Inventory 3337
Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Makassar, the 29th of June 1771 Tuesday but that, since it appeared that Boni would likewise remain negligent in this matter again as in the preceding year, since the commenced year was already so far advanced without access having yet been requested on the part of Boni as far as was known to them, they the Macassars therefore no longer wished to fail in this their obligation. I thereupon had the king greeted for his attentiveness in observing the customs, but postponed the requested access for several days on account of indisposition. Friday the 21st, Saturday the 26th, and Sunday the 27th: nothing. Monday, 28th: the Gallarang of Bontoala and the Butonese envoy each sent their emissaries in order to request access for their principals, which was granted to both for the upcoming forenoon; who then also 29th: appeared at the appointed hour: the Sulewatang and Gallarang of Bontoala, accompanied by the Djemma Tongang, who also brought in their train one Pabichara Chitta, recently sent hither from the interior by the King of Boni, principally for further clarification of that about which these 53 From Makassar, the 29th of June 1771 three first-mentioned persons now came to lodge their complaint with me on behalf of Boni, namely: that Aru Panchana in the Province of Segeri had taken away some paddy fields from the king's subjects under the pretext of having ownership thereof, and at the same time had strictly forbidden them to cultivate the same any further. It was for the further confirmation of these complaints that the last-mentioned person appeared with this in their train, and they jointly in the king's name appealed to the boundary delimitation previously made under the administration of the Honorable Governor Loten by the Junior Merchants Camerling and Kruger in the presence of several grandees of the realm from the side of Boni and Tanete, and whereby the aforementioned disputed fields, as well as those under the jurisdiction of the Negorij Pesieng on the northern banks of that river, were assigned to Boni. I answered them hereupon that I would have the necessary arrangements made in that matter so that Boni and Tanete, without prejudice, should each continue to hold those fields which had been assigned to them for cultivation by the Honorable Company in former times, further ordering the aforementioned Pabichara Chitta to hold himself ready to travel in order to go to Tanete 71 From Makassar, the 29th of June 1771 to Tanete with the Honorable Company's interpreter and emissary, just as they have departed thither. Access having thereupon been granted to the Butonese envoy, I found, after exchanging the customary courtesies, the principal reason for his visit to be the lack of some necessities which he came to request of me, which I having granted, I conversed with him on this occasion in emphatic terms concerning the conduct maintained by the Butonese, especially regarding the stranded chaloup the Nooteboom and her cargo and ammunition. His explanation in response to my questions amounted substantially to this: that his master the king had been able to obtain no more cloves from the cargo than that which they had brought hither and delivered into the Honorable Company's warehouse, besides the quantity that was sent directly to Batavia by the King; that, with regard to the discrepancy discovered upon the receipt of those spices in the trade warehouse compared with the stated weight in the king's letter, such was very likely to be attributed to the manner and means whereby the weighing there was performed with a steelyard and, on the contrary, here upon the balance scales; 600 From Makassar, the 29th of June 1771 that regarding the ordnance etc. they had learned nothing else upon their departure for here except that the same must still lie at the place where the Nooteboom was wrecked, without knowing anything further about it. To all of which I gave him in reply that it was so much the better to be informed of the conduct of the Butonese in respect of that affair, holding before him on that occasion the matter of where those cloves although only a small quantity of merely twelve pounds originated from which were brought for sale on Bonerate by the people of the Negorij Calesusu, but were denounced by the Bonerate people and sent from there to the King of Boni, just as His aforesaid Highness had sent the same to me; but of this he sought to excuse them by saying that the people of Copea, closest to the place where the Nooteboom was stranded if robbery was committed, must have been complicit therein with the Calesusu people, which did not appear improbable to him, as he pretended to believe, since they, as malevolent subjects, had never been willing to stand directly under the king's orders and had long since been declared rebels, apostates, and enemies of the crown. Your 77 1771 From Makassar, the 29th of June 1771 Your master, I resumed hereupon, will have the opportunity to consider himself particularly indebted to the Company if it should ever seem good to it to cause a palpable and well-deserved chastisement to be administered to these his apostate subjects on account of their robbery committed against the Nooteboom; which, however, was not followed by any further defense from the envoy, who, after lingering a little, hereupon took his leave and departed. Friday the 30th: I sent by water to the Queen of Tanete the assistant interpreter Israel Pietersz accompanied by the emissary Daeng Mandjareki and a Boni emissary in order to complain to her in my name about the unauthorized conduct of her son Aru Panchana, of which mention is made on the 28th of this month, as well as to demand prompt satisfaction and reparation. Thursday the 31st of January until Sunday the 3rd of February: nothing occurred. Monday the 4th: I sent the assistant interpreter Coenraad Jansz Bley to the court of Gowa in order to give communication to the king of
Dutch transcription
Van Mabcasser den 29 Iunij 1711 dingsdag maar dat vermits het scheen dat Bonij hier in evengelijk in het voorgaande Iaar weder zoude nalatig blijven vermits het aan gevange Iaar reeds zoo verre was ingeschooten zonder dat Bonijs wegen (:zo verre haar was bekent:) daar toe als nog acces was versogt zij /: Maccassaren :/ dierhalven niet langer aan dese hare gehoudenisse wilde manqueeren, skliet den koning hier op voor zijn aandagt in 't naarkoo„ „men der gebruijken begroeten dog 't versogte acces nog voor Eenige dagen uit hoofde van Indispositie uijtstellen, vrijdag den 21: Zaturdag den 26 en sondag den 27: niets Maandag, 28: zond den glarrang van Bontoealacq en den Boutonsen ge„ sant ijder hunne zendelingen ten eijnde aices voor hunne principaalen te versoeken 't geen aan beijden tegens den aan„ staanden voordemiddag is geaccordeert, dewelke dan ook„ „ 29. ter bepaalde uur verscheenen den soele„ watlang en glarrang van Bontoealacq verseld van den Djemma Tongang die in hun gevolg mede brag„ „ten Eenen Pabitjara Tjitta onlangs door den koning van Bonij uit de binnen landen herwaards gesonden prin„ cipaal tot nadere clucidatie van het geene waar over dese 53 van Maccasser den 29 Iunij 1771 dessende 3: eerst gent: van weegen Bonij als mu hun beklag bij mij quaamen doen teweeten, dat Aroe Pantjana in de Provincie van Sagirie van 's konings onderdaanen eenige Padij velden hadd ontnoomen onder voorwendsel van eijgendom daar op te hebben en hen teffens streng verboden deselve verder te bewerken. Het was tot nadere bevestiging deser klagten dat den laasten voorn: in hun gevolg hier bij verscheen, en zij gezamentlijk uijt 's konings naam zig beriepen op de Limietschijding voor heen onder de regeering van den heer gouverneur Loten door de onderkooplieden Camerling en kruger ten bij weesen van verschijde rijksgrooten van de zijde van Bonij en Tanette gedaan en waar bij de voorn: quastieuse velden zo wel als die onder 't Ressort van de Negorij Pesieng aan de noorder oevers van die rivier Bonij waaren toegeweesen Ik antwoorde hen hier op dat ik denodige beschic„ kingen daar in zoude laaten bewerkstelligen ten eijnde Bonij en Tanette onvermindert ijder die velden welke haar ter bewerking door d'E Comp: in vroeger tijd waaren toegewe„ sen quamen te houden gelastende wijders den voorn: Pabitja, ra Tjitta van zig rijsvaardig te houden ten eijnde na Tanette 71 van Maccasser den 29: Iunij 1771 Tanette niet s Comp:s tolk en zendeling te gaan gelijk ze derw:t vertrocken zijn Hier op aan den Bout onsen afgesant aices gegeeven zijnde bevond ik na 't afleggen der gewoone heusheeden de voornaam„ ste beweegreeden van zijn besoek teweesen het gebrek aan Eenige benodigtheeden die hij mij versoek quam het geen ik accor„ „deert hebbende hem bij deese geleegentheijd in nadruckelijke termen onderhield over den Boutonders gedrag gehouden voornamentlijk omtrent de gestrande Chialoup de nooteboom en haare lading en ammunitie, sijne verklaaring op mijne vraagen quam zakelijk hier op uit dat sijn meester den koning van de lading geen nagulen meer hadde kunnen magtig werden als 't geene zij alhier aange„ bragt en in sComp: Pakhuijs overgelevert hadden nevens de quantiteijt die door den Koning direct na Batavia was gesonden dat wat belangdt het verschil bij den ontfangst dier spece„ rijen in 't negotie Pakhuijs ontwaard met het opgegeeven ge„ wigt bij 's konings brieff zulks zeer waarschijnelijk toeteschrij„ ven waare aan den wijse en het middel hoedanig de toewee„ „ging ginter met een daats en daar en tegen alhier op de schaal was 600 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 was verrigt, dat ze nopens 't geschut etc: bij hun vertrek na herwaarts niets anders vernoomen hadden, als dat het zelve nog ter plaatse moest leggen alwaar de noteboom verongelukt was zonder verder iets daar van te weeten op al het welkik hem ten antwoord gaf zo veel te beter van het gedrag der Bouthouders, ten aansien van dat geval onder„ rigt te weesen houdende hem bij die geleegentheijd voor van waar die nagulen (:alhoewel maar een geringe quantiteijt van maar twaalff ponden:) herkomstig warren die op Bone„ ratte door de volkeren van denegorij Callesoesoe ter verkoop aangebragt edog door de Boneratters aangeklagen en van daar aan den Koning van Bonij overgesonden waren zo als welm:t zijn Hoogheijd mij deselve had toegeschikt dog hier van tragten hij deese teverschoonen met te seggen dat de volkeren van Copea 't naast bij de plaats alwaar de noteBoom was gestrand / zo er roof gepleegt was:) en met de Calesoesoers daar aan handdadig moesten zijn het geen hem gelijk hij zig hield te gelooven niet onwaarschijnlijk voorquam aangesien ze als quadwillige onderdanen nimmer direct onder's konings beveelen hadden willen staan en al van lange te vooren voor re„ „bellen afvalligen en vijanden van de kroon waaren, verklaart uwen en 77: 1771: Van Maccasser den 29 Junij 177 uwen meester hervatte ik hier op zal van de geleegentheijd kunnen hebben van zig in't bijsonder aan de Comp: verschuldigt te agten, indien het haar eens mogte koomen goed te dunken dese zijne afvallige onderdaanen ter oorsaake van hunnen roof aan de Nooteboom gepleegd een gevoelige en wel verdiende Castijding te laaten toedienen dog het geen door den ge„ „sant van geen verdere verdeediging agtervolgd wierd nee„ „mende na een wijnig toevens hier op hun afscheijd en ver„ trocken, vrijdag den 30. Zond ik tewater nade koninginne van Tanette den ondertoek Israel Pietersz: verseld van den sendeling da eeni mandja, rekie en een Bonijse zendeling ten eijnde bij haar uijt mijn naam te voleeren over het ongequalificeert bestaan van haa„ ren zoon Aroe Pantjana waar van op den 28. huijns gewag voorkomt mitsgaders om dagelijke satisfactie en repara„ tie over te begeeren donderdg„ 31: Ianuarij tot sondag den 3: Februarij niets voorgevallen Maandag den 4. zond ik den ondertolk Coenr: Iansz: Bleij na het hoff van goaks ten eijnden den koning Communicatie te geeven van ƒ
English
302 From Maccasser the 29:th June 1771 of my dismissal from this administration, as well as that Their High Mightinesses had elected to the post of Governor and Director of this Celebes, in my place, Mr. Paulus Godofredus van der Voort, who was expected here daily; for which information the King had sent me his thanks with return compliments. I also had the same announced this day, through the aforementioned Bleij, to the Queen of Tello, and at the same time conveyed to Her Highness my surprise that no notification had been given to me on her part of her return from Sideenring, from where, according to what I had heard indirectly, she had already returned some time ago. She sent her excuses to me for this negligence, as being caused partly by the mourning in which she was plunged over the demise of her most beloved niece Craeng Zempangang, daughter of Aroe Palacca, and partly by an indisposition from which she had been suffering for several days; for the rest, having sent me her thanks with reciprocal compliments for the communication given, according to the report given to me upon his return by the aforementioned interpreter. Tuesday 5. I sent the aforementioned interpreter Blij to the Soelewattang and Glanang of Bontoalacq, From Maccasser the 29:th June 1771 Bontoalacq, in order to inform them of the change that has occurred in the government here, just as was done at the courts of Goa and Tello; the King in the interior having already been notified thereof by me by means of a letter, as I made known to them, inquiring whether they had also heard anything particular concerning His Highness. To this they answered that they had learned from the mouths of some natives, who had come down from there not long ago, that the King was preparing to depart for Loewoe with no other purpose than solely to mediate, if possible, some disputes that had arisen among the Loewoenese; which having been accomplished, they expected His Highness soon to come hither without further delay. Thus ran the report of the interpreter upon his return from there. Wednesday the 6:th. The emissaries mentioned under the subject of 29 January previously, to complain to the Queen of Tanette about the acts of violence of her son Aroe Pantjana, returned today and brought me a report of their commission, stating that the Queen had listened to the matter calmly, but had not given them a single word in reply to me, having only declared that she intended to come here in person before long, when she hoped to have the opportunity to confer with me orally on that subject; as indeed she 60 From Maccasser: the 29 June 1771 soon arrived here on Thursday the 7:th, giving me notice of her arrival with the customary compliments. Friday the 8:th. Nothing occurred. Saturday the 9:th. There arrived a Bone interpreter from the Soelewatang of Bone, who, as it appeared, had once again engaged in new hairsplitting with the customs boom lessee, just as in the past year / to be found under 21 July /, concerning some small traders, commonly called by them Pagilings, people who each with a load of merchandise travel in small parties back and forth from here to the interior, and find a market for their goods there. It was these people who, contrary to the regulation made at that time, and of which the requisite notification had been given to the aforementioned Governor for his information and observance, nevertheless, in defrauding this order and without wishing to observe it, obstinately wished to persist in their former arbitrary habits, pretending to be ignorant of this regulation; whereby it was also brought about that various ones of them had now been detained by the servants of the lessee, From Maccasser: the 29 June 1771 which was the occasion for this mission, and at the same time the subject on which the minister now caused complaints to be made to me, with the addition of a ridiculous request, as if I would be pleased to deliberate on this matter beforehand with the King his master, so that subsequently, the same having been confirmed and established by his sovereign, it might (then) henceforth serve as a guideline for them. I had him answered to this: that whereas anno passato, for the sake of one of these smugglers, he was released, the seized property returned, and he, the Soelewattang, had at the same time been informed on that occasion regarding the practices that were in use among us in this regard, to the end that he, as it was his duty, might elucidate the King thereof, and furthermore take care that those people were also instructed concerning it and conducted themselves accordingly, in order thus to prevent continual bickering of that nature; it therefore seemed very strange to me that he now for the first time began to speak of an agreement on this matter with the King his master; and furthermore that we were always accustomed to maintain such servants as the toll collector in his lawful grievances, and that His Highness of Bone, for special reasons, was no less obliged to do so. Sunday the 10:th. The Queen of Tanette informed me through an envoy, with the customary
Dutch transcription
302 van Maccasser den 29: Iunij 1771 van myn ontslag uit dit bestier mitsgaders dat Naar Hoog Edelheedens in mijne plaats tot gouverneur en directeur deser celebes g'Eligeert hadden den Heer Paulus godofredus van der voort dewelke men dagelijks alhier te gemoet zag voorwelke Informatie den koning mij onder contra groete had laten bedanken Het selvoliet ik door voorn: Bleij desen dag mede aan de koninginne van Tello aankondigen en teffens mijn verwon„ dering aan haar Hoogh:t tekennen geeven over dat mij van haar ent wegen geen kennis was gedaan van haar te rug komst uijt sideenring van waar zij na 't geen ik van ter zijden vernoomen hadd al reets Eenigen tijd geleden gere„ verteert was zij liet har over dit versuijm bij mij verschoo„ „nen als teweege gebragt eens deels door den rouw waar in zij gedompeld lag over het afsterven van haare bemindste „nigte Craceng Zempangang dogter van aroe Palacca anderdeels door een Indispositie waar aan zij zedert Eeenige daagen was laboreerende voor t overige mij onder weder groete voor de gegeeve Communicatie hebbende laaten bedanken, na luijd het verslag dat mij bij te rug komst door voorn: Tolk gegeeven is Zondik den voorn: Tolk blij nat en soelewattang en glanang Duijsdig 5. Bontoalacq Van Maccasser den 2 9: Iunij 1771 Bontoalacq om deselve gelijk als aan de hoven van goat en Tello was gedaan van de voorgevalle verandering in de regeering alhier te Informeeren zijnde den koning in de binnen landen mede bereeds daar van bij Eenen brieff door mij verwittigd zoo als ik hen liet weeten onder afvraage of 2: ook iets particuliers aan„ „gaande zijn hoogheijd vernoomen hadden ze antwoord den hier op uijt de mond van eenige Inlanders die niet lang gelee„ den van daar afgekomen waaren te hebben vernoomen als dat de koning zig gereed gemaakte om na Loewoe te vertrekken met geen ander oogmerk als alleen om aldaar eenige onder de Loewoenesen geresene verschillen des mogelijkte bemiddelen het geene verrigt zijnde zij zijne Hoogheijd zonder verdere vertraaging spoedig herwaarts verwagteden zo luijde destolks berigt bij retour van daar woensdag den 6: de afgesonde vermeld onder de materie van den 29 Ianuarij be voorens om bij de koninginne van Tanette over de geweldenarijen van haren zoon Aroe Pantjana te doleeren reverteerden heden en bragten mij van desen hunnen last berigt dat de koninginne de zaak bedaart hebbende aangehoort, egter aan penl: geen woord daar op tot andwoord aan mij gegeeven maar eenlijk verklaart hadde dat zij Eerlang dagte in Persoon al hier te koomen, wanneer ze hoopte geleegentheijd te zullen hebben mij op dat supet mondeling 't onderhouden, zoo als ze dan ook al G0 van Maccasser: den 29 Iunij 1771 ras alhier arriveerde op laatende mij onder de gewoone pligtplegingen van haare komstken, d'onderdag den 7: „nis geeven. niets voorgevallen arriveerde een Bonijse Tolk van den soelewatang van Bonij die Zaturdag „ 9: gelijk 't bleek weder in nieuwe hair kloverijen even als in den voorleden Iaare / te vinden bij den 21. Iulij: met den boomspag„ ter was geraakt over eenige smalle handelaars Pagilings in de wandeling bij hen genaamt menschen die ijder met een dragt koop„ waaren bij klijne troepen van hier na de binnen landen gintsen herwaarts trecken en aldaart debiet hunner goederen vinden deese lieden waaren het die tegens de vaststelling te dier tijd ge„ maakt en waar van aan den stedehouder voornoemt de vereijsch„ te kennister zijner narigten observantie gegeeven was des on„ geagt int fraudeeren deser ordre, en zonder deselve te willen in agt neemen bij haare voorige willekeurige gewoonten stijf„ hoofdig wilde blijven volherden als houdende zig van dese bepa„ „ling onkundig te sijn en waar door het dan ook te wege was gebragt dat desen en geenen van henliden door de dienaars van den pagter als nu waaren aangehouden, vrijdag „ 8: Het van Maccasser: den 29 Iunij 1771 Het geen de aanlijding deeser besending en te gelijk het onderwerp was waar over minister als nu bij mij doleeren liet met bijvoeging van een ridicul versoek quasie dat ik dit stuk alvoorens met den koning zijnen meester geliefde te beraadslaagen om vervolgens t selve door sijn souverain beaamt en vast gesteld zijnde/(als dan:/ voortaan tot een rigtsnoer voor henl: te kunnen strecken, Ik liet hemd hier op antwoorden dat vermits anno pass=o ten ge„ „vallen eenen deeser sluijkers gelargeert het aangehaalde te rug gegeeven, en hij soelewattang te gelijk by die geleegentheijd geinformeert was geworden, nopens de gebruijken die er ten desen reguarde bij ons in zwang gingen, ten eijnde hij gelijk het van zijn pligt geweest was den koning daar van zoude kunnen Elu„ „cideeren en wijders zorge draagen dat die menschen mede dien aangaande onderrigt hen daar na quamen te gedragen om dus Continueele Harrewarren van dien aard te kunnen voorkoomen het mij oversulks als om zeer vreemd voorquam dat hij thans eerst begon te spreeken van een over eenkomst op dit stuk met den ^ gewoon koning zijn meester owijders dat wij altoos waren zoodanige bediendens als den Tolheffer in zijne regtmatige beswaarnissen te mainctineeren en dat zin Hoogheijd Bonij uijt bij sondere reden niet minder daar toe verpligt was zondag den 10:e dekoninginne van Tanette mij door een sendeling onder de ge„ woone
English
from Maccasser the 29 June 1771 having sent to request the customary greetings and access, I sent the under-interpreter Israel Pietersz to notify Her Highness that I would expect her visit on Monday the 11th, against Tuesday the 12th, as she indeed appeared with her retinue. After seats were taken and mutual courtesies were exchanged, the princess made known that she had understood very well the message delivered to her from me by the interpreter Israel Pietersz and the Company envoy Daing Mandjarekie concerning the grievances of the King of Boni regarding the paddy fields located at Totjetta, which Her Highness had ordered to be cultivated, not knowing any better than that they belonged to her in ownership, just as they belonged among a parcel of paddy fields named Balang C, which were also hers. That, having already previously intended to come up here in person, she had for that reason suspended the reply for so long; further, having to express her astonishment at how the from Maccasser the 29 June 1771 the King of Boni could make a claim on these fields, since His Highness and all the collective Boniers must be aware that they belonged to her, although it was true that they were taken away and appropriated by His Highness under the administration of Governor Blok precisely when she, the Queen of Loewoe, wished to depart, yet the aforementioned Mr. Blok had admonished her at that time to depart in peace with the promise that he would, if possible, ensure that they were restored to her in due course; further appealing to the shahbandar Voll, that he was aware of these disputes and had also handed over Balang C to her in the past year. Voll, being asked by me hereupon how this matter actually stood and whether this question had subsequently been decided and settled by Mr. Blok or not, answered that he was well aware that Her Highness had at that time claimed these disputed fields from Boni's king under the pretext that they lawfully belonged to her, but that that monarch, on the contrary, had asserted with great reason that those fields belonged to him, wherefore that question had remained undecided and the fields were left under Boni, about which Her Highness from Maccasser the 29 June 1771 had then expressed herself with much bitterness in this manner: if I cannot get the one, namely Totpitta, then take the other, meaning Balang E, away as well. Wherewith, to his knowledge, that question had remained until today, except only that Her Highness in the past year, after the vertiening, when he, Voll, was on a commission at Pantjana, had requested to have back the aforementioned Balang E, being a tract of land of 99 pieces of paddy fields, on account of the lack of fields, as she had also taken the same back to herself. I asked her hereupon whether all this was the truth; her answer was yes. Hereupon I held before her how wrongly she had acted by arbitrarily having the lands named Totjitta plowed and thereby appropriating them to herself, whereas they could not have been assigned to her with any foundation by the aforementioned Mr. Blok at that time, being now already fourteen years ago, just as I declared myself unable to find any grounded reasons for it now, together with the consequences of murders and homicides that such an arbitrary action could have brought about, in case the Boniers had resisted it with violence at that moment, therefore ordering her from Maccasser the 29 June 1771 to renounce from now on and forever this her unfounded claim on those fields and to remain satisfied with the aforementioned Balang E; furthermore, to send her envoys immediately with those of Boni, named Laudo and the matoa Tjitta, who will be accompanied by the Company's interpreter Pieter Bartels, to Sagerie in order to restore those lands to Boni. Her Highness answered to this only that she submitted herself to my judgment and would resign herself to it. After this, the Northern Regent Lolo of Kalochoea appeared, complaining about a certain subject of Her Highness named Packeren, who had seized 12 pieces of paddy fields named Poesekapa and located at the village Tanoentong. He, being present with the Queen and asked for the reason for this, had nothing else to bring forward for his excuse than alleging that they had been given to him by the shahbandar Voll, which being denied upon questioning by Voll, he was ordered to likewise restore those paddy fields back to the aforementioned regent. Furthermore, this chief complained about another 20 pieces of paddy fields located on the north side of the river Sagerie at the village Peesing, also arbitrarily taken into possession by the people of the Queen, where
Dutch transcription
