Inventory 3373
Coromandel · 580 pages · 213 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
sum of 180,000 pagodas had been pledged, and redeemed by her out of the purchase money of the lands and recognition, and also handed over to her upon granting the receipt, had remained in this city to be converted into cash for the benefit of the defeated Prince, I had the same seized and secured at once as soon as I gained knowledge of it, and also presented the same to His Highness the Subah, which I hope both His Highness and your Excellency will consider convincing proof of my goodwill. But regarding the cowles of the purchased lands, I find myself, without orders from the High Authorities in Batavia, unable to comply with His Highness's desire, since everything accomplished in that regard took place under their special orders, and your Excellency will also perceive most clearly from the aforementioned copy of His Highness's letter that nothing unreasonable has occurred in that respect. For all of which reasons, as well as because, as stated, envoys of the Honorable Company have traveled to His Highness the Subah to settle everything with His Highness himself, to commit no hostilities in the meantime, just as the Honorable Company on our side are also not at all inclined to undertake any matters in the least that could be detrimental to the friendship between the scriba and their Honors, but rather wish for its increase; however, if your Excellency should nevertheless proceed to any hostility, I leave all the consequences arising therefrom to your Excellency's account and responsibility, as the Dutch Company and we, representing their Honors here, declare ourselves innocent thereof. What more shall I write, signed: R. van Vlissingen, in the margin: Nagapatnam, the 16th of October Anno 1773. Which having been attentively deliberated upon, it was unanimously approved and agreed to fully confirm the same and, having translated it into the Persian language, to send it off as soon as possible, in order to get rid of the aforementioned ambassadors, who can be considered here as nothing other than very dangerous; the Meeting judging that, with regard to the purchased lands (since on the other two points regarding the surrender of the jewels and the Tanjore refugees, the necessary measures were already devised and determined by resolution of yesterday and herebefore, exactly as noted in the letters), one can do nothing other than what is stated therein, since matters are indeed so situated and occurred in that manner, and moreover the defeated Prince was by no means incompetent to sell, as the Subah and his son, through the instigations of the English—to whom credible rumors say the coastal places of that Principality were already promised before the beginning of the siege of Tanjore—now attempt to pretend; since neither he nor his ancestors since they came into possession of that Kingdom, nor even the Nayaks from whom they conquered it, were ever disputed, nor has anyone, much less the Carnatic Subahs, ever objected to the lawfulness of their granted prerogatives by virtue of which the Honorable Company, as well as the French and Danes, are settled in that Kingdom, or claimed that they had to be confirmed by higher authority, and this never-contradicted custom is thus an established law, and the law of nations must also be considered as such. Whereafter the Governor further demonstrated to the Meeting that, although the answer to the letters of the scriba and his son was now indeed drafted, one should nevertheless be mindful to devise means how best to resist the enemy if he, despite all the aforesaid reasonable representations and remonstrances, should proceed to acts of violence, and to protect the Company's possessions belonging to this city. For which reason His Honor made it known that he had deliberated at length with the Honorable Major and head of the Military here, Johan Ernst Godlob Haselman, and had him obtain the written advice of the Military Captains currently present here as to what could most safely be done if the Subah's aforementioned son should move down with an army toward the Kiwaloer district, whether to confront him with the Company's force or solely to secure this city with the garrison until assistance of 1,000 to 1,500 men from both Batavia and Ceylon is received, and to make an estimate of the manpower needed for the defense of Naoer once the projected batteries were placed there, so as to take a firm decision thereafter according to the juncture of time and circumstances. Which advice His Honor then also produced, and upon resumption was found to be of the following content: To
Dutch transcription
306 Somma van 180'000. pagooden ver„ pand geweest, en door haar uijt de koop- penningen der landen en recognitie in„ gelost, erge ook bij het verleenen van quitantie aan haar overhandigd, in deese stad verbleeven sijn, om deselve ten faveure van den overwonnen Vorst ten gelde te maaken, so heb ik deselve al ten eersten, so dra ik daarvan ken„ nisse kreeg, laaten aanslaan en gese„ cureerd, mitsg:s deselve sijn Hoogheijd den Souba gepresenteerd, het geene ik hoope, dat sijn Hoogheijd soo wel, als ouw Excellentie voor een Convincant be„ wijs mijner welmeenendheijd Consideree„ ren sal, dog omtrend de Cauls der ge„ kogte landen, bevinde ik mij sonder ordre van de Hooge Gebieders te Ba¬ tavia onvermogens, aan sijn Hoog„ heijds begeerte te voldoen, alsoo al het dierwegens verrigte op derselver speciale last geschied is, en ouw Excell: uijt de voorm:e Copij van sijn Hoog„ heijds brief ook ten klaarsten ont„ waaren sal, dat dierweegens niets on„ reedelijx plaats heeft; alwaaromme soo wel, als om dat gelijk gesegd 'er afgesanten van D' E. Comp: na sijn hoog heijd den Souba opgereijsd sijn, om alles met hoogst denselven te reguleeren; intus„ schen geen vijandelijkheijd te pleegen, Soo als D' E. Maatschappij van onse kant ook gansch niet geneegen sijn, eeni„ ge de minste saaken te onderneemen, die de vrindschap tusschen den scriba en haar Edele nadeelig kunnen sijn, maar veel meer derselver accressement wensche, dog indien ouw Excellentie des niet teegenstaan„ de tot eenige vijandelijkheijd mogte komen overtegaan, soo laat ik alle de daaruijt te ontstaane gevolgen, voor uw Excell:s reecquening en verant„ woording, als de hollandse Comp:e en wij als haar Edele alhier representeerende, daar aan onschuldig kennende. Wat sal ik meer schrijven /:was geteekend:/ R: Van Vlissingen, /:in margine:/ Nagapatnam den 16.:' October A„o 1773. Waar over aandagtiglijk gedelibe„ reerd weesende, is met eenparigheijd van stemmen Goedgevonden en Verstaan, afge sig 307 sig daarmeede te vollen te Confirmeeren, en deselve in de persiaanse taale overge„ set sijnde, soo spoedig mogelijk, afte senden, ten eijnde van de voormelde Cimbassadeurs, die men alhier niet anders, als seer gevaar„ lijk Considereeren kan, ontslagen te ge„ raaken, als oordeelende de Vergadering, dat men met betrecking tot de gekogte Landen /: vermits de twee andere poinc„ ten omtrend de overgave der Juweelen en de Tansjoerse Vlugtelingen bij re„ solutie van Esisteren en hier vooren„ eeven soo, als sulx bij de brieven geno„ teerd staan, reeds het nodige beraamd en vast gesteld:/ niets anders doen kan, dan daarbij vermeld staan, vermits de saaken sig in der daad soodanig bevinden en toegedragen hebben, mitsg:s de overwonnen Vorst, tot verkoop gantsch niet onbevoegd geweest is, soo als den Souba en sijn Soon, door de opstokingen der Engelsche, aan wien de geloof waardige gerugten willen, dat voor den aanvang van het beleg van Tansjoer de Zeeplaatsen van dat Vor„ stendom reeds beloofd soude sijn, tans tragt voor te wenden, vermits hem, nog sijne Voorsaaten 't' sedert dat ze in't besit van dat Rijk geweest sijn, nog ook de Naijken, van wien sij, het overwonnen hebben, nooijt bedisputeerd geworden is, nog niemand, veel min de Carnaticasche Soubas ooijt tegens de wettigheijd haarer verleende preroga„ tiven uijt kragte, derwelke D' E. Comp: soo wel, als de Francen en Deenen in dat Rijk geseeten sijn, iets ingebragt, of gepretendeerd hebben, dat ze van hooger hand geconfirmeerd moeste werden, en deese nooijt wedersprookene gewoonte dus een vaste wet is, en dat het regt der volkeren ook daar voor aangemerkt opsto„ H worden 308 worden moet. Waarna den Heer Gouverneur de Vergadering al verder vertoonde, dat, of schoon het antwoord op de brieven van den Scriba en sijn Soon, tans wel be„ raamd was, men egter daarom bedagt behoorde te sijn, om middelen te beraa„ men, hoedanig men den vijand, indien hij ongeagt alle de voorsz. billijke vertoo„ gen en representatien tot dadelijkheijd komen mogt, best het hoofd bieden, en 'sComp:s besittingen onder deese stad gehoo„ rende, beschermen soude, welkendwe„ gen sijn Edele te kennen gaf, met den E. Majoor en hoofd der Militie al„ hier Iohan Ernst Godlob Hasel„ man in't breede gedelibereerd en van de sig tans alhier bevindende Militaire Capitains door hem, haare schrifte„ lijke advijsen te hebben laaten in„ winnen, wat veijligst gedaan diend te werden, wanneer des Soubas voormelde soon met een leeger na het Kiwaloerse mogte komen afsaeken, het sij denselven met 's Comp:s magt tegen te gaan, dan wel deese stad eenelijk met de besetting te beveijligen, tot soo lange met 1000. â 1500. koppen soo van Batavia als Ceijlon geadsisteerd werd, om een overslag te maaken, van de manschappen, die 'er nodig sijn, ter verdediging van Naoer, wanneer de geprojecteerde batterijen aldaar geplaatst soude sijn, om daarna overeenkomstig de Conjunctuure van tijd en saaken, een Vast besluijt te neemen, dewelke sijn Edele dan ook produceerde en bij re„ sumptie van de volgende inhouden bevonden wierden: werden Aan
English
To the Right Honorable, Valiant Sir, Johan Ernst Godlob Haselman, Major and Head of the Militia here Right Honorable, Valiant Sir, Pursuant to the highly respected order of the Right Honorable Sir Reijnier Van Vlissingen, Governor and Director of this Coast, your Right Honorable and Valiant self has assembled me, along with Captains Wolfarth, Kinbergen, and Scheerken, at your quarters, in order to maturely deliberate together upon the question put to us by the aforementioned Right Honorable Sir: What is best to be done should the son of the Nabab descend with an army toward the Kiwaloer district, whether to confront him with our forces, or rather solely to secure this city with the garrison until such time as we are assisted with another 1000 to 1500 men from Batavia as well as Ceylon; with orders to commit our advice on the matter to paper, which I am hereby most respectfully doing. And at the outset I must declare that I can by no means agree with the opinions of the majority of those gentlemen, who maintain that Kiwaloer should be occupied with all our best forces, intending to employ for that purpose the companies of Captains Wohlparth, Kinbergen, and Scheerken, along with the Ceylon artillerymen still remaining here, as well as the sepoys who arrived from Jaffanapatnam, whereby this city would be almost, indeed entirely, stripped of men and unable, in the event of any unforeseen mishap, to offer the slightest resistance. For even though those gentlemen say that some of the sepoys and Malays who are already on detachment at Kiewaloer and Chikel would be ordered back into this city, these, together with the remaining troops located here, would still not be sufficient to man all the posts; for first, the company of Captain Cahle is circa 78 men strong, and thus at best adequate to occupy the fort. Secondly, the company of your Right Honorable and Valiant self consists of circa 35 European soldiers, and mine of 29 ditto, together 64 European soldiers (not all of whom are currently fit for service), besides some mestizos. How is it possible that the inner and outer city gates can be manned with these, since at present, due to the weakness of my company, I am almost reduced to the impossibility of manning the China Gate; how then will it be possible to man the Orange Gate as well, since in my humble opinion the present circumstances of the times by no means permit entrusting the gates to black troops. Thirdly, should misfortune have it (which God forbid) that the aforementioned troops at or around Kiwaloer were to be defeated by a large force of the Nabab, or cut off from retreating quickly enough to Nagapatnam, would it then be forgivable and justifiable to find oneself stripped of so many European soldiers, and where could one then obtain so many other trained soldiers here so quickly? Furthermore, all our best forces having marched to Kiwaloer and the Nabab having knowledge thereof, could he not, under the pretext of wishing to attack Kiwaloer with some troops, nevertheless make a detour (which indeed exists, although some gentlemen wish to dispute this) and, without touching the Kiwaloer district, attack this city with a larger force, which would then be stripped of the best troops? Thus my opinion is that this city, for its safety, must remain garrisoned with the majority of the troops currently within it, until such time as we are reinforced with more troops. However, it is by no means my opinion to entirely abandon the province of Kiewaloer or the lands currently owned by the Honorable Company, and to strip them of a garrison; far from it. My intention is to place the troops currently still stationed in the Kiwaloer and Chikel districts all together at the Kiwaloer River, and there to throw up an entrenchment or fortification to hold that post; but in order to make this detachment more respectable, one could add some 50 to 60 Europeans to it, and also some artillery. Having now taken up a position there, that force would serve only to observe and investigate what the enemy's intention is; and should the Nabab advance against them with a larger force, so that they are forced to retreat, or should he force our men by his power and violence to abandon the lands or province and fall back, we can in the spring, when better provided with everything, proceed calmly on the offensive against that ambitious Nabab and wrench those lands back out of his hands. It is also necessary that a post remain stationed at Chikel, in order to keep open the communication and correspondence from there to Kiwaloer and Nagapatnam. This seems to me, Right Honorable, Valiant Sir, under the present circumstances of the times to be the most prudent and, favorably construed, to best accord with the Company's interests and the welfare of the public good. And regarding the question of Naoer, to make an estimate of the troops that might be needed for the defense of Naoer once the projected batteries are placed there: it is my humble opinion that, if all those batteries are to have their proper garrison and reliefs (which is most necessary), at least some 700 to 800 men will be needed there. For the rest, I have the honor to subscribe myself with all respect, Right Honorable, Valiant Sir.
Dutch transcription
309 Wel Edele Gestr: Manhafte Heer Ingevolge de seer gerespecteerde ordre van den wel Edelen Gestrengen Heer Reijnier Van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deeser Custe, heeft uwel Edele Gestrenge Manhafte mij, neevens de Heeren Ca„ pitains Wolfarth, Kinbergen en scheer„ ken bij uwel Edele Gestr: Manh: doen vergaderen, om met den anderen rijpelijk te overweegen, over de door welmde sijn Wel Edele Gestrenge aan ons gedane vrage Wat best gedaan diend te werden, wan„ neer de zoon van den Nabab met een leeger na het Kiwaloerse mogt komen afsacken, het sij denselven met onse magt tegen te gaan, dan wel deese stad eenlijk met de besetting te beveij„ ligen, tot soo lange, dat men met Aan den Wel Edelen Gestr: Heer, Johan Ernst Godlob Haselman, Majoor en hoofd der Militie alhier met ordre, ons advijsen daar over ten papie„ re te stellen, het geen ik dan bij deese op het Eerbiedigste ben doende. En aanvankelijk moet ik betuijgen mij met de gevoelens van de meeste dier Heeren gantsch niet te kunnen Confirmee„ ren, dewelke van sustenue sijn, om Ki„ waloer met alle onse beste magt te beset„ ten, als daartoe willende Emploijeeren de Compagnie van de Heeren Wohl„ parth, Kinbergen en Scheerken, nevens de alhier nog sijnde Arthilleristen van Ceijlon, als meede de van Iaffanapatnam gekomene Sipaijs, waardoor deesen stad genoegsaam, Ja ten eenemaal ontblood van Volk soude weesen en buijten staat van in Cas van eenige onverhoopt toeval, eenige de minste Resistentie te kunnen doen. Want of schoon die heeren seggen, dat men sommige der Sipaijs en Maleijers die reeds op Commando sijn te Kiewaloer en Chikel, weeder in deese stad soude laaten komen, soo Sorede die in't geheel met de ove„ rige manschappen, die sig alhier bevinden nog 1000. â 1500. koppen soo van Ba„ tavia als Ceijlon geadsisteerd werd. nog niet 310 niet sufficieerende sijn, om alle de posten te besetten; want voor eerst, soo is de Compagnie van Capitain Cahle die C. C. 78: man sterk is; en dus op sijn best toereijkende om het fort te besetten: Ten tweeden; bestaat de Compagnie van uwel Edele Gestr: Manh: in C. C. 35. Europeese Soldaten en de mijne in 29. dito, te saamen 64. Europeese Soldaaten, /: die alle nog niet te gebruijken sijn:/ buij„ ten nog eenige mistiesen, hoe is het moge„ lijk, dat daarmeede de binnen en buijten stads poorten beset kunnen werden, daar ik tans door de swakheijd van mijn Comp:s haast in de onmogelijkheijd gebragt ben„ van de poort China te kunnen besetten, hoe sal het dan mogelijk sijn, de poort Orange, daarbij meede te kunnen be„ setten, dewijl mijns gering bedunkens de tegenwoordige Conjunctuure van tij„ den het gantsch niet permitteeren, om de poorten aan swarten toe te betrouwen. Ten derden; Indien het ongeluk eens wilde /: dat God verhoede:/ dat voormelde troupens op Kiwaloer of daar omtrend sijn„ de, eens door een groote magt van den Nabab wierde geslagen, of afgesneeden van niet schielijk genoeg na Nagapat„ nam te kunnen retireeren, soude sulx dan wel vergeeflijk en verantwoorde„ lijk sijn, sig van soo veele Europeese soldaaten ontblood te sien, en waar sou„ de men dan 'er alhier soo schielijk aan soo veele andere gedresseerde soldaaten kunnen geraaken. - Buijten dien alle onse beste magt na Kiwaloer gemarcheerd sijnde, en den Nabab daarvan Kennisse hebbende, soude hij dan niet, onder het minen maaken van Kiwaloer met eenige troupens te willen aantaften, egter door een omweg (:die 'er wesentlijk is, schoon dat eenige Heeren sulx willen bedisputeeren, :/ en sonder het Kiwaloerse te raaken met een groo„ ter magt op deese stad kunnen aanval„ len, die dan ontblood soude sijn van de beste troupens. Soo dat mijne gevoelens sijn, deese stad tot haare veijligheijd met de meeste de trou„ pen, die sig tans daarin bevinden, beset te moeten blijven, tot soo lang dat men van meerder troupen g'adsisteerd werd. Egter sijn mijn gevoelens geensints, om de provintie van Kiewaloer of de lan„ van den 311 den, die D' E. Comp: tegenswoordig in eijgendom besit, in't geheel te verlaaten, en van de besetting te ontblooten, dit sij verre, mijn meening is, om de trou„ pen, die teegenswoordig nog in het Ki„ waloerse en Chikelse leggen, alle bij den anderen aan de Revier van Kiwa„ loer te plaatsen, en aldaar een ver„ schansing of versterking op tewerpen, om daar te blijven posthouden; dog om dit Commando te meer aansienlijker te maaken, soude men een 50. â 60. Euro„ peesen daarbij kunnen voegen, en nog eenige arthillerij Aldaar nu post gevat hebbende; sou„ de die magt alleen dienen, om te obser„ veeren, en nategaan, wat den vijand van intentie is, en indien den Nabab haar met een grooter magt aanquam, dat sij genoodsaakt sijnde te retiree„ ren, of dat hij ons volk noodsaakte door sijn magt en geweld de landen of provintie te moeten verlaaten; en dit heen te deijnsen, soo kunnen wij in het voorjaar, wanneer van alles beter voor sien sijnde; met dien hoofsugtigen Nabab gerust off ensief ageeren en die soo is mijn gering gevoelens, wanneer alle die batterijen haar behoorlijke beset„ ting en aflossingen moeten hebben, /:dat het noodsaakelijkste is:/ ten minsten een 700. â 800. man aldaar nodig sijn. Ik heb voor het overige de Eere„ mij met alle respect te onderschrijven /:on„ derstond:/ Wel Edele Gestr: Manhafte En aangaande de vraag van Naoer, om een overslag te maaken, van de manschappen, die 'er nodig mogte sijn„ tot verdeediging van Naoer, wan„ neer de geprojecteerde batterijen aldaar geplaast weesen sullen. landen weder uijt sijn handen rucken. Nog is noodsaakelijk, dat 'er een post op Chikel blijft leggen, om de Com„ municatie en Correspondentie van daar na Kiwaloer en Nagapatnam open te houden. Dit dunkt mij Wel Edele Gestr: Manhafte Heer, dat na de Constitutie der tijden het voorsigtigste, en onder gunstige welduijding gesegt, het best overeenkomen„ de met 's Comp:s intrest, en de belangens van het gemeene best soude sijn. — landen Heer
English
Sir! Right Honourable, Valiant, humble and obedient servant /:was signed:/ G:s Zegelaar. Right Honourable, Valiant Sir! Your Right Honourable has, in the name of the Right Honourable, Highly Esteemed Lord Governor Van Vlissingen, made known to the Captains present here to deliberate with Your Right Honourable: Firstly: What had best be done if the Son of the Nabab should descend with an army toward the Kiwaloer district, whether to confront him with our forces, or rather to secure this city until such time as we are assisted with another 1000. to 1500. men from both Batavia and Ceylon. On which point I am humbly of the opinion that one must absolutely seek to prevent the Nabab with force from penetrating into the country: Kuwaloer is in my judgment the best place to establish oneself with a small army, and Adiacamangalam is well suited as an outpost or advanced post. Through the garrisoning of Kiewaloer, Nagapatnam and Naoer are covered, which three places virtually form an equilateral triangle, of which Kiwaloer is the point, and Naga and Naoer form the base. At Chikel must be the depot of the provisions and ammunition, with a reasonable cover against an assault, and roughly in an equal line with Chikel from the river of Naoer a small post must lie, of about 50. men, belonging under Naoer, which serves solely to keep a watchful eye in case the enemy should venture to descend with a raiding party and cross the river, whether to make a loose attack on Chikel, on Naoer, or from the rear on Kiwaloer. This vigilance consists solely of patrols, which from this post patrol to the left halfway to Naoer, and Kiewaloer sends patrols rearward up to halfway, and Naoer forward up to halfway from this post, patrols day and night. Hereby the communication between Naoer and Kiwaloer is open, and if the Enemy should venture a crossing over the river, both places can support the post, and in any case, should the enemy already have crossed the river, they can cut off his retreat, for then he is between the command of Kiwaloer, of Naoer, and Chikel. For rapid notifications, alarm poles or alarm beacons must be erected on the roads from Kiwaloer to Nagapatnam, and also from Kuwaloer along the river to Naoer and from Naoer to Nagapatnam, as is customary in Europe at cantonment quarters, in the forming of a cordon, and even in winter quarters. The Army of Kuwaloer must, according to my slight knowledge, consist at the least of: 250. Europeans, and 350. Orientals and Sepoys Total 600. men; alongside this 4. Three-pounder or four-pounder Cannons, 2. One-pounder or two lb. Cannons, and 2. small Mortars, or in lack of these, 2. One-pounder Cannons. For this: 30. to 35. Artillerymen. With this force and Artillery, under the presupposition that one is provided with the necessary ammunition, weaponry, provisions, and some necessary tools, one will still, according to my slight understanding, be able to hold up the Nabab, venture something against him, and prevent penetration into the Country. It certainly never depends on the multitude of Men, but on the good choice of terrain, on the good disposition and cover, on a continual presence of mind, and on the quality of the troops under command. The reasons why I am of the opinion that we must confront the Nabab are principally these: 1. To inspire awe in the Nabab, for considering himself now as the Conqueror of the Prince of Tansjoer, he will surely arrive at the notion that we dare venture nothing, whether out of secret orders or out of weakness; consequently he will thereby become unbearably haughty and imperious. 2. If we do not now directly occupy this advantageous post Kiwaloer, we are forced to withdraw from Adiakamangalam and Topotorre and occasionally also Chikel, or the posts run the risk of being captured. The Nabab will certainly venture against Topotorre to capture this post, whereby he, it seems to me, prevents communication with Ceylon during the bad monsoon, even if it were solely out of pride, to let his flag fly on the shore here. Besides this, the Nabab will not fail to occupy Kiewaloer and fortify it, and then in a future Campaign we must purchase this dearly with blood, which we can now spare by this means. I do not mean, however, that this entire army should remain stationed throughout the bad monsoon, but then a reasonable garrison, and the remaining troops march inside again. 3. It will make our troops despondent and mistrustful if, upon the descent of the Nabab's troops, we must withdraw our outposts or abandon them to their fate, and we keep ourselves in garrison. Instead of finding courage, confidence, and willingness in the soldier at the opening of another campaign to expel the Nabab from the Lands, we shall perceive a forced courage and distrust, and this sickness is difficult to cure among a Corps of troops. Presently the men are still fresh and healthy, and even if we lose some men, this will not make the troops downcast, as long as they see that they have been led in an honourable, prudent, and brave manner. 4. If we march out directly, as soon as friendly negotiations will find no place, and form an army near Kiwaloer, it will teach the Nabab to be cautious, and then it will first be the question whether he dares undertake anything real
Dutch transcription
