Inventory 3364
Japan · 931 pages · 397 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
56 Joan Abraham van der Voort Governor and Director of this Province Right Honorable Worshipful Sir Whereas it has pleased Your Right Honorable Worship to order the undersigned to demonstrate at what time of the year it is safest to anchor on the north side of the island of Kesing, so it is that, in order to comply with Your Right Honorable Worship's honored orders, I make known that as far as I have experienced that coast with the cruising patrols, I believe that from primo October until ultimo February it would still be fairly feasible to lie on the north side of the said island, by reason of lying sheltered off the shore with the west, north-west, and south winds; yet, owing to the breaking of ropes and the loss of anchors or grapnels, as well as sustaining damage from the foul and sharp rocky bottoms, likewise the very uneven depths from 50, 20, 10, 5 to 3 fathoms, it is not entirely without danger, since finding suitable anchoring ground for a chain or cable is difficult, the entire roadstead being full of hidden stones and rocks, some of which run dry at low water. Also, off Keffing lies a large reef that extends a quarter of a mile from the shore, and between it and Poulo Gisser there is only a narrow channel through which vessels must pass. From primo March until ultimo September, Right Honorable Worshipful Sir, Respectful Report To the 58 I hold it almost impossible that a vessel could continue to lie off the north side of Kesting, because then, with the east, north-east, and north winds and unsteady squalls, they lie exposed before them as well as to heavy seas and high swells, and in great danger, with the aforesaid poor bottom, of losing anchors without any prospect of recovering them from behind the large rocks. So it seems to me that unless it is utterly necessary, one should avoid the roadstead of Kesting not only in the east monsoon, when it is impossible to remain there without the utmost danger to the Company's vessels, but also in the west season, and instead proceed to anchor on the east side of Poulo Gossa, though from there nothing of the island of Keffing can be seen. Wherewith hoping to have complied with the highly esteemed intentions of Your Right Honorable Worship, I further do myself the honor to subscribe with deep reverence and the utmost respect. Was written below: Right Honorable Worshipful Sir. Lower: Your Right Honorable Worship's very humble and dutiful servant. Was signed: I. Bogerscheijt. In the margin: Amboina the 4th of March Anno 1772. Monday the 27th ditto in the afternoon we received a heavy squall from the north with a mighty rising of the sea, whereby the pantjallang D' Liefde lay riding so terribly that one of the anchor ropes came to break, as a result of which we were almost dashed upon the rocks; and since the pantjallang now had nothing more than a grapnel and a rope, by which she was still riding, which was likewise not without danger of being dashed to pieces on the rocks, whereby one would then have been totally beyond rescue, for which reason I took a grapnel and a rope from the chaloup de Taxisboom in order to moor the said pantjallang thereto, so that, when arriving at Amboina, the said grapnel and rope may be further accounted for by the mate of the said pantjallang. Tuesday the 28th of March in the morning at about 8 o'clock the wind began again so Saturday the 1st of March 1769 in the morning at about 7 o'clock the orang tua of Keffing came on board, who advised me that I should have the anchor weighed, by reason that one did not lie safe here with the pantjallang against the northerly winds, and that he would point out a better anchorage; whereupon I immediately had the anchor weighed, and the pantjallang was towed by the Keffingese with their orembaais to close near the mangrove forest, where it was found that there was a better anchorage, where one lay somewhat better sheltered against the north wind. Arrived there immediately with the pantjallang, anchored at a depth of 3 fathoms, moored the pantjallang at once, and remained so lying. Extract from the Journal kept by the ordinary gunner Jan Jansz during the expedition on the south coast of Ceram with the chaloup de Taxisboom and the pantjallang De Liefde in the year 1769. Agrees. Reijnon
Dutch transcription
56 Joan Abraham van der Voort Gouverneur en Directeur dezer Provintie wel Edele Agtbaare Heer Aangezien 't uwel Edele Agtbaare behaagt heeft den onder„ „geteekenden te ordonneeren, om aan te toonen, in wat tijd van 't Jaar 't veijligste aan de Noord kant van het Eijland kesing te aankeeren is; zois't, dat om aan uwel Ed: Agtbaare g'eer „de ordres te voldoen bekent stellen dat voor zo verre, ik al„ „daar met de bekruijssingen die kust ondervonden hebbe, vermeene, dat van p=mo october tot ult=o februarij aan de N=s kant van het gemelde Eijland nog wel te leggen zou weesen, om reedenen met de: W=t N: W=t en Z=t winden voor de wal beschut leggen; edog voor het breeken der touwen en het verlies van ankers af dreggen, mitsg„s het beschadigd raaken door de vuijle en scherpe klip, gronden item de zeer ongelij„ „ke dieptens van 50: 20. 10. 5. tot 3 v=m niet geheel buijten gpwaar„ also wegens voor ketting een bequaame anker grond te vin „den, maar de geheele Rhee val verborgen steenen en klip„ „pen is, waar van sommige bij laag water droog vallen: ook legt voor keffing een groot rif, dat een quart mijl uijt de wal steekt en tusschen het zelve en Poulo Gisser is maar een nauwe kiel daar de vaartuijgen door moeten passeeren van Primo Maart tot ult„o September wel Edelen Agtbaaren Heer Eerbiedig Berigt Aan den stelle 58 stelle ik het bij na onmoogelijk dat een vaartuijg voor af aan de Noord kant van kesting zol kunnen blijven leggen, uijt hoofde dan met de oost N: O: Noorde winden en ongestadige buije voor dezel „ve zo wel als voor de swaare zeen en hooge dijninge bloot en in groot gevaar leggen om met de voorsz. slegten grond de ankers te verliesen sonder apparentie om die van agter de groote klip„ „pen wederom thuijs te krijgen, zo dat het min voorkomt als het niet ten uijtterste noodsakelijk is, de Rheede van kesting niet alleen in de oost mousson, wanneer het sonder het uijter„ „ste gvaar van 'sComp:s Boodems onmogelijk is daar te blij„ „ven, maar ook in het wester saisoen te vermijden en daar te begeeven aan de oostkant van P„lo Gossa te ankeren, dag van waar niets van 't Eijland keffing kan gezien worden— waarmeede verhoopende, aan de hoog g'Eerde intentie van uwelEd. Agtb: te moogen hebben voldaan, mij voorts vereere met een diep ontsag en de meeste Eer„ „bied te onderschrijven. /.onderstont. /. wel Edele Agt„ „baare Heer /:lager. /. uwel Edele Agtbaare seer demoedigen en trouwschuldigen dienaar :/ was getekent./ I: Bogerscheijt /:in margine/ Amboina den 4=e Maart A:o 1772: de Maandag den 27: d„o des agter middags kreegen een swaare tearaat uijt den Noorden met een magtige verheffing van zee waar door de Pantjallang D' Liefde zo vreeselijk lak te reijen dat daar door een der ankertouwen quam te breeken, waardoor men bij na op de klippen was geslaagen en vermits de pantjallang tans niet meer had als een Dregh en Een touw, daar deselve nog voor lagh te reijen, dat mede niet buijten gevaar was van op de klippen in stucken te veijlen waar door men dan ten eenemaal reddeloos zoude zijn geweest uijt dien hoofden Een Dregh en een touw van de Chialoup de Taxisboom afgenoomen heb, om gem: Pantjallang daar voor te leggen /:om als dan wanneer te Amboina komende gem: Dregh en touw door den stuurman van gem: Pantjallang nader te werden verantwoord. — Dingsdag den 20:' Maart smorgens Circa 8: uuren begon de wind alweder soo Zaturdag den 1:' Maart 1769: 's morgens Circa 7: uure quam den orang toua van keffing aan Boord, dewelke mij aanraede, dat ik het anker soude late ligten om redenen men hier met de Pantjallang voor de Noor„ „delijke winden niet veijlig lagh, en dat hij een beter ankerplaats soude aenwijsen, waar op ik terstond het anker liet ligten en wier„ de met de Patjallang door de keffenesen met hunne orembaijs, tot digt bij 't mangij mangij bosch gebougseert, alwaar men be„ „rond, dat een beter ankerplaats was, daar men Eenigsints beter voor de noorde wind beschut lagh, quame terstond aldaar met de Pant„ jallang, op de Diepte van 3: vaam ten anker vertuijde opstond de Pantj: en blieven alsoo leggen „ter Gehouden door den ordinaire vuur„ „werker Jan Jansz: Geduurende de Expeditie op de Zuijd Cust van Ceram met de Chialoup de Taxisboom en de Pantjalling De Liefde in den Jaa re 1769: Extract uijt het Dagregis„ Accordeert. Reijnon ret - herig 1
English
60 fiercely to blow from the north, which shortly thereafter was followed by a mighty swell, which sea ran so high that the chaloup the Taxisboom and the pantjallang De Liefde were nearly overwhelmed by the waves, causing them to ride at anchor so terribly that shortly the anchor cable of the Taxisboom broke off due to chafing on the rocks, so that she was riding to only one or her last anchor; therefore nothing else was foreseen but that, if this cable of the last anchor should also happen to break, the aforementioned chaloup would be dashed to pieces and smashed on the rocks, since she could use no other means, as no more anchors remained aboard said vessel, because the day before she had assisted the pantjallang De Liefde with a grapnel and a rope. If the pantjallang had not been provided with the aforementioned grapnel and rope, she would undoubtedly have been dashed to pieces on the rocks the day before, since she had nothing more than one grapnel to ride out the storm. The wind and swell continuing from morning until evening, so that nonetheless the chaloup and the pantjallang each held out before two anchors without any further damage. In the evening at circa 7 o'clock, the wind decreasing somewhat, but the sea remaining just as turbulent, I immediately had the master of the Taxisboom come aboard, whereupon I asked both mates whether they thought they could still remain at this roadstead, which was our destination, with their vessels without danger of running aground. But they declared to me, as I was also of the opinion, that this was impossible. Therefore, we found ourselves compelled to resolve to leave the roadstead of Keffing and to choose that of Poeloe Gisser, since there is a safe anchorage there, so that in the morning, when the weather is calm, we would cross over with the chaloup and the pantjallang to Poeloe Gisser in order to remain lying there. At midnight the wind and the sea had calmed somewhat. Furthermore nothing happened that day. Wednesday the 29th of March. In the morning, circa three o'clock, calm weather. From the pantjallang De Liefde, a signal shot was fired for the orembaais of Keffing to help tow us off the shore. After the signal was made, the orang tua of Keffing came aboard with four orembaais. Immediately weighed anchor and had the pantjallang towed outside the reef in this manner. Circa four o'clock, got under sail with the pantjallang; the orembaais were to go immediately to the Taxisboom to help tow her outside as well. Immediately a breeze came from the north; tacked back and forth along Keffing with the pantjallang to wait for the Taxisboom. Circa half past five, saw that the Taxisboom set her sails, but shortly thereafter the wind began to blow strongly from the north, making it impossible for her to get outside, since because of the heavy swell she was driven toward the rocks again, whereupon she was forced to fire two distress shots. Whereupon we immediately turned toward her with the pantjallang, but saw that with the help of several orembaais from the Keffingers she was brought back to her previous anchorage. And since the wind was again increasing strongly, the aforementioned chaloup remained lying there again before two anchors, of which I immediately received word. And since the wind was still increasing strongly and the current was also running strongly to the east, we were forced with the pantjallang to run before the wind to Poeloe Gisser, where we came to anchor with the aforementioned pantjallang before noon at circa eleven o'clock. Immediately the former orang kaya, the katisi, along with some people of Poeloe Gisser, came aboard to ask whether we needed anything, whereupon they departed again shortly thereafter. In the afternoon at circa half past six, the orang tua of Keffing came aboard and reported to me that the Taxisboom had been in the utmost danger of running aground today, because the wind had blown so fiercely from the north and the sea had been so enraged that the surf had crashed onto and over the chaloup from all sides, so that they thought nothing else but that the aforementioned chaloup would be smashed to pieces; therefore they had kept their vessels in readiness the entire day in order to be able to render assistance to the aforementioned chaloup in case of emergency; but that in the afternoon at circa four o'clock the weather had somewhat
Dutch transcription
60 herig uijt den Noorden te waijen dat in het kort daar op gevolgd wierd van een magtige holle zee welke zee soo verheffend was, dat de Chia„ „loup de Taxisboom en de Pantjallang D' Liefde bij na door de golven overstelpt wierden, waar door deselve zoo vreeselijk laagen te reijen, dat in het kort 't anker touw van de taxisboom door 't veijlen op de klippen quam aftebreeken zoo dat deselve nog maar voor een of laaste anker lag te reijen derhalven men niet anders voor oogen sagh, dat bij aldien dit touw van 't laaste anker mede quam te breeken of de voorm: Chialoup zoude in spaanders op de klippen zijn en stuckend gesla„ „gen; vermits deselve geen andere middelen meer kon gebruijken, door dien geen ankers meer in gem: bodem had berustende, vermits daags. te vooren de Pantj: De Liefde met een Dregh en een touwe had g' „adsisteert /: was 't saaken dat de Pantj: met voorm: Dregh en touw niet was voor sien geworden, dan was dezelve ongetwijffelt'sdaags te vooren al te stucken op de klippe geslaagen, vermits niet meer had als een dregh, te reijen, de windende holle zee, van den mogten tot den avond blijvende Continueeren, zoo dat Oven wel de Chialoup en d' pant„ „jallang, het ider voor twee Ankers hebben gaende gehouden, sonder eeni„ „ge verdere schaade; 's avonds Circa 7: uuren de wind wat afneemende dog de zee nog al even onstuijmig bleef, terstond het ik den Huur„ „man van de Taxisboom bij aanboord koomen, daar op vraagden ik aan beijde stuurlieden of zij dagten het alhier op dese Reede, daar onse bestemde plaats was met haar boodems buijten gevaar van te stranden, nogh soude kunnen bleijven vertoeren Dog deselve ver„ klaarde mij gelijk ik mede van gevoelen was, dat zulks ondoenlijk is :/ derhalven vonden wij ons genood prangt te resolveeren om de reede van Keffing te verlaaten en die van Poeloe Gisser te kiesen, vermits daar een veijlige anker plaats is zo dat men in den mor„ „genstond wanneer 't stil weer is met de Chialoup en de Pant„ „jalling zoude oversteeken na Poeloe gisser, om aldaar te blijven leggen meddernagt was de wind en de zee wat bedaart verders diendag niets voorgevallen. — woensdag den 29: Maart, Jn de morgenstond Circa drie uur stil weer, dede van de Pantjalling De liefde een Ceijn schoot om orembuijs van keffing om ons van de wal te helpen boug„ „seeren, na gedane Ceijn quam den orangtoua van keffing met vier„ orembaijs aan boort, Ligten op stond 't anker en lieten de pantjallang zoo buijten 't Riff bouijseeren, sirca vier uur, raakten met de pantjes onderzeijl, zoude terstond de orembaijs na de Taxisboom, om die mede buijten te helpe bougseeren, ter stond kreeg men een lugtje uijt den Noorden, legden het met de Pantjallang over en weer langskeffing heen om de Taxisboom afte wagten, Circa half ses sagen dat de Taxisboom zijn zeijlen bij setten, dog kort daar op de wint sterk uijt den Noorden begon te waijen, 't ondoenlijk was, voor deselve om buijten te geraaken vermits door de swaare holle zee weeder na de klippen, J desselve wierd aangesteld, waar op genoodzaakt was, tee twee noodschooten te doen, waar op wij terstond met de Pantj: de Heeren na deselve toegewende, maar sagen dat hij door be„ „hulp van meerder orembaijs van de keffenesen weder op sijn voo„ „rige anker plaats wierd gebragt en vermits de wind alweder sterk toe nam, is gem: Chialoup aldaar weder voor twee ankers blijven leggen, waar van ik terstond berigt kreeg, en vermits de wind nog al sterk toenam en de stroom mede om de oogst sterkliep, zijn wij met de Pantjallang genoodsaakt geweest om t voor de wind af„ na Poeloe gisser te laaten loopen, alwaar wij met gem: Pantj: voor den middag Circa Elf uur ten anker quamen, terstond quam den gewese orangkaijen den katisie benevens eenige volke„ „ren van Poeloe gisser aan boord om te vragen of men niets benodigt was, waar op deselve kort daar aan weder sijn vertrocken; 's agter„ „middags Circa half tes quam den orangtoea van keffing aan Boord en berigte mijn, dat de Taxisboom van dag in't uijterste gevaar is geweest van te stranden, door dien de wind so herig uijt den Noorden heeft gewaijt ende zee so verbolgen is geweest, dat de branding van alle kanten op en over de Chialoup is geslagen zoo dat zij lieden geen andere Gedagten hebben gehad, of de gem: Chialoup zouw in spaanders hebbe geslaagen, derhalven zij lieden den geheelen dagh hunne vaarthuijgen en gereedtheid hebbe gehad om gem: Chialoup ter nood zijnde te kunnen adsistentie be„ „wijsen, dog dat des sagtermiddags Circa vier uur 't weer schoot wat
English
had somewhat abated, and that the sloop had hitherto sustained no damage, so that he, the mentioned orang tua, for that reason came to give me notice thereof, and that early tomorrow morning he would exert his utmost effort so that, with the help of more orembaais, he could help the sloop get away from there, and they would even then cross over to Poeloe Gisser with that little vessel; whereupon I requested him that he would indeed fulfill his promises, as he promised to do, whereupon the mentioned orang tua immediately departed for Keffing; furthermore, nothing occurred this day and night. Thursday the 30th of March, in the morning at about 7 o'clock, we saw that the sloop de Talisboom had gotten outside the reef of Keffing and with full sails came crossing over to Poeloe Gisser, where the same came to anchor before noon at about nine o'clock; immediately I went aboard the mentioned sloop and asked the mate whether he had also suffered any damage yesterday, who gave me as an answer no, but that the surf had been rising so dreadfully that it had broken completely over the sloop, whereby it had been in such danger that he had already caused some Company goods to be laid in readiness to be loaded into the boat, if such had been feasible, for apparently nothing else was to be expected but that the sloop would that day have been smashed to pieces; but God still prevented such, because the wind towards evening had begun to abate somewhat, so that the same suffered no damage. Underneath stood: Agrees. Was signed: J: D: Beijnon: secretary. To the undersigned commander of the pantjalling De Catharina Geertruijda, having been handed by Your Honorable Worships a written instruction dated 1 June of this current year, containing Your respected order to cruise with his aforementioned vessel under his command until the end of the recently passed month of July, or longer, along the inner coast of Ceram between the Three Brothers in the west to the cape of Liang and further up in the east, for the protection of the Company's precious spice trade against Ceramese smugglers or other harmful interlopers, with orders upon encountering them to attack and overpower them; thus the same, having returned after the completion of the aforementioned prescribed period of time, has the honor briefly to report to Your Honorable Worships regarding the result of this cruise, that during the same he had no particular encounters, and that only on the 18th of the month of June at night at 10 o'clock, when he was not far from the cape of Camariang, two Ceramese vessels Right Honorable Worshipful Sir. To the Right Honorable Worshipful Sir Joan Abraham van der Voort Governor and Director of this Province Agrees Beijnon Secretary
Dutch transcription