606 van Maccasser den 29 Iunij 171 woone groete om acces hebbende laten versoeken zond ik den ondertolk Israel Pietersz: om haar Hoogheid aantezeggen Maandag den 11: dat ik haar besoek verwagten zoude tegens. dingsdag „ 12: gelijk zy ook met haar Gevolg verscheenen is Na genoomen zitplaats en wedersijdse afgelegde heus„ heeden gaf de vorstinne tekennen, dat zij zeer wel verstaan had de boodschap uijtnam van mij door den Tolk Israel Pietersz en 's Comp: sendeling daing mandjarekie aan haar gedaan over de doleantien des konings van Bonij aangaan„ „de de Padij velden gelegen op Totjetta die haar hoog„ heijd laten bewerken niet beeter weetende of deselve waren haar in eijgendom toebehoorende gelijk ze onder een parthij Padij velden genaamd Balang C die mede de hare waren sorteerde. Dat zij reeds bevoorens van intentie geweest zijnde in per„ soon herwaards op te koomen het antwoord om die reede solange had opgeschort; voorts haar verwondering temoeten betuijgen hoe den van Maccasser den 29 Junij 1771 Den koning van Bonij op deese velden konde preet nsie maken na demaal zijn hoogheijd en des gesamentlijke Boniers moesten bekent weesen dat deselve har toe quamen schoon het waar was datze door sijn Hoogheijd onder de regeering van den Heer gouverneur Blok Juijst wanneer /zij koningem:/ van Loewoe wilde vertrekken weg genoomen en g'Eijgent waren egter had welgemelde Heer Blok haar te dier tijd vermaant om maar gerust te vertrekken met belofte van van des mogelijk te sullen zorge dragen dat deselve haar in der tijd gerestitu„ eerd wierden haar verders beroepende op den siabandhaar voll dat die van deese geschillen bewustheijd droeg en haar ook in den voorleeden Iaare Balang Chadde overgegeven, voll hier op door mij gevraagd zijnde hoe 't eijgentlijk hier mede geleegen was en of deese questie door den heer Blok ver„ volgens was beslust en afgedaan ofte niet, zo gaf deselve tot antwoord wel bewust te zijn dat haar hoog„ heijd te dier tijd deese in dispunt leggende velden van Bonijs koning hadde gepretendeert onder voorgeeven dat ze haar wettig toebehoorden dog dat dien vorst daar en teegen met veel grond hadde beweert dat die velden hem toequamen weshalven die questie ongedecideert gebleeven ende velden onder bonij gelaten waren waar over haar hoogheid zig 608 van Maccasser den 29 Iunij 1771 zig toen nog met veel bitsheijd in deser voegen hadde uijtgelaten: als ik het eene teweeten Totpitt a:/ niet krijgen kan, neemd dan het andere ./:meen ende Balang E ook maar weg waar bij die questie zijnes weetens tot heeden gebleeven was als alleen dat haar Hoogheijd in A:o pass.o na de verthiening wanneer hij voll zig op Pantjana in commissie bevond versogt hadde om het vooren Balang. E /: zijnde een Landstreekje van 99: stuks padij velden: vermits 't gebrek aan velden weder terug temogen hebben gelijk zij deselve ook weder na haar hadde genoomen Ik vroeg haar hier op of dit een en ander in dewaarheijd bestond haar antwoord was. Ia Hier op hield ik haar voor hoe qualijk zij gedaan had met de landerijen genaamt Totjitta eijgenwillig telaten beploegen en daar door haar als toe toe eijgenen daar haar deselve door welm: Heer Blok te dier tijd zijnde nu reets 't zeedert veertien Iaaren verlopen met geen fondament hadden kunnen werden toegeweesen also min als ik verklaarde daar toe thans eenige gegronde redenen te kunnen vinden mitsgaders de gevolgen van moorden dood slagen die een zodanig willekeurig gedoente ingeval de Bomers zig op dat pas met geweld daar teegen gestelt hadden zoude hebben kunnen na zig sleepen haar dierhalven ordonn: om van Maccasser den 29 Iunnij 1771 om van nu af voor althoos afstand te doen van deese haare onge„ fundeerde praetensie op die velden en zig te vreeden te houden met voors:z Balang. E teffen, om ten eersten haare zendelingen met die van Bonij gen„t Laudo en den matoa Tjitta (:verseld zullende werden van sComp tolk Pieter Bartels na Sagerie te senden ten eijnde die landerijen aan Bonij te vestitueeren Haar Hoogheijd antwoorde hier op eenlijk dat zij zig aan de uijtspraake van mij onderwepen, en zig des getroosten zoude Hier na verscheen den Noorder Regent Lolo van Kalochoea doleerende over zeeker onderdaan van haar hoogheijd gen: Pac„ keren die 12. Muks Padij velden gen:t Poesekapa en geleegen op de negorij Tanoentong had na zig genoomen deesen /: bij de koningin present na dereeden hier van gevraagd werdende had niets anders tot zijn verschooning in te brengen als dat voorgaf hem deselve door den sjabandh: voll gegeven waren 't welken op afvraage door hem voll ontkent zijnde wierd deselve g'ordonneert, om die Padij velden insgelijks weder aan den voorsz. regent te restitueeren, wijders doleerde dit hoofd over nog 20 stuks Padij velden ge„ leegen aan de noordkant van de rivier Sagerie op de nego„ rij Peesing al meede door 't volk van de Koninginne wille„ keurig in possessie genoomen waar
English
610 from Maccasser the 29 June 1771 whereupon I also recommended Her Highness, who feigned ignorance of this dispute, to likewise relinquish those fields for the benefit of the lawful owner, and that in case the people of Tanette might have already sown them, then, for this year but no longer, the fruits thereof may be enjoyed by the planter, provided he pays to the lawful owner the ordinary tithes of the land. Lastly, I admonished Her Highness to likewise once and for all renounce certain 14 pieces of fields situated within the boundary limits of the King of Boni, called Toa Tjabbang and Riattasepa, and never to raise any dispute about them again, since that matter had also in earlier times been decided in favor of Boni, and it must remain at that. She answered merely: Just as you please, subsequently taking her leave with a rather cold and discontented countenance. In the afternoon, I sent the interpreter Bartels to the Glavrang of Bontoealak to inform him of the outcome of the decision regarding the disputed fields of Potjitta, which were awarded to the Boni people, with further orders to request him to send the Djemma Tongang from Maccasser the 29 June 1771 Wednesday the 13: Tongang and the Pabitjara Tjitta thither with him, the interpreter, tomorrow, in order to be able to assist at the handover of the same; after which he was dispatched to the Queen of Tanette to likewise request an emissary from her side, provided with the necessary orders for the delivery of these fields to the Boni people; which she put into effect by appointing her second Pabitjara and the Soero Toeallang for that purpose. The provisional deputy of the district of Langelange, situated in the Southern Provinces, accompanied by many lesser regents from that region, appeared before me. They made known that they had come hither to deliver the determined tribute to this Castle according to annual custom, and requested simultaneously with one voice that, since the lawful regent of the aforesaid district had passed away, I would deign to favor the aforesaid deputy with the succession to that dignity. But as I had not yet received any report on that subject from the Resident of Boelecomba, I postponed their request, promising to declare myself to them on this matter on a later occasion after receiving advice; furthermore granting their petition to be allowed to deliver the cotton yarn brought along into the Company's warehouses. Thursday the 14: Bartels departed with the Boni emissaries and the Pabetjara Titta for Sagari, in order to wait there for the Tanette emissaries for the handover of the paddy lands mentioned under the 12th of this month. Friday the 15, Saturday the 16, Sunday the 17, Monday the 18: nothing occurred. Tuesday the 19, Wednesday the 20. Thursday the 21: I had the King of Goak Toah 642 from Maccasser the 29 June 1771 notified by the under-interpreter Israel Pietersz, with friendly greetings, that I shall receive him and the other court dignitaries the day after tomorrow, which was accepted accordingly. Friday the 22: nothing occurred. Saturday the 23: the King of Goah appeared with his entire retinue. The ceremonial of his reception is recorded more fully in the ordinary daily register, as well as the reason and occasion for this visit. Sunday the 24: nothing occurred. Monday the 25: I was informed by the Lolo of Sagerie, who arrived immediately, that nothing had come of the agreed handover of the paddy fields of Totjitta, of which mention was made here previously, both due to the sluggishness of the authorized agents of the Queen of Tanette, who failed to appear there at the appointed time, and due to other obstacles; for after having spent two days there in vain awaiting the fulfillment of the Queen's promise, and having finally wanted to insist on the restitution, the Anrong Goeroe Poea Sapirie, who had been put into the unlawful possession of those fields by Aroe Pantjana, very brusquely had the emissaries answered that, since the paddy fields were not from Maccasser the 29 June 1771 assigned to him by the Queen, Her Highness could also have no disposition over them. I immediately sent the same interpreter to Her Highness to lodge a complaint about this and to insist that she charge Captain Daeng Massiki with the execution of that matter; and she sent me word in return that she had already caused a letter to be prepared to order once again with all earnestness that the claimed fields be de facto handed over to the Boni people. From Tuesday the 26 February to Monday the 4 March inclusive: nothing occurred. Tuesday the 5: it was reported to me upon the return of the interpreter Bartels from the Northern Province, accompanied by the former Djemma Tongang of Sagerie, that those of Tanette, pursuant to the order given to them, had properly made restitution to the Boni people of the Tjitta paddy fields wrested from them by Aroe Pantjana. I ordered the Djemma Tongang to bring word of this to the Glarrang Bontoalaig for further communication to His Highness of Boni. Wednesday the 6: nothing happened; likewise on Thursday and Friday the 7 and 8. Had
Dutch transcription
610 van Maccasser den 29 Iunij 1771 waar op ik Haar Hoogheijd /:die zig van deese questie igno„ „ant hield:/ teffens recommandeerde al mede van die velden ten behoeven van den wettige eijgenaar afstand te doen, en dat ingeval de Tanettereesen deselve reeds mogten hebben bemerkt als dan /: voor dit Iaar dog niet langer :/ de vrugten daar van zullen mogen werden genoten bij den beplanter mits hij aan den wettigen Eijgenaar betaale de ordinaire geregtig„ heijd van 't land, Laastelijk vermaande ik haar hoogheijd om in selver voegen van sekere 14: stuks velden geleegen binnen de Limietschijding van den koning van Bonij gen=t Toa tjabbang en Riattasepa mede eens vooral af te zien en daar over nimmer meer questie te moveeren also die saak almeede in vroeger tijd ten also die zaak almeede in vroeger tijd ten faveure van Bonij uijt geweesen was en het daar bij moest blijven berusten zij antwoorde slegts zo als het u geliefd neemende vervolgens met een vrijkoel en 't onvreeden gelaat afschijd: 's nademiddags zond ik den tolk Bartels na den glavrang van Bontoealak om hem te verwittigen, van den uijtslag der beslis„ sing over de questieuse velden van Potjitta die de Bonijers toege„ weesen waaren met verderen last om hem te versoeken den djemma tongang van Maccasser den 29 Iunij 1771 woensdag den 13: tongang en den Pabitjava tjitta tegens morgen met hem stolk:/: derwaarts mede aftezenden ten eijnden bij de weder overgaave derselve te kunnen adsis„ „teeren waar na hij tot de Koninginne van Tanette wierd afgevaardigd om van avent weegen meede een sendeling teversoeken, voorsien van de noodige last tot de overgave deeser velden aan den Bonijers het gun zij werkstellig maakte met daar toe te Committeeren haar en 2: Pabitjara en den soero toeallang den promnter in steede houder van 't in de zuijder Provincien geleegen district. langelange verseld van veele mindere regenten uit dien oord zijn bij mij ver„ scheenen zij gaaven te kennen herwaarts op gekoomen te zijn om na Iaar„ lijkise usantie den bepaalden tribut aan dit Casteel op te brengen en versogten =teffens uit eenen mond dat ik vermits den wettigen regent voorn: district was koomen af lijvigte worden, wilde met de successie in die waardigheijd begunsti„ „gen den voorn stedehouder dog vermits ik over dat supct nog geen narigt van Boelecombas Resident ontfangen had stelde ik hent: uit met toesegging van bij nadere gelegentheijd nabekomen advijs mij daar over aan hen te zullen ver„ laaren, accordeerende wijders hunne Instantie om het mede gebragte Cat„ toene gaaren in 's Compagnies Pakhuijsen temogen leveren, donderdag „ 14: vertrok Bartels met de Bonijse afgesondene en den Pabetjara Titta na saga rie om aldaar de Tanettereese afgesondene in 't wagten ter over gave van de Padij landen onder den 12: hujus vermeldt vrijdag „ 15 zaturdag den 16 „ 17 maandag „ 18 niets voorgevallen Zondag dingsdag „ 19: woensdag „ 20 donderdag „ 21: Zet ik door den ondertolk Israel Pietersz: den koning van Goak 642 van Maccasser den 29 Iunij 1771 Toah onder een vriendelijke groet aanseggen hem„ de verdere hof„ grooten teegens overmorgen te zullen recipieeren het geen zodanig g'accepteerd wierdt, niets voorgevallen verscheen den koning van goah met sijn gantsche Hlofgesien 't Saturdag „ 23: Ceremonieel zijner receptie is breeder bij het ordinair dagregis¬ „ter vermeldt zo wel als de reden en aanlijding tot dit besoek„ niets voorgevallen wierd mij door den Lolo van Sagerie die optstond arriveerde berigt Maandag „ 25 dat van d' afgesprooke overgaave der Padij velden van Totjitta waar van hier voor een en andermaal is gewag gemaakt niets ge„ worden was zoo door de traagheijd der bevoegdens van de konin„ „ginne van Tanette die een gebreeke gebleeven, waaren op de bepaalde tijd aldaar te verschijnen als door andere hindernissen want zij na twee daagen te vergeefs aldaar te hebben toegebragt in afwagting aan de voldoeninge van 's koninginn: belofte, en ten laatsten op de ves„ „titutie hebbende willen aandringen zo had den anrong goeroe Poea sapirie die door aroe Pantjana in 't onregtmatig besit dier velden was gesteld zeer brusg aan d' afgesondene ten antwoord laten geeven dat vermits de Padij velden hem door de koninginne niet sondag „ 24: vrijdag den 22 waaren Maccasser: den 29: Iunij 1771 van waaren opgedraagen haare Hoogheijd ook geen beschicking over de„ selve konde hebben Ik zond ijlings daar op den selven Tolk aan haare Hoogheid, om hier over te doleeren en aan te dringen dat zij den Capitain dang Massiki met de uitvoering dier saak belaasten wilde en zij liet mij wederom antwoorden dat ze alreeds een brief had in gereedheid laaten brengen om andermaal met allen ernst 't ordonneeren dat de gepraten„ deerde velden defacto aan de Bonijers wierden overgegeven, van dingsdag den 26 Februarij tot Maandag den 4. Maart jnclusive niets voorgevallen. Dingsdag „ 5. wierd mij met de te rugkomst van den Tolk Bartels uit de Noorder Provincie verseld van den geweesen Djemma Iongang van Sagerie, ge„ rapporteert dat die van Tanette ingevolge den last aan hun gegeven aan de Bonijers behoorlijk restitutie hadden gedaan van de Tijttase Padij velden hen door Aroe Pantjana ontweldigt Ik beval den Djemma Ton„ „gang het narigt hier van te brengen bij den glarrang Bontoalaig ter verdere Communicatie aan zijne hoogheijdt van Bonij woensdag den 6 niets gepasseert gelijk ook donderdag en vrijdag den 7. en 8: Liet
English
6424 Junij 1770 From Maccasser the 29 Tuesday the 12: Nothing occurred. Sunday the 10 Saturday the 9: The Bouthon envoy sent an emissary to greet me and on that occasion gave to know that since he was informed that, as on the last voyage, so many troops were again about to depart for Bouthon to his master's utmost displeasure, he was instructed to use all his diligence with me against this, to bring about that, as in former years, so also now again only one sergeant and two privates should be employed and commissioned for this, requesting that I would continue with the old custom without introducing novelties that were excessively burdensome to them. But this repeated proposal and request I cut short, in the same manner as had already happened in the past, and let the envoy know hereupon that all precautions upon the slightest indications were in cases of such weight necessary and reasonable to be put into effect, and that I therefore judged it better to abide by the recently introduced custom whereby in case of illness or death of the one, the other can again fill his place, and Monday the 11: nothing happened. The under-interpreter Bleij was sent to Aroe Palacca in order to deliver to Her Highness the letter recently brought for her from Batavia with the help of the Malay scribe, for which she conveyed her expressions of thanks. From Maccasser the 29 Iunij 1771 Thursday the 14: to Sunday the 17 nothing occurred. Monday the 18: the aforementioned letter was offered to me for perusal by Aroe Palacca, which upon translation was found to be from her grandson banished to Ceylon, as appears from the translated contents of the same to be found among the appendices. Her Highness had instructed the bearer Moentoe, upon handing over that letter, to request, as he did, that it might be returned to her again after review, seeing that she had not yet fully grasped some words appearing therein in their complete meaning and therefore wished to examine its contents attentively once more, and subsequently also send the same to His Bonese Highness in the interior; furthermore, that one would please instruct her how she ought to proceed in order to provide this grandson of hers with one thing or another for which he had asked in a secure manner, accompanying this message with many compliments, from which it seemed that she did not entirely dismiss from her mind all hope of beholding this grandson of hers once again. Whereupon the letter, having been ostensibly From Maccasser the 29 Iunij 1771 ostensibly reviewed, was subsequently handed back to the said Bonese interpreter with instructions to tell the Queen that one remained obliged to her for the communication of its contents and gladly agreed that she let His Bonese Highness read it as well; further, that it was particularly agreeable to me to have learned from it the good reception that her grandson met with there, and that in case she had anything ready for him, she would let me have the same in good time, whilst I took it upon myself to assist in the safe delivery thereof. I was also requested by the Bouton envoy, whose emissary appeared before me, to assist him with some gunpowder and bullets, whereupon a cartridge full of the former was handed to him, but the latter not being on hand here of that caliber remained unfulfilled, and I ordered the emissary to tell his principal to hold himself ready to sail within 9 to 10 days, which he undertook to report to the envoy, and herewith departed again. Tuesday the 19: and Wednesday the 20 nothing occurred. Thursday the 21: The Queen of Tanette, having obtained everything the day before from the incoming Lord Governor for today, appeared on a visit to His Right Honourable with her usual retinue and performed her compliment From Maccasser the 29 Iunij 1771 of congratulation on His Right Honourable's arrival in a solemn manner. Further, an interpreter was dispatched today to the Bouton envoy to remind him to appear within the Castle against the appointed day in order to receive the letter for his master the King and thereupon proceed on his voyage, which he promised duly to perform. Friday the 22: An emissary of the Ponglipob of Soping appeared before me on behalf of the Queen of Tanette and reported that his aforesaid master, having come down from Soping, had arrived at Tanette to accompany his spouse, whose purpose with this journey was to come to Maccasser because she wished to provide herself with some conveniences and knick-knacks brought by the Chinese junk, and that the Ponglipob would accompany her hither, in order after staying here for 3 to 4 days to depart again alone for Bouton, where he would await his spouse in order subsequently to return to Soping. Hereupon that emissary furthermore made known to me separately, by order of his said master, how gladly the same would wish to present himself for a private conversation with me on that occasion; however, that the suspicious nature of the Bonese monarch was too well known to him to give still more fuel to it by paying a visit to me, which would undoubtedly come to the monarch's notice and thus give occasion
Dutch transcription
6424 Junij 1770 van Maccasser den 29 dingsdag „ 12: Zondag den 10 Liet mij den Bouthousen gesant door een sendeling begroeten zaturdag den 9: en by die geleegentheijd tekennen geeven dat vermits hij g'infor„ meert was dat er wederom als de laatste rijse zo veele manschappen na Bouthon stonden te vertrecken tot zijns meesters uijterste onge„ „noegen, hij gelast was all zijn devoir hier teegen bij mij aan tewenden om te bewerken dat gelijk in vroegere Iaaren zo ook nu weederom maar een serg=t en twee gemeene daar toe g'emploijeert gecommitteert „wierden, met versoek dat ik bij het oude gebruijk wilde Continueeren zonder nieuwigheden in te voeren die hen boven maten Lastig waa„ ren. dan dit herhaald voorstel en versoek sloeg ik ingelijker voegen als in a pass„o bereets geschieden kort af, en liet den gezant hier op weeten dat alle voorsorge op deminste apparentien ingevallen van zulken gewigt noodsakelijk en billijk waaren dat men die in 't werk stelde en dat ik het daarom beter oordeelde bij't korts ingevoerde gebruijk te blijven waar door bij ziehte ofte overlijden van den eenen de andere zijn plaats weder kan vervullen en Maandag den 11: niets gebeurdt niets voorgevallen wierd den ondertolk Bleij na Aroe palacca gesonden ten eijnde haare hoogheijd ter hand te stellen den brief onlangs van Van Maccasser den 29 Iunij 1771 donderdag den 14: tot sondag den 17 niets voorgevallen Maandag „ 18: wierd mij den evengewaagden brief door aroe Palacca ter lectuure aangebooden zijnde bij Translaat bevonden te wesen van haren op Ceijlon gerelegeerden kleen zoon blijkens den vertaalden Inhoud derselver onder de bijlagen te vinden Haare Hoogheijd had den brenger Moentoe gelast bij 't overhandigen van dien brief gelijk hij deed te versoeken dat haar deselve nagenoome resumptie weder mogte werden terug gegeeven aan gesien zij eenige daar inne voorkoo„ „mende woorden niet in haaren volkoomen zin als nog bevatt hadde en dierhalven derselver inhoud andermaal met aandagt wilde na¬ „gaan, en denselven vervolgens ook aan zijn Bonijse Hoogheijd na de binnen landen toesenden wijders dat men haar geliefde 't onderregten hoedanig zij te werk moest gaan om desen haaren kleijn zoon van het een of 't andere waarom hij versogt had op eene secure wijse te versorgen versellende dese boodschap met veele pligtsplegingen waar uijt het scheen dat ze alle hoope van desen haaren klijn soon nog eens weder„ om te aanschouwen niet 't eenemaalen uit den zim stelde waar op den Brief met schulp van den maleijds schrijver van Batavia voor haar aangebragt waar voor zij haare dank be„ tuijging liet doen quasi Van Maccasser den 29 Iunij 1771 quasi geresumeert vervolgens weder anden gen: Bonijsen solk ter hand is gestelt met last dekoninginne aan tezeggen dat men haar voor de Commu„ nifatie van dies inhoud verpligt bleef en gaarn toestemmen wilde, dat ze dien aan sijn Bonijse Hoogheijd mede liet leesen verders dat het mij bij sonder aangenaam was daar uit vernoomen tehebben het goed onthaal dat haaren kleen soon aldaar weder voer en dat ingeval zij iets voor den selven gereed had zij mi 't zelve was vroegtijdig zou„ „de doen geworden terwijl ik op mij nam de veijlige besorging daar van te secundeeren ook wierd ik door den houtonsen gesant wiens zendeling bij mij verscheen versogt hem te willen adsisteeren met eenig buskruijd en kogels waar op hem van 't eerste een Cardoes vol is afgelangt, dog 't laatste alhier van dat Caliber niet aanhanden zijnde bleef onvoldaan en ik gelaste den sendeling zijnen principaal aan te zeggen van zig binnen 9 â 10 daagen rijx vaardig te houden, het geen hij aannam den gesant te zullen rapporteeren en hier mede weder vertrocken is en woensdag den 20 niets voorgevallen de koninginne van Tanette daags te vooren bij den aankoomend Heer Donderdani den 24. gouverneur alles voor heden geobtineert hebbende is bij zijn wel Ed: ter besoek verscheenen met haar gewoon gevolg en heeft haar Compli„ dingsdag den 19: ment Maccasser den 29 Iunij 1771 van „ment van felicitatie wegens zijn Ed: agtb: arrivement plegtig verrigt wijder is heden een tolk na den Boutons gesant afgesonden, om hem te indagtigen, tegens den bepaalden dag binnen 't Casteel te ver„ „schijnen ten eijnden den brief voor sijnen meester den koning t ont„ fangen en daar op rijse te vorderen, het geen hij beloofde behoor„ „lijk te sullen nakoomen, vrijdag den 22 Een sindeling van den Ponglipos van Soping uit nam van de ko„ ninginne van Tanette bij mij verscheenen berigte dat sijn meester voorn„t uijt soping afgekomen op Tanette g'arriveert was ter begelijding van zijn gemalinne wiens oogmerk met dese togt was om op maccasser te koo„ „nen vermits ze haar voorsien wilde van eenige gerielijkheden en snuijs„ terijen met de Chineese Ionk aangebragt en dat den Ponglipob haar tot herwaarts versellen zoude, om na 3. a 4 dagen toevens alhier weder alleen na bouton te vertrecken alwaar hij sijne gemalinne zoudeblijven afwagten om vervolgens weder na soping tekeeren, Hier op gaf mij dien sendeling nog apart uit last van gen: zijnen meester te kennen Hoe gaarne deselve zig bij die gelegentheijd tot een bij sonder mondgesprek bij mij zoude willen doen aandienen edog, dat hem het agterdogtig naturel van Bonijs, vorst te wel bekent was om nog meer voedsel daar aan te geeven door eene visite bij mij af te leggen die denselven ongetwijffeld zoude moeten tevooren koomen en dus aanlijdinge
English
618 From Maccasser, the 29th of June 1771 giving occasion to see myself saddled with many troublesome outbursts of his suspicion. I instructed this emissary, while returning greetings on my behalf, to thank his mistress for the communication given, and to inform the queen as well as his master, the Ponglipos, that since the latter had already advanced this close, I would be content with his arrival here, although I would have preferred had he remained within Soping. Saturday the 23rd: His arrival here was announced to me by the chief interpreter Gerrit Brugman, and Sunday the 24th: He had me greeted through Aroe Lipoecassie, reiterating his desire to be able to do so to me in person, and expressing the particular regret with which he saw himself prevented from doing so for the reasons mentioned before. I replied, returning the greeting, that now that he was already here, I would gladly await his visit, yet, being equally apprehensive of the consequences, I was forced to forgo it. Monday the 25th and Tuesday the 26th: Nothing occurred. Wednesday the 27th: With the members of the Political Council, there appeared at the Government House at the appointed hour the envoy from Bouthon, for whose dispatch this separate meeting was held in the presence of the incoming Governor Van der Voort. 1 From Maccasser, the 29th of June 1771 Having been assigned a seat, the envoy indicated that he was ready for his departure, whereupon the points were presented to him article by article, as contained in the letter that was to be handed to him by his master, with the express order that upon his arrival on Bouthon he report accurately thereon to the king without concealing anything of what had been put to him on this occasion, which he solemnly declared he would fulfill. And having further received the letter, he was escorted out with the same honors as upon his arrival. Thursday the 28th to Sunday the 31st: Nothing occurred. April Monday the 1st: The sub-regents of the southern provinces, Trassing and Weero, arrived to deliver their tribute here. They were charged with a letter from the resident Mol for their escort. When asked the reason for their late appearance, they attributed it to the illness of their superiors, which was therefore accepted as valid; nevertheless, it was emphatically recommended to them to take care in the future to be here at the proper time. Tuesday the 2nd to Thursday the 4th: Nothing occurred. 620 From Maccasser, the 29th of June 1771 to Sunday the 7th: Nothing occurred. Monday the 8th: The queen of Tanette, through an emissary and with the presentation of her greetings, made known her intention to return this afternoon together with the Ponglipos of Soping to Tanette, from where the latter was to undertake the journey further to his country; for which report Her Highness was thanked with return greetings and both were wished a prosperous journey, while the envoy also received his dispatch herewith. Tuesday the 9th: An extraordinary emissary named Glarrang Patjelang was dispatched to Bonij with a letter to His Highness, to be found among the appendices to this. From Wednesday the 10th up to and including Sunday the 28th: Nothing of note occurred that needs to be recorded herein. The emissary Slarrang Patjelang, mentioned before the 9th instant, returned today from the interior, bringing a letter from His Highness of Bonij in response to the aforementioned one, conveying at the same time verbally that His Highness was to undertake the journey hither 3 days after the departure of this emissary; of which there was all the less doubt since His Highness had turned down a Luwu emissary who had recently obtained an audience and had requested the prince, in the name of the highest nobility of the Luwu people, to be pleased to proceed to Luwu before his departure, with that very intention. 1771 From Macasser, the 29th of June Tuesday the 30th: Nothing occurred. May From Wednesday the 1st to Friday the 3rd: Nothing occurred. Saturday the 4th: An audience for the Tomilalang of Bonij, who recently returned here from the interior, having been requested by the interpreter Moentoe and postponed until the next day, the same appeared Sunday the 5th in the morning at 8 o'clock. Having taken a seat, he made known the reasons for this visit to consist in the communication he was ordered by his prince to bring here, for which purpose he had traveled ahead overland, and that after having accomplished his commission he intended to depart by water for Malassero this very evening. It entailed that the king, ready to travel to return hither, intended to proceed beforehand to Tjinrana for a certain solemn purpose, and having fulfilled that, subsequently to embark at Tipolol to continue the journey to Maccassar, yet calling at Malassero in passing, where he, the Tomilalang, was instructed to await his master. I had the king thanked for this report, as being very agreeable to me, with return greetings, which this emissary promised to convey, and he departed therewith. From Friday the 5th: [illegible]
