Inventory 3364
Japan · 931 pages · 397 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Maccasser the 10 June 1772 From Maccasser the 18 June 1772 Saturday the 19: having changed his facial expression, gave to understand that he did not believe it, which was likewise attested by the Pongauwa upon his inquiry made to that end; that the Tomilalang himself had dispatched someone to the Regent to inform himself more closely on the matter, and that the latter upon his return had not only confirmed the aforementioned report, but also added that the Mandharese envoys had repeated their promise in his presence before the Regent. That Voll, having served hereupon that this was sufficient, had departed. Upon the received news from Sergeant Carel August Routsen, who was supervising the shipping of rice at Segeri, finding that some Tanetterese and Boniers were unwilling to pay their due tithes, I commissioned Merchant Voll to discuss the former with the Queen present here, and furthermore sent the Chief Interpreter to the Regent of Bonij with the request to make the necessary arrangements and to that end send someone along with Assistant Interpreter Pietersz, whom I have likewise ordered to go thither, which that minister promised, so that the said Interpreter, together with an envoy from Bonij, departed thither. While I was also told that her aforementioned son was to be chosen successor to the realm. In the afternoon, the Queen of Tanette had me informed by her Captain Dani Masitie that the marriage between Her Highness's son Mangoesiela and the daughter of the King of Bonij was agreed upon yesterday evening and would be solemnized in March next. Sunday the 20: I sent Assistant Interpreter Blijma to the King of Bonij with the request to have His Highness's envoy Latoepoe, who had returned from Mandhaar and left for Maros two days after his return and before the account regarding the outcome of the mission was translated, come up in order to execute the same, for which repeated efforts made to the Tomilalang were fruitless; the report of the Interpreter upon his return dictated that His Highness had immediately ordered him to be summoned and that he would send him to me. Departed thither quietly, because she having proposed to the Tanetterese whom they most preferred of these three, namely Nappa, King of Soppeng, the son of her deceased brother and predecessor, or this Magoesela, they had collectively declared themselves for the last-mentioned. From Maccassere the 10 June 1772 From Maccasser the 10 June 1742 Monday the 21: This morning I sent the Captain of the Malays Abdul Cadier to the King of Bonij with a draft Bugis bond to be signed by the present Regents and other notables of the Maradias of Balanipa and Madjene or Bangaij, after His Highness should have approved the same. The same brought me report in the evening that His Highness, having accepted that document, had told him to come and collect it in the afternoon, and that this having happened, His Highness had stated that he did indeed approve the document, but had expected that one would demand more than 22000 Spanish Reals, and adding at the same time that the Mandarese had already departed the day before yesterday; upon which report the Captain having expressed his astonishment, and that this would appear no less unexpected to me, His Highness had acted as if this had occurred without his prior knowledge. Tuesday the 22: This morning I sent Merchant Voll to the King of Bonij to convey to His Highness my grievance that I had yesterday, with resentment, learned from the mouth of the Captain of the Malays that the Mandharese envoys had departed without me having been permitted to receive any prior communication thereof. That I left it to His Highness to consider what Their High Mightinesses would think of a treatment such as this, and whether They would not have to conclude from this that he is not inclined to procure satisfaction for the Company, although it had depended solely upon him. That the matter now standing thus, I would not express myself further on it, the more so as time was too short for me to speak directly with His Highness, since the late-season advices were to be sent to Batavia tomorrow or at the latest the day after tomorrow. That I therefore only requested to know what should now be done further in this matter and what I should write to Their High Mightinesses concerning it; And finally that I, knowing that it was still within His Highness's power to redress everything, requested this very amiably but earnestly. To all of which Merchant Voll brought me report that His Highness, having barely listened to a part of that presentation, had lashed out most vehemently that so much fuss was made about this, saying that the Mandharese had after all not been sent to the Company, but to Bonij, wishing thereby to indicate that he had not been obliged to communicate their departure; so that he had had much trouble to calm the prince and present the rest of the message to him, whereupon the latter, having become convinced of the validity and reasonableness of what was requested, even showed no small embarrassment, but finally answered him that one could write to Their High Mightinesses that the Mandharese had indeed departed, but that he did not doubt the satisfaction, even though they had not executed a bond, which documents, he added, were of no significance anyway if they were not
Dutch transcription
247: van Marcasser den 10 Iunnij 177 Van Maccasser Den 18: Iunij 177 Saturdag den 19: meen van gelaat verandert sijnde onder te kennen gave daar aan geen geloofte de fereeren 't geen ook door den Pongauwa op sijne ten dien eijnde gedaane vrage insgelijks betuigd was den Lomila„ langselfs an den rijksbesterder hadde afgevaardigt om sig daar op nader t informeeren en dat deesen bij sijn wederkomst niet alleen het voorsz: bericht geconfirmeerd maar en bij gevoegd hadde dat de afgesondenen Mandhaveesen hun toesegging in sijn bijwee„ sen voor den Rijksbestierder herhaald hadden Dat voll hier op gediend hebbende sulks voldoende te weesen vertrokken was Op d' ontvangen tijding van den sergeant Carel August Routsen sigter afscheep van rijst op sagerie bevinde dat eenige Sanettereesen en Boniers onwillig waaren tot voldoening hunmer verschuldigde Tienden hebbe ik den koopman voll gedeman„ deert de alhier aanweesende koninginne over d' eerst 't onderhouden en voorts den oppertoek na den Rijksbestieder van Bonij getonden met versoek de noodige ordre te stellen en ten dien eijnde iemand meede te geeven aan den ondertoek Pietersz: die ik tevens gelast hebbe derwaarts te gaan het geen dien ministers toegesagt hadde invoegen gem: Tolk nevens een Bonijs sendeling op Terwijl mij tevens wierd gesegd dat gem: haaren Soon tot successeur van 't rijk stond te worden verkooren snamiddags liet de koninginne van Tanette mij door haren capitei Dani Masitie bekend maaken dat het huwelijk tusschen haar hoogheijts soon Mangoesiela en de dogter van den koning van Bonij gisteren avond gesloten was en in Maart aanstaande voltrokken worden Derwaarts vertrokken zijn Hebbe ik den ondertolk Blijma den koning van Bonij ge„sondag „ 20: sonden met versoek om sijn hoogh:t van Mandhaar genever„ teerde sendeling Latoepoe die twee dagen na sijne terug komst en voor dat het Relaas nopens den uitslag der Commissie getranslateerd was na Maros vertrocken is te laten op komen ten eijnde het slve t passeren waar toe vrugtelos hietaalde instantien bij den tomilalang sijn gedaan het rapport van den Folk dicteerde bij de te rug komst dat sijn hoogh: aanstonds ordre gesteld hadde om hem te doen roepen en dat hij denselven bij mij senden souden Derwaars also 249 Van Maccassere den 10. Iunij 177 Van Maccasser Den 10:e Junij 1742 — den stil vertrokken also sijn aan de tanettereesen voorgesteld hebbende wie sij het liefft begeerden van deese drie namentlijk Nappa koning van soping de soon van haar overleeden Broeder en prede„ cesseur of deesen Magoesela deselve sig gesamentlijk voor den laastgem: hadde verklaard, Maandag den 21: Heden morgen hebbe is den capitain der Malijers Abdul cadier aan den koning van bonij gesonden met de mandareese afgeson, een concept Bouginees verband schrift om door d' aan weesende Rijksbestierders en verdere grooten van de Maradias van Bellanipa en Madjene of Bangaij geteekend te worden na dat sijn hoogheit het selve soude hebben goedgekeurd, Den selven bragt mij des avonds berigt dat sijn hoogheijt dat schriftuur aangenomen hebbende hem gesegt hadde om het des na de Middags te komen afhaalen en dat sulks geschied sijnde sijn hoogheijt betuijgd hadde het selve Dat ik op gisteren uit den mond van den capitain der Maleijers met weersin vernomen hadde dat de Mandhareese afgesonden vertrokken waren sonder dat ik van alvoorens Communicatie hadde mogen Eenige hebben, Heden morgen hebbe ik den koopman voll aan dingsdag den 22: den koning van bonij gesonden om sijn hoogheid dolonantie daar voor te kennen te geeven wel goed te keuren dogt verwagt te hebben dat men „meer dat 22000 Spaanse reaalen soude Eijtschen en tevens bij voegende dat de Mandareesen bereeds eergisteren vertrokken waren op welk bericht den capitain sijn verwondering betuijgd hebbende en dat mij sulks niet minder onverwagt soude voorkomen hadde sijn hoogheijd sig ophouden als of sulks buiten sijn voorkennisse was geschied wel E Dat 251: Van Maccasser Den 10:' Junij 1773 — Van Maccasser den 10:' Junij 172 — Dat ik aan sijn hoogheijt overliet te overwegen wat haar hoog Edelheeden van een behandeling als deese denken en of hoogst deselve daar uit niet souden moeten besluiten dat hij niet geneijgd is de comp: voldoe„ „ning te besorgen schoon het alleen aan hem gestaan hadde Dat de saak er thans toeleggende ik mij daar over niet verder soude uitlaaten te meer de tijd voor mij te kort was om met sijn hoogheid selfs nader te spreeken vermits de najaarige Advisen morgen of ten langsten overmogen na Batavia stonden gesonden te worden Dat ik dierhalen eenlijk versogt te weeten wat thans in deesen enader moeste worden gedaan in wat ik aan haar hoog Edelheedens derwegens soude schrijven; En eijndelijk dat ik weetende dat het als nog aansien hoogheid stind alles te redrseeren sulks seer vriendelijk dog eenstig versogt Op alle het welke den koopman voll mij tot Rapport bragt dat sijn hoogheijt naauwlijk een gedeelte van dien voordragt aangehoord hebbende op het hevigste was uitgevaaren dat men hier over soo veel beweging maakte seggende dat de mandhareesen immers niet aan de comp: maar aan bonij waaren afgesonden daar meede soo veel te kennen willende geven als of hij niet verpligt geweest waare van hun vertrek communicatie te doen invoegen hij veel moeijte gehad hadde den vorsten aan het bedaaven te brengen en hem de verdere boodschap voor te houden toen den selven van de gegrondheid en redelijkheid van het versogte overtuigd geworden selfs geen geringe verleegendheid laten blijken dog hem eijndelijk g'antwoord hadde dat omen aan haar hoog Edelheedens schrijven konde dat de Man„ dhareesen wel vertrokken waren dog dat hij aan de voldoening niet twijffelde of schoon sij ook geen verband schrift verleend hadden welke schriftuuren hij bijde dat dog niets bedinden wilden als z: niet op wierden
English
2583 From Maccasser the 11th of June 1772 — From Maccasser the 11th of June 1772 — Wednesday the 23rd: satisfaction would be complied with, as indeed examples thereof were to be found, but that he nonetheless, if I insisted upon it, was willing to provide an instrument certified with his seal and the signatures of the regent, the tomilalang, etc., confirming that the Mandhar delegates, having accepted to satisfy the demanded 22000 Spanish reals, which would be as valid as if they had executed it themselves; whereupon Voll, having taken his leave, had departed; This morning I sent the merchant Voll to the king of Bony with a draft act or proof regarding the accepted satisfaction by the regents and further grandees of the Maradias of Bellanipa and Madjene, who have been present here, of 22000 Spanish reals for the bark De Vrijheid, etc., which, having been approved by His Highness, was brought back to me stamped with his seal and the signatures of both the regent and the Tomilalang as well as other persons mentioned therein. In the afternoon the assistant interpreter Alij was sent to the king of Bony to inquire after his health. Thursday the 24th Nothing occurred. The zomo of Siang, Dain Maleongie, as appears from a letter from the Maros resident Van Rossum dated the 21st of this month, having died, and the deputy Seempa, together with the glarrangs of that district, having come hither to request that he, Seempa, might be appointed in the place of the deceased, I have accordingly appointed him thereto, he being, according to the testimony of the glarrangs, the closest kin and most capable, and, with a suitable recommendation both to him and to the aforementioned other chiefs to live in unity and peace with one another, granted them their leave. Friday the 25th Seempa zomo of Maros Saturday Nothing occurred. 295 From Maccasser the 11th of June 1772 — From Maccasser the 11th of June 1772 — there Marriage of a Tanete Saturday the 26th Sunday the 27th Nothing occurred. Monday the 28th Tuesday the 29th: In the forenoon the king of Goha, through his interpreter Borra, requested access for himself and a small retinue for the day after tomorrow, which I granted. Wednesday the 30th: The queen of Tanette sent to inquire after my health. Thursday the 31st: Early in the morning the assistant interpreter Pietersz returned with Bony's envoy from Sagerie with the report that the tithe previously refused by some Bonians had been duly paid, for which I had the regent thanked through the Company's envoy Dain Mandjarekie. Furthermore, there came after requested access to me the commissioners of the queen of Tanette, the In the forenoon the queen of Tanette sent Saturday the 2nd Nothing occurred. Sunday the 3rd: Friday the 1st of November: Hereafter, at half past nine, the king of Goah appeared, accompanied by the Caraeengs Paganakang, Bonto Lancas, and Bonto, the second shahbandar, and the glarrangs Mangatja, Jamba Batoe, and Patjinongang, who, after partaking of some refreshments, departed again at half past eleven, no conversation having occurred that merits any record. Captain Dain Masihi and Aroe Lipoekassie, to communicate that the marriage between Her Highness's grandson Imaoeraga, alias Dain Malioengang, and the daughter of Intje Sadoulla was to be solemnized in eight days' time, for which I had Her Highness thanked. visit of Goa's king communication of the marriage Captain. Monday the 4th: 297: From Maccasser the 11th of June 1772 — From Maccasser the 11th of June 1772 — Thursday the 7th: dispatched to inquire after my health, for which I sent thanks. In the afternoon there arrived here, alongside the vessel of the Malay Intje Loeding from Bima, two envoys of the king of Saleyer named Padoerina and Pakkali, who, besides a letter from the ensign and commissioner Lecerff, handed over three letters addressed to His High Nobility the governor-general and one to me. I had them told that after reading the latter I would speak with them further, and in the meantime gave orders to the chief interpreter to provide them with proper lodgings, etc. envoys of Saleyer Wednesday the 6th: I sent the assistant interpreter Alij to the queen of Tanette to inquire after her health. Nothing occurred. Wednesday the 13th. Thursday the 14th: Since, owing to my indisposition, I was unable to receive the envoys of the king of Saleyer, and being informed by the merchant Voll that they had no other orders than to deliver the letters brought with them, and if there should be no opportunity to arrange their transport to Batavia, to return as soon as possible and take back those for His Nobility the governor-general, I handed the prepared reply to the letter addressed to me by that monarch, together with the aforementioned letters of His Highness, to the shahbandar Voll in order to dispatch them, while communicating my continued indisposition, which was accordingly done. Friday the 15th Nothing occurred. The aforementioned envoys of the king of Saleyer having departed hence for home. Saturday the 16th: Sunday the 17th to Wednesday the 20th Nothing occurred. envoys of Saleyer
Dutch transcription
2583 Van Maccasser den 11: Junij 1772 — Van Maccasser den 11: Junij 1772— woensdag den 23: voldoening wierden nakomen gelijk daar van wel Exempelen te vinden waren dat hij nogthans als ik er opstond wel een bewijs wilde geeven met sijn zegel ende hand teekeningen van den rijksbestierder den tomilalang enz bekragtigt dat de mandhariesen afgesondenen aangenomen hebbende g'Eijschte 22000 — sp:s reaalen te voldoen het geen soo goed soude weesen als of sij het zelfs gepasseerd hadden, waar op voll sijn afscheijd genomen hebbende vertrokken was; Heden morgen hebbe ik den koopman voll bij den ko„ „ning van bonij gesonden met een concept acte of bewijs bewijs van d'aangenome wegens d' aangenomen voldoening door de alhier aange„ weest sijnde rijksbestierders en verdere grooten van de Maradias van Bellanipa en Madjene van 22000: — spe reaalen voor de Bark de vrijheidenz: 't geen door sijn hoogheijd goedgekeurt sijnde mij met desselfs zegul bestempel ende kandteekeningen soo van de Rijksbestierder als Tomilalang en verdere daar in vermelde persoonen te rug gebragt wierd, S' namiddags den ondertolk Alij aan den koning van Bonij ge„ sonden om na desselfs welstand te verneemen Donderdag „ 24 viel niets voor de zomo van siang dain Maleongie blijkens schrij, vrijdag, es ven den Maros resident van Rossum de dato 21: deeser overleeden en den stede houder Seempa nevens seempa zomo van den glarvangs van dat district herwaarts gekomen sijnde om te versoeken dat hij Seempa in des overleedens plaats mogte werden aangesteld so hebbe ik den selven als volgens getuijgenis der glarrangs de naaste en bequaamste sijnde daar toe benoemt en onder een gepaste recommandatie so aan denselven als meerm: verdere hoofden om in een dragt en vreede met den anderen te leeven deselve haar afscheid gegeeven. viel Zaturdag Maros 295 van Maccasser den 11. Junij 1772— Van Maccasser den 11:' Junij 1742— daar huwelijk van een Tanets Zaturdag den 26 zondag „ 27 ' Niets gepasseerd, Maandag „ 28 Dingsdag „ 29: 's voormiddags liet den koning van Goha door sijn Tolk Borra voor hem en een kleen gevolg acces vragen tegen overmorgen 't geen geaccordeert hebbe woensdag „ 30:e Liet de koninginne van Sanette na mijne welstand verneemen, Donderdag „ 31: 's morgens vroeg reverteerde den ondertolk Pietersz met Bonijs sendeling van Sagerie met rapport dat de door gewaiged thendevol enige boniens bevoorens geweigerde thiende behoorlijk was voldaan waar voor ik de rijksbestierde door S Comp: sendeling Dain Mandjarekie hebbe doen bedan„ ken voorts kewamen ma versogte alles bij omij de ge„ committeerdens van de koninginne van Tanette den voordemiddags Liet de koninginne van Tanette zaturdag „ 2 niets voorgevallen Sondag „ 3: vrijdag den 1: Nov:r Hier na verscheen ten half tien uuren de koning van goah verseld van de Caraeengs Paganakang Honto Lancas en Bonto de tweede Sjabandhaar en de visite van goaskoning glarrangs Mangatja, Jamba Batoe en Patjinon„ „gang die na het nuttigen van eenige refreche„ „menten ten half twaalf uuren weder vertrocken geen discours voorgevallen sijnde dat eenige aanteekening verdient capitain Dan Masihi en Aroe lipoekassie ter commu„ nicatie dat het huwelijk tusschen haar hoogheits kleen communicatie van het zoon Imaoeraga alias Dam Malioengang ende dog„ „ter van Intje Sadoulla over agt dagen stond te worden vol„ trocken waar voor ik haar hoogheijt hebbe laten bedanken priem Capitein. onaar Mandag „ 4: 297: Van Maccasser den 11:' Iunij 1772 — Van Maccasser den 11:' Junij 172 — „ Donderdag „ 7: vang gedepecheert naar mijne welstand verneemen waar voor ik liet bedanken snamiddags arriveerden alhier nevens het vaartuijg sendelingen van Salempa, van den Malijer Intje Loeding van Bina Twee sende„ lingen van den koning van Salempavang in naame Padoerina en Pakkali die wij buijten een brief van den vendrig en commissiant Lecerff overhandigde drie brieven aan sijn hoog Edelheijt den heere gouverneur ge„ „neraal en een aan mij gerigt ik deed aan deselve segge„ dat ik na genomen lectuure van de laaste haar nader soude spreeken en gaf ondertusschen aan den oppertolk ordre om hen behoorlijk logies enz: te besorgen, woensdag den 6: heb ik den ondertolk blij aan de koninginne van Tanette gesonden om na haar welstand te vernemen, niets gepasseert woensdag „ 13. Donderdag „ 14: Mits mijne indispositie buijten staat sijnde de sen„ vrijdag den 15 Niets gepasseert zijnde voorengenoemde zendelingen van den ko Zaturdag „ 16: „ring van Salemparang van hier na huis vertrocken Sondag „ 17 tot viel niets voor delingen van den koning van Salemparang te kunnen afwagten en mij door den koopman voll berigt sijnde dat bij geen andere sondelingen van Salompa„ ordre hadden dan om de door hun mede gebragte brieven over te geeven en so er geen occasie mogte sijn hun transport na Batavia te besorgen ten spoedigsten te rug te keeren en die voor sijn Edelheijt den heere gouverneur generaal weeder meede te brengen soo hebbe ik het ingereedheijt ge„ „bragte antwoord op de briev door dien vorst aan mij gerigte nevens voorengem: brieven van sijn hoogheijt aan den sabandhaar voll ter hand gesteld ten eijnde haar onder Communicatie van mijne aanhoudende indispositie te depecheeren invoegen ook geschied is delingen Bij woensdag „ 20 rang
English
From Makassar, 11 June 1772 Thursday, the 21st: During the presence of the King of Bonij in the interior, some unrest having arisen among the Tourattarese, who had divided themselves into two factions, of which the one that took the side of the legitimate chief Crain Binamoe, although supported by the late deceased young king Aroe Mampoe, had to succumb to the other under Crain Balandangang, who was assisted by the Pongauwa with men and weapons, so that the said Crain Binamoe had fled to the mountains; I was informed today by the under-interpreter Blij that Crain Binamoe, joined by the Tourattarese prince Craeeng Bonts, attacked the usurper with weapons, put him to flight, and thus made himself master of the lordship again. But that the Pongauwa, upon this news, immediately sent thither a vessel with armed men, having his captain Labidoella at their head, and, in the firm hope that they would be the victors, had even provided them with leg irons to lock in chains the prisoners they might capture; all of this nevertheless done quietly and under the pretext that they were only sent out to settle the matters amicably. Friday, the 22nd: Nothing occurred. Saturday, the 23rd: In continuation of what was noted down the day before yesterday, I received a report today that the troops sent by the Pongauwa to Touratta were completely defeated by the Tourattarese, all the weapons captured, and some of them taken prisoner; and that the Pongauwa's captain Labidoella, along with the further Crain Balandangang, was wounded, and the first-named's brother was killed in that action. I granted the present Bonto Rango and the other Saleyerese regents access for tomorrow to come and take their leave. Monday, the 25th: The Bonto Rango and the other present regents of Saleyer having appeared before me this afternoon, I, at the request of the said Bonto Rango and the glarrangs of Barrang Barrang, in place of the deceased regent of that district, again appointed to that position his brother Tattara, alias Daeng Matacko, as being the nearest kin and most capable for it; for which he, as well as the other regents, expressed their thanks and subsequently took their leave in order to return home alongside the resident by next Thursday. Tuesday, the 26th: Nothing occurred. Wednesday, the 27th: The King of Bonij sent his interpreter Moentoe to inquire after my health. Thursday, the 28th: Nothing happened. Friday, the 29th: I sent the under-interpreter Blij both to the King and to the Prime Minister of Bonij to inquire after their health, and again to request the latter to settle the state debts as soon as possible, conformable to his promise and word, regarding which he again pleaded his inability, but stated that he would do everything possible to give me satisfaction. Saturday, the 30th: Upon the communication made to me by the Shahbandar Toll that the Queen of Tanette intended to return to her country, but still wished to pay me a visit, I sent the under-interpreter Blij to Her Highness today to invite her for the day after tomorrow. Furthermore, the under-interpreter Pietersz went on my behalf to the King of Goa to inquire after His Highness's health. Sunday, the 1st of December: Nothing occurred. Monday, the 2nd: The Queen of Tanette, pursuant to the invitation of the day before yesterday, having appeared at my residence this morning with her usual retinue, made known to me her intention to return within a few days to her aforementioned realm; and likewise that she had agreed with the King of Bonij to choose as her successor her son Magoesila, who is soon to marry His Highness's daughter named Seene Datu ri Tjitta; which also having been communicated to me by two nobles from her retinue on behalf of His Highness, I thanked them for it. Furthermore, the Queen said that the King had left it to her whether, after the celebration of the marriage, to take the young couple with her to Tanette or to let them remain with His Highness, at the same time asking my advice in this regard; to which I answered her that although this, as well as his election as her successor, was outside the Company's concern and thus a private matter, it was all the same to me, but that, to give her my sentiment, I judged it best that she take the young couple with her to Tanette. Having spoken further for a while about indifferent matters, she asked to take her leave and departed, after I had wished her a prosperous journey. Tuesday, the 3rd: In the morning, the King of Goah, through his interpreter Borra, requested access to me for the day after tomorrow for some of his nobles, adding that he had intended to come along himself, but could not go out due to a cold and an affliction of the eyes. Wednesday, the 4th: The King of Bonij, through his emissary Moentoe, informed me that the Queen of Tanette had recently given him assurance that her son Magoesila, who is to marry His Highness's daughter, would be her successor in the event of her prior death, and that she had likewise promised to give us notice thereof; for which reason His Highness requested to know whether this had already happened, and if so, that I might have knowledge thereof and keep a record of it.