62 wat is bedaart, en dat de Chialoup tot nog toe geen schade was overgekoomen dat hij gem: orangtoea uyt dien hoofde my daar van quam kundschap geven, en dat hij morgen vroeg zijn uijterse Doroe zoude aanwenden om door behulpe van meer orembaijs de Chiatoup daar van daan helpen en zelfs dan niet dat kieltje na Poeloe Gister zouden overkoomen, waar op ik den selve versogt, dat dog sijne gelegdens wilde nakomen, gelijk hij beloofte te sullen doen, waar op gem: orang toea verstond ne keffing is vertrocken, verders deesen dag en nagt niets voorgevalen Donderdag den 30: Maart, smorgens Circa 7: uuren sagen dat de Chialoup d' Ta Lisboom buiten 't visf van keffing was geraakt en met volle zeij„ „len quam oversteeken na Poeloe Gisser alwaar den selve voor de middag Circa neegen uuren ten anker quam terstond gong ik na Boord van gem: Chialoup en vraagte aan den stuurman of hij gis„ „teren ook eenige schaade geleeden had mij ter antwoord gaf van neer maar dat de branding so vreedelijk verheffend is geweest, dat deselve tot over de Chialoup is geslaagen, waardoor hij sodanigin gevaar is geweest, dat hij al eenige Comp„s goederen in gereetheid had laten leggen om in de schuijt te scheepen, indien zulx doendelijk was geweest want oogen schijnelijk niets anders te verwagten had of de Chialoup zoudien dag en spaanders zijn geslagen; Dog God heeft zulx nog verhoed door dien de winten zie tegens den avond wat had beginnen te bedaaren zodat dezelve geen schade is over„ koomen /:onderstont:/ Accordeert, /:was geteekend:/ J: D: Beijnon: secretaris. Aan: den ondergeteekende gezaghebber van de Pantjalling De Catharina Geertruijda door uwel Ed: Agtb: inhandigt zijnde, eene schriftelijke Instructie gedateert P=mo Iunij I:o S: houdende derzelver gerespecteerde ordre om met zijn voorsz: onderhebbende bodemtje tot het laast der Jongst gepasseerde maand Iulij dan wel langer te kruijssen aan de binnen Cust van Ceram tusschen de drie gebroeders in 't westen tot de hoek van Liung en daar boven in't oosten ter bevrijliging van 'sComp dierbaaren specerij handel tegens Ceramse smok„ „kelaars dan wel andere schadelijke onderkruipers derzelve met last dezelve ontmoetende te attacqueeren en te over„ „meesteren, zo heeft denzelven na voleindiging van voorm: voorgeschreeven tijd bestok geretourneerd zijnde d'eere uwel Ed: Agtb: nopens den uitslag deser bekruijssing in 't kort te berigten dat geduurende dezelve geene son„ „derlinge ontmoetinge gehad heeft en dat eenlijk den 18:' der maand Iunij des nagts om 10. uuren wanneer niet verre van de hoek van Camariang af was twee Ceramse Wel Edelen Agtbaaren Heer. Aan den wel Edele Agtbaare Heer Joan Abraham van der Voort Gouverneur en Directeur dezer Provintie Accordeert on Vei E Secret:s 1 vaartuijgen E 62 wat is bedaart, en dat de Chialoup tot nog toe geen schade overgekoomen dat hij gem: orang toea uyt dien hoofde my daa quam kundschap geven, en dat hij morgen vroeg zijn uijter Doroe zoude aanwenden om door behulpe van meer over„ de Chialoup daar van daan helpen en zelfs dan niet dat kier na Poeloe Gister zouden overkoomen, waar op ik den sel versogt, dat dog sijne gelegdens wilde nakomen, gelijk hij te sullen doen, waar op gem: orang toea terstond ne ke„ is vertrocken, verders deesen dag en nagt niets voorgevale Donderdag den 30: Maart, smorgens Circa 7: uuren dagen dat de Chialoup d' Lisboom buiden 't visf van keffing was geraakt en met vo„ „len quam oversteeken na Poeloe Gisser alwaar den selve vo middag Circa neegen uuren ten anker quam terstond gong ik Boord van gem: Chialoup en vraagte aan den stuurman of h „teren ook eenige schaade geleeden had mij ter antwoord gaf van„ maar dat de branding so vreedelijk verheffend is geweest, dat de tot over de Chialoup is geslaagen, waar door hij sodanigine is geweest, dat hij al eenege Comp„s goederen in gereetheid had lat leggen om in de schuijt te scheepen, indien zulx doendelij geweest want oogen schijnelijk niets anders te verwagten of de Chialoup zoudeindag in spaanders zijn geslagen; Doo„ heeft zulx nog verhoed door dien de winten zie tegens den wat had beginnen te bedaaren zodat dezelve geen schade koomen /:onderstont:/ Accordeert, /:was geteekend:/ D: Beijnon: secretaris. — 11 Aan den ondergeteekende gezaghebber van de Pantjalling De Catharina Geertruijda door uwel Ed: Agtb: inhandigt zijnde eene schriftelijke Instructie gedateert P=mo Iunij I:o S: houdende derzelver gerespecteerde ordre om met zijn voorsz: onderhebbende bodemtje tot het laast der Jongst gepasseerde maand Iulij dan wel langer te kruijssen aan de binnen Cust van Ceram tusschen de drie gebroeders in 't westen tot de hoek van Liang en daar boven in't oosten ter bevrijliging van 's Comp dierbaaren specerij handel tegens Ceramse smok„ „kelaars dan wel andere schadelijke onderkruipers derzelve met last dezelve ontmoetende te attacqueeren en te over„ „meesteren, zo heeft denzelven na voleindiging van voorm: voorgeschreeven tijd bestok geretourneerd zijnde d'eere uwel Ed: Agtb: nopens den uitslag deser bekruijssing in 't kort te berigten dat geduurende dezelve geene son„ „derlinge ontmoetinge gehad heeft en dat eenlijk den 18:' der maand Iunij des nagts om 10. uuren wanneer niet verre van de hoek van Camariang af was twee Ceramse wel Edelen Agtbaaren Heer. Aan den wel Edele Agtbaare Heer Joan Abraham van der Voort Gouverneur en Directeur dezer Provintie Accordeert Reijnon Secret: vaartuijgen
English
honorable Sir vessels appeared in sight, setting their course toward the point of Hitou, but as soon as those rovers caught sight of the Paduwakang, they changed their course to get back under the coast of Ceram with such speed that, notwithstanding all diligence and effort made to pursue and overtake those vessels, this was not possible, since through their swift sailing and rowing they soon went out of sight, just as also occurred on the 20th of the same month with two similar vessels between the point of Theolalij and the point of Hoetalieuw. Herewith the subscriber takes the respectful liberty to sign, it was written below, Honorable Sir, lower, your Honorable's very humble and dutiful servant, was signed, A: Berentsz:, in the margin, Amboina New Victoria the 2nd of September 1772. The undersigned Military Lieutenant, having been provided on the 4th of November of the recently passed year by your Honorable with an instruction to cruise with the Paduwakang Catharina Geertruijda along Ceram's inner coast from the islands The Three Brothers in the west to the point of Liang and there above in the east with another eight cruising orembaais, now has the honor upon his return to report to your Honorable that neither he nor the cruising orembaais placed under him, as far as he is aware, encountered any rovers or illicit traders, nor any who were not provided with proper passes during the cruising, notwithstanding that the subscriber, as far as was in his power, always took care to regulate the stations of the vessels in such a manner that the approaches were properly closed, and thus it would have been with great difficulty To the Honorable Sir Governor and Director of this Province Joan Abraham van der Voort To the Honorable Weijn Secretary Agrees. E 64 66 that a strange vessel could have remained thereabouts unnoticed. Wherewith, with deep and dutiful respect, I sign this, it was written below, Honorable Sir, lower, your Honorable's very humble and obedient servant, was signed, I A: van Eerten, in the margin, Amboina, the 1st of February, in the year 1772. Report to the same Gentlemen. The undersigned commanding mate of the Paduwakang Lassum, with the Military Ensign Willem August Delius, pursuant to the instruction handed over by the said officer in the presence of your Honorable at Paumahoe in the Bay of Piroe and Tanoenoe on the 4th of November of the past year, having departed from the aforesaid place to cruise with the said vessel and 4 orembaais along the south side of Leytimor, from Hoetoemoerij in the east to the Point of Nussanive in the west, has the honor to report that during the aforesaid cruising, both while the aforesaid Ensign Delius was on board until the 15th of November last, when that Pursuant to your Honorable's highly honored order contained in the instruction dated the 4th of November 1771, handed to me in the Bay of Piroe and Tanoenoe at Paumahoe, I proceeded according to the same on board the Paduwakang De Voortvarendheid in order to conduct the cruising along Ceram's inner coast, or from the point of Cammariang to before the Negorij Caybobo, whereupon I set sail with the said Paduwakang on the 6th thereafter, during which intervening time until today none To the same as before officer was recalled by your Honorable, and since that date until the aforesaid cruising ended on the 2nd of February of this year, no strange or illicit vessels, nor any that were not provided with proper passes, were encountered or appeared in the fairway; and thus being able to report nothing special of this cruising to your Honorable, the subscriber takes the liberty to conclude this, with humble profession of being, it was written below, Honorable Sir, lower, your Honorable's very humble and dutiful servant, was signed, A: Been, in the margin, Amboina the 26th of March in the year 1772.
Dutch transcription
baren Heer vaartuijgen in het gezigt verscheenen haare Cours stellende op de hoek van Hitou dog zo zal die swervers de Poetjal „ling in het gezigt kregen verandere dezelve hun Cus om weder onder de Ceramse wal te komen met een zodanige geswindheid dat niet tegenstaande alle vlijt en moeijte die aangewend is om die vaartuijgen na te zetten en te agterhalen zulx niet mogelijk is geweest nadien dezelve door hun snel seijlen en roeijen wel haast uit het gezigt geraakte, zo als zulx op den 20: derzelve maend ook voor „gevallen is met twee diergelijke vaartuigen tusschen de hoek van theolalij en de hoek van Hoetalieuw Hier meede neemt den teekenaar d' eerbiedige vrijheid zig te onderschrijven /:onderstond /: wel Edele Agtbaaren Heer /:Lager:/ uwel Ed: Agtb: zeer onderdanige en trouw schuldige Dienaar /was getekend:/ A: Berentsz: /: in mar„ „gine:/ Amboina nieuw victoria den 2: 7ber: 1772: Den ondergeteekende Lieutenant Militaia op den 4: November des Iongst gepasseerden Iaars door uwel Edele Agtb: voorsien zijnde met een Instructie ten eijnde met de Patjalling de Catharina Geertruijda te kruyssen aan Cerams binnen Cust van de Eylanden de drie gebroeders in het westen tot de hoek van Liang in daar booven in het oosten met nog agt kruijs orembaijen, heeft tans d'eere bij zijn te rug komst uwe Ed: Agtb: te Rapporteeren, dat hen nog d'onder hem gestelde kruys orem baijen voor zo veel hem bewust is geene swerders of mors„ handelaars, ook geene die niet van behoorlyke Passen zyn voorsien geweest geduurende de bekomyssingen zijn op' moet, niet tegenstaande den teekenaar altoos zo veel in zijn vermoogen is geweest heeft zorge gedraagen de stant plaatsen der vaartuigen zodanig te reguleeren dat d'avenuens behoorlijk geslooten, en dus met veel geleegendheijd zoude geweest DWel Edele Agtbaare Heer Gouverneur en Directeur deeser Provintie Joan Abraham van der Voort Aan den Wel Edelen Agt„ Weijn Secret: Accordeert. zyn E 64 66 zijn dat een vreemd vaartuijg ongemerkt zig daar omstreeks zoude hebbe kunnen ophouden waar meede mij met diep schuldig Respect deeze geeven te teekenen (onderstont. Wel Edele Agtbaare Heer /:Lager uweEEd: Agtb: zeer oodmoedigen en gehoorsaamen Dienaar (:was geteekent I A: van Eerten (:in margine:/ Amboina P=mo Febr: A=o 1772. Rapport Aan als Heeren. Den ondergeteekende gezaghebbende stuurman van de Patjalling de Lassum met den vendrig Militair Willem August Delius na huyd der Instructie door gemelde officier bij het aan wesen van uwelEd: Agtb: op Paumahoe in de Bogt van Piroe en Tanoenoe op den 4: November des gepasseerden Iaars ter hand gestelt, van voorsz: Plaats vertrokken zijnde om met gerepten bo„ „den en 4: ovembaagens te kruyssen huys de Zuijd kemt van Leytimor, van Hoetoemoerij in't oosten tot aan de Hoek van Nussauie in't westen, heeft dan d' eere te berigten dat ge„ duurende voorsz gedaane bekruijssing, zo wel bij het aanweesen aan boord van voorm vandrig Delius tot den 15e: November Pass=o dat dienp Ingevolge uwel Ed: Agtb: hoog g'eerde ordre vervat bij instructie gedateert den 4: Novem„ ber 177.: mij in de boef van Piroe en Tanoenoe op Pannahoe ter hand gestelt, heb ik mij nen luijd derzelve vervoegt op de Patjalling de voortvarendheid ten fine daar meede de bekruyssing lanijs Cerais binnen Cust of van de hoek van Cammariang tot voor de Negorij Caybobo te doen, waar op den met gemelde Patjalling dan 6 daar aan onderzeijl gegaan ben, in welken tusschen tijd tot heeden geene de Aan als Vooren ƒ Officier door uwelEd: Agtb: gerappelleert is als Zeedert die datum dat voorsz bekruyssing een eynde genoomen heeft of den 2: febr: hupus Anni geen vreemde of ongepermitteerde vaartuijgen dan wel die niet van behoorlyke pascen voor„ zien zyn geweest ontmoet of in het vaar waar¬ ter verscheenen zijn; En dus niets bijzon„ ders van deese bekruissing uwel Ed: Agtb: kin„ nende berigten neemt den teekenaar de voyheid deese te besluijten, met onderdanige betuijging van te zijn (:onderstont:) wel Edele Agtb: Heer /lager:/ uwelEd: Agtb zeer onderdaanige en trouwschuldige Dienaar (was geteekent) A: Been, : in morgine Amboina den 26: Maart A„o 1772. officier minte
English
68 To as mentioned had the least encounter with any rovers or smugglers, respectfully adding hereto as the only particular encounter that on the 2nd of this month, when it was reported to me that past the Duivelsklip close to the Negorij Mamala two Ceram vessels lay at anchor, I immediately upon that report sailed close inshore to creep up on them, but meanwhile, upon the notification that had likewise been given to him, two soldiers from his post alongside a native of Mamala named Oemarela had already been sent thither by the Corporal of Mamala to inquire after the aforementioned rovers, with orders to come and report to us thereof immediately; the same, instead of complying therewith, fired upon them and thus caused those vessels upon my approach to take to flight already and, whatever effort I also expended to overtake them, to escape me. Wherewith I hope to have fulfilled the honored intention of Your Right Honourable, presuming the honor to be with the highest esteem, underneath stood: Right Honourable Sir, lower: Your Right Honourable's obedient and duty-bound servant, was signed: I: Gosseling, in the margin: Amboina the 16th of April Anno 1772. The undersigned military ensign, in fulfillment of the instruction handed to him by Your Right Honourable at Paumahoe in the bay of Piroe and Tanoenoe dated 2 November of the past year, to cruise with the patjalling the Saparoua, reinforced with one corporal and six military privates, between Saparoua to and fro Hatoeano and up above within sight of Latoe and Hoealooij, now has the honor to report, after this accomplished voyage, that during the same no noteworthy occurrence, whether in the encounter with foreign or unauthorized rovers or otherwise, has taken place which warrants a special report to Your Right Honourable, nor to the orembaais that also cruised under his authority in those districts; wherefore the undersigned takes the liberty to conclude this report, and in the confidence of having fulfilled his duty has the honor to subscribe with deep respect, underneath stood: Right Honourable Sir, lower: Your Right Honourable's very humble and duty-bound servant, was signed: Johannes Diderik Gronardt, in the margin: Amboina the 24th of April Anno 1772. Agrees, Reijnon Secretary To The undersigned military lieutenant and ensign, having received on the 6th of the past month of April from Your Right Honourable a written instruction to cruise the south and north coast of Ceram with the patjallings the Passum and Toesigt; In the first place to obtain as much information as possible regarding the activities of the Ceram people, as well as whether foreign rovers, be they Bugis, Macassars, Boutoners, or other western nations, were staying thereabouts, but also to accost and overpower upon meeting the same as well as the Ceram people, if these latter were not provided with proper passes, and of those in whose vessels any spices were discovered upon search, to punish with death the crew sailing thereon as spice thieves. Secondly, upon a suitable opportunity, to turn the prow between Pulo Iisser toward Rarakit on the north coast of Ceram and there, either by ruse or with Right Honourable Sir. To the Right Honourable Sir Joan Abraham van der Voort Governor and Director of this Province force 69
Dutch transcription
68 Aan als vermeld minste rencontre van eenige swarvers of morshun„ delaars gehad hebbe, voegende ik in eerbied als d' eenigste byzondere ontmoeting hier bij dat op den 2: deeser, wanneer mij gerepporteert wierd dat er voor bij de duijvel schip digt bij de Nego„ „rij Mamalen twee Ciramse vaartuijgen ten anker langen ik op dat Rapport ten eersten digt on„ der de wel heen schipten om dezelve te be¬ „kruijpen, dog intusschen dat door den Corporaal van Mamala op het berigt dat hem daar van Insgelyks gedaan was reeds twee soldaaten van sijn Post neevens een Inlander van Mar„ mala gen:t Oemarela derwaards afgezonden zijnde om na de voorm: Swervers te verneemen te verneemen met ordre ons daar van ten eersten te koomen Rapport doen; hadden dezelve in steede van daar aan te voldoen daar op vuur gegeven en dus veroorsaakt dat bij mijne na„ =dering die vaartuijgen reeds de vlugt gekoosen en mij wat moeijte ik ook tot derzelver agterhaa„ „ling hebbe aangewend uitsnapt zijn waar meede verhoope aan de g'eerde in tentie van uwelEd: Agtb: te hebben voldaan mij d'eere aanmaatige om met de meeste hoog agting te zijn /:onderstont:) wel Edele Agtb: Heer /:lager:/ uwelEd: Agtb: gehoorsaamen en trouwschuldigen dienaar /:was geteekent:/ I: Gosseling ter zyde:) Amboina den 16: April Ao: 1772 Den ondergeteekende vendrig militair in voldoening van d'aan denzelven door uwelEd: Agtb: op Paumahoe in de bogt van Piroe en Tanoenoe ter hand gestelde Jn„ „structie in dato 2. November A:o pass=o omme met de Patjalling de Saparoua, versterkt met een Corporaal en ses gemeene militairen te kruijssen tusschen Sapa„ „roua tot af enaan Hatoeano en daar boven tat in't gezigt van Latoe en Hoealooij heeft tans d'eere na deese volbragte togt te Berigten dat geduuren „de deselve geene merkwaardige gebeurtenisse 't zij in d' ontmoeting van vreemde af ongepermitteerde swervers dan wel iets anders is voorgekoomen 't geene een bijzonder berigt aan uwel Ed: agtb: meriteert, ook niet aan d' onder zijn gezag in die de„ stricten meede gekruijst hebben de orembaijen, waar„ omme den teekenaar de vrijheid neemd dit Rapport te besluiten en in vertrouwen van aan zijn pligt te zullen hebben voldaan d' eere heeft van met diep ontsag te onderschrijven /:onderstont:/ wel Edele Agtbaare Heer /:lager:/ Uwel Edele Agtb: seer onderdani „ge en Prouwschuldigen Dienaar /was geteekent/ Iohannes diderik Gronardt /:in margine:/ Amboina den 24. ' April A„o 1772:— Accordeert Reijnon H cret Aan 68 Aan als vermeld minste rencontre van eenige swarvers of mor delaars gehad hebbe, voegende ik in eerbied d' eenigste byzondere ontmoeting hier bij de den 2: deeser, wanneer mij gerapporteert dat en voor bij de duijvel schip digt bij de „rij Mamala twee Ciramse vaartuijgen ten „ langen ik op dat Rapport ten eersten de„ der de wel heen schipten om dezelve te „kruijpen, dog intusschen dat door den Corpo van Mamala op het berigt dat hun dac van Insgelyks gedaan was reeds twee soe van sijn Post neevens een Inlander van mala gen:t Oemarela derwaards afgezo zijnde om na de voorm: Swervers te verneem te verneemen met ordre ons daar van ten eer te koomen Rapport doen; hadden dezelve steede van daar aan te voldoen daar op vu gegeven en dus veroorsaakt dat bij mijne =dering die vaartuijgen reeds de vlugt geko en mij wat moeijte ik ook tot derzelver agte „ling hebbe aangewend uitsnapt zijn. waar meede verhoope aen de g'eerde tentie van uwelEd: Agtb: te hebben vold: mij d' eere aanmaatige om met de meeste h agting te zijn /:onderstont:) wel Edele Ag Heer /:lager:) UwelEd: Agtb: gehoorsaamen trouwschuldigen dienaar /:was geteekent:/ I: G„ (ter zyde:) Amboine den 16: April lo: 17. Den ondergeteekende vendrig militair in voldoening van d'aan denzelven door uwelEd: Agtb: op Paumahoe in de bogt van Piroe en Tanoenoe ter hand gestelde Jn„ „structie in dato 2. November A:o pass=o omme met de Patjalling de Saparoua, versterkt met een Corporaal en ses gemeene militairen te kruijssen tusschen Sapa„ „roua tot af enaan Hatoeano en daar boven tot in't gezigt van Latoe en Hoealooij heeft tans d'eere na deese volbragte togt te Berigten dat geduuren „de deselve geene merkwaardige gebeurtenisse 't zij in d' ontmoeting van vreemde af ongepermitteerde swervers dan wel iets anders is voorgekoomen 't geene een bijzonder berigt aan uwelEd: agtb: meriteert, ook niet aan d' onder zijn gezag in die de„ stricten meede gekruijst hebben de orembaijen, waar„ omme den teekenaar de vrijheid neemd dit Rapport te beslugten en in vertrouwen van aan zijn pligt te zullen hebben voldaan d' eere heeft van met diep ontsag te onderschrijven /:onderstont/ wel Edele Agtbaare Heer /:lager:/ Uwel Edele Agtb: seer onderdani „ge en Trouwschuldigen Dienaar /was geteekent/ Iohannes diderik Gronardt /:in margine:/ Amboina den 24. April A„o 1772:- Accordeert Reijnon # Secrets Aan De ondergeteekendens Lieutenant en vendrig militair op den 6:' der gepasseerde maand April van uwel Ed: Agtb: ontfangen hebbende een schriftelijk In„ structie ten eijnde met de Patjallings de Passum ende Toesigt de bekruijssing van de zuijd en Noord Cust van Ceram te doen; Jn de Eerste plaats omme zo veel mogelijk informatie te neemen van de bedrijven der Cerammers, mitsg=s of zig daarom streeks ook vreemde swervers, 't zij Bouguineesen, Maccassaren, Boutonders of andere westersche natien op hielden, maar ook deselve zo wel als de Cerammers, in dien deese laaste van geen behoorlijke Passen voorsien waaren bij ontmoeting aan te lasten en te overmeesteren en daar van de zulke in welker vaartuijgen bij vi„ sitatie eenige specerijen ontdekte wierde de daar op vaarende Manschappen als specerij dieven met de dood te straffen. Ten anderen om bij een bequame geleegendheid tusschen P„l Iisser door de steeven te wenden na Rarakit aan Ceram Noord Cust en aldaar 't zij door list of met wel Edele Agtbaren Heer. Aan den wel Edele Agtbaren Heer Joan Abraham van der Voort gouverneur en Directeur deser Pro„ geweld „vintie 69
