief aanden koning gustij waijantaga vid: abg: brieff den 12: 9ber: 1770 vertrokke van sumbauwa en arriveerden 27: „ „ onder godes zeegen ter rheede van Maccasser /onderstond:/ Maccasser den 29 November 1770 /was geteekend/ I: Dieterich J=s J: L: Helmkampf enden Capitain Malijer Abdul Cadier van Maccasser den 29 Junij 1771 Aan den „
English
From Maccasser, the 29th of June 1771 To the Right Honourable, Valiant Sir, David Boelen, Councillor Extraordinary of Netherlands India, as well as outgoing Governor, and the Right Honourable, Respected Sir, Paulus Godofredus van der Voort, incoming Governor and Director of this Celebes. Right Honourable, Valiant, Respected Sirs, Since it has pleased your Honours to demand from the humble undersigned, as former first Commissioner over the small cruising fleet dispatched by your Honours in the past year to the opposite shore, a written explanation regarding the reasons that moved him to attack hostilely a certain Balinese proa discovered off the Sumbawa shore, namely in the Bay of Sangara; He therefore has the honour, in compliance with that honoured requisition, to deduce hereby to your Honours the entire incident as it essentially took place. How the said vessel on the 25th of July, early in the morning, appearing to come from the region of Saliwang, turned its prow toward the Balinese shore as the first of our Malays sailing ahead appeared, whereupon the Company emissary Niga, according to orders and custom, dispatched the Anachoda Sama with a proa accompanied by 6 to 7 subordinate Malays in order to pursue them, as they were increasingly taking to flight, and to ask who or what kind of people they were. While that order was being executed, I also came sailing up with the Bedrieger, seeing that the fugitive, unable to escape the proa, steered close under the shore of Sangara Lombok and anchored there, presumably with no other purpose than to be freed from our pursuit. Therefore, setting our course for this place with the approval of all the commanders of the vessels, we also arrived there. The first thing I heard here was that the dispatched Malays had been unable to obtain any answer from them, under the pretext that they did not understand them. I thereupon had our accompanying Malays and natives repeatedly call out to them, asking who they were, where they came from, and whither their voyage was bound, not only in the Malay, Macassar, and Buginese tongues, but even in the Sumbawan language, with the most friendly assurances each time not to be afraid, since, if they were not smugglers, not the slightest harm would come to them. Having spent a good half hour with this without their deigning, as it seemed, to answer a single question, our presumption that something must be hidden behind it, the discovery of which they feared, could not but increase. Therefore, I had the Anachoda or skipper of the aforesaid vessel requested in all the aforementioned languages to come aboard my ship, with the promise as before that no harm would be done to him. But seeing nothing come of this either, I sent a lip-lip with two sailors named Ian Toeblijn and Ian Oosterhof to them, who were no more than 7 to 8 men strong, to request the Anachoda to leave his ship and come to me. But instead of seeing the said leader come aboard our vessel, as we had expected after so many demonstrations of good intentions, we saw on the contrary, as soon as the lip-lip approached their ship, that with great agitation they took up their sidearms and assegais, which they had already laid ready for that purpose, and prepared to attack those two sailors with them, who without doubt, if they had not immediately pushed off against the hull with the paddles or oars to get out of stabbing reach and save themselves, would both have perished. It did not end here; their rage now being fully aroused, they cut their anchor cable and, armed with krisses and assegais, rushed with wild shrieks upon the proa of the Malays, which lay closest to them. The latter, fearful of that desperate rabble and being situated on a rocky place, also cut their cable in haste, fell back, and came to us, though not so quickly but that, upon the repeated calls of the Malays to support them against these actual enemies or amok-runners and to open fire, I deemed it my duty to resolve upon doing so and to order it accordingly. Whereupon a few shots fired from the cannon and the muskets immediately deprived them of hope and chance to resist us; they therefore steered directly toward the shore and onto the beach, where they abandoned the proa and took flight inland. Having subsequently had the vessel brought away from there and brought to us by the aforementioned two sailors, we found no contraband goods in it, but that its cargo, besides some trifles, consisted solely of 78 baskets of rice and 579 bundles of paddy. Wherefore, after 110 gantings of the rice had been handed over to the Malay Captain for the use of his people, and 125 ditto or baskets for the maintenance of the Honourable Company's slaves, the vessel with the remainder was handed over to the Sumbawans to be sent, along with a letter from me and the second Commissioner Helmkampff, to the King of Salemparang at a suitable opportunity, since, owing to the breaking through and persisting of westerly winds, calms, and contrary currents, there was no other means to comply with the highly esteemed order of your Honours to send back and deliver that vessel directly to the Balinese in a proper manner, as will appear to your Honours from our submitted journal, which, besides this, I intended for other reasons to
Dutch transcription
492 van Maccasser den 29 Junnij 1771 Aan den wel Edelen Gestr: Heer: Boelen David Raad Extra ordinair van Nederlandsch Jndia mitsgaders afgaande Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort aankomende gouverneur en directeur deser Celebes Wel Edele Gestr: Agtb: Heeren Dewijl het uwel Edele Gestr: Agtb: heeft gelie„ ven te behaagen van den needrigen teekenaar als geweesen eerste Commissiant over het door uwel Edele gestrenge in a„o pass„o na de overwal g'Ex„ pedieerde kruijsvlootje, thans afte vorderen eene schriftelijke verantwoording nopens de redenen die hem gemoveert hebben seekere onder de sumbau„ wase wal en wel in de Bogt van Sangara ontdekte Balijse Praauw vijandelijk te en van Maccasser den 29 Iunij 1771 te attacqueeren so heeft hij de Eere, in voldoening aan dat gehonoreerd Requisit uwel Ed: gestr: Agtb: het geheele geval sodanig het selve sig weesentlijk heeft toegedragen bij deesen te deduceeren Hoedanig het gem: vaartuijg den 25: Julij des morgens vroeg voor t komende so 't scheen uijt de land streek van Saliwang de steeven wende na de balijsche wal het eersteran onse voor uijt seijlende Maleijers verscheenen sijn, de de Comp: sendeling Niga volgens ordres en usantie heenen sond den Anachoda Sama met een prauw verseld van 6 a 7: mand onder„ horige maleijers ten Eijnde hen die sig al meer en meer te vlugt schikten, na te zetten en te vraagen wie of wat voor volk sij waren In tusschen dat aan dien last voldaan wierd quam ik met de Bedrieger al„ meede op schieten siende dat den vlug„ „teling de Praauw niet ontkomen kun„ nende het digt onder de wal van san„ gara Lombok settede en aldaar ankerde denkelijk met geen ander doel dan om hier van onse vervolging bevrijd te zijn onse 494 Van Maccasser den 29 Iunij 1771: onse Cours derhalven met goedvinden van alle de hoofden der vaartuijgen na deese plaats stellende quamen wij aldaar meede aan het eerste dat ik hier hoorde, was dat afgevaardigde maleijers geen bescheijd van hen hadden kunnen erlangen, als voor„ geevende deselve niet te verstaan Ik liet hen hier op door onse bij hebbende maleijers en Inlanders niet alleen in de maleijdsche maccassaarse en Boeginise maar selfs in de sumbauwareese taal veel herhaalde maalen afvragende toeroepen wie sij waaren van waar sij quamen een werwaards de reise stond onder de minnelijste aansegging telkens van niet bevreesd te sijn dewijl haar indien ze geen morshandelaars waren geen 't minste leed soude overkomen hier meede ruijm een half uur doorgebragt hebbende son„ der ons so t scheen te verwaardigen op een eenige vrage ten antwoord te willen staan so konde het niet anders sijn of onse opresumtie dat er iets moest agter schuijlen voor welkers ontdekking sij vreesden moest vermeerderen weshalven ik den Anachoda of van Maccasser den 29 Iunij 1771: of schipper van meermeld vaartuijg in alle de voorsz: taalen liet versoeken bij mij aanboord te komen, met belofte als voren dat hem geen quaad soude geschieden dog hier van meede niets siende komen sond ik een Lip„ Lip met twee mattroosen in naame Ian Toeblijn en Ian oosterhof na hin toe die niet meer den 7: a 8: man sterk waren omde Anachoda van Boord en bij mij te versoeken maar in steede dat w' na so veel gegevene blijken van een goede intentie verwagt hadden het gemelde hoofd bij ons aan boord te sullen zien komen sagen w ter Contrarie zo dra de Lip lip bij hun aanboord genaakte met veel ontvoerring hen hunne heup geweeren en assagaijen die ze ten dien eijnde reeds bij hun gereed gelegd hadden opvatten en sig tot den aanval daar mee„ de op die twee mattroosen te bereijden die buijten twijffel so ze niet inmediaat weder met de pagaijen /: of riemen:/ teegens Boord hadden afgestooten om steek vrij te geraaken en sig te redden bijde inde kaars souden gevloogen sijn hier 496 van Macasser den 29 Iunij 1771: hier bij bleef het niet hunne woede nu eerst aan de gang raakende kapten se hun ankertouw en quamen met kritsen en assagaijen gewapent onder een dol ge„ schreuw op de praauw der maleijers als t naast bij hen leggende aansetten deese voor dat wanhopig geboeste bedugt en op een klipagtige oplaats geleegen sijn„ de kapten inder hast meede hun touw deijnsden agterwaerds en quamen bij ons egter niet so vaardig bij dat ik op 't herhaalde toeroepen der maleijers van hen tegens deese actueele vijanden, of Amokspeelders te willen secondeeren en vuur geven het van mijn pligt oordeelde daar toe te resolveeren en sulx te or„ donneeren gelijk dan ook eenige ge„ daane schooten uijt 't geschut en de handgeweiren hen aanstonds hoop en kans benam om ons teegen te staan zetteden het derhalven direct nadewal toe en op strant alwaar ze de spraauw verlieten en Lands: waards van Maccasser den 29 Iunij 1771 waards in de vlugt namen Het vaartuijg vervolgens door de voorm: twee mattroosen van daar hebbende laten afhalen en bij ons brengen bevonden w' daar in geene contrabanda goederen maar desselfs Lading be„ halven eenige prullen eenelijk te bestaan in 78 blasjes Rijst en 579 bossen padij weshal„ ven na dat van de rijst 110 gantings aanden Ca„ pitain malijer ten behoeven van sijn volk en 125 dito tot onderhoud van sEComp: slaaven of wel blasjes hadden afgelangd het vaartuijg met het resteerende is overgegeven aan de sumbauwareesen om nevens een brief van mij en den tweeden Commissiant Helmkampff bij bequame gekee„ gentheijd den koning van salemparang toege„ sonden te worden dewijl er mits het doorbreeken en blijven staan der weste winden stille en tegen„ stroom geen andere middel was om aan de hoog g'Eerde ordre van uw wel Ed: gestr: te kunnen voldoen met dat vaartuijg op de welvoeglijke wijse wederdirect aande Baliers toe te senden en over te geven gelijk het uwel Ed: gestr agtb: bij ons over„ gegeven Dag verhaal sal Consteeren dat ik die buijten des nog om andere reedenen willens was in
English
From Macasser, 29 June 1771: to visit Salemparang in person, but due to various inconveniences and sea disasters, after six days of struggling, I was compelled to turn back again. And in order that Your Right Honourable Worships may be all the better convinced of the truth thereof, he takes the liberty to submit herewith two declarations given upon his requisition under offering of oath at the political secretariat here by the quartermaster Ian de Sisoo and corporal Anthonij Snijder, who were present thereat, together with the two aforementioned sailors Ian Goeblijn and Ian Oosterhoff; and should it please Your Right Honourable Worships to inquire further into this matter, he does not doubt that all those who sailed with them, both Europeans and natives, the majority of whom are still present, would be able to give such testimony thereof. And as Your Right Honourable Worships' such humble signatory hopes to be sufficiently understood from this that, far from any impermissible intentions, he intended nothing other than to comply with the commission and instructions he received, as well as being compelled and obliged to take that step for the preservation and maintenance of the authority and reputation of the Honourable Company, especially among the natives, and to repel force with force; and that, on the contrary, this Balinese people, whom he could recognize as little by their vessel from the outside, have only themselves to blame for the suffering brought upon their own heads by their initially stubborn and menacing, and subsequently hostile and thus entirely punishable conduct; he therefore trusts and beseeches that Your Right Honourable Worships, taking this into consideration, will be pleased to protect him against the evil maxims of those who, it seems, seek to hold this against him. Hoping herewith to have complied with the honored intention of Your Right Honourable Worships, he takes the liberty to call himself with all submission, below stood, Right Honourable Sirs, lower, Your Right Honourable Worships' very humble and obedient servant, was signed: J: Dieterich, in the margin: Maccasser, 22 March 1771. From Maccasser, 29 June 1771 On this day, 20 March in the year 1771: Appeared before me, George Bremer, bookkeeper and first sworn clerk of the political council of this government, in the presence of the witnesses named below: The quartermaster in the Honourable Company's service here, Ian de Sisoo, stationed on the pantjallang De Bedrieger, and the corporal of the militia in the same said service, Anthon Snijder, both having been on the cruise to the opposite shore in the past year, known to me and the witnesses, who, at the requisition of the Honourable Valiant Lieutenant of the Military here, Johannes Dieterich, as former commissioner and head of the aforementioned expedition, as well as in favor of the truth to serve where and as it should, declared it to be true and truthful: That they, on 25 July of the past year, cruising off the Sumbawa coast early in the morning, detected a certain vessel which, appearing to come from the region of Taluwvang, turned its bow toward the Balinese coast; having first appeared before the Malays who were cruising with them and sailing ahead, the Company's emissary Niga had sent thither Anachoda Sama with a prahu accompanied by 6 to 7 native men, in order to pursue those who were taking more and more to flight and to ask who or what kind of people they were; that they, the declarants, subsequently saw how the fleeing vessel, unable to escape the prahu, put in close under the shore of Sangara Lombok and anchored there, presumably with no other aim than to be freed from their further pursuit; that they, having thereupon arrived at the aforementioned place together with the Honourable Requirant, learned that the dispatched Malays had been unable to obtain any response from that stranger, pretending not to understand them; that the Honourable Requirant thereupon, through the natives with him, not only in the Malay, Macassarese, and Bugis, but even in the Sumbawanese language, repeatedly calling out, had them asked who they were, where they came from, and whither they were bound, each time with the most amicable assurances not to be afraid or fearful, as no harm whatsoever would befall them if they were not smugglers; that more than half an hour having been spent in this manner without their seeming to deign to answer a single question, the Honourable Requirant had the Nachoda of the repeatedly mentioned vessel requested in all the aforementioned languages—which the first declarant testified he understood well enough—to come on board with His Honour, with the promise as before that no harm would come to him; but no one coming in response to this either, the Honourable Requirant had sent a liplip with two sailors named Ian Goeblijn and Ian Oosterhoff to them, who were no more than 7 to 8 men strong, to request the Anachoda to come on board with His Honour; but instead of seeing the said chief come on board with them as they had expected, they, the declarants, on the contrary, as soon as the liplip reached the side of that stranger, saw with great alarm them
Dutch transcription
498 Van Macasser Den 29 Iunij 1771: in persoon Salemparang te gaan besoeken door verschijde in„ „convenienten en see desastres na ses dagen sukkelens ben genood„ saakt geweest weder te rug te keeren, En ten eijnde uwel Ed: gestr Agtb: van de waarheijd derselven te beeter mogen overtuijgt sijn gebruijkt hij de vrijheijd hier nevens over te leggen twee ter zijner requisitie onder presentatie van Eede ter secretarij van Politie alhier gegeven declaratoiren van de daar bij present geweest hebbende quartiermeester Ian de Sisoo en corporaal Anthonisnijder nevens de twee voorm: mattroosen Ian goeblijn en Ian oosterhoff en indien het uwel Ed: gestr: agtb: behagen mogte sig hier op moy nader te in„ formeeren dan twijffeld hij niet of alle de meede gevaarene zo Europeesen als inlanders die voor 'tmeeste gedeelte nog aanweesend sijn souden daar van een sodanig getuijgenis geven kunnen En aangesien uwel Edele gestr: Agtb: soden needrigen teekenaar verhoopt hier uit dan genoegsaem kunnen bemerken dat hij wel verre van eenige ongeoorloofde insigten niet anders heeft bedoeld dantemogen voldoen aan sijnen bekomene last en In„ structie so wel als hij genoodsaakt en verpligt is geweest tot behoud en mainctemie van 't ontsag ende reputatie der E: Comp: voornamentlijk onder den inlander dien stap te doen en geweld met geweld keeren en dat daar en tegen dit Balijs volk 't geene hij daar voor so min als hun vaartuijg van buiten d Van Maccasser den 29 Iunnij 1771. buiten konde kennen aan hun eerst hardnekkig en wonend en vervolgens vijandelijk en dus allesints strafwaardig gedrag alleen te wijten hebben het leed hun daar door deselve op den hals gehaald; so vertrouwd en smeekt hij dat uwel Ed: gestr: Agtb: zulx in Consideratie neemende hem teegens te quaade maximes der geenen die sulx zo 't scheijnt ten zijnen lasten soeken te brengen sullen gelieven te protegeeren, Hier meede aan de ge-Eerde intentie van uwel Ed: gestr: Agtb: verhopende te hebben voldaan gebruikt hij de vrij„ heijd sig met alle onderwerping te noemen /onderstond/ wel Edele gestr: Agtbare heeren /:lager/ uwel Ed: gestr: Agtb: zeer needrigen en onderdanigen dienaar /was geteekend:/ I: Dieterich /in margine / mac„ catser den 22:' Maart 1771, op 500 Van Maccasser Den 29 Iunij 171 op Heeden den 20: Maart Ann: 1771: Compareerde voor mij George Bremer, boekhouder en eerst gesw: Clercq van Politie deses gouvernements present de getuijgen nagenoemt, Den quaartiermeester in sE Comp dienst al„ hier Ian de sisoo bescheijden op de Pantjal„ lang de bedriger en den corporaal der mi„ litie in even gem dienst Anthon Snijder zijnde bij de in den voorleeden Iaare meede op de kruijstogt geweest aan de overwal mij en getuijgen bekent dewelke ter requi„ sitie van den E manhaften Luijtenant militair alhier Iohannes Dieterich als geweesen Commissiant en hoofd in de gemelde Expeditie zo meede ten faveure der waarheijd om te kunnen dienen daar en so 't behoort verklaar„ „den waar en waaragtig te weesen, Dat zijl: den 25 Iulij A„o p„o kruijsende onder de sumbauwase wal des morgens vroeg ontrekt hadden zeeker vaartuijg 't welk voort„ komende so t scheen uit de landstreek van Taluwvang, de steeven wende na de Balijsche wal het Eerst aan de meede kruijssende en voor uijt zijlende maleijers verschenen zijnde de van Maccasser den 29 Junij 1771 de Comp: sendeling Niga heenen gesonden hadden Anachoda Sama, met een praauw verseld van 6½ J: man Inlanders ten eijnde hen die zig almeer en meer ter vlugt schikten nat te zetten en te vragen, wie of wat voor volk zij waaren, dat zij declaranten vervolgens gesien hadden hoe de vlugteling de Prauw niet ontkomen kunnende het digt onder de wal van Sangara Lombok geset aldaar geankert had denke„ lijk met geen ander doel dan om hier voor hunne verdere vervolging bevrijd te weesen dat zijlieden hier op nevens den E Requirant meede ter even gemelde oplaatse aangekomen sijnde hadden vernomen dat de afgesondene maleijers geen bescheijd van dien vreemdeling hadden kunnen erlangen als voorgeevende deselve niet te verstaan hoe den E Requirant daar op door de bij hebbende Inlanders, hen niet alleen in de maleijdsche maccassaarse en Boegineese maar selfs inde sumbauwareese taal veel herhaalde maalen toeroepende had laten afvragen wie zij waren van waar sij quamen en werwaards de 502 Van Maccassar Den 29 Iunij 1771 de reijse stond onder de minnelijkste aan„ zegginge telkens van niet bang of bevreesd te sijn also hen indien se geen morshande„ „laars waaren geen 't minste leed soude overkomen dat hier meede ruijm een half uur doorgebragt sijnde sonder op een eenige vrage so t scheen sig te willen verwaardi„ „gen te antwoorden d'E requirant den Machoda van meermeld vaartuijg in alle de voorschreeve taalen die den eersten declarant betuijgde voor so verre wel te verstaan had laten versoek en bij sijn E: aanboord te komen met belofte als vooren dat hem geen quaad soude ge„ schieden dog hier op meede niemand ko„ „mende had den E requirant een Lip lip met twee mattroosen genaamd Ian goeblijn en Ian oosterhoff na hen die met sterker dan 7 a 8 man waren toegesonden om den Anacho„ da van Boord bij sijn E te versoeken omaar in steede dat sijl: als o verwagt hadden het gem: hoofd bij hun aan boord te sullen sien komen hadden sij declaranten ter contrarie zodra de Lip lip bij dien vreemdeling aan boord genaakte met veel ontroering gesien hen
English
From Maccasser the 29th of June 1771 took up their small arms and assegais, which they had presumably laid ready beside them for that purpose, and therewith prepared to attack those two sailors, who beyond doubt, if they had not immediately pushed off again with the paddles against the ship’s side in order to get clear of being stabbed and to save themselves, would have flown into each other. Furthermore, that these malicious people did not let the matter rest here, but their rage only then getting under way, chopped their anchor cable and, armed with krisses and assegais, shouting madly, bore down upon the prahu of the Malays as being the one lying nearest to them, who, fearing those desperate scoundrels and lying in a rocky place, had likewise chopped their cable and fallen back toward the declarants' vessel, yet not so swiftly but that their pursuer had come so close to them and to the declarants that the honorable requisitionist, after a repeated calling out and request of the Malays to please protect them against these amok runners and give fire, finally had been compelled to give the order thereto, just as a few shots fired from the ordnance and small arms 504 from Maccasser the 29th of June 1771 arms had caused them to shrink back at once and take flight close under the shore, where they ran the prahu aground and all took flight inland; that the aforementioned vessel subsequently having been inspected, no contraband goods, but therein principally were found 78 small bags of rice and 579 bundles of paddy; furthermore, that the aforementioned prahu with its cargo on board, except for a quantity of 235 gantings or 31 small bags of rice, which had been retained for the needs of the Captain Malay's people and the Company’s slaves, on the 29th of October following was taken along by the requisitionist, when himself setting out on the voyage to Salemparang with the pantjalling De Oppas, but after six days of struggling, due to a vehement countercurrent, west winds, loss of rigging, and great leakage both in the vessel of the accompanying Malays and in the Balinese prahu, was brought back again and subsequently handed over to the Sumbawarese. The declarants giving as the reasons for their knowledge of all this their presence from Maccasser the 29th of June 1771 presence or sight and hearing, being prepared to substantiate further under oath all the aforementioned declared matter if necessary. Below stood: Thus done and declared at Maccasser in Castle Rotterdam, date as aforesaid, in the presence of Diederich Deefhout and Jasper Hendrik Jacobsz, clerks, as witnesses requested for this purpose. The minute of this is duly signed and written on a stamp of one quarter rixdollar. Lower: Which I attest. Was signed: J: Breemer, First Sworn Clerk. 506 from Maccasser the 29th of June 1771 On this day, the 22nd of March anno 1771, appeared before me, George Breemer, bookkeeper and first sworn clerk of police of the Maccasser government, in the presence of the witnesses to be named hereafter, the sailors in the service of the honorable Company here, Jan Goeblijn and Jan Oosterhoff, both being of competent age and assigned to the pantjalling De Bedrieger, known to the witnesses, who, at the requisition of the valiant lieutenant of the militia Johannes Dieterich, and in the favor of the truth, in order to be able to serve where and as it ought, declared for the veritable truth, that they, the appearers, on the cruise in [illegible] under the Sumbawa coast, without knowing the precise time, were sent off with a lip-lip by the honorable requisitionist as head of the expedition fleet to a vessel intercepted shortly before by the Malays accompanying them, in order to request the nakodah of the same to come on board with the honorable requisitionist, but that the native crew, as soon as they, the declarants, had approached the vessel, immediately took up arms, actually attempted to assault them, the declarants, with assegais, and had already thrust at them, so that they were thereby placed in the utmost mortal danger, yet happily escaped this by immediately pushing off strongly from the ship's side with the paddles, from Maccasser the 29th of June 1777 giving as reasons of knowledge as in the text, and remaining prepared to confirm their aforementioned declared matter at all times, when requisitioned, with a solemn oath. Below stood: Thus done and declared at Maccasser in Castle Rotterdam, date as aforesaid, in the presence of Axcel Anthonij Rosenquist and Hendrik Bewers, clerks, as witnesses requisitioned for this purpose, who, alongside the appearers and me, the first sworn clerk, have duly signed the minute of this, written on a stamp of 12 stuivers. Lower: Which I attest. Was signed: P: Bramer, First Sworn Clerk. Instruction 508 from Maccasser the 29th of June 1771 Instruction for Sergeant Johan Christoffel Hainbag, departing in the company of Corporal Godhelp Eijlberg and three common soldiers, along with two Ambonese, to Bouthon for the extirpation of the clove and nutmeg trees that might be discovered anywhere in that realm and its subordinate islands. Honorable, Pious, Whereas you have now already for three consecutive years been employed in the Bouton commission for the purpose as mentioned in the heading of this document, under the command of Ensign Alexander Lecerf, and favorable testimony has been given to us not only of your attentiveness and diligence to accomplish that work fruitfully, but also of your experience concerning the intrigues of this nation and how they ought to be handled, no doubt has remained with us