Dutch transcription
859 van Maccasser den 11: Juni 1772 — Van Maccasser Den 11 Junij 1743 Donderdag den 21: Bij het aanweesen van den koning van Bonij inde binnen Lan„ den eenige onlusten onder de Toerattareesen ontstaan zijnde onliusten op souratta die zig in twee parthijen verdeeld hadden waar van deene welke de tijde van het wettig hoofd Cram Binamoe hield schoon gesonteneert door wijlen den overleeden Iong koning Arce Mampoe hadde moeten succumbeeren voor de andere onder Crain Balandangang die door den Pon„ gauwa met volk en wapenen was g'assisteerd sodanig dat den gem: Crain Binamoe de vlugt hadde geno„ omen na het gebergte wierd mij op heden door den on„ dertolk Blij bekend gemaakt dat Caai Binamoe geconjungeert van den Toerattavees poins craeeng Bonts den usurpateur met de wapenen aangetrest op de vlugt gedreeven en sig dus weder van de keerschappij meester gemaakt hadde dog dat den Pongauwa op deese tijding ten eersten een vaartuig met gepapend volk sijnen Capitein Labidoella aan het hoofd hebbende derwaarts gesonden en aan deselve de vaste hoop dat z: overwinnaars soude sijn selfs Boeij bouten hebbe ik de aanweesende bonto rango en verdere saleij„ ereese regenten tegens morgen acces verleend om afscheijd te komen neemen; De bonto Bango en verdere aanweesende regenten van Saleijer Maandag „ 25: heden nademiddag bij mij verscheen sijnde hebbe ik op het viel niets voor vrijdag den 22: Ten vervolge van het aangeteekende op eergisteren ontving Saturdag „ 23: ik heden berigt dat de manschap door de Pongauwa na Touratta gesonden door de Tourattareesen tot aliter ver Pongauwas volk gesla„ „slagen alle de wapenen prijs en eenige van deselve gevangen gemaakt en dat des Pongauwas Capitein Labidoella nevens den verderen Crain Balandangang gequest mitsgaders des eerstgem: broeder in die actie gesneuveld was, gen meede gegeven hadde om de gevangenen die sij krijgen mog„ ten in de ketenen te sluijten alles nogthans in stille en on„ „der voorwendsel dat z alleen uitgesonden wierden om de saaken in der minne bij te leggen; rmde versoek 261: Van Maccasser Den 11:' Iunij 1772 — Van Maccassr Den 11:' Junij 172— een regent op saleijer aangestelt de rijks schuld rewscheene sijndte hebbe ik versoek van gem: Bonto Bango en de glarrangs van barrang barrang in steede van den overleede„ regent van dat district weeder daar toe verkooren desselfs broeder tattara alias Danig Matacko als de naaste en bequaamste daar toe sijnde waar voor den selven soo wel als d' overige regenten hun dank betuigden en vervolgens afscheijd namen om tegens aanstaande Donderdag nevens den resident na huis te keeren, Dingsdag den 26. viel niets voor woensdag „ 27: Liet de koning van bonij door sijn tolk Moentoe na mijne welstand vragen, Donderdag „ 28: niets gepasseert vrijdag „ 29 hebbe ik den ondertolk blij gesonden soo aan den ko„ „ning als den rijksbestierder van bonij om na denselver welstand te verneemen en den Laatstgem: alweder te Aoijamaning om versoeken om de Rijksschulden Conform sijne tesegging en belofte ten spoedigsten te voldoen waar omtrend viel niets voor sondag den 1: Dec:r de koningine van Tanette ingevolge invitatie van eer Maandag „ 2: gisteren heeden voordemiddags met haare gewoon gevolg ter mijner wooninge verscheen maakte omij bekend haar visite voornemens te weesen binnen wijnig dagen na haar Op de mij gedaane communicatie door den Saban, Zaturdag den 30: dhaar voll dat de koninginne van Tanette voorneemens was na haar Land te rug te keeren dog nog gaarne een alles de konigittan Sanelle visite bij mij wilde afleggen hebbe ik heeden den ondertolk Blij bij haar hoogheijt gesonden om haar tegens overmor„ „gen t inviteeren, voorts is den ondertolk Pietersz uijt mijn naam bij den koning van goa geweest om na sijn hoogheijts welstand te infrr„ meeren denselven alweder op nieuw sijn onvermogen deed betuijgen dog dat hij alles wat mogelijk was soude aanwenden om mij genoegen te geeven, den voorm 263 Van Maccasser Den 11: Junij 1742 — Van Maccasser Den 1:' Junij 172— kening van de Ta„ mitteerdens, voorm: rijk te rug te keeren en so meede dat sij met den koning van bonij over een gekomen was om haar zoon Magoesila die eerlange met sijn hoogheijts dogter Seene haar zoon is succsur op datoea Ri Tjitta genaamd staat te trouwen tot haa„ ren successeur te verkiesen 't geen mij ook door twee grooten uit haar gevolg uit naam van sijn hoogheijt gecommuniceerd sijnde so hebbe ik d' eenen ander daar voor bedankt, wijders beijde de koningin dat de koning aan haar gelaaten hadde om ona de voltrekking van het huuelijk aanmerking daar over het Jonge paar meede ona Tanette te neemen of bij sijn hoogheijt te laaten verblijven daar omtrend teffens omijn raad vragende waar op ik haar antwoorde dat schoon dit so wel als desself verkiesing tot haaren successeur buijten sComp: bemoeijenisse en dus oparticulier was het mij wel om 't eeven waare dog dat ik om haar mijn sentiment te seggen oordeelde best te weesen dat sij het jonge paar meede ona Tanette nam liet den koning van bonij mij door sijn sendeling Moentoe woonsdag den 4: bekend maaken dat de koninginne van Tanette hem on„ langs verseekering hadde gedaan dat haar soon Ma„ bonij versoekt aante goesila die met sijn hoogheijts dogter staat te huwen mette succeseur bij haar voor overlijden haar successeur soude zijn en dat sij teffens belooft hadde wij daar van insgelijx kon„ „risse te sullen geeven alwaaromme sijn hoogheijt versogt te weeten of sulks reets geschied waare en so da. dat ik daar van kennisse dragen en aanteekening 's voordemiddags liet de koning van goah door desselfs solk Dingsdag den 3: borra tegen overmorgen acces bij mij versoeken voor eenige aves aangoah gecom„ zijner grooten niet bijvoeging dat voorneemens geweest waa„ re selfs meede te komen dog door verkouwdheijd en onge„ „maak aan d'oogen niet konde uitgaan, verder over onverschillige saaken nog een poos tijd gesproken hebbende versogt bij haar afscheijd en vertrok en dat ik haar een spoedige rheijse hadde gewenscht dat houden
English
From Makassar the 11th of June 1742. From Makassar the 11th of June 1742. Tanette's Queen remains. Committees for the Suratta disputes. wished to keep, as His Highness was fearful that upon the death of the Princess disagreements would arise between her aforementioned son and his other brothers, all the more because the Ponglipoe 8 of Soping Mappa would also compete for it, who already had a part of the subjects on his side, although most and the most prominent were devoted to Magoesela. I gave the interpreter as answer that the communication had been made to me as well by the Queen as by two from her retinue on behalf of His Highness, that I had declared myself to her upon it, and that I would indeed keep note of the one and the other to such an extent, but that it otherwise was beyond the interference of the Company and a private matter, in which manner I had His Highness thanked for the notification. In the afternoon I received report that the Queen of Tanette was resolved to stay here until after the Pursuant to access granted the day before yesterday, there appeared today before noon at my residence, on behalf of the King of Gowa, Crain Boeloe Boeloe, Craen Mangesoe, the second Shahbandar, and the Gallarrangs Patjinongang and Bonto Manaij, communicating with greetings from their master that Pocassa, or the Mohammedan fast, would begin next Sunday, with the request that, if possible, the custom might be postponed until after the end of the same to entertain His Highness or the court regarding matters concerning the same which in the meantime might Thursday the 5th. Arrival of Gowa envoys. To be dispensed until after the fast. celebration of her son's marriage with the daughter of the King of Boni; that that Prince, whom they had thus far managed to keep ignorant of what had passed in Surattea, just as he even now only knew a part thereof, had requested and commissioned Her Highness, according to mutual custom, to help resolve the disputes having arisen there, which, however, she had not positively wished to take upon herself, occur here concerning kings. From Makassar the 11th of June 1742. From Makassar the 11th of June 1742. Boni's thanksgiving without cause. According to the inclination of that nation. I had the envoys answered that I had His Highness thanked for the maintenance of the custom in this matter and would also observe the same on my part. Furthermore, there appeared before me the interpreter of the King of Boni, Moentoe, with a message that His Highness had me thanked for the promise made yesterday to keep note of the election of Magoesela as successor to the Tanette Kingdom upon the demise of the present Queen. Friday the 6th. A certain vessel of the Captain of the Malays, Abdul Cadier, having been sent with a confidant to Mandhar in order to discover as secretly as possible the disposition of this nation regarding the demanded satisfaction for the beacon of freedom, and having returned today, that emissary reported: Mandhar report. That the Papoeangers of the Maradias of Balanipa and Majene or Bangai who had been here were said to have been deposed from their offices, and that they had consented to the demand of the Company and promised satisfaction. Upon the report received the day before yesterday that the Queen of Tanette is to remain here and has been requested by the King of Boni to help settle the disputes in Surattea, I ordered the Captain of the Malays to represent to her in my name Urging with Tanette. that, nevertheless, a collection had been made once again, as they said, to send a present to the King of Boni in order to dispose the same to appease the Company. That furthermore everything was being prepared to offer resistance in case they might be attacked, and the people were trained in the handling of weapons. That on both sides of the harbor of Balanipa heavy artillery was being placed on the mountains, which could prevent the entry of vessels. From Makassar the 11th of June 1742. From Makassar the 11th of June 1742. a slave that she could not fail in this matter, but that I deemed it necessary that full disclosure should be given to the King of its true situation, which they, for the sake of the Ponggawa, do not seem to dare or wish to reveal to His Highness. Saturday the 7th. Today before noon, after access was granted shortly beforehand, there appeared before me the second Shahbandar of the King of Gowa and Crain Palloeng on behalf of the Queen of Tallo. Gowa's complaints about a slave. The former complained in his master's name that the Gallarrang of Moncongkomba, belonging under Polombangkeng, about two months ago with some armed men had taken a boy from one of the King's negorijs, and notwithstanding having been addressed on this matter several times, continued as well to refuse to hand him over as to submit to the verdict of the assembly to the King of Gowa and of Sanrabone. Tallo's emissary brought in: 1st. That by the Gallarrang Zesang, belonging under the district of Siang, eight subjects of his mistress, who had deserted thither from her adjacent negorij Lange Lange, were being detained, who had refused the return of the same. Tallo about subjects and a paddy field. 2nd. That a certain paddy field on Siang, which of old was granted for cultivation to the previous kings of Tallo, had been taken away from her about four years ago by the Lomo and given to a certain Carree Bilang. Both requesting satisfaction and redress in these matters. I replied thereto that I would investigate the matters and let the King and Queen have an answer, remarking, however, that it would have been better to claim the questionable paddy field immediately after it might have been taken away, rather than after a lapse of four years, which would make the decision difficult. Towards noon, the Under-Interpreter Blij reported to me having
Dutch transcription
265 Van Maccasser den 11:' Junij 1742 — Van Maccasser Den 11:' Iunij 173 — Janets koningin blijft committeerden der souratse geschillen houden wilde also sijn hoogheijt ledugt was dat bij over„ lijden van de vorstin oneenigheeden tusschen gem: haar soon en sijn andere broeders soude ontstaan te meer den Ponli„ poe 8 van soping Mappa daar na meede soude dingen die ook reeds een gedeelte van d'onderdaanen op sijn hand hadde schoon de meeste en voornaamste Magoesela waaren toegedaan Ik gaf den tolk tot antwoord dat mij de communi„ catie so wel door de koninginne als door twee uijt haar gevolg van sijn hoogheits wege gedaan was dat ik mij aan haar daar op verklaard hadde en dat ik in so verre van het een en ander wel aanteekening wilde houden dog dat het andersints buijten bemoeijenisse van de Comp: en een particuliere saak was hoedanig ik sijn hoogheit voor de bekendmaking bedanken liet. Nartemiddag ontvink ik berigt dat de koninginne van Pa„ nette geresolveerd was hier te blijven tot na de Ingevolge op eergisteren verleend acces sijn heden voor„ Donderdagden 5: demiddag van wegen den koning van goa aan mijne wooning verscheenen crain Boeloe Boeloe Craen Man„ komst van goasch ge gesoe de tweede sabandhaar en de glarrangs Patjinon„ gang en Bonto Manaij onder groete van hun meester communiceerende dat Pocassa of Mahomethaanse vasten aanstaande sondag soude ingaan met versoek dat na de basten bedeeld het gebruik tot na het eijndigen van deselve des mogelijk mog„ te worden uitgesteld sijn hoogheit of het hof te onderhouden over saaken het selve concerneerende die intusschen mogte voltrecking van haar soons huwelijk met de dogter van den koning van bonij dat dien vorst die men tot dus verre hadde weeten onkundig te houden van het gepasseerde in sourattea gelijk hij als nog daar van maar een ge„ deelte wist haar hoogheijt volgens het onderlinge gebruijkt versogt en opgedragen, hadde de geschillen aldaar aangetogt tot beslesting te helpen uit den weg ruimen het geen bij egter met po„ sitief op sig hadde willen neemen, voltrecking komen hier 267 van Maccasser Den 11: Junij 1772 — Van Maccasser den 1:' Junij 172 Bonijs dank segging sonder reden „gens de geneigheid dier natie koningen omtrend sou komen voor te vallen. Ik deed de afgesondenen antwoorden dat ik sijn hoogheit voor de onderhouding van de gewoonte in deesen liet bedanken en deselve ook van mijn kant soude nakomen voorts verscheenen bij mij den tolk van den koning van Bonij Moentoe met een boodschap dat sijn hoogheijt mij liet bedanken voor de opgisteren gedane toesegging om van de verkiesing van Magoesela tot successeur van het Ta„ „netse Rijk bij overlijden van de teegenwoordige koninginne aanteekening te sullen houden, vrijdag den 6: zeker vaartuijg van den capitain der Maleijers Abdul cadier met een vertrouwde na Mandhaar gesonden Mandhaar berigt we, om so geheimn mogelijk de gesindheijt deser natie t ondecken omtrend de gevorderde voldoening voor de baak de vrijheijd heden gereverteerd sijnde berigte dien sendeling Dat de Papoeangers van de Maradias van Bellanipa en Madjene of Bangaij die hier geweest sijn ontset souden Op het eergitteren ontvangen berigt dat de koninginne van Tanette hier staat te blijven en door de koning van bonij ver„ sogt is de geschillen in sourattea te helpen bijleggen hebbe aandrang bij Tanets ik den capitain der Maleijers gelast haar uit mijn naar atla„ Dat er egter andermaal een collecte was gedaan bo men zeijde om een geschenk te senden aan den koning van Bonij ten eijnde den selven te disponeeren om de comp: te bevreedigen Dat wijders alles in gereedheijd gebragt wierd om tegen„ weer te bieden bij aldien bij geattacqueert mogten en 't volk in den wapenhandel g'oeffend. Dat aan weder bijde van de haven van Bellanipa op het gebergte swaar geschut geplant wierd die het inko„ „men van vaartuigen konden tegengaan, weesen van haare ampten en dat z in den eijsch van de comp: ge„ consenteert en de voldoening toegesegt hadden weesen voor 269 Van Maccasser den 11: Junij 1712. — Van Maccasser den 11:' Junij 172. — een slaaf voor te houden dat z„ tie saak niet ontbreeken konde dog dat ik nodig oordeelde dat bij den koning van dies waare toestand die men sijn hoogheijt om de wille van den Pongauwa niet schaen te derven of te willen ontdecken, volledig opening kwaam te geeven zaturdag den 7: heden voordemiddag verscheen na kort voor af acces bij mij de tweede sabandhar van den koning van goah en crain Palloeng van wegen de koninginne van Tello goatse klagten over Den eersten klaagde uijt sijn meester naam dat den glaa„ „vang van Montjong komba gehoorende onder Poelembankeeng voor ontrend twee maanden geleden met eenig gewapend volk een Iongen uit een van skonings negorijen gehaald hadde en niet tegenstaande daar over meermaal aangesprooken was so wel bleef weijgeren denselven over te geeven als dig t onderwerpen aan d'uitspraak der vergadering aan den koning van goak en van Sandra bonij Tellos zendeling bragt in selde over onderdanen Dat door den glarvang Zesang gehoorende onder het district Iegen den Middag rapporteerde mij den ondertolk Blij te versoekende de een en ander om voldoening en redres in deesen ik diende daar op dat ik de saaken ondersoeken en de koning en koningen bescheijd soude laaten geeven onder aanmerking nogthans dat het beter waare geweest het questieuse padij veld aanstonds na dat het afgenomen mogte weesen te vorderen dan na een verloop van vier Iaaren 't geen de bekissing moeijelijk soude maaken, 2: dat seeker Padij veld op siang het geen de voorige koningen en een padij veld van Tello van ouds ter bewouwing was vergund haar voor omtrend vier Jaaren door de lomo afgenomen en aan eenen carree Bilang gegeeven was, van siang agt onderhoorige van sijn meesteresse die uit haare daar naast leggende negorij Lange Lange derwaarts over„ „geloopen waaren aangehouden wierden die derselver te rug gave geweijgerd hadde, van hebben - -
English
From Makassar the 1st of June 1732 Having heard that the King of Boni had suffered an attack of colic yesterday evening. Craeng Bontohain departed. In the afternoon I dispatched with a short letter to the Resident Moll. Craeng Bontohain and his people arrived here the day before yesterday with the customary gift from Assi Lolo. Sunday the 8th to Tuesday the 10th: Nothing occurred, except that I constantly inquired after the health of the King of Boni. Wednesday the 11th: Merchant Voll informed me that the Ponggawa had sent someone to him to give notice how the Ponggawa had been informed that the Mandarese were soon to dispatch envoys hither with five thousand Spanish rixdollars in reduction or settlement of what was demanded by the Company for the bark De Vrijheid; that, this message having seemed suspicious to Voll, he had answered the envoy nothing other than that he hoped they would be able to see this, but having simultaneously found an opportunity to converse with a certain pawn of the said Ponggawa about this matter, the latter had openly told him that the Ponggawa in this regard looked solely to his own interest, and that the Mandarese would otherwise readily come to terms; on which account Voll had ordered him to say to the Ponggawa in his name that it would tend much more to his honor, renown, and advantage if he could ensure that the Mandarese settled the matter, even if it were only in part for now, because he would thereby gain the trust and friendship of the Governor, who would undoubtedly show his appreciation for it in addition. The Captain of the Malays reported to me that the Queen of Tanete, having been summoned the evening before yesterday to the King of Boni, the prince had made known to her his concern over the pending unrest in Tourattea and had thus requested her to help settle the same; that she had thereupon served the King by saying that she had been told by Craeng Bancallang that the Touratteans would easily reconcile with one another if only the Bonians departed from there; that His Highness had been astonished at this and had declared that he did not know that any Bonians were there, whereupon she had given the prince full knowledge of the state of affairs, and that armed men had anew been sent thither by the Ponggawa to Craeng Balandangang and his people, as well as by his brothers Aroe Ponre and Datoe Baringang to assist Craeng Binamoe; that His Highness, upon this report, immediately, although it was virtually midnight, summoned the Tomilalang to him, and having inquired after the truth, the latter had admitted it, but on the further question of why no notice of this had been given to His Highness and why the sending of men had not been prevented, had merely excused himself by pretending that they were only waiting for the orders of His Highness; who subsequently had declared to the Queen that he experienced that the Dutch were not wrong, referring to the complaints that had repeatedly been made about the conduct of his children, and adding at the same time: for if these children behave thus against one another during my lifetime, what will there be to expect when I shall have passed away? Toward the evening I received a letter written by the King of Soppeng to the Captain of the Malays, Abdul Cadier. Friday the 13th: I sent the under-interpreter Pietersz to the King of Boni to inquire after his health, who brought me word that His Highness was on the mend. Saturday the 14th: The King of Gowa had his interpreter Borra inquire after my well-being. Sunday the 15th: Nothing occurred. Monday the 16th: I sent under-interpreter Pietersz to inquire after the health of the King of Boni and the Queen of Tanete; the former being somewhat better again and the latter being well, they sent me their friendly thanks for the inquiry. Tuesday the 17th and Wednesday the 18th: Nothing occurred. Thursday the 19th: Sent the under-interpreter Pietersz to the King of Boni to inquire after His Highness's health and at the same time to deliver some trifles for which that prince had requested me. Upon the report received today from the Fiscal that a certain Aroe Palingorang, according to the statement of his substitute, had stayed in the settlement the night before yesterday with a certain so-called Saartje, being a native Christian woman, who nevertheless had denied this without there being any evidence, I ordered the interpreters to keep a watchful eye on this for the future and to give notice of it immediately in case Palingorang should dare to stay in the settlement by night again. Friday the 20th: The King of Gowa had his interpreter Borra inquire after my well-being and at the same time request some trifles, which I promised him. Saturday the 21st: Nothing occurred. Sunday the 22nd: An envoy from Boelecomba arrived overland with a letter from the Resident. Monday the 23rd: Nothing occurred. Tuesday the 24th: Nothing occurred. Wednesday the 25th: The envoy from Boelecomba who appeared here the day before yesterday was dispatched back thither with a letter to Resident Moll and to Sergeant Steijnbag, who, returning from his commission for the extirpation of spice trees to Bouton, was obliged to call there.