English
force, yet in a cautious manner, to attempt to apprehend the orangkaya of the settlement of Kelibat Balewine and the captain of Quaus named Abar, who in the past year killed the orangkaya of the aforementioned settlement of Raraket, Codjisa, and further, having secured them, to bring them hither in safe custody. Lastly, taking the route along the north coast towards home, to inquire whether any ships or foreign vessels have been heard of or have called anywhere, and if so, of what nations; and especially whether at Hatelen, according to the reports received from there, any Bugis vessel or vessels had called or were still expected to arrive, as well as with what intention, and whatever else could be learned by us in this regard. Thus, upon our return from the aforementioned cruising expedition, we now have the honor dutifully to report to Your Honorable Worships that, after receiving the aforementioned instructions, we immediately repaired on board our assigned small vessels and initially, in compliance with the orders given for that purpose by Your Honorable Worships, directed our prow towards Saparoua, and from there crossed over to Xepa, in order to be assisted there by the Regents of this settlement as well as of those situated east of it, Famelouw, Haija, Toeloetij, Seijmoe, Toeloesaaij, Hatiahoe, Werinama, and Hatumetten, with as many orembaais or similar rowed and sailing vessels as they could possibly assemble together, so that with their assistance we might better attack and inflict damage upon the Buginese, Macassars, and other rovers and smugglers. Whereupon the orangkaya of Haija also notified the other settlements of our arrival and warned them to prepare the necessary vessels promptly in accordance with the letter of Your Honorable Worships. But having waited in vain for two days for this, we continued our voyage along Ceram's south coast to Keffing, and having handed over there to Commander Hamba the gifts brought for him, the first undersigned requested him that the order of Your Honorable Worships regarding the prompt preparation of some junks or other native rowed and sailing vessels might also be fulfilled by him, so that we might all the better execute the task entrusted to us. However, the aforementioned Commander Hamba kept us going from one day to the next with mere promises, saying upon our continuous urgings that those vessels would be ready within three days, until finally, having thus kept us waiting uselessly for nearly a whole month, he answered us that we could simply depart for Parakit and that within three days the vessels would join us there; yet he fulfilled not the least of either the one or the other, as we subsequently neither saw nor heard of a single vessel. We therefore found ourselves obliged to carry out our commission alone, and thus continue to report to Your Honorable Worships that during our route we encountered no foreign nations, rovers, and illicit traders, or such persons as are not provided with proper passes, and upon thorough inquiry at the places through which we
Dutch transcription
geweld, egter op een voorsigtige wijse tragten inhanden te kruijgen den orangkaij van de negorij kelibat Balewine en den Capitain van quaus genaamt Abar„ welke in voorleeden Iaare den orangkaij van voorm negorij Raraket Codjisa om het leeven hebben gebragt, voorts dezelve magtig werdende in goede verseekering herwaards te brengen Laastelijk de route langs de noord Cust na huijs neemende te informeeren of er geen scheepen dan wel vaartuijgen van vreem „de ergens vernoomen of aangeweest zijn en zo Ia van wat Natien of speciaal of er op Hatelen volgens de tijding die daar van inge koomen was geen Bouginees vaartuig of vaartuijgen aange„ weest waaren of nog stonden aan te koomen zo meede met welke intentie en 't geene door ons verder dien aangaande konde vernoomen worden zo hebben wij tans d'eere bij ons retour van voorsz: bekruijs „sing uwel Ed: Agtb: schuldpligtig te Rapporteeren dat wij na den ontfangst van voorsz Instructie ons aanstonds aanboord onser aangeweesene bodemptjes vervoegd, en aanvankelijk in voldoening aan uwel Ed: Agtb: daar toe gegeevene ordre de steeven hebben gewend na Saparoua en van daar overge„ „stooken zijn na Xepa ten eijnde aldaar door de Regenten zo van deese als van de daar aan oostwaards geleegene ne„ „gorijen Famelouw, Haija, Toeloetij, Seijmoe, Toe„ loesaaij, Hatiahoe, werinama en Hatumetten, met zo veel orembaijen of of diergelijke schep en zeil vaar„ „tuijgen te werden g'assisteert als zij maar bij den anderen zoude kunnen krijgen, om met behulp derzelve de Bouqui„ neesen, Maccassaren en andere Swervers en Correndraijers te beeter te kunnen aantasten en afbruik doen waar op ook door den orangkaij van Haija andere Negorijen van onse aankomst kennis gegeven, en waarschouwd wierden om ten Eersten na het aanschrijven van uwel Edele Agtb: de noodige vaartuijgen gereed te maken, dog hier op te ver„ geefs twee daagen gewaegt hebbende, hebben wij onse reijse verdera voorgezet langs Cerams Zuijd Cust tot keffing en aldaar de voor den Commandant Hamba meede ge„ bragte geschenken aan hem overhandigt hebbende, verzogt den eerstgeteekende denzelven dat door hem almeede aan d' ordre van uwel Ed: Agtb: tot het spoedig in gereedheid brengen van eenige Ionken of andere Inlandse schep en zeijl vaartuijgen mogte voldaan worden om daar meede aan d' ons opgedragene last des te beter te kunnen voldoen, dog gemelde Commandant Hamba hield ons van den eenen dag tot den anderen met bloote beloften gaande zeg„ gende op onse geduurige aanspooring dat die vaartuijgen binnen drie daagen zoude gereed zijn tot dat hij ons eijn„ „delijk dusdanig bij na een geheele maand nutteloos opgehou„ „den hebbende ons ten antwoord gaf, dat wij maar na Para kit konde vertrekken en dat binnen drie daagen de vaar„ „tuijgen zig aldaar bij ons zoude laaten vinden dog nog van 't een nog van 't ander is door hem 't minste nagekoo„ men dewijl in't vervolg geen enkeld vaartuijg gesien nog vernoomen hebben; wij hebben ons dierhalven genoodzaakt gevonden alleen onse Commissie te volbrengen en vervolgen dus uwel Ed. Agtb: te berigten, dat wij geduurende onse route geene vreemde Natien, swervers en morshandelaars of zodanige die van geen behoorlijke passen voorzien zijn hebben ontmoet en eene naauwkeurige Jnformatie op de plaatsen daar door wij 71
English
where we had called, particularly at Hatiten, nor did we obtain the least report that one or more vessels belonging to them had called anywhere. Nevertheless, we find ourselves obliged to inform Your Right Honourable of the report made to us at Suwaij that there were seven English warships lying by the Papuan Islands, and that the English had erected a fortress on one of those islands. Furthermore, that news was brought to the first signatory on the 11th of July that the Papuans, with six kora-koras, had overpowered and captured the orembaai of Bonoa carrying the wages and rations for the garrison at Sawaij east of Lissabatta, upon which report we immediately weighed anchor and set our course to sea, and subsequently with each other turned our prow towards Couwa, where we understood from the orangkaya that two Europeans from the aforementioned orembaai had been murdered, and that, apart from ten Bonoese who had escaped and arrived at Bonoa, the rest of the people had been abducted and taken away by the Papuans, without anyone being able to inform us where that rabble had set their course, though the orangkaya suspected toward the land of Bourd. Concerning now the second article demanded of us by the Instructions regarding the apprehension of the chief of Kelibat, Balewine, and the captain of Guaus, Abar, who are held guilty of the murder of the orangkaya of Rarakit, Codjesa, we proceed respectfully to note that, according to the route we were to follow, having first arrived at the settlement of Guaus, several prahus with natives came on board with us there, whom, after some inquiry regarding the circumstances of the settlement, we finally asked whether Captain Abar was in his settlement, whereto we received in reply that he had departed three days ago for Kekking to transport timber for the new dwelling of Commandant Hamba. Upon our return to Kessing, asking Hamba about the said Captain Abar and the reason for his arrival, Hamba denied both the one and the other, so that it fell difficult for us to understand what ought to be concluded from it. Our presence at Raraket was followed by no better success, because we waited there two days in vain without the vessels promised by Commandant Hamba being heard of, nor did any of the settlement's people come on board with us. Compelled by heavy squalls and a swell from the east, which, had we remained at anchor longer, endangered wrecking the pachallang, we were obliged to leave this place fruitlessly, being deprived, as said before, by a lack of the necessary assistance in vessels that Hamba had promised us, and without which we could undertake nothing with good success, which otherwise we would undoubtedly have done. So that we can and must reasonably attribute the failure to the conduct of the said Hamba, for whom it was not enough to detain us with useless and idle promises, as we have had the honour of mentioning previously, but who is also the cause that no vessels from the aforementioned settlements appeared; for although the orangkaya of Haija, whose zeal and helpfulness we must in every way praise, by no means failed in his duty.
Dutch transcription
wij aangeweest zijn, bijzonderlijk te Hatiten ook geen de mins„ „le narigt erlangd dat er ergens een of meer vaartuijgen der„ „zelve zijn aangeweest, Egter vinden wij ons verpligt uwel Ed: Agtb van het aan ons te suwaij gedaane berigt kennisse te geeven dat 'er seeven Engelsche oorlog scheepen bij de Papoese Eijlanden lagen en dat de Engelsen, op een dier Eijlanden een for„ „tres aangelegd hadden Voorts dat den Eersten teekenaar op den 11: Iulij tijding gebragt is dat de Papoen met ses Corre Corren d'orembaij van Bonoa met de gagien en Ransoen voor de besettelingen te Sawaij boosten Lissabatta overwildigt en weg genoomen hadden op welke berigt ten Eersten het anker geligt en de Cours na Zee gesteld hebben en vervolgens met den anderen de steeven ge„ wend hebben, na Couwa alwaar van den orangkaij verstonden dat van de voormelde orembaij twee Europeesen vermoord en buijten tien Bonoers die het ontvlugt en op Bonoa aange„ „koomen zijn tot overige volk voor de Papoen was weggeroofd en meede genoomen zonder dat men ons konde berigten waar na toe dat gespuijs hunne Cours gesteld hebben egter vermeende den orangkaij na het land van Bourd Betreffende nu het tweede Lid van het ons bij Instructie ge„ „damandeerde nopens de oplagting der aan de moord van den orang„ „kaij van Rarakit Codjesa, schuldig gehouden wordende hoofd van kelibat Balewine en den Capitain van guaus Abar ver„ „volgen wij Eerbiedig te noteeren, dat wij navolgens onse te doene route eerst op de negorij quaus aangeweest zijnde aldaar eenige prauwen met Inlanders bij ons aanboord quamen aan dewelke wij na eenige informatie weegens d' omstaandig„ „heeden van de negorij ten laasten afvraagde of de Capitains Abar in zijn negorij was, waar op wij ten andwoorde kree Met geen beeter succees, is ook ons aanweesen op Raraket gevolgd, dewijl aldaar twee etmaalen vergeefs vertoefd heb„ ben zonder dat zo de belofte vaartuijgen door den Comman dant Hamba vernomen wierden als dat een der negorijs volkeren bij ons aanboord quamen genoodsaakt wierden door swaare buijen en dijning uit den oosten die ons langer blijvende leggen ingevaar stelde de Patjalling te verbiesen waren wij genoodsaakt deese plaats vrugteloos te verlaaten meer gelijk voorsegt ondstooken waaren, door gebrek van de noodige assistentie aan die Hambas ons met vaartuijgen toegelegt had en sonder dewelke wij niets met goed gevolg konden onderneemen 't geen wij anders ongetwijfeld zoude hebben gedaan. Invoegen de mislukking met reeden aan het gedrag van den gemelde Hamba kunnen en moeten toe „schrijvens welke het niet genoeg geweest is ons met nutteloose en ijdele beloften zo als wij voor heen d'eene sijn„ gehad hebben te zeggen op te houden, maar ook oorsaak is dat er geene vaartuijgen van de voorwaards genoemde negorijen zijn opgedaagt want hoewel den orangkaij van Haija wiens ijver en dienstwaardigheid wij allesints laudeeren moeten geensints ingebreeke gebleeven is „gen dat denzelven drie daagen geleeden na kekking was vertrokken ter overbreng van Houtwerken voor de nieuwe wooning van den Commandant Hamba bij ons te rug komst op kessing Hamba na gem Capitain Abar ende reeden zijner komst, vraagende ontkende Hamba zo wel het een als vnder zo dat het voor ons moeijelijk te begrijpen veel wat uit het zelve diende beslooten te gen de. worden 73
English
where we have been, particularly at Hatiten, also obtained no report whatsoever that anywhere one or more vessels have been present. However, we find ourselves obliged to give notice to Your Honorable Worships of the report made to us at Sawaij that seven English warships were lying near the Pe islands and that the English had erected an entrenchment on one of those islands. Furthermore, that on 11 July tidings were brought to the first undersigned that the Papuans, with six corre-corres, had overpowered and taken away the orembaij of Bo with the wages and rations for the garrison at Sawaij east of Lissabatta, upon which report we immediately weighed anchor and set course thither, and subsequently together turned the prow toward Souwa, where we learned from the orangkaij that of the aforementioned orembaij two Europeans were murdered, besides ten Bandanese who fled and arrived on Bonoa, the remaining people having been carried off and taken away by the Papuans without anyone being able to inform us whither that rabble had directed their course; however, the orangkaij suspected toward the land of Bouro. Regarding now the second point demanded of us by the instructions concerning the apprehension of the chiefs held guilty of the murder of the orangkaij of Rarakit, Codjesa, namely the kelibat Balewine and the captain of Quaus, Abar, we respectfully note that, having first arrived at the negorij of Quaus according to the route we took, some praus with natives came aboard our vessel, from whom, after some inquiries concerning the circumstances of the negorij, we finally asked whether the captain Abar was in his negorij, to which we received the answer that he had departed three days ago for Kekking to transport timber for the new residence of the Commander Hamba. Upon our return to Keffing, asking Hamba about the said captain Abar and the reason for his arrival, Hamba denied both the one and the other, so that it was difficult for us to understand what was to be concluded from this. With no better success was our presence at Rarakit followed, since we waited there in vain for two days and nights without either the promised vessels being seen by Commander Hamba or any of the peoples of the negorij coming aboard our vessel. Being compelled by heavy squalls and a swell from the east, which, had we remained lying there longer, placed the patjalling in danger of being wrecked, we were forced to leave this place fruitlessly, having been deprived, as aforesaid, through the lack of the necessary assistance in vessels that Hamba had promised us, and without which we could undertake nothing with good success, which we otherwise undoubtedly would have done. So that we can and must with reason attribute the failure to the conduct of the said Hamba, who was not content with detaining us with useless and idle promises, as we have mentioned before, but is also the cause that no vessels have appeared from the aforementioned negorijs. For although the orangkaij of Haija, whose zeal and readiness to serve we must praise in every respect, was by no means deficient in urging the other negorijs to get their vessels ready, both the fear of Hamba prevented him and the other regents from completing this, to the extent that he, the orangkaij of Haija, intimidated by Hamba's threats, did not dare risk appearing before us at Keffing, but betook himself to Rarakit to await us there, so that, coming aboard the vessel of the second undersigned not far from the said negorij, he related how Commander Hamba had threatened to put him in irons and send him away if he caught him; a presumption which Your Honorable Worships might doubt, had it not gone so far that during the presence of the first undersigned on Keffing the aforementioned Commander Hamba expressed himself in this threat to the undersigned, saying that he would send the orangkaij of Haija aboard in irons, since he, Hamba, being Commander of Ceram, nothing was allowed to happen without his orders or foreknowledge, and it had been his affair to command the orangkaij of Haija to warn the other negorijs to get ready with their vessels; upon which the undersigned only replied to him that the orangkaij of Haija had not done this of his own accord, but upon the notice of the first undersigned. We furthermore add to this that the first undersigned, having been driven by a strong current toward the island of Little Salawattij, and having approached close to the reef during the night of 22 April, the commander was compelled to drop three anchors, two of which in the morning at sunrise broke their heavy cables due to the raging sea and were thus lost, which, notwithstanding an orembaij sent thither afterward to fish them up again if possible, could not be recovered. Lastly, we conclude this report by notifying Your Honorable Worships that the second undersigned, having had to put into the island of Goram due to a strong current, learned there from the pattij of Sila that he, the pattij, had found and felled three nutmeg trees there. Beyond the aforesaid, having nothing more of note to report of what was encountered by us during this cruise, we shall, in the confidence of having fulfilled Your Honorable Worships' respected orders and our duty as far as possible, end herewith, taking the liberty to subscribe ourselves with deep veneration and dutiful high esteem. Below stood: Honorable Worshipful Sir Lower: Your Honorable Worships' very humble and dutifully faithful servants. Was signed: I: A: van Eerten and I: B. Rolbag In margin: Amboina, New Victoria, 4 August, anno 1772. Agrees. J. Beinon, Secretary.