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Junij 1771 hen hunne huep geweeren en assagaijen die ze pre„ sumtif ten dien eijnde naast hun gereed gelegd hadden op vatten en sig daar omeede tot den aanval op die twee mattroosen te bereiden die buijten twijffel zo ze niet inmediaat weder met de pagaijen teegens boord hadden opgeset om steek vrij te geraaken en sig te redden bij de in dekaars zouden gevloogen zijn voorts hoe dit quaadaardig volk het hier bij niet berust gelaten omaar hunne woede ou eerst aande gang raakende hun anker touw gekapt en met krit„ sen en assagaijen gewapent onder eendol geschreuwt op de Praauw van demaleijers als 't naast bij hen leggende hadden komen aansetten die voor dat wan no„ pig geboeft bedugten op een klipagtige oplaats geleegen inder naast meede hun touw gekapt en agterwaards bij hun declaranten vaartuig gewee„ ken waren egter niet so vaardig of mun vervolger was hen ende declaranten so nabij gekomen dat den E requirant na een verhaalend te roepen en versoek der malijers van hen teegens deese amok speelderste willen protogeeren en vuur geeven eijndelijk was ge„ noodsaakt geweest daar toe ordre te geven gelijk dan ook eenige gedaane schooten uijt 't geschut ende hand 504 van Maccasser den 29 Iunij 1771 hand geweeren hen aanstonds hadden doen deijnsen ende vlugt neemen tot digt onder de wal al„ waar se de praauw opstrant geset en alle landwaarts in de vlugt genomen hadden, dat het gem: vaartuijg vervolgens gevisi„ teert sijnde geene Contra banda goederen maar daar in hoofdsaakelijk bevonden waren 78: blasjes rijst en 579 bossen padij wijders dat de gem: praauw niet dies inhebbende lading excepto een quantiteijt van 235 gantings of 31: blasjes rijst die ten behoeven van des Capitain malijers volk en sComp: Lijfeijgenen waren aangehouden den 29: 8ber: daar aan door den P requirant, als selve met de Pantjal„ „lang de oppas de reijse na Salemparang aan„ nemende meede gevoerd dog ook nases dagen suk„ kelens, door een vehemente tegenstroom, weste winden, verlies van thuijg en groote Lecagie zo in 't vaartuijg der meede vaarende maleijers als in de Balijsche Praauw weder te rug gebragt en aan de sumbauwareesen vervolgens overge„ geven was Gevende de declaranten van 't een en ander als de reedenen van hunne weetenschap hunne teegens woord„ digheijt van Maccasser den 29 Iunij 1771 digheijt of gesigt en gehoor over sulx bereijd zijnde al het voorschreeven gedeclareerde des noods met Eede nader gestand te doen /onderstond:/ Aldus gedaan en gedeclareert tot maccasser in 't Casteel Rotter„ dam dato voors: ter presentie vandiederich Deefhout en Iasper Hendrik Iacobsz: Clercquen als getuijgen hier toe versogt de minute deses is behoorlijk geteekend en geschreeven op een zegul van Een quart Rd„s /lager:/ quod attes„ J: Breemer Eg Clercq: tor /was geteekend:/ op 506 van Maccasser den 29. Iunij 1771 op Heeden den 22: Maart Anno 1771 Compareerde voor mij George Breemer Boekhouder en Eerst gesw: Clercq van Politie des maccassersen gouvernements in preesreesentie van de na te noemene getuijgen De mattroosen in dienst der Ecomp alhier Ian goeblijn en Ian oosterhoff zijnde bijde van Competenten ouder„ dom en beschijden op de pantjalling de Bedrieger aan de getuijgen bekent dewelke ter requisitie van den manhaften Luijtenant der militie de Iohannes Dieterich enten faveure der waarheijd om te kunnen dienen daar en so t behoord voor de waaragtige waarheijd verklaarden, Dat sij comparanten op de Kruijstogt in Aopass„o onder de sumbauwase wal sonder den praecisen tijd te weeten door den E requirant als hoofd der Expeditie vloot, met een lip lip waren afgesonden na een kort bevoorens door dehen versellende maleijers agterhaald vaartuijg ten eijnde den anachoda van 't selve bij den E requirant aanboord te versoeken dog dat de opvaarende Inlanders so dra sij declaranten 't vaartuijg genadert waren sig ter„ stond indewapenen begeeven hen declaranten met assa„ gaijen werkelijk te lijf gewild en reeds nahen gestooken hadden dat sij dus in het uijterste gevaar desleevens gebragt zulx egter nog gelukkig waren ontkomen door hun imme„ diaat sterk afzetten van Boord met de Pagaijen, geevende van Maccasser den 29: Junij 1777. Geevende voor reedenen van weetenschap als in textu en bereijd blijvende hun voorschreeven gedeclareerde ten allen tijde des gerequireert werdende met solemneele Eede te bevestigen /onderstond:/ Aldus gedaan en gede„ „clareerd tot maccasser in 't Casteel Rotterdam dato voorsz ter opraesentie van Axcel Anthonij Rosen„ quist en Hendrik Bewers Clecrquen als getuij„ gen hier toe gerequireerd die de omunite deses ge„ schreeven op een zegul van 12: stuijvers nevens de Comparanten en mij Eerste gesw: klercq be„ hoorlijk hebben ondergeteekend / lager:/ quod At„ „testor /was geteekent:/ P: Bramer E g Clercq: Instructie 508 van Maccasser den 29 Junij 1771 Instructie voor den sergeant Iohan Christoffel Hainbag vertreckende in geselschap van den Corporaal Godhelp Eijlberg en drie ge„ „meene militairen beneevens twee ambo„ ineesen na Bouthon ter uijtvoeijing van de nagul en nooten Boomen die alomme in dat rijck en desselfs onder„ horige Eijlanden mogten op te speuren zijn Eersame Vrome Nademaal uwe nu reets drie Iaren agter den anderen in de Boutonse Commissie ten eijnde als in den hoofden deses is gemelt onder het Comman„ do van vaandrig Alexander Lecerf zijt g'emploij„ eert geweest, en ons van uwe oplettentheijd en vlijt om dat werk met vrugt te kunnen volbrengen niet alleen maar ook van uwe ondervinding wegens de Intrique deser natie en hoedanig deselve die„ „nen te werden behandelt favorabele getuijgenis is gegeven; so is bij ons geenen twijffel over gebleven
English
from Makassar the 29th of June 1771: having remained, wherefore you should directly conduct the execution of this commission, and on the grounds of which we have also resolved in Council on the 27th of this month to now demand the same of you, under serious recommendation nevertheless to acquit yourself of your obligation in this in all respects as befits a faithful and honor- and duty-loving servant, so completely that upon your return, should such be required, you will be able to affirm with a solemn oath and a pure and untroubled conscience that you have endeavored to the utmost of your ability to fulfill all the points and obligations which are commended and enjoined upon you by this document for execution; you also being provided again, as has already occurred for two years now, with the same two Ambonese men who are very skilled in that work, just as there is also handed to you herewith a copy extracted from the description by the late Mr. Valentijn, in which is mentioned the appearances of the clove trees in their trunk, 510 From Makassar, the 29th of June 1771. trunk, height, thickness, their side-branches or twigs, their bark or outer rind, and the appearance of their leaves, which, when they are young, are red of color and pliable, but having reached full growth, become thick and subsequently dry, giving off a strong scent or odor equal to that of the spice clove when one rubs them between the fingers, and even the trees themselves when one walks beneath them or sits down; and in order to instruct you as much as is possible for us on this subject, we have also annexed hereto six distinct drawings, showing under the letter: A: how the tame clove appears when it first begins to bud or come forth; B: when it has become more visible or larger; C: when it is full-grown; and D: when it is ripe and thus has obtained its complete maturity; as well as under letter: the appearance of the so-called royal clove; there are also wild clove trees, but these can be recognized by being higher in trunk, larger, and thicker in leaf and fruit than Makassar, the 29th of June 1771. from than the ordinary or tame clove trees are. In like manner, you are also provided with an extract from the description by the aforementioned author dealing with the Nutmeg tree, together with its figure or representation according to letter F; besides that several other kinds of nuts grow there, also wild, but these latter differ noticeably from the others in respect of the trunk, crown, and leaf, which is sometimes twice as long, and also in the fruit. Yet, since this commission of yours is based on the contract renewed in the year 1766 between the Honorable Company and the Butonese court, and to the end that you may know to what extent the Butonese monarch is obliged, pursuant to its contents, to be helpful and conducive to you in the charge entrusted to you by us, we have also annexed hereto an extract from that treaty, in so far as we deem certain articles serviceable for your information, for your guidance, and so that you may make the necessary use thereof in case of necessity. To the end that you may know specifically what to 512 From Makassar, the 29th of June 1771. carry out, and according to what you have to regulate yourself precisely, I say: That upon safe arrival at Buton and after requesting an audience with the king, you shall pay the customary compliment of greetings on our behalf and at the same time deliver to that monarch our letter handed to you alongside this, at the same time kindly, yet also at once earnestly, requesting His Highness's aid regarding the required people and vessels which are needed for the performance of your commission, announcing how you are very expressly ordered to leave uninspected not a single district or village under whatever name included in the whole land of Buton and its subordinate islands, and that you therefore request His Highness to be pleased to grant an unrestricted and strict order to the guides who will be given to you according to previous practice, to the end that they might not again, as happened two years ago, come to hinder you in the full from Makassar, the 29th of June 1771. full execution of this commission, when they prevented or opposed the inspection of the village of Borongasse, the islands of St. Mattheus, Capoeta, Kaliesoesoe, Tjatja, Siompo, and Kadatoeang, as being entirely contrary to what was stipulated in the first article of the contract, by which not a single district of the king's subordinate territory is excepted therefrom. During the inspection, careful attention should be paid to an accurate [illegible] of the aforementioned spice trees in the entire Strait of Buton and the islands included thereunder, without any, even the slightest, exception; you will have to make use again in this inspection of the aforementioned Ambonese, and you along with your subordinates must endeavor, through their instruction, to obtain yourself a thorough knowledge of these trees and fruits, taking good care not to pass by any single forest or district without traversing it and inspecting it thoroughly. In case
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Junij 1711: gebleven waarom wij uwe de Executie deser Commissie met direct soude gedragen, en uijt hoofden waar van wij ook op den 27: deser in Rade besloten hebben, uwe deselve als nu te demandeeren, on„ der serieuse recommandatie nogtans zig in deselve in alle opsigten als een getrouwt en Eer en pligt liefhebbend dienaar betaamt van zijne gehoudenis dermaten volledig te quijten dat in staat zijt om bij sijn te rug komst, sulks gerequireerd werdende bij een plegtigen Eed met een suijver en gerust gemoed te kunnen gestand doen dat uwe na uijterste vermogen betragt hebt, om te voldoen aan alle de poincten en betrec„ kingen welke uwe bij dit schriftuur ter volvoering werden aanbevoolen en opgelegt werdende uwe gelijk nu reets sedert twee Iaaren is geschied weder mede gegeven deselfde twee tot dat werk zeer kundige amboineesen gelijk uwe teffens hier nevens werd ter hand gestelt een afschrift getroc„ „ken uit de beschrijving van wijlen den heer valentijn waar bij gemeld werd de ge„ daanten van de nagul Boomen in hare stam 510 Van Maccassar Den 29 Iunij 177 stam hoogte dikte zij ranken of tacken derselver bast of buitenste schors en de vertoning van hare bladeren, die wanneer se Iong sijn rood van coleur en lenig dog tot volkomen wasdom ge„ raakt, dik en vervolgens droog geworden zijn„ de een sterke lugt of reuk equaal met die van die van de specerij nagel van sig geven wanneer omen se tusschen de vin„ geerend wrijft, zelfs ook de Boomen wanneer men er onder gaat of nedersit enten eijnde uwe so veel ons maar moge„ lijk is op dit subject te onderigten hebben we ook hier nevens gevoegt ses onderscheijde afte keningen vertonende onder de letter, A: hoedanig de tammenagul sig vertoont als hij eerst begint uijt te basten of voor den dag komt B: wanneer hij zigtbaarder of groter geworden is C wanneer hij volwassen is en D wanneer hij nood en dus sijn volkomen rijpheid gekreegen heeft mitsgaders onder l: de gedaanten vande so genaamde konings nagul ook heeft omen wilde nagul Boomen dog dese zijn te onderkennen aandat se hoger van stam beeker grooter endicker van blad en vrugten dan Maccasser den 29 Junij 1771. van dan de ordinaire of tamma nagul Boomen sijn. In gelijker voegen werd uwe ook mede gegeven een uijttreksel uijt de beschrijving van den voorn: autheur over de, Nooten Boom handelende, benevens derselve fi„ guur of vertoning volgens l„a F, behalven dat er nog verschijde andere soorten van mooten groeijen ook wilde, dog dese laaste zijn in opsigt van de stam kruijn en blad dat wel eens so lang is ook in de vrugt met de andere merkelijk verschillende, Dan dewijl dese uwe Commissie is berustende op het in den Iare 1766 gerenoveert Contract tusschen de E Comp: en het Boutonse stof en wij ten eijnde uwe weten moge in hoe verre den Bou„ „tonsen vorst ingevolge dies inhoud verpligt is uwe in zijne door ons opgedragene last be„ hulpsaam en vorderlijk te sijn so hebben we hier nevens ook gevoegt een uijttrekzel uijt dat Tractat in so verre wij oordeelen sommige articulen ter uwer kennisse dienstig te sijn ter uwer narigt en omdaar van in cas van noodsakelijkheijd het noodige gebruijk te kunnen maken Ten eijnde uwe ou speciaal weete wat uijt 512 Van Mallcasser den 29 Iunij 1771 uijt te voeren, en waar na sig preciselijk regu„ leeren hebt so segge, Dat hij behoude arrivement tot Bouthon en versogte audientie bij den koning uwe sal hebben af te leggen het gewoone Compliment van begroetingen onsent wege en te gelijk aandien vorst overgeven onse nevens dese aan uwe ter hand gestelden brief teffens vriendelijk dog ook te gelijk ernstig zijn hoogh: adjude versoekende omtrent het benodigde volk en Toeken dewelke tot de ver„ rigting uwer Commissie vereijscht werden onder aankundiging hoe uwe wel Expres„ selijk gelast zijt geen enkeld district of negorij ook onder wat benaming be„ greepen op het gantsche land van Bou„ thon en zijne onderhoorige Eijlanden on„ gevisiteert te laten en dat ul dierhalven versoekt sijn hoogh de geleijders welke uwe navorigen gebruijken zullen werden mede gegeven daer toe een ombepaalden en stricten last te willen verleenen ten eijnde deselve niet weder gelijk over twee Iaaren is geschied in de volledige van Maccasser den 29 Iunij 1771 volledige Executie van dese Commissie ook uwe komen hinderlijk te sijn wanneer zij belet of tegengaan hebben de visitatie van de negorij Borong asse de eijlanden S„t mattheus Capoeta Kaliesoesoe Tjatja Siompo en kadatoeang als ten eene„ maal strijdig het gestuxuleerde bij het eerste articul van het contract waar bij geen een enkeld district van 's konings onderhorig gebied daar van werd g'excipeert, Bij devisitatie dient opsigtelijk te werden betragt een naauwkeurig vande voorm: specerij Boomen inde gantsche straat Bou„ thon ende Eijlanden daar onder begreepen sonder eenige de aller minste uitsondering zullende uwe indese visitatie weder gebruik moeten maken vande voorn: amboineesen en sig nevens syne onderhoorige moeten beijveren, door haare onderrigting selve een grondige kennis van deese boomen en vrugten te verkrijgen, wel teverkrijgen, wel in agt nemende dat geen eenig bosch of district voor bij gaat sonder t selve te door kruijssen en naauwkeurig te visiteeren Ongevalle
English
5424 From Maccasser the 29th of June 1771: In case it might happen during your stay there that some foreign European ships should arrive, or that one or more of the Company's ships or smaller vessels elsewhere in those regions should get into distress, and the king, according to his duty, does not notify this government thereof as speedily as possible out of his own motion or at your request by sending a vessel, you are in that case ordered yourself to charter a vessel for the account of the Honourable Company and to dispatch it to us for the communication of these matters. Concerning the navigation or petty trade to Bouton by natives from the bay of Tjunrana being provided with our passes, we have, as far as the small vessels are concerned that sail back and forth with a quarter, a half, to one or two lasts of salt, paddy, or other provisions, nothing else to recommend than to take strict care that no prohibited merchandise and especially no spices are imported or exported therewith. But we desire that you inform yourself exactly what nations besides the Boutoners are or reside there From Maccasser the 29th of June 1771 and in the surrounding area, what their business or trade is, or where they sail to and fro, what merchandise they import and export, and especially whether any spices are sold or traded in those regions, either by the Boutoners themselves or by the Ceramers or other peoples; also whether foreign nations have been present there and in the surrounding area, if so, what they have performed, traded, or purchased there, alongside the size of the ships or smaller vessels, their names, armaments, who commands them, and whither they sailed from there. Also, you must above all take care that during the inspection for spice trees, the people there are not deprived of their little poverty or that the least disorders are committed by your subordinates. Smugglers with vessels from Ceram, Mandhar, Bandjarmassing, the Strait of Malacca, or elsewhere being detected there again, as happened two years ago, you shall in our name not only protest in the strongest terms against the admission of the same, but also desire that they be immediately forced to depart from there, and that no access be granted to them in the future any more. A 516 From Maccasser the 29th of June 1771 A clear record in the form of a daily journal of everything that might present itself to you should be kept accurately. In case it should happen that you pass away, Corporal Godhelp Gilbert shall step into your place, and just like you in the subject case, then be subject to the same accountability upon his return. And whereas the Bouton court bound itself by contract in the year 1766 to deliver to the Honourable Company within the span of five years two hundred young, stout, and healthy slaves, and they have hitherto remained negligent therein, except for a number of 14 heads which they merely delivered to Batavia in the past year in reduction, when an extension of another four years was granted to them by the Noble High Indian Government, the present one included therein, for the settlement of the remaining 186 heads, provided they deliver annually the fourth part or 46 to 48 heads in reduction, you are therefore ordered to urge the delivery of that number early on, just as you must likewise with the necessary earnestness insist upon the complete restitution of that which is still entirely wanting from the plundered cargo of cloves from the stranded vessel, together with its ammunition and equipment. From Maccasser the 29th of June 1771 Lastly, avoid everything that could cause annoyance to the native, and take care that they are not given the least reason to complain about you in any way; strive to execute the commission entrusted to you in this with the required accuracy, so as to fulfill and correspond to the trust placed in your zeal and competence by, was undersigned, your friends, was signed, D. Boelen and P. P. van der Voort. In the margin: Maccasser in the Castle, the 28th of March 1771: Secret 518 From Maccasser the 29th of June 1771 Secret Instruction for the Ensign Alexander Lecerff for his compliance and observation during his presence on the other shore. Valiant, Honourable. The zeal with which the execution of more than one commission has been undertaken by you for some time past has, under the present state of the interests of the Honourable Company on the other shore—which, by the ever-increasing indisposition of the Resident of Bima, Stigt, makes a capable and vigilant servant there most highly necessary—caused the choice to fall upon you, in the trust that with equal vigilance and loyalty you will acquit yourself in the execution of that which is set forth below in greater detail for your instruction and observation. We have then, as already said, thought fit From Maccasser the 29th of June 1771 to commission you to Bima, both to the end of being able to assist the Resident Stigt in everything where he might fall short due to his weak bodily constitution, as well as, in case anything mortal should happen to him, being able to take up the management of affairs there until our further orders; and thus also, to awaken and urge the King of Sumbawa and the nobles of his realm to fulfill their promises made in the past year with the delivery of a sufficient quantity of sappanwood in payment of their entire arrears to the Honourable Company and the dispatching of their ambassadors hither in this year. Yet, since an equally important task also constitutes a primary purpose of this dispatch of yours, we cannot, under the recommendation of the utmost secrecy, withhold from you the knowledge that
Dutch transcription
