VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3337

Japan · 1,766 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3337_1570 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 8 November 1771. to disperse or drive away; to take up a post on the river Adigoro near Djember, and to secure the passage to the west and the coastal areas, as well as subsequently to march together with the Madurese to Balemboangang, in order with united forces to hem in or attack the chief rebel—who with his men risked an attack on the cotta, which however failed—in his hideout at Baijoe, as either of the two shall appear best; in such manner as this and whatever further pertains to one thing and another, and especially to a speedy advancement of the principal objective, the subjugation or bringing to obedience of the rebels, the retaking of the captured post on the Island of Noessa, the repossession of the abandoned Poeger and Bangle, as well as the restoration of a general peace and quiet, has been prescribed and ordered, as further appears from the aforementioned Instructions and letters, wherefore I take the liberty to refer thereto. To the enlistment of Easterners I have not yet proceeded, because I flatter myself that when the aforementioned troops are joined with those who are currently in the Balemboang district under Lieutenant Goudelag and those encamped near Sentong under Ensign Fisscher, the force will be sufficient. However, I have authorized the administrator Luzac, in case the contrary is maintained upon further consideration, to recruit 1 to 200 Easterners at Sourabaija, in which case I will enlist the further required men here and in this vicinity. The desire of Your High Mightinesses for a good treatment of the Balemboang inhabitants has been recommended to the Regents as well as to others, and orders have also been given above all to examine and observe the conduct of those chiefs, in order to discover whence the present troubles have actually taken their source; for the reports in this regard are so defective and differing that I cannot as yet draw any conclusion from them. Some accuse the first Regent, Cartanagara, and others the second, Taxca Nagara, of harsh treatment and extortions, yet also insufficiently and even contradictorily, as Your High Mightinesses will observe concerning the latter from the accompanying accounts of a certain Bappa- or Manewadie, who, together with five other Balemboangers, has been sent hither under the designation of prisoner of war, since he relates therein, among other things, that the present Chief of the Rebels, while still a Panakawang, fled to the mountains for fear of being killed by the Second Regent, and subsequently accuses him of having assisted that same Chief with muskets, powder, and lead; whereas, on the contrary, it appears from a statement of a certain Mantrie Tjaring Andul who remained loyal, as well as from the first Regent Carta Nagara and several others, that this Mane wadie was arrested while he himself was busy seeking provisions for the chief Rebel. And since he is thus a suspect fellow, I take the liberty to request Your High Mightinesses that he, together with his son Pradie, may be sent elsewhere; but the four remaining persons appearing to be simple folk, I would, with Your High Mightinesses' approval, find no difficulty in letting them return to Balemboangang after the end of the troubles. At the request of the administrator Luzac, I have, in the hope of Your High Mightinesses' favorable interpretation, granted authorization to provide such extraordinary supplies to the Servants in the field as the regulation and custom entail, and also approved both the issue of 100 grenadier muskets to the Prince of Madiwa for the use of his people in that expedition, and that, on account of the death of Lieutenant Biosheuvel at Oeloepampang, the management of ordinary affairs and the accounting for the Company's goods were provisionally assigned to the second Resident Schophoff, provided that an ensign is stationed there at the same time to hold command over the garrison; while, with dutiful submission to Your High Mightinesses' pleasure, I am of the opinion that once matters there have been brought back to such a state that one may contemplate a fixed and regular arrangement, one will only then be able to examine and propose to Your High Mightinesses what is best and most preferable, whether to place a civil official or a military man as head there in the future. The 100 muskets that were accounted back from Oeloepampang to Batavia and by Your High Mightinesses by invoice of the last of August, were inventoried at Balemboangang among the goods of the former Regents Soeta Nagara and Wansing Sarie, and among them were also sent to the Land Council without making the least mention thereof either in separate or in general letters, and subsequently, as defective as they are said to have been, sold here to the strand regents for 520 Rijksdaalders 24, as the accompanying auction extract further shows. I respectfully request Your High Mightinesses that this may be approved, and that I be authorized to demand the proceeds thereof from the Land Council, in order to serve toward the settlement of those muskets. I have the honor to call myself with the greatest submission and respect. Was signed: High Noble, Severe, Highly Esteemed Lord and Well-Born Sirs. Lower: Your High Mightinesses' most humble and most dutiful servant. Signed: I. R. V. D. Burgh. In the margin: Samarang, 8 November Anno 1771. Instruction.

Dutch transcription

Van Javas Oostkust den 8 November 1771. ping te brengen of te verdrijven; aan de rivier Adigoro, bij Djember post te vatten, en ons te verzeekeren van de passagie naar de west en de staanden, mitsgad. s vervolgens met de Madureezen te zamen naar Ba„ lemboangang op te rukken, ten einde met veree„ nigde kragten den hoofd rebel, dewelke met de zy„ ne een attacque op de cotta doch die mislukt is, heeft gewaagd gehad, in zijn schuilnest te Baijoe in te sluiten of te attacqueeren na dat ook een van beide het best voorkomen zal, invoegen zulks en wat verder omtrend het een en ander, en inzon„ derheijd tot een spoedige bevordering van het voor„ name oogmerk de te onder of tot gehoorsaam„ heijd brenging der rebellen de herneeming van de afgelopen post op 't Eijland Noessa, weder pos„ sideering van het verlaten Poeger en Bangle, mitsgaders de herstelling Eener algemeene rust en vreede, voor en aangeschreeven is, bij voormel„ de Jnstructien en brieven nader blijkt, des ik de vrijheijd gebruijke mij daar aan te refereeren. Tot de in dienst neeming van Oosterlingen ben ik nog niet overgegaan, om dat ik mij flat„ teere dat als de voorsz: Manschappen met die 209: Van Javas Oostkust den 8. November 1771. die actueel in het Balemboangsche onder den Luitenand Goudelag te vinden zijn en die bij sentong onder den vendrig Fisscher gecampeerd leggen bij elkander zijn, de magt toerijkende zal weezen, echter heb ik den gezaghebber Luzac gequalificeerd om indien van nadere bij het contrarie ge„ sustineerd word dan te Sourabaija 1. a 200. Oosterlingen te werven, en in welk geval ik de verder benodigde hier en hier omstreeks in dienst neemen zal De begeerte uwer Hoog Edelheden tot eene goede behandeling van de Balemboangsche jngezeetenen, is zo wel de Regenten als andere aanbevoolen, en ook or„ dre gesteld om voor al het gedrag, dier hoofden te onder„ soeken en gaade te slaan, ten einde te ontdekken, waar uijt de tegenswoordige onlusten eigentlijk haare source genomen hebben: want de berichten zijn deswegen zo ge„ brekkig en differeerende dat ik niet vermag er voor als nog een facit uit op te maaken. sommige beschuldigen den eersten Regent Cartanagara, en andere den twee„ den Taxca Nagara van harde behandeling en kneve„ larijen, doch ook al onvoldoende, en zelfs tegen strijdig, gelijk dat uw Hoog Edelheden omtrend den laatsten con„ steeren zal, uijt nevensgaande relaasen van zeekeren Bappa - of Manewadie, die nevens nog vijf andere Balemboangers H ƒ Van Javas Oostkust den 8. November 1771. Balemboangers, onder de naam van krijgs gevange„ ne zijn herwaards gezonden, dewijl hij daar bij onder andere verhaald; dat het presente Hoofd der Rebellen, nog Panakawang zijnde, uit vreese van door den Twee„ den Regent gedood te zullen worden, na het gebergte was gevlugt, en Hem vervolgens beschuldigd van dat zelfde Hoofd met snaphaanen kruid en lood te heb„ ben geassisteerd, terwijl daar en tegen, bij eene verklaa„ ring van zeekeren trouw gebleven Mantrie Tjaring Andul, mitsgaders den eersten Regent Carta Naga„ ra, en verscheide andere blijkt, dat deezen Mane wa„ die opgeligt is, toen hij zelfs bezig was provisie voor den hoofd Rebel te zoeken; En dewijl hij dus een sus„ peeten knaap is, gebruijk ik de vrijheijd uw Hoog Edel„ heden te versoeken, dat hij nevens zijn zoon Pradie, naar elders mag verzonden worden, maar de vier overige eenvoudige menschen schijnende, zoude ik met Hoogst derzelver welbehagen, na het eindigen der trou„ belen geen swarigheijd maaken naar Balemboan„ gang terug te laten keeren Op het versoek van den gezaghebber Luzac, heb ik, in hoope uwer Hoog Edelheden gunstig wel duiden qualificatie gegeven om aan de Dienaaren 211: Van Javas oost kust den 8 November 171. te velde, zulke extra ordinaire verstrekkingen te doen, als de bepaling en het gebruijk mede brengd, en ook goed gekeurd zoo wel de afgave van 100. granadiers geweeren aan den Prins van Madiwa, tot gebruijk voor zijn volk, in die expeditie, als dat mits het overlijden van den Lieute„ nant Biosheuvel le Oeloepampang, de maneance der ordinaire zaaken en verantwoording van 's Comp: goe„ deren bij provisie opgedragen was aan den tweeden Resi„ dent schophoff, mits daar teffens plaatzende een vaandrig om het commando over de bezetting te voeren; terwijl ik met plichtschuldige onderwerping aan uwer in Hoog Edelheden goed vinden, van gevoelen ben, dat als de zaaken aldaar eens weder gebragt zijn in dien staat dat men op een vaste geregelde schikking ver„ dagt mag zijn, men dan ook eerst zal kunnen na„ gaan en uwer Hoog Edelheden mogen voordragen wat best en preferabelst is, of daar voor het vervolg een politica, of een Militairen als hoofd te plaatsen De 100. p. s snaphaanen die van Oeloepampang Batavia aan, en door VW. Hoog Edelheden bij factuur van ult:o aug:s terug gereekend, zijn te Balemboangang onder de goederen van de geweezen Regenten Soeta Nagara en Wansing Sarie geinventariseerd, en daar onder Van Javas Oostkust den 10 November 177 1771. onder ook, zonder er de minste mentie nog bij aparte nog bij gemeene brieven van te maaken, aan den Land raad gezonden, mitsgaders vervolgens zoo defect, als gezegd word dat dezelve waaren, alhier aan de straad regenten verkogt, voor Rijksdaalders 520. 24. gelijk het nevensgaande vendu Extract nader aantoond. Ik versoeke uw Hoog Edelheden Eerbiedig dat zulks mag worden gepasseerd, en ik gequalificeerd om dies Rendement van den Landraad op te eisschen, ten ein„ den te strekken in voldoening dies geweeren Ik heb d' eere met de meeste onderdanigheijd en eerbied mij te noemen. (onderstond) Hoog Ede„ len Gestrengen Groot Achtbaaren Heer en wel Edele Heeren (Lager) uwer Hoog Edelheden ootmoedigsten en aller verplichtsten Dienaar (was geteekend) I. R. V: D. Burgh (inmargine) Samarang den 8. November A=o 1771 Instructie

NL-HaNA_1.04.02_3337_1575 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 8 November 1771. Instructions for the titular Captain-Lieutenant Coert Hendrik Reijgers, going on an expedition to Balemboangang. Valiant, pious, discreet; The state to which affairs in the Balemboang region have been brought by the actions of a certain Rampak, who is said to have been a panakawan to a brother's son of the present provisional second Regent Taxca Nagara, and who, under the name of Agong Willis, has arisen for about 3 to 4 months now, and by spreading among the superstitious natives that the spirit of the abducted pangerang or Maas Willis had entered into him, having drawn the common village folk to himself, has already committed many outrages; and that the inhabitants of the Sentong district have also withdrawn their obedience to the Company and From Java's East Coast, 8 November 1771. have behaved as enemies, requiring both parties to be opposed with greater force than has hitherto been done without success and brought anew to submission, I, relying on your repeatedly demonstrated courage and good conduct, have deemed it advisable to entrust Your Honor with the command over the Company's own and auxiliary troops in the Balemboang region and thereabouts as head, as well as hereby to give and recommend to you in mandate such points as appear necessary to me, and which may also serve to give Your Honor a brief idea of the present state of affairs, so far as they are known to me, consisting in this: That first a detachment strong 18 Europeans and 100 natives, which had been detached from Passerouang to take up a post, just as in 1768, on the river Adiroga near the village Djembar on the passage from Balemboangang to Lamadjang and Sentong, was attacked by the Sentongers, and after the death of the sergeant, two privates, along with some natives, was forced to fall back leaving behind their baggage, and subsequently Lieutenant van Imhoff in the Balemboang region having attacked the head rebel From Java's East Coast, 8 November 1771. in his hiding place Bajoe, after suffering 15 dead and 18 wounded Europeans, and the loss of many natives, leaving behind two mortars, one piece of cannon, and all the baggage, was likewise obliged to retreat to the cotta, and moreover, after our people had abandoned Poeger and Bangle, the post on the island Noessa was overrun and the garrison, consisting of 1 corporal and 4 European privates, was put to death; and that since then the rebels have had the audacity to attempt an attack, which however failed, on the cotta, and that the growing force of the Sentongers, who it is believed have even received support from the Balemboang region, added to the continual desertion of the Sourabaians and the bad conduct of the Passourouangers, has until now prevented the garrisoning of the aforementioned passage near Djember and also bringing the rebels to reason. Having noted this beforehand for information, Your Honor shall further take the following for direction and observance. Article 1. In order then to fulfill the objective, namely the subduing or bringing to obedience of the rebels, the retaking of From Java's East Coast, 8 November 1771. the overrun post on the island Noessa, as well as the abandoned Poeger and Bangle, together with the restoration of general peace and tranquility, Your Honor, with and alongside Cornet Johan George Tinne, 2 quartermasters, 2 corporals, 1 surgeon's mate, 1 drummer, and 40 privates, or Your Honor's entire corps of dragoons, as well as Lieutenant Johan Gustaaf Willem Heinrich, the Ensigns Gabriel Joseph de Chateauvieux and Fredrik Ostrouwskij, 2 sergeants, 4 corporals, 1 surgeon's mate, 1 drummer, and 50 infantry privates, together 108 heads at the first level, shall embark today in the private small sloop, four pantjallangs, and one raised praumaijang, all prepared for that purpose, and depart for Sourabaija, in order subsequently to cross over to Balemboangang, and there from the hands of From Java's East Coast, 8 November 1771. Lieutenant Jan Daniel Gondelag (who, being the commander of Passerouang, is deemed very necessary there to attend to affairs to the west, and particularly at Antang and Malang, and shall need to return thither) take over the command with all that belongs thereto, and to exercise it over the Company's army presently to be found there and thereabouts, or yet to arrive, for as long as this shall be deemed necessary and expedient. Article 2. Yet arriving at Sourabaija, Your Honor shall first have to inform yourself with the Senior Merchant and Authority there, the Honorable Mr. Pieter Luzac, concerning the state of affairs in general, as well as the magnitude of the Company's force, the strength of the enemy, and whatever else is particularly expedient, in order through mutual consultation to take the best measures and to determine what will be most advisable, whether to let the Madurese, who I suppose will be at Panaroekan to the number of one thousand heads, combine with the corps of Ensign Fredrik Fisscher (which according to the latest reports was encamped near Sentong and was strong 51 Europeans alongside about 300

Dutch transcription

213: Van Javas Oostkust den 8 November 1771. Instructie voor den Capitain Lieutenant titulair Coert Hen„ drik Reijgers, gaande in Expe„ ptitie naar Balemboangang Manhafte, vroome, Discreete; Den toestant waar in de zaaken in het Balembo„ angsche gebragt zijn, door toedoen van zeekeren Ram„ pak, die gezegt word geweest te zijn Panakawang bij een broeders zoon van den presenten provisioneelen twee„ den Regent Taxca Nagara, en dewelke onder de naam van Agong Willis, zich voor nu Circa 3. a 4. maan„ den opgewoopen, en met onder den bij gelovigen jnlan„ der te verspreiden, tot de geest van den weg gevoerden pangerang of Maas Willis in hem gevaaren was, de ge„ meene negorijs volkeren tot zich getrokken hebbende, bereeds veele buiten spoorigheeden gepleegd heeft; en dat ook de inwoonders van het district sentong haar meede 's Compagnies gehoorsaamheijd ontrokken en als Van Iavas Oostkust den 6 November 1771. als vijanden gedragen hebben, vereisschende om bei„ de de parthijen met meerder magt dan tot heeden zon„ der vrugt geschied is tegen te gaan en op nieuw tot on„ derwerping te brengen, heb ik mij verlatende op uw te meermalen de betoonde moet, en goed beleid, raad„ saam geacht uW E: het Commando over 's Comp: ei„ gen en hulp troupes uit Balemboangsche, en daar omstreeks als hoofd op te dragen mitsgaders bij dee„ zen zodanige poincten in mandatis te geven, en aan te beveelen, als mij voorkomen nood zakelijk te zijn, en teffens dienen kunnen om VWE. Een kort idee van den presenten toestand van zaaken, voor zoo verre mij bekend zijn te geven, hier in bestaande; Dat eerst een Commando sterk 18. Europeers en 100. Inlanders 't welke van Passerouang getacheerd was, om even als in 1768 aan de rivier Adiroga, na bij de negorij Djem„ bar, op de passagie van Balemboangang naar La„ madjang en sentong post te vatten, door de sen„ tongers is g'attacqueerd, en na het sneuvelen van den sergeant, twee gemeene nevens eenige jnlanders genoodzaakt geworden met agterlating hunner ba„ gagie te rug te deinzen, en vervolgens den Luitenand van Imhoff in 't Balemboangsche den hoofd rebel 215: Van Javas oostkust den 8 November 1771. rebel ik zijn schuilnest Bajoe aangetast hebbende, na het bekomen van 15. dooden, en 18. gequeste Europeers, en verlies van veel jnlanders met agterlating van twee mortieren, een stuk Canon en alle de bagagie ins„ gelijks verplicht is geworden, naar de Cotta te retei„ reeren, mitsgaders daar na de onze Poeger en Ban„ gle verlaten hebbende, de post op het eiland Noessa af gelopen, en de bezetting, bestaande in 1. Corporaal en 4. gemeene Europeers is om het leven gebragt; en dat ze„ dert de rebellen de stoutheijd gehad hebben een attac„ que, doch die Hen is mislukt op Cotta te wagen, mits„ gaders de aangroeionde magt der Centongers, die men wil dat zelfs onderstand uijt het Balem„ boangsche bekomen hebben, gevoegd bij het Continu„ eel verloopen der sourabaijers, en slegt gedaag der Passourouangers, tot heden heeft belet, de voorsz passagie bij Djember te bezetten; en ook de rebel„ len tot inkeer te brengen. Dit voor af ter infor„ matie genoteerd hebbende zal uwE: zich wijders tot naricht en observantie moeten laten strekken. Art: 1. Om dan aan het oogmerk, de te onder- of tot ge„ hoorsaamheijd brenging der rebellen, de hernoeming van Van Javas oost kust den 0 November 1771. van het afgeloopen postje op het Eiland Noessa, item het verlaten soeger en Bangle, mitsgaders, de herstel„ ling eener algemeene rust en vreede, te kunnen beant„ woorden, zal uw E. met en nevens den Cornel Iohan George Tinne 2. wagtmeesters, 2. Corporaals, 1. ondermeesters 1. Tamboer en 40. gemeene of te uwE: geheele Coosps, Dragonders, item den Luitenant Iohan Gustaaf willem Heinrich, de vendrigs Gabriel Joseph de Chateauvieux en Fredrik Ostrouwskij, 2. Sergeants 4. Corporaals 1. Ondermeester 1. Tamboor en 50. gemeene Infanteristen, te samen 108. koppen primo, plan, zich op heden moeten embarqueeren in het particuliere sloepje Vier pantjallings en een opge„ boeijde praumaijang alle daar toe in gereedheijd gebragt, en vertrekken naar Sourabaija, ten einde vervolgens naar Balemboangang over te gaan, en aldaar uit handen van 217 Van Javas oostkust den 8 November 1771. van den Luitenand Ian Daniel Gondelag (die als commandant van Passerouang zijnde aldaar zeer nood„ zakelijk geoordeeld word, om de zaaken om de West, en wel bezonder op Antang en Malang te letten, derwaarts zal dienen terug te gaan) over teneemen het Com„ mando met wat daar toe behoord, en dat te voeren over 's Comp leger daar en daar omstreeks actueel te vin„ den, of nog aan te komen tot zoo lange men zulks noodzakelijk en dienstig oordeelen zal Art: 2. Dog te sourabaija aankomende zal uw E. zich alvorens bij den opperkoopman en gezaghebber aldaar den E. M:r Pieter Luzac hebben te informeeren naar in 't den toestand der zaaken wt gemaan, item de groot„ heijd van sComp: magt, de sterkte der vijanden en wat meer dienstig is in 't bezonder, ten einde met onder„ ling overleg de beste maatregulen te neemen en te bevainen wat of het raadsaamste weezen zal, of om de Madureezen die, stelle ik, ten getalle van Een Duij„ zend koppen te Panaroekan zullen zijn, te laten Com„ bineeren met het Corps van den vendrig Fredrik Fis„ scher, (dat volgens de jongste berigten bij sentong 19 gecampeerd, en sterk was 51. Europeezen nevens circa 300

NL-HaNA_1.04.02_3337_1580 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 8 November 1771. 300 natives and to have a cordon drawn from Panaroekan or from Besoekie to the southernmost end of Lamadjang, in order to prevent all evasions to the west, or rather to use them, namely the Madurese, first against the people of Sentong, and subsequently to have them advance as well to Balemboangang. Article 3. This latter course being most advisable if circumstances have not changed and our force is judged sufficient, your Honour shall, with the military personnel under your command, proceed by sea to Besoekie, situated a day's journey from Sentong and approximately four miles from Panaroekan, and having landed there, first attempt to join with the Madurese and subsequently with the corps of Ensign Fisscher near Sentong, in order to advance from there with the entire force against the people of Sentong and to seize the aforementioned stronghold on the Adirogo River near the village of Djember, and thus also gain control of the ordinary passage to the west or from the highlands to the beaches. Article 4. 219. From Java's East Coast, the 8 November 1771. The enemy having been dislodged from there, his retreat must be observed, and thereafter the march to Balemboangang overland, or to Oeloepampang by sea, regulated; furthermore, Lieutenant Heinrich alongside Ensign Fisscher ought to be left in the occupied post with a sufficient force, not only to guard the same and to cover Panaroekan, but also to disquiet the enemy through continuous patrols and prevent them from gathering to attack the advancing army in the rear, as well as keeping a watchful eye toward the south down to the sea, where it is said that a passage, though difficult, also runs, which the enemy could use in case of need. Article 5. If your Honour's undertakings in one and the other succeed, no opportunity should be missed to take up positions again on the island of Noessa, likewise at Boeger and Bangle. Article 6. The advance to Balemboangang having been successfully completed, after taking all possible care along the way regarding resting places and camp sites so as not to be caught by surprise, your Honour, having united your force with the 100 to 150 Europeans there and over one thousand Javanese, Sumanappers, and Pamakassangers, as well as the inhabitants who have remained loyal, must as far as possible reconnoitre the enemy's hiding place Baijoe, and at the same time try through good, trusty spies, whom your Honour must take everywhere and may also pay discreetly, to obtain intelligence about their strength and condition, in order, according to findings, either to enclose them on all sides and thus, through deprivation, to make them faint-hearted and bring them to submission for the preservation of land and people, or otherwise to attack them and force them by violence, taking care in both cases not to fail to capture the pretended Pangerang Willes alongside the other ringleaders, and meanwhile to keep strict watch that they do not move elsewhere and especially not to Bali, or receive help and assistance from that quarter. And to prevent such all the more, all those who might attempt to come in from outside, even if they were Europeans, must be turned away by your Honour, and upon resistance, violence must be met with violence. Article 7. 221. From Java's East Coast, the 8 November 1771. According to the circumstances of time and matters, and whether one thing and another succeeds well or poorly, the measures to be taken shall be fashioned after taking the advice of the officers with you, and necessary notice thereof must repeatedly be given to Lieutenant Henrich to better keep communication open; furthermore, both with regard to what has already been said and what is yet to follow, and thus in all respects, the orders that Authority Luzac will give and write to your Honour must be observed and executed with such prudence and discretion as shall be necessary in this matter, so as not to be outwitted by the ruses and snares of the enemies, since the great distance of the location, lack of sufficient reports, and the daily changes to which matters are subject, make it impossible for me to prescribe to your Honour point by point what ought to be observed by your Honour. Article 8. Article 9. From Java's East Coast, the 8 November 1771. Furthermore, all those who oppose our people and, being found in arms, offer resistance, may be regarded and treated as general enemies of the Company, and thus also massacred, and their goods surrendered to plundering, provided one is mindful and vigilant that in such a case the troops do not scatter and give the enemy an opportunity to take your Honour by surprise. Article 10. But the Balemboang people who have remained loyal, and others who come to submit of their own free will, your Honour must treat and receive with modesty, and thus constantly urge both provisional Regents to do the same, as well as take care that such persons suffer no harassment or harm through violence or insults from our people or from the Madurese. Article 11. As a principal point, I recommend that your Honour be mindful and always ensure in good time for

