Inventory 3373
Coromandel · 580 pages · 213 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
358 The Governor notified the Members of the receipt of two letters, both from the Commanding Officers of the detachment at Chikel, Francois Baron de Mackena, and Johan Willem Wehrman, and from that of Topotorre, François de Lile and Ioannes Arendsz. The first reported that the advance post at Adiakamangalam had allowed themselves to be frightened by a small number of horsemen coming down from the army of the Young Nabob Madarroel Moeloek, which lay encamped at Truwaloer, and had abandoned their aforementioned post, whereupon those horsemen had taken away the flags of the Honorable Company planted there; but that they, the Officers, would attempt tonight to have that post reoccupied and the flag planted anew. The second letter stated that yesterday evening at five o'clock, twenty Sepoys, an Adigar, and a Brahmin of the Subah had arrived there to take possession of that place, as they had indeed done by hanging green leaves across the principal streets, without having been hindered in this by those Officers, notwithstanding they have a garrison of 80 men with them. That upon this report, His Honour had ordered the first-mentioned two Officers to carry out the reoccupation of the abandoned post as soon as possible, and that those of Topotorre, according to a letter sent early this morning, the draft of which His Honour read to the Meeting, were ordered, upon receipt of the same, to remove the toornams or the aforementioned tokens of new possession, and to make the Subah's 359 people depart from the territory of the Honorable Company, and if they would not do so willingly, to drive them out by force, with a threat to the aforementioned Adigar and Brahmin that, if they dared to remain there any longer, they would be placed under arrest and sent up to Nagapatnam. While by way of further interpretation of the order given in that regard in the Company's missive, it had been prescribed to them that it meant that when they were forced by superior numbers, to remain quiet then, or to retreat hither with chalenges, which they were ordered to observe promptly in that case, but not upon the arrival of a small number, even if 100 Sepoys and others of the enemy were to show themselves there; with which action of His Honour the Members fully concurring, it was approved to make a note thereof in this record, and at the same time resolved to have the aforementioned letter dispatched to the Topotorre Officers translated into the French language and sent off, in order to make Lieutenant De Lile, who does not master the Dutch language well, understand the intention of this Government all the better; just as it was further resolved to assist the Adigar of Tripondi, where the Nabob's people had likewise taken away the flag and tied the toornams, with 15 Easterners, in order, with the Sepoys he has with him, to have the aforementioned toornams removed by force and to hoist the taken flag once again. After which the Governor 365 further notified the meeting that the Ambassadors of the Young Nabob Madarroel Moelk had very earnestly requested to meet the Candian Nayaks who arrived some time ago from Jaffanapatnam—who purported to have been sent as Ambassadors to the now dethroned Prince of Tanjore, but which mission remained unexecuted, both because of their useless stay here in this city since the month of May, and the subsequent siege of Tanjore, which only began late in August—intimating that they had brought with them a letter for them from the said Madarroel Moelk, or the Subah himself, which they had to deliver to them and at the same time absolutely speak with them, without their having been willing to hand over that letter to His Honour, upon his offer to have it delivered to them; which having given His Honour cause, not without reason, to suspect in all respects their conduct as well as the further stay here of those Nayaks, therefore, in order to prevent all intrigues and conspiracies between them and the consequences that could result therefrom to the detriment of the Honorable Company, both here on the Coast and with respect to the Island of Ceylon, he had sent those Nayaks back to Jaffanapatnam the evening before yesterday in the most unexpected manner by native vessel, under the pretext that, since the inhabitants of this city were taking to flight because of the approaching troops of the Subah, it was therefore also not safe for them here, but the best
Dutch transcription
358 verneur aan de Leeden kennisse van den ontfangst van twee brieven, soo van de Commandeerende Officieren van het detachement op Chikel, Francois Baron de Mackena, en Johan Willem Wehrman, als van dat van Topotorre François de Lile en Ioannes Arendsz, meldende de eerste, dat de uijtgesette post op Adiakamangalam, door een gering getal afgekomene ruijters uijt het leeger van den Jongen Nabab Madarroel Moeloek, te Truwaloer gecampeerd leg„ gende, sig hebbende laten afschricken„ hun voormelde post verlaaten hadden, daar op door die Ruijters, de aldaar geplan„ te Vlaggen van D' E. Compagnie weg„ genomen waren geworden, dog dat sij Officieren heeden nagt tragten Souden, om die post weder te laaten besetten, ende vlag op nieuw planten; behelsende de tweede, als dat gisteren avond om vijf uuren aldaar aangekomen waren, twin„ tig Sipaijs, een Cidigaar, en een bra„ mine van den Souba, om die plaats in possessie te neemen, gelijk sij ook on„ der het ophangen van groene blade„ ren, dwars over de voornaame straaten gedaan hadden, Sonder dat door die Officieren niet tegenstaande sij een besetting van 80. man bij sig hebben, daar in belet sijn geworden; Dat sijn Edele op dat berigt, de eerstgemelde twee Officieren gelast hadde, het her„ vatten van de verlaate post maar ten eersten werkstellig te maaken, en die van Topotorre, volgens een heeden mor„ gen vroeg afgesondene brief, waar van het Concept sijn Edele de Vergadering voorlas, geordonneerd waren, om op den ontfangst van deselve, de toor„ nams of de voorsz. teekens van nieuwe possessie weg te neemen, en des soubas uuren volk 359 volk uijt het gebied der E. Comp: te doen vertrecken, en soo sij sulks niet goed„ willig wilden doen, haar dan met geweld daaruijt te drijven, met bedreijging aan den voorsz: Adigaar en bramine dat, wanneer sij sig durfden ver„ stouten, aldaar langer te vertoeven, in arrest genomen en naar Nagapat„ nam opgesonden sullen werden. Terwijl tot nader interpretatie der gegeevene ordre dien aangaande bij 'sComp:s missive, haar voorgeschree„ ven hadde, dat deselve behelsde, dat wanneer sij door overmagt gedwongen wierden, als dan stil te blijven, of met Chialengen dit heen te retireeren, het geen haar gelast was, in dat geval prompt te observeeren, maar niet bij aankomst van een gering getal, al was het selvs, dat 100. sipaijs en andere van den vijand sig aldaar quamen te vertoonen; met welke verrigting van sijn Edele de Leeden sig ten vollen Conformeerende goedgevonden wierd, daar¬ van in deesen aanteekening te houden, en teffens beslooten, de voorsz. aan de Topotorrese Officieren afgevairdigde brief, in de fransche taale te doen over„ setten, en aftesenden, ten eijnde den Luijtenant De Lile, die de Holland„ sche spraak niet wel magtig is, soo veel te beter de intentie deeser Regeering te verstaan, te geeven; Soo als al verder wierd Gearresteerd, den Eidigaar van Tripondi„ daar het Volk van den Nabab meede de vlag weggenomen, en de toornams ge„ bonden hadden, met 15. Oosterlingen te adsisteeren, ten eijnde met de Sipaijs, die hij bij sig heeft, de voorsz. toornams met geweld te laaten afneemen, en de afgenomene Vlag weder opte heijsen. verste Waarna den Heer Gouverneur vertoo, al ver 365 al verder de vergadering kennisse gaf, dat de Ambassadeurs van den Jongen Nabab Madarroel Moelk, met seer veel ernst begeerd hadden, de voor eenigen tijd van Iaffanapatnam aangekomene Candiasche Naijkers, die voorgegeeven hebben, als Ambassadeurs gesonden te weesen aan den tans gedetrooneerden Tansjoersen Vorst, dog die Commissie onuijtgevoerd gebleeven is; soo door der„ selver nutteloos vertoef hier in deese stad, seedert de Maand Meij, als de intusschen gevolgde beleegering van Tansjoer, dat eerst diep in Augustus aanvang genomen heeft, te ontmoeten onder bedrijging, dat voor deselve een brief van gedagte Madarroel Moelk, of den Souba selve meede gebragt hadden, en die sij aan deselve overgeeven, en teffens haar absolut spreeken moesten sonder dat sij die brief aan sijn Edele hadde willen overgeeven, op desselvs gedaane aanbieding, dat aan deselve soude laaten intrageeren, het geen zijn Edele niet sonder grond aanleijding gegeeven hebbende, om hun gedrag soo wel, als het verder verblijf alhier van die Neijkers in allen deelen te verden¬ ken, dierhalven, om alle Konkelarijen en t' samenspanningen tusschen haar en om de gevolgen, die daaruijt ten nadeele van D' E. Comp: soo wel hier, ter Custe, als met opsigt tot het Eij„ land Ceijlon soude konnen resulteeren, voor te komen, die Neijkers eergisteren avond op het onverwagtste met een In„ lands Vaartuijg naar Iaffanapatnam hadde versonden, onder pretext, dat vermits de ingeseetenen deeser steede mits de aannaderende troupen van den Souba, sig op de vlugt begaven, dus voor haar ook hier niet veijlig, maar het hadde beste
English
was best to return to Jaffanapatnam. His Honour furthermore asked the members whether they conformed to this, which was unanimously done by them, as it served the well-being of the Honourable Company and its establishments here on the Coast as well as on the island of Ceylon, since one could neither know nor foresee what projects or designs not only the Subah, but also the King of Kandy were pregnant with, and what it would or could have had as a consequence if those respective envoys had been allowed to speak to each other and meet, the more so as it is rumoured that the object of the aforementioned Kandyan embassy was to obtain certain lands around Topotorre, Moetoepette, or Adrangapatnam in ownership or otherwise, as was said for the use and maintenance of the Nayaks present here on the Coast, who are of the family of the Kandyan King. Therefore it was furthermore resolved to inform Their Right Honours as well as the Ceylon ministers thereof, and to request the latter to provide this Government with a means to relieve itself of the four elephants remaining here, which were brought along by those envoys as a present for the Tanjore King; for which, in the meantime, the necessary care had been arranged secretly, without it appearing that this was done by the Honourable Company or with its prior knowledge, with the further notification that the aforementioned emissaries of the young Nabob, in particular one of them, Rahieman Alichan, very well known under the name of Goelam Allichan and one of the most dangerous and crafty subjects, full of all sorts of intrigues, showed themselves uncommonly offended by the departure of those Nayaks without meeting them first, and alongside this, to present and bring to the attention of Their Right Honours the extreme necessity there is for possessing the new lands, especially the places situated on the sea, for the preservation of Ceylon. Furthermore, the aforementioned Lord Governor produced the draft of the orders drawn up in case of alarm, in order that in case this city, contrary to hope and expectation, should be attacked by the young Nabob so that he might thereby achieve his object in obtaining his unreasonable formulated pretensions, to make useful application thereof for the defence and preservation of the same, and which His Honour, with some changes according to the present constitution here and as far as human abilities allowed, had fashioned upon the previous model; which, subsequently having been carefully reviewed, was fully approved, and it was resolved not only to insert it herein, but also to have the necessary copies thereof and extracts from the same issued both to the Honourable Major and Commander of the militia here and to all others whom it concerns, for their information and observation. The said order reading as follows: Order in Case of Alarm When two shots are fired from the Castle from the point 't Gezigt, the outer city shall answer the same from the point Duurstede with equal shots. And this shall be the signal upon which everyone, armed, shall repair to his appointed post. The members of the Political Council shall immediately go to the Government House to the Lord Governor, in order to be assigned such commissions as shall be serviceable according to the circumstances of the time. The servants of the pen, in so far as they are not incorporated into the Company of Pennists, shall transport themselves to the Main Guard, in order to receive the necessary orders there. The Company of Pennists shall immediately go inside the Castle in front of the armoury, in order that, having been provided there with muskets, cartridge pouches, and the necessary ball cartridges, to march up to the front of the Government House. Where also both companies of Grenadiers under their officers, except those who are on guard, together with the Adjutant, shall present themselves; in order to await the necessary orders there. The four cavalrymen in the stable, with their horses, shall also have to come inside the Castle. All Company peons, with whomsoever or wheresoever serving, shall have to provide themselves with a good cutlass or sidearm, and at the same time join one another under their headman inside the inner city in front of the Castle bridge, in order to be sent wherever it shall be necessary. Furthermore, all the troops stationed here in garrison, upon the aforementioned signal, shall have to arm themselves, so that concerning them the following arrangement may take place, after deducting those who might already be placed at certain fixed posts or are on guard; namely: The Company of Major Haselman and Captain Wohlphart at the China Gate. The Company of Captain Zeegelaar and Kinbergen at the Orange Gate.
