VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3337

Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3337_1218 view scan ↗

English

From Maccasser, 24 October 1771; expect not only an immediate categorical answer, but also full satisfaction of what has been requested without long delay or exceptions, and this on account of the confidence placed in the Maradia's willingness to make the mutual friendship between the Company and the princes of Mandhaar lasting and enduring. However, that in the contrary case, all the disasters that might arise for the realm of Mandhaar from the refusal of the request, as well as from the pretext of frivolous excuses, shall be placed to the account of him, the Maradia; we being assured that the Noble High Indian Government at Batavia, which gave us the order for this reclamation, will indeed find the means to take such reprisal and satisfaction in that event that his refusal will be lamented too late, which we wish to admonish him to take into serious consideration. Meanwhile, we expect a strict execution of this our order, to the end of reporting to us shortly on their experiences. Subscribed: Maccasser in Castle Rotterdam, 20 August Anno 1771. Signed: P. G. van der Voort. 121 87: From Maccasser, 24 October 1741; Today, 22 October Anno 1771; Appeared before me, Claas Kraane, titular junior merchant and Secretary of Policy of this government, in the presence of the after-named witnesses: The Company's ordinary emissary Daing Mandjarekie and the co-emissary from the King of Bonij, Latoeppoe, who, under translation by the first sworn interpreter Gerrit Brugman and at the honored requisition of the Right Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Celebes, related as the truthful truth: That they, the deponents, set sail from Maros on 21 August last, and having arrived on the evening of the 27th following in the river of Ballanipa, immediately presented themselves to the regent of the realm, the Papoeangang of Limboro, and made known to him the purpose of their coming. That the said regent, having instantly informed the Maradia thereof, subsequently gave them to understand that they would be fetched on the 29th to obtain an audience. That From Maccasser, 24 October 1771: That this also took effect; they went thither on that day, and having found the Maradia together with all the grandees of the realm assembled together, read out to them the instruction given to them. That this having been listened to attentively, the Maradia said that had they been subjects of Ballanipa, the desire of the Governor and the King of Bonij would have been complied with immediately, but they are subordinates of the Maradia of Bangaij, and therefore I shall have him summoned, and as soon as he has appeared, have you come to me again as well; whereupon they departed and went to their vessel. That very evening, the Papoeangangs of Limboro and Pakodjo came on board their vessel to request the second deponent, Latoeppoe, to go ashore with them, saying that it was the ancient custom between Bonij and Mandhaar that the emissary was lodged ashore, but that the Company's emissary was unknown to them. That 89: 123 From Maccasser, 24 October 1771; he, Latoeppoe, having demonstrated hereupon that both being sent on this commission, they could not separate from each other, the aforementioned Papoeangangs offered to pay the first deponent Mandjareki, as the Company's emissary, the same honor as to the one from Bonij if the latter wished to command them to do so; who replied thereto that he was not authorized to do so, and that they consequently would also not go to lodge ashore. That, however, in order to make all the more haste, they went ashore on the fifth day thereafter into a dwelling destined for them, and having stayed there for four days, were invited once more to the Maradia. That having arrived there, they found the Maradia of Bangaij with him, and the Maradia of Ballanipa requested them likewise to present the commission to him, to the end that he might hear the desire of the Governor and the King of Bonij for himself, which they then accomplished by reading out the instruction. That From Maccasser, 24 October 1771: That the Maradia of Bangaij hereupon testified it to be the truth that Poeanna Jappa and Poeanna Sinda were subordinates or inhabitants of Bangaij, but that they had already long ago left the country and settled on Tanna Barat, Borneo, where the second had already lost his life, and the other was still living there in the settlement of Rioen; also that tin had indeed been seen by him, but that it was brought there with a Wadjo vessel from Passier, and that nothing of it had been bought by the people of Bangaij. That furthermore, the Maradia of Ballanipa also made known to them that he had never before heard of it, much less seen anything of it, having been in Toradja. That the deponents having subsequently departed, seven days thereafter there came to their dwelling the Papoeangangs of Limbora, Pakodjo, Lembang, and Tsangelang, in order, in the name of the Maradia of Ballanipa—whom they said had resolved to send an embassy to Bangaij to negotiate about the matter—to request that

Dutch transcription

Van Maccasser Den 24: october 1771; niet alleen ten eersten Categorisch antwoord maar ook sonder lang dilaijof Exceptien een volleedige voldoening van 't versogte verwagten en zulks uijt hoofde van het vertrouwen dat men steld in Maradias bereidwilligheijd om d'onderlinge vriendschap tusschen de Comp: en de vorsten van Mandhaar bestendigen van duur te doen zijn. Dog dat men bij het tegen deel alle de onheijlen die uijt de weijgering van het versogte zo wel als uijt het voorwenden van frivoole uijtvlug„ ten voor het Rijk van Mandhaar zoude kunnen voortvloeijen, door reekening van hem Maradia laaten sal, ons verseekert houden„ de dat d' Edele Hooge Indiasche Regeering te Batavia, die ons tot deese reclame bevel gegeeven heeft, wel middelen zal weeten te vin„ den om in dat cas sodanigen represaille en satisfactie teneemen dat sijne weijgering, te laat beklaagd worde, het welk wij hem wil„ len vermaanen in een ernstige overweeging te neemen. Ondertusschen verwagten wij een stipte op volging dan deese onsen last ten eijnde ons binnen korten van haar weder„ vaaren verslag te doen :/onderstond:/ Maccasser in 't Cas„ teel Rotterdam den 20: aug:s A„o 171/:getekend/ P: g'van der Voort 121 87: Van Maccasser Den 24: october 1741; Geee Heden den 22„e October Anno 1771; Compareerde voor mij Claas Kraane onderkoop„ man titulair en Secretaris van Politie dezes gouver„ nements, present de nagenoemde getuijgen. Den 's Comp„s gewoone zendeling daing Mandjare„ stot kie en de meede zendeling van het van Bonij Latoeppoe, de„ welke onder vertaling van den Eerst gesw: tolk gerrit Brugman; en ter g'Eerde requisitie van den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus godofredus van der voort gouverneur en directeur dezer Celebes relateerden voor de waaragtige waarheid. Dat zij Relatanten den 21:' aug:s pass=o van Marosonder zeijl gegaan, den 27:e daar aan 's avonds in de rivier van ballanipa g'arriveerd zijnde, zig ten eersten bij den rijks„ bestierder /: den Papoeangang van Limboro:/ vervoegd, en aan den zelven het oogmerk hunner komste bekent gemaakt hebben. Dat den gemelde reijksbestierder daar van op stands den Maradia verwittigd hebbende, hun vervolgens te ken„ nen hadde gegeven dat zij den 29. zoude woorden afgehaald om gehoort te Erlangen. Dat Van Maccasser Den 24. october 1771: Dat zulks ook gevolg genomen, zij zig te dien dage der„ waards begeven en den Maradia nevens alle de rijks„ „grooten bij den anderen vergadert gevonden hebbende, aan dezelve de hun mede gegeven Jnstructie had„ den voorgeleesen. Dat zulx met aanvagt aangehoord zijnde den Maradia gezegt hadde, waaren het onderdaanen van Ballanipa geweest men zoude inmediaat aan de begeerte van den Heer gouverneur en den Koning van bonij hebben voldaan maar het zijn onderhoorige van den Maradia van Bangaij, en daarom zal ik den zelven laaten ontbieden, en zo dra hij verscheenen is uw lieden meede weeder bij mij laaten koomen, waar op zij vertrocken waaren en zig na hun vaartuijg begeeven hadden. Dat dien eijgens ten avond bij haar aan boord waaren gekomen de Papoeangangs van Limbo„ „ro en Pakodjo, om den tweeden relatant Latoeppoe te verzoeken met haar na de wal te gaan, zeggende zulks het oude gebruijk tusschen Bonij en Man„ dhaar meede te brengen dat den sendeling aan de 8g: 123 Van Maccasser Den 24:' octob: 1771; de wal werd gehuijsvest dog dat 's Comp:s zendeling bij haar onbekend was. Dat hij Latoeppoe hier op vertoond hebbende dat zij beijde tot dese Commissie gezonden zijnde zig niet van elkander konden scheijden, de gevagte papoeangangs hun hadde g' offereert den Eersten Relatant Mandjareki als s Comp:s „zendeling, dezelve eere als aan die van bonij te bewijsen indien deesen laaste hun zulks wilde gebieden, die daar op gerepliceert hadde hier toe niet gewettigt te zijn, en dat zij dierhalven ook niet na de wal zouden gaan logee„ ren: Dat zij egter om des te meer spoed te maaken den vijfden dog daar aan zig na de wal in een voor hun gedestineerde wooning begeeven en daar vier dagen verloeft hebbende bij den Maradia andermaal g'inviteert waaren. Dat zij daar gekomen zijnde den Maradia van Ban„ gaij bij den zelven gevonden en den Maradia van Ballani„ pa hun verzogt hadde de Commissie aan den zelven insgelijks voor te houden ten eijnde hij de gegeerte van den heer gouverneur en den Koning van bonij zelfs konde hooren het geen zij dan ook door het voorleesen der Instructie verrigt hadden. dat pli Van Maccasser Den 24: octob:r 177 Dat den Maradia van bangaij hier op betuijgd hadde de waarheijd te zijn dat poeanna Jappa en poean„ „na Sinda onderhoorige of Ingezeetenen van bangaij waaren dog dat zij al voorlange het land verlaaten had„ den en zig op Tanna barat /:borneo:/ ter neder gezet alwaar den tweede ook bereets om hals was geraakt, en den andere nog aldaar op de negorij Rioen woonden zo mede dat 'er wel thin door hem gezien maar ook het zelve met een wadjorees vaartuijg van passier aldaar aangebragt, en daar van door die van Bangaijniets gekogt was. Dat wijders den Maradia van Ballanipa hun mede hadde te gemoed gevoerd daar van nimmer be„ voorens gehoord veel min iets gezin te hebben als in Toradja geweest zijnde. Dat de relatanten vervolgens vertrocken zijnde seven dagen daar na aan haare wooning waaren ge„ komen de papoeangangs van Limbora, pakod„ Jo, Lembang en Tsangelang ten eijnde uijt naam van den Maradia van Ballanipa die zij zeijden dat voorgenoomen hadde een bezending na Ban„ „gaij te doen om over de zaak te handelen, te versoeken dat Re

NL-HaNA_1.04.02_3337_1223 view scan ↗

English

gt. 125 From Maccasser, 24 October 1771 that one of them might go along, which they, having no orders to that effect, had refused. That said grandees had thereupon departed and returned towards evening with the report that they had been to Bangaij to obtain further intelligence, but that those of Bangaij had affirmed to be entirely ignorant of what had occurred and to know nothing of it, adding that they had been requested by the Maradia to bring the Bangaijers to the King of Bonij in order to present their matters to that monarch and await his pleasure. That they subsequently had seen that vessels from Ballanipa and Bangaij were being prepared, which it was said were to depart for Maccasser. That two days after the last conference, they had given notice to the Maradia Ballanipa of their intention to depart and asked what answer they should bring to their masters, who had answered them that, as soon as their emissaries had arrived in Mandhar, everything had fallen into the utmost fear and consternation, and that he could tell them nothing else than that they had seen fit to proceed to Maccasser in order to present their case to the King of Bonij and From Maccasser, 24 October 1771 to submit to his pleasure, to whom they were to address themselves, even if only an emissary from the Lord Governor had come to them. That they subsequently took their leave and returned. The aforementioned having once again been put to the declarants under the translation of the aforementioned first sworn interpreter Brugman, they declare this to contain the truth, and to confirm the same, if necessary, under oath. Below stood: Thus done and related in the Castle Rotterdam at Maccasser at the secretariat of police, day, month, and year aforementioned, in the presence of Alexander Whijts, sworn clerk, and Diderik Deefhout, clerks as witnesses required hereto, who have signed the minute hereof alongside the declarants, the aforementioned interpreter, and me, the Secretary. Below: Which I attest. Was signed: C:s Kraane, Secretary. 93: 127 From Maccasser, 24 October 1771 The Pamboeang people of the Maradia of Bellanipa, named Tjangelang, Limbora, Lambe, and Pakodjang, and of the Maradia of Bangaij, Pangali-ngali, Tolie Folie, Palipie, and Soreang. Have on the 18th of this month promised to the Regent of Bonij as many as two times, namely once in the presence of the Honorable Company's and Bonij's interpreters Dain Randjareki and Stoentoe, and once in the presence of the Tomilalang, that they bound themselves to pay to the Honorable Company a sum of twenty-two thousand Spanish reals, demanded for the bark De Vrijheid and its cargo, captured and carried off by subjects of Bangaij. Seeing that they preferred to pay this sum rather than to see their lands and subjects exposed to the devastations of war. Both the aforementioned emissaries have first, and subsequently the Tomilalang, made report of this their promise to His Highness the From Maccasser, 24 October 1771 King of Bonij in the presence of the merchant and license master Voll, the Pongauwa of Tanete, Prince Magoesila, Aroe Soepa, and Captain Dain Masikie. The same having thereupon departed without previously granting a written act thereof as ought to have been done, the King has seen fit to cause this certificate to be granted thereof, which accordingly has been confirmed with His Highness's seal and the seals and signatures of the Regents, Tomilalangs, and all the others who were present thereat, in proof of the truth. At the King's house, 23 October Anno 1771. 95 129 Continuation of the Maccasser Secret Daily Register Sunday the 23rd: Nothing occurred. Monday the 24th The commissioners of the Queen of Tanette, Aroe Pao Pao, Madoesila, and Captain Dain Mazicki, having appeared here to attend the presentation of the incoming Governor Van der Voort, having requested to return home, this was granted, with a message of thanks to their mistress for the observance in this matter of the customary usage. Tuesday the 25th: The chief interpreter Brugman was sent by the outgoing Governor, the Honorable Boelen, to the Queen of Tello to express His Honour's astonishment at her inadmissible excuse regarding the absence of the commissioners of Tello and Thaing from assisting at the presentation of the incoming Governor, Wednesday the 26th June 1771: From Maccasser, 24 October 1771 incoming Governor, mentioned under the 22nd of this month, pointing out that the panic fear of new disputes with her brother, the King of Goak, ought not to have prevented her from fulfilling, much less gave her the right to deviate from, her obligation in this regard; that this, however, had been passed over for this time as a fait accompli, but that for the future a better fulfillment of her duty would be expected. The report of Brugman dictated that Her Highness thanked for the reminder of her duty and had said that both the people of Thaing and Tello had already been ready on the aforementioned day to come hither, but had remained behind solely for reasons mentioned in her first message; that she was well aware that the former had to attend on such an occasion and the latter fell under Goak, but that in this respect she knew nothing more to say than that she would have a report of this message made to their aforementioned brother.

Dutch transcription

gt. 125 Van Maccasser Den 24: octob:r 171:/ dat een van hun mogte mede gaan, het geen zij als daar toe geen last hebbende gerefuseert hadden. Dat gedagte grooten daar op weg gegaan en tegen den avond te rug gekomen waren met berigt dat zij op ban„ 9 gaij hadden geweest om nader kundschap te erlangen, dog dat die van bangaij betuijgt hadden van het voor„ „gevallene ten Eenemaal onkundigt te zijn en daar van niets te weeten, met bijvoeging dat zij door den maradia ver„ zogt waren om de Bangaijers bij den koning van Bonij te brengen ten eijnde haare zaaken aan dien vorst voor te dra„ „gen en desselfs goedvinden af te wagten. Dat zij vervolgens gezien hadden dat 'er vaartuijgen van bal„ lanipa en Bangaij wier den gereed gemaakt, die men zijde dat na Maccasser stonden te vertrecken. Dat zij twee dagen na de laaste Conferenti den maradia Bal„ lanipa hadden kennisse gegeven van hun voornemen om te ver„ „trecken en afgevraagd wat zij aan hunne meesters bescheijd zou„ den brengen, die hun hadde geantwoord dat, zo dra zij zende lin„ gen op Mandhar gekomen waaren alles in de uijterste vree„ ze en ontsteltenisse was geraakt, en dat hij haar niet anders zeggen konde dan dat zij goed gevonden hadden zig na Maccas„ ser te begeven, ten eijnde haare zaake bij den koning van bonij voor Van Maccasser Den 24: octob: 1771: voor te dragen en zig deszelfs welgevallen te onderwerpen bij wien zij zig moesten addresseeren, alwaar 't schoon dat er alleen een zendeling van den Heer gouverneur bij haar was gekomen. Dat zij vervolgens afscheijd genomen hebben en te rug gekeerd zijn. Het geene voorsz: staat de Relatanten nogmaals onder ver„ taaling van gem: Eerst gesw: tolk Brugman voorgehouden zijnde, zo verklaaren zij zulks de waarheid te behelsen, en het zelve /: des noots:/ met Eede gestaand te doen/:onderstond:/ Aldus gedaan en gerelateerd In het Casteel Rotterdam tot Maccasser ter secretarij van politie dagmaand, en Jaare voorsz: ter presentie van Alexander Whijts gesw: Clercq en diderik Deefhout Clercquen als getuijgen hier toe gerequireerd, die de minute dezes nevens de re„ latanten, op gem: tolk, en mij Secretaris hebben onder„ teekent :/ lager:/ Quod Attestor /was geteekend:/ C:s Kraane Secretaris. 93: 127 Van Maccasser Den 24: october 1771; De Pamboeangangers van den Maradia van Bellanipa in naamen Tjangelang, Lim„ bora, Lambe en Pakodjang en van den Maradia a van Bangaij Pangali-ngali, Tolie Folie Palipie en Soreang. Hebben op den 18: deeser maand aan den Rijksbestier„ den van Bonij tot tweemaalen toe belooft als eens in de tegenwoordigheijd van 'sE: Comp„s en Bonijs Tolken dain Randjareki en Stoentoe en eens in presentie „van den Tomilalang, dat zij haar verbonden aan „dE: Comp: te zullen betaalen een Somma van Twee „en Twintig duijsend= spaanse reaalen g'eijscht „voor de Bark de vrijheid en dies lading, door onder„ „hoorige van Bangaij overrompeld en vervoerd. Al„ so zij deese somma liever hebben willen opbrengen delse als haare landen en onderdanen aan de moeste des oorlogs bloot gesteld te zien, Beide de voorm: Sendelingen hebben eerst en vervolgens de Tomilalang van deese, hunne toe„ zegging bericht gedaan, aan zijn Boogheijd van den Van Maccasser Den 24: octob: 1771: „Cooning van Bonij in de tegenwoordigheid van den ^ koopman en licentmeester voll, den Pon„ gauwa de Tanets prins Magoesila, Aroe Soe„ pa en den Capitain dain Masikie. Dezelve hier op vertrocken weesende zonder daar van alvoorens een schriftelijk acte te ver„ leenen zo als behoord hadde. zo heeft den Koning goed gevonden daar van 9 dit bewijs te doen verleenen dat over sulks met zijn Hoogheijts zegel en de Zegels en hand tee ke„ „ninge van de Rijksbestierden, Tomila langen alle de verdere die er bij tegenwoordig zijn geweest ten bewijse der waarheijd bekragtigt is geworden 1771: op 's konings huijs den 23: october A„o 177 Ger 95 129 woensdag den 26: Vervolg van het Macassers Secreet Dagregister Sondag den 23: Niets voorgevallen. 1 Maandag „ 24 de gecommitteerdens van de Koninginne Dingsdag den 25: van Tanette Aroe Pao Pao, Madoesila en Capitain Dain Mazicki, ter bijwooning van de voorstelling van den aankomend gouverneur van der voort alhier verscheenen, hebbende doen versoeken om na huijs te keeren is zulks g'accordeert, met een boodschap van dank betuijging aan hun meesteresse voor de onder„ houding in deesen van het gewoon gebruijk. Is den oppertoek Brugman door den heer afgaand gouverneur Boelen aan de koningenne van Tello gezonden om haar zijn wel Edele bevreemding te be„ 6 tuijgen, over haar onaanneemelijk exlus wegens het te rug blijven der gecommitteerdens van Tello en Thaing ter assistentie bij de voorstelling van den Juni 1771: aankomend Van Maccasser Den 24: october 1771; aankomend gouverneur, vermeld sub 22„e deser, onder voorhouding dat de panique vreese voornieu„ we differentien met haaren Broeder den koning van Goak haar niet hadde behooren te beletten om te voldoen aan veel min regt gaf afte wijken van haare verpligting in deesen, dat men zulks egter voor ditmaal als een gedaane zaak gepasseerd had„ de dog voor het vervolg een betere nakoming harer gehoudenisse verwagten zoude Het rapport van Brugman dicteerde dat haar Hoogheid voor de herinnering van haar verschul„ digdheid bedankt en gezegt hadde dat zo wel de volkeren van Thaing als Tello ten voorsz: dage bereets tot herwaarts komst gereed geweest dog alleen om reedenen bij haar eerste boodschap te rug gebleeven waaren, dat haar wel bewust was dat d'eerste bij dergelijke gelegentheid swee„ een moeste en de laatste onder Goak sorteerden, dog dat zij in dit opzigt niets meer te zeggen wiste dan van dee„ se boodschap aan voorm: hunnen broeder verslag te zullen laaten doen.