312. Heer ! ouwel Edele Gestrenge Man„ hafte onderdanigen en dienst bereijden Dienaar /:was Geteekend:/ G:s Zegelaar. Wel Edele Gestrenge Manhafte Heer! uwel Edele Gestrenge heeft uijt naam van den wel Edelen Groot Agtbaaren Heer Gouverneur Van Vlissingen, aan de hier present sijnde Capitains be„ kend gemaakt, om met 5 uwel Edele Gestr: te beraadslagen. Eerstens; Wat best gedaan diend te worden, wanneer de Soon van den Nabab met een Leger na het Kiwaloerse mogte komen afsaeken, het sij den„ selven met onse magt tegen te gaan, dan wel deese stad te beveijligen, tot soo lange men met nog 1000. â 1500. koppen soo van Batavia als Ceijlon geadsisteerd word. Op welk poinct ik nedrig van gevoelen ben, dat men den Nabab volstrekt met magt moet soeken te beletten, om niet in het land inte dringen: Kuwaloer is van mijn oordeel de beste plaats, om sig met een klijn leeger vast te setten, en tot voorpost of avanceerte post is Adiacamangalam wel geschikt. Door de besetting van Kiewaloer is Nagapatnam en Naoer gedekt, welke drie plaatsen genoegsaam een gelijk„ seijdige drie hoek uijtmaaken, waar van Kiwaloer de punt is, en Naga en Naoer de basis uijtmaaken. Op Chikel moet 't depot van de pro„ visie en ammonitie met een reedelijke decking voor een aanloop sijn, en omtrend in gelijke linie met Chikel van het re„ vier van Naoer moet een kleene post leggen, van omtrend 50. koppen, onder Naoer behoorende, welke alleenig daar toe diend, om een wakend oog te houden, ingeval 't den vijand wilde wagen, om met een strooppartij afte sacken, en over 't revier te gaan, 't sij, om op Chikel, op Naoer of van agteren op Kiwaloer een losse attacque te doen. Deese waaksaamheijd bestaat al„ leenig in patrouilles, welke na deese post magt uijt 313 uijt links den halve weg na Naoer patrouilleeren en Kiewaloer Zendrug„ waarts tot den halve weg, en Naver voorwaarts tot den halve weg van deese post, patrouilles dag en nagt. Hier door is de Communicatie tusschen Naoer en Kiwaloer open, en soo den Vijand een overgang over het revier wil wagen, kunnen de beijde plaatsen de post se„ condeeren, en in allen gevalle de vijand ook reeds over het revier was, soo kunnen se hem de retirait afsnijden, want als dan is, hij tusschen het Commando van Kiwaloer, van Naoer en Chikel tot schielijke adver„ tissements dienen allarm stangen, of allarmbaken op de wegen van Kiwaloer tot Nagapatnam, en ook van Kuwaloer langst het revier tot Naoer en van Naoer tot Nagapatnam opgerigt te worden, gelijk in Europa bij Cantoneerungs-quartieren, bij het formeeren van een Cordon en selfs in winter-quartieren gebruijkelijk is. Het Leeger van Kuwaloer moet na mijn geringe kennisse bestaan op het weijnig„ ste uijt 250. Europeesen, en 350. Oosterlingen en Sipaijs Somma 600. koppen; hierbij 4. Drie ponders of vier ponders Canons, 2. Een ponder of twee lb. Canons, en 2. kleene Mortiers, of bij gebreek van deese 2. Een ponder Canons. hiertoe 30. tot 35. Arthilleristen. met deese magt en Arthillerij onder ver„ onderstelling, dat men van de benodigen„ de ammonitie, wapen Goederen, provi„ sie en eenige nodige gereedschappen voor„ sien sij, sal men nog wel, na mijn gering verstand, den Nabab kunnen ophouden, iets met hem wagen, en 't indringen in het Land beletten. Het komt seeker nooijt op de mee„ nigte van Volk aan maar op de goede verkiesing van terrein, op de goede dispo„ sitie en decking, op een geduurige teegens„ woordigheijd van geeft, en op de goedheijd van de onderhebbende troupen. — De reeden, waarom ik van gevoelen ben, om den Nabab het hoofd te moeten bieden, sijn voornamentlijk deese: Om sig ontsag bij den Nabab te ver„ 1 wecken, want deese nu als Overwinnaar van den Vorst van Tansjoer sig betrag„ 4. drie tende, 314 tende, sal vast in het denkbeeld moeten komen, dat wij niets durven wagen, 't sij uijt geheijme ordres, of uijt swak„ heijd, gevolglijk sal hij daardoor on„ verdraaglijk groots en gebiederisch worden. 2: Besetten wij nu niet direct deese voordee„ lige post Kiwaloer, soo sijn genoodsaakt om Adiakamangalam en Topotorre in te trecken en altemets ook Chikel, of de posten loopen gevaar, om opgeligt te wor„ den; De Nabab Sal 't op Topotorre wel hasardeeren, om deese post te ligten, waar door hij, dunkt mijn, de Communicatie in de kwaade mousson met Ceijlon belet, en al was 't ook maar alleenig uijt grootsch„ heijd, om sijne vlag aan strand hier te laaten waaijen. Buijten dien sal den Nabab niet onderlaaten, om Kiewaloer te besetten, en vast te maaken, en alsdan moeten wij in toekomende Campagne deese duur met bloed koopen, welke wij nu hier door kun„ nen menageeren. Ik verstaa egter niet, dat dit heele leger de quaade mousson over sal leggen blijven, maar alsdan een reedelijke be„ Tegenswoordig is het volk nog vrisch en gesond, en verliesen wij ook eenig volk, sal dit de troupen niet needer slagtig maa„ ken, als sij maar sien, dat men haar op een eerlijke voorsigtige en brave weij„ se heeft aangevoert. 4. Rucken wij nu direct uijt, soo dra als geene vrindelijke onderhandelingen willen plaats vinden, en formeeren een leeger bij Kiwaloer, soo leert het den Nabab om sigtig te sijn, en alsdan sal het eerst de vrage sijn, of hij iets reëls durft setting, en de overige troupen rucken weder binnen. 3. Sal het onse troupen moedeloos en mis„ trouwend maaken, wanneer wij bij de af„ komst van den Nabab sijne troupen, onse voorposten moeten intrecken, of aan haar noodlot overlaaten, en wij ons in guarni„ soen houden. In plaats van moed, ver„ trouwen en gewilligheijd in den soldaat te vinden bij 't openen van een andere veld„ togt, om den Nabab uijt de Landen te verdreijven, sullen wij een gedwongen moed en wantrouwen ontwaaren, en deese siek„ te is swaar onder een Corps troupen, te ge„ neesen. setting onder
English
undertake, and whether his threats will not remain simple threats. If we engage in an attack with the Nabab, and are successful, (of which, under God's assistance, I have no doubt, provided there is no lack of necessary supplies), we then have much to gain in the future, and a successful action may perhaps even bring matters quickly to a settlement. 5. If we abandon the lands and garrison only Nagapatnam and Naoer, we expose the new subjects of the Company to the tired and arrogant treatment of the Nabab; what an idea will these poor inhabitants not conceive of their new Sovereign, The Honorable Company, when they see themselves abandoned; and if the lands are subsequently recaptured and remain with The Honorable Company, the memory of such an event will be sufficiently rooted in the minds of the subjects and pass on to posterity, and at the slightest rumor of new unrest, they will flee, and those who remain cannot be trusted; besides this, the Company also loses much from the upcoming harvest. 6. Finally, it seems to me that it is more outwardly our duty to show ourselves in the field and offer resistance to the Nabab, and not to remain inactive. Regarding this first point, I have now expressed to your Right Noble Gestrenge my humble opinion with the sincerity and zeal with which I always intend to look after the service and welfare of The Honorable Company; as for the choice of the camp site, its security, the disposition of the troops, and other arrangements, these are matters that belong to the discretion of the Commander of this post. I proceed to the second point, which your Right Noble Gestrenge proposed in the name of His Honor the Governor, consisting of the following: Secondly: to make an estimate of the troops that might be necessary for the defense of Naoer, when the projected batteries are placed there. As for the places where the batteries will come to be situated, I had the honor to tell your Right Noble Gestrenge yesterday already, that the places are indeed good. The layout of the batteries or redoubts I would alter slightly in my own manner, in order to obtain a stronger flanking fire, and (if it can be done) to draw them into a narrower compass, so as to require so many fewer men; but I leave this in its place, and assuming that the redoubts are built as they are shown by Mr. Henk on the plan, I have only two things to remark here: 1. Whether the enemy cannot, with a detachment camping away from the batteries, prevent communication between Naoer and Nagapatnam, bypass the redoubts on the flank, and invade. 2. Whether the enemy cannot, with a second detachment on the other side of the river, where the ground is lower, erect batteries and shell us in the redoubts and Naoer itself, and indeed, under favorable circumstances, cross the river and attack Naoer from the rear, while meanwhile the first detachment does so from the front. For although the ground on the other side belongs under Carcal, that means little, since Carcal can always excuse itself by saying that it cannot resist the force of the Nabab, as is indeed the case. If these difficulties fall away, I calculate for the garrison of each redoubt: 50 men, which for 6 redoubts amounts to 300 men; 120 men as reserve or picket, to be sent to the distressed places; and 200 men off duty, which constitutes a garrison of 620 heads, and is very small. With this, I conclude what I judge necessary to say according to my limited knowledge and according to my duty and conscience regarding the submitted points, and I sign myself with the greatest respect. (Below stood:) Right Noble Gestrenge, Valiant Sir! Your Right Noble Gestrenge's Most Obedient Servant (was signed:) C. C. Wohlfarth. (In the margin:) Nagapatnam, the 9th of October 1773. Right Noble, Gestrenge Sir! In accordance with your Right Noble Gestrenge's highly esteemed order to make known my opinion regarding the question: What had best be done if the son of the Nabab should descend with an army toward the Kiwaloerse, whether to oppose him with our force, or to secure this city solely with the garrison until such time as one is assisted with another 1000 to 1500 heads from both Batavia and Ceylon, I submit the following with due respect, subject to wiser judgment. It were indeed very much to be wished that we were in a position, both to uphold the honor of the Nation and also to cover the important newly purchased lands, to be able to do the former. But when I take into consideration that our entire military force cannot even reach 1800 heads (among whom a third part are still sepoys, whose disposition is well enough known), a number that is barely sufficient to be able to garrison this city properly in case of a siege, I cannot bring myself to expect on good grounds that this could be carried out without running apparent danger, or at least without risking too much. For suppose we resolve to advance to meet the enemy, this could be done (since this city, Naoer, and Topotorre must remain properly garrisoned) with no greater force than circa 700 heads, and these would undoubtedly have to be from our best men; This army would then, in all likelihood, if one wishes to cover the lands, have to take up a position and camp in the Kiwaloerse, about 6 hours from here, or thereabouts; if one could find a place there that the enemy must inevitably pass in order to enter our lands, then all difficulties would disappear, and I would immediately lean toward the opinion of marching thither.
Dutch transcription
315. onderneemen, en of sijne dreijgementen niet Simple dreijgementen blijven. Bekomen wij een attacque met den Nabab, en sijn geluckig, /:waaraan ik onder Gods bijstand niet twijffele, mits dat het geen gebreek van het nodige sij :/ soo hebben wij in't toekomende veel vooruijt, en een geluc„ kige affaire kan selvs de saaken mis„ schien schielijk tot een vergelijk brengen. 5. Verlaaten wij de landen en besetten alleenig Nagapatnam en Naoer, soo stellen wij de nieuwe Onderdaanen van de Comp: aan de moede en trotsche behandeling van den Nabab bloot; Wat een denk„ beeld sullen deese arme Jngeseetenen niet van haaren nieuwen Souverain De E. Comp: opvatten, wanneer sij Sig verlaaten sien, 2 en soo ook de landen naderhand herwonnen worden, en aan D' E. Comp: blijven, soo is het aandenken van een diergelijke gebeurtenisse in den ge„ moederen der Onderdaanen genoegsaam ingeworteld en gaat tot de nakomeling„ schap over, en bij 't minste gerugt van nieuwe onlusten, sullen ze vlugten en die 'er blijven, kan men niet vertrou„ wen; buijten dien verliest de Comp: ook veel aan den aanstaande Eugst. 6. Eijndelijk dunkt mij, dat het meer uijt„ terlijk onse pligt sij, ons in't veld te vertoonen en den Nabab teegenstand te bieden, maar niet inactiv te blijven. Ik hebbe nu omtrend dit eerste poinct uwel Edele Gestr: mijn nedrig gevoelen met de opregtheijd en ijver ge„ segd, met dewelke ik altoos denke den dienst en het welvaaren van D' E. Comp: te behartigen; wat de verkiesing van den Leeger-plaats, desselvs seekerheijd, de dispositie der troupen en andere schic„ kingen betreft, sijn saaken, die aan het beleijd van den Commandant van deese post behooren. Ik ga over tot het tweede poinct, welke euwel Edele Gestr: uijt naam van sijn Edele den Heer Gouverneur propo„ neerde, bestaande daarinne: sweedens: om een overslag te maaken van de manschappen, die 'er nodig mogten sijn, tot verdeediging van Naoer„ wanneer de geprojecteerde batterijen aldaar geplaatst sijn Wat de plaatsen aangaat, waar de batte„ wen rijen, 316 rijen sullen te leggen komen, heb ik de Eere gehad uwel Edele Gestr: reeds gisteren te seggen, dat namentlijk de plaatsen wel sijn. De aanlage der batterijen of redou„ ten, soude ik na mijne manier iets veranderen, om het een sterker flan„ queerend Nuur te krijgen, en deselven /:soo 't geschieden kan :/ in een nauwer bestek te trecken, om soo veel te wijniger volk nodig te hebben; maar ik laate dit aan sijn plaats, en veronderstel„ dat de redouten soo gebouwt worden, als Sij door den Heer Henk op den plan vertoond sijn, soo heb ik maar twee dingen hierbij aantemerken. 1. Of de vijand niet met een Corps sig ont„ vernd van de batterijen, leegeren, de Com„ municatie tusschen Naoer en Nagapat„ nam beletten, op de seijde de redouten fourneeren en invallen kan. 2. of de vijand niet met een tweede Corps aan de overkant van het revier, waar de grond lager is, batterijen kan op wer„ pen, en ons in de redouten en Naoer selvs beschieten, Ja bij gunstige ge„ leegendheijd niet door het revier komen, en Naoer attacqueeren kan van agteren, daar ondertusschen het eerste Corps sulx van vooren doet. Want schoon de grond aan de overkant onder Carcal behoort, soo wil dat weijnig seggen, terwijl Carcal altoos sig excusee„ ren kan, dat 't sig tegens het geweld van den Nabab niet kan. Zetten, gelijk het ook in der daad is. vallen deese swarigheeden weg, soo reeke„ ne ik tot besetting van ieder redout: 50. man, welke op 6. redouten 300. man bedragt. 120. man tot reserve of picquet, om aan de noodleijdende plaatsen te senden, en 200. man dienst- vrij, welke een besetting van 620. koppen uijtmaakt, en seer gering is. Hiermeede eijndige het geene, wat ik na mijne geringe kennisse en na mijn „pligt en geweeten over de voorgelegde poincten noodig oordeele, te seggen en onderteekene mij met het grootste respect. /:onderstond:/ Wel Edele Gestrenge Manhafte Heer! uwel Edele Gestr: Gehoorsaamste Dienaar /:was geteekend:/ C. C. Wohlfarth /:in mar„ en gine 317 gine:/ Nagapatnam den 9:' October 1773. Wel Edele, Gestrenge Heer! Ingevolge van uwel Edele Gestr: hoog g'eerde ordre, om mijn gevoelen te kennen te geeven, nopens die vrage: Wat best gedaan diend te worden, wanneer de soon van den Nabab met een leeger na het Ki„ waloerse mogte komen afsacken, het sij denselven met onse magt tegen te gaan; dan wel deese stad eenelijk met de beset„ ting te beveijligen tot so lange dat men met nog 1000. â 1500. koppen soo van Ba„ tavia als Ceijlon geadsisteerd word, diene met verschuldigde Eerbied, behoudens wij„ ser Oordeel het volgende. — Het was wel seer te wenschen, dat wij in staat waren, soo om de Eer van de Natie opte houden, als ook, om de impor„ tante nieuw gekogte landen, te decken, om het eerste te konnen doen. Maar als ik in overweeging neeme, dat onse geheele krijgs-magt nog geen 1800. koppen /: waaronder nog een 3„de deel si„ paaijs sijn, welkers gesteldheijd genoeg bekend is:/ halen kan, een getal dat nauw„ lijx toereijkende is, om ingeval van bele„ gering deese stad behoorlijk te konnen be„ setten, soo kan ik van mij niet verkrijgen, om op goede gronden te konnen verwagten, dat dit sonder oogenschijnlijk gevaar te loopen, ten minsten sonder te veel te waagen, soude konnen uijtgevoerd worden. — Want verondersteld, wij resolveeren den vijand te gemoed te gaan, soo soude sulx met een grooter magt (:vermits deese stad, Naoer en Topotorre behoorlijk moeten be„ set blijven:/ dan Circa 700. koppen ge„ schieden konnen, en dit soude ongetwijffeld van onse beste manschappen moeten sijn; Deese armee soude dan na alle gedagten, wil men de landen decken, in het Kiwaloer„ se, omtrend 6. uuren van hier, of daar omstreeks, posto vatten en Campeeren moe„ ten; Indien men nu aldaar een plaats vinden kost, die de vijand om in onse Landen te komen, onomgangelijk passee„ ren moest, dan souden alle swarighee„ den verdwijnen, en ik soude terstond tot het gevoelen, om na derwaards op te marchee„ koppen ren
English
to cross; but as this country is everywhere flat and even, and thus gives the enemies open passage on all sides, it is not to be thought that our adversaries will choose precisely this passage that we have occupied, and expose themselves to the danger of being received by us in the most emphatic manner. Far more is it to be feared that the enemy will attempt and do his utmost to cut us off, were it possible, from this city, which through his superior strength will not be at all difficult for him; and in case he should succeed in this, with what would we then be able to relieve our army or come to its aid, since we barely keep as many men in garrison as are strictly necessary for its defense? And suppose this objective of cutting us off from this city does not succeed for the enemy, he will nevertheless through these efforts cause us, without the enemy needing to engage in battle with us, to have to undertake a retreat, exhausted of our own accord by much marching back and forth. Yet, in order to show the enemy that we lack no courage to confront him, it seems to me, subject to wiser judgment, best that the posts presently deployed be left as they are, with the order that, in case the enemy should attack them, after offering some resistance or having protested earnestly against the violent and hostile treatment, they retreat in the best possible manner to the nearest post situated towards this direction, taking care that they are neither surrounded nor captured. And that then, upon an actual invasion by the enemies, our best troops, and as many as can be spared without denuding the garrisons too much, encamp around Chikel or some other advantageous place situated close by here, where it will be impossible for the enemy to cut us off from this city, and await the enemy there, or, given an advantageous opportunity if he should approach closer, attack him themselves. For the defense of Naoer, when the projected batteries there shall have been placed, it seems to me that a good 600 heads will be necessary. Wherewith I have the high honor to subscribe myself with due respect and submission. At the foot stood: Right Honorable Valiant, loyal and humble servant. Was signed: I: P: Kinbergen. In the margin: Nagapatnam, the 11th of October 1773. By order of the Right Honorable Valiant Severe Sir Haselman, Major and Head of the Militia of this Government, the undersigned makes known his humble opinion here following below, regarding the defense of Kiwaloer and Naoer. When one is firmly assured that the Nabab would intend to make himself master of Kiwaloer and Naoer with real intent, one must note that he will not undertake such lightly, without being more or less informed of our condition and force, and arriving with a great force; even though the English might not show themselves therein, they will likely not sit idle, supporting the Nabab underhandedly with advice, etc. So if we are to defend Kiwaloer and Naoer, one must be assured of sufficient men, provisions, ammunition, and weaponry, as well as choosing a defensive terrain that is well entrenched. Between Nagapatnam, Kiwaloer, and Naoer, continuous strong patrols must go back and forth to keep the passage and correspondence open, as one assumes that the Nabab could make an incursion and post himself between here, Kiwaloer, and Naoer, to cut us off from one another. If one is then assured of everything sufficient for a good defense, one can indeed cover Kiwaloer and Naoer against an attack and offer resistance, since the new lands and inhabitants must be covered as much as possible against the incursion of the Nabab; and indeed, where one thinks the enemy could do us the most damage, to occupy that well and fortify it, for which at least 1000 to 1200 trained soldiers are required besides the artillery, excluding the detachments that must reconnoiter back and forth. If not, one must not divide our force, but keep our principal places with it until one properly has men, provisions, ammunition, weaponry, etc., on hand, in order then to dispute the privileges that the Nabab might come to challenge violently and unfairly, which must nevertheless be opposed as much as practicable so that it cannot be brought up that we had willingly abandoned them, in order to avenge ourselves over this all the more legitimately with a considerable strength. For the rest, according to my humble knowledge, as well as my thoughts have been able to supply, I hope to have fulfilled the intention; therefore with all respect I subscribe. At the foot stood: Your Right Honorable Valiant Severe humble servant. Was signed: Ian Scheerken. In the margin: Nagapatnam, the 11th of October 1773. The contents of all of which papers having been attentively considered; it is, however much the advice of Captain Wohlfarth—namely, that one must absolutely try to prevent the enemy from penetrating into the lands, and everything proposed and remarked by him in that regard, with which the Honorable Major and Commander here declared in full council to confirm, provided that there is no lack of artillery and armory goods, and the necessary provisions can also be procured—is to be praised in all respects as tending in every part to the maintenance of the Company's right, honor, and reputation, yet however in view of the three
Dutch transcription
318 ren overgaan; Maar dit land overal vlak en eeven sijnde, en alsoo de vijanden aan alle kanten opene passagie geevende, soo is niet te denken, dat onse tegenpar„ thij Juijst deese passagie, die wij beset heb„ ben, verkiesen, en sig der gevaar exponee„ ren sal, om van ons op het nadruckelijkst onthaald te werden; veel meer is te dug„ ten, dat de vijand tragten en sijn uijtter„ ste best doen sal, om ons; was het moge„ lijk van deese stad aftesnijden, 't welk hem door sijne overmagt gansch niet swaar vallen sal, en ingevalle hem dit gelucken mogte, met wat souden wij dan onse armée ontsetten, of te hulpe komen konnen? daar wij nauwlijk soo veel volk in guarnisoen houden, als ter nauwer nood ter besetting nodig is. En gesteld, dit Oogmerk, om ons van deese stad aftesnijden, getukt den vijand niet, soo sal hij ons dog door deese sijne pogingen oorsaaken, dat wij, /: sonder dat de vijand noodig heeft, sig met ons in't gevegt te begeeven :/ van selvs af„ gemat door veel heen en weder mar„ cheeren, den terug march aanneemen moeten Nogtans om den vijand te toonen, dat het ons aan geen moet ontbreekt, om hem het hoofd te bieden, dunkt mij, /: behoudens wijser oordeel :/ best te sijn, dat men de tans uijtgestelde posten soodanig laat blijven, met die ordre, dat sij sig, ingevalle de vijand haar mogte komen te attacqueeren, na eeni„ ge tegenweer gedaan, dan wel tegens de ge„ weldige en vijandelijke behandeling ernstig geprotesteerd te hebben, op de best mogelijk„ ste wijse retireeren na de naaste her„ waards geleegene post, sorge dragende, dat sij niet omcingelt nog gevangen worden. En dat dan op een dadelijken inval der vijanden, onse beste manschappen, en soo veel, als men sonder de guarnisoenen te veel te ontblooten, sal missen konnen, sig omtrend Chikel ofte eenige andere hier naast geleegene voordeelige plaatse, al„ waar het den vijand enmogelijk sal sijn, om ons van deese stad te konnen afsnijden, legeren, en daar den vijand af„ wagten, dan wel bij een voordeelige ge„ leegendheijd, indien hij nader mogte ko„ men, hem selvs attacqueeren. Tot verdeediging van Naoer, wan„ neer de geprojecteerde batterijen aldaar Nogtans ge 30 98 319 geplaatst sijn sullen, dunkt mij ruijm 600. koppen nodig te sijn. Waarmeede de hooge Eere hebbe, mij met verschuldigde Eerbied en Submissie te onder schrijven. /:onderstond:/ Wel Edele Gestr: trouwschuldige en Onderdanige Dienaar /:was geteekend:/ I: P: Kin„ bergen /:in margine:/ Nagapatnam den 11' October 1773. Op order van den wel Edelen Manhaften Gestren„ gen Heer Haselman Majoor en Hoofd der Mi„ litie deeses Gouvernements, geeft den Ondergeteekende sijn geringe meening hier onder volgende te kennen, ten aansien der defentie van Kiwaloer en Naoer. Wanneer men vast verseekerd is, dat den Nabab met weesentlijke intentie sig meester van Kiwaloer en Naoer soude willen maaken, moet men aanmerken, dat denselven sulx soo ligt niet sal onderneemen, dan wel van onse staat en forsie min of meer onderregt te weesen, en met eene vëële magt te sullen aanko„ men, of schoon de Engelsen sig daarbij niet mogte vertoonen, sullen die den ke„ lijk niet stil sitten, om onder 'shands de Nabab met raad etc: te ondersteunen, so dat wij Kiwaloer en Naoer sullen de„ fendeeren, diend men verseekerd te sijn, van genoegsaame volkeren, provisie ammonitie en wapen-goederen, mitsgaders een defensieve terrein te kiesen, die wel verschanst word, tusschen Na„ gapatnam, Kiwaloer en Naoer, dienen Continueele sterke patrouilles over en weer te gaan, om de passagie en Cor„ respondentie open te houden, als men ver„ ondersteld, dat den Nabab soude tus„ schen hier, Riwaloer en Naoer een in„ val kunnen doen en posteeren, om ons van den anderen aftesnijden, soo men dan van alles genoegsaam tot een goede de„ fensie verseekerd is, kan men wel Kiwa„ loer en Naoer voor een aanval decken en hoofd bieden, door dien de nieuwe landen en Jnwoonders voor den inval van den Nabab soo veel mogelijk gedekt dienen onder te 32„ te worden, en wel daar men denkt, de vijand ons de meeste afbreuk soude kunnen doen, die wel te besetten en sterk te maaken, waartoe ten minsten 1000. â 1200. geoeffende militairen buijten de Airthillerij vereijscht worden, behalven de Commandos, die over en weer dienen te recognossieeren, soo niet dient men onse magt niet uijt den anderen te bren„ gen, maar daarmeede onse principaale plaatse te bewaaren, tot dat men volk, provisie, ammonitie, wapengoede„ ren etc: behoorlijk aan handen heeft, om alsdan de voorregten, die de Nabab„ mogte met geweld en onbillijk ons ko„ men te bedisputeeren, dat egter soo veel doenelijk sijnde moet tegengegaan worden, om niet te kunnen inbrengen dat wij goedwillig deselve verlaaten hadde, ten eijnde des te regtmatiger met een aansienelijke sterkte daar over ons te revengeeren Overigens volgens mijne geringe kundigheijd, soo goed mijne gedagten het bij hebben kunnen brengen, ver„ hoope ik aan de intentie voldaan te heb„ ben, dierhalven met alle Eerbied onder„ Over den inhoud van alle welke papie„ ren aandagtelijk gebesoigneerd sijnde; Soo is, hoe seer het advijs van den Capi„ tain Wohlfarth, namentlijk, dat men den vijand absolut moet tragten te beletten, om niet in de Landen intedringen, en al het dierweegens door hem geproponeerde en ge„ remarqueerde, waar meede den E. Majoor en Commandant alhier sig in vollen raade verklaarde, te Confirmeeren, mits dat 'er geen gebrek aan Arthillerij en wapen-kamers Goederen is, en de nodige provisien ook ver„ schaft kunnen werden, ook in allen opsigte te laudeeren sij, als in allen deelen tot maintenu van 's Comp:s Regt, Eere en repu¬ tatie streckende, dog egter uijt hoofde de schrijve /:Onderstond:/ U Wel Edele Manhafte, Gestrenge onderdanige Die„ naar /:was geteekend:/ Ian Scheerken, /:in margine:/ Nagapatnam den 11. ' October 1773.. schrijve drie .