Dutch transcription
361 beste was, om weder naar Iaffanapat„ nam te rug te vertrecken; Vragende sijn Edele voorts de Leeden af, of sij sig daarmeede Conformeerden, het geen bij deselve eenparig gedaan sijnde, als tot welweesen van D' E. Maatschappij en derselver Etablissementen hier ter Custe soo wel, als ten Eijlaende Ceijlon streckende, alsoo men niet weeten, nog voorsien konde, met welke projecten of desseijnen den Souba niet alleen, maar ook den Vorst van Candia beswan„ gerd gongen, en wat ten gevolge soude hebben gehad, of hebben kunnen, indien die wedersijdsche afgesanten te samen hadden mogen spreeken en ontmoeten geschied weesende, te meer men bij gerugt heeft, als dat het oogmerk van het voormeld Candiasche Gesandschap ge„ weest was, om eenige Landen omtrend Topotorre, Moetoe pette of Adranga„ patnam in eijgendom of andersints te mogen hebben, soo gesegd wierd ten dienste en onderhoude van de Sig hier ter Custe bevindende Naijkers, die van de familie van den Candiasen Vorst sijn; over„ sulx alverder gearresteerd, wierd, daar van Haar Hoog Edelens soo wel, als de Ceijlonse Ministers kennisse te geeven, en de laastgemelde te versoeken, deese Regeering een middel aan de hand te geeven, om Sig te ontlasten van de alhier verbleevene vier Eliphanten, die door die gesanten tot geschenk voor den Tansjoersen Vorst meede gebragt sijn; Waar voor men intusschen onder de hand de nodige sorge had laaten dragen, Sonder dat het komt te blijken, dat sulx door D' E. Comp: of met der„ selver voorkennisse geschiedede, met ver„ dere te kennen geeving, dat de voor„ melde Sendelingen van den Jongen Na„ peetnam bab 362 bab, insonderheijd eene derselve Rahie„ man Alichan, onder de naam van Goe„ lam Allichan seer wel bekend, en een van de aller gevaarlijkste en arglistig subjec„ ten, vol van allerhande intrigues is, sig ongemeen gebelgd getoond hebben, over het vertrek van die Neijken, Sonder haar eerst te ontmoeten, en daarneevens Haar Hoog Edelens nog te vertoonen, en onder het oog te brengen, de hooge noodsakelijk heijd, die 'er is tot het possideeren van de nieuwe Landen, insonderheijd de aan see ge„ leegene plaatsen tot behoud van Ceijlon.— Voorts produceerde welm:de Heer Gou„ verneur het ontwerp van de beraamde ordres in Cas de cellarm , om ingevalle deese stad tegens hoope en verwagting, door den Jongen Nabab aangetast mogte werden, ten eijnde daardoor aan sijn oogmerk te geraaken, in het erlangen van sijn onbil„ lijke geformeerde pretentien, sig daarvan Wanneer 'er twee schooten van het Casteel van de Punt 'T Gesigt, gedaan worden, Ordre in Cas van Allarm een nuttig gebruijk te maaken, tot de„ fentie en behoud derselve, en dewelke sijn Edele met eenig verandering na de tegenswoordige Constitutie alhier, en voor verre de menschelijke vermoogens meede bragt, op de voorige leeft geschoeijd had„ de, dewelke vervolgens met aandagt ge„ resumeerd sijnde, ten vollen geapprobeerd, en beslooten wierd, niet alleen in deesen te insereeren, maar ook de noodige Copijen daarvan, en Extracten uijt deselve, soo aan den E. Majoor en Commandant van de Militie alhier, als alle andere, aan wie het behoord, tot derselver na„ rigt en observantie, te laaten afgeeven; Luijdende gemelde ordre, als volgd: een sal sal 363 sal de buijten stad van de Punt Duursteede sulx met gelijke schooten beantwoorden. En sal sulx het zein weesen, waar op sig een iegelijk gewapend op sijn be„ scheijden post vervoegen sal. De Leeden van den Politicquen raad sullen sig ten eersten begeeven na het Gouvernement bij den Heer Gouverneur, om soodanige Commissien opgedragen te werden, als na de tijds omstandigheeden dienstig weesen sal. De Dienaaren aan de pen, voor soo verre in de Compagnie Pennisten niet gin„ corporeerd sijn, sullen sig transportee„ ren aan de Hoofdwagt, om aldaar de noodige ordres te ontfangen. De Compagnie Pennisten sal sig ten eersten binnen het Casteel voor de wapen-kamer begeeven, ten eijnde al„ daar van geweir, patroontassen en de nodige scherpe patroonen voorsien sijnde, op te marcheeren tot voor het Gouvernement. Alwaar sig ook sal vervoegen - de beijde Compagnies Granadiers on„ der haare Officieren, behalven die de wagt hebben, neevens den Onder-Ma„ joor; ten eijnde de nodige ordre aldaar af te wagten. De Vier op stal sijnde ruijters met hunne paarden, sullen ook binnen het Casteel moeten komen. Alle 's Comp:s Pions, bij wie of waar ook dienst doende, Sullen Sig moeten voorsien van een goede houwer of zijd„ geweir, en sig teffens bij den anderen vervoegen onder hun hoofd binnen de binnen-stad voor de Casteels brug, ten eijnde gesonden te werden, daar het nodig weesen sal. Voorts sullen alle de alhier in Guar¬ nisoen sijnde Manschappen op het voor„ waarts gemelde zein, sig moeten wape„ nen, op dat omtrend deselve de volgen„ de schicking plaats hebben kan; na aftrek van die geene die bereeds op eenige vaste posten mogten geplaatst sijn, of de wagt hebben; te weeten: De Compagnie van den Majoor Haselman en Capitain Wohlphart aan de Poort China. De Compagnie van Capitain Zeege„ laar en Kinbergen aan de Poort wagt Orange
English
364 Orange. To which shall join the five companies of Malays, namely: Those of Kepping and Oessoep at the China Gate, Those of Moendoe, Boedjoek and Sabar at the Orange Gate. Likewise the 4 companies of sepoys, namely: Two companies, being one from here and one from Ceylon, at the China Gate, and the remaining two companies from here at the Orange Gate. Where the chiefs thereof shall have to await the distribution over the bastions and bulwarks of this outer city. While at the same time the Corps of Artillerymen of Ceylon shall also have to proceed to the China Gate with the field pieces brought with them etc., and those of Nagapatnam to the Orange Gate, with everything an artilleryman requires for defense. The head of the militia, together with both heads of the artillery, after the necessary orders concerning the foregoing have been given by them, shall also have to proceed inside the Castle to the Government House, in order to report there to the Governor how many men are actually present there. The Equipage Master shall cause all seafaring men under his command, including boatswains, carpenters, sailmakers, and sailors who are on shore, to gather before his dwelling and give each a cutlass with a sword-belt, which he may have retrieved from the armory upon a warrant to be accounted for later, so that, divided in two, they may join the artillerymen stationed at the China and Orange gates and be employed as assistants. Furthermore, the aforementioned Equipage Master shall likewise have to present himself at the Government House to report on his actions and await further orders. Likewise 365 Likewise, the Overseer of works shall assemble his men assigned to him daily, consisting of craftsmen and coolies, at the wharf, so that, being provided with the necessary tools, they are immediately ready at the first order wherever they shall be needed. The Flag-keeper of the China Gate, together with his attached sailors, shall keep a sharp lookout by day and by night, and whenever he sees any troops approaching, whether on horseback or on foot, announce this immediately, by day by hoisting the flag in the rigging of the topmast, and by night by the flashing of gunpowder on the wall of the Pagoda; and whenever the aforementioned troops may have approached up to or along the limits of the lands that have anciently belonged under the Company, namely: To the West the village of Porwala Cherij, Palleanoer, Coetaanbarataan Irpoe, Carweli, Nareaan Coedeij etc. To the North PapanaCherij and so forth toward the west, the villages of Paleoer, Pallecadoe, Aijwelie, Tjangamangalam, Allengiemangalam etc. To the South Senhora de Saudi or Weleganij, and so again toward the West, the villages of Nertemangalam, Callasjambadij, Oretoer etc., they shall proceed to the China Gate and report there what has been observed by them, paying particular attention to the Company's flags that can be seen from here, both those planted at Naoer and in the province of Kiwaloer. When the officer who has the watch at the said Gate, and also the one at the Orange Gate, shall perceive the aforesaid signal by day, they shall immediately close the gates, and if they see the signal by night, beat the drums, and give notice thereof to the officer or sergeant on watch at the Middelburg Gate by calling out, which latter shall then communicate the same in like manner to the officer of the main guard. The Orientals stationed to keep watch on the Sandbank beside the Point Hollandia shall, upon discovery 366 of danger, give notice thereof to the sentry of that point, and he in turn to a chief of the sepoys stationed there, in order to subsequently make a report to the officer on watch at the China Gate, who must communicate this in turn to the senior Captain in command there, so as to dispatch to the aforementioned Sandbank as many sepoys, whether one or two companies, along with their officers and drillmasters, as they shall judge necessary according to the circumstances of the matter. The Inspector who, with his men, oversees the Company's villages, and who particularly has the majority of the men in the village of Willepalium, shall upon the approach of the enemy, together with the 50 sepoys who are to be assigned to him, protect the aforementioned village as far as is in their power; but the enemy's force being too large, they shall retreat within the gates of this city, after which the same shall immediately be closed again. All those of the surgical staff shall, upon the signal to be given, proceed de facto to the hospital, so as to be in readiness and be able to be dispatched to the place where it will be necessary. Furthermore, the Governor shall dispatch the necessary orders according to the circumstances of the time through such persons as he deems most capable for that purpose, and who shall be provided with the impression of the seal of the Governor, signed with his name, and the orders brought by them shall be obeyed strictly and with the utmost accuracy. Thus Done and Resolved in the Castle at Nagapatnam, on the date aforesaid, was signed, As Above, except Mr. Koning, H:k A:s Johnson, and C:s Pietersz.