Dutch transcription

Van Javas Oostkust den 8 November 1771. 300 Inlanders (en een Cardon te doen trekken van Panaroekan of van Besoekie tot het zuijdelijk„ „einde ste van Lamadjang, ten alle uijtwijkingen naar het westen te prevenieeren, dan wel hen, nament„ lijk de Madureesen eerst te gebruijken tegen de seatongers, en vervolgens mede naar Balemboan„ gang te doen oprukken art 3. Dit laatste, als de omstandigheden niet veran„ derd zijn, en onze magt toerijkende geoordeelt word, wel het raadsaamste zullende zijn, zal uwE: met de bij hebbende militairen, over zee zich moeten begeeven naar besoekie, leggende een dag reizens van sentong en Circa vier mijlen van Panaroekan, en na aldaar, geland te zijn eerst tragten met de Maduree„ sen en vervolgens met het Corps van den vendrig Fis„ scher bij sentong te conjungeeren, ten einde van daare met de geheele magt tegens de sentongers op te ruk„ ken en zich van de voormelde sterkte aan de rivier Adirogo omtrent de Negorij Djember, en dus ook mee„ ster te maaken van de ordinaire passagie naar het westen of uit de bovenlanden naar de stranden. Art 219. Van Javas oostkust den 8: November 1771. Den vijand van daar gedelogeerd zijnde, zal zijn re„ tracte moeten g'observeert, en daar na den optogt naar Balemboangang overland, of naar Oeloepam„ pang over zee gereguleerd, mitsgaders den Lieute„ nand Heinrich nevens den vendrig Fisscher in de geoccupeerde post dienen gelaten te worden, met eene toe„ rijkende magt, niet alleen om dezelve te bewaaren, en Panaroekan te dekken, maar ook om door gestadi„ ge pattouilles den vijand te ontrussen, en te beletten dat zij zich niet versamelen om het oprukkende leger in de rugge te vallen, mitsgaders teffens een oog te houden om de zuid tot aan zee alwaar gezegd word dat ook een pas„ sagie, schoon moeijelijk st loopt daar de vijand in cas van nood gebruik van zoude kunnen maaken. art: 5. Indien uw E: onderneemingen tot het een en ander reusseeren zal men ook geen gelegentheijd mogen laten voor bij gaan, om op het Eiland Noessa item te boeger en Bangle weder post te vatten. art: 6. Den op marsch naar Balemboangang geluk„ kig, na onderweegs al mogelijke zorge op de rust en leger art 4. plaatzen Van Javas oostkust den 8. November 1771. plaatsen, ten einde niet onverhoeds overvallen te worden, gedragen te hebben volbragt zijnde, zal uw E: desselfs magt met de daar zijnde 100. a 150. Europeers, en ruijm Een Duijsend Javanen Sumanappers en Pamakassangers,item de trouw gebleven jnwoonders vereenigd hebbende, zoo veel mogelijk der vijands schuilnrest Baijoe recognosseeren, en teffens tragten moeten door goede trouwe spions die uwE. alomme moet mede voeren, en ook met beschei„ dentheijd wel moogt betalen) van hunne sterkte en staat onderrigting te bekomen, ten einde na bevinding of hen aan alle kanten in te sluiten, en dus door gebrek tot be„ houd van Land en volk kleijnmoedig te maken en tot submissie te brengen, dan wel anders te attacqueeren en met geweld te dwingen, moetende in beide gevallen niet versuimd worden om den gewaanden Pange„ rang Willes nevens de verdere belhamels meester te worden, en ondertusschen ook wel de gelijk gewaakt, dat zij hun niet naar elders en voor al niet naar balij be„ geeven, of te van die kant hulpe en assistentie bekomen. En om zulks nog meer te prevenieeren, zullen alle de geene die tragten mogten van buiten in te komen, al waren het ook Europeers, door VWE: moeten af„ art: 7. geweezen 221 Van Iava's Oostkust den 8 November 1771. geweezen, en bij oppositie geweld met geweld beantwoord W worden. Na dat de omstandigheden van tijd en zaaken zijn, en het een en ander wel of qualijk reusseerd, zul„ len na ingenomen advis uwer bij hebbende officieren, den zelver te neemen maatregulen geschoeid, en daar van telkens om ook de communicatie te beter open te houden aan den Luitenant Henrich de nodige kennisse dienen gegeven te worden mitsgaders zoo met betrekking tot 't geene reeds gezegt is, als nog volgd„ en over zulks in allen op zichte de ordres die den gezag„ hebber Luzac uw E zal komen te geven en aan te schrij„ ven, moeten worden geobserveert en uitgevoerd met die omzigtigheijd en dat beleid als in deezen nodig wee„ zen zal, om niet door listen en lagen der vijanden verkloekt te worden, dewijl de veree afwezendheid van plaats, ontslentenis van voldoende berichten, en de da„ gelijksche verandering die de zaaken onder hevig zijn, mij buiten staat steld uwE: van poinct tot poinct voor te schryjven wat door UwE. dient in acht genomen te worden. art: 8. Art: Van Iavâ's Oostkust den 8 November 1771 Voorts zullen alle de gene die zicht tegens de onse aankanten en in de wapens gevonden wordende res„ sistentie bieden, als algemeene vijanden van de Comp: aangemerkt, gehandelt, en des ook gemas„ sacreerd, mitsgaders hunne goederen ter plunde„ ring overgegeven mogen worden, mits verdagt en waakzaam zijnde dat in zodanigen geval het volk zich niet uit een scheijde, en den vijand occagie geeve om UWE: onverhoeds te overvallen. art 10: Maar de Balemboangers die Trouw gebleven. zijn, en andere die haar uit vrije wille komen on„ derwerpen, zal UWE: met bescheidendheijd moeten behandelen en aanneemen, en des zoo wel de bei„ de provisioneelen Regenten daar toe ook steeds heb„ ben aan te mannen, als zorge te dragen dat de zul„ ke door geweld ofte insultes der onze, of van de ma„ dureezen geen overlast komen te lijden, of word aangedaan. Als een voornaam poinct recommandeere ik uwE, wel verdagt te zijn en steeds in tijds te zorgen art: 11. Articul 9. voor

NL-HaNA_1.04.02_3337_1585 view scan ↗

English

223: From Java's East Coast the 8th of November 1771. for the necessary provisions, ammunition and whatever more is needed for both Europeans and natives, because want breeds faintheartedness, and in particular easily leads the Madurese, when they lack rice, to dispersal and other excesses; and therefore your Honor must also make the necessary arrangements in that regard with the Commander Luzac before departure from Sourabaija. Article 12. If the objective prescribed in Article 1 is achieved, the enemy brought to submission, and peace and quiet restored, and all reasons for apprehension on both sides have disappeared, your Honor must first consider having the Madurese return home, if possible with vessels directly by sea, to be followed gradually by the Sumanappers and Pamacassangers, and also by others who are not inclined to settle there, to which otherwise, and especially the Javanese, may well be encouraged. Article 13. The disturbances that still persist being attributed to various From Java's East Coast the 8th of November 1771. causes and reasons, I recommend that your Honor investigate these most closely, as well as the conduct of the provisional regents Carta Nagara and Taxa Nagara, and especially also where the rebels obtained the powder and other ammunition goods which they used on every occasion; and to impart the result thereof, as well as of your further undertakings, along with the communication deemed necessary to the aforementioned Commander, the Honorable Luzac, directly to him who, after wishing Heaven's blessing and a fortunate outcome of affairs, remains with greetings (below stood) your Honor's good friend (was signed) I: R. Van der Burgh (in the margin) Samarang the 2nd of November 1771. P.S. The instruction whereby I recommend Lieutenant Henrich, together with the Ensigns De Chateauvieux and Ostrouwskij, to proceed with your Honor to Sourabaija, and there or subsequently in the field to obey such orders as shall be given in accordance with the Company's interests, I attach hereto for your perusal (below stood) Agreed (was signed) I. R. v. D. Burgh. 225 From Java's East Coast the 8th of November 1771. Instruction for the Lieutenant of the Infantry Johan Gustaaff Willem Heinrich, with the Ensigns Charle Philippe Auguste Gabriel Joseph de Chateauvieux and Fredrik Ostrouwskij, likewise going on the expedition to Balemboangan or the districts thereabouts. Valiant, Pious The state to which affairs in Balemboang as well as the Sentong district have been brought, because its inhabitants have withdrawn themselves from the Company's obedience and committed many hostilities, requiring that both parties be opposed with force and, if they will not submit, compelled by force of arms, their High Excellencies in Batavia have been pleased to send your Honor to this coast for that purpose; and thus your Honor, not only with and alongside From Java's East Coast the 8th of November 1771. Captain Lieutenant Coert Hendrik Reijgers, to whom the command over this expedition has been entrusted, and a number of 108 warriors of the first plan, both dragoons and infantrymen, must embark today in the vessels readied for that purpose, for transport to Sourabaija, but there, and also subsequently in the field, must observe such orders as shall be given to your Honor for the promotion of the Company's interests by the Senior Merchant and Commander in the Eastern Salient the Honorable Mr. Pieter Luzac, and the aforementioned Captain Lieutenant as head of the expedition, in subordination; whilst meanwhile it may serve for the information of Lieutenant Heinrich that, upon the favorable testimony given to me of his courage and bravery once rewarded in Ceylon, I have instructed Captain Lieutenant Reijgers that, upon a fortunate outcome of affairs at Sentong and the conquest of the post of great importance at the river Adivogo near the negorij Dember, to confer the command there upon him, in order to perform there and thereabouts subsequently what shall be recommended to him and may be expected of an alert officer. I wish your Honors together everything that may serve your reputation and contribute to a good outcome, and remain after greetings (below stood) your Honor's Good friend (was signed) I. R. van der Burgh, (in the margin) Samarang the 12th of November Anno 1771. (was signed) I. R. van der Burgh. 227 From Java's East Coast the 8th of November 1771 To the Senior Merchant Mr. Pieter Luzac Commander over the Eastern Salient Right Honorable, Pious, Discreet Herewith, with reference to my latest of the 5th of this month, further replying to your Honor's separate letters of the 19th, 23rd, and 29th of September, item the 1st and 4th of October, the latter delivered here yesterday evening, serves to state that the newly requested goods, which had previously already been planned among others for dispatch, are now being sent off, by a pantjallang and three armed mayang cruising prahus, on which also travel 2 gunners and 4 artillerymen, who would have been sent recently with the soldiers if they had been requested earlier by your Honor, as was mistakenly indicated in your Honor's letter to Oeloepampang of the first of October. I look forward to the arrival of the Loera Mane Wadie and the five common Balemboangers captured with him; and since according to the account of the former quite a lot is charged against the provisional

Dutch transcription

223: Van Iavas Oostkust den 8 November 1771. voor de nodige mond behoeftens, Ammunitie en wat meer voor Europeers en jnlanders beide nodig is, wijl gebrek kleijnmoedigheijd baard, en in zondheijd den Ma„ durcos wanneer die rijst manqueerd, tot verstrooijing en andere Excessen ligt doet overgaan en daar om zal uw E: de nodige schikkingen met den gezagheb„ ber Luzac, voor vertrek van sourabaija daar om„ trent ook moeten maaken. art: 12. Indien het articul 1. voorgeschreven oogmerkt be„ reikt de vijand tot onderwerping gebragt, en de rust en vreede hersteld word, mitsgaders alle redenen tot be„ duchting zoo van de eene als van de andere kant ver„ dweenen zijn, zal uw E: het eerst verdagt moeten weezen om de madureesen naar huis te laten kee„ ven zoo mogelijk met vaartuigen direct over zee, om langsamer hand door de Sumanappers en Pamacas„ sangers en ook door andere gevolgd te worden, die niet genegen zijn hen daar neder te zetten, waar toe an„ ders en inzonderheijd de Javanen, wel mogen wor„ den geanimeerd. art: 13. De onlusten die thans nog subsisteeren, aan ver„ scheide Van Iava's Oostkust den 8 November 1771. „scheide oorzaaken en redenen toegeschreven wor„ dende, recommandeere ik UW E: daar na op het naauw„ keurigste zoo wel ondersoek te doen, als na het gedrag der provisioneele regenten Carta Nagara, en Taxa Nagara, en inzonderheijd ook waar de Rebellen gekomen zijn aan het kruid en andere Ammu„ nitie goederen waar van zij zich bij alle gelegen„ heijd hebben bediend, mitsgaders om den uijtslag hier van, zoo wel als van uwe verdere ondernee„ mingen onder de nodig voorkomende Communica„ tie aan den indeezen meergemelden gezagheb„ ber Den E. Luzac, direct te bedeelen aan hem die na toewensching van 's Hemels zegen en een geluc„ kigen uitslag van zaaken na groete blijft (onder„ stond) uw E: goede vriend (was geteekend) I: R. Van der Burgh (in margine) Samarang den 2. November 1771. P. S. de jn„ structie waar bij ik den Luitenant Henrich, nevens de vendrigs De Chateauvieux en Ostrouwskij aan beveelen om zich met uw E. naar Sourabaija te begeven, en daar of te vervolgens in het veld zodanige ordres te obidieeren als over een komende met 'sComp:s belangen gegeven zullen wor„ den vroege ik ter uwer speculatie deezen bij (onderstond) Accordeert (was geteekend) I. R. v. D. Burgh. 225 Van Iavas Oost kust den 8 November 1771. Instructie voor den Luitenant van de Infanterie Johan Gustaaff willem Heinrich, met de Vendrigs Charle Philippe Auguste, Ga„ briel Joseph de Charteauvieux, en Fredrik Ostrouwkij, gaande mede in expeditie naar Balem„ boangang ofte de districten daar om streeks. Manhafte, Vroome Den toestant waar in de zaaken in het Balemboang„ sche zoo wel als het district sentong gebragt zijn, door dat dies jnwoonders zich 's Comp: gehoorsaamheijd ontrokken, en veel vijandelijkheden gepleegd hebben, vereisschende om beide de parthijen met magt tegen te gaan, en indien zij zich niet willen submitteeren met geweld van wapenen, te dwingen, heeft het hunne Hoog Edelheden te Ba„ tavia behaagd, uw E: ten dien einde naar deeze kust te zenden, en des zullen uWE: niet alleen met en benevens den 2 Van Java's Oostkust den 8 November 1771. den Capitain Luitenant Coert Hendrik Reijgers, aan wien het Commando over deze expeditie is toe„ vertrouwd, en een aantal van 108: krijgers primo plan zo dragonders als jnfanteristen, zich op heden hebben te embarqueeren en de daar toe in gereedheijd ge„ bragte vaartuigen, ter transporteering naar Soura„ baija, maar daar, en ook vervolgens in 't veld dienen te observeeren zodanige ordres als UWE: tot bevordering van 's Comp: belangen door den opperkoopman en gezag„ hebber in den Oosthoek den E. M:r Pieter Luzac, en voormel„ te Capitain Luitenant als hoofd der Expeditie ondergeschikt zullen gegeven worden, terwijl intusschen tot naricht van den Luitenant Heinrich dienen kan, dat ik op het favova„ bel getuijgenis dat mij van zijne te Ceilon wal eez beloonde moeden dapperheijd gegeven is, den Capitain Lieutenant Reij„ gers inmandatis gegeven hebben, om bij een geluckigen uit„ slag van zaaken ta sentong, en conquestoering van de thans van voel belang zijnde post aan de rivier Adivogo omtrend de Negorij Dember, den zelven aldaar het commando op te draagen, ten einde daar en omstreeks vervolgens te verrigten wat hem zal aanbevolen en van een wak„ ker officier verwagt mag worden Ik wensche uwE: te zamen toe alles wat tot desselfs reputatie strekken, en tot een goeden uitslag mede werken kan, en blijve naar groete (onderstond) uw Ed Goede vriend (was geteekend) I. R. van der Burgh, (in margine) Samarang den 12. November A=o 1771. (was getee„ kend) I. R. van der Burgh. 227 Van Java's Oostkust den 8 November 1771 Aan den opperkoopman Mr: Pieter Luzac Gezaghebber over den Oosthoek Erntfeste, Vroome, Discreete Bij dezen onder refert tot mijn jongste van den 5. dezer nader antwoordende op VWE. aparte Letteren van den 19. 23. en 29. September item 1=ste en 4. October, de laatste alhier gisteren avond aangebragt dient, dat de op nieuw verzogte goederen, bevorens al onder meer ter verzending zijnde geprojecteerd geweest thans afgaan, per een pantjallang en drie kruis= prauw maijangs, waar meede ook overvaaren 2. Cannoniers en 4. Busschieters, die laast met de militairen al zoude gezonden zijn, indien dezelve door VWE: gelijk in VWE: brief naar oeloepampang van den eerste october abusi„ „ve voorkomt, eerder waren gevraagd De Loera Mane Wadie, en de nevens Hem gevangen vijf gemeene Balemboangers, zie ik te gemoed, en dewijl bij des eersten relaas ook al vrij wat ten laste van den provisioneel

NL-HaNA_1.04.02_3337_1590 view scan ↗

English

From Java's North-East Coast the 8 November 1771. provisionally the Second Regent Saxa Nagara for it I considered it necessary and therefore recommend to Your Honour, to demand in writing from Lieutenant Goudelag, who I do not doubt will already be on his way to Balemboangang before receipt of this letter, among other points that must serve for his instruction, to conduct the most meticulous investigation into who must be blamed for the common man not having received payment for supplied buffaloes, as well as to investigate what the actual causes of these troubles are, and thus also whether Residents and Regents, either both or individually, have given cause for it, along with where the rebels obtained the powder, the lantakas, muskets and bullets of which they made use in the last action, inasmuch as one here has already obtained such clarification regarding the latter through the interrogation of the detainee Hermanus Knappers, as the report of the Fiscal here, attached to this for your information in order to make the necessary use of it, demonstrates. The daily growing power of the Sentongers, who according to the letter of Ensign Fisscher dated 3 September are already 2000 men strong, their stubbornness, and the fact that they cannot be prevented from joining with the Balemboangers, presents a worrisome aspect, and for that reason I consider good communication between our people in the last mentioned district and Ensign Fisscher both necessary, as it appears to me in every way more advisable that the latter should remain in the well-provisioned benteng near Sentong and not advance towards Djembaar before his force is larger, and at the same time offensive action can be taken from the side of Balemboangang, since especially now that the enemies have already triumphed twice, it appears more prudent to wait a while, rather than to sacrifice matters in the meantime to an uncertain outcome. If in the beginning matters had not been taken too lightly, and the sloop De Hoop had been sent to Balemboangang to cruise the shores instead of to the capital, the two pantjalangs presently there could have been used to transport arriving and departing goods back and forth, and thus the embarrassment regarding vessels would have been significantly prevented; whereas I am now only very deficiently able to assist Your Honour therewith. For since the sloop De Hoop has not yet returned, and the Samarang is lying completely dismantled at the wharf, I cannot send anything other than a cruising pantjalang alongside three mayang proas mentioned earlier, with which, and with the cruising and other vessels belonging to the East Hook itself, I hope that it will suffice, at least until Your Honour can be better provided for. Against the commanding of military personnel with unfit weapons, as I must deduce from one of the letters of the Pasoeroean commandant Goudelag dated 16 September had occurred, strict vigilance must be maintained, and note must also be taken of all cannons, mortars, muskets and other weapon supplies and whatever else gets lost, and in due course the necessary declarations for that purpose must be collected, while in the meantime all possible search must be employed for their recovery, and after that, or when matters by Heaven's goodness have ended for the best, a request for the writing off of that which shall remain missing must be made at once. After greetings, I remain, below stood, Your Honour's good friend, was signed, I. R. van der Burgh, in the margin stood, Samarang the 11 October 1771. turn over 229: 231: From Java's North-East Coast the 8 November 1771. To The Senior Merchant Mr. Pieter Luzac Authority over the East Hook Right Honourable, Pious, Discreet, The accompanying copies of reports of the so-called Balambangan prisoners of war sent here, or rather their contents when confronted with what was written to Your Honour by the First Regent in that district Cartanagara, having appeared so speculative to me that without delay the consequently quite suspect conduct of the Second Regent Saxcanagara must be investigated, Your Honour will immediately have to give orders to that effect to Lieutenant Commandant Goudelag, with authorization to arrest Tascanagara if he is found guilty of the charges brought against him, and to send him to Sourabaija in order to be detained there under good supervision until my further writing, since in such a case his stay can bring about nothing other than harmful consequences. To the servants in the field, everything that regulations and usage entail may be provided, under observation of proper economy. Arrack, ammunition and artillerymen will, I do not doubt, already have arrived at Your Honour's; wine and sack will also be dispatched one of these days as far as the supply allows, but the other items requested in Your Honour's separate letter of the 12th of this month, such as bacon, meat and beer, not being on hand, must first be requested and awaited from Batavia. Wherewith I remain after greetings, below stood, Your Honour's good friend, was signed, I. R. van der Burgh, in the margin stood, Samarang the 19 October 1771. turn over

Dutch transcription

Van Javas Oostkust den 8 November 1771. provisioneel Twee den Regant Saxa Nagara voor z achte ik het nood zakelijk en recommandeere VWE: over zulks, om den Luitanant Gondelag (die twijffe„ le ik niet, voor ontvangst deezes bereeds naar Balem„ boangang op weg zal zijn (onder andere poincten die te zijner naricht dienen moeten, in scriptis te de„ mandeeren, daar na, en ook aan wie moet worden geattribueert dat de gemeene man voor geleverde Bus„ fels geen betaling gekreegen heeft, zoo wel op het naauwkeurigste onderzoek te doen, als uit te vors„ schen, welke doch de weezentlijke oorzaaken dezeo troubelen zijn, en dus ook of Residenten en Regenten beide dan wel afzonderlijk daar toe aanleiding gege„ ven hebben, mitsgaders waar de Rebellen gekomen zijn aan het kruist, de Rantakken, geweeren en kogels waar van zij zich in de laatste actie hebben bediend, invoe„ gen men hier reeds door ondervraging van den gede„ tineerden Hermanus Knappers omtrent het laatste zodanige Elucidatie heeft bekomen als ter uwer na„ richt, om er het nodige gebruik van te maken het dezen bijgevoegde bericht van den Fiscaal alhier aantoond. De dagelijks aangroeiende magt der sentongers, als volgens 229: Van Javas Oost kust den 8 November 1771. volgens schrijvens van den vendrig Fisscher de dato 3. Sep„ tomber al 2000. koppen sterk zijnde hunne halsterrigheid, en dat niet kan worden belet dat zij met de Balemboan„ gers conjungeeren, geeft een zorgelijk aspect, en ik agte om die reeden eene goede correspondentie tusschen de on„ ze in 't laast gem: district, en den vendrig Fisscher zo wel noodzakelijk, als het mij alle zins raadzamer voorkomt, dat den laatsten in de wel voorziene Benting bij sen„ tong zoude blijven, en niet naar Djembaar oprukken, voor dat zyn magt grooter was, en teffens van de kant van Balemboangang offensief kan worden geageerd, dewijl het voor al nu de vijanden al tweemaalen hebben getruim„ pheerd, voorzigtiger voorkomt wat te wagten, dan in tus„ schen de zaaken aan een onzeekeren uitslag te sacrifiee„ ren Als men in den boginne de zaaken niet te ligt geteld, en de sloep De Hoop, in steede van naar de Hoofdplaats, naar Ba„ lemboangang gezonden had, om de stranden te bekruissen, zoude de thans daar zijnde twee pantjallangs om af en aan„ vaarende goederen over een weer te Transporteeren kun„ nen worden gebruikt, en des de verlegentheijd om vaartuijgen merkelijk zijn geprevenieerd; terwijl ik thans niet dan maar zeer gebrekkelijk in staat ben VW E. daar mede te assisteeren. want Van Javas Oostkust den 8 November 1771. want de sloep De Hoop nog niet geretourneerd zijnde, mitsgaders de Samarang aan de werff geheel ontakeld leggende, kan ik niet anders zende, dan een kruis„ pantjallang nevens drie prauwmaijangs voorwaarts gemeld, en waarmede, en met de in den Oosthoek zelfs te huis hoorende kruis en andere vaartuijgen ik hoope, dat het te stellen zal zijn, ten minsten zoo„ lange dat „ VWE. beter kan voorzien Tegen het commandeeren van Militairen met onbekwaa„ me wapens, gelijk ik uit een der brieven van den Passerouangs commandant Goudelag de dato 16. september moet opma„ ken dat geschied zoude zijn, dient exact gewaakt, en ook van alle Canons, mortieren, geweeren en andere wapen goederen en wesmeer dat verlooren raakt notitie gehou„ „en in den tijds de daar toe nodige verklaaringen ingewonnen, mits„ gaders intusschen alle mogelijke rechergie ter wederom krij„ ging aangewend, en daar na, of als de zaaken door 's He„ mels goedheijd ten besten getermineerd zijn, op eens ver„ zoek ter afschrijvinge van het geene absent blijven zal, gedaan worden. Ik blijve naar groete (onderstond, VWE: goede vriend (was geteekend) I. R. van der Burgh (ier margine stond) Samarang den 11. october 1771. verte 231: Van Javas Oostkust den 8 November 1771. Aan Den opperkoopman M:r Pieter Luzac Gezaghebber over den Oosthoek Erntfeste, vroome, Discreete, De nevens gaande Copia relaasen der herwaarts gezonden zoo genaamde Balemboangsche krijgsge„ vangen, of eigentlijk dies inhoud bij confrontatie te„ gens het geschrevene aan VWE. door den eersten Re„ gent in dat district Cartanagara, mij zoo specula„ tief te voren gekomen zijnde dat zonder versuim het dien volgende vrij suspect gedrag van den Tweeden Re„ gent Saxcanagara dient te worden onderzogt, zal VWE. zulks ten eersten den Lieutenant Commandant Goudelag dienen in mandatis te geven, met qua„ E lificatie om Tascanagara indien Hij aan het Item ten lasten gelegde schuldig bevonden word, op te ligten en naar Sourabaija te zenden ten einde daar onder goed opzicht tot mijn nader schrijven aangehouden Van Javas Oostkust den 8. November 1771. aangehouden te werden, dewijl in zoo een geval zijn verblijft niet anders dan schadelijke gevolgen na zich sleepen kan Aan de dienaaren te velde, mag alles wat de bepaaling en het gebruik mede brengt, onder ob„ servantie van een behoorlijke zuinigheijd worden verstrekt. Arak, Ammunitie en Arthilleris„ ten zullen twijffele ik niet bereeds bij VWE. aan„ gekomen zijn; wijn en zecq zal men zoo veel den voorraad toelaat Eerstdaags ook afzenden, maar het verder bij VWE. aparte van den 12. deezer gevraagden als spek vleesch en Bier niet aan handen zijnde moet zulks eerst van Ba„ tavia worden versogt en ingewagt Waar meede blijve naar groete (onderstond) VWE. goede vriend (was geteekend) I. R. van der Burgh (in margine stond) Sa„ marang den 19: October 1771. verte

NL-HaNA_1.04.02_3337_1595 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 8 November 1771. To the Senior Merchant Mr. Pieter Luzac, Authority over the East Coast. Honorable, Pious, Discreet, Yesterday, certain military personnel arrived here as reinforcements from Batavia under a Lieutenant Reijgers, already commanded to proceed to Costij with his corps of dragoons, alongside the aforementioned officers and the necessary infantrymen up to 107 European heads on the primary establishment, item 3 assistant surgeons by sea, using a private barkentine as much as possible, and the remainder in native small craft, in order to be employed where circumstances make it necessary and advisable, so that the objective—namely the subjugation of the rebels, the recapture of our overrun post on Noessa, and the abandoned Poeger and Bangle, as well as the restoration of general peace and tranquility—may be speedily achieved. And since Captain-Lieutenant Reijgers holds seniority over all the officers who are currently on the expedition and proceeding thither, and furthermore Lieutenant Goudelag is also deemed necessary at Passerouang to keep an eye on matters in the west, and particularly of Malang and Antang, he shall, upon the arrival of Captain-Lieutenant Reijgers in the Balemboang district, turn over to him the command along with everything pertaining thereto, and subsequently proceed to Passerouang in order to keep matters on that side in order as much as possible and to direct them, as he has done thus far to my complete satisfaction, which may well be testified to that officer on my behalf. Insofar as the present state of affairs can be gathered from the successively dispatched reports, and the deficient information that I have had concerning the Company's forces due to the absence of the brief monthly returns ever since the end of August allows me to do so, I shall provide Commander Reijgers with an instruction, to be amplified and altered by Your Honor in mutual consultation as circumstances shall require; while I in the meantime am of the opinion that it will be most advisable to augment the Sumanappers and Pamacassangers to a number of 1000 heads, and insofar as they are not yet there, to have them cross over directly to Oeloepampang, and also to let the Madurese remain at Panaroekan until Your Honor, together with Commander Reijgers, shall have devised the most suitable arrangements, whether to have the latter form a cordon from Panaroekan to the southernmost part of Lamadjang and thereby prevent any evasion to the west, or to use them first against the Sentongers, and subsequently likewise advance toward Balemboangang in order to attack the principal rebel in his hideout Baijoe with united forces; but in that case it must not be forgotten to enable our forces near Sentong to resist the enemy on that side; while I authorize Your Honor, if it is deemed necessary and expedient, to take 1 to 200 easterners into service at Coste, as has been practiced heretofore, for such time and pay as circumstances shall require. To what extent Their High Excellencies condemn the conduct observed by Lieutenant van Imhoff with regard to the Pentongers appears from the enclosed extract of a separate missive; and since after the arrival of the new reinforcements the number of officers will be ample, I deem it not unserviceable to let the said van Imhoff return to Sourabaija to serve there militarily as before. And proceeding herewith to answer Your Honor's separate letters of the 18th and 23rd of this month, I shall expect as soon as possible the outcome of the inquiries demanded of Lieutenant Goudelag into the conduct of the Regents and other matters besides, while regarding them and the treatment of the native population, that which was prescribed by Their High Excellencies in the enclosed extract of the esteemed separate missive of the 11th of this month must be observed. Lieutenant Goudelag having directly notified Your Honor by his letter of 16 September that he had been obliged to exchange some unserviceable weapons of the command of Ensign Fisscher, he is by no means blameworthy on that account, but rather the person who did not notice it; and that the precautions taken by Your Honor against it are not sufficient appears from the writing of Postholder Kramer dated the 9th of this month, that he had also been obliged to exchange two serviceable muskets for two unserviceable ones with Sergeant Beijer. The delivery of 100 grenadier muskets at the request of the Prince of Madura for his men is approved, provided that attention is paid to their restitution when they return from the expedition; and that Your Honor, due to the death of Lieutenant Biesheuvel, had assigned the management of affairs at Oeloepampang to the Junior Merchant Schophoff, I provisionally approve, or until it shall have pleased Their High Excellencies to make further disposition concerning it, also insofar as domestic matters are concerned.