NL-HaNA_1.04.02_3337_1229 view scan ↗

English

From Maccasser The 24th October 1771; Interpreter Brugman having been sent to the King of Bonij to request an audience for the gentlemen outgoing and incoming governors for tomorrow afternoon, brought back word that their Honors would be received. Thursday the 27th: Today in the forenoon, the Northern and Mountain Regents appeared before the incoming Governor Vander Voort, having come down some days ago to attend his public introduction, in order to take their leave to return home tomorrow, on which occasion it was recommended to them to proceed diligently and speedily with the cutting and gathering of the paddy, with the notification that the governor hoped to come and collect the tithe himself. Friday the 28th: In the afternoon, the gentlemen outgoing and incoming governors, accompanied by the Shahbandar Voll, paid a visit to the King of Bonij. After a short address by the gentleman outgoing governor, applicable to his upcoming departure, his Honor gave instructions to the Shahbandar to inquire quietly of His Highness whether he, in conformity with his promise at the conference of the 6th of this month, had given thought to the election of a successor to the throne; the answer was that the assembled grandees of the realm were already sufficiently agreed to nominate thereto one of His Highness's grandsons named Latanii Boeboe, but that His Highness, for the present, had not yet been able to bring himself to give his consent thereto, on account of the youth of this prince, having reached only eight years, although His Highness, endorsing the declaration of the Prime Minister, who at the monarch's request had likewise been interviewed in this regard by the Shahbandar Voll, that the assembled court grandees had not been able to choose anyone of greater promise than the said Latawei Boeboe, who had also already been nominated thereto by the recently deceased young king in case of the monarch's prior death, indicated not obscurely that he likewise leaned most toward the aforementioned prince. The gentleman outgoing governor having thereupon represented to His Highness in very emphatic terms both the necessity of deliberating maturely upon this weighty subject, and, in case this election should proceed, to look out with no less circumspection and prudence for a person possessing the required qualities to manage the affairs and interests of the realm, during the minority of the aforementioned prince after His Highness's decease, which it was nevertheless hoped and wished might yet be far off by Heaven's favor, with as much zeal and alertness as His Highness had done during his reign; he likewise indicated not indistinctly that his son Aroe Poure came into consideration with him for this; but since this Aroe Poure is held to be far from possessing the necessary gifts that are required in a regent, this gave occasion to bring this to His Highness's attention and at the same time to point out the qualities belonging to such a character in order to anticipate a happy success from the interim administration under Heaven's blessing, with the result that the monarch seemed convinced of the limited abilities of Aroe Poure regarding this, but at the same time declared that although Aroe Tha, his eldest son, might possibly possess the required ability, he was nevertheless not suitable enough for it, being by comparison just like a small vessel with a large sail that can easily capsize, by which, according to further explanation, he meant to indicate that Aroe Tha would keep his own interests in view more than the welfare of the realm, and would impose greater burdens on the subjects than they can bear, which consequently could bring about nothing but dangerous results; His Highness further promising, upon the gentleman outgoing governor's admonition and request, to give further thought to this and to proceed to no decision in this matter except after having consulted with the incoming governor, being fully convinced that the Company aimed at nothing other than the welfare of the Realm of Bonij, although the election otherwise was entirely free to the Bonijers, who were obliged to nothing more than to give notice thereof. This subject having thus also been concluded, His Highness was requested by the gentleman outgoing governor to place again a faithful and alert person on Boneratte instead of the deceased, in order to keep watch over all forbidden shipping and trade both there and at Calauwt, about which the monarch promised to let his thoughts go, saying that he still had two emissaries there, but could not yet say which of the two would be the most capable for it. Wherewith this conference, after the taking of a formal leave on the part of His Highness and the gentleman outgoing governor accompanied with much friendliness, came to an end. Saturday the 29th: Nothing occurred. Sunday the 30th: The Bonij Interpreter Passier appeared before the gentleman outgoing governor with a message from the Prime Minister, stating that the court was as yet unable to make payment of the royal debts, for the settlement of which recently with this minister

Dutch transcription

97 131 Van Maccasser Den 24: october 1771; Doppertolk Brugman heven na den koning van Donderdag den 27: Bonij gezonden, om voor de Heeren afgaande en aan„ : komende gouverneurs acces te vragen tegens morgen na demiddag bragt Rapport dat haar Edelens zou„ den ontvangen worden. Heden voordemiddag zijn bij den aankomend gou, vrijdag den 28: verneur vander voort verscheenen de noorder en berg Regenten voor eenige dagen afgekomen ter bijwoo„ ning van desselfs publicque voorstelling ten eijnde hun afscheijd te neemen om op morgen na Huijs e te keeren bij welke gelegentheid haar is gerecomman„ „deert met het snijden en insamelen van de padij vlijtig en spoedig voort te gaan onder te kennen gave dat den gouverneur verhoopte zelfs de ver„ tiening te zullen komen doen. 'S nademiddags hebben de Heeren afgaande en aan komende gouverneurs verseld van den Sabandhaar voll een visite afgelegt bij den koning van Bonij Na een korte aanspraak door den heer afgaand gou„ „verneur ƒ Van Maccasser Den 24: october 1771; verneur, applicabel op desselfs aanstaande vertrek, gaf zijn Edele den sabandhaar, in mandatis om zijn hoogheid in stilte te vragen of den selven, in Conformite van zijn toezegging bij Conferenti van den 6„ husus, zijne gedagten hadde laten gaan over de verkiesing van een troons op„ volger; het antwoord was dat de gezaamentlijke Rijks„ grooten genoegzaam al reede eens waaren om daar toe te benoemen een sijner hoogheijts klein- zoonen in naa„ me Latanii Boeboe, dog dat sijn Hoogheijt, voor als nog, bij zig zelven niet hadde kunnen besluijten daar aan zijne toestemming te geeven, uijt hoofde van de Jonk„ „heijd van deesen Prins (:nog maar Agt Jaaren bereikt hebbende:) schoon sijn hoogheid avoueerende de betuijging van den Rijksbestierder, die op 's vorsten versoek dier weegens door den Sabandhaar voll almeede onderhou„ den wierd, dat de gesamentlijke hofsgrooten niemand van meerder verwagting hadden weeten te verkie„ sen dan gemelte Latawei Boeboe, den welken ook reets daar toe in Cas van 'svorsten voor overlijden, door den Jongst aflijvig gewordenen Iong koning zoude zijn benoemd geworden niet onduijster te ken„ nen gaf dat hij tot meerm: prins ins gelijks het meest overhelde 99: 133 Van Maccasser Den 24: october 1771; overhelde; Den Heer afgaand gouverneur hier op in zeer nadruckelijke termen aan zijn Hoogheijt hebbende doen voorhouden zo wel de noodzakelijkheid om zig over dit gewigtigt onderwerp rijpelijk te beraaden, als om in„ „gevalle deese verkiesing mogte doorgaan met geen min„ der bedagtsaamheid en overlegruijt te zien na een persoon de vereijschte hoedanigheden bezittende om geduurende de minder Iaarigheijd van meerm: Trins, na zijn Hoogheits overlijden, dat men egter hoopte en wenschte door PeHemels gunste nog verre te zullen afzijn, de zaaken en belangen van het Rijk met zo veel iever en wackerheid te bestieren als zijn Hoogheijt ge„ duurende zijne Regeering gedaan hadde zo gaf den sel„ ven al meede met onduijdelijk te kennen dat zijn zoon Aroe Poure daar toe bij hem in aanmerking kwam, dan vermits deesen Aroe Poure gehouden word de nodige gaven in verre na niet te bezitten die in een Regent vereijscht worden, gaf dit aanleijding zijn Hoogheid zulks en ook te gelijk onder het oog te brengen de qualiteiten die tot zodanig een Carac„ ter behooren om zig van het prointerum bestier, onder Bemels zegen een geluckig Succes te belooven met dat Van Maccasser Den 24: october 1771; dat gevolg dat den vorst hier over van de geringe vermo„ „gens van Aroe Poure overreed scheen, dog ook te gelijk verklaarde dat schoon Aroe Tha, zijn oudste zoon, moge „lijk de vereijschte bequaamheijd was bezittende den zelven egter daar toe niet geschikt genoeg was, als bij gelijke„ nis even als een kleen vaartuijg sijnde niet een groot zeijl dat lichtelijk kan omslaan, waar meede hij vol„ „gens nadere explicatie te kennen wilde geeven, dat Hroe Iha zijn eijgen belangen meer dan 't wel weesen van 't Rijk in het oog houden en d' onderdaanen grootere lasten zouden opleggen dan zij dragen kunnen dat over zulks niet dan dangereuse gevolgen zoude kunnen na zig sleepen beloovende zijn Hoogheid wijders op des Heeren afgaand gouverneurs vermaaninge en versoek, om hier over nader zijn gedagtente zullen laaten gaan en in deesen tot geen besluijt te treeden dan na daar over met den aan komend gouverneur te hebben geraadpleegd, als ten vollen overtuijgd zijnde dat de Comp: niets anders dan het wel-weesen van het Rijk van Bonij bedoelde of schoon de verkiesing andersints aan den Bonijers geheel vrij stond die tot niets anders verpligt waaren dan om daar van kennisse te geeven. dit d tot 135 Van Maccasser Den 24: october 1771; 171; Dit onderwerp dan hier meede afgehandeld zijnde wierd zijn Hoogheijd door den heer afgaand gouverneur versogt om weeder een trouw en wacker persoon op Boneratte te plaatsen in steede van den overlee„ denen ten eijnde toezigt te houden op allen verboden vaart en handel zo daar als op Calauwt waar over den vorst beloofde zijn gedagten te zullen laa„ ten gaan, seggende daar nog wel twee sendelingen te hebben dog nog niet te kunnen zeggen wie van beijde daar toe de bequaamste waare. Waar meede deese Conferentie na het neemen van een pligtig afscheijd aan de zijde van zijn Hoog„ C heid en den Heer afgaand gouverneur met veel minnelijkheijd verzeld, een eijnde nam. Saturdag den 29: Niets gepasseert verscheende Bonijs Tolk Passier bij den Heer Sondag „ 30: afgaand gouverneur met een boodschap van den Rijksbestierder, houdende, dat het hof als nog on„ vermogens was tot betaling van de Rijks- schul„ den, om welker voldoening bij deesen minister laast

NL-HaNA_1.04.02_3337_1234 view scan ↗

English

From Makassar, the 24th of October 1791; last held on the 14th of this month, with the promise however that every effort would be made to pay it as soon as practicable to the incoming governor, to which the answer was served that, hoping for the fulfillment of this promise, the Regent was admonished to do his best for that purpose. Monday the 1st of July. After access had been granted, the Goan delegates Craeeng Mangesoe and the second Shahbandar appeared this forenoon before the honorable outgoing governor in order, as according to their own testimony was an old custom, to wish His Honor a safe voyage in the name of their prince in view of his approaching departure, adding that since the Queen of Tello had given their master notice of the message delivered to her in His Honor's name, see the 26th of June last, he would have liked to put forth his answer now, but had refrained from doing so solely because it would not have been fitting on this occasion; to the first point of this delegation From Makassar, the 24th of October 1771; having been answered in fitting terms with expressions of thanks for the observance of the old custom, the honorable outgoing governor expressed his sensitivity regarding the conduct maintained by their master concerning the second point, making it known that the Goan Court was not unaware that Tello is entirely independent of Goa, without the present blood relationship between their master and the princess of that realm making the slightest change in this, that His Honor, letting the past rest for this time, the more so as the emissaries declared they were not instructed regarding it, nevertheless wished to hope and expect, as they were demanded to make known to their master, that the Goan Court would henceforth avoid all infractions both of the old customs and of agreements in order to escape the harmful consequences that might flow therefrom; whereupon the delegates took their leave and departed. From Makassar, the 24th of October 1771; Shortly thereafter, the Boni interpreter Moentoe appeared before the honorable outgoing governor in the name of his master, bringing along two parcels given by Aroe Palacca for delivery to His Honor, with the request that through his assistance they be delivered to her grandson, the former King of Goa, who is currently on Ceylon. Tuesday the 2nd. Nothing occurred that merits note herein. Wednesday the 3rd. The King of Boni having sent to request me that he might speak with the chief interpreter Brugman, I sent him to His Highness this forenoon. Brugman, returning, brought a report that His Highness invited me for the approaching bright moon to attend a fishing party on Panampo, adding that he had been able to perceive that the king seeks to seize this occasion to converse with me about the matter of the succession without raising any misgivings among the grandees of the realm. From Makassar, the 24th of October 1771; Thursday the 4th. Nothing occurred. Friday the 5th. I had the King of Boni greeted by the chief interpreter and made known that, barring legitimate impediment, I would make use of his invitation, see the 3rd of this month. Saturday the 6th. Nothing noteworthy occurred. Sunday the 7th. Nothing noteworthy occurred. Monday the 8th. Sent the interpreter Blij to inquire after the well-being both of the King of Goa and of the Queen of Tello. Tuesday the 9th. This morning I was informed by the chief interpreter Brugman that some of the southern regents present here, having come up to take the oath of loyalty upon my presentation, had brought various complaints to him about harsh treatment that had supposedly been inflicted upon them by the Resident of Boelecomba, Mol; that he, Brugman, had tried in vain to dissuade them by pointing out the nullity of their complaints, but that they would not listen to that, saying instead that they would submit their grievances in writing. Although, both considering the untimeliness of these complaints, as being made just after the departure of Mr. Boelen and the assumption of my administration, whereas they had already been here long and could also have brought them up earlier, and because none of them all had ever before made anything known to the detriment of the Resident, I had no reason to give credit to them, the less so as the said Resident in every respect, beyond other good qualities, has shown proof of loyalty, zeal, and attentiveness in the master's service, I nevertheless immediately had him come to me, whereupon through a detailed account of various examples of the sluggishness and often demonstrated unwillingness of the principal complainants in performing their obligatory statutory labor, and that even some

Dutch transcription

Van Maccasser Den 24: october 1791; „lastmaal den 14„e hujus is aangehouden, met toe„ zegging egter dat alle de voiren zoude aan wenden e99 „om deselve so spoedig doenlijk aan den aanko„ mend gouverneur af te leggen, waar op tot antwoord is gediend dat men de nakoming deeser belofte verhoopende den Rijksbestierder liet vermaanen daar toe zijn best te doen. Maandag den 1: Julij Na verleend acces quamen heden voor demiddag bij den heer afgaand gouverneur de goakse gecommitteer„ dens Craeeng Mangesoe en den tweeden Sabandhaar ten eijnde, (: als volgens hun eijgen betuijging Een oud gebruijk:) zijn Edele mits desselfs aanstaande ver„ trek uijt naam van hunnen vorst een behouden reijse te wenschen, er bij voegende dat vermits de ko„ ninginne van Tello aan hun Heester hadde doen kennis geeven van de boodschap uijt zijn wel Edele naam aan haar gedaan, vide 26„' Iunij passato hij gaarne als nu sijn antwoord hadde willen doen voortbrengen dog zulks eenlijk nagelaaten hadde om dat het bij deese geleegentheid niet zoude ge„ voegd hebben; op het Eerste lid van deese Commissie in 185: 137 Van Maccasser Den 24: october 1771; Eemig in gepaste termen geandwoord zijnde onder dank betuijging voor de nakoming van het oude gebruijk, betuijgde den Heer afgaand gouverneur zijn ge„ voeligheid over het gedrag omtrend het tweede lid „door hun meester gehouden„ onder te kennen ga„ „ve hoe het goakse Hof niet onkundig waare „dat Tello van goak geheel independent is, „zonder dat het tegenwoordige bloed verwant„ schap tusschen hun meester en de vorstin van „dat rijk hier in eenige de minste verandering „maakte, dat zijn Edele het gepasseerde voor „ditmaal daar latende, te meer de sendelingen „dier wegens betuijgden niet geinstrueert te wee„ sen egter wilde verhoopen en verwagten, gelijk „haar gedemandeert wierd hunnen meester te „kennen te geeven, dat het goakse Hof in het vervolg alle infractien so van d' oude gebruij„ over kelijkheeden als v een komsten zoude vermij„ den om 't ontgaan de nadeelige gevolgen die daar uijt zouden kunnen voortvloeijen; waar op de gecommitteerdens hun afscheijd naamen en vertrokken. kort Van Maccasser Den 24: october 1771; Zue Kort daar na is den Bonijs Tolk Moentoe uijt naam van zijn Meester bij den Heer afgaand gou„ verneur verscheenen meede brengende twee pakjes door Aroe Palacca, ter inhandiging aan zijn wel Edele gegeeven, met versoek om door desselvs be„ hulp aan haaren klein zoon de geweese koning van goak, die zig thans op Ceilon bevind, be„ zorgt te worden. Dingsdag den 2„ Niets voorgevallen dat aanteekening in de„ sen verdient. woensdag „ 3„' De koning van Bonij mij hebbende laten versoe„ ken om den oppertolk Brugman te mogen spree„ ken, heb ik den selven heden voormiddag bij zijn hoogheit gezonden, Brugman te rug komende bragt Rapport dat zijn Hoogheid mij liet nodi„ „gen tegen d' aanstaande lichte maan om een vis„ jangst op Panampo bij te woonen, met bij voe„ „ging dat hij hadde kunnen bespeuren dat den koning deese occasie tragt waar te neemen om mij Sonder mee 105: 139 Van Maccasser Den 24: october 1771; Gemares sonder eenige bedenking bij de rijksgrooten te verwecken over de zaak der Successie t' onderhouden. Niets gepasseerd Hebberk den koning van Bonij door den vrijdag „ 5„ oppertolk doen begroeten en bekend maa„ ken dat ik buijten wettige verhindering van zijne invitatie zoude gebruijk maaken vide 3: deser. Saturdag„ Nietsnoteerens waardig voorgevallen. zondag „ 7„ De Tolk Blij gezonden om te verneemen Maandag „ 8„ na de welstand zo van den koning van ƒ Goak als de koningen van Tello Heden morgen wierd mij door den oppertolk Dingsdag „ 9„ Brugman kennis gegeeven dat eenige van de alhier aanweesende zuijder Regenten opgeko„ men tot het doen van den Eed van getrouwig„ heijd bij mijne voorstelling, bij hem deese en 6„ Donderdag den 4„ geene Van Maccasser Den 24:' october 1771; Lenning geene klagten hadden ingebragt over harde behandelingen die haar zouden weesen aangedaan door den Boelecom„ ba seresident Mol; dat hij Brugman haar te vergeefs hadde tragten af te zetten met de nietigheid hunner klag„ ten aan te toonen dog dat zij daar aan geen gehoor willen geeven, maar gezegt hadden hunne beswaarnissen schriftelijk te zullen inbrengen. of schoon ik nue„ zo uijt aanmerking van d'ontijdigheid deeser klagten als gedaan wordende Even na het depart van den heer Boelen en 't aanvaarden van mijn bestier daar zij reets lange hier geweest deselve ook eerder hadden bun„ „nen opgeeven, als dat geen van hun allen ooit bevoorens iets heeft te kennen gegeeven dat ten beswaare van den Resident strekt geen reeden hadde aan deselve geloof te slaan te minder gedagte Resident, allent halven buijten andere goede qualiteijten blijkens heeft gegee„ ven van trouw, iever en oplettentheid in 'smeesters dienst, liet ik den selven egter aanstonds bij mij ko„ men wanneer ik door een ampel verhaal van diverse staaltjes van de traagheid en al dikmaal betoonde onwilligheijd der voornaamste klagers in het doen van hun verpligten Heeren dienst, en dat zelfs eenige

NL-HaNA_1.04.02_3337_1239 view scan ↗

English

107: 141 From Makassar, 24 October 1771; some of them were not free from suspicion of being guilty of illicit trade, and the ill-treatment of the post-holders stationed as guards during the tithing time against the export of rice, it was confirmed in the opinion that their complaints had no other source than that the Resident urges and admonishes them somewhat more strictly to their duty, pays closer attention to their conduct, and thus better counters all bad inclinations than his predecessor seems to have done, and that they consequently merely sought to profit from my inexperience in these matters to see if they might also attain their objective, so as to get rid of the Resident on the foundation of these, though futile, complaints, and obtain another who, observing matters with less precision, might give them somewhat more rein than should be the case with respect to these people, whose loyalty to the Company, at least for the most part, has no other foundation than necessity; yet to prevent this matter from having any consequences and to conclude the same, From Makassar, 24 October 1771; keeping myself ignorant of one thing and another, I had the assembled Regents informed through the Interpreter that, since most of them desired to return home, I would expect them tomorrow morning to come and take their leave. Wednesday the 10th. The assembled southern Regents, namely the Crains of Bira, Tanna Beroe, Lemo Lemo, Bonto Tanga, Ara, Tiro, Wero, Lange Lange, Grassing, Bonthain, Anrong-goeroe, Tompo Boeloe, Oedjong, Lowe, Gantarang, Tala, and Paliwoij, having appeared before me this morning and being seated, I had them fully informed through the Shahbandar: That since I had been reported that some, or indeed most among them, desired to return home, I had not wished to detain them any longer, judging it necessary that they depart as soon as possible in order to make a speedy start with the plowing of their sowing lands, and had therefore caused them to come before me to give them their dismissal. That I nevertheless had to make known to them beforehand, 109: 143 From Makassar, 24 October 1771: already at the beginning of my arrival, that I had learned with great displeasure how some of their number showed themselves uncommonly sluggish, even entirely unwilling, in performing their bounden feudal services, by not providing people, timber, and other materials for the repair of the Company's posts and buildings as otherwise required, of which, among others, the Resident's dwelling served as proof, which, though very dilapidated, had not been able to be repaired for two years due to a lack of timber, despite all admonitions; besides that others, in addition, made themselves guilty of misdemeanors which, upon close examination, would be punishable in the highest degree; That I nevertheless, at this commencement of my administration, preferred to take the gentlest course, trusting that they will henceforth avoid all transgressions, fulfill their bounden duty, treat the Resident with amiability, follow his reasonable orders and demands, and behave in all respects as faithful subjects; That From Makassar, 24 October 1771 That it was not unknown to them how much regard was paid to them and their subordinates, in order to secure them in the peaceful possession of their goods and protect them against all harassment from outside, as had recently been demonstrated in the case of a certain Lamaij, as proof that it could serve only to their own well-being to secure the Company's goodwill and protection through the performance of their duty, on which grounds I also had them most earnestly admonished thereto. Whereupon they all, head by head, as if with one mouth, most humbly thanked me for the good counsel and admonition, promising to conduct themselves accordingly, without uttering a single word of complaint against the Resident, as proof that they had no well-founded reasons for it, or at least had become convinced that the fault lay with themselves. Furthermore, it being requested by Crain Tiro that the Regents, provisionally appointed some time ago, 111: 145 From Makassar, 24 October 1771; Thursday the 11th: Regents of Wero and Lange Lange, named Lalla and Manodjengang, might be confirmed in these their regencies, I had them told to address themselves to the Resident in order to be presented by him to me, with further orders to them all to also betake themselves thither to communicate that they had obtained my permission to return home, and to inquire whether he was inclined to depart at the same time or to follow later (which latter I granted him on account of his indisposition); which they accepted, and having subsequently requested their dismissal, they departed. Owing to the absence of Brugman, who has departed for Glissong to carry out the census, I sent the Assistant Interpreter Blij to the King of Boni, in order to learn whether the emissary dispatched by His Highness to the Mandhar has already returned, and if so, what further reports His Highness might have obtained regarding the bark De Vrijheid, with the request to communicate the same to me in writing.

Dutch transcription

107: 141 Van Maccasser Den 24:' october 1771; eenige van haar niet buijten verdenking waaren van schul„ dig te zijn aan ongepermitteerden handel, en het qrualijk. behandelen van de postelingen die gesteld worden tot wag„ ters in de vertiening- tijd, tegen den uijtvoer van rijst, in het gevoelen bevestigt wierd dat hunne klagten geen andere source hadden dan dat den Resident haar wat sterken tot hun pligt opwerkt en aan„ maand, op haar gedrag wat meerder let en oversulks alle quaade gedrentens, beter tegen gaet dan zijn voorganger schijnt te hebben gedaan, en dat zij over„ zulks alleen van mijne onervaarentheid in dee„ „sen tragten te profiteeren of zij ook hun doelwit konden berecken, om op fundament van deese schoon nietige, klagten van den Resident ontslagen te raa„ ken en een ander te krijgen die de zaaken met min„ der nauwkeurigheijd gade slaande hun den teu„ gel wat meerder mogte vieren dan ten opzigte van dit volk dient plaatse te hebben, wiens trouwe voor de Comp„e ten minste voor 't meeren„ deel geen andere grond heeft aan de noodsaakelijk„ heid, om egter te verhoeden dat deese zaak van geen gevolgen mogte worden maar deselve te sluijten liet Van Maccasser Den 24: october 1771; liet ik de gezamentlijke Regenten, mij van het een en ander „ onkundig houdende, door den Tolk aanseggen dat vermits de meesten van haar verlangden na huijs te keeren, ik haar tegen morgen achtend ver„ wagten zoude om hun afscheid te komen neemen. woensdag den 10„' De gezamentlijke zuijder Regenten te weeten de Crains van Bira, Tanna Beroe, Lemo Lemo, Bon„ to Tanga, Ara, Tiro, wero, Lange Lange, grassing, Bonthain, Anrong-goeroe, Tompo boeloe, oed Jong, Lowe, gantarang, Tala en Paliwoij, heden mor„ „gen bij mij verscheenen en gezeeten, zijnde, liet ik haar door den Sabandhaar voll voor houden. Dat vermits mij bericht gedaan was, dat eenige of wel de meeste onder hen verlangd en na huijs te keeren ik haar niet langer hadde willen ophouden, als zelfs nodig oordeelende dat zij hoe eerder hoeliever vertrocken, om met het beploe„ „gen haarer Zaaijlanden een spoedig begin te kunnen maaken, en haar dierhalven bij mij hadde doen komen om hun afscheijd te geeven. Dat ik haar egter alvoorens moest te kennen ge„ den 109 143 Van Maccasser Den 24: october 1771: „ven, reets in den beginne van mijn komst, met veel ongenoegen te hebben vernomen hoe eenige uyt den haaren zig ongemeen traag selfs geheel onwillig gica„ men te betoonen in het doen van haaren verpligten 's heeren dienst, met het niet bezorgen van volk houtwerken en andere materiaalen tot reparatie van 's Comp„s posten en gebouwen als andersints, waar van onder anderen tot een blijk verstrekte 's Residents wooning, die schoon zeer bouvallig in weerwil van alle aanmaning zedert twee Jaaren door gebrek aan houtwerken niet hadde kunnen gerepareerd wor„ den; behalven dat anderen zig daar een boven aan wanbedrijven schuldig maakten, die bij nauw„ keurig ondersoek ten uijtersten Strafwaardig zoude zijn; Dat ik egter met dien aanvang van mijn bestier liever den Iagtsten weg wilde inslaan in vertrouwen dat sij voortaan alle uitstlappen vermijden, haaren verschul„ digde pligt nakomen, den Resident met minnelijkheijd bejegenen en zijne billijke beveelen en Eijsschen agtervolgen en zig allesints als getrouwe onderdaanen gedragen zouden Dat Van Maccasser Den 24: october 177 Dat het haar niet onbekend waare hoe veel reguard er op hun en onderhoorige wierd geslagen, ten eijnde hun te verseekeeren in het gerust bezit haarer goederen en te beschermen tegen aller overlast van buijten gelijk nog Jongst gebleeken waare aan eenen Lamaij, tot een bewijs dat het niet dan tot hun eijgen wel weesen konde strekken om zig door 't quijten van hunnen pligt van 's Comp:s goedwilligheijd en bescherming te verse„ keren, uijt welken hoofde ik haar ook daar toe op ern„ stigste vermaanen liet. waar op zij alle hoofd voor hoofd, als uijt eenen mond mij voor den goeden raad en vermaaning zeer nedrig lieten bevanken met belofte sig daar na te zul„ len gedragen sonder een eenig woord van klagten tegen den Resident voort te brengen, tot een blijk dat zij geen gegronden reeden daar toe hebben ge„ had of ten minsten overtuijgd geworden zijn dat de schuld bij hun selven resideerde. Voorts door Crain Tiro verzogt zijnde dat de voor eenigen tijd nog maar provisioneel aangestelde Regenten 111: 145 Van Maccasser Den 24: octob„r 1737; Donderdag den 11: Regenten van wero en Lange Lange met naamen Lalla en Manodjengang in deese hunne Re„ gentschappen mogten worden bevestigt liet ik haar aanseggen om zig bij den Resident te addres„ seeren ten eijnde door den selven aan mij voorge„ „dragen te worden, met verderen last aan haar allen om zig ook derwaarts te begeeven ter Com„ municatie dat ze mijn toestemming ver kreegen ^ en te verneung of hij melineerden te gelijk hadden om na huijs te keeren n te vertrecken of naderhand te volgen (:welk laaste aan hem geaccordeert hebbe mits zijne indispositie:) dat zij aannamen en vervolgens hun afscheijd versogt hebbende vertrocken. Hebbe ik den ondertolk Blij, mits absentie van Brugman, die na glissong vertrocken is, tot het C doen der ziel beschrijving na den koning van Bonij gezon„ den, ten eijnde te verneemen of den door zijn Hoogheid na de Mand haer afgevaardigden sendeling alterug gekomen zijn, en zo Ja, welke nadere berigten zijn Hoogheid omtrent de Bark de vrijheid mogte Er„ 6 langt hebben met versoek om mij deselve in scriptis meede