Dutch transcription
364 Orange. Waarbij sig sullen voegen de vijf Compagnien Maleijers; als: Van Kepping en Oessoep aan de Poort China, Van Moendoe, Boedjoek en Sabar aan de Poort Orange. — Soo meede de 4. Compagnien sipaijs; te weeten: Twee Comp:, als een van hier, en een van Ceijlon aan de Poort China, en de overige twee Compagnien van hier aan de Poort Orange. Alwaar de hoofden van deselve sullen moeten blijven afwagten de verdeeling over de bastions en bol„ werken deeser buijten stad. — Terwijl teffens het Corps Cirthil„ leristen van Ceijlon Sig meede sal moeten vervoegen aan de Poort China met haar meede gebragte veld„ stukken etc:, en die van Nagapatnam aan de Poort Orange, met al het geen een Arthil„ larist tot defensie nodig heeft. zullende het hoofd van de Mi„ litie neevens de beijde hoofden van de Arthillerij, nadat door hun op het voorenstaande de nodige ordre gesteld weesen sal, sig meede binnen het Casteel in het Gouvernement moe„ ten vervoegen, ten eijnde aldaar rapport aan den Gouverneur te doen, hoe veel manschappen sig reël aldaar bevinden. De Compagne-Meester sal alle de zeevaarende, soo van bootslieden, Timmerlieden, Zeijlmakers en Matroo„ sen onder hem bescheijden, en aan de wal sijnde, voor sijn wooning moeten laaten t' saamen trecken en aan een ieder een houwer met een port d' espée geeven /: die hij op een ordonnantie uijt de wapenkamer sal kunnen laaten haalen, om nader hand verantwoord te werden;/ ten eijnde in tweën verdeeld sig bij de aan de poorten China en Orange ge„ posteerd staande Arthilleristen te voegen, en als handlangers g'emploijeerd te werden; Terwijl voorts voormelde Campagne-Meester sig insgelijks in het Gouvernement sal moe„ ten laaten vinden, om rapport te doen van sijne verrigting, en nadere beveelen afte¬ wagten. — de Zoo meede 365 Zoomeede Sal den Opsiender der werken sijn volk, dat dagelijx onder hem bescheij„ den is, van Ambagtslieden en Coelijs op de werft moeten bij een vergaderen, om met de nodige gereedschappen voorsien sijnde, aanstonds op het eerste bevel in gereedheijd te sijn, alwaar deselve nodig weesen Sullen. — De Vlagge-wagter van de Poort China, neevens sijn bijgevoegde matroosen sal bij dag en bij nagt wel moeten uijt„ sien, en wanneer hij eenige troupen, het sij te paard of te voet siet naderen, sulx ten eersten bekend maaken, bij dag met het ophijsen van de vlag in het want, van de steng, en bij nagt, met het blicken van kruijt op de muur van de Pagood, en wanneer voorschreeve troupen tot of= en aan de Limieten van de van ouds onder de Comp: behoord hebbende lan„ den; als: Ten Westen het Dorp Porwala Cherij, Palleanoer, Coetaanbarataan Irpoe, Carweli; Nareaan Coedeij ensz. Ten Noorden PapanaCherij en soo voorts na het westen toe, de dorpen Paleoer, Pallecadoe, Aijwelie, Tjanga„ mangalam, Allengiemangalam ensz. Ten Zuijden Senhora de Saudi of Weleganij, en soo weder naar het Westen toe, de dorpen Nertemangalam, Cal„ lasjambadij, Oretoer ensz. mogten ge„ naderd sijn, Sullen se haar vervoegen na de Poort China, en aldaar rapportee„ ren, het geen door haar geobserveerd is, insonderheijd wel lettende op 's Comp:s vlag„ gen, die van hier kunnen gesien werden, Soo die op Naoer, als in de Provintie van Kiwaloer geplant geworden sijn. — Wanneer de Officier, die aan gemelde Poort, en ook die aan de Poort Orange de wagt heeft, bij dag het voorsz. teeken ontwaaren sullen, sij aanstonds de Poor„ ten sluijten, en als sij het teeken bij nagt sien, de tromroeren, en daarvan aan de wagt hebbende Officier of Sergeant aan de Poort Middelburg door toeroe„ ping laaten kennis, geeven, welke laaste het selve dan weder inselver„ voegen, aan de Officier van de hoofd„ wagt sal doen Communiceeren. De Oosterlingen ter wagthouding op de Sandplaat, beseijden de Punt Hollandia geplaatst, sullen bij ontdek„ mangalam king 366 king van onraad, daar van advertentie doen, aan de schildwagt, dier punt, en die wederom aan een aldaar geposteerd sijnde hoofd der Sipaijs, om vervolgens rapport te doen aan de wagt- hebbende Officier van de Poort China, die sulx weder Communiceeren moet, aan de oud„ ste Capitain, die aldaar het Commando voerd, ten eijnde na voormelde Zandplaat te depecheeren so veel sipaijs, het sij een of twee Compagnien, neevens haare Officieren en drilmeesters, als na de omstandigheijd der saake nodig sullen oordeelen. De Visiadoor die met sijn volk het opsigt houd over 's Comp:s dorpen, en wel voornamentlijk de meeste Man„ schappen in het dorp Willepalium heeft, sal bij aannadering van den vijand, nee„ vens de 50. Sipaijs, die hem staan toe„ gevoegd te worden, soo veel als in hun vermoogen is, het voorsegde dorp decken, dog de magt des vijands te groot sijnde, sig binnen de Poorten deeser stad reti„ reeren, waarna deselve direct wederom geslooten sullen werden. — Alle die van de Chirurgij sijn, zul¬ Aldus Gedaan, en Gearres¬ teerd In het Casteel tot Naga„ patnam, Dato voorschreeve /:was ge„ teekend :) Als Vooren Exceptis Mr: Koning; H:k A:s Johnson en C:s Pietersz. len sig op het te geeven zien de facto vervoegen in het hospitaal, om dus in ge„ reedheijd te sijn, en afgesonden te kunnen werden ter plaatse, daar het nodig weesen sal. — Wijders sal den Gouverneur na tijds omstandigheeden de noodige or„ dres expedieeren door soodanige Per„ soonen, als denselven daartoe bequaamst oordeeld, en die voorsien zullen weesen met het afdruksel van het Cachet van den Gouverneur met desselvs naam onderteekend, en aan welkers te bren¬ gene ordres stipt en ten uijttersten accuraat sal moeten werden geober„ dieerd. len Donder
English
Thursday the 21st of October 1773. In the forenoon at eleven o'clock Meeting of Policy Absent The Merchant and Fiscal Marthinus Koning, The Merchant, Trade Bookkeeper and First Warehouse Master, Hendrik Ambrosius Johnson, and The Merchant Titular, Adigar and Mint Master, Cornelis Pietersz. The first and the last due to illness, and the second on official mission: The Governor made known to the members that the Young Nawab Madarroel Moelk had early this morning, with his entire army, joined with the English, broken camp from Triwaloer, and having penetrated into the new lands, just now arrived at Naoer, had taken that place by lowering the Dutch and hoisting his own, or the Moorish flag, without committing even the slightest molestation where he had marched through with the army; while the flags planted at Adiakamangalam, Kiwaloer and other places still continued to fly; That furthermore the garrison of Naoer under the command of Captain Jan Scheerken, judging by virtue of the standing orders that it was not strong enough against superior numbers to oppose successfully, or prevent by force, the entry into that place, had proceeded to this city, just as those of Adiakamangalam and Kiwaloer had likewise done upon the approach of the Nawab's army, and had joined the corps posted at Chikel; That before the said Captain Scheerken had marched out of Naoer with the men under his command, at the moment the Young Nawab came marching in, having delivered the Protest of this Government both in Dutch and Persian to him, the latter, after having read it, returned it and answered that such could have no validity, because the land of which he came to take possession belonged to him as conqueror of the Kingdom of Tansjoer; All of which was translated into French by one of the English officers by whom he was surrounded, to Captain Gijsbert Zeegelaar, who, being on picket duty this morning, had been sent thither by the Governor, with an expression of his particular satisfaction with the conduct maintained by the said Captain Scheerken on that occasion, as having thereby shown that he well understood his profession and duty, with a request, while presenting his compliments, to give notice thereof to the Governor, as well as to request his Honour to send two members from the Council to him, in order to be able to speak about these matters; Whereupon the matter being taken into deliberation, and considered that, however much one was prepared and inclined, according to oath and duty, emphatically to maintain the lawful right of the Honourable Company to those newly and lawfully purchased lands, and to avenge the insult inflicted upon the Dutch flag at the capture of Naoer, just as timely and necessary precautions had already been taken for that purpose by summoning reinforcements from the Government of Ceylon, and placing the necessary garrison at the principal posts in order to prevent the entry and invasion of those lands, which would indeed have been possible to do, even if the Young Nawab had undertaken such with the largest part of his army, but that one must now nevertheless, to one's regret, desist from this due to superior numbers and must thereby perceive with the utmost surprise that the English with their auxiliary troops had joined therewith, so that the force at hand, although full reliance could be placed on their bravery, loyalty and zeal for the country and the interest of the Most Esteemed Paymasters, which shone forth to the utmost satisfaction among the officers as well as the privates, was nevertheless judged not to be large or strong enough to drive the enemy out of the land again and to face them in the field, especially if the first attack, action or outcome might happen to be subject to the slightest fatal incident, which a slight confusion caused by a single person could bring about, and which could not easily be remedied with success, one would thus hazard too much upon chance, and the consequence thereof could be of such an aftermath that everything would be put at stake, and the moment would be born for the English, for which they so ardently wished and strived, to deal the Honourable Company a further and most painful blow in its trade and seat here on this Coast, indeed even the final death blow concerning its establishments both here and with respect to
Dutch transcription
367 Donderdag den 21:' Octob:r 1773. des voormiddags te Elf cuuren Vergadering van Politie Demptis Den Koopman en Fiscaal Marthinus Koning, Den Koopman Negotie Boek-houder en Eerste Pakhuijs-Meester; Hendrik Ambrosius Johnson, en Den Koopman Titulair, Adigaar en Munt= Meester, Cornelis Pietersz. De eerste en de Laaste mits ziekte, en de tweede in Commissie: Den Heer Gouverneur maakte de Leeden bekend, dat den Jongen Na„ bab Madarroel Moelk heeden morgen vroeg met sijn gansche Leger, geconjun„ geerd met de Engelschen, uijt Triwaloer opgebrooken, ende nieuwe Landen in„ gedrongen weesende, soo eeven te Naoer aangekomen, die plaats ingenomen had„ de, door het nederhalen van de Holland„ sche, en bijmaaken van sijn, of de Moorsche vlagge, sonder eenige de min„ ste molesten te pleegen, daar hij met het Leger doorgetrocken was; terwijl de geplante vlaggen op Adiakamangalam, Kiwaloer en andere plaatsen als nog blee„ ven waaijen; Dat wijders de besetting van Naoer onder Commando van Capi„ tain Jan Scheerken, uijt Kragte van de gestelde ordre door de overmagt niet besteend genoeg oordeelende, om het inruc„ ken binnen die plaats, met vrugt tegen te gaan, of met geweld te beletten, sig naar deese stad begeeven hadde, ge„ lijk die van Adiakamangalam en Kiwaloer op de aannadering van 's Na„ babs Leeger insgelijx gedaan, en sig met het te Chikel geposteerde Corps gecon„ jungeerd hadde; Dat eer gedagte Ca„ aange, pitain, 123 368 pitain Scheerken, met sijn bijhebbende Manschappen uijt Naver getrocken was, bij geleegendheijd den Jongen Nabab deselve quam in marcheeren, het Protest deeser Regeering soo in Hollands als Persiaans aan denselven g'intrageerd hebbende, het selve naar gedaane Leesing terug gegee„ ven, en geantwoord hadde, sulx geen plaats hebben konde, dewijl het land, waarvan hij besit quam te neemen, hem als overwin„ naar van het Tansjoers Rijk toequam; Alle het geene door een der Engelsche Officieren, waarvan hij omringt was, in het fransch was overgesegd geworden, aan den Capitain Gijsbert Zeegelaar, die heeden morgen als het piquet hebbende, door den Heer Gouverneur naar der„ waards gesonden was, onder betuijging van sijn bijsonder genoegen over het ge„ drag van gedagten Capitain Scheerken bij die geleegendheijd gehouden, als daar„ meede getoond hebbende, dat sijn metier en pligt wel verstond, met versoek onder het afleggen van sijn Compliment, daar„ van aan den Heer Gouverneur Kennis„ se te geeven, als meede sijn Edele te versoeken, om twee Leeden uijt den Raad tot hem te senden, ten eijnde over de saakelijkheeden te konnen spree„ ken; Op het welke de saak in delibe„ ratie genomen, en geconsidereerd, dat, hoe seer men bereijd en geneegen was, om volgens Eed en pligt, het goed regt van D' E. Comp: op die nieuwe wettig gekogte Landen met nadruk te maintineeren, en de hoon, de Hollandsche Vlag bij het inneemen van Naoer toegebragt, te revengeeren, gelijk daaromme al bij tijds de noodige precautien genoomen waren, door het ontbieden van verster„ king uijt het Gouvernement van Ceijlon, en plaatsen van de noodige besetting op meede de 369 de voornaamste posten, om het inrucken en invadeeren dier landen te beletten, het geen ook wel mogelijk was te doen, al was het dat den Jongen Nabab sulx met het grootste gedeelte van sijn Leeger hadde laaten entameeren, dog dat men egter nu tot Leedweesen door overmagt daarvan afsien en daarbij met de uijt„ terste surprise ontwaren moeste, dat de Engelschen met hunne hulp-troupen sig daarbij geconjungeerd hadden, dus de magt, die men aan handen hadde, schoon op derselver bravoure getrouwigheijd en iever voor het land en het intrest van de Hoogst g'Eerde betaals-heeren, dewel„ ke soo in de Officieren als gemeene tot de uijtterste vergenoeging quamen uijt te blinken, ten vollen staat gemaakt konde werden, egter niet groot of bestand genoeg geoordeeld wierde, om den vijand weder uijt het Land te drijven, en in het veld het hoofd te bieden, insonderheijd als den eersten aanval actie of uijt„ slag aan het minste noodlattig geval subject mogte komen te werden, het geen een geringe Confusie van een en„ kelde persoon te weg brengen konde, en het welke dan niet wel weder met vrugt geredresseerd soude konnen wer„ den, men dus sig te veel aan het ge„ val hasardeerde, en het gevolg daar van van sodanigen nasleep soude konnen sijn, dat alles in de waagschaal ge„ steld wierde, en het tijd stip der En„ gelschen, waarna sij 'er soo vuurig wenschten en stavoogden, gebooren sou„ de weesen, om D' E. Maatschappij een verdere en de allersmertelijkste Coup in derselver handel en zeet hier ter Custe, te geeven, Ja wel selfs de laaste doodsteek omtrend derselver Et ablis„ sementen soo hier, als met betrecking veld— tot
English
to the island of Ceylon, and all of which were, or would be, the fruits and consequences originating from the revolution of affairs due to the transition of the Tanjore Kingdom to the Subah, who, being drunk with prosperity because of this, and relying so readily on the assistance of his English auxiliary troops, has become utterly unmanageable and wished to have everything bow under his power; so that the consideration of all this, as well as the fact that in order to preserve the one, one was exposed to the danger of losing everything, therefore according to the condition of the time and affairs in which one presently found oneself, it was most salutary to lean toward mildness, until such time and moment as it should please the High Authorities to furnish this government with their very venerated wise orders regarding the infraction of the Company's right to the aforesaid new lands, acquired through lawful purchase, and the ownership of the redeemed recognition moneys and elephants, and how Their Excellencies will be pleased to view and take the violent conduct of the Subah in this regard toward the Honourable Company, since Her Honour, by the nullification thereof, would have no more power, or thereby the same would be entirely taken away, and would also not be competent to enter into and conclude any more contracts with these and other native princes, if one were repeatedly to be forced, or exposed to the necessity, of breaking and nullifying the same again through the arbitrary and usurping power of one tyrant or another, as well as surrendering the intended and acquired advantage and obtained tranquility of the Company's seat and trade through this infraction; so that one would then have to be content with whatever such a violent territorial ruler, be it of his own accord or through the instigation of competitors, wished to inflict upon the Honourable Company, the sad consequences of which one would, in time, have to experience and endure more than enough, just as all of this has been recorded very amply in the previous resolutions and other papers dealing with this delicate subject, and was also not feared without reason in case the Tanjorean should come to bow under the arms of the Subah, just as one now already began to taste the fruits and consequences thereof; yet, regarding all of which there being nothing else for this government to do than to conduct itself according to the critical circumstances into which one saw oneself plunged all of a sudden, in order to preserve the Honourable Company from harm as much as possible: It was thus resolved and agreed by unanimous vote to send two members from the Council to the said Young Nabob Madarroel Moelk in Naoer, and to appoint for this purpose the Assayer Jacob Van Cessel and the Second Warehouse-Master Ioan Daniel Simons, since the Provisioner Ian Appengh excused himself from this due to indisposition, and the Fiscal Koning, having been sick for some time, has not attended the meeting, and the Secretary Duijnevelt, because of the business attached to his service, could not conveniently be employed for this, as it cannot be foreseen how long that commission could last with traveling back and forth to and from Naoer; therefore, to employ the two first-mentioned members as being best able to attend to it at this time, and to send them this afternoon together with the Brahmin of the Honourable Company and the Persian writer to Naoer, in order to learn what the said His Excellency had to say or propose, and on the questions that he might come to ask concerning the newly purchased lands, to refer to the letter that had been written to the Subah regarding this as well as other matters, and of which a copy had been sent to him. After which the Governor communicated to the assembly the contents of a letter received this morning from the officers stationed at Chikel, the Lieutenant Francois Baron de Maekena and Ensign Johan Willem Wehrman, containing a report concerning the penetration of the Nabob's army as far as Truwaloer, and the march from there directly to Naoer, as well as the retreat of the garrisons of Adiakamangalam and Kiwaloer to Chikel, and His Honour's reply served thereupon to those officers, that if they might be compelled to retreat as far as Porwala Cherij, they should then make good use of the protests, and have the same delivered to the heads of the Nabob's army both in Persian and English by a sergeant, accompanied by a corporal and four privates; and further to remain stationed there, and if attacked by the enemy, to defend themselves there. There was also read the translation of a Persian letter received from the Young Nabob Madarroel Moelk to
Dutch transcription
376 tot het Eijland Ceijlon toetebrengen, en al het welke vrugtgevolgen waren, of sijn zouden, die hun oorspronk hebben, uijt de omwenteling van Saaken, mits den overgang van het Tantjoers Rijk aan den Souba, die daardoor van voorspoed dronken sijnde, en zovaardig op den bij„ stand sijner Engelsche hulp-troupen, gansch onhandelbaar geworden is, en al„ les onder sijn magt gebukt wilde heb„ ben; invoegen de overweeging van alle het selve soo wel, als om het eene te behouden, men aan het gevaar g'ex„ poneerd wierde, om alles te verliesen, oversulx na den toestand der tijd en saaken, waarin men sig tans bevond, het heijlsaamste was, tot de Sagtheijd te heblen, tot tijde en wijle de Hooge Gebieders behaagen soude, deese regee„ ring met derselver seer Gevenereerde wijse beveelen te munieeren, omtrend de infracie van 'sComp:s door wettige koop verkreege Regt op de voorsz. nieuwe Landen en eijgendom der afgekogte re„ cognitie-penningen en Eliphanten, en hoedanig Hoogst deselve de geweldadi„ ge handelwijse van den Souba deesen aangaande omtrend D' E. Comp:e sullen gelieven aantemerken en opneemen, al„ soo haar Edele door het vernietigen der selve, geen magt meer hadde, of daar door deselve ten eenemaal benoomen wierde, en ook niet bevoegd weesen soude, om eenige Contractatien meer met deese en geene Jnlandsche Vorsten aante„ gaan, en te sluijten, soo men telkens genoodsaakt, of g'exponeerd soude moe„ ten weesen, om deselve door de wille„ keurige en usurpeerende magt van de een of ander geweldenaar, weder te breeken en te niete te maaken, mitsg:s het daardoor beoogd en verworven voor„ infractie, deel 124 371 deel en verkreege tranquiliteijt van 's Comp:s zeet en handel over te geeven; Jnvoegen men dan sig vergenoegd. houden moeste, met het geene soo een geweldadigen Land regent, hij sij uijt eijge beweeging, dan wel door opstoking der Competiteuren, D' E. Comp:e wilde toevoegen, waarvan de droevige gevolgen men ter sijner tijd, meer dan te veel soude moeten beleeven, en ondergaan, gelijk alle het selve bij de voorige resolutien en andere papieren, over dit netelig Sujet handelende, 'er seer ampel te boek gesteld, en 'er ook niet Sonder reeden voor gevreefd is, in Cas den Tansjoerder onder de wapenen van den Souba mogte komen te bucken, gelijk men de vrugtgevolgen daarvan nu reeds begon te smaken, dog omtrend alle het welke voor deese Regeering niet anders te doen weesende, dan sig te gedragen na de Criticque omstandigheijd, waarin men te eener klaps sig gedompeld sag, om soo veel mogelijk D' E. Comp: voor schaede te bevrijden: Soo wierd met eenparigheijd van stemmen goedgevonden en verstaan, twee Leeden uijt den Raad aan gedag„ ten Jongen Nabab Madarroel Moelk naar Naoer te senden, en daar toe te Committeeren den Essaijeur Jacob Van Cessel en den Tweede Pakhuijs-meester Ioan Daniel Simons, als hebbende den Dispencier Ian Appengh sig door onpas„ selijkheijd daarvan g'excuseerd, en den Fiscaal Koning seedert eenigen tijd Siek bevindende de vergadering niet bijgewoond heeft, mitsgaders den Secretaris Duijnevelt om wille der beesigheeden aan sijn dienst geaccro„ cheert, niet wel voegelijk daartoe g'em„ ploijeerd konde werden, alsoo niet te voor„ sien is, hoe lange die Commissie met over en weder gaan na- en van Naoer, duuren eener konde 125 372 konde, dierhalven de twee eerstgemelde Leeden als in deese tijd best daar toe kun„ nende vaceeren; te emploijeeren en heeden na de middag neevens den bramine der E. Comp: en den Persiaans schrijver naar Naoer te Senden, ten eijnde te verneemen, wat ged:te sijn Excellentie te seggen of voor te dragen hadde, en op de vragen, die denselven omtrend de nieuw gekog„ te Landen mogte komen te doen, sig te refereeren aan de brief, die men dien„ aangaande soo wel, als omtrend andere Saaken aan den Souba geschreeven hadde, en waarvan hem een Copia toe„ gesonden was. Waarna den Heer Gouverneur de vergadering meede deelde den inhoud eener brief heeden morgen van de op Chikel posteerende Officieren den Luij„ Francois Baron de Maekena, tenant en Vendrig Johan Willem Wehrman ontfangen, inhoudende berigt wegens het indringen van des Nababs Leeger tot in Truwaloer, en de marsch van daar direct naar Naoer, mitsgaders het retireeren van de besettingen van Adiakamangalam, en Kiwaloer naar Chikel, en sijn Ede„ lens daarop gediend antwoord aan die Officieren, dat wanneer genoodsaakt wer„ den mogte tot na Porwala Cherij te retireeren, alsdan een goed gebruijk te maaken van de Protesten, en deselve aan de hoofden van 's Nababs Leeger soo in het persiaans, als Engelsch te laaten overhandigen door een sergeant, verseld van een Corporaal en vier gemee¬ ne; en voorts aldaar te blijven postvatten, en door den vijand aangetast wordende, sig ginter te defendeeren. Nog wierden geleesen het Trans„ laat eener Persiaansche brief door den Jongen Nabab Madarroel Moelk ontfan„ aan
English