Dutch transcription

233 Van Javas oostkust den 8 Novemb:r 177. Aan den opperkoopman M Pieter Luzac Gezaghebber over den Oosthoek Erntfeste, vroome, Discreete; Op gisteren hier eenige militairen tot verster„ king van Batavia onder een Luitenant Reijgers, reeds gecommandeert, om met zijn Corps Dragonders, nevens opgemelde officieren en de nodige Infanteris„ ten tot 107. koppen Europeesen primo plan, item 3. ondermeesters overzee, met een particuliere Bar„ quentijntje zoo veel mogelijk, en de overige met jnlandse kleene vaartuijgen zich naar Costij te begeven ten einde g'emploijeert te worden, waar de omstandigheden het noodzakelijk maken, en raad„ zaam voorkomt, om het oogmerk, namentlijk de te onderbrenging der rebellen de herneeming van ons afgelopen postje op Noessa, en het verlaten Poeger en Bangle, mitsgaders de herstelling ee„ nen ƒ Van Javas Oostkust den 8 November 1771. nevr algemeene rust en vreede, spoedig te berijken En dewijl den Capitain Luitenant Reijgers derang toekomt van alle de officieren die actueel in expedie zijn en daar toe overgaan, mitsgaders den Lieute„ nant Goudelag ook te Passerouang noodzaakelijk geoordeelt word om het oog te houden op de zaaken om de west, en wel bizonder van Malang en An„ tang, zal Hij naar aankomst van den Capitain Luitenant Reijgers in't Balemboangsche, aan hem het commandant met het geene daar toe be„ hoord dienen over, en zich vervolgens naar Passe„ rouang moeten begeven, om aan die kant de zaa„ ken zoo veel mogelijk in ordre te houden en zoo te derigeeren, als hij dus verre tot mijn volkomen. genoegen, dat dien officier mijnentweegen wel mag worden betuigt heeft gedaan D Ik zal zoo verre den presenten toestand der zaaken uijt de successive overgezonden berichten op te maken is en de gebrekkige informatien die ik van 'sComp. magt, mits ontstentenis der korte sterkten al sedert ult:o aug:s hebbe mij daar toe in staat stellen, den commandant Reijgers met een jnstructie voorzien, om door VWE: met onder„ 235 Van Javas Oostkcust den 8 November 1771. „ling overleg geamplieerd en gealtereert te worden. na dat de omstandigheden het zullen komen te re„ quireeren; Terwijl ik intusschen van gedagten ben dat het raadsaamst zal zijn de Sumanappers en Pamacassangers tot een getal van 1000. koppen te augmenteeren, en zoo verre zij er nog met zijn di„ reet naar Oeloepampang te doen overstee„ ken, mitsgaders de Madureezen te Panaroekan te laten verblijven, tot dat VWE: met den Comman„ dant Reijgers de best voorkomende schikkingen zult hebben beraamd, 't zy om de laatste een Cardon te laten trekken van Panaroekan tot het zuide„ lijkste van Lamadjang en daar door alle uijtwij„ king naar het westen voor te komen, of om hen eerst legen de Sentongers te gebruijken, en ver„ volgens mede naar Balemboangang te doen oprukken ten einde den hoofd rebel in zijn schuilnest Baijoe met vereenigde kragten te attacqueeren, doch indien gevalle zal niet mogen vergeeten worden de onze bij sentong in staat te stellen om den vijand aan die kant te kunnen resisteeren; terwijl ik VWE: quali„ ficeeren om als het noodzakelijk en dienstig geacht Van Javas Oostkust den 8. November 177 1771. geacht word 1. à 200. oosterlingen te Coste in dienst te neemen even als wel eer gepractiseerd is; voor zo„ danige tijd en bezolding als de omstandigheden zul„ len komen te vereisschen In hoe verre hunne hoog Edelheden het gedrag van den Luitenant van Imhoff ten aanzien der Pentongers gehouden condemneeren, blijkt bij nevens leggend Extract aparte missive, en dewijl na aankomst der nieuwe versterking het getal der officieren ruijm toerijken zal, achte ik het niet ondienstig gemelde van Imhoff weder naar Sourabaija te laten opkomen om daar even als bevorens te militeeren. En hier meede overgaande ter beantwoorden„ ge VWeraparte Letteren van den 18. en 23. deezer, zal ik zoo draa mogelijk verwagten den uijtslag der den Luitenant Goudelag gedemandeerde enquesten na het gedrag der Regenten en an„ dere zaaken meer, terwijl omtrent hen en de be„ handeling van den jnlander moet geobserveerd worden het aangeschrevene door hunne hoog Edel„ heden, bij nevens leggend Extract gerespecteerde aparte missive van den 11. deezer. Den 237 Van Javas Oostkust den 8 November 1777. Den Luitenant Goudelag aan VWE: direct bij zijn brief van den 16. September kennisse ge„ geven hebbende, dat hij verpligt was geweest ee„ nige onbequaame wapenen van het commando van den vendrig Fisscher te verruilen, is hij geenzints deswegens reprochabel, maar wel den geene die zulks niet heeft geremarqueert, en dat VWE. gestelde voor zorge daar tegen met voldoen, blijkt uit het schrijven van den Posthou„ der Kramer de dato 9. dezer, dat hij den serge„ ant Beijer ook twee bekwaame tegens twee onbe„ quaame geweeren had moeten verruilen. De afgave van 100. granadiers geweeren op versoek van den Prins van Madura voor zijn volk is wel, mits dat op dies restitutie wanneer zij uit de expeditie te rug keeren gedagt worde, en dat VW E: mits het overlijden van den Luite„ nant Biesheuvel de mancance van zaaken te Oeloepampang aan den onderkoopman schophoff opgedragen had, approbeeren ik bij pro„ visie of tot dat het hunne hoog Edelheden behaagt zal hebben daar omtrend nader te dispo„ neeren mede voor zoo verre het huishoudelijke aangaat

NL-HaNA_1.04.02_3337_1600 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 8 November 1771. concerns, but to take command of the garrison, an ensign who possesses the necessary capacities will have to be stationed there. Ensign Fisscher acted more prudently in camping at Centong than in carrying out the intention to take up a post at Djember, as long as his force is clearly insufficient to attack the enemy and dislodge them, the more so now that some hope seems to arise that those peoples will come to their senses, for which Pro Jowana, who is conducting himself very faithfully, may indeed be employed with a cautious distrust, under promise of reward as soon as peace is restored; for to appoint him immediately as head of Sentong upon Your Honour's recommendation, over which place one is not even fully master yet, would be acting rather rashly. Finding nothing further to remark upon the remaining contents of your letters for the present, I remain, after greetings, (below stood) Your Honour's good friend (was signed) I. R. van der Burgh (in the margin stood) Samarang, 30 October 1771. please turn over 239: From Java's East Coast, 8 November 1771. To the Senior Merchant Mr. Pieter Luzac, Authority over the East Point. Honourable, Pious, Discreet! Pursuant to my recent letter of 30 October last, Captain-Lieutenant Reijgers, with his command consisting of dragoons and infantrymen, as will appear to Your Honour from the transmitted muster roll, numbering 108 heads on the first plan, departed from here the day before yesterday, and I have prescribed to that officer separately, and to the Lieutenant of infantry Heinrich together with the Ensigns De Chateauvieux and Ostrouwkij, such points for their information and observation as the accompanying copy of the instructions will demonstrate to Your Honour, to which Your Honour may and shall add such orders as the circumstances of time and affairs, after proper deliberation, make necessary; while I, since these military men may not be detained at your post for a single moment needlessly, also do not doubt that Your Honour, upon receipt of my above-mentioned writing, will have immediately arranged for everything necessary to be prepared, in order to dispatch him again over sea as quickly as possible and forward him further. All that was supplied and provided here for the service and use in the expedition for the dragoons and infantrymen appears from the invoice of charges also already dispatched, and is evidenced by a note from Captain-Lieutenant Reijgers, which I enclose herein for Your Honour's information in making further provisions: for in everything attention must be paid to necessity, but at the same time economy must be observed. And as it has pleased Their High Noble Excellencies to send some artillerymen hither as well, I shall send over to Your Honour tomorrow: 1 extraordinary lieutenant, 1 ditto fireworker, 1 bombardier, and 4 gunners, to be employed where necessity 241 From Java's East Coast, 8 November 1771. shall demand it and make it advisable, in the hope that with the 223 military men now successively sent to Your Honour and the native force gathered together, the objective will soon be achieved, and the desired peace and tranquility fully restored. I remain, after greetings, (below stood) Your Honour's good friend (was signed) I. R. van der Burgh (at the side stood) Samarang, 4 November 1771. (below stood) Agrees (was signed) I. R. Van der Burgh. Report given by the Balambangan Mane wadie, lurah of the village Katintang, on Wednesday, 2 October 1771: That in the time of the Tumenggung Suta Nagara, when Bappa Antie, currently named Tumenggung Jaksa Nagara, was patih under him, he distributed to each of the mantris two sacks of rice the first time, and afterwards another sack, saying it was given by the Company for payment, since rice at that time was very scarce on Balambangan, which rice was distributed again by the mantris to each of their lurahs, half a sack each, who then distributed it further to the common people pro rata, and they had to pay five hundred picis for each sack. The lurahs also had to supply two buffaloes each at that time, which were demanded from Samarang, on the promise that one thousand picis would be paid for each buffalo; however, no payment has yet followed. Likewise, the buffaloes that the common man supplied once a week for the Company's servants have not been paid for to date. Shortly before the Lord Authority was to arrive at Balambangan, the Tumenggung Jaksa Nagara also had distributed through a Turk to each of the mantris half a kati of opium, who divided the same again among their lurahs to the weight of 1/4 or even 7/8 real, for 243: From Java's East Coast, 8 November 1771. for 350 picis each, and after the departure of the Lord Authority from Balambangan, the Tumenggung Jaksa Nagara distributed to each household of his subjects 250 whole duits, in order for them to pay back one real in silver coin afterwards, and half a real for each widow and widower for 125 duits, which treatments the common man took very much to heart, as the declarant can presume from this, and the consequences thereof having now become apparent. Shortly before, about half a month ago, before the people became rebellious, five gundiks and ten other dalem maids of the former regents fled from the dalem of Paksa-nagara, who were pursued by some lurahs but not overtaken, and thereafter two mantris, namely Bowo Loksono and Singo Drono, were sent out again to search, who found the footprints of women and followed them up to Mount Bayu, where they found a rampak who had already deserted his mistress over a year ago, the same having been a panakawan of the Tumenggung Paksanagara.

Dutch transcription

Van Javas Oost kust den 8. November 177 71. aangaat, doch om het commando over de bezetting te voeren, zal aldaar een vendrig, die er de nodige capaciteiten „ heeft moeten worden geplaast. De vendrig Fisscher heeft voorzigtiger gedaan op Centong te campeeren, dan het voorneemen om op Djember post te vatten te volvoeren, zoo lange zijn magt blijkbaar niet toerijkende is om de vijanden te attacqueeren en te kunnen de lo„ geeven, te meer nu er eenige hoope zich schijnt op te doen dat die volkeren tot in keer komen zul„ len, waar toe den zich zeer trouw gedragende Pro„ Jowana wel met een voorzigtig wantrouwen mag„ worden gebruijkt, onder belofte van belooning zoo draa de rust hersteld zal zijn; want om hem op VWE: voordragt zoo maar aanstonds tot hoofd van Sentong daar men zelfs nog geen volko„ me meester van is aan te stellen, zoude vrij voor„ barig gehandeld weezen Op den verderen inhoud uwer Letteren voor tegenswoordig niets te remarqueeren vindende blijve ik naar groete (onderstond) VWE: goede vriend (was geteekend) I. R. van der Burgh (in margine stond) Samarang den 30. october 1771. verte 239: Van Javas Oostkust den 8 November 1771 Aan den opperkoopman M:r Pieter Luzac Gezaghebber over den Oosthoek E Erntfeste, vroome, Discreete! Jngevolge mijn jongste van den 30. October Laastleden is den Capitain Luitenant Reijgers, met zijn commando sterk, aan Dragonders en In„ fanteristen gelijk bij de overgezonden naam volle VWE: blijken zal 108. koppen primo plan reeds eergisteren van hier vertrokken, en ik heb dien officier afzonderlijk, en den Luitenant van de jn„ fanterie Heinrich nevens de vendrigs De Cha„ teauvieux en Ostrouwkij tezamen zodanige poincten ter hunner naricht en observantie voor„ geschreven, als nevensgaande Copia jnstructien VWE: aantoonen zullen, waar bij VWE: zulke or„ dres zult mogen, en hebben te voegen, als de om„ standigheijd van tijd zaaken, na goed overleg noodzakelijk H Van Javas Oostkust den 8. November 1774. noodzakelijk maaken; terwijl ik, om dat deeze militairen geen ogenblik noodeloos te Costij mo„ gen worden aangehouden, ook niet twijffele, of VWE: zult na den ontvangst van mijn bovengem: schrijven direct het nodige hebben doen inge„ reedheijd brengen, om hem op het spoedigst over zee weder af en verder voort te zenden: Al wat hier ten dienste en tot gebruik in de expidi„ tie voor de Dragonders en jnfanteristen is ver„ strekt en mede gegeven blijkt bij de ook reeds af„ gezonden factuur van aanreekening, en consteerd bij een notitie van den Capitain Luitenant Reij„ gers, die ik deezen includeeren, tot VWE: naricht in het doen van verdere verstrekkingen: wanten al„ les moet op de noodzakelijkheijd gelet, doch ook tef„ fens de menage betragd worden. En dewijl het Hunne Hoog Edelheden behaagd heeft ook eenige Arthilleristen herwaarts te zenden, zal ik op morgen tot VWE. laten overgaan 1. Extra ordinair Luitenant, 1. _ o _ o Vuurwerker 1. Bombardier, en 4. Busschieters, ten emplooij waar de noodzakelijk„ 241 Van Javas Oostkust den 8. November 1771. „heijd het vorderen en raadzaam maaken zal, in hoo„ pe dat met de VWE. nu al successive toegezonden 223. militairen en de bij een gebragte jnlandsche magt, spoedig het oogmerk bereijkt, en de gewensch„ te rust en vreede ten vollen hersteld zal kunnen worden. Ik blijve naar groete (onderstond) VWE: Goe„ de vriend (was geteekend/ I. R. van der Burgh ter zijde stond) Samarang den 4. November 1771. (onderstond) Accordeert (was geteekend) I. R. Van der Burgh Relaas gegeven door den Balemboanger Mane wa„ die Loera van de Negorij Katintang Op Woensdag den 2. october 1771. Dat ten tijde van den Tommongong Soeta Nagara als Bappa JR Van Javas Oost kust den 80. November 1771. Bappa Antie, thans gehooten Tommangong Iacsa- Nagara bij den zelven bepattij geweest, aan de man„ tries ider twee zakken Rijst de eerstemaal, en nader„ hand nog een zak heeft uijt gedeelt, zeggende van de Comp: gegeven voor betaling, vermits d' rijst toenmaals op Balemboangan zeer schaars was, welke rijst door de mantries wederom aan ieder hunner Loe„ ra, een halve zak verdeelt, die dan verder aan de gemeene na Rato uitgedeelt hebben, en daar voor moeten opbrengen ider zak vijf hondert keppings De Loevas hebben toenmaals ook twee buffels ider moeten opbrengen, dewelke van Samarang g'eijscht zijn, mits belofte daar voor betaalt zal worden duij„ sent keppings voor ieder buffel, egter nog geene be„ „taling gevolgt is, ook zijn de buffels, die de gemeene man een 'sweeks voor de Comp: dienaaren opgebragt hebben, tot nog niet betaalt geworden. Den Tommangong Taksa Nagara heeft ook kort voor dat de heer gezaghebber op Balemboangan stout te komen door eene Turkontje aan de man„ tries laten uijtdeelen ider een halve Catje amplie„ oen, die het zelve wederom aan hunne Loeras ver„ deelt hebben de swaarte van – ¼. ook wel — 7/8. reaal voor 243: Van Javas oostkust den 8. November 1771. voor 350. keppings ider en na het vertrek van d' heer gezag„ hebber van Balemboangang heeft den Tommangong Taksa nagara aan zijn onderhorige ider huijshou„ ding uitgedeelt 250. heele duijten om daar voor na„ derhand met zilver geld te voldoen een reaal, en . een halve reaal ider weduwe en weduwenaar voor 125. duijten, welke behandelingen de gemeene man zeer ter harte is gegaan zo als hij relatant, daar uijt presumeeren kan, en de gevolgen daar van nu ge„ bleeken zijnde. kort voor omtrent een halve maand geleeden eer dat het volk rebels zijn geworden, zijn uit den dalm dat van Paksa-nagara gevlugt vijf goudiks en tien andere dalms mijden van de voorige re„ genten, dewelke door eenige Loeras na zijn gezet dog niet agterhaald, en daar na wederom twee man„ tries als Bowo Loksono en Singo drono uijtge„ zonden om te zoeken, dewelke de voetstappen van vrouwen gevonden en na gevolgt zijnde tot de berg Baijoe (alwaar zij eene rampak hebben ge„ vonden, die voor heen al over een waar van zijn meesteresse geabsenteert hadde, zijnde den zelven een Panakawan geweest van des Tommongong Paksanagara

NL-HaNA_1.04.02_3337_1606 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 8 November 1771. Taksa-nagara's blood relation named Bappa Samiela (who out of despair, because Iaksanagara out of jealousy over his mistress sought to have him killed, had run away and stayed there with an Orang Tapa named Mane Ropo, where they were addressed by this Rampak and asked, "Well, what are you people doing here?"), replied nothing thereto: "We have been sent out to search for the goudiks of the Tommangong Taksa-nagara who are absent." He said in reply, "They are here; you people must not make much fuss, for they are my Goudiks, and if you, Bowo Loksono and Singo Drono, do not know who I am, I am Agong Willis. And what do you people intend to do with those two roosters that you brought with you?" "We bring them to you as a present." "Yes, good," said this Rampak, "but if you wish to sell them to me, I have no pitjes." Thus both returned home with nothing accomplished. That the dispatched men had taken those two roosters with them, the relator says to have heard, was because they had been so instructed by the people of the negorij Sangon, 245: From Java's East Coast the 8 November 1771. Sangon, who had advised them that whenever they wished to go to Baijoe, they must first take roosters with them, because a cockfight is being held there and it is said that Agong Willis is there. Furthermore, he, the relator, also heard tell that when those two came home, they made a report not only to the second Tommangong but also to the first that they had found there the Tommangong's blood relation's panakawan named Rampak, who poses as Agong Willis. And as soon as this unexpected news was reported to the Tommangongs, they decided with the others to go there the next day with some men to investigate the matter; but having approached there, they were immediately attacked, during which the bepattij Toijo Loksono was killed. Furthermore, the relator also declares to have heard, because at that time he was standing guard by the hourglass of his Tommangong, the first regent, that the wife and son-in-law of that bepattij were very grieved that the dead body had not been brought home, and that very same night many of the kotta people From Java's East Coast the 8. November 1771. as well as panakawans of this Toijo Loksono fled to Baijoe, and the next day his wife with her son-in-law went to Dadap, which lies not far from Baijoe. The relator further declares that he had not maintained the slightest correspondence with the rebels, but had always remained in his negorij, until the Company's troops struck against them at Ginting; he, with his wife and children, of whom one son who calls himself Sradie is also imprisoned here, came to the mantrie Tjarang Andul at Poroka to submit himself and surrendered his kris and pike to the same. However, his wife with his other child, having remained somewhat far behind, were shot at by the people of Tjarang Andul and ran away out of fear, not knowing where they have ended up. Thus related at the Netherlands Office Sourabaija, Date as above. (Underneath stood) the mark of Mane Wadie. (Lower) In the presence of me, (was signed) F. Helmont, sworn Translator. (Underneath stood) Agrees, (was signed) F. Helmont, sworn Translator. Account 247 From Java's East Coast the 8. November 1771. Account given by the Balemboanger Bappa Wadie, Petingie of the Negorij Katintang, on the 17. October 1771. The Relator tells that his entire Account which he had given at Sourabaija on the 2. October passato was the pure and sincere truth, adding however hereto for greater amplification of the same: That when the Sourabaija governor had arrived at Balemboangan, he immediately appointed the Sourabaija bepattij Karta Widjaija as first and the Balemboanger Bappa Ansie as second Regent under the Name of Tommongong Taksa Nagara, which last-named, however, had been the causa movens of all the present unrest in Balemboangan, because he had never given the common people their payment for what they had to deliver, wherefore they had fled to the mountains of Baijoe and requested help From Java's East Coast the 8 November 1771 from a certain Rampak, who had taken up their cause and was now called Agong Willis. That this Rampak had been a Panakawan to the Balemboanger Bappa Samiela, and that the aforementioned was a brother's son of the above-mentioned Bappa Ansie or Tommangong Taksanagara; when Bappa Samiela had now died about 2 years ago, he, Rampak, out of fear of being killed by Taksa Nagara, had gone to a certain Tappa named Mane Ropo in the mountains of Baijoe in order to be instructed in sorcery, with whom he had also stayed until he thought himself able now, through the assistance of the common people, to take revenge on Taksa Nagara. Further the Relator says that all the subjects of the aforementioned Taksa Nagara had also fled to the mountains of Baijoe to the so-called Agong Willis, and that the same according to hearsay were said to be 200 men strong; that on the other hand the common people of the first regent Karta Widjaija did not defect so much, and he still had about 200 heads with him. Lastly the Relator says that he never was with the enemy