English
321 three other Captains, namely Zegelaar, Kinbergen, and Scheerken, are of the contrary opinion, and deem it best to secure this town with the force currently at hand, as they judge it not even sufficient to face the enemy in the field; and that as many troops as are required for the execution of that project, which would moreover have to be all the best soldiers, cannot be spared from this town without placing it in too great a danger in the event of an unexpected bad outcome of any engagement with the enemy, or in case their retreat to the town were cut off; leaving aside that the troops, once having fallen, cannot so easily be replaced for the Honorable Company, especially under the present circumstances of this time, here, whereas the enemy, on the contrary, needs not spare men, as they can always recruit others; it also exposes too much, and the artillery is likewise in such a bad state that one cannot properly furnish all that is necessary for the aforesaid project, and much less procure the necessary provisions, which are very difficult to obtain here, without which the Honorable Major and the aforesaid Captain Wohlfarth nevertheless declare it cannot be undertaken: It is resolved and agreed not to strip oneself of the force at hand in this town, but to keep the same together as much as possible, and consequently, the following was unanimously determined; namely: That, upon the approach of the enemy army from Triwaloer towards Adjakamangalam in order to penetrate into the Company's possessions, the Malays and Sepoys stationed there must retreat in good order to Kiwaloer, and having united with the corps of Sepoys present there, 322 march off to Chikel and remain stationed there until they happen to perceive that the enemy army is also advancing into the Chikel district, whereupon they, the entire corps, alongside the artillery, shall have to retreat in good order to the village of Porwala Cherij and halt until further orders, either to remain posted there, or to march off to this town. That, if the enemy army approaches Naoer, the troops stationed there, whether by land or by sea, as can best and most conveniently be done, must retreat to this town, and to that end immediately hire the necessary chialengen and always keep them ready with their respective crews; and furthermore, in order not to be hindered in the aforesaid retreat, to send the cannons and their appurtenances away in advance on a dark evening, as quietly as possible, in one or two chialengen to this place. That the garrison at Topotorre, as soon as the enemy comes to invade that place, shall have to retreat from there in good order, and come hither using small vessels, which must constantly be held in readiness to that end. And so that these retreats cannot be viewed as if the Company willingly abandoned and surrendered those places; it is furthermore resolved and agreed to write to the heads of the detachments, ordering them before their departure to deliver, or cause to be delivered, as the opportunity might best present itself, the protests that were to be sent to them in Persian as well as English—the first to the Moorish head of the troops invading their posts, and the other to the commander of the English, namely, if the same are present, or else if they alone, 323 whether in the name of the Subah or on their own, might undertake anything hostile—which, with respect to the garrison stationed in the Kiwaloer district, should take place before leaving Chikel; and furthermore, as proof of the Company's right, to let the planted flags continue flying everywhere, without this order, however, applying to any few Sepoys, peons, or horsemen who here or there might wish to tie the so-called toornams or tokens of new possession, which must immediately be prevented. All of which orders it was decided to instruct the aforesaid officers or heads of the detachments to keep in the utmost secrecy, and to disclose to none of their subordinates before actual necessity arose, because if the enemy were to catch wind of it, they would immediately make themselves master of the aforesaid places. While at the same time it was also decreed to insert into these minutes the aforesaid protests to be dispatched, which upon review were found to be properly drawn up. To His Excellency Amiroel Bemara Madaroel Moeloek Haphies Mahamadoe moenawarchan Bachadoer Reijnier van Vlissingen, Governor and Director on behalf of the General Chartered Dutch East India Company on the Coast of Coromandel, together with the Council at Nagapatnam.
Dutch transcription
321 drie andere Capitains, te weeten Zegelaar Kinbergen en Scheerken van een Contrarie gevoelen sijn, en best oordeelen, om met de tans aan handen hebbende magt, deese stad te beveijligen, als oordeelende, selfs niet suf„ ficieerende, om den vijand in het veld het hoofd te bieden, en soo veel manschappen als ter uijt„ voering van dat project benodigd werden, dat nog wel alle de beste Militairen dienen te weesen, uijt deese stad niet kunnen werden ge„ mist, sonder deselve bij een onverhoopte qua¬ den uijtslag van eenige affaire met den vijand, of dat haar somtijds, de retraite na de stad afgesneeden werden, in een te groot gevaar steld, ongeagt nog, dat men de man„ schappen, die eens gesneuvelt sijnde, voor D' E. Comp: soo ligt niet weder te bekomen sijn, principaal tans in deese tijds omstandig„ heijd, alhier, daar den vijand in teegendeel geen volk behoeft te ontsien, als altoos we„ der ander kunnende aanwerven, ook te veel Exponeerd, en de Arthillerij ook in een soo„ danige slegte staat is, dat men al het be„ nodigde tot het voorsz. project niet wel four„ neeren, en nog veel minder de nodige provisie, die alhier seer slegt te bekomen is, besor„ gen kan /:sonder het welke den E. Ma„ joor en voorm:e Capitain Wohlfarth egter verklaaren, het niet te onderneemen is:/ Goedgevonden en Verstaan, om sig in deese stad van de aan handen sijnde magt niet te ontblooten, maar deselve, soo veel mo„ gelijk bij een te houden, en over sulx met eenparigheijd van stemmen het ondervolgen„ de vastgesteld; teweeten: Dat, bij aannadering van het vijande„ lijk Leeger uijt Triwaloer na Adiaka„ mangalam, om in 's Comp:s besittingen inte„ dringen, de aldaar geplaatste Maleijers en Sipaijs, in goede Ordre na Kiwaloer sul„ len moeten retireeren, en sig met het aldaar bevindende Corps Sipuijs vereenigd hebbende, exponeerd na 322 na Chikel aftemarcheeren, en aldaar post te blijven houden, tot dat komen te be„ speuren, dat het vijandelijk Leeger meede in het Chikelse inrukt, als wanneer se het gansche Corps, nevens de Arthillerij, in goede ordre na het dorp Porwala Cherij sullen hebben te retireeren en halte te hou¬ den tot nadere ordre, of aldaar geposteerd blijven; of na deese stad afmarcheeren moeten. Deit, indien het vijandelijk Leeger op Naoer afkomt, de aldaar leggende manschappen, het sij te lande of ter zee, soo als sulx best voegelijkst geschieden kan, na deese stad sullen moeten retiree„ ren, en ten dien eijnde ten eersten de nodi¬ ge Chialengen in huur neemen, en met het daartoe behoorende volk altoos gereed hou¬ den, mitsgaders om in de voorsz. aftogt niet belemmerd te sijn, de Canons en dies toebehooren, vooraf bij een donkere avond soo stil mogelijk, in een of twee Chia„ lengen dit heen te senden. Dat de besetting te Topotorre, so dra den vijand die plaats komt te invadeeren, in goede ordre van daar sal hebben te re„ tireeren, en met kleijne vaartuijgen, welke ten dien eijnde steeds in gereedheijd sullen moeten sijn, dit heen te komen. En op dat deese aftogten niet aange„ merkt sullen kunnen werden, als of de Maatschappij die plaatsen goedwillig ver„ liet, en overgaf; soo is al verder Goedge„ vonden en Verstaan, de hoofden der Con„ mandos aan te schrijven, om voor haar ver„ trek de protesten, die haar soo in het persiaans als Engelsch toegesonden ston„ den te werden, het eerste aan het Mhoor„ se hoofd van de troupen, die haare plaat„ sen invadeert, en het andere aan de Comman¬ dant van de Engelschen, te weeten, in¬ dien deselve 'er sig bij bevinden, of wel al„ soo leen 323 leen, het sij op naam van den Souba, of op haar eijgen, iets vijandelijx ondernee„ men mogten, over te geeven, of te doen be¬ stellen, soo als de geleegendheijd sig daar toe het best opdoen mogt, het welk ten opsigte van de besetting die in't Kiwaloer„ se legt, voor het verlaaten van Chikel soude moeten geschieden, en voorts tot bewijs van 'sComp:s regt de geplante Vlaggen allerweegen te laaten blijven waaijen, sonder dat deese ordre egter be„ trecking hebben sal, tot eenige weijnige Sipaijs, pions of Ruijters, die hier of daar„ de soogenaamde toornams of teekenen van nieuwe possessie willen binden, het welk ten eersten sal moeten werden belet. Alle welke ordre men besloot de voorsz. Officieren of hoofden der Comman„ dos aantebeveelen, ten uijttersten te se¬ creteeren, en aan niemand van haar mindere te openbaaren, voor dat de nood, Aan zijn Excellentie Amiroel Bemara Madaroel Moe„ loek Haphies Mahama„ doe moenawarchan Bacha„ Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur van wegen de Generaale G'octroijeerde Nederland„ sche Oost-Indische Maat„ schappij ter Custe Corman„ del, neevens den Raad tot Nagapatnam. Terwijl teffens ook nog gearresteerd wierd, de voorsz. aftesendene Protesten, die bij resumptie na behooren ingerigt bevonden wierden, in deesen te insereeren reël aan de man quam, alsoo den vijand de lugt daarvan krijgende, sig al ten eer„ sten meester van de voorsz. plaatsen maa„ ken Soude. — reël doer
English
...commander, head of the army of His Highness the Subah of these Carnatic lowlands, Mahometh Alychan, to be handed over in his absence to whoever commands the troops of His Highness that are invading the Company's lands; greetings, be it known: Whereas your Excellency or his troops, contrary to all reason and equity, and notwithstanding the remonstrances and representations which we have made by letters on behalf of the aforementioned Dutch Company regarding the claims made by His Highness, the aforementioned Carnatic Subah, upon the lands recently purchased by their Honors from the now conquered Tanjore Prince Toelaasja Raasja and several other matters, and which have been made known to your Excellency by His Highness's ambassadors Rahieman Alychan and Padie Chan sent here, and demonstrated with the copy of the letter sent to His Highness, which also confirmed the dispatch of three distinguished envoys to Madraspatnam in order to treat amicably with said His Highness on all matters, nevertheless has seen fit to invade the Company's possessions with his armed force, and to take possession thereof in a hostile and violent manner, which is completely contrary to the good friendship and intelligence that has of old always existed between the Subahs of Carnatica and the aforementioned Company; and to which His Highness as well as your Excellency have appealed so strongly in their letters and through the aforementioned dispatched ambassadors, without the least occasion having been given thereto from our side, but having on the contrary already devised means to settle everything amicably with His Highness; So it is, that we, in the name and on behalf of Their High Mightinesses the Lords States General of the free United Netherlands, the Noble and Right Honorable Lords Directors of our Company, and Their Right Honors the Noble High Indian Government at Batavia, hereby protest in the most vigorous manner against this, and leave all the damages, injuries, and further consequences already arisen and in time yet to result from this hostile action, with all their consequences and attachments, directly and entirely for the account and responsibility of your Excellency, as being the willful cause thereof, since we declare the Dutch Company and ourselves, who represent it here, to be entirely innocent thereof and to have given not the least cause for hostility, but rather to have sought to prevent all estrangement: Done in the Castle at Nagapatnam on the Coast of Coromandel in the East Indies, the 12th of October, Anno 1773. Was signed: R:k Van Vlissingen; H:s Leembruggen; I:n E:t G:s Haselman; M:r Koning; Corn:s Pietersz; J:n Appengh; J:s Van Pessel; W:m Duijnevelt, and J:r D:l Simons. To the Commander of such English troops as, conjoined with the army of His Highness the Carnatic Subah Mahometh Alychan, or else solely in the name and under pretext of His Highness, come to invade the Company's possessions, greetings, be it known. The Governor and Director on behalf of the General Chartered Dutch East India Company on the Coast of Coromandel, together with the Council at Nagapatnam, Reynier van Vlissingen. Whereas your Honors, who have assisted His Highness the Carnatic Subah as his allies in the conquest of the Principality of Tanjore, have now, contrary to all reason and equity, also gone so far as to assist said His Highness not only with counsel and deed, but also with soldiers and ammunition, in committing open hostilities against the Dutch Company, in order to enforce by power of arms his unreasonable claims which he makes upon the same, regardless of our reasonable remonstrances and representations already made to him in that regard, both by letter and by sending three distinguished envoys to settle everything amicably, and thus openly and hostily attack the Dutch Nation, contrary to the close friendship and alliance existing between His Britannic Majesty and Their High Mightinesses the Lords States General, and contrary to the contents of all the treaties and alliances successively entered into by both nations, especially contrary to the secret article of the Treaty concluded on the 20th of February 1673/4 at Westminster, and confirmed on the 6th of February O.S. 1716/17, which explicitly forbid in general all assistance to the enemies of either of the two parties, and which ought to be observed even more strictly in this case, since both nations are united in the important matter of religion, and one of them is being attacked by a Mohammedan Prince; by which conduct your Honors break all the aforementioned alliances, and by directly assisting the Moors against us, commence an open war here, while the Sovereigns in Europe are in full peace and tranquility; So it is, that we, in the name and on behalf of Their High Mightinesses the Lords States General of the free United Netherlands, the Noble and Right Honorable Lords Directors of our Company, and Their Right Honors the Noble High Indian Government at Batavia, hereby protest against this in the most emphatic manner, and leave all the damages, injuries, and further consequences already arisen and in time yet to result from this hostile action, with all their consequences and attachments, directly and entirely for your Honors' account and responsibility.