5424 van Maccasser den 29 Iunij 1771: Ingevalle het geduurende uw verblijf al„ daar mogt komen te gebruijken dat er eenige vreemde Europesvee scheepen aanquamen of wel dat een of omeer s Comp: scheepen of mindere vaartuigen elders in die contrijen in ongelegentheijt quamen te geraaken en den koning navolgens sijn gehoudenis uijt eijgen beweging dan wel op uw versoek, door het af zenden van een vaartuig daar van ten spoedig„ sten geen kennis geeft aan deese regering so werd uwe geordonneert indat geval zelve een vaartuig voor reek: vande E Comp: te huuren en ter Com„ omunicatie van het een en ander aan ons aftesenden wat aanbelangt devaart of smallen handel tot Bouton door inlanders uijt de bogt van Tjunrana van onse passien te sijn voorsien hebben wij so verre de kleijne vaartuigen die met ¼½ tot een of twee laasten sout op padij dan wel andere levens middelen af en aan vaaren niets anders te recommandeeren dan wel naauw reguaard te moeten slaaen dat daar meede geene verbode handelwharen en inson„ derheid geen specerijen in of uitgevoert werden Dog begeeren wij dat uwe sig exactelijk Infor„ meert wat naties buijten de Bouthouders aldaar en van Maccasser den 29 Iunij 1771 en omstreeks sig bevinden op ophouden wat hunl: neering op nandteering is op wel waar zij ap en natoevaren wat coopmanschap zijn af en aan voeren en insonderheijd of geene specerijen indie contrijen verkogt op verhandelt werden t sij door de Bouthouders zelve dan wel door de cerammers of andere volkeren ook of aldaar endaar om„ streeks geduurende naties sijn aangeweest so Ia wat sij daar verrigt verhandelt danwel ingekogt hebben benevens de groote der scheepen of mindere vaartuigen derselver nam armature wie daar op com„ „mandeert en werwaarts sij vandaar zijn geseijlt ook sal uwe voor al sorg moeten dragen dat gedu„ vende de visitatie na specerij boomen de menschen aldaar van haar armoedje niet beroofd op eenige deminste onordentelijkheeden door uwe onderhoorige werden gepleegt sluijkhandelaars met vaartuigen van Ceram oman„ dhar Bandermassing straat Malacca of elders weder gelijk over twee Iaar aldaar ontrekt werdende sal uwe uijt onse wam tegens de admissie derselve niet alleen ten allerkragtigsten protesteeren maar ook begeeren dat de selve illico werden genoodsaakt vandaar te moeten vertrecken en haar geen toegang in het vervolg omeer werde verleent Een 516 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Een duijdelijke aanteekening bij form van een dag Re„ gister van alles wat uwe mogt voorkomen dient exaet gehouden tewerden, Ingeval het quam te gebeuren dat uwe aflijvig wierd so sal den corporaal godhelp bijlbert in desselfs plaats op treeden, en even gelijk uwe in cas subject als dan de„ zelfde verantwoording bij te rug komst onderhevig zijn En nademaal het boutonse hof sig bij contract in den Iaare 1766 verbonden heeft binnen den tijd van vijf Iaaren aande EComp: te sullen leveren twee hondert stuks Ionge kloeke en gesonde slaaven en sij tot een heeden daar in onalatig sijn gebleven buiten een getal van 14 koppen die sij slegts ao pass„o in afkorting op Batavia hebben voldaan wanneer haar door de Edele hoge Indiasche Regeering is verleent een uitstel van nog vier Iaaren het tegenswoordige daar onder gereekent ter vereevening vande nog mankeerende 186 stuks mits zij Iaarlijks het vierden deel of 46 a 48 koppen in minde„ „ring komen te leveren so werd uwe g'ordonneert op de leverantie vandat getal al vroegtijdig te urgeeren gelijk uwe teffens ook met de noodige ernst sal moeten aandringen op de volledige restitutie van het geen nog aande gespoolieerde lading nagulen uit de ge„ staande nevens dies ammunitie en Equipagie voor het van Maccasser den 29 Junij 1771 het geheel komt te manqueeren Laastelijk vermijd alles wat ergernis aanden inlander soude kunnen veroorsaaken en tijt besorgt dat aan hen geen de minste reeden werd gegeven om over uwe eenigsints te kunnen klagtig vallen betragt den last uwe in dese opgedragen met de vereijschte accurattesse uijt te voeren om dus te voldoen en beantwoorden het vertrouwen dat in uwen ijver en bequaamheijd ge„ stelt werd door /onderstond/ uE vrienden was geteekend/ D Boelen en P P: v: d voort /in margine/ omaccasser in het Casteel den 28: Maart 1771: Secreete 518 van Maccasser den 29 Junij 1771 Secreete Instructie voor den vaar„ „drig Alextander Lecerff ter zijner be„ tragting en obzervantie Geduurende zijn aanweesen op de overwal Manhaften Eersame Den ijver waar door mede de uitvoeringe van meer dan eene Commissie serdert eenige tijd herwaards door u is ondernomen heeft in de presente Constitutie van 't belang der E maatschappij op de overwal die bij de meer en meer toenemende indispo„ sitie van den Binas Resident Higt een bequaam en wacker Dienaar aldaar ten hoogsten noodsakelijk doed sijn de keuse daar toe op u doen vallen in vertrouwen dat zij met gelijke vigilantie en trouwe u sult quiten in de executie vandat geene het welk hier onder bre„ der is ontvouwt tot uwe Instructie en ob„ servantie wij hebben dan gelijk reeds gesegd goed ge vonden van Maccasser den 29 Junij 1771. vonden u te committeeren na Bina, zo, Ten eijnde den Resident stigt daar hij door zijne debile Gesteltheijd des Lichams te kort mogte komen te schieten in alles te kunnen adsisteeren als ook om in cas den selven iets menschelijks mogte overkomen dan de maneante van saaken aldaar tot onse nadere beschicking te kunnen aanvaarden en dus mede, om den koning van sumbauwa en zijne Rijks Edelen tot de voldoening hunner in ao pass„o gedaane beloften met de leverantie van een genoegsame quanti„ teijt Sappanhout tot betaaling van haar geheel agterweesen aan d E Comp: en de opzending in desen Iaare van hunne gesanten na herwaerts op te wecken en aan te spooren, Dan vermits eene niet minder aangelee„ gene last meede een voornaam doel deser uwe depeche uijtmaakt kunnen we u onder recommandatie van de uijt„ terste secretesse niet onthouden de bewustheijd dat
English
From Maccasser, the 29th of June 1771 That the Noble High Indian Government has sent hither a letter together with a gift, both addressed to the King of Salemparang, Gustij Wajan Taga, with orders to us to have both presented to that monarch on a suitable occasion on their behalf. To this end, our letter, which now departs for him as an escort to the same and is to be handed over by you alongside that of the aforementioned Their Nobles and the gift, serves as an accompaniment. The principal contents of the letter on this matter consistently revolve around a contract of friendship and alliance, which is thereby offered to him, Gustij Wajantaga, in both mentioned letters: to enter into an alliance with the Honorable Company under such terms and stipulations as may subsequently be agreed upon between Their High Nobles and his envoys specially dispatched for that purpose, either in Batavia or here in Maccasser, which is left to his choice, and of which the most important objective entails the exclusion and rejection of all foreigners, especially the English nation, from his coasts. However, since one cannot be certain of the intended outcome of this enterprise, and it could easily prove to be true what rumors have already reported to us for some time—namely, that this Gustij, having been sought out for such an alliance by the British, who have called there more than once in recent years, may perhaps already have been persuaded thereto and might spurn and reject this our otherwise friendly and well-intentioned offer—which might then likely lead the Noble High Indian Government to take the resolution to counter the further intrusion of the English nation there by all possible means, and to take revenge by force of arms for such refusal and the slight thereby done to the Honorable Company by paying a visit to his coasts: so we desire of you that during your presence there, upon the occasion of delivering the aforementioned letters and the gift, as is also demanded of you hereby, you shall covertly draw up an accurate plan, not only of the condition of the approaches both on that coast and of Sumbauwa, but also an indication: at which place or places, with what force, and in what time of year, the landing, whether here or there, ought to be undertaken with the greatest success without needing to remain long in the field, so as to be virtually assured of a certain advantageous outcome; also to what extent the Company could, in that case, rely on the assistance of the Sassackers residing there, or the native Sumbauwrese of old descent; along with a statement: what products are harvested there, but especially on Salemparang, and what advantages could be drawn from those places, principally from the one just mentioned, that might offset the costs of such an expedition, or whether, besides the turning away of the English, it would moreover be worth the trouble to enter Salemparang and very likely then establish some post of fortitude there. This and other matters containing the principal contents of your commission, we repeat our recommendation made at the beginning hereof, to act with the utmost secrecy and circumspection concerning the second part of these instructions, so that no one besides the Resident, to whom alone you may disclose it, shall obtain the slightest knowledge thereof. After the execution of this commission, Your Honor shall then, via Bima, provide us with a written report of everything that has occurred to you there, and especially what discoveries you have made concerning the required inquiries, being the most secret part of these instructions and your commission. All of this must be brief yet factual and distinct according to your ability, without omitting anything that might be of any consideration or clarification. To this end, we set you no limit as to how long to remain on Salemparang, acknowledging that an accurate observation and execution of the prescribed matters requires time and that no excessive haste is appropriate therein; nevertheless, the more expeditious the better, and consequently the more agreeable it will be to us, also in order not to arouse the slightest suspicion in Gustij Wajentaga, keeping in mind that the report of your experiences and discoveries must be here at the latest by the end of next September, so that it may be offered to the High Noble Indian Government among our annual dispatches. Carry out this commission with your customary zeal and fidelity, to the enhancement of your reputation and to further progress in the service as a notable consequence thereof, whereto may Heaven grant you its blessing. Below stood: Maccasser in Fort Rotterdam, the 16th of May 1771. Was signed: D. Boelen, P. F. vander Voort, and B. v. Pleuren.
Dutch transcription
528 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Dat de Edele hooge Indiasche Regering herwaarts „gesonden hebben, een brief nevens een geschenk beijde ge„ rigt aanden koning van salemparang Gustij wajan Taga met last aan ons om de een en andere dien vorst bij een bequa„ „me geleegenheijd van haarent weegen te laten aanbieden en tot dit eijnde sterkt onse thans aan hem ten ge„ leijde derselve afgaanden en uwe ne„ vens die van hoog gem: hunne Edel„ heedens en „ geschenk overhandigden brief, welkers voornaamen inhoud op dit stuk genoegsaem eensluijdende roul„ leert over een Contract van vriend en Bondgenoodschapt, dat hem Iustij wa„ Tantaga bij deese geleegentheijd in beijde gewaagde brieven werd aan de hand gegeeven, met de E Compagnie aan te gaan, op sodanige voorwaarden en be„ paalingen als bij succes tusschen haar hoog Edelheedens en zijne Expres als dan daar toe af te zendene ge„ volmagtigden 't zij op Batavia dan wel hier op maccasser 't geen aan van Macasser den 2 Junij 1771 aan zijne keuse werd gelaten, zullen kun„ „nen getroffen werden en waar van het gewigtigste doel de uijtsluijting en afwijsing van alle vreemde insonder „heijd de engelse natie op sijne Custen behelst Dan dewijl men van den bedoelden uijt„ slag deser Entreprise sig niet kan versekeren, en het ligtelijk zoude kun„ nen werden waar bevonden 't geen de ge„ rugten ons reeds sedert eenigen tijd hebben ge boodschapt namentlijk, dat desen gustij door de Britten die sedert eenige Iaaren meer dan eens aldaar sijn aangeweest tot een diergelijke alliantie aangesogt mogelijk wel abreeds daar toe overge„ haalt dese onse hoe zeer anders ook vriendelijke en welmeenende offerte zoude kunnen komen te versmaden en vande hand te wijsen het geen de Edele hooge Indiasche Regeering dan appa„ „ent tot een besluijt soude kunnen doen treeden om den verderen indrang der Engelsche natie aldaar door alle mogelijke 522 van Maccasser den 29 Junij 1771 mogelijke middelen tegen te gaan en over sodanig refus en het en het declin hier me„ de de E Comp: aangedaan door een besoek op zijne Custen gewapenderhand revengie te nee„ „n soo begeeren wij van uwe dat gij bij u aanweesen aldaar bij geleegentheijd dat gij de bestelling der voors:z brieven en het geschenk verrigt gelijk u zulks ook bij dese gedemandeert werd en naauwkeurig plan bedektelijk zult heb„ „ben te formeeren, niet alleen van de gesteldheijd der avenuen so op die Cust als van sumbauwa maar ook eenige eene aanduijding op welke Plaats of Plaatsen met hoe sterke magt, en in wat tijd van 't Iaar, de Landing 't sij hier of daar met 't meeste succes zonder lang te behoeven in 't veld te staan zoude dienen te werden onder„ „nomen om van een gewissen voor„ deeligen uijtslag genoegsaam als verse„ kert te kunnen zijn ook in hoe verre de maatschappij in dat Cas op den bijstand der aldaar inwoonende Sassackers of oude herkomstige sumbauwreesen zig van Maccasser den 29 Junij 1771 zig zoude kunnen verlaaten benevens nog eene opgave welke Producten aldaar dog insonderheid op Salemparang vallen, en welke voordeelen men van die oplaatsen voornamentlijk van den so even genoemde zoude kunnen trecken, die de kosten eener zodanige uijtrusting soude kunnen op wegen ofte buijten de afwending der engelsen hier door boven des de moeijten waardig sijn salemparang te tree„ den en veel ligt als dan wel Eenige Post van fortitude aldaar te te Etablisseeren, Dit een en andere den voornamen inhoud van uwen last behelsende her„ haalen wij onse recommandatie in den aanvang deses van met de uijterste secretesse en omsigtigheijd omtrent het tweede lid deser Instructie sodanig te handelen dat oniemand buijten den Resident higt alleen aan wien gij opening daar van mooyt geven eenige de minste kennis daar van komt te dragen Na 524 Van Maccasser Den 29 Iunij 1771 Navolvoering van deese Commissie sal uEd: ons dan Bima bij een schriftelijk Rapport moeten verslag doen van alle het geene wat u aldaar is begegent en insonderheijd wat ontdeckingen gij sult hebben gedaan omtrent de gerequi reerde Enquesten als het heijmelijkste gedeelten deser Instructie en uwen last dit alles kort dog sakelijk endistinct navermogen sonder nog„ tans iets daar bij te omitteeren dat van eenige speculatie of opheldering soude kunnen zijn tot dit eijnde bepaalen wij u geenen tijd hoe lange op salemparang te vertoeven erkennende dat een naauwkeurige observatie en uijtvoorsing de voorschreeve saaken vereijscht en geene over„ naasting daar in te opasse komt niet te min hoe voortvaarender hoe beter en gevolgelijk hoe aangenamer het ons sal sijn ten eijnde ook om gustij wajentaga geene deminste ver„ denking te verwecken verdagt moetende zijn dat het berigt uwer wedervaren en ontdec„ king uijterlijk tegens ult„o september J„o aanstaande hier zij ten eijnde het selve onder onse jaarige advijsen de hoog Edele Indiasche „na Regeering te kunnen werden aangebooden Betragt van Maccasser den 29 Junij 1741 Betragt desen last met uwen gewooren ijver entrouwe, tot vergrooting uwer re„ putatie en tot verder progres in den dienst als een notoir gevolg derselve waar toe den hemel u zijnen zeegen verleene /onderstond:/ Maccasser in het Casteel Rot, terdam den 16 Meij 1771: /was geteekend:/ D: Boelen P: F: vander voort en B: v. Pleuren
English
526 From Maccasser the 29 June 1771 Continuation of the Bouton Daily Register August The assistant departed for Maccasser with the Honorable Company's letter the 27th. There came 3 interpreters requesting that they might pursue Tosaleng, as he had quietly departed from here without his Highness's consent, to which I replied that the assistant had also gone along without taking my letter with him, and that they should do their best to overtake him. In the evening, the interpreters returning said that they had not seen him anymore, and that his Highness was very uneasy about the cloves, and that tomorrow the 2 delegates would come up to weigh the cloves once again to see if Tosaleng had not acted deceitfully; whereupon I had them told in return that it was well, and had his Highness requested for a vessel to be allowed to go to Calisoesoe myself to rescue the Honorable Company's goods, or overland, and that his Highness might be pleased to provide a prahu to send the sailors of the aforementioned sloop swiftly From Maccasser the 29 June 1771 the 29 August swiftly to Maccasser, as 5 to 6 persons had severe wounds in their legs in which there were worms. There came 3 interpreters bringing me the greetings of his Highness, with the request that the sergeant and surgeon's mate should come up to weigh the cloves once more, whereupon I sent them up, and after weighing was done the same was found as it lay below, and once again had them informed about the people concerning their wounds; whereupon his Highness said that the next day he would send a native surgeon to heal the wounds and that we should then go together to Maccasser, and that he had sent the mantri Gambal garrong to Calisoesoe to search for everything and to bring up alive or dead the wicked people who were to blame; his Highness was also very angry that the assistant had departed without his consent, and that his Highness would write about it to Batavia to his High Nobility that his Highness should be shown somewhat more respect in 588 From Maccasser the 29 June 1771 his country. I have once again most urgently had requested the 2nd to send the sailors to Maccasser or for a prahu to complete my commission; received the answer that shortly we would all depart together. September the 3rd In passing, I requested the mantri Ballowoe, as the crew of the sloop De Nooteboom had no more provisions and it was better to send those people to Maccasser since nothing was to be had for money, whereupon he replied that he would speak to his Highness about it; but no foodstuffs came and no prahu, so that I was obliged to give those people food. Some chickens and some rice were sent the 6th. Have once again requested a prahu to send those people to Maccasser, as I had no more money the 12th From Maccasser the 29 June 1771 the 16 August had to provide board for so many people, and to give me a prahu to continue my commission. They received some rice and some dried fish, whereupon I once again had his Highness requested to send them to Maccasser, and all of us together, or that his Highness might be pleased to advance me money, as the expenses were running too high every day for so many people and I could not remain longer. the 17th his Highness sent a cow for the people. the 26th I had 4 interpreters called and said to them that I most urgently requested his Highness to send the crew of the lost sloop to Maccasser, and that the crew had to be in Maccasser by the 15th of October so that the Right Honorable and worshipful Governor could send them to Batavia 530 From Maccasser the 29 June 1771 could send along with the Company's slaves likewise, and if his Highness had no prahu, that I would provide a Maccasser prahu that lay in the river, and that I could not hold out any longer with my people either, as we had no provisions and no more money. 2 interpreters came bringing me the greetings of his Highness, and that his Highness, upon my request, will hold a meeting and then make a decision the 27 September. Have again sent 2 interpreters to his Highness to request that the crew of the lost sloop De Nooteboom might be sent to Maccasser, but received no answer the 31st. October His Highness came down to dispatch the prahus that were to sail with the slaves to Batavia, and had me come to him; after compliments were paid, his Highness said the 4th From Maccasser the 29 June 1771 Highness that the mantri Gambal garrong had returned from Calesoesoe, and brought along some cloves from the sloop De Nooteboom, and that he would deliver the same to the Honorable Company, and that he had not been able to secure the wicked people, that it was all wild folk accustomed to roaming and not Butonese, but all kinds of foreign nations who sometimes rob people by night and unseasonable hours and take everything away and sometimes murder them; furthermore, I requested his Highness for a prahu to send the crew of the sloop De Nooteboom to Maccasser, as the Honorable Company needed servants, whereupon his Highness replied that in about 5 to 6 days a prahu could arrive to bring them to Maccasser; further said to his Highness that it was time to send the slaves away because the monsoon was almost expired, whereupon his Highness replied that with the new moon we would all depart together. said
Dutch transcription
526 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Vervolg van het Bouton Dag Register Augustus Is den adsistend met sE Comp: brief naar den 27 _o Maccasser vertrokken quamen 3 tolken en versogten dat sij „ 28 _o Tosaleng mogten na setten terwijl hij stilletjes van hier vertrokken sonder consent van sijn hoogheijds waar op ik repliceerde dat den adsistent ook was meede gegaan sonder mijne brief meede te neemen en dat sij haar best moesten doen om hem te agternaalen, 's avonds de Tolken wederom komende zegden dat sij hem niet meer gesien had„ den en dat sijn hoogheijd heel ongerust was om de nagulen en dat morgen de 2: gecommitteerdens souden naar boven komen, om de nagulen nog eens te wegen om te sien of Tosaleng niet met bedrog omgegaan is waar op wederom lie seggen dat 't goed was en liet sijn hoogheijd ver„ soeken, om een vaartuijg om selfs naar Calisoesoe te mogen gaan om sComp: goe„ deren te redden of over land en dat sijn hoogheijdt gelieft een praauw te geven om de mattroosen van gemelde Chialoup schielijk van Maccasser den 29 Junij 171 den 29 Aug„s schielijk namanc asserte senden terwijl 5 a 6 persoonen swaare wonden in haare bee„ nen daar de wormen in waren, quamen 3 Tolken omij de groetenis brengende van sijn hoogheijdt met versoek dat den sergeant en ondermeester souden naar boven komen om de nagulen nog eens te wegen waar op ik haar na boven gesonden en na gedaane weging t selve met so bevonden als om lag en nog eens laaten seggen van 't volk om hare wonden waar op sijn hoogheijd zegte dat hij 's anderen daags een Inlandsche meester soude senden om de wonden te genesen en dat wij dan te samen oaar maccasser souden gaan endat hij den omantrie Gambal garrong naar Calisoesoe gesonden hadde om alles op te soeken en de quade menschen levendig of dood op te brengen dewelke schuld hadden ook was zijn Hoogheijd heel gramstoorig dat den adsistend vertrokken sonder sijn Consent endat sijn sijn hoogheijd daar over soude na Batavia schrijven aan sijn hoog Edelheids dat sijn hoogheijt iet meer respect betoont word op zijn 588. van Maccasser den 29 Junij 1771 zijn Landt Hebbe nogmaals instantigst laten versoeken den 2: — om de mattroosen naar maccasser te zenden of een praauw om mijne Commis„ „sie te volbrengen kleegt ter andwoordt dat wij in korten alle te samen souden vertrekken, Hebbe in 't voorbij gaan den mantrie Bal„„ loewoe versogt dat 't volk van de chialoup de nooteboom geen kost meer hadde en dat 't beter was haarlieden naar maccasser te senden terwijl voor geld nie te krijgen was waar op hij repliceerde dat hij sijn hoogheid daar over soude spree„ ken, maar het quam geen levens mid„ delen en geen praauw so dat verpligt was om haarlieden dekost te geeven zijn eenige hoendertjes en wat rijst„ gesonden Hebbe nogmaals om een praauw laten „ 12: versoeken om naarlieden naar mac„ casser tesenden terwijl ik geen geld meer September hadde _o 3 6 _o van Maccasser den 29 Junij 1771 den 16 Aug„s hadde om voor so veel volk de kost te geeven en mij een praauw te geven om mijne Com„ frmissie te vervolgen, Hebben sij wat rijst en eenige geposte vis bekomen waar op sijn hoogheijds nogmaals laaten versoeken om haar naar maccasser te senden, en ons all te samen of dat sijn hoogheijd mij geliefd geld te ver„ schieten, terwijl de onkosten alle dagen te hoog liepen voor so veel volk en dat ik lan„ „ger blijven konde, 17 _o heeft sijn hoogheijd een koebeest ge„ sonden voor 't volk, 26 _o hebbe laten 4: Tolken roepen en tegens haar gesegd als dat ik sijn hoogheijd instantigst liet versoeken om dat volk van de verlooren Chialoup naar maccasser te zenden en dat 't volk tegens den 15. october op maccasser moest wesen om dat den wel Ed: gestrenge Heer gouverneur haar naar Batavia kon „ 530 van Maccassr den 29 Iunij 1771 kon senden met de Comp: slaven van 't gelijken en als sijn hoogheijd geen praauw en hadde dat ik een maccassarse praauw soude geven welke in 't Rivier lag en dat ik 't met mijn volk ook niet langer houden konde terwijl geen oroviant en geen geld meer hadden quamen 2: Tolken mij de groetenis van den 27 September zijn hoogheijd brengende en dat sijn hoog„ heijd op omijn versoek sal laten vergade„ ring houden en dan een besluijt nemen Hebbe wederom 2 tolken naar sijn„ hoogheijd gesonden om te versoegken dat het volk van de verlooren Chia„ loup de nooteboom mogt naar maccas„ ser gesonden worden maar geen ant„ „woordt bekomen Quam sijn hoogheijd om laag om den 4: _o de opraauwen te laten afsetten welke met de slaven naar Batavia souden vaaren en liet mij bij hem komen na gedaane Compliment segde zijn october hoogheidt 31 _o Van Maccasser Den 29 Iunnij 1771 hoogheidt dat den mantrie gambal garrong van calesoesoe wederom gekomen, en eenige nagulen mede gebragt van de chialoup de de noote boom en dat hij deselve aan d'E Comp: overleeveren soude en dat hij de quade men„ schen niet hadde kunnen mede krijgen, dat t all te maal wild volk was dat gewend om te swerven en geen Bouthouders maar al„ „derhande vreemde naties welke de menschen. bij nagt en ontijden somtijds besteelen en alles afneemen en somtijds vermoorden verders ver sogt aan sijn hoogheijd om een praauw om t volk van de chialoup d noote boom na maccasser te senden terwijl d E Comp: naar dienaaren noodig hadde waar op sijn hoogheijd repliceerde als dat over 5 a 6 daa„ gen een praauw soude kunnen komen om haar naar maccasser te brengen nog zegte aan sijn hoogheid dat 't tijdt was om de slaaven weg te senden om dat mouson omtrent verloopen was waar op sijn hoogheijdt repliceerde dat wij met 't nieuwe ligt all temaal souden vertrekken zigte
English