Dutch transcription
618 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 aanlijdinge geeven mij mit veele lastige uijteverkselen van zijn arg„ „waar te sien opgescheept Ik belaste desen zendeling zijne meesteresse onder weder groete van mijnent wegen te bedanken voor de gegeve Communicatie en de ko„ ninginne zo wel als zijnen meester den Ponglipos aan te zeggen dat vermits dese bereeds zo verre na bij gevordert was ik mij zijn komst alhier zoude laten wel gevallen dog daar bij liever gewenscht hadde dat hij binne soping verbleeven waare. wierd mij zeer arivement alhier doorden opertolk Gerrit Zaturdag den 23: Brugman aangekondigt en Liet hij mij door aroe Lipoecassie begroeten onder herhaling zondag „ 24: van sijn begeerte om mij zulks in persoon te kunnen doen en het bij zonder leed waar meede hij sig om vooren gewaagde reden hier inne verhindert zag ik antwoorde onder weder groet dat ik met minder nu hij Mappa hier was gaarne zijn besoek zoude afwag„ ten dan ook even seer voor de sequelen bedugt daar van genoodsaakt was aftesien, en dingsdag den 26, niets voorgevallen mat seijden van den Politiquen raad verschen binnen't Courmne, woensdag, 27: Maandag „ 25: ment 1 van Maccasser den 29 Iunnij 1771 „ment ter bepaald uur den Boutonsen gesant tot welkers depeche deese afsonderlijke bij een komst is gehouden ter praesentie van den heer aan„ koomend Gouverneur van der voort, den gesant zitplaats aangeweesen zijnde gaff te kennen gereed, te sijn tot zijn vertrek waar op den zelven articulatim voor gehouden zin de poincten zodanig als in den brief die hem door zijnen meesterstond te werden overhan„ digt vervat is met Expresse Last om bij zijn arrivement op Bouthon den koning hier van naauwkeurig verslagte doen sonder iets van het geen hem bij deese geleegentheijd is voorgehouden te verswijgen het geen hij „plegtig betuijgde te sullen naakoomen, en wijders den brief ontfangen hebbende met gelijk honneur als bij sijn komst is uit geleijdt Donderdag den 20„ tot sondag den 31. niets gepasseert Maandag „ 1: arriveerden de onder regenten der zuijder provincien Trassing en weero om hun tribut alhier op tebrengen zewaaren belaast met een brief van den resident Mol ter hunner begelijding dereeden van hunne spaade opkomsthen afgevraagt zijnde schreeven ze dien toe aan de siekte Kimmer principaalen weshalven dit dan ook voor gangbaar aangenoomen wierd dog hen niet temin met nadruk aanbevoolen zorge tedaagen in den aanstaanden ter behoorlijke tijd alhier teweesen. dingsdag „ 2: „ tot donderdag den 4: niets voorgevallen April 620 Maccasser den 29 Iunij 1771 van tot Sondag den 7: mits voorgevallen Lit de konigine van Sandte door en sendeling onder aabieding Maandag, 8: van haare groete bekend maaken haar voorneemen om desen nademiddag te saamen met den Ponglipos van soping na Tanette te rugtekeeren van waar den laatste derijse verder na zijn land stond te onderneemen voor welk berigt men haare Hoogheijd onder weder groete bedan„ ken en aan beijden een voorspoedige rijse toewenschen liet terwijl den afgesondenen hier mede zijne depeche verkreeg is, Eembuiten gewoone zendeling in nam glarrang Patjelang na honij dingsdag „ 9 afgevaardigd met een brief aan zijne hoogheijd te vinden onder debijlagen deses tot op van woensdag „ 10:e „ 28 Inclusive niets bijsonders voorgevallen dat in dese behoeft angeteekent te Zondag werden den sendeling Slarrang Patjelang hier voor den ghuisus gedagt uit de binnen landen heden geretourneert braagt van zijn Bonijse hoogheijd eenen brief in antwoord op den voor gerepten tegelijk bij monde boodschappende dat zijn hoogheijd 3: dagen na 't vertrek van desen mede de reijse herwaarts stond te onderneemen waar aan teminder twijffel was aangesien zijn hoogheijd een Loewoeneese zendeling die kort te vooren audientie verkreegen enden van vrijdag den 5: vorst 1771 Van Macasser den 29 Iannij Zondag dingsdag den 30 niets voorgevallen Meij van woensdag den Eersten tot vrijdag den 3: niets voorgevallen Saturdag „ 4: het acces voor den onlangs uit de binnen landen alhier geretourneerden Tomilalang van Bonij door den tolk Moentoe versogt tot 'sanderen daags uitgesteld zijnde verscheen deselve 5 's morgens ten 8 uuren de beweegreeden van dit besoek gaf hij geseten zijnde te kennen te bestaan in de communicatie hem door sijnen vorst gedeman„ deert alhier te brengen waar toe hij overland voor uit getoogen was en na verrigter last den zim had nog desen avond tewater na malassero te ver„ trecken zebckelsde dat den koning rijsvaardig om herwaarts tekeeren zig alvoorens na Tjinrana tot sekere plegtig eijnde dagte te begeeven en daar aan voldaan zijnde vervolgens zig te Tipolol in te scheepen om derijse na maccassar tevervorderen dog in 't voor bij gaan Malassero aan te doen alwaar hij Tomilalang beschijden was sijnen meester te gaan inwagten ik liet den koning voor dit berigt als mij zeer aangenaam bedan„ ken onder weder groete het geen dese zendeling beloofde tevolbrengen en daar mede vertrok Vorst uit uijt naam van den supis adel der louwoeneesen versogt had om voor zijn aftogt zig binnen loewoe te willen begeeven met die Intentie dit versoek had afgeslaagen van „
English
From Maccasser the 29th of June 1771 From Monday the 6th to Wednesday the 8th: nothing occurred. And likewise from Thursday the 9th to Sunday the 12th: inclusive. Monday the 13th: news was brought that His Bonese Highness had approached near Boelacomba. Tuesday the 14th: From Friday the 17th to Wednesday the 22nd: nothing occurred. And Wednesday the 15th: nothing occurred. Thursday the 16th: a letter was received from Bima's monarch with the arrival of the Nachoda Intje Kadjappi. Thursday the 23rd: early in the morning the King's arrival from the corner of Panakoekang was perceived; he arrived here about half past eight, being saluted and welcomed with 9 shots while sailing past the Castle. Not long after, the message of His Highness's arrival was brought by an envoy, with greetings and inquiry after my well-being, for which thanks were returned. In the afternoon the under-interpreter Brugman was dispatched to His Highness to request audience for our commissioners, which was granted. Friday the 24th: the titular Senior Merchant van Blijdenberg, together with the License Master Voll, proceeded thither in that capacity in order to welcome the King on behalf of myself and Mr. van der Voort upon his happy arrival, of which a verbal report was received upon their return. From Maccasser the 29th of June 1771 From Saturday the 25th to Friday the 31st: nothing transpired. As little as on Saturday the 1st and Sunday the 2nd of June. Monday the 3rd: His Highness's request for audience was deferred to a further occasion, and Tuesday the 4th: a message was brought on his behalf by the frequently mentioned interpreter Moentoe, stating that Goa's king had inquired after the well-being of the royal family of Boni, as well as that of the dethroned king, his predecessor, and had requested audience with His Highness. I had my satisfaction about this made known to the King, and among other things sent reciprocal greetings, thanking him for the communication given concerning these matters, while at the same time I dispatched the head interpreter to fix yesterday's requested audience for the King for the day after tomorrow, which he accepted. Wednesday the 5th: nothing transpired. Thursday the 6th: the King of Boni, accompanied by a numerous court retinue, paid me a ceremonial visit; the essentials transacted on this occasion are inserted in the separate dispatches to the Noble High Indian Government, which are soon to depart with me. From Maccasser the 29th of June 1771 Friday the 7th: communication was given to the Courts of Goa and Tello concerning the upcoming ceremony of the public presentation of the Honorable Incoming Governor Paulus Godefredus van der Voort, appointed for Saturday the 20th instant; for which thanks were returned, with the promise that by that time they would not fail on their part in the observance of the established customs for such circumstances. Saturday the 8th: the definitive news of the Crown Prince's decease in the interior was announced to me on behalf of Boni's monarch by two dignitaries specially dispatched thither, whom I dismissed with expressions of thanks to their master for that communication; they were followed in the afternoon by the interpreter Bleij, through whom I had His Highness informed—as had been done on the 7th with the courts of Goa and Tello—of the appointed day for the presentation of Mr. van der Voort, which ceremony His Highness replied he would attend in person; and the same announcement was also made to the Queen of Tanette by one of the Company's emissaries. Sunday the 9th: audience with the King of Boni having been requested by the aforementioned interpreter for our commissioners for Monday the 10th: the Shahbandar Voll and the Shopkeeper Simon Monsieur departed thither under the usual escort, dispatched solely to pay a formal compliment of condolence to the King on the decease of the Crown Prince Aroe Mampoe and on that occasion to offer in our name a small gift customary in such events; for which His Highness, with reciprocal greetings, had his obligations expressed, as they reported upon their return. Tuesday the 11th, Wednesday the 12th, and Thursday the 13th: nothing occurred. Friday the 14th: I sent the under-interpreter Gerrit Brugman to the Regent of Boni to remind him of the settlement of the outstanding debts of the realm, for which the time with the dispatch of the advices drew steadily nearer as it was at hand, with the request that he would provide me with a positive answer in that regard so as to be able to have it inserted into the papers to be sent, and upon my arrival at the main capital to be able to inform Their High Mightinesses in that regard, wherefore it would be all the more agreeable to me if before my departure they resolved to bring the same to liquidity. The Regent of the realm had thanks returned to me for the reminder of this their obligation, with reciprocal greetings, and replied that for the present the realm, being unable to make any payment on their debts, nevertheless looked forward very much to contingencies that might bring them good fortune, whereby they might find themselves in some measure capable thereof, and that they did not fail to apply their care to this end with diligent deliberations in order to be relieved of this burden. Saturday the 15th: nothing occurred. Sunday the 16th: late in the evening, I received notification on behalf of His Highness of Boni through an interpreter that the wife of the Supreme Commander of the Realm, Aroe Palacca, had passed away; I thanked His Highness for the communication, with which expression, accompanied by condolences, I dismissed the messenger.
Dutch transcription
622 Van Maccasser den 29 Iunij 174 tot woensdag den 8: niets voorgevallen en zo mede van tot Sondag den 12: inclusive donderdag „ 9: wierd tijding gebragt dat zijn Bonijse Hoogheijd tot bij Boelcombawas Maandag „ 13: genadert dingsdag „ 14: is een brief van Bimas vorst met het arrivement van den Nachoda Donderdag „ 16: Intje kadjappi ontfangen tot woensdag den 22. niets voorgevallen 'smorgens vroeg vernam mens konings aankomst van de hoek van Pana„ donderdag „ 23: koekang deselve arriveerde alhier omtrent half negen onder het voor bij zijlen van 't Casteel met 9 schooten gesalueert en verwellekomt zynde niet lange waar na van sijn hoogheijds komst deboodschap door een sndeling wierd gebragt onder begroeting en Informatie namijnen welstand waar voor bedankt en des nademiddags den optolk Bougman tot sijn hoogheijd afgesonden is om acces voor onse gecommitteerden te versoeken het geen g'ac„ „cordeert wierdt begaven ligden Iutulair opperkoopman van Blijdenberg benevens den vrijdag den 24 van vrijdag „ 17: en woensdag den 15 niets voorgevallen van Maandag den 6: licentmeester Bor Van Maccasser den 29 Iunij 1771 van Saturdag den 25 tot vrijdag den 31. niets gepasseert zo min als Saturdag den 1: en zondag den 2: Iunij Maandag „ 3: isijn Hoogheijds versoek omarest oe nadere gelegentheijd gedefereert, en 4: uit dessels naam geboodschapt met den meergenoemden tolk Moentoe dat dingsdag „ goaks koning na den welstand der koninglijks familie van Bonij tegelijk dien van den gedethroneerde koning sijnen voorsaat had laten verneemen en bij sijn Hoogheid acces versoeken Ik liet den koning mijn genoegen hier over tekennen geeven en onder en ander weder groete voor de gegeevene Communicatie van dit een en andere bedanken terwijl ik ter zelver tijd den oppertolk afvaardigde om het versogte aices van gisteren den koning tegens over morgen te bepaalen die sulks accepteerde woensdag den 5. niets gepasseert donderdag „ 6: heet den koning van Bonij met intal rijk hofgesien mij ee Cerimonille isite gegeven het zakelijke bij dese geleegentheijd verhandelt is geinslueert bij de apparte advijsen aan de Edele hooge Indiasche Regeering die eerlang met mi staan af te gaan Lieentmeester voll als sodanig derwaarts ten eijnde den koning van weegens mij en den Heer van der voort met zijn gelukkig arrivement te verwellekomen, waar van bij hun retouir bij monde rapportis ingekoomen vrijdag 624 Maccasser den 29 Iunij 1771 Van is aan de Heeven van goatven elle Communicatie gegeven van de aanstaan, vrijdag den 7: de plegtigheijd der puplijque voorstelling van den agtb: heer aankomimd gou„ verneur Paulus Godofredus van der voort op Saturdag den 20 hu„ „Dus bepaald waar voor bedantit wierdt, onder toezegging van tegens dien tijd aan hunne zijde nreidt te zullen Tailleeren in de observantie der vastgestelde gebruijken bij diergelijke omstandigheden wierd mij van wegens Bonijs vorst dootwee xpesdaarte afgesonde rijkstlden zaturdag den 8. len de absolute tijding van des kroon's Prins overlijden in de binnen Landen aangekondigt die ik met dank betuijging aan haar meester voor die Communicatie weder haar afscheijd gaf en des nademiddags gevolgt zijn van den tolk Bleij door wien ik sijn Hoogheijd, gelijk op den 7: bij de hoven van goat en Tello is geschied van de bepaalden dag der voorstelling van den Heer van der voort deed adverteeren, welke plegtig heijd sijn hoogheijd ten antwoord haad gegeven in persoon te sullen koo„ „men bijwoonen, en deselve annunciatie wierd meede aan de koninginne van Tanette gedaan door eene van sComp:s zendelingen, het acces bij den koning van Bonij door voorn Tolk voor onse gecommitteer: sondery en 9. dens versogt sijnde tegens vertrocken onder geleijde van het gecoon esoote derwaarts den sjabandhaar maanday den 10 vollen den winkelier Simon Monsieur alleen afgesonden om een stati„ „uis Compliment van Condoleance bij den den koning over het afterven van Maccasser: den 29 Iuny 1771 Van V vrijdag Saturdag Zondag van den kroon prins Aroe Mampoe afteleggen en bij die geleegentheijd een smaal geschenk je in dier gelijke voor vallen gebruijkelijk uijt onse naam aan te bieden waar voor sijn Hoogheid onder weder groete sijne verschuldi g„ „heijd had laten betuigen gelijk dese bij hun retour rapporteerden Dingsdag den 11: woensdag den 12: en donderdag den 13: niets voor gevallen „ 14: sondik den ondertolk Gerit Brugman naden rijf beterdr van Borij om denselven te indagtigen de voldoening der agterstallige schulden van hiet ijk waar toe detijd met de depeche der advijsen als op handen zijnde vast naderde, met versoek, dat hij mij dien aangande Positir beschijd wilde doen geworden om in staat te sijn het selve bij de aftzen„ „dene papieren te laaten suflueeren, en met mijnkomst ter hoofdplaats Haar hoog Edel„ hedens dien aangaande tekunnen Informeeren waarom het miy te liever zoude wesen indien ze voor mijn vertrek nog resolverden deselve ot Liquiditeijt te brengen. Den Sijftsbetier der lit mij voor de herrimnering deser hunne gehoudenis onder een weder groet bedanken en ten antwoord geeven dat het rijk voor as nog to eenige afdeninge haar er schulden onvermogende niet te min seer uitsiende was na toevalligheden die hent: het geluk mogten aanbrengen waar door iy daar te eenigermaten instat bevonen konden en dat ze niet in gebreeke bleeven hunnesorge tot dit eijnde me assiduel beraamingen te besteeden om van dit gewigt te werden ontheven 15 niets voorgevallen 16: ontfing iklaat en in de voornagt van wegen sin hoogheid boni oor een tolk debekentmaking dat soe sheeke huijsvrouw van den opper rejksveld heer Aroe Ia was komen te overlijden; Ik bedankt zijn Hoogheid voor de communicatie met welke betuiging onder condoleance ik „
English
From Maccasser the 29 June 1771 As I dispatched the envoy, ordering him to convey my return greetings to his master, I received a report from the chief interpreter that the northern regents and those of the mountains of Monday the 17: Maros and Mandalle had all arrived together according to their summons, in order to fulfill their duty at the forthcoming presentation of Governor v. d. Voort. The King of Tambora having been requested by the Company's extraordinary envoy Glarrang Tuesday 18: Patjelang for access for our commissioners this afternoon, which he accepted, the junior merchants Simon Monseur and Thomas Johannes Linckers departed at four o'clock for his lodgings in the Campong Moluco. Their commission consisted in making known to him the fruitlessness of our efforts made so frequently thus far, not only to remove the pending disputes and discords, but especially to overcome the stubborn opposition and aversion of his subjects toward any mediation or reconciliation with him; and that they therefore, in the name and on behalf of the government of this Celebes, which for urgent reasons could not approve letting the King return again to Tambora under these circumstances, had now been sent to demand from his hands, in that capacity, all the imperial insignia and further ornaments of the crown, as many as might be found in his possession. The King, not a little moved by this, complied with the request of the deputies with the surrender of those items mentioned in their submitted report. He declared himself willing to submit to this fate of his, but requested that, as a particular comfort in his misfortune, he might graciously be permitted to settle as a private person in Bima somewhere under the jurisdiction and protection of the King there. from Maccasser the 29 June 1771 From Examined From Wednesday the 19 to Friday the 21: nothing occurred. Saturday 22: The King of Goa, having caused his sister, the Queen of Tallo, to be persuaded through his Shahbandar Craeng Bonto and the Glarrang Mangassa that she did not need to dispatch the peoples of Tham and Tallo on her behalf to attend the today's presentation of Governor v. d. Voort, she had this made known through two of her interpreters in secret, early in the morning before the commencement of this ceremony, to the chief interpreter, who informed me thereof, adding that these deputies had declared how their mistress had lived in discord with her brother for some time, and had recently been reconciled with him again through my intercession, precisely on that account had made difficulty in rejecting the King's advice in this matter, and therefore by way of her excuse sent me word through this channel that her commissioners would not appear today, requesting that on the aforementioned grounds this be taken in the best light. underneath stood: Agreed: was signed: F. I. Voll sworn clerk D. D. van Haak Secret Letters from Java's North East Coast Page: Java's East Coast the 9 May 1771 received the 1 June with the ship Welgelegen. Received at the secretariat the 26 July: Original separate missive dated 25 April 1771: Original separate missive sent by Mr. Vos to Your Right Excellencies dated 2 May 1771: List of names of some Madurese prisoners who were sent over here with the aforementioned vessel - Copy translation of Javanese declaration given by Mas Aria Mantjanagara Ditto ditto ditto given by the Madurese head mantri Javanagara Ditto ditto ditto given by the Madurese Troenan and Roxo Djoijo together with the head mantri Rodjo Mongollo Ditto ditto ditto given by the Javanese Bappa Said Ditto ditto Javanese letter written by the Prince of Madura to Governor Vos Ditto conditions and stipulations entered into and concluded between the Honorable Company and the present Prince of the aforementioned country regarding the assumption of the regency and subordinate territory of the island of Madura the 9 July with Original separate letter from the outgoing and incoming Governor Messrs. Vos and Van der Burgh dated 2 June 1771: Original separate letter from Governor Vos to Your Right Excellencies dated 14 June 1771: Copy of a copy of a letter from the First and Second Resident of Balamboangan, Biesheuvel and Schophof, to Commander Luzac dated 23 May 1771: Copy of a copy of a letter from and to the same dated 25 May 1771: Minute of the declaration made by the first regent Soetanagara of having no guilt in the charges brought against him Register E 9 - - 13: 15: - 21: 23. 25. 27: - 39: 43: 47: 49: 51: 5: 1:
Dutch transcription
626 Van Maccasser den 29 Iunij 1771 ik den zendeling afvaardigende gelaste zijnen meester mijnen weder groet te brengen; ontfing ik van den opertolk het berigt dat de noorder regentenen die der gebergtens van Maandag den 17: Marostol mandale to all gesamentlyjk waaren opgekoomen volgens het ontbod der: zelven ten eijnde aan hunne verschuldigheijd bij 'anstaande voorstelling van den heer gouverneur v: d: voort te voldoen. den koning van Tambora door:'Comp buijten gewoonen zendeling Slarrang dingsdag „ 18: Patjelang om acces voor onse gecommitteerden tegens desen nademiddags versogt zijnde 't geen hij accepteerde vertrocken om vier uuren na sijn Logement in de Campong Moluco d'onderkooplieden Simon Monseur en Thomas Iohannes Linkers hunne Last bestond in desen voost bekent te maaken de vrugtelosheijd onder tot dus verre zoo meenigwerf aangewvende pogingen ten eijnde de zweevende geschillen en on eenigheeden niet alleen uit den weg te ruijmen, maar ook insonderheijd teverwinnen den hardnecki„ gen tegenstanden afker sijner onderdaanen van eenige bemiddeling ofte versoening met den selven en dat ze dishalven uit naam ende van wegen de regeering deser Celebes dewelke omdringende redenen niet nad kunnen goedvinden den koning weder na Tambora in dese gesteldheid van saken te laten retourneeren thans waaren afgesonden om in die hoedanigheid uit zijnehanden te vorderen alle erijks Insignia en verdere or„ namenten van de kroon zoveele alser onder zijne berusting te vinden mogten zijn Den koning niet wijnig hier over aangedaan voldeed aan de begeerte der afgesondene met dovergave van desen gene zaken vermald bij hun ingediend Rapporten betuijgde zig gewillig te sullen onderwerpen aan dit zijn lot dog versogt dat hem alseen bijsondere troost in sijn ongeluk gunstig mogte werden toegelaten zig als een Privat persoon tot Bima ergens onder 't ressort endepresteetie van den koning aldaar ter woon te mogen gaan nedersetten van Maccasser den 29 Junij 1771 Van Nagezien van Woensdag den 19 tot vrijdag den 21: niets voorgevallen Saturdag 22: dekoning van goak door sijnen sabandhaar Cracng Bonto enden glarrang „ Mangassa sijne suster de Koningim van Tello hebbende laten Induceeren dat ze tot het bijwoonen van de huijdige voorstelling van den heer gouverneur v„r d: voort niet behoefde van haventwegen af te vaardigen devolkeren van Tham en Tello Liet sij zulks door twee haver tolken in 't hijmelijke s morgens vroeg voor t aangaan van dese plegtigheijd verwitigen den opertolk die mij hier van kennis gaff daar bij voe„ „gende dat dese afgesondene verklaart hadden hoe haare meesteresse voor eenigen tijd met haaren Broeder in oneenigheid geleeft en onlangs weder met den zelven door mijne tuschen spraak versoent geraakt zijndeeven daar om swarrig„ „heaid gemaakt hadde s' konings raad indesen te verwerpen en dieshalven tot hare verontschuldiging mij langs desen weg deed boodschappen dat haare gecommitteerden heden niet souden verschijnen versoekende zulks omde voorbeschreeve reedenen haar te willen ten besten duijden /onderstond:/ Accordeerd: /: was geteekend:/ F:k I: Voll getw: Clencq D. D„ van Haak Secreete Brieven van Javas Noord oosteust Pag: Javas oosthust den 9: Mai 1771 ontvangen den 1: Juni met het schip welgelegen. den 26 Julij ter secre„ tarij ontvangen origineele aparte missive ged 25: April 1771: originele aparte missir gez: dor den her vos aan huw hogEd ged 2: meij 171 Naamlijst van eenige Madureese arrestanten die met vooren gecit: bodem alhier zijn overgesonden - Copia translaat Javaanse verklaaring gegeven door Maas avia Mantjanagara d„o d=o d„o gegeven door Maduweesen groot mantrie Iavanagara 8„ d„o d„o gegeven door de Madureesen Troenan en Roxo Djoijo nevens den groot mantrie Rodjo Mongollo 257 d d„o do gegeven door den Iavaan Bappa Said d„o d„o Iavaanse brief gesz: door den prins van madura aan den gouver„ 21: neur vos d„o Conditien in voorwaarden aangegaan en geslooten tussen de Ed: maat„ „schappij en den presenten prins van evengen: land nopens de aanvaardiging van het regentschap en subalterne gebied van het eijland madura den 9„' duli met oor Origineel apart briefje van de afgaande en aankomende Gouverneur de hee„ ven vosen van der Burgh d d„o 2:e Iuni 1771: Origineel apart brief van den heer Gouverneur vos aan hunne hoog Edel„ heeden ged: 14: Juni 1771: Copia â Copia brief van den Eersten en Tweeden Resident van Balemboan„ „gang Biesheuvel en schophof aanden gesaghebber Luzac ged: 23: Maij 1771: Copia â Copia brief van en aan als even d' d„o 25 maij 1771: Notul van het verklaarde door den eersten regent Soeta nagara van geen Schuld te hebben aan het hem ten laaste gelegde Register E 9 - - . 13: 15: - 23. .. 27: - 39: 43: 47: 49: 51: .. 5: 1:
English