Dutch transcription
271 Van Maccasser Den 1e. Junij 172— van Maccasser Den 1. Junij 1732 Bronijsvorst es stik hebben gehoord dat den koning van bonij gisteren avond een over„ val hadde gekreegen van t Colijk craim bonthain vertrocken s' namiddags hebbe ik met een briefje aan den resident. Mol gedepecheert crain Bontham en de sijne eergisteren alhier g'arriveerd met het gewoone geschenk van Asi Lolo zondag den 8: tot niets gepasseerd dan dat ik telkens hebbe laaten verneemen Dingsdag „ 10:) na de gesondheijd van den koning van Bonij 11: wierd mij door den koopman voll getegt dat de Pongau„ woendag „ Pongauwas Roodschap wa iemand bij hem gesonden hadde om kennisse te geeven over de mandakeesen hoe hem Pongauwa berigt was dat de Mandhareesen eerlang sendelingen herwaards stonden af te vaardigen met vijf duijsend rijxdaalders spaans inmindering of vol„ doening van het door de Comp: g'eijschte voor de bark de vrijheijd dat hem voll deese boodschap bendenkelijk voorgekoomen sijnde hij dien sendeling niets anders g'antwoord hadde dan dat hij hoopte sulks te sullen Berigte mij de capitain Maleijer dat de koninginne van Tanette Eergisteren avond ontboden sijnde bij den Iegen den avond ontring ik een brief door den koning van Soping aan den capitain der Maleijers Abdul Cadier geschreeven mogen sien dog teffens gelegentheijd gevonden hebbende seeker verpandeling van gem: Pongauwa over deese saak 't onderhouden deese hem opentlijk gesegt hadde dat denselven hier omtrend eeniglijk sijn eijgen interest v'oogde dat de Mandhareesen anders wel soude bij komen weshalven voll hem gelast hadde uit sijn naam aan den Pongauwa te seggen dat het hem tot veel meer eere roem en voordeel soude strec„ „ken wanneer hij konde besorgen dat de Mandhareesen al waare het voor eerst maar een gedeelte voldeeden alto hij sig daar door het vertrouwen in de vriendschap van den Gouverneur soude verwerven die hem ongetwijffeld daar en boven wel denken soude mogen Koning 273: van Maccasser den 11:' Iunij 1772 Van Maccasser Den 1:' Junij 1743 onlunken aan bonig bedeeld de ooraake der Touratte koning van bonij den voorst aan haar sijn bekommering hadde te kennen gegeeven over de sweevende onlusten in sou„ vattea en haar dus nader hadde versogt om deselve te helpen betlisjen dat sij den koning daar op gedient hadde hoe haar door craing Bancallang gesegt was dat de Iourattereesen sig ligtelijk met den anderen souden ver„ soenen als de Boniers van daar maar vertrocken dat sijn hoogheijt daar van vreemd opgehoord en betuijgd heb„ bende niet te weeten dat aldaar eenige boniers waaren bij aan den vorst van den toestand der saaken volkomen kennisse gegeeven hadde en dat zoo wel door den Pon„ gauwa gewapend volk op nieuw derwaarts gesonden was om Craing Balandangang en de sijne als door sijne broeders Aroe Ponre en Datoe Baringang om cranig Binamoe te assisteeren dat sijn hoogheijt op dit berigt aanstonds schoon het genoegsaam middernagt was den Tomilalang bij sig geboden en ona de waarheid gevraagd hebbende deese het selve g'avoueerd dog sig op de nadere vrage waarom aan sijn hoogheijd daar Liet de koning van gollh door sijn tolk Borra Zaturdag den 14: na Mijn welstand vernemen, piel Niets voor Sondag „ 15. Heb ik den onder tolk Pietersz aan den koning vrijdag den 13. van bonij gesonden om na desselfs welstand te verneemen bonijs vorst word beter die mijn berigt bragt dat sijn hoogheit aan de beter„ hand was van geen kennisse gegeeven en het senden van volk belet was eenlijk verschoond hadde met voor te geeven dat er alleen op ordre van sijn hoogheijt waare gewagt die vervolgens de koninginn hadde betuijgd omu 't ondervinden dat de hol, sijn aanmokelijk replicx landers geen ongelijk hadden doelende op de klagten die om eenigwerf over het gedrag van sijn kinderen sijn ge„ daan geworden en teffens bij voegende want als deese tooms sig tegen elkanderen aldus gedragen bij mijn leeven wat sal er dan te wagten sijn als ik overleeden sal weeten, van verte 275 Van Maccassr Den 1. Juij 1735 — van Maccasser den 11: Junij 172 Maandag den 16: hebbe ik ondertoek Pietersz gesonden te verneemen na de gesond, berijs beteschapen Janets heijd van den koning van Bonij en koningin van Tanette den eerstgem: weeder iets beter en de laast gen: wel sijnde lieten mij voor de nafaage vriendelijk bedanken, geondhegd dingsdag den 17: niets gepasseerd woensdag „ 18 Donderdag „ 19: de ondertolk Pietersz: gesonden aan den kooning van bonij vrage na bonis welstand om na sijn hoogheits welstand te verneemen en teffens te besorgen eenige kleenigheeden waarom dien vorst mij hadde doen versoeken verblijf in de ingorij op het heden ontfangen berigt van den fiscal dat seekeren Arou palingorangs Arou Palingovang dig volgens op gave van sijn substitut eer„ „gisteren nagt in de negorij hadde ophouden bij eene so: genaamde saartje sijnde een Jnlandsche christenvrouw die sulks nogtans ontkend hadde sonder dat er eenige bewijsen waaren hebbe ik de Tolken gelast daar op een waa„ kend org te houden voor het vervolg en om mij ingevalse Maandag „ 23: Niets voorgevallen Dingsdag „ 24: Is den sendeling van bolecomba eergisteren alhier verscheen wansdag „ 25: weder derwaarts gedepecheert met een brief aan den resident Boutom Commissiant op Boelecomba, Moll en aan den sergeant Steijnbag die van sijne commissie tot d' extirpatie van specerij boomen na bouton te rug komende aldaar heeft moeten aanloopen is niets gepasseerd Saturdag den 21: Arriveerde over den landweg een sendeling van Baele„ Sondag „ 22: comba met een brief van den residendt liet de koning van goat door sijnen tolte borra na mijne vrijdag den 20:e na mijne welstand verneemen en tevens om eenige kleenigheeden versoeken die hem toegesegt hebbe Palingorang dig weder onderstaan mogte bij nagt in de negorij te blijven daar van ten eersten kennisse te geeven, Salingorang Donderdag
English
From Makassar the 11th of June 1772 Thursday the 26th: Through the under-interpreter Pietersz, I inquired after the health of the king of Boni. Friday the 27th: Nothing occurred. Saturday the 28th: Sunday the 29th: I was informed that the Boniers sent to Souratta by the Pongauwa had all returned from there, having run the risk of being defeated once again by the legitimate Craeng Binamoe, as their passage had been cut off, although opportunity was thereby even given to escape, wherefore matters there have now come to a standstill again. Monday the 30th: Upon the report received today from the chief interpreter Brugman that a certain Macassar prince, Craeng Limbang Parang, had recovered an anchor and a piece of cannon from the vessel of the Amboinese citizen Lodewijk Melchior Knop, which was wrecked at the northern mouth of Sphara, and had brought the same to safety on the island of Groot-Ballang, refusing the surrender thereof which was requested of him by the brother of the captain of the Malays residing on Sabouton, I sent the ordinary messenger Daeng Mandjarekie to the king of Gowa with the request to give orders that the said anchor and cannon be returned under a proper compensation for the salvage of the same. The said messenger brought me a report in the afternoon that His Highness would send his second Shahbandar hither in order to go thither alongside one of my subordinates to demand the return of what had been salvaged. The king of Boni, through his servant Moentoe, inquired after my health, as did the queen. Meanwhile, the ruler of Gowa, through his interpreter Borra, had inquired in the forenoon after my health, offering a small New Year's gift of some earthenware pots according to custom, and of Tanette, both sending some small provisions and fruits as a New Year's gift. Wednesday the 1st, Thursday the 2nd, Friday the 3rd of January: Nothing happened. Saturday the 4th: The Gowan interpreter Borra, coming to inquire after my health in the name of the king, informed me of the arrival of the second Shahbandar and the Glarang Pao Pao, expressly sent by his master to depart alongside one of the Company's messengers to the island of Groot-Balang to reclaim the goods salvaged and secured by Craeng Limbang Parang from the sloop of the Amboinese citizen Melchior Lodewijk Knop, to which end I referred them to the Licentmeester Voll so that they might be convoyed by the Company's messenger Daeng Mandjareeki. Sunday the 5th: The Bouton interpreter Mantja departed from here for Bonthain to fetch and bring hither the envoy stranded there and the commissioners for the extirpation of the spice trees, he also having been given a letter to the resident at Boelecomba. Monday the 6th: Upon receiving report this morning that a Wadjorese vessel had stranded at the island of Tanakeke and that a multitude of linens from its cargo had been recovered by the inhabitants, I immediately dispatched the chief interpreter Brugman thither to investigate the state of affairs and to seize all the salvaged goods, with orders to inform me of his findings as soon as possible so that I may provide him with further orders. Tuesday the 7th: The under-interpreter Blij was sent to the king of Boni and the third interpreter Pietersz to the court of Gowa to request an audience for tomorrow for the commissioners to present the Puasa gifts. Upon their return, they brought word that the same would be accepted. Furthermore, I received a letter from the chief interpreter Brugman regarding his findings on Tanakeke concerning the Wadjorese vessel stranded there, to which I immediately drafted and sent a reply. Wednesday the 8th: The merchants Raket and Voll departed for the court of Boni and the junior merchants Monsieur and Kraane for that of Gowa to congratulate those rulers on the end of the Mohammedan fast and to hand over the customary gifts, which, according to the report of the commissioners upon their return, was carried out. Thursday the 9th: Tuesday the 14th: Nothing occurred. Wednesday the 15th: The chief interpreter Brugman returned from Tanakeke, bringing various linens etc. salvaged from the Wadjorese vessel stranded there, with the report that the Mandarese vessel mentioned in his letter of the 7th instant had escaped, as the stormy weather had prevented reaching it. Thursday the 16th: Nothing happened. Friday the 17th: The king of Gowa, through his interpreter Bora, inquired after my health and at the same time asked for an audience for himself and his grandees next Monday to congratulate me on the entry of the New Year. I had this servant answered that I would let the ruler know further particulars, as I could not commit to the requested day due to the hindrance of business. Saturday the 18th: I sent the under-interpreter Blij to the king of Boni to inquire after His Highness's health and to inform him of the audience requested yesterday by the court of Gowa for next Monday, but that I had postponed the same until further notice.
Dutch transcription
277 Van Maccasser Den 1. Junij 1732 — Van Maccasser Den 11 Junij 1712 — Souratta geslagen van een direg Donderdag den 26: Hebbe ik door den ondertolk Pietersz na de welstand van den koning van bonij doen verneemen, vrijdag den 27:' viel niets voor Saturdag „ 28:' sondag „ 29: wierd mij berigt dat de boniers door den Pongauwa na souratta gesonden alle van daar te rug gekomen waa„ Pongauwas volk op en, gevaar geloopen hebbende van andermaal door den wettigen cram Binamoe verslagen te worden also hun de passagie als op en gesegt en daar door selfs geleegentheid gegeeven was om 't ontkomen waar door het ginter thans weder tot stilstand was geraakt, Maandag, 30:e op het heeden ontfangen berigt van den oppertolk Brug„ man, dat seekere Maccassaars prins crain Limbang goas overgae verogt Parang om de moord opgevist hebbende een dreg en een stuk canon van het aan de noorder Sphara mondus verongelukt vaartuijg van den amboinees Burger Lodewijk Melchior knop het een en ander op het Liet den koning van bonij door sijnen rolk Moentoe naar mijne gesondheijd vragen en do meede de koninginne Intusschen hadde goaks vorst door desselfs Tolk Borra des voordemiddags na mijne welstand doen informeeren onder aanbieding van een goring nieuwe jaar geschenkje van eenige aarde Potten na het gebruik Eijland groot Ballang hadde doen bergen, weijgerende dies overgave die hem door de Broeder van den capitain der Malijer verblijf houdende op sabouton was versogt hebbe ik den ordinair sendeling danig Mandjarekie bij den koning van goat gesonden met versoek om ordre te stellen dat gem: dreg en canon onder een behoorlijke voldoening voor het te Regt brengen van deselve, werde te rug gegeeven gem: sendeling bragt mij snamiddags rapport dat sijn hoogheijt sijn tweede Sjabandhaar soude herwaards zen„ „den om nevens een mijner onderhoorige derwaarts te kunnen gaan ten eijnde het geborgene weder te eijsschen Eijland. van 279: van Maccasser den 11: Junij 1772— van Maccasser den 11: Iunij 1772— goat komst van ge„ committeerden om de thain tot afhaal van de gesant acces bij goak en bonij versogt van tanette beide onder toesending van eenige kleenigheeden van provisien en fruijtagien tot een nieuw jaars geschonk woensdag den 1: donderdag „ 2:' „ Ianuarij niets gepasseert vrijdag „ 3: ' Saturdag „ 4: De goakse tolk Borra uit naam van den koning naar mij„ ne welstand komende verneemen communiceerde mij de beneden komst van den tweede Sjabandhar en den glar„ rang Pao Pao axpres door sijn meester gesonden om nevens een van comp: sendelingen na het Eijland groot Balang te vertrecken ter reclame van de door craing Limbang Parang op geviste en geborgene goederen van de chialoup van den Amboinas burger Melchior Lodewijk knop ten welken eijnde ik haar hebbe overgeweesen aan den Lientmeester voll ten eijnde z door sComp: sendeling Dain Mandjareeki te doen convoijeeren, Sondag den 5: Is van hier na Bonthain vertrocken den Boutons Den ondertolk blij na den koning van Bonij Dingsdag den 7: en derden tolk Pietersz na het hof van goak gesonden om tegen morgen acces te versoeken voor gecommitteerden ter aanbieding van de op het ontvangen berigt deesen morgen dat er aan het Maandagden 6: Eijland Tamakeke en wadjorees vaartuig gestrand en wadjorees vaar„ tuig gestrand en van desselfs lading een meenigte lijwaaten door de bewoonders soude opgevist weesen hebbe ik opstonds den oppertolk brugman derwaarts afgevaardigt ten eijnde de toestand der saak 't ondersoeken en al het opge„ reste in beslag te neemen met last om mij ten spoedigsten van sijn weedervaaren kennisse te geeven om hem met nader ordre te amunieeren tolk Mantja ter afhaal en overbreng na herwaards van boutons tolk na bon„ de aldaar vervallen gesant en de commissianten tot de ex„ tirpatie der specerij boomen sijnde aan den selven meede gegeeven een brief aan den resident te bolecomba„ Ao 1772 Tolk Pocassa dreg 281: Van Maccasser den 11: Junij 172. — Van Maccasser Den 1: Junij 172 — aan bodij en goa Donderdag den 9 tot aanbreng van het op wees vaartuig Pocassa geschenken bragten bij te rug komst berigt dat deselve souden worden geaccepteerd, voorts ontfing ik schrijvens van den oppertolk Brug„ berigt nopens het man wegens sijn weedervaaren op Tanna keke betref„ fende het aldaar gestrande wadjorees vaartuig waarop ik aanstonds antwoord gepast en afgesonden hebbe, wad jorees vaartuig woensdagden 8 vertrocken de kooplieden raket en voll na het hof pocassa geschenken van bonij en de onderkooplieden Monsieur en kraane na dat van goah om die vorsten met het uijteijnde der Mahometaanse vasten te vergelucken en de gewoone geschenken te overhandigen welk een en ander vervolg der gecommitteerden rapport bij te rug komst gevolg genomen heeft, Dingsdag „ 14: Niets voorgevallen woonsdag „ 15 retourneerde van Tamakeke den oppertolk Brug„ gevike uit bit waep,„ man meede brengende diverse Lijwaaten enz: uijt Hebbe ik den ondertolk Blij na den koning van bonij Saturdag, 18: gesonden om onder informatie naar sijn hoogheijts wel„ het hof van bonij stand kennisse te geeven van het op gisteren versogte acces door het hof van goat tegens aanstaande Maandag dog dat ik het selve verschoven hadde tot nader genodigt Niets gepasseert Donderdag den 16 liet den koming van goah door sijnen tolk bora na vrijdag „ 17: mijne welstand verneemens en tevens voor hem in sijne het hof van goa vragd grooten acces vraagen tegen aanstaande Maandag attes om mij met den intreede van het nieuwe Jaar te vergelucken ik liet deesen bedienden aantwoorden dat„ ik den vorst naader bescheijd soude laaten weeten also ik mij tot den versogten daar door belet van bee„ sigheeden niet bepaalen konde het aldaar gestrande wadjorees vaartuijg opgevist met rapport dat het Mandhavees vaartuijg vermeld bij sijn schrijvens van den 7: hujus mits het onstuijning weder dat verhindert had„ de daar bij te koomen ontsnapt was, het gelegentheid
English
283 From Macasser the 11th of June 172 — From Maccasser the 1st of June 172. — grandees not again admitted opportunity, as being aware that those of Bonij, according to ancient custom, must be received before those of Goah, I did not wish to doubt His Highness's inclination to pay me a visit, if his condition or other impediments might not prevent him. Blij, returning, reported that the prince had declared to be very pleased with my attention and regard for his person, that he would also have already requested an audience, but that his own indisposition as well as the illness of the regent of the realm and the death of the Tomilalang's wife had thus far prevented it; that he nevertheless hoped to be able to come together with the grandees and therefore requested an audience for next Tuesday or Wednesday. On the occasion of a letter received today from the fugitive grandees of Soping written by Poenlipoe E. to the captain of the Malays, Abdul Cadier, which can be found in translation among the appendices, I was informed that the three aforementioned fugitive Soping nobles of the realm, namely Aroe Toura, Aroe Oedjong Poeloe, and Aroe Bila, having made an overture to him to be received back into Soping, he had caused them to be answered that he certainly would not reject that request, but that he could not nor would agree to it with regard to their persons without the Company's consent, but indeed to the subjects, who, having for the most part taken advantage thereof, had accordingly returned thither, leaving their masters practically without a retinue. Monday the 20th Nothing occurred. In the afternoon, there arrived here in the roads: Tuesday the 21st. Sunday the 19th: Blij, I have today again dispatched the same to the King of Bonij to invite His Highness and the grandees of the realm for coming Wednesday to a meal at the Company's garden house, and upon his return received report that His Highness had promised to come. 285 From Maccasser the 11th of June 1742 From Maccasser the 11th of June 1772 — in discourse arrival of Bouton's envoy: The envoy of the King of Bouton, mentioned under the 5th of this month, who made his arrival known to me through an interpreter, to whom I gave orders to inform his master that I would receive him the day after tomorrow in the morning. Wednesday the 23rd: Today I entertained the King of Bonij with full solemnity in the Company's garden. His Majesty was accompanied by the Tomilalang, Aroe Mampoe, Craeeng Sapanang, the Pains, Pongauwa Lacasie, Aroe Poure, Aroe Toura, Datoe Bavingan, Aroe Tanette, Aroe Kaijoe, Aroe Bogoo, Aroe Kalibo, Glarrang Bontuala, Datoe Lamoeroe, Aroe Tappieng, Aroe Lalantedong, and Aroe Boeve. After mutual compliments and the handling of indifferent discourses, as well as the concluded midday meal, at which only qualified servants were present, having gone to sit somewhat apart with the King with the intention of sounding out his thoughts on these and other matters, and especially about the confirmation of Prince Latanrietappoe as successor to the realm, I made a beginning by letting His Highness know how, from private letters of His Right Excellency, several things had come before me about which I gladly wished to confer with him on an occasion such as this, where we could thus be in private, if the solemnity of this day did not prevent it, for which reason I would also postpone the same to a later opportunity. But upon this it was immediately apparent that he became suspicious, giving as an answer in the first place that he hoped one would not demand anything beyond his power; wherefore, judging it more advisable not to proceed further, I only had replied that I trusted His Highness had too much experience of the Company's goodwill to expect that one would desire anything improper, wherewith this discourse was broken off, and, having spoken further about indifferent matters, the prince requested his leave and departed at three o'clock, well satisfied, together with his retinue. In the early morning I sent the assistant interpreter Pietersz.
Dutch transcription
283 Van Macasser den 11. Junij 172 — Van Maccasser Den 1:' Junij 172. — grooten niet weeder ingelaten gelegentheijd als bewust dat die van bonij naar ouder usantie voor die van goah moetende worden ontfangen ik niet dubiteeren, wilde van sijn hoogheids inclinatie om een visite bij mij afteleggen to sijne dispositie of andere beletselen hem niet mogten verhinderen blij te rug komende rap„ porteerde dat den vorst betuijgd hadde over mijn atten„ tie en reguard voor sijn persoon seer verblijf te weesen dat hij ook reets acces soude hebben laaten versoeken dog dat sijne eijgen onpasselijkheijd soo wel als de siekte van den rijksbestierder en de dood van 's Tomi„ lalangs vrouw het dus verre hadde verhindert dat hij egter hoopte in staat te weesen om onevens de grooten te komen en dierhalven tegen aanstaande dingsdag of woensdag belet liet versoeken, Ter geleegentheid van een op heeden ontfangen brief door uitgeweeken bopigte den Poenlipoe E. te soping aan den capitain der Maleijeas Abdul Cadier geschreeven in translaat onder de bijlagen te vinden wierd mij berigt dat de bewuste drie uijtgeweekene Maandagden 20 viel niets voor Jn den Nademiddag arriveerde hier ter Rheede Dingsdag „ 21. Op het gisteren ontvangen keer berigt van den tolk Baerten Sondag den 19: Blij hebbe ik den selven heden weder aan den koning van bonis of nader genodigt Bonij afgevaardigt om sijn hoogheits en rijkes grooten tegen„ woensdag aanstaande in sComp: Thuijse ter omaaltijd 't invi„ teeren en ontving bij desselfs retour rapport dat sijn hoogheit toegesegd hadde te sullen komen sopingse rijks Edelen met naamen Aroe toura, Aroe oed„ Jong poeloe en Aroe Bila bij den selven aantoek hebbende laaten doen om weeder in soping te mogen worden ontvan„ „gen hij haar hadde doen antwoorden dat versoek wel niets af te slaan dog dat hij het selve voor so verre haare per„ soonen betrof buiten sComp: toestemming niet konde nog wilde accordeeren omaar wel aan de onderdaanen die daar van voor het grootste gedeelte geprofiteerd hebbende over„ sulks derwaarts te rug gekeert waaren laatende hunne meesters genoegsaam sonder gevolg„ „Sopingse de 285 Van Maccasser den 11 Junij 1742 Van Maccasser den 11: Junij 1772— in discours komst van boutens ge, de gesant van den koning van bouton vermeld onder den 5: deser die mij sijne komst door een tolk liet bekend maaken den welken ik last gaf sijn meester te verwittigen dat ik hem overmorgen voor de middag soude ontvangen, woensdag den 23:' heeden hebbe ik den koning van bonij met volle plegtigheijd in t hof van bonij onthaald sComp: thuijn onthaald sijn Majesteijt was verseld van den Tomilalang Aroe Mampoe craeeng Sapanang den Pains Pongauwa Lacasie Aroe Poure Aroe Toura Datoe bavingan aroe Tanette aroe kaijoe aroe bogoo aroe kalibo, glarrang bontuala datoe Lamoeroe aroe tappieng aroe Lalantedong en aroe Boeve na wedersijdse compli„ „menten en 't afhandelen van onverschillige discoursen mits„ „gaders he g'eijndigde middagmaal waar bij alleen gequalifi„ „ceerde dienaaren present waaren met den koning wat afge„ sondert sijnde gaan sitten met voorneemen om hem over deese en geene saaken en voor al sijne gedagten wat te polsen over de bevestiging van den Prins Latanrie tappoe tot successeur van het rijk maekte ik een begin met sijn hoogheijt te kennen te geeven hoe mij In den vroegen morgen hebbe ik den ondertolk uijt particuliere schrijven van sijn hoog Edelheij t een en ander was voorgekomen waar over ik gaarne wenschte hem 't onderhouden bij eene gelegentheijd als deese dat wij dus afgesondert konden sijn so de solemniteijt van deesen dag „sulks niet verhinderde waarom ik het selve dan ook tot na, svorsten agterdogt der gelegentheijt soude uitstellen dog hier op bleek aanstonds dat hij agterdogt opvatte ten eersten tot antwoord geevende dat hij niet hoopen wilde dat omen hem iets buijten sijn vermogen soude vergen des ik geradener oordeelende niet verder voort te gaan eenlijk deed repliceeren dat ik b'antwoord vertrouwde dat sijn hoogheijt te veel ondervinding van sComp: welmeenentheijt hadde dan te kunnen verwagten dat men iets onbehoorlijk soude begeeren waar meede dit discours afgebrooken en nog over onverschillige saa„ ken gesprooken sijnde de versogte den vorst sijn af„ scheijd en vertrok ten drie uuren wel vergenoegt nevens sijn gevolg, uijt Pietersz sant &
English
From Monday the 11th of June 1742 — From Macasser the 11th of June 1742 — Reception of the Bouton envoy. Brings three slaves. The court of Goak named. Pietersz was sent to the King of Goak to invite His Highness and the grandees of his realm to the Company's garden for the midday meal this coming Saturday, which invitation His Highness accepted upon Pietersz's report on his return. Meanwhile, at nine o'clock in the forenoon, I received with the customary ceremonial the Bouton envoy Mantie Lataijoe, who, besides two letters, handed me a private letter from the repatriated Cheribon resident, Senior Merchant Armenaul, addressed to Mr. Boelen, together with a receipt for thirteen slaves accepted there out of a number of sixteen sent from Bouton, of whom one had died and two had been rejected as unfit; having also brought along three [slaves], whom he said were sent by his master to supplement the number of twenty-seven delivered in Aopassato to thirty. I had him answered that I would have the letters translated so that, having read them, I could confer with him further on the matters of his commission; whereupon he took his leave. On Friday the 24th, being the visit to Bonij: I had the abovementioned Bouton envoy ask for my permission through his interpreter to deliver a letter addressed by his master to the King of Bonij, which I granted. Saturday the 25th: Entertainment of the court of Goak. The King of Goak, together with the grandees of his realm, namely Craaeng Paganackan, Craeeng Bonto Lankas, Craang Bonto, the first and second Shahbandar, together with the Glarrangs Mangasa, Tamba Batoe, and Patjmongang, as well as several royal children and lesser officials, were received around half past nine with full ceremonial by myself and the members of the Council of Policy in the Company's garden. After performing the usual formalities and taking their seats, the monarch declared that he had appeared to congratulate the Governor and also the Council members on the start of this year, doing so with the most chosen terms, saying among other things that he wished that Providence might please to bless the Company's state and all its undertakings both by sea and by land, and especially that all prosperity and well-being might befall the Governor so as to be able continually to support the Macassar realm with advice and action, as that upon which, next to God, they placed their trust, so that peace and unity might flourish more and more and the bond of friendship might be drawn all the tighter. Having answered this compliment in fitting terms through the interpretation of the Shahbandar Voll, they then engaged in casual conversation, after which the midday meal was held, at which all qualified servants were again present; and after it had ended, another cup of tea having been drunk, His Highness requested his leave and departed with his retinue at four o'clock with signs and declarations of the utmost satisfaction with the friendly reception. Sunday the 26th: Nothing occurred. Monday the 27th: The Bouton envoy present here had it communicated to me that the boom leaseholder was preventing the unloading of a vessel belonging to his retinue, with a request for my protection. I had his request answered that I would inform myself on the matter, adding that since the leaseholder must yield the Company's revenue, he accordingly could not be curtailed in his rights, and that if goods for trade belonging to private individuals were laden in that vessel, toll must be paid for them; referring him subsequently for the aforesaid purpose, together with the Chief Interpreter Brugman, to the License Master Voll, while instructing him in the meantime to tell his master that among the latest three slaves brought, one was so old and frail that he could not be accepted and would therefore be returned to him. Tuesday the 28th: Nothing occurred. Wednesday the 29th: I have [written] a letter in answer to the recently received letter from the Poen-lipoe of Sopin.