written to the Lord Governor and received here late yesterday evening, and the answer served thereupon, yet before the same had been delivered to him, he had already set out on the march and had arrived at Naoer, both of which it was understood should be inserted into this record: Translation of a Persian letter, written to the Right Honorable Sir, Reijnier Van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel, with the dependencies thereof, by Amiroel Oemra Madarn Moelk Haphies Machamadoe moenewarchan, Regent of Tritjenapalij, currently present at Triwaloer. After preceding compliments. After Tansjoer had been conquered, I sent Rahieman Alijchan and Sadiechan to Your Right Honor with letters from His Highness the Souba and from myself, with orders to treat upon certain matters, and subsequently I came down with my army to Triwaloer, which lies close to Nagapatnam, where I awaited that Your Right Honor would have sent envoys to His Highness and me, in order to regulate all matters amicably. I have written, and also caused to be said through my emissaries, that I would fairly grant all matters that belong to Your Right Honor, and that I would pay the money that Your Right Honor has indeed advanced to the conquered Prince of Tansjoer on the mortgage of the lands, and settle it in such a manner; however, Your Right Honor has not been willing to agree to that, nor sent me any envoys, and likewise not caused the Dutch flag that was flying over the Tansjoer places to be removed, item also given no conclusive answer. My emissaries have tarried there a very long time, thinking that Your Right Honor would settle those matters, and also because Your Right Honor repeatedly said that you would give an answer now today, then tomorrow, without such having occurred nevertheless. Because of that, and because I thought that it would take a very long time before those matters would come to an end, I ordered them today to request permission from Your Right Honor and to come here, and from the report that they have made to me, I have come to know everything, whereby I have also been necessitated to come with my army to Naoer, which lies very close to Your Right Honor's place, and to speak of fair matters, for if I am close by, everything will be decided very quickly. Wherefore I request Your Right Honor to give orders to cause the Company's flags on the Tansjoer places that belong to the Souba to be removed by Your Honor's own people, so that thereby the friendship between the Souba and Your Right Honor may increase, for it is not good that Your Right Honor undertakes anything that goes against fairness. What more shall I write. Beneath was written: For the translation according to the interpretation of the Brahmin Wengata Soubaraijer Aijen from the Malabar, to whom it was translated from the Persian by the Persian writer Teijboedien; Nagapatnam the 21st of October 1773. Was signed: Cornelis Ebdam, Sworn Translator. To the Lord Madarroel Moelk. The letter which Your Excellency has done me the honor of writing, I have duly received. In my previous letter to Your Excellency, and in that which I wrote to the Lord Souba, of which I sent a copy to Your Excellency, and which was brought to Your Excellency by his ambassadors, I wrote at length about everything, and thereby made known that I am not disinclined to take the path of equity regarding Your Excellency's formed pretensions upon the lands purchased by the Honorable Company, and to that end I have not only already sent ambassadors to His Highness the Lord Souba, but also informed my masters the High Government at Batavia of everything in full detail, and it is very well known to Your Excellency that I may do nothing without their orders. Regarding Your Excellency's desire to come to Naoer with your army, I already made known to Your Excellency in my previous letter that such could not be done with the entire army, but certainly with a small number of horsemen or other people; likewise, that the Company's flag and possession, as that place lawfully belongs to it, could not be removed from there. Was signed: Rs. Van Vlissingen. In the margin: Nagapatnam the 21st of October 1773. As was also read and approved, and at the same time resolved, to incorporate into this record the protest to Brigadier General Joseph Smith, Commander and Chief of the English troops in the army of the Nabab, which had been prepared upon the received report that he, conjoined with the troops of the Nabab, was about to enter the lands of the Honorable Company, and it was further understood to have the same delivered by a Harkara or post courier at Kiwaloer or Naoer, wherever he might happen to be found; as well as upon the further proposal of the Lord Governor, unanimously resolved to have a protest made likewise in the strongest terms to the English Ministry at Madraspatnam in the same manner concerning the infraction committed by their troops upon the Company's privileges, according to a protest drawn up to that end in the same manner.
Dutch transcription
373 aan den Heer Gouverneur geschreeven en gisteren avond laat alhier ontfangen, en het daarop gediend antwoord, dog eer het selve bij hem besteld was, sig reeds op marsch begeeven had, en te Naoer gekomen was, welke beijde verstaan wierd in deesen te insereeren: Translaat eener Persician„ sche brief, geschreeven aan den Wel Edelen Gestrengen Heer, Reijnier Van Vlissingen, Gouverneur en Directeur dee„ ser Custe Cormandel, met den resorte van dien door Ami„ roel Oemra Madarn Moelk Haphies Machamadoe moe„ newarchan, Regent van Tritje napalij, tans present te Te Triwaloer. — Naar voorafgaande Complimenten Na dat Tansjoer overwonnen ge„ weest is, heb ik Rahieman Alij„ chan en Sadiechan aan uwel Edele Gestrenge gesonden met brieven van sijn Hoogheijd den Souba en van mij met last, om over eenige saaken te han„ delen, en naderhand ben ik met mijn leeger na Triwaloer, dat digt bij Na„ gapatnam legt afgekomen, alwaar ik afgewagt heb, dat uwel Edele Gestren„ ge, aan sijn Hoogheijd en mij afge„ santen gestuurd soude hebben, om alle saaken in't vrindelijke te reguleeren. Ik heb geschreeven, en door mijn sendelingen ook laaten seggen, dat ik alle saaken, die uwel Edele Gestrenge Competeerden, na billijkheijd toestaan, en dat ik het geld, dat uwel Edele Gestr: aan den overwon„ nen Vorst van Tansjoer in der daad op pand der landen geschooten heeft, betaalen en op een dusdanige wijse afmaaken soude, dog uwel Edele Gestr: heeft daar in niet willen toe„ stemmen, nog mij ook geen afge„ santen gestuurd, mitsgaders de Hol¬ landsche vlag die op de Tansjoerse plaatse waaijde, ook niet laaten wegneemen, item ook geen uijtsluij„ chan tend 374 tend antwoord gegeeven; mijne sendelin„ gen hebben seer lang aldaar vertoefd, in gedagten, dat uwel Edele Gestren„ ge die saaken afmaaken soude, en ook om de wille, dat uwel Edele Gestrenge telkens seijde, dan heeden, dan morgen antwoord te sullen geeven, sonder dat sulx egter geschied is, ik heb uijt hoofde van dien, en om dat ik dagt, dat het seer lang aanloopen sou„ de, eer die saaken ten eijnde soude komen, haar heeden geordonneerd, om van cuwel Edele Gestr: permissie te versoeken, en dit heen te komen, en uijt het berigt, dat sij mij gedaan hebben, ben ik alles te wee„ ten gekomen, waardoor ik dan ook genood„ saakt geworden ben, met mijn leeger op Naoer, dat Seer na aan cuwel Edele Gestr: plaats legt, te komen, en van over billijke saaken te spreeken, want indien ik digte bij ben, sal alles seer spoedig gedecideert weesen, weshalven ik ouwel Edele Gestr: versoeke, ordre te stellen, dat 's Comp:s Vlaggen op de Tansjerse plaatsen, die den Souba toebehooren, door Haar Edele volk zelfs te doen weg¬ neemen, op dat daar door de vrindschap tusschen den Souba en uwel Edele Aan den Heer Madarroel Moelk De brief, welke ouw Excellentie mij de Eere gedaan heeft, te schrijven, heb ik wel ontfangen. In mijn voorige brief aan ouw Ex„ cellentie, en in die, die ik aan den Heer Souba geschreeven, waarvan ik een Copij aan uw Excellentie gesonden heb„ be, en dewelke door desselvs Cimbassa„ deurs ouw Excellentie toegebragt is, hebbe over alles breedvoerig geschreeven, Gestr: toeneemen mag, want het is niet goed, dat vuwel Edele Gestr: iets onderneemt dat tegens de billijkheijd strijd. Wat sal ik meer schrijven /:onderstond:/ voor de oversetting volgens vertaaling van den bramine Wengata Soubaraijer Aijen uijt het mallabaars, die het uijt het persiaans overgesegt is, door den persiaans schrijver Teijboedien; Naga„ patnam den 21. October 1773. /:was ge„ teekend:/ Corn:s Ebdam G: Transl:t Gestr: en 120 H 375 en daarbij te kennen gegeeven, dat niet ongeneegen ben, de billijke weg in te slaan, omtrend uw Excellentie gefor„ meerde pretentien, op de door D' E. Comp: gekogte landen, en hebbe ten dien eijnde niet alleen reeds Eimbassadeurs aan sijn Hoogheijd den Heer Souba geson„ den, maar ook aan mijne Gebieders de Hooge Regeering te Batavia van alles in het breede kennisse gegeeven, en het is ouw Excellentie seer wel bekend, dat ik Sonder haar ordre niets doen mag. — Omtrend 5uw Excellenties begeerte, dat met desselvs Leeger op Naoer wilde komen, heb ik uw Excellentie reeds in mijn voorige brief te kennen gegeeven, dat sulx niet met het geheele Leeger geschieden konde, maar wel met een klijn getal ruijters of ander Volk; soo meede, dat 'sComp:s vlag en besitting als die plaats haar wettig Competeerende, daar niet van daan konde genoomen Rs: Van werden. /: was Geteekend:/ Vlissingen, /:in margine:/ Nagapat„ nam den 21. ' October 1773. soo als ook geleesen en Goedgekeurd mitsgaders teffens beslooten wierd, deesen in te lijven het protest aan den Brigadier Generaal Joseph Smith, Commandant en Chef van de Engelsche troupen in het lee„ ger van den Nabab, dat op het bekomen berigt, dat hij met sijn troupen, gecon„ jungeerd met die van den Nabab in de Landen der E. Comp: stond te komen, in gereedheijd gebragt was, en al verder ver„ staan is, het selve door een Cirkarra of postbode op Kiwaloer of Naoer, waar„ hij sig mogte komen te bevinden, te laa„ ten bestellen, mitsgaders op den verde„ ren voorstel van den Heer Gouverneur eenparig beslooten, bij het Engelsch Ministerium te Madraspatnam in„ selver voegen over de infractie door haare troupen in 's Comp:s voorregten toegebragt, almeede op het kragtigste te laaten protesteeren, volgens een ten dien eijnde inselvervoegen opgemaakte Protest, dat mits verstaan
English
it was understood to insert the same into this document as well, and to convey it to the Commissioners at Madras, with instructions to deliver it on behalf of this Government to that of the English at Madras, and to that end, if they should not yet have departed, to set out on their way thither as soon as possible. Reijnier van Vlissingen, Governor and Director on behalf of the General Chartered Dutch East India Company on the Coast of Coromandel, together with the Council at Nagapatnam. To the Right Honorable, Valiant Sir, Joseph Smith, Brigadier General, Commander and Chief of the Troops of the Honorable English East India Company on the Coast of Coromandel, greetings; to wit: Whereas the ruler of these Carnatic lowlands, His Highness the Subah Mahometh Alijchan, and his second son, His Excellency Amiroel Oemra Madarroel Moelk Haphies Mahamadoe moena warchan, whom your Right Honorable, Valiant Sir, with the troops under your command, on behalf of the Honorable English East India Company, being allied with him, has assisted in conquering the Principality of Tansjoer, to the considerable detriment of all other European nations who have for a long time resided peacefully in that realm, and principally the Dutch Company; and have, by their letters delivered here by the Ambassadors Rahieman Alijchan and Padie Chan, threatened us with a formal war on the grounds of the most unreasonable and unfounded pretensions; and notwithstanding our reasonable representations and remonstrances made against this, as well as the dispatch of three Ambassadors to Madraspatnam to settle all matters there with His Highness the Subah himself on behalf of the Dutch Company, actual hostilities have already been committed in the Company's possessions by the people of His Excellency Madarroel Moelk, both by the violent removal of the Company's flag in the village of Adiakaman-galam (although the same was later thrown down secretly by night onto the Honorable Company's borders, and thus brought back), and by the tying of toornams, or tokens of new possession, in various other places lawfully belonging to the Dutch Company; Moreover, your Right Honorable, Valiant Sir, is present in person with the troops under your command at Their Highnesses' army, under the command of His Excellency Madarroel Moelk, which is stationed in Truwaloer, and thus on our borders, ready to invade the Company's possessions, where the forces of the Subah as well as those of your Right Honorable, Valiant Sir's nation are daily being reinforced not only with men, but also with cannons and other ammunition, and everything required for a formal siege of a fortress is being brought up and made ready; and they are thus directly assisted by your Right Honorable, Valiant Sir in their intended hostilities against the Dutch Company, because even though the intention might not be—which we, however, do not know—actually to assist them with troops, this union with Their Highnesses and the daily reinforcement of your Right Honorable, Valiant Sir's forces there can nevertheless be viewed and considered in no other way than as supporting them in their unreasonable pretensions against the Dutch Company, and to compel us, if possible, to consent to them, however unlawful they may be; entirely setting aside