the 24th of August not Landskroon the 5th of August received the 1st of September with the Snoek. Page: Original separate dispatch from the gentlemen the outgoing and incoming Governors Vos and van der Burgh dated the 23rd of July 1771. Page 53. Original separate dispatch from the gentleman Governor van der Burgh to Their High Nobilities dated the 13th of August 1771. Page 57. Copy letter from the gentleman Governor Vos to Their High Nobilities dated the 19th of June 1771, of which the original was lost due to the vessel that was taken by the pirates. Page 61. Original separate letter from the gentleman Governor van der Burgh to Their High Nobilities dated the 24th of August 1771. Page 63. Copy separate letters from the Surabaja Resident Luzac to the aforementioned Governor dated the 13th and 13th of August of this year. Pages 73 and 74. Annexed. Various copy-to-copy letters from and to different persons. Pages 75 to 90. Copy separate reply from the undersigned, the gentleman van der Burgh, to the aforementioned Resident dated the 15th of August 1771. Page 91. Copy report from that Resident regarding the proceedings on his journey to Balambangan dated the 16th of July of this year. Page 125. Annexed. A report from Lieutenant Biesheuvel and companions concerning the recent occurrences among the militia at that place. Page 1. Copy petition and complaint by the garrison of Ulu Pampang. Page 10. Copy-to-copy letter from the aforementioned Biesheuvel to the Senior Merchant regarding the relocation of the fortress of Ulu Pampang. Page 12. Two rough calculations of the profits that Balambangan is expected to yield. Pages 15 and 17. Copy separate dispatch from the Resident Luzac which was written to the gentleman Vos dated the 19th of August 1771. Incoming Secret letters received from Java's Northeast Coast, from the 1st of May to the last day of September 1771. To the Right Honorable, Highly Venerable, Strict, Far-Ruling Lord, His High Nobility Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Lords Councilors of the Dutch East Indies, etc. etc. etc. Right Honorable, Highly Venerable, Strict, Far-Ruling Lord and Honorable Lords. In the highest grateful acknowledgment for the particular honor and satisfactions shown to my administration of this coast thus far, and as Your High Nobilities Incoming Secret letters received from Java's Northeast Coast, from the 1st of May to the last day of September 1771. To the Right Honorable, Highly Venerable, Strict, Far-Ruling Lord, His High Nobility Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Lords Councilors of the Dutch East Indies, etc. etc. etc. Right Honorable, Highly Venerable, Strict, Far-Ruling Lord and Honorable Lords. In the highest grateful acknowledgment for the particular honor and satisfactions shown to my administration of this coast thus far, and as Your High Nobilities From Java's East Coast, the 25th of April 1771. have been pleased to explain this in your most respected recent letters dated the 19th of this month in so very obliging a manner to me, and also taking this, along with the considerations regarding the uncertainty of lasting harmony between the rulers or the confirmed satisfaction among the Madurese with their present Regent, as a ground to request me to continue in this government for some time longer for the best and benefit of the Company, I have the honor to reply thereto that, according to Your High Nobilities' just-cited letter, though Java may be judged to be in the most perfect internal and external peace, nonetheless the instability of the harmony of the rulers, or the apple of discord which they might present to one another through violation of the conferences held so extensively and the voluntary obligations flowing therefrom for the exchange of the lands that had become intermingled with one another, may indeed be regarded as being From Java's East Coast, the 25th of April 1771. of an everlasting nature, at least as long as the realm of Java is governed by two rulers, and this may occur daily from the subjects of both sides, although visibly contrary to the rulers' satisfaction; however, as far as the present is concerned, all the places worthy of any consideration have already been exchanged and are quietly possessed, and in all that has occurred in this matter the most peaceful intentions of the rulers have mutually prevailed, as I have been able to deduce this successively to Your High Nobilities with the letters exchanged thereon; I also believe that no further consequences are to be perceived from the dissatisfaction that arose among the arrested Madurese, nor have the slightest traces appeared on that island among great or small since their arrest, and it has now also pleased Your High Nobilities, according to my recent proposal, to remove those suspects from here, and I shall also carry this into effect per Your High Nobilities' most respected instructions via the ship Welgelegen calling at Surabaja for Ceylon; may it then be permitted to me to make this request very humbly to Your High Nobilities, and in conformity with my previous From Java's East Coast, the 25th of April 1771. previous respectful instance, by reiteration for my discharge from this government, and therewith, under assurance of my dutiful respect, to style myself, was written below, Right Honorable, Highly Venerable, Strict, Far-Ruling Lord and Honorable Lords, lower, Your High Nobilities' humble and very obedient servant, signed, Johannes Vos, in the margin, Samarang, the 25th of April 1771. To 5. From Java's East Coast, the 25th of May 1771. To the Right Honorable, Highly Venerable, Strict, Far-Ruling Lord, His High Nobility Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Lords Councilors of the Dutch East Indies, etc. Right Honorable, Highly Venerable, Strict, Far-Ruling Lord and Honorable Lords. Whereas this letter serves especially to accompany the three Madurese detainees, Raden Pandji Wieradiningrat, Raden Panoelar, and Raden Soetanata, together with their wives and families as specified on the accompanying note, it also accompanies copies of the further
Dutch transcription
den 24: aug=s niet Lands kroon den 5: Aug=s ontvangen den 1: September met de snoek. Pag: Originele aparte misse van de heeren afgaande en aank: gouvern„r vos en 53: van der Burgh ged: 23: Iuli 171— origineele aparte missive van de heer gouverneur van der Burgh aan hunne hoog Ed: d' 13 aug„s 1771:. Copia brief van de heer gouverneur vos aan hunne hoog Edelheeden ged: 19 Iuni 1771 waar van het origineel is weggeraakt door het vaartuijg dat door de rovers genomen is. .. origineel aparte brief van den heer gouverneur van der Burgh aan hunne . 63: hoog Ed: ged: 24: aug„s 1771: . Copia aparte brieven van den sourabaijas gesaghebber Luz ac aanden gem: gouverneur d' d„o 13. en 13:' aug:s deses Iaars - - - 73en 74: annex . diverse Copia â Copia brieven van en aan differente Persoonen 75. g0: Copia apart andwoord vanden ondergeteekende d'heer vander Burgh aan den gem: gesaghebber ged: 15 augustus 1771: Copia berigt vandien gesaghebber nopens de verrigtingen op sijne rijse naar Balemboangang ged: 16 Iuli deses Iaars annex Een berigt vanden Luijtenant Biesheuvel C: s: wegens het Iongst te dierplaatse g'ecteerde onder de Militie 10 Copia versoekt schrift en klagte door de oeloepampangse besetting Copia. a Copia brief van voorm Beesheuvel aanden opperk: nopens de verplaatsing van oeloepampangs sterkte Twee ruwe Calculatien der winsten die balemboangang staat afte werpen 15 e 17 Copia aparte missive vanden gesaghebber Luzac dien de Heer vos gesz: d' d„o 19 aug„s 1771— g: 125: .. 57: 61: . Aankomende Decreete brieven ontvangen Iava's Noord oost Cust, zedert p=o Maij tot ultimo 7ber: 1771. Aan den hoog Edele Hoog Aelb: gest: wijfeg biedende saar zijn hoog Edelheijd Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal, benevens de wel Edele heeren raeden van Nederlands, India &„a &c„a &„a Hoog Edele Hoog Achtbare Gestrenge Wijd gebiedende Heer en wel Edele Heeren n de hoogste dankerkentenisse voor de bij son„ re eere en Satisfacties mijn bestier te dezer uste tot nu toe aangedaan, en zo als, uw hoog Ed: van Aankomende Secreete brieven ontvangen Iava's Noord oostCust, zedert p=o Maij tot ultimo 7ber: 1771. Aan den hoog Edele Hoog Eelb: gestr: wijd gbidende slaar zijn hoog Edelheijd Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal, benevens de wel Edele heeren raeden van Nederlands, &a India &„a &c„a &„a Hoog Edele Hoog Achtbare Gestrenge Wijdgebiedende Heer en wel Edele Heeren In de hoogste dan kerkentenisse voor de bij son„ „dere eere en satisfacties mijn bestier te dezer kuste tot nu toe aangedaan, en zo als, uw hoog Ed: van Van Iavas Oost kust den 3:' April 1741. uw hoog Ed:s sulks in haar gerespecteerdste Iongste letteren dato 19:' dezer mij zo zeer verpligtent, hebben gelieven te Expliceeren ook dit benevens de Consideratien over de wisselvallighijt der bestendige harmo„ „nie tusschen de vorsten ofte het beves„ „tigde genoege onder de madureesen met hunne presente Regent, tot een grond te nemen om mij ter Continuatie ter deser Gou„ „vernement nog Eenige tijt ten beste en nut„ te van de maatschappij te versoeken, heb ik de Eer daar op te dienen, dat na uw hoog„ Ed„s evegeciteerde schrijvens Java in de vol„ „maekste rust van binnen en van buijten mogende beoordeelen des niet tegenstaande, de onbestendighijt van de harmonie der vorsten, ofte de twist appel die sij den ande„ „re door violatie der zo omstandig gehoude„ „ne Conferenties en daar uijt voortgevloeij„ „de vrijwillige verbintenisse ter uijtwis„ seling van de onder den andere geraakte landerijen, mogte doen voorkomen, als, van Van Iavas oost kust den 25:' April 1771. van een althoos duurende aart, immers so lang het Ja„ „vas rijk door twee vorsten beheert word in den daad wel mag aangemerkt worden, en dit van de wederzijdse onderdaenen Schoon blijkbaar tegen der vorsten genoe„ „gen, dagelijks Exsteeren kan, Egter, was het presen„ „te aangaat alle de plaatsen Eenige na denken meri„ tierende, reeds zijn uijtgewisselt, en rustig beseten 1. worden, en bij al het voorgekomen ten deze de vreed„ „saemste beoogingen der vorsten onderling gecousteert hebben gelijk ik sulks uw hoog Ed:s succissive met de daar over gewisselde brieven hebbe mogen deduceeren ook vermeene geen de minste sequeelen meer uijt de sig opgedaene malcontentie der gearresteerde madu„ reesen te penetreeren sijn ofte de minste vestigiaas sedert hare secureering sig ten dien ijlande, bij groot of klijn opgedaan hebben, en het nu uw hoogEd: ook behaagt heeft na mijn Iongste voordragt die suspecte van hier te verwijderen en ik dit ook na uw hoog Ed:s gerespecteerdste aanschrijvens p„r het schip wel gelegen te Sourabaija: voor Cijlon lan„ „dende, sal laten gevolg nemen; Het sij mij dan geoorlooft uw hoog Ed:s zeer nedrig, en Conform mijn vorige Van Iavas oostkust den 25: April 1771: vorige Eerbiedige instantie bij reiteratie om mijn ont„ „slag uijt dit gouvernement bij deese versoek te doen, en daar meede onder verseekering van mijn verschuldigst respect mij te noemen /:onderstond:/ Hoog Ede„ „le Hoog Achtbare Gestrenge wijdgebie„ „dende Heer en wel Edele Heeren /:la„ „ger:/ uw hoog Ed:s onderdanige zeer gehoorsae„ „me Dienaar, /:getekend:/ Iohannes Vos /:in margine Samarang den 25: April 1771, Aan 5. Van Iavas oost kust den 25:' Meij 1771: Aan den hoog Edele Hoog deltb: gestr: wijl geb: Heer zijn Hoog Edellijd Petrus Albertus van der Larra Gouverneur Generaal ende wel Edele heeren Raeden van Nederlands India V„ d„o &„r Hoog Edele Hoog Achtb: Gestr: wijdgeb:r Heer en wel Edele Heeren Daar dese bij sonder ten gelijde van de drie madureese arrestanten Radeen Pandjie wieradiningrat, Radeen Panoelar, en Radeen Soetanata, benevens vrouwen en familie zo als op by gaande notitie gespecificeert staan dienende is versellen deselve ook Copiaas der nadere
English
From Java's northeast coast, the 25th of May, anno 1771. A further deposition to their charge was delivered to me yesterday by the Prince of Madura, together with his letter, which latter contains a repeated request for the dispatch of the aforementioned detainees and is likewise offered to Your High Noble Excellencies in copy herewith. The said Prince has been properly informed by the Commander that the expenses for the maintenance of the detainees are to run for his account, and that he must await Your High Noble Excellencies' further specification regarding this price. In this respect, however, regarding Raden Panoelar, I thought I should submit for Your High Noble Excellencies' consideration whether this might not be found, to the charge of the Madurese monarch, out of the aforementioned Panoelar's inheritance share—which fell to him from the estate of the late Panembahan as one of the illegitimate children, and which, after deduction of what he owed at Madura, amounts to 5504:3/6 rixdollars. Indeed, I deemed it best to transmit it to Your High Noble Excellencies herewith, just as it was sent to me by Commander Luzac and received by the skipper of Welgelegen in five sealed small boxes at Surabaya. From Java's northeast coast, the 25th of May, anno 1771. Having been received, to let them be transferred there, since according to custom the goods of persons who fall into a similar case as he did are confiscated by the lord of the land. I believe the depositions now being transmitted dictate all too clearly that they are together guilty of completely rebellious designs; and, on the other hand, it is evident from their removal to date that the fire thereof has been extinguished in such a manner that it has not left the slightest spark in others. This pleasantly limits me, as there is nothing further worthy of Your High Noble Excellencies' attention to report from that so important region, the projected marriage of the Prince to the daughter of Santara having already been consummated to mutual satisfaction, and the contract with the present Madurese monarch on behalf of the Honorable Company, concluded in accordance with Your High Noble Excellencies' qualification on the occasion of his installation and my presence at Madura, being transmitted herewith, which I hope may receive Your High Noble Excellencies' venerated approval. With which I also flatter myself regarding what was provisionally recommended to Commander Luzac concerning what was communicated to me by him a few days ago, namely that the Balambangan regents had made themselves guilty of very suspicious correspondence with the Balinese, and even with the intention, supported by them, of driving the Company's garrison from there. Whereupon the residents at Ulu Pampang had deemed it necessary, as a preventive measure, to place them both under arrest on the bark De Ida, with which they are expected daily at Surabaya and subsequently here, along with the incoming depositions against them. However it may now appear to me from the provisional report that this suspicion regarding its connection to the Balinese is perhaps somewhat exaggerated, I have nevertheless on the other hand found this event opportune no longer to rely upon the people from that country itself, and to place over them chiefs from among our Javanese, also to populate it step by step with such people, and in contrast to seize all Balinese who appear to be in any way connected with them as Company slaves and send them to the main settlement. Java's northeast coast, the 25th of May, anno 1771. Which in my humble opinion will be the surest way to keep oneself peacefully established there, and which can succeed with all the less difficulty because, prior to the arrival of this news, I had ordered the regents of the eastern districts to send a quota from their cacas in proportion to each 1,000 to that area in order to promote agriculture in that region under certain privileges, which they have willingly undertaken, and the majority of those people are already on their way there. I have also already received an answer to my urgent requests from the Surabaya regents that, under the primary supervision of one of the best chiefs there, named Karta Widjaya, who is the first patih of the present second Regent and was long his best and most faithful guardian, another 100 cacas are holding themselves in complete readiness to undertake the journey to Balambangan, simultaneously for settlement and agriculture there, just as Commander Luzac is also about to proceed thither in the coming days.
Dutch transcription
Van Iavas oost kust den 25:' Meij Ao 171. nadere verklaringe ten hunnen laste mij op gisteren door den Prins van Madura benevens zijn schrijvens geworden gelijk het laaste dan ook een herhaalt versoek ter versending der evengen:t arrestanten Conti„ „neert en uw hoog Edelheedens almeede in afschrift bij desze aangeboden werdt zijnde ged„e Prins door den gezaghebber behoorlijk geinformeert de ongel„ den van het onderhoud der arrestanten voor zijn reekening staan te loopen en hij dies prisatie van uw hoog Edel:s nadere opgave te wagten is waar omtrent ik egter ten reguarde van den Radeen Panoelar, dagt uw hoog Edelh:s te moeten in Con sideratie geven ofte sulks ter de Charge van den madureesen vorst niet uijt evengen Panoelaers erfportie, hem uijt des overledene Panembahans, boe„ „dels als een der onegte kinderen te bewit gevallen en die na aftrek van het geen hij te madura schul„ dig was groot is rd„s 5504: 3/6 gevonden werden mogt, immers heb ik best geoordeelt die tot uw„ „hoog Ed„s bij deese zo als mij door den gezaghebber Luzac toegezonden is en bij den schipper van wel„ gelegen in 5 van zegelde kasjes te sourabaija ontfangen Van Iavas oost kust den 25: Meij A:o 171. ontfangen sijn te laten overgaan daar dog ook na den gebruijke de goederen van persoonen die in gelij„ „ke Cas, als hij verseenen door den heer des lands worden aangeslagen en ik meene de thans overgaan„ „de verklaringen al te klaar dicteeren sij te sa„ men aan Volkomen rebellige dessienen schuldig staan; en het daar en tegen met hunne verwij„ dering tot heden blijkt, het vuur daar van dus„ danig is uijtgeblust dat het geen de minste vonken in andere nagelaten heeft, het geen mij dan ook aangenaam borneert mits meer uw hoog Ed:s atten„ tie waardig van dat zo aangelegen landschap te melden zijnde het geprojecteert huwelijk van den prins met de dogter van Santara ten onderlinge genoegen reeds voltrokken en het Contract met den presenten madureese vorst van wegens dE: Comp:, na uw hoog Edelh:s qua„ „lificatie ter occasie zijner installatie en mijn aanwesen te madura gesloten bij deze overgaan„ „de het welk ik hoope uw hoog Edelh gevenereerde approbatie sal mogen wegdragen, met dewelke mij ook vlije ten opsigte van het provisioneel den Van Iavas oostkust den 25: Meij A„o 1771. den gezaghebber Luzac aanbevoolene op het mij door hem voor wijnige dagen bedeelde nopens dat de Ba„ „lemboangse regenten sig aan zeer suspecte Correspondentie met de Baliers, en zelfs met dessein, om door hun gesoutineert, Comp=e bezetting van daar te drijven, hadden schuldig gemaakt waeren de residenten te ouloepampang ter preventie hadden nodigt geagt hun bijde in arrest op de Barcq, de Ida te plaatsen met welke sij dagelijks te sourabaija en ver„ der alhier, met de ingekomene verklaringen ten hunnen laste verwagt werden, hoe het mij nu ook uijt het provisioneel berigste voorkomt, de„ ze suspicie immers in zijn Connexie tot de Baliers wat te swaare getill is heb ik egter aan de andere zijde dit evenement nijgende gevonden om het met het volkje uijt dat land zelfs met meer te wagten en er hoofden van onse Javaenen over te stel„ „len, ook het met sulke de pas a pas te volken en daar tegen alle baliers op die daar meede maar gelieert voorkomen voor Comp slaven op te vatten en na de hoofdplaats te zenden 't geen Iavas oost kust den 25:' Mij A„o 1714. van 't geen na mijn nedrige op ine de zekerse weg sal weesen om sig daar gerust geEtablisseert te houden, en sulks met te minder moeijte sal kunnen eusseeren om dat ik voor het inkomen van deeze tijding de regenten om de voste na mate van haar Tjatjaas van ijder 1000 rijf had aange„ „schreeven derwaards te senden, ten Eijnde land Culture, onder zeekere voor regten in dien streek te bevordeeren, het welk zij gewillig op zig genomen hebbe en reeds die volkeren voor het grootste gedeelte derwaards op weg zijn en ik ook op mijn instanties deswegens aan de sou„ „abaisse regenten reeds andwoord bekomen heb dat onder het Eerste op sigt van een der beste hoofde aldaar in naame Carta widjaija, die de Eerst pepattij van den presenten tweede Regent is, en lange zijne beste getrouwste voogd was met alle olvaardighijt nog 100 Tatjaas zig in gereed„ hijt houden de rijse na Balemboanga, tef„ fens ter neder zetting en land Culture aldaar aan te neemen zo als sig ook derwaards Eerst daags te begeven staat den gezaghebber Luzac Van Iavas oostkust den 25: Meij A„o 1771. den gezaghebber Luzac aan bevoolene op het mij door hem voor wijnige dagen bedeelde nopens dat de Ba„ „lemboangse regenten sig aan zeer suspecte Correspondentie met de Baliers, en zelfs met dessein, om door hun gesoutineert, Comp=e bezetting van daar te drijven, hadden schuldig gemaakt waeren de residenten te ouloepampang ter preventie hadden nodigt giagt hun bijde in arrest op de Barcq, de Ida te plaatsen met welke sij dagelijks te sourabaija en ver„ der alhier, met de ingekomene verklaringen ten hunnen laste verwagt werden, hoe het mij nu ook uijt het provisioneel berigste voorkomt, de„ ze suspicie immers in zijn Connexie tot de Baliers wat te swaare getill is heb ik egter aan de andere zijde dit evenement nijgende gevonden om het met het volkje uijt dat land zelfs met meer te wagten en er hoofden van onse Javaenen over te stel„ „len, ook het met sulke de pas a pas te volken en daar tegen alle baliers op die daar meede maar gelieert voorkomen voor Comp slaven op te vatten en na de hoofdplaats te zenden 't geen
English
From Java's East Coast the 25th of May in the year 1771. which in my humble opinion will be the surest way to remain peacefully established there, and which will be able to succeed with all the less difficulty because, prior to the arrival of this news, I had ordered the regents of the coast to send thither five out of every 1000 of their tjadjas, in order to promote agriculture in that region under certain privileges, which they have willingly taken upon themselves and the majority of those people are already on their way thither; and also, following my urgings in this matter to the Sourabaya regents, I have already received an answer that, under the primary supervision of one of the best chiefs there named Carta widjaija, who is the first patih of the present second Regent and was for a long time his best and most faithful guardian, another 100 tjadjas are holding themselves in readiness with all promptness to undertake the journey to Balemboanga, as well as the settlement and agriculture there, just as the authority Luzac is also to proceed thither in the coming days; From Java's East Coast the 25th of May in the year 1771, Luzac, not only according to the intention already formed before these present circumstances to inspect that district, but now also at the same time to arrange matters there according to what has been prescribed and found best. Meanwhile, for Your Right Honourables' and my own interim peace of mind, I believe I may venture the opinion that, although this is a repulsive encounter, having been anticipated in good time it will not entail any consequences of expense or any confusion, and under God's blessing, on the contrary, provides a motive to place matters there on a permanently secure footing, regarding which one could not in good conscience make proposals a priori in order to follow the peaceful, universally praised system of the Company in its conquered lands, from which, however, upon repulsion one may and must depart with so much the more freedom, in my opinion; moreover, initially one would not have been able to get any chiefs or commoners to go thither. Therefore I hope and wish that this too will turn out for the best and be confirmed, 11. From Java's East Coast the 25th of May in the year 1771. wherewith what is presently necessary having been brought to Your Right Honourables' high-wise attention and knowledge according to duty, everything concerning this coast in its context will shortly be presented more closely by me on the occasion of a memorandum to be left to my already appointed successor, and thus also for Your Right Honourables' venerated disposition thereupon; whilst I have the honour to be with the most humble respect, was signed: Right Honourable, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord and Well-Born Lords, lower: Your Right Honourables' most humble, very obedient Servant, was signed: Johannes Vos, in the margin: Samarang the 25th of May 1771. Underneath: Postscript: The escort with the above-mentioned prisoners consisting of 20 common military personnel, one sergeant, and 2 corporals, and crossing on the ship From Java's East Coast the 25th of May 1771, Welgelegen, I humbly request may be sent back here again as soon as possible, and if at all practicable, with some reinforcement, as we are currently here on this coast once again not far from 100 heads short of the established quota, and since the greater expansion in the Eastern Salient none can be spared there. Name B. From Java's East Coast, the Name list of such persons as cross today on the ship Welgelegen, as: Raden Aria Panoelar, with the panakawan named Sare, together with his wife named Raden Ayu Darie and two little daughters, namely Alieba, aged 4 years, and Mordia, aged 2 years. Raden Landjie Wira Deningrat, with a panakawan named Gadingan, together with his wife, The Ratu, with her children, to wit: Raden Ayu Saria, daughter, aged 10 years ditto Aldaka, son, aged 9 years ditto Sarip, ditto, aged 8 years ditto Boentaran, ditto, aged 7 years ditto Smail, ditto, aged 6 years Raden From Java's East Coast, the Raden Rasemane, daughter, aged 6 years, as well as a retinue for attendance, the women Malate and Sampang, with her husband named Kalamonjang, Raden Pandje Soera Natta, with a panakawan named Nala alias Tambangan. Samarang, the 25th of May in the year 1771, was signed: Johannes Vos. Declaration 5 From Java's East Coast the 25th of May in the year 1771; Declaration of Mas Aria Mantja Nagara, First Patih of Madura. The deponent relates that he had been summoned to Grissee by the Honourable Lord; when he now returned to Madura, he was informed by his lurah Ongo Lootro that in the deponent's absence an emissary of the Raden Wira Diningrat of Sedayu had come to him, named Bappa Sakid, accompanied by Panji Soeringrono, son of the aforesaid Wira Diningrat, which Panji Soeringrono had then related to the above-mentioned lurah that the aforesaid emissary needed to speak to the deponent. The lurah had thereupon asked Panji Soeringrono what he had to say to the deponent, and received from him in answer that Wira Diningrat sent a warning to him, Mas Aria, the demang Rapsa Nagarra, and Wirja Nagarra to take good care not to go to Grissee if they were summoned, for doing so they would be arrested by the Honourable Lord; nevertheless, Mas Aria should not fail in any way to provide the company of the Honourable Lord with what was necessary, as well as to show His Right Honourable and Respected Lordship the required honour. If Mas Aria thought it good that he, Wira Diningrat, should come to Madura or go to Grissee, he would do so immediately. The reasons that Wira Diningrat to Mas Aria
Dutch transcription
Van Iavas oost kust den 25:' Meij A„o 174. 't geen na mijn nedrige op inie de zekerste weg sal weesen om sig daar gerust geEtablisseert te houden, en sulks met te minder moeijte sal kunnen reusceeren om dat ik voor het inkomen van deeze tijding de regenten om de voste na mate van haar Tjatjaas van ijder 1000 vijf had aange„ schreeven derwaards te senden, ten Eijnde land Culture, onder zeekere voor regten in dien streek te bevordeeren, het welk zij gewillig op zig genomen hebbe en reeds die volkeren voor het grootste gedeelte derwaards op weg zijn en ik ook op mijn instanties deswegens aan de sou„ rabaisse regenten reeds andwoord bekomen heb dat onder het Eerste op sigt van een der beste hoofde aldaar in naame Carta widjaija, die de Eerst pepattij van den presenten tweede Regent is, en lange zijne beste getrouwste voogd was met alle volvaardighijt nog 100 Tatjaas zig in gereed„ „hijt houden de rijse na Balemboanga, tef„ fens ter neder zetting en land Culture aldaar aan te neemen zo als sig ook derwaards Eerst daags te begeven staat den gezaghebber Luzac Van Iavas oost kust den 25: Meij A„o 1771, Luzac, niet alleen na intentie al voor dese tijts omstandigheden ter visitatie van dat dis„ trect maar nu ook teffens om de zaeken aldaar na het voorschreevene en best bevind te schekken, Terwijl tot uw hoog Ed„s en mijne quietuse ad in„ terim meen te mogen opinieeren, dit schoon wel Een rebutant rencontre bij tijts gepravenieert geen gevolgen van kosten ofte Eenige Confu„ sie staat te hebben en onder godes zeegen in tegendeel Een motief, om het daar op een althoos zekere voet te brengen, waar toe men in Conscientie â priori niet wel mogt proposities te doen ten ijnde pacificq alom geroemd sijstema van de Comp in haar geconquisteerde landen te volgen, waar van men egter bij rebuteering met zo veel te meer vrij„ heijs, na mijn meening wijken mag; en moet, ook zoude men in het eer„ „ste er geen hoofde ofte gemeene na toe hebben kunnen krijgen, Des ik hoop en wensch dat sulks al mede nog op. 11. Van Iavas Oostkust den 25:' Maij A„o 17. op zijn beste zijde vallen en bevestigt sal werden, Waar meede het present nodige ter uw Hoog Edelheedens hoogwijze attentie en kennisse na gehoudenis gebragt, sal mij binnen korte alles te deser kuste in sijn Connexie ter geleegenthijt van een na te latene memorie aan mijne reeds be„ noemde vervanger en des ook ter uw hoog Edel„ „heedens gevenereerde dispositie op deselve, na„ „der te vooren komen, Ter wijl ik de Eer heb„ „be met het humbelst respect te zijn, /:on„ „derstond:/ Hoog Edele Hoog Achtbare Ge„ Strenge wijdgebiedende Heer en wel Ede„ „le Heeren /:lager:/ uw hoog Edelh:s onder„ danigste zeer gehoorsame Dienaar (:was geteekend:/ Iohannes Vos /:in margine:/ Samarang den 25:' Maij 1771. /: daar on„ der P: S: Escorte met de bovengen: arres„ „tanten in 20 gemeene militaire v:sjer ge„ „ant en 2: Corporaals bestaande en p:r het schip Van Javas oost kust den 25:' Maij 1771, schip wel gelegen overgaande versoeke humbelst zo spoedig doenlijk weder dit heen mag gesonden worden en des eenig„ sints doenlijk, met nog eenige renforce alzo wij thans te dezer kuste weder niet ver van de 100: koppen na de bepaling manqueeren, en zedert de meerdere Extensie in den oosthoek daar geene gemist worden kunnen, Naam B. Van Iavas oostkust Den Naam Lijste van zodanige Perzoo¬ „nen Als op Hee„ „den met het schip welgelegen over„ „gaan Als. Radeen Aria Panoelar, met den Panakawan Genaamt sare benevens zijn vrouw gen:t Radeen Aijoe Darie en twee Dogtertjes als Alieba oud 4: Iaeren en Mordia „ 2: _ o Radeen Landjie wiera Deningrat met een panakawan ge„ „naamt Gadingan benev:s zyn vrouw De Ratoe met haare kinderen te weeten Radeen Aijoe Saria dogter od 10 Jaaren _o Aldaka Zoon - - - - - - „ 9: _o _o Sarip _o . . . . „ 8: _o _o Boentaran _o . . . „ 7: _o _o Smail _o . „ 6 _o Radeen Van Iavasoostkust den Radeen Rasemane dogter oud. 6: Jaaren mitsgaders tot oppassing Een gevolg de vrou„ „wen Malate en Sampang met haar man genaamt kalamonjang, Radeen Pandje Soera Natta met Een Panaka„ „wan ginaamt Nalalias Tambangan, Samarang Den 25: Maij A„o 1771: /:was ge„ „teekent:/ Iohannes vos, Verklaring - 5 Van Iavas oostkust den 25:' Meij A:o 1771; Verklaring van Maas Aria Man„ „tja Nagara Eerste Tepattij te Madura, Den relalant verhaald, dat hij door de Edel Heer na grissee was ontboden geworden, wanneer hij nu weder te Madu„ „ra kwam, was hem door zijnen Loera ongo Lootro gebootschap dat in des relatants afweesen Een sendeling van den radeen wira Diningrat van sedaijoe bij hem was gekomen genaamt Bap„ „pa sakid verseld van panje soerin groono zoon van wegen. wira diningrat welke Pantji Soeringrono als doe aan bove„ gem: Soera verhaald had dat eeegen: sendeling den relatant most spreeken den Loera had hier op aan Pansi soeringro„ „no gevraagt, na het geene bij den relatans te seggen had, en bekwaam van hem tot antwoord, dat wira diningrat aan hem Maas Aria, den damang rapsa Nagarra en wirja Nagar„ ra lied, waerschouwen van zig wel te wagten om niet na grissie te gaan als zij ontbooden wierd want zulx doende zouden seij door de Edel heer marrest werden genoomen, Egter soude Maas Aria niets laeten manqueeren om het ge„ selschap van de Edel Heer het nodige te besorgen als ook zijn wel Ed: g:t Agtb: het verpligte honneur te bewijsen Zo maas Aria het goed vond dat hij wira Diningaat te atla„ „dura kwaam dan wel na grissee ging zoude hij zulks ten Eersten doen de redenen dat wira Diningrat aan Maas Aria