NL-HaNA_1.04.02_3337_1244 view scan ↗

English

From Maccasser, 24 October 1771: Monday to communicate, and received as a report that the king had answered that he did not yet know of the emissary's return, but that His Highness had sent to inquire of the Regent, who was not at hand, and would speak with me about this at the first opportunity. Friday the 12th: Nothing occurred. Saturday the 13th: The Boni interpreter Moentoe came further to invite me on behalf of his master to attend a fishing party at Panampo for next Monday, which I accepted. Sunday the 14th: Nothing occurred. 15th: Pursuant to the promise, I set out early this morning in the company of Captain Pietersz, Shahbandar Voll, and Lieutenant Diterich to the fishery at Panampo to the King of Boni, who received us very kindly, but gave no opportunity for any negotiation as I had flattered myself, being attentive to that pleasure and having too many of his grandees and children close by him, so that I had to abandon it. Tuesday the 16th: Before noon, the Queen of Tanette had one of her granddaughters inquire after my health. Wednesday the 17th: Nothing occurred. Thursday the 18th: Shahbandar Voll, having been given a mandate by me to that end, reported to me that he had inquired of the Boni Regent whether the emissary sent to Mandhar had already returned, and received information that one of His Highness's brother's sons, named Forassie, had been employed for this, but that they had not yet obtained the slightest report from him, notwithstanding that since the conference held between the king and the Messrs. Governors on the 6th of last month, three expresses had been dispatched to trace him and call him back; that possibly the absence of the Mandharese princes, who had for the most part marched against their neighbors the Toradjas, might be the cause thereof. Friday the 19th: Nothing occurred. Saturday the 20th: I consented to the request of one of the attending grandees of Tambora to be permitted to send some of his subordinates to their country, provided the number is specified and care is taken that no state slaves are transported. Sunday the 21st: The King of Gowa, having requested access to me through his interpreter Borra for himself and his court grandees for next Thursday, I sent word in reply that I would let His Highness know when I would be able to receive them, in order first to sound out the King of Boni, who has not yet been entertained by me, whether this reception might not be displeasing to him on that account. Monday the 22nd: Upon the news received yesterday just before noon from the Resident at Maros regarding the hostile acts of a certain Boni man named Daeng Mandjaroengie on the day of my public presentation, I sent the merchants Raket and Voll this afternoon, after having previously obtained access, to the King of Boni to complain about this in earnest terms and to request satisfaction, in accordance with the contents of a written instruction handed to them, and at the same time on this occasion gave mandate to the said Voll to sound out the king whether the reception of the Gowa court might also displease him, even though the Boni people have not yet been to me, as well as to inquire further at the same time whether the emissary dispatched to Mandhar had not yet returned, and likewise whether His Highness might already have selected or chosen someone to keep a watchful eye at Boneratte against all illicit trade being carried on there and at Kalao. As the report regarding the first matter will be delivered in writing, as proof of the satisfactory redress promised by the king, Shahbandar Voll brought me word regarding the further commission that the emissary from Mandhar had not yet returned, but that the king had said he had news that the Mandharese, having gotten into a war with the mountain peoples, the Toradjas, had marched against them; that the Regent had been asked to seek out a capable man for Boneratte, who had not yet given any report thereof, which would be inquired into; and that it would not displease His Highness if the king and grandees of Gowa were admitted to me, even though the Boni people had not yet been received by me; pursuant to which latter point, on: Tuesday the 23rd: I sent the under-interpreter to Gowa to invite the king for next Monday, as it is not really possible to have everything put in readiness sooner to receive His Highness and the grandees, the same having agreed to appear according to the interpreter's report. Furthermore, a written report was made to me by the merchants Raket and Voll on the outcome of their commission to the King of Boni, of which I immediately notified the Resident at Maros in a separate letter, under such further remarks as are intended thereby.

Dutch transcription

Van Maccasser Den 24: october 1771: Maandag„ meede te deelen en kreeg tot rapport dat den koning g'ant„ woord hadde „ van des afgezondens te rug komst nog niet „te weeten, dog dat zijn Hoogheid en den Rijksbestier der „die niet bij de hand, was na laaten vragen en mij daar „over bij eerste gelegentheid onderhouden zoude, vrijdag den 12„e Niets gepasseerd. Zaturdag „ 13„e Quam den Bonijs Tolk Moentoe mij nader uijt naam van zijn meester nodigen tot de bij wooning van een vis„ vangst op Panampo tegens aanstaande Maandag dat ik hebbe aangenomen. Zondag „ 14„e Niets voorgevallen. 15„ Jngevolge toezegging hebbe ik mij heden in den vroegen morgen in geselschap van den Capitain Pietersz, Sa„ bandhaar voll en den Lieutenant Diterich op de vis„ sirij Panampto begeeven bij den koning van Bonij die wij zeer vriendelijk recipieerde maar geen gelegentheid gaf tot eenige onderhandeling zo als mij geflatteert hadde, als 't attent op dat plaisier sijnde en te veel en kinderen dig bij zig hebbende zoo dat sijner grooten daar van hebbe moeten afzien. Dingsdag „ 16„' voor de middag liet de koninginne van Fanette door 113: 147 Van Maccasser Den 24: october 1791; vrijdag den 19„e door een haren kleen dogters na mijn welstand verneemen„ viel niets voor Berigte mij den Sabandhaar voll, als daar toe aan Donderdag „ 18„e den selven in mandatis gegeeven hebbende dat hij bij den Bonijs Rijksbestierder hadde doen verneemen of den na Manohar gezondene sendeling reets terug gekomen waare en informatie ontvangen dat daar toe g'emploijeert waare een van zijn hoogheits broe„ der zoonen met naame Forassie dog dat men van den selven nog geen het minste bescheid hadde er langd niet tegenstaande 'er zevert de gehoudene Conferentie tusschen den koning en de Heeren gouverneurs op den 6„' der voorleedene maand, drie expresse afgevaardigt waaren om hem op te speuren en te rug te roepen. dat mogelijk d'afweesigheijd van de Mandhareese vorsten voor het meeren deel opgetrocken tegen haare na buuren de Toradjareesen daar van d' oorsaak zoude weesen. Niets gepasseerd. Hebbe ik geconsenteerd in het versoek van een Saturdag „ 20„' woensdag den 17:' der Van Maccasser Den 24: october 1771; Ve der aanweesende Rijksgrooten van Tambora, om eeni„ „ge zijner onderhoorige na hun land te mogen zenden, „mits 't getal: opgeevende en te sorgen dat geen Rijks„ slaaven vervoerdt wierden. Sondag den 21„e Den koning van Gdah door zijn Tolk Borra voor hem en zijne Hofgrooten acces bij mij hebbende laa„ ten vragen tegens aanstaande Donderdag hebbe ik den selven tot antwoord laaten weeten, dat ik zijn Hoog heid zoude laaten kennisgeeven wanneer ik haar zoude kunnen ontfangen ten eijnde den koning van Bonij die voor als nog door mij niet getracteerd is alvoorens te kunnen doen sonderen of hem deese receptie uijt dien hoofde niet onaangenaam mogte weesen. Maandag den 22:' Op de gisteren even voor de middag ontvangen tijding van den Resident te maros wegens de hosti„ „le bedrijven van zeekeren Bonier in naame Daeeng MandJaroengie ten dage van mijne publicque voor„ stelling hebbe ik heden nademiddag na vooraf g' obtineerd acces, de kooplieven Raket en voll na den koning van Bonij gezonden om daar over in ern„ stige R 115. 149 van Maccasser Den 24: october 1771, 77½ Dens „stige termen te doleeren en Satisfactie te versoeken Conform den inhoud van eene haar g'intragueerde schriftelijke Jnstructie en teffens bij deese gelegentheid aan gem: voll in mandatis gegeeven om den ko„ ning te sonderen of de receptie van het goakse Hof of schoon de Boniers nog niet bij mij geweest zijn hem ook mishagen mogte mitsgaders teffens eens nader te verneemen of den na Mandhaer afgevaardigden sendeling nog niet gereverteert en so meede of zijn Hoogheid al iemand mogte „geschikt af uitgekootzen an op Bonoratta „een oog in 't zeijl te houden tegen alle gedreeven wor„ den de morshandel aldaar en op Calauwt. Het Rapport omtrend het eerste schriftelijk zul„ lende worden overgeeven, ten blijke dan de door den ko„ ning toegezegde voldoende Satisfactie bragt den Sabandhaar voll mij omtrend de verdere Commis„ sie tot bericht dat den sendeling van de Mandhaer nog niet gereverteerd was dog dat den koning gezegt hadde tijding te hebben dat de mandhareesen in oorlog geraakt met de Bergvolkeren de Toradja„ reesen tegen deselve waaren opgetrocken dat aan den wee Van Maccasser Den 24: october 1771; den Rijksbestierder gedemandeert was om een be„ quaam man op te soeken voor Boneratte, die daar van nog geen bericht gegeeven hadde, waar na soude worden vernomen, en dat het zijn Hoogheid niet mishaagen zoude dat de koning en Rijksgrooten van Goa bij mij geadmitteert wierden, of schoon de Boniers nog niet bij mij gerecipieerd waaren ingevolge van welk laaste ik op„ Dingsdag den 23: Den ondertolk na Goa hebbe gezonden om de koning te inviteeren tegen aanstaande Maandag als niet wel eerder alles in gereedheid kunnende doen brengen om zijn Hoogheid en Rijksgrooten te ontvangen heb„ bende den selven volgens Tolks Rapport aangeno„ men te zullen verschijnen. voorts is mij door de kooplieden Raket en voll schriftelijk rapport gedaan van den uijtslag hunner Commissie aan den koning van Bonij waar van aanstonds aan den Resident te Maros bij een apart brieffje kennis„ se gegeeven hebbe onder zodanige verdere remarques als bij het zelve zijn te b'oogen. voor 6d

NL-HaNA_1.04.02_3337_1249 view scan ↗

English

117: 151 From Maccasser, The 24: October 1771: Wednesday the 24: Before noon, after having previously requested an audience, the Glarrang of Bontoalak appeared before me with a compliment of greetings on behalf of the King of Bonij, making known in his master's name that he, together with the Poelewattang and a corps of fully three hundred men, had proceeded to Maros to order the Bonier Daeeng Mandjaroeng to vacate the Company's territory at once; but having learned upon their arrival there that the same had already removed himself far from there two days prior, orders were given by them that as soon as he should show himself again, to make this known to him, and in case of opposition, to execute His Highness's given command to strike him down. For this communication I had His Highness thanked, with the assurance that this served as proof to me of His Highness's goodwill toward the Company and of his sincere friendship, also assuring him of mine. Thursday 25 to Saturday 27 Nothing occurred. Sunday 28 It was communicated to me by the Merchant Voll that the first Sabandhaer of Goak yesterday, on a visit to the Captain of the Malays Abdul Cadier, had made known in the name of his master how the prince was in fear of paying a visit to the Governor, to which the Court is invited for tomorrow, on account of rumors circulating that they would detain him here on that occasion and that the Company was intending to help the King who is on Ceilon back onto the throne, thus requesting the Captain on his friendship, if there should be any truth to it, to disclose it to him; that the Captain had indeed brought forward everything possible to persuade the envoy and also the King that this rumor, of which the Captain testified not to have heard the least thing, was a pure fabrication and did not even have the slightest appearance of truth, but that this did not seem to have entirely removed the suspicion. This report, added to the earlier notification from the Merchant Voll that the King of Bonij had already some time ago asked him in private whether he did not know what was going on at the Goak Court, since disagreements had arisen there of which Voll had testified to be ignorant, made me suspect that Bonij's prince had a hand in this, but also made me think no less of means to prevent all disasters that could easily arise from the suspicion conceived by the King if anything were to happen, even if merely by chance, by which the same could be strengthened in his aforementioned, though entirely unfounded, fear. 119: 153 From Maccasser, The 24: October 1771: Monday the 29 I have therefore early in the morning ordered the Malay Captain, as soon as the Goak Court should have appeared at the garden of the burgher Thijmon Brouwer, where His Highness had requested me to stop in order to rest a little before entering, to also proceed thither and to put forward to the Sabandhaer that he, the Captain, having felt obliged as a faithful subject of the Company concerning his message

Dutch transcription

117: 151 Van Maccasser Den 24: october 1771: Voor demiddag verscheen na voor af verzogt acces bij woensdag den 24: mij den Glarrang van Bontoalak met een Compli„ ment van groete van wegen den koning van Bonij uijt sijn meestersnaam te kennen gegeevende, dat hij zig nevens den Poelewattang met een Corp van wel drie hondert koppen begeeven hadde na Maros om den Bonier Daeeng Mandjaroen gie aan te zeggen ten eersten 's Comp„s Territoir te ruijmen ^vernomen hebbende dat denzelven bereets twee dagen bevorens zig verre van daar dog dat zij bij hun komst aldaar verwijdert hadde, door hun ordre was gesteld om zodra hij zig weder vertoonen mogte denselven zulks bekend te maa„ ken en in cas van oppositie sijn hoogheijts gegee„ ven last om hem neer te leggen, uijt te voeren voor welke Communicatie ik zijn Hoogheijd liet bedanken, met betuijging dat mij dit tot een bewijs verstrekte van zijn Hoogheitswel mee„ nentheid voor de Comp„e en van Sijne opregte vriend, schap, hem tevens van de mijne doende verseekeren; Niets gepasseert wierd mij door den koopman voll gecommuniceerd Sondag „ 28„' Donderdag „. 25„ tot Saturdag „ 27„' dat reee Van Maccasser Den 24: october 1771; dat den eersten Sabandhaer van goak op gisteren aan den Capitain der Maleijers Abdul Cadier een visitien uijt naam van zijn meester te kennen ge„ „geeven hadde hoe den vorst in vreese verseerde om een besoek bij den gouverneur af te leggen /:waar toe het Hof tegen morgen g'inviteert is:) ter zaake er gerugten liepen dat men hem bij die gelegentheid alhier aanhouden en de Comp„e van intentie weesen zoude om den op Ceilon zijnde koning weder op den troon te helpen, hem Capitain dierhalven op zijne vriendschap doende versoeken om zoo daar iets aan mogte zijn hem daar van opening te doen, dat den Capitain wel alles bij gebragt hadde wat mogelijk was om den sendeling en ook den ko„ „ning te overreeden dat dit gespargeerde waar van hij Capitain betuijgde niets 't minste gehoord te hebben een louter verdigtsel en selfs, geen de minste schijn van waarheid hadde dog dat dit den argwaan niet geheel scheen weggenomen te hebben, dit bericht gevoegd bij de vroegen te ken„ „nen gave van den koopman voll „ dat den ko „ning van Bonij hem bereeds voor eenigen tijd in 119: 153 Rgeceer Van Maccasser Den 24: october 171; in 't particulier hadde laten vragen of hij niet wis te wat 'er gaande was aan het Goakse Hof, dewijl daer oneenigheden waaren ontstaan waar van voll betuijgd hadde ignorant te weesen, deed mij ver„ moeden dat Bonijs vorst hier inde hand hadde, dog ook niet minder denken opmiddelen om al„ le onheijlen voor te komen die uijt den argwaan bij den koning opgevat lichtelijk zoude kunnen ontstaan als er maar iets passeerde, al waere het enkel bij toeval, waar door den selven in sijne voorm: schoon geheel ongegronde vreese konde wor„ den gesterkt, ik hebbe dierhalven op Smorgens vroeg den Capitain maleijer gelast om Maandag den 29„' zodra het goakse Hof zoude verscheenen weesen aan de Thuijn van den burger Thijmon Brouwer alwaar Sijn Hoogheid mij had laaten versoeken om aan te gieren, ten eijnde wat uijt te rusten al„ voorens binnen te komen, zig mede derwaarts te begeeven en den Saband haar voor te houden dat hij Capitain zig als een getrouw onderdaan van de Comp: verpligt gevonden hebbende van desselfs boodschap Van Maccasser Den 24: october 1771; zee dat den eersten Sabandhaer van goak op gisterd aan den Capitain der Maleijers Abdul Cadier een visitie uijt naam van zijn meester te kennen g „geeven hadde hoe den vorst in vreese verseerde om een besoek bij den gouverneur af te leggen /: waar to het Hof tegen morgen g'inviteert is:) ter zaake en gerugten liepen dat men hem bij die gelegentheid alhier aanhouden en de Comp„e van intentie wees zoude om den op Ceilon zijnde koning weder op den troon te helpen, hem Capitain dierhalven op zijne vriendschap doende versoeken om zoo daar iets aan mogte zijn hem daar van opening te doen dat den Capitain wel alles bij gebragt hadde wa mogelijk was om den sendeling en ook den ko„ „ning te overreeden dat dit gespargeerde waar van hij Capitain betuijgde niets 't minste gehoord te hebben een louter verdigtsel en selfs, geen de minste schijn van waarheid hadde dog dat dit den argwaan niet geheel scheen weggenomen te hebben, dit bericht gevoegd bij de vroegen te ken„ „nen gave van den koopman voll „ dat den ko „ning van Bonij hem bereeds voor eenigen tijd in 119: 153 Van Maccasser Den 24: october: 1771; in 't particulier hadde laten vragen of hij niet wis te wat 'er gaande was aan het Goakse Hof, dewijl daer oneenigheden waaren ontstaan waar van voll betuijgd hadde ignorant te weesen, deed mij ver„ moeden dat Bonijs vorst hier inde hand hadde, dog ook niet minder denken opmiddelen om al„ le onheijlen voor te komen die uijt den argwaan bij den koning opgevat lichtelijk zoude kunnen ontstaan als er maar iets passeerde, al waere het enkel bij toeval, waar door den selven in sijne voorm: schoon geheel ongegronde vreese konde wor„ den gesterkt, ik hebbe dierhalven op Smorgens vroeg den Capitain maleijer gelast om Maandag den 29„' zo dra het goakse Hof zoude verscheenen weesen aan de Thuijn van den burger Thijmon Brouwer alwaar Sijn Hoogheid mij had laaten versoeken om aan te gieren, ten eijnde wat uijt te rusten al„ voorens binnen te komen, zig mede derwaarts te begeeven en den Saband haar voor te houden dat hij Capitain zig als een getrouw onderdaan van de Comp: verpligt gevonden hebbende van desselfs boodschap G

NL-HaNA_1.04.02_3337_1254 view scan ↗

English

From Maccasser the 24: October 1771; message, to inform the governor that he had now come by order of the same to assure him and thus also the king that the aforementioned rumors were utterly untrue and that his Highness could therefore safely rely on the governor's word of honor that not the least harm would befall him. Meanwhile, after I had simultaneously ordered the Captain of the Malays to make a full report of his experience to the Sabandhaar, I proceeded to the Company's Garden to await the Court. Having lingered here a little while, the Malay Captain came to the Sabandhaar, who still had the opportunity to inform me of the outcome of the matter, dictating that as soon as the Captain had addressed the Sabandhaar of Goah, this was seen by the king, who called both of them into a separate chamber to him and asked what the cause of his coming was, and that when the Captain had fully disclosed the message given to him, the king had replied to him, "Yes, we have also already discovered that this is only a rumor; it comes from the Canpong Boegis and is prepared as a small medicine for a sick woman," presumably intending to indicate that at least some at the Court, if not the king of Bonij, had caused this rumor to be spread in order to raise the dejected spirit of Aroe Palacca somewhat, and to give hope for the return of her grandson, the king who is on Ceijlon, so that she has already shown signs that this hope of hers is not yet entirely abandoned, according to the entry under the date of 18: March. To this, Goah's prince added further that the king of Bonij had yesterday sent an express messenger to his Highness to ask whatever was going on at the Goakese Court, who was dismissed solely with the answer that they were unaware of anything and all was at peace. Shortly thereafter appeared the Goakese Court, consisting besides the king of the Tomilalang and seventeen other grandees alongside three deputies of Tello. It was not only accompanied by an uncommonly large retinue of servants, but shortly thereafter one unexpectedly saw a number of fully two thousand men equipped with flintlocks and assegais flowing in from all sides, who all remained drawn up in order outside the gate of the Company's Garden, which had been closed after the entry of the Court. This spectacle caused no little astonishment both among the Company's servants and subjects, so that some members of the Council, and in particular the Captain Commandant Pietersz, also expressed his surprise regarding it. To him I replied that one ought to act as if no heed was paid to it, without making any commotion by giving orders to the soldiers to stand by their arms, while in the meantime orders were given quietly in the Castle to close the gates and maintain the necessary watch. After the king had been collected from the gate by the junior merchants Monsieur and Linkers, brought before the hall, and led inside by me by the hand, and having taken seats alongside the members of the Political Council and grandees of the realm, and the mutual compliments having been paid, I proposed to the prince, in order to remove all further suspicion, that we rid ourselves of our coats, swords, etc., which pleased him very well. After this I conversed with him about various indifferent matters, deeming it inadvisable to deal with anything of importance, until after taking a glass of morning drink we joined each other at table, when it appeared to me that his suspicion had completely ceased, in which regard he subsequently gave more and more evidence through cheerfulness, even though neither he nor the grandees had consumed any substantial amount of strong drink, to which they are otherwise very inclined. They subsequently departed between five and half past five o'clock, after his Highness, among other customary compliments for the friendly reception, had expressed his utmost pleasure and gratitude. I turned this to advantage by having the Sabandhaar, after a reciprocal expression of thanks for his friendly visit, assure him of the Company's goodwill toward the Goakese Realm and his person, as well as of my friendship, and clearly present to him that for the welfare of both nothing could be more beneficial or useful than for his Highness to act openly with the governor in all respects and to inform him of occurring matters relating to the alliance, in order to clear up the dark mists that sometimes unexpectedly appeared. His Highness promised to follow this counsel, also thanking me for it in the friendliest manner, and with this this conference ended. Tuesday the 30: to Thursday 1: August nothing occurred. Friday 2: ditto. On account of my intended departure for Maros around the 6: or 7: of this month to carry out the collection of the tithes, I have this afternoon through the