Dutch transcription

Van Javas Oostkust den 8 November 1771. Taksa-nagara bloet vriend genaamd Bappa sa„ miela (dewelke uijt wanhoop dewijl dat Iaksana„ gara hem uijt saloersheijd voor zijn heersvrouw, zogt om te laten brengen weg was gelopen en zig aldaar op gehouden bij eene orang Iapa genaamt mane ropo alwaar zij door deeze rampak aangesprooken en ge„ vragt geworden wel wat moet gij lieden hier hebben, repliceerde daar op niets, wij zijn uijt gezonden om de goudiks van de Tommangong Taksa-nagara op te zoeken die abzent zijn, hij daar op wederom zij zijn hier (:gij lieden moet maar geene veele be„ weegings maken want het zijn mijne Goudiks en zoo gij Bowo Loksono en Singo Drono (niet weet wie dat ik ben, ik ben Agong Willis: en wat wil gij lieden met die twee haanen doen die gij mede heeft gebragt, wij brengen u die tot een ge„ schenk ja goet zijde deeze rampak (maar als gij het mij verkopen wil zoo heb ik geen pitjes, dus dus zijn die beide onverrigter zaak wederom na huijs gekeert Dat de uijtgezondene die twee hanen meede heb„ begenomen zegt den relatant gehoort te hebben, dat haar zulks onderrigt zijn van het volk op de Negorij Sangon 245: Van Javas Oostkust den 8 November 1771. Sangon, die hun geraden hadde, wanneer zy na Baij„ de willen, als dan eerst hanen moeten meede neemen, wijl dat aldaar eene hare gevegt gehouden word, en men zegt dat Agong willis daar is Verders heeft hij relatant nog hooren verhalen, wanneer die beide te huijs zijn gekomen, niet al„ leen aan de tweede Tomm: maar ook aan de eerste rapport hebben gedaan dat zij des Tommangong bloed vriend zijn Panakawan gen=t Rampak, daar gevon„ den hadden, die zig voor Agong Willis uijt geeft: en zoo dra deeze onverwagte tijding de Tomman„ gons gerapporteert zijnde, beslooten met den ande„ ven om 's anderen daags met eenige manschap„ pen daar na toe te gaan, om zulks te ondersoeken, dog daar genadert zijnde, ten eerste g'attacqueert is, geworden, waar bij gebleven de bepattij Toijo. Lok„ sono. Wijders verklaart den relatant ook gehoort te heb„ ben wijl dat hij toenmaals bij het uurglas van zijn Tomm: de eerste regent de bij wagt hadde, dat de vrouw en schoonzoon van dien bepattij zeer leet daden dat het doode Lighaam niet te huijs was gebragt. zijnde die eijgenste nagt ook veel van het kottas volk Van Javas Oostkust den 8. November 1771. volk als ook Panakawans van deeze Toijo Loksono na baijoe gevlugt, en 's anderen daags daar aan zijn vrouw met haar schoonzoon na Dadap dat niet ver van baijoe legt Nog verklaart den relatant alverder dat hij de ge„ ringste correspondentie niet gehouden heeft met de rebellen, maar altijd op zijn negorij gebleven, tot wanneer Comps volkeren tegens haar op Ginting geslagen, is hij met zijn vrouw en kinderen waar van een zoon mede hier gevangen, zig genaamd sra„ die bij den mantrie Tjarang Andul, op Poroka ge„ komen om zig te submitteren en zijn kris en piek aan den zelve overgegeven egter zijn vrouw met zijn andere kind wat verre agter afgebleeven, door 't volk van Tjavan Andul op geschoten geworden, zijn uijt vrees weg gelopen niet weetende waar dat be„ land zijn. Aldus gerelateert ten Nederlands Comptoire Sourabaija Dato voorsz: (onderstond) het merk van Mane Wadie (lager) inkennisse van mij (was geteekend) F=k Helmont gesw: Translateur (onderstond) Accordeert (was geteekend) F: Hel„ mont gesw: Translateur. Selaas 247 Van Iavas oostkust den 0. November 1771. Relaas gedaan door den Ba„ lemboanger Bappa Wadie, Petingie van de Negorij Ka„ tintang op den 17. October 1771. Den Relatant verhaalt dat zijn gansche Rolaas het gene hij te sourabaija op den 2. October passato gegeven hadde de suijvere en opregte waarheijd was, voegende hij egter tot meerdere ampliatie van het selve hier nog bij. Dat wanneer den sourabaijs gezaghebber te Balemboangan gekomen was, hij aanstonds den Sourabaijs bepattij karta widjaija tot eerste en den Balemboanger Bappa Ansie tot tweeden Regent met de Naam van Tommong: Saksa Nagara aangesteld had, welke laast gen: egter de Causa movens van alle de tegenswoordige opvoer te Balemboan„ gan was geweest, door dien hij de gemeentens noijt haare betaling gegeven hadde voor 't gene sij had„ den moeten opbrengen, weswegens sij na 't gebergte Baijoe gevlugt waaren en hulp versogt hadden ga ƒƒ o Van Javas oost kust den 8 November 1771 by seekere Rampak, die zig hunner had aangeno„ men en nu Agong Willis genaamd wierd. Dat deeze Rampak Panakawang was geweest bij den Balemboanger Rappa Famiela, en dat de wegen: een Broeders zoon van bove gem: Bappa Antie of Tomman: Taksanagara was, wanneer Bappa Famiela nu voor omtrend 2. jaren gestor„ ven was, had hij Rampak sig uijt vreese van door Taksa Nagara gedood te worden bij zeekere Tappa gen=t Mane Ropo op het gebergte Baijoe begeven, ten einde zig in de toverije te laten onder„ rigten, bij den welke hij ook gebleven was, tot dat hem gedagt hadde, zig nu door adsistentie der ge„ meentens aan Taksa Nagara te kunnen wree„ ken wijders zegt den Relatant dat ook alle de on„ derhorige van wegen: Taksa Nagara na het ge„ bergte Baijoe bij den sogen: Agong willis gevlugt waren, en dat deselve volgens horen zeggen 200. man soude sterk zijn, dat daar en tegens de gemeen„ tens van den eerste regent karta widjaija niet so zeer verliepen, en ook nog wel 200. koppen bij zig hadde. Laastelijk zegt den Relatant dat hij nooijt bij den vijand

NL-HaNA_1.04.02_3337_1611 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 8th of November 1771. had been an enemy, nor had held with the same, but that his chief named Lemboe Gierie had fled with wife and chil- dren to Baijoe, after whom they had come to search in his negorij, but not finding the same, had seized him in his stead and brought him under arrest to Oeloepampang, nothing further. Thus done and related at the government of Samarang, date as above. (Below stood) some characters, and set beside them by Bappa Wadie. Known to me (was signed) C. E. Boltze, sworn scribe. Report made by the Balambangan Made at Samarang, the 18th of October Anno 1771. The relator says that he had had to go with his master, the patih Joijo Loksono, to the mountains of Baijoe in order to attack the enemy, but From Java's East Coast, the 8th of November 1771. the aforesaid patih having been killed, he, the relator, had departed back homewards; here some of those marauders from Baijoe had come and had dragged him along by force, but after a stay with them of 7 days he had escaped from them again to his dwelling place, where they had seized him and sent him up to the commandant at Oeloepampang as a spy; nothing further. (Below stood) Known to me (was signed) C. E. Boltze, sworn scribe. Report of the Balambangan Saradie, son of Bappa Wadie. The relator says that he had had to watch over the paddy lombong of the first regent Karta Widjoija, but that he was seized by an unknown native From Java's East Coast, the 8th of November 1771. and likewise delivered over as a spy to the commandant, without he, the relator, having seen an enemy nor having held with the same; nothing further. (Below stood) Known to me (was signed) C. E. Boltze, sworn scribe. Report made by the Balambangans Karti Wongso and Bappa Goebeng. The relators say that they were never with the rebels, but remained in their negorij Phaijton, situated a day's journey from Baijoe, but when the Company's Europeans marched, they were seized by some Cafres and sent to Oeloepampang; nothing further. (Below stood) Known to me (was signed) C. E. Boltze, sworn scribe. Report From Java's East Coast, the 8th of November 1771. Report of the Ba- lambangan Silaroe. The relator relates that he had been a subordinate of the patih Toijo Leksono and had had to depart with him to Baijoe, but his patih having been killed there, he had turned back again to his negorij Latang to look after his mother, but not finding the same, he had searched for her and found her at the desa Bandjar, wherefore he returned with her back to his desa Latang, where without any reasons he was seized by Cafres and sent to Oeloepampang; nothing further. (Below stood) Known to me (was signed) C. E. Boltze, sworn scribe. Further From Java's East Coast, the 8th of November 1771. Further addition, pertaining to the narrative of the Balambangans Bappa Wadie and Silaroe, given at Samarang on the 18th of October 1771. The relators say that they had seen with their own eyes that Bappa Antie, alias Tommongong Taksa Na- gara, had sent muskets, powder, and lead by some of his mantris to Agong Willis at Baijoe, of which one and the other, however, the quantity was unknown to them; that those mantris were named Wiro Mongolto, Soero Mongollo, Kraheng Dono, From Java's East Coast, the 8th of November 1771. Dono, Lemboe Gierie, Singo Lengko- wo, Singo Merto, Mane Dono, and Dondo Mongollo, who had also all remained with Agong Willis; nothing further. (Below stood) Some characters, and set beside them by Bappa Wadie and Si Laroe. Known to me (was signed) C. E. Boltze, sworn scribe. (Below stood) Agrees. (Was signed) J. R. van der Burgh. People From Java's East Coast, the 8th of November 1771. Today, the 16th of October 1771. Appeared before me, Hendrik Schophoff, Secunde here, present the witnesses to be named below, the provisional second regent of Balambangan, Taksa Nagara, to whom the report given by the prisoner of war and former lurah Mane Wa- die of the negorij Katitang before the sworn translator at Sourabaija, Fredrik Helmond, dated the 2nd of this month, was read word for word, and the meaning contained therein was clearly made to be understood by me, Secunde, and the witnesses in the Malay language, whereupon the appearer declared to be true and truthful: Firstly, that at the time of Major Colmond's administration here, he had been called by the same diverse times, and he had had weighed out to him, the appearer, from time to time up to four coyans of rice, at that time when rice had been very dear here, when he had still been patih alone under both the then still provisional regents Soetanagara and Wangsingsarie, and was ordered to give that rice to the regents in order to have distributed to the mandoors half From Java's East Coast, the 8th of November 1771. half a coyan, who had worked on the Honorable Company's forts at Oeloepampang and on the Goenong Ikan, as well as those who had worked on the roads and bridges, instead of money, and to sell the remainder at the sack for 500 kippings, and that the regent Soetanagara subsequently through him, the appearer, had had distributed of the mentioned rice to each man three, firstly 2 sacks and for the second time one, with orders to have brought in for each sack five hun- dred kippings, just as the lord major had ordered. Secondly, that the aforementioned major had once given orders through him, the appearer, to the regent Soe- tanagara to have a hundred buffaloes collected for payment in order to be able to send them to Sourabaija, whereupon the regent Soetanagara had also had the aforesaid hundred buffaloes brought in among the chiefs, and had promised for each two Spanish reals or one thousand kippings (as here then 500 kippings were commonly given for a real), which that regent also subsequently partly paid to the chiefs by the piece against one thousand kippings or two reals, as that regent had received them from the afore- mentioned

Dutch transcription

249: Van Javas Oostkust den 0 November 171. vijand geweest, nog met dezelve gehouden had, maar dat zijn hoofd gen=t Lemboe Gierie met vrouw en kinde„ ren na Baijoe gevlugt was, na dewelke men in zijn Negorij was komen soeken, dog den selven niet vin„ dende, had meer hem in dies plaats opgevalt en in arrest na oeloepampang gebragt, zonder meer Aldus gedaan en gerelateert ten gouverne„ mente Samarang dato voorsz: (onderstond) eeni„ ge Caracter en daar bij gesteld door Bappa wadie in kennisse van mij (was geteekend) C. D. Boltze 19 gesw: scriba. Relaas gedaan door den Balemboangar Made te Samarang den 18. October A=o 1771 Den Relatant segt dat hij met sijnen heer den bepattij Joijo Loksono na het gebergte Baijoe had moeten gaan ten eijnde den vijand te attacqueeren, dog Van Javas Oost kust den 3 November 171. dog revegen: Tepattij gesneuveld sijnde, was hij Rela„ ten weder thuijs waards vertrokken hier „ waren ee„ nige dier stroopers van Baijoe gekomen en hadde hem met geweld mede gesleept, dog na een verblijf bij haar van 7. daagen was hij van hen weder g'echap„ paart na zijn woonplaats alwaar men hem opge„ vat en voor een spijoen aan den commandant te oeloepampang op gezonden had; zonder meer (onderstond) Jn kennisse van mij (was geteekend) C. P. Boltze gesw: scriba Relaas van den Balem„ boangar Saradie zoon van Bappa Wadic. Den Relatant segt, dat hij op de Padie Lom„ bong van den eerste Regent karta Widjoija had moeten passen, dog dat hij door een onbekende inlan„ der 251 Van Iavas Oostkust den 8. November 1771. „der was opgevat en meede als een spioen aan den Com„ mandant overgeleevert geworden, zonder dat hij Rela„ tant een vijand gezien nog met deselve gehouden had„ de; zonder meer (onderstond) jnkennisse van mij was geeteekend) C. E. Boltze gesw: Ccriba. Relaas gedaan door de Balem„ boangers karti Wongso en Bappa Goebeng De Relatanten seggen, dat zij nooijt bij de Rebel„ len geweest maar op hunne Negorij Phaijton een dag„ rijse van Baijoe geleegen gebleeven waare, dog wan„ neer 's Comp: Europeesen marscheerden waren sij door eenige kaffers op gevat en na Oeloepangang verzonden; zonder meer (onderstond) jnkennisse van mij (was geteekend) C. E. Boltze gesw: scriba Nelaas 9 Van Javas Oost kust den 8 November 1771. Relaas van den Ba„ lemboangar Silaroi Den Relatant verhaald, dat hij een onderhorige van den Eepattij Toijo Leksono geweest was en met hem na Baijoe had moeten vertrekken, dog sijn Pe„ pattij aldaar gedood zijnde, was hij weder terug na zijn Negorij Patang gekeerd, om na zijn moeder te keijken, dog dezelve niet vindende, had hij haar opgezogt en op de dessa Bandjar gevonden, des hij met haar weder terug keerde na zijn dessa Latang alwaar hij zonder eenige reedenen door kaffers was opgevat en na Oeloepampang gezonden gewor„ den; zonder meer (onderstond) jnkennisse van mij (was geteekend) C. E. Boltze gesw: scriba Vadere 253: Van Javas oost kust den 8 November 1771. Vadere Ampliatie, specterende tot het verhaal van de Balemboangers Bappa Wadie en Silaroe gegeven te Samarang op den 18. October 1771. Ten Relatanten seggen, dat zij met oogen gezien hadden, Bappa„ Antie alias Tommangong Taksa Na gara door eenige zijner mantries sna„ phaien kruijt en Lood aan Agong Willis na Baijoe gesonden had, van welke een en ander hen egter de quan„ titeit onbewust was; dat die mantries genaamt waren, Wiro mongolto, Soero mongollo Kraheng Dono Van Javas Oost kust den 3 November 1771. Dono Lemboe gierie Singo. Lengko¬ vo, Singo merto, Mane Dono en Dondo Mongollo, dewelke ook alle bij Agong Willis gebleven waren; zonder meer (:onderstond) eenige Caracter en daar bij gesteld door Bappa Wadie, en Si Laroe inkennisse van mij (was geteekend:) C. P. Boltze gesw: scriba (onderstond) Accordeert (was geteekend) I. R. van der Burgh Lieden 255. Van Javas oostkust den 8 November 1774. Heeden den 16. October 1771. Compareerde voor mij Hendrik Schophoff, Secun¬ de alhier present de natenoemene getuijgen. Den provisioneel tweede Regent van Balemboangang Tasca nagara, aan Den welke het relaas door den kreijgsgevange en geweze Loera Mane wa„ die, van de Negorij Katitang voor den gezworen Translateur toe Sourabaija Fredrik Helmond in dato 2 deezer gegeeven van woord tot woord voor gehouden en de zin daar in begreepen, door mij secunde en getuijgen duijdelijk in de Maleidsche tale te verstaan gegeven zo verklaarde den Com„ parans waar ende waaragtig te zijn Eerstelijk dat den tijde van den Majoor Colmond sijn bestier alhier bij denzelve diverse malen was geroepen en tot vier Coijangs Rijst voor en na aan hem Comparant had laten toeweegen, in die tijd dat de rijst alhier seer duur was geweest wanneer nog bepattij alleenig bij bijde als toen nog provisioneele regenten soetanagara en Wangsingsarie was geweest, en bevolen die rijst aan de Regenten te geven om aan de battoors een 9 Van Javas oostkust den 3: November 1771 een halve Coijang dewelke aan 's E Comp forten te oeloepanpang en op de Goenong tkan als die aan de wegen en bruggen hadden g'arbeid, te laten uijtdeelen in steede van geld, en de overige de zak voor 500. kippings te verkopen, en dat den Regent„ Poetanagara door hem Comparant naderhand van gementioneerde Rijst aan ieder man drie eerstelijk 2. zakken en voor de Tweedemaal een had laten uitdeelen met ordre voor ieder zak vijfhon„ dert kippings te laten op brengen zoo als den Heer majoor bevoolen had. Ten tweede dat voormelde Majoor eens ordre had laten geven door hem comparant aan den Regent Poe„ tanagara om een hondert buffels voor betaling te laten vergaderen om na Sourabaija te kunnen ver„ zenden, den Regent Soetanagara daar op ook voorsz hondert buffels onder de hoofden had laten opbren„ gen en voor ieder beloofd had twee spaanse realen ofte Een Duizent kippings (:wijl hier toen 500: kippings voor een reaal in de wandeling was gege„ 21 ven) die dien Regent ook gedeeltelijk aan de hoofden naderhand het stuk tegens Duijsent kippings ofte twee reaalen gelijkse dien Regent van meermel„ de

NL-HaNA_1.04.02_3337_1619 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 8 November 1711. the Major had deducted in reduction of his debt, had received payment. Thirdly, that in the time of the frequently mentioned Major, one and sometimes more buffaloes a week had been delivered to the European master baker by the first Regent Soetanagara, and by that master baker had also each time been paid for according to the size of those buffaloes to the said Regent, who also had partly paid those cash amounts to the owners of that horned cattle, and had left them partly unpaid. Fourthly, that he, the appearer, in the month of May last had been requested by many mantris and loerahs to assist them in obtaining opium, because at that time none of that poppy juice was to be obtained here, had bought eight katties from Commandant Biesheuvel and had sold them to the petitioners for 250 and also 260 kippings. Fifthly, that he, the appearer, also at the request of some mantris in the month of July last, after the Lord Governor had departed from here, at the request of some mantris had lent each sixteen Spanish reals in whole copper duiten, at 250 to each real, in order subsequently From Java's East Coast the 8 November 1771. to reimburse in hard money, but had given nothing for the exchange of hard reals as stated in the report. Sixthly, that some maidservants had fled before the riot here from his, the appearer's, compound, who had previously indeed been servants of the former first Regent Soetanagara, where, of which knowledge was also given the day after to Commandant Biesheuvel and Second Resident Schophoff and loerahs were sent after them to trace those women, yet they were not found; he, the appearer, shortly thereafter had received news that common folk living at and around Bajoe were under the illusion that the former Maas or Pangerang Willis had returned there; the mantris Bawalaxana and Sinodirono with the foreknowledge of Commandant Biesheuvel, the first-mentioned mantris also being of the first Regent Cartanagara, were sent thither to investigate precisely how matters stood with that pretended Pangerang Willis, but by no means to pursue the aforesaid runaway women, whom they nevertheless, arriving then at Bajoe, From Java's East Coast the 8 November 1771. had met with the pretended Pangerang with a few men who were entertaining themselves there with cockfighting; that they had found there a youth by the name of Rimpak, who had previously indeed been a panakawan with a brother of the appearer by the name of Bappa Jamilla, who had claimed that the spirit of Maas or Pangerang Willis had entered into him, was their lord, and that the mantris had had to swear the oath of loyalty to him before they were allowed to leave again and at the same time had to promise that they would return, bring people with them, and having thus returned home had given a report of their experiences to the appearer and first Regent From Java's East Coast the 8 November 1774. Regent Cartanagara. Seventhly, that he, the appearer, upon the report of the aforesaid mantris Bawalaxsana and Sinodirono, went inside with the first Regent Cartanagara to the Commandant and Second Resident, made a report with the same and asked their opinion on what they had best do hereupon to get that Maas Willis with his people away from Bajoe; the sentiment of the Commandant and Second Resident had been for the appearer first to go to Bajoe with a small retinue and see whether the common folk there could be drawn away from their pretended Willis by gentle arguments, or otherwise, reinforced with a European detachment, to go thither in order to try to capture that pretended Pangerang From Java's East Coast the 8 November 1771. and to disperse the people therefrom before they might reinforce themselves there through further influx, it had remained decided; however, having left the interior, the first Regent Cartanagara took counsel to go thither also on his own authority, for which purpose he quickly gathered a large party of people here at Poenassem and in the Cotta, having beforehand borrowed two rantakas from the head of the Chinese nation and bandher here, took them along, and thus further arrived in Bajoe at the people gathered there who were still few in number, having sat down a little, the Balemboangers brought along had nearly all united themselves with those at Bajoe and made amok upon them, so that they were forced to take flight, leaving behind From Java's East Coast the 8 November 1771. the aforesaid two rantakas and two firearms, having however no more powder nor lead with them; the appearer's brother remained behind with several more Sourabaians. Herewith ending the appearer's given declaration, giving as reason for knowledge as stated in the text, offering, if required, to confirm it with a solemn oath. Thus done and declared at the Dutch office of Oeloepanpang on the date aforesaid. Below stood: some characters. Lower: In my presence. Was signed: H:k Schophoff. In the margin: as witnesses, was signed: N. C. Transz: and A. de Veij. Below stood: Agrees. Was signed: I. R: van der Burg. Today

Dutch transcription

257 Van Javas Oostkust den 8. November 1711. de majoor inmindering van zijn debet gekort had„ voldaan gekreegen. Derdens dat ten tijde van dikwerff gemelde ma„ E joor 's weeks een en ook wel meer buffels aan den Euro„ peese bakmeester door de eerste Regent soetanaga„ ra was gelevert, en door dien bakmeester ook tel„ kens voldaan na de grootheijt van die buffels aan gem: Regent, die ook die contanten gedeeltelijk aan d'eigenaars van dat hoorenvee voldaan, en gedeelte„ lijk onvoldaan had gelaten Vierdens dat hij Comparant in de maand Maij jongstleden door veele mantries en Loeras was ver„ sogt, hun aan amphioen te helpen, wijl er toen van dat heulsap alhier niets te bekomen was, van den Commandant Biesheuvel agt katties had gekogt en aan de versoekers tegens 250. en ook 260. kippings verkogt had Vijfdens dat hij comparant meede op versoek van eenige mantries in de maand Iuli jongstle„ den na dat den Heere gezaghebber van hier ver„ trokken was op versoek van eenige mantries ge„ leent had ieder sestien spaanse realen aan ge„ „ heele kopere duijten, à 250. ider reaal om in ver„ volg Van Javas oostkust den 8. November 1771. „volg in hart geld te remboursseeren, maar niets ter in„ wisseling van harde realen gegeven als bij 't relaas opgegeven sesdens dat eenige meijden voor den oploop alhier uijt zijn Comparant dal in waren gevlugt, die wel voor heen bediendens van den geweese eerste regente soeta nagara waren geweest, waar te zijn, waar van ook kennis 's daags daar aan van aan den Com„ mandant Biesheuvel en tweede resident schop„ hoff gegeven en Loeras nagezonden om die vrou„ wens na te speuren, egter niet gevonden, hij compa„ rants kort daar op tijding had gekreegen dat er ge„ meene volkeren bij en omtrend: Bajoe woonende, in verbeelding waren dat den geweeze maas of Pan„ gerang willis aldaar wederom was gekomen, de mantries Bawalaxana en Sinodirono met voorkennisse van den Commandant Biesheuvel als mede eerst gem: mantries van den eerste regent Cartanagara zijnde derwaarts gezonden om nauwkeurig te ondersoeken hoe het met dien ge„ waande Pangerang Willis gelegen was, maar geenzints om voor verhaalde weg geloope vrou„ wens na te gaan, diese dog toen op Bajoe komen„ de 259 Van Java's Oostkust den 8 November 1771. „de hadden ontmoet bij de gewaande Pan„ gerang met eenige weijnige man„ schappen die hun aldaar met ha„ ne vegtery hadden vermaakt; dat ze aldaar eene Iongeling in naa„ me Rimpak, wel voor heen Panakawan was geweest bij een broeder van den Comparant in name Bappa Ja„ milla hadden gevonden die zig had uijtgegeven dat de geest van Maas of Pangerang Willis in hem was gevaren„ haar heer was, en dat ze man„ tries han den Eed van trouwe hadden moeten sweeren voorse wederom hadden mogen heen gaan en teffens moeten belo„ ven, dat ze wederom zouden komen, volk meede brengen en zoo wederom thuijs gekomen van haar wedervaaren verslag aan den Comparant en eerste Regent Van Javas Oostkust den 8. November 1774. Regent Cartanagara hadden gege¬ ven. zeevendens dat hij Comparant op 't berigt van voornoemde mantries Bawalaxsana en Sinodi„ ronio, met den eersten Regent Car„ tanagara bij den Commandant en tweede Resident waaren bin„ nen gegaan met dezelve ver„ slag gedaan hebben en gevraagt 't goed dunken wat ze best daar op hier in deeden om dien maas Wil¬ lis met de zijne van Bajoe af te krijgen 't gevoel van den Comman„ dant en Tweede Resident was geweest, den Comparant voor eerst met weini„ ge gevolg na Bajoe te gaan en zien 't gemeen volkje aldaar van hun gewaande Willis door zagt zin„ nige redenen af te trekken wa„ ren, of anders met een Europees Commando verstrekt na derwaarts „te gaan om dien gewaande pange„ rang 261: Van Javas oostkust den 8. November 1771. „rang zien te bemagtigen en 't volk daar van te verstrooijen voor dat ze door verder toeloop hun aldaar niet mogten versterken, beslooten was ge„ bleven, egter van binnen afgegaan zijnde, den eerste regent Cartana„ gara te rade was geworden op eigen authoriteit mede derwaarts te gaan, waar toe een groote parthij volk al„ hier op Poenassem en in Cotta in spoed versameld had, na alvorens van het hoofd der Chineese natie en bandher alhier twee rantakjes geleend had meede genomen, en zoo voorts tot in Bajoe bij de zig aldaar nog weijnig in getal ver„ sameld hebbende volk gekomen, een weinig neer gezeten geweest, de mee„ de genomen Balemboangers meest alle hun met die te Bajoe veree„ nigt hadden en amok op haar had„ den gemaakt, dat ze genoodsaakt wa„ ren geweest de vlugt te neemen met agter Van Javas Oostkust den 8. November 1771. agter lating van voorm: twee Rantakjes en twee schiet geweeren, egter geen kruit nog lood niet meer bij hun gehad hebben„ de des comparant broeder was gebleven met nog eenige sourabaijers hier meede Eindigende des Comparants gege„ vene verklaring, gevende voor reeden van wee„ tenschap als in den text vermeld, onder aan„ bieding des gerequireerd werdende met so„ lemneelen Eede te willen bevestigen. Aldus gedaan en verklaart ten nederlands Comptoire Oeloepanpang dato voorsz: (onderstond) eenige Caracters (Lager) in kennisse van mij (was geteekend) H=k Schophoff (in margine) als getuijgen C C Transz: en A. (was geteekend) N. de Veij (onderstond) Accordeert (was Geteekend) I. R: van der Burg Heeden