that it is a world-known and indisputable matter that they cannot obtain, nor have they obtained, any cannons or any other European munitions of war unless it comes, or has come, from your Right Honorable, Valiant Sir's nation; All of which is formally contrary to the close friendship and alliance subsisting between His Britannic Majesty and Their High Mightinesses the Lords States General of the Free United Netherlands, contrary to all customs of war, and contrary to the contents of all treaties and alliances successively entered into by both nations, and especially contrary to the secret article of the Treaty concluded at Westminster on the date of 2/19 February 1673/4, and confirmed on 6 February 1713/16, which in general, and the aforesaid article, which we deem necessary to insert here verbatim, reads as follows: Neither of the aforesaid parties shall permit any of their subjects or inhabitants to give any assistance, favor, or counsel, directly or indirectly, whether by sea or by land, or on any fresh waters; nor shall it be permitted that their people assist the enemy with ships, soldiers, sailors, provisions, money, munitions of war, or with any other things that may serve for war; in particular, expressly forbidding all assistance, of whatever nature, to enemies of either of the two contracting parties, which ought to be observed all the more especially in this instance, since both nations agree regarding the most momentous and principal aspect of human conduct, to wit: the pure and unblemished Religion; and one of them, namely the Dutch, is being attacked by a Mohammedan Prince. By which conduct your Right Honorable, Valiant Sir, and in him or in those who may have given him orders thereto, the entire nation, breaks and nullifies all the aforesaid alliances, and by assisting the Moors in such a manner, commences an open war in these regions, whereas the aforesaid High Sovereigns in
Dutch transcription
376 verstaan wierd, meede in deesen te inse¬ reeren, en het selve aan de Gecommit¬ teerdens op Madras te doen toekomen, met last uijt naame deeser Regeering, aan die der Engelsche te Madras over„ te geeven, en ten dien fine soo nog niet vertrocken mogte weesen, Sig ten eer„ sten na derwaards op weg te begeeven. Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur van wegen de Generaale G'octroijeerde Nederland„ sche Oost- Indische Maat„ schappij ter Custe Cormandel, neevens den Raad te Naga„ patnam Aan Gestr: Den Wel Edelen Meenhaften Heer, Joseph Smith, Brigadier Generaal, Com„ Aangesien den beheerscher deeser Car„ naticasche beneeden Landen sijn Hoog„ heijd den Souba Mahometh Alijchan, en desselvs tweede Soon sijn Excellentie Amiroel Oemra Madarroel Moelk Haphies Mahamadoe moena warchan, die uwel Edele Gestr: Manhafte met desselvs onderhebbende troupen, van wegen de Edele Engelsche Oost- Indische Comp:, als met hem geallieerd sijnde, in het veroveren van het Vorstendom Tansjoer geadsisteerd heeft, tot merkelijke nadeel van alle andere Europeese Natien, die t' seedert lange tijden herwaards gerust in dat Rijk geseeten sijn, en princi„ paal de Hollandsche Maatschappij ons bij derselver brieven door de Am„ bassadeurs Rahieman Alijchan en Padie Chan alhier besteld, op fundament van de alleronreedelijkste en ongefun„ mandant en Chef van de Troupen van de Edele En„ gelsche Oost- Indische Com„ pagnie ter Custe Cormandel, Salut doen; te weeten: meendant, deerdste 377 d'eerdste pretentien met een formeelen oorlog gedreijgd hebben, en 'er niet tee„ genstaande onse daartegens gedaane billijke vertoogen en representatien, mitsgaders de depeche van drie Ambas„ sacteurs na Madraspatnam, om van wegen de Hollandse Comp: aldaar alle saaken met sijn Hoogheijd den souba selvs te reguleeren, 'er door het volk van Sijn Excellentie Madarroel Moelk reeds dadelijke hostiliteijten in 's Comp:s besittingen gepleegd sijn, soo door het geweldadig wegneemen van 'sComp:s vlagge in het Dorp Adiakaman„ galam /:schoon deselve naderhand bij nagt in der stilte weder op haar Edele Limiten nedergesmeeten, en dus terug ge„ bragt is ;:/ als door het binden van 't oor„ nams of teekenen van nieuwe possessie in diverse andere plaatsen de Holland„ se Maatschappij wettig Competeerende, mitsg:s uwel Edele Gestr: Manhafte sig in persoon met desselvs onderhebbende troupen, bij Haar Hoogheedens leeger, onder het gesag van sijn Excellentie Madarroel Moelk, dat in Truwaloer, en dus aan onse limiten geposteerd en ge„ reed staat in 's Comp:s besittingen inte drin„ gen, bevind, alwaar de magt van den Souba soo wel als die van ouwel Edele Gestrenge Manhafte Natie dade„ lijk soo met Manschappen als Canons en verdere ammonitie niet alleen versterkt, maar ook alles aangebragt en klaar ge„ maakt werd, wat tot een formeel beleg van een vesting vereijscht, en sij door uwel Edele Gestr: Manh: dus in haare voorgenomene vijandelijkheeden, teegens de Hollandse Comp:e dadelijk geadsisteerd werden, vermits of schoon de intentie al niet weesen mogt, dat wij egter niet weeten, haar werkelijk met troupen te hel„ pen: Deese Vereeniging met haar Hoog„ heeden, en het dagelijx versterken van uwel Edele Gestr: Manhaftes magt aldaar egter niet anders aangemerkt nog geconsidereerd werden kan, dan om haar in derselver onreedelijke pretentien tee„ gens de hollandsche Maatschappij te on„ der steunen, en ons, des mogelijk te nood„ saaken, daarinne, schoon hoe onwettig te bewilligen, ongeagt nog, dat het een wereld kundige en indisputable saak is, dat sij geen Canons of eenige andere am„ reed monitie 378 monitie, in Europas oorlogtuijg bekomen kan en hebben, of het moet van ouwel Edele Gestrenge Manh: Natie komen, of gekomen sijn; Alle het welke formeel strijdende is, tegens de naauwe vrind- en bondgenootschap tusschen Sijn Groot Brittanische Majesteijt en haar Hoog Mogende de Heeren staaten Gene„ raal der Vrije vereenigde Nederlanden subsisteerende, tegens alle oorlogs gebruij„ ken, Contrarie den inhoud van alle de tractaten en verbonden successive door de beijde Natien aangegaan, en wel in„ sonderheijd tegens het secreet articul van het Tracaat in dato 2/19. februarij 167¾. te Westmunster geslooten, en den 6. febr: 17 13/16. geconfirmeerd, dewelke in het gene„ raal, en het voorsz. articul, dat wij nodig oordeelen, alhier woordelijk te insereeren; Aldus luijdende: Geene der voormelde parthijen sal gedoogd werden, dat geene hunner onderdaanen of inge„ seetenen eenige adsistentie, fa„ veur of Raad direct nog indi„ reet: het sij ter See of te lande, of op eenige Soet water sullen In't bijsonder alle adsistentie, hoe genaamt, aan vijanden van een der beijde Contractan„ ten uijtdruckelijk verbieden, het geen in deesen nog te speciaalder behoord geobser„ veerd te werden, vermits de beijde Natien omtrend het aangeleegen en voornaamste stuk van 's menschen doen en laaten, te weeten; de Suijvere en onbevlekte Gods„ dienst het eens sijn, en eene derselve of de Hollandsche door een Mahomethaanse Vorst aangetast werd, door welk gedoente uwel Edele Gestr: Manh:, en in hem of in de geene, die hem daartoe ordre gegeeven mogte hebben, de gansche Natie„ alle de voorsz. verbonden verbreeken en te niet doen, en door de Mhooren op een diergelijke wijse te adsisteeren, in deese geweesten een openbaare oorlog aanvan„ gen, daar de voorsz. Hooge Souverainen geeven; Ook sullen niet mogen gedoogd werden, dat haar volk den vijand adsisteerd met schee„ pen, Soldaaten, Matroosen, provisien, geld, Oorlogs-am„ monitien, nog met eenige andere dingen, die tot den oorlog dienen Kan. geeven in .
English
To the Right Honourable Alexander Wijnch, President and Governor of Fort St George and the Coast, on behalf of the Royal English East India Company, together with the Council at Madraspatnam. Whereas the ruler of these Carnatic lowlands, His Highness the Subah of Carnatica Mahometh Alijchan, and his second son, His Excellency Amiroel Oemra Madarroel Moelk Haphies Machamadoe moenewarchan, who were assisted by Your Honours in conquering the Principality of Tanjore not only with ammunition and all other munitions of war, to the considerable detriment of all other European nations that have resided in that realm for a long time on the basis of established prerogatives, principally the Dutch Company, have in their letters delivered here by the ambassadors Rahieman Alijchan and Sadiechan threatened us with open war on the grounds of the most unreasonable and unfounded claims; and notwithstanding our equitable representations as well as the dispatch to Madraspatnam of three ambassadors, namely: the gentlemen Philippus Jacobus Dormieux, Willem Blaaukamer, and Hendrik Ambrosius Sohnson, to settle everything with His Highness the Subah on behalf of the Dutch Company, actual hostilities have already been committed by the forces of His Excellency Madarroel Moelk, accompanied by Your Honours' troops, ammunition, and other munitions of war; and the Company's possessions acquired from the conquered Tanjorean Prince by lawful purchase, particularly Naoer, were violently invaded and seized this day, and Their Highnesses' flag was planted there; and they have thus been and continue to be directly assisted by Your Honours in their hostile enterprises, contrary to the close friendship and alliance existing between His Britannic Majesty and Their High Mightinesses the States General of the free United Netherlands, against all customs of war, and contrary to the contents of all the treaties and alliances successively entered into by both nations, and most especially against the secret article of the treaty concluded at Westminster on 9/19 February 1673/4 and confirmed on 6 February 1715/16, which generally, and the aforesaid article that we deem necessary to insert here verbatim, reads as follows: Neither of the aforesaid parties shall permit any of their subjects or inhabitants to give any assistance, favour, or counsel directly or indirectly, whether by sea, by land, or on any fresh waters; nor shall it be permitted that their people assist the enemy with ships, soldiers, sailors, provisions, money, munitions of war, or with any other things that may serve for war. Which expressly forbids in particular all assistance, of whatever nature, to the enemies of either of the two contracting parties, and all the more so from openly allying with their enemies, as has actually occurred in this matter, and against which open protest has also already been made to the Brigadier General of Your Honour's Company's troops on the Coast of Coromandel, Mr Joseph Smith, who designates himself as such in the passes granted by him, and not as being in the pay or service of the Subah; which ought to be observed all the more strictly in this case, as both nations are agreed upon that most vital and paramount matter of human conduct, namely the pure and unblemished religion, and one of them, namely the Dutch, is being attacked by a Mohammedan prince, by which actions Your Honours, and through you the entire Nation, violate and annul all the aforesaid alliances, and by assisting the Moors in such a manner commence an open war in these regions, whilst the aforesaid high Sovereigns in Europe are in full peace and tranquility, and desire nothing other than the sacred observance of the aforementioned agreements: Therefore, we, who constitute the governing body here, in the name and on behalf of Their High Mightinesses the States General of the free United Netherlands, the Noble High Honourable Directors of our Company, and Their High Excellencies the Noble High Indian Government at Batavia, do hereby protest against this in the most emphatic terms, and hold your Honour's Command, or whoever may have authorized him thereto, and through them the entire Nation, directly, fully, and entirely responsible and accountable for all the damage, losses, and all further consequences that have already arisen from this conduct, and may yet result in time, with all that follows and appertains thereto, as being the actual cause thereof, since we know ourselves, and through us the entire Nation, to be blameless in this, nor have we given the slightest provocation for it, but much rather to assist us in such a case as this, for which we still reserve to ourselves the right of requisition by virtue of the aforesaid treaties, and will not fail in the meantime to give the required notification of all this to our Sovereigns. Reijnier van Vlissingen, Governor and Director on behalf of the General Chartered East India Company on the Coast of Coromandel, together with the Council at Nagapatnam. Done in the Castle at Nagapatnam on the Coast of Coromandel in the East Indies, 20 October Anno 1773.