Dutch transcription
287: Van Maandag den 11:' Iunij 1742 — Van Macasser den 11: Junij 172 — receptie van boutons geasant brengt drie slaven thof van goak geno„ Pietersz: na den koning van goat gesonden om sijn hoogheit en desselfs rijks grooten tegen aanstaande saturdag in 's Comp: thuijn en ter middagmaal 't inviteeren 't geen sijn hoogheijt volgens Pietersze rapport bij te rug komst aangenomen heefde Intusschen ontving ik s voordemiddags te negen uuren met het gebruijkelijk ceremonieel den boutons gesant Mantie„ Lataijoe die mij behalven twee brieven overhandigde een op articuliere brief van den gerepatrieerden cherebons resident den opperkoopman Armenaul aan den heer boelen gerigt neevens een quitantie van dertien aldaar geaccepteerde slaven uijt een van Bouton gesonden getal van sestien waar van er een overleeden en twee als on„ bequaam uitgeschooten waaren teffens en drie meede gebragt hebbende die hij seijde door sijn meester geschike te sijn om het getal der in Aopassato voldaane seven en twintig tot dertig te suppleeren ik liet den selven ant„ woorden dat ik de brieven soude laaten translateeren om z geleesen hebbende hem nader over de saaken Den koning van goak nevens fijne rijksgrooten met saturdag den 25 naemen craleng Paganackan craeeng bonto Lankas onthaal van het hof craang bonto de eerste en tweede Sjabandhaar nevens van goak de glarrangs Mangasa Tamba batoe en Patjmongang mitsgaders eenige konings kinderen en mindere ampte„ naaren tegens half tien uuren met het volle ceremo„ onieel door mij en de leeden van den politicquen raed in sComp: thuijn gerecipieerd sijnde en na het afleggen der der gewoone plegtigheeden sit plaats genomen hebbende to betuigde den vorst te sijn verscheenen om den gouverneur en ook de raadsleeden met den aanvank van dit Jaar te vergelucken invoegen hij sulx deed met de Liet bovengem: Boutons gesant door desselfs tolk mijne per vrijdag den 24: missie vragen om een brief door sijnen Meester aan den sijnde visite bij bonij koning van bonij gerigt te mogen bestellen dat ik geaccor„ deert hebbe, van sijn commissie t onderhouden waar op hij sijn afscheid nam van uijt digt 284: Van Maccasser den 11: Junij 172 — Van Maccasser Den 1 Junij 1722 zant met de boomspagter uitgekipste termen segende onder anderen te wenschen dat de voorsienigheijd's Comp: staat en alle haare onderneemingen zo te water als de lande geliefde te begenen dat insonderheijd den gouverneur alle heije tegen en welvaart mogte wedervaaren ten eijnde het Macassaarse rijk steeds met raad en daad te kunnen ondersteunen als het voornaamste waar op sij nevens god haar vertrouwen stelde op dat de vreede en eenigheijt meer en meer bloeijen in den band der vriend„ schap des te nauwer mogte werden toegehaald welk com„ „pliment ik in gepaste termen door vertolking van den sjabandhaar voll hebbende b'antwoord geraakte men ver„ volgens op onverschillige discoursen waar na het middag„ „maal waar bij ook weder alle gequalificeerde dienaaren tegenwoordig waaren gehouden en na het eijndigen van dien nog een kopje thee gedronken sijnde versogt sijn hoogheid desselfs afscheid en vertrok nevens sijn gevolg ten vier uuren met teekenen en betuijgingen van 't uijterste genoegenoera de vriendelijke receptie Sondag den 26 viel niets voor Maandag „ 27 Liet d' aanweesende Boutonse gesant mij Communiceeren Dingsdag den 20 Niets gepasseert hebbe ik een briefje nn antwoord van het Jongst ont„ woensdag „ 29: „vangen schrijven van den Poen-lipoe E van Sopin rief masgring dat den Boomspagter d' ontlossing verhinderde van een verschil van bouijsons ge„ vaartuijg onder sijn gevolg gehoorende met versoek om mijne maintenue ik deed aan desselfs soek ten antwoord gee„ ven dat ik mij op de saak soude informeeren met bij voeging dat den Pagter sComp: geregtigheid moetende opbrengen hij oversulx in sijn regt niet mogte worden verkort en dat so er in dat vaartuijg goederen ter Nego„ tie waaren geladen aan particulieren behoorende daar van Thol moeste worden betaald renvoijeerende den selven vervolgens ten voorsz: eijnde neevens den oppertolk Bdrug„ „man aan den licentmeester voll hem ondertusschen nog gelastende sijn meester te seggen dat onder de jongste aangebragte drie slaven de eene so oud en swak was dat men den selven niet konde accepteeren en hem dierhalven te rug soude geeven, dat aan
English
292 The 11th of June 1732 from Maccasser From Maccasser, the 11th of June 1732 dispatched to the captain of the Malays in the name of the latter. Thursday the 30th the king of Goak inquired after my health through his Folk Borra. Friday the 31st until Wednesday the 5th of February, nothing occurred. Thursday the 6th, upon the received news that a certain Daeng Manjaroengie, last mentioned under the 24th of July of the past year, not only shows himself daily again at Maros, but also commits all sorts of insolent acts, I sent the chief interpreter Brugman to the king of Bonij to lodge a complaint about this anew and to request that the necessary orders be established against it. He reported back to me upon his return that his highness had promised this and had also immediately ordered one of his emissaries to go to Maros, both to tell Daeng Manjaroengie to depart from there, and to tell his mother that she, permitting her said son lodgings with her any longer, was to be summoned hither alongside the rest of her family to perform slave service for his highness. Friday the 7th, nothing occurred. Saturday the 8th, nothing occurred. Sunday the 9th, an emissary from Bima's ruler and one from the realm of Tambora arrived here today in a small vessel, having informed me thereof through an interpreter, and stating that the vessel in which they had sailed hither had been shattered by stormy weather on the island of Jannekeke. Therefore, I summoned them for tomorrow morning at nine o'clock for the delivery of the letters brought along with them. Monday the 10th, the Bimanese and Tamborese emissaries mentioned yesterday appeared before me this morning, and having handed over the letters from the rulers across the water brought with them, they testified upon my express questioning that everything across the water, so far as was known to them, was at peace and nothing of any special importance had occurred. After they had taken their leave, I ordered the chief interpreter to provide them with proper lodgings because of the wreck of their vessel. 294 From Maccasser, the 11th of June 1732 Tuesday the 11th, nothing occurred. Wednesday the 12th, since up to now no reading has been granted to me by the king of Bonij of the letter written to him by the king of Bouton and delivered to him on the 24th past, which custom nevertheless requires, and rumors have it that the circumcision of the Prince Latanri Tappoe, provisionally chosen as his highness's successor, is soon to take place without any communication having been received thereof up to now as ought to happen, I sent the merchant Voll today to his highness to remind him of the neglected presentation of the letter from Bouton in covert terms, as it were by holding forth my grievances and apprehension about the consequences of the violation of the contracts by the nations and the admission of not only all sorts of illicit traders, but also of the English for trade, and if possible also to inquire into the reason for the absence of communication regarding the upcoming circumcision, without however giving the ruler the slightest basis to understand that one is applying for it, since the court ought to know its duty too well for it to be necessary to remind them of it and to obligate ourselves to the offering of a gift that one would then have to make, with further orders to request his highness to assist me with his counsel in order to bring those of Bouton to the fulfillment of their duty, and that I therefore wished to speak with his highness, whether he would pay me a visit or await me one of these days. Voll, having returned towards the evening, brought me report in response.
Dutch transcription
292 Den 11: Junij 172 van Maccasser Van Maccasser Den 11: Junij 172 — aan den capitain der Maleijers op des laastgem naam afgevaardigt Donderdag den 30 liet den koning van goak door dessels Folk Borra na mijne gesondheid verneemen vrijdag den 31: tot Niets voorgevallen. woonsdag „ 5: „ february Donderdag„ 6: op d' ontvangen tijding dat seekeren Daii Manjaroengie doleantie over damn man, laast vermeld onder den 24: Iulij des gepasseerden Iaars sig niet alleen weder dagelijx op Maros laat sien maar ook allerlij baldadigheeden bedrijft hebbe ik den oppertolk Brugman bij den koning van bonij gesonden om daar over de novo te doleeren en te versoeken daar tegen de noodige ordre te stellen den welken mij bij retour te rug bragt dat sijn hoogheijt sulks toegeseg en ook daedelijk aan een sijner sendelingen gelast hadde om na Maros te gaan en daeen Manjaroengie so wel aan te seggen om van daar te vertrecken als aan sijne Moeder dat sij gem: haar soon langer logies djarvengie D' op gisteren vermelde Bimase en Tamboreese zende„ Maandag den 10:e lingen heeden voordemiddag bij mij verscheenen, en hem receptie overhandigd hebbende de door hunmeede gebragte brief van d'overwaalsche vorsten betuijgden op mijne expresse afvrage dat alles op d' overwal voor soo verre Een sendeling van bimas vorst en een van 't rijk van sondag Tambora heeden met een kleen vaartuijg alhier aan, zendelingen van bi„ gekomen omij door een tolk daar van hebbende doen kennisse geeven en dat het vaartuijg waar meede sij na herwaards gestevend waaren door storm weeder op het eijland Iannekeke aan stuk gestooten was so hebbe ik haar tegen morgen achtend ten negen uuren be„ scheijden tot d' overgave der door hun meede gebragte brief ma en Tambora Vrijdag den 7: niets voorgevallen Saturdag „ 8: bij haar vergunnende nevens haar verder huijgesin herwaarts stond te worden op ontboden om bij sijn hoogheijt slaaven dienst te doen bij hun „ 9: - 294 Van Maccasser den 11: Junij 1775 — Van Maccasser Den 11:' Iunij 1732 — ador bouten aan Bonij isse van Latanai hun bekend waere in ruste er er niets gepasseerd was van eenig bij sonder belang waar na bij hun afscheijd genomen hebbende so belaste ik aan den oppertolk om haar behoorlyk logies te besorgen uit hoofde van het verongelukken van hun vaartuijg Dingsdag den 11: viel niets voor woensdag „ 12 vermits mij door den koning van bonij tot nu tee geen vrage na de brief lectuure gegeeven is van den brief door den koning van Bouton aan hem geschreeven en den 24: pass: aan hem besteld 't geen het gebruikt nogthans meede brengt en dat de gerugten willen dat de besnijdenisse van den Prins Latanri Tappoe provisioneel verkooren tot hoogheijts successeur eerlange staat voortgang te nemen sonder dat men daar van so als sulks diende te geschieden tot nog toe communicatie ont„ „fangen heeft hebbe ik heden den koopman voll na sijn hoogheit gesonden om denselven de versumde aanbieding van den brief van Bouton in bedekte termijn quasie onder voorhouding van mijne beswaar¬ nisse en bedugting voor de gevolgen van d' overtreeding der contracten door de natien en d' admissie niet alleen van aller leij morshandelaars omaar ook van Engelschen ter ne„ „gotie te herineeren en des mogelijk ook na de reeden te verneemen van het agterblijven der communicatie van d' en wanneer de besuijde„ aanstaande besnijdenis sonder egter eenige de oinste voet Tappoe sal geschieden te geeven aan den vorst om te kunnen begrijpen dat men daar toe aansoek lat doen dewijl het hof haar verpligt te wel behoord te weeten dan dat het nodig bij om haar het selve indagtig te maaken en ons selven te verpligten tot 't aanbieding van een geschenk dat men als dan soude moeten doen met verdere ordre om sijn hoogheijt te ver„ soeken mij met sijn raad t assisteeren ten eijnde die van Bou„ „ton te kunnen brengen tot de nakoming van haaren pligt en dat ik dierhalven wel wenschte met sijn hoogheijt te spreeken het bij hij mij een visite doen of mij eerdaegs afwagten wilde voll tegen den avond gereverteerd bragt mij tot keer termen berigt 1
English
From Makassar the 11th of June 1772 reported that after paying the customary compliments, having only briefly brought up my complaints regarding the people of Bouton, the ruler had said, it is true, I have received a letter from Bouton, but I forgot to send it to my brother; and having caused it to be given to him immediately, had handed it over to Voll to deliver it to me; that His Highness, having subsequently listened to his further arguments on this subject, had said, the actions of the people of Bouton are contrary to the contracts and they thereby make themselves liable to punishment; I would certainly send my advice to my brother, but since he wishes to speak to me himself, I defer to His Honour; let it be here or at his residence; if he only lets me know, I shall postpone it. That he furthermore had had no opportunity to enter into any discussion about the upcoming feast of the circumcision, because His Highness had anticipated him with a kind of complaint about Arou Pantjana, who was said to have hindered the Bonians at Segeri in the tilling of paddy fields, over which a dispute had formerly arisen between His Highness and the Queen of Tanette, but which had been awarded to him by decision; and regarding which he had indeed lodged a complaint with the Queen of Tanette, but in vain, since she had merely said she was unaware of it; requesting therefore that I be informed thereof; which Voll having undertaken, he subsequently departed. Thursday the 10th. I sent the ordinary messenger Dain Manjarekie to the King of Boni to request an audience for the day after tomorrow, who upon his return reported to me that it would be particularly agreeable to His Highness to receive me. Furthermore, I had the Chinese grave stones delivered to His Highness's interpreter Moentoe, which were found some time ago among the goods of a stranded Wajo vessel on Tanakeke, which His Highness had asked me at the time to sell to him if the price should not be too high. Friday the 14th. Nothing occurred. Saturday the 15th. This morning, accompanied by the merchant Voll and escorted by the cavalrymen, the chiefs, and some minor kampong peoples, as well as the upper and under-interpreters, I proceeded to the King of Boni, where I was received with great ceremony. Having taken our seats after exchanging mutual compliments, the King took the floor, asking beforehand (as it appeared to me, suspiciously, that my arrival had more than one purpose) whether I had come solely to confer with His Highness about that for which I had sent the merchant Voll the day before yesterday. And after I had caused him to be answered that such was the principal reason, I presented to His Highness how, both from authentic reports and various rumors and circumstances, it had appeared to me that the court of Bouton, instead of giving any ear to the repeatedly reiterated grievances regarding the breach of the contracts and the earnest admonitions for a strict compliance with the same, cared less and less about them over time, to such an extent that, besides thwarting and misleading the commissioners who are sent out for the extirpation of spice trees, they not only did not shy away from all sorts of illicit smugglers under all kinds of frivolous pretexts, but even admitted Englishmen to trade; just as this year a ship of that nation lay in the Bouton roadstead for twenty days, whose captain went to court several times; that I, being of the opinion that such could never come to a good end, since the Company, or rather Their High Excellencies at Batavia, being unable to continue to look upon such matters with approval much longer, would undoubtedly have to adopt measures to make that nation return to their duty, which would not be at all pleasant for them, but on the contrary ruinous for land and people, had deemed it advisable to confer with His Highness on this matter in order to devise means that could cause this court to change its conduct, with the request to be informed of His Highness's sentiment thereon. His Highness, having considered a little, answered that the conduct of the people of Bouton deserved a severe chastisement, but that the custom among the allies also entailed that whenever this one or that one made themselves guilty of misdeeds, it was the duty of others to admonish them amicably as well as to remonstrate the same to them; that this was especially the case between Boni and Bouton, two realms of old bound to one another in the closest manner, to such an extent that, as proof thereof, it was to this day still the custom, when speaking of Boni, to call it Bouton to the west, and to label Bouton with the name of Boni to the east. That His Highness therefore not only wished to fulfill this his obligation by conferring with the court of Bouton by letter about their excessive outrages, but also to that end would send two prominent envoys thither, if I so desired. I replied that I, not being unacquainted with the friendship between those of Boni and Bouton and the custom on occasions such as this, had on that account addressed myself to His Highness; that by sending envoys and by earnestly conferring with the court of Bouton, he would singularly oblige the Company and give a new proof of his fidelity.
Dutch transcription
296 Van Maccasser den 11:' Junij 172 — Van Maccasser den 11:' Junij 172— Pantjana berigt dat hij na aflegging van het gewoone compliment maar even mijne klagten over de Routonders opgehaald hebbende den vorst gesegt hadde t is waar ik hebbe een ontfangst van den brief brief van bouten ontfangen maar hebbe het vergeeten om z mijn broeder toe te senden en z hem opstond hebbende doen geeven deselve aan voll hadde overhandigt om t mij te be„ sorgen dat sijn hoogheijt vervolgens sijne verdere reedenen over dit onderwerp aangehoord hebbende gesegt hadde de gedoentens der bontonders zijn strijdig tegen de con„ tracten en sij maaken sig daar door aan straffe schuldig ik soude mijn advis wel aan mijn Broeder doen toekomen maar vermits hij mij selfs wil spreeken dat ik aan sijn Ed: defereert: laate 't bij hier of aan desselfs wooning als hij het mij maar laat weeten sal ik sulks uijtstellen Dat hij verder geene gelegentheijd gehad hadde op eenig discours te komen over het aanstaande feest der be„ snijdenisse vermits sijn hoogheijt hem voorgekomen voorts hebbe ik aan sijn hoogheijts tolk Moentoe laaten afgeeven de chineese grap zerk hebbe ik den ordinairen sendeling Dain Manjarekie Donderdag den 10 na den koning van bonij gesonden om tegen over morgen aaes te vraagen die mij bij retour rap„ porteerde dat het sijn hoogheijt bijsonder aange„ naam soude sijn mij te rccipieeren was met een soort van klagte over arou Pantjana die de bonijs klagte over arou boniers op sagerie soude hebben verhinderd in het beplregen„ van Padij velden over dewelke wel eer tusschen zijn hoog heijt en de koninginne van Panette disput gereesen was dog die hem bij beslissing toegeweesen waaren en waar over hij wel hadde doen doleeren bij de koninginne van Tanette dog de vergeefs vermits bij enkel hadde gesegt daar van onkundig te weesen versoekende dierhalven om omij daar van kennisse te geeven t geen voll aan„ genomen hebbende vervolgens vertrocken was, was steenen 298 van Maccassen den 11: Junij 1772 Van Maccasser den 11:' Junij 1742 — ning van Bonij sijn agterdogt van Bouton steenen voor eenigen tijd onder de goederen van een gestrand wadjorees vaartuijg op Tannakeke gevonden die mij sijn hoogheid doemaals hadde laaten versoeken om te hem te verhoopen bo de prijs met te hoog mogte sijn, Vrijdag den 14: Niets gepasseerd. Zaturdag „ 15 heden voordemiddag hebbe ik mij nevens den koopman voll visite aan den ko„ en g'escorteert van de ruijters de hoofden een eenige mindere campongs volken so meede de opper en ondertolken begeeven na den koning van bonij alwaar met seer veel staatie gerecipieerd wierd na aflegging van wedersijds com„ „plimenten sitplaats genomen hebbende nam de koning het woord op vragende voor af C: sot omij voor quam agter„ dogtig dat mijne komst meer dan een oogmerk hadde:) of ik alleen gekomen was om sijn hoogheijts 't onderhouden over het geene daar ik den koopman voll Eergisteren om gesonden hadde en na dat ik daar op hadde doen antwoorde dat sulks de voorna„ omre reeden was hield ik sijn hoogheijt voor hoe mij so uit egte berigten als verscheijde discouirsen gen aicous over de saaken „rugten en omstandigheden was voorgekomen dat het hof van Bouton in steede van eenig gehoor te geeven aan de meermaals herhaalde doleantien over de in breeke der contracten en d'ernstige vermaaningen tot een stipte na koming van deselve sig daar aan langs twe minder quamen te kreunen in so verre dat sij behalven het traverseeren en omisleijden der commissianten die tot Extirpatie van specerij boo„ omen uijtgesonden worden niet alleen et ontsa„ gen aller leij soort van morssen sluikhandelaars onder allerleij frivoole voorwendsels maar ook selfs Engelschen ten handel t admitteeren gelijk en vervolgee ik dit Jaar een schip van die natie twintig daagen ter Boutonse rhede gelegen heeft welkers Capitain verscheijde maelen is ten hove geweest dat ik van gedagten sijnde dat sulks nimmer een goed eijnde kande neemen vermits de Maatschappij of wel haar hoog Edelheedens hoe te 301 Van Maccasser den 11:' Junij 1772 — Van Maccasser Den 1. Junij 1722. te batavia sulks onmogelijk langer met goede oogen sullende kunnen blijven aansien ongetwijffelt maat regulen souden moeten noemen om die natie tot hun pligt te doen weederkeeren welke haar gantsch niet aangenaam maar in tegendeel voor land en volk verderffelijk soude weesen geraaden hadde geoordeelt sijn hoogheijt hier over 't onderhouden ten eijnde middelen te beraamen die dit hoff van gedrag soude kunnen doen veranderen met versoek sijn hoogheijts gevoelen daar over te mogen weesen sijn hoogheijt sig een weijnig bedagt hebbende gaf tot antwoord dat het gedrag der Boutonders een strenge kastijding verdiende dog dat het gebruijkt onder de bondgenooten meede bragt dat wanneer deese of geene sig schuldig maakte aan misdrijven het de pligt van anderen was haar in der minne te ver„ maanen mitsgaders haar het selve voor te houden dat sulks insonderheijt plaats hadde tusschen Bonij en Bouton twee rijken van ouds aan den dat sijn hoogheijt dierhalven niet alleen aan deeke sijne gehoudenisse wilde voldoen door het boutonse dat sijn belofteet hof bij brieve over haare verre gaande uitspatting 1 onderhouden maar ook ten dien eijnde twee gesanten van aansien derwaarts soude senden als ik sulks begeerde Ik repliceerde dat ik met onkundig aan de vriend„ schap tusschen die van bonij en bouton van het ge„ bruikt in gelegentheden als deesen mij uit dien hoofde bij sijn hoogheit g'addresseert hadde dat hij met het senden van gesanten en omet het hoff van bouton ernstig te onderhouden de comp son„ derling verpligten en een nieuw bewijs van sijn anderen op 't naauwste verbonden in so verre dat men tot een bewijs van dien ten heijndigen dage nog de gewoonte hadde spreekende van bonij het selve te noemen bouton om de west en Bouton te bestempelen met de naam van bonij om d' oost anderen trouwe
English
From Makassar the 11th of June 1772 From Makassar the 11th of June 1773 will send cruisers confirmation of the ruler's bad and faithless conduct would give, but that I nevertheless requested that he would not merely confine himself to writing to them in general terms, but to present all the facts to them in particular, along with the danger into which they will unavoidably plunge themselves if, not desisting from the conduct maintained until now, they do not henceforth strictly abide by the contracts; furthermore, making it known that I, considering that in this year an English ship or ships might easily arrive there again, intended to send a pair of vessels to the Strait of Bouton in order to prevent such ships, as well through protests as all other smugglers, from entering the Boutonese bays, and therefore requested to know whether His Highness also had any objections thereto, which was answered by him with No, adding that this would be very good. I further submitted to the ruler that it appeared to me that not precisely all grandees of the realm were equally guilty, but the ruler having promised me hereupon to have the draft of the letter to be sent submitted to me for review in order to add everything that I might deem necessary, requesting that the chief interpreter Brugman might assist him in the drafting thereof, which I likewise demanded of the Shahbandar Voll, the same further continued that it was known that the King of Bouton two years ago had sent a vessel with cloves to Pamana, where the same were sold for forty Spanish Rijksdaalders the picol, and subsequently sent on from there with a Wadjorese vessel to the Manilas, and that it was also true that things on Bouton did not proceed as previously when His Highness was there in person, among the same were some who did not at all approve of the King's conduct, although they possibly out of fear of his hatred did not dare to oppose him, among been. From Makassar the 11th of June 1772 The 11th of June 1772 From Makassar to deal with Mandarese been when proper assemblies were held concerning all matters of importance, as he had attended them himself, but that the present King did almost everything alone without communication with the grandees of the realm; that in order to be further informed of one thing and another, if it were deemed good, he would summon the Boutonese envoy to his presence in order to interrogate him as much as possible, to which I having fully agreed, I further submitted that His Highness's words confirmed me all the more in my aforementioned opinion, since the grandees of the realm must with good reason be displeased with the despotic conduct of the ruler, and that I wished to hope that the embassy and the letter might have a favorable effect, to which he only replied: if they will listen to no advice, they must await what will become of it, for then I have done everything that I am obliged to do. This subject having thus been settled to my satisfaction, I would gladly have spoken to the ruler concerning the satisfaction hitherto failing, promised by the Mandarese for the captured bark De Vrijheijd, but I found no opportunity for this without exposing myself to his usual temper, which could easily have rendered what had been established thus far illusory; wherefore I judged it best for the present to refrain from that, as well as to mention anything of the act of succession, since the demise of Prince Latanricappae having preceded, the measures in that respect can be laid with greater foundation; besides that, His Highness immediately, reiterating what had already been communicated to the merchant Voll, made known to me his grievances concerning the actions of Arou Pantjana, in which respect I promised His Highness not only to send the assistant interpreter Israel Pietersz to Sagerie with one of His Highness's servants, but also to request the Queen of Tanette likewise to grant someone on her behalf, From Makassar the 11th of June 1772 From Makassar the 11th of June 1772 as well as dispatched the interpreter Blij for the aforementioned purpose to the Queen of Tanette, who upon his return reported to me that Her Highness had none of her grandees of the realm at hand here, but that she would send along an emissary with a letter to Arou Pao Pao to order him to surrender the Bonese fields that he might be found to have taken for himself, in order to settle those disputes amicably, for which he expressed his thanks, communicating that he would appoint the Glarang of Bontuala for that purpose, while I subsequently took my leave and departed. Sunday the 16th, nothing occurred. Monday the 17th: The King of Gowa had his interpreter Corra inquire after my health. In the afternoon, the assistant interpreter Pietersz departed for Sagerie in company with the Glarang of Bontuala on behalf of the King of Bone and an emissary of the Queen of Tanette, the latter with a letter from the Queen to Arou Pao Pao. Tuesday the 18th: Nothing occurred. Wednesday the 19th: The Bouton envoy present here requested, through his interpreter, an audience for such day and hour as I should deem fit, which I then granted and appointed for tomorrow before noon at nine o'clock. Furthermore, I sent the chief interpreter to the Regent to admonish him once again to pay the debt of the realm, but upon his return received the old answer that he was not yet capable of doing so, but was doing his best as much as possible. Thursday the 20th: Having appeared before me and being seated, I asked him whether he, besides the delivery of the letter and slaves received by him, had any other.