NL-HaNA_1.04.02_3337_1625 view scan ↗

English

263: From Java's East Coast, the 8th of November 1771. Today, the 16th of October 1771. Appeared before me, Hendrik Schophoff, secunde here, in the presence of the witnesses to be named hereafter. The Balambangan mantri Tjaringandul, who declared that on the 16th of September last, he, the appearer, had been sent on patrol by the Lieutenant and Commander of the Honorable Company's field troops here, Thomas Imhoff, encamped near the village of Tommogoro, and arriving near Troeka, had previously discovered that the rebels each wore a token of coconut leaves around their necks and on their pikes; he, Tjaringandul, had thereupon dressed himself and his men accordingly, in order to mislead the rebel parties and thereby be able to approach; having thus approached a large party in the forests that had been on the road to Bajoe, with three horses and a number of people laden with rice, capas, chickens, and some cotton yarn, he captured from that party a lurah named Mane-wadie, formerly of the village of Kahtang, and his own son, whereupon the rest of them through the forests From Java's East Coast, the 8th of November 1771. leaving behind the aforementioned two swivel guns and two firearms, though they no longer had any powder or lead with them; the appearer's brother had remained behind with some more people of Surabaya; herewith ending the appearer's given declaration, stating as reasons for his knowledge as mentioned in the text, offering, if required, to confirm this with a solemn oath. Thus done and declared at the Dutch trading post of Oeloepampang on the date aforesaid. (Below stood) some characters. (Lower) In the presence of me, (was signed) Hk. Schophoff. (In the margin) as witnesses, C. Fransz and A. (was signed) N. de Veij. (Below stood) Agrees, (was signed) I. R. van der Burg. Today 263: From Java's East Coast, the 8th of November 1771. Today, the 16th of October 1771. Appeared before me, Hendrik Schophoff, secunde here, in the presence of the witnesses to be named hereafter. The Balambangan mantri Tjaringandul, who declared that on the 16th of September last, he, the appearer, had been sent on patrol by the Lieutenant and Commander of the Honorable Company's field troops here, Thomas Imhoff, encamped near the village of Tommogoro, and arriving near Troeka, had previously discovered that the rebels each wore a token of coconut leaves around their necks and on their pikes; he, Tjaringandul, had thereupon dressed himself and his men accordingly, in order to mislead the rebel parties and thereby be able to approach; having thus approached a large party in the forests that had been on the road to Bajoe, with three horses and a number of people laden with rice, capas, chickens, and some cotton yarn, he captured from that party a lurah named Mane-wadie, formerly of the village of Kahtang, and his own son, whereupon the rest of them through the forests From Java's East Coast, the 8th of November 1771. forests had taken flight, and brought them to the aforementioned Lieutenant Imhoff, who had him further searched and found a number of lontar leaves on which it was written that the Prince of Bajoe had qualified him, Lurah Mane-wadie, to requisition at all villages for his assumed Highness, rice, capas, and cotton yarn, chickens, eggs, buffaloes, coconut oil, and whatever else the country produced. Furthermore, he, the appearer, declared that he had no firearms with or among his patrol when he took the aforementioned Lurah prisoner, nor had he discovered any women at or near that capture; and that this Lurah had also tried to take flight, but had been surrounded too swiftly by his men. Also appeared the First Regent Cartanagara, the Bangil mantri Soij Josinorro, the Surabaya mantri Manon Joedo, the Balambangan mantries Lanlanpassier, Joeroekoentje, Sinnidokko, Sinodirono, and Ongo-gipto, who declared that on the 16th of September last 265 From Java's East Coast, the 8th of November 1771. last, when they were encamped near the village of Tomogorro, the mantri Tjaragandul had been sent out by the Lieutenant and their Commander Thomas Imhoff with some men to go on patrol as far as the village of Troekan; the named Tjaringandul had returned towards evening to his encampment, having brought in bound a former Lurah of the village of Hahtang, named Mane-wadie, whom the frequently mentioned Commander had searched further and found on his person, bound in a leather pouch on his body beneath his clothing, a number of letters written on lontar leaves, stating that he who was called by the rebels Pangerang Willis and also Susuhunan at Bajoe, had written his orders thereon that the villages mentioned therein should deliver to Lurah Mane-wadie the specified quantities of rice, paddy, buffaloes, chickens, fighting cocks, capas, cotton yarns, From Java's East Coast, the 8th of November 1771. yarns, coconuts, coconut oil, and whatever else, in order to bring those products to Bajoe to his self-assumed Highness. All the aforesaid they, the appearers, testify, after it was once again presented to them, to be the pure and genuine truth, offering, if required, to confirm it in their manner with a solemn oath. (Below stood) Thus done and declared at the Dutch trading post of Oeloepampang on the date aforesaid. (Was signed) with some characters by the aforementioned appearers. (Lower) In the presence of me, (was signed) Hk. Schophoff. (In the margin) as witnesses, (was signed) Ns. Cs. Fransz and A. D. Veij. (Below stood) Agrees, (was signed) I. R. van der Burgh. Ex

Dutch transcription

263: an Javas Oostkust den 8 November 1771. Heeden den 16. October 1771. Compareerde voor mij Hendrik Schophoff se¬ cunde alhier, present de na te noemene ge„ tuijgen. Den Balemboangangs mantrie Tjaringa andul dewelke verklaarde als dat hij Comparant op den 16. September Jongstleden, door den Luite„ nant en Commandant over s E Comp: veld troepen alhier Thomas Imhoff bij de negerij Tommogo„ vo gecampeerd, op patroelje was gezonden, en bij troe„ ka komende, alvorens ontdekt had, dat de rebellen een teeken ieder aan hun hals van klapper blaa„ den, en aan haare pieken hadden, hij Tavingan„ dul zig met de zijne daar op alzo had toegemaakt, de rebellische parthijen daar door te misleiden, om te kunnen naderen, in de bosschen een groote parthij dusdanig genadert zijnde, die op de weg na Bajoe waren geweest, met drie paarden en een gedeelte volk beladen met rijst, Capas, Hoenders en eenig Catoene garen, van die par„ thij een Loera in name Mane=wadie, van de Negorij Kahtang voor heen en zelfs zoon had op geligt, waar bij de overrest hun door de bosschen Van Javas Oostkust den 0 November 1771. agter lating van voorm: twee Rantakjes en twee schiet geweeren, egter geen kom nog lood niet meer bij hun gehad hebben de des comparant broeder was gebleven met nog eenige sourabaijers hier meede Eindigende des Comparants gege¬ vene verklaring, gevende voor reeden van wee„ tenschap als in den text vermeld, onder aan„ bieding des gerequireerd werdende met so lemneelen Eede te willen bevestigen. Aldus gedaan en verklaart ten nederland Comptoire Oeloepanpang dato voorsz (onderstond) eenige Caracters (Lager) in kennisse van mij (was geteekend) H=k Schophoff (in margine) als getuijge C Transz: en A. (was geteekend) N. de Veij (onderstond) Accordeert (was Geteekend) I. R. van der Burg Heeden 263: Van Javas Oostkust den 8. November 1771. Heeden den 16. October 1771. Compareerde voor mij Hendrik Schophoff se¬ cunde alhier, present de na te noemene ge„ tuijgen. Den Balemboangangs mantrie Tjaring= andul dewelke verklaarde als dat hij Comparant op den 16. September Jongstleden, door den Luite„ nant en Commandant over's E Comp: veld troepen alhier thomas Imhoff bij de negorij Tommogo„ vo gecampeerd, op patroelje was gezonden, en bij troe„ ka komende, alvorens ontdekt had, dat de rebellen een teeken ieder aan hun hals van klapper blaa„ den, en aan haare pieken hadden, hij Javingan„ dul zig met de zijne daar op alzo had toegemaakt, de rebellische parthijen daar door te misleiden, om te kunnen naderen, in de bosschen een groote parthij dusdanig genadert zijnde, die op de weg na Bajoe waren geweest, met drie paarden en een gedeelte volk beladen met rijst, Capas, Hoenders en eenig Catoene garen, van die par„ thij een Loera in name Mane=wadie, van de Negorij Kahtang voor heen en zelfs zoon had op geligt, waar bij de overrest hun door de bosschen Van Java's Oostkust den 8. November 1771. bosschen met de vlugt hadden begeven, en bij voorm: Luitenant Imhoff aangebragt, die den zelven nader had laten visiteeren en gevonden, een par„ thij Oelas waar op geschreven was, dat den vorst van Bajoe, hem Loera mane-wadie gequalifi„ ceerd had, om op alle Negorijen voor zijn aangeno„ me Hoogheijd in te vragen, Rijst Capas, en Catoene gaven hoenders, Eijeren, buffels, Clappes olij en wes meer wat het Land voorbrengende was. voorts verklaarde hij Comparant, geen schiet ge„ weeren bij nog onder zijn patroolje gehad te hebben wanneer voormelde Loera had gevangen genomen, nog geene vrouwens bij of omtrend die gevangen nee„ ming ontdekt had; en dat dien Loera meede de vlugt had zoeken te neemen, door zijn volk te schielijk omcingeld was geworden Meede compareerde den eersten Regent Cartanagara den bangils mantrie Soij Josinorro, sourabaijas mantrie manon Joedo, de Balemboangangse man„ tries, Lanlanpassier, Joeroe koentje, sin„ nidokko, Sinodirono, en ongo-gipto, de„ welke verklaarden, dat op den 16. September J leeden ƒ 265 Van Iava's Oostkust den 8. November 1771. Iongstleden by de Negorij Tomogorro gecam„ peerd hadden, den mantrie Tjaragandul, door den Luitenant en hun Commandant Thomas Imhoff was uijtgezonden, met eenige manschappen om op patroelje te gaan tot na de Negorij Troekan, ge„ naamde Tjaring andul tegens den a„ vond wederom in zijn Campement was ge„ komen, gebonden aangebragt hadde een voor heen geweeze Loera op de Negorij Hahtang in name Mane wadie, die meergem: Commandant nog nader had la„ ten visiteeren en gevonden bij den zelven in een leere zak op zijn Lijf onder 't kleed„ jen gebonden, een parthij briefjes op Oe„ las geschreven, dat den bij de Rebellen ge„ naamde Pangerang Willis en ook wel Soesoehoenang te Bajoe, daar op zijn ordonnanties waren uijtgeschreven, de Negorijen daar in gemeld met de hoe voel„ heijd zouden op brengen, aan den Loera mane wadie van Rijst, Padij, buffels, hoenders, vegthannen, Capas, Cattoena gaarens H Van Javas Oostkust den 3 November 1771. gaarens, Clappers, dito olij en wesmeer, om die producten te Bajoe, aan zijn zig toe eijge„ nenden Hoogheijd op te brengen Alle 't voorsz: betuijgen zij Comparanten, onder nog malige voorhouding gedaan, de zuijvere en op regte waarheijd te zijn, en des gerequireerd werdende met solemneelen Ee„ de op hunne wijze te bevestigen. (onderstond) Aldus gedaan en verklaard ten Nederlands Comptoir Oeloepampang dato voorsz: (was geteekend) met eenige Caracters door vorenstaande Comparanten (lager) Inkennisse van mij (was geteekend) Hk. Schophoff (in margine) als getuij„ gen (was geteekend) N=s C=s Fransz: en A: D: veij (onderstond) Accordeert (was getee„ kend) I. R. van der Burgh Ex

NL-HaNA_1.04.02_3337_1631 view scan ↗

English

267 From Java's North-East Coast, the 8th of November 1771. Extract from the vendue roll held by the Landraad at Samarang, dated 5 August 1771: Wirjo di Poero, Second Regent of Paccalongang: 6 flintlocks at 5 1/8 rixdollars each: 30 rixdollars 36 stuivers. Notto Coessoemo, Regent at Sumanap: 6 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 31 rixdollars 24 stuivers. Soera Dirdjo, Second Regent of Damak: 12 flintlocks at 5 1/8 rixdollars each: 61 rixdollars 24 stuivers. Soemo Dirdjo, Regent at Kaliwoengoe: 6 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 31 rixdollars 24 stuivers. Souro Dipoero, Regent at Lassum: 6 flintlocks at 5 1/8 rixdollars each: 30 rixdollars 36 stuivers. Marta Loy, Javanese Fiscal: 6 flintlocks at 5 1/8 rixdollars each: 30 rixdollars 36 stuivers. Rava Nagarra, Regent at Touban: 6 flintlocks at 5 1/8 rixdollars each: 30 rixdollars 36 stuivers. Notto Coessoemo, Regent at Sumanap: 6 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 31 rixdollars 24 stuivers. Wira Nagarra, First Regent of Damak: 12 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 63 rixdollars. Titrosomo, First Regent at Japara: 12 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 63 rixdollars. Rexo Prodjo, Second Regent at Japara: 12 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 63 rixdollars. Carried forward: 468 rixdollars. From Java's North-East Coast, the 8th of November 1771. Brought forward: 468 rixdollars. Notto Coessoemo, Regent at Sumanap: 6 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 31 rixdollars 24 stuivers. Marta Joedo, Regent at Bantang: 4 flintlocks at 5 1/4 rixdollars each: 21 rixdollars. Thus in total 100 flintlocks, sum: 520 rixdollars 24 stuivers. Samarang, the 8th of November 1771. Below was written: Certified. Signed: P. Boltze, sworn clerk. Examined. Copy of incoming general letters and enclosures from Java's North-East Coast, the year 1772, No. A 16. 269 From Java's North-East Coast, the 26th of December 1771. Batavia. To His High Excellency, the High, Noble, Valiant, and Right Honorable Lord, Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Right Honorable Lords Councillors of the Dutch Indies. High, Noble, Valiant, and Right Honorable Lord, and Right Honorable Lords, In order to inform Your High Excellencies still in this late season of the state and circumstances of affairs in the Blambangan region and its vicinity, and not to trouble you with a duplicate account, I take the liberty of presenting herewith to Your High Excellencies copies of the separate letters exchanged with the Commander at Sourabaija, Luzac, since my humble last of From Java's North-East Coast, the 26th of December 1771. the 8th of November 1771, and to assure you that I remain, with no less sincere and dutiful high esteem. Below was written: Noble, Valiant, Right Honorable Lord and Right Honorable Lords. Lower: Your High Excellencies' most humble and most loyal servant. Signed: J. R. van der Burgh. In the margin: Samarang, the 26th of December 1771. Copy. 271 From Java's North-East Coast, the 26th of December 1771. Copy of a letter from Captain-Lieutenant Titular Reijgers to the Commander of the Eastern Salient, Master Pieter Luzac. I take the liberty most humbly of informing Your Noble, Valiant Honor by this that the detachment sent out to Gradjagan returned safely yesterday, the 8th, after having burned that village. However, upon arrival at Gradjagan, those people had fled to the other side of the inlet or the so-called island. Several of those left behind were slain. On that occasion, our men captured a youth who declares that he was born in Gradjagan, named Doewet, and is presumably 12 years of age; that his father, named Koentjoop, resides at Gradjagan and was instigated by his petinggi to go to the rebels at Bajoe. The petinggi is named Bappa Tjellep. However, that youth declares From Java's North-East Coast, the 26th of December 1771. that most of those people did not go to Bajoe, but rather to the village of Broewo, which lies across the inlet, although the petinggi was said to have gone to Bajoe. When asked what reason they have for rebelling, he was unable to give any other than that the petinggi had wanted it so. Furthermore, the youth declares that 12 days ago a proa from Bali, manned by 5 persons, was at Gradjagan, but after staying for 7 days and nights departed again for Bali with 4 persons, the other one having gone to Bajoe. He further declares that the Balinese had promised to fetch 50 men by sea, there having been an envoy sent to Bali, a panakawan of Agoeng Wilis, though a Balambangan by birth, who has also gone to Bajoe, the juragan having been a man from Ulupampang named 273 From Java's North-East Coast, the 26th of December 1771. Bappa Djammal, who formerly always sailed to and fro for the deceased Lieutenant Bisheuvel, who took him from the Tumenggung Soetanagara on account of his cunning, since he was previously the head of the gladak under the aforementioned Tumenggung. I shall render a dutiful report to Your Noble, Valiant Honor upon incoming news; but today life is miserable, as the Madurese absolutely refuse to provide carriers. At present I have many soldiers and no carriers, and if money does not help me out of this predicament, the expedition will make poor progress, which must be attributed solely to the regents of Sourabaija. Yesterday evening, all the mantris of Sourabaija, eleven in number, one of Passourouang, and one of Besoekie, wanted to take to their heels, but it quickly came to my ears

Dutch transcription

267 Van Iavasoost kust den 8 Novem 171. Extract uijt de ven du rolle gehouden bij den bij den landraad te Samarang in dato 5 aug:s 177: wirjo die Poero, tweede regent van Paccalongang 6 p„r sna„ phaenen â 1/8 rd„s t p„s Rd„s 30 36: Notto Coessoemo Regent te sumanap 6 p„s snaphanen â 5¼ rd„s 't p„s - „ 31: 24: soera Dirdjo Tweede regent van damak 12 p„s _„o â 7/8 rd„s 't p„s „ 61: 24: . : soemo Divirjo Regent te kaliwoengoe 6 p„s _„o a 5¼ rd„s t p„s . . „ 31: 24: souro Dipoero Regent te Lassum 6 p„s _o, a 5 1/8 rd„s t p„s - „ 30: 36: . _ Marta Loij Jav: Fiscaal 6 opp„s . . „ 30: 36. â 5 1/8 rd„s t p„s Rava Nagarra Regent te Touban - 6 p„s _o a 5 1/8 rd„s t ps - - - „ 30: 36: _„o Notto Coessoemo Regent te sumanap 6 ops— â 5¼ rd„s t p„s - 31: 24. „ - wira Nagarra Eerste regent van Damak 12 p„s _„o a 4¼ rd:s t p„s „ 63. - Titrosome Eerste Regent te Sapara 12: p„s _o a 5¼ rd„s t p„s . 63 Rexo Proodjo tweede regent te Iapara 12 p„s _o Transporteere Rd:s 468. — a 5¼ rd„s 't p„s - - „ 63 — Van Iavas Oosthust den, den 8 Novem 172. P„r Transport Rd:s 4600— Notto Coessoemo Regent te Sumanap 6 p„s spaphanen „ 31: 24 a 5¼ rd:s t p„s Marta Ioedo Regent te Bantang 4. p„s _„o „ 21: a 5¼ rd„s t p„s — Dus in'tgeheel 100 p„s Snaphaenen Somma Rd:s 520 24: Samarang den November 1771 /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend/ P: Boltze getwsenhe Steenweg Gezv: Klerk Nagezien Copia aankomende Ceere Brieven en Bijlagen van Iavas Oost Cust DA„o 1772 Ne A 16 269 Van Iavasoost kust Den 26:' Decemb:r 1771. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den hoog Edelen Gestrengen G: Achtb: Heer Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal, Nevens De wel Edele Heeren Raa„ „den van Neerlands Indië Hoog Edele Gestr: Groot Achtb:r Heer, En Wel Edele Heeren, Om uwer Hoog Edelheden nog in dit na Jaar te informeeren van den toestand ende omstandig„ „heeden der zaaken in het Balemboangsche en daar omstreeks, en met geen dubbeld recit te ver„ „moejelijken gebruik ik de vrijheid Hoogst de„ zelven nevens desen te offereeren Copia dera„ „parte brieven sedert mijn onderdanige Jongste van Van Iavasoostkust Den 26: December 1771. van den 8:' November: 1771. met den soura baijasch gezaghebber Luzac gewisseld, en te verzekeren dat ik met geen minder oprechte den verschul„ „digde Hoog agting: blijve /:onderstond:/ wel Ede„ „le Gestrengen Groot Achtbaaren Heer en wel Edele Heeren. /:lager:/ uwer Hoog Edel„ „heeden onderdanigste en aller Trouwschuldig„ „sten Dienaar /:was getekend:/ I: R: van der Burgh. /:in margine:/ Samarang Den 26: December 1771. Copia 271 Van Iavas oostkust Den 26: xber 1771 Copia missive van den Capitain Luytenant Titulair Reijgers aan den gezaghebben over den oosthoek M:r Pieter Luzac Neeme onderdanigst de vrijheid uwel Ed: gest: agtb: mits deesen te bedeelen als dat het uijt gesonden Commande na grad jagan gisteren. den 8:' behouden weeder geretourneerd is na die Negorij verbrand te hebben, dog bij komst op gradjagan zijn die volkeren gevlugt ge„ weest aan de over zeij van den inham off 't zoo genoemde Eijland, zijn Ettelijke van die agter gebleevene gesneuveld, hebben onse volkeren bij die gelegendheijd een Jongeling gevangen bekoomen die verclaard op gradja„ „gan gebooren te zijn in naeme doewet en volgens na Presumptie 12: Jaaren oud: te zijn, dies vader genaemt koentjoop woonagtig op grad„ Jagan en door zijn pettiengie op gestookt omme na bajoe bij de rot: te gaan, de pettiengie in naeme Bappa Tjellep dog verclaard dien Jonggeling Van Iavasoost kust den 26:' xber: 1771. Jonggeling dat de meeste van die volkeren niet na bajoe maar wel na de Negorij Broewo, die over den Jnham tegt, dog den Pettingie zig na baijoe begeeven zoude gevraagt wat ree„ „den zij hebben tot rebellen geen ander we„ „tende te geeven, als dat de pettingie het zoo begeert hadde. Wijders verclaard den Ionggeling dat voor 12: daegen Een prauw van balij bemand met 5: Coppen op gradjagan geweest is, dog na vertoeffens. van 7: Etmaelen weeder met 4: Coppen na balij vertrokken, zijnde de be„ „ne na bajoe gegaan. Verclaard wijders dat de baleijers zouden beloofd hebben omme 50: man zeecours te haelen, zijnde in bezending geweest na balij Een pannakawang van agong wil„ lis, dog Een Balembranger van geboorte die zig meede na bajoe begeeven heeft zijnde de Juragan geweest een oeloepampanger in naame ƒ 273 Van Iavasoostkust Den 26:' Decemb„r 1771. naame bappa Djammal voor deezen althoos over ende week gevaeren, voor den overleedenen Luijte„ „nant Bisheuvel die hem van de Tommongong Soeta nagara geligt heeft, omme zijn sloeijeg„ „heijd daar hij van te vooren hoofd van de gela„ dak bij de voorzeijde Tommonging geweest is. — zal ik uw Ed: gestr: agtb: na inkoomende be„ „rigten een verschuldige verslag doen; dog hee„ „den gaat 't arme leevende aan derwijlen de madureesen absoluut wijgeren omme battoors te geeven, thans heb ik veel reg„ ters en geen draagers en zoo 't geld mij niet uijt de nood helpt, zal de Expeditie slegt ten voortgank hebben, dat alleen aan de regenten van Sourabaija moet toegeschre„ „ven worden. Gisteren avond hebben al de mantries van sourabaija ingetal Elff. Een van Passou„ „rouang en eene van besoekie 't haase pad willen kiesen, dog mijn spoedig ter ooren gekomen

NL-HaNA_1.04.02_3337_1648 view scan ↗

English

From Java's East Coast The 26 December 1771. arrived, all the krisses and weapons taken away, and then allowed to return to their pondoks. Furthermore, recommending myself to your Right Honorable protection and remaining with due respect lower stood title lower your Honorable's obedient servant was signed C: H: Reijgers in the margin Cotta the 9 December 1771. even lower P: S: yesterday the Lieutenant of the artillery arrived overland from Pannaroekan lower stood Agrees was signed L: Luzac lower Agrees was signed I: H: van der Burgh. Copy separate letter from the undersigned to the Authority over the East Hook Mr. Pieter Luzac. Having learned with great pleasure from your separate letter of the 2nd of this month the hope that seemed to arise, that many of both the Balemboangers and Sontongers, feeling remorse, would leave their chiefs and come over to the Company, I fully approve the notice sent out to promote that desirable matter, inviting those who shall be inclined to submit themselves. And since it is to be gathered from the reports that the Balemboangers are very much prejudiced against the provisional First Regent Carta Nagara, and in order to achieve the objective one ought to concede somewhat to that fickle people, I am of the same opinion as your Honor that it will be best to remove that Regent from there, and thus I authorize your Honor to summon him, along with his Bepatti who in the beginning was also accused of harsh treatment, to Sourabaija under some pretext or other, and subsequently, since his stay in the East Hook also does not appear advisable for the present, to send him hither; he being very conveniently able to undertake the journey with Lieutenant Goudelag when the latter returns to Passerouang, and the provisional Resident Schophoff being written to so that after his departure he may provisionally have the affairs handled solely by Iaxa Nagara, until time and opportunity shall permit making a permanent arrangement, with the recommendation to him, Schophoff, to pay in the meantime the closest attention to the conduct and sentiments of the same, in order not to be deceived through a good appearance. The provisions of meat, bacon, wine, etc., requested in the previous letter, being already on the way from Batavia, will be forwarded here directly upon receipt, and considering the remainder communicated I remain, after greetings, lower stood Your Honor's good friend was signed I: R: van der Burgh in the margin stood Samarang the 9 November 1771. Jan and named as before. I have duly received one after the other your Honor's separate letters of the 9th, 15th, and 23rd of this month with their enclosures, and learned with particular pleasure from the last the victory achieved by our men under Ensign Fisser over the enemy near Djember, by dislodging them from the benting at the Gunung Jati, not doubting that the intended establishment of the post at Adiroga and the retaking of Noessa, Bangle, Puger will have already followed upon it, while I, imploring from Heaven's goodness an equally fortunate success of the Company's arms in the Balemboang district, wish to receive shortly the news of general peace and tranquility, to which the rebels' decline at Bajoe through disease, mortality, and famine gives great hope, although in the meantime the poor condition of our Europeans through fevers, sore legs, and other discomforts causes apprehension and, if the intended objective is not achieved soon, presents a worrisome outlook. The speedy dispatch of the Captain Lieutenant Commandant Reijgers, with the dragoons, infantrymen, and artillerymen also having to contribute thereto, I therefore praise as well as approve your Honor's further arrangements made and planned on that subject, but on the other hand, condemning in the highest degree the cowardly and poor conduct of the Sourabaijers, I shall on a further occasion address the Regents in suitable terms regarding that and regarding their remissness in other matters, principally in fulfilling their contingent of rice. Regarding Lieutenant van Imhoff, I persist in what was written in the separate letter of the 28th of October last, and I authorize your Honor to confer the command over the garrison to Ensign Guttenberger at Oeloepampang and, according to the convenience of the time, now or when the expedition has ended, the command at Cotta to Ensign Schaar, until further arrangements regarding one and the other have been devised. I await the provisional First Balemboang Regent Carta Nagara here, and that he will be treated in a manner that can give as little suspicion to his prejudice as more than a flattering hope to the provisional Second Regent Taxa Nagara in his favor; the latter must, under prudent vigilance, continue to handle affairs as a Second Regent on such terms as if the first were absent for only a short time, and this until circumstances shall permit imploring a more favorable disposition in his favor. With regard to the former chief of Antang, Soemenogoro, who was indeed brought hither by your Honor, but never properly and even less with my prior knowledge handed over to the Adipatti here, and who according to your Honor's writing is currently staying in the Sultan's district of Djepan, I refer to the enclosed extract letter from the Chief at Djocjocarta, Senior Merchant Lapro, in order that your Honor may take measures in accordance therewith to regain control over that fellow, while I also still