Dutch transcription

Gerey Van Maccasser Den 24: october 1771; boodschap, aan den gouverneur kennisse te geeven als nu uijt ordre van den selven was gekomen om hem en dus ook den koning te verseekeren dat de voorm: gerugten volstrekt onwaar waaren en dat zijn Hoogheid dierhalven zig gerustelijk op 's gouverneurs woord van eere dat hem geen 't minste leet soude geschieden verlaeten konde on„ dertusschen dat ik den Capitain der maleijerstef„ fens bevoolen hadde van sijn wedervaaren aan den „Saband haar voll verslag te doen begaf ik mij na 'sComp„s Thuijn om het Hof op te wagten; Hier een weijnig vertoeft hebbende quam den Capitain ma„ leijer bij den Sabandhaar voll die nog gelegentheid hadde mij van den uijtslag der zaake kennisse te geeven, dicteerende dat zo dra den Capitain den Sabandhaar van goah aangesproo„ ken hadde sulks van den koning gezien was, die haer bei„ de in een aparte kamer bij hem geroepen en gevraegd had„ de, wat d'oorzaake sijner komst waare, dat den Capitain hier op der hem gegeeven boodschap volledig opengelegt hebbende den koning hem hadde toegedient, Ia wij zijn er ook bereets agter gekomen dat dit maar 121: 155 Zeeens Van Maccasser Den 24: october 1771; maar een gerugt is, het komt uijt de Canpong Boegis en is bereijd tot een kleene mevicijn voor een zieke vrouw vermodlijk te kennen willende geeven dat ten min„ ste eenige aan het Hof zo niet den koning van Bonij dit gerugt hadde doen verspreijden om het neerslagtig gemoed van Aroe Palacca wat op te beuren, en hoope te geeven tot de te rug komst van haar kleen zoon den op Ceijlon zijnde koning, invoegen zij bereets blij„ ken getoond heeft dat deese haare hoope nog niet geheel opgeven is, volgens het aangeteekende onder dato 18: Maart voegende Goaks vorst daar nog bij dat de koning van Bonij gisteren nog een expresse aan zijn hoogheid gezonden hadde om te vragen wat of er dog aan het goakse Hof gaande waare die en kel afgezet was met antwoord dat men van niets bewust en alles in rust was. Kort hier op verscheen het goakse Hof bestaande buijten den koning in den Tomilalang en Pe„ ventien andere grooten nevens drie gecommitteer dens van Tello het zelve was niet alleen ver„ seld: van een ongemeen groot gevolg van bedienden maar Van Maccasser Den 24: october 1771 Maar men zag kort daar na op het onverwagtste van alle Kanten een aantal van wel Twee duijsend man schappen met snaphaanen en assagaijen voorsien toe vloeijen die alle buijten het 3ek van 's Comp„s Thuijn dat na de binnen komst van 't H6of gesloten was:) in ordre geschaerd staan bleeven welke vertooning niet weijnig verwondering baarde zo wel bij 's Comp„s dienaaren als onderdaanen invoegen eenige leeden van den Raad en insonderheid den Capi„ E — tain Commandant Pietersz dierwegens ook zijn bevreemding te kennen gaf die ik repli„ ceerde dat men zig gelaaten moeste off daar op geen reflectie wierd geslagen, zonder eenige be„ weeging te maaken met het geeven van ordres aande militairen om zig bij haare geweeren te houden, intusschen in 't Casteel in stilte bevel gegeeven zijnde omde Hecken te sluijten en de nodige toezigt te houden. Na dat den koning door d'onder kooplieden Mon„ Sieur en Linkers van het Hek afgehaald tot voor de zaal gebragt en door mij aan de hand binnen geleijd 157 123: Van Maccasser Den 24: october 1771; geleijd en nevens de leeden van Politie en Rijksgroo„ ten zit plaats genomen hadden mitsgaders de wederzijdse Complimenten afgelegt waaren, proponeerde ik den vorst, ten eijnde allen arg„ waar verder weg te neemen om ons 't ontdoen van de Rocken, degens en z: dat hem zeer wel behaag„ de, waar na ik met den selven over diverse on„ verschillige zaaken discoureerde, ongeraaden agtende over iets van belang te handelen, tot dat wij na het gebruijk van een glaassen morgen drank ons aan tafel voegden wanneer het mij voor quam dat zijn agter dogt geheel gecesseerd was, in voegen hij daar van vervolgens meer en meer blijken gaf door vrolijkheijd of schoon hij zo min als de grooten eenige drank van aan„ belang gebruijkt hadden waar toe zij ander„ sints zeer genegen zijn zijnde vervolgens tusschen vijff en half ses uur vertrocken na dat zijn hoogheid onder andere gewoone Complimenten voor het vriendelijk onthaal zijn uijterste ge„ noegen en dankbaarheid betuijgd hadde het wel„ „be ik mij ten nutte maakte met den selven door Van Maccasser Den 24: october 1771; door den sabandhaar voll, na een reciproque dank„ zegginge voor zijne vriendelijke visite van sComp: „ 99 welmeenentheid tot het goaks Rijk en zijn perzoon zo wel als van mijn vriendschap te doen verseeke„ ren en duijdelijk onder het oog te brengen dat er voor het welweesen van beijde niets heijlzaamer nog nutter konde zijn dan dat sijn hoogheijd in allen opzegte met den gouverneur opentlijk kwam te handelen en aan den zelven van de voor komende zaaken betreckelijk tot het bondgenoot„ schap kennisse te geeven, ten eijnde de duijstere nevelen die zig zomwijlen onverwagt vertoonden te doen op klaaren, welken raad zijn hoogheid beloofde te zullen na komen mij daar voor almeede op het vriendelijkste doende bedanken, en waar mee„ de dese Conferentie eijndigde. Dingsdag den 30„ tot Donderdag „ 1: August:s (niets voorgevallen vrijdag „ 2: _„o Mits mijn voorgenomen vertrek na Maros tegen den 6: of 7„' deser tot het doen der ver„ tiening, hebbe ik heden nademiddag daar van door den

NL-HaNA_1.04.02_3337_1259 view scan ↗

English

From Maccasser, the 24th of October 1771; to have the merchant Voll give communication to the king of Bonij, and likewise that authority during my absence would remain mandated to the secunde and the Council, with a request to His Highness to appoint two commissioners of distinction to assist, according to custom, with the tithing, and to order the same with the necessary instructions to prevent not only frequent cavils, but also to oppose the wantonness of certain Bonijse princes, repeatedly demonstrated both in refusing the due tithes and in committing unruly acts that might easily cause mischief. Furthermore, to inquire of His Highness how far matters have progressed with the election of a successor to the Bonij throne, making it known that I would shortly have to report thereon to Their High Nobilities, since the promise made by His Highness From Maccasser, the 24th of October 1771; to take that point into consideration and to carry it into effect had already been communicated to Their High Nobilities, who therefore, in consideration of their good disposition toward the Bonijs Empire, will desire to learn the outcome thereof; and furthermore that delay would be no less dangerous than, on the contrary, it were necessary that His Highness consult maturely on this matter with himself and with me. Likewise, whether the messenger dispatched to the Mandhaar to obtain further intelligence concerning the overrun bark De Vrijheijd might not yet have returned, and if so, to then share his discoveries with me; but otherwise, so that His Highness have no further trouble, that he would merely please to appoint someone possessing the necessary quality and ability to depart thither alongside one of the Company's subordinates, for which purpose I would then draft the necessary instructions to be confirmed with the Company's and Bonij's seals once approved by His Highness, representing that From Maccasser, the 24th of October 1771; the longer this matter were delayed, the less success one would have to expect from it. To request His Highness once again to appoint a trusted person to be stationed at Boneratte, having been provided by me with proper instructions. And finally, if possible, to sound out His Highness regarding the great force with which the Macassars appeared in the Company's garden on the 29th of July past, in order to learn whether anything else might lurk behind it than what one has had to conclude from the discoveries already made. The merchant Voll, returning only towards seven o'clock, brought me the report: That the king, while expressing gratitude for the communication regarding my upcoming departure, had in his presence given orders to the Tomilalang and Glarang From Maccasser, the 24th of October 1771 of Bontualacq to accompany me to Maros, with orders to pay the required regard to my requests, to excuse no one from the due tithing, but to compel the unwilling, and furthermore immediately to prevent all wantonness that this or that person might wish to undertake. That His Highness had fully avowed the necessity of the speedy settlement of the succession, but had declared to his regret that he had not been able to advance with that matter by reason of the illness of the Regent, which had increased so severely that one despaired of his recovery; That the prince, indicating that the messenger sent to Mandhaer had not yet returned, having asked who it was thought might best be employed for that purpose, upon the reply of the Shahbandar Voll that the Governor intended to send the Captain of the Malays thither on behalf of the Company, From Maccasser, the 24th of October 1771 to whom the Tomilalang might be joined on behalf of His Highness, had requested that this be refrained from for the present so as not to expose the respect of the Company and Bonij to an affront among the Mandharese if no hearing should be granted to such envoys, His Highness deeming it better to use ordinary messengers for that purpose, in consequence whereof he would appoint one on his part as soon as he should obtain word that I had resolved to do so. That His Highness had already appointed a certain La: Eza to reside at Boneratte, who would be sent to me; That although no opportunity had presented itself to converse with His Highness regarding the cause of the appearance of the Macassars in the Company's garden with an extraordinarily great force, His Highness himself, however, From Maccasser, the 24th of October 1771; had immediately said in private to the merchant Voll that he had the troublesome solicitation from Arou Palacka as to whether there might be any possibility of getting her grandson, the king of Goak banished to Ceylon, back here again, asking him for advice on how she might best get rid of this and what he, Voll, thought about it; whereupon the latter, in accordance with the mandate given to him a few days ago on the occasion of the notification that this same question had also been put to him by a messenger in the king's name, replied that it would be best to refer the applicants to the Governor, whom he, however, had already been able to perceive to be of the opinion that Their High Nobilities in Batavia would not proceed to the recall of the banished Prince, and that there was therefore no likelihood of his return. Saturday the 3rd, I have, through the under-interpreter Pietersz, given notice to the courts of Goah and Tello

Dutch transcription

125: 159 Van Maccasser Den 24: octob„r 1771; va den koopman voll Communicatie laten geeven aan den koning van Bonij en zo meede dat het gezag geduurende mijn af weesen aan den secunde en 6 den Raad zoude blijven gedemandeert, met versoek aan zijn Hoogheijt, om twee gecommit„ teerdens van aansien te benoemen om na den ge„ bruijke bij de vertiening te assisteeren en aan deselve het nodige te beveelen ter voorkoming niet alleen van veelvuldige Cavillatien maar ook tot tegengang van den moedwil Com„ miger Bonijse Prinsjes, meermaals betoond, so in het weijgeren der verschuldigde tiende, als het pleegen van baldadige actien, die lich„ telijk onheijlen kunnen veroorsaaken. wijders om van zijn Hoogheijt te verneemen hoe verre het gevordert is, met de verkiesing van een successeur tot den Bonijsen troon, onder te kenne gave dat ik daar van eer lange aan Haar Hoog Edelhedens diende verslag te doen, vermits de door zijn Hoogheid gedaane toe„ segging 2 Van Maccasser Den 24: october 1771; Segging om dat poinct in overweeging te zullen 1 neemen en het zelve werkstillig te maaken, aan haar Hoog Edelhedens reets bedeeld was geworden die over sulx uijt aanmerking van hunne goede ge„ neijgdheijd tot het Bonijs Rijk verlangen zul„ len daar van den uijtslag te verneemen en wijders dat het uijtstel niet minder gevaarlijk als daar en tegen noodsakelijk waare dat zijn Hoogheid dierwegens rijpelijk met zig zelve en mij raad pleegde Insgelijx of den sendeling na de Mandhaar afge vaardigt om nader kondschap nopens de afgeloo pene Bark de vrijheijd nog niet terug gekomen mogte weesen, en zo Ja: om mij als dan zijne ont„ deckingen meede te deelen dog andersints, dat zijn Hoog„ heijd, om geen verdere moeijte te hebben, maar iemand geliefde te benoemen, de nodige qualiteijt en bequaam„ „heijt bezittende om nevens een van sComp„s onderhoorige derwaarts te kunnen vertrecken, waar toe ik de nodi„ „ge Jnstructie als dan zoude ontwerpen om door zijn Hoogheid goedekeurt zijnde, met 's Comp„s en Bonijs zegul bekragtigt te worden, onder voorhouding dat hoe 161 127: Van Maccasser Den 24: october 1771; Tweee langer deese zaak wierd uijtgesteld hoe minder succes men daar van zoude te verwagten hebben. Om zijn Hoogheid nogmaal te versoeken een ver„ trouwd persoon te benoemen om door mij met een behoorlijke Instructie voorzien zijnde op Bo„ neratte geplaatst te worden. En eijndelijk zijn Hoogheid des doenlijk te polsen omtrend de groote magt waar meede de Macassaaren op den 29: Julij passato in 's Comp„s thuijn zijn verscheenen, ten eijnde 't ervaren of daar agter iets anders mogte schuijlen dan men uijt de reets gedaane ontdeckinge heeft moeten besluijten, Den koopman voll eerst tegen seven uuren gereverteerd, bragt mi tot bericht. Dat den koning, onder dank betuijging voor de Com„ municatie nopens mijn aanstaande vertrek in zijn presentie, aan den Tomilalang en gla„ rang Van Maccasser Den 24: october 1771 „rang van Bontualacq bevel gegeeven hadde, om mijn na Maros te versellen met ordre op mijne versoeken het vereijschte reguard te slaan, nie„ mand vande verschuldigde vertiening vrij te laaten, maar d'onwillige te Constringeeren en wijders allen moedwil die deese of geenen zouden willen ondernee„ men dadelijk te keer te gaan. Dat zijn Hoogheid de noodsaekelijkheid in de spoe„ dige bestelling der Successie volkomen g'avoueerd „met die zaak niet te hebbe kunnen vorderen dog betuijgd hadde tot zijn leedweesen ter oorsaake van de ziekte van den Rijksbestierder die zo sterk toegenomen was dat men aan zijne opkomst wanhoopte; Dat den vorst onder te kennen gave dat den na Mand haer gezonden sendeling nog niet te rug gekomen waare, gevraagd hebbende wie men vermeende daar toe best te zullen kunnen emploij„ eeren, op 't antwoord van den saband haar voll dat den gouverneur voorneemens zijnde 'sComp„s wegen den Capitain der Maleijers derwaarts te zenden - ƒ ƒ29: 163 Van Maccasser Den 24: october 1771 zenden van zijn Hoogheids wegen den Tomi„ lalang daar bij konde worden gevoegd, verzogt hadde dat daar van voor eerst afgezien mogte worden om 's Comp„s en Bonijs respect bij de Mandhareesen niet aan affront te Exponee„ ren als aan zodanige afgezanten geen ge„ hoor mogte worden verleend, oordeelende zijn Hoogheit het beter daar toe ordinaire sen„ delingen te gebruijken, in welken gevol„ le hij er Een zijnen 't wege benoemen zoude, zo dra hij berigt kwam te erlangen dat ik daar toe geresolveerd waare, Dat zijn Hoogheid bereets eenen La: Eza hadde benoemd om & Boneratte verblijf te houden die mij zoude worden toegezonden; Dat 'er wel geen gelegentheid was voorgekomen om zijn Hoogheid nopens d'oorsaake der verscheijning van de Macassaaren in sComp„s thuijn met een buijten gewoone groote macht 't onderhouden, dog dat zijn Hoogheid zelve aan t van Maccasser Den 24: october 1771; aan den koopman voll als in 't particulier ge„ zegt hadde dadelijx het lastig aansoek te heb„ ben van Arou Palacka of er geen mogelijkheid zoude weesen om haaren kleen zoon, den na Ceij„ lon verbannen koning van goak weder herwaarts te krijgen, hin om Raad vragende hoe zij daar van het beste zoude kunnen ontslagen raeken en wat hij voll daar omtrend dagt; waar op dee„ sen /:ingevolge van de hem gegeeven in mandatis voor weijnig dagen geleeden, ter gelegentheid der bekend making dat deese zelve vrage aan hem door een sendeling uijt 's konings naam meede was gedaan :/ antwoorde dat het best zoude wee„ „kaars aan den Gouverneur overtewijzen zen die hij nogthans bereets hadde kunnen be ntwijzen die hij speuren van gevoelen te zijn dat Haar Hoog Edelhedens te Batavia tot het rappel van den der bannen Vorst niet zoude treeden en 'er over sulx tot zijn te rug komst geen apparen„ tie waare; Saturdag den 3 Hebbe ik door den ondertolk Pietersz: aan de Hoven van goah en Tello laaten kennis : 2

NL-HaNA_1.04.02_3337_1265 view scan ↗

English

From Maccasser, 24 October 1771; giving notice of my impending departure for Maros to carry out the tithes, and that I have entrusted authority during my absence to the Secunde and Council. Furthermore, I have sent the Captain of the Malays to the King of Boni with an Instruction for the emissary who is to be stationed on Boneratte, which was approved by His Highness, stamped with Boni's seal, and brought back to me. Sunday the 4th Nothing much occurred. Monday the 5th In the morning, after having previously requested access, the Glarrang of Bontualacq appeared at my house, bringing with him the emissary La-Eza, appointed by the King of Boni to reside on Boneratte, to which latter person I handed the Instruction prepared for that purpose, with a recommendation to comply with it strictly, along with a sum of fifteen rixdollars for his travel expenses upon his request made for that purpose. Tuesday the 6th The Boni interpreter Roentoe having come to inquire of me toward noon on behalf of his master when I intended to undertake the journey to Maros, so that the Tomilalang and Glarrang of Bontualacq could adjust themselves accordingly to accompany me alongside him, Moentoe, I had him answered that I intended to depart early tomorrow morning. Wednesday the 7th Departed for Maros this morning at half past four, and arrived there at one o'clock. Thursday the 8th to Wednesday the 14th Nothing occurred. Thursday the 15th This afternoon, the King of Boni, having to pass by, paid me a visit in passing after having previously requested access; wherein nothing worthy of note was discussed other than that His Highness told me he had brought two emissaries to be sent to Mandhar alongside one of those of the Honorable Company, for which I thanked His Highness, replying that the Instruction drawn up for that purpose, being ready for review, would be sent to him. Thereupon, at five o'clock, after a friendly farewell, the prince departed for the Negorij Marampesoe, requesting nevertheless to be received again tomorrow afternoon, which I accepted. Friday the 16th In the afternoon the King of Boni appeared before me again. After drinking a cup of tea, he made it known that Tosarassa, sent by him to Mandhar, had returned from Mandhar yesterday afternoon just as His Highness entered the River of Maros, but having followed him, had met with the misfortune of having his vessel capsize and therefore had not yet come up to give an account of his discoveries, promising to send the same to me or the Shahbandar Voll first thing in order to be able to learn of his experiences; for which I had the prince thanked, adding that I would therefore postpone the dispatch of the emissaries in case he might have made any further discoveries worthy of knowledge for the execution of that commission. Subsequently, having found an opportunity while conversing on diverse indifferent matters to have His Highness sounded out through the Shahbandar Voll as to what might be known to him regarding the cause of the entry into the Company's garden of the Goa Court on 29 July past with an uncommon force, he, after a considerable pause of silence, gave no other indication than that the King of Goa had paid him a visit a few days ago to inquire after his health, and that on that occasion, having asked him what had been going on in Goa, the latter had answered that a rumor had been circulating that the former King of Goa, who was sent to Ceylon, was about to be restored to the throne, but that this rumor had immediately vanished after the court had paid a visit to the Governor, furthermore making his embarrassment clearly evident by immediately changing the subject, so that this matter was broken off and His Highness took his leave shortly thereafter. Saturday the 17th After having previously requested access, the Boni Tomilalang appeared before me this morning, accompanied by the Tosarassa mentioned yesterday, which latter gave me an account of his discoveries regarding the running aground of the bark De Vrijheid, which substantially agrees with the reports already received; wherefore I had His Highness informed thereof and in the afternoon had the drafted Instruction for the Company's and Boni's emissaries Dain Mandjareke and Latoepoe and the messengers Parangs presented to the prince for review, who declared that he fully approved it and sent it back to me with a request to obtain a copy thereof, which I granted. Sunday the 18th Monday the 19th Nothing particular occurred. Tuesday the 20th The Boni interpreter Moentoe came on behalf of

Dutch transcription

437: 165 Van Maccasser Den 24:' octob: 1771; kennis geeven van mijn aanstaande vertrek na Maros tot het doen der vertieningen dat het gezag geduurende mijn absentie aan den secunde en Raad hebbe opgedragen. wijders hebbe ik den Capitain der maleijers gezonden aan den koning van Bonij met een Jnstructie voor den sendeling die op Boneral„ te staat te worden geplaats welke door zijn Hoogheid goed gekeurd en met Bonijs Zegul bestempeld mij wierd te rug ge„ bragt Sondag den 4„' veel niets voor 's voormiddags verscheen na voor af ver„ Maandag „ 5„e zogt acces ten mijnen huijse den glarrang van Bontualacq meede brengende den sen„ delingLa-Eza door den koning van Bonij benoemd om op Boneratte verblijfte hou„ den aan welken laatste ik de ten dien eijnde in gereedheijd gebragte Jnstructie, onder een recommandatie om deselve stipt na Van Maccasser Den 24: october 1771;; na te komen inhandigt hebbe nevens een Somma van vijf„ 98 tien rijxd„s voor zijn reijskosten op zijn daar toe gedaan versoek. Dingsdagden 6: Den Bonijs Tolk Roentoe zig tegen den middag uijtnaam van zijn meester bij mij hebbende komen informeeren, wan„ neer ik voorneemens waere de reijse na Maros tonder„ neemen, ten eijnde de Tomilalang en Glarrang van Bontualacq zig daar na konden rigten, om nevens reep hem Moentoe mij te verzelten liet ik den selven ant„ woorden dat morgen vroeg meende te vertrecken, J„o Heden morgen ten half vijf uuren na Maros vertroc„ Woensdag„ ken en ten Een uuren aldaar g'arriveerd. Donderdag „ 8. tot Niets voorgevallen. woensdag „ 14:„ Donderdag „ 15„e Heden nademid dag is den koning van Bonij voor bij moe„ tende, en passant, na voor af verzogt acces, een visite bij mij afgelegt; waar in niets noteerens waardig verhan„ delt is dan dat zijn Hoogheit mij zeijde twee sendelin„ „gen te hebben meede gebragt om nevens een van die der E: 133: 1:67 Van Maccasser Den 24: october 1771, E: Comp:e na Mandhaer te worden gezonden, waar voor ik zijn Hoogheid bedankte, met antwoord dat de Instructie daar toe opgesteld aan den selven ter resum„ „zijnde „tie zoude zeere zonden den vorst vervolgens ten vijf uu„ ren na een vriendelijk afscheijd vertrocken na de Ne„ gorij Marampesoe, met versoek nog thans om morgen middag weder ontvangen te worden, 't welk gerecepteert hebbe, 'S nademiddag is den koning van Bonij weder vrijdag den 16„e bij mij verscheenen, na het drinken van een kopje thee gaf den selven te kennen dat de door hem na de Mandhaer gezonden Tosarassa, gisteren middag Juijst met zijn Hoogheits binnen komst in de Ri„ vier van Maros van Mandhaer, te ruggekomen was dog hem gevolgd zijnde, het ongeluk getroffen had met zijn vaartuijg om te slaan en dier hal„ ven dog niet boven gekomen was, om van zijn ontdecking berigt te geeven met toezegging den „eert Selventen „ aan mij of den Saband haer voll te zullen zenden ten eijnde zijn wedervaaren te Kunnen verneemen, waar voor ik den vorstliet be„ danken van Maccasser Den 24: october 1771; danken met bijvoeging dat ik dus lange de depeche der zendelingen zoude uitstellen of den selven eenige nadere ontdeckingen mogte hebben gedaan tot d'uijtvoering van die Commissie weetens waardig zijnde, t vervolgens onder het discoureren over diverse onverschil„ „lige zaak en gelegentheijd gevonden hebbende zijn hoog„ heid door den Saband haar voll te doen sonderen wat hem bekend mogte weesen nopens de oorsaake der binnen komst in 's Comp„s thuijn van het goak„ Se Hof op den 29: Julij passato met een ongemeene magt gaf den selven, na een geruijme poos stil swij„ „gens niet anders te kennen dan dat goaks koning weijnig dagen geleeden een visite bij hem afgelegt hadde om na zijn welstand te verneemen en dat hij bij die gelegentheid aan den selven gevraagd hebbende wat 'er in Goak gaande was geweest, deese g'antwoord hadde dat 'er een gerugt had geloopen dat de geweesen koning van Goah die na Ceijlon gezonden is, weder op den troonstond geplaats te worden, dog dat dit gerugt ten eersten verdweenen was, na dat het hof bij den gouverneur een visite hadde afgelegt doen„ de 135: 169 Van Maccasser Den 24: october 1771; de wijders niet onduijster zijn verleegentheid blijken door ten eersten van propoost te veranderen zo dat dese ma„ terie afgebrooken wierden zijn Hoogheid kort daar na afscheijd nam; Na voor af verzogt acces verscheen heden voor demid, zaturdag den 17„e dag bij mij den bonijs Tomilalang, verzeld van den op gisteren vermeld Tosarassa, welken laatsten mij „nopens het aflopen van de bark de vrijheid dat sakelijk over eenstemmende een verslag deed van zijn gedaane ontdeckingen is met de reets ontvangene berigten, weshalven ik zijn Hoog„ heid daar van hebbe laaten kennisse geeven en des nademiddags de ontworpene Jnstructie voor sComp„s en Bonijs zendelingen Dain Mandjareke en La„ toepoe en soero Parangs ter resumtie aan den vorst doen aan bieden die deselve betuijgde volkomen goed: te keuren en z:' mij weder deed toekomen met versoek om daar van een Copij te mogen erlangen het welke geeccordeert hebbe; zondag den 18„' Maandag „ 19„' Quam den Bonijs Tolk Moentoe uit naam dingsdag „ 20„' Niets bijsonders voorgevallen. van