Dutch transcription
wij aangeweest zijn, bij zonderlijk te Hatiten ook geen „le narigt erlangd dat er ergens een of meer vaartuijgen. „zelve zijn aangeweest, Egter vinden wij ons verpligt ur Ed: Agtb van het aan ons te sawaij gedaane berigt ker„ te geeven dat 'er seeven Engelsche oorlog scheepen bij de Pe„ Eyjlanden lagen en dat de Engelsen, op een dier Eijlanden een „tres aangelegd hadden Voorts dat den Eersten teekenaar op den 11: Iulij tijding gebr is dat de Papoen met ses Corre Corren d'orembaij van Bo„ met de gagien en Ransoen voor de besettelingen te Sawa„ boosten Lissabatta overwildigt en weg genoomen hadden welke berigt ten Eersten het anker geligt en de Cours na gesteld hebben en vervolgens met den anderen de steeven wend hebben, na souwa alwaar van den orangkaij verstonde dat van de voormelde orembaij twee Europeesen vermoord buijten tien Bonders die het ontvlugt en op Bonoa aa „koomen zijn tot overige volk voor de Papoen was wegger en meede genoomen zonder dat men ons konde berigten w na toe dat gespuijs hunne Cours gesteld hebben egter vermed den orangkaij na het land van Bouro Betreffende nu het tweede Lid van het ons bij Instructie „damandeerde nopens de opligting der aan de moord van de „kaij van Rarakit Codjesa, schuldig gehouden wordende hoo„ kelibat Balewine en den Capitain van quaus Abar „volgen wij Eerbiedig te noteeren, dat wij navolgens onse doene route eerst op de negorij quaus aangeweest zijnde eenige prauwen met Inlanders bij ons aanboord quam aan dewelke wij na eenige informatie weegens d'omstaa „heeden van de negorij ten laasten afvraagde of de Capi Abar in zijn negorij was, waar op wij ten andwoorde „gen dat denzelven drie daagen geleeden na kekking was vertrokken ter overbreng van Houtwerken voor de nieuwe wooning van den Commandant Hamba bij ons te rug komst op ketfing Hamba na gem Capitain Abar ende reeden zijner komst, vraagende ontkende Hamba zo wel het een als ander zo dat het voor ons moeijelijk te begrijpen veel wat uit het zelve diende beslooten te Met geen beeter succees, is ook ons aanweesen op Raraket gevolgd, dewijl aldaar twee etmaalen vergeefs vertoefd heb„ „ben zonder dat zo e de belofte vaartuijgen door den Comman dant Hamba vernomen wierden als dat een der negorijs volkeren bij ons aanboord quamen genoodsaakt wierden door swaare buijen en dijning uit den oosten die ons langer blijvende leggen ingevaar stelde de Patjalling te verbiesen waren wij genoodsaakt deese plaats vrugteloos te verlaaten meer gelijk voorsegt ondstooken waaren, door gebrek van de noodige assistentie aan die Hambas ons met vaartuijgen toegelegt had en sonder dewelke wij niets met goed gevolg konden onderneemen 't geen wij anders ongetwijfeld zoude hebben gedaan. Invoegen de mislukking met reeden aan het gedrag van den gemelde Hamba kunnen en moeten toe „schrijven, welke het niet genoeg geweest is ons met nutteloose en ijdele beloften zo als wij voor heen d'eene sijn„ gehad hebben te zeggen op te houden, maar ook oorsaak is dat er geene vaartuijgen van de voorwaards genoemde negorijen zijn opgedaagt want hoewel den orangkaij van Haija wiens ijver en dienstwaardigheid wij allesints laudeeren moeten geensints ingebreeke gebleeven is worden gen de 73 re de overige negorijen tot het ingereedheid brengen hun „ner vaartuigen aan te setten heeft zo wel de vreese voor Hamba hem en d'andere regenten de volvering belet der waaten dat hij orangkaij van Haija door Hambas drijgementen g'intimideert het niet heeft derven waagen bij ons op keffing te verscheijen, maar zig na rarakit te begeeven om ons aldaar aftewagten in voegen hij niet verre van gem: Negorij bij den tweeden tee„ „kenaar aanboord koomende verhaald heeft hoe den Comman„ „dant Hamba gedreijgt had hem Inhanden krijgende in de ketting te slaan en op te senden; eene laatdunkenheid waar aan uwel Ed: Agtb: zoude kunnen twijfelen was dezelve niet zo verre gegaan dat bij het aanweesen van den eersten teekenaar op ketfing meerm: Commandant Hamba zig in deese bedrijging teegens hem teekenaar g'uit en gezegt heeft dat hij den orangkaij van Haija in de ketting aanboerd zoude zenden, nadien hij Hamba Commandant van Ceram zijnde niets zonder zij ordres of voorkennis mogt geschieden, en het zijn zaak was geweest, den orangkaij van Haija te gelas„ „ten d'andere negorijen te waarschouwen zig met hunne vaar„ tuijgen gereed te maaken, waar op hem door den tekenaar eenelijk gerepliceert is dat den orangkaij van Haija dit niet uit zig zelve maar op de aankundiging van hem eerstgetee„ kende gedaan had. Nog voegen wij hier bij dat den eersterteekenaar door sterke stroom na tEijland klein Salawattij gezet en den 22: April 'snagts digt op het rif genadert zijnde den gezag„ „hebber genoodzaakt was drie ankers te laaten vallen, waar van twee 's morgens met sons opgang de swaare touwen door de verbolgen zee quamen te breeken en dus verlooren geraakten welke niet teegenstaande een naderhand der „waards gesondene orembaij om deselve waare het moge„ „lijk weeder op te vissen niet weeder hebbe kunnen magtig te worden. —. Laastelijk besluijten wij dit berigt, met uwel Ed: Agtb: te melden dat den tweeden teekenaar door sterke stroom het Eijland Goram hebbende moeten aandoen, aldaar van den Pattij van Sila venoomen heeft dat hij Pattij aldaar drie nooteboomen gevonden en omgeveld had: Buijten dit voorsz: niet zonderlings meer van het geene ons geduurende deese Bekruijssing is ontmoet te melden vallen„ de zullen wij in het vertrouwen van zo veel moogelijk aan uwel Ed: Agtb: gerespecteerde beveelen en onsen pligt vol„ „daan te hebben hier meede eijndigen en de vrijheid neemen met diepe veneratie en verschuldigde hoog agting te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edele Agtbaren Heer /:Lager:/ uwel Ed: Agtb: zeer onderdanige en trouwschul„ „dige dienaaren /:was getekend:/ I: A: van Eerten en I: B. Rolbag /:in margine:/ Amboina nieuw victoria den 4. ' Aug„s a„o 1772: Accordeert. JBeinon H Secret=s verlooren 75
English
Province Governor and Director of this place Joan Abraham van der Voort To the Honorable and Respected Sir Honorable and Respected Sir, The undersigned mate and commander of the patjalling the Saparoua, having immediately undertaken the voyage according to an instruction handed to him on the 1st of June of this year to cruise between Honimoa and Nussalaut for the protection of the Company's spice trade, and the detection and pursuit of all smugglers, illicit traders, and interlopers of the same, now has the honor, upon the expiration of the time prescribed to him, to report that during this cruise nothing whatsoever was encountered that might be worthy of your Honor's attention, wherefore the humble undersigned hopes to have complied with the orders of your Honor, while he takes the liberty to subscribe himself with deep and due respect, below stood, Honorable and Respected Sir, lower, your Honor's humble and obedient servant, was signed, A. Prange, in the margin, Amboina, Victoria Castle, the 31st of July Anno 1772. Philip Davids of Amboina, 25 years of age, a soldier in the service of the Honorable Company, of the Reformed Religion, stationed here, and Phalaing, a native of Hatelen, approximately 30 years of age, a Muslim, who at the requisition of the Honorable and Respected Sir Joan Abraham van der Voort, Governor and Director of this Province, declare the following to be the pure truth: That he, the first deponent, having departed from here for Sawai on the 20th of June pursuant to orders received thereto from the aforementioned Lord Governor, in order to proceed from there with the second deponent to Roemasoal to gather information regarding the truth of the rumor that English ships had visited Gebe, one of the Papuan islands, and had already begun there with the construction of a stronghold or fortress; they, the deponents, thus together undertook the voyage to Roemasoal on the 28th of that month by mahoelie, where, having arrived after the lapse of four days, they, the deponents, immediately betook themselves to the house of the Raja of Roemasoal, and having made known the purpose of their arrival, the following was related to them by that regent: That already three months ago, two ships, one an Englishman and the other a Frenchman, according to conjecture, related: Today, the 9th of August Anno 1772, appeared before me, Jan Daniel Beynon, Secretary of Police of this Government, present the witnesses named below: manned with 800 men, without being able to distinguish the soldiers from the sailors, and thus the number of the one as well as the other could not be determined; that they had visited Maba, Weda, and Patani, besides having another 30 boats or small craft, with the intention of bartering for spices there, of which they had also obtained a considerable quantity of both nutmegs and cloves; That the aforementioned foreign ships, which seemed to act in concert in everything, had also intended to establish a fortress at that place, but that the outrages committed by the French at Patani against the women, of whom they had attempted to carry off one clandestinely, whom they had nevertheless returned, had hindered their execution thereof, because the aforementioned peoples, having become embittered thereby, would not permit them to make any fortification; wherefore, and due to the delay of another 5 ships for which they had waited in vain for some time, they had been compelled to depart from there and betake themselves to the island of Fak, situated near that of Gebe; That the aforementioned foreign Europeans, having arrived there, had first begun to barter for various provisions from the people, paying, among other things, two muskets for a large turtle and one musket for a small one, whereby they had first sought to win the affection of the people to their side, and had thus subsequently proceeded to obtain timber, for which purpose they had paid a piece of guinees for a large tree, and a ducaton for a smaller piece of wood; That after obtaining a sufficient quantity of these materials, the French had further gone ashore and erected 2 houses thatched with leaves, the leaves being tarred, and around the same had set a palisade of planed beams fastened together with nails, and planted 2 pieces of cannon in the gate; furthermore, before the aforementioned palisade, they had driven in heavy trees, filled on the inside with stones and covered on top with planks, to serve as a sea pier in order to bring over their casks and goods; That the aforementioned foreigners had then stayed for some time to continue their trade with the peoples of Gebe, Maba, and Patani, and to barter cloves and nutmegs, which were brought to them there from the aforementioned three islands, for guns and all kinds of cloth, without the aforementioned Raja of Roemasoal, however, being able to inform the deponents how large the total quantity of the bartered spices had been, nor what they had paid each time for a certain quantity; That after the aforementioned foreign Europeans had now sufficiently provided themselves, had waited in vain for the arrival of the other ships, and had also become tired of their stay there due to the vexations and harassment of the native peoples of that country, they had finally resolved to depart from there, after first having made 30 boxes prepared with soil, one fathom wide and 2 ditto long, which they had carried away full of both types of spice plants, namely nutmegs and cloves, which had also been delivered to them by those of Maba, Gebe, and Patani; That they had subsequently departed with promises to return within 5 months, which departure occurred
Dutch transcription
Provintie Gouverneur en Directeur deeser Joan Abraham van der Voort Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Wel Edele Agtb: Heer Den ondergeteekende stuurman en gezaghebber van de Patjalling de Saparoua na volgens een aan hem den 1: Iunij deeses jaars ter hand gestelde Jn„ „structie, aanstonds de reijse ondernomen hebbende om te kruijssen tusschen Homimoa en Nussalaut ter beveij„ liging van 's Comp:s specerij handel, het opspeuren en agter haalen van alle smokkelaars, morshandelaars en onder „kruipers derzelve, heeft tans de eere bij Experatie van de hem voor gesz: tijd te berigten dat hem geduurende deese bekruijssing niets het allerminste ontmoet is t' geene uwel Ed: Agtb: opmerking waardig zoude kunnen zijn„ waarom den onderdanigen teekenaar verhoopt aan de ordres van uwel Edele Agtb: voldaan te hebben Ter„ „wijl hij zig de vrijheid aanmagtigt met diep schul„ „dig respect te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edele 77 Edele Agtb: Heer /:Lager:/ uwel Ed: Agtb onder„ danige en gehoordame dienaar /:was getekend:/ A:r Prange /:in margine:/ Amboina Nieuw victo„ „ria den 31: Iulij A„o 1772. Philip Davids van Amboina oud 25 Jaa„ „ren soldaat in dienst der E. Comp: van de gereformeer„ de Godsdienst alhier bescheiden en Phalaing Inlander van Hatelen Circa 30: Iaaren mohamedaans dewelke ter requisitie van den wel Edelen Agtb: Heer Ioan Abraham van der Voort gouverneur en Directeur deser Provintie het volgende voor de suivere waarheid Dat hij Eerste Comp=t ingevolge daar toe van welm: Heer Gouverneur ontfangene ordre hier op den 20: Iunij na Sawaij vertrokken zijnde; ten einde zig van daar met den tweeden Comp= na Roemasoal te begeven ter infor „matie na de waarheid van het gerugt dat er Engelsche schepen op gebe een der Papoesche Eilanden aangeweest en aldaar reeds zoude begonnen hebben met het aan leggen van een sterkte of Fortres, zij Comparanten dus te zaamen de reise na Roemasoal op den 28: dier maand per Mahoelie hebben ondernomen alwaar na verloop van vier etmaalen aangekomen wesende zij Comp=t zig inmediaat aan ende ten huijse van het Radja van Roesnasoal vervoegd, en het oogmerk hunner komst bekend gemaakt hebbende van dien regent het volgende aan hun verhaald wierd dat er reeds voor drie maenden twee scheepen zijnde het een een Engelschen 't ander een Franschman na gissing relateerde. Heeden den 9: Augustus A„o 1772: Compareerde mij Jan Daniel Beijnon secretaris van Politie deeses gouvernements present de getuijgen nagenoemd. Atconeert GF op Secret=s met 79 81 met 800: koppen bemand zonder dat de Militaire van de zeevaart hebben kunnen onderscheiden en dus het getal zoo wel van d'eene als d'andere bepaald werden, op Maba weda, en Patanij buiten nog 30: schuijten of kleijn vaartuijgen waaren aangeweest met oogmerkt aldaar spe„ „cerijen in te ruilen waar van zij ook zoo Nooten als Na„ „gulen een aandienelijk quantiteit waaren magtig geworden Dat gem: vreemde scheepen die in alles deconsert scheenen te ageeren ook het voornemen gehad hadden aldaar ter plaat „sen een fortres aan te leggen dog dat de door de Fransche te Pattanij gepleegde baldadigheeden aan de vrouwen waar van zij een derzelve Clandesten hadden tragten mede te voeren die zij egter weder hadden te rug gegeeven, hun dies uitvoer belet hadden door dien gem: volkeren daar door verbettert geworden, het niet hadden willen toelaten eenige vastigheid te maaken waar door en door het agterblijven van nog 5: scheepen waar op zij te vergeefs eenigen tyd gewagt hadden genoodsaakt waaren geweest zig van daar en na het Eiland Fak na bij dat van Gebe gelegen te begeeven, dat voorsz: vreemde Europeesen daar gekoomen zijnde, eerst hadden begonnen van het volk een en ander leevens middelen in te ruilen betalende onder anderen voor een groote schilpad twee, en voor een kleine, een snap„ „hiaan waar door zij voor af de genegenheid van het volk op hun zijde hadden getragt te krijgen, en dus vervol„ „gens overgegaan waaren om houtwerken magtig te worden ten welken einde zij voor een grooteboom een stuk qui„ nees, en voor een kleinder stuk hout en Ducaton betaald hadden. Dat na bekoming van een genoegsaame quantiteid deeser materiaalen, de Fransche zig voorts aan land begeeven en 2: huijsen met bladen gedekt, de bladen geteerd, op gerigt en rondsom dezelve een pagger van geschaafde en aan den andere met spijkers vastgeklonken balkjes gezet en in de poort 2: stucken Canon geplant voorts voorm Pagger swaare boomen, van binnen met steenen opgevuld en van boven met planken gedekt ingeheid hadden om te dienen tot een zee hoofd om haare vaaten en goederen over te brengen Dat gem: vreemdelingen als toen zig eenigen tijd opgehouden hebben met hunne negotie met de volkeren van gebe„ Maba en Pattanij voorttezetten en teegen geweeren en allerhande soort van lijwaaten nagulen en Nooten te trocqueeren, die hun aldaar van gem: drie Eilanden be„ „zozogt wierden, zonder dat egter gem: Radja van Roema„ „soal hun relatanten heeft kunnen, hoe groot de geheele quantiteit der ingeruilde specerijen wel geweest is ook niet wat zij voor zeekere quantiteit telkens betaald hebben; Dat na gem: vreemde Europeesen zig nu genoegsaam voor sienen vrugeteloos op de aankomst van d' andere scheepen gewagt te hebben mitsg=s ook door de over lasten 't stellen van die lands volkeren hun verblijft aldaar moede geworden waaren eindelijk besloten hadden van daar te vertrekken na alvoorens 30 baeken met aarde gerust, een vadem breedt en 2: d„o lang vervaardigt te hebben welke zij vol met de beide soorten van specerij plantjes, te weten nooten, en nagulen die hun almede door die van Maba gebe, en Pattanij zijn bezorgt hebben mede gevoerdt, Dat zij vervolgens met beloften om binnen 5 maanden weeder te rug te keeren vertrokken waren welk vertrek ma geschied . . .
English
happened one month before the arrival of the Deponents at Boemasoal. Also, upon their departure, those foreign Nations had requested the inhabitants to leave their erected dwellings undamaged until their return, which however was not complied with, because shortly after the departure of the ships the people of Gebe had set fire to and destroyed everything, but had collected the nails from it, without however being able to destroy the so-called pier due to the heavy piling work, and thus were forced to leave it as it was. All the aforementioned they, the deponents, learned solely from the mouth of the aforementioned Radja of Roemasoal, who declared to them that all this had been related to him verbatim in such manner by one of his Casiesies named Man tot, who had been on Gebe during the presence of the aforementioned 2 ships and had tried to barter tortoiseshell with them for linens; also, at the same time, that the Lord Governor of Ternate had dispatched a Patjalling together with a Tidorese Corra Corre thither, which however only arrived after the aforementioned departure of the ships. Furthermore, the Deponents say that in order to discover further the truth of this aforementioned account, they had intended to depart for Gebe, but that the Radja of Roemasoal had most strongly advised them against this, because shortly before the deponents' arrival at Roemasoal, One Hundred and Thirty Corre Corren had been at the nearby island of Fhemang and had made known their intention to set course partly for Bouro and partly for the Islands of Xula, and the deponents might therefore run the risk of falling into their hands, whereby they, the deponents, had consequently been forced to abandon their intention. Concerning these pirates, the Radja of Roemasoal further related to them, the deponents, that they consisted of peoples from the Papuan places Salwatti, Oemaka, Waij-geeuw, and Sege, without however knowing whether any other nations were mixed among them; that these Corre Corras were of five, four, and three nadjas, and among them some quite as large as the admiral's Correcorre of Bonoa, and each manned on average by Circa One Hundred heads, so that fear of those Pirates also detained them, the deponents, on Roemasoal some days longer than was necessary. Thus, after a stay of Thirteen days, they returned back to Sawaij by order of the Radja of Roemasoal, convoyed by twelve of his Corre Corras, and subsequently came hither. Herewith the deponents ended this, their given account, providing reasons for their knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same further. Below stood: Thus done and related at Amboina at Castle Nieuw Victoria, at the Political Secretariat, on the date aforementioned, in the presence of Samuel Adriaansz: and Daniel van Rijswijk, Clerks, as witnesses, who signed the minute hereof together with the deponents and me, the Secretary. quod Attestor zullen Seijnon Secretary
Dutch transcription
83 geschied is een maand voor de komst van de Relatanten te Boe„ masoal. ook hadden die vreemde Natien bij hun vertrek aan de inwoonders versogt om hunne opgeregt wooningen onbe„ „schadigt tot haare terug komst te laten staan t' geen egter niet was nagekomen dewijl kort na het vertrek der scheepen die van Gebe alles in den brand gestooken en vernield dog de spijkers daar van versameld hadden sonder nogtans in staat te zijn door het swaare heijwerk het zoo genaamde zeehoofd te kunnen distrueëren, en dus genoodzaakt het zelve te laaten zo als het was Alle welke voorsz: zij relatanten eenelijk uit den mond van gem Padja van Roemasoal hebben vernoomen, die aan hum betuijgd heeft dat hem dit alles door een zijner Casiesies met naame Man tot die bij het aanwesen der voorm: 2: scheepen op Gebe aangeweest en aan dezelve schildpads hoorn tegens lij„ „waten had getragt te trocqueeren zodanig woordelijk verhaald was, teffens ook dat den Heer Ternaats gouverneur een Patjal, „ling neevens een Tidoorese Corra Corre derwaards had afgesonden welke egter eerst na voorm: vertrek der scheepen was aan„ gekoomen. voorts zeggen de Relatanten dat om de waarheid van dit voorsz verhaal nader ontdeeken, zij voornemens zijn geweest na gebe te vertrekken dog dat den Radja van Roemasoal hun zulx op 't kragtigt had afgeraaden uit hoofde kort voor de relatanten aankomst te Roemasoal Hondert en Dertig Corre Corren op het daar na bij gelegene eilan„ de Fhemang waaren aangeweest en hun voornemen be„ „kent gemaakt hadden van gedeeltelijk na Bouro en gedeeltelijk na de Erilanden van Xula de Cours te zullen stellen en relatanten overzulx gevaar zoude kun nen loopen in hunne handen te geraaken waar door zij relatanten dierhalven genoodzaakt waaren geweest van hun voorneemen af te zien hebbende nopens dese roovers den Radja van Roemasoal hun relatanten alverder verhaald dat dezelve bestonden uit volkeren van de Papoese plaat sen Salwatti, oemaka, waij-geeuw en sege zonder egter te weten of er ook eenige andere natien onder zijn ver„ mengd geweest, dat mn Corre Corras van vijf, vier en drie nadjas, waaren en daar onder sommige wel zo groot als de admiraals Correcorre van Bonoa en ieder door den anderen Circa met Hondert koppen bemand, invoegen dan ook de bedugting voor die Rovers hun relatanten eenige dagen langer op Roemasoal heeft opgehouden dan nodig is geweest zijnde dus na een verblijf van Dertien dagen door ordre van den Radja van Roemasoal door twel zijner Corre Corras geconvoijeert weder na Sawaij te rug gekeert, en vervolgens herwaards gekomen Hier meede eindigde de relatanten dit hun gegeeven re„ laas geevende voor reedenen van wetenschap als in den teit bereid zijnde des gerequireerde werdende het zelve nader gestant te doen /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerela„ „teerd te Amboina aan't Casteel nieuw victoria ter Secretarij van Politie dato voorsz: ter presentie van Samuel Adriaansz: en Daniel van Rijswijk Cler „cquen als getuijgen die de minute deeses nevens de rela„ „tanten en mij Secretaris hebben onderteekend. quod Attestor zullen Seijnon Secret:s
English