532 From Maccasser, the 29th of June 1771 the 5th of October Told the interpreter Bapa Getto that a prahu had entered the river on which there were all kinds of nations, Bugis, Mandarese, and Macassarese, and that there were more than 30 men on it, and that I requested His Highness to allow the prahu to depart. Told Mantri Olitoe and Mantri Ballawoewoe that I requested that the Bugis prahu which lay in the river might depart, as it was a wrongdoer who had no pass and had come from Gorontalo. the 20th And the Bugis prahu departed. the 21st Have again sent a request to His Highness to send the sailors away to Maccasser, and therewith requested a speedy departure for myself, as the From Maccasser, the 29th of June 1771 November the 2nd monsoon is nearly spent and we have no more money and no more provisions. the 3rd 4 prahus have departed for Batavia, carrying along 50 head of slaves toward the settlement of the debt, and 19 Europeans of the chaloup De Nooteboom, among which was a prahu belonging to the Radja Wawongie and he himself as well. I also had the Macassarese prahu depart along with the two Amboinese in order to deliver a letter to the Honorable Governor at Maccasser for want of provisions. Have again sent to His Highness to inquire when we might depart, since the prahus have departed for Batavia and His Highness is no longer hindered, while the prahu was still on the shore and nothing is being done to it. Has 534 From Maccasser, the 29th of June 1771 November the 6th of October The Saleyerese prahu has arrived here, bringing the Company's missive, and I immediately made the same known to His Highness through an interpreter, and that I needed to speak with His Highness himself. the 7th There came 4 Dutch and 3 Macassarese interpreters sent by His Highness to have the Company's missives handed over to them, because His Highness had fallen ill and therefore could not speak with me, but when His Highness had recovered he would have the letter read and then have me summoned. Whereupon, after many words had been exchanged back and forth, the Company's missives were handed over to them with the displayed honor of hanging the Company's letter upon the kris. Whereupon the contents were explained to them, and all that the Honorable Governor at Maccasser demanded and requested, and that I most urgently requested His Highness to dispatch us quickly to Maccasser, as we had no From Maccasser, the 29th of June 1771 the 7th more provisions, much less money to buy anything myself, or whether His Highness would please advance me money. the 8th of November A native priest from Gorontalo arrived here with a Bugis. I asked him where he wished to go. He said to Kadda and from there to Mecca. I asked the Bugis whether he was going directly to Kadda. He said yes. I asked him whether the Sultan was ill. He said that the Sultan was very well and that he had been with him yesterday evening. the 12th Sent a letter to the Honorable Governor at Maccasser with the Saleyerese prahu. the 14th Have sent an interpreter to His Highness with the request to know when I would depart and whether I must remain, since nothing is being done to the prahu. the 20th The interpreter returned and said that His Highness 536 From Maccasser, the 29th of June 1771 could not know; when the prahu was ready he would let us depart; and that the mantri had not worked below for 2 to 3 days, as he had business above with sails and cordage. the 23rd of November A prahu arrived from Boneratte, bringing the news that a prahu from Calisoesoe had landed there laden with cloves belonging to the king, and was seized. December the 2nd Summoned to His Highness. After paying compliments, I asked His Highness for an answer to the letter from the Honorable Governor of Maccasser. Whereupon His Highness replied that he had sent 3 mantris and 8 pangelasangs to Calesoesoe to search out everything, as much as possible of the Company's goods and equipment from the chaloup De Nooteboom, and to punish the wrongdoer. Whereupon From Maccasser, the 29th of June 1771 I further said that I had heard that the cannons of the chaloup had already long since been divided. Whereupon His Highness said that Tosaleng was a deceiver and nobody other than Tosaleng had told me the same. Spoke further of the money of Tosaleng, to which His Highness replied that if the Company had sent Tosaleng to buy the cloves, then the Company could pay him for them, for otherwise His Highness would have had them searched out himself and delivered to the Company. His Highness further said that he had sent 1025 catties of cloves to Batavia with 50 head of slaves toward the settlement of the debt, and that he had delivered the cloves bought up from Tosaleng to the mantri and envoy in order to deliver the same at Maccasser. His Highness further said 538 From Maccasser, the 29th of June 1771 that one should not take it amiss if nothing more of the goods of the chaloup De Nooteboom could be found, for they were altogether wicked people who ran wild without a leader and would not listen to His Highness. Further said that the Honorable Governor took the loss of our prahu very amiss, and that no one else was to blame but the interpreter, who was now interpreting, because he had run away with all his people and abandoned us to save our goods; whereupon His Highness and all his councillors laughed at it, to our vengeance. Whereupon
Dutch transcription
532 van Maccasser den 29 Junij 1771 Ligte tegen den tolk Bapa getto dat een den 5 octob„r praauw in 't Revier was gekomen daar alderhande naties op waren. Bougineesen mandhareesen en maccas„ jaaren en dat meer als 30 koppen op waren, en dat ik versogt aan sijn hoogheijd om de praauw te laaten vertrekken zegde tegen mantrie olitoe en mantrie„ ballawoewoe dat ik versogt dat de Bou„ gineesen oprauw welke in 't rivier lag vertrekken mogt terwijl 't een quat„ doender, welke geen pas en hadde en van gorontale van dan quam in den Boegineese opraauw vertrok „ 20 _o ken Hebbe weederom aan sijn hoogheid laaten versoeken om de mattroo„ sen weg te senden naar maccasser en daar bij laaten om een schielijke vertrek voor mij versoeken terwijl „ e1 _o de van Maccasser den 29 Iunij 1771 November den 2: — 3 de mousson omtrent verloopen en dat wij geen geldt en geen levens middelen meer en hadden, zijn 4 praauwen vertrokken naar Batavia mede voerende 50 stuks sla„ „ven tot afreekening van de schuld en 19 Europeesen van de chialoup de noote Boom waar onder een praauw den Radja wawongie toehoorende en hij selfs mede nog hebbe den maccassaarsen praauw laaten meede vertrekken met de twee amboineesen om een brief aan den wel Ed: gestrenger heer gouverneur op maccasser te bestellen uijt gebrek van leevens middelen Hebbe wederom naar sijn hoogh:t ge„ zonden om te mogen weeten; wanneer dat wij vertrekken souden, terwijl de praauwen naar Batavia vertrokken en sijn hoogh:t onu niet meer belemmert was terwijl den prauw nog op den wal stondt en niets aan gedaan wordt Is 534 van Maccasserden 29 Junij 1771 Novemb. Is de salijereese praauw alhier g'arriveert, den 6 october mede brengende s Comp: missive en hebbe ten eersten door een tolk t selve aan sijn hoogheid laaten bekent maaken en dat ik zijn hoogheijd selfs moest spreeken, quamen 4: hollandsche en 3: maccassaarse„ tolken van sijn hoogheijd gesonden om s. Comp: missiven aan haarl: over te geven om dat sijn hoogheijd was siek geworden en mij dierhalven niet spree„ „ken konde maar als sijn hoogheijd was beter geworden soude hij den Brief laten lesen en omij dan laten daar bij roepen, waar op na veel woorden over en weder gewisselt te hebben sE Comp: missiven aan haar overgegeven met de betoonde honeur om sComp: brief aan de krits te hangen waar op tegens haar den Inhoud en al wat den wel Ed: gestr: heer gouverneur op maccasser sijn Eijsch en versoek was en dat ik sijn hoogheid instantigst liet versoeken om ons schielijk te depecheeren naar maccasser terwijl wij geen „ 7 _o 7 _ van Maccasser den 29 Junij 1771: geen levens middelen meer en hadden, nog minder geld om selfs wat te kopen af dat sijn hoogheijd mij gelieft geld te verschieten, den 8 Novemb„r quam een Inlandsche Paap van gorontalo met een Boeginees alhier aangekomen ik vroeg hem waar hij na toe wilde hij segde naar kadda en van daar naar mecia ik vroeg den boeginees, of hij direct na Cadda ging hij segt van Ia ik vroeg hem of den sulthan siek was hij zegde tot den zulthan heel wel was en dat hij gisteren avond bij hem geweest hadde, 12 _„o Een brief gesonden aan den wel Ed: gestr: heer gouverneur op maccasser met de zaleijereese opraauw, 14 _o Hebbe een Tolk naar sijn Hoogheijd gesonden met versoek om te mogen weeten wanneer ik vertrekk en soude en of ik blijven moet terwijl aan de praauw niets gedaan wordt 20 _o quam den tolk wederom en dat sijn hoogheijd „ 536 van Maccasser den 29 Junij 1771 hoogheijd niet weeten konde, wanneer de praauw klaar was soude ons laaten vertrek„ „ken, en om dat den mantrie 2: â 3 daa„ „gen om laag niet gewerkt hadde terwijl hij boven met seijlen en Touw werk te doen hadde, quam een praauw van Boneratte mede den 23 Nov. r brengende de tijding, dat een prauw van Calisoesoe aldaar aangeland met nagulen geladen van den koning was aangeslagen, Bij sijn hoogheijd ontboden nagedaane den 2 _„o Compliment hebbe sijn hoogh:t gevraagt om antwoordt op den brief van den wel Ed: gestr: heer gouverneur van maccasser waar op sijn hoogheijd re„ pliceerde, dat hij 3: mantries en 8 pan„ gelassangs naar calesoesoe gesonden hadde om alles op te soeken so veel als mogelijk van sE Comp: goederen en Equipagie van de Chialoup de noote Boom, enden quaatdoender te straffen, December waar van Maccasser den 29 Junij 1771 waar op nog segde dat ik gehoord hadde dat de stukken van de chialoup al lang verdeelt waaren waar op sijn hoogheijd zegde da Tosaleng een bedrieger en niemand anders al Tosaleng t selve mi gesegt hebben, nog segde van 't geld van Tosaleng waar op sijn hoogh:t repliceerde als de E Comp: Tosaleng gesonden hadde om de nagulen te kopen so konde d'E Comp: hem deselve betaalen want anders zoude sijn hoogheijd deselve zelfs hebben laaten of soeken en aan d E Comp: overleveren, Nog segde sijn hoogh: dat hij 1025 katjes nagulen naar Batavia ge„ sonden hadde met 50 stuks slaven tot afreekening van de schuld en dat hij de nagulen van Tosaleng opge„ kogt aan den mantrie en afgesant overgegeven hadde om deselve op maccasser over te geeven nnog seyde zijn 538 van Maccasser den 29 Iunij 1771 sijn hoogheijd omt moest qualijk nee„ neemen indien van van de goederen van de Chialoup de nooteboom niets meer konde gevonden worden want 't was alle gaar quade volk dat in 't wild liep son„ der hoofd en naar zijn hoogh:t niet Luijsteren wilde, nog segde dat den wel E: gestr: g Heer gouverneur neel qualijk nam het verlie„ sen van onse prauw en dat anders niemant schuld hadde als den Tolk welke thans overtoekte om dat hij met al zijn volk was weg gelopen en ons verlaten hadde om onse goederen te redden waar op zijn hoogh: met alle sijne Raaden daar over lagte tot onse revengie waar 2
English
From Maccasser the 29th of June 1771 Whereupon after proper honors I took my leave of His Highness. The 3rd of August weighed anchor. The 6th anchored near Cabeijna to fetch water. The 7th weighed anchor. The 10th saw a sloop and in the evening anchored near Biera. The 11th saw a sloop. The 12th saw a sloop again and anchored at Bonthain to fetch water and firewood, and departed in the evening. The 16th our bow and pangilling broke at the latitude of Boeloe boeloe; therefore returned again to Bontham. 540 From Maccassir the 29th of June 1771 And wrote a letter to Maccasser to Your Right Honorable Sirs. Departed again from Bontham on the 25th of December. The 26th in the evening at the latitude of Petang, met the Maccassar prow carrying the Company's missive and sent to bring us to Maccasser, but the Bouton envoy would not cross over. The 27th at the latitude of Boeloe Boeloe, I asked the envoy once again if he also wanted to cross over to the Maccassar prow, but he said no, whereupon I crossed over with two soldiers to the Maccassar prow and let the sergeant remain on the Bouton vessel with 2 soldiers. At the latitude of Omaccatser. The 29th of December arrived safely at Maccasser. Below stood: Thus kept by the undersigned until the aforementioned date of arrival here, as well as submitted. Was signed: A. Lecerf. Saturday. From Maccasser the 29th of June 1771. 542. From Maccasser the 29th of June 1772. Saturday the 10th of November Anno 1770. In the morning at nine o'clock, all present. After the ordinary business was handled, the Governor made known that he had expressly convened this meeting further in order to take in hand therein also the dispute that had arisen for some time between the present Tambora subjects against their King, who for that reason is still present here, and thereupon communicated the substance thereof to the members, such as had already initially revealed itself in the month of August of last year, when the first complaints of these peoples were submitted to His Right Honorable Sir by a certain written address from the Chief Interpreter Gerrit Brugman on behalf of them all. Which document being produced and read, was found to contain various points of accusation to the charge of this Prince, From Maccasser the 29th of June 1771. Prince, concerning: The seizing of their children to be used for nothing else than his personal service; His extortion and greed in the collection of their harvest, so that they could barely retain as much as was required for their subsistence; His violent monopoly in and about the few means and resources they had for their livelihood; and His relentless severity in directly condemning them to slavery, even for minor offenses, and this against their ancient privileges, with an adduced example of this which was said to have occurred not long ago. Concerning all of which, His Right Honorable Sir thereupon further related that he had spoken with this Prince in person and had advised him in the 544 From Maccasser the 29th of June 1771. best manner to remove this discontent of his subjects by gentler and less self-interested treatment, in order thus, where possible, to regain their hearts and draw them to himself; but that he, having declared thereupon that he was not conscious of any such mistreatment of his people, much less guilty of it himself, had requested and undertaken to submit his interests against it in writing. That subsequently, even before he had this defense of his prepared, new complaints from the Tamborese about the King's continuous cruelty and extortions had come in, with such urgency that it seemed as if they were all about to turn to a desperate resolution, while they had frankly declared to the Chief Interpreter Brugman, who had tried to calm them From Maccasser the 29th of June 1771. down, that they could never be brought to any reconciliation with their Prince, and that far sooner than departing with him back to Tambora, they would settle somewhere here in the country, or else scatter themselves completely hither and thither. That His Right Honorable Sir, in order to bring these new disturbances to a halt again as much as possible, earnestly admonished the King to a more tolerable treatment, and at the same time sought to calm the minds of the discontented by all conceivable encouragements; but that this had only been for a short time, after which they had come back to repeat their request with the same urgency as before, that they might be released from him. defense 546 From Maccasser the 29th of June 1771. defense had come in. The same being thereupon produced and also read, the content essentially showed a denial of having committed any oppression against his subjects, further merely justifying the aforementioned points to his charge with the consistency of the ancient customs of his ancestors, and furthermore appealing that these complaints had already been brought against him in the past year, investigated by the Resident of Bima, and that the latter had already decided them at that time, claiming therefore that they ought not to be admissible a second time with the same matter. His Right Honorable Sir continued how the same, for their mutual conciliation, after several further repeated efforts, yet all entirely
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Junnij 1771 waar op na behoorlijke honeur van sijn hoogh: mijn afscheijd genomen den 3: Aug„s Tanker geligt „ 6 _o bij cabeijna geankert om waater te haalen 7 _o 't anker geligt 10 _„o Een chialoup gesien en 's avonds bij Biera geankert, 11 _o Een chialoup gesin 12: _o wederom een chialoup gesien, en op Bonthain geankert, om water en branthout te haalen en 's avonds vertrokken, 16 _o onse Bouw en Pangilling ge„ brooken op de hoogte van Boeloe boeloe dierhalven we„ derom op Bontham gekomen in „ „ „ „ „ 540 van Maccassir den 29 Junij 1771 en een brief naar maccasser aan uwel Ed gestr: Agtbare geschree„ ven, wederom op Bontham vertrokken den 25 dec„ s avonds op de hoogte van Pe„ tang de maccassaarssen opraauw ontmoet meede hebbende sComp: missive, en om ons naar Mac„ casser te brengen maarden Bouthons afgesant woude niet overgaan op de hoogte van Boeloe Boeloe Hebbe den afgesant nogmaals gevraagt of hij meede over woude gaan op de maccassaarsen praauw maar hij segte van neen waar op ik met twee militairen op de maccassaarse praauw ben overge„ „gaan en den sergeant met 2: mili„ tairen op de Bouthonse laten blijven op de hoogte van omaccatser 27 _o „ 26 _o op „ den 29 Dec=r op maccasser behouden gearriveert /onderstond:/ aldus gehouden door den ondergeteekende tot evengemelde datum dat alhier gearriveert is mits„ „gaders overgegeven /was geteekent / A: Lecerf Saturdag van Maccasser den 29 Iunij 1771 542. van Maccasser den 29 Iunij 1772 Saturdag den 10: November Anno 1770 Smorgens ten negen uuren alle Present Na dat het ordinaire was afgehandelt gaf den Heer Gouverneur te kennen dese vergade ring wijders Expresse te hebben laten be„ leggen ten eijnde daar inne ook ter hand te nemen het reeds zedert eenigen tijd ontstaan verschil der aanweesende Tamboreese, onderdaanen tegens hunnen om dies wille als nog hier praesent zynde koning en communiceerde hier op aan de leeden het sakelijke daar van sodanig als het sig al in de maand augustus I:o leeden aanvangelijk ontdekt had wanneer de eerste klagten deser volkeren bij seker schriftelijk addres van den oppertolk Gerrit Brug„ „man uijt hunne aller naam aan syn wel Ed: gestr: waren aangediend geworden welk schriftuur geproduceert en geleesen zijnde wierd bevonden en sig te behelsen dieverse poincten van beschuldiging. ten laasten van desen vorst van Maccasser den 29 Iunij 1771 vorst, over De ontweldiging van hunne kinderen om niet dan alleen tot sijn besondere dienst te werden gebruikt zijne knevelarij en schraapsugt bij den Insaam van hunnen hoogst van sij ter naauwer nood so veel als tot hunn: subsistentie ver„ eijscht wierd, konde over behouden zijne geweldige monopolij in en omtrent de wijnige middelen een uijtweegen die zij tot hun bestaan hadden en zijne onverbiddelijke strengheijd in hen direct ter slaverneij te verwijsen zelfs over geringe misdaden en sulx tegens hunn: al oude voor regten: met een bij gebragt staaltse hier van het geen nog niet lang geleeden soude sijn g'ersteert, over alle het welke toe sijn wel Ed: gestr: hier op verder verhaalde, desen vorst in persoon te hebben onderhouden enden selven op de brief. 544 van Maccasser den 29 Iunij 1771 beste wijse aangeraden dit misnoegen zij„ „ner onderdaanen door een zagt zimniger en mindere baatsugtige behandeling uijt den weg te ruijmen om dus waar t mo„ gelijk hunne herten wederom te ge winnen en tot sig te trecken; dog dat hij daar op verklaard hebbende bij sig selven van diergelijke mishandeling der sijnen niet bewust veel min selve daar aan schuldig te sijn ver„ sogt en aangenomen had zijne belangen daar tegen in geschrift te sullen inbrengen, Dat vervolgens nog bevorens hij dese zijne verdediging gereed had nieuwe klagten der Tamboreesen over des konings aanhoudende wreetheijd en extorsien waaren ingekomen, met sodanigen aandrang dat het scheen als of ze alle tot een wanhopig besluijt stonden over te slaan, ter wijl ze aan den oppertolk Brug„ man die hen hadde getragt ter neder van Maccasser den 29 Iunij 1771 neder te zetten, rondborstig verklaart had„ „den nimmer tot eenige assopiatie met hunnen vorst te brengen te sullen zijn en dat se veel eerder dan met den selven weder na Tambora te vertrecken zig ergens alhier op het land wilde neder zetten dan wel haar ten eenemaal gints en elders verstrooijen Dat sijn wel Edele gestr: om ook dese nieuwe beroerten weder zo veel mogelijk tot stilstand te brengen den koning nader tot eene dragelijker behandeling Ernstig vermaand en de gemoederen der mis„ noegden teffens door alle uijtdenke„ lijke moetgeevingen weder weder getragt hat tot bedaren te brengen dog dat sulks maar voor een korten tijd was geweest waar na se hun aansoek met deselfde aandrang als bevoorens, weder wa„ ren komen herhalen om van den selven ontslagen te mogen werden verdeeding 546 van Maccasser den 29 Iunij 1771 verdeeding was ingekomen, Het selve hier op geproduceert en al meede geleesen sijnde bleek uit den inhoud sakelijk eene ontkenning van sig aan eenige onderdrucking sijner onderdaanen te hebben vergree„ pen verder de voorengeciteerde poincten ter sijner beswaarnis met de volstandigheid der oude gebruiken sijner voorsaaten slegts de duceerende en sig wijders beroepende dat dese plagten in a„o pass„o al eens tegens hem voort gebragt door den Resident van Bima onder„ sogt en dese deselve die tijd reeds gedecideert had preetendeerende hij dus, dat se voor de tweede maal met deselve niet behoorden admis„ sibel te sijn, sijn wel Edele Gestr: vervolgde hoe deselve ter hunner onderlinge be„ vreediging naar na nog een en e andere herhaalde pogingen dog alle geheel
English
The 29th of June 1771 Maccasser having proved entirely fruitless, he had, out of utmost necessity, judged it appropriate to detain this prince provisionally here along with the dissatisfied group, because of the pernicious consequences that were inevitably to be feared in case His Right Honourable had persuaded them, while this bitterness was still raging, to return with the king to their country. Meanwhile, he had caused both parties to be most seriously notified: the king, to refrain from all further ill-treatment of his subjects here on the Honourable Company's territory, and the subjects, not to fail in their owed submission to their sovereign, in the hope of finding some means of reconciliation in the meantime. That following this, the necessary instructions had been given by His Right Honourable both to the Resident and to the Commissioners regarding the naval patrols across the strait on this matter, with the accompanying order to verify with the utmost accuracy the truth of the aforementioned accusations by convening a joint assembly of all the present Allies on Tambora itself; to conduct a proper and impartial investigation; and subsequently to send hither a written report of it, both in Dutch and Malay, signed and validated with the state seals of the combined Allies, in order to be able to judge and decide definitively on this delicate matter; as well as for the reason that the present dissatisfied Tamborese persistently and unanimously appealed to the conformity of their fellow countrymen left behind there in this matter. That the extent to which this order had been fulfilled became evident from a certain document recently received from there, delivered by all the Dignitaries of the Realm who had remained on Tambora, and among them even their Kali or Priest, in the name of all their subjects, at the assembly of the convened Allies on the 21st of September, incorporated into that document and validated with the state seals of the kings of Bima, Dompo, Sangar, and Pekat, which upon reading was found to confirm in every way the accusations brought against the king here. That following the receipt of these reports, the Governor had summoned to him the day before yesterday the entire group of all the dissatisfied persons present, in the presence of the Tamborese Dignitaries of the Realm who were in attendance (the king being excepted in order not to subject him to the indignity of holding him accountable against and in the presence of his subjects), and on that occasion had once again attempted, in an insinuating and at the same time earnest manner, using all conceivable and applicable reasons and arguments, to move them toward moderation, reflection, and reconciliation, even assuring them that they would henceforth experience fairer treatment from their king, and that His Right Honourable was even willing to guarantee this to them. However, the absolute opposite having been made known by all of them unanimously and as if with one voice, with an outright declaration that they would rather scatter hither and thither upon the world's most uncertain prospects than reconcile again with their king, from whom they testified they could by no means expect such a change for the better; indeed, that they would rather have their heads severed from their bodies here than allow themselves to be moved thereto. As this matter, after so many fruitless efforts expended, now appeared to His Right Honourable practically beyond hope of recovery forever, all the more so since it seemed these dissatisfied persons were already gradually beginning to carry out their resolution, as the majority of the group had already moved to an adjacent district, though belonging to the Honourable Company's jurisdiction, and had separated themselves from the king, in order to await there the outcome of their grievances brought against this sovereign of theirs; he had for this reason now judged it of such weight to present the same to the assembled Members, as is hereby done in the manner aforementioned, in order to hear their advice thereon and to resolve upon the most convenient and expedient course of action. All the aforementioned having then been maturely considered, and the cause and circumstances of this bitterness and the estrangement arisen therefrom having been examined, on the part of the Tamborese no conspiracy had been detected or brought about by the instigation or plotting of anyone, just as they had declared to His Right Honourable upon explicit questioning, by no one, but that they had been compelled thereto solely by the unbearable actions and treatment suffered from their king, which increasingly worsened and increased; this being therefore grounded rather in a fundamental discontent and an insurmountable aversion to their sovereign flowing therefrom, whereas against this, following the harsh and unjust treatments virtually proven against him, only a stubborn denial presented itself.