Dutch transcription
303 Van Maccasser den 11: Iunij 1772 Van Maccasser den 11:' Junij 1773 — kruijssens sal senden confirmatie van des vorsten slegt en dis trouwe soude geeven dat ik egter versogt dat hij sig niet enkeld bepaalen wilde om haar in algemeene termen te schrijven maar haar de feijten alle in 't bijsonder voortehouden met het gevaar waar in sij sig onver„ mijdelijk sullen storten wanneer sij van het tot dus verre gehouden gedrag niet afsiende voortaan sig stiptelijk komen te houden aan de contracten voorts te bekendmaking dat men kennen geevende dat ik buijten des ingedagten dat er in dit jaar lichtelijk weder een Engelsche schip of scheepen aldaar souden kunnen arriveeren voorgenomen hadde een paar vaartuijgen ona de straat Bouton tesenden ten eijnde de sulke so wel door prootesten als alle verde smockelaars d'entrance van de Boutonse baijen te beletten en dierhalven versogt te mogen weeten of sijn hoogheijt daar op ook eenige beden„ kelijk hadde het geen door hem met Neen b'ant„ sijnde onder bijvoeging dat sulx seer goed soude sijn so hield ik den voast verder voor dat het mij toescheen dat juijst alle rijksgrooten met even schuldig maar den vorst mij hier op hebbende toegesegt om het concept van den aftesendene brief aan mij ter resumtie te sullen laaten aanbieden ten eijnde en alles bij te voegen wat ik noodig mogte oordeelen met versoek dat den oppertolk Brugman hem in't opstellen van deselve mogte adsisteeren 't geen ik quasie aan den sabandhaar voll demandeerde so vervolgde den selven wijders dat het bekend waare dat de koning van Houton voor twee Iaaren geleden een vaartuijg met Nagulen ona Pamana hadde gesonden alwaar votig gedrag deselve tegens veertig Rijxd„s spaans de picol verkogt en vervolgens van daar met een wadsjorees vaartuijg na de Maniehas waaren voortgeschikt en dat teffens waar was dat het op Bouton niet toeging gelijk bevoorens toe sijn hoogheijt daar in persoon was onder deselve sommige waaren die skonings gedrag gantsch niet approbeerden schoon sij mogelijk uit vreese voor sijnen haat sig niet tegen hem derfte kanten onder geweest 305 Van Maccasser den 11: Iunij 172.— Den 11e: Junij 172 Van Maccasser Mandareeten te handelen geweest wanneer en over alle saaken van belang behoorlijk vergadering waare gehouden gelijk hij daar bij selve geadsitteert hadde dog dat den tegenwoordigen koning genoegsaam alles alleen deede sonder communicatie met de rijksgrooten dat hij om nader van het een en ander onderrigt teweesen den Houtonse gesant sulks met goedgevonden sijnde bij hem soude laaten komen om den selven so veel mogelijk uijt te hooren t geen ik volkomen toegestamt hebbende so diende ik verder dat mij sijn hoogheijts seggen te meer in omijn voor„ schrijven gevoelen bevestigde also de rijksgrooten met reden over het despoticq gedrag van den vorst misnoegt moesten weesen en dat ik hoopen wilde dat het gesantschap en den brief eene voordeelige uit„ werking mogte hebben waar op hij eenlijk repliceerde indien bij na geen raad luisteren willen moeten zij afwagten wat er van worden sal want dan hebbe ik alles gedaan wat ik gehouden ben Dit onderwerp dus na mijn genoegen afgehandeld sijnde hadde ik gaarne den vorst onderhouden over de tot geen ocassie om voor de dus verre agterblijvende voldoening door de Mandhareesen toegesegt voor de afgeloopene Bark de vrijheijd maar ik vond daar toe geen geleegentheijd sonder mij te exponeeren aan sijne gewoone oploopentheid die het tot dus verre vast gestelde lichtelijk illusoir soude hebben kunnen maaken waarom ik best oordeelde daar van voor tegenwoordig so wel als te sien als om iets op te haa„ len van de acte van successie vermits de besuijdenitse van den Prins Latanricappae voorgegaan sijnde de maat„ regulen indien opsigte met meerder grond sullen kunnen gelegt worden buiten dat sijn hoogheijt mij aanstonds bij herhaaling van het reeds gecommuniceerde aan den koopman voll sijn beswaarnisse te kennen gaf over de gedoentens van Arou Pantjana ten welken opsigte ik sijn hoogheit toeseijde den ondertolke Israel Pietersz met alleen na Sagerie sullen senden met een van sijn hoogheits bedienden maar ook om de konin„ „ginne van Tanette te sullen demandeeren insgelijks sijnde iemand 307 Van Maccasser den 11 Junij 172 — Van Maccaser den 11 ' Junij 1712 — iemand haerentwege meede te geeven mitsgaders den tolk Blij ten eijnde voorsz: aan de koninginne van Panette af„ vaardigde die mij bij retour te rug bragte dat haar hoog„ heijts hier oniemand van haar rijksgrooten aan handen hadde dog dat sij een sendeling met een brief aan Arou Pao Pao soude meede geeven om hem d'overgave van de Bonijse velden die hij mogte bevonden worden na zig genomen te hebben te ordonneeren ten eijnde die dispu„ „ten in der minne bij te leggen waar voor hij onder„ communicatie dat hij daar toe den glaarang van Bontuala soude benoemen sijn dank betuijgde. terwijl ik vervolgend mijn afscheijd nam en vertrok, Zondag den 16 niets voorgevallen 17: Liet den koning van goa door desselvs tolte corra Maandag„ na mijne gesondheijd verneemen Des nademiddags is den ondertolk Pietersz in gesel„ schap van den glarrang van bontualate van wegens Bij mij verscheenen en geseeten sijnde vroeg ik hem Donderdag „ 20 of hij buiten d' overbrenging van den brief en slaeven hem ontfangen Liet d' aanweesende Boutom gesant door desselfs Tolk woensdag „ 19 acces vragen tegen soodanige dag en uur als ik soude goedvinden 't geen ik dan g'accordeert en tegen morgen voor de middag ten negen uuren bepaald hebbe den selven over sulx op viel niets voor Dingsdag den 18: voorts hebbe ik den oppertolk aan den rijksbestienrden ge„ sonden om den selven alweeder aan te maanen tot betaaling van de Rijkschuld dog bij sijn reetour het oude antwoord bekomen dat hij daar toe nog niet vermogens was maar en so veel mogelijk sijn best toe deed, den koning van bonij en een sendeling van de koninginne van Tanette na Sagerie vertrokken de laatste met een brief van de vorstin aan Arou Pao Iav„ den eenige
English
From Makassar the 11th of June 1773 From Makassar the 1st of June 1772 had any order from the king and grandees of the realm to confer with me orally about one thing and another. His answer was no, but that he had to complain about the sergeant, who had so encumbered with his goods the vessel in which he, the envoy, had departed alongside him from Bouton that they had been obliged to add another vessel to it for the storage of his baggage and necessities. I asked him what the sergeant's goods had consisted of, and his reply was that it had been Binkoeroe, a kind of dye-wood, and ombis, being certain roots that serve for food in the absence of rice. Whereupon I pointed out to him that all of this was surely a trifle that could take up no great space, besides the fact that since they themselves were equipping the vessel they surely had the power to load their baggage and necessities into it first, and that subsequently whatever more the sergeant might have beyond what could be shipped in it would have to remain behind, without his being able to compel them to employ a second vessel; and that consequently these complaints amounted to little, all the less so if they wished to recall what was known to me regarding what had been brought by the said second vessel. Which matters having been left unanswered by him, and my repeated question being once again answered with no, I met him with all that had appeared to me of any note both from the report of Sergeant Steijnbach and the letter from the king and grandees of the realm, pointing out how both made evident the far-reaching violations of the so sacredly sworn contracts in the admission not only of all kinds of smugglers and vagrants, but also of Englishmen. Yet he kept pretending to be equally ignorant of everything, while at the same time maintaining the innocence of the court, both in this respect and regarding the defective delivery of the slaves still owed, in spite of my convincing arguments to the contrary, which he did not refute either, asserting it in so arrogant a manner that I deemed it useful to tell him that I could easily understand that his master would send no envoy hither whom he considered suspected beforehand of revealing or admitting his wrongful steps; but that I did not doubt that there would indeed be some among the Mantries, Councillors of State, or other Boutonese grandees who, if they were here under the Company's protection and in safety, would not hesitate to come out with the truth, from which they were now surely kept back by fear; that I, believing myself able with reason to foresee that the conduct of the Boutonese realm with respect to the Company would come to no good end, but would one day drag along with it the total ruin of the country and people, had no other purpose than to warn in good time all such grandees as might cherish their own welfare, desiring nothing more than that the misfortune and destruction of many innocent subjects might be prevented through a strict adherence to the contracts. And the envoy having merely replied to this that he would make a report of what had been discussed to his master, he requested that I likewise make mention of it in my letter, which I said I was indeed intending to do, as well as to dispatch shortly two of the Company's sloops to the Bouton Strait in order to protest against the arrival of English or other foreign ships that might appear there, to turn away all other vessels they might encounter that were not provided with proper passes, and to bring in the Cerammers if possible or send them to the bottom; demanding of him that upon his return he also communicate this to his master, and in my name request to show the departing vessels or their commander all help and assistance if needed, which he likewise agreed to. Furthermore, he requested on behalf of the prince that the the Bouton interpreter residing here might make a trip thither to present himself to his master, which I granted him on condition that he must appoint someone in his place with my approval to look after affairs here and supervise the Bouton quarter during his absence. Friday the 21st: Nothing occurred. Saturday the 22nd: This morning I received word that the King of Bonij, having notified the allies of the impending marriage between His Highness's daughter Datou Ri Tjitta and the son of the Queen of Tanette, Magoesila, had also dispatched a certain Arou Oedjong to Sideenring for that purpose; but that, having proceeded thither, he had received no audience with the Datou of that realm, despite his persistent request to be allowed to know the reason for it. Furthermore, I dispatched Merchant Voll to the King of Bonij with a draft or translation thereof in the Buginese language for a letter to the King of Bouton, as a result of the prince's promise to admonish the people of Bouton concerning the numerous breaches of the contracts, according to the entry under the 15th of this month. He was able to report back to me before noon to have discovered that the King of Bonij, being extremely offended by the insult done to him thereby in the person of his emissary, had expressed that this would delay the progress of the said marriage, as he demanded satisfaction beforehand on that account; it appearing to me that the grudge between Bonij and the late Datou Pamana, to whom the present Datou Sideenring is closely related, is to be regarded as the cause of the latter's conduct.
Dutch transcription
309 Van Maccasser den 11:' Junij 1773— Van Maccasser Den 1:' Junij 1712.— eenige last van den koning en rijksgrooten hadde om mij over het een en ander mondeling te onderhouden sijnant„ woord was neen dog dat hij sig beklagen moest over den sergeant die het vaartuijg waar meede hij gesant nieveons den selven van Bouton vertrocken was met sijne goe„ deren sodanig hadde belemmert dat sij genoodsaakt waaren geweest om nog een vaartuijgd er by te voegen tot berging van sijne bagagie en benoodigtheden ik vroeg hem waar in de goederen van den sergeant hadde bestaan en sijn replicq luijde dat het was geweest Binkoeroe een soort van verfhout en onbis sijnde seekere wortelen die bij gebrek van erijst tot voedsel dienen waar op ik hem voorhield dat het een en ander immers een kleenigheijt was die geen groote plaats konde bestaan behalven dat bij het vaartuig selve projecteerende immers de magt hadden om haare bagagie en noodwendigheeden er eerst in af te laden en dat vervolgens al wat den sergeant meer mogte hebben als er in konde worden afgescheept agter blijven moest sonder dat hij haar tot het emploij van een tweede vaartuijg soude kunnen nood„ saaken en dat oversulx deese belagten weijnig om 't lijf hadden teminder als sij sig wilde hernineeren wat omij nopens het aangebragte door het bewuste tweede vaartuijg bekend was welke een en ander door hem onbeantwoord gelaaten en mijn herhaalde vrage al„ weder met seen beantwoord sijnde diende ik hem te ge„ moed als wat omij van eenige speculatie so uijt het rapport van den Sergeant Steijnbach als de brief van den koning en rijksgrooten voorgekoomen is met voorhouding hoe uit het een en ander bleek de verra gaande overtreedingen van de so heijlig beswooren con„ tracten in de admissie niet alleen van allerlij sluijk„ handelaars en swervers maar ook van Engelschen dog hij hield sig van alles even ignorant blijvende tevens d' onschuld van 't hof so in dit optigt als de gebreckelijke voldoening der nog verschuldigde der slaeven in weer wil van mijne overtuijgende reedenen ter contrarie die worden hij 311 Van Maccasser den 11:' Junij 172 — Van Maccasser Den 1„e Junij 172 — die hij ook niet wederleijde op een so arrogantie wijse be„ weeren dat ik dienstig oordeelde hem te seggen hoe dat ik licht begrijpen konde dat sijn meester geen gesant heb„ waarts soude senden die hij voor shands verdagt hield om sijne verkeerde passen aan den dag te brengen of toe te stemmen dog dat ik niet en twijffelde oper souden onder de Mantries Rijksraeden of andere Houtorse grooten wel sulke sijn die wanneer bij hier onder sComp: protectie en in veijligheijd waaren niet souden schroomen voor de waerheid uit te komen waar voor sij nu seekerlijk door vaeere weederhouden wier de dat ik met reeden meenende te kunnen voorsien dat het gedrag van het Bou„ „tonse rijk met betrecking tot de comp: geen goed einde neemen maar eenmaal de totaele ruine van het land en volk ona sig sleepen soude geen ander oogmerk hadde dan al sulke grooten als hun eijgen welvaerd mogten lief hebben tijdig te waar„ schouwen als niets Liever wenschende dan dat het ongeluk en verderf van veele onschuldige onderdaanen mogte voorgekoomen worden door een stipte nakoming der contracten en hier op door den gesant eenlijk geantwoord sijnde van het verhandelde sijn meester rapport te sullen doen versogt hij om daar van insgelijx bij mijn schrijvens mentie te maaken 't geen ik seijde so wel van intentie te weesen als om eerlange twee van sComp: chaloupen na de straat Bouten te depecheeren ten eijnde tegen d' aankomst van Engelschen of andere vreemde scheepen die sig daar vertoonen mogte te protesteeren alle andere vaartuijgen die bij ontmoeten mogten sonder behoor„ „lijke passen voorsien afte wijsen en de cerammers des mogelijks op te brengen of in den grond te booven hem demandeerende om daar van sijn meester bij retour almeede Communicatie te geeven en uit mijn naam te versoeken om de apvaarende of wel de gesaghebber des nodig alle hulpe en bijstand te bewijsen het geen hij al meede aannam voorts versogthij uijt svorsten nam dat het de 303 Van Maccasser den 11: Junij 172 — Van Maccasser den 11: Junij 1772 — de alhier verblijf houdende tolk van Bouton een keer derwaarts mogte doen om sig aan sijn meester te ver„ toonen het geen ik aan den selven accordeerde onder voor„ waarde dat hij iemand in sijn plaats met mijne appro„ batie moet benoemen om geduurende sijn absentie de saaken alhier waar te neemen en opsigt te houden over de Lampong Bouton vrijdag den 21: niets voorgevallen Saturdag „ 22: Heden morgen ontving ik bericht dat den koning van bonij de bondgenooten hebbende doen kennisse geeven van het voorhanden sijnde huwelijk tusschen sijn hoogheijts dogter Datou Ri Tjitta en de zoon van de koninginne van Tanette Magoesila ook ten dien eijnde na sideeuring hadde gedepecheerd en see„ keren arou oedjong dog dat sig deese derwaarts be„ „geeven hebbende bij den datoua van dat rijk gen gehoor hadde gekreegen sonder in weerwil van sijn aanhou„ dend versoek om de reeden daar van te mogen weeten voorts hebbe ik den koopman voll aan den koning van Bonij afgevaardigt met een opstel of wel wans„ laat van dien in de Bougineese-taal tot een brief aan den koning van Bouton als een gevolg van svorsten toesegging om die van Bouton te sullen onderhouden over de meenigvuldige in breuken der contracten na het aangeteekende onder den 15 hujus die mij nog voor de middag tot bericht deselve te hebben kunnen ontdecken dat den koning van Bonij over het affront hem daar door in de persoon van sijn sendeling aangedaan ten uijtersten geraakt sig uit gelaaten hadde dat dit den voortgang van het gemelde huwelijk soude vertragen dewijl hij dierwe„ „gen bevoorens Satisfatie begeerde sijnde het mij voorge„ komen dat den wrok tusschen Bonij en wijlen Datou Pamana aan welken den tegenwoordigen Datou Sideen„ ring naauw vermaagdschapt is voor de oorsaake van des laast genoemdens gedrag te houden sij deselve bragt
English
315 From Maccasser The 11th June 1712 From Maccasser The 1st June 173 brought that His Highness, having fully approved the same, had only asked him whether he might still add something to it, and that he had answered this with yes, but having at the same time requested to be allowed to know what His Highness still had to add to it, the same had said: I shall also state that everything contained in the letter is completely the truth and in accordance with the contracts, and that for that reason I request my son's Buton king to listen to my advice so that we may remain friends. The aforementioned plenipotentiary also reported to me how the king had said that it had come to his ears that Mappa Datoua of Soppeng was about to come hither, and that this made him very despondent, because if that should happen, the marriage between His Highness's daughter and the son of the Queen of Tanette would then absolutely not proceed; that he had thereupon served His Highness that he could not believe such a thing and requested him not to lend his ear so hastily to all such rumors, and had received as an answer thereto that he only gave him notice of it so that he might govern himself accordingly, thereby also making it not indistinctly apparent how gladly he would see that one should prevent the arrival hither of the aforementioned Mappa by means of the Queen; wherefore, although such was otherwise neither to be thought nor believed, I found it advisable to have presented to Her Highness through the Malay Intje Sadoulla what had passed between the king and the often-mentioned plenipotentiary, with the request, in case Mappa contrary to expectation should have such an intention, to dissuade him from the same, pointing out the manifold harmful consequences that could arise therefrom. Highness Please 381 From Maccasser the 11th June 1772 From Maccasser the 11th June 1742 After this there appeared before me two emissaries of the former King of Tambora to inquire after my welfare while offering a small present of provisions, but who at the same time had orders, whenever I should ask after the health of their master, to give me as an answer that he lacked nothing in that regard, but in other respects very much so, having already come to the utmost extremity and being destitute of everything, even of the necessities for daily subsistence, and that he knew of no one to take refuge in except me. I charged the envoys in answer to tell their master with my compliments that if he wished to attend upon me himself, I would gladly receive him, as I was accessible to everyone, and that he could merely send to ask me for an audience, whereupon I would receive him at the very first having the time and opportunity thereto. Sunday the 23rd Nothing occurred. Friday 28th That this emissary having immediately returned, they That they, having received not the slightest answer in the first four days of their stay, had dispatched another to the same for that purpose; That upon their arrival at Segeri they had sent the emissary of the Queen of Tanette to Arou Pao Pao to make known to him the purpose of their commission; Sunday the 1st March Nothing passed. Monday 2nd The glarrang of Bontuala together with the interpreter Israel Pietersz, having returned from Segeri yesterday and having appeared before me today, gave the following report regarding their experiences: Tuesday 3rd The under-interpreter Blij, dispatched by me to the King of Boni Saturday the 29th to inquire after his welfare, reported 319 From Maccasser the 11th June 1772 From Maccasser The 11th June 173 had reported that Arou Pao Pao, under the pretext of having been ignorant until now of the purpose of their coming hither, because the letter brought to him by Tanette's emissary was not from the Queen but from one of his friends and made no mention of the matter, had promised, without lawful impediment, to come to them in two or three days, with this addition, however, that if their coming concerned only the disputed one hundred and four paddy fields, he could say nothing else about it than that the same truly belonged to the King of Boni and had been ceded to him for safekeeping by Arou Patjiro; That they subsequently having waited for him there three more days in vain, had resolved to return with this report; That they in the meantime also having asked Arou Pantjana why he had taken to himself and caused to be cultivated some paddy fields belonging to the King of Boni, the latter had brought forward in excuse that they had been handed over to him by the Boniers themselves because they found themselves unable to do so due to a lack of laborers; wherefore I, considering that the glarrang would have done better to inform me of his encounter through an emissary from Segeri than to return so quickly himself; Hereto the glarrang subsequently added that he, having made a report of all this as well as of some misdeeds committed by Arou Pantjana to the king his master, His Highness had charged him to request me to take such measures in that regard as I should judge expedient, leaving the matter entirely deferred to me; to him