Dutch transcription
324 doer, hoofd van het Leeger van sijn Hoogheijd den Souba deeser Carnatica„ se beneeden landen Ma„ hometh Mijchan, om bij desselvs absentie aan den geene, die de troupen van sijn Hoogheijd, welke 's Comp:s Landen invadeeren Commandeert, overhandigt te werden; Salut doen te weeten: Aangesien uw Excellentie of desselvs troupen, teegens alle reeden en billijkheijd, en onaangesien de vertoogen en representatien, die wij van wegen de wel melde Hollandse Compagnie ten op„ sigte van de door sijn Hoogheijd, den voormelden Carnaticasen Souba gemaak„ te pretentien, op de door haar Edele Jongst van den tans overwonnen Tans„ joersen Vorst Toelaasja Raasja gekogte landen en meer andere saake„ lijkheeden, bij brieven gedaan, en aan uw Excellentie door Hoogst- desselvs dit heen gesondene Ambassadeurs Rahie„ man Alijchan en Padie Chan te Ken„ nen gegeeven, en met de Copij der aan sijn Hoogheijd gesondene brief betoogd hebben, waar bij de gedaane depeche van drie aansienelijke afgesanten na Madras„ patnam, om over alle saaken, met gemelde sijn Hoogheijd in het vrindelijk te handelen, al meede Consteerd, egter heeft kunnen Goedvinden, 's Comp:s besittingen door desselvs krijgsmagt te invadeeren, en op een vijan„ delijke en geweldadige wijse in besit te neemen, het welk geheel en al strijdig is, tegens de goede vrindschap en Jntelligentie, die van ouds tusschen de Toubas van Car„ natica en wel melde Compagnie altoos ge„ subsisteerd heeft; en waar op sijn Hoog„ heijd soo wel, als ouw Excellentie sig bij haare brieven en de voorm:de afge„ sondene Ambassadeurs sig nog soo krag„ „tig beroepen hebben, sonder dat daartoe van onse zeijde eenige de minste aanleij„ ding gegeeven is, als in tegendeel reeds mid¬ delen beraamd hebbende, om alles in't vrin„ delijke met sijn Hoogheijd te reguleeren; Soo is 't, dat wij uijt naam ende van we„ gen Haar Hoog Mogende de Heeren Staaten Generaal der vrije vereenigde man Neder 101 325 Reijnier van Nissingen Nederlanden, de Edele Hoog Agtbaare Heeren Bewindhebberen van onse Maat„ schappij en Haar Hoog Edelens de Edele # Hooge Indiasche Regeering te Batavia daar tegens bij deesen op het aller kragtigste protesteeren, en alle de schade, nadeelen en verdere gevolgen uijt dit vijandelijk ge„ doente reets ontstaan en in der tijd nog te resulteeren, met den gevolge en aankleeve van dien, direct en geheel en al laaten voor reecq: en verantwoording van cuw Excell: als daar van moetwillig oorsaak sijnde, vermits wij de Hollandse Maatschappij en ons, die deselve alhier representeeren, daar„ aan geheel onschuldig kennen en geen de minste aanleijding tot vijandelijkheijd gegeeven, maar veel meer getragt hebben alle verwijdering voor te komen: Gedaan in het Casteel tot Naga„ patnam op de Cust Cormandel In Oost„ Indien den 12:' October Anno 1773. /:was geteekend:/ R:k Van Vlissingen; H:s Leem„ Et bruggen; I:n E:t G:s Haselman; M:r .; Corns Pietersz; - Koning; - - J:n Appengh; J:s Van Pessel; W„m Duijne„ velt en J„r D:l Simons. — Aangesien uwel Edelens, die sijn Hoogheijd den Carnaticasen Souba in de overwinning van het Vorstendom Tansjoer als sijne geallieerdens geadsisteerd hebben, tans tegens alle reeden en billijkheijd ook soo Aan Den Commandant van soo„ danige Engelsche troupen, als geconjungeerd met het lee„ ger van Sijn Hoogheijd den Carnaticasen Pouba Mahometh Mijchan dan wel alleen op naam en onder pretext van sijn Hoogheijd 'sComp:s besittingen komen te invedeeren, Salut doen, te weeten. Gouverneur en Directeur van wegen de Generaale G'octroijeerde Nederlandsche Oost- Indische Maatschappij ter Custe Cormandel nevens den Raad te Nagapatnam Reijnier verre, 326 verre gekomen sijn, dat gemelde sijn hoog„ heijd in het pleegen van openbaare vijande lijkheeden teegens de hollandsche Maat„ schappij, om sijne onreedelijke pretentien, die hij op deselve formeerd, ongeagt onse aan hem dierweegens reeds gedaane billijke vertoogen en representatien, soo bij brie¬ ve, als door het afsenden van drie aan„ sienelijke Gesanten, om alles in der min„ ne te reguleeren, door Kragt van wa„ penen te doen gelden, niet alleen met raad en daad, maar ook met krijgs„ volk en ammonitie bij te staan, en de hollandsche Natie dus openbaar vijande„ lijk attacqueeren, Contrarie de nauwe vrind= en bondgenotschap tusschen Sijn Groot Brittanische Majesteijt en Haar Hoog Mogende de Heeren staaten Generaal Subsisteerende, en tegens den inhoud van alle de tractaaten en ver„ bonden successive door de beijde Natien aangegaan, speciaal tegens het secreet Articul van het Tractaat in dato 20. ' Febr: 167/4. te westmunster geslooten, en den 6.:' Febr: O. S. 171 7/16. geconfir„ meerd, dewelke in't generaal alle adsistentie e een vijanden van een der beijde parthijen uijtdruckelijk verbieden, en het welk in deesen nog te speciaalder behoord geob„ serveerd te werden, vermits de beijde Na„ tien omtrend het aangeleegen stuk der Gods-dienst het eens sijn, en eene derselve door een Mahomethaanse Vorst aangetast werd; door welk gedoente wE. alle de voorsz. verbonden verbreeken, en door de Mhooren, tegens ons dadelijk te adsistee„ ren, alhier een openbaare Oorlog aan„ vangen, daar de Souverainen in Europa in volle rust en vreede sijn; Soo is 't, dat wij uijt Naam ende van wegen Haar Hoog Moogende de Heeren Staaten Generaal der vrije vereenigde Neder„ landen De Edele Hoog Agtbaare Heeren Bewindhebberen van onse Maat„ schappij en Haar Hoog Edelens de Edele Hooge Indiase Regeering te Batavia, daar tegens bij deesen op het allernadrukkelijkste protesteeren, en alle de schade, nadeelen en verdere gevolgen uijt dit vijandelijk gedoente reeds ontslaan en in der tijd nog te resulteeren met den gevolge en aanklee„ ve van dien, direct, en geheel en al voor uw Ed:s reekening en verantwoording uijt
English
to let, as being the willful cause thereof, since we declare ourselves wholly innocent of it and have not given the least occasion for it. Done in the Castle at Nagapatnam on the Coast of Coromandel in the East Indies, the 12th of October, Anno 1773. Was signed: As before. Whereafter the Governor informed the Council that, since it had appeared to his Honour from a pass dated the 6th instant, granted by the Brigadier General, Commander-in-Chief of the troops of the English East India Company on this Coast, Joseph Smith, for the escort of a comprador, a harkar, and some lascars, to purchase some necessities here, concerning which the same had requested through those servants to lend them a helping hand, that that chief officer, with the troops under his command, was in Ammapette, where the Souba's army was stationed in order to invade the Company's new lands, his Honour, in a letter of the 9th, had expressed his astonishment thereat, and had kindly reminded him of the treaties of friendship and alliance existing between His Britannic Majesty and Their High Mightinesses, intimating that he did not hope he would initiate anything contrary to the same or what could tend to the detriment and estrangement of both Powers, who were so closely allied not only regarding the matter of trade in Europe, but also and especially in the interest of religion, but much rather expected that he would steadfastly maintain and observe the same, with the assurance that his Honour was likewise inclined to do so strictly, in order thereby to sound him out as to what he actually has in mind, and also to restrain him as much as possible from undertaking anything prejudicial to the Company's interests, or inciting the Souba's son thereto, which was likewise judged by the members to be not unserviceable, It was resolved to make a record of this herein, as proof, in due time, that the necessary representations have been made in this regard, since the Council judged that up to now, or as long as the English did not undertake any act of aggression, nor did the Souba's troops commit any open hostility, one could not proceed to an open protest, since the English troops could hitherto not well be disputed for staying with the Souba's army in the Tanjore region, and because most matters there and applying a protest too early would sometimes only give cause for estrangement. The dispatch of the appointed commissioners to meet the Souba requiring, by the aforesaid concurring circumstances, more and more haste, it was resolved to let the Merchant, Trade Bookkeeper, and First Warehouse Keeper Hendrik Ambrosius Johnson depart from here tomorrow with the retinue and the gifts belonging to the commission, and to send the Instructions along with the other papers pertaining to that embassy a few days later, to which end the first-mentioned document, which had already been drafted according to the circumstances of the matters, was reviewed and approved in Council. And contained therein, under suppositions that the Souba's demands would amount thereto, are noted, and it appearing from the letters now received that such is indeed the case, it was further resolved to have this incorporated into that document, and to furnish the commissioners with copies of the letters and the replies to be made thereto, so that they may guide themselves accordingly, and further to authorize them, if they should perceive that the English have a direct hand in the game, and assist the Souba against us, whether openly with men and ammunition, or secretly with counsel and deed, then to protest directly against the English Ministry, and also to apply such with regard to the Souba, if, notwithstanding all reasonable representations, he remains intractable, provided that Secret Instruction drawn up by, and on behalf of Reynier Van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel with its dependencies together with the Council at Nagapatnam, for the Honorable Philipus prudence is observed that this does not happen too early, in order that no new estrangements result therefrom; all of which was agreed to be made known in the Instructions, and to insert the said document into the original Resolution of today, but not into the copy for Batavia, but respectfully to present a separate transcript of the same to Their High Mightinesses, given that the time of the departure of the ship Den Tempel is too short for everything to be properly copied by one person.
Dutch transcription
327 te laaten, als daarvan moetwillig oor„ saak sijnde, vermits wij ons geheel daar aan onschuldig kennen, en 'er geen de minste aanleijding toe gegeeven hebben. Gedaan in 't Casteel tot Na„ gapatnam op de Cust Cormandel in Oost Indiën den 12:' October Anno 1773. /:was Geteekend:/ Als Vooren. Waarna den Heer Gouverneur de Ver„ gadering te kennen gaf, dat vermits sijn Edele uijt een pas onder dato 6:' Courant, door den Brigardier Generaal, Comman„ dant en Chef der troupen van de En„ gelsche Oost- Indische Compagnie te deeser Custe Ioseph Smith, ten geleijde van een Compradoor, harkar en eenige Las„ kaars, om alhier eenige benoodigtheijd inte„ koopen, verleend, waaromtrend denselven door die bediendens hadde laaten versoe„ ken, om deselve daarinne de behulpsame hand te bieden, gebleeken was, dat dien hoofd- Officier met sijn onder hebbende trou„ pen sig in Ammapette bevond, alwaar des Soubas leeger geposteerd stond, om 's Comp:s nieuwe Landen te invadeeren, sijn Edele daarover bij een briefje van den 9'. daar¬ aan desselvs verwondering daar over be„ tuijgd, en hem in't vrindelijk revinnerd hadde, de tractaaten van Vrind-en bond„ genootschap tusschen sijn Brittanische Majesteijt en Haar Hoog Moogende subsisteerende, onder te kennen geeving, dat niet verhoopte, dat hij iets tegens deselve of wat tot nadeel en verwijdering der beijde Mogendheeden, welke niet al„ leen omtrend het stuk van den handel in Europa, maar ook en wel in 't bij„ sonder ten belange van den Gods-dienst soo nauwe verbonden waren, strecken konde, entameeren, maar veel meer ver„ wagtede, dat hij deselve standvastig on„ der houden en nakomen soude, met betuij¬ hoofd ging 103 328 ging, dat sijn Edele ook gesind was, sulx stipt te doen, ten eijnde hem daar door te ondertaften, wat eijgentlijk in 't zin heeft, en ook soo veel mogelijk te weder houden, om iets nadeeligs voor 's Comp:s belangens te onderneemen, of des Soubas soon daartoe aantesetten, het welk bij de Lee„ den meede niet ondienstig geoordeeld sijnde, Verstaan is, daarvan in deesen aantee„ kening te houden, ten blijke, in der tijd, dat men de nodige vertoogen daar„ omtrend gedaan heeft, nadien de Ver„ gadering oordeelde, dat men tot nog toe„ of soo lange de Engelsche niets dade„ lijks ondernamen, nog des Soubabs trou„ pen ook tot geen openbaare vijandelijk„ heijd quamen, tot geen opentlijk protest overgaan konde, vermits het de Engel„ sche troupen tot dus lange niet wel be„ disputeerd konde werden, om sig bij des Soubas leeger in het Tansjoerse op te houden, En dewijl de meeste saaken daar„ en het te vroeg appliceeren eener Protest aanleijding somtijds maar „ tot verwijdering geeven Soude. — De depeche van de benoemde Gecom„ mitteerdens ter ontmoeting van den souba„ door de voorsz. Concureerende omstandighee„ den, hoe langer, hoe meer haast vereijs„ schende; soo is verstaan, den Coopman, Negotie-Boekhouder, en Eerste Pak„ huijsmeester Hendrik Ambrosius Iohn„ son met het tot de Commissie gehoorende gevolg en de geschenken op morgen van hier te laaten vertrecken, en de Jn„ structie neevens de andere tot die besen„ ding specteerende papieren, binnen eenige dagen agter na te senden, ten welken eijnde het eerstgemeld geschrift, dat na de om„ standigheijd der saaken reeds geconcipieerd was, in Raade geresumeerd en geappro„ beerd wierd. en bij 329 bij vervat, bij veronderstellingen, als dat des Soubas Eijsschen daarop uijtkomen soude, genoteerd sijn en bij de tans ont„ fangene brieven Consteerd, dat sulx ook in der daad sodanig is; soo arresteerde men al verder, sulx nog bij dat papier te laaten invloeijen, en de Gecommit„ teerdens Copij der brieven en daarop te dienene rescriptien meede te geeven, ten eijnde, sig daarna te kunnen re„ guleeren, en haar voorts te qualifi„ ceeren, om, indien bespeuren mogte, dat de Engelschen dadelijk de hand in het spel hebben, en den Souba tegens ons„ het sij openbaar met volk en ammonitie, of in't geheijm met Raad en daad adsistee„ ren, alsdan maar direct tegens het Engelsch Ministerium te protesteeren, en sulx ook omtrend den Souba, indien hij ongeagt alle billijke vertoogen on„ handelbaar blijft te appliceeren, mits de Secreete Instructie opgesteld bij, en van wegen Reijnier Van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deeser Custe Cormandel met den resorte van dien neevens den Raad tot Na„ gapatnam, voor den E. Voorsigtigheijd in agt neemende, dat sulx niet te vroeg geschied, ten eijnde daaruijt geen nieuwe verwijderingen Resulteeren; alle het welke verstaan wierd, bij de Instructie nog bekend te stellen, en ge„ dagte papier ter origineele Resolutie van heeden te insereeren, dog in de Copij voor Batavia niet, maar een afsonder„ lijk afschrift derselve Haar Hoog Edelens Eerbiedig aantebieden, aange„ sien de tijd van het vertrek van het schip Den Tempel te kort is, dat alles door een persoon behoorlijk gecopieerd werden kan. voorsig Philipus -
English
Philippus Iacobus Dormieux, Senior Merchant and Chief of Palliacatta, the Merchant and Chief at Sadraspatnam Willem Blaaukamer, and the Merchant, Trade Bookkeeper and First Warehouse Master here Hendrik Ambrosius Johnson, according to which they shall have to regulate themselves in their mission as Special Commissioners to the subah of these Carnatic Lowlands, His Highness Mahometh Alijchan, to congratulate him in the name and on behalf of the Dutch East India Company on the conquest of the Principality of Tansjoer, and to solicit the confirmation of the successive privileges obtained in that realm. Since the Subah of the Carnatic Lowlands, His Highness Mahometh Mlijchan, after having had his eye on the Principality of Tansjoer for a very long time and having applied an infinite amount of effort toward its acquisition, finally on the 17th of the past month, with the help of the troops of his allies the English gentlemen, became master of its capital city, and the entire realm has thus fallen into his power, and furthermore the Honorable Company, through this revolution of affairs, is for a great part situated upon his soil: so we have, at our meeting of the 20th following, immediately judged it necessary and expedient for the Company's true interest and concern, and consequently resolved, to have His Highness complimented and presented with gifts on account of these advances of his arms through a special embassy, in order to solicit from him, as lawful conqueror, the confirmation and ratification of the successive privileges and freedoms obtained from the nayaks and princes of that realm from the conquest of this city from the Portuguese in anno 1658 until now, and thus to obtain a general cowl, whereby everything is renewed and granted just as it was customary of old, so that one may thus peacefully continue the Company's trade and intercourse here, as before; although on that same occasion it was nevertheless found proper to delay the said commission a little longer, partly to await whether His Highness, or his son present in Tansjoer, commonly called Madaroel Moeloek, would provide any communication of that victory, or whether they might sometimes undertake anything detrimental with respect to our seat and trade here, and especially regarding the recognition moneys and ditto elephants bought off, as well as lands purchased, by the Honorable Company shortly before the beginning of the war from the now conquered and prisoner of war Prince Coelaasja Raasja, consisting of the Province of Kiwaloer, the sea places Naoer and Topotorre, and the district of Tripondij, or make any inquiry in that regard; and partly to perceive in the meantime what the French and Danish gentlemen, who are also settled in that realm, and which latter also hold lands of the conquered Prince in pledge, would undertake regarding this change in the form of government; but as nothing came of the former, and we received word in the meantime that the Danish gentlemen had already appointed a commission, and that the same was about to travel daily to Madraspatnam; so we deemed it necessary on the first of this month to proceed with it as well, in order not to irritate His Highness any further by a longer delay—who, as rumors have it, is said to be very displeased regarding our purchase of the aforementioned lands and to have intended to make himself master thereof by force and to attach the same to his states, and in case of resistance against it, even to attack us in this city—but if possible to remove all displeasure, and also, if he should bring up that matter (but otherwise not), to convince him of the contrary and of the entirely lawful and equitable conduct of the Honorable Company with respect to the aforementioned purchase and some other matters which might have made him resentful through wrong representations and insidious inventions of the Company's enviers; wherefore we have on that day also resolved to choose and appoint Your Honors as Commissioners thereto, relying on your experience in the service of the Honorable Company and the good knowledge that we firmly trust resides in Your Honors, hoping that this mission may be accomplished properly and with good success (for which we pray to Heaven), and thus all estrangement be removed, and the objective of Their High Mightinesses, the Honorable High Indian Government at Batavia, and that of ours, namely: to keep everything on the old footing and to retain our newly acquired possessions, which are now of very great importance, may be achieved; to which end the Honorable Dormieux and Blaaukamer have been given notice of this their appointment by a letter of the same day, in order to hold themselves ready for the arrival of Johnson, so that with him, either from Palliacatta or from such a place as might be chosen and deemed suitable by them between that station and Sadraspatnam according to the tenor of the said letter, they may deliberate on the contents of this Instruction and the further papers relating thereto, and arrange with each other what is necessary for the march to Madraspatnam, where His Highness resides, or rather in the garden
Dutch transcription