Dutch transcription
Den 29 Junij 1771 Maccasser van geheel vrugteloos, in 't werk gesteld hebbende het uijt hoofd van de uijterste noodsakelijkheijd geoordeeld had desen vorst met die misnoegden hoop bij pro„ visie hier aan te houden om der pernicieuxe gevolgen wille die onver„ mijdelijk te duchten stonden ingevall sijn wel Edele gestr: henlieden onder 't blaken deser verbitte„ ring had gepersuadeert weder met den koning na hun land te moeten vertrecken in tusschen den koning om sig van alle ver dere mishandelingen aan sijne onderdaanen alhier op sE Comp: gebied te onthouden en dese om in hunne verschuldigde submissie aan hunnen vorst niet te manqueeren op hoop van middelerwijl eenig mid„ del ter versoening te mogen aantreffen hun beijden op het sireuste had laten aankondigen, Dat hier op door sijn wel Ed: gestr zo wel 548 Maccasser den 29 Iunij 1771 van wel aan den Resident als de Commissianten in de overwalsche bekruyssing van deese saak het noodige ligt was gegeven met gevoegden last van met de uijterste naauwkeurigheijd nade waar„ heijd deser voorengewaagde beschuldi„ gen bij een gecombineerde vergadering van alle de aanweesige Bondgenooten op Tambora selve te beroepen: een regtschappen en onsijdig ondersoek te doen en daar van vervolgens een schriftelijk verslag so in het nederduijts als maleijtsch, ondertekent en met de rijks„ zeguls der gecombineerde Bondgenooten be„ kragtig na herwaarts over te zenden ten eijnde over dese netelige saak als dan ten principalen te kunnen oor„ deelen en besluijten als mede om reden de aanweesende misnoegde Tamboreesen hen standvastig op de conformiteijt hun„ „ner aldaar agtergelaatene Landgenooten in desen, een parig waren beroepende, Dat in hoe verre aan desen last was voldaan „ Bimas van Maccasser den 29 Junij 1771 voldaan sulks was komen te blijken uijt ze¬ kere acte onderdaags van daar ontfangen door alle de op Tambora verblevene Rijks„ grooten, en daar onder selfs hunnen calie off Priester uijt naam van alle hunne onderhoorige in de vergadering der 't samen geroepene Bondgenooten op den 21: september aldaar overgelevert bij dat schriftuur geinsereerd, en met de rijksze„ „guels van de koningen van Bima Dompo, san„ „gar en Pekat bekragtigt het welke bij lectuur bevonden wierd de beschuldigingen tegens den koning alhier ingebragt alles„ zints te bevestigen Dat na den ontfangst deser berigten den heer gouverneur eergisteren den gantschen hoop van alle de aanweesende misnoegden in de tegenwoordigheijd van de present sijnde Tamborase Rijksgrooten den koning ge„ „excipieert om hem het deelin niet aan te doen van hem tegens en in de tegen¬ woordigheijd van sijne onderdaanen verantwoordelijk te stellen) bij hem ontboden 550 Maccasser den 29 Junij 1771 van ontboden, en bij die gelegentheijd andermaal op een Insinuante en teffens Ernstige wijse door alle bedenkelijke applicable reedenen en argumenten getragt had haarl: tot mo„ deratie, inkeer en versoening te beweegen zelfs onder versekering aan haar, van na deese een billijker behandeling van haren koning te sullen wedervaaren en dat sijn wel Ed: gestr haar daar van zelfs wilde garandeeren, Dog het volstrekt tengendeel hier van door hen alle Een parig en als uijt eenen mond te kennen gegeven zijnde met een rotunde ver klaaring liever op de onsekerste voor uijtsigten des waerelds hen gins en her te willen verspreijden dan dat se met hunnen koning van wien se sodanigen verandering ten goeden betuijgden geensints te kunnen verwagten weder soude versoenen Ia datse hare hoofden van hunne lichamen liever alhier wilde van Macasser den 29 Junij 1771 wilde laten schijden dan dat se haar daar toe soude kunnen laten beweegen, stad sijn wel Ed: gestr die saak thans na so veele vrugteloos aangewende bemoeijenissen genoegsaem voor altoos buijten verwagting van herstel voor„ komende te meer daar het scheen dese misnoegden allengskens haar besluijt reeds begonden werkstellig te maaken also den grootsten hoop al reede na een na bij gelegen district, dog onder sE Comp: Su„ resdictie gehoorende, haar hadden begee„ ven en van den koning gesepareert ten eijnde aldaar af te wagten den uijtslag van haare beswaarnissen tegens desen hunnen vorst ingebragt deeshalven als nu van dat gewigt geoordeelt de„ selve aan de gesamentlijke Leeden te moeten voordragen so als bij dese in voegen voorm: geschiede ten eijnde haar advijs daar op te hooren en het convenabelste en oorbaarste daar 552 van Maccasser den 29 Junij 1771 daar op te besluijten, Alle het voorgewaagde dan rijpelijk over„ woogen en de oorsaak en omstandig„ heeden van dese verbittering en daar uijt ontstaane verwijdering beschouwd aan de syde der Tamloreesen geene conspiratie door des een ofte andere aanhitsing of berockening bespeurt of te wege gebragt gelijk sij sijn wel Ed: gestr: op Expresse af„ „vrage hadden verklaard, door nie„ mand„ maar alleenlijk door de onder gane Insupportable gedoentens en be„ handelingen van hunnen koning die hoe langs hoe meer quamen te ver„ ergeken en toe te nemen, daar toe te sijn genoodsaakt dus veel eer gegrond op een fundamenteel misnoeggen en daar uijt voortgevloeijden onoverwin„ nelijken afkeer voor hunnen vorst waar en tegen bij desen nade hem als 't waare bewesene harde en on„ regtvaardige behandelingen alleen een stijfhoofdige ontkening sig quam te verstoonen
English
From Maccasser the 29th of June 1771 to present, without being able to produce anything for his defense or justification with such grounds that it could be judged acceptable and satisfactory. Thus it was unanimously advised by all the members and, in accordance with the proposal of the Right Honorable Governor, deemed necessary and resolved: To detain the King of Tambora here, and to order him to provisionally refrain from exercising all authority over the aforementioned his defected subjects; subsequently to allow all these disgruntled persons, so that they will not be scattered and the Kingdom of Tambora will not be stripped of these its subjects, together with the present Nobles of the Realm, to return to their country, under the recommendation not to raise any further commotion among one another 554 From Maccasser the 29th of June 1771 among one another there or to remove themselves from there, but to await our further and positive arrangement on this matter. In the meantime, to write to the Resident of Bima to employ all possible means once more for the last time in order, if it were possible, to reach a mutual conciliation and cancellation of all previous disputes and grievances, and to give us a report on the outcome thereof as soon as possible; and in case this should also be found to be fruitless, then to dismiss the present King and to authorize the assembled grandees of the realm to proceed to the election of another King, after someone among the members from this Council shall beforehand have been commissioned thither and arrived there to attend that election. And finally, From Maccassir the 29th of June 1771 Finally, to communicate to the aforementioned Resident the necessary information concerning what has been dealt with herein for his guidance. Underneath stood: Thus resolved and decreed at Maccasser in the Castle Rotterdam, date as above. Was signed: D: Boelen, B: v: Pleuren, M: Pieters, T: W: H: v: Blijdenberg, I: H: Voll, A: Ravensberg, and S: Monsieur. 556 From Maccasser the 29th of June 1771 Wednesday the 14th of November Anno 1770. At the house of the chief interpreter Gerrit Brugman, there were assembled today by order of the Right Honorable, the rigorous Governor, all the Regents of Saleijer, namely: For the Bonto Ranga, the deputy Dain Mangoetoengie; the Regent of Gantarang named Dain Manigalli; for the Regent of Tanette, Dain Malaijd Ia; the Regent of Boekit, Dain Mamanka; for the Regent of Laijolo, Dain Mangarmna; the Regent of Balla boelo named Dain Manompo; the Regent of Bonea named Daijraete; for the Regent of Batta Matta, his Pongauwa Baligausaloe; the From Maccasser the 29th of June 1771 the Regent of Opa Opa named Dani Managala; the Regent of Bonto Borus named Dain Mabatoe; the Regent of Barang barang named Dain Mangalihie; for that of Mare Mare, his Pongauwa named Oprena Basso; the Regent of Poete Bangoeng named Potta; and the Regent of Onto named Dain Manroepaij. In order to settle a certain dispute between those of Boekit and Onto over a piece of land formerly—as Onto claims—having belonged under the district of the latter, but in the time of the Resident Ravensberg appropriated by and awarded to the Regent of Boekit; which dispute was then examined by the chief interpreter in the presence of Saleijer's Resident Jan Hendk Voll; and the Regent of 558 From Maccasser the 29th of June 1771 of Boekit being questioned on this first, he declared: That in earlier times, living in friendship with Onto, his subjects had sometimes gone onto the land of Onto to build a buffalo kraal there, on which occasion the first dispute had then arisen because those of Onto had once had this kraal chopped down, and whereupon both of them had addressed themselves with their complaints to the Resident Ravensberg, who had then for the first time awarded that tract of land to Boekit. That thereupon, by order of that Regent's predecessor, who had claimed to have permission from the Resident for it, a boundary line was made between this piece of land and the negorij Onto, beginning from Liang Ionkea up to entirely Batoe Mantirij on the sea side to the north, and from here then eastwards again and From Maccasser the 29th of June 1771 and inland up to Kambang-boeloe meong, the subjects having been ordered at once to plant young coconut trees there along the beach, as had also been done. Testifying upon explicit interrogation that neither of the making of the boundary line nor of the planting of those trees was any notice given to any of the other regents, much less to have assisted at the first-mentioned, just as no one was present on behalf of the Resident—whereas, however, according to the testimony of the Resident and all the Regents, it is a constant and ancient custom on Saleijer that representatives of the Resident and two to three of the Regents are present at the making of a boundary line, upon which occasion, always after the execution thereof, they are seriously enjoined not to trespass the same, on pain of 200 rds. Lastly, 560 From Maccasser the 29th of June 1771 Lastly, the aforementioned Regent of Boekit had to confess that previously there had not yet been any boundary line between Boekit and Onto, and also not to know on what foundation the tract of land in question had been awarded to his predecessor. The opposing party, or the Regent of Onto, brought against this: That he had understood from his ancestors and the elders of the country how one of the former Regents of Onto named Manadsa, having gotten into a dispute with the recently deceased Regent of Boekit his father over the fencing of the lands, they had first addressed themselves to the Regent of Bonto Bango and subsequently, accompanied by him, to the commanding sergeant stationed there at the time on behalf of the Company, in order to decide their dispute, where
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Iunij 1771 vertoonen, sonder iets ter zijner defensie of verantwoordiging met sodanigen grond te kunnen bij brengen dat het selve aan„ neemelijk en satisfactoer konde werde ge„ „oordeelt. zoo is Eenparig door de gesamentlijke leeden geadvijseert en conform het voorstel van den Heer gouverneur noodsakelijk geagt en beslooten, Den koning van Tambora hier aan te houden, en hem te doen aanseggen sig bij provisie van alle gesag oeffening over de voorsz sijne afgeweeke onderdaanen te onthouden, vervolgens alle dese misnoegden ten eijnde deselve niet verstrooijt en het Rijck van Tambora van dese sijne landsaaken niet ontblood rake benevens de aanwe„ sende Rijks Edelen na hun land te rug te laten vertrecken, onder recommandatie van geene verdere beweeging onder elkander 554 van Maccasser den 29 Iunij 1771 elkander aldaar aan te regten of sig van daar te verwijderen maar onse nadere enpositive schicking hier op af te wagten Intusschen. Den Bimas Resident aan te schrijven alle mogelijke middelen nog eens voort laatst in 't werk te stellen ten eijnde ware 't mogelijk eene onderlinge bevree„ diging en vernietiging van alle voor„ gaande verschillen en misnoegens te treffen en ons van dies uijtslag ten spoedig„ ste verslag te geven en in cas sulks ook vrugteloos mogt werden bevonden als dan Den tegenswoordigen koning te dimiteeren ende gesamentlijke rijksgrooten te qualificee„ ven, tot de verkiesing van een anderen ko„ „ning te mogen treeden nadat bevorens als dan ijmand der leeden uijt desen Rade na e derwaarts sal sijn gecommitteerd en aldaar overgekomen om die verkiesing bij te woonen En zee Laastelijk van Maccassir den 29 Iunij 1771 Laastelijk, om voornoemden Resident van het verhandelde bij desen het nodige ter zijner narigt te Commu„ „niceerd /onderstond/ Aldus geresolveert en gearresteert op Maccasser ten Cas„ O „teele Rotterd„m datum ut supra /was geteekent:/ D: Boelen B: v: Pleuren M: Pieters T: w: H: v: Blijden „berg I: H: voll: A: Ravensberg en S: Monsieur 556 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Woensdag den 14. November Anno 1770 bij den oppertolk Gerrit Brugman zijn Heeden ter ordre van den wel Edelen gestrengen Heer gouverneur vergadert geweest de gesamentlijke Regenten van Saleijer te wee„ ten. voor den Bonto Ranga den steedehouder dain Mangoetoengie den regent van gantarang genaamt Dain Manigalli voor den Regint van Tanette Damn Malaijd Ia„ den regent van Boekit Dain Maman„ „ka voor den regent van Laijolo Dain Mangarmna den regent van Balla boelogenaamt Dain Manompo den Regent van Bonea gen:t Daijraete voor den Regent van Batta Matta desselfs Pongauwa Baligausaloe den van Maccasser den 29 Iunij 1771 De regent van opa opa gen„t dani managala Den regent van Bonto borus gen:t dain ma„ batoe den regent van Barang barang gen„t Dain Mangalihie voor die van Mare Mare desselfs Pongau„ wa genaamt oprena Basso den regent van poete bangoeng gent Potta, en Den Regent van onto gen„t Dain Man„ roepaij Ten eijnde te beslissen seeker verschil tusschen die van Boekit en onto over een stukse land eertijds /: so als onto vergeeft gehoordt hebbende onder 't district van den laast gen: dog ten tijde van den Resident Ravens„ berg door den regent van Boekit geEij„ „gent en aan hem toegeweesen, welk verschil dan door den oppertolk ter preesentie van saleijers Resident Jan Hend„k voll ondersogt en den Regent van . . 558 van Maccasser den 29 Junij 1771 van Boekit hier op 't eerst ondervraagd zijnde, heeft deselve gedeclareerd. Dat in vroeger tijden met onto in vriendschap leevende sijn onderdaa„ nen som wijlen gegaan waren op het land van onto om daar een Buffels craal te setten bij welke geleegent„ heijd dan de eerste questie was ontstaan om dat die van onto dese craal eens hadden laten omverkappen, en waar op zijl: sig bijde hadden geaddresseert met hunne klagten bij den Resident Ravensberg die als toen voor de eerste rheijse dat landstreekse aan Boehit had toegewesen Dat hier op uijt ordre van dien Regent sijn predecesseur die voorgegeven had daar toe permissie van den resident te hebben een limietschijding gemaekt was tusschen dit stuk land en de negorij onto beginnende de„ selve van liang Ionkea of tot geheel Batoe Mantirij aan de see kant ten noorden toe en hier van dan weder oostwaards op en van Maccasser den 29 Junij 1771 en het land in tot kambang-boeloe meong sijnde de onderdaanen ten eersten geordonneert om aldaar langs t strant Iongeklappus boomen te planten gelijk ook geschied was, Betuijgende op expresse afvraage, dat nog van t maken der Limiet schij„ ding, nog van 't planten dier Boomen iemand van de andere regenten kennisse ge„ „geven was veel minder bij t eerstgem: te hebben geassisteert gelijk ook nie„ „mand van s' residents weegen (:daar 't egter volgens betuijging van den Resi„ dent ende gezamentlijke Regenten, een constant en oud gebruijk op saleijer is dat er representanten van den Resident en twee â drie van de Regenten bij het maken eener Limiet schijding praesent sijn als, wanneer se altoos na verrigting derselven ernstig gerecommandeert wer„ den van deselve niet te overtreeden peene van 200 rd„s op Laastelijk 560 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Laastelijk moest voorschr: Regent van Boekit bekennen dat er bevorens geen nog Limietschijding tusschen Boekit en onto geweest en ook niet te weeten op wat fundament het in questie sijnde Landstreekee aan sijn Predecesseur toe„ „gewesen was, De teegen parthij, of den Regent van onto bragt hier op in Dat hij verstaan had van sijne voorsaaten en oudsten des lands hoe een der voorige Regenten van onto gen:t Manadsa met des Iongst overl: regent van Boekit sijn vader dis„ punt gekreegen hebbende over 't be„ thuijnen van de landen zijl: sig eerst bij den regent van bonto Bango en ver„ volgens verseld van deesen bij den doemaligen aldaar Comp: weegen beschijden leggende commandeerend sergeant ge„ „addresseerd hadden om hun verschil te de„ cideeren, waar
English
From Maccasser, the 29th of June 1771 whereupon the same, together with the Bonto Bango, had gone in person to inspect the boundary line of the land between Boekit and Onto, which was then pointed out to them by the Regent of Onto as extending as far as Liang Tonkea; but the Regent of Boekit, proceeding further northwards, wanted to have the same up to Batoe Mantirij inclusive, against which the people of Onto had most earnestly objected, being unwilling to cede the same, so that the matter remained undecided at that time, until again, in the time of Resident Ravensberg, the aforementioned dispute arose over the chopping down of the buffalo corral that the subjects of Boekit had erected on his land, and when that entire tract was 562 From Maccasser, the 29th of June 1771 was awarded to Boekit without notice thereof having been given to him or to any of the other Regents. The assembled Regents, having been asked hereupon what they thought or knew of this affair, and whether they had no knowledge of the dispute and how the same had been decided in the time of Ravensberg, the Regents of Bonto Borus, Laijolo, Batta Matta, and Mare Mare answered, as the eldest and the only ones who already held these their present offices at that time: That the aforementioned Resident, in the beginning 771 From Maccasser, the 29th of June 1771 beginning of this dispute between Boekit and Onto, had indeed gathered the assembled Regents together and given notice thereof, and that even for the decision thereof Assistant Kersseboom and the interpreter Theunis, together with the Regent of Opa Opa, the present Regent's father, were commissioned to go to that place and investigate who was right or wrong; which commission had indeed truly been carried out, but without any knowledge of the findings of that matter or of the resolution having afterwards been given to the Regents, they having heard nothing more of it since that time, nor to whom the piece of land in question was awarded. And in order to hear their considerations and opinions thereon so as to pronounce a final judgment thereon, 5629 From Maccasser, the 29th of June 1771 they maintained, under correction of wiser judgment, that this dispute should be left to the decision of the Right Honorable Governor, since they are Company subjects and the land also belongs to the Company; however, if it were left to their judgment, they thought it best to divide this place in question in two and award half of it to each. Below stood: Maccasser, date as above. Was signed: Gerrit Brugman. Lower stood: Signed in our presence: J. H. Voll Junior and J. Bremer. Further signed by the aforementioned Regents: Dain Mangoetoengie, Dain Manigallie, Dain Malaijdza, Dain Mamanka, Dain Manganna, Dain Manompo, Dain Irate, Baligausaloe, Dain Managalla, Dain Mabatoe, Dain Mangalikie, Oepoena Basso Potta, and Dain Manroepaij. In the margin stood: Let it be done; this questionable piece of land, From Maccasser, the 29th of June 1771 according to the proposal of the assembled Regents, is divided into exact halves between Boekit and Onto, for which purpose Resident Voll is ordered to make a clear separation. Below stood: Maccasser, the 16th of November, in the year 1770. Was signed: D. Boelen. Thursday 566 From Maccasser, the 29th of June 1771 Thursday, the 6th of June 1771, in the morning at 9 o'clock. All present except the Honorable Head Administrator Bernardus van Pleuven due to indisposition. The outgoing Governor, having ordered this meeting among other things in order now definitively to treat of the affair of the Tamborese, concerning which advice had been received by letter from the Bima Resident dated the 28th of January of the current year, first proceeded to read the reports containing the result of a final attempt made there, pursuant to what was resolved hereupon on the 10th of November of the past year, From Maccasser, the 29th of June 1771 of the past year by the assembled allies on our behalf to reconcile the discontented Tamborese with their King who has remained here; from which it has most clearly appeared how fruitlessly the same had ended, so that no expectation whatsoever could be built upon the much-desired effect of so many means employed to that end, while the insurmountable aversion and bitterness that resided on the side of the latter seemed to have risen to such a degree that to use any coercion in this matter and to force their King upon them as if by authority of the Honorable Company would undoubtedly, in this state of mind, bring about grievous consequences; wherefore His Honor proposed, the rope now being at an end, to execute what was resolved at the 568 From Maccasser, the 29th of June 1771 at the aforementioned session on this subject regarding the election of another King, and presently to make a beginning thereof by having the decision of his fate announced to the deposed King by a commission on our behalf, and on that occasion at the same time to demand from him the royal regalia that have hitherto remained in his possession, so that at the time of the earlier resolution cited above, upon the dispatch of one of the members of this assembly to attend the election and proclamation of another King with the approval of the Honorable Company, the same may then be sent along with him to be subsequently handed over to the newly elected prince and estates of the realm, and in the meantime to deposit the same in the great money vault under a proper register. From Maccasser, the 29th of June 1771 All of which, being unanimously approved, was resolved by these presents to be carried out. Below stood: Thus resolved and decreed at Maccasser in Castle Rotterdam, date as above. Was signed: D. Boelen, P. G. van der Voort, M. Peters, J. W. H. van Blijdenberg, J.s Ratiet, H. Voll, S. Mensieur, and Th. Linkers. To