83 occurred one month before the arrival of the Relatants at Roemasoal. Also, those foreign nations had, upon their departure, requested the inhabitants to leave their erected dwellings undamaged until their return, which however had not been complied with, because shortly after the departure of the ships, those of Gebe set everything on fire and destroyed it, and collected the nails from it, without nevertheless being able to destroy the so-called fort due to the heavy pile-work, and thus being forced to leave it as it was. All the aforesaid, they, the Relatants, only learned from the mouth of the aforementioned Radja of Roemasoal, who testified to them that all this was reported word for word to him by one of his Casiesies named Man tot, who was present on Gebe during the presence of the aforesaid 2 ships and had attempted to barter turtle shell with them for cloth, and also that the Lord Governor of Ternate had dispatched a commissioner along with a Tidorese Corra Corre thither, which however had only arrived after the aforesaid departure of the ships. Furthermore, the Relatants say that in order to discover more closely the truth of the aforesaid account, they intended to depart for Gebe, but that the Radja of Roemasoal strongly advised them against this on the grounds that shortly before the Relatants' arrival at Roemasoal, One Hundred and Thirty Corre Corres had been at the nearby island of Fhemang and had made known their intention to set their course partly to Bouro and partly to the Islands of Xula, and that the Relatants might thereby run the danger of falling into their hands, for which reason they, the Relatants, had therefore been forced to abandon their intention, the Radja of Roemasoal having further told them, the Relatants, concerning these pirates that the same consisted of people from the Papuan places Salwatti, Oemaka, Waij-geeuw, and Sege, without however knowing whether any other nations were mixed among them, which were Corre Corras of five, four, and three outriggers, and among them some quite as large as the admiral's Correcorre of Bonoa, and each manned on average with circa One Hundred men, so that apprehension of those pirates also detained them, the Relatants, several days longer at Roemasoal than was necessary, having thus, after a stay of Thirteen days, by order of the Radja of Roemasoal, escorted by two of his Corre Corras, returned back to Sawaij, and subsequently come hither. Herewith the Relatants ended this report given by them, giving as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same further. Below stood: Thus done and related at Amboina at Castle Nieuw Victoria at the Political Secretariat on the date aforesaid, in the presence of Samuel Adriaansz: and Daniel van Rijswijk, Clerks, as witnesses, who signed the minute hereof along with the Relatants and me, the Secretary. Which I attest, Seijnon, Secretary. 84: Note of such vessels attacked by the Pirates, whereafter the crews came hither over mountains and valleys, viz.: 1. The vessel of Mr. Iacob Hugo Huijgens, on 16 July last at Lissela, a man named Assa Ella carried off, and all property lost. 1. Ditto of the burgher Lodewijk Melchior Knop, on the 12th ditto at Waijnipa; the crew escaped by flight, but all property lost, along with 4 firelocks, powder, and lead. 1. Ditto of Alim Waltoaka, on the 10th ditto at Waijmanij, a man named Fatina van Rodenberg missing, 2 firelocks, powder, and lead, and all property lost. 1. Ditto of David verElst, on the 10th ditto at Lissella, no people lost, only all property. 1. Ditto ditto Ioseph Marcus, on the 18th ditto also 5500, a man named Iacob Maijnake missing. 1. Ditto ditto Simon Lopis, a man named Tawoij Monij of Nako missing, and their merchandise, along with 3 firelocks, powder, and lead. 1. Ditto ditto Philip Alborgh, on the 12th ditto at Balfatoe; nothing of this returned except a burgher, Albert de Jong. 1. Ditto ditto Marcus Abrahamsz: on the 12th ditto, nothing returned except a slave boy named Job. 1. Ditto ditto Barend Jacob, on the 16th ditto at Lissella, escaped by flight, but all their merchandise plundered. 1. Ditto ditto Chinese Tan Tjinseeng on the 16th ditto as before. 1. Ditto ditto Tjimpo, the same, on the 16th ditto. 1. Ditto ditto Chinese Tjkwatko, on the 10th ditto at Samlagie as before. 1. Ditto ditto Liko, also as before. 1. Ditto ditto burgher Abdul 11th ditto. 14 vessels and loads in all. Below stood: Bouro Defense, 2 August 1772. Was signed: I: H: Knop. Agrees. Secretariat. 85 Note of such Bouronese Natives as were murdered and carried off this year by the Papuans, namely: M: F: Ch: Summary From the Negorij Lissella: 10: 8: —: 18: Ditto Bara and Jlat: —: —: —: — Ditto Caijellie: —: —: —: — Ditto Tagalissa: 4: 1: 2: 7: Ditto Palamatta: —: —: —: — Ditto Sumahoe: 1: —: —: 1: Ditto Fogie: 6: 1: 1: 8: Ditto Massarette: 1: 3: 4: Ditto Pilialie: —: —: —: — Ditto Waijsama: —: —: —: — Ditto Maroetat: —: —: —: — Ditto Soemajitie: —: —: —: — Ditto Hoekomina: —: —: —: — Together: 22: 10: 3: 35: From Amblauw, 4 men went missing at the new Post: 4: Making thus together heads: 39: Amboina at Castle Nieuw Victoria, the last of August, Anno 1772. J. Heijnon, Secretary. Register N: 15 Secret missive from the Governor Pelters to Their High Nobilities, dated 29 April 1772: Page 1: Ditto from the Governor as above to Their High Nobilities, dated 19 August 1772: and Page 7: Appendices belonging to the aforementioned Missive: Page 37:
Dutch transcription
83 geschied is een maand voor de komst van de Relatanten te masoal. ook hadden die vreemde Natien bij hun vertrek aa inwoonders versogt om hunne opgeregt wooningen o „schadigt tot haare terug komst te laten staan t' geen e niet was nagekomen dewijl kort na het vertrek der sch die van Gebe alles in den brand gestooken en vernield de spijkers daar van versameld hadden sonder nogtans in d te zijn door het swaare heijwerk het zoo genaamde Ze te kunnen distrueeren, en dus genoodzaakt het zelve te zo als het was Alle welke voorsz: zij relatanten eenelijk uit den mond gem: Radja van Roemasoal hebben vernoomen, die aan betuijgd heeft dat hem dit alles door een zijner Casiesies w naame Man tot die bij het aanwezen der voorm: 2: schee„ op Gebe aangeweest en aan de zelve schildpads hoorn tegens „waten had getragt te trocqueeren zodanig woordelijk verhi was, teffens ook dat den Heer Ternaats gouverneur eente „ling neevens een Tidoorese Corra Corre derwaards had af gesa welke egter eerst na voorm vertrek der scheepen was a gekoomen. voorts zeggen de Relatanten dat om de waarheid van d voorsz verhaal nader ontdeeken, zij voornemens zijn g na gebe te vertrekken dog dat den Radja van Roema hun zulx op 't kragtigt had afgeraaden uit hoofde ko voor de relatanten aankomst te Roemasoal Honde en Dertig Corre Corren op het daar na bij gelegene e de Fhemang waaren aangeweest en hun voornemen „kent gemaakt hadden van gedeeltelijk na Bouro e„ gedeeltelijk na de Erilanden van Xula de Cours t zullen stellen en relatanten overzulx gevaar zoude kun nen loopen in hunne handen te geraaken waar door zij relatanten dierhalven genoodzaakt waaren geweest van hun voorneemen af te zien hebbende nopens dese roovers den Radja van Roemasoal hun relatanten alverder verhaald dat dezelve bestonden uit volkeren van de Papoese plaat sen Salwatti, oemaka, waij-geeuw en sege zonder egter te weten of er ook eenige andere natien onder zijn ver„ mengd geweest, da vm Corre Corras van vijf, vier en drie nadjas, waaren en daar onder sommige wel zo groot als de admiraals Correcorre van Bonoa en ieder door den anderen Circa met Hondert koppen bemand, invoegen dan ook de bedugting voor die Rovers hun relatanten eenige dagen langer op Roemasoal heeft opgehouden dan nodig is geweest zijnde dus na een verblijf van Dertien dagen door ordre van den Radja van Roemasoal door twee zijner Corre Corras geconvoijeert weder na Sawaij te rug gekeert, en vervolgens herwaards gekomen Hier meede eindigde de relatanten dit hun gegeeven re„ laas geevende voor reedenen van wetenschap als in den teit bereid zijnde des gerequireerde werdende het zelve nader gestant te doen /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerela„ „teerd te Amboina aan't Casteel nieuw victoria ter Secretarij van Politie dato voorsz: ter presentie van Samuel Adriaansz: en Daniel van Rijswijk Cler „cquen als getuijgen die de minute deeses nevens de rela„ „tanten en mij Secretaris hebben onderteekend. quod Attestor zullen Seijnon Secrit: 84: Notitie van sodanige vaartuij„ „gen door de Roovers overvallen, vervol¬ gens de Manschappen overbergen en dalen herwaards gekoomen, Als. 1. het vaartuijgh van den Heer Iacob Hugo Huijgens, op den 16: Julij jongstleeden te Lissela, een man genaamt Assa Ella weggenomen, en al het goed overlooren 1. „ d=o van den burger Lodewijk Melchior Knop, op den 12: d=o tewaijnipa de manschappen zijn met de vlugt ontkoomen, dog al het goed verlooren, nevens 4. snaphanen, kruijt en lood „ Alim waltoaka, op den 10: d=o te waijmanij, een man genaamt Fatina van rodenberg vermist, 2. snaphane, kruijt en lood, en al het goed verlooren David verElst, op den 10 d=o te Lissella, geen volk verlooren, als alleenlijk al het goed 1. „ do d=o Ioseph Marcus, op den 18: d=o ook 5500 een man gen:t Iacob maijnake vermist 1. „ d o —d=o Simon Lopis, een man genaamt Tawoij monij van Nako vermist, en hun Coopmanschappen, nevens 3. snaphanen, kruijt en Loot 1. „ do d=o - Philip Alborgh, op den 12 d=o te balfatoe, hier is niets van terugt gekomen, als een burger Albert de Jong. 1. „ d=o d=o Marcus Abrahamsz: op den 12 d=o niets van teregs als een slave Jonge gen:t Job. 1. d=o d=o Barend Jacob, op den 16: d=o te Lissella met de vlugt ontkoomen, dog al hun Coopmanschappen geplundert ƒ 1. d=o d=o Chinees Tan tjinseeng op den 16: d=o als vooren 1. d=o do Tjimpo, ad: jdem, op den 16: do 1. d=o d=o Chinees tjkwatko, op den 10 d:o te samlagie als vooren 1. do — do Liko, mede als vooren 1 do do burger Abdul 11 d=o 14. vaartuijgen, en laden in't geheel /:onderstond:/ Bouro defentie Adij 2. Aug„s 1772. /:was getekent:/ I: H: knop. 1. „ d=o — d=o 1. „. d_o d=o Accordeert. er F Secretj. 85 Van de Negorij Fissella - - - - - - - 10: 8: —: „ „ _=o Bara en Jlat - - - - - - - — „ „ _=o Caijellie - - - - - - - — „ „ _:o Tagalissa - - - - - - 4: 1: 2: „ „ _=o Palamatta - - - - - „: — - „ „ _=o Sumahoe - - - - - 1„ —„ _=o Fogie „ „ -- - – – – - 1 6: _=o Massarette - — „ „ a Te saamen. - . . . 22: 10: 3: 35: Van Amblaur zijner 4: man aan de nieuwen Post Absent geraakt . - - - Maaken dus tesamen koppen - - - -- Amboina aan Hastel Jeuw Victoria ult:o Augustus A„o 1772: „ „ _=o Pilialie - - - - - - - - - „ „ _=o Waijsama - - - - - - - „ „ _=o Maroetat - - - - - - - - - „ „ _=o Soemajitie - - - - - - — — „ „ _=o Hoekomina - - - - - - - - -- 18: Notitie van zodanige Bouroneesen Inlanders, als in dit Iaar door de Papouen vermoorden weg geroofd zijn te weeten. M: V: K: Summa rium et J Heijnon Serck — 7: — 8: 4: 39: N: 15 Secreete missive van den Heer Gouverneur Pel„ „ters aan Hunne Hoog Edelheeden gedateerd 29: April 1772: - - - - - Pagina 1: „ van den Gouverneur als even aan Hunne HoogEdelheeden ged=t 19: Au„ _ „ Bijlangen gehoorende tot evengem: Missive „ 37: gustus 1772: en. Register 7: ..
English
Right Honourable Wide-Commanding Lord, Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Lords, Incoming Secret Letters and Enclosures received from Banda, in the year 1772: 87: When shortly after the arrival of the ship Tulpenburg, the calms and subsequent easterly winds had taken away all hope of still seeing the last relief ship, Vlietlust, appear out of the west, to which the strange reports concerning that vessel contributed quite considerably, just as everything had already been prepared for the lading of the bearer of this, good fortune would have it that towards mid-April, heavy westerly winds managed to break through, by the favour of which the aforementioned ship, on the 20th following, towards evening, was piloted safely inside, and by the delivery of 255 lasts of rice, the fear of a general shortage of this foodstuff was remedied at a stroke, since the reduced cargoes of Ruijteveld and Tulpenburg, together with the old remainder, would not have been found sufficient until the arrival of the ships in the year 1773, were it not for maintaining the distribution reduced to 20 lb on the last day of January recently past; and precisely for this reason it were to be wished that Your Right Honours, through the existence of sufficient cargo space, could provide this remote and yet to the Company most precious Government with the required 1200 lasts, for what the ship officers and private individuals have brought in this year hardly amounts to 100 lasts on the whole. It remains to be seen whether the Ceram people, who had retreated because of the still raging children's diseases, will resume the opulent supply of sago without fear and without anxiety, following what I proposed against the Banda cruising patrols in the year 1764, and upon which Your Right Honours, in the much-esteemed rescript of 28 December 1764 and 17 December 1765, had been pleased to desist therefrom as far as Banda is concerned, so that my further proposals on this matter in the humble letter of 20 August 1766 likewise carried away Your Honours' highest consent. Indeed, if anything is still lacking at present to make the despondent inhabitants of this dreary region completely desperate, it is on the one hand the persistence of Hamba's vexations against the Bandanese, alongside the obstruction of the trade and navigation of the Ceram people on the other hand, the more so as the last-mentioned continually pretend to have to stow away and conceal the linens to be bartered here out of fear that they are confiscated by Hamba without report, as he desires of them that all necessities of this nature must be purchased from him, and that moreover against prices and [illegible] From Banda Neira, the 29th of April 1772.
Dutch transcription
Hoog Edele wijd gebiedende Heer Edele Gestrenge Groot Achtbare Heeren ^ het schip wanneer kort na d' arrive van hulpenburg stillensecs jaar opgevolgde oostelijke winden alle hoop hadden benoo„ men om het laatste succours schip vlietlust nog uitten gesten te sullen sien op daagen waar toe de zeld samet berigten eegens dien bodem al vrij veel contribueerden gelijk dan ook Gereets alle klarigheijt gemaakt was ter beladinge van bringer eeses so wilde het geluk datter tegens medio april med swar was gelijke woinden quamen door te breeken sijnde met beguns„ tiging van deselve het voorsz: gemest schip op den 20 daar aan in A=o 1772: — Brieven en Bijlagen ontvangen van Banda, Aankomende Secreete tegens 87: Hoog Edele wijd gebiedende Heer Edele Gestrenge Groot Achtbare Heeren ^ het schip wanneer kort na d' arrive van Kulpenburg Hillensooh jaar opgevolgde oostelijkewinden alle hoop hadden benoo„ men om het laatste succours schip vlietlust nog uitten pesten te sullen sien opdaagen waar toe de zeldsamet berigten eegens dien bodem al vrij veel contribueerden gelijk dan, ook gereets alle klarigheijt gemaakt was ter beladinge van brenger edes so wilde het geluk datter tegens medio april med swar was „elijke winden quamen door te breeken sijnde met beguns„ „ging van deselve het voorsz: gemest schip op den 20 daar aan Aankomende Secreete Brieven en Bijlagen ontvangen van Banda, in A=o 1772: — tegens 87: Hoog Edelen wijdgebiedende Heer dele Gestrenge Groot Achtbare Heeren ^ het schip wanneer kort na d' arrive van ulpenburg stillensecs jaar opgevolgde oostelijke winden alle hoop hadden benoo„ „en om het laatste suicours schip vlietlust nog uitten pesten te sullen sien op daagen waar toe de zelds amett berigten oegens dien bodem al vrij veel contribueerden gelijk dan, ok Gereets alle klarigheijt gemaakt was ter beladinge van bringer edes so wilde het geluk datter tegens medio april wed swar was gelijke woinden quamen door te breeken sijnde met beguns„ „ging van deselve het voorsz: gemest schip op den 20 daar aan in A=o 1772: — Brieven en Bijlagen ontvangen van Banda, Aankomende Secreete tegens 87: Hoog Edele wijdgebiedende Heer Edele Gestrenge Groot Achtbare Heeren„ ^ het schip wanneer kort na d' arrive van Tulpenburg stillensch en daar opgevolgde oostelijke winden alle hoop hadden benoo„ „men om het laatste succours schip vlietlust nog uitten westen te sullen sien opdaagen waar toe de zeld samet berigten wegens dien bodem al vrij veel contribueerden gelijk dan ook bereets alle klarigheijt gemaakt was ter beladinge van brenger deeses so wilde het geluk datter tegens medio april moed swar mas „telijke wonden quamen door te breeken sijnde met beguns„ „tiging van deselve het voorsz: gemest schip op den 20 daar aan in A=o 1772: — ontvangen van Banda, Brieven en Bijlagen Aankomende Secreete tegens 87: 89: van Bandta Nijra den 20 Augustus 172 Van Banda Nijra Den 29:' April 1772. — tegen den avond behouden binnen gelootst mitsgaders door den aanbreng van 255 lakten rijst een klaps geremedieert de vreese voor een algemeen aan dit voedsel nademalen minde za„ „dingen van Ruijteveld en Sulpenburg benevens het oude restant niet toerijkende bevonden heeft tot de komste der scheepenen in anno 1773. ten ware bij standhoudinge der tot 20: lb: gereduceerde verstrecking onder ult=o Januarij Jongstleeden en even hier om was het te wenschen dat uw hoog Edelheedens door de existentie van genoegsame scheeps ruijmte dit afgeleegen en egter voor de compa„ „gne hoogst dierbare gouvernementekel de gevorderde 1200 Lasten konden provideeren want het geene descheeps overheeden en particulieren dit gaar hebben aangevoerd komt over het geheel naauwlijks 100 lasten te beloopen Is het verders dat de wegens de nog gerasseerende kin„ der siektens geretireerde cerammers den opulenten aan „breng van sagoe sullen hervatten sonder vreese en sonder betimmering na het geene ik tegens de bandase bekruissingen in den Iaare 1764. voorgesteed en waar op uw hoog Edelheedens in de veel g'eerde rescriptie van den 28:' xber 1764 en 17:' xber 1765 daar van soo verre Banda betreft hadde gelieven af te sien invoegen mijne nade„ „re voordragen dit stuk bij onderdaanige van den 20: aug: 1766 almeede hoogst derselver toestemminge hebben weg„ gedragen Ia ontbreekt er tegenwoordig nog ijts om de neer„ slagtige bewoonders van dit nare geweest gantsh radeloos te maaken dan is het de aanhoudentheijt van hambas haar digheden tegens de Bandaniesen ter eenree beneevens de stremming van den handel en vaart der Cerammers ter anderen sijde te meer de laast genoemdens Bij Continuatie voorwendende hier in te ruijsene Lijwaa„ „ten te moeten wegstoppen en verbergen door de bedug„ tinge datse van Hamba sonder gerapport worden als begeerende van haarliede alle benoodigtheeden van deesen natuur van hem te moeten in koopen en dat nog tegens pry„ ser en
English
From Banda Neijra the 29 April 1772. From Banda Neijra the 29 April 1772. the Bandanese surpassing half a Capital. Doits besides all this I find myself by virtue of my office obligated and in the extreme necessitated to disclose separately here to Your Right Honourables the uncommonly weakened state of the establishments the small number of healthy men among them the utter incapacity to send out military detachments in the event of any unforeseen incident the lack of vessels of sailors and of equipment goods alongside an indescribable general harmful influence of the burned-out materials from the raging volcano whereby the drinking water as well as the earth and tree fruits are infected in such a manner that one need not wonder at the pernicious effects upon all that has received life. Indeed on these irrefutable premises Right Honourable gentlemen may it be permitted to me with a fitting liberty coupled with the greatest earnestness to request that whenever any orders of the aforesaid nature must absolutely be carried out to kindly provide at the same time in such case two capable pantjallangs properly manned and equipped together with a sufficient supply of provisions partly to be able to undertake the work of cruising with zeal and partly to offer a manful resistance to this precious Conquest in the quiet season against the invasions of the discontented Cerammers with their adherents as having artillery powder and cannonballs in abundance but alas no people to man them while in regard to the brave defense to be made of the beaches along the inner and outer coasts no reliance whatsoever can be placed upon the park-keepers' slaves for experience has taught me that they 93 From Banda Neijra the 29 April 1772. From Banda Neijra the 29 April 1772. retire immediately to the steep mountains at the slightest rumor of the approaching Papuans. I am with the greatest respect and veneration was undersigned Right Honourable Wide-Ruling Lord Honourable Highly Esteemed Gentlemen lower Your Right Honourables' dutiful and submissive servant was signed I. Pelters in the margin Neijra the 29 April 1772. Right Honourable Wide-Ruling Lord Honourable Valiant Highly Esteemed Gentlemen In continuation of that which I had the honour to serve as the subject of my respectful letter of 29 August last and in full reply to Your Right Honourables' separate letter of 31 December 1771 I come most respectfully to state first of all the assurance of the latest Southwester Commissioners that they had not neglected to recommend most strictly the point of the careful inspection of all accessible places and woods and not only that hereupon as well as upon the boundary pillars to be erected on uninhabited islands in the quiet season a satisfactory report is awaited upon a further return 95 From Banda Neijra the 29 April 1772. From Banda Neijra the 19 August 1772. report is awaited but also the Commissioners who are to depart shortly are to be charged to exert all their efforts for the security of the Kei Islands Nila and Serua which have remained unvisited for some years in order in case of hoped-for success then to renew likewise the contracts between the Company and these islanders in the most solemn manner. Concerning the private trade to those regions no advantageous report can yet be given for one seems only to wish to reckon upon the bold appearance of the Macassars at times when no Company sloop is to be feared in the waterways thereabouts and at places where one has no power to repel them by force according to what will appear more clearly to Your Right Honourables in the Southwester papers entered under the resolution of 2 March 1772 under the Chapter of Termatten and is satisfactorily confirmed by the fruitless attempt of the South-Easter Commissioner Scheverin upon 19 Macassar vessels detailed in his report handed in to the meeting on the first of July. I therefore take the liberty most humbly to propose to let a well-equipped sloop with one or two enlarged orembaais remain for a full year in the Southwestern Islands as an experiment to see whether perhaps through the presence of these well-manned vessels as well as being well provided with swivel guns muskets powder and shot matters might succeed better with the intended general restoration of trade affairs but even more for the instigation of a great terror among those roaming smugglers besides that through such an experiment the orders of Your Right Honourables with respect to the spice trees to be searched out could be fulfilled with greater progress joined with the erection of the pillars as true tokens of the Company's right upon the uninhabited islands to be found thereabouts for which in my opinion the employment of a capable clerk provided with the necessary instructions as temporary resident would also be very serviceable; Yea I may freely say that if this rearrangement could be maintained one would then have fewer complaints to hear concerning the rough treatments I of the
Dutch transcription