Dutch transcription

Van Iavas oostkust Den 26: Decemb„r 171. — gekoomen, allemaal de krissen en geweezen affgenoomen en doen weder in haere pondok„ „ken laaten gaan. Verders mij in uw Ed:e Gest: agtb: protectie recommandeere en blijve met verschuldigde Eerbied /:onderstond:/ tit /:lager:/ uw Ed: agtb: ge„ hoorsamen dienaar /:was geteekend:/ C: H: Reij„ „gers /:in margine/ Cotta den 9: december 1771. /:nog lager :/: P: S: gisteren is den Luitenant van de arthillerij overland van Pannaroekan g'arriveerd /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ L: Luzac /:lager:/ Accordeert /:was geteekend:/ I: H: van der Burgh. Copia aparte Brief van den onder„ geteekende aan den gezaghebber over den oosthoek M:r Pieter Lizac. Het veel genoegen uit UWE: aparte van den 2=de deezer vernomen hebbende de hoope die zich scheen op 75 245 Van Iavasoost Kust Den 26: Decemb:r 1771. op te doen, tat veele zoo van de Balemboangers als son„ „tongers berouw krijgende, hunne hoofden verlaten en tot de Compagnie overkomen zoude, zoo approbeere „ ik ten volle, het tot bevordering van die wensche„ „lijke zaak afgezonden biljet ter nodiging van de zulke die genegen zullen zijn haar te onderwer„ „pen. En de wijl uit de berichten op te maaken is dat de Balemboangers zeer tegen den p=l Eersten regent Carta Nagara ingenomen zijn, en men om het oogmerk te bereiken dat wispelturige volk wel wat diend tot te geven, ben ik met VwE: van ge„ „voelen dat het best zal zijn dien Regent van daar te neemen, en dus qualificeere ik vWE: om hem, nevens zijn Bepatti /: die in den be„ ginne ook al van hatrde behandeling beschuldigd is:/ onder het een of ander voorwendzel naar Sourabaija te ontbieden en vervolgens wijl zijn verblijf in den oosthoek voor Eerst ook niet raadsaam voorkomt, herwaarts te zenden; kun„ nende hij zeer gevoeglijk met den luitenant Goudelag als Van Iavas oost kust Den 26: Decemb:r 171: — als die naar Passerouang te rug koerd de reise aan„ neemen, en den p„l Rresident Schophoff aangeschree„ ven worden om na zijn vertrek de zaaken door Iaxa Nagara bij provisie alleen te laaten waarnee„ „men, tot dat tijd en gelegentheid toelaaten zal een vaste schikking te maaken, onder recommandatie aan hem schophof om in tusschen de meeste atten„ „tie op het gedrag ende gezoentens van denzelven te geven ten Einde door goed voorkomen ook niet misheid te worden. De bij voorige gevraagde provisie van vleesch spek wijn, enz: reeds van Batavia op weg zijnde zal na ontvangst hier direct worden overgezonden, en het verder bedeelde voor gecommuniceerd hou„ „dende blijve ik naar groete /:onderstond:/ VWE: goede vriend /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /:in margine stond:/ Samarang den 9:' Novemb:r 1771. Jan en als vooren genoemd. Ik heb na den andere wel ontvangen VwE: aparte brieven 77 Van Iavasoost kust Den 26:' Decemb:r 1771. 27 brieven van den 9: 15: en 23:' deezer met dies bij„ „lagen, en met bezonder veel genoegen uit de laatste vernomen de vistorie door de onze onder den vendrig Fisser, op de vijand bij Djember be„ „haald, met hun uit de benting bij de goenvong Iati te delogeeren niet twijffelende of de voorge„ nomen postvatting bij Adiroga ende herneming van Noessa, Bangle poeger, zal daar op reeds gevolgd zijn, terwijl ik van 's Hemels goedheid een gelijk gelukkig succes van 's Compagnieswa„ penen in het Balemboangsche afsmeekende, bin„ „nen korte de tijding van een algemeenen rust en vreede wensche te erlangen waar toe der rebellen verval bij Bajoe door ziekte, sterfte en hongers„ nood veel hoope geeft hoe wel ook in tusschen den slegten staat onzes Europeers door koortzen, zee„ en „re beenen en andere ongemakken beduchting baard en indien het bedoelde oogmerk niet spoedig bereikt worde Een zorgelijk voor uit-zigt geeft. De spoedige voortzending van den Capi„ tain Luitenant Commandant Reijgers, met de dra gonders Van Iavasoostkust Den 26:' Decemb:r 1771. — dragonders Jnfanteristen en arthilleristen ook daar toe moetende contribueeren, louangeere ik over„ „zulks zoo wel als ik approbeere VWE verdere schik„ kingen op dat sujct genomen en beraamd, doch daar en tegen in den hoogsten graad het lafhar„ „tig en slegt gedrag der sourabaijers Condemnee„ „rende zal ik bij nadere gelegentheid de regenten daar over en over hunne overloosheid in andere zaaken voornamentlijk in de voldoening huns Con„ tingent van rijst ingepaste termen onderhouden. Omtrent den luijtenant van Imhoff. per„ „sisteere ik bij het aangeschroevene bij aparte let„ „teren van den 38: october Jongstleeden, en ik quali„ „ficeere vwE: om den vendrig Guttenberger te oeloe„ pampang het Commando over de besetting en den vendrig schaar na tijds gelegentheid nu of als de Expeditie geindigd is het Commando te Cotta op te dragen tot dat omtrent het een en ander nadere schikkingen zijn beraamd. Den provisioneel Eersten Balemboangsch regent Carta Van Iavasoost kust den 26: Decemb:r 1771 273 Carta Nagara wagte ik hier, en dat hij zal be„ handeld worden op eene wijse die zoo min argwaan in zijn prejudicie als meer dan een vlijende hoop aan den p„l Tweeden Regent Taxa Nagara in zijn voordeel geven kan, moeten dezen laatsten „een onder voorzigtig wantrouwen de zaaken als Tweede Regent blijven waarnemen in die termen als of den eersten maar voor een korten tijd afweezend was en zulks tot dat de omstandigheeden toelaten zullen eene favorabeler dispositie in zijn: faveur te imploreeren. Met betrekking tot het geweezen hoofd van Antang Soemenogoro, die wel door vwE her„ waarts gebragt. maar nimmer behoorlijk en nog minder met mijn voorkennisse aan den Adipat„ „tij alhier overgegeven is, en dewelke zich volgens vwE: schrijven tans in 's sulthans district Djepan onthoud refereere ik mij aan het inleggende Extract missive van het opperhoofd te djocjo carta den opper koopman Lapro, ten Einde vwE maatre„ gulen dien over eenkomstig te neemen, om dien knaap weeder meester te worden, ter wijl ik ook nog

NL-HaNA_1.04.02_3337_1654 view scan ↗

English

From the Java North-East Coast, the 26. December 1771. still awaiting the result of your planned measures to apprehend Joijolono, who escaped from the irons here this past year, if, as was said, he should happen to stay in the Passerouang district; he must, upon apprehension, be sent up hither in safe custody, just as was done concerning the ill-intentioned Katoet, the two Balemboang youths having indeed arrived. Everything from our provisions that can still be spared upon your demand, beyond what has already been dispatched, shall follow within a few days with the sloop Samarang, but here one is quite insufficiently supplied even with capable clerks, and if a carpenter is needed at Balemboang, one must be sent thither from Sourabaija for a short time. If it is deemed necessary to put bounties upon the heads of the rebels, I authorize you thereto, provided that this is handled in a sparing From the Java North-East Coast, the 26: December 171 281 manner, and nothing is delivered to the officers in the field except that which they declare under oath to have distributed for the purpose for which it was promised; expecting from you, after the end of the troubles, a specific record thereof, in order subsequently to request authorization for writing it off. Furthermore, this is accompanied by such extracts from the secret resolutions of Their High Excellencies of the 27: September 1771 as must serve for your information, and recommending to you a literal observation and execution of what was decreed therein, I remain after greetings underneath stood your good friend was signed I: R: van der Burgh beside it stood Samarang the 30: November 1771. lower P:S: upon the closing of this, receiving your separate letter of the 25: of this month, I consider the information communicated therein as requiring no special reply. — Not From the Java North-East Coast, the 26: December 171. — the hiring of battoors would turn out to be too costly, I cannot give my consent to your request for authorization for Commander Reijgers thereto either, but recommend to you to procure the necessary bearers as much as possible from Sourabaija and from the surrounding districts, such as Sidaijoe, Grissee, and Passerouang, to the Balemboang district from time to time. The suspicious behavior of Malang's regent Rongo Lawe must be further investigated with the utmost circumspection and diligence, and if he has not appeared upon your requisition, he must once more be invited to Sourabaija in a friendly manner, and once there he must be informed that I await him here to take the oath and to receive his commission; but if, under one or another pretext, he shows himself unwilling, and upon finding that he actually grants refuge to Djoijolono and Soemonogoro or colludes with them, the From the Java North-East Coast, the 26: December 1741: 285 Passerouang Commander ought, in one way or another, without however causing much commotion, to try to apprehend his person and send him up to Sourabaija; while I, also awaiting further reports concerning the aforementioned two rogues, shall in the meantime make preparations in case of necessity to enlist a few companies of Easterners here for the garrisoning of Lamadjang, Banger, Malang, and Antang. I still await the Balemboang first regent Carta Nagaro here, and since it appears to me that the accident with the cruising mayang boat, on which the Balinese Ketoet and two Madurese, as it seems, were placed loose and free, was likely caused by those persons and not by the pirates, the necessary inquiries must be made concerning this with the three Javanese who saved themselves, as well as whither the former has gone, and it must also be stated whether the vessel belongs there or here, and what the sailor who apparently perished was named. Wherewith I remain after greetings underneath stood was From the Java North-East Coast, the 26: December 174. the hiring of battoors would turn out to be too costly, I cannot give my consent to your request for authorization for Commander Reijgers thereto either, but recommend to you to procure the necessary bearers as much as possible from Sourabaija and from the surrounding districts, such as Sidaijoe, Grissee, and Passerouang, to the Balemboang district from time to time. The suspicious behavior of Malang's regent Rongo Lawe must be further investigated with the utmost circumspection and diligence, and if he has not appeared upon your requisition, he must once more be invited to Sourabaija in a friendly manner, and once there he must be informed that I await him here to take the oath and to receive his commission; but if, under one or another pretext, he shows himself unwilling, and upon finding that he actually grants refuge to Djoijolono and Soemonogoro or colludes with them, the

Dutch transcription

Van Iavasoost kust Den 26. December 1771. nog den uitslag te gemoete zievan uE: beraam„ de maatregulen om den in het gepasseerde voor Jaar hier uit de boeijen gevlugten Joijolono, te ligten als hij gelijk gezegd wierd, zich in het Passerou angsche mogte komen op te houden, moetende hij bij achterhaling herwaarts in verzekering opgezonden worden, zoo als omtrent den kwa„ „lijk geintentioneerden katoet is geschied, zijnde de twee Balemboangsche Iongelingen wel overge„ komen. Alles wat uit onzen voorraad, boven het roeds afgezondene op vwE: Eisch nog te missen is, zal binnen weinig dagen met de sloep Samarang volgen, dog van bekwaame pennisten is men hier zelfs genoeg„ zaam onvoorzien, en als er een Timmerman te Ba„ lem boangang nodig is, moet die van sourabaija voor een korten tijd derwaarts gezonden worden. Indien het noodzakelijk geoordeeld word op de hoof„ den der Rebellen premien te stellen qualificeere ik Vw E daar toe mits dat daar omtrent met een mena„ gieuse Van Iavasoost kust Den 26: Decemb:r 171 281 „gieuse hand te werk gegaan, en niets aan de of ficieren te velde afgegeven worde, dan het geene ie zij onder Eede verklaaren tot het Einde waar voor het beloofd is uitgereikt te hebben, zullende rk na het Eindigen der troubelen daar van een Specific„ „que notitie verwagten, ten Einde vervolgens qualifica„ „tie ter afboeking te verzoeken. Wijders verzellen deeze zodanige Extracten uit de secreete Resolutien hunner hoog Edelheden van den 27: September 1771 als ter vwer narigt strek„ „ken moeten en VWE: eene Letterlijke observantie en Executie van het daar bij g'arresteerde, daar van aan„ beveelende blijve ik naar groete /:onderstond:/ VwE: goede vriendt /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /: ter zijde stond:/ Samarang den 30: November 1771. /lager :/ P:E: op het sluiten deeses ontvangen de vwE: aparte van den 25: Deezer houde ik het daar bij gecommuniceerde als geen speciaale rescriptie i verEisschende voor bedeeld. — Not Van Iavasoostkust Den 26: decemb:r 171. — huuren van battoors te kostbaar zoude uit„ komen, kan ik mijne toe stemming op vwE: ver„ zoek om qualificatie voor den Commandant Reij„ „gers daar toe ook niet geven, maar recomman deere vwE. de nodige draagvolkeren zoo veel mo„ gelijks is van Sourabaija, en uit de discricten daar om streeks als Sidaijoe grissee en Lasserou„ „ang, naar het Balemboangsche van tijd tot tijd te „bezorgen. Het suspecte gedrag van Malangs re„ „gent Rongo Lawe moet met de uiterste Cir„ „cumspectie en vlijt nader onderzogt, en indien hij op vwE requisit niet verscheenen is, moet hij andermaal op eene vriendelijke wijse naar Sourabaija uitgenodigd, en hem daar zijnde aangezegd worden dat ik hem hier wagte om den eed te doen, en zijne acte te ontvangen doch onder het een of ander protext zich on„ willig aanstellende en bij bevinding dat hij wee„ zentlyk aan Djoijolono en Soemonogoro schuil„ „plaats vergund of met hun heuld, diend den pas Van Iavas oost kust den 26: Decemb:r 1741: 285 Passerouangs Commandant op de eene ofte andere wijze, zon„ „der Echter veel op schudding te maaken, te tragten hem in persom meester te worden, en naar Sourabaija op te zen„ „den; terwijl ik ook nadere berichten van opgemelde twee servers afwagtende, in tusschen preparatien maken zal om in kas van noodzakelijkheijd hier een paar Compag„ pnie oosterlingen aan te werven, ter bezetting van La„ madjang Banger, Malang, en Antang. Den Balemboangse eerste regent Carta Nagaro wagt ik nog hier, ende wijl het mij voorkomt dat het on„ geluk, de kruisprauwmaijang waar op den balier ke„ toet en Twee madureesen zoo het schijnt-los en vrij geplaatst waren, wel door die perzoonen maar niet door de zeeroovers zal weesen veroorzaakt, moet des„ wegens bij de drie zich gesauvierd hebbende Javaa„ „nen en ook werwaarts den eersten zich begeeven heeft de nodige en questen gedaan, mitsg:s teffens opgegeven worden of het vaartuig daar, dan wel ofg hier te huis hoord en hoe de apparent omgekomen matroos genaamd waes. Waar meede blijve naar groete /:onderstond:/ was Van Iavas oostkust Den 26: decemb:r 174. huuren van battoors te kostbaar zoude uit„ komen kan ik mijne toe stemming op vwE: ver„ zoek om qualificatie voor den Commandant Reij„ „gers daar toe ook niet geven, maar recomman deeze vwE. de nodige draagvolkeren zoo veel mo„ gelijks is van Sourabaija, en uit de discricten daar om streeks als Sidaijoe grissee en Lasserou„ „ang, naar het Balemboangsche van tijd tot tijd te „bezorgen. Het suspecte gedrag van Malangs re„ „gent Rongo Lawe moet met de uiterste Cir„ „cumspectie en vlijt nader onderzogt, en indien hij op vwE requisit niet verscheenen is, moet hij andermaal op eene vriendelijke wijse naar Sourabaija uitgenodigd, en hem daar zijnde aangezegd worden dat ik hem hier wagte om den eed te doen, en zijne acte te ontvangen doch onder het een of ander protext zich on„ willig aanstellende en bij bevinding dat hij wee„ zentlyk aan Djoijolono en Soemonogoro schuil„ „plaats vergund of met hun heuld, diend den pas

NL-HaNA_1.04.02_3337_1659 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 26th of December 1711: 285 the Commandant of Passerouang to attempt in one way or another, without however causing much commotion, to get hold of him in person and send him to Sourabaija; while I, also awaiting further reports from the aforementioned two servers, shall in the meantime make preparations to recruit a few companies of easterners here in case of necessity, for the garrisoning of Lamadjang, Banger, Malang, and Antang. I am still awaiting the first regent of Balemboang, Carta Nagaro, here; and since it appears to me that the accident involving the cruising proa mayang, on which the Balinese Ketoet and two Madurese were placed, seemingly loose and free, was indeed caused by those persons and not by the pirates, the necessary inquiries must be made regarding this with the three Javanese who saved themselves, as well as where the former has gone, while it must also be stated whether the vessel belongs there or here, and what the sailor who apparently perished was named. With which I remain, after greetings, /underneath stood/ was From Java's East Coast, the 26th of December 1771: — /was signed/ I: R: van der Burgh /:in the margin Samarang, the 17th of December 1771 / lower down stood Agreed /was signed/ I: R van der Burgh. — Copy of the Letter from the Commander of the Eastern Salient, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned. I had thought to await the arrival of Captain Lieutenant Reijgers in order, upon a complete report of the measures taken, to reply fully to the most venerated contents of Your Right Honorable's separate letter of 30 October, received by me on the 4th of November; but since in the meantime some matters worthy of Your Right Honorable's attention have come before me, I shall to that extent be able to answer in part his aforementioned letter. That I am daily awaiting Captain Lieutenant Reijgers, with the other officers and common soldiers, as well as the three assistant surgeons, in order to employ them where From Java's East Coast, the 26th of December 1711 287 where circumstances make it necessary and it appears advisable, to the end of answering to Your Right Honorable's most venerated orders. By extract of the same, I have made known Your Right Honorable's respected intention to Lieutenant Gonderlag, to the end of supplying his considerations on the measures to be taken, in order to enable me, jointly with Mr. Reijgers, to frame the same with greater prospects of a desired success, which I am still awaiting daily; while I have the honor most obediently to present to Your Right Honorable a specific demonstration of the Company's force, both Europeans and natives, for the former by a short extract of the general strength, which is sent monthly, and regarding the natives according to what was ordered of me and successively commanded for the expedition; while the further ordered measures can only be finalized upon the arrival of Mr. Reijgers and the receipt of the considerations of Mr. Goudelag. I From Java's East Coast, the 26th of December 1771. — I have sent out the Lieutenant of the Malay camp here, Bappa Soekoer, to recruit some easterners, young clever soldiers, and to that end have written to the residents concerning Your Right Honorable's venerated orders in that regard, on such footing and pay as has previously been practiced. I take the liberty to implore Your Right Honorable's more favorable considerations regarding Lieutenant Imhof, as that officer is now completely recovered again, and is very eager to repair the unfortunate blunder committed in his engagement through a double satisfaction upon the rebels to the advantage of the Company; and I flatter myself with Your Right Honorable's humane generosity in this matter, as I can well assure myself that this officer will use greater caution in order to give Your Right Honorable greater satisfaction in his expeditions, the more so because he is very well-liked by the Europeans, among whom are many who have been in the field with him before, and thus gives more probable hope of better success in the future. I 289 From Java's East Coast, the 26th of December 1771. I have not failed duly to supply to Lieutenant Goudelag, as well as to the official at Oeloepampang, what was ordered by Their High Right Honorables upon receipt of the extract of the respected separate letter of the 11th of October. That the detachment of commandos with unfit weapons has never occurred under my supervision, the officer would at all times be ready to verify, as I have had myself very strictly informed concerning the same; however, that the weapons are not so undamaged and new, or may sustain a minor defect during transport and handling on the expedition whereby they must be declared unfit for effective use rather than fit, Your Right Honorable will kindly please concede, and I find no letter from Lieutenant Gondelag that gives me direct notice of this. I shall not fail to demand back the issued grenadier muskets upon the return of the men from the expedition of the Madurese Prince.

Dutch transcription

Van Iavasoost kust den 26: Decemb:r 1711: 285 Passerouangs Commandant op de eene ofte andere wijze, zon„ „der Echter veel op schudding te maaken, te tragten hem in persom meester te worden, en naar Sourabaija op te zen„ „den; terwijl ik ook nadere berichten van opgemelde twee servers afwagtende, intusschen preparatien maken zal om in kas van noodzakelijkheijd hier een paar Compag„ pnie oosterlingen aan te werven, ter bezetting van La„ „madjang Banger, Malang, en Antang. Den Balemboangse eerste regent Carta Nagaro wagt ik nog hier, en de wijl het mij voorkomt dat het on„ „ geluk, de kruisprauwmaijang waar op den balier ke„ toet en Twee madureesen zoo het schijnt-los en vrij geplaatst waren, wel door die perzoonen maar niet door de zeeroovers zal weesen veroorzaakt, moet des„ wegens bij de drie zich gesauvierd hebbende Javaa„ „nen en ook werwaarts den eersten zich begeeven heeft de nodige en questen gedaan, mitsg:s teffens opgegeven worden of het vaartuig daar, dan wel hier te huis hoord en hoe de apparent omgekomen matroos genaamd waes. Waar meede blijve naar groete /:onderstond:/ was Van Iavasoostkust Den 26: December 1771: — /was geteekend/ I: R: van der Burgh /:in mar„ gine Samarang den 17: December 1771 / lager stond Accor„ „deert /was geteekend/ I: R van der Burgh. — Copia Missive van den Gezaghebber over den oosthoek M:r Pieter Luzac aan den „onder geteekende. Ik had gemeent te mogen in wagten de komst van den Capitain Luitenant Reijgers om bij een volleedig ver„ slag der genomen maatregulen ten vollen te beant„ woorden aan hoogst gevenereerde inhoudt uwel Edele Groot Achtb: aparte missive van den 30 october bij mij den 4: No„ vember ontvangen, dog dewijle intusschen eenige bedeeling uw: wel Ed:e Gr:t Achtb: attentie waardig mij is te vooren gekomen, zal ik in zoo verre gedeeltelijk hoogst desselfs missive voormeld kunnen beantwoorden. Dat ik den Cap:n Luitenant Reijgers, met de verdere officieren en Gemeene ook de drie ondermees „ters dagelijks ben verwagtende om te Emploieeren, daar Van Iavasoostkust Den 26: Decemb:r 1711 287 daar de omstandigheeden het moodzakelijk maken, en raadsaam voorkomt ten fine te beantwoorden aan u wel Ed:e Gr:t Achtb: hoogst gevenereerde ordres. Bij Extract ditzelve heb ik den Luijtenant Gonderlag uwel Ed:e Gr:t Achtb: g'eerbiedigde intentie te kennen gegeeven, ten fine zijne Consideratien der te niemene maatregulen te suppediteeren om mij in staat te stellen duppair met de heer Reijgers, met meer der uitzigten van een gewenscht succes dezel„ „ve te mogen beraamen, welke ik dagelijx nog ben ver„ wagten terwijl ik d' eer heb vwel Ed:e Gr:t Achtb: „gehoorsaamst aan te bieden een specifique aantoo„ „ning van Comp:e magt zoo Europeese als Inlanders bij de eerste bij een korte uittreksel van de generaa„ „le sterkte, welke 's maandelijks is afgezonden en om„ „trent de Jnlanders na het mij aangeschreeven en suc„ „cessief tot de Expeditie gecommandeert ter wijl de ver„ „dere aangeschreeven maatregulen eerst bij komst van de heer Reijgers en ontfangst der Consideratien van de heer Goudelag hun beslag zullen kunnen hebben. Ik E Van Iavas oost kust Den 26: Decemb:r 1771. — Ik heb den Luitenant van de maleitse kamp alhier Bappa soe koer uitgezonden ter werving van eenige oos„ „terlingen Jonge slupe soldaaten, en ten dien Einde de residenten vw: wel Ed:e Gr:t Achtb: gevenereerde be„ „veelen ten dien adspectie aangeschreeven op die voet en besoldinge als voor heen wel is gepractizeerd. Ik neem de vrijheid uwel Ed:e Gr:t Achtb: gunsti„ ger Consideratien omtrendt den Luitenant Imhof te imploreeren daar die officier nu weder volko„ men herstelt is, en zeer ambieert zijn ongeluk„ kige slag begaane mistasting bij eene dubbelde satisfactie op de rebellen ten voordeele van de Com„ pagnie te repareeren, en ik flatteere mij met vwel Ed:e Gr:t Achtb: menschlievende Edelmoedigheid in deze daar ik mij wel verzekeren kan dat die offi „cier meerder voorzigtigheid zal gebruiken om vwel Ed:e Groot Achtb. in zijne Expeditien meerder genoe„ gen te kunnen geven, te meer daar hij van den Eu„ „ropoes zeer bemind is, waar onder veele zijn die met hem meer te velden geweest zijn, en dus probabel„ „der hoope geeft van een beter succos in het vervolg. Ik 289 Van Iavasoost kust Den 26: Decemb:r 1771. Ik ben in geen gebreeken geweest den buijtenant Goudelag zoo wel als de bediende te oeloepampang het aangeschrieven door hun hoog Edelhedens bij ontvange Extract gerespecteerde aparte missive van den 11:' october behoorlijk te suppediteeren. Dat het af de tacheeren van Commandos met onbekwaame wapenen bij mijn aanzien nooit ge„ „schiet is, zoude de officier ten allen tijden bereit zyn te rerifieeren alzo ik mij na het zelve zeer nauw heb laten informeeren, dog dat de wapenen zoo gaaf en nieuw niet zijn of kunnen bij ver„ „voer en behandeling in de Expeditie een geringe gebrek komen te krijgen, waar door zij voor het Effective niet bekwaam voor onbekwaam moeten gestelt worden, zal vwel Ed:e Groot Achtb: wel gunstig gelieve toe te geeven, en vinde ik geen brief van den Luijtenant Gondelag, die mij direct daar van ken„ „nisse geeft. Ik zal niet in gebreeken blijven de verstrekte granadier geweeren bij te rug komst der volkeren uit de Expeditie van den Madurees Prins te rug te Eis„ sen