NL-HaNA_1.04.02_3337_1270 view scan ↗

English

From Maccasser The 24th of october 1771; to inquire after my well-being on behalf of his master and at the same time to give notice that His Highness intended to depart from Maros, for which reason he had me requested that the Instruction for the emissary destined for Mandhaer might be sent to him for sealing, and furthermore that he might once again have audience tomorrow morning; which request having been granted, I sent the aforementioned Instruction, the translations of which were only just ready, thither and received the same back sealed with an accompanying message that, since it was not stated therein how much the Company would demand in case those of Mandhaer should ask after the value of the vessel and cargo, His Highness submitted to my consideration whether I did not deem it necessary to give the emissaries instructions in that regard; whereupon, thanking him for the sealing, I had His Highness answered that I would give the proposed information separately to the emissaries. Wednesday the 21st: according to granted audience, the king of Bonij appeared before me again this morning, making known his intention to go for a few days to the Island Poelocoelambi to inspect the burial place of the deceased wife of His Highness's son the Pongauwa, for which communication I gave thanks, as well as for the nomination of his two emissaries for the dispatch to Mandhaer, of which I said I would give notice to Their High Mightinesses; on which occasion the prince, having asked the Pongauwa what he thought of the demand of 22,000 Spanish reals at which I had estimated the vessel and cargo in case the Mandharese should ask after it, and it having been made known by the latter that he found this demand reasonable, the prince continued whether, in case the Mandharese should refuse to give satisfaction, one would have to wait for the orders of Their High Mightinesses to take further measures; whereupon the answer served that circumstances might depend on it, but that I deemed such an absolute necessity in itself; subsequently His Highness gave orders to the aforementioned emissaries, whom he had brought along, to conduct themselves according to my orders, and thereupon departed after taking a friendly leave. The oft-mentioned emissaries having subsequently appeared before me again in the afternoon, I delivered the instruction into their hands under a suitable recommendation, and at the same time gave on a small paper the value of vessel and cargo up to 22,000 Spanish reals in case it should be asked after. The king of Goak, having on the 17th of this month, on account of my absence from Maccasser, given notice to the Honorable senior merchant and second of the delivery in childbed of a son to His Highness's principal wife, there were this morning, after audience had been requested beforehand, sent thither on a commission the junior merchant Linkers and Bookkeeper Bremer to congratulate His Highness with the presentation of a gift according to custom, for which the prince, according to the report of the deputies, had thanks returned, as well as for the maintenance of ancient customs. Thursday the 22nd: Departed this morning from Maros and returned to Maccasser just after midday. Friday the 23rd: Nothing occurred. Saturday the 24th: Sent the assistant interpreter Pietersz to the Courts of Goah and Tello, and also the fellow assistant interpreter Blij to the Regent of Bonij, to give notice of my return from Maros. Sunday the 25th: Nothing occurred. Monday the 26th: The king of Goak had inquiry made after my well-being through his emissary Borra. Tuesday the 27th: The dethroned king of Tambora having requested me through the head interpreter Brugman to be allowed to send a vessel with some of his people to the opposite shore to collect some outstanding monies, having nothing left here to live on, much less to pay his already incurred debts, I consented thereto on condition that no State slaves may be transported. Wednesday the 28th: I sent the assistant interpreter Blij to the Regent of Bonij in order to inquire after three Boniers residing in the province of Maros, whom the Tomilalang had promised during my presence there to send hither, in order to give testimony here before the judge in the case of a certain native woman named Moemoe, accused by them of bribery for the murder of her husband, and of whom one has already come hither, whom the said Minister had however refused to send to the Castle upon the request made thereto by the senior merchant and second. The answer of the same contains, according to the report of Blij, that the one who had come over, having been afraid to appear before the court, after several days of waiting in vain for his companions, had already departed again without it being known whither, while the others had not yet appeared. Thursday the 29th: Nothing occurred. Friday the 30th: The King of Bonij, having returned this morning from the Island Koelambi, sent me word thereof under a

Dutch transcription

Van Maccasser Den 24:' october 171; van zijn meester vragen na mijne welstand en teffens kennisse geeven dat zijn Hoogheit voorneemens was van Maros te vertrecken om welke reden hij mij liet versoeken dat d' Jnstructie voor de sendeling na Mandhaer gedistineert aan hem ter zegeling mogte worden toegesonden en voorts om tegenmor„ „gen achtend nogmaal acces te mogen hebben welke laste geaccordeert zijnde sond ik de voorm: Jnstruc„ 66 „tie, welker Traanslaaten maar even gereed waa„ len derwaarts en ontving dezelve gezegeld t: rug met een bij gevoegde boodschap dat vermits daar in niet ver„ „meld stond, hoe veel de Comp:e zoude eijsschen ingevalle die van Mandhaer na de waarde van het vaartuijg en lading mogte vragen, zijn Hoogheijd mij in overweeging liet geeven of ik niet nodig oordeel de sendelingen daar omtrend inmandatis te geeven, waar op ik zijn Hoogheid, onder dank zegginge voor de zegeling liet antwoorden het voorgestelde apart aan de zendelinge te zullen opgeven. woensdag den 21: volgens verleend acces is den koning van Bonij he„ den morgen weder bij mij verscheenen te kennen gee„ vende voor eenige dagen na het Eijland Poelocoe„ „lambi 437: 171 1771 Van Maccasser Den 24: october 177 Lambi te willen gaan te bezigtiging der grafsteede van d'overleedene vrouw van zijn Hoogheits zoon den Bon„ „gauwa, voor welke Communicatie ik zo wel bedankte als voor de benoeming van zijne twee sendelingen ter depeche namand haer waar van ik zeijde aan haar Hoog Edelhedens kennisse te zullen geeven, bij welke occasie den vorst aan den Pongauwa gevraagd, hebbende wat hij dagt van den Eijsch van 22'000: Spaanse reaa„ len waarop ik het vaartuijg en lading begroot hadde, ingevalle de Randhareesen daar na vragen mogten; en door deese te kennen gegeeven zijnde dat ƒ hij dien eijsch redelijk vond, vervolgde den vorst of men ingevalle de Mandhareese 't geeven van Satisfactie mogte weijgeren na d'ordres van haar Hoog Edelhedens zoude moeten wagten om nadere mesures te neemen waar op ten antwoord diende dat d'omstandigheden er na sijn konde dog dat ik zulks op zig zelve volstrekt nodig oordeelde; vervolgens gaf zijn Hoogheid aan de voorsz: sende„ lingen, die hij meede gebragt hadde last om haar na mijn ordre te gedragen, en vertrok vervolgens na Van Maccasser Den 24:' october 1771; na het neemen van een vriendelijk afschied. De meermelde zendelingen vervolgens des namiddags weder bij mij verscheenen zijnde hebbe ik haar d' jn„ structie onder een gepaste recommandatie inhandigt en teffens op een Cartabelletje opgeeven de waarde van vaartuijgen en lading W„ tot 22000. sp„s ingeval 7 le daar na mogte gevraagd worden. Den koning van Goak, op den 17:' deser, mits mijn afweesentheid van Maccasser; aan den E: opperkoop„ „man en secunde hebbende doen kennisse geven van de bevalling in't kraam bedde van zijn Hoogheits voornaamste vrouw van een zoon, zo zijn heden morgen, na voor af gevraagd accesin Commissie derwaarts gezonden de onder koopman Linkersen Boekhouder Bremer om zijn Hoogheit te felicitee„ een onder aanbieding van een geschenk na den ge„ bruijke, waar voor den vorst, Conform het rapport der gecommitteerdens zo wel liet bedanken als voor d'onderhouding der oude gewoon„ tens. r Heden 239: 173 Van Maccasser Den 24: october 1771; Heden morgen van Maros vertrocken en even Donderdag den 22„e na de middag op Maccasser gereverteerd. Niets voorgevallen Den ondertolk Pietersz na de Hoven van Goah Zaturdag „ 24„ en Tello, mitsgaders den meede ondertolk Blijna den Rijkbestierder van Bonij gezonden om van mijn retour van Maros kennisse te geeven. Sondag „ 25„e Niets voorgevallen Liet den koning van goak door zijn sendeling Maandag „ 26„e Borra na mijn welstand verneemen. Den gedetroneerde koning van Tambora mij Dingsdag „ 27„ door den oppertolk Brugman, hebbende doen versoe„ ken om een vaartuijg met eenige van zijn volk na d' overwal te mogen senden ter invordering van eeni„ „geuijtstaande penningen, als hier niets meer hebben„ de om er van te leeven veel min zijn reets gemaakte schulden te voldoen, zo hebbe ik daar in geconsen„ teerd, onder voorwaarde dat geene Rijks slaven vervoert zullen mogen worden. vrijdag „ 23„e Hebbe van Maccasser Den 24: october 1771; woensdag den 0„' Hebbe rik den onder Tolk Blijnaden Rijksbestier„ der van Bonij gezonden, ten einde te verneemen na drie Boniers in de provintie van Maroswoo„ „nagtig, die den Tomilalang bij mijn aanweesen aldaar belooft hadde herwaarts te zenden, ten eijn„ de alhier voor den regter getuijgenis te geeven in de zaak van zeeker door haar beschuldigde Jnlandse vrouw Moemoe, over om kooping tot het vermoorden van haar man, en van den welken 'er reets een herwaerts gekomen is die gem: Minister egter geweijgert had op het daar toe gedaane versoek van den opperkoopman en secundo in 't Casteel te senden. Het antwoord van den selven behelsd volgens het rapport van Blij, dat den overgekomene bevreest geweest zijnde om voor het gerecht te verschijnen, na eenige dagen vergeefs wagtens op zijne mackers, reets weder vertrocken was sonder dat men wist werwaarts terwijl de andere nog niet opgedaagd waaren Donderdag den 29„' viel niets voor vrijdag „ 30„' De Koning van Bonij heden morgen van 't Eijland Koelambi gereverteerd, liet mij daar van onder een

NL-HaNA_1.04.02_3337_1275 view scan ↗

English

From Maccasser, 24 October 1771 to pay a compliment of greeting, on which account I sent the under-interpreter Blij thither to welcome His Highness upon his return, and at the same time to give notice of what had been imparted to me by the Resident at Maros, namely that a certain Arou Paling-orang, also one of the king's blood relatives, had had the audacity to rob by force a female slave from a certain Company subject under a frivolous pretext, with the request to compel him to make restitution, which he had refused both to the Resident and to the Soelewattang. Whereupon His Highness, with thanks for the compliment, let me know that he would summon Arou Paling-orang in order to investigate the matter and provide satisfaction. Saturday the 31st Toward midday the king of Goah again sent to inquire after my well-being and to request some small items. Nothing From Maccasser, 24 October 1771; Sunday the 1st and Monday the 2nd September: Nothing occurred Tuesday the 3rd ditto: The king of Goak, through his interpreter Borra, sent to inquire after my health and to request a pass for a small vessel to Bima, in order to collect some outstanding monies there; which I promised, with orders to that servant to come and give me the name of its master and such when the vessel should be ready. Wednesday the 4th and Thursday the 5th: Nothing occurred Friday the 6th: Before noon the Goak interpreter Borra came to me again with the Nakhoda of the vessel destined by His Highness for Bima, to which latter I handed a pass for the same. Saturday the 7th and Sunday the 8th: Nothing occurred Monday the 9th: In the forenoon the King of Bonij, through his interpreter Moentoe, sent to inquire after my well-being. Tuesday the 10th: I sent the under-interpreter Blij to the king of Bonij and likewise to the Regent, From Maccasser, 24 October 1771; to remind the former of the promised investigation and satisfaction concerning the robbery of a female slave committed by Arou Paling-orang at Maros, see 31 August past, and to urge the latter to the settlement of the still outstanding state debts. Blij's report upon his return stated that the prince in his presence had ordered the Regent to investigate and settle the complaint regarding Arou Paling-orang forthwith, and that this Minister had declared, with respect to the debts, that owing to his prolonged illness he had not yet been able to collect anything, requesting a further postponement until the Tomilalang and Glarrang of Bontualacq should have returned from the Northern Provinces, with whom he would speak further. Wednesday the 11th: Nothing occurred Thursday the 12th September: The king of Bonij sent to request me to send someone on my behalf to the Regent to assist in the investigation of the case concerning Arou Paling-orang and to help decide it; which I having promised, I charged the under-interpreter Blij, together with the ordinary envoy Daing Mandjareki, to go thither in the afternoon. Their report upon their return stated that in passing by they had been called to by the king, who had asked them where they were going; and that being answered, he had requested them, upon returning from the Regent, to call upon him again in order to give notice of what had passed. This they accepted and thereupon proceeded to the Regent, and also found Arou Paling-orang there in person, who, in excuse for detaining the slave of the Company subject at Maros, Matoana, alleged that the latter's nephew Bimbi had called one of his subordinates a thief and had threatened him with death, but that this person having received relief, and Bimbi thereupon having taken flight, From Maccasser, 24 October 1741: he, Arou Paling-orang, had gone to seek him at his house to ask for the reason for his actions, and not finding him there, had caused his female slave to be taken away, saying further that Matoana was a Bonij subject; whereupon the Regent had said he would have him summoned in order to make further inquiry into the matter, which he sent to let me know as his answer, and of which Blij upon his return also gave notice to the King. Friday the 13th: Nothing occurred Saturday the 14th: The Bonij Tomilalang and Glarrang of Bontualacq, commissioned to assist in the tithe collection in the North, having returned and having appeared before me after requested access to give notice thereof, I thanked them for the assistance rendered, as was also done in the afternoon by the interpreter Blij to the King of Bonij. Sunday the 15th to Wednesday the 18th: Nothing occurred Thursday the 19th: I have, upon the communication of the head interpreter Brugman that new complaints had been made to him concerning the subordinates of Arou Paling-orang, who

Dutch transcription

141: 175 van Maccasser Den 24: october 177 1771 een Compliment van groete kennisse geeven wes„ halven ik. Den ondertolk Blij derwaarts hebbe gezonden om zijn Hoogheit over desselfs retour te verwelle ko„ men, en te gelijk kennisse te geeven van het mij be„ deelde door den Resident te Maros dat zeekeren Arou palingorang almeede een van 's konings bloed verwanten de stoutheid gehad hadde een slavin met geweld 't ontroven van zekere sComp„s onder„ daan onder een frivool voorgeeven, Met versoek om den selven te Constringeeren tot de restitutie, die hij zo aan den Resident, als aan den Soelewattang geweijgert hadde, waar op zijn Hoogheid mij on der dank zegging van het Compliment liet weeten Arou Paling-orang te zullen ontbieden, ten eijnde de zaak te ondersoeken en Satisfactie te bezorgen. Zaturdag den 31„ Tegen de middag liet de koning van Goah weder na mijne welstand verneemen en om eenige kleenigheden versoeken. Niets Van Maccasser Den 24: october 1771; woensdag „ 4. en zondag den 1: en Maandag „2: September Niets gepasseerd Dingsdag „ 3: d:o Piet den koning van goak: door zijn Tolk Borra na mijn gezondheid verneemen en om een pas voor een kleene vaartuijg na Bima versoeken, ten einde a aldaar eenige uijtstaande penningen in te vorderen 't geen ik toezeijde met last aan dien bediende mij als het vaartuijg gereed zoude weesen de Naam van dies voerder en z: op te komen geeven. donderdag „ 5„e ' viel niets voor vrijdag „ 6„e voordemiddag quam den Goakstolk Borra weder bij mij met de Nachoda van het vaartuijg door zijn Hoogheid na Bima gedestineerd aan welken laaste ik een pas voor het zelve inhandigde Saturdag „ 7: en Niets voorgevallen Sondag „ 8: „ Maandag „ 9: 'Svoormiddags liet den Koning van Bonij door zijn Tolk Moentoe na mijne welstand verneemen. Dingsdag „ 10„ Hebbe ik den onder tolk Blij aan den ko„ „ning: 145: 177 Van San Maccasser Den 24: octob„r 1771; ning van Bonij en zo meede aan den Rijksbestier der gezonden om den eersten te herinneten het toegezegde 6 onderzoek en satisfactie over den roof van een slavin door Acoi Paling-orang op Maros gepleegd, vide 31„ Aug„s passato, en den laaste aan te maanen tot voldoening van de nog agter stallige Rijksschulden. Blijs rapport dicteerde bij weder komst dat den vorst den Rijksbestierder in zijn presentie hadde doen aanseggen om de klagte over Arou Paling=orang ten eersten 't ondersoeken en af te doen, en dat dien Ministers ten opsigte der schulden verklaard hadde mits zijn langduurige ziekte, als nog niets bij den anderen te hebben kunnen versame len met versoek om nader uijtstel tot dat de Tomila langen glar„ rang van Bontualacq uijt de Noorder Provintien zouden wesen gereverteert, met welke hij na„ der zoude Spreeken. Passeerde niets Liet den koning van Bonij mij versoeken woensdag den 11: Donderdag „ 12: 7ber: iemand Van Maccasser Den 24: october 1771; iemand mijnent wegen te zenden bij den Rijks„ bestierder om 't assisteeren bij het ondersoek de zaak raakende Arou Paling-orang en deselve te helpen beslissen, 't geen ik toegezegt hebbende zo belaste ik den ondertolk Blij met den ordi„ naire sendeling Daing MandJare ki snade middags derwaarts te gaan. Hun rapport bij weeder komst dicteerde, dat zij in't voorbij gaan door den koning waaren aangeroepen, die hem gevraagd hadde waar zij na toe gingen en zulks b'antwoord zijnde hadde hij verzogt om bij te rug komst van den Rijksbes„ tierden weder bij hem aan te gieren ten eijnde van 't gepas gep d „seerde kennisse te geeven 't geen zij aangenomen en zig ver„ volgens bij den Rijksbestierder begeeven, mitsgaders al„ daar Arou Paling-orang in per zoon gevonden hadden die tot verschoning van het aanhouden van de slaaf van 'sComp:s onderdaan op Maros Natoana, voorge„ geeven hadde, dat des laastgem: Neef Bimbi een zijner onderhoorige voor een dief uijtgemaakt en den selven met de dood gedreijgd hadde dog dat deese ont„ zet bekomen en Bimbi daar op de vlugt genomen hebbende 145: 179 Van Maccasser Den 24: october 1741: woensdag „ 18„e Hebbende, hij Arou Paling-orang hem op zijn huijs had„ de gaan opzoeken, om na de reeden zijne gedoentes te vra„ „gen, en den selven daar niet vindende desselfs slavin doen wegneemen, zeggende verdres dat Matoana een Bonijs onderdaan zoude weesen, waar op den Rijksbes„ „tierder gezegt hadde hem te zullen laaten roepen, ten eijnde daar op nader onderzoek te doen, 't geen hij mij tot bescheid liet weeten en waar van Blij in zijn terug komst den Koning mede heeft kennisse gegeeven. Is niets gepasseert De Bonijs Tomilalang en glarrang van Bontualacq Saturdag „ 14: gecommitteerd om te assisteeren bij de vertiening om de Noord, te rug gekomen en na versogt acces bij mij ver„ scheenen zijnde, om daar van kennisse te geeven hebbe ik haar voor de beweesen assistentie bedankt gelijk zulks ook 'snademiddags geschied is door den Tolk Blij bij den Koning van Bonij. Sondag den 15: tot Niets voorgevallen Hebbe ik den oppertolk Brugman, op zijne Com„ Donderdag „ 19„e municatie „ dat 'er op nieuw Klagten bij hem waren gedaan over de onderhoorige van Avou Paling orang, vrijdag den 13: die

NL-HaNA_1.04.02_3337_1280 view scan ↗

English

From Maccasser the 24th October 1771, who, having set up their fights and top-tables in the Company's negorij Batoe Napar, in the province of Maros, committed all kinds of outrages, sent to the Regent of Bonij, in order to complain about this and to request that these and all other disorderly doings be prevented, with orders to declare to that Minister that if no satisfaction were given in this regard, I would find myself compelled to give immediate orders to use force, as I could absolutely no longer endure the Company's subjects being mistreated by those of Bonij; the Interpreter, returning, made his report that the Regent had told him that the king had ordered all his children to be recalled from the aforementioned Province, to cut off their opportunity for committing outrageous actions, and that he would also promptly give orders to prohibit the keeping of top-tables and the setting up of cockfights; he subsequently also brought back not only the female slave of Matoana, but also three serfs of the glarang of the Company's Negorij Bonto, who had also been abducted, and 185 181 From Maccasser the 24th October 1771; and all having been found to be the Company's subjects, had been handed over to him by the Regent; The Goahs Interpreter Borra came to me to inquire after my health in his master's name, for which I conveyed my thanks with greetings. Friday the 20th: Nothing occurred. Saturday the 21st, The king of Goak, through his Interpreter Sunday the 22nd, Borra, again sent to inquire after my health. In the afternoon, the Company's and Bonij's emissaries Monday the 23rd, Daing mandjareki Latoeppa and Soeroparangi returned from the Mandhaer, who gave such a report of their experiences as will be seen more broadly when an Account is made thereof; having thereupon dispatched the Bonij emissaries, Daing Mandjareki told me that, beyond what was contained in their account, From Maccasser the 24th October 1771; he had secretly learned further: That those of Bangaij had held a general Collection throughout their entire Country, having raised upwards of seven hundred rixdollars, a part of which would serve as a gift to the Pongauwa, to be offered to him with the assistance of one of his daughters, who resides there, in order to induce him to appease the King of Bonij. That, on the other hand, the king of Soping was said to have dispatched a trusted emissary to those of Bellanipa, to advise them to refuse the demanded satisfaction, with a promise of assistance if they should be attacked by Bonij, with whose king he was, after all, in discord and no reconciliation was to be hoped for. That Avou Palacca, grandmother of the last two former Kings of Goak, was likewise said to have sent an emissary to the Mandharese with that same objective, giving them to understand that they they vSlingelandt 149: 183 From Maccasser the 24th October 1771 could presently expect any help from no one else. Nothing occurred. The interpreters of the Bonij court, Moentoe and Passier, came to me in the Name of the King to request that I provide the latter, as he was on the point of departing for Batavia, with a letter to His Excellency regarding the cloves which, salvaged by those of bouton from the stranded Chialoup the Noote boom, were said to have been bought by him, in order thereby to obtain compensation, adding that Mr. Boelen had told him, when he wanted to depart for Batavia, to address himself to me for that purpose; I replied to them that since Mr. Boelen had promised him this, it must have slipped His Honour's mind to discuss it with me, and that for the rest of the matter itself, having happened before my arrival, I did not have sufficient knowledge, and therefore could not make any representation to His Excellency regarding it, Tuesday the 24th to Thursday the 26th Friday the 27th From Maccasser the 24th October 1771; and that it would therefore be best upon his arrival there to address himself to His Honour, promising, upon his urgent request made to that end, to give him a short letter to Mr. Boelen, instructing him to come and collect it tomorrow and, together with his colleague, to give notice of this to his highness. Saturday the 28th. The Bonij Interpreters Moentoe and Passir having appeared before me again to make known His Highness's pleasure regarding my promise to write to Mr. Boelen, I handed over to the said Passir the short letter prepared for His Honour to that end. Furthermore, Moentoe communicated to me that his master intended to go fishing to the Northward around the upcoming light of the moon, requesting me in his Name to join the party, and according to custom to give orders that His Highness be assisted by the Company's subjects 157: 185 From Maccasser the 24th October 1771, with Seros, from the former of which I excused myself on account of much urgent business, but promised the latter; Sunday the 29th: Nothing occurred. The king of goak, through his interpreter Borra, Monday the 30th: and the queen of Tello, through her Interpreter Carre Mangazi, sent to inquire after my health, for which I returned thanks with a Compliment of greetings. Towards midday, the king of goa made known to me Tuesday the 1st October: through his Interpreter Borra that his second wife had given birth in childbed to a son, on which I congratulated His Highness, with thanks for that Communication. Having sent the merchant Voll this afternoon to the Wednesday the 2nd: king of Bonij to inquire whether