330 Philippus Iacobus Dor„ mieux, Oppercoopman en Opperhoofd van Palliacatta, den Koopman en Opperhoofd te Sadraspatnam Willem Blaaukamer, en den Koopman, Negotie-Boek„ houder en Eerste Pakhuijs„ meester alhier Hendrik Ambrosius Johnson waarna haar in derselver besending als Expresse Ge„ committeerdens na den souba deeser Carnaticasche be„ needen Landen, zijn Hoog„ heijd Mahometh Alijchan, om denselven uijt naam en van wegen de Nederland„ sche Oost- Indische Maat„ schappij met de Overwinning van het Vorstendom Tans„ joer te feliciteeren, en de Confirmatie der Successive in dat Rijk geobtineerde pri„ vilegien te besolliciteeren, sullen hebben te regu„ Aangesien den Souba der Carnati„ casche beneeden Landen sijn Hoog„ heijd, Mahometh Mlijchan, na al seer lange het oog op het Vorstendom Tansjoer gehad, en oneijndig veele moeijte tot dies bemagtiging aangewend te hebben, eijndelijk op den 17. ' der gepasseerde maand, door behulp van de troupen. sij„ ner geallieerdens de Heeren Engelsen meester van dies Hoofd-stad geworden, en het gantsche Rijk dus in sijn magt gevallen, mitsgaders D' E. Comp: door dee„ se omroenteling van Saaken voor een goed gedeelte op sijn bodem geseeten is: soo hebben wij ter onser bij eenkomste van den 20. ' daaraan, al ten eersten voor 's Comp:s waare belang en Intrest nodig en dienstig geoordeelt, en over„ sulx beslooten, sijn Hoogheijd ter saake van deese progressen sijner wapenen door een expres gesantschap te doen Complimenteeren en beschenken, ten eijnde van hem als wettige over„ winnaar, de Confirmatie en bevesti„ ging der Successive of t' sedert de leeren. leeren ver 331 verovering deeser Stad van de Portu„ geesen in anno 1658. tot nu toe, van de Neijken en Vorsten van dat Rijk geobtineerde privilegien en vrijheeden, te besolliciteeren, en dus een generaale Caul te verwerven, waarbij alles so„ danig als het van ouds gebruijkelijk geweest is, hernieuwd en toegestaan werd, op dat men dus 'sComp:s handel en wandel alhier, gelijk voor heen, gerustelijk voortsetten ken, hoewel men ter dier selfde geleegendheijd eg„ ter goedvond, met gedagte Commissie nog wat te traineeren, eensdeels, om aftewagten, of sijn Hoogheijd, dan wel desselvs in sansjoer sijnde Soon, in de wandeling Madaroel Moeloek genaamd, van die overwinning geen Communicatie geeven, dan wel, of zij somtijds, met betrecking tot onsen zeet en handel alhier, en wel voor„ namentlijk omtrend de door D'E. Comp: kort voor den aanvang van den oorlog, van den tans overwonnen en krijgs-gevangen sijnde Vorst Coelaasja Raasja afgekogte re„ cognitie - penningen en dito Eliphan„ ten, mitsgaders gekogte Landen, bestaande in de Provintie Kiwaloer de Zeeplaatsen Naoer en Topotorre, mitsg:s het district van Tripondij iets nadeeligs onderneemen, of ten dien op„ sigte eenige navraag doen soude; en ten anderen, om intusschen te ontwaa¬ ren, wat de Heeren Francen en Deenen, die meede in dat Rijk ge„ seeten sijn, en welke laaste meede Landen van den overwonnen Vorst in pand hebben, nopens deese verande„ ring van Regeerings-form in het werk souden stellen; dog dewijl van het eerste niets quam, en wij intusschen berigt kreegen, als dat de Heeren Deenen, reeds een Commissie benoemd hadden, en deselve dagelijx na Ma„ draspatnam stond op te reijsen; Soo oordeelden wij op den eersten deeser noodsaakelijk te sijn; daarmeede ook voort te vaaren, ten eijnde door een lan„ ger vertoef sijn Hoogheijd, die soo als de gerugten willen, ter saake van onse koop van voorsz. Landen seer misnoegd weesen, en voorgenoomen hebben soude, sig met geweld daar van meester ten te 332 te maaken, en deselve aan sijn staa„ ten te hegten, en in Cas van resisten„ tie daar tegens, ons selvs in deese stad aantetasten, niet verder te irretee„ ren, maar des mogelijk alle ongenoe„ gen weg te neemen, mitsgaders hem, indien hij van die saak ophaalen mogte /:dog anders niet :/ van het teegendeel, en van de allesints regtmatige en Equi„ table handelwijse der E. Maatschappij met betrecking tot voorsz. koop en eeni„ ge andere saaken meer, die hem door verkeerde aanbrengingen, en slinxe uijtvindingen van 's Comp:s benijders, wreevelmoedig gemaakt hebben mogte te overtuijgen, weshalven wij ten dien dage dan ook beslooten hebben, VEd:s eels Gecommitteerdens daartoe te ver„ kiesen en aantestellen, als van der selver ervaarendheijd in den dienst der E. Comp: en de goede kennisse, die wij met grond vertrouwen, dat bij VWE:s resideert, verhoopende, dat deese besending na behooren en met goed Succes /: waarom wij den Hemel bidden :/ volbragt, en alsoo alle verwijdering weggenomen, en het oog„ merk van haar Hoog Edelens de Edele Hooge Indiase Regeering te Batavia, en dat van ons, namentlijk: om alles op den ouden voet te doen blijven, en onse nieuw verkreegene, en tans van seer veel aangeleegendheijd sijnde besittingen te behouden, be„ reijkt werden mag, ten welken eijnde D' E. Dormieux en Blaaukamer bij een briefje van den selfden dag van deese haare aanstelling kennis„ se gegeeven geworden is, om sig tegens de komst van Johnson te kunnen gereed houden, ten eijnde met den sel„ ven, het Sij van Palliacatta, dan wel van een sodanige plaats, als door haar, volgens den Teneur van ge„ melde brief, tusschen dat Comptoir en Sadraspatnam daartoe verkooren en Convenabel geoordeeld mogte wee¬ sen, om over den inhoud deeser Jn„ structie, en de verdere papieren daartoe betreckelijk, te deliberee„ ren, en met den anderen het nodige te beraamen, de optogt na Madras„ patnam, alwaar Sijn Hoogheijd sig bevind, of wel eijgentlijk in de merk thuijn 105
English
garden in Chepauk ceremoniously; Your Honors, upon arriving at that English place, must use all diligence to meet His Highness as soon as possible, for which purpose Your Honors may employ such natives as you deem best and most faithful for the prosecution of the matter and the true interest of the Honorable Company, which is fully deferred to Your Honors' good discretion and prudence, since you, being present on the spot and in the case itself, can make better arrangements and choices in that regard, in accordance with the circumstances of the case, than we who are far away. Now regarding the intention of the embassy itself, this consists properly, as has already been mentioned in passing hereinbefore, in soliciting from His Highness the confirmation and ratification of all the prerogatives that the Honorable Company has successively obtained in the Kingdom of Tanjore, and that generally from the beginning of its settlement up to the conquest or dethronement of the conquered Prince; namely: everything that may actually be regarded as contracts and privileges, (for matters that were legally purchased once and for all, or servitudes that were redeemed from Princes whose sovereignty was never disputed or called into doubt, require no confirmation). Wherefore Your Honors, at your first audience, while presenting the letter from the undersigned Governor and the gifts that the member of our Council, Johnson, is taking with him from here, which are specified in a separate note, must politely, with a relevant speech customary under such circumstances among the Moorish Princes, congratulate His Highness in the most friendly manner upon the aforementioned progress of his arms in conquering the Kingdom of Tanjore, with assurances of the true esteem and inclination of the Honorable Company to live in the same good harmony with him and his ministers in his capacity as conqueror, and thus the legitimate possessor of the Principality of Tanjore, and to preserve good intelligence and friendship in every possible way, as Their Honors have hitherto done with him in his capacity as Subah of the Carnatic, and have observed toward the succumbed Prince of Tanjore as long as he was not yet conquered. With further declaration that the Honorable Company, for its part, will faithfully and punctually maintain and cause to be maintained toward His Highness everything to which it has successively bound itself by the contracts with the former Princes of Tanjore since the beginning of its arrival here, namely in so far as those servitudes were not subsequently legally redeemed. Whereof Your Honors can also politely show him that this your mission serves not only as convincing proof, but also as convincing evidence of how very much the Honorable Company seeks in every respect to win his good favor; with the final request that His Highness, (whose goodwill toward the Honorable Company with respect to the places where it is seated in his country as Nawab of Arcot, and the trust therefore placed in him that, now having become the conqueror of Tanjore, he will also demonstrate this in relation to our seat in that Kingdom, may therefore be praised somewhat highly, so far as it does not tend to impair the Company's esteem and authority, in order thereby to cajole him the more), may be pleased on his part to confirm and ratify the aforementioned contracts, as has always occurred upon a change of throne in that Kingdom, and also to grant, for the greater peace of mind of the Honorable Company, a general cowle to Their Honors and the necessary parwanas or mandates to his ministers in that Kingdom, that everything shall and must be handled on the old footing and according to the tenor of the previous contracts. And so that Your Honors will know which and what kind of contracts and privileges, etc., must now be submitted for renewal, the same are enclosed herewith in copies, both in the original language and their translations in Dutch, consisting of the following, namely: The cowles of the Tanjore Nayak Visiaraqua Nayak, 15 December 1658, as well as 7 November and 26 December in the year 1661, granted to the Honorable Company in the name of Admiral and Superintendent Rijcklof van Goens, the first and last being engraved on silver plates, Letter A, B, and C. Contract of alliance and peace between the Honorable Company and Cawatta Nayak, Governor of Tanjore, entered into and concluded in the name of Sjoekanada, Nayak of Madurai, 13 September 1674... D. The treaty of peace on behalf of the Honorable Company and in the name of the Honorable Extraordinary Councillor of Netherlands India, Rijcklof van Goens the Younger, concluded by the Senior Merchant Pieter Vermer and the Merchant Thomas van Rhee, together with the other members of the Council here, on 11 December 1676, with Ekoji Raje, as Field Commander and Great Governor of the Crown of Bijapur, likewise engraved on a silver plate... Letter E. Cowle of Chinela Pandidaar, High Adigar of Shiyali, granted in the name of Ekoji Raje, with respect to Tirumullaivasal, 7 March 1677... H. Cowle or letter from the aforementioned Ekoji Raje, whereby he confirms the just-mentioned cowle... G. Cowle of the Great Governor of Shiyali, Nerregirrij, in the name of
Dutch transcription
333 thuijn te Sjepakum Ceremonieel aan„ te vangen; moetende uw E. na dersel„ ver aankomst te dier Engelse plaat„ se alle moeijte aanwenden, om sijn Hoogheijd, soo spoedig mogelijk, te ontmoeten, ten welken eijnde ouw E: sig van soodanige Jnlanders sullen mogen bedienen, als sij tot voortset„ ting der saake, en het waare belang der E. Comp: best en getrouwst oordeelen, 't welk volkomen aan uw E. goed beleijd en voorsigtigheijd gedefereerd gelaaten werd, dewijl sij die in't geval selvs en aldaar present= sijn, daaromtrend beeter schicking en ver„ kiesing maaken kunnen, overeenkomstig met de omstandigheijd der Saake, dan wij, die ons van verre bevinden. —. Betreffende nu de intentie van het gesantschap selve, sulx bestaat gelijk hier vooren reeds in het voorbijgaan ge segd is, eijgendlijk hierinne, om van sijn Hoogheijd te besolliciteeren, de Con„ firmatie en bevestiging van alle de pre„ rogativen die D' E. Comp:e successive in het Rijk van Tansjoer verkreegen heeft, en dat wel generaalijk van den beginne haarer Zeet af, tot de verovering of de onttrooning van den overwonnen Vorst toe; te weeten: alles wat in der daad als Contracten en privilegien aante mer„ ken sij, /: want Saaken, die eens voor al wettig gekogt, of servituiten, die afge„ kogt sijn, van Vorsten, welkers sou„ verainiteijt nooijt bedisputeerd of in twijffel getrocken is, vereijsschen geen Confirmatie :/ weshalven UWE:s bij derselver eerste audientie onder aan„ bieding van de brief van den onderge„ teekende Gouverneur, en van de geschen„ ken, die het Lid onser Vergadering John Son, van hier meede neemt, dewelke bij een aparte Notitie gespecificeerd staan, sijn Hoogheijd met de voormelde pro„ gressen sijner wapenen in het overwin„ nen van het Tansjoerse Rijk beleef„ delijk, onder een ter Saake dienen„ de en in dusdanige omstandigheeden bij de mhoorse Vorsten gebruijkelijke reedenvoering op het vrindelijkste sullen moeten Congratuleeren, onder verseeke„ ring van de waare agting en genegend„ heijd der E. Maatschappij, om met hem en sijn Ministers in betrecking als beginne overwin= 106 334 overwinnaar, en dus wettige besitter van het Vorstendom van Tansjoer, in een selvde goede harmonie te leeven, en goede intelligentie en vrindschap op alle mogelijke wijse te Conserveeren, als haar Edele tot dus lange, met hem in hoedanigheijd van Souba van Car„ nalica gedaan, en omtrend den gesuc„ cumbeerden Vorst van Tansjoer, soo lange hij nog niet overwonnen was, betragt heeft, met wijdere betuijging, dat D' E: Comp:e van haare sijde om„ trend sijn Hoogheijd getrouwelijk en punctueel sal onderhouden, en doen onderhouden, al het geene, waartoe de„ selve sig bij de Contracten met de voori„ ge Vorsten van Tansjoer, t' seedert het begin haarer komste alhier successive verbonden heeft, te weeten voor soo verre, die servituten naderhand niet wettig afgekogt sijn, waarvan uw E. hem teffens beleefdelijk kunnen aantoonen, dat deese haare besending niet alleen tot een overtuijgend bewijs streckende is, maar ook tot een Convincante preu„ ve, hoe seer D' E. Comp: in allen opsig te sijne goede genegendheijd tragt te gewin„ nen, met versoek eijndelijk, dat het sijn Hoogheijd, (: wiens wel meenendheijd omtrend D' E. Comp:, met betrecking tot de plaat„ sen, alwaar deselve in sijn Land als Nabab van Arcadloe geseeten is, en het vertrouwen, dat men over sulx in hem steld, dat hij tans als overwinnaar van Sansjoer geworden sijnde, sulx met relatie tot onsen seet in dat Rijk ook betoonen sal, voor soo verre het niet tot krenking van 's Comp:s agting en authoriteijt streckt, dierhalven wel wat hoog opgevijseld werden mag, ten eijnde hem daardoor te meer te Cajolee„ ren, van sijne zijde de voorschreeve Contracten, soo als sulx bij troon-ver„ wisseling in dat Rijk altoos: plaats ge„ had heeft, gelieve te Confirmeeren en bevestigen, mitsg:s daar van tot meerder gerustheijd van D' E. Comp:e een gene„ raale Caul aan haar Edele, en de nodige Parwannas of bevelschriften op Sijne Ministers in dat Rijk te verleenen, dat alles op den ouden voet, en na luijd der voorige Contrac„ ten behandeld sal en moet werden. En op dat UW E:s weeten sullen, nen welke 35 welke en hoedanige Contracten en privi„ legien etc: tans ter vernieuwing moe„ ten werden voorgedragen, soo gaan deselve in Copias, soo van de oorspron„ kelijke taale, als dies tractaaten in hollands hierneevens, bestaande in de volgende te weeten: De Cauls van den Tansjoersen Naijk Visiaraqua Naijk; den 15:' December 1658. , mitsg:s 7.:' November en 26:' De„ cember anno 1661. op de naam van den Admiraal en Super- Jntendent Rijk„ lof van Goens aan D' E. Comp: ver„ leend, sijnde de eerste en laaste in sil„ vere plaaten gegraveerd L=ra A. B. en C. Contract van alliantie en vreede tusschen D' E. Comp:e en Cawatta Naijk, Gou„ verneur van Santjoer, in de naam van Sjoekana„ da, Naijk van Madure aangegaan en geslooten den 13. ' 7ber 1674. . . . „ D. Het verdrag van vree„ de weegens D' E. Comp:e, en uijt naam van den Edelen Heer Raad Extra-ordi„ nair van Nederlands. In„ dia Rijklof van Goens de Jonge, door den E. op„ per Coopman Pieter Ver„ mer, en den Koopman Thomas van Rhee, nevens de verdere Leeden van den Raad alhier, den 11:' December 1676. met Ekogie ragie, als Veld overste en groot Gouverneur — van de Kroon Visia pour geslooten, meede op een silve Cra re plaat gegraveerd. . . L=r C. Caul van Chinela Pandi„ daar Groot Adigaar van Chialij, uijt naam van Ekogie Ragie, ten opsigte van Trimelewaas verleend, den 7. ' Maart 1677. . . „ H. Caul of brief van voor„ melde ERogie Ragie, waarbij hij de evengem: Caul bevestigd. . . . „ Caul van den Groot Gouverneur van Chialij, Nerregirrij, uijt naam neir van G:
English
336 granted by the said Prince, dated 7 July 1678, with respect to the ground of the lodge at Trimelewaas Letter H. Kaul from the same, concerning the toll there, dated 14 June 1679 Letter I. Kaul from the aforementioned Prince for the ratification of both preceding Kauls dated 23 March 1680 Letter R. Kaul from the same dated March 1683 Letter Z. The Contract of alliance entered into by His Highness the Lord of Meijdrecht, as Commissioner General etc. etc. on 17 March 1688 with the Prince sapagie ragie, being the successor of the just mentioned Ehogie Rasoe Letter M. The Peace Contract concluded on 11 August 1693 between the Noble Lord Extra-ordinary Councillor of Netherlands India Laurens Pit, on behalf of the Honourable Company on the one part, and Wawosie Pandidaar, in the name of the aforementioned Prince Sahagie Raasja on the other part Letter N. The Kaul from the said Prince obtained in the year 1709, containing the provision to satisfy the obligatory recognition of Horses, in Elephants Letter B. Kaul from the Prince Ekogie Maharaasja, serving to confirm all the previous privilege writings obtained, dated 28 December 1735 Letter Z. Kaul from Pretappa Singaje Raasja Sahib, concerning the cession of 6 villages, dated 27 February 1741 Letter G. Kaul from the same Prince, for the confirmation of all the previous privilege writings, Contracts etc. dated 16 May 1741 Letter R. Parwanna from the same 337 granted to his subordinates, on that very occasion Letter S. Peace Contract between the just mentioned Prince on the one part, and His Excellency Mossel (Governor General) as Governor and Director of this Coast dated 27 June 1743, whereby all previous Kauls, Contracts etc. are renewed, and moreover some further privileges were even granted to the Honourable Company Letter T. Kaul from the now defeated Prince Toelaasja Ragie dated 24 January 1764, granted upon his accession to the throne, for the confirmation of all the preceding treaties, alliances, and privilege writings Letter V. Parwanna from the same granted to his subordinates on that occasion Letter W. And since it is very well to be foreseen, that His Highness, if he is in any way inclined to goodwill, or perhaps otherwise out of cunning, in order to find out the state of our affairs, will desire to have a reading thereof upon Your Honour's request for the confirmation of all these writings before declaring himself, in order thereby to be able to verify and discover how extensive our privileges are in that realm, or wherein they actually consist: so Your Honour may in that case produce to him the copies in the original language as far as they could be traced and appended, and thereby demonstrate the legality of all our regalia, as being a matter that cannot be avoided, although from it, to wit: if he has all of them examined, it will notoriously result that he will ask after the right that the previous Princes of Tansjoer had in the Mint here, which however was sold to the Honourable Company by the father of the now defeated Prince, Pretappa Singarje Ragie Sachib, in accordance with the Kaul of 23 March in the year 1750 for a sum of 5600 pagodas, and will claim the same as well as the recognition monies and Elephants, which the just mentioned succumbed 338 Prince, according to 2 Kauls dated 6 July last or shortly before the siege of his capital and residential city, likewise surrendered on account of his great distress for money, and has renounced thereof for himself and his descendants and successors to the throne once and for all, as it will not appear to him from the previously cited papers, the renewal of which is requested, that these are servitudes already settled and extinguished by redemption, on which therefore no confirmation can be made by a successor, however one may consider him, to wit, whether he succeeds the one who made the renunciation thereof by right of inheritance or by conquest in case of war, as having wholly no relation to him, and being not privileges obtained by favour, but a lawful property of the Buyer; so we append the aforesaid documents for Your Honour's consideration, and in order to be able to make a good and useful application thereof in case it should be necessary, copies of the following papers both in Dutch and the original language; Namely: The Kaul, granted by the aforementioned Prince Pretappa singaji Raasja dated 23 March 1750, concerning the redemption of his half share in the mint rights here Letter K. The Kauls from the defeated Prince Toelaasja Ragie concerning the redemption of the recognition monies and the said Elephants, both dated 2 July of this year Letters Y and Z. Wherewith the redemption of the one and the other can be demonstrated and proved to him most evidently, if he should otherwise not wish to give credit thereto, as also with the copies of deeds of purchase and gift that accompany this, that several places and villages in that Realm belong to us in addition to those known by the aforesaid Kauls, which are presented for confirmation and are specified hereinbefore from Letter A to W inclusive; to wit: A Kaul from the Prince Pretappa Singaji
Dutch transcription
336 van gem:e Vorst verleend, de dato 7. ' Julij 1678. ten opsiepte van de grond van de logie te Trimelewaas - - - L„ra H. Caul van denselven, aan„ gaande de thol aldaar, de dato 14:' Junij 1679. Caul van voormde. Vorst tot ratificatie van de beijde voorgaande Cauls de dato 23. ' Maart 1680. . . . „ R. Caul van denselven de dato. . . . . Maart 1683. . . „ 2. Het Contract van allian„ tie door sijn Hoogheijd den Heer van Meijdrecht, als Commissaris Generaal Etc. Cte. den 17. ' Maart 1688. met den Vorst sa„ pagie ragie, sijnde de opvolger van evengemel„ de Ehogie Rasoe aan„ gegaan. . . . . „ M. Het Vreedens Contract den 11:'. Aug:s 1693. gesloo„ ten tusschen den Edelen Heer Raad Extra-ordi„ „ I. nair van Nederlands Jn„ dia Laurens Pit, wegens D' E. Comp:e ter eenre, en Wawosie Pandidaar, uijt naame van voormde Vorst Sahagie Raasja ter andere De Caul van gedagte Vorst a=o 1709. verkreegen, inhou„ dende om de verpligte re„ cognitie van Paarden, in B. Eliphanten te voldoen. . „ Caul van den Vorst Ekogie Maharaasja, dienende tot be„ vestiging van alle de voorige geob„ tineerde privilegie - geschriften de dato 28. ' Jber 1735. . . . „ 2. Caul van Pretappa Singa je Raasja Sahib, weegens de afstand van 6. dorpen, de dato 27. ' Febr: 1741. Caul van denselveen Vorst, tot Confirmatie van alle de voorige privilegie- geschriften, Contracten eerde dato 16. ' Parwanna van denselven Meij 1741. - - - - - „ R. L„ N: Sijde.. nair aan . . „G 337 aan sijn onderhoorige, bij die eijgenste geleegendheijd verleend L=ra S. Vreedens Contract tusschen eevengem: Vorst ter eenre, en sijn Excellentie Mossel /: L. G:) als Gouverneur en directeur deeser Custe de dato 27. ' Iunij 1743. , waarbij alle voorige Cauls, Contracten etc: vernieuwd, en D'E. Comp: daar en boven selfs nog eenige verdere pri„ vilegien geaccordeerd sijn. . . „ I. Caul van den tans overwon„ nen Vorst Toelaasja Ragie in dato 24:' Jan: 1764. met sijn komste tot de troon, ver„ leend, tot bevestiging van alle de voorgaande tractaaten, verbonden en privilegie-ge„ schriften.. Parwanna van denselven bij die geleegendheijd op sijn onderhoorige verleend. . . „ W. En dewijl het seer wel te voorsien is, dat sijn Hoogheijd, indien hij maar eenigsints tot wel meenendheijd inclineerd, V. „ of mogelijk anders ook wel uijt lift, om agter de gesteldheijd onser saake te komen, op uw E. versoek om de Confirmatie aller deeser geschriften, alvoorens sig te deda„ reeren, ledura daarvan sal begeeren te hebben, ten eijnde daarbij te kunnen na„ gaan en ontwaaren, hoe uijtgestrekt onse voorregten in dat rijk sijn, of waar inne deselve eijgentlijk bestaan: soo kun„ nen 5 u E. in dat geval de Copijen in de oorspronkelijke taale voor soo verre men heeft konnen opspeuren en bijvoegen aan hem produceeren, en de wettigheijd, van alle onse regalias daarmeede aantoonen, als een saak sijnde, die niet ontgaan worden kan, hoewel daar uijt, te weeten: indien hij alle deselve doet nagaan, notoir te resultee„ ren staat, dat hij na de geregtigheijd, die de voorige Vorsten van Tansjoer in de Munt alhier gehad hebben, dog door den Vader van den tans overwonnen Vorst Pretappa Singarje Ragie Sachib, Conform Caul van den 23. ' Maart a=o 1750. voor een somma van 5600. pagooden aan D' E. Comp: verkogt is, vragen, en deselve soo wel als de recognitie-penningen en Eli„ phanten, die den soo even gem:e gesuccum„ beerden . 338 beerden Vorst volgens 2. Cauls de datis 6: Julij pass=o of kort voor het beleg van sijn Hoofd en Residentie-stad, om de wille van sijn groote verlegendheijd om geld, almeede afgestaan, en daarvan voor hem en sijne Nasaaten en Opvol„ gers op den troon eens voor altoos renun„ ciatie gedaan heeft, pretendeeren sal, als hem uijt de vooren geciteerde papie„ ren, waarvan de renovatie versogt werd, niet sullende blijken, dat het selve reeds afgedaan en door afkoop te niet geloopene servituten sijn, waarop dus door een op„ volger, hoe men deselve ook considereerd, te weeten, dat hij den geene, wien 'er de renunciatie van gedaan heeft, door het regt van Erffenis of door overwinning in Cas van oorlog, succedeerd, geen Con„ firmatie vallen kan, als geheel en al geen betrecking tot hem hebbende, en geen privilegien door gunst verkreegen, maar een wettig eijgendom van den Kooper sijnde, soo voegen wij bij, de voorsz. documenten tot 5uw E. Speculatie, en om in Cas het no„ dig weesen mogt, 'er een goed en nuttig ge„ bruijk van te kunnen maaken, Copias van de volgende papieren soo in't Neder„ duijtsch, als de oorspronkelijke taal; Neementlijk; De Caul, door voormelde Vorst Pretap¬ pa singaji Raasja in dato 23. ' Maart 1750. , wegens de afkoop van sijn halve portie in de munts-geregtigheijd alhier ver„ De Cauls van den overwon„ nen Vorst Toelaasja Ragie wegens de afkoop der recog„ nitie- penn: en dito Eliphan„ ten, beijde ged:t 2:' Julij dee„ ses Jaars. . . . . „ 7 en L. Waarmeede hem de afkooping van het een en ander, indien hij daaraan anders geen geloof defereeren wilde, ten evi„ densten aangetoond en beweesen werden kan, gelijk ook met de almeede deesen deesen geaccompagneerd gaande Copia Koop= en geschenk- brieven, dat ons verscheijdene plaatsen en dorpen in dat Rijk meerder toebehooren, dan bij de voorsz. Cauls, die ter bevestiging gepresenteerd werden en hier vooren van L„ra A. tot W. inclu„ sive gespecificeerd sijn, bekend staan; te weeten: Een Caul van den Verst Pretappa .L„ K. leend... duijtsch Singaji 103