NL-HaNA_1.04.02_3337_1664 view scan ↗

English

From the East Coast of Java, 26 December 1771. while I most obediently offer my thanks for the highly favorable approbation regarding the arrangement made upon the decease of Lieutenant Biesheuvel, pending the most respected further disposition of Their High Excellencies, in whose high favor I may flatter myself that Your Honorable and Right Honorable Sirs will have written with highly favorable consideration to the recommendation of the Senior Merchant Schophof; and I would not be able to propose to him for the command over the garrison any ensign of greater capacity than Ensign Guttenberger, besides which, for the time being, the cotta would indeed still require a vigilant officer there as commander, and in that regard Ensign Schaar, when he has returned from the expedition, having given proof of his good conduct, could remain there as commander of the said cotta. I am very satisfied with the conduct of Ensign Fisser at Centong, and he informs me that the people of Djember remain obstinate against all amicable approaches, and I only wished to be able to break camp now to attack the enemies there and to be able From the East Coast of Java, 26 December 1771. 291 to dislodge them; and Your Honorable and Right Honorable Sirs will have seen from the favorable consideration of the previous enclosures written to that ensign that my humble judgment concerning Projowane is entirely in conformity with the highly esteemed sentiment of Your Honorable and Right Honorable Sirs. Having thus answered the most revered missive of Your Honorable and Right Honorable Sirs as succinctly and clearly as possible, I shall have the honor to further inform you that just at this moment I receive word from the Resident Schophof that things are beginning to look very bad among the rebels at Bajoe, both through lack of provisions and division among them, as well as through severe mortality and sickness, which gives hope of their submission and repentance; to which end the most possible means are also being employed. However, from the side of Djember I receive a report from Ensign Fisser, as I have the honor to supply to Your Honorable and Right Honorable Sirs in the enclosed extract, which assertion of the enemy appears to me to have been spoken more out of fear than out of courage, which I must think, From the East Coast of Java, 26 December 1771. since the letter received today from Oeloepampang makes not the slightest mention of Balinese, and my European orderly, who brought me the letter from that place, had ridden close along the beach to Oeloepampang freely and unhindered without having seen any vessel at sea, and that not the least was heard or mentioned of any Balinese there. A second named Tojolono, formerly regent of Banger and Lamadjang, deported in the time of the Honorable Governor Vos and held in irons for a long time at Samarang, managed to make himself a fugitive from there in the beginning of this year, and, according to rumors that reached me yesterday, is said to be with a troop of 30 to 40 common rampokkers at Tinger in the district of Passorouang, not far from there; wherefore I have written in secret to Ensign Lichnouwskij to investigate this, and if possible to have him arrested in an adroit manner that causes the least commotion, and should there be no possibility of that, From the East Coast of Java, 26 December 1771. 273 upon discovering his whereabouts there, to supply me with information as quickly as possible, for I did not deem it advisable to write directly to the regent there for surveillance, because the said Toijolono is a son-in-law of that regent at Passorouang. Thus I trust that by this communication and reply I have respectfully given satisfaction to Your Honorable and Right Honorable Sirs. Appending hereto a list of names of the deceased servants in the Eastern Salient, I shall do myself the honor of signing with deep esteem and utmost respect. It stood below: Honorable, Right Honorable, Valiant, Courageous, Prudent, Most Discreet Sir, Your Honorable and Right Honorable Sirs' most obedient and bounden servant. It was signed: P: Luzac. In the margin: Sourabaija, 9 November Anno 1771. Still lower: P.S. Concerning the recruitment of these easterners, I doubt whether it will succeed satisfactorily. Date as aforesaid. Having postponed the dutiful reply to the revered missive of Your Honorable and Right Honorable Sirs of the 4th of this month, which was duly received by me on the 9th, From the East Coast of Java, 26 December 1771. until the orders contained in the highest parts thereof were executed, I then have the honor most obediently to report that the detachment of dragoons, infantry, and artillerymen under Captain-Lieutenant Reijgers—of which the dragoons, infantry, and artillerymen had arrived here in the roads on the evening of the 9th, but Captain-Lieutenant Reijgers together with the officers only on the 11th at about two o'clock in the afternoon—were dispatched across the sea on the evening of the 13th, as appears from the enclosures herewith; and having deemed necessary, according to the circumstances of time and matters and after due consultation with Captain-Lieutenant Reijgers, what was added to the revered instructions given to him on behalf of Your Honorable and Right Honorable Sirs in accordance with the contents of the same enclosures, which I hope will merit the approbation of Your Honorable and Right Honorable Sirs, while those military men have not been detained unnecessarily for a single moment, since I had immediately ordered the necessary preparations made to send them off and forward again across the sea as quickly as possible, just as no further rations have been issued

Dutch transcription

Van Iavas oost kust Den 26:' Decemb:r 1711: — „schen terwijl ik mij gehoorsaamst bedanke voor Hoog gunstige approbatie omtrent de g'maakte schikking bij afsterven van den luitenant Biesheuvel tot hoogst ge respecteerde nadere dispositie van haar hoog Edelhadens aan welkers hooge gunste ik mij flatteere mag, dat uwel Ed:e Groot Achtb: hoog gunstige attentie ter voordragt van den opperkoopman Schophof zult aangeschreeven hebben en zoude ik bij hem tot het Commando over de bezetting te voeren algeen vendrig van meerder Capaciteit kunnen voordragen als den vaandrig Gutten„ „berger daar buiten dezelve voor den beginne de Cotta nog wel een wakker officier aldaar als Commandant zoude benodigt hebben, en ten dien adspecte de vaendrig schaar, wan„ neer uit de Expeditie gereverteert was preuve van zijn goed gedrag gegeven hebbende daar als Commandant van gem: Cotta zoude kunnen blijven. Ik ben zeer voldaan over het gedragt van den van drig Fisser te Centong en bedeelt mij dat de Djember„ „se volkeren voor alle minnelijke aanzoek hartnek„ kig blijven, en wenschte nu maar op te kunnen breeken, om de vijanden aldaar te attacqueeren en te kunnen Van Iavasoost kust Den 26: December 1771. — 291 kunnen de logeeren, en zal uwel Ed:e groot Achtb:r gunstige reflectie op de voorige bijlagen aan dien vaan„ drig geschreeven gezien hebben dat mijn gering oordeel omtrent Projowane geheel en al Conform uwel Ede„ „le Groot Achtb: hoog g'eerd sentiment is gedagt. uwel Edele Groot Achtb: hoogst gevenereerde mis„ „sive dan zoo kort bondig en duidelijk als het mij mogelijk geweest is beantwoord hebbende, zal ik de eere hebben nader te bedeelen, dat zoo op het moment van de resident schophof bezigt ontfan„ „ge, dat het onder de rebellen te Bajoe zeer slegt begint uit te zien, zoo bij gebrek van mond be„ hoefte verdeeltheid onder hun als andersints door swaare sterfte en ziekte, het welke hoope geeft tot hun onderwerping en inkeer; waar toe ook de mo„ gelijkste middelen worden aangewend, dog aan de kant van Djember ontfang ik berigt van den vaandrig Tis „ser, zoo als bij inClose Extracte de eere heb, uwel Ed:e Groot Achtb: te suppediteeren, welk voorgee„ „ven van den vijand mij meer uit vrees dan uit moed voorkomt gesprooke te zijn, 't welk ik moet denken Van Iavas oost kust Den 26: December 1771: — denken, dewijl de te gelijk op heden ontfange brief van oeloepampang geen de minste gewag maakt van Baliers en mijn Europeese oppasser, die mij van die plaats de brief heeft aangebragt dat tot digte oeloe„ „pampang langs strand gereeden had, vrij en onverhin„ „dert zonder Eenig vaartuig in see gezien te hebben, en dat aldaar in het minste van geen baliers gehoordt of gerept wierdt. Een Tweede genaamd Tojolono, voor heen regent van Banger en Lamadjang ten tijde van de Edel heer Gouverneur ros gedeporteert en Jaar en dag te samarang in de boeijen gehouden heeft zig in den beginne van dit Jaar uit de zelve weeten fugatief te maaken en zoude zoo als mij de gerugten op gisteren zijn ingekomen met een troep van 30 â 40. gemeene pappon zig op Tinger in het district van Passorouang niet ver„ „re van daar bevinden, waarom ik in sicretesse den ven„ dwig Lichnouwskij heb aangeschreeven daar na onderzoek te doen, en was het mogelijk op een be„ „hendige en minst beweeging gevende wijse te la„ ten ligten, en daar toe geen mogelijkheid zijnde des Van Iavas oost kust Den 26:' Decemb:r 171. 273 desselfs onthoud aldaar bevindende mij ten spoedigste te suppediteeren, want ik heb niet raadsaam g'oordeert de directe weg ter observance van de regent aldaar zulks aan te schrijven, om dat gem: Toijolono een schoon zom is van die regent te Passorouang. Dus vermeen ik dan onder eerbied uwel Ed:e groot agtb door deze bedeeling en beantwoording genoegen gegeven te hebben zal ik hier nog bijvoegende een Naam Lijst det overledene dienaaren in den oosthoek, mij de Eere geven met diepe agting en uiterste eerbied te onderschrij „ren /:onderstond:/ Edele Achtb: Erntfeste manhafte voorsienige zeer discreeten heer uwel Edele Groot Achtb zeer gehoorzaame en Trouwschuldige dienaar. /:was ge„ „tekend / P: Luzac /:in margine/ Sourabaija den 9:' November A„o 171. /:nog lager:/ P: S: omtrent de wer„ „ring dez oosterlingen twijffele ik, of wel na genoegen slagen zal. — Dan en als voornoemd. De schuldige beantwoording uwel Ed:e Achtb: geve„ nerendeerde missive van den 4: dezer bij mij op den 9:' wel Van Iavas oostkust den 36: December 1771. — E wel ontfangen uitgesteld hebbende tot hoogst dersel re vervatte beveelen g'Excuteert waren, gelijk ik dan de eere heb gehoorsaamst bedeelen dat het Comman de dragonders Jn fanterij, en Arthilleristen on„ „der den Capitain luitenant Reijgers waar van de dragonders Jnfanterij en Arthilleristen op den 9 'S avonds alhier ter rheede gearriveerd waren, dog de Capitain Luitenant Reijgers beneffens de officie „ren eerst den 11: 'smiddags omtrent twee uuren, Conform bij deze in Close bijlagen Consterende, den 13:' 's avons over zee zijn afgescheept, en het geen na de omstandigheid van tijd en zaken na goed overleg met den Capitain Luitenant Reijgers nood„ zakelijk geoordeelt hebbende bij de hem van weegen uwel Ed:e Achtb: mede gegeven gevenerendeerde Jnstructie na volgens den inhoud derselver bijlagen gevoegt 't welk ik verhoope dat vwel Ed:e Achtb: approbatie zal meriteeren, terwijl die militairen geen oogenblik nodeloos zijn aangehouden, daar ik het nodige direct had in gereedheid doen brengen om hun ten spoedigste over zee weder af en verder voor te zenden, gelijk ook geen verdere verstrekkinge gedaan zijn

NL-HaNA_1.04.02_3337_1669 view scan ↗

English

From Java's East Coast, December 26, 1771 are, than what necessity and the observance of economy brought with it. I have also had the artillerymen embark under that captain for employment wherever necessity shall demand and make it advisable, and I do not doubt in the least that this force, with God foremost, will soon achieve the objective and bring about the desired peace and tranquility in the Balambangan area. Just at this moment I had the honor to receive Your Honorable Respected's honored missive of the 9th, to whose most obedient reply serves that I have written to Resident Schophoff for his observance regarding Your Superior's orders concerning the provisional Regent Carta Nagara and his Bupati, as well as what was cited in that respect regarding the provisional 2nd Regent Jafanagara; and upon the arrival of the aforementioned Cartanagara, I shall also immediately commit him to the further disposal of Your Honorable Respected, whilst I express my true obligation to Your Honorable Respected for the so favorable proposal to Their High Mightinesses regarding the requested provisions. From Java's East Coast, December 26, 1771. Just at this moment I also receive letters from Ensign Fisser, dated the 9th and 10th of this month, stating that he had the roads to Djember and the state and strength of the enemy's benting there well and fully spied out to his complete satisfaction, and found their total strength to consist of 500 pikes, 15 muskets, and a small cannon with which they fired the daily watch shots, and that he, now fully 70 European heads, fully 900 natives, and one gunner strong, intended to go attack the enemy's benting at Goenong Jati early in the morning on the 11th of this month and thus break camp with his small army from Centong. With whose successful outcome I am willing to flatter myself so far, considering the prudent measures taken by that officer up to this day, and that he will certainly have anticipated the chances with God foremost to achieve the same; nevertheless, it is to be imputed to that officer in the highest degree that this was undertaken without the orders of the undersigned and without the prior knowledge of Lieutenant Gondelagh, who is still nearby at Panaroekan, about which I have made my resentment known to him in no small measure, as well as about From Java's East Coast, December 26, 1771. other arbitrary arrangements of his, as well as the fact that the summoning of the garrison before Prajagan to pursue his little army was done without my order and prior knowledge. And I have held this back a day longer to see if in the meantime I might impart the blessed outcome of this advance upon receiving reports, whilst in the meantime the Johannes Cornelis returns from Oeloepampang, whose reports state—received letters dated the 9th and 11th of this month dictate on the one hand indeed the decline of the rebels through sickness, mortality, as well as famine, but the painful state of our European servants there is lamentable in the highest degree, and thus it were well to be wished that the required refreshments for those ailing people, among which spices were also primarily required, could already be shipped off from there, as I have the honor most obediently to offer the extract of Oeloepampang letters worthy of Your Honorable Respected's esteemed attention. And I have also immediately communicated these reports to the head of the expedition at Panaroekan, and I am also having the Johannes Cornelis return immediately in order to provide that post with the necessary medicines, assistant surgeons, and other From Java's East Coast, December 26, 1771. other necessities, just as I am most humbly requesting Your Honorable Respected to favor that post with two competent clerks, together with a carpenter. Concerning which circumstances and state of our European servants, I pray that the adorable goodness of God may turn it for the best as soon as possible and grant the country complete tranquility and blessing, whilst I have the honor to remain with deep esteem and utmost respect, Your Honorable Respected's faithful and obedient servant, was signed P. Luzac. In the margin: Sourabaija, November 15, 1771. Still lower: N.B. Adding here also the original accounts given by those young lads at Oeloepampang, which I shall also send off on a further occasion. P.S. Just this moment arrives Quartermaster Jan van Nieuwenhuijzen, who is also detached to Oeloepampang this very moment. As above. From Java's East Coast, December 26, 1771. Now I have the honor to congratulate Your Honorable Respected wholeheartedly on the complete victory of the Company's arms, by the merciful assistance of God, under the prudent conduct of Ensign Fisser, through the capture of the enemy's benting at Goenong Jati and subsequently the dislodging of the same from Djember and his establishing a post there, effected according to the contents of his letters, which I have the honor to offer in copy to Your Honorable Respected; so that I have now written to that officer to consider what was cited and written to the Postholder Steenbergen with that same circumspection and caution, and that no disasters may arise through overly passionate haste, making known to him Your Honorable Respected's highly esteemed sentiment in that regard, as also given in the revered instruction to Captain-Lieutenant Reijgers, from whom I do not yet have the slightest report; and having written to the same the state of affairs as well as the letter from Ensign Fisser for his speculation and to take his measures accordingly, As above as aforementioned, have

Dutch transcription

Van Iavas oost Cust Den 26. Decemb:r 1711 295 zijn, dan wat de noodzakelijkheid bij betragting van me„ „nage mede bragt. — D' Arthilleristen heb ik onder dien hopman ter em„ „ploij waar de noodzakelijkheid het vorderen en raad„ „saam maken zal mede laten embarqueeren, en twijffele ik geensints of die magt zal bij god de voor„ 9 ste spoedig het oogmerk bereiken en de gewenschte rust en vrede in het Balemboangse te wege brengen. zoo op het moment had ik de eere te ontfangen vwel Ed:e Achtb: gehonoreerde missive van den 9: ter welkers den 9 gehoorsaamste rescriptie dient dat ik hoogst desselfs be„ veelen ten opsigte van den p:l Regent Carta Nagara en zijn Bepattij beneffens het ten dien adspecte aange„ haalde wegens de p:l 2:de regent Iafanagara den resi„ dent schophoff ter zijner observance aangeschreeven heb, en zal ik bij arrive van gem:t Cartanagara hem ook aan de verdere dispositie van uwel Ed:e Achtb: ter stont voort „setten, terwijl ik voor de zoo gunstige voordragt bij haar hoog Edelhedens om de gevraegde provisie uwel Ed:e achtb: mijne ware verpligting betuige zoo . Van Iavas oost kust Den 26:' Decemb:r 171. — zoo op het moment ontfang ik meede schrijvens van den vaandrig Fisser, dato 9: en 10: deezer, dicteerende, dat hij de weegen na Djember, den staat en magt van 's vijands benting aldaar wel en ter zijner volle gerust stelling had laten verspieden en bevonden hun magt in geheel te bestaan in 500 pieken, 15: snaphaanen en een Cannonetje, met het welke zij dagelijks de wagt schooten deden, en dat hij nu ruim het 70 koppen Europeesen ruim goo jnlanders en een Cannonier sterk, voorne„ „mens was op den 11: deezer 's morgens vroeg 's vijands binting te goenong Jati te gaan bezoeken en dus met zijn legentje van Centong op te breeken: met welkers ge„ lukkige uitslag ik mij voor zoo verre wel flatteren wil in aanmerking van de tot heeden door dien officier voor zigtig genome maatregulen en dus de kans met god de voorste tot bereik van het zelve zeker zal voorzien hebben, nogtans is die officier ten hoogste te imputre„ „ren, dat het zelve buiten ordre van den ondergeteeken„ „de en voorkennisse van den Luitenant Gondelagh, die zig nog in de nabijheijt te panaroekan bevind, is on„ „dernomen, waar over ik hem niet weinig mijn res„ „sentiment heb te kunnen gegeven gelijk als over andere 217 Van Iavasoost kust Den 26:' Decemb:r 1771. — andere zijne willekeurige dispositien als mede over het op ontbod van de bezetting voor Prajagan tot zijne legertge te vervolgen buiten mijne ordre en voorkennisse is geschiet. En heb ik deze een dog langer opgehouden of ik in tus„ „schen de gezegende uitslag dezer opmarsch bij bekome„ „ne berigt mogte bedeelen, terwijl in tusschen de Johan„ „nes Cornelis zoo van oeloepampang reverteert, wel„ „kers berigten luijdt, ontfangene schrijvens dato 9: en 11: deezer dicteeren aan de eene kant wel het verval der rebellen door siektens sterfte als hongers nood, dog de smertelijk staat onzer Europeese die„ „naaren aldaar ten hoogste beklaagelijk is, en dus wel te wenschen was dat de g' Eischte verversinge voor die sukkelende menschen, waar onder spe„ „cerijen meede hoofdzakelijk gerequireert werd, be 169 reets daar konde afgescheept worden, gelijk ik de eere heb bij Extract oeloepampangse brieven vwel Ed:e Achtb: g'eerde attentie waardig gehoorsaamst aan te bieden en heb ik ook deze berigten terstond het hoofd der Ex„ peditie te panaroekan bedeelt en taat ik ook d' Johan „nes Cornelis ter stont retourneeren om dat Comptoir van de benodigde medicamenten ondermeesters als andere Van Iavas oost kust Den 26: Decemb:r 174. — andere benodigtheden te voorzien gelijk ik dan vwel Ed:e Achtb: ootmoedigst ben verzoekende dat Comp„ toir met twee bekwaame pennisten te begunstigen beneffens een Timmerman. over welke omstandigheden en staat onser Euro„ peese dienaaren bidde, dat de aanbiddelijke goed„ „heid god het spoedigst ten beste keert en het Land een volkome rust en zegen verschaft, terwijl ik de eere heb met diepe agting en uitterste eerbied te verblijven /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwel Ed:e Achtb: Trouwschuldige en gehoorzamen Dienaar /:was geteekend:/ P:r Luzac. /: in margi„ „ne:/ Sourabaija den 15: November 1771. /: nog lager:/ AB: hier nog bijvoegende de origineele relaasen van die Jonge knapen te oeloepampang gegeven welke bij nader occasie mede zal afzen den P: S: zoo momentlijk arriveert de quartier „meester Jan van Nieuwenhuijzen die ook is„ „to moments afgedetacheert na oeloepam„ „pang. Ad. Idem 301 Van Iava's oost Kust den 26:' Ddecemb:r 1771: Nu heb ik de Eere uwel Edele Achtb: van herten te Congratuleeren over de Compleete vistorie van Comp:s wa„ penen bij goedertierne bij stant godes onder het voor zigtig beleid van den vaendrig Fisser door in neeming van de benting der vijanden te goenong sati als nader de logeering derselver van Djember en zijn postvatting aldaar g'effectueerd na inhouden zijner brieven wel„ „ke ik de eere heb in Copia uwel Ed:e Achtb aan te bie„ den zo dat ik nu dien officier heb aangeschreeven het aangehaalde aan den posthouder Stoenbergen geschree„ ven met die zelfde Circumspectie en omsigtigheid te overwegen en door alte driftige voorbaarigheid geen onheilen daar door komen te ontstaan bij te kon„ „nen geving van uwel Ed:e Achtb: hoog g'eerd senti„ „ment daar omtrenst bij gevenerendeerde Jnstructie den Cap:n Luiten:t Reijgers mede gegeven; van des„ „welke ik nog het minste narigt niet hebbe en aan denzelve de toestant der zaaken als het aange„ schreeven van de vaendrig Fisser ter zijne spe„ culatie en om er zijn maatregulen na te neemen Ad. Idem als voormeld heb

NL-HaNA_1.04.02_3337_1674 view scan ↗

English

From Java's East Coast, December 26, 1771. have dispatched, and whether it will now be found necessary to detach Lieutenant Heinrich to Djember and not more expedient to have him, along with half of his detachment added to the command given from here to Mr. Gouderlag as well as the dragoons and Madurese, immediately take their march to Oeloepampang, either by sea or by land, since Ensign Fisser now considers Sergeant Steenbergen, with the addition of a few more soldiers from that detachment and some ammunition, capable enough to capture Banger, Poeger, and Noessa, which I merely gave to that captain for consideration and left it to him to devise the best plan with Mr. Gouderlag, because being close at hand they can form clearer ideas of it than I from reports from afar; I have also written to Ensign Fisser that he must keep an eye on Centong, having only now been brought to submission, and must take good care that the enemies have no escape routes to the west. To From Java's East Coast, December 26, 1771. 303 From the contents of the letter, Your Honorable Worships will reflect with indignation upon the shameless insolence and desertion of the Sourabaija people. And however frequently and strongly I shame the regents on this matter and try to urge them to their duty, this nevertheless remains fruitless; therefore, I humbly request that they might be spoken to most emphatically in a missive from Your Honorable Worships. And truly, the daily experience of the careless and incompetent conduct of the regents in all respects, both in the management regarding the delivery of rice and the distribution of duiten, forces me to express the words that the Company has by no means made a advantageous choice in them. Furthermore, I take the liberty of enclosing several annexes according to the memorandum, with which two Balemboangan youths are sent over loose and free, and one bound, by the name of Katoet, who previously, upon the arrest of the former regents among the captured Balinese, was sent hither outside of arrest by the residents on trial to see whether in time, as he was familiar with all the districts of Balemboangan, I could employ him usefully. He was kept with me under good surveillance, but having discovered in time his evil intentions to flee back thither, I had him arrested, and thus deemed it best to simply ship that youth off as well. Wherewith I give myself the honor to subscribe myself with deep esteem and utmost respect, underwritten: Titul; lower: Your Honorable Worships' wholly obedient and duty-bound servant, signed: P:r Luzac; in the margin: Sourabaija, November 23, 1771; lower stood: P.S. I most humbly request authorization, in case of necessity, to place bounties on the heads of the enemies, and to be permitted to reimburse the officers in the field from the Company's treasury, whom I have written to handle this with discretion and conscience. To the same as just mentioned. Since my most obedient communication of November 15, From Java's East Coast, December 26, 1771 385 23, and 25 regarding the state of affairs in the Balemboangan region and the expedition, no further reports worthy of Your Honorable Worships' attention have reached me, other than that after Ensign Fisser took up post at Adirogo, the enemy abandoned Bangle, Poeger, Plindo, and fled to Renges into the mountains more than two days from there, where Lieutenant Heinrich has since taken over the post of Adirogo from the said Ensign on the 25th, and Ensign Fisser with an adequate force has marched back to Centong to cover Panaroekan, Trajagan, and to keep an eye on and maintain discipline among the newly arrived peoples in the districts of Centong; for which reason, according to the state of affairs, I have written to Lieutenant Heinrich to have the post-holder Steenbergen take up post with a capable garrison at one of the most convenient places abandoned by the enemy, and to protect those districts, where the Noessa people, having returned to Noessa, must also be brought to submission, and by occupying Plendo and Poeger to constrain Noessa and cut off supplies, in order thus to prevent the garrison of Poeger from being ambushed from behind from the island toward the mainland, while the said lieutenant will solely have to block the passages from the Balemboangan region through strong patrols, and thus not act before and until it will be deemed necessary upon incoming reports from our force in the Balemboangan region, when he will then join forces with Ensign Fisser and his force, in order to attack the enemy with united strength should they come down from there. For I have not found it expedient now to pursue the enemy into the mountains, fled and presumably to Bajoe, of which and of its condition the Captain-Lieutenant was also immediately informed, along inaccessible paths and bushes, whereby the opportunity to slip through to the west would frequently be opened to them, while moreover our costly and considerable European force would be weakened by insurmountable fatigue and rendered unable to act with effect. The