Dutch transcription

Van Maccasser Den 24: october 1771, die op sComp„s negorij Batoe Napar, in de provin„ tie Maros, haare vegterijen en top borden opgeregt hebbende allerleij baldadigheden pleegden, na den Rijksbestierder van Bonij gezonden, ten eijnde daar over te doleeren en te versoeken die en alle andere onordentelijke gedoentens tegen te gaan, met ordre om aan dien Minister te verklaaren dat ik, in ge„ volle hier omtrend geen voldoening wierd gegeeven mij genoodzaakt zoude vinden daadelijke ordre te stel„ len omgeweld te gebruijken dewijl ik volstrekt niet langer aansien konde dat 's Comp:s onderhoorige door die van Bonij mishandeld wierden; den Tolk te rugko„ mende aicteerde zijn rapport dat den Rijksbestier der hem gezegt hadde dat de koning alle zijne kinderen uijt voorsz: Provintie hadde doen te rug ontbieden, om hun den pas afte snijden tot het pleegen van baldaa„ „dige actien, en dat hij ook ten eersten ordre zoude stel„ len om 't houden van top-borden en het aanleggen van haanevegterijen te verbieden, hij bragt vervol„ gens meede niet alleen de slavinne van Matoana maar ook nog drie lijffeijgenen van de glarang van 's Comp„s Negorij Bonto, die almeede gerooft, en 185 181 Van Maccasser Den 24: october17 1771; Hee en alle bevonden zijnde 'sComp:s onderdaanen te weesen hem door den Rijksbestierder waaren overgegeeven; Den Goahs Tolk Borra bij mij gekomen om uijt zijns meesters naam na mijn welstand te vragen hebbe ik daar voor onder groete doen bedanken. vrijdag den 20: viel Niets voor Saturdag „ 21„ biet den koning van Goak door zijn Tolk Sondag „ 22„ Borraalweder na mijn welstand vragen. Snademiddags reverteerden van de Mandhaer Maandag, 23„e 'sComp„s en Bonijs sendelingen Daing mand„ Jare ki Latoeppa en Soeroparangi, die van hun wedervaaren zodanig rapport deeden als broeder bij een Relaas daar van te maaken zal kunnen wor„ den boogd de Bonijs sendelingen hier op de depe„ cheert hebbende verhaalde mij Daing Mandja„ reki, dat hij buijten 't geen bij hun relaas was vervat Van Maccasser Den 24: octob: 1771; vervat nog in 't geheim vernomen hadde; Dat die van Bangaij een generaale Collecte door hun geheele Land hadden laaten doen, opgebragt Os hebbende ruijm seven honderd rijxd=s waar van een gedeelte zoude dienen tot een geschenk aan den Pongauwa, om hem te worden aangeboden door behulp van een zijner dogters, die daar woonag„ tig is, ten einde den selven te beweegen om den Koning van Bonij te bevreedigen. Dat daar en tegen den koning van Soping een vertrou„ de sendeling aan die van Bellanipa zoude hebben afge„ vaardigt, om deselve aan te raaden de g'eijschte voldoening te weijgeren, onder toezegging van assistentie als zij mog„ ten aangelast worden door Bonij, met wiens koning hij tog in oneenigheid en 'er geen verzoening te hoopen was Dat Avou Palacca, grootmoeder van de twee laaste geweesene Koningen van Goak, insgelijx met dat zelve oogmerk een sendeling aan de Mandhareesen zoude hebben gezonden onder te kennen gave dat zij zij vSlingelandt 149: 183 Van Maccasser Den 24: october: 1771 zij thans bij niemand anders eenige hulp te wagten had„ Niets gepasseerd zijn de tolken van het Bonijs sof Moentoe en Passier uijt naam van den Coning mij komen te ver„ soeken, om aan den laasten, als op zijn vertrek staan de na Batavia, een brief meede te geeven aan zijn Hoog Edelheid betreckelijk tot de nagulen die uijt de gestrande Chialoup de Noote boom, door die van bouton geborgen, door den selven zoude weesen ge„ kogt, ten einde daar door de domagement te erlan„ gen, met bijvoeging dat den Heer Boelen hem gezegt hadde, als hij na Batavia wilde vertrecken zig dan ten dien eijnde bij mij te vervoegen, ik gaf hun ten antwoord dat de Heer Boelen hem zulks belooft hebbende het zijn Edele moeste ontschoten weesen om mij daar over te onderhouden en dat ik voor het ove„ „rige van de zaak zelve, als voor mijne komste gebeurd geen genoegsaame kennisse aroeg, mitsgad=s dier we„ gens aan zijn Hoog Edelheid geen voordragt doen Dingsdag den 24 tot Donderdag „ 26„ vrijdag „ 27„ konde de. s Van Maccasser Den 24: october 17 1771; konde, dat het dierhalve best zoude weesen zig bij zijn komst aldaar aan zijn wel Edele 'tad„ dresseeren, met toezegging, op zijn daar toe gedaa„ ne instantie, om hem een briefje aan den Heer Boelen meede te geeven, hem belastende om het zelve morgen te komen afhaalen en hier van ne„ „vens zijn Confratie aan zijn hoogheid kennisse te geeven. Saturdag den 28„' De Bonijse Tolken Noentoe en Passir weder bij mij verscheenen sijnde, om zijn Hoogheids welge vallen te kennen te geeven over mijne toezegging om aan den heer Boelen te schrijven, inhandigde ik aan gem: Passir het ten dien eijnde voor zijn wel Edele in gereedheid gebragt briefje wijders Communiceerde mij Moentoe dat zijn meester voorneemens was tegen d'aanstaande ligte maan om de Noord uijt visschen te gaan mij uijt desselfs Naam versoekende om van de parthij te zijn, en na den gebruijke ordre te wil„ len stellen dat zijn hoogheid door 's Comp„s onder daanen 157: 185 Van Maccasser Den 24: october 1771:, daanen met Seros geadsisteerd wierde, van welk eerste mij niets volhandig werk verschoond dog het laaste toegezegt hebbe; Sondag den 29: Niets gepasseerd. Lieten de koning van goak door desselfs tolk Bon„ Maandag „ 30: „ra en de koninginne van Tello door haaren Tolk Carre Mangazi naar mijne welstand verneemen waar door onder een Compliment van groete hebbe laaten bedanken. Tegen den middag liet den koning van goa mij Dingsdag den 1: october: door zijn Tolk Borra bekend maaken, dat desselfs tweede vrouw in het Craam bedde bevallen was van een zoon, waar mede ik zijn hoogheid, onder dank„ zegging voor die Communicatie hebbe laaten filice„ teeren. Den koopman voll heden nademiddag bij den ko„ woensdag „ 2: „ning van Bonij gezonden hebbende om te verneemen. of

NL-HaNA_1.04.02_3337_1286 view scan ↗

English

From Maccasser, the 24th of October 1771, 1st, whether anything further might be established regarding the succession to the throne, in order to be able to give notice thereof to their High Noble Excellencies; and if not; 2nd, to inquire as covertly as possible where the difficulty presently lies, and especially whether His Highness, despite his declaration made on the 28th of June past concerning Arou Tha, might not still have his eye upon the same; as well as, 3rd, if His Highness should happen to bring up anything regarding the mission sent to Mandhaar, to let him know that I desire to know his sentiment as to what ought to be done further in this matter. Toward evening, the same brought me a report: That as soon as he had made known the first purpose of his coming, the Prince had addressed him with an angry countenance: Why 153: 187 From Maccasser, the 24th of October 1771: does the Governor make such haste, I am not dead yet, after all; do they want us to proceed here without proper deliberation; It is none of the Company's business, after all; it would be better if one settled other matters first; well, what does my Brother (the Governor) say about the Mandharese? That he had brought to His Highness's attention, in friendly terms, the relation between the Company and the Kingdom of Bonij, and that the exhortation to appoint a successor to the throne aimed at nothing other than the welfare of the latter, requesting that His Highness view the matter in that light, as well as declare himself on that subject before proceeding to others, so that he could bring me an answer to it; with the result that His Highness, having calmed down, had again declared that nothing had yet been decided in this matter, adding, however, that whomever they might wish to appoint thereto, he would never tolerate that it should be someone not descended from the lineage of Matinro-E: Rinagawoelang, that being the lineage of the young Arou Palacca. That Voll, in order to sound out His Highness regarding Arou Tha, had thereupon asked him quietly and as if having no orders whatsoever thereto, whether he could still remember his declaration made on the 28th of June, that he could not approve the election of Latanri Boeboe on account of his youth, and how Mr. Boelen, having declared on that occasion that a man of ability was required for this, had at the same time somewhat indicated having his eye on the Pongauwa; whereto His Highness had answered, with an exceptionally pleased countenance, that he remembered both very well. That 155: 149 From Maccasser, the 24th of October 1771; That he had left it at that and subsequently indicated that, since the King brought up the mission to Mandhaar, he was also charged with a message concerning that, consisting in this, that the Governor would gladly wish to know His Highness's sentiment as to what further ought to be done in this matter; upon which the Prince had first shown his displeasure, as if no proper report on the outcome of the mission had been made to him; but after Voll had persuaded him that this had occurred through no fault of the Governor, he had subsequently requested him to return the day after tomorrow, as he wished to speak with him further, communicating that he would then have an audience requested with me, in order to deliberate together on what was deemed most advisable for the Company's interests in these circumstances, which first point he had conceded to His Highness, and that he would inform me of the Prince's intention. Thursday From Maccasser, the 24th of October 1771; Thursday the 3rd, nothing occurred. Friday the 4th, the merchant Voll having again gone to the King of Bonij before noon today in my name, with the draft report made to me by the envoys returned from Mandhaer concerning their experiences, his report upon his return was as follows: That he found His Highness accompanied by all the grandees of the realm, and having, at his request, clearly presented the contents of that report, the Prince had declared that he understood it well. That he had thereupon, in accordance with what had been ordered him, asked whether the King had also paid attention to the offer that the Mandharese had made, that they wished to submit to His Highness's pleasure, and this also being answered in the affirmative, he continued that it now rested solely with His Highness to procure satisfaction for the Company, without 157: 191 From Maccasser, the 24th of October 1771; the same being forced to resort to acts of force or, against its inclination, to plunge into a war; whereupn His Highness had only replied that he would speak with me further about it, and added that if he would only go to Soreang once, the Mandharese would become fearful enough, at the same time asking the Pongauwa, What say you, Lacasie? who had answered thereto, If Your Highness commands me, I am ready to go thither; That having further inquired whether all the Panboeangers (rulers of the Mandharese princes) had already arrived here, he was informed that those of the Maradia of Bellanipa and Madjene had not yet appeared. That this subject having thus been concluded, the King resumed speaking and said that he had considered the message delivered to him the day before yesterday by the merchant Voll, to inquire how far the matter of the

Dutch transcription

Van Maccasser Den 24: october 1771, 1:e of er iets nader omtrend de troons successie mog„ te vast gesteld weesen, ten eijnde daar van aan haer Hoog Edelhedens kennisse te kunnen geeven en zo neen; 2: zo bedekt mogelijk te verneemen waar aan het thans hapert, en insonderheijd of zijn Hoogheid in weerwil zijner betuijging op den 28: Junij pass:o gedaan, omtrend Arou Tha, als nog niet wel het oog op den selven mogte hebben, mitsgaders, 3:e om, zo zijn Hoogheid iets mogte op haalen nopens de gedaane bezending namand haar te kennen te geeven, dat ik verlange desselfs sentiment te weeten, wat 'er nu verder in deese zaak dient te worden gedaan. Bragt den selven mij tegen den avond Rapport Dat zo dra hij het eerste oogmerk zijner komste hadde bekend gemaakt, den vorst hem met een toornig gelaat hadde: te gemord gevoerd, Boe maakt 153: 187 Van Maccasser Den 24: october: 1771: maakt den gouverneur zo een haast, ik ben immers nog niet dood; wil men dan hebben dat hier meede maar sonder behoorlijk beraad worde voortgevaaren; Het gaat immers de Comp„e niet aan; het was beter dat men andere zaaken eerst afdeed, wel wat zegt mijn Broeder /:den gouverneur:/ van de Mandhareesen. Dat hij zijn Hoogheid in vriendelijke termen de be„ trecking tusschen de Comp„, en het Rijk van Bonij onder het oog gebragt hadde, en dat men met d'aan„ maning tot de benoeming van een troons- opvolger niet anders dan 't welweesen van het laaste be„ doelde, met versoek dat zijn Hoogheit de zaak in dat licht beschouwen mitsgaders zig over dat onderwerp verklaaren wilde alvoorens tot ande„ „re over te gaan, ten eijnde mij daar op bescheijd te kunnen brengen, met dit gevolg dat zijn Hoogheid tot bedaertheijd geraakt weesende alweder betuigd hadde dat 'er in deesen nog niets was beslooten, onder Eeene Van Maccasser Den 24: october 1771; onder bijvoeging nogthans dat wie men daar toe ook benoemen wilde hij nimmer ge„ doogen zoude dat het iemand waare niet her„ komstig uijt het geslagt van Matinro-E: Ri„ nagawoelang weesende dat van den Jongen Arou Palacca. Dat voll hier op aan zijn Hoogheid ten eijnde den selven eens te polsen omtrend Arou Tha in stilte en als daar toe geen 't minste last hebbende gevraagd hadde of hij zig nog wel konde herinneren zijn gedaane betuijging op den 28„ Junij, van Latanri Boeboes verkie„ sing, om zijn Jonkheid niet te hebben kunnen goedkeuren, en hoe den Heer Boelen bij die ge„ legentheid gedeclareerd hebbende dat daar toe een man van bequaamheid wierde vereijscht tevens eenigsints te kennen gegeeven hadde het oog te hebben op den Pongauwa zijn hoog heijd daar op met een bij sondere vergenoegd ge„ laat hadde geantwoord, dat hem het een en andere zeer wel voorstond. Dat 155: 149 Van Maccasser Den 24: october 177 71; Dat hij het daar bij gelaaten en vervolgens te kennengegeeven hadde dat vermits den koning van de bezending na Mand haer ophaalde, hij ook met een boodschap dien aangaande belast was, daar in bestaande dat den gouverneur gaarne zijn Hoogheits sentiment zoude willen weeten wat in deeze zaak verder diende te worden ge„ daan waar op den vorst eerst zijn misnoegen hadde doen blijken, als waare hem van den uijt„ slag der bezending geen behoorlijk Rapport gedaan dog nadat voll hem hadde overreed sulks buij„ „tens gouverneurs toe doen bij gekomen te weesen had hij hem vervolgens versogt overmorgen weder te komen als hem nader willende spreeken onder Communicatie als dan acles bij mij te zullen laaten vragen, ten eijnde te saamen 't overleggen wat in deese omstandigheid voor 's Comp„s belan„ „gen raadsaamst wierd g'oordeelt, welk eerste hij zijn Hoogheid hadde toegezet en dat hij mij er 'S vorsten voorneemen zoude kennis geeven: Donderdag Van Maccasser Den 24: october 1771; Donderdag den 3„e Niets gepasseerd. vrijdag „ 4„ Den koopman voll zig heden voor demid„ dag uijt mijn naam weder bij den koning van Bonij begeeven hebbende, met het Concept Relaas door de van de Mandhaer gereverteerde zende„ lingen, van haar wedervaaren, aan mij gedaan zo luijde zijn rapport bij de terug komst Dat hij zijn Hoogheid van alle de Rijksgroo„ ten verzeld gevonden en op desselfs versoek den inhoud van dat Relaas duijdelijk voorgehouden hebbende, den vorst betuijgd hadde het zelve wel te hebben verstaan. Dat hij daar op, Conform het hem bevoolene gevraagd hadde of den koning dan ook wel gelet hadde op de aan bieding die de Mandhareesen quamen te doen dat zij zig zijn Hoogheits goedvinden wilden onderwerpen en zulks almeede met Ia- b'antwoord zijnde vervolgd dat het nu alleen aan zijn Hoogheid stond de Comp: voldoening te bezorgen, sonder dat 157: 191 Van Maccasser Den 24: october 1771; dat dezelve genoodzaakt zoude weesen tot dadelijkhe„ den te komen of zig tegens haare geneijgdheid in een oor„ logte steeken, waar op zijn Hoogheid alleen gerepli„ „ceerd hadde met mij daar over nader te zullen spreeken, en 'er bijgevoegd, dat als hij maar eens na Soreang wil„ den gaan, de Mandhareesen bang genoeg zouden worden te gelijker tijd den Pongauwa vragende wat zegt gij Lacasie, die er opgediend had, als uw Hoogheid het mij ordonneert ben ik gereed mij derwaarts te begeven; Dat hij hier op verder vernomen hebbende of alle de Panboeangers /: Rijksbestierders van de Mandharee„ se vorsten bereeds herwaarts waaren gekomen men hem g'informeert hadde dat die van den Maradia weees van Bellanipa en Madjene nog niet opgedaagd waaren. Dat dit onderwerp dus afgehandeld weesende den koning het woord weder opgevat en gezegt hadde; dat hij de boodschap, hem eergisteren door den koopman voll gedaan, om te verneemen hoe verre het met de zaak der Je

NL-HaNA_1.04.02_3337_1292 view scan ↗

English

From Maccasser, The 24: October 1771; could not consider what was required regarding the succession as private, and wished that he would now recount it; That he had done so, and subsequently added that the gentlemen of Boni must not think that the Governor intended to introduce any new customs in this regard, as he aimed at nothing other than the well-being of the Kingdom of Boni, so inextricably linked to the interests of the Honorable Company; whereupon the Regent, taking the floor, had said: We have already declared ourselves for Latanei Boeboe when the Noble Lord Boelen and the Lord Governor were here, and we persist in that, as he is the nearest to it and the only one of whom one can have expectations; and that His Highness had replied to this that one ought to deliberate maturely on this matter and take the circumstances of the times into account; That 159: 193 1771 From Maccasser, The 24: October 1771. That he had taken the opportunity from this to present to them how, at the time of the presence of the Noble Lord Boelen, it had already been said that Latanri Doeboe was still only a child, and the present state of the Kingdom of Boni, although it was kept going as long as His Highness remained alive, portended a revolution of affairs upon the monarch's demise, which made it seem ill-advised to set one's sights on women or children, and who indeed would take care of that child; That the Pongauwa Arou Tha had said to this: If anyone should wish to mistreat that child, I shall take up the matter and betake myself with the same to the Company; which he had left unanswered and thereupon taken his leave, after having told the King that I would await His Highness next Monday, who had further promised that he would appear, but that he requested me to excuse the Regent, as it was feared that he might easily collapse by fatiguing himself too much thereby. Saturday From Maccasser, The 24: October 1771; could not consider what was required regarding the succession as private, and wished that he would now recount it; That he had done so, and subsequently added that the gentlemen of Boni must not think that the Governor intended to introduce any new customs in this regard, as he aimed at nothing other than the well-being of the Kingdom of Boni, so inextricably linked to the interests of the Honorable Company; whereupon the Regent, taking the floor, had said: We have already declared ourselves for Latan ei Boeboe when the Noble Lord Boelen and the Lord Governor were here, and we persist in that, as he is the nearest to it and the only one of whom one can have expectations; and that His Highness had replied to this that one ought to deliberate maturely on this matter and take the circumstances of the times into account; That 159: 193 1771 71 1771 From Maccasser, The 24: October 1771. That he had taken the opportunity from this to present to them how, at the time of the presence of the Noble Lord Boelen, it had already been said that Latanri Doeboe was still only a child, and the present state of the Kingdom of Boni, although it was kept going as long as His Highness remained alive, portended a revolution of affairs upon the monarch's demise, which made it seem ill-advised to set one's sights on women or children, and who indeed would take care of that child; That the Pongauwa Arou Tha had said to this: If anyone should wish to mistreat that child, I shall take up the matter and betake myself with the same to the Company; which he had left unanswered and thereupon taken his leave, after having told the King that I would await His Highness next Monday, who had further promised that he would appear, but that he requested me to excuse the Regent, as it was feared that he might easily collapse by fatiguing himself too much thereby. Saturday From Maccasser, The 24: October 1771; Saturday the 5th. This morning the assistant interpreter Pietersz: was sent to the King of Bonij to invite His Highness for the day after tomorrow, before noon, in the middle garden; and upon his return, received report that His Highness had agreed to come; In the afternoon, the Shahbandar Voll came on behalf of the former King of Tambora to request that I would permit the latter to send a letter to the King of Bima, in order to solicit his aid in his impoverished condition, and to propose to the Government here that he might be granted leave to take up residence with that monarch and under the post there, to which I consented; Furthermore, the aforementioned Voll informed me that Craing Barombong had caused him to be asked by a confidant whether, in case he needed the Company's help and protection, the same would be granted to him

Dutch transcription

Van Maccasser Den 24: october 1771; der successie gevordert waare niet als particulier kunnende aanmerken, wel wenschte dat hij desel„ vethans verhaalde; Dat hij sulks verrigt en vervolgens daarbij ge„ voegd hadde dat de Heeren Boniers niet moesten denken dat den gouverneur hier omtrend voornee„ „mens waare eenige nieuwe gebruijken te willen invoeren, also den selven niet anders b'oogde dan het welweesen van het Bonijs Rijk, soon afscheij„ delijk verknogt aan de belangens van d E: Comp„e wanneer de Rijksbestierder het woord voerende, ge zegt hadde wij hebben ons reeds voor Latanei Boe„ boe verklaard, toen d' Edele Heer Boelen en den heer gouverneur zijn hier geweest, en daar bij blijven wij persisteeren, also den selven daar toe de naas„ te en de eenigste is van welken men verwagting kan hebben en dat door sijn Hoogheid hier op ge„ diend was dat men zig over die zaak rijpelijk diende te berarden in de tijds om standigheid in agt te neemen; Dat 159: 193 1771 Van Maccasser Den 24: october 177 1. Dat hij hier uijt gelegentheid genomen hadde hun voor te houden hoe ten tijde van het aanweesen van den Ede„ Een Heer Boelen reets gezegt waare dat Latanri Doeboe nog maar een kind was en de presenti toe„ stand van het Bonijs Rijks, of schoon het zo lang zijn, Hoogheid in leeven bleef nog al gaande gehouden wierd bij 's vorsten overlijden een omkeer van zaaken voor„ spelde, die het niet geraden deed voor te komen het oog op vrouwen of kinderen te vestigen en wie zig dog dat kind zoude aantrecken Dat den Pongauwa Arou Tha hier opgezegt hadde„ 6 ik zal wanneer men dat kind mogte willen mis„ handelen, de zaaken opvatten en mij met het zel„ ve bij de Comp„e begeeven, 't geen hij onbeantwoord ge„ laten en daar op zijn afscheijd genomen hadde, na den koning te hebben gezegt dat ik zijn hoogheid tegen aanstaande Maandag zoude afwagten, den welken nader toegezegt hadde te zullen verschij„ „nen dog dat hij mij liet versoeken den Rijksbestier„ der te verschoonen als bevreest zijnde dat hij zig daar door te veel vermoeijende ligtelijk mogte instorten. Saturdag Van Maccasser Den 24: october 1771; der successie gevordert waare niet als particulier kunnende aanmerken, wel wenschte dat hij desel„ vethans verhaalde; Dat hij sulks verrigt en vervolgens daar bij ge„ voegd hadde dat de Heeren Boniers niet moesten denken dat den gouverneur hier omtrend voornee„ „mens waare eenige nieuwe gebruijken te willen invoeren, also den selven niet anders boogde dan het welweesen van het Bonijs Rijk, soon afscheij„ delijk verknogt aan de belangens van d E: Comp„e wanneer de Rijksbestierder het woord voerende, ge zegt hadde wij hebben ons reeds voor Latan ei Boe„ boe verklaard, toen d' Edele Heer Boelen en den heer gouverneur zijn hier geweest, en daar bij blijven wij persisteeren, also den selven daar toe de naas„ te en de eenigste is van welken men verwagting kan hebben en dat door sijn Hoogheid hier op ge„ diend was dat men zig over die zaak rijpelijk diende te berarden in di tijds om standigheid in agt te neemen; Dat 159: 193 1771 71 1771 Van Maccasser Den 24: october 17 Dat hij hier uijt gelegentheid genomen hadde hun voor te houden hoe ten tijde van het aanweesen van den Ede„ Een Heer Boelen reets gezegt waare dat Latanri Doeboe nog maar een kind was en de presentitoe„ stand van het Bonijs Rijks, of schoon het zo lang zijn Hoogheid in leeven bleef nog al gaande gehouden wierd bij 's vorsten overlijden een om keer van zaaken voor„ spelde, die het niet geraden deed voor te komen het oog op vrouwen of Kinderen te vestigen en wie zig dog dat kind zoude aantrecken Dat den Pongauwa Arou Tha hier opgezegt hadde„ ik zal wanneer men dat kind mogte willen mis„ handelen, de zaaken opvatten en mij met hetzel„ „ve bij de Comp„e begeeven, 't geen hij onbeantwoord ge„ laten en daar op zijn afscheijd genomen hadde, na den koning te hebben gezegt dat ik zijn hoogheid tegen aanstaande Maandag zoude afwagten, den welken nader toegezegt hadde te zullen verschij„ „nen dog dat hij mij liet versoeken den Rijksbestier„ der te verschoonen als bevreest zijnde dat hij zig daar door te veel vermoeijende ligtelijk mogte instorten. Saturdag Van Maccasser Den 24: october 1771; Saturdag den 5„e Heden morgen den ondertolk Pietersz: na den Koning van Bonij gezonden om zijn Hoogheit tegens overmorgen voor de middag in de middelthuin tinviteeren: en met zijn te rug komst berigt ontvangen dat zijn Hoogheid aangenomen heeft te zullen komen; Snademiddags quam den Sabandhaar voll mij uijt naam van den gew: koning van Tambora versoeken dat ik aan deesen laasten afsordeeren wilde om een briefje te mogen afsenden aan den ko„ ning van Bima, ten eijnde deszelfs adjude te be„ solliciteeren in zijn armoedige toestand en aan de Regeering alhier voor te dragen, dat hem gegunt mogte worden zig bij dien vorst en onder de post aldaar ter woon te mogen begeeven, waar in ik geconsenteerd hebbe; wijders gaf gem: voll mij kennisse dat Craing Barombong hem door een vertrouwen hadde doen vragen of ingevalle hij sComp„s hulpe en protectie benodigde dezelve hem wel geaccordeerd zoude worden