Dutch transcription
379 in Europa in volle rust en vreede sijn, mitsg:s niets anders als de heijlige nakoo„ ming der gemelde overeenkomsten betrag„ ten, soo is 't dat wij die alhier het Li„ chaam der Regeering uijtmaaken, uijt Naam ende van wegen Haar Hoog Moogende de Heeren Staaten Ge„ neraal der vrije vereenigde Nederlan„ den, de Edele Hooge Agtbaare Heeren Bewindhebberen van onse Maatschappij en Haar Hoog Edelens de Edele Hooge Indiase Regeering te Batavia daar teegens bij deesen op het allernadruckelijkste protesteeren, en alle de schade, nadeelen, en alle verdere gevolgen uijt dit gedoente reeds ontstaan, en in der tijd nog te resulteeren, met den gevolge en aankleeve van dien, direct en geheel en al voor reekening en verantwoor„ ding van uwel Edele Gestrenge Manz:, of de geene, die hem daar toe gequalificeerd hebben mogte, en in haar voor die van de gantsche Natie laaten, als daarvan de weesentlijke oorsaak sijnde, vermits wij ons, en in ons de gan„ sche Natie, daaraan onschuldig kennen, en 'er ook de minste aanleijding toe Den Wel Edelen Gestr: Heer, Alexander Wijnch, President en Gouverneur Reijnier van Vlissingen Gouverneur en Directeur van wegen de Generale G'octroijeerde Post Indi„ sche Maatschappij ter Custe Cormandel, nevens den Raad te Nagapatnam Gedaan In't Casteel tot Na„ gapatnam op de Cust Cormandel in Oost Indiën den 20:' October A:o 1773. gegeeven hebben, maar veel meer, om ons in soo een geval, als dit is, te adsisteeren waartoe wij het regt van Sommatie, dan ook uijt kragte der voorsz. verbon„ den voor als nog aan ons reserveeren, en intusschen niet in gebreeke blijven sullen van dit alles aan onse Souverai„ nen de vereijschte kennisse te geeven. gegeeven van Aan 380 Aangesien den beheerscher deeser Car„ natieasche beneeden Landen, Sijn Hoog„ heijd den Souba van Carnatica Mahometh Mijchan en desselvs tweede Soon, Sijn Excellentie Amiroel Oemra Madarroel Moelk Haphies Machamadoe moene warchan, die door guwel Edelens in het veroveren van het Vorstendom Tansjoer niet alleen met ammonitie en alle andere oorlogs-tuijg geadsisteerd sijn, tot mer„ kelijk nadeel van alle andere Europeese Natien, die t' seedert lange tijden Eer„ waards op fundament van gestaafde pre„ rogativen, in dat Rijk geseeten sijn, prin„ cipaal de hollandsche Maatschappij ons bij derselver brieven door de Ambassadeurs Rahieman Alijchan en Sadiechan alhier besteld, uijt hoofde van de aller onreedelijk„ ste en ongefundeerste pretentien, met een formeelen Oorlog gedreijgd, en niet teegenslaan„ de onse billijke vertooningen, mitsg:s de de„ van 't Fort St George, en de Custe, wegens de Coija„ le Engelsche Post- Indische Compagnie, neevens den Raad te Madraspatnam. — peche na Madraspatnam van drie Am„ bassadeurs, te weeten: De Heeren Phi„ lippus Jacobus Dormieux, Willem Blaaukamer, en Hendrik Ambrosius Sohnson, om van wegen de Hollandsche Comp: met sijn Hoogheijd den Souba alles te reguleeren, en door het volk van sijn Excellentie Madarroel Moelk, verseld van uwel Edelens troupen, ammonitie en ander oorlogstuijg, reeds dadelijke vijandelijkheeden gepleegd, en 'sComp:s van den overwonnen Jansjoersen Vorst door wettige koop verkreegene besittingen, insonderheijd Naoer, op een geweldadige wijse op heeden geinvadeerd en weggeno„ men Sijn, mitsg:s Haar Hoogheedens vlagge aldaar geplant is, en Sij dus„ door uwel Edelens in haare vijandelijke projecten dadelijk geadsisteerd sijn, en werden, Contrarie de nauwe vrind= en bondgenoodschap tusschen Sijn Groot Brittannische Majesteijt en Haar Hoog Mogende de Heeren staaten Generaal der vrije vereenigde Neder„ landen subsisteerende, tegens alle Oorlogs gebruijken, Contrarie den inhoud van alle de tractaaten en verbonden, successive door peche 381. door de beijde Natien aangegaan en wel insonderheijd tegens het secreet articul van het tractaat in dato /19. Febr: 167¾. te Westmunster geslooten, en den 6. ' febr: 17 13/16. geconfirmeerd, dewelke in het ge„ neraal, en het voorsz. Articul dat wij nodig oordeelen alhier woordelijk te inse„ reeren; Aldus luijdende. Geene der voormelde parthijen sal gedoogd werden, dat geene hunner onderdaanen of inge„ seetenen eenige adsistentie, fa„ veur of raad direct nog in„ direct, het sij ter Zee, of te lande, of op eenige Soet water Sullen geeven; Ook sullen niet mogen gedoogd werden, dat haar volk den Vijand ad„ sisteerd, met scheepen; soldaaten, Matroosen, provisien, geld, oorlogs-ammonitie, nog met eenige andere dingen, die tot den Oorlog dienen Kan. In't bijsonder alle adsistentie, hoe ge„ naamt, aan vijanden van een der beijde Contractanten uijtdruckelijk verbieden, hoe veel te meer, om sig opentlijk met haare vijanden te allieeren, soo als in deesen dadelijk geschied, en waarteegen aan den Brigadier Generaal van de troupen van uwel Edele Compagnie ter Custe Cormandel, den Heer Joseph Smith, die sig bij sijne verleende pas„ sen als soodanig, en niet als in des Soubas besolding staande of sijnde, benoemd; ook reeds opentlijk geprotesteerd gewor„ den is, alsoo sulx in deesen nog te spe„ ciaalder behoord geobserveerd te werden, vermits de beijde Natien, omtrend het aangeleegen en voornaamste stuk van 'smenschen doen en laaten, te weeten, de Suijvere en onbevlekte Godsdienst het eens sijn en eene derselve, of de hollandsche door een Mahomethaan„ sche Vorst aangetast werd, door welk gedoente vuwel Edelens en in haar de gansche Natie alle de voorsz. verbon„ den verbreeken en te niet doen, en door de Mlooren op een diergelijke wijse te adsisteeren in deese gewesten een open„ baare oorlog aanvangen, daar de voorsz. hooge Souverainen in Europa in volle rust en vreede sijn, mitsg:s niets anders als de heijlige nakoming der ge„ haare melde
English
observe the aforementioned agreements, so it is that we, who here constitute the Body of Government, in the Name and on behalf of Their High Mightinesses the Lords States General of the free United Netherlands, the Noble High Esteemed Lords Directors of our Company, and Their High Excellencies the Noble High Indies Government at Batavia, hereby protest against this in the most emphatic manner, and leave all damages, losses, and all further consequences already arisen from this conduct, and in time still to result, with all that attends and belongs thereto, directly and entirely to the account and responsibility of Your Excellencies, as being the essential cause thereof, since we acknowledge ourselves, and in us the entire Nation, to be innocent thereof, and have not given the slightest cause thereto, but rather much more reason to assist us in such a case as this, to which end we also still reserve to ourselves the right of summons by virtue of the aforesaid treaties, and in the meantime shall not fail to give the required notice of all this to our Sovereigns. Done In the Castle at Nagapatnam on the Coromandel Coast in East India the 21st of October 1773. For even though Your Excellencies might sometimes wish to pretend that those troops of Your Excellencies' Nation who are with His Highness are directly in the pay of the Subah, it is nevertheless firm and certain that he could not have obtained them, any more than the cannons, ammunition, and other European war equipment with which they are seen to be provided, from anyone other than Your Excellencies, and that the same directly conflicts with all the aforementioned so firmly confirmed Contracts of the Sovereigns, and is thus a formal hostile attempt, since, as stated, the aforesaid Brigadier General even explicitly calls himself head and Chief of the troops of Your Excellencies' Company on this Coast, which can and will be of very great consequence in Europe. Was Signed: R:k Van Vlissingen, H: Leembruggen; I: E: G: Haselman; M:s Koning; Corn:s Pietersz., I. Appengh; I:s van Tessel; W:m Duijnevelt and I: D: Simons. Furthermore, the Lord Governor submitted a Project drafted by Captain Lieutenant Christiaan Constantijn Wohlwarth to prevent this City from a formal siege or blockade, in case it should please the Young Nabob to encamp before this place, regarding which His Honour had held several Conferences with him as well as with the Honourable Major Haselman, since the design to entrench at Kiwaloer and thereby cover not only the new, but also the old Lands, was rejected by resolution of the 11th of this month, and had planned what was necessary, as well as tasked the drafting and execution thereof to the said Wohlwarth, the said writing reading as follows: Reflections on what can still, and indeed ought to, be done when the Army of the Nabob actually approaches to encamp before Nagapatnam. 1. When we shut ourselves up in Nagapatnam, we truly surrender the entire environs and the lands held from of old voluntarily to the enemy, without opposing him with as much force as possible; for wishing to harm him afterwards with sallies is a matter of little significance. 2. Let one only consider the extent of the fortification works of the outer city, how one can defend them effectively; let one further consider the true state of the works in an impartial manner, and one will have to admit with me that if the enemy only directs a slight artillery fire upon the places that appear most advantageous to him, the crest of the parapets can easily be shot away, and the rest must follow of itself; while the enemy creates an artillery fire at one or two places and ostensibly seeks to make a breach, he can without much trouble and danger scale the walls at one or two places, or at least this appears to my modest knowledge not to be a difficult matter at all. Even if we have now defended the outer city with all the proven bravery that one can expect of an Officer and soldier, and the city is escalated, what shall we then do further other than retire in the best order to the Castle, or rather the inner city. This now having been done in the best possible manner, it is certainly our duty to defend the covered way; I will suppose that the enemy lets us do this undisturbed, what harm shall we do him? He has the entire front facade of houses at his cover and disposal to make batteries thereof. To prevent this by setting fire to or destroying the houses from the Castle, the enemy will quietly permit, for so much less trouble will he have to carry away the houses, pull them down, and make a battery; it is much easier to form a battery out of the rubble than out of a whole house; besides, when the front row of houses burns, he even has ample time to throw up batteries in the rear, and when the front houses have then collapsed and turned into heaps of rubble, he has gained an unobstructed view thereby just as well as the garrison in the Castle, and then these heaps of rubble serve him as entrenchments and retrenchments.