English
From Java's East Coast the 3rd of May Anno 1771. Aria had said such things because he, being in the company of the Pangerang, the Samarang dipati, and Brodjo mongollo at Sidaijoe, had heard them make the above-mentioned decision regarding the apprehension. Hereupon the declarant had called and interrogated the repeatedly mentioned Landje Soeringroona in the presence of Iaksa Nagarta, Wierja Nagarra, Djoijo Troeno, and Tjixtro Seng, who had stood by his word in everything as described above. Regarding the bad behavior of the Raden Aria Lanoelaa, the declarant states that he has consulted and acted in full alignment with Panjie Soera NNotto, the first-named having not only broken open the declarant's house but also given him a bad name, alleging that he had embezzled a sum of money from the Panembahan's estate and hidden it at Poelo Mangare, on which account the declarant most respectfully requests that the three persons in question may be removed from these regions, without more. Below was written: Translated by me. Was signed: C. L. Boltze, Translator. Lower: Agreed. Signed: Johannes Vos. Declaration. 17. From Java's East Coast the 23rd of May Anno 1771. The declarant recounts that when Raden Wira Diningrat went to Samarang with the Prince of Madura, he, the declarant, heard the following from his Loeraes, Carti Djoijo and Cantjar, as well as Cabijan Marto diroona: that being on the journey with the above-mentioned Panji Wira Diningrat as aforesaid and arriving at Patti, some Mantris of that district asked Wira Diningrat whether it was substantially true that the Pangerang received the regency of Madura, who replied thereto: I have heard so, but if it happens, things can never go well with Madura, and I also still doubt it very much since the other children have not yet been summoned to Samarang; as for me, it is entirely against my intention. The Pangerang having arrived at Koedus, he, the declarant, sat in front of the large house and saw that Panji Wira Diningrat, his brother-in-law Raden Aria Soero Loijo, the Tumenggung of Koedus, and the Ratoe spoke very quietly with each other the whole night without the declarant being able to understand anything of it. Meanwhile, Wira Diningrat came outside with Soero Loijo around 12 o'clock and Declaration of the Madurese Great Mantri and Fiscal Iaksa Nagarra. had From Java's East Coast the 25th of May Anno 1771. had their panakawans go to sleep with orders that they had to be ready to march early in the morning at 7 o'clock. But the declarant, in order to exercise all caution, thereupon had the Pangerang warned that it would be best if he commenced the journey tomorrow morning at 3 o'clock, for the reason that he had understood from Wira Diningrat that he wanted to depart at 7 o'clock. The Pangerang having done so and having arrived at Samarang, it was related to him, the declarant, by Kjaij Depatti and the translator Boltze that they had understood from the repeatedly mentioned Wira Diningrat that it would certainly not end well with Madura if Manco Diningrat came into the regency, all the more if the Pepatties Maas Aria and Raxsa Nagarra, as well as Broodjo Mongollo and the declarant, remained at Madura. Furthermore, it was related to the declarant by the ordinary subordinates of the Pangerang that Wira Diningrat had ordered them not to appear in his presence, but to pay that respect to the declarant, since it was certain that he, the declarant, 19 From Java's East Coast the 25th of May 1771. declarant, would replace Maas Aria as Pepattie; of which and other incompatible conduct of the repeatedly mentioned Wira Diningrat and his two sons, namely Panje Soering Roono and Lesson Poero, he, the declarant, immediately gave notice to the Pangerang, with the request to make the two last-mentioned sons depart for Madura. But Wira Diningrat, having received this order, was unwilling to obey it, over which the Pangerang had become very angry. But the declarant, having managed to turn the Pangerang around for the better through his gentle proposals, suggested to him merely to prepare a letter of safe conduct for the repeatedly mentioned two sons and to give it to them, as if they were ordered by express delivery to convey the same, wherewith they then also departed. Further concerning the incompetent reasoning of Wira Diningrat and company, the declarant, having heard nothing of it from their mouths himself, From Java's East Coast the 25th of May 1771. can say nothing substantial about it, but refers in that regard to the declaration of Troenan Tooro, Raxa Djoijo, and Broodjo Mongollo, which last-named had related various matters to him as mentioned in his text. Nor was anything known to him concerning the emissary Bappasahijd sent by Wira Diningrat from Sidaijoe to Madura, Maas Aria having brought the same to his knowledge, see his declaration, without more. Below was written: Translated by me. Was signed: C. L. Boltze, Translator. Lower: Agreed. Signed: Johannes Vos. Translation. 21. From Java's East Coast the 25th of May Anno 1771. Translation of a Javanese letter written by the Pangerang Adipatti Setja Diningrat, Regent at Madura, to the Honorable Governor and Director of this Coast, Johannes Vos, received at Samarang on the 22nd of May 1771. After the customary preamble: Herewith I send to your Right Honorable, Valiant, and highly Esteemed Excellency the declarations of my Pepattij Maas Aria and Iaksa Nagarra, as well as those of Brodjo mongollo, Bappa said, Troenatoro, and Raxa djoijo, with a very humble request that the three concerned persons may be removed from these regions
Dutch transcription
Van Javas oostkust den 3:' Maij A„o 171. Aria zulx lied zeggen waaren, om dat hij in het geselschap van den Pangerang den Samarangs de pattij en Brodjo mongollo te sidaijoe zijnde, haar het boovegen: besluijd nopens de op vat„ ting had hooren neemen, Hier op had den relatant den meerm: Landje Soeringroona, laaten roepen en onder vraagt in prezentie van dapsa Nagar„ „ta wierja Nagarra Djoijo Troeno en Tixtro Seng dewelke sijn woord als voorschreeven in alles had staande gehouden, wat aangaat het slegte gedrag van den radeen Aria Lanoe„ „laa verklaard den relatant, hij in allen deelen met Panjie Soera NNotto geraad pleegt in een lijn getrokken heefd hebben„ „de Eerst gen:t niet alleen des relatants huijs open gebrooken maar hem ook een quade naam gegeven, dat hij een somma geld uit des Panembahams nalatenschap zoude ontfreemd en geburgen hebben te Poelo Mangare, wes weegens den re„ „latant Eerbiedigst versoekt dat de drie bewuste persoonen uit deese geweste moogen verwijdert worden zonder meer /:onderstond:/ Getranslateert door mij /:was geteekent:/ C: L: Boltze Fr: /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ Johannes Vos, Verklaring 17. Van Iavas oost kust den 23: Meij A:o 174. Den relatant verhaald, dat wanneer den radeen wita Diningrat met den prins van Madura na Samarang was gegaan, had hij relatant van zijne Loeraes, carti Djoijo en Cantjar, benevens den Cabijan Marto diroona, het volgende verstaen, dat zij met beve gen: Panje wita Diningrat als bovengem op rhijs zijnde en te Patti koomende hadden Eenige Mantries van dat district aan wira Di„ „ningrat, gevraegt, of het weesentlijk waar was dat den pangerang het regentschap Madura kreeg, die daar op geantwoord had, ik heb zo gehoord dog als het geschied kan het nooijl met Madura goed gaan en ik twijffelle er ook nog zeer aan dewijl d' andere kinderen nog niet zijn na samarang ontbooden wat mij aangoet, het is in t geheel teegens mijne intentie den pangerang te koedus gekoomen zijnde had hij Relatant voor het besar huis geseeten en gesien dat Panji wita Dinin„ grat desselfs swaager radeen Aria Soero Loijo den Tom: koedus ende Ratoe de gansche nagt zeer stilletjes met malkander gesprooken hadden zon„ „der dat hij relatant iets daar van had kunnen ver„ „staan in tusschen was wira Diningrat met soero Loijo Cerka 12: uuren buiten gekoomen en Verklaring van den Madurees Groot mantrie en Fiscaal Iaksa Nagarra,. hadden Van Iavas oost kust den 25: Meij A„o 171. hadden hunne Pana kawans, doen gaen slaepen met ordre dat hij 's morgens vroeg ten 7: uuren moesten ge„ reed weesen om op marsch te gaan dog den relatant had om alle voorsigtigheid te gebruijken, hier op aan den Pangerang laten waarschouwen dat het best was als hij morgen vroeg om 3: uur de reijs aan naem om redenen hij van wira Diningrat verstaen had den selve ten 7: uuren wilde verstrekken den Pangerang zulks gedaen hebbende en te sam:t gekomen zijnde was hem relatant door kjaij depatti en den translat:r Boltze verhaald van meerm: wira Dinin„ „grat verstaan te hebben dat het seeker met Madura niet goed soude afloopen als manco Dinin„ „grat in het regentschap kwam te meer, wan„ „nier de Pepatties Maas Aria en Raxsa Na„ „garra benevens Broodjo Hongollo en den relatant te Madura bleeven wijders was den relatant door de gemeene onderhoorige van den Pangerang verhaald dat wita Diningrat aan haar Lieden gelast had niet in zijne tegenwoordigheit te verschijnen maar die eer bewijsing aan den re„ „taetant te doen de wijl het vast was dat hij retatant 19 Van Javas Oostkust den 25:' Meij 1771, relatant Maas Aria Als pepattie stant te vervangen; van welk ben en andere in Compatibel gedrag van meerm:s wira Diningrat en zijne 2: zoons, name Panje Soering Roono en Lesson Poe„ ro hij relatant ten eersten aan den Pangerang had kennisse gegeven, met versoek om de twee laast gem:t zoons maar na Madura te doen ver„ „trekken dog wira Diningrat deese onder gekree„ gen hebbende had hij deselve niet willen opvolgen waar over den Pangerang zeer verstoort was gewor„ „den, maar den Relantant door sijne Minsaeme voor„ slaegen den Pangerang hebbende weeten ten goede te veranderen had hij den selven voor gestelt, om maar een gelijde brieff van meerm:t 2: zoons klaar te maaken en haar die meede te geeven quanssuis als of Bij Expres ter overbrenging van den selven geordonneert waaren waar meede zij ook als doe vertrokken, Betreffende verder de in Competente ro„ „deneeringe van wira Diningrat C: S: kan den relatant als niets selfs daar van uit hare mon„ den Van Iavas oostkust en25:' Meij 1771; den gehoort hebbende niets weesentlijks zeggen maar beroept zig daar omtrend op de verklaring van Troenan Tooro Raxa Djoijo en Broodjo Mon„ „gollo welke laast gen: hem het een en andere ge„ „lijk in synen text verm: verhaald had ook was hem niets bekent weegens den zendeling Bappa„ sahijd door wira Diningrat van sidaijoe na Madura gesonden also hem Maas Aria :/ vide des„ selfs verklaring :/ het selve ter kennisse had gebragt zonder meer : /:onderstond:/ getranslateert door mij /:was Geteekend:/ C: S: Boltze F:r /: lager:/ AC„ „cordeert /:geteekend:/ Iohannes Vos, Translaat, 21. Van Iavas oostkust den 25:e Mij A:o 171. Translaat Iav: Brieff gesz: door den Pangerang Adipat„ „tij Setja Diningrat Regent te Madura, Aan de Edel Heer Gouverneur en Directeur deeser kuste Iohannes Vos, ontfangen te Sama„ „rang Den 22: Meij 1771, Na gewoone voor reeden, dang Hier nevens sende uwel Ed: Gestr: groot agtb: toe de verklarings van mijnen Pe„ pattij maas Aria en Iaksa Nagarra als meede die van Brodjo mongollo Bappa said Troenatoro en Raxa djoijo met seer nedrig versoek dat de drie over„ gaande persoonen van deese gewesten, mogen
English
From Java's North-East Coast, the 25th of May, anno 1771. may be removed, for if they were to remain on Java, such would never do any good and would cause me much sorrow; of their places of residence I wish to say nothing, as Your Honorable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship will surely assign those to them. Below stood: Translated by me. Was signed: C. L. Boltze, Translator. Below stood: Agrees. Signed: Johannes Vos. 23. From Java's North-East Coast, the 25th of May, anno 1771. Declaration of the Javanese Bappa Sahid. The deponent relates that he was sent from Sidayu by his Grand Mantri, the Raden Wira Diningrat, to the Patih Maas Aria in Madura, to tell him that, being present at the assembly of the Samarang Adipati, the Prince of Madura, and the Grand Mantri Broodjo Mongollo, he had heard that as soon as Maas Aria arrived in Gresik the Company would have him apprehended; but notwithstanding this, he, Maas Aria, should not fail to provide the Noble Lord and his company with what is necessary, as well as to pay His Honorable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship the required respects. The deponent, having thus departed for Madura with that message, Raden Wira Diningrat also appeared there a few days later and told the deponent that he should immediately take flight to the border of Kediri without showing himself again, or else he would have him killed if caught. The deponent had thereupon departed for Kediri and left his wife at Langong, where he returned to her after a day and a night. While being there, the deponent was sought out by the brother's son of Broodjo Mongollo, named Montje Sakie, who took him back to Madura. Nothing further. Below stood: Translated by me. Was signed: C. L. Boltze, Translator. Lower: Agrees. Signed: Johannes Vos. 25. From Java's North-East Coast, the 25th of May, anno 1771. Declaration of the common Madurese Troenan Tooro Raysa Djoijo, together with the Grand Mantri Brodjo Mangollo. The deponents relate that on a certain day after the death of the Panembahan, they were present with Raden Panji Wira Diningrat, who then said to the Ratu Roman that she should now seize her chance, go into the house of the Panembahan, and enrich herself with the best goods. The Radens Panoelar and Panji Soero Notto, also being present there, had sworn most solemnly and, among other things, expressed themselves in these words: "We would rather risk our bones on this than expose our faces to shame." Panji Wira Diningrat had answered thereto: "Panoelar, I will assist you in all respects, for having summoned the Noble Lord, Raden Manco Diningrat, to Semarang, I shall know well how to get him out of the way on the journey, and if I hear that the Noble Lord might appoint him to the regency, or if such should come to your ears, it will be best that you immediately take up arms, which will then serve your defense." Hereto Panji Soero Notto had said to Panoelar that what was aforesaid would be done very well, and that he, Panoelar, should make himself master of the Dalam, while he, Soero Notto, would command the armed forces from the outside. Raden Rono Diningrat, the brother of the Panembahan who had recently returned from Ceylon, happening to come upon this meeting, had said to the first-mentioned that they should desist from such ungodly undertakings and adopt other, edifying manners of speech, for if they thought they had been wronged in any way, they could surely make their claims known amicably, whereupon they would undoubtedly be treated according to equity, the more so as their father, the deceased Panembahan, lacked no estate. But Wira Diningrat had replied to this that this proposal was considered by him of no value whatsoever, as the Madurese children could be brought to reason by nothing other than weapons. All that is written above the deponents stated to be the pure and honest truth, being ready to confirm the same at all times and places with solemn oaths. Nothing further. Below stood: Translated by me. Was signed: C. L. Boltze, Translator. Lower: Agrees. Signed: Johannes Vos. 27. And From Java's North-East Coast, the 25th of May, 1771. Conditions and stipulations which I, Pangeran Adipati Sitsadiningrat, have sworn into the hands of the Noble Lord, Extraordinary Councillor of the Indies, and Governor and Director of this Coast, Johannes Vos; and that on behalf of His High Nobility, the High, Noble, Valiant, Right-Honorable, and Sovereign Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Right Honorable Lords Councillors of the Chartered Dutch East India Company in these lands, upon assuming the regency and subordinate territory of the Company's island of Madura with its dependencies, insofar as the same was governed and possessed by my deceased grandfather, the Panembahan Tjakradiningrat; which conditions and stipulations, as the same shall be described hereafter,
Dutch transcription
Van Iavas Oostkust den 25: Meij A„o 171. mogen verwijdert worden, want bij geval maar op Iava blijvende zoude sulks noijt goed doen, en mij veel droefheid verwekken, van hare verblijft plaetsen wil ik niets seggen also uw Ed: gestr: g:t Agtb: hen die wel zal aan wijsen /:onderstond:/ Getranslateert door mij /:was Geteekend:/ C: L: Boltze F:r /:onder„ stond:/ Accordeert /: Geteekend:/ Iohannes Vos, van 23. Van Iavas Oostkust den 25:e Meij A.o 1771. Den Relatant verhaald dat hij van sidaij„ „de door zijnen groot Mantrie, den Radeen wira Diningrat, aan den Pepattij Maas Aria na Madura was gesonden geworden om hem te seg„ „gen dat hij bij de te saamen komst van den sa„ „marang depattie den prins van Madura en den groot Mantri Broodjo Mongollo Present sijnde, gehoord had dat zoo dra Maas Aria te „grissee kwam de Comp: hem zoude laten op vatten dog dit niet teegen staande zoude hij maas Aria niet in gebreeke blijve om aen de Edele heer zijn geselschap zoo wel het noodige te vertrekken als ook zijn wel Ed: g:t Agtb: het vereijschte honneur te bewijsen den relatant dus met die bootschap na Madura, vertrokken zijnde was den radien wira Diningrat Eenige daagen daar na meede aldaar verscheenen en had teegens den relatant gesegt dat hij sig maar ten Eersten op de vrlugt most begeeven na de Lie„ mitschijding van kadierij zonder zig weeder te Verklaring van den Ia„ „vaan Bappa Sahid, vertoonen Van Iavas Oostkust den 25„e Meij A„o 171; vertoonen of anders dat hij hem bij attrapeering zoude laeten dooden; Den relatant had sig des na kadierij begeven en zijn vrouw te Langong gelae„ „ten alwaar hij na een Dag en eenen nagt weeder was bij haer gekomen, alhier zijnde waas den re„ „latant door den broeders zoon van Broodjo Mongollo opgesogt genoemt montje sakie die hem meede te rug na Madura had genomen zonder meer /:onderstond:/ Getranslateert door mij /: was geteekend:/ C: L: Boltze F:r /:lager:/ Ac„ „cordeert /:geteekent:/ Johannes Vos, Verklaring 25. Van Javas Oostkust den 25:' Meij A:o 1771, Verklaring van de gemeene Madurees en Troenan Tooro Raysa Djoijo, bene„ „vens den groot Matrie Brodjo Man, „gollo De relatanten verhaalen, dat sij op seekere dagh na des Panembahams overleijden bij den radeen Panji wira Diningrat waaren present geweest dewelke als doe aan de ratoe roman gesegt had dat zij nu maar haar kans moest waarneemen in het huijs van den Panembahans gaan en zig met de beste goederen bereijken de radeens Pan„ oelar en Pandji soero Notto meede aldaar teegen woordig zijnde hadden zigten hoogste verswooren en onder andere in deese woorde geuijt, wij willen liever onse knoken daar aan waegen eer dat wij onse aan„ „gesigten door schamte ten toon stellen Pangi wira Diningrat, had daar op geantwoord Panoelar Ik zal uwe in allen deelen lijstant bieden, want de Edel heer den Radeen Manco Diningrat, na sa„ „marang hebbende ontboden zal ik hem onderwigs wel weeten van kan te helpen en zo ik hoore dat de Edel heer hem mogte in het regentschap stel„ „len ofulieden quam zulks te ooren zal het best weesen dat men ten eersten de wapenen bij der hand neemt, het geene u lieden dan ter naegt zal dienen te strekken, Hier op had panji soero Notto teigens Panoe„ „laar gesegt dat het voorsz: zeer wel soude gedaan weesen en dat hij Panoelar zig zoude meester maaken Van Javas oostkust den 25:' Meij 1771; maaken van den Dalm, Terwijl hij soero Notto van buijten het Commando over de wapenen voeren zoude Den radeen rono Diningrat laast van Ceijlon geretourneerde broeder des panembahans gevallig bij dee„ „se vergadering koomende had teegens de Eerst gen: gesegt dat sij van diergelijke goddeloose onderneemingen moes„ „ten assien en andere stigstelijke spreek wijsen voeren want zoo heen dogt dat haar in het een en ander te kort geschieden zij hunne pretensies Jm„ „mers in minsaamheijd konden te kennen geeven waar op zij als dan zonder Twijffel na de bellijkheid, zouden gehandelt worden te meer het haren vader den overleeden Panembahan aen geene nalaten„ „schapp ontbrak dog wira Diningrat had hier op gerepliceert dat dit voorstel bij hem van nul en geen der waarde in aanmerking kwaam also de Madureese kinderen door niets anders als door de waapenen tot reedenen konden werden gebragt al het geene voorsz: staat zijden de relatanten de zuijvere en opregte waarheijd te weesen bereid sijnde zelve ten allen tijden en plaatsen met solemneele eden te willen bekragtigen, zonder meer /:onderstond/ Ge„ „translateur door mij /:was geteekend:/ C L. Boltze F: /:lager Accordeert /:geteekend:/ Johannes Vos, Conditien 27: En Van Iavas oostkust den 25: Meij 1771, Conditien en voorwaardens dewelke ik Pangerang Adepattij Sitsa dinin„ „grat in handen van den Edelen Heer Raad Extra ordinair van India en Gouverneur en Directeur deeser Custe Iohannes Vos; ende zulk van weegen zijn Hoog Edel„ „heijd den Hoog Edelen Hoog Gestren„ „ge Groot Achtbaaren en wijdge„ „biedende Heere Petrus Alber, „tus van der Tarra; Gouver„ „verneur Generaal ende wel Edele Heeren Raaden van Nederlandsche ge„ „octroijeerde oost indische Compe in deese Landen bij de aanvaarding van het Regentschap en subalterne gebied van s Comp:s Eijland Madura met desselfs op ende pendentien voor zoo verre het zelve door mijnen overleeden Groot ra„ „der den Panumbahan Tjacra dinin„ „grat gereegeert en beseeten is hebbe beswooren, welke Conditien en voor„ „waarden soo als deselve hier na zullen beschreven
English
From Java's East Coast the 25th May 1775: described, I hereby promise and bind myself in good faith and during my Regency to observe and cause to be observed without deviating therefrom in the least or in the most; Article 1: Whereas the entire Island of Madura has been ceded and transferred to the General Dutch East India Company by the sousouhonnang, according to the Contract between the Company and his High Nobility dated 11th November 1743, with all the right of ownership, sovereignty, and supreme dominion, and the same has thereby entered into all the privileges and preeminences which the previous sousouhounangs have held and exercised, I, Pangerang Adepattij Sitja Diningrat, declare that I am fully informed of this cession, and that I consequently receive the aforementioned regency of Madura from the hands of the General Dutch East India Company as the lawful sovereign lord of the same in fief and at will, without the same being or becoming in any respect hereditary or inheritable by my children, family, or further next of kin, but that the Company, as the lord thereof, may dispose thereof at its pleasure and grant the same to whomsoever it pleases, without my children, heirs, or next of kin having anything to say or bring against it; which illustrious Company I hereby acknowledge and recognize as my lawful sovereign and supreme lord, and myself to be its vassal and subject, and I also bind myself to the following articles and conditions: Article 2: That I shall yearly pay homage for it in person at Batavia, or at Samarang, as shall be ordered by the Company. Article 3: That I shall not tolerate, much less myself conduct, any embassies, correspondences, or any the least assistances with any of those who in earlier times removed themselves from these Islands and the obedience to the Company by flight, as is still particularly the case with Wiera Diningrat, the remaining and fugitive brother of my recently deceased grandfather the aforementioned Panimbahan; but on the contrary, I shall exert my utmost endeavor to apprehend him and deliver him with his adherents into the hands of the Company in case they should attempt to set foot on Madura, and also immediately inform the Company should it be discovered where he is staying and should he attempt any correspondence or entry into this Island. Article 4: That I shall undertake, erect, or equip armaments, equipages, and fortifications, whether for the benefit of this land or against its enemies, only with prior advice and approval regarding the former, and upon special requisition or order regarding the latter; and against this, I shall always be at the service of the said Company to take the field and furnish as much as the country's capacity will allow, with as many armed men as it shall demand of me for its assistance, wherever on Java or elsewhere it may be. Article 5: That I shall govern the district to the greatest benefit and advantage of the Company and its subjects over whom I am placed as head, and employ everything necessary for the improvement thereof. Article 6: That I shall render my yearly tribute and contingents to the Company as the same is presently regulated in the items named below, under the voluntary obligation that if, through the increasing prosperity of this country with regard to the products harvested here, I am deemed capable of increasing the same, I shall always reasonably show myself willing to do so and consider myself obliged, as well as regarding the place of delivery thereof, which until today has remained determined by the Honorable Company as the most convenient at Grissee. The tribute of my revenues and country's products which are presently rendered and delivered from this Regency are and remain determined, as stated above, at: Four thousand weighted Spanish reals at 60 heavy stuivers each, or Five thousand Dutch rixdollars in other good current gold or silver coin; Three thousand Madurese sakkers of four Dutch kannen each, or twelve thousand Dutch kannen of coconut oil; Sixty coyangs of green katjang; and Thirty picols of yarn, in kind for cash, as the same is determined for the Company for this Coast. Article 7: That I shall live in peace and quiet with my neighboring fellow-regents at Sumanap and Pamacassang and not harm them, but shall leave the disputes which I might have with them, whether concerning boundaries or otherwise, to the judgment of the Company. Article 8: That without prior permission from the Company, I shall never set foot on Java, nor interfere directly or indirectly with the affairs of the Regents, my opposite neighbors, nor with those of the further Company regents. Article 9: That I shall not maintain the least correspondence with any other native princes or their subjects, whether Company subordinates or foreign neighboring or other peoples, nor engage, entangle, or bind myself with them; and of whatever may result from trade and navigation permitted by further order and laws of the Company, always to its...