NL-HaNA_1.04.02_3337_1297 view scan ↗

English

161: 195 From Maccasser, 24 October 1771: was, but that he had merely given that envoy to know in reply that he could answer nothing to it, observing nevertheless how it appeared that people were quite willing to acknowledge the Company when they needed her, but otherwise thought little of her, since his master had not even deigned to inquire after my well-being, much less to pay his respects. The Regents, together with the Resident of Saleijer, appeared here around noon on Sunday the 6th. The King of Bonij having appeared in the inner garden before noon today, together with the Tomilalang Pongauwa and some other grandees, on Monday the 7th, I gave him to understand, after the conclusion of the customary compliments: That this arrival was a result of the messages which I had caused to be sent to His Highness on the 2nd and 4th of this month through the merchant Vollom to learn whether anything further might have been established concerning the nomination of a successor to the throne from Maccasser, 24 October 1771; and to be permitted to know His Highness's sentiment as to what ought now to be done further regarding the affairs of Mandhaer. The prince immediately let it be heard in reply that he, with his grandees, except for the regent of the realm who on account of indisposition had not dared to venture it, had come to make known their sentiment collectively and to declare that one ought no longer to delay in punishing the Mandharese, since they had already twice made themselves guilty of crimes which, remaining unpunished, would set an evil example for the other allies to fear the respect for the Company and Bonij no longer at all, but to undertake everything undaunted, and that His Highness therefore requested me to ask orders thereto from Their High Nobilities. It was replied hereto that from the report of the returned envoys it was evident that the Mandharese had declared themselves willing to submit to His Highness's pleasure, and that one therefore 165: 197 From Maccasser, 24 October 1745: ought to await what they would offer before one could make any proposition regarding it to Their High Nobilities, as it would not be equitable to charge them if they were willing to give satisfaction regarding the captured bark De Vrijheid. His Highness said to the contrary that all the grandees of the Mandharese princes had not yet appeared and that it might still take a long time before they presented themselves, and that therefore one ought not to wait for that; but after it had been further pointed out that Their High Nobilities could give no positive orders concerning an affair whose circumstances were only partly known to them, the prince declared that he wished to give his advice in writing, to serve together for that of all the Bonians, with the request to communicate the same verbatim to Their High Nobilities, ordering at the same time his secretary to write upon his dictation, which was done; and that paper subsequently being read aloud, it was found From Maccasser, 24 October 1771; to be of this content: If the doings of the Mandharese are not opposed, they will proceed more and more in their excesses; we shall then have to expect the same from other allies, who will take an evil example therefrom; but if the Mandharese fulfill their promise to appear here and to give proper satisfaction and redress to the Company and Bonij for that which was demanded of them through envoys, then one may pardon them, otherwise not. The communication thereof to Their High Nobilities having been promised, adding that one flattered oneself with the hope that the Mandharese, when the prince showed earnestness, would indeed come round, and that such would be much more agreeable to the same than waging war, which they had always sought to avoid as much as possible, this subject was concluded with this. I 165: 199 From Maccasser, 24 October 1771; I continued thereupon to repeat that the second principal object for which I had sought this meeting was to treat concerning the nomination of another successor to the Bonian throne. That I therefore had to declare beforehand to His Highness and the grandees of the realm how I held myself assured that the same, taking former times into consideration, would be convinced that the Company regarding the realm of Bonij had intended nothing other than its essential interests, and that I, acting from that same principle, had no other than that very same reason thus to be zealous and to urge the settlement of the succession, which I, on account of the King's advancing years and the constitution of affairs, judged highly necessary to take place the sooner the better. His Highness's reply ran that this concerned the Bonians, who had already declared themselves, and who should be conferred with further about it, and also that he could not declare himself upon it, that he on account of

Dutch transcription

161: 195 Van Maccasser Den 24„' octob:r 1771: worden dog dat hij dien sendeling eenlijk tot be„ scheijd gegeeven hadde daar op niets te kunnen ant„ woorden, onder aanmerking nogthans hoe het bleek dat men de Comp: wel wilde kennen als men haar benodigde dog anders daarom weijnig dagt wijl sijn meester zig niet eens verwaardigt hadde na mijn welstand te doen verneemen veel min sijn opwagting te maaken: zijn de Regenten nevens den Risident van saleijer Sondag den 6: op den middag alhier verscheenen. Den koning van Bonijheden voor de middag nevens Maandag „ 7: den Tomilalang Pongauwa en eenige andere groo„ ten in de binnen Thuijn verscheenen zijnde gaf ik na het afloopen der gewoone Complimenten te kennen. Dat deese komst een gevolg was van de boodschap„ pen die ik aan zijn Hoogheid op den 2: en 4: deser hadde laaten doen door den koopman vollom te verneemen of er ook iets naders mogte vastgesteld weesen omtrend de benoeming van een Troons- opvolger van Maccasser Den 24: october 1771; opvolger en zijn Hoogheijts sentiment te mogen weeten wat 'er omtrend de zaaken van Mandhaer als nu verder zoude dienen gedaan te worden; Den vorst liet zig hier op aanstonds hooren dat hij met zijn grooten, behalven den rijks bestierder die mits onpasselijkheijd het niet hadde durven waagen, gekomen was, om gezamentlijk haar sentiment te kennen te geeven en te verklaaren dat men niet langer behoorde uijt te stellen om de Mandharee„ sen te straffen also zij zig nu reets twee maalen „ hadden schuldig gemaakt die ongestraft blijvende aan misdrijven de, andere Bondgenooten een quard„ voorbeeld zouden geeven om 's Comp=s en Bonij sont„ zag in 't geheel niet meerder te vreesen maar alles on„ beschroomt 't onderneemen en dat zijn Hoogheid mij dierhalven verzogt daar toe ordre van Haar Hoog Edelhedens te vragen. Men diende hier op dat uijt het Relaas der geretour„ „neerde sendelingen Consteerde hoe de Mandharee„ sen gedeclareerd hadden sig sijn Hoogheits goed„ „vinden te willen onderwerpen en dat men dier„ halven 165: 197 Van Maccasser Den 24: october 1745: halven behoorden af te wagten wat deselve zoude aanbieden, alvoorens men daar omtrend eenige propo„ sitie aan haar Hoog Edelhedens doen konde also het niet billijk weesen zoude haar aan te lasten wanneer zij omtrend d'afgeloopen bark de vrij„ heid voldoening geeven wilden. Zijn Hoogheid zeijde daar en tegen dat alle de Rijks„ grooten der Mandhareese vorsten nog niet opgedaagd waaren en dat het nog lange zoude kunnen aan„ loopen eer zij verscheenen en dat oversulx daar na niet behoorde te worden gewagt dog na dat men nader hadde vertoond dat Haar Hoog Edelhedens geen positive beveelen konden geeven omtrend een zaak welker toestand haar maar ten deele bekend was, verklaarde den vorst dat hij zijn advis, om te saamen voor dat van alle Boniers te dienen, schrif„ telijk geeven wilde, met versoek het zelve verbo„ tenus aan Haar Hoog Edelhedens te Communiceeren ordonneerende te gelijk zijn Secretaris te schrijven op zijn dictamen, 't geen geschied en dat schriftuurtje vervolgens voorgeleesen zijnde wierd het zelve be„ „vonden Van Maccasser Den 24: October 1771;; vonden van deesen inhoud; Wanneer de gedoentens der Mandhareesen niet worden tegen gegaan, zullen zij hoe langs hoe meer in hunne buijten spoorigheden voor'tvaaren, het zelve zullen wij dan ook te verwagten hebben van andere bondgenooten die daar aan een quaad voor„ beeld zullen neemen; Edog wanneer de Mandharee„ sen hun belofte na komen om alhier te verschijnen en d' Comp„e en Bonij behoorlijk Satisfactie en vol„ doening te geeven, over het geen men haar door sen„ „delingen heeft laaten afvorderen zo mag men haar pardonneeren anders niet. De Communicatie daar van aan haar Hoog Edelhedens toegezegt zijnde onder bijvoeging dat men zig met de hoope quame te vlijen dat de Mandhareesen, wanneer den vorst ernstbetoonde, wel zouden bij komen en zulks veel aangenaame aan hoogst deselve zoude weesen, dan 't oorlogen, het geen zij altoos zo veel mogelijk hadden getragt te vermijden, wierd dit onderwerp hier meede besloten Ik 165: 199 Van Maccasser Den 24: october 1771; Ik vervolgde hier op te herhaalen dat het tweede voor naame oogmerk waar om ik deese saamen komst gezogt hadde, was om te handelen over de benoeming van een ander successeur tot de Bonijsen troon. Dat ik dierhalven aan zijn Hoogheijds en de rijks„ „grooten voor af moest verklaaren hoe ik mij ver„ zeekert hield dat deselve de voorgaande tijden in aanmerking neemende overtuijg zouden zijn dat de Maatschappij omtrend het Rijk van Bonij niets anders bedoelt hadde dan desselfs weesent„ „lijke belangen en dat ik uijt dat selve grond be„ „ginsel werkende geen andere dan die eijgenste reden hadde dus 't ieveren en op de vaststelling der Successie aan te dringen, die ik mitss koningsklim„ mende Jaaren en de Constitutie van zaaken hoognodig oordeelde dat hoe eerder hoe liever geschiede Sijn Hoogheijts replicq luijde dat dit de Boniers aanging, die zig reets gedeclareert hadden, en de„ welke men daar over nader onder houden, mitsg„s dat hij zig daar op niet verklaaren konde dat hij om der

NL-HaNA_1.04.02_3337_1302 view scan ↗

English

From Maccasser, the 24th of October 1771; to speak the truth, had not even so much right to the throne by virtue of his birth, but that he was nevertheless intending to write about it to their High Excellencies themselves, for which the time had now advanced too far, it would in his opinion be best to postpone the negotiations concerning it. One noticed from this very clearly that he did not want to declare himself frankly in the presence of the Boniers and was looking for pretexts to avoid a further negotiation on that subject. The opportunity, however, being too favorable to leave it at this, I requested the prince to deal with that matter in private, and subsequently went with him, accompanied by the secunde and merchant Voll, into my office, where I again presented to him everything that could serve to persuade him of the necessity of reaching a decision, requesting him to make known his true intention, with the result that he finally declared that he would indeed confirm the election of Latanri boeboe, but that he would also gladly see Arou Tha appointed as Regent, who did not seem inclined to accept the regency. 167 201 From Maccasser, the 24th of October 1771; The latter having also been requested to come inside upon this and having been presented with what had been discussed, did indeed outwardly show no great desire for it, but soon let himself be persuaded thereto. It was thereupon asked whether one should now draft a deed, and then it immediately became evident that His Highness found himself in such a corner that he could no longer conceal his real aim, that he still had his eye fixed on Arou Tha, since after a period of silence and some vain pretenses that the making of a deed would not be necessary, which were immediately refuted, he consented thereto under this notable condition: that one should have inserted into it that, in case the young prince should pass away or might not obey the laws of the realm, Arou Tha should then ascend the throne, adding at the same time that it would be sufficient if this deed were made only by His Highness, to the exclusion of the grandees of the realm. From Maccasser, the 24th of October 1771, It was remarked thereupon that although one could not judge the viability of a separate deed, it was nevertheless necessary, since the election of Latanri Boeboe had been made by the grandees of the realm, that the deed thereof should also be ratified by them; that it was furthermore indeed feasible to establish that Arou Tha should succeed upon the death of the young prince while still a minor, but that, as his regency would end when the latter ascends the throne, the succession could not then take effect, or at least that it would not be convenient to decide about that in this case now. His Highness, pretending to have no comprehension of this, showed himself somewhat displeased that one dwelt so long upon that subject, but finally agreeing to have the deed of the election of Latanri boeboe as successor and of Arou Tha as Regent of the realm ratified by the grandees of the realm, he kept insisting on making that of the succession of Arou Tha separate, 169 203 1: From Maccasser, the 24th of October 1771; which former deed one therefore promised him to draw up, in order to be presented to them for approval, with which this conference came to an end. The southern regents have been with me to make their arrival known. Wednesday, 9th: The King of Bonij having departed today for Maros, I sent in the evening the draft Bugis deed of the election of a successor to the throne of Bonij with the lieutenant of the Malays, Jntje Sadoulla, to His Highness for review. The King of Goak has had inquiries made after my well-being by his interpreter Borra, and at the same time let it be known that, wishing to betake himself to the King of Bonij, he had learned that this prince was away from home. Thursday, 10th: Tuesday, the 8th: nothing occurred. From Maccasser, the 24th of October 1771; Friday, the 11th: The Queen of Tanette having arrived here today from her realm, gave me notice thereof, for which having offered my thanks, I sent the assistant interpreter Blijs in the afternoon to her dwelling to welcome her, who brought me report that she had departed for the King of Bonij, who is located around Maros. Furthermore, the draft deed concerning the succession to the throne of Bonij was brought back to me with the answer that the King had approved the same, but had requested me to keep that matter secret so as not to give the family of Latanri Tappoe, as the successor is properly named and who is 15 years old, any ground for excesses. Saturday, the 12th: Nothing happened. Sunday, 13th: Monday, 14th: The King of Bonij, together with the Queen of Tanette, having returned from Maros this morning, Her Highness gave me notice of her return, which I answered with a compliment of gratitude.

Dutch transcription

rece Van Maccasser Den 24. october 1771; der waarheid te spreeken zelfs zo veel regt niet hadde uijt hoofde van zijne geboorte tot den Throon maar dat hij egter voornevens zijnde daar over aan haar hoog Edelens zelfs te schrijven, waartoe de tijd thans te verre ingeschoten was, het sijns bedunkens best waare de onderhandeling daar overuijt te stellen men merkte daar uijt zeer duijdelijk dat hij zig niet rondelijk de Clareeren wilde in de tegenwoor„ digheijd der Boniers en waar uijtvlugten zogt om een verdere onderhandeling over dat onderwerp t' ontgaan, de gelegentheid egter te gunstig zijnde om het hier bij te laaten versogt ik den vorst daar over apart te handelen en ging vervolgens met den selven verseld van den secunde en koopman voll, in mijn Comptoir Alwaar ik hem op nieuw alles voorhield wat dienstig konde zijn om hem t over„ reeden van de noodsaakelijkheid om tot een besluit te komen met versoek om zijne waare intentie te kennen te geeven, met dat gevolg dat hij einde„ lijk verklaarde de verkiesing van Latanri boeboe wel te bevestigen maar dat hij Arou Thostevensgaarne tot Regent wilde zien benoemt die niet genegen scheen het Regentschap te aanvaarden; Deese 167 201 Van Maccasser Den 24: october 1771; Deese hier op meede binnen verzogt en het verhandel„ de voorgehouden zijnde, toonde wel voor 't uijterlijke daar in geen groote zin te hebben, maar liet zig al spoedig daar toe overhaalen; Men vroeg hier op of men als nu een acte zoude ont„ werpen, en toen bleek het al aanstonds dat zijn Hoogheid zig zodanig in de kleen bevond dat hij zijn weesentlijk oogmerk niet langer verbergen kon„ de dat hij als nog het oog gevestigt heeft op Arou Tha, dewijl hij na een poos stilswijgens, en eenige nietige voorwendsels dat het maaken van een acte niet nodig zoude weesen, die men al aanstonds we„ derlijde, daar in Consenteerde onder deese notable Conditie, dat men bij zoude laaten influeeren dat daar Ingevalle den Jongen vorst aflijvig worden of de wetten van het Rijk niet opvolgen mogte Arou Thaals dan den Khroon zoude moeten beklim„ men, er te gelijk bij voegende dat het genoeg zou„ de zijn deese acte alleen door zijn Hoogheid ge„ maakt wierde met uijt sondering van de Rijksgrooten; Men Van Maccasser Den 24: october 1771, Men merkte daar op aan dat schoon men wel over de bestaan baarheid van een afsonderlijke acte niet oordeelen konde, het nogthans ter zaake de verkie„ sing van Latanri Boeboe door de Rijksgroe„ ten gedaan was, nodig waare dat de acte daar van ook door haar wierde bekragtigt Dat Egt wijders wel doenlijk was vast te stellen dat Arou Tha bij het minder Jaarig overlijdden van den Jongen vorst succedeerde, dog dat desselfs Regentschap zullende uijt hebben, als deese den throon beklimt de successie als dan geen stand grijpen konde, ten minste dat het niet gevoeglijk zoude zijn om daar over in dit geval als nu te besluijten. zijn hoogheid zig gelatende hier van geen begrip te hebben betoonde zig eenigsints onvergenoegd dat men dus lange op dat sujet staan bleef dog eijnde„ lijk toestemmende om de acte van de verkiesing van Latanri boeboe tot successeur en van Arou Tha tot Regent van het rijk door de rijksgrooten te doen bekragtigen bleef hij aanhouden om die van de successie van Arou Thaapart te maaken, wel 169 203 1: van Maccasser Den 24: octob: 1771; Teern welke eerste men hem dierhalven toezeijde te zullen in stellen, om hen ter goed keuring aan„ geboden te worden, waar meede deese Conferentie een eijnde nam. zijnde zuijder Regenten bij mij geweest om hun woensdag „ 9: komst bekend te maaken. Den Koning van Bonij heden na Marosver„ trocken zijn de hebbe ik 's avonds de Conceptbou gineese acte der verkiesing van een Bonijstroons „g opvolger met den lieutenant der Maleijers Jn„ „tje Sadoulla aan zijn Hoogheid ter resum„ „tie gezonden. Heeft den koning van Goak namijne welstand Donderdag „ 10: laaten vragen door zijn tolk Borra en teffens be„ kend maaken dat hij zig na den koning van Bonij hebbende willen begeeven vernomen hadde dat deesen vorst van huijs was. Dingsdag den 8: viel niets voor De Van Maccasser Den 24: october 1771; vrijdag den W1: De koninginne van Tanette heden uijt haar Rijk alhier g'arriveerd zijnde liet mij daar van Com„ municatie geeven, waar voor ik bedankt hebbende den ondertolk Blij snademiddags na haar wooning sond om haar te verwelkomen die mij tot Berigt bragt dat zij na den koning van Bonij vertrocken was welke zig omtrend Maros bevind. voorts wierd mij de Conceptacte wegens de Bonij„ se Troons successie te rug gebragt met antwoord 9 dat den koning deselve geapprobeerd hadde dog mij liet versoeken die zaak geheim te willen houden om de famille van Latanei Tappoe zo als de Successeur weesentlijk genaamd en die 15: Jaaren oud is, geen voet te geeven om uijt te spatten. Zaturdag den 12: Niets gepasseerd. Zondag „ 13:6 Maandag „ 14: De koning van Bonijnevens de koninginne van Tanette heden morgen van Marosgerever„ teerd zijnde, liet Haar hoogheid mij van haare terug komst kennisse geeven, 't geen ik met een Compliment van dank betuijging beantwoord en Lee

NL-HaNA_1.04.02_3337_1307 view scan ↗

English

From Maccasser the 24th of October 1771; and subsequently ordered the under-interpreter Pietersz to go and welcome her, who also accomplished this. On Wednesday the 16th, the King of Bonij informed me through his interpreter Moentoe that the administrators of the Maradias of Bellanipa and Madjene had appeared and, through the Tomilalang, had requested access to His Highness, but that he had refused this and sent them the answer that, having already made his sentiments known, there was nothing left for them to do but to declare whether they were prepared to give the demanded satisfaction or not. Furthermore, that His Highness had told the Tomilalang, the State Council, that if the allies of the Realm did not wish to assist him in this matter, he would carry out his intention to punish the Mandharese without them, with the help of the Boniers. Nothing occurred on Tuesday the 15th. 1771: From Maccasser the 24th of October 1771 Boniers, or if these were likewise not inclined to do so, he would then do it in person with his children, at the same time requesting me to communicate this to Your High Nobilities. I dispatched the interpreter with the answer that I thanked His Highness for the notification of the arrival of the Mandharese envoys, and would confer with him further regarding that matter. Furthermore, the interpreter of Goah, Borrauijt, came on behalf of his master to inquire after my well-being. Was underwritten: Agrees. Was signed: F: I: Voll, sworn Clerk. WV: Heijerman 11. Secret. Timor Ao: 1771 S 2 206 Copy of Incoming Secret Letters from Timor, from the first of October to the last of December 1771: To His High Nobility, the High and Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies. High and Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, Noble Lords, Proceeding to reply to the secret letters of Your High Nobilities received, dated 31 December last, we have the high honour initially to note that regarding the true objectives of the French rover Tremigont, who called at Oecussi on the 8th ultimo with a two-masted vessel, we have, despite all endeavours made, been unable to discover anything, just as we could not discover how it comes about that an English king's from Timor the 28th of September A:o 1771: king's ship, The Endeavour, Captain James Cook, called at the island of Savo on the 18th of September and remained at anchor before the same until the 21st thereafter, when it departed from there, according to a letter from the interpreter dated 23 October of the previous year, having exchanged some livestock for provisions on the said island; furthermore submitting ourselves to the wiser judgement of Your High Nobilities who, for reasons mentioned in the said letter, cannot see fit to provide this post with a well-equipped pantjallang for driving off the Maccassarese sea rovers; yet we cannot refrain from bringing to your highest attention to what extent the navigation of that rabble has increased and has become extremely detrimental to trade, as appears from the enclosed written report of the assistant and interpreter at Solor, Jan Protsz, containing some other serious though at the same time rather uncertain reports concerning the capture of a Company pantjallang, etc. The Oecussians have taken possession of Liphao without being disturbed therein as yet, either by us or by any other nation. Regarding the intended expedition of the previous year to the island of Rottij under the command and direction of the first signed, of which Your High Nobilities desire to learn the outcome, we set down: that the same did not take place, because a few days after the dispatch of our letters we received the news, as agreeable as it was unexpected, that the warring negorijs of Termanoe and Denka had finally concluded peace; how they duped us with that apparent peace is related in the reply now departing, to which we take the liberty of referring Your High Nobilities, while declaring to be with deep respect and esteem, was underwritten, High and Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord and Noble Lords, lower down, Your High Nobilities' very humble and dutiful servants, was signed: Alex: Cornabe, B: W: Fockens, W: A: van Este; in the margin: Coupang on Timor the 20th of September 1771. Respectful 208 1771 From Timor the 20th of September 1771. Respectful Report To the Noble Lord, Mr. Alexander Cornabe, Merchant and Chief of Timor with the dependencies thereof. Noble Lord, It was the 20th of July when the undersigned learned from the people of the Radja of Larantuka that last year in the month of December, a certain Maccassarese Nakhoda Tjombo, coming from Maccassar and having called at Larantuka, among whom were also some Endenese from the negorij Braaij as passengers, gave to the aforementioned Radja a red paduasoy waistcoat