Dutch transcription
315 Van Maccasser Den 11: Iunij 1712— Van Maccasser Den 1: Junij 173 — bragt dat sijn hoogheijt het selve volkomen g'approbeerd heb„ „bende hem eenlijk hadde gevraagd of hij er nog wel iets soude mogen bijvoegen en dat hij sulks met Da be„ antwoord dog teffens versogte hebbende te mogen weeten wat dat sijn hoogh: er nog bij te voegen hadde den„ selven hadde gesegd ik sal er nog bij stellen dat al het geene in den brief staat volkomen de waarheid en met de contracten over een stemmende is en dat ik dierhalven mijn soons Boutons koning:/ om die reden versoeke om na mijn raad te luijsteren op dat wij vrienden mogen blijven ook berichte mij gem: voll hoe den koning gesegt hadde dat hem ter ooren gekomen was dat Mappa Datoua van soping herwaarts stond te komen en hem sulks seer mistroosting maakte vermits het selve geschie„ dende het huwelijk tusschen sijn hoogheits dogter ende zoon van de koninginne van Tanette als dan vol„ strekt niet soude komen voortgaan dat hij sijn hoogheijts dogter en de soon van de koninginne van Tanette als dan volstrekt niet soude konnen voortgaan dat hij sijn hoogheijt daar op gediend hadde sulks niet te kunnen gelooven en versogt aan alle diergelijke gerugten so schielijk het oor niet te willen leenen en daar op tot antwoord bekoomen dat hij er hem maar kennisse van gaf om siger na te rigten daar meede niet onduijdelijk doende blijken hie hy gaarne soude sijn dat men „ middel van de koninginne van de herwaards komste van voorm: Mappa quame voor te komen weshalven ik op schoon zulks buijten des niet te denken nog te gelooven sij raadsaam vond haar hoogheits door den malijer Intje Sadoulla het verhandelde tusschen den koning en meerm: voll te doen voorhouden met versoek om in gevalle Mappa tegen verwagting sodanig voor„ neemen mogte hebben hem het selve af te raaden onder aantooning van de veelvuldige nadeelige gevol„ „gen die daar uit zoude kunnen ontstaan. hoogheits Pliea 381 Van Maccasser den 11:' Junij 1772 — Van Maccasser den 11' Junij 1742 Hier na verscheenen bij mij twee sendelingen van den geweesen koning van Tambora om onder aan„ bieding van een gering geschenkje van vivres na mijne welstand te verneemen dog die teffens dog die last hadden om wanneer ik na de gesondheijd van hun meester mogte vragen mij tot bescheijd te geeven dat hem daar omtrend niets dog in anderen opsigten weel ontbrak al reets tot 't uijterste gekomen en van alles zelfs van het noodige tot dagelijx onderhoud ont„ „bloot sijnde en dat hij tot niemand buiten mij toevlugt wiste te neemen ik gaf de gesondenen in antwoord last om hun meester onder mijne groetenisse te seggen dat so hij mij selfs wil de apwagten ik hem gaarne ont„ nangen soude alsoo ik voor een ieder te spreeken was en dat hij bij mij maar om belet laaten vragen konde wanneer ik hem ten Eersten de tijd en geleegentheijd daar toe hebbende soude afwagten Zondag den 23 niets voorgevallen vrijdag „ 28: Dat deesen sendeling aanstonds te rug gekeerd hun Dat sij daar op in d' eerste vier dagen van hun ver„ blijf geen het minste bescheijd gekreegen hebbende een ander ten dien eijnde aan den selven hadden afgevaardigt Dat sij bij hun komst op sagerie de zendeling van de koninginne van Tanette gesonden hadden aan Arou Pao Pao om hem het orgmerk hunner commissie bekend te maaken „zondagden 1: Maart niets gepasseert 2 Maandag „ 2 _„o De glarrang van Bontuala nevens den Tolk Israel Dingsdag „ 3 _:o Pietersz gisteren van Sagerie te rug gekomen en op heden bij wij verscheenen zijnde gaven wegens hun wedervaaren het volgende bericht, Den ondertolk Blij door mij na den koning van Boonij Saturdag den 29 afnaardigt om na sijn welstand te verneemen verte bericht 319 Van Maccasser den 11: Junij 1772— Van Maccasser Den 11:' Junij 173 — bericht hadde dat Arou Pao Pao onder voormendsel van tot dus verre van het oogmerk hunner herwaarts komste ignorant te sijn geweest, wijl den brief door Sanettes „maar zendeling aan hem gebragt niet van de koninginne van een zijner vrienden waare en van de saak niets gewaagde toegetegt hadde sonder wettige verhindereing over twee of drie dagen bij haar te zullen komen onder deese bijvoeging nogthans dat hij aldien hunne komste alleen betrofde questieuse Een hondert vier padij welden hij daar om„ „trend niet anders seggen konde dan dat deselve waar„ „lijk den koning van Bonij toebehoorende hem ter behou„ wing waaren afgestaan door Arou Patjiro. Dat sij vervolgens nog drie dagen ginter te vergeefs op hem gewagt hebbende te raade waaren geworden om met dits bericht te rug te keeren Dat sij intusschen tevens aan Arou Pantjana almeede hebbende afgevraagd waar omme hij eenige padij welden den koning van Bonij toekomende weshalven ik onder aanmerking dat den glarvang beter soude gedaan hebben mij door een sendeling van sagerie sijne ontmoeting te bedeelen dan selfs so spoedig te rug te komen Hier bij voegde den glarrang vervolgens dat hijf van dit alles so wel als van eenige door Arou Pantja„ „na bedreevene gemeldenarijen aan den koning zijner meester verslag gedaan hebbende sijn Hoogheijt hem in last gegeeven hadde om mij te versoeken daar omtrend zoodanige maatregulen te bevaamen als ik dienstig soude oordeelen als het een en ander volkomen aan mij gedefereert laatende na sig genomen en doen bewerken hadde deese tot ver„ schooning hadde ingebragt dat 'z hem door de Boniers selfs waaren overgegeven uit hoofde bij sig daar toe door gebrek aan werkvolk buijten staat bevonden na hem
English
From Maccasser, The 11th of June 172— Maccasser, The 11th of June 172 From ordered him to tell the king that I would anew have the queen of Tanette urged to appoint one of her grandees of the realm, in order to depart once again to Sagerie alongside the Company's interpreter and the glarrang or another Boni minister to be chosen by His Highness, and to order both Arou Pao Pao and Arou Pantjana to return the disputed paddy fields without any delay. Pursuant to which I also demanded the same of the chief interpreter Brugman, with orders to also put before Her Highness in emphatic terms how, from these simmering disputes and especially from the punishable conduct of Arou Pantjana, a new estrangement between her and the king of Bonij could easily arise again, to the considerable disadvantage of Her Highness, both regarding the marriage of her son Magoesila to the ruler's daughter, as well as in many other respects, and that it was therefore necessary to provide for this in a timely manner; adding that, as could not be unknown to her, the efforts exerted by the Company to restore the friendship between Bonij and Tanette, it would cause me extraordinary regret if all these attempts were rendered futile by the unlawful actions of her children and subjects. The glarrang having departed upon this and the chief interpreter having been with the queen in the afternoon, the latter brought me a report toward evening that the princess, excusing herself that she had none of her grandees of the realm here whom she could entrust with the execution of what was demanded of her, to which she was completely prepared, had promised and also immediately given orders to one of her messengers to have her Captain Dain Mazikie come hither from Tanette for the aforesaid purpose. Brugman also reported to me that the princess had told him, in private, by way of a complaint as she expressed herself regarding the marriage, that in that regard action was taken from the side of Boni in a strange manner, since Arou Oedjong, although a sworn enemy of the present ruler of Sidenreng, was deputed to the same to invite him to attend the festivities of the wedding, while the same was now accused of having affronted the king and the realm of Boni by refusing an audience to the said Arou Oedjong, whereas the Boniers themselves were the cause of this through the sending of this man. Wednesday the 4th Thursday the 5th Nothing occurred. Friday the 6th: The king of Bonij, having sent to request of me to send the merchant Voll to him once in order to assist him in the translation of a letter to the king and grandees of the realm of Bouton, I ordered the same to proceed thither and to also, on that occasion, communicate to His Highness that the queen of Tanette, upon my admonition, has promised to send her Captain Dain Mazikie with one of the Company's interpreters and the glarrang of Bontuala to Sagerie, to order Arou Pao Pao to surrender all the paddy fields that he had usurped from the Boniers, among which she nevertheless requested not to be included—as report was made to me regarding this—forty-seven pieces situated before the Negorij Peseeng named Lazirita, which belonged to her and which she had previously given on loan to Arou Patjvo, as appears from a sealed manuscript shown by her to the Tomilalang; as well as eight pieces situated between Sagerie and Bonta, likewise lawfully belonging to her and loaned to a Tanettereese woman, Ba Eda, but which, as well as the aforementioned 47 pieces, she had now taken back due to a shortage of paddy fields. Saturday the 7th: The merchant Voll, pursuant to the mandate given him, having proceeded this afternoon to the king of Bonyj, as he had been prevented in the morning by indisposition, brought me a report upon his return that His Highness, whom he found in so weak a condition that he could hardly even sit upright, had requested him to translate the letter in question to the king of Bouton into Malay, and furthermore that I would have the goodness to see to it that the paddy fields which Arou Pao Pao and Arou Pantjana had taken from the Boniers on Sagerie were restituted again; whereupon Voll, having made known my further message of yesterday, His Highness had expressed his satisfaction in that regard and had thanks conveyed to me for it. Sunday the 8th Monday the 9th Nothing occurred. Tuesday the 10th: The chief interpreter Brugman was sent by me to the king of Bonij to communicate that I had ordered him, Brugman, to depart for Sagerie alongside the sub-interpreter Pietersz, in company with the glarrang of Bontuala, in order to settle the dispute over the paddy fields between His Highness's subjects on the one side and those of the queen of Tanette on the other side. In the afternoon, there appeared before me two servants of the envoys of the king of Sumbauwa who arrived here today, to communicate their masters' arrival and to inquire when it would suit me to receive them, for which they were very eager on account of their troublesome journey; I have therefore appointed them for tomorrow morning at eight o'clock. Due to the delay of Dain Mazikie, Captain. Wednesday the 11th: Nothing occurred. Thursday the 12th: Just before noon, the king of Goa had his interpreter Borra inquire after my well-being and ask for an audience for commissioners, which I granted for tomorrow before noon.
Dutch transcription
321: Van Maccasser Den 1:' Junij 172 — Maccasser Den 11:' Iunij 172 Van hem gelaste den koning te seggen dat ik de koninginne van Tanette de novo soude laaten aanmannen om een harer rijksgrooten te benoemen ten eijnde andermaal nevens sComp: Tolk en den glarrang of een andere Bonijs minister door sijn hoogheijt te verkiesen na Sagerie te vertrecken en zo wel aan Arou Pao Pao als Arou Pantjana te gelasten om sonder eenig uijtstel de ques„ tieuse Padij velden weeder over te geeven, Ingevolge van 't welk ik sulks ook demandeerde aan den oppertolk Brugman met bevel om haar hoogheijt tevens in nadruckelijke termen voor te houden hoe uit deese trotteerende geschillen en voor al uit het strafwaardig gedrag van Arou Pantjana lichtelijk weeder soude kunnen gebooren worden een nieuwe verwijdering tusschen haar en den koning van Bonij tot merkelijk nadeel van haar hoogheid zo met betrecking tot hiet huwelijk van haar zoon Magoesila met 's vorsten dogter Ook berichte mij Brugiman dat de vorsten Den glarrang hier op vertrocken en den oppertolk Snademiddags bij de koninginne geweest sijnde bragt den„ selven mij tegen den avond tot rapport dat de voosten sig ver„ Schoonende hier niemand van haar rijksgrooten te hebben die zij d' uijtvoering van het haar gedemandeerde waar toe zij volkomen bereid was konde aan vertrouwen beloofd en ook ten eersten aan een haerer sendelingen ordre gegeeven hadde om haeren Capitain Dami Ma„ Zikie van Tanette ten eijnde voorsz: herwaarts te laaten opkomen als in veelen anderen opsigte en dat het dierhalven nodig waare daar in tijdig te voorsien onder bij voeging dat gelijk haar niet onbekend konde weesen de moeijte van de beijde van de comp: aangewend om de vriendschap tusschen Bonij en Tanette te herstellen het mij ongemeen soude reg„ retteeren dat alle dese pogingen door de ongevorloofde bedrijven van haar kinderen en onderdaanen illus ou gemaakt wierden als hem 323 Van Maccasser den 11:' Junij 172 — Van Maccasser Den 1:' Junij 173 woensdag den 4 Donderdag „ 5: hem als in 't particuliergelijk sij sig hadde uijtgebrukt omtrend het huwelijk bij wijse van klagte getegt hadede dat daar omtrend van de zeijde van bonij op een sonder„ linge wijte wierd gehandeld dewijl Arou oedjong schoon een geslagen vijand van den tegenwoordigen vorst van si„ „deenanig aan denselven was afgevaardigt om hem te mnro„ „digen bij de feestifiteiten der Bruijloft 't agisteeren ter wijl men den selven omu beschuldigde dat hij den koning en het rijk van bonij g'affronteert hade met het weijgeren van gehoor aan gemelde arou oedjong daar de Boniers zelfs door de sending van deesen er oorsaak van waaren, }niets gepasseerd vrijdag „ 6: Den koning van Bonij, mij hebbende laeten versoeken om den koopman voll eens bij hem tesenden ten eijnde han in de vertaaling van een brief aan den koning en rijksgrooten van Bouton t assitteeren bo: hebbe ik den selven gelast dig derwaarts te begeeven en om tevens bij die gelegentheid sijn hoogh: te communiceeren dat de koninginne van Tanette op mijne aenmaenning toegesegt heeft haaren capitain Dain Mazikie met een van sComp: tolken en den glarrang van Bontuala na Sagerie te sullen senden om arou Iao Pao de overgave te gelasten van alle de Pasij velden die hij de Boniers ontweldig hadde waar onder sij egter versogt niet begreepen te mogen worden gelijk mij dierwegens bericht gedaan is seven en veertig stuks gelegen voor de Negorij Peseeng gen:t Lazirita die haar toebehoorende en welke sij aan arou Patjvo bevoorens ter leen ge„ „geeven hadde blijkens een versegeld handschrift door haar aan den Tomilalang vertoond so meede agt stuks tusschen Sagerie en Bonca gelegen haar almeede wettig toekomende en aan een Tanettereese vrouw Ba Eda geleend dog die bij so veel als de voorm: 47 stuks thans mits gebrek aan Padij velden weder te rug genomen hadde bij 325 Van Maccasser Den 11: Junij 172. — Van Maccaser Den 1: Junij 172 — zaturdag den 7: den koopman vol ingevolge de hem gegeeven in mandatis he„ den nademiddags als des morgens door onpasselijkhoijd belet geworden sijnde sig bij den koning van Bonyj begeeven hebbende bragt mij te rug keerende tot rapport dat sijn hoogheijt die hij in een so swacke toestand gevonden dat selfs nauwelijks over end konde zitten hem hadde versogt den bewusten brief aan den koning van bouton in 't maleijts te trant„ lateeren en wijders dat ik de goedheid wilde hebben om te besorgen dat de Padij velden die Arou Pao Pas en Arou Pantjana van de Boniers op Sagerie hadde afgenomen weder gerestitueerd wierden op het welke hij voll mijn verdere boodschap van gitteren hebbende bekend gemaakt so hadde sijn hoogheid dierwegen sijn genoegen te kennen geven en mij daar voor laaten bedanken Zondag den 8. viel niets voor Maandag„ Dingtdag „ 10: sbe den oppertolk Borugman door mij na den koning van Bonij gesonden ter Communicatie dat ik hem Brug„ man gelast hadde om neevens den ondertolk Pietersz Snademiddags verscheenen bij mij twee bediendens van de op heden alhier gearriveerde gesanten van de koning van Sumbauwa ter communicatie van hunn meesters aankomst en om te verneemen wan„ „neer het mij soude convenieeren haart ontfangen waar ona sij mits hun suckelende reijse seer waaron verlangende ik hebbe haar dierhalven bescheijden tegen morgen achtend ten agt uuren Mits het agterblijven van dain Mazieki capitain Niets gepasseerd woensdag den 1 Liet den koning van goat even voor de middag door Donderdag „ 12: sijn tolk Borra na mijne welstand verneemen en acces vragen voor gecommitteerdens t geen ik geaccordeert hebbe tegen omorgen voor de middag„ in geselschap van den glawang van Bontuala na Sagerie te ver„ trecken, om de queste over de padij velden tusschen sijn hoog„ heijts onderdaanen ter eene en die van de koninginne van Tanette ter andere sijde afte doen, in van
English
327 From Makassar the 11th of June 1772 — From Makassar the 1st of June 1732 — from the Queen of Tanette. Although already summoned by Her Highness since last Tuesday the 3rd of this month, I sent the chief interpreter Bruigman to Her Highness to make it known that he had orders to depart this evening with the assistant interpreter Pietersz: and the glarrang of Bontuala for Sagerie, with the request that Her Highness would inform the same by letter or otherwise to proceed directly thither as well, or, if he should appear here in the meantime, to send him thither with the power to compel Arou Pao Pao as well as Arou Pantjana to surrender the paddy fields which they have taken from the Boniers. All of which she, according to Bruigman's report, has accepted, for which reason I immediately dispatched Bruigman and at the same time ordered him that, in case nothing came of the Queen's promise, or if Daio Maziki The first and third envoys of the King and Regency of Sumbawa, named Nene Ranga Cambang and Damong Mapping, having appeared before me this morning—the second, named Sangaria Arong, not having been able to accompany them due to indisposition—delivered to me the letter from their master, adding, upon my inquiry made to that end, that the King was well and that on Sumbawa everything was now at peace as well as in a better state than some time ago; likewise, that the Radeen Tommongong, who had been promised by the King to be sent hither as Friday the 13th: should stay away for a long time, to earnestly oblige both of those Tanette princes to make the surrender, without listening any further to any excuses; but that if they had any claims, they could address themselves to me, provided that they first comply without delay with the Queen's promise and my desire. 329 From Makassar the 11th of June 1772. — From Makassar the 11th of June 1772 — first envoy, could not be employed for that purpose due to illness. But after having exchanged some further indifferent conversation with them, they took their leave and departed. Furthermore, there also appeared before me from Goa the second shahbandar and the glarrangs Pao and Patjienongang, as well as on behalf of the Queen of Tello the glarrang Taleng, to pay a personal compliment, who, after enjoying a cup of tea, departed again with greetings to their masters. Saturday the 14th: Nothing occurred. Sunday the 15th: The Queen of Tanette having sent the Captain of the Malays to the license master Voll to make it known that the Datu of Lamuru and his wife, having come hither at the invitation of the King of Boni to attend the wedding of Her Highness's Tuesday the 17th: The same having accordingly appeared this morning, he informed me at length of his impoverished condition, so much so that nothing more was left to him to subsist with his few dependents, not only requesting me Monday the 16th: The former King of Tambora having asked for an audience with me, I appointed him for tomorrow. son Mangusila, intended to return to their country without awaiting the completion of that solemnity, out of displeasure over a certain dispute that had arisen between him, the Datu of Lamuru, and the said Mangusela, with the request to arrange that, in case they should urge me to do so, I would refuse this in order to prevent any bad consequences that might arise from that untimely departure; this having been presented to me by the said Voll, whereupon I promised what was requested. 331 From Makassar the 1st of June 1772 — From Makassar the 1st of June 1743 — to assist him in this his circumstance, but also to permit him to return to Bima with the designated commander. The former having been promised by me, I said that I could the less grant the latter as I could comprehend that he would be able to obtain the necessary livelihood better over there than here, but that I would see what I could arrange for his benefit, and in the meantime give orders to the commander to claim from Turelie Kankiloe such slaves and other goods as he had left behind upon his departure from Tambora and which he alleged had been taken mainly by the same, as well as a sum of 270 Spanish dollars which he had disbursed to his subjects here for their maintenance out of an amount of a similar four hundred Spanish reals taken up by him expressly from a certain Intje Sjone upon his arrival and before his dethronement, under the condition that they would Wednesday the 18th: Nothing occurred. Thursday the 19th: The King of Goa, while inquiring after my health, having requested a pass through his interpreter Borra for a small vessel to Bima, I In the afternoon I sent the assistant interpreter to the King of Boni to inquire after His Highness's health, and upon his return received report that the King was on the mend. restitute the same to him on Tambora. Regarding all of which he, upon my inquiry, testified to have kept proper notes, which he therefore undertook to provide to me. Furthermore, he also requested that in case I could not permit him to depart to the opposite coast, that at least his mother might be permitted to come hither; whereupon I had him answered that I would consider this further in due time; after which, having taken his leave, he departed.