Dutch transcription
Van Iavas oostkust den 25: Meij 1775: beschreeven worden ik bij deese beloove en mij verbinde ter goeder trouwe en ge„ duurende mijn Regentschap te zullen na koomen en te doen na komen zonder daar van in het minste of in het mees„ „te af te wijken; Artic: 1: Aangesien het geheele Eijland Madura door den sou„ souhonnang na luijd het Contract tusschen de Comp en zijn hoog Ed: van dato 11:' november 1743 niet alle het regt van Eijgendom souveramiteid en opperheer„ „schappij aan de generaale nederlandsche oost Indische Compagnie is afgestaan en gecedeert geworden en„ de selve daar door is getreeden in alle de voorreg„ ten en preeminentie die de vorige sousouhounangs hebben gehad en geExcerseert zoo verklaarde ik Pangerang Adepattij Sitja Diningrat dat ik van deese afstand volkomen onderrigt ben en dat ik gevolgelijk het voornoemde regentschap van Madura in 't handen van de generaale Neederlandsche oost Indische Compagnie als 29. Van Iavas oostkust den 25: Meij 1771, als de wettige opper heer van het selve zijnde te Leen en tot weeder zeggings tot het ontfange, zonder dat het zelve in Eenige op sigte op mijne kinde„ „ren Familie of verdere naast bestaande heere di„ „toir of Erflijk is of in 't vervolg zal weesen, maar dat de Comp:e na welgevallen als de heer van het zel„ „ve zijnde daar over kan disponeeren en het selve gee„ ven aan die het haar behaagt zonder dat mijne kinderen Erfgenaamen of naast bestaande daartee„ „gen iets kunnen te seggen of an te brengen hebben welke doorlugtige Comp:e ik bij deese bekenne en Erkenne mijn wettige souvarain en opperheer en ik vassal en onderdaan te weesen en mij ook ver„ „binde aan de ondervolgende articulen, en voorwaar„ den, Dat ik Iaarlijx daar van in persoon Hoomagie zal doen op Batavia, of te samarang zoo als dat door de Comp: g'ordonneert zal worden, Art: 3:' Dat ik geen bezendingen Correspondentien ofte eeni„ ge de minste adsistentien zal Tolleeren veel min Art: 2: - Van Iavas oost kust den 25: Meij A„o 1771. min zelfs Exceerceeren met eenige der geene die in vroeger tijd zig van deese Eijlanden ende gehoorsaam„ „heijt der Comp:e door voortvlugting ontrokke hebbe zoo als daar nog in 't bijsonder is sorteerende wiera Diningrat overgebleeven en voorvlugtige broe„ „der van mijnen Iongst overleedene groot va„ „der den Panimbahan voormeld maar in teegen„ deel mijn uitterste de voir zal aanwenden om deselve magtig te worden en met derselver adherenten in handen van de Comp leeveren ingevalle die mogte tenteren voet op Madu„ „ra te zetten ook ten Eersten de Comp ter kennisse te brengen als men ontware mogte waar deselve zig nog op hielde en Eenige Cor„ „respondentie ofte ingressie ten deesen Eijlan„ „de onder stonde, Art: 4:' Dat ik armature Equipagie en Fortifi„ „catie of nutte deeses lands dan wel tegens dies vijandige als met prealabel advies en ap„ „probatie ten opsigte van het Eerste en op speciaal Requisiet ofte bevel ten reguarde, van 31. Van Iavas oostkust den 25:' Meij 1771. van het laast gem:t sal aanleggen op rigten ofte uijtruste en daar teegen deselve Comp:s altoos ten dienste staan om met zoo veele gewapen volk als zij van mij zal komen te vorderen tot haar adsistentie, waar het ook op Iava of Elders wee„ sen mogte te velde te trekken en zoo veel 'slands vermogen sulk maar toe zal laten op te bren„ „gen, Dat ik district ten meeste nutte en voordeele van de Comp en desselfs onderdanen waar over ik als hoofd ben gesteld bestieren en alles in het werk stellen wat tot verbeetering van het zelve noodig is, Dat ik mijn Iaarlijk Tribut en Contin„ genten aan de Comp: zal opbrengen zoo als dat Iegenswoordig zig in de Nate noemene Posse gereguleerd vind, onder gewillig verband dat ik door toenoemende Florisance deeses lands ten op sigte van de hier vallende producten in staat geoordeert werdende deselve te vermeer„ Art: 6: Art: 5: deren Van Iavas oostkust den 25:' Meij 1771. „deeren mij althoos in der Billijkheid zoo wel daar toe zal laaten vinden en verpligd agte als nopens de plaatse der leverantie van deselve die tot heeden als de bequaamste door de E Comp: te grissee is be„ paald gebleeven; Het Tribut mijner revenus ende lands Producten die Thans uit dit Regent„ schap opgebragt en geleverd werden zijn en blijven invoegen hier boven gesegt is bepaald op vier Duijsent wegtige spaanse realen â 60 sware stuij„ „vers ider ofte Vijf Duijsent rd„s hollands in andere goede gangbaare goude of zilvere Munte; Drie Duijsent Sakkers Madurees van vier kan„ „nen hollands ieder of Twaalf Duijsent kan„ „nen hollands klapus olij; Sestig Coijangs Groene Catjang; en Dertig picols Gaaren in zoort voor contante zoo als deselve voor deese Cust voor de Comp: bepaald is. Art: 7 33. Van Javas oostkust den 25:en Meij 1771. Dat ik met mijne na buurige meede regenten op suma„ „nap in Pamacassang in rust en vreede leeven en deselve niet beschaadige maar de verschillen die ik 't zij over de limiten of andersints met haar krijge mogte aan de uitspraak van de Comp: over„ laaten zal, Dat ik zonder voor afgaande permissie van de Comp: nooijt voet op Iava zetten of mij met de zaaken der Regenten mijne overbuuren nog ook met die van de verdere Comp:s regenten direct of indirect benoeijen zal, Art: 9: Dat ik geen de minste correspondentie met be„ „nige andere Inlandsche vorste ofte haar on„ „daane het zij Comp. onderhoorige dan wel vreem„ „de nabuurige of andere volkeren houden mij met deselve en gagere, in winkelen of verbin„ „den en van het Geene uijt een nader ordre en wetten van de Comp gepermitteerde handel en vaart mag voortvloeijen althoos sulks ter harer, Art: 8: Arl: 7: be„ E
English
From Java's East Coast, the 25th of May 1771, shall give proper notice and also require and request the passes needed for this purpose at the places designated on that account by the Company, and likewise shall observe this most strictly with regard to those who might venture from other places to touch at this island or to come to trade, in such manner that they shall not be admitted except upon showing proper Company passes. Article 10. That I, in particular, shall prevent the import of opium that has not been purchased from the Honorable Company, and shall surrender or cause to be challenged and according to the orders of the Company those who come to make themselves guilty of this; for which the Company promises to pay me at a reasonable price for all the chests that my people happen to seize, which amount the Company promises to allow me to retain as a recompense for my zeal in intercepting the same. Article 11. That with respect to the Company's fortress and its garrison at this place, I shall 35. From Java's East Coast, the 25th of May 1771 acquit myself to the utmost in their maintenance, accommodation, and all possible assistance, and continue to allow them to enjoy the necessary rations of rice, lamp oil, firewood, etc., as well as the required servant people, with submission regarding the number of the force that the Company shall deem necessary for this purpose. Article 12. That I shall make the most discreet use of the collection of import and export duties so highly favorably conceded by the Company in the year 1761 to my late grandfather and his successors at the time, and shall take care that they never exceed the regulations made in this regard by the Company for this coast; likewise that the persons whom I shall employ therein shall have proper proof of approval from the Governor of this coast, so that they will be suitable, reasonable, and fully trustworthy persons, whom I shall oblige to keep an exact register; and this for all that is imported and exported from and to foreign From Java's East Coast, the 25th of May 1771. foreign parts, in order that, if required by the Company or deemed necessary by me, it can be verified that no violations against the Company's orders and laws are committed in this matter. Article 13. That I shall not remove any of my subordinates or primary officers who exercise any administration worthy of the name under me in this regency from their posts, nor cause others to succeed them, except with the consent and prior knowledge of the Company; and in case of their misconduct or other abuses, I shall lodge a complaint with the Honorable Company and request appropriate satisfaction and correction according to the findings of the matter in equity. Article 14. That I shall not tolerate or admit any Chinese, Macassars, Bugis, Malays, Balinese, or any other foreign nations into my subordinate district, except with the special prior knowledge and 37. From Java's East Coast, the 25th of May 1771 consent of the Honorable Company. Article 15. That without the least reservation or dissimulation, I shall surrender de facto and as soon as it is in my power all Madurese who might commit offenses against the servants of the Company or its subjects. Article 16. That I shall not judge or execute on my own authority any mantris, chiefs, or commoners who might commit any criminal offense, whether against me or among one another, but shall send the same, together with my commissioners, to Samarang to the Landraad for adjudication, to be tried by the same according to the findings of the case pursuant to the laws established by the Company for that court of justice. Article 17. Finally and lastly, I promise that I will also show myself willing, in case it should subsequently be found that in this matter anything has been omitted or exempted that ought to have had a place From Java's East Coast, the 25th of May 1771. a place herein, in which regard I promise to comply with and obey with the utmost diligence the orders that shall be given to me by the Governor-General and the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies, or by the Governor at Samarang. Thus done, conditioned, and sworn in the Mohammedan manner on the 7th of February, in the year 1771. /:was signed/ Johannes Vos, P: Luzac, C: L: Troppannegaa, J: N:o van Putkamer, A: C: Mom, R: J: V: D: Niepoort /: lower :/ In my presence /: was signed:/ J A: Dreijer, sworn scribe, and on the other side the seal of Pangeran Adipati Setja Diningrat, Samarang's Adipati Soero Dimengolo, together with the Madurese pepatih Mas Aria Mantja Nagara and the demang Raxa Nagara /:and below that:/ For the translation /: was signed:/ C: L: Bolto, sworn translator /:underneath stood: Agreed /was signed:/ Johannes Vos. To 39 From Java's East Coast, the 27th of June 1774. To the Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord, His High Nobility Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord, and Honorable Lords, After humble notification of the safe arrival here of the second signatory per the ship Asia on the 20th of this month, we wish to make this serve solely to accompany the 53 Balinese captured in the Balambangan district, who arrived to us today from the Eastern Salient on the pencalang De Johannes Cornelis, as they are identified by name on the enclosed list; whom we thought best to send on to Batavia by the first presenting opportunity, and for that purpose to employ the ship Vosmaar, currently loading at Japara, which is expected to receive its dispatch to the capital within 2 to 3 days; with which vessel we hope that the same, under an accompanying escort of 6 soldiers and a corporal, will obtain a good and secure transport and thus be delivered for your High Nobilities' further disposal, while we take the liberty in that regard to refer
Dutch transcription
Van Iavas oostkust den 25:' Meij 1771, behoorlijke kennis brengen ook de passen daar toe benoodigt op de van de Comp:e des weegens bepaalde plaatsen requireere en versoeke item sulx ook ten stipste observeeren sal van die geene dewelke zig van andere plaatsen mogte onderstaan dit Eij„ „land aan te doen dan wel ten handel te koo„ men in voege die niet dan na vertooning van be„ hoorlijke Comp:s passen admittaeren, Art: 10: Dat ik in 't bijsonder den in voer amplioen die niet van de E: Comp:e gekogt is sal beletten en overgeeven dan wel doen Calangeeren en na de ordres van de Comp de geene die zig daar aan koo„ „men schuldig te maeken waar voor de Comp: aan mij beloofd ten reedelijke prijse te zullen betaalen alle de kisten die mijn volk koomen aan te haalen welk bedragen de Comp: mij be„ „loofd te laaten behouden als een recompens voor mijn ijver in het agter haalen van deselve Aab: 11. Dat ik mij ten op sigte van Comp:s Fortres en„ de desselfs bezettelingen ter deeser plaatse 35. Eraff Van Iavas oostkust den 25: Meij 1771 D in derselver onderhoud, Grieving en alle mogelij„ „ke behulpzaamheid, ten meeste zal quiten en Continueeren aan derselver te laaten genie„ ten de nodige Randsoenen van rijst lamp olij brandhoud: enz:, ook verEijschte dienst, volk met onderwerping weegens het getal van de MMagt, die de Comp ten deese noodig zal oordeelen Art: 12:' Dat ik van de door de Comp: a„o 1761, zoo hoog „gunstig mijnen overleedene groot vader ende desselfs successieren in der tijd gecoucedeerde hef„ „fing der in en uitgaande Regten een aller bescheij„ „denst gebruik maaken en des zorge dragen sal deselve nooit Excedeeren, de desweegens door de Comp te deeser Custe gemaakte bepaaling, item dat de persoonen die ik daar in zal laa„ „ten fungeeren behoorlijk bewijs van kennis draaging bij den heer Gouverneur deeser Custe hebben op dat 't daar toe geschikt reedelijke en wel toe te vertrouwene persoonen zijn zullen die ik op verpligten zal accate handteekeninge te houden; en zulx voor al het geene van en na buijten Van Iavas Oost kust den 25:' Meij 1771. buijten in en uitgevoert wordt ten fine sulx bij de Comp: gerequireerd of bij mij no„ „dig bevonden wordende te kunnen na gaan ten deese geen strijdigheeden teegens Comp ordres en wetten bedreeve werden. Art: 13: Dat ik geen mijner onderhoorige ofte Eerste be„ diendens die Eenig naam waardig bestier onder mij in dit regentschap Excerceeren uit dersel„ „ver posten zal dimoveeren ofte andere doen suc„ „cedeeren als met Toestemming voor kennis - van de Comp:e en bij derselver wangedrag of andere Mesuses de E: Comp dien tweege klag„ „tig valle en om gepaste satisfactie en Correc„ „tie na bevinding van zaken in der billijk„ „heijd te versoeken hebbe, Art: 14: Dat ik geen Chineese maccassaren bou„ „gineesen Maleijers baliers of Eenige an„ dere buiten landsche Natien in mijne onder„ hoorige district sal Tolleeren of admit„ teeren dan met speciale voor kennisse en toeb. 37. Van Iavas Oostkust den 25„e Meij 1711 toestemming van dE Comp:e Art: 15: Dat ik zonder de minste agter houdentheid of sumilatie alle Madureesen die teegen de dienaren van de Comp ofte hare onderdanen mogten de lucqueeren, de facto en zoo dra sulk in mijn vermogen ik zal overgeeven Art: 16: Dat ik geen mantries hoofden of gemeene die Eenig Crimineel di lict mogten begaan 't zij teegens mij ofte onder malkanderen op mijn privi zal vonnissen of ter Excecutie stellen maar deselve neevens mijne gecommitteerdens na Samarang aan den landraad ter Jndicature zal zenden om door den selven na bevinding van zaaken volgens de voor dat geregts Collegie door de Comp bepaalde witten te regt gesteld te worden. Art: 17: Eijndelijk en ten laasten beloove ik dat ik mij ook gewillig zal laten vinden bij aldien in het ver„ volg mogte bevonden worden dat in deese het een of an„ der was in't gelaeten of g'exineert dat in deese behoorde plaats Van Iavas oost kust Den 25:' Meyj 1771. plaats te hebben waar omtrend ik beloove de orders die mij door den heere gouverneur gen=l ende Edele hee„ „ren raaden van nederlands India dan wel door den heer gouverneur tot samarang sullen worden gegeven met de uitterste vlijl te zullen na komen, en gehoorsamen Aldus gedaan gecondioneerd en beedigt op de ma„ „hamitaansche weijse den 7:' Feb: A:o 1711. /:was geteekend/ Iohannes Vos, P: Luzac C: L: Troppannegaa I: N:o van Putkamer, A: C: Mom, R: I: V: D: Nie„ „poort /: lager :/ In kennisse van mij /: was ge„ „teekend:/ I A: Dreijer gesee schriba en ter andere zij„ de 'T zeegel aan den Pangerang Adipattij Setja Dinin„ grat, Samarangs Adipattij Soero Dimengollo be„ nevens de madureese pepattij mas Aria Man„ tja Nagarra en den dimang Raxa Nagara /:en daar onder:/ voor de vertaling /: was ge„ teekend:/ C: L Boltô geser Translateur /:on„ „derstond Accordeert /was geteekend:/ Iohannes, Vos, Aan 39 Van Iavas oostkust den 27:' Iunij 1714. Aan den Hoog Edele Hoog Achtb: Gestr: wijd gebied: Heer zijn Hoog Edelheijd Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal en de wel Edele Hee„ „ren Raaden van Neederlands Jndia H:o E: d=r Hoog Edele Hoog Achtbare Gestr: wijdgeb: Heer en Wel Edele Heeren Na nedrige bedeeling van des tweede geteeken„ „dens goede arrive alhier p„r het schip Asia op den 20:' deeser zoud wijd dese Eenelijk doen dienen ter gelij„ „de van de ons uit den oosthoek met de pintjallang De Iohannes Cornelis heden toegekomen 53: in het Palemboangse opgevatte Baliers zo als in naeme op in„ leggende notitie bekent staan en welke wij best dagten p„r de Eerste voorkomende occasie na Batavia te laten overgaan en daar toe het op Iapara ladende schip vos„ „mar het welk binnen 2: a 3: dagen zijnde peche na de hoofd plaats staat te ontfangen te emploijeeren met welke bodem wij hoopen deselve onder een bij ge„ voegde escorte van 6: militairen en een Corporaal een goed en secuur transport erlangen sullen endes ter uw hoog Ed„s nadere dispositie overgebragt werden ter wijl wij daar omtrent de vrijheijt nemen ons te refe„ reeren
English
From Java's East Coast, 27 June 1771, referring to what was respectfully submitted to Your Excellencies' consideration on this matter previously and most recently per the bark the Ida, we find ourselves hereby obliged to bring to Your Excellencies' notice that on the 18th arrived here the Macao vessel Samvil: ef: Roza, which had called at Japara to obtain supplies for the damage it had suffered to spars, but was directed from there by its resident to this place, and by a resolution of our Council of Policy of the just-mentioned date, upon his urgings, he was solely permitted to provide himself with those timbers and a last of rice, which he claimed he could not do without for the further continuation of his voyage; but today coming forth with additional requests, and Your Excellencies' efficacious resolution regarding their subject having become apparent to us by your most respected letter of the 13th, flattering ourselves with Your Excellencies' revered approval, we deemed it better to dismiss everything and to refer him directly to the capital, which he having then accepted to obey, he will depart tomorrow in accordance therewith. May it further be permitted to us, in order that we do not lose the opportunity with Vosmaer for the above-mentioned prisoners, to conclude this with the above-mentioned, and to have the honor to call ourselves with the greatest respect, below was written: Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Commanding Lord and Honorable Lords, lower: Your Excellencies' humble, very obedient servants, was signed: Johannes Vos, J: R van den Bergh, in the margin: Samarang, 27 June 1771. Name 41. From Java's East Coast, 27 June 1771 On 3 June here in the roadstead on the pantjalling the Johannes Cornelis, deceased: Name list of such Balinese as were captured here in the Balambangan region and are today sent securely per the pantjalling the Johannes Cornelis to Souralaiya, namely: Gusti Made from Soura Carta Bokdon from Badong Jamane Poelo ditto Rabane kenjat ditto cotot navan from Labanan Ramanin Sanin from pranakan Capana kodon from Sadin pipitan from badon Ramene Saijbrok from Sading Manerami from Patimon Sampang from tanbat sering Bappa oram from sading banjar from badong Ramana poetie from mabal kee bodak ditto Ramana kakokak from patemon kena godik from pranakan Beleling from beleling Siaup from pranakan se soedin maloijringan from gonaksa patole from badong padeseman from badong baman gladak from panaroean Jonoman ditto sere soeroenie from badon pamiani ditto kotot from panaroean pan bakak from Sakoeatie bapa kamie from pranakan wajakan from panaroean Wajahan from de balan anajebin from badong manaboenkil ditto kenin ditto mane tawil ditto kawa Jakan ditto bapa monjik ditto rabaran ditto kotot ditto koenan ditto Daro ditto Dirga ditto wajahan ditto bappa toe cap ditto paijl ditto manin ditto kotot ditto madal from panaroean kolst ditto Sigra from pranakan paman Siergan from badong Palo from tabauan Ramani mati from badong Een vrouwgen Jnfang from simpiti botolie from oko broekan 53 heads in total. Oeloepampang, 8 June Anno 1771, was signed: C: V: D: Biesheuvel, Senior Schoppenhoff. 43. From Java's East Coast, 14 June 1771, To the Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Commanding Lord, His Excellency Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies, etc., etc., etc. Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Commanding Lord and Honorable Lords, As I respectfully direct this solely to accompany the enclosed notice of the persons sent up from Palemboangan, so there go along From Java's East Coast, 14 June 1771, herewith the documents laid to their charge at the just-mentioned place, as well as a minute kept here of what I still had put before the former first regent Soetanagara on board the bark the Ida, as to whether he might know anything to bring forward in his exoneration; however, the same having persisted in the firm negative, I have nothing else to submit to Your Excellencies or humbly offer for consideration against them than that both regents Soetanagara and Wangsingsarie, for the greatest deterrence, receive a banishment for all their lives, and all their family along with the remaining commoners may be transported elsewhere as Company slaves, since their stated births and distinction merit no consideration in this matter; furthermore, according to the tenor of my recent separate letter, we shall see to making ourselves master of all remaining suspects, to whose 45. From Java's East Coast, 14 June 1771, arrest and execution, as well as everything that deserves attention in those quarters, Commander Luzac is proceeding thither one of these days, with the intention of making a verbal report on everything before my departure from here, which I had planned for the end of next month. The estate of the aforementioned Balambangan regents, found to be very meager, is to be liquidated here by the land council in the next few days, and will by no means cover their debt of 3000 rixdollars which they owed to the deceased Commander Coop à Groen, so that one will have to deliver the proceeds thereof to the Orphan Chamber, no other claimants being known to me. The bearer of this, the bark the Ida, according to letters from the Eastern Promontory now being dispensable at Balemboangan, we leave to Your Excellencies' disposal, and From Java's East Coast, 14 June 1771, this may serve to relieve that burden at Balemboango. I have the honor to be with the highest veneration, below was written: Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Commanding Lord and Honorable Lords, lower: Your Excellencies' most humble, very obedient servant, was signed: Johannes Vos, in the margin: Samarang, 14 June 1771. Copy
Dutch transcription