Dutch transcription

171: 205 van Maccasser Den 24: october 1771; en vervolgens aan den ondertolk Pietersz, gelast hebbe haar te gaan verwel komen, die zulks ook volbragt heeft Liet den koning van Bonij mij door zijn tolk woensdag „ 16: Moentoe kennis geeven dat de Rijksbestier„ ders van de Maradias van Bellanipaen Mad„ Jene opgedaagd waaren en door de Tomilalang bij zijn Hoogheid acces hadde doen vragen, dog dat hij zulx afgeslagen en haar ten antwoord hadde laaten geeven dat hij zijn sentiment bereeds quijt hebbende 'er voor haar niet anders te doen viel dan zig te declareeren of zij bereid waaren tot het geeven van d' g'eijschte voldoening of niet. voorts dat zijn Hoogheid aan de Homila„ lang Rijksraad:/ gezegt hadde dat bij aldien Prijks bondgenooten hem in deesen niet assis„ teeren wilden hij zijn voorneemen ter kostijding van de Mandhareesen, sonder haar, zoude in 't werk stellen met behulpe der Bo„ Niets voorgevallen Dingsdag den 15 „niers 1771: van Maccasser Den 24: october 177 niers, of zo deese daartoe al meede niet genegen waa„ ren hij het zelve als dan in persoon zoude doen met zijn kinderen mij tevens latende versoeken om zulks aan Haar Hoog Edelhedens te Com„ municeeren. Ik depecheerde den tolk met antwoord dat ik zijn Hoogheid voor de bekendmaaking van de komst der Mandhareese sendeling bedankte, en hem dierwe„ gens nader zoude doen onderhouden. wijders quam den Tolk van goah Borrauijt zijn meestersnaam namijne welstand vernee„ „men /:onderstond: /: Accordeert /was gete„ kend:/ F: I: voll gesw: Clercq— WV: Heijerman Nagens is 11. Secreet. Timor Ao: 1771 S 2 206 Copia Aankomende Secreete Briefen, van Timor zedert Primo october tot ultimo December 1771:— Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtbaren wijd geb: Heer Exras Aederius van der Para, Gouverneur Generaal Genevens De wel Edele Heeren Rae„ „den van Nederlands India Hoog Edele Groot Agtb:r wijdgeb:r Heer wel Edele Heeren Overgaande tot rescribtie op uwer Hoog Edelh: S:s ont„ fangen secreete Letteren d: d: 31: dec: E: E: hebben wij de hooge eerre aanvangelijk te noteeren dat nopende de ware oog„ merken van den 8„o p„o met Een twee mast scheepje te orcus, sij aangegierd hebbende franschen Swerver Tremigont on„ danks alle aengewende devoiren niets hebben konnen ont„ dekken gelijk ook niet hoe het komt dat een Engelsch ko„ nings. van Timor den 28:' September A:o 1771: nings schip the Endeavour Cap:t Iames cook op den 18: Septembr het eiland savo hebbe aangedaan en voor het zelve ten anker geblee„ „ven tot den 21: daar aan dat van daar vertrokken is volgens brieve van den tolk d: d: 23: october van voorgangen Iare hebbende sijten voorn: Eijlande eenig vee tot verversching ingeruijld gehad, ons wijders submitteerende aan het wijser oordeel van uwe hoog Edelhedens die om reedenen bij ged: schrijvens verm: niet konnen goedvinden dit comptoir te voorsien van Eene wel toegeruste Pan„ tjallang ter verjaginge van de Maccassaarsche zee schuijmers, konnen wij echter niet voor bij hoogst den selven onder t oog te brengen in hoe verre de vaart van dat gespuijs toegenomen en voor den handel ten uijterste nadeelige geworden is blijkende inleggende, schriftelijk rapport van den adsistent en tolkasolor Ian Protsz: vervattende eenige andere bedenkelijke dog teffens vrij onseekere berigten weg„s het aflopen van een comp: pantjallang &: De oelcussiers hebben van Liphad: posessie genomen sonder daar inne voor als nog so min door ons als door Eenige andere natie gestoord teworden Belangende de a: p:s voorgenomen Expeditie naar het Eiland Rottij ondergesag en directie van den eerst geteekende waar van uw hoog Edelh: den uitslag verlangen te verneemen stellen wij te neder: dat de zelve door dien korte dagen na het afgaan onser depeches de so aange„ „name als onverwagte tijding ontfingen dat de tegen selkander oor logende negorijen termanoe endenka eijndelijk den vreede getroffen hadden geen voortgang heeft gehad hoe zij ons met dienschijn vreede gedu„ opeerd hebben staat bij de thans afgaande rescriptie bedeeld waar aande vrijheid gebruiken uw hoog Edelh: over te wijsen terwijl betuigen te sijn met diepe Eerbied en ontsag /onderstond/ hoog Edele Groot Agtb: wijdgebiedende heer en wel Edele heeren /lager/ uwer hoog Edelh„s zeer onderdanigen en Trouw schuldige dienaaren (was geteekent/ Alex: Cornabe, B: w: Fockens w: A: vanEste / in mar„ gine:/ Coupang en Timor den 20 Sept: 1771 Eerbiedig 208 771 Van Timor Den 20: Septemb: 171. Eerbiedigh Berigt Aan den Wel Edelen Heer De Heer Alexander Cornabe Coopman en opperhoofd van Timor met den Resorte van dien. wel Edele Heer T was den 20: Iulij wanneer den onderge teekende van 't Radja van Laranti Ka zijn volk heb verstaan dat voorleeden Iaar in demaand december zeekere macca„ saarse Nagoda Tjombo van maccassar ko„ mende en op Parantuka aangeweest zijnde, waar onder ook eenige Endeneesen van de ne„ „gorij Braaij als passagiers waeren, aan 't voor„ „noemde Radja Een rood Pourdezooij Cammi„ sool

NL-HaNA_1.04.02_3337_1326 view scan ↗

English

Anno 1771 From Timor The 20th September Anno 1771. sole and ditto trousers trimmed with lace, as also gunpowder, lead, and muskets, that the raja asked them where they had obtained those European clothes, which was told to him in confidence, that about a year ago they had been captured by a pantjalling with Europeans on board and placed in irons, and that the abovementioned Endenese from the aforesaid settlement Braij, wishing to sail to Makassar, met the said pantjalling at sea and came so close to it that they were hailed by its commander, whereupon having gone over they indicated that they were Endenese and intended to sail to Makassar, and after having sold some cloths and old coconuts to the crew of the said pantjalling, recognized one of the captured Makassarese, who had married on Ende and had a wife and children there, who immediately addressed him in his Endenese tongue and requested help, whereupon 71. 210 1771. From Timor The 20th September Anno 1771. whereupon the Endenese promised in their language that they would rescue him at night, and went back to their proa until nightfall, when they found an opportunity to approach the pantjalling quietly, boarded it, broke open the locks of the irons, and immediately together with all their men massacred the commander and the other European sailors, and took as booty the pantjalling with everything that was inside it; from there they sailed to Makassar, where they left the pantjalling behind, and departed with their proa via Larantuka to Ende. Furthermore, the undersigned cannot fail to report to Your Honour that the navigation of the Makassarese and Mandarese pirates to Solor, Alor, Ende, and their surroundings is stronger than ever before, with as many as a hundred vessels arriving together, usually in the month of March, and after they have roamed around these islands, indeed even up to the land of Timor, and 1771. From Timor The 20th September Anno 1771. and having bought up all the wax and slaves that they could possibly get in exchange for gunpowder, lead, muskets, and all kinds of the Honourable Company's sorted linens at a very low price, they depart again in the month of August for their places of residence. Just as this year in the month of July a certain Makassarese Nakhoda named Intje Bella was at Adonara and Larantuka with two proas, and there sold muskets, gunpowder, and lead in abundance. As soon as these aforesaid two pirate proas had been noticed by the Lamahala people to have arrived at the abovementioned place, although I have more than once in Your Honour's name exhorted and requested them that whenever the Makassarese pirates arrived there, they, the Singhadjes, must do their best to overpower them, in which case the vessel and 212 Anno 1771. From Timor The 20th September Anno 1771. and goods could be kept for their trouble, but to surrender all munitions of war, such as cannon, gunpowder, and lead, as well as the crew sailing on it, to the Honourable Company, just as they had also promised to comply with; instead, they secretly went thither at night without my knowledge and sold a certain number of slaves to those smugglers, exchanging them for silk patolas and elephant tusks, thereby providing clear proof of not being faithful allies of the Honourable Company. For the rest, nothing further of note occurred during my presence on Solor, and upon my departure from there, all was still in good peace and tranquility, both among the Honourable Company's allies and with their neighbours, the Larantukans. Herewith I hope to have fulfilled the esteemed intentions intentions of Your Honour, and thus I take the liberty to call myself with all humble respect, underneath was written: Honourable Sir. Lower: Your Honour's humble and obedient servant, was signed I. Protsz. In the margin: Kupang on Timor, the 6th of August, Anno 1771. Examined. From Timor The 20th September Anno 1771. J. Leumwer. Z. Secret Japan Letters of the Year 1774. [illegible] 214 Batavia To His Honour The Most Noble, Stern, and Most Respected Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General Together with the Honourable, Most Respected Lords Councillors of Netherlands India. Most Noble, Stern, Most Respected, widely governing Lord and Lords, According to Your Most Noble and Most Respected [illegible] [illegible] Most esteemed and highly regarded qualification, by secret letters dated 19th June of the current year we have done our utmost to obtain, if possible, 1000 piculs of bar copper for private account, but to our regret could secure no more than 700 piculs of that metal, for the same price of f 60: 2:-. Thus, our humble and respectful request is that Your Most Noble and Most Respected Honours may kindly be pleased to accept the same on the same terms, and that after its delivery the proceeds may be paid to the signatories out of the Honourable Company's treasury. At the same time, the first signatory expresses his humble and sincere gratitude for the kindness that Your Most Noble and Most Respected Honours have once again been pleased to show in this matter, by approving the conduct of business pursued.

Dutch transcription

A„o 1771 Van Timor Den 20: Septemb„r A„o 177 Sool en Een d„o broek met Passementen belegt ver„ kogt, als ook kruijt, Loot en snaphaenen, dat door 't radja haar is gevraagt geworden waar zij aan die Europeese kleederen gekomen waeren, 't welk door haar in vertrouwen is gesegt, dat sij nu omtrent een Jaar geleeden door een Pan„ „tjalling waar op Europeesen waeren, op gevat zijn geworden en in de boeijin geslooten, en dat boven gemelde Endeneesen van de negorij braij voorn: de wil hebbende na maccassar te vaeren de gesegde Pantjalling in zee ontmoetede en wel zoo digt daar bij quam dat door dies gesag„ „voerder wierd aangeroepen mitsgaders sij daar op overgekomen zijnde te kennen hadden gegee„ ven dat sij Endeneesen en van Sints waeren na maccassar te vaeren, en na eenige kleetjes en oude Clappers aan 't zeevaerend volk van gedo Pantjalling verkogt te hebben, een van de opgevattene maccassaeren die op Ende getrouwt en vrouw en kinderen aldaar hebbende, ver„ kend had, die ook terstond op zijn Endenees hem aan sprak en om hulp versogt, waer op 71. 210 77x1: Van Timor Den 20: Septemb:r A„o 177 op de endeneesen in haere taal beloofden hem in de nagt te zullen redden, weeder na haar Prauw 16 zijn gegaan tot snagts wanneer Sij geleegentheijd hebben weeten te vinden in stilte bij den Pantjal„ lang te komen daar inne te Enteeren, en de sloo„ ten van de boeijin open te breeken mitsgaders zoo voorts met alle man den gezagvoerder en verdere Europeesen mattroosen gemassa„ Creed, en de Pantjalling met alle 't geene dat er in was tot buijt gemaakt, hebbende van daar na maccassar gesteevend alwaar zij den Pantjal„ ling hebben agter gelaten, en met hunne Prauw over Parantuka na Ende vertrokken Wijders van den ondergeteekende niet voor bij uwelEd: te berigten dat de vaart der maccas„ Iaarse en mandareese zeeschuijmers op Solor, Alor, Ende, en daar omstreeks, sterker dan ooijt te vooren geweest is, komende wel niet hondert vaartuijgen te gelijk gemeenlijk in de maand maart, en na dat sij rondom deese Eijlanden Ja selfs tot op 't Land van Timor gesworven, en all 1771: Van Timor Den 20: September A„o 177 all't wax en slaaven dat sij maar konde krijgen teegens kruijt, Loot, snaphaanen, mitsgaders allerhande zoorten van 'sE Comp:s fortee„ ring Lijwaten tot een seer Laagen prijs opgekogt te hebben, vertrekken sij weeder in de maand augustus na haar woonplaatse gelijk deesen Jaere in demaand Julij zeeke„ ren maccassaar Nagoda gen:t Jntje Bella met twee Prauwen op adonara en Larantu„ ka geweest is, en aldaar snaphaanen kruijt en Loot in meenigte verkogt heeft. Deese Evengem: twee zee roover-Prau wen zoo ras door de Lamahaal„ „des niet vernoomen zijnde, dat ter plaatse boven gem: aangekomen waeren Schoon ik meer dan eens uijt u wel Ed:s naam haar aangemaand en versogt heb, dat zoo wanneer de maccassaarse zeer „rovers daar quamen, sij Singhadjes haar best moesten doen om deselve te overweldi„ „gen, in welk een geval het vaartuijg ende 212 Aoijerj Van Timor Den 20: Septemb:r A„o 17 ende goederen voor hunne moeyte konden behouden dog de amonitie van oorlog als Canon, kruijt, en Looth, Jtem ook het daar op vaerende volk alle aan dE Comp: over te geeven, gelijk sij dan ook be„ looft hebben te zullen nakoomen:/ off hebben sij sig des nagts in stilte buijten mijn weeten der„ waards begeeven en aan die smokkelaars seeker ge„ tal slaven verkogt en teegens zijde Pathoolen en oliphants tanden getrocqueerd, waar door openbaar bewijs geeven geen getrouwde bondgenooten van dE: Comp:e te zijn. Voor 't overige is geduurende mijn aan„ weesen op Solor niets verder remarc„ quabels voorgevallen, zijnde bij mijn vertrek van ginder, zoo onder SE: Comp=s bondgenoten als ook met hunne nabeuren der Laren„ zukers nog alles in goede rust en Vreede. Hier meede verhoope aan de g'Eerde Jntentie Jntentie van uwel Ed: voldaan te hebben, zoo nee„ me de vrijheijd mij met alle needrige Eerbied te noemen /:onderstond:/ wel Edele Heer Lager:/ uwel Edele onderdanige en gehoorsaa„ „me dienaar /:was geteekend I: Protsz /: in /:margene /: Coupang op Timor den 6: Au„ „gustus Anno 1771. Nagezien Van Timor Den 20:' September A„o 1771: J. : Leumwer Z. Secrete Japansche Brieven d„' A:o 1774. aanhouden een geschrift, het welk wij ten dien eijnde al in gereedheid hadde, gebragt soude Presenteeren, blijkens Generaale Mis„ sive 'teffens teegens ons Leyden van niet Vasten 2 0 214 Batavia Aan zijn Edelheid Den Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbaaren Heere Extrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal Beneevens de wel Edele Groot Agtbaare Heeren Raaden van Neederlands India. Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbaare wijd: gebiedende Heere en Heeren volgens Uw Hoog Edele Groot ogt oershadan aanhouden een geschrift, het welk wij ten dien eijnde al in gereedheid hadde, gebragt soude Presenteeren, blijkens Generaale Mis„ sive teffens teegens ons Leyden van niet Vasten 1 2 Hoog Hoog G'eerde en veel g'estimeerde qualificatie, bij secreete letteren sub dato 19„e Junij A„o stantij hebbe wij ons uijterste best gedaan, om waare het moogelijk 1000 picols slaat kooper voor Particuliere reekening te bekomen, dog tot ons leedweesen niet meerder van 700 picols van dat Metaal te kunnen bemag„ „tigen, voor de zelvde prijs van ƒ 60: 2:-: soo is ons needrig en Eerbiedig verzoek uw Hoog Edele Groot Agtbaarheedens het selve op gelijke voet goed gunstiglijk gelieven te accepteeren, en naar dies uijt leevering het Provenue aan de teekenaars uijt'S' E Comp:s Cassa mag voldaan worden an Betuijgende teffens den Eerste teekenaar zijne needrige en opregte dank=baarheid, voor de goedheid die uw Hoog Edele Groot Agtbaar„ heedens, in dese weeder hebbe gelieven te be„ toonen; van te approbeeren de Gehoude handel wijse

NL-HaNA_1.04.02_3337_1343 view scan ↗

English

manner in Anno Passato regarding the horse presented to the Lord Governor Bingo. I wished from the bottom of my heart that it might have served for a speedy improvement in trade, but thus far it has had little or no effect, although said lord was extraordinarily friendly and complaisant during his presence at Court, yet there was a lack of opportunity to speak or be able to speak with that lord, as appears from the general outgoing missive now sent, to which, in order to avoid a duplicate detailing of matters, we respectfully refer. Yea, what is more, I have spoken several times in Jedo with the interpreter Soiemon, whether it was not possible, by means of a present of three to 400 New Coubangs to the Governor, to obtain again the old quantity of 11000 Picols of copper, with another separate little present for him, but which said interpreter immediately rejected, under the pretext that he could not request an audience concerning an increase of copper, and did not dare to propose such a thing. Afterwards on the Island, together with the second signatory, we discussed this again with all the members of the interpreter corps, and offered them the same bid, together with a separate douceur for them, yet this too could avail nothing, no matter how strongly we continuously insisted upon it, to win them over if possible, and at the same time let them know that they must not think that this offer was made on behalf of the Honorable Company, but that we offered the same for our own account, in order to have the good fortune to procure again the old quantity of copper for the Honorable Company according to contract. To which they only replied that this could not take place for the present, adding thereto that this year they had had work enough under these delicate circumstances to provide the Honorable Company with such a considerable cargo, and that Lord Kaga was far too strange a man to propose such matters to, and that they first needed to get to know the newly arrived Governor Patsme Isomi no Cami Samma; but through our strong persistence would present a writing, which we had already prepared for that purpose, as appears from the General Missive, at the same time against our grief of not being able to firmly assure us whether we would indeed receive an answer to it this year. However, they brought to our knowledge in secrecy that Lord Foekoeda Sjoerosemon Samma, who was an extraordinarily great friend of the new Governor and very well disposed toward the Dutch nation, and would be the reporting Mayor next year, had promised to do his Honor's best so that the Honorable Company would again obtain the contracted 11000 chests of copper, or at least an increase of 1000 picols, but they further brought to our attention that if said Lord brought this about, there would also need to be a good present for it. Which we have taken note of, and only answered them that if that happened, we would make it right out of private purse. Therefore, with all respect, we take the liberty to [illegible] Your Right Honorable High Mightinesses upon the

Dutch transcription

216 Wijse in A„o Passato weegens het Paard aan den Heer Gouverneur Bingo verschonken Wenschte van herten dat het tot een spoedige verbeetering, in den handel had mogen strek„ ken; dog het is tot nog toe van weijnig off geen Effect, alhoe wel Gemelde Heer bij zijn aan„ „weesen, ten Hoove Extra vriendelijk en Complaisant is geweest, dog aan geleegent„ heid, hebbende ontbrooken, om met dien Heer te moogen off kunnen spreeken, blijkens de thans Generaale afgaande Missive aan welke om geen dubbelde detalje van zaa„ „ken, ons Eerbiedig gedraagen — Sa wat meer is, hebbe met den Tolk So¬ „iemon, verscheijde maalen, in Jedo gesprooken, off het niet mogelijk was door Een Present van drie a 4 hondert Nieuwe Coubangs, aan den aanhouden een geschrift, het welk wij ten dien eijnde al in gereedheid hadde, gebragt soude Presenteeren, blijkens Generaale Mis¬ sive teffens teegens ons Leyden van niet meermelden Vaste 2 lk ik melden, Gouverneur te Presenteeren, om de oude quantiteijt van 11000 Picols kooper, weeder te kunnen bekomen, met nog een apart Presen„ „tje, voor hem, dog het welk gemelde Taalsman immediaatelijk heeft afgeslaagen, onder voor„ geeven, om over meerderheid van kooper, geen audientie te kunnen verzoeken, en sulks niet te durven Proponeeren; Naderhand ten Eijlande met den tweede geteekende te saamen al de taalsleeden, daar weeder over onder houden, en haar laden het selvde bod; beneevens nog een apart Gouluur voor haar aangebooden, soo heeft sulks al meede niet kunnen baaten, hoe sterk wij bij Continu„ „atie, daar op insteerden, om was, 't mogelijk haar lieden daartoe over te haalen, en toffens aan haar te kennen gegeven, dat zij niet moesten denken 222 218 Batavia Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbaaren Heere denken, die aanbieding, van weegens d' E Comp„e ge„ schieden, maar het selve voor onse Eijgene Reeke„ „ning, aanpresenteerden, om het geluk te mogen hebben de oude quantiteijt kooper volgens Contract aan d' E Comp: weeder te bezorgen, waar op alleenlijk zij lieden Repliceerden, dat zulks voor als nog niet te kunnen geschieden, daar bij voegende dat zij dit Iaar werk genoeg hadden gehad, in deese neetelige omstandigheeden, om d'E Comp= soo een aansienelijke Laading te beschikken, en de Heer Kaga afte een wonderlijk man was, om zulke zaaken voor te slaan en zij lieden, de Nieuwe aangekomene Gouverneur Patsme Isomi no Cami Samma eerst diende te Leeren kennen, dog door onssterk aanhouden een geschrift, het welk wij ten dien eijnde al in gereedheid hadde, gebragt soude Presenteeren, blijkens Generaale Mis„ sive 'teffens teegens ons Leyden van niet Vast 2 melden, Gouverneur te Presenteeren, om de oude quantiteijt van 11000 Picols kooper, weeder te kunnen bekomen, met nog een apart Presen„ „tje, voor hem, dog het welk gemelde Taalsman immediaatelijk heoft afgeslaagen, onder voor„ geeven, om over meerderheid van kooper, geen audientie te kunnen verzoeken, en sulks niet te durven Proponeeren; Naderhand ten Eijlande met den tweede geteekende te saamen al de taalsleeden daar weeder over onder houden, en haar lieden het selvde bod; beneeven, nog een apart Goutuur voor haar aangebooden, soo heeft sulks al moede niet kunnen baaten, hoe sterk wij bij Continu„ „atie, daar op insteerden, om was, 't mogelijk haar lieden daartoe over te haalen, en toffens aan haar te kennen gegeven, dat zij niet moesten denken 222 218 Batavia Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbaaren Heere denken, die aanbieding, van weegens d' E Comp„en ge„ schieden, maar het selve voor onse Eijgene Reeke„ „ning, aanpresenteerden, om het geluk te mogen hebben de oude quantiteijt kooper volgens Contract aan d' E Comp: weeder te bezorgen, waar op alleenlijk zij lieden Repliceerden, dat zulks voor als nog niet te kunnen geschieden, daar bij voegende dat zij dit Iaar werk genoeg hadden gehad, in deese neetelige omstandigheeden, om d'E Comp= soo een aansienelijke Laading te beschikken, en de Heer Kaga alte een wonderlijk man was, om zulke zaaken voor te slaan en zij lieden, de Nieuwe aangekomene Gouverneur Patsme Isomi no Cami Samma eerst diende te Leeren kennen, dog door ons sterk aanhouden een geschrift, het welk wij ten dien eijnde al in gereedheid hadde, gebragt soude Presenteeren, blijkens Generaale Mis„ sive 'teffens teegens ons Leyden van niet Vasten 2 melden, Gouverneur te Presenteeren, om de oude quantiteijt van 11000 Picols kooper, weeder te kunnen bekomen, met nog een apart Presen„ „tje, voor hem, dog het welk gemelde Taalsman vast, te kunnen verzeekeren, off wij wol dit Iaar daar antwoord op zoude bekomen, egter ons in se Cretesse ter kennisse bragten dat den Heer Foekoeda Sjoerosemon Samma, die Een Eijtra groot vriend van den Nieuwe Gouverneur, en de Hol„ landsche Natitie seer geneegen was, aanstaande Iaar Rapporteur Burgermeester zoude zijn beloofd had, van zijn Ed: best te zullen doen dat d' E Comp de Gecontracteerde 11000 kisses kooper weeder zoude bekomen, off ten minsten een vermeer„ dering, van 1000 picols dog ons verder onder d'oogen bragten, dat soo indien gemelden Heer zulks te weege bragt daar dan ook wel een goed Present zoude voor dienen te zijn, 't welk wij ad notums hebben genoomen en haar lieden alleenlijk g' antwoord, wanneer dat gebeurde wij uijt Privee beurs 't wel zoude maeken; Dierhalven met alle Eerbied de vrijheid neemen Uw Hoog Edele Groot Achtbaar heedens/ op het

← previousnext →