Dutch transcription
van Maccasser den 29' Iunij 1771 waar op deselve met den Bonto Bango in persoon gegaan wa„ „en om de Limietschijding van t land Boekit en onto te besien, die hen dan door den Regent van onto aangeweesen wierd te strekken tot aan Liang Ton„ kea maar den Regent van Boe„ kit verder noordwaards op gaande wilde deselve hebben tot Batoe mantirij inclu„ sive waar tegen sig die van onto met allen ernst geset hadden deselve niet willen„ „de afstaan dus de saak te dier tijd ongedecideert gebleeven. was tot er weder ten tijde van den Resident Ravensberg het voorm: verschil van 't omverkap„ pen der luffels Craal die de onderdaanen van Bockit op zijn land hadden geset ont„ staan was en wanneer die geheele streek aan Boekit was 562 van Maccasser den 29 Junij 1771 was toegeweesen sonder dat hem of eenige der andere Regenten daar van kennis was gegeven. De gesamentlijke Regenten hier op gevraagd sijnde wat van deese af„ faire dagten of wisten en of zijl: van 't verschil en hoedanig t selve ten tijde van Ravensberg uijtgesproo„ ken was geen kennis hadden. zo antwoorden de regenten van bonto borus Laijolo Batta matta en Mare mare als de oudste en die tedier tijd reeds deese eenigste 3 hunne presente waardigheeden be kleed hadden Dat den Resident voorsch: in het begin 771 van Maccasser den 29 Iunij 1771 begin deeser gustie tusschen Boehit en onto de gesamentlijk regenten wel bij een vergadert en kennis daar van gegeven had en dat selfs ter beslissing van deselve den adsistent kersseboom en den tolk Theunis ne„ vens den regent van opa opa des pre„ „senten vader waren gecommitteert om na die plaats te gaan en onder„ soek doen wil gelijk of ongelijk had so als deese commissie ook dog sonder waarlijk volvoerd was dat naderhand aan de regenten van de bevinding dier saake of van het besluijt eenige kennis ge„ geven is geworden hebbende sijl: na die tijd daar van niets meer gehoort ook niet aanwien het in questie leggende stuk land is toe geweesen En om hunne Consideratien en gevoelen daar over te hooren ten eijnde daar op een beslissend te vellen zo 1 5629 van Maccasser Den 29 Iunij 1771 zo sustineerden se onder corvectie van wijser gevoelen dit dispuut aan de deci„ sie van den wel Edelen gestr: Heer gouverneur over te laten dewijl sijl: Comp: onderdaanen sijn en de grond meede de compagnie toebehoort dog indien 't aan haarl: oordeel gelaa„ „ten wierd dagten sijn best te sijn om deese plaats in gequestie in tween te verdeelen en een ijder daar van de helft toe te wijsen /onderstond:/ Maccasser Datum ut supra /was„ geteekent:/ Gerrit Brugman / lager ons present geteekent I: H: voll Junior en J: Bremer wijders ge„ teekent door voorsch. Regenten Dain mangoetoengie dain manigallie dain malaijdza dain mamanka dain manganna dain manompo dain Irate, Baligausaloe dain managalla dain mabatoe, dain mangalikie, oepoena basso Potta en dain manroepaij /ter sijde stond/ Fiat dit questieuse stuk se Land na van Maccasser den 29 Junij 1771 na het voorstel van de gesamentlijke Re„ genten in de geregte helft verdeelt aan Boekit en onto waar toe den Resident voll werd geordonneert en sijvere schij„ ding te maaken /onderstond/ Maccasser den 16 9ber: Ao 1770 /was geteekend:/ D: Boelen Donderdag 566 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 Donderdag den 6: Iunij 1771: s' morgens ten 9: uuren alle Present dempto„ den EE Hoofd administrateur Bernardus van Pleuven door Indispositie Den Heer afgaande Gouverneur dese t zamen komst onder anderen ook gedecerneert hebbende ten eijnde over de saak der Tamboreesen waar van bij schrijven van den Bimas Resident in dato 28 Iannuarij Ao stantij het advis was ingekoomen als nu ten difinitive te besoigneeren pro„ ceerde hier op aanvanglijk de berig„ ten die den uijtslag behelsden eener laatste opoging aldaar ingevolge het beslootene hier over op den 10 novemb„r ao pasjato van Maccasser den 29 Junij 1771 ao pass„o door de gesamentlijke Bond„ genooten van onsent weegen in 't werk gesteld ter bevreediging van de misnoegde Tamboreesen met hunn: alhier verbleven koning waar uijt ten klaarsten is gebleeken hoe vrugteloos deselve was afge„ loopen so dat geene verwagting altoos te bouwen waare op het So seer betragt uijtwerksel van soveele daar toe aangewende mid„ „delen terwijl den onoverkomelijken afkeer en verbittering die aan de sijde der laatsten huijvestede tot sodanigen gesteepen scheen dat hier inn: trap eenigen dwang te gebruijken en hen„ lieden hunnen koning als op autho„ riteijt der E Comp: op tedringen on„ getwijffeld bij deese gesteldheijd der gemoederen sacheuse gevolgen soude na sig sleepen weshalven sijn wel Edele gestr: pro„ poneerde om als nu het eijnde bot sijnde ter uijtvoer te brengen het gearresteerde bij de 568 van Maccasser den 29 Junij 1771 bij de voorsz: sessie op dit subject, omtrent de verkiesing van een anderen koning en thans daar van een begin te maken met den verstovene bij eene commissie van onsent weegen te laaten aankundigen de decisie van sijn noodlott en bij die geleegentheijd teffens van den selven af te vorderen de rijks Insignia dus lange nog onder hem verbleven ten eijnde ter tijd aan het vroeger beslootene voorwaarts gecit: door de afzending van een der leeden van dese vergadering naderwaarts tot het bij woonen van de verkiesing en proclamatie van een ander koning onder approbatie van d E Comp deselve als dan gelijk aan den sodanigen mede te geven om vervolgens aan den nieuw verkoren vorst en rijks„ stenden te werden overhandigt en middelerwijl deselve bij de grote geld Cassa te seponeeren onder een behoorlyk Register Van Maccasser den 29 Iunij 1771 Al het welke unanim goedgekeurt sodanig bij desen gearresteert is te laten volbrengen /onderstond:/ Aldus geresolveert en gearresteert op maccasser ten Casteele Rotterdam datum utsupra /was geteekend:/ „ Boelen, P G: V d: voort M: Peters J: W: H: v: Blijdenberg J:s Ratiet H voll S: Mensieur en Th Linkers Aan
English
520 From Makassar, 29 June 1771 To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir David Boelen Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, and outgoing, And The Right Honorable, Esteemed Sir Paulus Godofredus van der Voort Incoming Governor and Director of this Celebes. Right Honorable, Highly Esteemed, and Esteemed Sirs, In accordance with the respected orders of Your Honors, we the undersigned presented ourselves at the dwelling of the King of Tambora and announced to him on behalf of Your Honors how, after multiple efforts made, everything had been in vain to move his subjects to acknowledge him again henceforth as their king; for which reasons we were therefore also commissioned to dismiss him from that status in the name of the Company. Whereupon we received the answer that he would submit in all things to the will of the Honorable Company as well as to that of Your Honors, but at the same time requested Makassar, 29 June 1771 1418 Examined requesting to have the freedom to settle, along with those still remaining with him, under the territory of Bima; and at the same time, when we requested the regalia, these were handed over to us as they are specified below: 2 gongs 2 payongs 1 shield on a stand 2 gandrangs 1 royal carrying chair 1 drum 32 assorted firearms 1 silver oboe 1 copper ditto 26 grenadier caps 1 pennant 14 cartridge boxes 1 flag 1 kris 2 baju rantes 1 piece of carpet 1 halberd 2 with swivel guns 1 standard Hoping therewith to have complied with the respected orders of Your Honors, we take the liberty to call ourselves, with all due esteem and respect, Right Honorable, Highly Esteemed, and Esteemed Sirs, Your Honors' most humble and most obedient servants, Signed: S. Monsieur and J. J. Linkers In the margin: Makassar, 27 June Anno 1771. Beneath stood: For the translation, signed: Gerrit Brugman. Below stood: Agrees. Signed: F. J. Voll, sworn clerk. R. D. van Haak Secret Makassar Daily Register etc. 542 From Makassar, 29 June 1771 Secret Daily Register Tuesday the 16th, Wednesday the 17th, Thursday 18th, Friday 19th: Nothing occurred. Saturday the 20th: An emissary from the Queen of Tallo arrived, who had been sent from the Sidenreng inland areas for no other purpose than to greet me on her behalf and to inquire after my well-being, for which the bearer departed again with a counter-greeting and expression of gratitude to Her Highness. Sunday and Monday the 21st and 22nd: Nothing. Tuesday the 23rd: I had the King of Gowa—who had particularly stood in the breach, claiming to be the owner of a certain vessel seized by the toll farmer on suspicion of smuggling—notified through the interpreter Israel Pieters that the offense committed in this matter was overlooked for this once as a favor to His Highness and that the vessel was released again, but that I also expected greater vigilance on the King's part regarding the Mandarese, concerning whom I had been informed that some vessels were once again lingering near Sapiria, From Makassar, 29 June 1771 Sapiria, with the request that he would permanently deny entry into the Gowa river, at whose outlet into the sea this settlement is situated, to them and henceforth to all of that nation; which he promised me to comply with, offering thanks for the favor shown contrary to the toll farmer's intention, letting an emissary take over the seized vessel again on Wednesday the 24th. Thursday 25th to Sunday the 28th: Nothing. Monday 29th: Upon receiving information that a certain Bonese prince, Mappa, had abducted a Company subject nearby and round about here, and had subsequently already sold him off elsewhere, making restitution for this robbery impossible for the time being, I sent the sub-interpreter Pietersz to the gallarrang of Bontoala, as the one primarily responsible during the absence of the sulewatang of Bone for the transgressions of the royal family, in order to press him for the restitution of the money resulting from this sale, and furthermore to proceed to the place where 79 574 From Makassar, 29 June 1771 where further information regarding this act of violence might be given to him, being at the same time charged with the delivery of a letter to the Queen of Tanete, whither he set out on his way. Tuesday the 30th: Nothing. Wednesday 31st: I sent, with the interpreter Pieter Bartels stationed at Maros, a letter to the King of Bone into the inland areas. November Thursday the 1st to Saturday the 3rd: Nothing. Sunday 4th: The interpreter Pieters, having performed his commission mentioned on the 29th of the past month, returned today with the report that, after delivering the letter to the Queen of Tanete, during which he was accompanied by Sergeant Carel August Routje, who was commanded to transport the timber, he arrived with the same back at Segeri and was further informed there concerning the reason for his mission to the gallarrang of Bontoala, namely that the abducted person, a prahu builder by trade, had been engaged under a pretext by the said Mappa to repair his vessel, but that he, instead of
Dutch transcription
520 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Aan den wel Ed: Gestr: Heere David Boelen Raad Extra ordinair van nederlands Jndia, Mitsgaders, afgaande En Den wel Edele Agtbaare Heere Paulus Godofredus van der voort Aankomende Gouverneur en Direc„ teur deeser celebes Wel Edele Gestr: en Agtbaare Heeren Ingevolge uw Ed: Gest: en Agtb: g'Eerde ordres hebben wij ondergeteekendens ons vervoegt ten woonhuijse van den koning van Tambora en aan deselve uit nam van uw Ed: gestrenge en agtbr: aangesegt hoe dat na veel vuldige genoomene moeijte alles vrugteloos was om sijne onderdaanen te bewegen om hem voortaan weder als haare koning teverkennen; om welke reedenen wij dan ook Gecommitteerd waaren om hem uijt naam van de Comp: van dat Carac„ ter te ontslaan waar op wij in antwoord kreegen dat hij sig in alles aan d' wil van d'E Comp: benevens die van uw Ed: Gestr: en Agtb: zoude gedragen, dog teffens ver„ socken Maccasser den 29 Iunij 1771 1418 Nagezien soekende om d' vrijheijd te moogen hebben om sig met de nog bij hem sijnde onder het gebied van Bima te mogen stabileeren en tef„ fens ook de Rijksfornamente afvragende wierde ons die overhandigt zo als deselve hier onder gespecificeert staan 2 gomgoms 2 paijongs 1 schildend„s op ookie 2: gandrangs 1 koning draag stoel 1 trom 32: geweeren in soort 1 silver hoboeij 1 Copere _o 26 granadier mutsen 1 wimpel 14 patroon 1 vlag 1 kris 2. badsoe rantes 1 stuk alkatieff 1 helmbaard: 2. met draaij basse 1 vandel waar meede verhoopende aan d' g'Eerde ordres van uw Ed: gestr: en agtb: te hebben voldaan, zo neeme wij de vrijheijd met de alle verschuldigste agting en Eerbied ons te noemen /:onderstond:/ wel Ed: gestr: en agtbaare heeren /lager/ uw Ed: gestrenge en Agtbr: onderdanigste en gehoorsaamste dienaaren /was geteekent:/ S:n Monsieur en I:s I:s Linkers Inmargine Maccasser den 27: Iunij A:o 1771: daar onder stond/ voor de vertaaling /getekent:/ Gerrit Brugman /on„ „derstond/ Accordeert / Was geteekend:/ F: I=s voll gesw: clercq R. D„ van Haak Secreet Maccasserse Dagregister & 542 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Secreet Dagregister dingsdag den 16: woensdag den 17: Donderdag, 18. v rijdag arriveerde Een sendeling van de koninginne van Tello Saturdag „ 20:e die uijt de sideenringse binnen landen tot geen an„ der eijnde was gesonden als om mij van haren'twegen te groeten en na mijne welstand Informatie te nemen waar voor den brenger met een Contra groet en dank betuiging aan haare Hoogheid weder ver„ trocken is. Sondag en maandag den 21. en 22: niets liet ik den koning van Goack, die sig voor den eijge„ naar van seker door den boomspagter op suspicie van sluijkerij aangehaald vaartuijg in 't bijsonder hadde in de bresse gesteld door den tolk Israel Pieters aanzeggen dat den misslag daar bij begaan voor dit„ maal ten gevalle van sijne hoogheijd voor de vingeren was gesien en dat vaartuijg weder ge„ largeerd, dog dat ik ook van 's konings zijde meerder waaksaamheijd verwagtede omtrent de mandhareese, waar van mij onderrigt was dat zig eenige vaartuijgen weder ophielden bij niets voorgevallen „ 19: Sapira van Maccasser den 29 Iunij 1771 Sapiria, met versoek dat hij den ingang der Goakse rivier op welkers uijtwatering in zee deese negorij geleegen is aan henl. en voortaan ook aan alle van die natie voor altoos wilde ontzeggen: het geen hij mij belooven deed, te zullen nakoomen onder dank betuijging voor de beweese gunst tegen 's pagters doel, latende Woensdag den 24, het aangehaald vaartuijg door een en zendeling weder overneemen donderdag, 25: tot sondag den 28: niets maandag. 29. op bekoomen Informatie dat seker Bonijs prinsje Mapa hier na bij en omtrent geroofd en vervolgens en vervolgens reeds na elders van de hand gezett hadde een Comp: onderdaanen waar door de resti„ tutie van desen roof altoos voor eerst ondoenlijk was geworden sond ik den ondertolk Pietersz: na den glarrang van Bontoealak als bij afwa„ sendheijd van den soelewattang van Bonij voor de Transgressen van de koninglijke familie respon„ sabel in de Eerste plaats ten eijnde op de restitutie der penn: uijt deesen koop geproflueert bij denselven t urgeeren en verder zig te vervoegen ter plaatse alwaar 79 574 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 alwaer hem nadere aanwijsing weegens dit geweld mogte werden gedaan, zijnde teffens belast met de bestelling van een brief aan de koningme van Tanetto verwaerts hij zig op weg begeeven heeft sond ik met den op maros beschijden tolk Pieter Bar„ woensdag „ 31: „tels, Eeen brief aan den koning van bonij na de binne vanden, tot Saturdag den 3: niets den tolk Pieters zijnen last bij den 29 der Jongst verweekene zondag, 4: maand vermeld verrigt hebbende retourneerde heden met berigt als dat hij, na den brief aan de Koninginne van Tanette te hebben overhandigt en waarbijhij van den tot den afscheep der verthieving gecommanderden sergi„ ant Carel august Routje was verseld geweest met den selven weder op Sagerie g'arriveerd en aldaar nader g'informeerd, was nopens de reeden van zijne Com„ „missie na den glarrang van Bontoealak, namelijk dat den geroofde van handwerk een prauw bouwer, on„ „der voorwendsel door gem: Mappa ware aangenoomen om desselfs vaartuig te verstellen dog dat hij in plaats November donderdag den 1: dingsdag den 30:e van
English
From Makassar the 29 June 1771 Wednesday instead of being set to work, had on the contrary been overpowered by the prince's men, bound, and thrown into a vessel head over heels in such a manner, and carried out of the river; upon which complaint, made here concerning this to the Gallarrang, he had promised through this interpreter to make every effort to obtain, if not the abducted subject, at least his price, and in no way to leave the guilty party unmolested in this matter. Monday the 5th: An audience was requested by an emissary of the recently arrived envoy of the king of Dompo for the same, who thereupon Tuesday the 6th: appeared and handed me a letter from his master, to be inspected among the appendices. Having learned that the majority of the Tamborese present here had departed from here under certain discontented court dignitaries to a village called Matoanging, I sent an emissary to these chiefs, being the Jureli Kankelo and Jeneli Foeij, to summon them to present themselves with their adherents 526 From Makassar the 29 June 1771 by tomorrow morning before the Company's Great Garden, where I had also summoned to me through an assistant interpreter the dignitaries of the king of Tambora, as many as had remained loyal to him; and they all appeared at the appointed hour. Thursday the 8th: Namely Tureli Tambora, Toereli Baramboeng, and Geneli Lalwong, who were all of the king's party. These having entered first and having been informed by me of the reason why I had summoned them here separately from their king, the remaining discontented persons also approached. Having addressed the latter first and inquired about the cause of their retreat, but especially whether they were perhaps incited by anyone and stiffened in this their rebelliousness and open defection, they answered: That they had come to this upon no one's advice or instigation, but on the contrary out of their own free will after mature deliberation and as a result of their despondency, since their grievances already submitted previously, as it had appeared to them, had not been able to obtain any hearing or acceptance; that nonetheless, From Makassar the 29 June 1771 however much longing for a deliverance or release from their king, and in proof of their acknowledgment to seek help nowhere except with the Company, they had taken good care not to move beyond the limits or the territory of the Honorable Company. I asked them upon this whether they had previously brought their complaints respectfully before the eyes of the king in a manner permissible and decent according to the laws of the country in such cases, with submissive petition for relief from the burdens pressing so heavily upon them. Jureli Kankelo, one of the chiefs of the departed Tamborese, answered not only to have done so to the king in person, but also to have conferred on this subject with his fellow dignitaries, being the first ones currently present on the king's behalf, to the end that they jointly should try to bring about with their master less severity or violence, on the other hand somewhat more accommodation, and where possible to obtain restitution of the fines imposed on the majority of the subjects by the king before their departure hither, as one of the most suitable means to quiet the aversion and mutinous spirit of the people; but that this his From Makassar the 29 June 1771 attempt had proven to date to have been of no desired effect as yet. This declaration of the discontented having been sufficiently confirmed as true by Jureli Barambong, Tureli Tambora, and Geneli Lalwong, and being verified upon my further questioning of them all, that these same grievances of the Tamborese subjects against their king, prior to their journey hither, had been investigated on Bima by the Resident and had been settled to the mutual reassurance to the extent that the king had promised a gentler government and had declared he would forget the memory of these disagreements and rebelliousness forever, but that notwithstanding this, while still over there, he had subsequently begun to resume his previous cruelties and oppressions, which they also testified they would not have failed to bring before the eyes of the Resident once more with their complaints, had they not been diverted from doing so both by the preparations for their passage and especially by the prospect and hope of finding a more suitable opportunity for that purpose here. After From Makassar the 29 June 1771 After a repeated confirmation of the foregoing, I recommended the present dignitaries to give their king a faithful account of what had occurred at this meeting and of the submitted interests of the discontented, as well as of their collective declaration of the truth of the matters raised; which they having promised, they arose and departed. The crowd of discontented was dismissed at the same time, but strictly ordered not to remove themselves together any further from here than the place to which they had already withdrawn for their residence. In the afternoon I sent the interpreter Pietersz to the king to summon his aforementioned dignitaries to me by tomorrow morning at 10 o'clock; whereupon also Friday the 9th: appeared at the appointed time: Tureli Tambora, Jureli Barambong, Jeneli Lalwong, and Jeneli Wowo; to whom I held forth circumstantially and made known in emphatic terms how they must now be convinced that their sovereign, according to their unanimous confirmation, had gotten into this labyrinth not through outside causes, but on the contrary through his own actions alone.