Van Iavas oost kust den 27:' Iunij 1771, „reeren aan het uw hoog Ed„s eerbiedig ten deese bij voo„ rige en nog Iongst p„r de bark de Ida ter Consideratie voorgedraagen vindende Ons bij deese verpligt uw hoog Ed„s ter kennisse te brengen hier den 18:' is opgedaagt het Maccaus scheepje samvil: ef: Roza het welk te Iapa„ „ra om voorsiening voor zijn geleedene schade aan rondhou„ „te, was aangegiert, dog van dies resident na herwaerds. afgewesen en bij een besluit van onsen raad van poli„ „tie van even genoemde datum op zijn instanties eene„ „lijk gepermitteert sig van die houte en een last rijst, dat hij voorgaaf ter verdere voorsetting van zijn rijst met te kunnen ontbeeren voor zag dog hee„ den met meerdere versoeken voorkomende en ons uw hoog Edelheedens effecacieus besluijt ten hunnen sujette bij hoogst derselver gerespecteerdste missive van den 13: gebleeken hebben wij ons flatteerende met uw hoog Ed„s gevenereerde approbatie beter geoor„ deelt alles afte haalen en hem direct na de hoofd„ plaats over te wijsen 't welk hij dan aangenomen hebbende te sullen obidieeren ingevolge daar van morgen sal vertrekken, Het sij ons wijders gepermitteerd op dat wij de occasie met vosmak voor evengem: gevange„ „nen niet verliesen dese met het bovengem: te besluijten ende eer te hebben ons met het mees„ „te respect te noemen /:onderstond hoog Edele Hoog Achtbare Gestrenge wijdgebiedende heer en wel Edele heeren /:lager:/ uw hoog Ed:s onder„ „danige zeer gehoorsame Dienaeren /:was geteekend:/ Iohannes Vos, I: R van den Bergh /:in margine:/ Samarang den 27:' Junij 1771 Naam 41. Van Iavas Oostkust den 27:' Iunij 1771 71 den 3: Junij alhier ter rheede op de pintjalling de Iohan„ Naam Lijst van zodanige baliers als er alhier in't bal„ „lemboeangangse zijn opgevagt en heden per de Pantjal, ling de Iohannes Cornelis alle verseekert na sou„ ralaija versonden werden als Gusti Made van Soura Carta Bokdon „ Badong do Jamane Poelo do Rabane kenjat cotot navan „ Labanan Ramanin Sanin „ pranakan „ Sadin Capana kodon pipitan „ badon Ramene Saijbrok „ Sading Manerami „ Patimon Sampang „ tanbat sering Bappa oram „ sading „ badong banjar „ mabal „nes Cornelis overleedenen, Ramana poetie do kee bodak patemon Ramana kakokak pranakan kena godik beleling Beleling „ pranakan Siaup se soedin. maloijringan patole padeseman baman gladak „ paroean Jonoman „ van badon sere soeroenie „ do pamiani „ panaroean kotot „ Sakoeatie pan bakak bapa kamie „ panaroean, „ wajakan Van Iavas oostkust den 27:' Iunij 1771: Wajahan anajebin manaboenkil kenin mane tawil kawa Jakan bapa monjik „ rabaran „ kotot „ koenan Daro Dirga wajahan bappa toe cap „ paijl „ manin kotot madal kolst Sigra badong paman Siergan „ „ tabauan Palo „ badong Ramani mati „ simpiti Een vrouwgen Jnfang „ oko broekan botolie „ 53: Coppen te zaamen, oeloepampang den 8: Iunij Ao 1771 /:was geteekend C: V: D: Biesheuvel S„r Schoppenhoff „ gonaksa „ badong van badong „ panaroean do „ „ pranakan „ de balan „ badong do „ do „ do do do „ do do do do „ de do do 43. Van Iavasoostkust Den 14:' Iunij 1771, Aan den Hoog Edele Hoog Achtbare Gestrenge wijd gebieden de heer zijn hoog Edelheijd Petrus Albertus van der Parra, Gouverneur Generaal ende wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India &:a &:a &:a Hoog Edele Hoog Achtb: Gestr: wijdg: Heer ef wel Edele Heeren, Daar ik deese Eenelijk gelijde van de op Incluse notitie bekend gestel„ „de opgesondene persoonen van Palem„ P 9. „boanga reverentelijk inrigte so gaan daar benevens O Van Iavas oost kust den 14:' Iunij 1771, benevens de stukken ten haren laste ter evengem: plaatse belegt als mede en notul alhier gehouden van het geen ik de geweesene eerste regent soetangara aan„ „boord van de barcq de Ida nog heb lae„ ten voorhouden ofte hij nog iets tot zij„ ne de Charge mogte weeten in te brengen edog den selve bij de ferme negatieve sijnde persisteeren gebleven heb ik niet anders Iegens hun uw hoog Edelh„s voordraagen of needrig in Consideratie te geven als dat de bijde regenten soetanagara en wang„ singsarie tot het meeste afschrik een ba„ nissement voor al haar leven erlangen in alle haare familie met de overige ge„ „meene als Comp: slaven na elders ver„ voert mogen werden ter wijl dog haare opgegeven geboortens en distinctie ten de„ g „sen geen attentie meriteeren sullende men sig wijders na luijd van mijn Jong„ ste aparte schrijvens van alle overige suspecte sien meester te maken tot welkers. 45. Van Iavasoostkust den 14: Iunij 1771, welkers opneem en effectueerig als mede al wat in die quartiere attentie verdient den gesaghebber Luzac deser dagen sig na derwaards begeeft met intentie van voor mijn vertrek van hier dat ik in het laast der volgende maand had voor geno„ men mondeling van alles rapport te doen; De in boedel van de gen=t Balem„ „boangse regenten zeer gering bevonde staat hier eerst daags bij den landraad ten gelde gemaakt te werden en sal in lange met bedragen derselver de bet van rd„s 3000 die sij aan de overleedene gesaghebber Coop â groen schuldig waren so dat men het procedido aan de weeskamer daar van sal hebben af te geven sijnde mij geen andere pretendenten bekent; Bringer deeses de barcq de Ida vol„ „gens schrijvens uijt den oosthoek nu te ba„ len boanga kunnende gemist worden laten wij tot uw hoog Ed„s dispositie overgaan en Sal Van Iavas oostkust den 14:' Iunij 1771, sal dit aan ter ontheffing van die lastport te Balemboango dienen kunnen; Ik heb de Eer met de hoogste veneratie te zijn /:onderstond:/ Hoog Edele Hoog Acht„ „bare gestrenge wijd gebiedende Heer en wel Edele Heeren /:lager:/ uw hoog Edelh=s onderdanigste zeer gehoorsame Dienaar /:was geteekent:/ Iohannes vos /:in mar„ „gine:/ Samarang den 14:' Iunij 1771, Copia
English
47: From Java's East Coast, the 14th of June 1771; Copy of a copy of a separate letter written by the First and Second Resident of Balemboanga, Biesheuvel and Schophof, to the Commander of the Eastern Salient, Luzac, dated the 23rd of May 1771, Having duly received, with Your Right Honorable's esteemed letter of the 13th of this month, the extract missive from our highly commendable ruler, the Honorable Governor and Director of this Coast, we serve in humble reply that, in accordance with the highly respected order, both regents, with their entire families according to the name list, being all of high Balinese descent, can be sufficiently observed from the accompanying documents, together with the Pattij Soekatroeno with his Balinese wife and young son, and the head of the Cotta, Iago Krosso, are all being sent over, well secured, per the bark the Ida. Along with this are forwarded the estates of both regents and Pattij Soerotroeno, as much thereof as it was possible for us to collect, as appears from the enclosed inventories, as well as four other persons according to the annexed account. Furthermore, we shall see to capturing as soon as possible all lesser Balinese who are still hiding here, as mentioned above, From Java's East Coast, the 14th of June 1771, and send them over in custody per the pantjallang Johannis Cornelis. We cannot discover at all that any actual Balemboangers have made themselves guilty of treason with the first regent, other than the head of the Cotta, Dogo Krosso, the Pattij Soerotroeno also being a Balinese by birth. It has been most amiably recommended to Pattij Iapanagara and all other Balemboang chiefs to encourage the common Balemboangers with all humanity toward the cultivation of the land, so that no further mistreatment of that nation may take place. Below stood: Conforms. Was signed: Johannes Vos. Copy 49 From Java's East Coast, the 14th of June 1771, Copy of a copy of a missive written by the First and Second Resident of Balemboanga, Busheuvel and Schophof, to the Commander of the Eastern Salient, Luzac, dated the 25th of May 1771, We have the honor to reply to Your Right Honorable's respected letter of the 16th of this month that the last small fleet that departed from over there toward this place has not yet arrived here. Likewise, until today nothing has been perceived of any undertaking by land on the part of the Balinese, which upon arrival of the last small fleet we will easily be able to prevent. We hope the bark the Jda will have arrived over there before the presentation of this letter, with the regents and their families as noted on the enclosed name list, from which Your Right Honorable will be able to see what dangerous fellows they are for this country, together with the Pattij Soeroetroeno with his Balinese wife and son, and the head of the Cotta, Iogo Krosso. In addition, a Balinese Gustij has also presented himself, whom we also already have in custody, along with 41 common Balinese who are already partly placed upon the pintjallang the Johannes Cornelis. We shall send that bad From Java's East Coast, the 14th of June 1771 lot over one of these days, the Balemboangers having until now generally been as faithful to us as could have been expected of that nation. And with regard to the estates of the regents, no more goods and cash were found than what, as shown by the inventory, have been sent over per the bark the Jda. Below stood: Conforms. Was signed: Johannes Vos. 51. From Java's East Coast, the 14th of June 1771. Today, the 11th of June in the year 1771, I, Carel Philip Boltze, in the capacity of Translator and Scribe of the Land Council, the Regent of Damak, Soero Dirdjo, and the pepattij of the Head Regent here, Carta Iuda, the Javanese Fiscal Marta Loijo, and the said Secretary Carta Rassa, by order of the Governor and Director of this Coast, repaired on board the Company's bark the Ida, lying in this roadstead and having recently arrived from Balembangen, and in the presence of the said expressly deputed commissioners, presented word for word to the former First Regent of the aforementioned district, Soeta Nagarra, who was detained thereon, such documents as had been gathered at the aforementioned factory to his charge. The contents thereof, as now de novo confessed in his presence by the detainees, the former Second Balemboang Regent Wangsen Sarij, the pipattij of the detained First Regent Soeta Nagarra named Soero Troeno, and the former head of the Cotta named Djogo Krosse, were presented to him. Asked what he had to say to the contents of all these declarations, or in what manner he could answer for himself against them, Soeto Nagarra declared that he had never entertained such criminal matters in his thoughts, much less had sought to put them into effect, and that consequently everything charged against him in the aforementioned documents was entirely fabricated and of the highest untruth, as he knew nothing in the world of it. Thus, it was resolved to send this note thereof. Below stood: In the presence of me. Was signed: C. P. Bottze, sworn scribe. Below stood: Conforms. Was signed: C. L. Boltze, sworn scribe. To From Java's East Coast, the 14th of June 1771. 53. From Java's East Coast, the 23rd of July 1771. To the Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord, His High Nobility Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord, Honorable Lords, Having had the honor to receive Your High Nobility's separate letter of the 13th of the past month, we serve in humble reply, offering thanks for that which was communicated therein regarding your disposal concerning those sent up who had shown themselves to be dissatisfied on Madura,
Dutch transcription
47: Van Iavasoostkust den 14: Iunij 1771; Copia â Copia Aparte brief geschre„ „ven door den Eerste en tweede Resident van Balemboanga Biesheuvel en schop„ hof, aan den gezag hebber in den oost„ hoek Luzac dato 23:' maij 1771, Bij uwel Ed: agtb: gehonoreerde letteren van 13:' de„ ser de Extract missive van onsen hoog loffelijke gebie„ „der den Edelen hier gouverneur en directeur deser Custe wel ontfangen hebben, dienen in nedrige antwoort, als dat ingevolge hoog gerespecteert be„ vel de bijde regenten met zelfs geheele Familus volgens naamlijst van alle hooge afkomst te Ba„ „lie genoegsaam uijt de nevensgaande documenten te beoogen, benevens den Pattij Soekatroeno met zijn balijse vrouw en zoontjen, en Cottas hoofd Iago krosso p„l de barcq de Ida alle wel gesecureert overgaan bij gevoegde boedels van de bijde regenten en Pattij Soerotroe„ „no zo veel als ons doenlijk geweest daar van aan te haalen blijkens in Close inventarissen als mede nog vier perzoonen volgens annex relaas voorts zullen alle hier nog mindere baliers schuijlende als voornoemde ten Eerste Van Iavasoostkust den 14:' Iunij 1771, Eerste zien te bemagtigen en per de pantjallang Iohan„ „nis Cornelis in verzekering overzenden en kunnen geen„ „sints ontdekken zig eenige wesentlijke Balemboangers aan 's Eersten regent verraad hebben schuldigt gemaakt als 't Cottas hoofd Dogo krosso, zijnde de Pattij soe„ „rotroena meede een balier van geboorte, en zijne aan Pattij Iapanagara en alle verdere Balembrangse hoof„ den op 't minnelijkste aangereecommandeert om de gemeene Balemboangers met alle menschleevendhijt tot 's lands Cutture te amineeren, op dat 'er geen mishandelinge aan die natie meer plaats mogte vinden /:onderstond:/ Accordeert /: was geteekend:/ Johannes Vos; Copia 49 Van Iavasoostkust den 14. ' Iunij 1771, Copia â Copia missive geschreven door den Eersteen tweede resident van Balemboanga Busheuvel en schophof aan den gezaghebber in den oosthoek Luzac dato 25: maij 1771, Hebben de bere op uwel Ed: achtb: gerespecteerde letteren van 16: deser te andwoorden als dat 't laaste van â Costij na herwaards vertrokke vlootje alhier nog niet g'arriveert Js ook tot heden nog niets van der baliers onder„ neming te landen ontwaart 't welk bij aankomst bij laaste vlootjen stellen gemakekelijk zullen be„ „letten, verhoopen wij de Barcq de Jda voor pares„ „se deses a Costij zal g'arriveert zijn met de regen„ „ten en haare families als op bijgevoegde naam lijst ge„ bij „noteert geweest, zal uwel Ed: agtb: kunnen be„ „ogen wat gevaarlijke knaapen 't voor dit land be„ „neffens den Pattij Soeroetroeno met zijn balijse wijs en zoon, en kottashoofd Iogo krosso, dies heeft zig ook nog een Balijse gustij opgedaan die ook be„ reeds al in verzeekering hebben met nog 41 ge„ meene baliers, die gedeeltelijk al op de Pintjal„ lang de Iohannes Cornelis zittende, dien quaa de, Van Iavasoost kust den 14: Iunij 1771 de boel Eerstdaags zullen overzenden zijnde ons de Balemboangers tot nog toe in 't algemeen getrouwen geweest als van die natie hadden kunnen verwag„ En aangaande in der regenten boedels niet meer goederen en Contanten bevonden hebben als blijkens inventaris perde barcq de Jda overgezonden zijn /:on„ derstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ Johannes vos; Huedin „ten, 51. Van Iavas oostkust den 14:' Iunij 1771. Heb ik mij Carel Philip Boltze in qualiteijt als Translateur en Schriba des land Raads den Regent van Damak Soero Dirdjo en den pepattij van den hoofd Regent alhier Carta Iuda den Iava Fiscaal Mar„ „ta Loijo en dito Secretaris Carta Rassa, ter ordre van den heere Gouverneur in directeur deeser kuste vervoegt aanboord van de ter deser rheede leggende en Iongst van 9 Balembangen gekomen sijnde Comp: Bark de Ida en ten overstaan van de aldaar Expresse toe gecom„ mitteerde evevermelt aan den daar op geditineerde ge„ weesene eerste regent van 't bovengem: district Soeta Nagarra van woord tot woord voorgehouden sodanige stukken als ten meermelde Comptoirten sijnen laaste waaren ingewonnen en welkers inhoud als nu de novo in zijne presentie van de gedetineerdens den geweesene tweede Balemboangs regent vang„ „sen sarij den pipattij van den geditineerde Eer„ ste Regent Soita Nagarra gen=t Soero Troens en het gewesene hoofd van de Cotta in name Djogo kros„ „se hun aanging is geconfesseert gevraagt wat hij Heeden den 11:' Iunij A„o 1771, P op den inhoud van al dit de Claratoiren te zeggen had dan wel op wat wijse hij sig daar teegens ver„ „antwoorden konde soo heeft hij soeto Nagar„ „ra verklaard dat hij diergelijke Crimineele zaaken nooit in sijn gedagten had genomen veel min desel„ „ve had soeken werkstellig te maken en dat ver„ volgens al't hem bij opgem: stukken ten gelas„ „te gelegt werdende ten enemaal verdicht inde hoogste onwaarheijd was als niets ter wereld daar van weetende des hier van verstaan deese aanteekening te senden /:onderstond:/ In ken„ „nisse van mij /:was geteekend:/ C: P: Bottze gesw: scriba /:onderstond:/ Accordeert /:was, geteekend:/ C: L: Boltze gesw: Scriba Aan Van Iavasoostkust Den 14:' Iunij 1771, O 53. Van Iavas oost kust den 23:' Julij 1771. Aan den Hoog Edele Hoog Acht„ „bare gestrenge wijdgebiedende heer zijn hoog Edelh„s Albertus van der Parra, Petrus Gouverneur Generaal ende wel Edele heeren Raa„ „den van Nederlands India b: k: k: Hoog Edele Hoog Achtb: Gest: wy dageb: H:eer wel Edele Heeren Ons met uw hoog Edelh:s aparte van den 13:' des gepasseerde maand hebbende mogen vereert vin„ „den Is in needrige rescriptie onder dank„ „betuijging voor het daar bij gecommuniceer„ „de nopens hoogst derselver dispositie over opgesondene sig te Madura te onvreede getoond
English
From Java's North-East Coast, 23 July 1771. having shown Radens Panoelar, Wiradiningrat, and Soeranata, we have also informed the Prince of Madura of Your High Noble's resolution concerning the maintenance of the aforementioned persons, and he will accordingly bind himself thereto by a deed, which the second signatory of this will have the honor to present to Your High Nobles, as with the next shipping opportunity will also be sent over 3 sons of the Raden Aria Wiradiningrat, together with the wife and six children of Soeranata, who, due to a misunderstanding of the authority Lusac, despite having been so distinctly written to him, were neglected to be sent here together on the first occasion, and towards the maintenance of the last-named there may also be applied the cash found with the wife of the said Soeranata (who is a full sister of Raden Panoelar) out of the remainder of the inheritance, which would have amounted to more than twice as much if the authority of the Eastern Salient had been more attentive to what was requested of him. The Prince, however, is very willing to accept this, insofar as he will now have to bear more of the burden of it, being thereby completely reassured to have no other subjects than those who are filled with love and fidelity for their ruler. The escort that served for the Madurese sent over per the ship Welgelegen, per the ship De Vrouwe Elisabeth, and the considerable reinforcement of two companies of soldiers under Ensign Dijkman per the ship Tulpenburgh having arrived here very safely, we thank Your High Nobles most humbly for both, and we daily await here the authority from the Eastern Salient with a full report of his latest journey to Balambangan, as already indicated by a brief letter written to us from Surabaya reporting his return there, and that he had left Ulu Pampang in a most desirable state. Wherewith, offering the memorandum left by the first signatory of this to the second signed, we have the honor to call ourselves with the most humble respect, High Noble, Right Honorable, Severe, Widely Commanding Lord and Noble Lords, Your High Nobles' humble, obedient servant, was signed, Johannes Vos; J. R. van der Burgh In the margin: Samarang, 23 July 1771. Underneath: P.S. The enclosed letters having been assigned to the same, we have the honor to offer them to Your High Nobles herewith. To 57. From Java's North-East Coast, 10 August 1771. To His High Nobility, The High Noble, Severe, Right Honorable Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Noble Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Severe, Right Honorable Lord, and Noble Lords. The remaining families of the Madurese Radens Soero Notto, Pandjie Wiera Diningrat, and Aria Panoelar, who were sent to Batavia under separate letters of 25 May and banished to Banda by Your High Nobles as appears from the respected missive of 13 June last, consisting of the wife, two sons, and five daughters of the first; three sons of the second; and a little son of the last; together with a panakawan and three maidservants for their attendance; as well as the mother From Java's North-East Coast, 13 August 1771, mother of Raden Soera Notto's wife, who, upon her special request made and presented by the Pangerang of Madura himself, was permitted to accompany her daughter and grandchildren; making together seventeen persons, specifically named in the attached muster roll, having been placed aboard the ship Landskroon for transport to Batavia, I have the honor most humbly to inform Your High Nobles thereof herewith, and at the same time to offer the duplicate of the deed executed by the Prince in accordance with Your High Nobles' honored command, whereby he binds himself not only to furnish monthly for the maintenance of each of the aforementioned three Radens 25 rixdollars, commencing for Raden Soero Notto and Raden Pandjie Wiera Diningrat from the first of June last, and for Raden Aria Panoelar as soon as the remainder of his inheritance from the deceased Panembahan sent along with him, amounting to rixdollars 5504: 3/8, shall be absorbed, but also (which I, in the hope of Your High Nobles' desired approval, had inserted into the deed) to 59. From Java's North-East Coast, 13 August 1771, to contribute and pay, upon their death or even earlier, as much for the sustenance of each wife and children as it shall please Your High Nobles to impose, and to settle the same annually as of the last of August; so that the young ruler has already paid rixdollars 150:—: for the maintenance of Soera Notto and Wiera Diningrat for the last three months of the current financial year, namely June, July, and August, which are therefore also credited to Batavia on this occasion. While I also feel obliged to present to Your High Nobles the Prince's request that the cash found with Soera Notto's wife, to the amount of rixdollars 1147½ (which I take the liberty of sending to Your High Nobles in a sealed bag by the hand of Skipper Andries Lind), might, just like that of Panoelar, serve for the maintenance of Soera Notto and his family for as long as it lasts; although His Highness, upon the representation that because the family of the aforementioned Soera Notto is more numerous than that of the others, something more might therefore be required for their maintenance, would
Dutch transcription