English
Cras Letter D. D. 339 Singaji Raasja Sahib, regarding 2 gifted villages, Papena Cherij and Paringienelloer, which he ceded in order to cause the Honourable Company to renounce the maritime place Naoer, which according to the Coromandel resolution dated 26 March 1750 had already been purchased, and where the flag of the Honourable Company was already flying; dated 23 March 1750. Cras Letter A. A. A deed of purchase from the same for 13 villages, named therein, for a sum of 52000 pardauws, dated as above. Letter B. B. A deed of purchase from the conquered Prince Toelaasjaraasja of the province of Kiwaloer, in which as much as 360000 pagodas are acknowledged, but for which nevertheless, see separate resolution of 6 January past, no more than 330000 pagodas were paid. Letter C. C. dated 2 July past. A deed of purchase of the maritime places Naoer and Topotorre for 75000 pagodas, dated as above. A deed of purchase of the mahonam Tripondi, consisting of eleven villages, in which 24000 pagodas are acknowledged, though nevertheless according to the aforementioned resolution no more than 20000 pagodas were paid, dated as above. Letter E. E. All of which we record here in such ample detail solely to provide Your Honours with knowledge thereof, so that, if circumstances should require it, you may clearly demonstrate it. For this reason, various extracts from the separate resolutions of this Government, in so far as they deal with this subject and we have deemed them necessary for Your Honours' information, are also enclosed herewith under Letters F. F., without there being any need to make mention of it otherwise, or if His Highness is inclined to confirm the aforesaid privileges and to renew the contracts without raising objections thereto, since in that case it speaks for itself, that he likewise regards it as a settled matter. Therefore Your Honours' general endeavour must be directed towards obtaining this without the least exception or reservation, or the addition of any conditions disadvantageous to the Honourable Company. To encourage him all the more to this, Your Honours may, if the discussion turns to it, simultaneously assure him in our name that the Honourable Company will strictly observe and fulfil the express stipulation entered into with the conquered Prince in the cowl for the redemption of the recognition monies, namely, on the part of the Honourable Company, notwithstanding all successively made and still subsisting contracts, to maintain friend- and alliance in the most complete sense, and consequently also maintain the customary honours toward His Highness in meeting and bestowing gifts upon him, as the lawful conqueror of that principality, on such occasions as has always taken place with respect to the former princes, and as is now already observed in Your Honours' mission, provided that he, on the other hand, likewise complies with the obligation that the Prince assumed in that document, and continues to let the Honourable Company enjoy all its privileges successively obtained in that kingdom, and especially the payment of half toll. However much we might wish that His Highness may proceed directly to the confirmation without raising any difficulty, we are nevertheless, on account of various received and universally confirmed rumours of His Highness's displeasure with the Honourable Company over the negotiations held with the conquered Prince recently or shortly before the war regarding the lending of money, the redemption of the recognition monies and elephants, as well as the purchase of the aforementioned new lands, and that he intends to strip the Honourable Company of all of them, and first or principally Naoer, on which he, on account of the prominent Moorish temple there and his allies the English, currently out of
Dutch transcription
Cras L„ D. D. 339 Singaji Raasja Sahib, wegens 2: geschon„ kene dorpen Papena Cherij en Paringie„ nelloer, dewelke hij afgestaan heeft, om D' E. Comp: van de Seeplaats Naoer, dat volgens Cormandelse resolutie de dato 26. ' Maart 1750. reeds gekogt was, en alwaar haar Edele vlagge ook reeds waaijde; te doen renuncieeren, gedateerd 23. ' Maart Cras L„a A. A. 1750.. Een koop-brief van den„ selven van 13. dorpen, daar bij genoemd, voor een somma van 52000. pardauws, ged:t als eeven.. „ B. B. Een koop-brief van den overwonnen Vorst Toelaasja raasja van de provintie Kiwaloer, waar in wel 360000. pagooden bekend staan, dog waar voor egter vide aparte resolutie van den 6. ' Jber: pass=o niet meer als 330'000. pagooden betaald sijn. . . „ C. C. gedateerd den 2:' Julij p=o Een koop- brief van de Seeplaatsen Naoer en Topo„ torre voor 75000. pag: ged:t als eeven. Een koopbrief van de ma„ hanam Tripondi, bestaande in Elf dorpen, in dewelke pag: 24000. bekend staan, dog egter volgens voormel„ de resolutie niet meer als pag: 20'000. betaald sijn, ged:t als eeven. . . „ E: E. Al het welke wij alhier dan ook maar eenelijk dusdanig ampel notee„ ven, om 5uw E:s daarvan kennisse te doen hebben, ten eijnde, indien de om„ standigheeden sulx vereijsschen mogten, duijdelijk te kunnen demonstreeren, alwaaromme diverse Extracten uijt de aparte resolutien deeser Regeering voor soo verre die over dit Sujet hande„ len, en wij sulx tot uw E. narigt no„ dig geoordeeld hebben sub L=ras F. F: meede hierbij gevoegd sijn, sonder dat er anders, of indien sijn Hoogheijd in„ clineerd de voorsz. privilegien te Confir„ meeren, en sonder daar op te komen de Contracten te renoveeren, eenig gewag van gemaakt behoeft te werden, als spreekende het in dat geval van sig selvs, als dat .. 340 dat hij het meede voor een gedaane saak aanmerkt; weshalven Uw E. betragting in't Generaal daar heenen sal moeten strecken, om sulx sonder de minste uijt„ sondering of exceptien, dan wel bijvoe„ ging van eenige voor D' E. Comp: nadeelige Conditien, te obtineeren, en om hem daar toe te meerder te animeeren, kunnen uw E:s indien het discours daarover valt, hem teffens uijt onsen naamen verseekeren, dat D' E. Comp: het expres beding bij de Caul van de afkoop der recognitie pennin„ gen, met den overwonnen Vorst aange„ gaan, te weeten, om van de seijde van haar Edele des niet tegenstaande alle de Successive gemaakte en nog subsisteeren„ de Contracten, voor soo verre de vrind= en bondgenootschap betreft in de volko„ menste sin te onderhouden, stipt obser„ veeren en nakomen sal, mitsgaders over„ sulx ook doen stand houden, de gewoone„ lijke Eerbewijsingen, omtrend: Sijn Hoogheijd in het ontmoeten en beschen„ ken van hem, als wettige Overwinnaar van dat Vorstendom, in soodanige geleegend„ heeden als sulx altoos omtrend de voori„ ge Vorsten plaatse gehad heeft, en tans in ouw E: sending reeds in agt ge„ nomen werd, mits dat hij aan de andere kant aan de verpligting, welke de Vorst in dat geschrift op sig genomen heeft meede beantwoord, en haar Edele steeds laat blijven Jouisseeren van alle derselver Successive in dat Rijk geobtineerde voor„ regten, en wel Speciaal de betaaling van halve thol. Maar hoe seer wij ook wenschen, dat sijn Hoogheijd sonder eenige swarigheijd te opperen, direct tot de Confirmatie tree„ den mag, soo sijn wij om de wille van ver„ scheijdene ingekomene en van alle kanten bevestigde gerugten, van Sijn Hoogheijds ongenoegen op D' E. Comp: over de jongst of kort voor den Oorlog met den overwon„ nen Verst gehoudene onderhandelingen in het leenen van geld en het afkoopen der recognitie-penningen en Eliphanten, mitsg:s het koopen van de hier vooren ver„ melde nieuwe Landen, en dat denselven voorneemens soude sijn, haar Edele alle deselve en wel eerst of voornamentlijk Naoer /:waarop hij om de wille van de aldaar sijnde voornaame Mhoorse sempel, en sijne geallieerdens de Engelsen, tans uijt
English
341 by virtue of its favorable location by the sea, have long had their eye upon, primarily because they could then thwart the Honorable Company in the correspondence with Ceylon, to take by force, and in case of resistance would even besiege us in this city, yet justly apprehensive that he would sometimes entirely refuse the same, demand back the newly purchased lands, and since we have bought off the recognition duty and thus are not his tributaries as we were to the King, also forbid trade here, or otherwise will demand that we, as we previously did to the King, contribute, or under this or that other designation pay something, under which the Honorable Company's great antagonists, the gentlemen English, to whom he is, so to speak, entirely subordinate, and who nevertheless dare to undertake anything, will not fail to play their part masterfully, and steadily incite His Highness to some pernicious design against the Honorable Company, indeed even if it were to openly attack us here, in order to gain into their power Naver and the other coastal places to the South, which according to rumors are already promised to them in case of victory before undertaking the siege; And therefore we recommend that you, through paying private visits and receiving the same from and by prominent persons of the English nation at Madraspatnam, and other useful conversations for that purpose, inform yourself as best as possible of the true state of affairs and the actual intention of the Souba and his allies the English, to which end you, upon your arrival at that place, must immediately seek to introduce yourself to such people and to win their affection and confidence, but if you find, contrary to our hopes, that the Souba is intractable and unwilling to confirm our privileges, and perceive that he on the contrary is indeed pregnant with some evil design against the Honorable Company, and also putting the same into execution, and thus will not listen at all to your representations, 342 or sometimes, in order to oblige you to some expenditure or contract or promise disadvantageous to the Honorable Company, were to act in such a manner, then, if you deem such necessary and expedient, to express yourself and make known on such occasions, as if done in confidence, that it is well enough known to the entire world and therefore requires no proof, that the Souba undertakes nothing, nor can execute, nor dares, except with the advice and consent of the English, and that he would never have engaged in such extensive conquests as he has achieved for some time, nor would ever have gotten the Kingdom of Tansjoer into his power, if they had not effectively assisted him, indeed even incited him thereto to the great disadvantage of all the other European nations here on the Coast, who are thereby disturbed in their trade and conduct, and regarding their seat, however firm and confirmed of old, are brought into doubtful and restless circumstances, which can have no other consequence than great expenses and damages, as well as estrangements between the Sovereigns in Europe, and that the Dutch Company therefore can justly impute the entire adversity in which it finds itself with the Souba to no one else than the gentlemen English, and must thus also regard their Honors as the cause of the Souba's intractability and everything that might result therefrom to the disadvantage of the Dutch Company, and will also not fail, by virtue thereof, to seek its redress in this regard at the proper time and place, seeing that such conduct as their Honors maintain in this country in assisting indigenous rulers to the disadvantage of all other European nations, and principally the Dutch, is entirely contrary to the close friendship and alliance existing between the Crown of England and Their High Mightinesses; And that if the Souba continues to persist in his evil intention against the Dutch Company and comes to acts of violence
Dutch transcription
341 uijt hoofde van dies welgeleegendheijd ter see, al lange het oog gehad hebben, voor„ naamentlijk, om dat se D' E. Comp: dan in de Correspondentie met Ceijlon dwarsboo„ men kunnen :/ met geweld afteneemen, en in Cas van teegenweer ons in deese stad selvs belegeren Soude, egter billijk bedugt, dat hij het selve sontijds geheel en al weijgeren, de nieuwe gekogte Landen te rug begeeren, en ons, vermits wij de recognitie afgekogt hebben; en dus sijn tributair niet sijn, soo als wij van den Vorst waren, ook den handel alhier verbieden, off anders begeeren sal, dat wij gelijk bevoorens aan den Vorst heb„ ben gedaan, Contribueeren, of onder deese of geene andere benaming iets opbrengen sullen, waar onder 'sComp:s groote antagonisten, de Heeren En„ gelsen; waar aan hij, om soo te spree„ ken, geheel en al onderworpen is, en dewelke tog alles onderneemen dur„ ven, niet nalaten sullen, meesterlijk haar rol te speelen, en sijn Hoog„ heijd gestadig tot het een of ander per„ nicieus desseijn voor D' E. Comp: aante„ setten, Ja al was het selfs, om ons al„ hier opentlijk aantelasten, ten eijnde Naver en de andere Zeeplaatsen om de Zuijd, die volgens de gerugten voor het onderneemen van het beleg, in Cas van overwinning reeds aan haar toegesegd sijn, in haare magt te krijgen; En dierhalven recomman„ deeren wij uwE. sig door het doen van particuliere visites en het weder ontvangen van deselve van - en bij voornaame per„ soonen van de Engelse Natie te Madras„ patnam, en andere daartoe nuttige Con„ versatien, sig soo goed mogelijk, na de waare gesteldheijd der saake en de eijgent lijke intentie der Souba, en sijne geal„ lieerde de Engelsen te informeeren, ten welken eijnde uw E. bij haare komst te dier plaatse sig al aanstonds bij sooda„ nige menschen sullen moeten tragten te introdicceeren en haare genegendheijd en vertrouwen te gewinnen, dog indien uw E:s teegens onse hoope bevinden, dat den Souba onhandelbaar en onge„ neegen is, onse voorregten te bevestigen, en ontwaaren, dat hij ter Contrarie in der daad met eenig quaad desseijn voor D' E. Comp: beswangerd gaat, mitsg:s het selve ter uijtvoer brengen, dus in't geheel na hier TuwE. 342 uw E. vertoogen niet luijsteren wil, of sig somtijds, om cuw E. tot de een of andere spendatie of voor D' E. Comp:e nadeelige Contractatie of promesse te ver„ pligten, soodanig aanstelde, alsdan in„ dien 5 uw E sulx nodig en dienstig oor„ deelen, sig bij diergelijke occagien, even als of het in vertrouwen geschied, uijt„ te laaten en te kennen te geeven, dat het de gansche wereld genoegsaam be„ kend is, en over sulx geen bewijs vereijscht, dat den Souba niets onderneemt, nog werk„ stellig maaken kan, nog durft, dan met raad en toestemming der Engelsen, en dat hij sig nooijt tot sulke uijtgestrek„ te overwinningen, als hij t' seedert eenige tijd behaald heeft, begeeven, nog het Rijk van Tansjoer ook nimmer in sijn magt gekreegen soude hebben, indien sij hem niet kragtdadig adsisteerden, ja selvs daar toe aansetteden tot groot na„ deel van alle de andere Europeese Na„ tien hier ter Custe, die daardoor in haare handel en wandel geturbeerd, en omtrend derselver seet schoon hoe vast, en van erds bevestigd, in twijffelagtige en onrustige omstandigheeden gebragt werden, dewelke niet dan groote kosten en schade, mitsg:s verwijderingen tusschen de Souverainen in Europa ten gevolge hebben kunnen, en dat de Hollandsche Comp:s oversulx de gansche wederwaar„ digheijd, waarinne Sij sig met den sou„ ba bevind, op een regtveerdige wijse aan niemand anders, dan de Heeren Engelsen imputeeren kan, en haar Edele dus ook voor de oorsaak van des Soubas onhandelbaarheijd en al het geene dat ten nadeele van de Hollandsche Comp: daar„ uijt resulteeren mogt, aanmerken moet, mitsg:s uijt hoofde van dien ook niet na„ laten sal, ter behoorlijker tijd en plaat„ se haar verhaal dierweegens te soeken, aangesien een soodanig gedrag, als haar Edele hier te lande voeren in't adsisteeren van Jnlandse Vorsten, ten nadeele van alle andere Europeese Natien en princi„ paal de hollandsche, gantsch strijdig is, teegens de nauwe vrind= en bondgenoot„ schap tusschen de Kroon van Engeland, en Haar Hoog Mogende subsisteerende; En dat indien den Souba bij sijn quaad voorneemen tegens de hollandse Comp: — blijft volharden, en tot dadelijkheijd werden Komen
English
wishes to come to an agreement, Your Honour, as our dispatched commissioners, will then also be obliged to address yourselves to the Ministry there, adding such further reasons and arguments as Your Honour shall judge necessary and expedient according to the circumstances of the matter, in order to deter that Nation, out of fear of a rupture of the peace in Europe, from further inciting the Soubah against the Honourable Company or thwarting its privileges, and if possible to oblige them to make him more manageable, without however proceeding to the protest itself before having given us a detailed report on the state of affairs, so that we may then provide Your Honour with our further orders to that end, since doing so too early can sometimes also give rise to greater discrepancies. Accordingly, if Your Honour should discover from the negotiations and the course of the matter that the affair could be settled by a larger expenditure than the gift that has been sent along, you may make use, in a moderate and in every respect cautious and circumspect manner, of the authorization of Their High Mightinesses contained in the secret letter of 16 October 1772, the extract of which accompanies this under the letter GG, stating that if Tanjore, contrary to expectations, should have fallen into the power of the Soubah without the debt on account of the moneys advanced to the Prince having been paid, one should then use all practicable means to obtain the same, with authorization, if a considerable present should be required to achieve this, to spend in that case a sum of 40 to 50,000 guilders for that purpose, provided that everything remains regulated on the former footing, which we now consider all the more necessary, since the Honourable Company, instead of money, has been obliged to accept lands for its advanced funds, especially since Their Honours attach very great importance to the preservation of the same, and on the other hand, if the sea places of Nagore and Tappataur, or if they should fall into the power of another foreign European Nation, and principally into that of the English, this would be very detrimental to Their Honours' interests, not only with respect to this Government, which will then be a useless conquest, but also with regard to Ceylon, as they will not fail to build fortifications at both those places and thereby cut off our correspondence with Ceylon, whereupon one would immediately find oneself in that straitness concerning that island which has been feared for so long from old times, and about which the Gentlemen Majors and Their High Mightinesses have expressed their apprehensions on diverse occasions, of which the aforementioned rumours, which indeed deserve some credit, serve as no small proof that this is absolutely their intention, regardless of the fact that through the loss of the province of Kivalur one will be entirely unable to supply that Government with grain in case of need, nor even to obtain as much as is required here and at the stations of Sadraspatnam and Pulicat, since the Nawab or the English will export everything from the country and send it to the places where they require it, whereas, if one retains Kivalur, everything that is needed can be obtained from that province, from which it is easy to infer how necessary it is to use all possible means for the preservation of those places, and of what essential importance they are for the Honourable Company in this conjuncture of the times, of which the most necessary proofs appear in the secret letter written by the undersigned Governor under date of 29 January last per the barque De Falck to Their High Mightinesses, being in conformity with what was noted there, in the year 1692, when the Mughal Army under Zulfiqar Khan had penetrated into the low countries and lay before Gingee, and also approached Tanjore, by the government here under the administration of Governor Pitt, twelve pieces of parwanas
Dutch transcription