van Banda Marij Den 29 April 173. — Van Banda Nijra den 29 April 1772. — „ser de bandase een half Capitaal surpasseerende. Duiten behalven dit alles vinde mij ampts halven ver„ pligt en ten uittersten genoodsaakt alhier door uw hoog Edelheedens afsonderlijk open te leggen den ongemeen verswaktte toestand der bestellingen het geringe getal der gesonden onder deselve het volstrekte onvermogen om bij eenig onverhoopte voorval militair de tachementen te doen het gebrek aan vaartuijgen aan mattroosen en aan equipagse goederen benevens eene nutte beschrijvene algemeen na deelige invloed der uitgebrende stoffen van den woedenden vuurberg waar door het drink„ „water ten de aard en boom vrugten sodanig g'infer„ tens worden dat men sig niet behoeve te verwon„ deren over de verdervelijke uitwerkselen op alles wat leeven ontvangen heeft. Immers op den onwederleggelijke preemis„ „ses hoog Edele heeren sij het mij g'oorloop met Eene gepaste vrijmoede gepaart van het grootste empresse„ mert te mogen versoeke dat wanneer Eenige be„ veelen van voorsz: natuur absolut moeten volbragt worden om in sulken geval teffens te willen voor„ zien met twee bequame pantjallangs na behoo„ „ren bemaand en g'equipeert mitsgaders toerijken„ den voorraad van Leevens deels om het werk der bekruissing met gesintheid te konnen onder„ neemen en deels om dit dierbaere Conquest in den stellen tijd tegens de invasusder misnoegde Ceram„ mers met haren aanhang een man moedigen weerstant. te bieden als hebbende geschut kruijd en kogels overvloedig maar helaas geen volk ter manieering terwijl dat in het reguart dar te doene dappere verdediging der stranden langs de binnen en buiten Custen op de pirkeniers slaaven geen staartje ma„ „ken is want d' onder vinding mij geleerd heeft de„ „sis selve 93 Van Banda Nijra den 29:' April 172. — Van Banda Neijra Den 29:' April 172. „selve op het minste gerugt der aannaderende papoesen ter stond na de stijlt gebergtens te retireeren Ik ben met de grootste Eerbiedigheid en veneratie /:onderstond/ hoog Edele wijd gebiedende heer Edele Groot Agtbaare Heeren /:lager/ uw hoog Edelheedens trouw schuldigen en submissie dienaar /:was geteekend:/ I: Pelters /: in margine/ Nijra den 29: April 1772. — Hoog Edele wijdgebiedende Heer Edele Gestr: Groot Agtb: Heeren Tot een vervolg van het geene ik d' eere gelad hebbe te la„ ten dienen ten onderwerp mijner eerbiedige sub 29. aug:s Jongstleeden en ter volleedige b'antwoordinge van uw hoog Edelheedens apparte missive van den 31:' xber: 1771. kome al„ hier eerbiedigst voor aan te stellen de versekeringe der laatste Suijdwester Commissianten, dat sij lieden niet versuijmet hadden het poinct van de nauwkeurig fe isitatie aller toegang-bare plaatzen en boschagies ten scherpsten aan te beveelen, en niet alleen dat hier af so wel, als van de op onbevolkt Eijlanden 't Extieurens merk pielaren in den stillen tijd, bij nader retour een voldoenend Hoog verslag 95 Van Banda Heijra Den 29 April 172. — Van Banda Nijra den 19:' Augustus 172. — verslag word in gewagt, maar ook soo staan de binnen korten te vertreckene Commissianten gelosf te worden om alle hare ver„ mogens in te spannen ter befeijling van de sedert eenige Jaa„ blevene ren onbesogt gekuuw Eijlanden nila en serva ten Eijnde in Cas van verkhoopt succes als dan de Contracten tusschen de Comp:e en dese Ey„ „landers van 's gelijken op het plegtigste te vernieuwen. — van de particuliere vaart na die Contreijen valt nog geenig voordeelig berigt te geeven want men schijnt nute willen Eyci„ verscheininge pieeren op de Houtmoedige vot der Macassaaren ten tijde wan„ „neer geen Comp. s Chialoup in het vaarwater daar omstreeks te vree„ sen is en opplaatsen daar men geen vermogen heeft haar lieden met geweld afte weeren na het geene w Hoog Edelheedens bij de ter resolutie van den 2: maart 1772: ingeschreeven suijdwester papieren onder het Cappittel van Termatten klaarder sal blijken en voldoenende bevestigd worden door het vrugteloose tentamen van den suijd- ooster Commisseant scheverin op 19: Macassaarse vaartuigen in sijn op den eersten Julij ter vergadering overgelangde berigt ge„ ditailleert, Ik neeme dierhalven de vrijmoede onderdanigst voor te dragen omme Eens ter preuwe voor een geheel Jaar een wel uitgeruste Chia„ loup met een off twee opgebreijde orembaaijs op de suijdwesten Eijlan„ „den te laten verblijven of het misschien door de aanweesigheid van deese wel bemande mitsgaders van draagbassen snaphanen kruijd toot wel voorsiene vaartuigen beeter mogte willen siccledeeren met de voogde algemeene her stelling der haandelsaaken maar nog meer tot verweckinge van eenen grooten schrik onder die rondswervende lorten„ draaijers buiten ende behalven dat door dusdanige preuwe neeming met meerder progres soude konnen voldaan worden aan de bevee„ den uwer hoog Edelheedens ten respecte der opte soekene specerijboo„ „men gevoegd bij de opregtinge der pielaren als ware kendteekenen van sComp: regt op de daar omstreeks te vindene onbevolkte Eijlan„ „den waar toe mijns bedunkens almeede seer dienstig soude sijn het emploij van een bequam pennist voorsien van de nodige instructie als temporeel resident; Ja ik mag vrijelijk seggen dat wanneer dese herschickinge konde standhouden men als dan mindere klagtens soude hebbende aan te hooren over de ruwe behandelingen Ik derƒ
English
From Banda Neira, 19 August 1752. From Banda Neira, 19 August 1752. of the ordinary postholders being more qualified for military executions than to make the Company's authority over the native tolerable and pleasant by discreet conduct; indeed, that very same person would furthermore have to take care of an early preparation of the required land products in the master's service against the arrival of the Company's sloop. One should take good note, with pardon for the annually sent special commissioners, for with the exception of a few good ones, it is they who bleed the native dry to the bone, and it is also they who, through the offerings obtained from the postholders by cunning or force, oblige the latter to make the extorted amount doubly reimbursed to those impoverished natives. Your Excellencies are most humbly thanked for the gracious instruction and sending of positive orders against the intrusion of foreign nations around the Great East, yet it is also prayed anew that the singular request of the Ceramese Commander Hamba to write to the Banda grandees to not only prohibit the trade in powder and lead, but in addition to prevent the smuggling in cloves on account of the implied accusation as if both were committed with the connivance of the Banda grandees, may in no way serve to diminish Your Excellencies' favorable trust of over eleven years of administration, and consequently also be described in such favorable terms to Europe, so that the lords masters do not fall into the suspicion as if affairs under my particular indulgence regarding those highly punishable deeds were no longer observed as uprightly and faithfully as my official duty and oath required. The article of the new lease, I pass by likewise, to make mention in the briefest manner of the mistaken conception of many residents concerning it, although most merely parrot what three or four out of the crowd, possessing means enough to continue the navigation to Batavia and Java, propose to them on the foundation of an imagined disadvantageous influence on general private trade. Whereas it will nevertheless have fully appeared to Your Excellencies that my many years of effort have always been aimed at having its introduction postponed until a more favorable time, and how, in spite of all representations, the general Batavian order of the year 1745 finally had to be carried out in full in Banda as well, at which time, in the draft of the conditions, the payments customary hitherto remained unchanged and were merely also extended to shipping, for firstly, nothing is paid for ordinary provisions; secondly, the Cerammers, Gorammers, and other islanders are toll-free on everything they bring in for the household and transport for their own need; thirdly, the residents may take along to the aforesaid places as much permitted merchandise as the hold of their vessels allows, since they are subject to no toll for it; fourthly, the just-mentioned traders pay nothing to the sovereign for the products which they bring over here from Ceram, Goram, as well as the Southwest and Southeast Islands; fifthly and lastly, the principal branch of private trade is exempted from the new lease, namely rice, being brought in from outside and transported elsewhere again by everyone. All these so advantageous privileges nevertheless still fall short of satisfactorily gratifying the greed of the malcontent head merchants; indeed, even if the Company wished to claim neither tolls nor licenses nor any other excises from the free trade, the goods would nevertheless not be retailed a single penny cheaper. But to return from this digression to the point which is principally to be noted here, I have from the bold babble about the supposedly uncommonly heavy, oppressive burden
Dutch transcription
1 Van Banda Nijra Den 19:' Aug=s 1752. — Van Banda Neijra Den 19. Aug:s 172. — der gemeene posthouders meerder bequaam tot de militaire Exelu„ „ties dan om den Inlander door discreete handelingen 's Comp:s ge„ sag over deselve verdraagsaam en aangenaam te maken, immers die Eygentste persoon soude wijders sorge hebben te draagen voor ee„ „ne vroegtijdige gereedhouding der benoodigde landts producten in 's meesteren dienst tegens de komste van 's Comp: Chialoup men lette wel met Excusatie van de Iaarlijkse sendene Expresse gecommitteerdens want eenige wijnige goedern uitgesondert soo syn deese het die den inlander tot op het gebeente toe uitmerge„ „len en deeze sijn het teffens die door de van de pathouders met rift of geweld bekomene offerhanden de laatst genoemdens ver„ pligten het afgekneuvelde vansgelijken dien verarinden in landez dubbeld te doen restitueeren. voor de gratisshs onderrigtinge en toesending der positive ordres tegens den in drang van vreemde natien om de groote oost, worden uw hoog Edelheedens nedrigst bedankt, egter ook op nieuw gesmeekt dat het seldsame versoek van den Ceram„ sen Commandant hamba om, de Bandase grooten aan te schrij„ ven ten Eijnde niet alleen den handel in kruijt en looste verbie„ „den maar daar benevens te beletten de sluikerijen in nagulen uit hoofdenp, van de daar bij g'impliceerde beschuldiging even of het een en ander met oogluikinge der Bandase grooten wierd gepleegd, geensints mag sterkten tot vermindering van uw hoog Edel„ „heedens goedgunstig vertrouwen van ruijm 1/er elff Jaarig be„ „mind en bij gevolge mede in die voordeelige termen na Eutopa worden beschreeven, ten Eijnde d' heeren meesters niet en vervallen op de vermoedinge als of de saken onder mijne bijsondere in i dulgentie ter opsigte van die hoogt straffbare feijten niet lan„ „ger soo op regt en getrouw wierden waargenomen als mijn ampt pligt en eed meede bragten. het articul van de nieuwe pagt prasreer ij van 't gelijken op de beknopste maniere meldig te maken van het verkeerde begrip veeler ingesetenen over dezelve hoe wel dat de meeste slegts napraaten het geene drie of vier uit den hoop middelen genoeg besettende om de vaart op Batavia en Java te Continueeren haar„ lieden voorsteevelen op fondament eener ingebeelde nadeelige incloed euse ven 97 99 Van Banda Nijra Den 19:' Aug„s 172. — Van Banda Nijca Den 19:' Aug:s 173. — invloed op den algemeenen particulieren handel, daar nogtans uw hoog Edelheedens velkomen sal gebleeken sijn mijne weljaarige betragting steets gestrekt te hebben, omme d'introductie daar van uitgesteld te doen blijven tot een voordeeliges tijdstip, in hoe dat in weerwil van alle vertogen het generaal pataslsebevel van den Jaar 1745: Eijndelijk ook in Randa ten vollen hebbende moeten uitgevoerd worden, als toen in het ontwerp der Condities de dus lange g'usiteerde betaalingen on„ verandert gebleeven en alleenlijk ook tot de scheeps verheeden sijn g'extendeert geworden, want eerstelijk word voor de ordinaire levensmiddelen niets betaald, Tweedens sijn de Cerammers gorammus en andere eijlanders tol vrij van alles watse voor het huishouden aanbrengen en tot Eijgen behoeff vervoeren. Derdens mogende ingesetenen soo veele gepermitteerde coopmanschappen na de voorsz: plaatsen mede neemen als de ruijmte hunner vaartuij„ Maar om van dese digressie te rug te keeren tot het point waar op hier ten principalen te letten valt, soo hebbe uit de vrijmoedige „drabbeltaal over de pretenselijk ongemeen swaar druckende last gen toelaat, dewijlse daar voor geenen tot subject sijn vierdens betaalen de evengem: handelaars niets aan den land heer voor de producten, die sij lieden van Ceram goram benevens de suijdwest en suijd ooster Eijlanden alhier overbrengen Vijfdens en laatstelijk is van de nieuwe pagt g'Eximeert de voornaamste tak van den particulieren handel namentlijk de rijst, door alle van buiten aangebragt en weder na elders getransporteert wordende. Alle dese so avantagieuse voorregten schieten egter nog te kort ter genoegsame voldoening aan de baatsugt der misnoegde hoofde negotianten, ja al was het, dat de Compagnie nog tollen nog licen„ tie nog eenige andere acuijsen van den vrijen handel wilde pretendee„ „ren soo souden egter de goederen geen penning beeter koop ver debi„ „teert worden. „gen van
English
N 101 From Banda Neira, August 19, 172. From Banda Neira, August 19, 172. From the aforementioned new lease, one must conclude that the merchants, instead of paying customs duties on goods according to their actual and real value in this place, just as is stipulated under the first article of the boom lease at Batavia, would rather establish such an assessment according to the prices of the goods as they have bartered for them on the islands. I have furthermore, from those candid remarks, obtained conviction of the present old custom of declaring only two-thirds of the merchandise for customs duty, whether upon import or export. And from such unfounded grievances, it has also appeared to me that they would not like to settle with a leaseholder, but rather with the fiscal—for that good man must also make a living—before being allowed to begin unloading, according to what they have declared not obscurely, intending through private complaints at Batavia to make the matter known under the requisite circumstances in order to obtain redress in one thing and another. Far, however, from alleging much anew to further substantiate the subject lease conditions, it will be enough for me that the same, corresponding with the old customs, have been approved by Your Excellencies after previous highly wise deliberation, especially considering that the merchandise subject to duty cannot cause any dearness with regard to commonly needed foodstuffs, and that, on the other hand, those who are inclined to delicacies, splendor, pomp, and ostentation may well pay that much more to indemnify the merchant for the paid lease. So that my humble requests also consist solely in this: that the appraisal of the goods subject to duty, the declaration of the same without any concealment, as well as the collective impost on the permitted cargo of the ship commanders, whether the same belong to them directly or have been shipped in commission for others, be altered, moderated, or fully ratified by a notification from higher authority, and that all whom it concerns be ordered to obey what is stipulated to the letter. Of great importance and consequence is the point that, on account of the occurred digression from Your Excellencies' beneficial objective in the reduced overture 17 From Banda Neira, August 19, 172. From Banda Neira, August 19, 1742. reduced price of the rice to be supplied on behalf of the Company, and thus also out of respect for the arrangement made by the same, I have had to pass over in silence in the general letters of 17i and 172, without being exempted thereby from the duty, according to conscience and foresight, to demonstrate further in a separate letter the general decline, and how the lowered price of the aforementioned food does not seem to be the remedy, nor to determine how to improve the impoverished colonies alongside the despondent park-keepers in terms of conditions. Forgive me, Most Noble Sirs, a language that, far from being uttered out of any arrogance, stems solely from a hearty interest in the highly necessary restoration of this conquest so precious to the Company. My previous humble proposals, strengthened by a subsequent partial approval, confirm the latter, and Your Excellencies having yourselves judged the increase in the price of mace to be the most suitable for the revival of the dejected park-keeper, so that, upon an approval obtained from the Noble, Right Honorable Lords Majors, the other colonists would also have been participants in the advantages to be gained hereby in other respects. For with respect to the colonist there is little to be won and even less to be gained, because the item of rice has always been one of the principal mainstays of private trade, and must be considered as such; whereas now, on the contrary, its small importation by private sloops makes it entirely unstable, on account of the absolute impossibility of making good the travel expenses, equipment losses, and interest to be calculated on the capital spent on it, when a last of rice purchased on Java for 30 Spanish rixdollars must be sold at Banda for 40 rixdollars—note well, not at all in large parcels, but by measure and consequently gradually. However much I had flattered myself that referring the inhabitants of the third class to the rice sellers would satisfy the objective of an advantageous sale of private grain, upon a careful investigation of its opposite, it has fully appeared to me that the complaint about the slow sale is caused by the abuse 103
Dutch transcription
N 101 Van Banda Nijna Den 19:' Aug=s 172. — Van Banda Nijra Den 19:' Aug:s 172. — van voorsz nieuwe pagt moeten besluiten, dat de negotianten, in stede van de goederen te vertollen na de wesentlijke en re- elle waarde te deser plaatse, even als onder het eerste articul vande boomspagt op Batavia gestatueert is, in tegendeel sodanige taxatie liever souden willen begrijpen, en instellen na de prijsen der goederen, soo als Eijlieden deselve op de Eijlanden hebben in„ geruijlst. Ik hebbe wijders uit die vrijmoedige aanmerkingen odertuwr gekreegen van het presente oude gebruijk, om maar twee derdens van de Coopmanschappen, het sij bij den aanbreng het sij bij den uit voer ter vertolling op te geeven, en uit eene soo ongegronde be„ swaarnissen is mij almede voorgekomen datse niet gaarne met een pagter maar liever met den fiscaal wilden accommodeeren, /want die goede marg toes ook leeven moete:/ alvorens met de lossing te mogen beginnen, na het geene sijlieden niet duijster verklaard hebben, door particuliere klagtens op Batavia in de vereijschte omstandigheeden te zullen rugbaare maken tot erlanginge van herstel in het een en ander. Verre nogtans van op nieuw veel t allequeeren ter nadere stavinge van de subjecte pagt Condities sal het mij genoeg sijn dat deselve, met de oude gebruijkelijkheeden over een komstig na gene voor afgegane hoogwijse deliberatie door uw hoog Edelh=s godgekeurt sijn geworden, voor al nog aan„ „gemerkt hoe de te vertollen Coopmanschappen ten belange der algemeen benodigde levens middelen geene duurte konnen veroorsaake, en hoe reci„ „gens de geene die op leekerneij pragt praal en pronkereij gestelt sijn, wel soo veel meer mogen betaalen tot de domagement van den Coopman voor de voldane pagt soo dat mijne humbele biedens aan ook alleenlijk hier in bestaan dat het taxeeren, der te vertollene goederen, het opgeeven van deselve sonder eenige verswijging jtem den bezaamden impost op de gepermitteerde lasten der scheeps overheeden hij sij deselve haar direct toe behooren dan wel voor andere in Commissie afgescheept sijn, door een advertissiment van hogere magt g'altereert gemodereert of ten vollen geratificeert, mitsg:s alle die het aangaat gelast word het gestatueerde na den letter te gelonsamen van groote belang ende aangetegentheijt is het punct. dat ik ter sake van de overtekomene digressie van uw hoog Ed:s salutair oogmerk in de verminder„ verde „de onverture 17 Van Banda Nijra Den 19:' Aug=s 172. Van Banda Dijra den 19:' Aug=s 1742. — „de paijs van de Comp:s wegen te verstreckene rijst en dus meede uit ontzag van hoogt denselver genireerde schieking, met stelswijgen hebbe moeten pasperen in de gemeene brieven van 17i en 172. sonder hier door gedispen„ „seert te vrmte zyn van de pligten omme nagemoede en bij vooruitsigt in eenen apparte brief nader te vertoogen het algemeen verval en hoe de verlaag„ „de prijs van voorsz roedsel het regtmiddel met schijnte sijn nog te uittemaken om de veraamde Colomies benevens de mismoedige per„ keniea van Condities te verbeeteren. Vergeefft mij hoog Edele heeren eenetaal, die verre van door eenige verwaandheid geprofereert alleenlijk her komstig is uit de Cordate belangnering in de hoognodige restauratie van dit voor de maatschap„ wij soo dierbae vingewest, mijnanterieure de moedige voordragten gesterkt met eene daar op gevolgde gedeeltelijke approbatiebevestigen het laatste en uw hoog Edelheedens selve de verhooging van de prij der foelie het Convenabelste g'ordeert hebbende tot weder opluijkinge vanden neerslagtigen perkenier soo sonder dan ook bij eene daar op erlangde toestemminge der Edele hoog Agtb: heeren majores, de overi„ „ge Coloniers van de hier door in andere opsigte te behalene voordeelen participanten geweest sijn. want ten opsigte van den Colonier valt weijnig te winnen en nog minder op te gaaken, om reden het articul van de rijst steets een der voornaamste houwvasten van aen particulieren handel geweest is, en aangemerkt moet worden, daar nu in tegendeel dies geringt aanbreng met de particulie„ „ve Chialoupen deselve ten eenemaal doet wankelen, ter sake van de volstrekte ondoenelijkheid tot goedmaking van de reijs kos„ ten equipagies verliesen, en te berekene renten op het Capitaal daar toe besteed, wanneer een op Java voor 30 rd: spaans ingekogte last rijst te banda voor 40: rds moet geremanueert worden men lette wel geensints bij groote partijen, maar maatsgewijse en gevol gelijk lang samer hand ho ser ik mij ook gevleijt hadde, dat de overwijsinge der ingesetenen van de derde Classe na de rijst ver„ koopers soude voldoen aan het oogmerk van eenen avantargieuse „verten der particuliere graanen: dan bij eenenaaukeurige onder„ „soeking van dies tegendeel heeft my ten vollen gebleeken het beklag over den tragen de biet te worden veroorsaakt, door het particepanten, mesbruijk 103
English
105 19: From Banda Neira the 19th of August 1772. From Banda Neira the 19th of August 1772. abuse that many among the first and second class come to make of the convenience from the Company's warehouses for 20 rixdollars the last, in this manner, that they resell one-third of their receipt at 35 rixdollars the last, giving their slaves, instead of 30, no more than 20 pounds per month, and the remainder in sago, which is currently obtainable very cheaply, according to what is demonstrated more clearly on unshakeable grounds in the sale over the past seven months by unknown rice traders to the quantity of 30690 pounds. Indeed, such abuse brought into practice from Your Right Noblenesses' benevolence greatly harms private trade, and this misconduct will have a most grievous as well as hardly remediable effect whenever, due to poor crops on Java, through ship fatalities at sea, and through a meager supply in the Company's warehouses at this place, the rice distribution, after the repeatedly cited necessary precautions under my ill-fated administration, must be reduced to 25, 20, or 15 pounds per person per month, particularly considering also that no relief is to be expected from elsewhere as long as the season prevents navigating to this remote province. If, therefore, the community considered in itself is to be set entirely at ease here; if one, by a fixed distribution to the servants, their widows, and the park-keepers, in the event of the unexpected failure of ships to arrive, is to bring it so far within a few years as to be able, according to the home recommendations, to calculate upon an eighteen-month supply; well then, one must also effect measures that provide the merchant with the certain prospects to guarantee a middling livelihood upon the rice to be brought over, after deduction of all charges and expenses, which, in my respectful opinion, is however not to be expected as long as rice is distributed on the Company's behalf at 20 rixdollars to the residents belonging to the first two classes. And as long as this is not provided for, so long also the complaint about an increasing general decline will not be removed; but to this end, the park-keeper is the object through whom the general restoration must be promoted, wherefore it is permitted with regard to these park-keepers 21 107 From Banda Neira the 19th of August 1773. From Banda Neira the 19th of August 1772. to bring into consideration with a fitting candor what is to be feared on account of the continuous plagues of the land, that his costly plantations must be entirely ruined. Indeed, having no means, how shall he obtain slaves, and not being provided with slaves, how is he capable of keeping the so highly recommended attention fixed upon the gathering of the aromatic fruits; yea, how shall he collect that which must be established by the other land products for his complete livelihood, when those two principal articles remain lacking? I speak here of park-keepers whose poverty was attributed by Governor De Klerk in his Honorable's memorandum in the year 1753 to the dearness of foodstuffs, to the loss of slaves, and to harmful journeys; of park-keepers whose maintenance and livelihood, according to the memorandum of household affairs, having to be made good from the land products, consequently cannot keep much for display; of park-keepers who, in the well-considered radical description of this province of the year 1756, are held to be the most unfortunate among all colonists; of park-keepers who, after these times, have fallen greatly in arrears in their finances from year to year; once more, of park-keepers who, through the various marks of favor obtained since the year 1751, could not be brought to any recovery, because everything is contained in the absolute price increase of spices, and upon a continuous refusal, the Company itself will soon have to suffer an infinitely greater detriment through a lack of nutmegs and mace than the augmentation of the nutmeg or mace money, to be proposed anew hereafter, comes to amount to for a long series of years. Thus, taking a step back to the year 1751, I find brought into deliberation in the Banda resolution of the 3rd of March Their Right Noblenesses' order to investigate whether half the revenues of the spice lands could make good the interest on the loaned capital, it being judged thereupon by the ministers of that time that all the park-keepers who have parks of any significance are able to pay the interest from half the revenues, but from the other half and what their lands further yield, have a very meager livelihood.