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Iunij 1771 woensdag„ van te werk gesteld te zijn in teegendeel door's princen volk overmand, gevleugeld en sodanig in een vaartuig gesmeeten over als over kop de Rivier uijtgevoerd was ge„ worden op welke klagte hier over aan den glarrang gedaan hij met desen tolk belooven liet alles in 't werk te zullen stellen om zoo niet den geroofden onderdaan ten minsten de prijs van den selven te bekoomen en den schuldigen daar over in geene deelen ongemoeijt te zullen laaten, Maandag den 5: wierd door een sendeling van den onlangs alhier g'arri„ veerden afgesant van Dompos koning voor den selven acles versogt die hier op 6: verscheen en mij een brieff van sijnen meester overhandigde dingsdag onder de bijlagen te b'oogen J: vernoomen hebbende, dat zig het meerendeel der alhier aanweesende Tamboreesen onder seekere misnoeyde hoffgrooten van hier begeeven hadden na eene Negorij. geheten Matoeanging sond ik een zendeling na dese hoofden zijnde den Iureli Kankelo en Ieneli Foeij om hen aan te zeggen van zig met hunne adharenten tegens 526 van Maccasser den 29 Iunij 1771 tegens morgen alle te vervoegen voor 'sComp groote Truijn alwaar ik bij mij door eenen ondertolk teffens ontbooden had des koning van Tambora sijne rijksgrooten zo veele als hem waaren blijven aankleeven en zij verscheenen alle op het bepaalde uur Donderdag den 8. teweeten Tureli Tambora, Toereli, Baramboeng en Geneli Lalwong die alle van s konings Partij waaren dese het eerst binnen gekomen en door mij onderrigt, om wat reden ik hen afsonderlijk van hunnen koning al„ hier ontboden had nader den ook de overige misnoegden dewelke het eerst aangesprooken en gevraagt na den oorsaak van hunne retraite, dog insonderheijd of 2' ook door den eenen of 't anderen wierden aangehitst en in deese hunne weder spannigheid en opentlijken afval gestijft, antwoorden, Op niemands Raad of 't Instigatie daar toe gekoomen te zijn maar wel in teegendeel uijt eijge vrije beweging na rijp overleg en door een uitwerk, sel van hunn: klijnmoedigheijd, also hunne bereeds te vooren ingediende beswaarnissen /:so 't hen toegescheenen had:) geen gehoor of 't ingang hadden mogen verkrijgen; dat ze niet te min hoe van Maccasser den 29 Junij 1771 hoe zeer ook na en bevrijding of't ontslag van hunnen koning hakende en ten bewijse hunner erkentenis van geene hulpe nergens ten zij bij de maatschappij te zoeken wel gesorgt hadden van zig niet te begeeven buijten de Limiten of het Terretoir der E Comp: Ik vroeg hen hier op of ze hunne klagten alvoo„ vens op eene na Landswetten in diergelijken geval geoor„ loofde en betaamelijke wijse den koning eerbiedig onder het ooge gebragt hadden, met submisse Instantie om ver„ „ligting der hen zo zwaar drukkende Lasten Iureli kanhelo een der hoofde van de uijtgeweeke Tamboreesen antwoorde zulks niet Alleen bij den koning in persoon te hebben gedaan maar ook zijne mede rijksgrooten de bij de Eersten die van shonings wegen thans praesent waaren over dit sujet te hebben onderhouden, ten eijnden zij gesamentlijk bij hunnen meester zouden zoeken te bewerken, minder strengheijd of geweld daar en tegen wat meerder Inschicking en waar 't mogelijk te verwerven restitutie der Boetens aan 't meerendeel der onderdaanen door den Koning voor hun vertrek na herwaarts opgelegd als een der be„ quaamste middelen om de afkeerigheijd en muijt„ ziekte van t volk te kunnen stillen; dog dat dese zijne van Maccasser den 29 Iunij 1774. zijne Poging was gebleeken tot dato heden als nog van geen gewenschte uitwerking te zijn geweest dese verklaring der misnoegden door Iureli Barambong Sureli Tambora en Geneli Labwong genoegsaam als waar bevestigt en op mijne naadere aan hen allen gedaane afvrage bewaarheijd zijnde dat deese zelfde beswaarnissen, van den Tamborese onderdaanen tegens hunnen koning voor hunne opkomst herwaarts op Bima door den Resident onderzogt en in zo verre tot weederzijds gerust stel„ „ling beslist waaren dat den koning eene zagters regeering beloofd en verklaard hadde het geheugen deser oneenigheeden en wederspannigheijd voor altoos te zullen vergeten Edog dat hij in weerwil hier van in 't vervolg sijne voorgaande wreedheeden en onderdrukkingen nog ginter zijnde begonnen had te hevatten, en het geene zee ook betuijgden niet te zouden hebben nagelaten andermaal voor d'oogen van den Resident met hunne klagten te brengen, waaren ze daar van niet gediverteert so door de toebereijdselen van hunne overtogt als insonder„ „heijd door het voor uitzigt en de Hope van daar toe al„ hier een bequamer gelegentheijd te zullen aantreffen, Na van Maccasser den 29 Iunij 1771 Na en herhaalde bevestiging op dit voorgaande recommandeerde ik de presente rijksgrooten hunnen koning, van het voorgevallene bij dese te sam inkomst, en de Ingebragte belangen der misnoegden zo wel als hunner allen verklaaring van de waarheijd der geop„ „perde zaken een getrouw verslag te doen het geene deese beloofd hebbende, hier meede opgereesen en vertrokken zijn den misnoegden hoop wierd hier mede tegelijk gedepecheert, dog ernstig gelast zig te zaamen niet verder van hier te verwijderen dan de plaats die ze bereets tot haar verblijf hadden vertrokken Ik sond 's namiddags den Tolk Pietersz: na den koning om zijne voorn:t rijksgrooten tegens 's anderdaags morgens om 10. uuren bij mij te beschijden; waar op ook vrijdag den 9: ter bepaalde tid verscheenen Tureli Tambora Iureli Barambong Tenli La Ewong en Jendi wowo„ welken ik in termen van nadruk omstandig voor oogen hieldt en te kennen gaff hoe ze nu overtuijgd moesten zijn dat hunn vorst dus volgens hun eenparige bevestiging niet buijten maar wel inteegendeel door zijn eijgen toe doen allen in dit Labyrinth
English
580 From Maccasser, 29 June 1771 drawn into a labyrinth, and how thus far everything had been in vain that I had sought to bring about to remove this discord and restore, where possible, peace and affection between the parties, asking them at the same time whether they could still think of any other useful means in this matter, but they all answered no, and declared that they would solely await their fate from the pleasure of the Honorable Company, into whose hands they declared they had all surrendered themselves, in order to help promote their welfare and best interests in reliance upon a powerful assistance, which they were assured they could nowhere better receive; and thereupon they departed again to their lodgings. Regarding this thorny affair of the Tamborese, I had the Political Council convened on Saturday the 10th, presenting in detail the context of the matters since the origin of these disturbances (as is recorded at large in today's held Resolution) and the outcome dictated to keep the king here until further notice, but on the other hand, Maccasser, 29 June 1771 to send all the Tamborese dignitaries present here back to their country, and to provide the Resident of Bima with the required knowledge of everything to this extent, with such orders and further arrangements as are to be found in the aforementioned record of this meeting; also on Sunday the 11th, I had the king of Tambora informed by the chief interpreter Brugman, accompanied by the deputy interpreter Blij, of what had been resolved the day before in the council for the benefit of his cause in the hope of a desired outcome, and what urgent reasons had moved me not to allow him to return to Tambora with his subjects at this time; it appeared that he, judging the arrangements made to be good and necessary, was also willingly prepared to submit to them and patiently await the outcome of the order dispatched on this subject to Bima's Resident; he had only made a request that such of his people as wished of their own choice to remain at his service during his stay here might stay with him and be excused from the journey home; the dignitaries had 582 from Maccasser, 29 June 1771 given notice that due to a lack of people they would not be ready to travel before the 17th or 18th of this month, and had me requested to provide them with a letter of safe conduct. Having been informed of this in the manner aforesaid by the interpreters who returned, and brought news that the Queen of Tanette had arrived, on Monday the 12th I had the King of Tambora answered, through the aforementioned Blij, regarding his request to retain some people here for his service and also for the keeping of the royal regalia, on Tuesday the 13th: that this was granted to him, and that for this purpose the Tureli Baranboeng together with 2 sergeants and their subordinates had been set apart; likewise that I would give orders that the galarangs and elders, after the arrival of his people on Tambora, should be sent everywhere the remaining dissatisfied Tamborese had dispersed, in order, if possible, to work upon them so that, setting aside all resentment, they might once more let themselves be persuaded to make peace with him; for all of which he had me very politely thanked, but requested that the Tureli Tambora might be left with me instead of the aforementioned, and that for the reason that the former cherished a particular longing to go to his wife whom he had left behind, who upon his departure hither had been in childbed for only 3 months; which I accordingly arranged to the king's satisfaction; he had furthermore made known to the interpreter Blij the flight of 1 of his serfs, who had gone to the malcontents at Matohanging, requesting that I would give orders for the same to be returned to him. On Wednesday the 14th, an emissary from the Queen of Tanette arrived, offering me his mistress's greetings and at the same time giving notice of her arrival, for which I had Her Highness thanked with returned greetings. Thursday the 15th: the envoy of Dompo's king having appeared upon obtaining an audience, I handed him a letter for his master. Friday the 16th and Saturday the 17th: nothing occurred. Sunday the 18th: I sent the chief interpreter Brugman, accompanied by Sende La Ewong and Jeneli Woeo together with the 2 sergeants who had hitherto remained on the side of Tambora's King, with the assistant interpreter Blij, to the malcontent Tamborese staying at Matoanging and their chiefs Tureli Kankelo and Jeneli Foeij, in order to make 584 From Maccasser, 29 June 1771 a final attempt to see if there might still be means to bring them, through amicable ways and promises, to reconcile themselves again with their king; however, in vain, for notwithstanding this, they obstinately persisted in their previously given declaration; nevertheless, upon the reclamation of the king's runaway slaves, of which only 3 were found among them, they handed them over willingly, stating that they knew nothing of the other two. Thereupon, I had these 3 slaves returned to the king, who thanked me for all the efforts made upon the return of the dispatched interpreters, and on Monday the 19th, pursuant to the notice given to him, promised that he would give orders that the Turelis of Tambora and Barambong, with their subordinates, should make themselves ready to travel by the day after tomorrow, in order to be able to depart for the opposite shore. Also, a message from the King of Gowa inquiring after my health was answered with returned greetings. Audience granted to the Queen of Tanette on Tuesday the 20th, upon her
Dutch transcription
580 Van Maccasser Den 29 Iunij 1771 Labijrintk naas geraakt, en hoe het dis vere alles te vergefs was gevust wat ik tot wegruijming van dese weedragt en hersteling waar 't mogelijk, van de vreede en liefde tusschen partijen had soeken te weegt te brengen, hen teffens afvraagende of ze nu ook nog Eenig ander middel kon„ „den uijtdenken hier in van nutt dog zij antwoorde alle van neen, en betuijgden hun lost alleen te zullen affwagten van het goedvinden van d'E Comp: in wiens handen zij verklaarden zig alle te hebben overgegeeven, om hun welzijn en best te willen helpen bevorderen in vertrouwen op een kragtigen bijstand dien zo versekert waaren nergens beter te zullen kunnen wedervaaren, en hier op vertrocken ze weder na hunne verblijff plaatsen. Let ik overdit netelig gal der samboreden den potiquer ad Saturdag den 10:' Convoceeren stellende den 't samenhang der saken sedert den oir„ spronk deser onlusten omstandig daar inne voor (:zoo als bij de gehoudene Resolutie van heden breedvoerig aangeteekend: s:/ en den uijtslag dicteerde den koning hier te houden tot nader dog daar en teegens, Maccasser den 29 Iunij 1771 Jan alle de hier aanweesende Tamboreesen hunne rijksgrooten weder na hun Land te zenden, en den Resident van Bima zo verre de vereijschte kennis/ van het een en ander te doen geworden, met sodanigen Last en verdere beraaning als bij de gewaagde aanteekening deeser vergadering zijn te slaan, ook liet ik Sondag den 11: den koning van Tambora verwettigen door den oppertolk Brugman verseld, van den substitut Tolk Blij wat tot voor„ deel van zijne zaak in de hoope op een gewenschten uitslag daags te voor in vergadering was beraamt, en welke dringende redenen mij bewogen hadden van niet toe te laten dat hij ditmaal met zijne onderdaanen weder na Tambora zoude keeren het scheen dat hij de genoome schickingen voor goed en noodsakelijk keurende ook bereijdwillig zig daar aan wilde onderwerpen en geduldig afwagten het gevolg van den last op dit sujet voor Bimas Resident geschikt alleenlijk had hij versoek gedaan, dat sodanige zijner volkeeren, als hem uijt eijge keuse geduurende zijn vertooff alhier ten dienste wilde staan bij hem blijven en van de heen rijse g'Excuseert blijven mogten de rijks grooten hadden te 582 van Maccasser den 29: Iunnij 1771 te kennen gegeven door gebrek aan polk niet voor den 17. f 8 deeser rijsvaardig te sullen kunnen zijn en lidten mij versoeken van hen Een geleijde brief te willen mede geven. hier van invoegen als voorm: geinformeert door de Tolken die„ Wederom zijn gekoomen, en tijding mede bragten dat de Maandag den 12: koninginne van Tanette was g'arriveert liet ik den koning van Tambora op sijn versoek om Eenig volk dingsdag „ 13: alhier tot zijn dienst en bewaaring teffens der rijks Insiquia te mogen aan houden door den voorn: Blij antwoorden zulks aan hem toe te staan en hier toe te hebben afgeson„ „dert den Tureli Baranboeng nevens 2: sergianten en hunne onderhoorige zo mede dat ik last zoude geeven dat de glarrangs en oude lieden na de aankomst zijner volkeren op Tambora, over alwaar zig de agter geblee„ vene misnoegde Tamboreesen verstrooijt hadden zouden afgesonden werden om waar 't mogelijk op hen te bewer „ken, dat ze alle gevoeligheid ter zeijde stellende zig nog een maal tot bevreding met hem persuadeeren lieten voor al het welke hij mij zeer heuslijk liet bedanken. dog versogt dat den Tureli Tambora mogte bij mij werden gela„ „ten, instede van den voornoemdeen dat wel om reeden den eersten een bijsonder, verlangen voed de zijn agter gelats huysvr: Van Maccasser den 29 Iunij 1741 huijsvrouw die met zijn vertrek na herwaarts pas 3: maanden oud krams waas te gaan vinden, het geen ik deusdanig tot 's konings gevallen hier in verschikte; nog had hij den tolk Blij te kennen gegeven de vlugt van 1: zijner lijfeijgenen die zig tot de misnoegden op Matohanging hadden begeeven versoekende dat ik wilde order geeven dat deselve weder aan hem uijtgeleeverd wierden woensdag den 14. quam Een zendeling van de koninginne van Tanette mij onder aanbieding van zijne meesteresse haare groete teffens kennis geeven van haar arrivement, waar voor ik haare Hoogheijd na weder groete bedanken liet, donderdag, 15: den gesant van dompos koning op verkreegen alles verscheenen stelde ik hem ter hand een brief voor zijnen meester: vrijdag „ 16: en Saturdag den 17: niets voorgevallen Sondag „ 18: Sond ik den oppertelk berugman om verseld van Sende La Ewong en Teneli woeo nevens de 2: sergianten, die zig tot dus verre aan de zijde van Tamboras Koning gehou„ „den hadden met den Onder tolk Blij bij de hen op ma„ toeangieng ophoudende malcontente Tamboreesen en der„ selver hoofden Iureli Kankelo en Jeneli Foeij om eene 584 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 Eene laatste poging aan te wenden oper nog middel mogte weesen hen langs minnelijke weegen en toeseggingen daar toe te brengen, dat ze hen weder met hunnen koning versoenden Edog te vergeefs, want ze in weerwil hier van onverzettelijk bij hunne te vooren gegevene verklaringe waren blijven volherden niet te min, op de reclame van 's konings weg„ geloope slaaven; waar van van en maar 3: stuks onder hen gevonden wierden lewerden zij deselve goedwillig over te kennen geevende van de beijde andere niets teweeten:- Ik liet deese 3 slaaven hier op weder aan den kooning overgeeven, die mij voor alle aangewende moeij„ bij retour der afgesondene Tolken op bedankt en ingevolge mijne aan hem gedaane aanzeg. Maandag den 19: „ging beloofd had te zullen last geven dat de Iurelies Tambora en Barambong met hunne onderhoorige tegens over morgen zoude maaken rijsvaardig te zijn ten eijnden na d overwal te kunnen vertrecken, ook is en boodschap van Goakse koning ter Jn„ formatie na mijnen welstand onder weder groete beantwoordt alles verleent aan de koninginne van Tanette op dingsdag, 20: haar
English
From Maccasser the 29 Junij 1771 her request, made through an envoy with conveyed greetings for tomorrow, for when I summoned the king of Tambora also to appear before me, accompanied by his two councillors of state, the Turelies Tambra and Baramboeng, in order to hand over to them the letter for their escort to the Bima Resident pursuant to the decision of the 10: hujus and further to expedite their journey, which his highness accepted. Wednesday the 21: the queen of Tanette, accompanied by aroe Pao pac and aroe Lipoekasse, appeared at the appointed hour. The mutual courtesies having been paid, the first thing her Highness made known to me was her intention to hold a feast within a few days on the occasion of the tooth-filing of some of her children, for the attendance of which a certain young prince named Tjampalagiang had already arrived at her court from the Mandhar. After this her Highness brought up some claims to certain serfs and paddy fields in the districts of maros and Sangerie, notified by a paper that she pressed upon me, with the request to lend her a helping hand therein; whereupon, after having expressed my thanks for the communication of her intention, I promised to have the matter concerning her claims investigated From Maccasser the 29 Junij 1771 investigated before anything could be effected therein in her favor. Her Highness, being satisfied with this assurance, departed again after lingering a little longer; after which the king of Tambora, together with his governor of the realm and shahbandar mentioned here before, also came inside. I made known to them that I had recommended to the resident of Bima (by the letter which I simultaneously handed over to these two grandees for their escort thither) not only to provide the necessary assistance to them in calling up and gathering the scattered Tamborese, but also in particular to influence them all as much as possible to submit themselves to their sovereign, in order thereby to restore mutual peace and harmony; which I also recommended with all emphasis to these two to put into effect. They promised to apply their utmost duty to this, and the king, being an ear-witness to the efforts being made on his behalf, acknowledged his special obligation therefor in his own manner, in terms that showed his and his people's dependence on the Honorable Company. With this, this meeting ended, after having wished the grandees of the realm a safe crossing. From Maccasser the 29 Junij 1771 Through the chief interpreter Brugman, I also gave notice to the band of disgruntled Tamborese at matoeanging to set out on the journey to their country by tomorrow morning together with one of their leaders, the Turelis Kankeloe, while it had been deemed fit to detain the Jeneli Foeij here for particular pressing reasons. They declared that they would comply with this order and at the same time received the pass sent to them for this purpose. Brugman having accomplished this, I thereupon sent him to the Saleyerese regents to notify them of an audience tomorrow morning, in fulfillment of which they appeared collectively. Thursday the 22: initially, I made known to them that the disputes arisen between the regents of Boekit and Onto concerning the division of their boundaries, as the same had been settled by the collective regents by my order at the house of the chief interpreter with my approval, would now hold firm and remain settled once and for all in that manner; while the resident was ordered upon his return there, in accordance with the judgment, to make a proper division thereof and to distinguish the same with a boundary post upon which the mark of the Honorable Company is burned, as well as to preserve a drawing of the ground sketch of these boundaries among the retroacta there as a muniment, From Maccasser the 29 Junij 1771 in order thereby to forestall all further disputes regarding this matter. The provisional Regent of Boekit, daang Mamanka, thereupon addressing the word to me on behalf of his Pongauwas, glarrangs, and other elders present here, made a request to be confirmed in that dignity; while the Regent of Poeta Bangong, on account of his weak condition and advanced years, insisted on his discharge from that chieftainship and the succession to the same in favor of his son Patta. Both having been granted, I recommended all of them, and especially the two last mentioned, faithfully to persevere in their due submission and obedience, and likewise to show the Resident his proper respect and deference; which they all declared they would observe, with expressions of thanks from the newly appointed ones, and therewith requested their dismissal in order to return to their country in the near future, which I granted them on this occasion, wishing them a speedy crossing. Until Monday the 26th nothing particular occurred. The sergeant of the Tamborese, Aza, being one of the creatures and tools of the king, it was therefore deemed most advisable Friday the 23: not
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Junij 1771 haar versoek, door een zendeling onderafgelegde groet gedaan teegens morgen tegens wanneer ik den koning van Tambora deed aanzeggen mede bij mij te moeten verschijnen verseld van zijne twee rijksraaden de Turelies Tambra en Baram„ boeng, ten eijnde aan deese den brief ter hunner geleijde aan den Bimas Resident ingevolge 't beslootene op den 10: hujus te overhandigen en verder hunne rijste vervorde„ ren het geen zijn hoogheijd aannam, woensdag den 21: de koninginne van Tanette, verseld van aroe Pao pac en troe Lipoekasse verscheen op het bepaald uur de weder zijdse pligt plegingen afgelegt zijnde, was het eerst dat haare Hoogh:t mij te kennen gaff haare Intentie, om binnen wijnige dagen ter geleegentheijd van het Iande slijper van Eeenige haarer kinderen een feest aan te regten ter bij wooninge van 't welke bereeds bij haar uijt de Mandhar gearriveerd was, seker Prinsje genaamt Tjampalagiang. Hier na bragt haare Hoogheijd Eenige preetensies te berde op sekere lijfeijgenen en padij velden in de districten van maros en Sangerie geno„ tificeert bij een papier 't geen ze in daar van op drong met versoek van haar daar inne de behulpsame hand te willen leenen, waar op ik na mijnen dank te hebben betuigd voor de Communicatie van haar voorneemen, beloofde de saak omtrent haare vorderingen te zullen laten ondersoeken 586 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 ondersoeken alvoorens daar in uls in haar faveur te zullen kunnen bewerkstelligen Haare Hoogheid zig met deese toesegging genoegende is na nog een wijnig toevens, weder ver„ trokken waar na den koning van Tambora nevens sijnen rijksbestierder en sjabandhaar hier voorwaarts genoemt me„ de binnen kwamen Ik gaf hen tekennen den resident van Bima (bij den brief dien ik aan dese beijde rijksgrooten ter hunner geleijde derwaarts teffens ter handstelde:) te hebben aan bevoolen niet alleen de nodige hulp aan henl: te bewijsen in het oproepen en bij een samelen der ver„ strooijde Tamboreesen maar ook in 't bijsonder zo veel doen„ lijk op hen allen te bewerken dat ze hen onderwierpen aan hunnen vorst om daar door de onderlinge vreede en Eendragt weder teweege te brengen het geen ik aan deese beijde mede met allen nadruk recommandeerden in 't werk te stellen zij beloofden hun wijtterst devoir hier toe te zul„ „len aanwenden en den koning ous ook en oorgetuijge van oorgetuijge van de bemoeijenissen die men ten zijnen voordee„ len deed erkende zijne bijsondere verpligting daar voor op zijne wijse intermen die zijne en der sijnen afhankelijk„ heijd van dE: Comp: te kennen gaaven Hier meede scheijde dese bij eenkomst na de rijksgrooten een behouden overtogt toegewenscht te hebben. Van Maccasser den 29 Iunij 1771 De Bende der misnoegsen Tamboraesen op matoeanging tiet ik mede door den oppertolk Brugman aanzeggen zig met een en hun„ „ner aanvoerden den Turels Kankeloe tegens den aanstanden morgenstond ter rheijse te begeeven na hun land terwijl men goedgevonden had den Ieneli Foeij om particuliere drin„ „gende redenen alhier nog aan te houden zij betuigden aan deese ordre te zullen voldoen en ontfingen teffens de Pass tot dit eijn„ de hen toegesonden, Brugman dit verrigt hebbende sond ik daar op na de salijereese regenten om hen 't acces te morgen ochtend aan te zeggen, in voldoening waar aan zij gesamentlijk zijn verscheenen donderdag den 2:' avangkielijk gaf ik hen tekennen dat de geschillen gereeken tusschen de regenten van Boekit en onto over de sceijdinge hunner Limieten zodanig de zelve door de gesamentlijke Regenten op mijne ordre ten huijse van den oppertolk onder mijne goedkeu„ ring beslist ware indier voege nu eenemaal voor altoos zouden stand grijpen en afgedaan blijve terwijl den resident gelast was bij zijn retour aldaar navolgens het gewijsde, een geregte verdeeling daar van temaken en deselve te distinqueeren met een grenspaal waar op het merk van d' E Comp: gebrand zij mitsgaders een afteekening van de grondschets deser Limiten bij de retro acta aldaar te bewaaren tot een muniment ten 588 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 ten eijnde alle verdere verschillen desen aangaande daar mede den weg af te snijden. den projnterin Regent van Boekit daang Mamanka hier op het woord uijt naam sijner hier presente Pongauwas glarrangs en verdere oudsten tot mij rigtende derd versoek om in die waardig„ heijd te mogen werden bevestigd terwijl den Regent van Poeta Bangong in't hoofde van zijnen swacken staat en hooge jaaren insteerde om zijn ontslag van die Hoofdij en de successie in't selve ten behoeven van zijn zoon Patta het een en andere toegestaan zijnde recommanderde ik hen allen en insonderheijd de beijde 't laast genoemde in hunne verschuldigde submissie en onder„ danigheijd getrouwelijk te volherden, en gelijkelijk den Re„ sident zijn behoorlijk respect en ontzag te bewijsen het gee„ „ne ze allen verklaarden te zullen nakomen, onder dankbetuij„ „ginge der nieuw aangestelde en daar mede hun demissie versogten ten eijnden eerstdaags weder na hun land te retourneeren 't welk ik hen bij dese gelegentheijd verleende en een spoedige over„ „togt toewenschte, tot maandag den 26 niets bijsonders voor gevallen. den sergiant der Tamboreesen aza eene der Creaturen en werk„ tuijgen van den koning dierhalven 't raadsaamst g'oordeelt vrijdag den 23: niet