343 komen wil, cuw E. , als onse afgesondene gecommitteerdens dan ook wel genoodsaakt weesen zullen, sig aan het Ministerium aldaar te addresseeren, met bijvoeging van soodanige verdere reedenen en raisonne„ menten, aels uw E. na de omstandigheijd der saake noodig en dienstig oordeelen Sullen, om die Natie uijt vreese voor een vreede-breuk in Europa afteschrik ken van den Soriba verder tegens D' E. Comp: op te hitsen, of in haare voorregten te dwarsboomen, en haar des mogelijk te verpligten, hem handelbaarder te maaken, sonder egter tot het protestee„ ren selve overtegaan, voor en al eer ons van de toestand der Saake omstan„ dig verslag te doen, op dat wij cuw E. dan daartoe met onse nadere ordre voorsien kunnen, vermits sulx te vroeg geschiedende, somtijds ook aanleijding tot meerder discrepantien geeven Kan Over sulx sullen uw E. indien uijt de onderhandeling en de toedragt der saake mogte komen te ontwaren, dat de saak door een grooter Spendatie, als het meede gegeeven geschenk wel tot effenheijd te brengen is, op een matige en alle sints voor - en omsigtige wijse gebruijk mogen maaken, van haar Hoog Edelens qualificatie; vervat bij secreete missive van den 16. ' 8ber: 1772. , waarvan het Extract deesen sub Lras G. G. versellende is, behel„ sende, dat indien Tansjoer tegens ver„ wagting in de magt van den Scriba overgegaan mogte weesen, sonder dat de schuld wegens de aan den Vorst gefieer„ de penningen voldaan was, men als„ dan ter obtence van deselve, alle prac„ ticable middelen soude moeten aan„ wenden, met qualificatie, om indien, ter bereijking van dien een aansiene„ lijk present benoodigd mogte weesen, in dat geval daartoe een somma van 40. â 50'000. guldens te besteeden, mits dat alles op den voorigen voet geregu„ leerd blijve, het geen wij tans, nu D' E. Comp:e: in steede van geld, voor haar uijt„ geschootene penningen verpligt geweest is, landen te accepteeren, soo veel te noodsakelijker oordeelen, te meer vermits haar Edele aan het behoud derselve Seer veel geleegen legt, en de Seeplaatsen Naoer en Topotorre ander„ en sints 344 sints, of indien ze eens in de magt van een andere vreemde Europeese Natie, en principaal in die der Engelsen raa„ ken mogte, sulx seer schadelijk voor haar Edele belangens weesen soude, niet alleen met betrecking tot dit Gouver„ nement, dat dan een onnut Conquest weesen sal, maar ook met opsigt tot Ceijlon, alsoo sij niet in gebreeke sullen blijven, op die beijde plaatsen sterk„ tens aanteleggen, en ons daar door de Correspondentie met Ceijlon aftesnijden wanneer men sig omtrend dat Eijland. al aanstonds in die engte bevind, waar voor van oude tijden herwaards al soo lange gevreefd geworden is, en waar„ over de Heeren Majoores, en haar Hoog Edelens te diverse maalen. derselver bedugting betuijgd hebben, van het welke de voormelde gerugten, die wel eenig geloof verdienen, tot geen gering bewijs strecken, dat het absolut daarop toegelegd is, ongeagt nog, dat men door het gemis van de provintie Kiwaloer geheel buijten staat weesen Sal, dat Gouvernement in Cas van be„ noodigdheijd met graanen te voorsien, nog selfs soo veel magtig te werden, als al„ hier en op de Comptoiren Sadraspatnam, en Palliacatta vereijscht word, vermits de Nabab of de Engelsen alles uijt het land vervoeren en na de plaatsen, daar sij het benodigen senden sullen, daar, indien men Kiwaloer behoud, alles wat benodigd is, uijt die provintie gevonden werden kan, waaruijt ligt afteneemen is, hoe noodesaakelijk het sij, om alle mogelijke middelen tot behoud dier plaat„ sen aante wenden, en van welk niet en aangelegendheijd deselve in deese Conjunc„ tuure der tijden voor D' E. Maatschap„ pij sijn, waarvan sig de allernoodsaake„ lijkste bewijsen opdoen bij de secreete brief door den ondergeteekende Gouver„ neur in dato 29: ' Jber pass=o per De barcq De Falck aan haar Hoog Edelens geschreeven, als sijnde Conform het al„ daar genoteerde, in den Jaare 1692. wanneer het Mogols Leeger onder Sulfacar Chan in de beneede landen ingedrongen was, en voor Sinsij lag, mitsg:s Tansjoer naderde, door de regee„ ring alhier onder het bestier van den Gouverneur Pit, 12. stux parwan„ selfs nas
English
was requested and obtained, whereby Carcal, Trimeleraijapatnam, the Mahanams of Chikel, Tewoer, Sembiamadewie, Kiwaloer, Mageli, Kilekoeddie, Kilever, Tripoendij, Pallenaijer and Kaljamedoe, have been placed under the protection of the Honorable Company, both in order to be able to obtain from there the necessary grains for Ceylon, and to be protected by that barrier against all plunder in the Company's territory, for which reason we also most highly recommend this to your attention. Then, since it might well happen that His Highness, without immediately proceeding to the very worst, first or before condescending to the requests of the Honorable Company, or refusing the same, expresses his aforementioned displeasure concerning the assistance with money to the Prince, and the redemption of the recognition moneys and the same elephants, as well as the purchase of the aforementioned lands, and would demand an account thereof, how and to whom the purchase moneys were accounted for, and where the jewels that had been pawned to date were deposited; your Honor must in that case, regarding the first point or the assistance of money to the Prince, merely serve briefly and concisely that this was not done to cause prejudice thereby to him, the Subah, or to strengthen his enemy, and to incite against him, but rather to enable him to raise the moneys for which he had purchased peace from him in the year 1771, in order thereby to prevent another war in this country of our habitation, which could not be anything but detrimental to the Company's interests, since the lands would thereby be ruined, the trade of the Honorable Company disturbed, and the subjects exposed to high prices and famine; While with regard to the purchase of the new lands, we note for your information that the same was likewise in no respect done to prejudice His Highness, but that one found oneself indeed compelled thereto, in order to recover the money advanced on behalf of the Honorable Company, since the Prince, having been addressed for the payment of principal and interest, expressed his inability thereto, and instead thereof even offered to sell off the lands which we now possess in lawful purchase, which was then also accepted by us in order to choose the best of two evils, but before and quite prior to His Highness actually besieging Tansjoer, or having given us notice thereof through his Ambassador Mbararchan Bahadoer, and that we in any case assumed to be fully authorized thereto, on the one hand to ensure that the loaned money of our Lords and Masters would not be lost, and on the other hand also to look after their Honors' advantage on that occasion as much as possible, and to endeavor whether one could not obtain some advantage for the service rendered to him, since the Prince was then still the lawful and hereditary possessor of his realm, and thus fully Lord and Master over it, and could and might therefore act with everything belonging thereto according to his pleasure, and as he judged best and most convenient for him and his states; thus nothing has been done by us therein that conflicts with law or equity, nor can it be taken amiss by His Highness or anyone who considers the matter with equity, since the law of nature teaches everyone to take all possible care of his own, or that which has been entrusted to him. It is true that His Highness may raise an objection in this regard which, when the matter is viewed superficially, seems of very great weight, namely: that the Prince has not borrowed anywhere near as much money from us as the purchase moneys amount to, since he was in arrears to the Honorable Company itself no more than pp: 159818, apart from the accrued interest, whereas the purchase moneys of everything together amount to as much as pagodas 518545, and thus pagodas 358727 more; namely, if one calculates the purchase moneys as the same are stated in the deeds of sale, but if one deducts therefrom the 30000 pagodas that are for the province of Kiwaloer, and the 4000 pagodas which are for the Mahanam Tripondij, being together 34000, which the Prince's
Dutch transcription
345 nas versogt en geobtineerd, waar bij Car„ cal, Trimeleraijapatnam, de Maha„ nams van Chikel, Tewoer, Sembiama„ dewie, Kiwaloer, Mageli, Kilekoed„ die, Kilever, Tripoendij, Pallenaijer en Kaljamedoe, onder de bescherming van D' E. Comp:e gesteld is, soo om de nodige Granen voor Ceijlon daaruijt te kun„ nen vinden, als om door die barierre voor alle roof in 's Comp:s gebied gedekt te weesen, weshalven wij sulx uw E. attentie ook ten hoogsten aanbeveelen. Dan nademaal het wel soude kun„ nen gebeuren; dat sijn Hoogheijd, sonder Juijst aanstonds tot het allerquaadste over te gaan, Uw E. eerst of alvoorens in de versoeken van D' E. Maatschappij te Condescendeeren, of deselve te refusee„ ren, desselvs hier vooren reeds aange„ haald misnoegen over de adsistentie met geld aan den Vorst, en de afkoop der recognitie penningen en dito Eli„ phanten, mitsg:s de koop der voorsz. landen betuijgde, en daarvan reeken„ schap hebben wilde, hoedanig en aan wie de Koop-penningen verantwoord, en waar de pro dato verpand geweest Sijnde Juweelen belend waren; soo moeten uw E. in dat geval ten opsigte van het eerste of de adsistentie van geld aan den Vorst, maar kort en saakelijk dienen„ dat sulx niet is geschied, om hem souba daarmeede nadeel toetebrengen, of sijn vijand te versterken, en tegens hem aan¬ te hitsen, maar wel om den selven in staat te stellen, om de penningen, waar„ voor hij in anno 1771. de vreede van hem gekogt had, te kunnen opbrengen, ten eijnde daardoor een andere oorlog in dit land onser inwooninge, die niet an„ ders als nadeelig voor 'sComp:s belangens konde sijn, te prevenieeren, vermits de landen daar door geruineerd, den handel der E. Comp: getur„ beerd ende onderdanen aan duure tijden en hongers-nood g'exponeerd stonden te werden; Terwijl met opsigt tot de koop der nieuwe landen, tot uw E: narigt noteeren, dat deselve almeede in geenen opsigte geschied is, om sijn Hoogheijd te benadeelen, maar dat men sig daar toe wel genoodsaakt gevonden heeft, om aan het van wegen D' E. Comp:e uijtgeschotene Geld te geraa„ ken, vermits denselven ter betaaling van Capitaal en Jntrest aangesprooken weesen„ Sijnde, de 346 de, sijn onvermogen daartoe betuijgd, en in steede van dien, selfs aangebooden heeft, de landen, die wij tans besitten in wettige koop afteslaan, gelijk sulx, om van twee quaden het beste te kiesen, door ons dan. ook aangenoomen was, dog voor en al eer sijn Hoogheijd sansjoer dadelijk bele„ gerd, of ons daarvan met sijn Ambassa„ deur Mbararchan Bahadoer kennisse gegeeven hadde, en dat wij in allen gevalle voor onderstelden, daartoe volkomen be„ voegd te sijn, eensdeels, om te waaken, dat het geleende geld van onse Heeren en Meesters niet verlooren raakte, en ten anderen, om bij die occagie almeede soo veel mogelijk haar Edele voordeel te behartigen en te betragten, of men voor de gedienstigheijd aan hem beweesen, niet eenig voordeel obtineeren konde, vermits den Vorst toen nog wettige en Erffelij„ ke besitter van sijn rijk, en dus volko„ men Heer en Meester daarover was, en mits dien met alles wat daartoe ge„ hoorde na welgevallen, en soo als hij sulx best Convenabelst voor hem en sijne staaten oordeelde, handelen konde, en mogte, dus door ons daarinne niets gedaan is, dat teegens het regt of de billijkheijd strijd, nog door sijn Hoogheijd of iemand, die de saak na equiteijt insiet; qualijk genomen werden kan, vermits de wet der natuur een ieder leerd, om voor het sijne, of dat geene het welke hem toevertrouwd is, alle mogelijke sorge te dragen. Het is wel waar, dat sijn Hoogheijd ten deesen opsigte een tegenwerping in„ brengen kan, die, wanneer men de saak oppervlackig beschouwt, van seer veel gewigt schijnt, te weeten: dat den Vorst op verre na, soo veel geld van ons niet geleend gehad heeft, als de koop-pennin„ gen importeeren, vermits hij aan D' E. Comp:s selvs niet meer ten agteren stond dan pp: 159818. buijten de verloopen intrest, daar de Koop-penn: van alles te samen wel pagooden 518545. , en dus pagooden 358727. meerder importeeren; te weeten: indien men de Koop-penningen reekend sodanig, als deselve in de koop- brieven gemeld staan, dog indien men daar van detraheerd de 30000. pagood:e die voor de provintie Kiwaloer, en de 4000. pag: welke voor de Mahanam Tripondij, sijnde te samen 34000. /:die des is— Vorstens 172
English
347 Brought forward P/o: 263545: —. The Prince's aforementioned envoys absolutely insisted that it should be stated on her receipt, in order to agree with those Cauls, that less had been paid than they specify, but par/o: 324727. and that the Honorable Company additionally held jewels in its possession as security for a part thereof, but that difficulty is very quickly refuted if one responds to it, as your Honors also must simply do, that the Prince, in addition to the debt to the Honorable Company, had also obtained and enjoyed through the intercession and in the name of Her Nobility as much as prCo: 100000 in capital, or thus in total paCo: 259818, or in fact only 224727 pagodas less than the purchase moneys amount to, excluding the accrued interest, as appears more clearly from the following specification; namely: See the receipt marked I. I. The purchase moneys amount in total to. . . Pp: 518545. —. From which is deducted the Prince's arrears, both to the Honorable Company and to private individuals, to the amount of. . 253000. - Thus there still remained in his favor, as the receipt shows Pr: 265545. — Brought forward Ppo: 265545. — but deducted again from this what is overstated in the deeds of purchase of Kuwaloer and Triponelij, being - - - pp: 34000. –. and the Prince's debit on account of the recognition elephants enjoyed in advance, which are also included under the total amount of the deed of purchase of the same, to the amount of - . . . . . 6818. —. Or together. . . 40818. — Thus it appears that this receipt comes to agree with the demonstration made hereinbefore, and the Prince was genuinely entitled to no more than. . . . . . Pp: 224727. —. That the Honorable Company could place no sufficient reliance on the pledged jewels, nor recover its money from them when needed, because the Prince, 348 the Prince, whom one indeed foresaw was for the present not yet in a position to pay, nor could become so, would certainly have taken it very ill if the Honorable Company, being in embarrassment for cash to continue its trade, had, after some admonitions, proceeded to the sale of those valuables, and from this, although reason pleaded for the Honorable Company, disputes might nevertheless very easily have arisen, and therefore lands were much more sufficient in purchase, not only because one draws revenues from them annually and employs the same for trade, but could also quietly convert those assets into money again in case of urgent necessity, as being a lawful property of Her Nobility: And that with regard to the greater expenditure on lands rather than the moneys in themselves, one could not obtain without the purchase of one or the other that which the Honorable Company wished to have, and for the acquisition of which there has never been a better opportunity than then, when the Prince found himself in so great a distress for cash, in order to satisfy His Highness regarding that in which he was still in arrears on account of what was recently contracted, and if possible, to prevent the war, as he was unwilling to cede the recognition moneys, nor elephants, unless Kiwaloer and several other places were also purchased, and that one therefore, making a virtue of necessity, availed oneself of the opportunity that existed and of which everyone is permitted to make use, and thus purchased those places, as well as Naoer, Topotorre, and the Mahanam Tripondij, all of which, or whatever part thereof your Honors deem necessary, you must demonstrate to him in refutation of whatever he might occasionally bring forward regarding this, adding such further reasons and allegations as your Honors judge best for upholding the justice of the conduct in this matter, which we entirely defer to your Honors' good discretion. — And as for Naoer itself, regarding which it may well be that His Highness expresses himself in particular, and considers it as though it occurred in order to
Dutch transcription
347 P:r Transport P/o: 263545: —. Vorstens voorschreeve sendelingen absolut begeerd hebben, dat bij haare quitantie bekend gesteld soude worden:/: om met die Cauls te accordeeren :/ minder betaald sijn, dan deselve inhouden, maar par/o: 324727. en dat D'E. Comp: buijten dien tot securiteijt voor een ge„ deelte daarvan Juweelen onder sig hadde, maar die swarigheijd is seer spoedig weder„ legt, als men daar op antwoord, gelijk uw E. ook maar doen moeten, dat den Vorst buijten de schuld aan D' E. Comp: door Jntercessie en opnaam van haar Edele ook nog wel prCo: 10'0'000. aan Capitaal, of dus in't geheel paCo: 259818. erlangd en genooten hadde, of in der daad maar pagooden 224727. minder dan de Koop-penningen bedragen, buijten de verloopen rhenten, soo als uijt de ondervolgende Specificatie nader blijkt; als: Cras Vide de quitantie L=a I. I. bedragen de Koop-penningen in't geheel. . . Pp: 518545. —. Waarvan gedetraheerd des Vorstens agterstal, so aan d' E. Comp: als par„ ticulieren, ten bedragen van. . „ 253000. - So resteerde er nog in sijn faveur, soo als de quitantie aantoond Pr: 265545. — Transporteere Ppo: 265545. — dog hier van weder afgetroc„ ken het geene bij de koop„ brieven van Kuwaloer, en Triponelij te veel Staat, Sijnde - - - pp: 34000. –. en 's Vorstens de„ bet wegens de voor„ uijtgenotene recog„ nitie Eliphanten, die onder het mon„ tant van de Koop-brief dersel„ ve ook begreepen sijn, ten bedragen van - . . . . . „ 6818. —. Of te saamen. . . „ 40818. — Soo blijkt, dat die quitantie met de hier vooren gedaane demonstratie komt te accor„ deeren, en den Vorst, reël niet meer gecompeteerd heeft; dan. . . . . . Pp: 224727. —. Dat D' E. Comp:e op de verpande sucvee„ len geen genoegsaame staat maaken, nog haar geld, wanneer se het benodigd, daaruijt vinden konde, vermits de Vorst 348 Vorst, die men wel voorsag, dat voor eerst tot de betaaling nog niet in staat was, nog geraaken konde, het seekerlijk seer qua„ lijk genomen soude hebben, indien D' E. Comp:s in verleegendheijd om Contanten tot voortsetting haarer handel, na eenige aan„ maningen, tot de verkoop dier pretiosas getreeden was, en daaruijt schoon de reeden voor D' E. Comp:e pleijtede, egter seer ligt discrepantien ontstaan konden weesen, en dus landen in koop veel sufficanter waren, niet alleen om dat men daar van 'sjaarlijx re„ venuen trekt, en deselve tot den handel emploijeeren, maar die effecten selfs in Cas„ van hooge noodsaakelijkheijd ook gerust weder ten gelde maaken konde, als een wettig eijgendom van haar Edele sijnde: En dat wat het meerder besteede aan„ landen, dan de penningen op sig selfs, betreft, men sonder de koop van het eene of andere dat D' E. Comp: gaarne hebben wilde, en tot welkers verkrijging nooijt beter gelegendheijd geweest is, dan toen, wanneer den Vorst sig in een soo groote benauwdheijd om Contanten bevond, ten eijnde sijn Hoogheijd omtrend het geene hij nog wegens het Jongst gecon„ tracteerde ten agteren stond, te vreede te stellen, en des mogelijk, den oorlog voor„ te komen, niet krijgen konde, als willende de recognitie-penningen, nog Eliphanten niet afstaan, sonder dat Kiwaloer en meer andere plaatsen almeede gekogt wierden, en dat men dierhalven van de nood een deugd maakende, en sig van de geleegendheijd, die er toe was, en waar van het een ieder gepermitteerd is, gebruijk te maaken, bediend, en dus die plaatsen, soo wel als Naoer, Topotorre en de Maha„ nam Tripondij gekogt heeft, alle het welke, of het geene uw E. hier van nodig oordeelen, hem tot wederlegging van het geene hij daaromtrend somtijds inbren„ gen mogt, aantoonen moeten, met bij„ voeging van sodanige verdere reedenen en allegatien, als uw E. tot staande houding van de regtveerdigheijd der be„ handeling in deesen, best oordeelen, het welk wij volkomen aan uw E. goed be„ leijd defereeren. — En wat Naoer op sig selve betreft, waarover het wel weesen kan, dat sijn Hoogheijd sig in't bij sonder uijtlaat, en sulx aanmerkt als of het geschied is, tracteerde om
English
to take that place away from him, which he and the English have so strongly targeted, you can, in that case, clearly convince him of the contrary in that regard by demonstrating that, since it had already been sold in the year 1750 by the Prince Pretappa Singaji raasje Sahib to the Honorable Company, their Honors' flag had also flown there, but was afterwards returned upon His Highness's urgent request made to that end and his written obligation to cede the same upon sale to no one else other than the Honorable Company, as is evident from the copy of the letter from the Prince accompanying this, both in the Dutch and original language, letters H.H., after he had, instead of that, or to cancel the said purchase, granted the Honorable Company two villages in ownership, as has already been mentioned hereinbefore, and as shown by the copy of the Caul, letters A.A., from which it appears very clearly that this maritime place was not deliberately sought to be acquired in order to disadvantage him therein upon the conquest of Tanjore, but rather on account of the inclination which the Honorable Company has already had toward it for a long time, and the efforts which it has successively made to obtain that harbor into its power, as well as the promise that was made to their Honors in that regard, having thus been the nearest party thereto in case of cession. Concerning the accounting of the purchase money, which he might sometimes claim, there is nothing else to reply than that, in accordance with the Prince's order, the same was accounted for to his ambassadors Narsinga Rauw Bosale and Cannaga sawea Poele, who, acting in his name and provided with his credentials, concluded the aforesaid purchase here and procured proofs thereof, after deduction of what His Highness was in arrears both in principal and interest, and the pledged jewels were delivered to them, and thus, between us and the Prince, everything was liquidated long before the surrender of the realm, as shown by their receipt in that regard, dated the 6th of July last, both in the original and Dutch language under letter I.I. accompanying this for Your Honor's information and, if necessary, to be produced as proof thereof. And since it may also easily happen that His Highness might sometimes object to Your Honor that in this city many prominent court dignitaries from the aforesaid Principality of Tanjore are residing with their possessions and valuables, and among others also the two just-mentioned ambassadors Narsinga Rauw Bosale and Cannaga sawea Poele, and that besides these, other precious items belonging to the throne itself were also allegedly secured, and demands that the same must be extradited, it is noted here for Your Honor's information that, although it is indeed the truth that during the siege and after the conquest of the capital city many people retreated hither, the same, or the greatest part of them, have since also departed again, and that it is unknown to this government whether any court dignitaries, and particularly those two former ambassadors, are among them, since the gates of Nagapatnam are open to everyone, and no examination is made by us as to which persons go out and come in daily, and furthermore that, with our prior knowledge or permission, nothing belonging to the conquered Prince nor other courtiers or grandees of Tanjore is to be found here. The successive arrival of various detachments of both European and Eastern military personnel and sepoys, as well as artillerymen from Ceylon, and the admission into service here of some native warriors, to all of which arrangements we indeed found ourselves necessitated on account of the critical circumstances in which we were and still find ourselves, will certainly not be so secret that His Highness will not have knowledge thereof, and therefore it is very probable that he will sometimes also ask why this was done, and whether all those preparations were made to wage war against him.