Dutch transcription
327 Van Maccasser den 11:' Junij 1772 — Van Maccasser den 1' Junij 1732 — van de koniginne van Tanette Schoon reets sebert voor„ leeden Dingsdag den 3: deeser door haar hoogheit ont„ boden hebbe ik den oppertoek Bruigman bij haar hoog„ heijt gesonden ter bekendmaaking dat hij ordre hadde heden avond met den ondertolk Pietersz: en den glar„ „„ang van Bontuala na Sagerie te vertrecken met versoek dat haar hoogheid den selven door een brief of andersints wilde doen weeten om sig meede drreet derwaarts te begeeven of so hij intussesen hier verscheijnen omogte hem derwaarts te senden met magt om Arou Pao Pao so wel als Arou Pantjana tot de overgave der Padij relden die Sij de Boniers ontnomen hebben te noodsaeken welk een en ander zij volgens Borugant Rap„ port aangenomen heeft weshalven ik Buruig„ man ten eersten gedepecheert in teffens bevoolen hebbe om bij aldien er van s koningins belofte niet komen of wel dat Daio Maziki te De eerste en derde gesant van den koning en rijke gren erijdag den 13: „ten van Sumbauma in naamen Nene Ranga Cam„ bang en Damong Mapping, heden voordemidag bij mij verscheenen weesende de tweede in naame San„ „garia Arong mits indispositie niet hebbende kin„ „nen meede komen overhandigde mij den brief van hun meester met bijvoeging op mijn ten dien eijnde gedaane afvraage dat den koning sig wel bevond en op sumbauwa thans alles in ruste mitsgaders in beter toestand was dan voor Eenigen tijd her„ waerds so meede dat den Radeen Tommongong wel een door den koning toegesegt om herwaerts als lang agterblijven mogte beide die sametteese printjes met ernst tot d' overgave te verpligten sonder aan eenige uit„ vlugten verder het oor te leenenen dan dat bij wat 't eijsschen hebbende sig bij mij kunnen addresseren maar dat sij eerst aan s koningins toesegging en mijne be„ geerte sonder uitstel moeten voldoen lang eerste 329 Van Maccasser den 11:' Iunij 1772. — Van Maccasser den 11:' Junij 172 — eerste gesant te zullen worden gesonden door ziekte daar toe niet hadde kunnen gebruijkt worden maar na nog eenige onverschillige discoursen met haar gewitseld hebbende to versogten sij haar afscheijd en vertrocken voorts verscheenen almeede bij mij van goa de tweede sja„ bandhar en de glawangs Pao en Patjienongang mitsgad„s van wegen de koninginne van Tello de glarrang Ta. leng ter aflegging van een particulier compliment die na het nuttigen van een kopjen thee onder groete aan hunne meesters weder vertrocken Zaturdag den 14 Niets gepasseerd Zondag „ 15. De koninginne van Tanette den capitain der Maleijers gesonden hebbende bij den licentmeester voll ter bekendma„ king dat den Datoe van Lamoeroe en desselfs vrouw herwaarts gekomen op de noodiging van Bonij vorst ter bijwooning van het huwelijk van haar Hoog heets den selven dien volgens heden voordemiddag versche Dingsdag den 17. „nen sijnde gaf hij mij ii't breede te konnen zijne armoedige toestand in zo verre dat hem niets meerder was overgebleeven om met sijn weijnige aanhoorige te kunnen subsisteeren mij niet alleen versoekende om De geweesen koning van Tambora bij mij belet hebbende Maandag den 16 laeten vraegen hebbe ik den selven bescheiden tegen morgen zoon Mangoesila voorneemens was sonder de voltrecking van die solemniteijt af te wagten na hun land te rug te keeren uit miswegtheijd over seeker geschil tusschen hem Datoe Lamoeroe en gem: Magoesela ontstaan met ver„ „soek om te bewerken dat ingevalle bij hier toe bij mij mogten aanhouden laaten ik sulks weijgeren wilde ten eijnde en quaade gevolgen die uit dat ontijdig ver„ trek ontslaan mogten voor te komen wierd mij zulks door den gemelden voll voorgedragen waar op ik het versogte hebbe toegesegd, Zoon hem 331 Van Maccasser Den 1 Junij 172 — Van Maccasser Den 1 Junij 1743 — hem in deese zijne omstandigheijt te gemoed te komen maar ook te permitteeren met den geligeerd commandant na Bina te keeren het eerste door mij beloofd sijnde seijde ik het laatste bo min te kunnen toestaan als ik be„ grijpen konde dat hij ginter beter dan hier aan het nodige onderhoud soude kunnen geraaken dog dat ik zien soude wat ik ten sijnen voordeele konde bewerken en intusschen aan den commandant last te sullen geeven om sodanige slaeven en andere goederen als hij bij sijn vertrek van Tambora agter gelaeten hadde en die hij voorgaf dat voornament„ „lijk door Turelie kankiloe na sig genomen waaren van den selven so wel af te vorderen als een somma van 270 spaans die hij aan sijn onderdaanen alhier uit een bedragen van gelijke vier honderd spaanse reaalen door hem van zeekeren jntje Sjone expres opgenomen bij zijn opkomst en voor zijne detaoneering hadde uijtgereijkt tot hun onderhoud onder voor„ waarde van hem deselve op Tambova te zullen viel niets voor woensdag den i8 den koning van goa onder vrage na mijn welstand Donderdag „ 19. voor sijn tolk Borra om een pas hebbende laaten versoeken voor een kleen vaartuig na Bnna so hebbe 'S nademiddags hebbe ik den ondertolk gesonden na den koning van Bonij om na sijn hoogheits welstand te verneemen en bij desselfs retour berigt ont„ vangen dat den vorst sig aan de beterhand bevond, restitueeren van welk een en ander hij op mijne afvraage betuijgde behoorlijke aanteekeningen te hebben gehouden die hij oversulks aannam. mij te sullen besorgen wijders versogt denselven nog om ingevalle ik hem niet toestaan konde na d' overwal te vertrecken als dan ten minste aan sijn moeder mogte werden gepermitteerd herwaarts te komen, waar op ik hem deed repliceeren in der tijd hier over nader mijn gedagten te zullen laaten gaan waar na denselven afscheid genomen hebbende vertrocken restitueeren ik
English
From Maccasser the 11th of June 1772. From Maccasser the 11th of June 1742. I consented to that and immediately had the same handed over to that envoy. Furthermore, as a request was made to me by the interpreter of the Bouton envoy in his master's name to be allowed to retrieve his vessel from the shore, I not only granted this, but also ordered him to warn his said master to get ready to be able to depart in five to six days. Friday the 20th. The King of Bonij having sent his Tomilalang to me to announce that the Datu of Lamoeroe was preparing to return to his place of residence this afternoon without being willing to give any hearing to the request of the Queen of Panette to remain here until the completion of the marriage of her son to His Highness's daughter, with an urgent request to send someone on my behalf along with the Tomilalang to him to order him to do so. Further, upon the inquiry made by an envoy of the present Bimanese and Tamboran envoys to know when they might depart, I had them informed that they will receive their dismissal toward the end of next week. After this, the present envoy of the King of Sumbauma had permission requested from me to pay a visit to the King of Bonij in order to deliver the letter that had been handed to him by his master for that monarch, which I permitted. I gave the Captain Malay the necessary orders to order him to do so, who, upon their return along with the Tomilalang, brought me the report that Datu Lamoeroe had said that he had already abandoned his intention himself, and that he would therefore remain here for now in accordance with the Company's and Bonij's desire. From Maccasser the 11th of July 1712. From Maccasser the 11th of June 1743. Saturday the 21st. Nothing occurred. Sunday the 22nd. This morning there returned from the northern province of Sagerie the chief and assistant interpreters Brugman and Pietersz, together with the Glarrang of Bontuala, making the following report of their experiences: That immediately after their arrival at Sagerie, they had called all the regents together and questioned them as to whether they were aware that the paddy fields in question belonged to the King of Bonij, which was answered by all of them with yes. That, having subsequently waited for the arrival of the captain of the Queen of Panette, Dani Maziki, they had, immediately after his appearance, sent the Company's envoy Niga to Pantjana to request the governor, Aroe Pao Pao, either to come down himself or to send envoys to order the Panetterese who cultivated the said paddy fields to hand them over to the Boniers. Thus ran the report that I ordered Brugman. That the chief interpreter had further dispatched an envoy to Arou Pantjana to order him to surrender seven Boniers seized by his subordinates, but that he had pretended to know of no more than two, which he also surrendered at once while offering excuses for the cause of their seizure, promising nevertheless to have a search made for the remaining five and to send the same to Macasser upon discovery. That thereupon, the Soeroe Saallang having come on his behalf alongside Niga, they had proceeded with him to the border, and that the Panetterese had thereupon immediately surrendered all the Bonij fields in Sagerie, which were taken into possession by the Boniers, in such manner as all this had also taken place on Bonca. From Maccasser the 11th of June 1743. From Maccasser the 11th of June 1743. Monday the 23rd. To convey this, along with the Tomilalang, to Bonij's monarch, adding that I hoped His Highness would be completely satisfied with this, while the matter still in dispute regarding some other paddy fields in Peesing and Sagerie between him and the Queen could easily be settled as a matter that could easily be investigated here by the Tomilalang and Glarrang as well as the chief interpreter. This order of mine having been executed, Brugman brought me the report that the King had sent his highest thanks to me for the effort made in reconciling and settling this dispute, and had declared himself to be particularly well satisfied. Tuesday the 24th. Nothing occurred. Wednesday the 25th. I had the present envoy of Bouton appointed to receive the letter for the King and the grandees of the realm on Thursday the 26th. The same having appeared in the assembly hall before noon, I reminded him of my complaints about the behavior of the court on the occasion of his private visit on the 20th of February past, and that I had mentioned the main points thereof in my reply to the letter from the King and the grandees of the realm, admonishing him to do so orally as well, but at the same time to assure them that with what was said therein I intended nothing other than the true prosperity of the realm, and therefore wished to trust that my advice for a strict observance of the contracts existing between the Company and the same would find acceptance and compliance, and that nothing would be more agreeable to me than to experience this upon the return of the commissioners for the extirpation of spice trees, whom I at the same time instructed him to ensure were dispatched early so as to be able to return here at least in October. All of which he having promised, I handed him the letter, wishing him a speedy departure.
Dutch transcription
333 Van Maccasser den 11: Junij 1772. — Van Maccasser Den 11:' Junij 1742— ik daar in bewilligt en deselve ten eersten aan dien zende„ ling doen inhandigen voorts door de tolk van den boutons gesant uit sijn meesters naam bij mij versoek gedaan sijnde om sijn vaartuig van de wal te mogen haelen hebbe ik sulks niet alleen g'accordeert maar den selven ook gelast om gem: sijn meester te waarschouwen sig gereed te maaken om over vijf a ses dagen te kunnen vertrekken drijdag den 20: de koning van bonij sijnen Tomilalang bij mij ge„ sonden hebbende ter bekendmaaking dat den datoe van Lamoeroe sig prepareerde om heden middag te rug te keeren na sijn woonplaats sonder Eenig gehoor te willen geeven aan het versoek van de koninginne van Panette om tot de voltrekking van het huwelijk van haar zoon met sijn hoogheits dogter alhier te verblij„ „ven met instantie om redmand ijnent wegen nievens den Tomilalang aan den selven te zenden om hem wijders hebbe ik op de gedaane informatie van een sen„ „deling der aanweesende Bimase en Tamborase gesanten om te mogen weeten wanneer ze zouden kunnen vertrecken haar doen verwittigen dat z tegen het laast van d' aanstaande week hun afscheid zullen krijgen, Hier na liet de aanweesende gesant van den koning van Sumbauma mij consent versoeken tot het doen eener visite aan den koning van Bonij ten eijnde den brieff te bestellen die hem door sijn meester voor dien vorst was inhandigt 't geen ik toegestaan hebben sulkis te gelasten so hebbe ik daar toe den capitain maleijer de nodige ordre gegeeven die mij nevens den Tomilalang bij hun retour tot keer bericht bragten dat dat oe Lamoe„ roe gesegt hadde selfs reets van sijn voorneemen te heb„ ben afgesien en dat hij oversulks alhier conform s Comp: en Bonijs begeerte voor eerst verblijven soude zulks 335 Van Maccasser den 11 Julij 1712 Van Maccasser Den 11„' Junij 173. — Zaturdag den 21: Niets gepasseerd Zondag „ 22„' Hleden voor demiddag reverteerden van de onoorde pro„ vintie sagerie den opper en ondertolken Brugman en Pietersz nevens den glarrang van Bontuala doende van hun weedervaaren het volgende rapport Dat sij aanstonds na hunne komst op sagerie alle de regenten bij den anderen geroepen en afgewraagd hadden of hun bewust was dat de padij velden in quastij den koning van Bonij waaren toebehoorende het geen door alle deselve met Ja beantwoord was, Dat zij vervolgens op de komst van de capitain van Ianettes koningin Dani Maziki gemagt hebbende terstond na desselfs verschijning sComp: zendeling Niga na Pantjana hadden gesonden om den steedehouder Aroe Pao Pao te versoeken zelfs af te komen dan wel sendelingen te zenden om de Iaret„ tereesen die gesegde padij velden bewerkten d'overgave Dus zuijde het rapport dat ik brugman gelast Dat den oppertolk wijders een sendeling aan Arou Pant„ „jana hadde afgevaardigt om hem d'overgave te gelasten van zeven Boniers door sijn onderhoorige opgevat dog dat deese voorgegeeven hadde van niet meer dan twee te weeten die hij ook aanstonds onder verschooning van d' oorsaake hunner opvatting hadde overgegeeven met toesegging nogthans na d' overige vijf te zullen laaten soeken en deselve bij ontdecking na Macasser te zenden Dat hier op nevens Niga sijnent wegen gekomen sijnde den soeroe saallang, zij met den selven sig na de limitscheij„ „ding hadden en dat de Panettereesen daar op al aanstonds alle de bonijse velden op sagerie overlaten hadden die door de Bomen waaren in bezit genomen in voegen dit een en ander ook plaats gehad hadde op Bonca derselve aan de Boniers 't ordonneeren derselve hebbe 337 Van Maccaser Den 11 Junij 173 — Van Maccasser Den 1: Juij 173 Maandag den 23:' nevens den Tomilalang aan Bonijs vorst te doen onder bij „voeging dat ik hoopen wilde dat sijn hoogheid hier meede volkomen voldaan soude weesen terwijl het nog in geschil. zijnde omtrend eenige andere padij welden op Peesing en sagerie tusschen hem in de koninginne lichtelijk soude kunnen worden afgemaakt als een zaak die door den Tomilalang en glar„ „vang so wel als den oppertolk alhier gemackelijk konde worden ondertogt. Deesen mijnen last uijtgevoerd sijnde bragt omij brug„ „man tot bericht dat den koning mij voor de aangewonde moeijte in het verevenen en bijleggen van dit verschil ten hoogsten liet bedanken en betuijgd hadde en bijsonder over vergenoeg te zijn, Niets voorgevallen Dingsdag „ 24. woensdag „ 25„ Hebbe ik de aanweesende gesant van Bouton doen appoincteeren tot den ontfangst van den brief voor den koning en Rijksgrooten tegen, Den selven heben voor de middag in de vergader zal ver„ Donderdag den 36 scheenen zijnde hermnerde ik hem mijne klagten over het gedrag van het hof ten gelegentheid van sijne particuliere visite op den 20 februarij passato en dat ik het voornaamste daar van hadde aangehaald bij mijn antwoord op den brief van den koning en rijksgrooten hem vermaanende zulks ook mondeling te doen dog haar tevens te versekeren dat ik met het daar bij gesegde niet anders beoogde dan den weesentlijken welstand van het Rijk en dier„ halven vertrouwen wilde dat mijnen raad tot eene stipte nakoming der contracten tusschen de compagnie en het zelve subsisteerende ingang en opvolging soude winden en dat mij niets aangenamen soude weesen zulks t ondervinden bij het retour van de commissianten tot d'uit„ weijing van specerij boomen die ik teffens hem belaste te besorgen dat vroegtijdig omogten gedepecheert worden om ten minste in october alhier te rug te kunnen. keeren alle het welke hij toegesegt hebbende overhandigde ik hem den brief onder toewensching van een voor„ verte Spoedige
English
From Makassar the 1st of June 172. From Makassar the 11th of June 172. prosperous journey, took his leave, and was escorted to his vessel with the customary ceremonial. Friday the 27th. Nothing occurred. Saturday the 28th. The first and third envoys of the king of Sumbawa having appeared before noon today at my residence upon my invitation, I informed them that, upon reviewing the letter from the king and dignitaries of the realm which I showed them, I had found an obscurity regarding the remaining debt of the realm due to an erroneous calculation of the sappanwood. I demonstrated clearly to them that, just as it was agreed in that letter that in the previous year, before the sappanwood was delivered, they had remained indebted for a number of one hundred forty-three slaves, no dispute could arise from this if they, alongside the Company, simply adhered to the calculation of sappanwood, that is, forty picols for each slave. Thus, having been indebted for the aforementioned one hundred and forty-three slaves, they owed picols 5720: and having delivered picols 3136: they consequently still had to deliver picols 2584: all of which they said they understood well, and that consequently a clerical error resided in that letter. Furthermore, I instructed them that, upon their return to Sumbawa, they should admonish the king and dignitaries of the realm in my name to immediately have a sufficient quantity of wood brought into stock in anticipation of the arrival of the ship Tulpenburg. I further told them that, since I had no money in stock here due to the delay of the bark Dida, I could not accommodate them with that, but that I had nonetheless given authorization to the commander, if necessary, in addition to the cash payment for whatever will be delivered above the debt, to also pay a portion in cash for what is delivered in reduction thereof. For this they expressed their gratitude, promising to do their best to ensure that the cutting would proceed with the utmost speed. Subsequently, they requested to be informed how the people of Sumbawa should conduct themselves upon the arrival of vessels from here that occasionally came there to buy slaves without the prior knowledge of the shahbandar. To this I replied that it was unknown to me which vessels were meant by that, though it went without saying that no vessels from here were permitted to sail thither except with a proper pass, and that if found to the contrary, such vessels could without hesitation be detained and taken into custody as illicit traders in order to be handed over to the Company. Lastly, they reported to me that they had already several times requested an audience with the king of Boni without having been received up to now. To this I gave them as an answer that this undoubtedly had happened due to his highness's illness, but that I would have inquiries made about it. Sunday the 29th. I sent the assistant interpreter Bolij to the king of Boni to inquire whether and when it would be convenient for him to receive the envoys of Sumbawa, who brought me word that his highness had set this for tomorrow, of which I had them notified. Tuesday the 31st. The Tamboran Jenelis, La Omoong and Anowo, who have resided here until now with the deposed king, having requested of me to now return to their country, I granted them this; but a similar request from Jeneli Twoe, the principal instigator of the fire of discord between the aforementioned former king and the subjects, I definitively denied, and warned him to beware of departing from here. Wednesday the 1st of April. I sent the assistant interpreter Bolij to inquire after the health of the king of Boni. Monday the 20th. The envoys of Sumbawa having had an audience with Boni's ruler today and delivered their master's letter to him, his highness had the same offered to me towards noon so that I might take a reading of it, for which I sent him my friendly thanks.