English
From Makassar the 29 June 1771 Friday not to let him depart with the others to Tambora, he nevertheless found the means to leave here with the rest, which was discovered today only too late to be able to overtake him. Wednesday the 28: the Pabitjara of Tanette and Captain Massiki, both arrived in the name of the Queen in their capacity as her emissaries, and after presenting their mistress's greetings, made it known that she intended to return the following morning to her realms to the north; for which inquiry and the message entrusted therewith, I thanked Her Highness, wishing her a prosperous journey. Thursday the 29: nothing occurred. The 30: the southern Regents of Sira, ready for their journey, appeared upon obtaining an audience to take their leave, and on that occasion Daeng Matino, who had been appointed on trial as Cracing or regent of Lemo by the resident Mol, requested his confirmation in that office. On the basis of the satisfaction given by him thus far, this was granted to him, nevertheless with the recommendation that he persist in his submission to the Company and in obedience to the orders of the Resident, like his predecessors, without slacking in any way; for which he solemnly promised to be on his guard, and with this they departed together. Until Tuesday the 4: nothing occurred. A slave of the glarrang of Bontoealak, who was found severely wounded on the beach west of the settlement of Vlaardingen, had been placed by me into the hands of the officer, in order to gather the required information regarding the circumstances of that case. This had been partly accomplished by the inspection of the wounds alone, without being able to demand a statement from the wounded man on account of his weakness, and he did not appear likely to survive his wounds for long, which were reported as mortal. When the aforementioned owner was informed of the case, he had made a request to me once and again through an emissary to be permitted to have this unfortunate slave of his fetched; he had been turned down 2 times because the course of the officer's inquiries would have been impeded thereby. However, not long after, the wounded man having passed away in the hospital, the corpse was handed over to his emissaries upon the further request of the glarrang. December Saturday the 1: Thursday From Makassar the 29 June 1777 Sunday Friday Thursday the 6: until Saturday the 8: nothing occurred. 9: I sent Ensign Willem Hendrik Gellens together with the assistant interpreter Coenraad Jansz Meij on a commission to the Queen of Tanette, in order to congratulate Her Highness according to the old custom with the offering of a small gift on account of the birthday celebration of her grandchildren, and Monday the 10: until Wednesday the 12: nothing occurred. Thursday the 13: the interpreter Israel Pietersz was sent to the glarrang of Bontoealak in order to remind him of the required satisfaction promised to me regarding the complaints made to him about the repeated kidnapping of people and violence committed by the Bone Prince Mappa, and at the same time to urge the restitution of the value enjoyed by him of an abducted Company subject. In answer to this, I received a further promise that he would try to satisfy my demand as soon as he had thoroughly investigated the matter and had summoned this Mappa to him; thus one had to have patience with it anew. The 14: nothing occurred. Saturday Saturday the 15: there arrived from Gowa some emissaries of the king (named in the ordinary daily register); their commission consisted of the announcement that their great fast was soon to begin. After I answered the king's special greetings to me and thanked the same for the observance of the ancient customs in this case, these people departed again for Gowa. Sunday the 16: Ensign Gellens, who had been sent on a commission to the Queen of Tanette, returned here with the interpreter Bolij. Wednesday the 19: Until Saturday the 22: nothing occurred. Until Tuesday the 18: nothing happened. Sunday the 23: there arrived here from the inland areas the interpreter Pieter Bartels, stationed at Maros, who was accompanied by a Toadjie emissary of the king of Bone, both charged with a letter from His Highness to me. Thursday the 25: I sent the Company emissary Mandjarekie to the glarrang of Bontoealak, while the interpreter Pietersz departed for the king of Gowa; both were ordered to deliver a copy of the recently published and renewed From Makassar the 29 June 1777 Sunday Friday Thursday the 6: until Saturday the 8: nothing occurred. 9: I sent Ensign Willem Hendrik Gellens together with the assistant interpreter Coenraad Jansz Meij on a commission to the Queen of Tanette, in order to congratulate Her Highness according to the old custom with the offering of a small gift on account of the birthday celebration of her grandchildren, and Monday the 10: until Wednesday the 12: nothing occurred. Thursday the 12: the interpreter Israel Pietersz was sent to the glarrang of Bontoealak in order to remind him of the required satisfaction promised to me regarding the complaints made to him about the repeated kidnapping of people and violence committed by the Bone Prince Mappa, and at the same time to urge the restitution of the value enjoyed by him of an abducted Company subject. In answer to this, I received a further promise that he would try to satisfy my demand as soon as he had thoroughly investigated the matter and had summoned this Mappa to him; thus one had to have patience with it anew. The 14: nothing occurred. Saturday
Dutch transcription
van Maccasser den 29 Iunij 17„ vrijdag niet met d' anderen na Tambora te laten vertrecken heeft egter het middel gevonden met de overige zig van hier te begeven 't geen men heden te laat om hem te kunnen agterhaalen eerst ontdekte woensdag den 28: den Pabitjara van Tanetie en den Capitain Massiki beijden uijt naam van de Koninginne in hoedanigheijd als haare zendelingen gearriveert gaaven na afgelegde groet van hare meesteres te kennen dat eselve van intentie was om den aanstaanden morgen na hare staaten om de noord te re„ tourneeren, voor welke na vraege en 't daar bij gecommitteerd Ik haare Hoogheijd, onder toewensching eener voorspoedige rhijse heb laten bedanken, donderdag „ 29 niets voorgevallen „ 30 de zuijden Regenten van Sira gereed tot hunne hen reijse ver„ scheenen op verkreegen acces om hun afscheijd tenemen en bij die geleegentheijd versogt den door den resident Mol tot Cracing of regent van Lemo ter preuve aangestelden daeeng Matino zijne bevestiging in die waerheijd het geen op funda„ „ment van het genoegen dus verre door den selve gegeeven aan hem is toegestaan onder recommandatie nogtans van in de aanhoudinge zijner submissie onder de Comp: en ge„ hoorsaamheijd 590 van Maccasser den 29 Iunij 171 hoorsaamheijd aan de bevelen van den Resident gelijk zijne voorlaaten in geenen deele te vertraagen waar voor Hij pleg„ tig beloofde zig te zullen wagten en hier Mede vertrocken zij tesaamen tot dingsdag den 4: niets voorgevallen Een slaaf van den glarvang van Bontoealak aanstrand bewes, woensdag „ 5: ten de negorij vlaardingen swaar gequest gevonden was door mij in handen van den officier gesteld, ten eijnde na den toe„ „dragt van dat geval de vereijschte Informatien te kunnen beleggen het geen voor een gedeelte was verrigt met de schouw, der wonden alleen sonder dat men den gequesten uijt hoofde sijner swakheid Eene verklaring had kunnen afvorderen en hij scheen zijne wonden die als dodelijk waaren opgegeeven niet lange te zullen overleeven, wanneer den voornoemden eijgenaar van 't geval g'informeert een en andermaal door eenen sendeling aan mij versoek had laten doen om desen sijnen onge„ luckigen slaaf temogen laten afhaalen men had hem 2: rijzen afgewesen om dat den Cours der Enquesten van den officier daar door verhindert zoude zijn geweest dog niet lange daar na den gequesten in 't Hospitaal zijnde koomen te overleijden is op het nader versoek van den glarrang het lijk aan zijne afgesondene overgelevert december Saturdag den 1: donderdag Van Maccasser den 29 Iunij 1777 Sondag vrijdag Donderdag den 6: tot saturdag den 8: niets voorgevallen 9: sond ik den vaandrig will=m Hend: Gellens nevens den ondertolk Coenraad Iansz: Meij in Commissie na de koninginne van Tanette om haare hoogheid volgens het oud gebruik met de aanbieding van een kleijn geschenkje te ver„ „gelukken wegens het versaar heeft harer kinds kinderen, ende Maandag„ 10: tot woensdag den 12: niets voorgevallen, donderdag, 13 wierd den tolk Israel Pietersz na den glarvang van Bontoealak gesonden ten eijnden den selven te Indagtigen de gerequireerde satisfactie mij toegesegd op d'aan hem gedaa„ „ne klaagten over de herhalde mensch roof en geweld gepleegd door den Bonijs Prins Mappa in tegelijk op de restitutie der bij hem genoote waarde van een ontwoerden sComp: onderdaan aan te dringen tot antwoord hier op bequam ik een nadere toezegging dat bij han mijnen Eijsch zoude tragten te vol„ doen, so dra hij de saak grondig ondersogt en desen mappa bij zig ontboden zoude hebben dus men op nieuw geduld daar mede tenemen had „ 14: niets voorgevallen Zaturdag 592 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 Zaturdag den 15: arriveerden van goak eenige afgesondene van den koning (:met naam in 't ordinair dagregister vermeldt:) hunnen last bestond in de aankondiging dat hunne groote vaste eerlang stond in te gaan hier na 'konings bijsondere groete aan mij beantwoord en deselve voor d'onderhouding der al oude gebruijken in dit geval bedankt hebbende vertrocken dese lieden wederom na goah. Sondag „ 16: reverteerde alhier den in commissie na de koninginne van Ianetts woensdag „ 19 afgesondene vaandrig gellens met den tolk Bolij tot saturdag den 22: niets voorgevallen arriveerde uit de binnen landen alhier den op maros beschij sondag „ 23: den tolk Pieter Bartels die verseld was van eenen Toadjie zendeling van den koning van Bonij beijden met eenen brief van sijne hoogheijd aan mij gechargeert. sond ik den sComp: zendeling Mandjarekie na den glax„ „rang van Bontoealak terwijl den tolk Pietersz: na den koning van goats vertrock beijden waaren ze gelast te over„ handigen een afschrift van het onlangs gepubliceert en donderdag „ 25: tot dingsdag den 18: niets gepasseert gerenoveert Van Maccasser den 29 Iunij 1777 Sondag vrijdag Donderdag den 6: tot saturdag den 8: niets voorgevallen 9: sond ik den vaandrig will=m Hend: Gellens nevens den „ ondertolk Coenraad Iansz: Meij in Commissie na de koninginne van Tanette om haare hoogheid volgens het oud gebruik met de aanbieding van een kleijn geschenkje te ver„ „gelukken wegens het versaar feest harer kinds kinderen, ende Maandag„ 10: tot woensdag den 12: niets voorgevallen, donderdag, 12 wierd den tolk Israel Pietersz na den glarrang van Bontoealak gesonden ten eijnden den selven te Indagtigen de gerequireerde satisfactie mij toegesegd op d' aan hem geda „ne klaagten over de herhalde mensch roof en geweld gepleegt door den Bonijs Prins Mappa in tegelijk op de restitutie der bij hem genoote waarde van een ontwoerden sComp: onderdaan aan te dringen tot antwoord hier op bequam ik een nadere toezegging dat bij han mijnen Eijsch zoude tragten te vol„ doen, so dra hij de saak grondig ondersogt en desen mappa bij zig ontboden zoude hebben dus men op nieuw geduld daar mede tenemen had „ 14: niets voorgevallen Zaturdag
English
From Maccasser the 29 June 1771 Saturday the 15: There arrived from Goak several envoys of the king (named in the ordinary daily register); their commission consisted in announcing that their great fast was soon to begin; after this, having replied to the king's special greeting to me and thanked him for the maintenance of the ancient customs in this case, these people departed again for Goah. Sunday the 16: Ensign Gellens, sent on a commission to the Queen of Tanette, returned here with the interpreter Blij. Until Tuesday the 18: nothing occurred. Wednesday the 19: Until Saturday the 22: nothing occurred. Sunday the 23: There arrived here from the inland the interpreter Pieter Bartels, stationed at Maros, who was accompanied by a Joadjie envoy of the King of Bonij, both charged with a letter from His Highness to me. Thursday the 25: I sent the Company envoy Mandjarekie to the Glarrang of Bontoealak, while the interpreter Pietersz: departed to the King of Goak; both were ordered to hand over a copy of the recently published and renewed edict against the carrying of bare or uncovered sidearms, assegais, and other Indian sharp weapons, and this particularly for the information of both those courts, in order that their subjects might beware of the consequences of transgressing that prohibition; which was accepted and promised. Tuesday the 25 to Saturday the 29: nothing occurred. Sunday the 30: The Commissioner Lecerf and his command arrived today here in the roads with the Bouton interpreter; the audience requested for the latter in order to be able to deliver the letters brought along from his master, I was forced to postpone to a further occasion due to indisposition. Monday the 31: nothing occurred. January Anno 1771: Tuesday the first: nothing. Wednesday the 2: My indisposition continuing, and I thereby being unable to attend the ceremony of the reception of the Bouton letter, the Secunde was commissioned thereto, while the envoy was notified through the interpreter to appear today in the castle for that purpose at 10 o'clock in the forenoon; whereupon this ceremony was also performed under the usual honours, and the two letters brought along by him were properly handed over and received. Thursday the 3: Friday [illegible] Until Monday the 14: nothing occurred. Tuesday the 15: The southern Regent of Tero, having arrived here a few days ago with his subordinate and lesser chiefs (except for two, namely the chiefs of Grassing and Weero, who had stayed behind), appeared this morning upon my summons; his request to be admitted as soon as possible with the delivery of the annual tribute of his competency, in order to be able to return to his country thereafter, being granted to him for tomorrow, he answered my question regarding his long delay, that this was caused by the absence of the 2 aforementioned chiefs, whom he promised to send hither promptly upon his return to his country, in order that they might justify themselves before me for their negligence and dereliction of duty in this matter; whereupon he received his dismissal. Wednesday the 16: Thursday the 17: nothing occurred. Friday the 18: likewise nothing. Saturday the 19: The King of Goak having been notified a day beforehand of the arrival of the commissioners who, according to annual custom, were to come and present the Toeassa gift to that prince, the shopkeeper Simon Monsieur and the bookkeeper and pro interim Secretary of Police Johannes Petrus Brandis departed thither early this morning for that purpose under the escort of 6 horsemen; both returned at midday and duly reported on their performance. At the same time in the morning, I sent the chief interpreter Brugman to the Glarrang of Bontoealacq with a similar gift for his master the king, without any further ceremony, and this principally because the Soelewattang or the king's viceroy (who had departed to the northern provinces and thus was absent) had, since the king's departure into the inland, made himself guilty of a blameworthy omission in observing the established ceremonies on his part; for now for 2 consecutive years no New Year's greeting had been paid to me by the Bonijers, although I had still reminded the said Soelewattang thereof in anno passato upon his first negligence; Brugman was on that account ordered to express to the Glarrang my displeasure over this, and at the same time to point out the contrariety of this conduct against the ancient custom; furthermore, that although he, the Soelewattang, had failed in his duty, I nevertheless still wished to maintain this usage to the extent of sending him the annual gift for his master, although without any ceremony, leaving it to him to see to forwarding the same to the inland shortly. Upon his return, Brugman reported to me that he had carried out this order accordingly, and that the Glarrang had accepted and promised to dispatch the delivered gift and the message to the king at the first opportunity. Sunday the 20: Until Wednesday the 23: nothing occurred. There appeared an envoy of the King of Goah who requested an audience for his master and other court dignitaries to pay the usual greeting for the commenced year, and on that occasion specifically made known to me that his master was by no means unaware in this request that in this respect Goak was not granted this before Bonij had preceded in this; but
Dutch transcription
592 Van Maccasser den 29 Iunij 171 Zaturdag den 15: arriveerden van goak eenige afgesondene van den koning (:met naam in 't ordinair dagregister vermeldt:) hunnen last bestond in de aankondiging dat hunne groote vaste eerlang stond in te gaan hier na 'skonings bijsondere groete aan mij beantwoord en deselve voor d'onderhouding dir al oude gebruijken in dit gaal bedankt hebbende vertrocken dese lieden wederom na goah. Sondag „ 16: reverteerde alhier den in commissie na de koninginne van Ianetts woensdag „ 19 afgesondene vaandrig gellens met den tolk Blij tot saturdag den 22: niets voorgevallen arriveerde uit de binnen landen alhier den op maros beschij Sondag „ 23. den tolk Pieter Bartels die verseld was van eenen Ioadjie zendeling van den koning van Bonij beijden met eenen brief van sijne hoogheijd aan mij gechargeert. sond ik den sComp: zendeling Mandjarekie na den glar„ „rang van Bontoealak terwijl den tolk Pietersz: na den koning van goat vertrock beijden waaren ze gelast te over„ handigen een afschrift van het onlangs gepubliceert en donderdag „ 25. tot dingsdag den 18: niets gepasseert gerenoveert 2 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 gerenoveert placcat tegens 't draagen van ontbloote of on over„ „dekte heup geweiren assagaijen en andere Indiaanse scherp geweir, en zulks wel insonderh:t insonderheijd tot narigt voor die beijde hooven ten eijnde hunne onderdaanen zig voor de gevolgen der Transgressen van dat verbod zouden mogen hebben te wagten het geene aangenoomen en beloofd wierdt. dingsdag den 25: tot Saturdag den 29. niets, voorgevallen sondag „ 30 den Commissiant Lecerf en zijn bij hebbendt Commando arri„ „veerde met den Boutonsen Tolk heden alhier ter rheede, het versogt acces voor desen ten eijnde de mede gebragte brieven van zijnen meester te kunnen overhandigen was ik genoodsaakt, door Indispositie tot op een nadere gelegentheijd uitte stellen. maandag „ 31. niets gepasseert Januarij anno 1771: dingsdag den Eersten niets woensdag „ 2. mijne ongesteldheijd Continueerende en ik hier door buijten staat 't Ceremonieel der ontfangst van den Bouthonsen brief bij tewoonen soo wierd den secunde daar toe gecommitteert terwijl 59 van Maccasser den 29 Iunij 1771 terwijl den afgesant door den tolk was aangesegt tot dat eijnde heden voor de middags om 10: uuren in 't Casteel te verschijnen zoo als dan ook deese plegtigheijd onder het gewoon Honneur is volbragten de twee door hem mede gebragte brieven behoor¬ „lijk overgegeeven, en ontfangen zijn. tot maandag den 14: niets voorgevallen de zuijder regent van Tero met zijne onderhoorige en min„ dingsdag „ 15: „dere hoofden al voor wijnig dagen alhier g'arriveert /: op twee na te weten de hoofden van grassing en weero die agter ge„ bleven waaren:) verschien deese voor de middag op mijn ontbodt zijn versoek om met de Leverancie van 't Jaarlijks tribuit van sijne Competentie ten spoedigsten te mogen wer„ den g'admitteert ten eijnde daar na weder na zijn land te kunnen keeren hem zijnde toegestaan tegens morgen antwoorde hij op mijne vraag na sijn lang vertoef, dat zulks was tewege gebragt door het wegblijven der 2: voornoemde die hij beloofde bij te rug komst op zijn land ten eersten herwaarts te zullen zenden, ten eijnde zij zig zelve voor mij wegens hunne nalatigheijd en pligt versuijmt in deesen konden verantwoor„ „den waar op hij sijne demissie kreeg donderdag den 17: niets voorgevallen woensdag „ 16 donderdag den 3: vrijdag Van Maccasser den 29 Iunij 1771 m vrijdag den 18: mede niets zaturdag den 19: Toaks konings een dag te vooren verwittigd van de komst der gecommitteerden die na Iaarlijks gebruijk het Toeassa geschenk aan dien vorst stonden te koomen aanbieden vertrocken tot dat eynde heden morgen vroeg onder geleijde van een Escorte van 6: ruijters derwaarts den winkelier Simon Monsieur en den boekh:r en pro interin secretaris van Politie Iohannes Petrus Brandis, die beij„ den op den middag reverteerden en van haare verrigting behoorlijk verslag deeden, te zelver tijd in den morgenstond zond ik den oppertolk Brugman na den glarrang van Bontoealacq met een soort gelijk geschenk voor zijnen meester den koning, zonder Eenig verder Ceremonieel en dit principaal om reeden zig den soelewattang of 's konings steedehouder /: die na de noorder provincien vertrocken en dus afwesig was:/ sedert 's konings vertoek in de binnen landen aan Een berispelijk versuijm in het naakoomen der vast gestel„ „de plegtigheden aan zijne zijde hadde schuldig gemaakt want er nu 2: Iaaren agter den anderen van de Bonijers geen nieuwjaars Compliment bij mij was afgetegd ongeagt ik den selven soelewattang in ao pass=o bij zijn eerste nalatigheijd zulks nog hadde laaten hervinneeren Brugman was uijt dien hoofde gelast hem glarvang mijn gevoeligheid daar 596 van Maccasser den 29 Iunij 1771 daar over te kennen te geeven, enteffens voor te houden de strijdig „heid van het gedrag hier inne tegens de oude gebruijkelijkheijd wijders dat ik ongeagt hij soelewatang aan zijn pligt inge„ breeke was gebleeven niet te min als nog dese usantie in zo ver„ re hadde willen onderhouden met hem het Iaarlijkse ge„ schenk voor sijn meester hoewel zonder Eenige plegtigheid toe te zenden latende hem zorgen het zelve eerstdaags na de binnen landen voort te schicken Bij retour berigte mij Brug„ „man desen last sodanig te hebben volbragt, en dat den glar„ rang had aangenomen en beloofd 't toegesonden geschenk en den boodschap bij Eerste gelegentheijd na den koning te zullen afvaardigen tot woensdag den 23: niets voorgevallen verscheen Een zendeling van den koning van goah die voor zijn meester en verdere Hofgrooten ter aflegging van de gewoonlijke begroeting met het aangevange Iaar ac„ ces versogte en bij die geleegentheijd in 't bijsonder aan mij te kennen gaff dat sijn meester bij dit aansiek geensints onkundig was, dat zulks ten desen opsigten goak niet eerder wierd g'accordeert dan na dat Bonij alvoorens hier inne voor gegaan was Zondag den 20: maar