Dutch transcription
105 19: Van Banda Nijra Den 19. Aug=s 172. — Van Banda Nijra Den 19:' Aug:s 172. — misbruijk, dat veele onder de eerste en tweede Clappe komen te maaken, van het gerieff uit 'sComp:s pakhuisen voor 20. rd:s het last in deesen woegen datse een derde van heeren ontvangst we„ der verkoopen tegens 35 rd: het last gevende hare slaven in stede van 30: niet meer als 20 lb: permaant en het verdere in de tans seer goed koop te bemagtigen sagoe na het geene op onwrikbare gronden klaarder word gedemonstreert, in den verkoop seder seven maanden door onbekende rijst handelaars ter quantiteijt van 306 90r ponden. Immers sulken van uw hoog Edelheedens goederterentheijt in train gebragte misbruijk streemt den particuleeren handel gootelijks en dit wanbedrijff sal van een aller atoevigst, mitsgaders nelte hor„ stellene uit werksel sijn, wanneer dorr schrale gewassen op Java door scheeps fataliteijten ter zee en door eenen geringen voorraal in 'sComp:s pakhuijsen te deser plaatse de rijst verstrekkinge, na de te meermalen g'Eyteerde noodsakelijke voorsogens onder mijn noodlottig bewind tot 25: 20 or 15 lb perhoofd smaands moeten geredireert worden, voornamentlijk nog overwoogen dat geen ontset van elders te verwagten is soo lange de saisven belet ase affgelege„ „ne provintu te bevaaren. sal dierhalven de gemeente op haar selve beschouwd hier volkomen gerust gesteld worden, sal men door eene bepaalde verstrecking aan de dienaren hare weduwen ende perkeniers, bij onverhopt uit blijven der scheepen, het binnen wijnige Jaaren soo verre brengen omme na de patriase aan bevelingen over eenen agtien maandigen behoord voorraat te konnen Calculeeren wel aan soo behoofd men ook te bewerkstellige middelen die den negotiant de sekere vooruntsig„ voerene „ten verschappen omme op de over te vorderen rijst naarstrek aller lasten en ongelden eer middelmagtig bestaan te gandeeren 't gunt na mijne eerbiedige openen egter nutte verwagten is soo lang de rijst tegens 20 rd: aan de ingesetenen tot de twee eerste Classen gehoorig Comp:s weegen verstrekt word, en soo lang hier in niet word voor sinf, soo lang sal ook het beklag over een toeneemind alge„ gnen ver val niet worden weggenoemen maar tot dit Eijnde is den perkenier het voorwerp, door dewelke het generaal herstel moet bevordert worden, wantoe, het g' oorloofd ten gp zegte van desen per keniers. van met 21 107 Van Banda Nijra den 19 Aug=s 173. — Van Banda Dijra den 49„' Aug:s 172. met eene geparte rijmoedigheijt in bedenking te brengen he wee„ „gens de aanhoudende landsplagen te rugten valt, dat sijne kost „baar plantagies ten eenemaal moeten geruineert worden, immers geene middelen hebbende hoe sal hij slaven bemagtigen, en van geene slaven voorsien sijnde, hoe is hij in staat op de insa„ meling der aromaticque vrugten de soo hoog aan bevolene attentie gevestigt te houden, ja hoe sal hij het geene door de overige lands producten tot syjn volkomen bestaan moet gefon meert worden bi vergaderen, wanneer die twe voorname articu len blijven ontbreeken Ik spreeke hier van perkeniers welkers armoede door den heer Gouverneur De klerk bij sijn Edele memorie in den Jare 1753. toegeschreeven is aan de duurte in levensmiddelen, aan verlies van slaven en aan schadelijke oortogten van per„ keniers die hare onderhout en bestaan volgens de memorie van menage uit de lands poducten moetende goed gemaakt worden, mitsdien niet veel tot pronkereij konnen ovrhouden van per„ kenies die bij de door woogte radicale beschrijving deser provintie van den Jare 1756. worden gehouden voor de onge„ luckigsten onder alle Coloniers van perkenier die na dese tijden in haare fenanties van Jaar tot Jaar grotelijks sijn veragter nog eens van perkeniers die door de sedert het jaar 1751 g'obtineerde onderscheijdene gunst bewijsingen tot geenig herstel hebben konnen gebragt worden, vermits alles legt opgeslooten in de absolute prijs verhoging der specerijen en bij een aanhoudend refies de Comp:e selve eer„ „lange onEijndig grooten nadeel door gebrek aan nooten en foelie sal moeten ondergaan als de hierna op nieuw voorte dragene augmentatie van het nooten off foelie gelet voor een lange reeks van Jaaren komt te bedragen. — Dus een terug stap doende tot het Jaar 1751. vinde ter Bandase reso „lutie van den 3.: maart in deliberatie gebragt haar hoog Edelheedens be„ vel tot ondersoek of de halve inkomsten der specerij landen den intrest van het beleende Capitaal konde goedmaken sijnde hier op door demi„ nisters van dien tijd gegugeerd dat alle de perkeniers welke maar eenige naamwaardige perken hebben in staat sijn ut helfft der inkomsten de intresten op te brengen edoch uit de andere helffte en het geene hare landen verders geevens een seer sober bestaan „luckigsten hebben -
English
109 23: From Banda Neira, the 9th of August 1772. — From Banda Neira, the 19th of August 1772. — have, particularly through the mortality of slaves, high cost of provisions, etc., whereby they fell heavily into arrears. And surely evident proof of falling into arrears is shown in the truthful statement that the very same spice lands which were managed in the year 1740 by 86 perkeniers and whose then total purchase sum was 295795 rd:— with mortgages of 21965 rd: now cost 309465 rd: 24:— burdened with a mortgage of 275708 rd:s under the management of 56: perkeniers. - Far, however, from having to attribute this increased purchase amount of 93670 rd:s 24:— to the improvement effected within a span of 22: years on the nutmeg plantations, such is on the contrary derived from the manifold sales that took place in the intervening period, and because the lord's contingent paid for it was each time added to the capital, partly also on the other hand because several parks upon sale were burdened with private debts and, ostensibly for the indemnification of the guarantors above the intrinsic value of the master, . . 240722. 24. 8 Rd: 343488: 32. — have been altered, so that adding this extraordinary price increase of 93670. 24. to the increased mortgage up to the amount of 56083: rd: one may safely assert and conclude therefrom that the capital belonging in property to the perkeniers in the year 1740: remaining after deduction of the then mortgages at 21965 rd:— amounting to 76140. rd: has, according to the petition of 1772, been converted into an actual deficit of 149753½. rd: a deficit of all the greater weight in proportion to the lesser likelihood of ever being able to remedy it, when the only efficacious means, namely the price increase of mace or nutmegs, does not succeed in the course of time; and to this end the following is brought into consideration. Firstly concerning the revenues that the perkeniers have received from 1762 to 1772 inclusive, or in eleven years, and for mace making a capital of for delivered nutmegs. . . . . . . . . Rd:s 102766. 7: 8 changed - : 111 25 From Banda Neira, the 19th of August 1772. — From Banda Neira, the 19th of August 1772. — Secondly concerning the expense items, that for 11 years interest on the mortgages, the loss of slaves, the customary rice money, item clothing for said captives was drawn. . . . . . . rd 297486: 18:— that several other necessary calculations have mounted to. . . . . . . . . 277315: — — or for the general expenses - - - - - - rd 574801: 18 —. Thirdly and that these aforementioned expenses are by no means estimated too generously, firstly: because at various times, due to the necessary reductions in the Company's distributions to 25: 20: and 15. lb: per head per month, the remainder had to be purchased from private rice traders at 40: 45: and 50: rd: the last, secondly, because it happened more than once that the perkeniers had to pay 45: 50. 55. up to 60. rd: each for the slaves—. Thirdly, because the heavily devastating ash output of the volcano since the year 1765 has doubled the annual repairs to be done to the main dwellings, nutmeg sheds, and smoking scaffolds, through the uncommonly rapid decay of the attap thatch and bamboos. Consequently in arrears. . . . . . . . . Rd:s 231312: 34:— Fourthly, that the natives, who are becoming wiser year by year, cause the supplied necessities to rise in price under the pretext of an increasing rise in linen prices: Fifthly, and that consequently in our subject, looking at everything in the most favorable light, it may rightly be said of the perkenier that he lives hand to mouth; is it not then fully demonstrable from what is shown here that it is utterly impossible for the perkenier to save anything for old age, and is his total ruin not very near if he must struggle on under the present miserable and impoverished circumstances; it is reciprocally certain that the repeatedly proposed price increase of spices contains the only prospect of slowly recovering thereby and seeing the work of his hands rewarded, along with the restoration of the reduced price of rice to the status quo price, being 30 rd:s the last.
Dutch transcription
109 23: Van Banda Nijra Den 9. Aug=s 172. — Van Banda Nijva Den 19:' Aug„s 1732. — hebben insonderheid bij sterffte van slaven duurte van leevens middelen &:a waar door sie dan gewildig ten agteren raakte En voorseeker een evident bewijs van dit agteren raaken cluceert in de met de waarheid over eenkomstige op gave dat die eijgenste specerey landen dewelke in den Jaare 1740 door 86 perkeniers be„ heerd en op welkers toenmalig laatte verkoops bedragen ad: 295795:— sijn beleend geweest 2965 rd: tans komen te kasten rd: 309465: 24:— beswaarst met eene beleening van 275708 rd:s onder de beheering van 56: perkeniers. - verre nogtans van dit meerdere inkoops bedragen a rd:s 95670: 24:— te moeten toeschrijven aan de binnen een bestek van 22: Jaaren 91„ Exteerde verbeetering der nooten plantagies, is sulks in tegen„ „deel derivabel van de in den tusschen tijd voorgevallene maniqvul„ „dige verkoopingen en dat men dan telkens het voor hem betaalde 's heeren Contingent bij het Capitaal heeft gevoegt eendeels voorts voorts ten anderen ten sake verscheijde perken bij verkoop met de particuliere schulden beswaart en quasie tot schadeloos stelling der borgen boven de intrinsuque waarde van meeslia . . „ 240722. 24. 8 Rd: 343488: 32. — veranderd sijn geworden, soo dat men deese sildsame prijs verhoo ging van 93670. 24. voegende bij de meedere beleening tot aen mon„ „tant van 56083: rd: daar uit gerustelijk mag beweeren en besluij„ ten het in a:o 1740: na aftrek der toenmalige beleeningen â' rd: 21965: — overgeschooten inde perkeniers in eijgendom toe behoorige Capitaal graot 76140. rd: na het vertoog van 1772. te sijn geconverteert in den wesentlijk veragtering van 149753½. rd: eene veragtering van als te grooter gewigt, na mate van mindere waar scheynelijkheijt omme deselve ooijt te konnen remediceeren, wanneer het alleen fficauirense middelen namentlijk de prijs verhoging van foelie of 1o „ten gelet bij tijds vervolg niet succedeert en hier toe word in na„ dese overweeging gebragt. Eerstelijk ten belange der inkomsten dat de perkeniers sedert 1762 lob 1772 in clu„ sive ofte in Elff Jaaren hebben ontvangen en voor Coelie makende een Capitaal van voorgeleverde nooten. . . . . . . . . . Rd„s 102766. 7: 8 verandert - : 111 25 Van Banda Nijra Den 19 aug=s 172. — Van Banda Nijra den 19. aug=s 172. — tweedens ten belange der last posten dat voor 11 Jaaren intrest op de beleeninge het verlies van Sla„ van de gewoone rijst gelden item kleeding voor gem: Cative getekkend is. . . . . . . rd 297486: 18:— dat verschijde andere noodsakelijke bereeke„ ningen gemonteert hebben. . . . . . . . . „ 277315: — — of voor de generale lasten - - - - - - derdens en dat dese opgenoemde lasten geenzints te ruijm genomen sijn primo: om reden op verschijden tyden door de noodwendige reductus in 's Comp verstreckingen tot 25: 20: en 15. lb: per hoofd smaands, het overige bij particuleere rijt handelaars tegens 40: 45: en 50: rd: het last heeft moe„ ten ingekogt, worden, secundo, ter sake het meer dan eens gebeurd dat de perkiniers voor de slaven 45: 50. 15. tot 60. rd: ijder hebben moeten betaalen—. asch Tertio vermits de sterk vermilende Eisch vanden vuurberg sedert gevol gelijk ten agteren. . . . . . . . . Rd„s 231312:34:— rd 574801: 18 —. het jaar 1765. de te doene jaarlijkse reparaties aan de Capitale woo„ ninge, nooten Combuijsen en rook parra parras verdubbelt hebbe, door het ongemeen schielijk bederfd aan der adappeg en banboesen. quarto, dat de Jaarlijks wijser wordende inlanders de aangebragte benodigtheeden in prijs doen steijgers, door het voorwendsel van eene toeneemende verhoging der lijwaat prijsen: quento, en dat gevolgelijk in ons subjoct alles ten voordeeligsten beschouwt van den perkenier ten regten mag gesegt worden uit de hand in de tand, is het dan waar in volkomen bewijsbaar na het hier vertoogde voor den perkeniea volstrekt, ondoenelijk st„e zijn ijts voor den ouden dag op te gaaren, en is sijn totale ondergang seer na bij, wanneer in de presente naar en armoedige tijds omstandigheeden moet voort worstelen; het is resiproque see„ ker dat de te meermalen voorgestelde prijs verkoging der specerijn alleenlyk het vooruitsigt bevat om daar door langsamer hand weder op te beuren en het werk sijner handen beloond te sien, met herstelling van de verlaagde prijs van de rijst in Mtatuque prins Sijnde 30 rb:s het last het des
English
113 27 From Banda Neira, the 19th of August 1772. From Banda Neira, the 19th of August 1772. Thus proceeding, I believe I am by no means mistaken in the position that, on the occasion of the increase in the price of mace from 7 1/2 to 12 stivers planned by Your High Nobilities, a beneficial increased receipt of more than 4000 guilders was calculated to result for the park keeper; and examining the matter somewhat closer, I refer to the mace charged in the invoices in the year 1767 in the quantity of 169100 pounds, since the same, calculated at 7 1/2 stivers per pound, amounted to f 63412: 5: — and increased to 12 stivers would increase to f 101460: —: — thus the resulting increased receipt of f 38047: 15: — approximately equals the aforementioned calculated benefit of circa 40000 guilders. Since, however, the Company's servants gain nothing by this, whereas on the contrary, in the delivery of nutmegs, through the 7 percent added by the park keeper, through the granted 2 percent for drying, and then another 1 percent on shipment, they can generally count on an advantageous overweight of well over 10 percent; moreover, upon a further representation of their precarious livelihood in this wretched province, Your High Nobilities were favorably disposed in the highly esteemed letter of the month of December 1770 to include them under the advantageous price reduction of rice; thus my humble plea is that, if Your High Nobilities should deem the ruin of the park keepers, which is approaching with swift strides, sufficiently important and evident for the sake of the Company's interest intertwined therein, to propose anew the increase in the spice monies as necessary and inevitable to our highly esteemed Lords and Masters, in such case to give preference to the increased price of nutmegs to 3 stivers per pound on the basis of the fourfold compelling reasons to be mentioned below: 1st, because nutmegs require more labor, effort, and attention; 2nd, because a larger harvest of nutmegs increases the delivery of mace; 3rd, because the increase in the nutmeg money favors the servants at the same time; 4th, and because what is presently proposed concerning the nutmegs, compared to the previously preferred mace, differs by only f 1263: 1: from the calculated 40000 guilders, as appears from the following specification. 115 24 From Banda Neira, the 19th of August 1772. From Banda Neira, the 19th of August 1772. differs from f 40000: —, as appears from the following calculation: in the year 1767, for the delivered 448838 lb of good nutmegs, there was paid the sum of f 16860: 13: — but increased in price to 3 stivers per pound, the same would cost f 67325: 14: — which results in an increased payment of f 50465: 1: — and above the calculation of f 40000: —: — is an excess of f 10465: 1: — yet here it must again be considered that, at the time of the first calculation, the last of rice was worth 30 rixdollars and now only 20 rixdollars; so that the required quantity of 383 lasts of rice for the park keepers in one year, at the price of 30 rixdollars each, would amount to rd 11490: —: — and after the reduction to 20 rd, to rd 7660: —: — making, in regard to the park keepers, an advantageous reduced payment of rd 3830: —: — or f 9192: —: — so that, this being deducted from f 10465: 1: — the total is reduced to the aforementioned f 1263: 1: — constituting the difference between the calculation on the mace of f 40000: —: — and the nutmegs of f 50465: 1: — Moreover, this presumed disadvantageous excess of f 1263: 1: — is further converted into an advantageous item of f 1823: 18: for the following reasons: The recent census states for the inhabitants belonging to the two classes 4633 heads, requiring annually 556 lasts of rice, of which the purchase cost amounts to rd 14700: 5: — and the last at 30 rd amounts to rd 16680: —: — gained 11 1/4 percent or rd 1979: 43: — but if the aforementioned rice, according to the order, is calculated at 20 rd, then for 556 lasts no more is paid than rd 11120: —: — the Java charges amount to 1 3/4 rd per last, and then the same amount to rd 12093: —: — thus lost rd 973: —: — being scarcely 9 percent; indeed, adding this rd 973: —: — to the loss of the previously calculated profit of rd 1979: 43: — adding these
Dutch transcription
113 27 Van Banda Nijra Den 19 Aug„s 172. — Van Banda Nijsta den 19:' Aug=s 172. — Dus vervolgende meene ik geensints te missen in de sustenue dat men ter gelegentheid van de door uw hoog Edelheedens beraamde ver„ hooging der foelie in prijs van 7/½ tot 12 stp:s gecalculeert heeft, op eene voor den perkenier te resulteren voordeelige meerder ontvangst van ruim 4000 guldens en de zaak wat nader maersogt beroepe mi op de in anno 1767: bij de fatuuren aangerekende foeli ter quantiteyt van 16910. ponden nademalen deselve gerekent tegens 7/½ stv: het pont bedragen. . . . . . . . . . . ƒ63431: 5: — in verhoogd tot 12: stv: vermeerderen tot - - - - - - - - „ 10'1490: —: —: dis de hier te volgene meerdere ontvangst a ƒ 38658: 15: — de voorsz Cal„ culatief gestelde bevoordeeling van circa 40000 guldens ten naasten bij eqúalis eetsen. De wijl egter's Comp. s dienaaren hier bij niets gewinnen daar is in tegendeel op de nooten leverantie door de toegevoegde 7: present van den perkenier door de g'accordeerde sal percent voor d' indroeging en dan nog1 perc op den afscheep doorgans konnen staat maken op een voordeelig overwigt van ruijm 10: ten hondert, waar te boven op een nader vertoog van haarlieder aanmoedige bestaan in deese aketighe provintie, door uw hoog Ed: bij veel g'agte missive van de maand xeber 1770 goeder tiekenst aangeschreeven deselve te begrijpen onder de voor deelige prijs, verlaginge van de rijst, soo strekt mijne onderdanige beede dat indien uw hoog Ed:s de met sterke schreeden aannaderende ondergang den perkeniers om de wille van het daar bij in gewiekeld Comp:s belang inportant in evident genoeg mogten oordeelen, om de verhooging der specreij gelden op nieuw als noodsakelijk en inevitabel aan onse hoog agtb: Heeren in Meesters voor te stellen, in sulken ge„ ral de voorrang te willen geven aan de verhogene prijs de noo„ ten tot 3: stuijvers het pond op fondament van de hier onder te mel„ „dene vier dez hande drangredenen. — 1:e vermits nooten meerder omslag moeijte en op lettentheijd vereijschen 2:e vermits meerdere insaam van nooten de leverantie van foelie ver„ groet~n. 3:e vermits de verhooging van het nooten geldde dienaeren teffens favoriseert. — 4:e en vermits het tans voorgestelde omtrent de nooten in vergelijking van de voor zien geprefereerd foelie maar ƒ 1263: 1: van de Calculative akelige verte 115 24 Van Banda Nijra den 19' Aug„s 172. — Van Banda Dijva den 19:' aug:s 172. — ƒ 40'000: — differeert, blijkens de te volgene beteekeninge in het jaar 1767. is voor de geleverde 448838 lb: goede nooten betaald de ƒ 16860:13:— .. . . . Somme van maar in prijs verhoogd tot 3: stver het pond soude de„ „ 67325:14:— selve kosten komt voor de meerdere betaaling . . . ƒ 50465:1:— en boven de Calculatie van. . . . . . . . . „ 40000: —: — wel eene meerderheijt van. . . . . . . . . . ƒ10465: 1: — edoch hier staat weder te considereeren, dat ten tijde der eerste bereekening het last rijst heeft gegolden 30 rd: en tans maar zord:s dat oversulks de benodigde quantiteijt van 300 lasten rijst voor de perkeniers in een Jaar na de prijs van 30: ryxaaalders ijder souden bedragen. . . . . . - rd: 11490: —: —: en na de reductie tot 20 rd - - - - - - - „ 7660: —: —: makende ten reguarde der perkeniers eene voor„ „deelige mindere betaling van . . . . . . . „ 3830„ —: —. ƒ 9192: —: —: offte „ 10465: 1:— invoegende dese affgetrocken van als aan het facit vermindert tot de hier vooren gemelde ƒ 1263: 1:— uitmakende het different tusschen de bereekening op deCoelie ƒ 4000: -:- ende nooten ƒ 50465:1:— Haar dese vermeende nadeelige meerderheijt van ƒ 1263:1:— word al„ verder geconverteert in eene voordeelige post van ƒ 1823: 18: on„d volgende redenen. de Jongstijdes beschrijving stelt voor de ingesetenen tot de twee Classen gehoorig 4633. koppen benodigende s Jaars aan rijst 156 lasten, der - - - - - - - - - Rd: 14700: 5. inkoops bedragen en het last tegen 30 rd:s. . . . . . .. „ 16680:—:—: gewonnen 11¼ percent off rd: 1929: 43:—: . . . dan als men de voorsz: rijst nade ordre rekend tegens 20 rd: soo wort voor 556: lasten niet meer betaalt als. . . . . . . rd:s 1120:—:—. de Javan ongelden beloopen 1¼ ad perlast, en dan monteeren deselve „ 12093:—:—: rd: 973: —: —: dus verlooren sijnde 9: ten hondert schaars immers dese . . . . „ 973: —: — komentse te voegen bij het gemis der hier vooren berekende winst à. . . addeesen . „ 1979: 43:— - .- .. . -. -