Dutch transcription

Van Iavas oost kust Den 26:' Decemb:r 1711. — heb afgevaardigt en of het wel noodzakelijk nu zal bevonden worden den Luitenant Heinrich na Djem „ber te de tacheeren en niet oorbaarder met den zelve en de helfte zijnes detachements gevoegt bij het Commando den heer gouderlag van hier me„ „de gegeven als mede de dragonders en Madureesen diract hun marsch te nemen na oe loepampang, het zij over zee dan wel overland, daar de vandrig Fisser zig nu bestant genoeg vindt den zergiant steen„ „bergen bij toevoeging van nog Eenige weinige sol„ daaten van dat de tachement en Eenige ammunitie om Banger, Poeger en Noessa te overmeesteren als het welk ik maar dien hopman in Consideratie gegeven hab en hem overgelaten met den heer gon de lag het beste daar omtrent te beramen, wijl zij van na bij hun bevindende daar duidelijker denkbeelden van kunnen formeeren als ik uit de rapporteeren van verre: ook heb ik den vaendrig Fisser aangeschreeven, dat wil het oog moeste laten houden op Centong als eerst nu ter on„ derwerping gebragt en wel zorgen moest de vijanden geen uitvlugten om de west hadden. Aan Van Iavas oost kust Den 26:' Decemb:r 171. 303 Aan de inhoud van den brief zal uwel Ed:e Achtb: met indignatie reslacteeren de onbeschaamde Laci„ tert als desertie der sourabaijase volkeren, En hoe dikwerf en kragtig ik de regenten daar over beschramt maake en tot hun pligt tragt aan te spoo„ „ren blijft zulx nogtans vrugteloos, dier halven ver„ „zoekikootmoedig dat zij eens bij missive van uwel Ed:e Achtb: op het nadrukkelijkste moogen onder„ „houden worden, en waardlijk de ondervinding da„ gelijks van het agteloos en onbekwaam gedrag der regenten in alle opzigte zoo in de directie omtrent de leverantie der Rijst als de biet der duiten prest mij de woorden te uitten dat de Comp:e aan de„ „zelve gansch geen voordeelige keuse gedaan heeft. Wijders gebruik ik de vrijheid deze te inclosee„ „ten eenige bijlagen volgens memorie bij dewelke los en liber overgaan de twee Balemboangse kna„ „pen en gebonden eene met naeme katoet, wal„ „ke voor heen bij arresteering van de voorige regen ten onder de opgevatte baliers door de residen„ „ten herwaarts gezonden buiten arrest en ter prun „re „ Van Iavas oost kust den 26: December 1744. „ve om te zien of ik hem in der tijd als de districten van Balem boangan alomme bekend „ten nutte konde gebruiken, bij mij is aangehou 7 „den onder goede op zigt dog zijn quade voornemens om weder derwaarts te vlugten bij tijds ontwaarts heb„ „bende, heb ik hem arresteeren, en dus best g'oordeelt die knaap maar meede te moeten afscheepen. Waar mede dan mij de eere geeve met diepe agting en uiterste eerbied te onderschrijven /:onderstond/ Titul /: lager:/ uwel Ed:e Achtb: gantsch gehoorzaame en Trouw„ schuldige dienaar /:was geteekend:/ P:r Luzac /:in margine/ Sourabaija den 23: November 1771. /:la„ gerstond:/ P: S: ootmoedigst in Heer ik om qualificatie bij noodsakelijkheid de preijse op de hoofden der vijanden te stellen, den officiers te velde te mo„ gen remboursseeren uit Comp: Cassa den welke ik heb aangeschreeven met bescheidentheid in den gemoe„ „de daar meede te handelen. — Ad. Idem als Even genoemd. Sedert mijne gehoorsaamste bedeelinge van den 15:', Van Iavasoostkust den 26: decemb„r 1771 E 385 23: en 25: November omtrent de toestant der zaaken in het Balemboangse ende Expeditie zijn mij geen nadere berichten uw Ed: Achtb: attentie waar„ dig ingekomen, dan dat na de postvatting op Adirogo door den vaandrig Fisser de vijand Ban „gle, Poeger, Plindo, verlaten hebben en na Ren„ „nes in het gebergte ruim twee dagen van daar zijn gevlugt, daar de Luitenant heinrich se„ „dert op den 25: de post Adirsgo van gem: vaan„ drig heeft overgenomen, inde vaandrig Fisser met een toerijkende magt na Centong weder gemarcheert is ter dekking van Panaroekan Trajagan in om de districten van Centong inde nieuwe opgekomen volkeren in het oog en discipline te houden, waarom ik na de toestant der zaaken den Luitenant hen„ rich heb aangeschreeven om den posthouder steen„ „bergen met een bekwaame besetting op een der gevoegelijkste plaatsen van de vijand verlaten post te vatten, en die districten te beschutten, daar ook de Noessase volkeren weder na Noessa gekeert ter onderwerping moeten gebragt worden, en door Plendo en Poeger te besetten Noessa te bekrel„ len Van Iavasoost kust Den 26: Decemb:r 1741 „len en levensmiddelen afte snijden, om dus voor te komen, dat van het Eijland na de vaste wal de besettelinge van Poeger niet van agteren overvallen worden, terwijl gem: luitenant Eeniglijk door sterke pattouilles de passagien uit het Balemboangse zal moeten beletten, en dus niet ageeren voor en eer bij inkomende berigten van onze magt in het Balembrangse het noodsakelijk zal geoordeelt worden wanneer als dan met den vaendrig Fis„ „ser en zijn macht zig zal Conjungeeren ten Einde de vijand zoo van daar mogte komen afzakken, met vereenigde magt aan te tasten: want nu niet oorbaar gevonden heb den vijand tot in het „gevlugt gebergte„ en denkelijk na Bajoe /:waar van en derzelver toe stant ook ter stont den Cap:n luijtenant en boskken bedeelt is:/ in ontoegankelijke weegen „ te agtervol„ „gen waar door dikwerf de gelegentheid om door te slippen na de west hun zoude gebaan tet worden, # daar buiten dien door onoverkomelijke fatiques on„ „ze kostelijke en aanzienelijke magt Europeese zoude verswakt en buiten staat gestelt wor„ den met vrugt te ageeren. de

NL-HaNA_1.04.02_3337_1679 view scan ↗

English

Java's East Coast, the 26th of December 1771 From 307 Lieutenant Heinrich finds himself at Adirogo or Djember with a strength of 52 European heads and over 300 natives, while Ensign Fisser is encamped at Contong with 43 European heads and 334 natives. Just now I also receive the notification from postholder Steenbergen that on the 25th he marched to Bangle in order to arrive at Renges the next day, for the purpose of expelling the enemy from there together with Ensign Fisser; but upon further writing from that officer and the arrival of Lieutenant Heinrich, he had returned again to his previously stationed post Gantong, and that the enemy, upon abandoning those places previously mentioned, had dragged off all native village peoples, women, and children with them, for he had found those native villages all empty. Last Saturday the 23rd, I had shipped off the bookkeeper Van Hoeve with the trade books in two well-capable and equipped cruising prau-mayangs thither, From Java's East Coast, the 26th of December 1771 thither, where today three Javanese, of whom one is grievously wounded in the forehead with a klewang, having escaped from one cruising prau-mayang, inform me that their prau-mayang was attacked and overrun by a pirate, and the sailors, presumably though they could not say, were murdered by the pirates; upon which vessel also, according to mine of the 23rd, the so-called Ketoet and two Madurese were present to testify before the Council of Justice. All of which I most obediently have the honor to bring to Your Honorable Worships' attention, while otherwise for the present, God praise, everything here being well, I take the liberty to sign with deep esteem and utmost respect. Below stood: Title. Lower: Your Honorable Worships' dutiful and obedient servant. Was signed: P. Luzack. In margin: Sourabaija, the 3rd of December 1771. Of the accompanying letter: L.S. Immediately after this, the native Captain Sumbauwa arrives to report, having been sent out from Sumanap, Pammacassang, Madura, Passerouang, Grissee to recruit Easterners, From Java's East Coast, the 26th of December 1771 309 Easterners, that he has not been able to bring together 50 men fit for the expedition, only 17 from Passerouang and 23 from Grissee and Sidayoe, who are moreover old and disabled, and that those still found at Sumanap and Pammacassang were away at sea. To the same as mentioned repeatedly. This morning I receive enclosed two letters for Your Honorable Worships and the notification from Captain-Lieutenant Rijgers that, having arrived at Panaroekan on the 19th, he had undertaken the march overland from Ketapang through the country to Cotta; that Lieutenant Heinrich, with Ensign Chateauvieux, a corporal, a surgeon's mate, a gunner, a drummer, 15 privates, and two artillerymen, had been sent as reinforcement to Ensign Fisser in order to occupy Adirogo, Sontong, and Pradjagan, and to bring Poeger and Djermie under the Company's obedience, while Noessa must come to submission through want; his force of the Company's servants consists of 123 heads, which I have thus left as such, From Java's East Coast, the 26th of December 1771 and to comply with that arrangement I have written the necessary orders from here to the officers. I can place not the slightest reliance on the conduct of the regents, as every order is not even partially executed, having before the arrival of Mr. Rijgers shipped off 100 horses with 100 coolies to Panaroekan under four chiefs, of which only 95 have arrived and the coolies all ran away, so that said captain was forced to persuade the chief of the Madurese to provide their people for payment, by which the march proceeded on the 22nd, which with the assistance of God I hope may soon achieve the beneficial purpose of tranquility and submission of Balemboangang; having hereby nothing further worthy of Your Honorable Worships' attention to share, with deep esteem and utmost respect I remain. Below stood: Title. Lower: Your Honorable Worships' very obedient and dutiful servant. Was signed: L. Luzac. In margin: Sourabaija, the 25th of November in the year 1771. To From Java's East Coast, the 26th of December 1771 511 Yesterday evening I had the honor to receive Your Honorable Worships' respected letter of the 30th of November, with the enclosed annexes, extracts from the secret resolutions of Their High Excellencies, together with an extract from the letter written by the head at Djocjocarta La-Pra, to which I most obediently reply. That since my respectful reports of the 3rd of this month regarding Noessa, Pangle in Poeger, and the orders given thither, no further communication from there has reached my hands; nevertheless, I flatter myself that upon the enemy's abandoning those places, the same will now easily come and be brought under the Company's obedience, for which I submit to Your Honorable Worships' consideration whether it would not be most convenient to assign the same to Ensign Fisser, who has now with God's assistance acted with success and knows both the districts and the handling of the native. To the same as just mentioned. to

Dutch transcription

Iavas oostkust Den 26: Decemb:r 171: Van 307 De Luitenant Heinrich bevind te Adirogo of Djember 52: koppen Europeese en ruim 300 Jn„ # „landers sterk daar de vaandrig Fisser te Contong gecampeert is met 43: koppen Europeese en 334: Jn„ o landers. Tot aanstonds ontfang ik nog debedeeling van den posthouder Steenbergen dat hij op den 25: na Bangle gemarcheert om des anderen daags op Ren„ „nes te komen ten Einde met den vaandrig Fisser den vijand van daar te verjagen dog bij nader schrijvens van dien officier ende komst van den Luitenant heijnrich weder na zijn vorige geposteer„ de plaats Gantong was geretourneerde en dat de vijand bij verlating van die plaatsen hier voren voormelt alle negorijs volkeren vrouwen en kinde„ ren hadde mede gesloept, want die nogerijen alle leedig had bevonden. Gepasseerde saturdag den 23:' had ik den boek„ „houder van hoeve met de negotie boeken in twee wel bekwaame en toegeruste kruisprauwmaijangs derwaarts Van Iavas oost kust Den 26:' Decemb:r 1711. derwaarts afgescheept, daar huiden mij door drie Ja„ vaanen, waar van de eene deerlijk met een klewang in het voor hoofdt gekwest is van de eene kruisprauw maijang ontvlugt, mij berigten dat hun prauw maij„ „ang door een zeer over overvallen en afgelopen was, en„ „de mattroos. denkelijk dog niet wiste te zeggen door de zeerovers vermoord op welke vaartuig dan ook de bij mijne van den 23: de zoo genaamde ketoet ende twee madureesen ter getuigen voor den raad van Justitie hun bevonden hebben, welk een en an„ „der ik gehoorsaamst de eere heb uwel Ed:e Achtb: ter kennisse te brengen daar overigens voor als nog God los: alles hier zig wel bevindende mij de vrijheid geve met diepe agting en uiterste Eer„ bied te onderschrijven. /:onderstond:/ Titul /lager/ uwel Ed: Achtb: Trouwschuldige en gehoorzaame dienaar /:was geteekend:/ P: Luzack /:in mar„ gine / Sourabaija den 3: Decemb:r 1771. /: van de omme stande missive :/ L: S: momentelijk na deeze komt de Jnlands Capitain Sumbauwa van Sumanap, TannaCassang, Madura, Pas„ „serouang Grissee, uitgezonden ter werving van oosterlingen Van Iavasoostkust Den 26:' Decemb:r 171 309 oosterlingen rapport doen, dat geen 50. man bequaam tot de Expeditie bij den anderen heeft kunnen brengen, eeniglijk van Passerouang 17: en van grissee en sidaijoe 23: welke nog oud en gebrekke„ „lijk zijn, en dat de nog hun bevinden te suma„ nap PamaCassang op de vaart ter zee uitwaaren. — Ad- Idem als meermeld. Duijden morgen ontfang ik inClose twee missiven voor uwel Ed:e Achtb: en de bedeeling van den Cap:n Lui„ „tenant Rijgers dat den 19: te panaroe kan aange„ komen den marsch over land van ketapang het Land door na Cotta had aangenomen, dat den Lui„ „tenant Heinrich met de vaandrigh Chateau„ ^ een Tamboer, 15: gemeene, vieux, een Corporaal, een ondermeester een Canno„ „nier twee bosschieters bij den vaandrig Fisser, tot versterking had gezonden om Adirogo, sontong, en Pradjagan te bezetten, en Poeger Djermie onder Comp:e gehoorzaamheid te brengen, daar ƒ. Noessa door gebrek ter onderwerping komen moet, bestaat zijn macht 's Comp:s dienaaren in 123: koppen, 't welk ik dan dusdanig gelaten hebbe of Van Iavas oostkust den 26 Decemb:r 1771. hebbe, en ter nakoming van die schikkkinge de officie ren het nodige van hier aangeschreeven: Ik kan in't geringste geen staat maken op de gedoente der regen„ „ten, daar alle ordre niet gedeeltelijk eens g'Effectueerd. worde, hebbende voor de komst van de heer Rijgers 100 paarden met 100: battoors na panaroekan onder vier hoofden afgescheept waar van eenelijk 95: zijn aangekomen ende battoors alle weg geloopen, zoo dat die hopman genoodsaakt is geweest de hoofdin der madureesen over te haalen voor betaeling hun volk te geeven, waar door de marsch op den 22: voortgang genomen heeft, 't welk van on„ der den bystant godes verhoope dat spoedig het heilsaam oogmerk tot rust en onderwer„ ping van Balemboangang bereiken mag; waar bij mits uwel Ed=e Achtb: attentie waardig te bedeelen hebbende, met diepe agting en uitter„ ste eerbied verblijve /:onder stond:/ Titul /:lager:/ uwel Ed:e agtb: zeer gehoorzame en Trouwschul„ dige Dienaar /:was geteekend/ L: Luzac /:in mar„ gine / Sourabaija den 25: 9ber a:o 1771: — Ad Van Iavas oostkust Den 26: Decemb:r 1711: 511 Op gisteren avond had ik de eere te ontfangen vw: wel Ed:e Achtb: gevenerendeerde missive van den 30: Novemb:r, met de inclose bijlagen Extracten uit de secreete resolutien van haar hoog Edelhedens beneffens Extract uit den brief geschreeven door het opperhoofdt te Djocjocarta La-Pra op wil„ ke gehoorsaamste rescribeere. Dat seedert mijne Eerbiedige berigten van den 3:' deser omtrent Noessa Pangle in Poeger en daar hean gestelde ordres geen nadere bedeeling van daar mij is ter hand gekomen nogtans flattee„ „re ik mij dat bij verlating dier plaatsen door de vijand deselve nu facil onder 's Comp:s gehoorzaam„ „heid zullen komen en te brengen zijn, tot het welke ik uwel Ed:e Achtb: in Consideratie bren„ ge of het zelve niet gevoegelykst zoude zijn op te dragen aan den vaandrig Fisser die nu onder Gods bijstand met succes geageert ende districten als behandeling van den Jnlander bij Ad. Idem als Evengezegd. toe

NL-HaNA_1.04.02_3337_1684 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 26 December 1771 the addition of Ensign Chateauvreux and the strength received therewith gives hope of attaining the objective as desired, since Lieutenant Heinrich could then be planned as Commander for the garrison of Oeloepampang and Ensign Guttenberger for that of Cotta. Highly stirring and encouraging to my zeal and vigilance was Your Honourable Worships' favourable approval concerning the expedition, the dispatching of the Company's force under Captain Lieutenant Rijgers, the further arrangements made on that subject, and the promise of the Regents to maintain their conduct. Regarding Lieutenant Imhoff as well as Ensign Schaar and Guttenberger, I have observed Your Honourable Worships' most respected orders, and the same also remains accordingly until Your own further highest disposition, just as I have also let the article regarding Carta Nagara and Jaxa Nagara serve for the information of the Resident of Oeloepampang. I shall conduct myself most obediently concerning Soemonogoro in conformity with Your Honourable Worships' most venerated intention, as well as upon incoming reports concerning the fugitive Joijolono; as I have communicated in my submission of the 3rd the accidental misfortune that befell the cruising prahu mayang on which the ketoet in question and witnesses in the case concerning the Madurese were present. Looking forward with longing to the most necessary items on our requisition, in particular ammunition and further refreshments for the expedition, I keep myself most commended to Your Honourable Worships' favourable thoughts, and I have already shipped off one of our ship's carpenters to Balemboang. I take the liberty most obediently to offer the enclosed list of necessary expenses, for Your Honourable Worships favourably to grant authorization for the disbursement of those monies; as I have supplied that article and regarding the further provisions to the officers by extract for their observance: as well as the contents of the extracts from the secret resolutions of Their High Excellencies to those whom it concerns, and have accepted them for myself for the most obedient observance and execution. Having thus duly answered Your Honourable Worships' most honored letter, I proceed to the obedient communication of the arrival just now, via the pantjallang Petronella, of the principal 1st Regent Cartanagara with his bupati and small suite, whom I am also to return by the same pantjallang the day after tomorrow to Your Honourable Worships' most venerated disposition, with a very humble request favourably to hear this worthy Javanese—as I may rightly call him with regard to his loyalty and satisfactory administration as guardian over the young Regent, as well as regarding his maintained conduct in the pursuit of Traboejoeko—for whose words, both for the reasons cited above and my short experience here, I stand as surety, that Your Honourable Worships may fully rely on him, and upon examination of matters to grant him Your Honourable Worships' most favourable patronage. At the same time, I received the report from Oeloepampang that the Company's force under Captain Lieutenant Rijgers (whose written letter to the Resident at Oeloepampang I enclose herewith, offering it to Your Honourable Worships' highly honoured consideration and speculation) had arrived in the cotta there, just as I have the honour to offer to Your Honourable Worships' attention the extracts taken from the letters of Oeloepampang, according to the contents of which Your Worships will see that the rebels have tried in vain to seek help from the Balinese; that Banjaran would still be a district for them from where they had to expect men and provisions; that some one hundred of them were said to have been sent to Cradjagan, and how they acted towards our two Europeans who remained there; wherefore I have written to Captain Lieutenant Reijgers as well as to Resident Schophoff to keep a close eye on those two places, and to carry into effect the intended interception of those people at Crajagan with the utmost care and caution, with the most certain prospects of success, God going before, and to cut off completely the rebels' passage both to Banjaran and thither, as well as all supply of provisions; and above all things to keep a watchful eye, both at Crajagan in the south and forwards at Katapang east of Oeloepampang, on their emissaries to Bali as well as the crossing of those people, to prevent being unexpectedly attacked or surprised. Furthermore, after finishing this, I receive a letter from Ensign Fisser, the notables of which I have extracted, in which Your Honourable Worships will please favourably observe the progress of that officer regarding the Centonnes and Djember people, and that the same has again been written to by Lieutenant Heinrich to march on Djember, which prompts me respectfully to adhere to the previously cited recommendation regarding that officer. In humble awaiting whereof, concluding this, I give myself the honour with deep esteem and utmost respect to subscribe: (below stood: Title, lower:) Your Honourable Worships' faithful and entirely obedient servant, (was signed:) P. Luzac. (in margin:) Sourabaija, 7 December Anno 1771. I have the honour to offer Your Honourable Worships further letters from the Commander of Passorouang, serving as the continuation of what was communicated in my submission of the 10th, in which Your Honours will please observe that the conduct of the newly confirmed Regent...

Dutch transcription

Van Iavas oostkust Den 26: Decemb:r 1771 toevoeging van den vaandrig Chateauvreux en daar bij gekomen sterkte hope geeft na wensch het oog merk te berijken daar de luitenant heinrich als dan als Commandant tot de bezetting van oeloe pampang ende vaandrig Guttenbergen, tot dien van Cotta zoude kunnen werden geprojecteerd. Ten hoogste opwrekkende ende aanmoedigend mij „ne ijver en rigilantie was mij uwel Ed:e Achtb: gun„ stige approbatie omtrent de Expeditiee voortzending van Comp:s magt onder den Capitain Luitenant Rijgers, de verdere schikkingen op dat sujct ge„ nomen ende belofte van de Regenten over hun gedrag te onderhouden. Omtrent den luitenant Imhoff zoo wel„ als den vaandrig schaar en Guttenberger heb ik uwel Ed:e Achtb: hoogst geRespecteerde be„ „veelen geobserveert, en blijft het zelve ook in diervoegen tot nadere hoogst zelfs dispositie, gelijk ik ook mede het art:l ten sujette van Carta Na„ gara en Jaxa nagara den oeloe pampangs resident ter 313 Iavasoost kust Den 26: Decemb=r 1771. Van ter zijner na rigt heb laten dienen. Ik zal omtrent soemonogoro Conform uwel Ed:e Achtb: meest gevenereerde intentie mij gehoorzaamst gedragen, gelijk bij inkomende berigten omtrent den gevlugten Joijolono; daar ik het zoo toevallig onge„ „luk de kruijsprauwmaijang op de welke de bewuste ketoet ende getuigen in de zaake specteerende de Madureesen geweest zijn, overgekomen bij mijn sub missa van den 3: heb bedeelt. Het hoogst benodigde op onzen Eijsch in son„ „derheid ammunitie en verdere verversing voor de Expeditie met verlangen te gemoed ziende hou„ „de ik zeer uwel Ed:e Achtb: gunstigste gedagten aanbevolen, en heb ik bereeds een onzer scheeps Timmerlieden afgescheept na Balemboang. Ik neem de vrijheid in Close lijst van noodsake„ lijke uitgave uwel Ed:e agtb: gunstig te verlenene qualificatie ter uitreijking van die penningen gehoorzaamst aan te bieden; daar ik dat articul en Van Iavasoostkust Den 26: Decemb:r 171 en omtrent de verdere verstrekkinge de officieren bij Extract ter observantie heb gesuppediteert: ge„ „lijk mede de inhout der Extracten uit de secree te resolutien hunner hoog Edelheedens den geene die het incumbeert, en voor mij ter gehoorzaam „ste observance en Exelutie heb aangenomen. Schuldpligtig dan beantwoord hebbende uwEd=e achtb: hoogst g'eerde missive treede ik tot de ge„ hoorsaame bedeling van de zoo even per de pan„ tjallang de petronella komst van den p:l 1=te re„ „gent Cartanagara met zijn bepattij en klei„ „ne suitte, welke ik dan ook per den zelfde pantjallang overmorgen ter hoogst gevene„ „reerde dispositie van uwel Ed:e Achtb: sta te„ renvoijeeren met zeer ootmoedig verzoek dien braven Javaan gelijk ik met reeden mag zig„ „gen ten opzigte van zijn trouw en voldoende be„ stier als voogd over den Jongen regent zoo wel als. omtrent zijne gehouden gedrag in de vervolging van Traboejoeko gunstig gelieft aan te hooren op wiens gezegde zoo om vooren aangehaalde redenen Van Iavasoost Kust Den 26. Decemb:r 1771. 315 redenen als mijn korte ondervinding alhier ik blank sta, dat uwel Ed:e Achtb: ten vollen kunt staat maken, en hem bij bevinding van zaaken uwel Ed:e Achtb: gunstigste patrocinie te willen toewijsen. Te gelijk ontfing ik de bedeelinge van oeloepam„ pang dat Comp:e magt onder den Cap:n luitenant Rijgers /:welkers geschreeven brief aan den resident te oeloepampang deeze in closeerende uwel Ed:e achtb: hoog g'eerde Consideratie en specu„ latie aanbiede :/ in de Cotta aldaar was gearri veert gelijk het uwel Ed:e Achtb: attentie waardig uit de brieven van oeloopampang bij Extract geEx„ traheert de eere heb aan te bieden na welkers in houd hoogst dezelve zult komen te zien dat de rebellen vrugteloos getenteert hebben, hulpe bij de Baliers te versoeken, dat Banjaran, nog een district voor hun zoude zijn van waar rolk en levensmiddelen te verwagten hadden dat zoo honderd van hun na Cradjagan zou de gezonden zijn en hoedanig zij omtrent onze twa Van Iavas oostkust Den 26: Decemb:r 171. twee daar verbleevene Europeesen gehandelt heb „ben, waarom ik den Capitain Luitenant Reijgers zoo wel als den Resident Schophoff heb aangeschre„ „ven die twee plaatsen wel in het oog te houden, ende zoo tigt gestelde opligting dier volkeren te Crajagan met de uitterste om en voorsigtigheid bij de zekerste voor„ uitzigten van succes met god de voorste ten ef„ fecte te brengen, ende pas der rebellen zoo na Banjaran als derwaarts geheel afte snijden, zoo wel als alle toe voer van levensmiddelen en boven alle zaaken zoo wel te Crajagan aan het zuide als voorwaarts te katapang beoosten oelve pampang een wakend oog te houden op hunne zen„ „delingen na Balij zoo wel als de overkomst dier volkeren ter voorkoming van uit on„ verhoeds besprongen of klaagt te worden. w Wijders na het Eindigen deses ontfang ik schrij„ vens van den vaandrig Fisser welkers notabels ik g'Extraheert heb bij de welke uwel Ed:e Achtb gunstig gelieft te beoogen de progresse van dien officier omtrent de Centonnes en djemberse volkeren 377 en dat weder door den Luitenant heinrich op te mar Cheeren na Djember den zelve aangeschree„ „ven is, het welk wij aanzet om het vooren aan gehaalde voordragt omtrent dien officier Eer biedigst te inhereren. Bij nedrige in wagting van het welke ik dan deze bekostende mij de Eere geeve met diepe agting en uiterste eerbied te onderschrijven /:on„ ag der stond /: Titul /lager/ uwel Ed:e Achtbaares Trouwschuldige en gantsch gehoorzaamen dienaar /:was getekend:/ P: Luzal /:in margine:/ sou„ rabaija den 7: Decemb:r A„o 1771. — Ik heb de Eere uwel Edele Achtb: aan te bie„ „den nadere schrijvens van den passorouangs Com„ mandant ten dierende het vervolg van het bij mijne submissie van den 10: bedeelde bij het welk uwel Ed:e zult gelieven te beoogen dat het gedrag van den nieuw bevestigde regent Na- Idem als meer geciteerde Van Iavasoost Kust Den 26: Decemb:r 1771. van

← previousnext →