Van Iavasoostkust Den 23:' Iulij 1771, getoont hebbende radeens Panoelar wira„ diningrat en Soeratana wij ook den prins van Madura uw hoog Edelh:s besluijt om„ „trent het onderhoud van Evengen: per soo„ „nen hebben geinformeert en hij dis Conform daar voor sig bij een afte sal verbinden welke de tweede teekenaar deses de Eere sal hebben uw hoog Edelh„s te presenteeren als bij eerst volgende scheeps occasie nog sal oversenden 3: zoons van de radeen Aria wiradiningrat benevens de vrouwe nog sis kinderen van Soekanata welke door mis begrip van den gesag hebben Lusac in het hem soo distincte„ lijk egter aan geschreeven ter eersten occassie ver„ suijmt sijn samen te laten herwaards komen en sal ook tot het onderhoud van de laastgen: nog ten beste komen kunnen de Contanten die uijt het overschot van de Erfenis van de vrouw van genoem„ „de Soeranata dewelke een volle suster van radien Panoelar is nog bij haar gevonden sijn en meer als eens soo veel bedragen soude hebben, Ingevalle de gesaghebber van den oosthoek op het hem 55. Van Iavasoost kust Den 23:' Iulij 1771; hem gedemanteerde meer attent geweest was 't welk sig egter de prins soer geneegen laat wel gevallen voor zo verhij nu meer de last daar van sal te dragen heb„ „ben als daar door volkomen gerust gesteld geen andere onderhoorige te hebben als die van liefde en trouwe voor haren vorst vervult sijn Het isCortge dat voor de P„r het schip wel gelegen overge„ sondene madureesen gedient had P„r het schip de vrou„ we Elisabeth ende so aansienlijke renforce van twee Com„ pagnie militairen onder den vaandrig Dijkman p„r het 1 schip Tulpenburgh hier seer wel gearriveert zijn„ „de bedanken wij uw Hoog Edelh„s voor het een en ander aller nedrigst en noteeren wij dagelijks den gesaghebber uijt den oosthoek met een volliedig rap„ „port van sijn Iongste rijse na 't Balom bo„ „anse hier te gemoet sien daar reets bij een ons geschreeven briefje van Soutabaija des„ selfs te rug komst aldaar en dat hij ou„ loepampang en een wenschelijkste stad had ge„ „laaten bedeelt heeft waar meede onder aan bie„ „ding van de door den eerste teekenaar deses aan den tweede geteekende nagelaten memorie de eer hebben ons met het onderdanigst res„ pect te noemen /:onderstond:/ Hoog E„ „dele Hoog Achtbare Gestrenge wijd gebiedende Heer en wel Edele heeren /: lager/ Van Iavasoostkust Den 23:' Iulij 1771 /:lager:/ uw hoog Edelh„s onderd: gehoorsa„ „me dienaar /:was geteekent:/ Iohannes vos; I: R: van der Burgh /:in mar„ gine :/ Samarang Den 23:' Iulij Ax77i 1: daar onder P: S: van in Inleggende brieven der 99 deselve op gedragen sijnde hebben wij de Eere„ uw hoog Edelh„s die bij deese aan te bieden, Aan 57. Van Iavas oost kust den 10:' Augustus 1771. Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Gestr: Groot Agtb: Heer Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal nevens de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India Hoog Edele Gestr„ Groot Agtb: Heer En Een9 el Edele Heeren De Agter gebleven Familien van de nevens aparte letteren van den 25: Meij naar Batavia gesonden en door uw Hoog Edelheeden blijkens ge„ respecteerde missive van den 13:' Iuni Jongst leeden naar Banda gerelegeerde Madureesche Radeens Soero Notto Pandjie wiera Diningrat en Aria Panoelar bestaande in de vrouw Twee zoons en vijf dogters van den ber„ sten drie zoons van den Tweeden, en Een zoontge van den laatsten, nevens een Panakawang en drie mijden ter harer op passing, mitsgaders de moeden van Iavasoostkust Den 13. Augustus 1771, moeder van Radeen Soera Nottos vrouw die op haar speciaal gedaan en door den Pangerang van Ma„ dura zelfs voorgedragen versoek gepermitteerd is haar dochter en kleinkinderen te vergesellen te samen seventien persoonen bij nevens gevoegde Naam Rolle specificq op genoemd uijtmakende op het schip landskroon ter Transporteering naar Bata„ „via geplaats sijnde geeve ik mij op het onder da„ „nigst de eere uw Hoog Edelheeden daar van bij die„ sen kennisse te geven en teffens aan te bieden de weer„ „gade van de door den Prins ingevolge uw Hoog Edel„ heeden geEird beveld gepasseerde acte waar bij hij zich met alleen verbind, om mandelijks tot on„ derhout van ider der opgemelde drie Radiens te zul„ „len fourneeren 25: Ryd=s ingaande voor Radien Soero Notto en Radin Pandjie wiera Diningrat met p„r Iuni passato en voor Radeen Aria Lanoo„ „lax zoodra het nevens hem overgesonden over„ sat zijns Erffenis van den overleeden Panunba„ han tot rijxd=s 5504: 3/8 zal weesen geabsorbeerd maer ook /:dat ik in hoope van uw hoog Edelheeden ge„ „winste approbatie bij de afte hebbe laaten in Vloeijen/ om 59 van Iava soostkust den 13: Augustus 1771, om bij hun overlijden of wel eerder nog soo veel tot sustentatie van ieder vrouwen kinderen te sullen op„ „brengen en betaalen als het uw hoog Edelheeden be„ „hagen sal die toete leggen mitsgaders om het een en ander Iaarlijks onder ult„o augustus afte leggen invoegen den Iongen vorst dan ook voor de drie laatsten maanden van het loopende boekjaar of Iuni Iuli en augustus tot onderhoud van soera Notto, en Wiera Diningrat bereeds voldaan heeft rijxd„s 150:—: die over„ sulx ook bij dese gelegentheid Batavia ten fa„ „veure aangeteekend worden, Ter wijl ik mij teffens verplicht afte uw hoog Edelheedens voor te dragen des Princen versoek dat de Contanten die bij Soera Nottos vrouw gevonden sijn; ten bedraage van rijxd„s 1147½ in die ik de vrijheijd gebruijke in een verzegelde zak in handen van schipper Andries Lind uw Hoog Edelheeden toe te zenden e„ „ven als die van Panoelar zoo lange strekken kun„ nen mogten dienen tot onderhoud van Soera Notto ende zijne of schoon sijn hoogheijd op de voorhouding dat de wijl de familie van voormelte soera Notto talaijker dan die van de andere is er dus wel iets meer tot hun onderhoud Soude
English
From Java's North-East Coast, the 10th of August 1771 should be provided and that these funds could be used for that purpose from time to time, declared himself to be fully satisfied with the arrangement that Your Right Honorables will be pleased to make in that regard, provided that this petition of his was merely presented to them. The escort that crosses over with the aforementioned Madurese, consisting of one sergeant, one corporal, and six common soldiers, I request may be sent back when opportunity arises, while I have the honor to call myself with all submission and respect, below stood, Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Lord, and Honorable Lords, lower, Your Right Honorables' most humble and most dutiful servant, was signed, J. R. van der Burgh, in the margin, Samarang the 13th of August 1771, below that, P.S. The youngest child of Raden Ayu Esa, named Nawang Kagtie, having died during the transfer on board, I, in utmost duty, have the honor to communicate this to Your Right Honorables. To 61. From Java's North-East Coast, the 19th of June 1771. To the Right Honorable, Highly Esteemed, Valiant, Far-Ruling Lord, His Right Honor Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies etc. Right Honorable, Highly Esteemed, Valiant, Far-Ruling Lord and Honorable Lords, I have the honor to inform Your Right Honorables, by the enclosed incoming and outgoing letters from and to the Eastern Salient, of what recently occurred at Ulu Pampang and which, under God's mercy, has turned out for the best after its initial manifestation, mainly containing that there one of the sergeants of the garrison, by the name of De Tout, out of a conceived discontent against Lieutenant Commandant Biesheuvel, did not shrink from devising, with some common soldiers from the garrison, the most godless plot to make himself master of the Company's fort and the vessels in the roads, and thereafter to deliver everything into the hands of natives ill-disposed toward the Honorable Company and to seek a safe escape for themselves. This, however, did not succeed according to his initial design, but being discovered the next day, the said Lieutenant Commandant, assisted by the second resident, the bookkeeper, and other well-disposed persons, prevented it by jointly attacking the aforementioned sergeant to force a surrender, yet with the consequence that not only that malicious ringleader, but also the bookkeeper Commers, after a brave defense, lost their lives therein, and another of the malicious perpetrators was severely wounded. Everything having been halted and quelled thereby, more regular reports and the outcome of the necessary inquiries, likewise the ordered purging of the garrison by replacement of the same and otherwise, are expected daily from there, while in the meantime the latest letters from the administrator state that the rumor regarding Bali was said to be mostly chimeric and only disseminated in such manner by those ill-disposed persons. I have the honor to be with the highest veneration, below stood, Right Honorable, Highly Esteemed, Valiant, Far-Ruling Lord and Honorable Lords, lower, Your Right Honors' humble, most obedient servant, in the margin, Samarang the 19th of June 1771. To 63. From Java's North-East Coast, the 24th of August 1771. To His Right Honor, the Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies, Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Lord and Honorable Lords, I have the honor to present to Your Right Honorables two copy letters from the administrator at Sourabaija, dated the 13th and 17th of this month, together with some other documents as enclosures brought here on the 15th and 22nd, with the unpleasant news of the newly arisen unrest in the Balambangan region through the agency of a certain Coaman, who has set himself up under the name of Pangeran Willis, and by spreading among the superstitious natives that the spirit of the banished Java's North-East Coast, the 24th of August 1771, Mas or Pangeran Willis had entered into him, has drawn the common village populations to himself, and has furthermore committed premeditated acts of violence, not only by having amok run upon both the new regents who had set out on the road to recall their subordinates, killing the village head Joyo Loksono, brother of the second regent Jayanagara, a Sourabaija mantri, and five common men, and severely wounding others, among them the first regent Karta Nagara, but also forcing the second resident Schophoff, who subsequently had gone to the villages with some soldiers for the same purpose, to turn back, in such manner as all this will appear more fully to Your Right Honorables from the papers. Upon the administrator's request for a reinforcement of 100 soldiers, I immediately detached 40 men overland to Sourabaija, and in my reply of the 15th, enclosed herewith in copy under letter C, approved the orders already issued there for assembling and making ready to march a number of European soldiers together with a
Dutch transcription
Van Javasoost kust den 10. aAugustus 1771 soude dienen te worden verstrekt en dat die penningen daar toe van tijt tot tijd dienen konde betuijgde ten vollen vergenoegd te zullen sijn met de schikking die het VW: Hoog E„ „delheeden behaagen sal daar omtrent te maaken als dese sijne instantie hoog deselve maar wierd voorgedragen, Het Excorte dat met de voorschreeven Maduree„ „sen overvaart, en bestaat in een sergeant een Cor„ „poraal en ses gemeene militairen versoek ik dat bij gelegentheijd te rug mag gesonden worden ter wijl ik de eere hebbe mij met alle onderdanigheijd en Eerbied te noemen /:onderstond:/ hoog Edele Gestrenge Groot Agtb: Heer en wel Edele heeren /:lager:/ uwer hoog Edelhee„ den onderdanigsten en aller Trouwschuldigsten dienaer /:was geteekend:/ I: R: van der Burgh /:in margi„ „ne:/ Samarang Den 13: augustus 1771, daar onder P: S: het Iongste kind van Radeen Nijoe Esa Na„ „wang kagtie genaamd onder het Transporteeren naar boord overleeden sijnde geeve ik mij schuldpligtigste de eere uw hoog Edelheeden zulks te Communiceeren; Aan 61. Van Iavasoostkust Den 19 Junij 1711. Aan Den Hoog Edele Hoog Achtba„ „re Gestr: wijdgebiedende heer, zyn hoog Edelheijd Petrus Albertus van der Parra, Gouverneur Generaal, benevens de wel Edele Heeren Raeden van Neederlands Indiah: k: b:r Hoog Edele Hoog Achtb: Gestr: wyjd geb: Heer En wel Edele Heeren Ik hebbe de Eer uw hoog Edelh: p„r de in leggende aangekomene en afgegaane brieven uijt en na den oosthoek te bedeelen 't te ouloep ampang Iongst ge Exteerde en onder gods goedtijt nog na eerste voor koming ten beste uijtgevallene voor het principale Contineerende dat aldaar sig een der sper„ „geanten van de bezetting in name De Tout uijt een op gevat misnoegen tegen den L:t Commandant Biesheu„ „vel niet ontsien hadde met Eenige gemeene uijt het Guarnisoon het hijllost voorneamen te beramen sig van Comp: - van Iavasoostkust den Comp: sterkte ende vaartuijgen op de rheede meester te willen maken en daar na alles in handen van de E: Comp: qualijk gesinde inlanders te stillen en voor haar sel„ „ve een goed heen komen te soeken 't welk hem egter niet na de eerste op segt gelukt maar den andere dag ontdekt zijn„ „de door gen: L:t Commandant geadsisteert van den twee de resident, den boekhouder en andere welgesinde de voorn: sergeant gesamentlijk ter overgave attacqueerende ge„ „prevenieert was dog met die gevolgen dat niet alleen die boos willige belhamel maar ook den boekhouder Commers na een dappere defensie daar bij het leven verloren had„ „de en nog een der booswillige swaar gequest was, waar meede alles gestuijt en gestilt sijnde men dagelijks re„ „gulierdere berigten en het succes der nodige en ques„ „ten Item de aangeschreevene suijvering des guarni„ „soens door Changement van het selve als andersins van daar verwagtende is terwijl in tusschen der Iongste brie ven van den gesaghebber behelsen dat het voorgeven om trent balij meest Chimericq weesen soude en alleen bij die quaad willige dusdanig spargeert; Ik heb de Eer met de hoogste veneratie te sijn /:on„ „derstond:/ Hoog Edele Hoog Agtbare Gestr: wijd„ gebiedende Heer en wel Edele Heeren /:lager:/ uw hoog Ed„s onderdaanige zeer gehoorsaame Dienaer /:in margine:/ Samarang den 19:' Iunij 1771; Aan 63. Van Javas oostkust den 24:' Aug:s 171: Aan zijn Hoog Edelleijt Den Hoog Edelen Gestr: Groot Achtb: heer Petrus Albertus van der Parra, Gouverneur Generaal nevens de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Indie, Hoog Edele Gestr: Groot Achtb:r Heer en wel Edele Heeren; Ik heb de eere uw hoog Edelheeden aan te bieden Twee Copia brieven van den gesag hebber te sourabaija gedateerd 13: en 17: deeser nevens eenige andere tot bijlagen op den 15: en 22: hier aangebragt met de onaangenaam tijding der op het nieuw staane onluster in het balemboang„ sche door toe doen van zekeren Coaman den welken onder den nam van Pangerang willis hem op geworpen en door onder den bijgeloovigen inlan„ „der te verspreijden dat de geist van den weggewor„ „den Javasoost kust den 24: Aug=s 171, den Maas of Pangerang willis in hem gevaaren was de gemeene negorijs volkeren tot zich getrokken, mitsgaders beraeds dadelijk heeden gepleegd heeft met niet alleen op de beijde nieuwe Regenten die zich op weg begeven hadden, om hunne onderhoorige terug te roepen gemok te doen speelen, het Cottas hoofd Joijo Lok„ sono broeder van den p„l Tweeden regent Iajanagara een sourabaijas Mantrie en vijf gemeene te borden en andere daar onder den eersten Regent Carta Nagara zwaar„ „te quetsen maar ook den Tweeden Resident Schophoff die vervolgens ten zelfden einde met eenige Militai„ „ren naar Negorijen gegaan was te noodsaken te rug te keeren invoegen die een en ander VW: hoog Edelheeden bij de papieren nader Consteeren sal; Ik heb op des gesaghebber versoek, om eene versterking van 100: militairen illico 40 man over„ land naar Sourabaija, gedetacheerd en bij mijn dee„ sen in Copie onder L=ra C: versellend antwoord te gelijk op den 15: afgegaan goed gekeurd de reeds daar gestelde ordres, tot het bij een en maasch vaardig brengen van eenige Europeesche militairen nevens een
English
From Java's Northeast Coast, 24 August 1771; a good number of natives, item the intended dispatch of the pantjalling De Johannes Cornelis with 23 military personnel, rice, fixed and mortar grenades, etc., for reinforcement and use for the Oeloepampang garrison, while the commander has also been requested that, if after arrival in the Balemboang district these means are not found sufficient for restoring tranquility, the force should be reinforced in time with Europeans as much as possible and with natives as deemed necessary, and in the meantime to act with all possible circumspection so that the ill-disposed receive no help or assistance from the Balinese, who in my opinion will always endeavor to fish in troubled waters in that quarter, or that they do not make their retreat into the Lamadjang region or find any hiding place, but that their leader be captured, with authorization to employ the sloop De Hoop to cruise the Balemboang shores at this time if deemed necessary; From Java's Northeast Coast, 24 August 1771, the sloop De Hoop, which had departed from here for Grissee a few days ago to collect oil and cotton yarn for Batavia, but can now come in handy for the former purpose; And since it appeared to me from the letter of Commander Lurac to Lieutenant Biesheuvel and council, dated 13 August, that the provisional second Regent Jaxanagara was under suspicion of conspiring with the rebels, I wrote to the former to have him arrested and sent here should this prove true; but since from the letters of Biesheuvel and council dated the 2nd and 4th of this month, which had been forgotten to be added to the first reports though containing the beginnings of the new disturbances and providing the most clarity on the whole matter, the contrary is to be inferred, I cannot see that the removal of the said Jajanagara will be necessary, at least not as long as he conducts himself well and faithfully, but From Java's Northeast Coast, 24 August 1771, rather consider his stay there advisable, in so far as it might well be possible that the common people, who seem to have followed the so-called Pangerang Willis only out of fear, might, after the initial impulse, be persuaded by him, he being a Balemboanger as well, to return to their villages. As there are even 29 common soldiers lacking from the established quota in the Eastern Salient alone, beyond the 40 men dispatched, I would gladly have had a strong detachment cross over there, but I have been hindered in this by the weakness of the garrison here and the great number of sick among them; and since the Eastern Salient must always have its full complement of militia, especially now, and Oeloepampang, Cotte, and other posts must now be supplied from the Sourabaija garrison, and one will also be forced to send more men thither if the disturbances continue in Balemboang, From Java's Northeast Coast, 24 August 1771, I most humbly insist to Your High Nobilities that, if possible, I may be favored with some soldiers to reinforce the militia on this coast; I also take the liberty at present of presenting to Your High Nobilities the report, along with its appendices, of Commander Luzac's journey to Balemboang in the month of July last and his proceedings there; of which the most noteworthy matters that appear are the proposed alteration of the benting at Panaroekan; the relocation, deemed very necessary, of the new cotta as well as of the fort at Oeloepampang; the provisional appointment of the aforementioned Jafanagara as second Regent; the promise of the new Regents to deliver 300 coyangs of rice and 10 picols of wax by the coming New Year; and then a proposal to invite, for the repopulation of that district, the common people by notices along the shores From Java's Northeast Coast, 24 August 1771, with a bounty, and petty chiefs with promises of advancement, to move thither. On all of this I shall await Your High Nobilities' honored approval, as I most respectfully request herewith, while I take the liberty to remark regarding this that the proposed alteration of the benting at Panaroekan and the relocation of the forts Cotta and Oeloepampang do not seem to me sufficiently argued to cause the Company to bear the costs that would have to be spent on them before the necessity is more closely and satisfactorily proven; that I fear the promise of the Regents concerning the delivery of their contingent will not be fulfilled this year due to the new troubles there; and I am also of the opinion that the proposal to invite coastal Javanese to move there to reside will also be fruitless as long as that district does not enjoy lasting peace. While this, however, mainly if not solely pertains to Balemboang matters, may I be permitted
Dutch transcription
65. Van Iavasoostkust Den 24:' Aug=o 1771; een goed getal Inlanders, item de voorgenome af„ „zending van de Pantjalling De Iohannes Cor„ „nelis met 23: Militairen Rijst stand- en Mor„ „tier granaten enz:, tot versterking en gebruik voor de oeloepampangsche bezetting, mitsga„ „ders den gezaghebber gedemandeerd, om indien het een en ander naar aankomst in het Balem„ boangsche met sufficient tot herstelling der rus„ te mogte bevonden worden in tijds de magt met Europe-ers zo veel mogelijk zal weesen en met Inlanders zoo veel noodzakelijk zal geoordeeld worden te versterken en om in tusschen met alle mogelijke circum spectie te doen werken, dat de qualijk gezinde geene hulpe ofte bijstand van de baliers die na mijne gedagten altoos zul„ „len tragten om dien oirt in troubel water te visschen, krijgen ofte haare retraite niet in het Lamadjangsche, dan wel eenig schuilnest nemen maar haar hoofd in handen gekreegen worden met qualificatien om indien het noodzakelijk geoordeelt wierd in dezen tijd de Balemboang„ sche stranden te kruijssen dan daar toe te Emploijee„ ven x Van Iavasoost kust den 24: Aug:o 1771, „ren de sloep de hoop, die eenige dagen bevoo„ „rens van hier naar Grissee vertrokken was ten afhaal van olij en Catoen-gaaren voor Bata„ „via, doch nu tot het eerste juiste te passe komen kan; En dewijl mij uit de briev van den gezag„ hebber Lurac aan den luitenant Biesheu„ vel C: S: gedateerd 13:' augustus toescheen dat den p„l tweeden Regent Iaxanagara in ver„ denking dag van met de opvoerige te heulen, heb ik den eersten aangeschreeven om zulks waar bevonden worden, hem te doen ligten en her„ waarts te zenden doch dewijl uit de brie ven van Bieshuwel (C:s:/ de dato 2: en 4: de„ zer die men niet tegen staande dezelve de begin„ „selen der nieuwe onlusten in houdende het meeste ligt in de gantsche zaak geeven moeste vergeten hadt bij de eerste Brichten te voegen het Contrarie op te maken is kan ik niet zien, dat de verwijdering van gemelden Ja„ „janagara ten minsten niet zoo lange hij zich wel en trouw gedraagd noodzakelijk zal weezen maar 67. Van Iavasoost kust Den 24: Aug:s 1771, maar achte zijn verblijf aldaar eerder raad„ „zaam voor zoo verre het wel zoude kunnen zijn dat den gemeenen man die maar uit vreeze den zoo genaamden Pangerang willis schijnen gevolgd te zijn zich door hem als meede een Ba„ „lem boanger zijnde na de eerste drift lieten gezeggen om in hunne Negorijen te rug te kee„ ren, Ik zoude wijl er boven de afgezonden 40 man zelfs nog 29: gemeene Militairen aan het bepaalde getal alleen in den oosthoek ontbree„ ken gaarne een sterken de tachement derwaarts hebben laten overgaan maar ik ben daar in door de zwakheid van het guarnisoon alhier en de menig„ te sieken die er onder zijn betet geworden en ver„ mits den oosthoek wel altoos zijn volle ge„ tal van militie dien te hebben bizonder tans en nu uit het sourabaijasche guarinsoen oeloe„ pampang, Cotte en andere posten meer moeten worden voorzien en men ook wanneer in het Balemboangsche de ontusten aan houden wel zal genootzaakt zijn meerder volk der„ „waarts Van Iavasoost Kust den 24: Aug=o 1771 waarts te zenden in steere ik op het onder„ danigste uw: Hoog Edelheeden, om bij moge„ „lijkheid, met eenige krijgers ter versterking van de Militie te dezer kust te mogen worden begunstigd; Het rapport met dies bijlagen van des gezaghebber Luzacs reize in de maand Juli Jongstleden naar Balemboangang en zijne ver„ rigtingen aldaar gebruijk ik de vrijheid uw Hoog Edelheden tans ook aan tebieden, en daar bij voornamentlijk van remarque voor ko„ mende de geproponeerde verandering der ben„ „ting te Panaroekan; de zeer Noodzakelijk geoordeelt wordende verplaatzing van de nieuwe Cotta, zoo wel als van de sterkte te oe loe pampang de provisioneele aanstelling van den in dezen almeer genoemden Jafanagara tot tweeden Regent de beloofte der nieuwe Regenten om tegens nieuwe Jaar aanstaande 300 Coijangs Rijst en 10 picols wax te zullen leveren, en dan een voorstel om ter bevolking van dat district, bij Billetten langs de stran„ den 69. Van Iavasoost kust Den 24. Aug=os 1771, „den de gemeene man door eene premi en gerin„ ge hoofden door toezegging van bevordering uit te nodige zich derwaarts tebgeeven zal ik op het een en ander uw hoog Edelheden geEerd goedvinden, gelijk ik dat bij dezen Eerbiedigst verzoeke blijven afwagten ter wijl ik de vrijheid neeme deswegen aan te merken dat de voorgestel„ „de verandering van de Bonting te Panaroekan en de verplaatzing des sterktens Cotta en oeloe„ „pampang mij niet genoeg beredeneerd voorkomt, om voor dat de noodzakelijkheid nader en voldoen der blijkt de Compagnie te doen dragen de kosten die daar toe zouden moeten worden gespendeert dat ik vreeze de belofte der regenten omtrent de Leverantie van hun Contingent geen voldoening dit Jaar mits de nieu„ „we troublen aldaar er langen zal en ook van suste„ nue ben dat den voorstel om strand Javaanen uit te nodigen zich derwaarts met er woon te be„ geeven almeede vrugteloos zal wezen zo lange dat district geen bestendige rust geniet, Terwijl dezen doch meest zoo niet alleen over Balemboangsche zaaken roulleerd zij het mij gepermitteerd