Dutch transcription
339 Van Maccasser Den 1: Junij 172. — Van Maccasser Den 11: Iunij 172 — spoedige reijse maar na zijn afscheijd nam en met het gebruikelijk ceremonieel na sijn vaartuig begeleijd wierd Vrijdag den 27. Nies gepasseerd Zaturdag „ 28: deerste en derde gesant van den kooning van Sumbauwa heden voordemiddag op mijne evitatie aan mijn wooning verscheenen zijnde, gaf ik haar te konnen bij den brief van den koning en rijksgrooten die ik haar vertoonde eene duijsterheijd gevonden te hebben nopens de restant schuld van 't rijk door een abusive bereekening van 't sappanhou. en toonde haar duijdelijk aan dat gelijk men het met dien brief eens was dat sij in het voorleeden jaar voor dater sap„ opanhout geleverd was een getal van Een honderd drie en veertig slaaven waaren schuldig gebleven er geen questi uit ontstaan konde als bij nevens de comp: omaar enkel bij de bereekening van Sappanhout bleeven dat is. veertig picols voor ieder slaap invoegen bij voor gem: len honderd en veertig slaeven schuldig geweest zijnde Picols en geleverd hebbende over sulks mog leveren moesten picols 2584: —: -5720:— 3136: —: Wijders hebbe ik haar gelast om bij hun retour op sumbau„ na den koning en Ryksgrooten uit mijn naam te vermaa„ „nen om ten eersten een genoegsaame quantiteit hout tegen de komste van het schip Tulpenburg in voorraad te doen brengen en haar wijders gesegt dat vermits ik door het agterblijven van de barke dida hier geen paije„ ment in voorraad hadde haer daer meede niet gerie„ ven konde dog dat ik egter aan den commandant qua„ lificatie gegeeven hadde om des nodig behalven de contante betaeling van 't geen er boven de schuld sal worden geleeverd ook een gedeelte van tet inmindering van dien gele„ werde in geld te voldoen waar voor sij hun dank betuijgden met belofte hun best te zullen doen om te besorgen dat er met het kappen ten spoedigsten wierd voortgevaaren vervolgens versogten zij g'informeert te mogen worden hoedanig die van Sumbauwa sig hadden te gedraagen by de komst al't welk sij zeijden wel begreepen te hebben en dat er oversulks bij dien brief een schrijffaut resideerde, al van 341 Van Maccasser den 11: Junij 172 — Van Maccasser Den 1:' Junij 172 — van vaartuijgen van hier die omi en dan ginter quamen om slaeven te koopen buijten voor kennis van den sabandhaar maar op ik haar diende dat mij onbeweust was welke vaartuijgen daar door wierden verstaan alto't van zelfs sprak dat geen vaartuijgen van hier derwaarts mogte vaaren dan met een behoorlijke pas en dat het tegendeel bevonden wordende de sodanige, sonder bedenking als looren draijers aangehouden en in verseekering konden genomen worden om aan de Compa„ pagnie te worden overgeleeverd, Laastelijk berechten bij mij reets verscheijdemaalen bij den koning van Bonij acces te hebben laaten vragen sonder tot nu toe g'accepteert te zijn waar op ik haar ten antwoord gaf, dat sulks ongetwijffeld door zijn hoogheijt ziekte bij geko„ „men weesen dog dat ik daar na soude laaten verneemen. Zondag den 29: zond ik den ondertolk Bolij na den koning van Bonij om te vermeenen of en wanneer het hem soude gelegen komen de gesanten van sumbauwa 't ontfangen den welken mij De Tamborase Genelies La Omoong en anowo met den afge Dingsdag „ 31: setten koning alhier tot dus lange verbleeven omij hebbende doen versoeken om als nu na hun land te keeren hebbe ik haar sulks toegestaan dog een gelijk versoek van Denelie Twoe de voornaamste stookebrand van het vuur van twist tusschen gem: geweesen koning en d'onderdaan en finaal ontzegt en hem aven waarschouwen om sig te wagten van hier te vertrecken. Hebe ik den ondertolk blij gesonden om oa de welstand woenddag den 1 A pril van den koning van Bonij te verneemen. De getanten van Sumbauwa heden bij bonijs vorst ter audien Maandag den 20:e tie geweest en hnijmeesters brief aan den selven overhandigt hebbende liet zijn hoogheijt mij deselve tegen den middag aan„ bieden om er lectuure van te kunnen neemen waar voor ik hem vriendelijk liet bedanken. tot bericht bragt dat sijn hoogheid sulks op morgen bepaald hadde waar van ik haar liet kennisse geeven tot quamen
English
From Maccasser the 1st of June 1713 — From Maccasser the 1st of June 1742 — Saturday Friday Thursday the 2nd: consecutively came to inquire after my welfare the envoys of the kings of Bonij and Goak and of the queens of Jelle and Tanette. Furthermore, I ordered the present envoys of Bima and Tambora to come to me this afternoon to take their leave and receive my letter for the overseas monarchs. They having accordingly appeared this afternoon, I handed them the letter after some casual discourse, with orders to earnestly admonish the kings of Bima and Dompo on my behalf upon their return home to make all possible haste with the cutting of sappanwood for the loading of the ship Sulpenburg, which they having promised, they subsequently departed. 3: nothing occurred. 4: The merchant Voll having gone this morning by my order to the king of Bonij with the Malay translation of a draft letter written by me in the monarch's name to the king of Sumbauwa, I received report upon his return that His Highness entirely approved of it, thanked me most kindly for the trouble taken in this matter, and at the same time had it communicated that the Datoe of Lamoeroe, who had come up to His Highness, and his wife were reconciled again with her mother, the queen of Tanette. Mr. Voll was also able to tell me now that there was talk of a marriage between the Pongauwa and the widow of the notorious Wadjoese Prince Datoe Pamana, who is a daughter of the queen of Tanette, of which I had already been informed a considerable time ago by a confidant, though it did not seem plausible to me because such Also the said Voll told me that the Malay Jntje Sedulla had likewise reported this to him, adding that she would now let the same depart for Lamoeroe, and that he had answered Intje Sedulla that the former pleased him, but the latter did not concern him but rather me, and that the queen therefore ought to inform me of it beforehand. was confirmed by no one, despite all careful inquiries. Nevertheless, Voll knew to add that the Datu of Soping was said to have written a letter to this sister of his, who with her daughter, at the invitation of Bonij's monarch along with others, came up a few days ago to attend the marriage between the son of the queen of Tanette, Magoesila, and a daughter of Bonij's king, Datoe Ritjilla, containing in substance a request that she would return to Pamana as soon as possible, since he had had bad dreams concerning her; also that yesterday some grandees of Pamana had come up to urge the princess to return, who excused herself from this, but consented to the taking along of her daughter, who then had also returned home with the said grandees. As well as that the Pongauwa was intent in every way on winning the affection of the queen mother, that he even performed court service for her, moreover taking care that wherever Datoe Pamana went, he made sure to be found there. That marriage appearing to me on the one hand of a most worrying prospect, and that possibly the entire conduct maintained by Bonij's monarch with respect to the queen of Tanette for some time, and principally since her arrival in October, only had the calculation of this objective in mind, I found it advisable to have the intention of the queen sounded out in this regard in the most cautious manner, out of fear that she might perhaps be weak enough to lend an ear to it in the hope of being able to be restored to the Lamoeroe seat again by this means. I therefore ordered the lieutenant of the Malays, Jntje Sedulla, as the most trustworthy person to be found for this, to carry out my intention in as concealed a manner as was at all possible, and above all not to give the slightest appearance that he had a mandate for this. In the forenoon, the Malay Intje Sedulla came to report to me that having had the opportunity yesterday evening to sound out the queen on the chapter of the marriage between the Pongauwa and the widow of Datoe Pamana
Dutch transcription
344 Van Maccasser Den 1:' Junij 1713 — Van Maccasser Den 1:' Junij 1742 — zaturdag„ vrijdag „ Donderdag den 2: „ quamen na den anderen na mijne welstand welstand verneemen de zendelingen van de koningen van bonij en goak en van de koninginneen„ van Jelle en Tanette voorts liet ik d' aanmeesende gesanten van Bnnia an Tambora aanseggen om heden na den middag bij mij te komen ter erlan„ „ging van afscheid en ontfangst van mijn brief voor d' over„ waesche vorsten deselve oversulks des ona de middags verscheenen sijnde overhandigde ik haar na een onverschillig discours den brief met bevel om de koningen van Bima en Dompo mij„ „nent wegen bij hun thuijs komst ernstig te vermaenen om alle mogelijke spoed te doen maaken met het kappen van sappanhout ter belading van het schip Sulpenburg 't geen zij toegesegt hebbende sijn sij vervolgens. - vertrocken 3: is niets gepasseert 4: Den koopman voll zig heden morgen ter mijner ordre bij den koning van Bonij begeeven hebbende met het maleijts Trans„ „laat van een concepet brief door mij op svorsten mnaam geschreeven aan den koning van Sumbauwa so kreeg ik bij sijn retour be„ „richt dat zijn hoogheijt het selve volkomen goed keurende Ook wist omij voll thans te seggen dat er gesproken wierd van een huwelijk tusschen den Pongauwa en de weduwe van den berugten wadjorees Prins Datoe Pamana die een dogter is van de koninginne van Fanette waar van mij reets voor een geruymen tijd door een vertrouwde insgelijx kenninx gegeeven wied dog niet aanneemelijk voorquam om dat sulks Ook zeijde gem: voll mij dat den Maleijer Jntje Sedulla hem sulks ook bericht hadde met bij voeging dat sij deselve alsnu na Lomoeroe soude laeten vertrecken en dat hij aan intje sedulla ten antwoord gegeeven hadde dat hem het eerste lief was dog het laaste hom niet maar wel mij aanging en dat de ko„ „mingin daar van oversulx aan mij alv oorens diende kenniss te geeven mij voor de genomene moeijte in deesen op t vriendelijkste bedanken en teffens communiceeren liet dat de bij sijn hoogheijt opgekomene Datoe van Lamoeroe en desselfs vrouw met haare Moeder de ko„ „minginne van Tanette weder beraeedigt waaren, mij door 346 Van Maccaser Den 4 Junij 173 Van Maccasser Den 1 Junij 173 niemand wierd geconfirmeerd in weerwil van alle omsigtige na vorschingen mogthans woest voll en bij te voegen dat den Poulipoe E van soping een briefje soude geschreeven hebben aan deese sijne zuster die met haar dogter op de noodige van Bonijs vorst nevens anderen voor eenige dagen opgekomen is ter bij wooning van het huwelijk tusschen de zoon van de ko„ „ringinne van Tanette Magoesila en een dogter van Bonijs koning datoe Ritjilla behelsende in substantie een versoek dat sij sig to spoedig mogelijk weeder ona Pamana wilde begeeven vermits hij quade droomen omtrend haar gehad hadde bo meede dat er gisteren eenige grooten van Samana waaren opgekomen om de Princesse tot te orug vertrek aan te maanen die sig daar van verschoond dog geconsenteerd hadde in het meede nemen van haar dogter die dan met gem: grooten ook weeder na huijs gekeerd was Mitsgaders dat den Pongauwa er op allerlij wijse op int was om de genegentheid te winnen van de koninginne Moeder dat hij zelfs bij haar hof dienst deede daar en boven er oppassende dat Da„ toe Pamana nergens quam of hij liet er tig vinden Dat huwelijk mij aan de eene kant van een aller sorgelijkst uitzigt toescheijnende en dat mogelijk het geheele gebrag door Bonijs vorst ten opsigte van de koninginne van Tanette sedert Eenigen tijd en voornamentlijk seaert haar opkomst in october gehouden alleen de bereeckening van dit oogmerk ten deel heeft vond ik geraaden de intentie van de koninginne daar omtrend op de voorsigtigste wijse te doen polsen uit bedugting dat sij moge„ „lijk swak genoeg soude weesen daar aan het ook te leenen in de hoope van weder door dit middel in den Loemoesen- zetel te sullen kunnen werden hersteld ik gaf dierhalven den Luitenant der Maleijers Jntje sedulla als de vertrouwste daar toe te vinden last om mijn inten„ tie op eene so bedekte wijse werkestellig te maaken als in„ „meas doenlijk was en voor al om geen de minste schijnte geeven dat hij daar toe immandatis hadde s voordemiddaags kwam de maleijer Intje sedulla mij rapporteeren dat hij gisteren avond gelegentheid gehad hebbende om de koningin op het chapitar van het huwelijk tusschen den Pongauma en de weduwe van Datoe Pamana Dat te
English
348 From Maccasser the 11th of June 1778 — From Maccasser the 11th of June 1778— to bring, had added to this that as yet there was nothing certain about that, upon his question whether that could indeed happen, adding that, although their origins differed greatly from one another, examples could nevertheless still be found where men of low birth were married to princesses of high birth, if some matters of importance could thereby be promoted; thus appearing not obscurely to make known that she would not at all be averse to such a marriage, or indeed to granting her consent to the same, if she could thereby gain her special interest, namely the acquisition of the kingdom of Loewoe. Upon this, I gave him instructions to resume that subject on a good occasion and to represent to the Queen that, having already been expelled from Loewoe three times, she had indeed shown she could be assured that, upon being restored, she would not have to suffer that unfortunate fate once again, when it would be even more unfortunate for her than the last time, since there The Malay Captain Abdul Cadier reported to me yesterday evening that he had been summoned to the Queen of Tanette, and that, having arrived there, the Queen had made known to him how her Captain Danig Masiki that same afternoon in the name of the Pongauwa had communicated to her his inclination toward the widow of Datoe Pamana, and requested her consent thereto, but that she had given Danig Masiki in substance this remarkable answer: indeed was no reason to despair that affairs in time were to take a happier turn if she were not too hasty, and furthermore to add various difficulties both regarding Datoe Pamana herself and others of her family, in order to place her, if possible, in embarrassment, and, that taking effect, then in confidence to advise her to address herself to me, setting forth all possible reasons to convince her that this is the best and most salutary means. indeed Although 350 From Macasser the 11th of June 1778 From Maccasser: The 11th of June 1778 — Although the origins between the two differ greatly, the example of such a marriage is found in a certain Anoe Backa Tosarra, who, although of low birth, raised to high status through his bravery, received in marriage a daughter of the old Radja Palacka. In the present case three principal difficulties arise; if the Pongauwa dares to take it upon himself to overcome them, I shall explain myself further. The first is whether he would undertake to procure satisfaction for me regarding the insult done to me by those of Loewoe; the second, whether he is capable of bringing about reconciliation between the King of Bonij, Mappa Poelipoe, and of Soping; and 3rd, whether he would be willing to bind himself to take no other or more wives than Datoe Pamana, for we will marry under no other conditions. Today toward the evening the Queen of Tanette sent merely to inquire after my well-being, but her messenger I had the messenger answered that I thanked the Queen for this communication, and further instructed the junior interpreter to wait upon the Queen tomorrow morning, and, without it being heard by her retinue, to say to her that it had surprised me to have received a message yesterday concerning the departure of Datoe Lamoeroe without having known anything of it beforehand, as ought nevertheless to have been done, since they, in accordance with the request of her and the King of Bonij on the 20th of March last, had been ordered by me to remain here until further orders; that I could not fail to put this to her in a friendly manner. returned around seven o'clock with the junior interpreter Blijkeman, pretending to make his excuses that he had forgotten to inform me in the name of his mistress that Datoe Lamoeroe, together with his wife, after having previously been reconciled with her through the mediation of the ruler of Bonij, had departed this afternoon back to their country. around to
Dutch transcription
348 Van Maccasser den 11:' Iunij 1778 — Van Maccaser den 11. Junij 1713— te brengen bij gesegt hadde dat daar aan als nog niets waare deger op zijn wrage of dat wel soude kunnen geschieden bij gevoegd dat of wel hunne afkomst veel van den anderen verschilde er nnog „thans wel voorbeelden waaren te vinden dat mans van een geringe met Princessen van een hooge geboorte waaren getrouwd als daar door Eenige zaaken van gewigt konden worden bevor„ „dert dus niet onduijdelijk schijnende te kennen te geeven dat zij juijt van een diergelijk huwelijk of wel tot het geeven haerer toestemming aan het selve niet avers soude weesen wanneer tij er haase bij sonder belang door winden konde en wel der verkrijging van het zoewoede- Rijk- Ik hebbe hem hier op in amandatis geven om bij goede ouasie dat onderwerp eens weeder te hervatten en de koninginne voor te houden hij bij reets drie Maalen uijt Loewoe verstooten immers gegoond hadde haar te kunnen gerusten dat sij weder hersteld wordende niet mogmaals dat ongeluckig tot soude moeten ondergaan wanneer het nog veel ongeluckiger voor haar soude sijn dan de laaste reijse daar er De capitain Maleijer Abdul Cadier berigte mij gisteren avond bij de koninginne van Panette te weesen ontboden en dat hij daar gekomen sijnde de koninginne hem bekend gemaakt hadde hoe haaren capitain Danig Masiki dien selven middag uit naam van den Pongauwa haar hadde gecommuniceerd sijne milinatie tot de meduwe van datoe Pamana en daar toe haare toestemminge versogt dog dat sij aan Danig Mazikie in substantie dit merk waardig antwoord hadde gegeeven immers geen reden was om te wanhoopen dat de saaken door den tijd een geliekiger keer stonden te neemen als sij niet te voorbarig was mitsgaders hier bij wyjders dese en geene swarigheeden te voegen so omtrond Datoe Pamana selfs als andere van hare famillie om haar des doenlijk in verlegentheijd te brengen en sulks van effect sijnde haar als dan in vertrouwen te raaden sig bij mij te adaresseeren met voorhouding van alle mogelijke redenen tot overtuijging dat sulks het beste en heijlsaamste middel zij immers Schomn 350 Van Macaser den 1: Janij 173 Van Maccasser: Den 11: Junij 173 — schomn de afkiomst tusschen beijden grootelijks verschild zo vind men het voorbeed van een sodanig huwelijk omtrend seekeren Anoe Backa Tosarra die alhoewel van geringe geboorte door sijne dapperheid tot en hoogen staat verheven een dogter van den ouden Radja Palacka ten huwelijk gekreegen heeft, In het tegenwoordig geval doen tig drie voornaame swaarigheden op so den Pongauwa op dig derft neemen om die t overwinnen sal ik mij nader verklaaren hit eerste is op hi soude aanneemen mij satisfactie te besorgen over den hoon die mij door die van Loenoe is aangedaan, het tmeede of hij in staat is om de versoening uit te werken tusschen den koning van Bonije„ Mappa Poenliepoe- E van Soping en 3: of hij dig soude willen verbinden geene andere of meer vrouwen te neemen dan datoe Pamana want wij willen onder geen andere voor„ maarde trouwen steden tegen den avond liet de koninginne van Tanette eenlijk na mijne welstand verneemen dog haar zendeling Ik liet den zendeling ten antwoord geeven dat ik de koningin voor deese communicatie bedankte en gaf voorts aan den ondertolk last om de koninginne morgen och„ „tend te gaan opwagten en sonder dat het van haare gevolg gehoord werd aan te seggen dat het mij verwonderd hadde gisteren een boodschap te hebben gekreegen nopens het ver„ „trek van datoe Lamoeroe sonder daar van iets bevoorens te hebben geweeten, gelijk nogthans behoord hadde ver„ omts zij conform het versoek van haar en de koning van Bonij op den 20 Maart passato door mij g'ordonneerd waaren tot nader ordre alhier te blijven dat ik niet hadde kunnen afweesen haar zulks in't vriendelijke omtrend seven uuren te rug gekomen met den onder tolk Blijkeman quasie sijn excus maken dat hij vergeeten hadde mij uijt naam van sijn meesteresse ten kennisse te brengen dat Datoe Lamoeroe nevens zijn vrouw na alvoorens met haar door bemiddeling van Bonijs- vorst te sijn versoend deesen middag na hun land te rug vertrocken waaren omtrend te
English
From Maccasser the 11th of June 1772 to bring before her, although I was willing to assume that this had happened not intentionally but by mistake. Tuesday the 7th: The assistant interpreter Blij, having carried out his message of yesterday this morning, brought me report that the queen of Tanette asked my pardon for her negligence, adding in excuse that, as she had not known otherwise than that the king of Bonij had informed me of the intended departure of Datoe Lamoeroe as well as of his reconciliation with her, she had not done so. Furthermore, she had told Blij, with permission to tell it to me, but at the same time with strict orders to hide it from the prince of Bonij, that when she was with his highness a few days ago, he had asked her various questions with the purpose of discovering to what extent friendship existed between the governor and her, and whether it might go too far for his liking, even having advised her, as it were, not to show too much trust in him, but that she had tried to persuade him that this friendship went no further than asking after each other's health now and then. In the afternoon, the present first envoy of the king of Simbauwa had me asked for permission to pay a visit tomorrow to the king of Bonij, to which I consented. Wednesday the 8th: The first envoy of the king of Sumbauwa having been with the Company's emissary Danig Mandjarekie to the king of Bonij, received a letter from him for his master, according to the report that said Danig Mandjareki brought me thereof. Thursday the 9th: The first envoy of the king of Simmbauwa having informed me of his paid visit to the king of Bonij and that he was now ready to depart, I had him and his companions appointed for the day after tomorrow to obtain their farewell. Friday the 10th: Nothing occurred. Saturday the 11th: The Sumbawa envoys having appeared before me this morning, I handed them the letter for the king and grandees of the realm, repeating my recommendation that upon their arrival there they should urge them on my behalf to make all possible speed with the cutting of sappanwood, which they promised, and thereupon took their leave. Sunday the 12th: Nothing happened. Monday the 13th: The queen of Tanette sent to inquire after my health, for which I returned my thanks with greetings. Furthermore, the lieutenant of the Malays, Intje Sedulla, came to inform me that he had again spoken privately with the queen of Tanette about the application made by her captain Danig Maziki on behalf of the Pongauwa for her consent to a marriage with her daughter, the widow Datoe Pamana; but that for the present he had been able to notice nothing else than that she treated this matter very indifferently since her answer given to him; however, he added that it was told to him by one of the friends of the king of Bonij that his highness would see to it that the Pongauwa succeeded in his aim, and had also added that if the reconciliation with Mappa had to be one of the conditions, nothing would come of it, but that other matters might well succeed. Furthermore, I sent the chief interpreter Brugman to urge the regent of Bonij once again most earnestly to pay the state debt, either in cash or slaves, and upon his return I received report that he would shortly assemble the Bonij grandees again and also inform the king thereof, in order to devise means for this purpose, adding that there would now be a chance for it because the Sawitto people and Aja-Taparang, having declared war on each other without his highness's knowledge, were to be condemned in fines according to the custom of the land. Tuesday the 14th: Wednesday the 15th: Having sent the chief interpreter Brugman to the king of Bonij to inquire whether his highness's emissaries had already departed for Bouton, and if this had not yet happened, to request that they might be dispatched as soon as possible because of the strong easterly winds setting in, he brought me report that one of them had only just arrived from the interior, but that they would undertake the journey within three to four days. Thursday the 16th: I sent the ordinary emissary Danig Mandjarikie to the king of Goah to inquire after his highness's health. Friday the 17th: The Bonij Soek Moentoe having appeared before me together with the Soellewattang of Tjetta, appointed as envoy to depart with the emissary Toabang for Bouton, and also the Nachoda Soalang, requested a pass from me in his master's name, which I promised with thanks for the presentation of the emissaries. Saturday the 18th: I sent the pass to his highness through the assistant interpreter Pietersz. Sunday the 19th through Friday the 24th: Nothing noteworthy occurred. Saturday the 25th: The resident of Maros, Van Rossum, having reported to me yesterday that a brother of Danig Mandgaroengi from a certain village of that district named Barobboso had abducted the wife and child of the subject Binbi, while the latter, having been falsely accused of having stolen a buffalo, had gone from his house to the native assembly in order to declare his innocence and show that he had actually purchased it, I sent the chief interpreter Brugman this morning to the king of Bonij to complain about this and to have the abducted persons returned, who upon his return brought me report that
Dutch transcription
354 Van Maccasser den 11 Junij 1772— Van Maccasser den 11. Junij 172 — te doen voorhouden schoon ik omij wel wilde verseekeren dat sulks niet met opzet maar door abuijs geschied waere, Dingsdag den 7: D'ondertolk Blij zijn boodschap van gisteren heden mor„ „gen volbragt. hebbende bragt mij tot berieht dat de koningin„ „ne van Tanette over haare nalaetigheid mij hiet excus ver„ soeken, tot verschooning bij Grengende dat zij niet beter heb„ „bende geweeten of den koning van Bonij hadde mij nan het voorgenomen vertrek van datoe Lamoeroe so wel als van derselven versoening met haar kennisse gegeeven zij zulks niet hadde laaten doen, wwijders had zij aan Blij verhaeld wel met toestemming om het mij te seggen maar teffens met stricte last om het voor Bonij vorst te verbergen dat zij voor eenige dagen bij sijn hoogheit geweest zijnde denselven haar deese en ge„ ne vragen gedaan hadde met oogmerk om te ontdecken in hoe verre er tusschen den gouverneur en haar vriend„ schap subsisteerde en wel of die ook wat te verre De eerste gesant van den koning van Simmbauwa mij Donderdag „ 9: hebbende doen kennisse geeven van zijne afgelegde visite bij bonijs koming en dat hij thans gereed was te vertrecken De eerste gesant van den koning van Sumbauwa heben nevens woensdag den 8: Comp: sendeling Danig Mandjarekie bij den koning van bonij geweest sijnde heeft van den selven een brief ontfangen voor sijn meester volgens het rapport dat gem: Danig Mandjaveki mij daar van bragt snamiddags liet d' aanwesende eerste gesant van den koning van Simbauwa mij opermissie versoeken om een visite tegen morgen te gaan afleggen bij den koning van Bonij waar in ik geconsenteerd hebbe, mogte gaan na sijn zin als hebbende haar zelfs als 't waare geraaden om niet te veel gekennen aan den selven te ver„ trouwen dog dat bij hem hadde wagten te overreeden dat die vriendschap niet verder ging dan dat er over en weder eens na elkanders welstand wierd gevraagd mogte Lo 355 Van Maccasser den 1. Juij 1742— Van Maccasser Den 1 Junij 1731. Zondag den 12: Dingsdag „ 14: so hebbe ik hem nevens zijne meede maackers laaten appoincteeren tegen overmorgen ter erlanging van hun afscheijd vrijdag den 10„' viel niets voor Zaturdag „ 11: De Snmibauwareese gesanten heden voor de middag bij mij verscheenen sijnde inhandigde ik haar den brief voor den koning en rijksgrooten met herhaaling van mijne recom„ mandatie om bij hun komst aldaar deselve mijnent wegen aan te maanen om met het kappen van sappanhout alle mogelijke spoed te doen maaken 't geen zij toe zeijden en vervolgens hun afscheid namen niets gepasseerd Maandag „ 13 Liet de koninginne van Tanette maar mijn welstand vragen waar voor ik onder groete haar mijn dank deed betuijgen voorts kwam den Luitenant der Maleijers Jntje sedulla mij bekend maaken dat hij de koningne van Ianette nogmaals in 't particulier gesprooken hadde or het aan„ soek door haaren capitain Danig Maziki uijt naam van den Pongauwa gedaan om haar toestemming tot een huwelijk met haar dogter de weduwe Datoe Pamana dog dat hij voor als nnog niets anders hadde kunnen bemerken dan dat bij deese saak sedert haar gegeeven antwoord aan den selven seer onverschillig tracteer„ de dog hij voegde er bij hoe hem door een der bevienden van den koning van bonij gesegt waare dat sijn hoogheijt sig soude zien dat de Pongauwa in sijn oog wit kwam te slaagen omaan er ook tevens hadde bij gevoegde als de versoening met Mappa een der voorwaarde moeste weesen er dan niets van worden soude maar dat andere saa„ ken mogelijk wel souden kunnen gelucken wijders hebbe ik den oppertolk Brugman gesonden om den rijksbestierder van Bonij nogmaals op het evnstigste aan te maanen tot betaeling van de rijksschuld t sij in contanten als slaaven en ontving bij desselfs retour tot rapport dat hij eerlangde bonijse grooten nogmaals bij 357 Van Maccasser den 11:' Junij 1713 — Van Maccasser den 11: Junij 1772 — bij den anderen doen komen en er teffens den koning van ken„ „mtse geeven soude om middelen daar toe te beraemen met bijvoeging dat daar toe nu kans soude weesen ter saake de sourattareesen en Aja- Tanpaarang elkander buiten zijn hoogheijts voorweeten den oorlog verklaard hebbende na slands gebruik in boetens stonden te worden gecondem„ woensdag den 15 den oppertoek Brugman na den koning van Bonij gesonden hebbende om te verneemen op de sendelingen van sijn hoogheijts bereeds na Bouton vertrocken waaren en sulks ourg niet geschied sijnde te versoeken dat deselve ten spoedigsten mogte worden gedepecheerdt om de wille van de stork door komende ooste winden so braagt. mij den selven tot rapport dat eene derselve maar even uijt de binne landen was gearriveerd dog dat ze binnen drie â vier dagen de reijse souden onderneemen Donderdag „ 16: hebbe ik den ordinaire sendeling Danig Mandjarikie na den koning van goah gesonden om na sijn hoogheits welstand te vernemen Den bonijs soek Moentoe bij mij verscheenen sijnde nevens de vrijdagdan 17: soellewattang van Tjetta als gesant benoemd om met den sendeling Toabang na bouton te etrecken en zo meede den Nachoda Soalang versogt mij uit sijn meesters naam om een pas die ik onder dank zegging voor het vertoonen der sondelingen toegesegt en op door den ondertolk Pietersz aan sijn hoogheijd gemonden hebbe Saturdag „ 18: „sondag „ 19: niets noteerentwaardig voorgevallen vrijdag „ 24: Den resident van Maros van rossum omij op gisteren rapport Saturdag „ 25: gedaan hebbende dat een broeder van danig Mandgaroengi van seekere negorijen dat district genaamd Barobboso gerooft hadde de vrouw en kind van den onderdaan binbi terwijl deesen quasi beschuldigt een buffel gestoolen te hebben, van zijn huijs was gegaan na d' jnlandsche vergadering ten einde sijne onschuld te kennen te geeven en te toonen dat hij ze weesentlijk gekogt hadde to hebbe ik heden moe„ gen den oppertolk Brugman naar den koning van Ronij gesonden om hier over te doleeren en de geroofde te doen weder geeven welke mij bij te rug komst rapport bragt den dat neerd.