English
From Banda Neira, the 19th of August 172. From Banda Neira, the 19th of August 172. 2952 rixdollars 43 stivers amounting to its detriment f 7086:19: or 1263:1: and after deduction of the noted profit of f 5823:18 While with regard to the benefit falling to the park keeper through the increased nutmeg price, it would depend directly on Your Right Excellencies to give a new strict order for the withholding of a certain amount in proportion to each person's receipt, in order to steadily reduce the capital advanced on the spice lands that are mortgaged too high, down to the traditionally determined two-thirds of the purchase price. Fully informed of Your Right Excellencies' legitimate displeasure over the slightest estrangement among the Company's servants, especially when the associated animosities are sanctioned by the rulers with a moderate treatment corresponding to the merits of what occurred, we have, upon the written complaint of the trade transfer agent Metaijer regarding the digression of article and following from the instructive points to be read in Banda's resolution of the 7th of February 171 committed by the commissioner for the affairs of the head administration, judged it of the least trouble to have all errors committed in the trade papers of 172 and indicated in the Banda resolutions of the 11th of December 171 and the 2nd of March 1772 redressed in the new books of 1772, in order to bring everything back into the right course in a peaceful manner. But during the drafting of the general description now being dispatched, upon further reading of the general return along with the trade report, the advance of 38 1/4 percent stated therein on the sale of 579500 lb of rice appeared very speculative to me, although previously no more than 15, 11, and 8 per cent had been gained. My concern over this also required having a simple explanation made of that rare profit by the commissioner Carlebur, but far from having found it in his representation, the accessory report of the trade transfer agent Hageman appeared more acceptable to me, as proof that the entire quantity of From Banda Neira, the 19th of August 172. From Banda Neira, the 19th of August 1712. amounted to 1342900 lb: purchase f 19278:18: sale f 21559:19:8: profit f 2281:1:8: percentage 11 3/4 thus in all respects differing from what the two first-named enclosures contain regarding the sale of rice, although the relatively satisfactory explanation of this is to be observed in the report of the clerks Stetveld and Bernard, which amounts to this: that the sold 579500 lb of rice ought to have been calculated as a portion of the remainder of the last day of August 170 according to the then purchase price of f 54:7:8 the last, and not according to the price reduction first introduced on the first of March 174 down to f 43:1:5; for by this under-calculated f 11:6:4 on each last it was caused that the profit on those 579500 lb, instead of 9 1/4, was on the contrary stated at 38 3/4, and thus 29 1/2 percent too high. Therefore, Right Honorable Sirs, this entirely humble petition of mine is that the head books of 177 may have priority regarding the inspection, so that the required solution may be procured for such and other errors to be discovered later, while I can still trace the defects closely and in person, with the addition of everything that will place myself beyond liability and beyond indemnification. Over and above the redress treated in the general letter under the chapter of the domains regarding the improper intent of some contentious inhabitants to the detriment of the farmer, a new contrivance in the sale of goods at the bazaar and elsewhere has been brought to my knowledge, amounting to this: that people who have the means to use 2, 4, and more slaves for such sales, nevertheless wish to make payment to the farmer only for a single note ostensibly in the name of the owner, whereas nevertheless, according to my contention, admission ought likewise to be had here locally without distinction between rich or poor, which I
Dutch transcription
117 31 Van Banda Nijra Den 19: Aug=s 172. — Van Banda Nijra Den 19. Aug=s 172. — . rd: 2952: 43: — adveerende deselve ten nadeele ƒ 7086:19: offte „ 1263:1:— en na afstrek van het gedenoteerde voordeel van. . . . ƒ 5823: 18— Ter wijl in het reguard van de den perkenier te beurtte vallene bevoordeelinge door de verhoogde nooten prijs, direct van uw hoog Edelheedens soude affhangen, een nieuw striet bevelte geven tot inhoudinge van seeker tantum na mate van ijders ontvangst, ten Eijnde van de specereij landen die te hoog beleend sijn, het daar op geschooten Capitaal ongevoelig te doen verminderen, tot op de van oudster bepaalde twee derdens van den inkoop. — volkomen onderrigt van uw hoog Ed:s regtmagtig misnoegen over de minste verwijdering onder sComp:s dienaaren voornament„ „lijk wanneer de daar aan verknogte hatelijkheeden bij den gebieden, op eene met de meritis van het voorgevallene over„ eenkomstige moderate behandeling komen worden gepadse„ nieert, soo hebben op het schriftelijke beklag van den negotie over„ dragen Metaijer over de door den gecommitteerde tot de saken - van de hoofd administratie begane digressie van acticul &: uit de instructive poincten te leesen bij Bandas besluit van den 7: feb: 171. van de minste omslag g'oordeeld alle bij de negotie papieren van 172/: begane en ter Bandase resoluties van den 11: xber 171 gtem 2: maart 1772. g'indigiteerde misslagen in de nieuwe boeken van 177½2. te doen redresseeren om alles op eene vreedsame wijse weder in den regten raak te brengen. Maar onder het Concipieeren van de tans afgaande gene„ „vale beschrijving, is bij nader overleesing van het generaal rendement benevens het verslag van den handel mij seer speculatie voor„ gekomen het aldaar gestelde advans van 38¼ percent op den verkoop van 579'500 lb rijst of schoon bevooren niet meer als 15: 11: en 8: ten hondert waren gewonnen mijne bekommernisse hier over heeft dan ook verEijscht, van die seldzame winst eene eevoudige oplossing te laaten doen door den gecommitteerde Carle bur in ver„ „re van deselve in sijn vertoog te hebben gevonden, heeft mij aan nemelijker toegescheenen het accessoire berigt van den negotie overdragen Hageman ten bewijse dat de geheele quantiteit van â 119 33. Van Banda Nijra Dden 19:' aug=s 172. — Van Banda Nijra Den 19. Aug=s 1712. — â 1342900. lb: heeft beloopen — winst percent verkoops inkoops ƒ19278:18: ƒ 21559:19:8: ƒ 2281:1:8:—: 11¾: oversulks in alle opsigten aisfordeerende van het geene de twe eerst ge„ „noemde bijlagen omtrent den verkoop van rijst beselsen, hoe wel dat de hier toe betreckelijk voldoenende onverture te beschouwen is, in het rapport van de pennisten Stetveld / en Bernard, hier op uitkomende, dat men de de verkogte 579500 lb rijst, als een gedeelte uit het restant van den laatsten aug:s 170 hadde behooren te rekenen na de toenmalige in„ hoog prij van ƒ54:7:8: het last, en niet na de eerste onder primo maart 174. ingevoerde prijs verlaging tot of ƒ 43: 1: 5: want door dese te min gerekende ƒ:1: 6: 4: op elken last het gecauseert is, dat de winst op die 579500. lb in stede van 9¼ ten Contrarie 38¾: en dus 29½ per, „cent te hoog gesteld is geworden.. „toe staat mij dierhalven t hoog Edele Heeren dese gansch onder„ „danige beede, dat de hoofdboeken van 177 / omtrent de visitatie den voorrang mogen hebben, ten Eijnde op sulke en andere nader te ont„ procureeren warene misslagen de vereijschte oplossing te konnen procieeen terwijl ik nog van na bij en in persoon het gebreekige kan na speuren, met bij voeging van al het geene mij sel„ „re komt te stellen buijten aansprake en buijten ver„ goeding Buiten in behalven het in de gemeene brief onder het Capittel van de domainen verhandeld re„ dres in de oneijgene toelegging van eenige kregelag„ „tige inwoonders tot benadeeling van den pagtere is mij ter kennis gebragt eene nieuwe inventie bij verkoop van goederen ter basaar en elders hier op uit komende dat luijden die het vermogen hebben 2: 4. en meerdere slaven tot sodanige verko„ pingen te gebruijken, egter den pagter maar voor een briefje quasi op de naam van den Eij„ genaars betaling willen peresteeren, daar nog„ tans na Mijne sustenue hier ter plaatse sonder onderscheijt van rijken of armen vansgelijken behoord admissie te hebben het ik geene
English
121 35 From Banda Neira, 19 August 1772. — From Banda Neira, 4 August 1772. — none at Batavia under article XXI of the lease conditions for the vegetable stalls and shops is stipulated, namely that the coolies or slaves carrying any goods along the streets or roads must each be provided with a note, the farmer's grievance also appeared well-founded enough to me to extend the payment, pending further decision from Your Right Honours, to all street carriers or sellers, just as at the Indian principal place. Lastly, Right Honourable Lords! my humble petition aims, in consideration of the care now incumbent upon a governor alone, even to the cashing of the interest monies that must be paid precisely every six months by all kinds of people on diverse mortgaged capitals /: in order to avoid similar new arrears as were found at the end of August 1761 and were subsequently liquidated by harsh means :/, to be permitted to obtain from Your Honours' highest benevolence such an allowance as was granted and set in regard to the funds of the orphan chambers for the administrator for his co-activity at half a percent per year of the funds on deposit, the more so because of the latter approximately 60,000 rd. were successively transferred to the Company, whereby I would now also be deprived of the previously enjoyed benefit of 300 rds. without however being discharged of the vigilance toward the proper and timely receipt of the interest monies, so that the 1/2 percent to be received on thus together amounting to annually would amount to rd. 40,100: —. – " 25000: — — 9950: — — " 43189: 10: — " 3550: —. — Rd. 121789: 10: — Rds. 609: —: — similar on or 123 37 From Banda Neira, 19 August 1772. —. From Banda Neira, 19 August 1772. The park-keepers and their families consist, as mentioned above, of the following: on Neira, 1165 heads; on Lonthoir, 832 heads; on Ai, 459 heads; on Wayer, 428 heads; on Ourien, 136 heads; together 3020 heads. The Company's servants with their families are counted in the census at: on Neira, 1317 heads; on Lonthoir, 54 heads; on Ai, 118 heads; on Wayer, 46 heads; on Ourien, 27 heads; on Rosengain, 1 head; together 1613 heads; so that the first two classes of the Bandanese inhabitants amount to 4633 heads. The general census sets for all without distinction 6266 heads. Consequently, there remains for those who belong to the third class and are not supplied from the Company's rice warehouse, but are referred to the private traders for purchase, a number of 1633 heads. Requiring in rice at 30 lb. each per month in the time of 7 full months: 342930 lb. Added to this, that which has been exported by foreigners and others since 1 January 1772, being: 131975 lb. Then the private rice traders have sold in 7 months the quantity of: 474905 lb. According to the estimation made, their sales have not been greater than: 168000 lb. Differing from the aforesaid calculation: 306905 lb. or 300 rds. above the former enjoyment. — I am with great veneration /: below was written :/ Right Honourable, Widely-Ruling Lord, Honourable, Valiant, Highly Esteemed Lords /: lower :/ Your Right Honours' faithful and submissive servant /: was signed :/ J: Pelters /: in the margin :/ Neira, 19 August 1772. — 125 39. From Banda Neira, 19 August 1772. — That this excess of 306905 lb. was not provided by known, but by unknown rice traders, appears from this: at the end of December 1771 the private remaining stocks were 23 lasts; brought in up to April 1772 with the burgher vessels: 50 lasts; and by the ship officers: 80 lasts; together lasts: 153; and reduced to pounds: 459000 lb. At the end of July the remaining stocks were 291000 lb. Consequently, as above, no more was sold than: 168000 lb. /: below was written / for verification / was signed :/ Will: Anth: Camerling. Spice lands on Neira Mortgage Last Purchase Gerhard: Theod: Wagenaar Rds. 3000 — Rds. 7500 — Gerrit Bouwer " 8500 " 17500 — Jan Rensingh " 11913: 36 " 11913: 36: Widow Wacker 7500 — 7500. — From Banda Neira, 19 August 1772. on Selam Carel Joh:s Harder 6800. — 8480 — Widow Bormeester " 13000: — " 17016: 32 Joh: Mart: v: d: Broeke 300 — " 12428: 18 Jan Ellebout 900: — 16800 — Jan Nicol: van Turker " 10000: — " 22800 — Floris Versteegh 500 — " 14580 — Nicolaas Gilbertz 500 — " 22000 36 Will: Lod: Boshoff " 8000. — " 9000: — Joh:s Veetman 7300: — Widow Bouwens 530: — Lonthoir Inner Coast Jan Fred:k Beneke 7200: — 11345: — Willem Polet " 12000: — " 11345: — " 20000: — " 11500. — " 11340: — 7400: — Carried forward Rixdollars 198789 24 Rixdollars 139603: 38
Dutch transcription
121 35 Van Banda Nijra Den 19:' Aug=s 1772. — Van Banda Sijra Den 4:' Aug:s 172. — geene op Batavia onder artl: XX1 uit de pagt Condities voor de groente kramen en winkels ge„ statueert word, namentlijk dat de coelus off sla„ „ven die eenige goederen langs de staarten of weegen dragen ijder met een brieffje moeten voorsien sijn, spagters doleance is mij dan ook gegrond genoeg voorgekomen om de beta„ ling tot nadere decisie van uw hoog Edelheedens even als ter Indiase hoofd plaatse tot elken ronddragers off verkoopen te Extendeeren. Laatstelijk Hoog Edele Heeren! strekt mijne humbele beede, omme uijt aanma„ king van de tans een gouverneur alleen incumbeerende zorge, tot de selfs in cas„ „seering der intrest gelden die op diver„ „se beleende Capitalen door aller hamde slag van menschen, alle ses maanden praecies moeten betaald worden /: ter ontwijkinge van dus te samen op Jaarlijks soude bedragen soort gelijke nieuwe vergteringe als onder ultimo aug=s 1761. bevonden en in tijds vervolg door harde middelen gelequi„ deert sijn geworden:/ van hoogst derselver goedertieventheijt te mogen erlangen sodanigen douceur als in het reguart der weeskamers gelden den gebieden voor sijne meede weeksaamheid toegelegt en gesteld sijn op een half percent in het Jaar van de gelden à deposito te meer uit de laatstgem: Cerca 6'0oord: successivelijk op de Comp: sijn overgeschreeven waar door ik nu meede soude verstooken sijn van het voor heen gegandeer de voordeeltje van 300 rd:s sonder egter ge„ de Chargeerste blijven van de oplettentijt ter regtige en tijdige ontvangsten van de intrest gelden invoegen het te betekene ½ percent op rd: 40'100: —. – „ 25000: — — 9950: — — „ 43189: 10: — „ 3550: —. — Rd„ 121789: 10: — Rd„s 609: —: — soortgelijke op ofte 123 37 Van Banda Nijra den 19 Aug:s 172. —. Van Banda Nijra Den 19. A ug:s 172. De Perkeniers en haare huis gesinnen bestaan ofte 300 rd:s boven het voormalige genot. — Ik ben met groote veniratie /:onderstond:/ hoog Edele wyjdgebiedende Heer Edele gestr: groot agtb: Heeren /:lager/ uw Hoog Edelheedens trouwschuldige in submisse dienaar /:was geteekend/ I: Pelters /:in margine:/ Ney„ „ra den 19:' aug:s 1772. — als voormelt in de volgende soo dat de twee eerste Classen der Ban„ „dase Ingezeetenen beloopen De generaale viel beschrijving steld voor alle zonder onderscheijt Bij gevolge resteert voor de sulke die onder de derde Classe thuijshoorten en uit 's Comp: rijt maguasijn niet gerieffd maar tot de particuliere koppen 1633: overgeweesen worden ter inkoop een getal van ... lb: 342930: Aan rijst a ijder 30 d 's maands benoodigende in den tijd van 7: volle maanden hier bij gevoegt het geen seedert P:o Jann: 1772. door de vreemdelingen - - - - „ 131975: en andere uitgevoerd is sijnde - - - - - - - Dan hebbende Particuliere rijst handelaars in 7: maanden verkogt de quantiteijt van - - - lb 474905 Volgens gedane vond veragting is haarlieder de biet niet grooter geweest als - - - - - - - . - „ 168000: Differeerende van voors. bereekening op Neijra K. 1165: „ Ponthoir „ 832. „ Aij 459 „ waijer „ 428 136 ourien „ 3020 „ „ Koppen 4633: „ 6266 S Comp:s dienaren met haere huis gesin„ nen worden bij de siel beschryving gerekent op Neyra k 1317: „ Lonthoir „ 54: „ Aij „ 118: „ waijer „ 46: 27: „ ourien „ „ Rosiagam„ 1: k=n 1613: 's Comp:s dat „ — „ - . - . lb 306905 - 125 39. Van Banda Neijra Den 19:' aug=s 172. — wede: Bouwens dat nu deese meerderheid van 306905 lb niet door bekende maar door onbekende rijst handelaars gefourneert is blijk hier uit ult:o xber 1771 zijn„ de particuliere Restanten groot geweest Last tot april 1772: met de burger vaartuigen aan„ en door de scheeps overheeden - - - - - - - „ 50: „gebragt - - - - - - - - - - - - „ te samen Lasten en gereduceert tot ponden 459000: ult:o Iulij zijn de restanten groot gewest 291000„ By gevolge als boven niet meer verkogt dan - - - . lb 168000 - /:onderstond / voor 't na sien /was getekend:/ specerij Will: anth: Camerling. Carel Joh:s Harder wed:e Bormeester Joh Mart: v: d: Broeke Jan Ellebout„ Ian Nicol: van Turker – – - „ 10000: — Floris versteegh Nicolaas Gilbertz Will: Lod: Boshoff Joh:s Veetman Transporteere Rijx d=s 198789 24 Rijge daeten 139603: 38 Lonthoir „ 17016: 32 „ 12428: 18 16800- „ 22800 — „ 14580 — „ 22000 36 „ „ Binnen Cust 7200: — „ 11345: — „ 12000: — „ 11345: — „ 20000: — „ 11500. — „ 11340: — 7400: — „ waesche Jan Fred:k Beneke Willem Polet 80: 153: Specerij Landen op Neira Beleening Laatsten Inkoop Ptds 3000 — Rdo 7500 — Gerhard: Theod: wagenaar „ 8500 „ 17500 — Gerrit Bouwer „ 11913: 36 „ 11913: 36: Jan Rensingh 7500 — 7500. — md:e wacker Van Banda Neijra Den 19 Aug=s 1772. op Celam 6800. — 8480 — „ 13000: — 300 — 900: — 500 — 500 — „ 8000. — „ . 1 23: „ „ „ „ „ 9000: 7300: — — „- „ „ 530:— „ .. . _o „