Dutch transcription
349 om hem die plaats, waarop hij en de Engelsen het soo seer gemunt hebben, af„ handig te maaken, daaromtrend kunnen uw E. hem in dat geval evident van het Contrarie overtuijgen, met te demonstree„ ren, dat sulx in anno 1750. door den Vorst Pretappa Singaji raasje Sahib -al reeds aan D' E. Comp: verkogt geweest sijn„ de, haar Edele vlagge ook aldaar ge„ waaijd heeft gehad, dog naderhand op sijn Hoogheijds instandig daartoe ge„ daan versoek en schriftelijk verband van het selve bij verkoop aan niemand an„ ders, dan aan D' E. Comp: te sullen afstaan„ gelijk sulx uijt de deesen versellende Copia-brief van den Vorst soo in de Ne¬ derduijtsche, als oorspronkelijke taale L=ras H. H. Consteerd, weder terug ge„ geeven is, na dat hij in steede van dien, of om gedagte koop afte sien, D' E. Comp: twee dorpen in eijgendom geschonken had„ de, soo als hier vooren reeds vermeld is, en de Copia Caul L=ras A. A. aanwijst, waaruijt dan seer klaar blijkt, dat men die see plaats niet expres heeft soeken te bemagtigen, om hem bij overwinning van Pansjoer daarin te benadeelen, maar wel uijt hoofde van de inclinatie, die D' E. Comp: daarop al t' seedert lange gehad, en de moeijite, die ze succes„ sive gedaan heeft, om die haven in haar magt te krijgen, mitsg:s de toe„ segging, welke haar Edele dierwegens gedaan geworden is, als dus in Cas van afstand daartoe de naaste geweest Sijnde. Aangaande de Reekenschap van de koop-penningen, die hij somtijds soude kunnen pretendeeren, valt niet anders te repliceeren, dan dat deselve ingevolge 's Vorstens Ordre aan sijne Ambassadeurs Narsinga Rauw Bosa„ le en Cannaga sawea Poele, die in sij„ nen naame en met sijne Credentiaalen voorsien, de voorsz: koop alhier gesloo„ ten ende bewijsen daarvan besorgt hebben, na aftrek van het geene sijn Hoogheijd So aan Capitaal als Jntrest ten agteren stond, verantwoord, ende ver„ pande Juweelen aan haar afgegeeven sijn, en dus tusschen ons en den Vorst lange voor de overgang van het rijk alles geliquideerd geweest is, uijtwijsens haarlieder quitantie dierwegens de wel dato 358 dato 6 ' Julij pass=o, soo in de origineele als hollandse taale onder L=ra I. I. deesen tot uw E. narigt, en des noods, om tot bewijs daarvan geproduceerd te kunnen werden, deesen accompagneerende. En aangesien het almeede ligt gebeu„ ren kan, dat sijn hoogheijd uw E: som„ tijds voorwerpt, dat in deese stad veele voornaame hofs-Grooten uijt het voorsz: Tansjoers Verstendom met haare besittin„ gen en pretiosas sig bevinden, en onder anderen ook de beijde so evengem:de Am„ bassadeurs Narsinga Rauw Bosale en Cannaga sawea Poele, mitsg:s dat 'er buijten dien ook nog andere kostelijkheeden tot de troon op sig selve gehoorende gesecureerd souden sijn, en begeerd, dat deselve g'extradeerd moeten werden, so werd alhier tot uw E. narigt genoteerd, dat, ofschoon het wel de waarheijd is, dat geduurende, het beleg, en na de overwinning van de hoofd-stad sig veele menschen dit heen geretireerd heb„ ben, deselve of het grootste gedeelte van dien, t' seedert ook weder vertrok„ ken sijn, en dat het deese regeering onbekend is, dat of sig daar onder eenige hofs-grooten, en wel insonderheijd die twee geweesen Ambassadeurs bevinden, aangesien de poorten van Nagapatnam voor een ieder open staan, en 'er door ons geen ondersoek gedaan werd, welke per„ soonen er dagelijx uijt en ingaan, mitsg:s dat insel vervoegen met onse voor„ kennisse of toestemming alhier niets van den overwonnen Vorst nog andere hovelingen of Grooten van Tansjoer te vinden is. De Successive komst van diverse detachementen soo Europeese als Ooster„ sche Militairen en Sipaijs, mitsg:s Ar„ thilleristen van Ceijlon, en admissie al„ hier in dienst van eenige Jnlandse krij„ gers, tot alle welke schickingen wij om de wille van de Criticque omstandig„ heeden, waarinne wij ons bevonden en voor als nog verseeren, ons wel genood„ saakt hebben gevonden, Sullen seekerlijk soo geheijm niet sijn, of sijn hoogheijd sal daarvan kennisse hebben, en dier„ halven is het seer apparent, dat zij som„ tijds almeede vragen sal, waarom sulx geschied is, en of alle die prepara„ tien gemaakt sijn, om tegens hem te hofs oorlogen
English
wars, or in case he might undertake anything, to then offer him resistance; to which Your Honour in that case should reply nothing other than that, since everyone is free to strengthen themselves according to the circumstances of time and matters in order to preserve their possessions, the Honourable Company, situated so close to the fire of war and thus finding itself in great uncertainty and no less anxiety on that account, has also deemed it utterly necessary to place more force here than ordinary; since in such circumstances it cannot be foreseen what might occasionally happen or arise from a war occurring so nearby, along with further other reasons which Your Honour shall judge applicable on this subject, and in order to remove all suspicion on that account from His Highness, if he is well-intentioned, without however infringing in the least upon the respect of the Honourable Company in that regard. If the Subah, regardless of all representations which Your Honour might come to make by virtue of the reasons alleged hereinbefore and whatever Your Honour might still judge necessary in some respects to add thereto, should remain unwilling to confirm our privileges, or refuses the same straightway without giving Your Honour any disclosure of his displeasure, Your Honour must then point out to him the unfairness of this manner of acting as politely as possible, and try to convince him that he is entirely unauthorized to do so, since the Honourable Company is established along this entire Coast by virtue of the great firman of the Mughal Emperor Eurang Tjeef granted to the Ambassador on behalf of the Honourable Company, Mr. Iohannes Bacherus, dated 24 October 1689, amplified and renewed on 11 August 1712 by his successor Jehaan Daarsja, which high prerogatives he, being merely a subject of the Mughal Emperor, has no power to refuse, nor can he prevent them from taking effect. Yet in case he will also not listen thereafter, Your Honour must undertake nothing further, but give us notice thereof as soon as possible, so that we may subsequently take the necessary measures and be able to provide Your Honour with our further orders according to the circumstances of time and matters. This much having been brought into readiness up to this point, merely upon the assumption that the Subah might occasionally light upon such matters as have been treated of, so that Your Honour in that case should not be destitute of orders, we finally, or on the 8th of this month, received from His Highness and his son Madarroel Moeloek who is in Tansjoer, the long-awaited communication of the surrender of that city, contained in an ample letter from each of them, copies of which we enclose herewith under Litera K. K. for Your Honour's information, from which Your Honour will observe that His Highness claims everything that we feared according to what was set down hereinbefore, namely that the deeds of purchase of the newly bought lands must be returned to him, and the pawned jewels of the conquered Prince likewise handed over, along with paying the recognition according to custom, and surrendering and delivering up the Tansjoer refugees with their goods, with the threat of otherwise waging war against us and no longer tolerating us in his lands, which he says stretch from the River Kistna up to Cape Commorijn, but that the Dutch Nation will suffer much therein and much blood will be shed, and further other proud expressions, false and fictitious accusations which he has devised that could in any way serve to make us, out of fear thereof, willingly surrender the newly bought lands, and especially Naoer, concerning which he expresses himself in particular, saying among other things that he does not wish to lose as much land belonging to the Tansjoer kingdom as a blade of grass can grow upon, and that if we offer him resistance in the possession thereof, to which the aforesaid places also belong, he will then regard us as enemies,
Dutch transcription
351 oorlogen, of soo dat hij iets onderneemen mogt, hem dan het hoofd te bieden; waar„ op ouw E. in dat geval niet anders dienden te antwoorden, als dat vermits het een ieder vrij staat, sig na maate van de om„ standigheeden der tijd en saake te ver„ sterken, om sijne besittingen te bewaa„ ren, D' E. Comp: als soo digt aan het vuur des oorlogs leggende, en dus in een groote onseekerheijd en niet minder onge„ rustheijd sig bevindende uijt hoofde van dien, ook ten uijttersten noodsaakelijk geoordeelt heeft, alhier meerder magt, dan ordinair te plaatsen; vermits het in sodanige gelegendheeden niet te voorsien is, wat 'er somtijds gebeuren of uijt soo een na bij voorvallende oorlog ont¬ staan kan, met meer andere reedenen, welke uw E. op dit sujet, en om sijn hoogheijd, indien hij wel geintentioneerd is, alle argwaan dier weegens weg te neemen, applicabel oordeelen sullen, sonder egter de agting der E. Comp: daaromtrend in het minste te krenken. Indien den Souba ongeagt alle vertoogen, die ouw E. uijt kragte der reedenen hier vooren geallegueerd, en het geene uw E. in sommige opsigten nog mogte oordeelen nodig te sijn, om daar„ bij te voegen, komen te doen, onwillig blijven mogte, onse privilegien te Con„ firmeeren, of het selve al ten eersten sonder uw E. eenige opening van sijn misnoegen te geeven, refuseerd, soo moeten uwE. hem de onbillijkheijd van deese sijne handelwijse soo beleefd mogelijk aantoonen, en hem tragten te overtuijgen, dat hij daartoe gansch onbevoegd is, alsoo D' E. Maatschappij te deeser gansche Custe geseeten is, uijt kragte van het groot firman van den Mogolsen Keijser Eurang Tjeef, in dato 24. ' October 1689. aan den Ambassadeur van wegen D' E. Maatschappij den Heer Iohannes Bacherus verleend, den 11. ' Aug:s 1712. door desselvs successeur Jehaan Daarsja geamplieerd, en gerenoveerd, welke hooge prerogativen hij als maar een onderdaan van den Mogolsen Keijser weesende, niet vermag, nog kan weijgeren te laaten stand grijpen. Dog ingevalle hij daarna ook geene niet 352 niet luijsteren wil, soo moeten uw E. niets verders onderneemen, maar ons soo spoedig mogelijk, daar van kennisse geeven, op dat wij daarna de noodige maat-regelen neemen, en 5 uwE. na de omstandigheijd van tijd en saaken met onse nadere ordre voor sien kunnen. Tot dus verre deesen, maar bij vooronder stelling, dat den Souba somtijds op sodanige saaken, als waar over gehandelt is, vallen, sal, ingereedheijd gebragt weesende, ten eijnde uw E. in dat Cas niet van ordres ontbloot soude sijn, ontfingen wij eijnde„ lijk of op den 8. ' deeser, van sijn Hoogheijd en desselvs in sansjoer sijn„ de Soon Madarroel Moeloek, de lang verwagte Communicatie van den overgang dier stad, vervat bij een ample brief van ieder derselve, waarvan wij de afschriften tot uw E. narigt onder L=ra K. K. hier neevens voegen, uijt de„ welke uw E. ontwaaren sullen, dat sijn Hoogheijd al het geene, waar voor wij volgens het ter neder gestelde hier vooren gevreesd hebben, pretendeert, namentlijk, dat men hem de Koop= briefen van de nieuw gekogte Landen te rug, en de verpande Juweelen van den overwonnen Vorst, almeede overgeeven, mitsg:s de recognitie na gewoonte te betaa„ len, en de sansjoerse vlugtelingen met haare goederen uijt en overleeveren, sal met bedrijging van ons anders den oorlog te sullen aandoen, en ons in sijn landen, die hij segt van de Revier Kistna af, tot Caab Commorijn toe te strecken, niet langer te sullen dulden, maar dat de hollandsche Natie in deselve veel onder„ gaan en veel bloed vergoten werden sal, en meer andere fierre expressien, valsche en verdigte accusatien, die hij uijtgedagt heeft, dat maar eenigsints dienen konde om ons uijt vreese daarvoor, de nieuw gekogte landen en voornamentlijk Naoer, waarover hij sig in't bijsonder uijtlaat goeds moeds overtegeeven, seg„ gende onder anderen, niet soo veel land van het geene tot het Tansjoerse rijk gehoord, te willen verliesen, als waar„ op een grasscheutje groeijen kan, en dat wanneer wij hem in het besit van dien, waar onder de voorsz. plaat„ sen meede gehooren, het hoofd bieden, hij ons dan als vijanden aanmerken, te doit 15
English
which means that he will also besiege this city, and that we must therefore, before it comes to that, carefully consider the dangers of war, and what more there may be, as can be seen in its particulars in the aforementioned copies. And since from this it is now completely clear what his intention is, and that it amounts to the points noted above by assumption, we can remark nothing else in that regard than that which has already been made known in that respect, which we recommend anew to Your Honours' attention, as well as to apply and put into effect whatever they might judge necessary and useful for the benefit of the Honourable Company in this matter according to their acquired knowledge and experience, while directing everything with good management and deliberation, and above all observing unanimity among the three of them, which is in all respects, and especially in this matter, so highly necessary, so that all their actions may serve for the benefit of the Honourable Company, the averting of the sword of war with which one is threatened, and thus also redound to their own praise and through which Your Honours may gain honour with their respective masters, to which end we wish that God will grant His blessing; furthermore, under the letters L.L., we add here copies of the letters sent to His Highness and his son in reply to their aforementioned writings; from which Your Honours can see how and in what manner the same have been answered by us, and the false accusations contained therein have been refuted, of which contents—in so far as the Souba might bring up against Your Honours the matters contained in his letters—Your Honours can make the necessary use, and can govern themselves accordingly in serving an answer to the same, just as and in such manner as if it were contained word for word in this present document, as we consider it to be such. We have indeed instructed Your Honours here before not to proceed to protesting against the English before and until notice of the state of affairs has been given to us, and we would have sent them further orders to that effect, but since by the receipt of the aforementioned letters matters have changed very much, and Brigadier General Joseph Smith, with the English troops, is with the army of the Souba, which has now already descended as far as Triwaloer, and has replied to the surprise expressed to him in that regard by the undersigned Governor in a letter, a copy of which is enclosed herewith under the letters M.M., with nothing more than a compliment for the accommodation shown here to his dispatched servants, see enclosure letters N.N.; we therefore now authorize Your Honours, as soon as they actually perceive that the English have a hand in the game, to protest most forcefully against it on the foundation of such reasons as are described in this document, and as they shall further judge applicable according to the circumstances, there being enclosed herewith under the letters O.C. a copy of a protest that we have prepared, to be delivered to the Commander of the English troops who, whether joined with the Souba or in his name, might make any invasion into the Company's lands, not to regulate themselves strictly according to it, but solely for their speculation, and in making that protest, Their Honours must also be summoned, instead of assisting our non-Christian enemy, who acts unjustly in every respect, with advice or deed, to offer assistance to us in this matter, just as our nation actually did in the year 1748 at the siege of Pondicherij, and sent them auxiliary troops, even against a Christian enemy, namely the French gentlemen, which indisputably implies that with respect to heathen enemies of ours, such as the Souba is, they are also absolutely bound and obliged to do so. Yet in order to restrain them, as much as possible, from joining with the Souba to the detriment of the Honourable Company, we shall
Dutch transcription
353 dat beduijden wil, in deese stad ook belegeren sal, en dat wij dierhalven alvoorens daartoe te komen, de gevaa¬ ren des Oorlogs wel overweegen moe„ ten, en wat dies meer Sij, in desselvs omstande bij de voorsz. Copijen te Sien. En dewijl daaruijt, nu volkomen Consteerd, wat sijn intentie is, en dat deselve op de hier vooren bij veronder„ stelling genoteerde poincten uijtkomt, soo kunnen wij daaromtrend ook niet anders aanmerken, dan dat ten dien opsigte reeds bekend gesteld is, het welke wij uwE. attentie so wel de novo aanbe„ veelen, als om het geene Sij in deese saak na derselver verkreegene ken„ nisse en experientie, ten nutte der E. Maatschappij nodig en dienstig mogte oordeelen, al meede te appliceeren en in't werk te stellen, mitsg:s alles met goed beleijd en overleg te dirigeeren, en voor al tusschen haar drien de eens„ gesintheijd, die in allen opsigte, en voornamentlijk in deesen soo hoog noodsaakelijk is, te betragten, op dat alle derselver verrigtingen tot voor„ deel der E. Maatschappij, afwending van het swaard des Oorlogs, waarmeede men gedreijgt werd, en dus ook tot haar eijgen lof strecken en uwE. daar door Eere bij derselver respective Gebieders inleggen mogen, waar toe wij wenschen, dat God zijn Zeegen verleenen sal; voegende wij voorts onder L=ras L. L. hier nog bij Copias van de brieven aan sijn Hoogheijd en des„ selvs soon in antwoord op haar voorm: schrijvens gediend; waarbij ouw E:s kun„ nen sien, hoedanig en op wat wijse deselve door ons beantwoord, en de vulsche betigtingen, daarin vervat, wederlegt sijn, wan welkers inhoud „ voor soo verre den soaba uwE ouw E. „ de Saaken bij sijne brieven vervat, voorwerpen mogt, het nodig gebruijk maaken, en sig in't dienen van antwoord op het selve Sig daarna rigten Kunnen, even en indiervoegen als of sulx woordelijk bij deesen vervat stond, alsoo wij sulx als so„ danig aanmerken. — Wij hebben uw E. hier vooren wel bepaald, om niet tot het protestee„ ren tegens de Engelsen overtegaan, voor en al eer ons van de toestand der van Saake 354 saake kennisse gegeeven, en wij haar daartoe nader last gesonden soude hebben, dog dewijl door de ontfangst van de voorm:de brieven, de saaken seer vereendert geworden Sijn, en de brigadier Generaal Joseph Smith, sig met de Engelsche troupen bij het leeger van den Souba, dat tans reeds tot Triwa„ loer afgesakt is, bevind, en op de door den ondergeteekende Gouverneur, aan hem daar over bij brieve, waar van de Copij onder L=ras M. M. hier neevens gaat, betuijgde verwonde„ ring, niets dan met een Compliment voor het gerief aan sijne afgesondene be„ dienden alhier beweesen, geantwoord heeft, vide bijlaag L=ras N. N. ; soo qualificeeren wij uw E.:s als nu, soo dra sij in der daad bemerken, dat de Engelschen de hand in het spel hebben, op het kragtigste daar teegens te protesteeren op fondament van soo¬ danige reeden, als in deesen beschree„ ven sijn, en sij na de omstandigheijd verder applicabel oordeelen sullen, gaande oversulx onder L„ras O. C C. hierneevens, Copia van een protest, dat wij in gereedheijd gebragt, om aan den Commandant der Engelse troupen; die, het sij geconjungeerd met den Souba, of op desselvs naam, eenige invasie in 's Comp:s Landen mogte doen, niet om sig bepaaldelijk daarna te reguleeren, maar eenelijk tot derselver specula„ tie, sullende bij dat te doen protest Haar Edelens almeede gesommeert moeten werden, om ons in steede van onse En Christen Vijand, die in allen opsigte onregtvaardiglijk ageerd, met raad of daad te adsisteeren, in deesen selvs bij„ stand te bieden, soo als onse Natie dat in anno 1748. bij het beleg van Pon„ dicherij werkelijk gedaan, en dersel„ ver hulp-troupen gesonden heeft, selvs tegens een Christen vijand, nament„ lijk de Heeren Francen, het geen onweeder spreekelijk insluijt, dat sij ten opsigte van Heijdensche Vijanden van ons, gelijk den Souba is, ook absolut daar toe gehouden en verpligt Sijn. Dog om haar, soo veel mogelijk, te wederhouden met den Souba ten na„ deele der E. Comp: aante spannen, soo wij Sullen 116
English
355 you shall beforehand, or before proceeding to actual protest, likewise make it clear in the discourses you are to hold upon occurring occasions, not only that the Company in case of need will proceed thereto, but also that we are greatly astonished that the Brigadier General of Her Honour's troops, Ioseph Smith, with the men under his command with whom the Souba was assisted in the conquest of Tansjoer, conjoined with the army of the Souba, from time to time comes dropping down closer and closer to the Company's new possessions, and that one cannot or must not infer anything else therefrom than that this is done to bring us into a certain kind of anxiety or fear, in order thereby to compel us the sooner to satisfy the Souba's unreasonable claims, to which their interest is exceedingly closely bound, contrary to all the treaties of friendship and alliance subsisting between His Britannic Majesty and To assist in this commission and to perform the occurring clerical work, there are assigned to you the Bookkeeper Broerius Brouwer and the Assistant Iohannes Abraham sz. Their High Mightinesses, and especially against the fourth article of the Treaty of Westminster of February 19 N.S. 1673/4, renewed in the year 1763/16. And in case the Souba, after you have tried everything with respect to him that is written hereabove, remains just as unmanageable, you shall likewise have to protest against him in writing in the Persian language, and draw up that deed in such manner as best accords with the circumstance of the case, as we defer this entirely to you and cannot limit you in that respect either, although we nevertheless recommend you to observe caution in this regard, both towards the English and the Souba, so that no disadvantageous consequences may result from applying the protests too early. Haar Brons 356 Bronsveld, who have departed from here with the member of our Council, Johnson, by whom an accurate journal or daily register must be kept, from the day that the said Johnson departed from here until his return back, or until the time that you all arrive here, that is to say, should we judge that upon the rendering of the report of this commission, the personal presence of the first two named in the heading of this document is also required, regarding which we shall then write the necessary instructions, the aforesaid daily register having to be balanced precisely every day, and the extracts therefrom sent to us continually alongside their letters, so that we may observe therefrom everything that happened in its circumstances, which will afford you very much convenience in writing the letters or making report, as you will be able for the greatest part to refer to the extract-journal; There also go to join you for your assistance, or to be employed by you, the Company's courantiers Wedanta-aijen and his brother, and we leave it deferred to your discretion which of the Persian scribes you wish to use in this commission, namely those of Sadraspatnam or Palliacatta, although we are told that those of the last-named place are the most able, as also the selection of interpreters and other necessary native servants upon whose fidelity reliance can be placed, regarding which we then also hope that before the arrival of Johnson the necessary arrangement will have been made by the first two named in the heading of this document pursuant to what was written in our letter of the 1st instant, the said Johnson having also been given what is necessary for maintenance of state, to which may be added by you whatever you further judge expedient. Wherewith we wish you a speedy and fortunate outcome of the matter, and to that end the blessing of the Almighty, and for the rest, after friendly greetings, also remain 357 was subscribed: Your Good remain Friends! was signed: R:k Van Vlissingen; H:s Leembruggen; I. E. G. Haselman; M:s Koning; Wm Jn; Corns Pietersz; I:s Appengh; I:s van Tessel; Wm Duijnevelt; and I: D: Simons in the margin: Nagapatnam In the Castle the 16th October 1773. It being finally also resolved to inform the Chiefs of Palliacatta and Sadraspatnam, as well as the Resident at Portonovo, of this state of affairs by a circular letter, in order to regulate themselves accordingly and to take the necessary care in time for the Company's effects and their persons, should the Souba at any time wish to undertake anything against those defenceless places; Done and resolved Thus Initially, the Lord Governor gave The Merchant and Fiscal Marthinus Koning, The Merchant, Trade Bookkeeper, and First Warehouse Keeper Hendrik Ambrosius Johnson, The Merchant Titular, Adigaar, and Mintmaster Cornelis Pietersz the first and last due to illness, and the second on commission. Friday the 15th October 1773. In the morning at nine o'clock Meeting of the Political Council Absent resolved In the Castle at Nagapatnam date aforesaid was signed: as before, except Hbr A: Johnson resolved verneur
Dutch transcription
355 sullen uw E. vooraf, of eer dat tot de dadelijke protestatie komen, sig bij voorvallende geleegendheijd in haare te houdene discoursen al meede moeten laa„ ten blijken, niet alleen, dat de Maat„ schappij in Cas van nood daartoe komen sal, maar ook dat het ons seer verwon„ dert, dat den Brigadier Generaal van haar Edele-troupen Ioseph Smith met sijn bijhebbende manschappen, waarmeede den souba in de overwin„ ning van Tansjoer geadsisteerd gewor„ den is, geconjungeerd met het Leger van den Scriba van tijd tot tijd hoe langs, hoe nader aan 'sComp:s nieuwe besittingen komt afsaeken, en dat men daaruijt niet anders opmaaken kan of moet, dan dat sulx geschied, om ons in een seeker soort van angst„ valligheijd of vreese te brengen, ten eijnde ons daar door te verpligten te eerder aan des Sorbas onreedelijke pretentien, waar aan haar belang ten uijttersten verknogt is, te voldoen, Contrarie alle de tractaaten van vrind= en bondgenoodschap tusschen sijn Brittannische Majesteijt en Tot adsistentie in deese Commissie en ter verrigting van het voorvallende schrijf¬ werk, werden uw E. toegevoegd den Boekhouder Broerius Brouwer, en den Adsistent Iohannes Abraham sz. Haar Hoog Mogende subsisteerende, en insonderheijd tegens het vierde arti„ cul van het in a=o 17 63/16. gerenoveerd tractaat van Westmunster van Febr: O. 19. no s. 167¾. En ingevalle den Souba na dat uwE. alles omtrend hem hebben aangewend, wat hier vooren beschreeven staat, even onhandelbaar blijft, soo sullen cuw E. tegens hem almeede bij geschrifte in de persiaanse taale moeten protesteeren, en die acte sodanig inrigten, als met de omstandigheijd der saake best over een„ komt, alsoo wij sulx geheel en al aan uwE. defereeren, en haar daar omtrend ook niet bepaalen kunnen, hoe wel wij uw E. egter recommandeeren, ten deesen opsigte, soo omtrend de Engelschen, als den Souba de voorsigtigheijd te betragten, op dat door het vroeg appliceeren der protesten, geen nadeelige gevolgen resul„ teeren. — Haar Brons „ „ 356 Bronsveld, die met het Lid onser Vergade„ ring Sohnson, van hier vertrocken sijn, door dewelke een accuraat Journaal of dag- register sal moeten werden gehou„ den, van den dag af, dat gedagte John son van hier vertrocken is, tot sijn weder terug komst toe, dan wel tot de tijd, dat uwE. hier alle arriveeren, te weeten, indien wij oordeelen mogten, dat bij het dienen van het rapport dee„ ser Commissie, de persooneele presentie van de twee eerstgem: in den hoofde dee„ ses, ook benodigd is, waar omtrend wij dan het nodige aanschrijven sullen, moeten de het voorsz. dag-register precies alle dagen effen gesteld, en ons neevens der„ selver brieven de Extracten daaruijt telkens toegesonden werden, op dat wij al het gebeurde in desselvs omstande daaruijt beoogen kunnen, het welk ruw E. in't schrijven der brieven of doen van verslag seer veel gemak toe„ brengen sal, als kunnende sig aan het Extract - Journaal voor het groot„ ste gedeelte gedragen; — Insel vervoegen gaan tot uw Es behulp, of om sig daarvan te bedienen, ook tot deselve over, 'sCompagnies Cou„ rantier Wedanta-aijen en sijn broeder, en wij laaten aan uw E:s gedefereerd, welke der persiaansche schrijvers in dee„ se Commissie gebruijken willen, te weeten, die van Sadraspatnam of Palliacatta, hoewel ons gesegd is, die van laastgem: plaats de habielste te weesen, soomee„ de het verkiesen van Tholken, en an„ dere noodsaakelijke Inlandse bediendens op welkers getrouwheijd staat gemaakt werden kan, waaromtrend wij dan ook verhoopen, dat voor de komst van Johnson door de twee eerstgenoemde in den hoofde deeses, ingevolge het aan„ geschreevene bij onse brief van den 1: Courant de nodige schicking ge„ maakt weesen sal, sijnde gedagte Sohn„ son het nodige tot staathouderij mee„ de gegeeven, waarbij door uw E. het geene se verder dienstig oordeelen, gevoegd werden kan. Waarmeede wij uw E. een spoe„ dige en geluckige uijtslag der saake, en ten dien eijnde den Teegen des Allerhoogsten toewenschen, en voor het overige naar vrindelijke groete ook verblij 357 /:onderstond:/ UE. Goede verblijven Vrinden! /: was geteekend:/ R:k Van Vlissingen; H:s Leembruggen; I. E. G. Haselman; M:s Koning; — ; Corns Pietersz: Wm Jn I:s Appengh; I:s van Tessel; W„m Duijnevelt; en I: D: Simons /: in margine:/ Nagapatnam In't- Casteel den 16:' October 1773. Wordende eijndelijk ook nog gearres¬ teerd, de Opperhoofden van Palliacat„ ta en Sadraspatnam, mitsg:s den Re„ sident te Portonovo bij een Circulair briefje van deese gesteldheijd der saake kennisse te geeven, om sig daarna te kunnen reguleeren, en bij tijds voor 's Comp:s effecten en haare persoonen de nodige sorge te kunnen dragen, indien den Souba teegens die onweerbare plaat„ sen Somtijds iets mogte willen onder„ „neemen; Gedaan en Gear„ Aldus Aanvankelijk gaf den Heer Gou„ Den Koopman en Fiscaal Marthinus Koning, Den Koopman, Negotie Boekhouder, en Eerste Pakhuijs-meester Hendrik Ambrosius Johnson, Den Koopman Titulair, Adigaar, en Muntmeester Cornelis Pietersz de Eerste, en laaste mits ziekte, en de tweede in Commissie. Vrijdag Den 15.:' October 1773. Smorgens ten Negen uuren Vergadering van Politie Demptis resteerd In't Casteel tot Naga„ patnam Dato voorsz. /:was Geteekend:/ als Vooren, Exceptor Hbr A: Johnson resteerd verneur - -