Dutch transcription
130 382 melde overeenkomsten betragten, soo is 't dat wij, die alhier het Lichaam der Regeering uijtmaaken, uijt Naam ende van wegen Haar Hoog Mogende de Heeren Staaten Generaal der vrije vereenigde Nederlanden, de Edele Hoog Agtbaare Heeren Bewindheb„ beren van onse Maatschappij, en Haar Hoog Edelens de Edele Hooge India„ se Regeering te Batavia daar teegens bij deesen op het allernadruckelijkste protesteeren, en alle de schade, nadeelen en alle verdere gevolgen uijt dit gedoente reeds ontslaan, en in der tijd nog te resul„ teeren, met den gevolge en aankleeve van dien, direct en geheel en al voor ree„ kening en verantwoording van 5uwel Edelens laaten, als daar van de wesent„ lijke oorsaak sijnde, vermits wij ons en in ons, de gansche Natie; daaraan onschuldig kennen, en 'er ook geen de minste aanleijding toe gegeeven hebben, maar veel meer, om ons in soo een geval„ als dit is, te adsisteeren, waartoe wij het regt van sommatie dan ook, uijt kragte der voorsz. verbonden voor als nog aan ons reserveeren, en intusschen Gedaan In't Casteel tot Nagapatnam op de Cust Cormandel niet in gebreeke blijven, sullen, van dit alles aan onse Souverainen de vereijsch„ te kennisse te geeven. Want of schoon uwel Ed:s somtijds mogte willen voorwenden, dat die troupen van uwel Edelens Natie, die sig bij Haar Hoogheedens bevinden, dadelijk in besolding van den Souba Staan, soo is het egter vast en seeker, dat zij desel„ ve al soo min, als Canons, ammonitie en andere Europas oorlogtuijg, waarmeede Te voorsien zien, niet anders dan van uwel Edelens hebben kunnen magtig werden, en dat het selve direct tegens alle de voorsz. soo seer bevestigde Con„ tracten der Souverainen Strijdende, en dus een formeel vijandelijk attentaat is, vermits, gelijk gesegd, voorsz. Bri„ gadier Generaal Sig selfs wel uijt„ druckelijk hoofd en Chef van de trou„ pen van uwel Edelens Comp:e te dee„ ser Custe noemt, het geen in Europa van seer veel Consequentie weesen kan en sal. niet in 383 in Post- Indiën den 21:' October 1773. /:was Geteekend:/ R:k Van Vlissingen, H: Leembruggen; I: E: G: Haselman; M:s Koning. . . . . . . . ; Corn:s Pietersz. , I. Appengh; I:s van Tessel; W„m Duijnevelt en I: D: Simons.— Wijders wierd door den Heer Gouverneur nog overlegd, een door den Capitain Luijte„ nant Christiaan Constantijn Wohlwarth ontworpen Project, om deese Stad voor een formeel beleg of blocquade te verhoeden, ingevalle het den Jongen Nabab gelusten mogte, voor deese plaatse te komen leege„ ven, waar over sijn Edele met denselven Soo wel, als den E. Majoor Haselman t' sedert dat het desseijn, om sig in het Kiwaloerse te verschansen, en daarmeede niet alleen de nieuwe, maar ook de oude Landen te decken, ter resolutie van den 11. deeser afgekeurd was, diverse Confe„ rentien gehouden, en het noodige beraamd, Wanneer wij ons in Nagapatnam op„ sluijten, soo geeven wij immers de geheele en virons en de van ouds beseetene landerijen vrijwillig aan den vijand over, sonder ons met soo veel magt, als mogelijk tegen te setten., want om hem naderhand met uijt„ vallen te willen nadeel toebrengen, is een saak van weijnig bedluijding. Men betragte maar de uijtgestrektheijd „ Overdenking over het geene wat men nog kan, en wel diende te doen, wanneer in der daad het Leeger van den Nabab nadert, om sig voor Nagapatnam te Zee„ geren. mitsgaders het ontwerpen en het uijtvoe„ ren van het selve aan gedagte Wohlfarth opgedragen hadde, Luijdende dat ge„ schrift aldus: mitsgaders van 1. 2: 384 van fortificatie werken van de buijten stads, hoedanig wil men die met nadruk kunnen defendeeren; men betragte ver„ ders de waare gesteldheijd der werken op een onpartijdige wijse, en men sal met mij moeten bekennen, dat soo de vijand maar een gering Certhillerij vuur, op de plaatsen maakt, die hem voordee„ ligst scheijnen, de kruijn van de borstwee„ ringen gemaakelijk afte schieten is, en de rest moet van selfs volgen; Ondertusschen dat de vijand op een of twee plaatsen een arthillerij-vuur maakt, en kwans„ wijse breehe soekt aanteleggen, soo kan hij Sonder veel moeijte en gevaar op een of twee plaatsen, excaladeeren, weenig„ stens schijnt dit mijn naar mijne geringe kennis, in't geheel geen swaare Saak te sijn. Hebben wij ook nu de buijten stad met al 't belijden bravour gedefendeerd, die men van een Officier en soldaat kan pretendeeren, en de stad is besteegen, wat sullen dan verder anders doen, als ons in beste ordre naar het Casteel, of veel meer de binnen stad retireeren. — Dit nu op de best mogelijke wijse ge„ daan sijnde, Soo is 't seekerlijk onse pligt, om de bedekte weg te defendeeren; Ik wil veronderstellen, dat ons de vijand dit gerust doen laate, wat quaad sul„ len wij hem doen? Hij heeft de ge„ heele voorfront van huijsen tot sijne decking en dispositie om batterijen daar van te maaken. zulx daar door te be„ letten, om uijt het Casteel de huijsen in braend te schieten of te vernielen, sal de vijand gerust toelaaten, want soo veel te minder moeijte heeft hij, om de huijsen afte dragen, neder tehaalen, en een bat„ terije uijt te maaken; het is veel ge„ mackelijker uijt de puijnhoopen een bat„ lerije te formeeren, als uijt een geheel huijs, buijten dien, wanneer de voorste reije huijsen brand, heeft hij selfs schoo„ ne tijd, om ten agteren batterijen op„ te werpen, en wanneer de voorste huijsen dan ingestort en in puijn hoopen ver„ wandelt sijn, heeft hij soo wel het ge„ sigt daar door vrijgekreegen, als de beset„ ting in't Casteel, en dan dienen hem deese puijnhoopen tot verschansing en afsnijdingen. Willen 131 Dit
English
385 If we wish to prevent and drive him out of his works by sorties, we cannot attack in such closed ranks, or we must divide ourselves; what consequences will this have if even the slightest disorder arises? As soon as the enemy is first in the outer town and approaches the Castle, one must never assume that he will occupy himself with attacking it in due form through capturing the inner town, constructing high batteries, sapping, or undermining. He has a much shorter path before him, namely to set the Castle on fire, which is very easily done, whether with some bombs or red-hot shot. How long will a man be able to endure, to defend himself in such a small space that is entirely on fire, and what will one then have to expect from the garrison, however brave and willing it may be? It would even be false bravado to stubbornly wish to defend a small space that is in full flame, and runs all the more danger of being turned into a heap of rubble in an instant by the blowing up of the powder magazines, besides which the infantry fire can then be of little help. For wishing to extinguish the fire is but a futile effort, however much trouble one may take; no man can endure in such a confined space during a heavy fire, and the enemy will maintain the fire with all force by throwing bombs and firing red-hot shot. The artillery fire from the rampart will do the enemy little harm in this; and what will follow upon this? Most likely the surrender of the Castle. May it be permitted to me, according to my humble understanding and insight, as a zealous and faithful servant for the welfare of his Lords and Masters, to say what one can still do to give an enemy much work, to make him act cautiously, and to delay matters still with arms in hand, and to save from a more sudden defeat. 386 The environs here of Nagapatnam have a very advantageous location for keeping a Corps outside, so that Nagapatnam is covered. This Corps must be such: 1. that it can move easily, 2. It must consist of troops on whose bravery and willingness one can rely. 3. The Commandant must have carte blanche to choose his camp, to fortify it, to alter it, and to make movements that he sees fit, provided that the main objective, namely the covering of Nagapatnam, is kept in view. 4. This Corps must be maintained with provisions and ammunition from the town, and in case of utmost necessity or for a special detachment, be supported with men. The advantages of such a Corps are these: 1. Nagapatnam is covered against a close blockade. 2. The enemy absolutely must attack this Corps first before he dares to approach Nagapatnam; if this Corps positions itself on advantageous ground and takes art to the aid of nature, the enemy can accomplish nothing; for I also assume the case that he wishes to turn the Corps, he will then receive the artillery fire from the ramparts, and if this Corps must also retreat, it retreats no further than under the cannons; then the enemy has still gained nothing, and if the Commandant understands his trade, he will know well how to take up a forward post again. 3. The enemy must act very cautiously, for as long as this Corps is outside, he can count himself safe neither day nor night from having a trick played on him; for if the Commandant thereof is capable, he will not fail to keep the enemy in fear through all kinds of movements, the true purpose of which he must never be able to discover, and in due time he must also know how to make an enemy feel secure. 4. If the Officer sees in the slightest manner 387 a negligent position or another mistake of the enemy, he will know how to turn it to his advantage and punish him severely for it, or even fall upon him unexpectedly in his best disposition and throw him into disorder. In short, this Corps must act as a free corps; and Nagapatnam can in truth be very much covered thereby. 5. As long as this Corps is outside, the old town or outer town has nothing to fear, and even less the Castle, and the ramparts of the town can always use their cannon with ease and advantage. 6. The entire town is then still at disposal to make all arrangements in case the town should finally fall, for example by barricading all redundant and harmful streets, which is easily done by tearing down the corner houses, and on the contrary by constructing cuts and traverses etc. in those streets which one chooses for a retreat. 7. It provides a special relief for the entire garrison, which is thereby not exhausted by having to stand constantly on the ramparts among the common men and lie under fire; for then only ordinary guards are necessary on the bastions by day and night. Besides this, it will give so much greater courage to the inhabitants, and prompt them to much willing and voluntary service. 8. If this Corps acts only somewhat well and successfully, one indeed delays the matter, whether the rainy season arrives and compels the enemy to abandon his design, or whether in the meantime another enemy approaches the lands of the Nabab and changes the entire theater, or whether news from Batavia via Ceylon, or even reinforcements of men, ammunition, artillery, provisions, etc. arrive. I could adduce further advantages of such a Corps, which always retreats under the ramparts of a town, or rather under the reach of the cannon, and is virtually like a living wall; but I shall pass over all others and only state my opinion on how strong it ought to be.
Dutch transcription
385 Willen wij hem door uijtvallen in sijne werken verhinderen en uijtdreijven, soo kunnen wij niet soo geslooten attaqueeren, of wij moeten ons verdeelen, wat sal dit voor gevolgen hebben, wanneer maar de geringste disordre ontstaat. — Soo. dra de vijand eerst in de buijten stad is, en het Casteel naderd, soo moet men nooijt veronderstellen, dat hij sig daar„ meede sal ophouden, om sulx in forma te willen attaqueeren met verovering van de binnen stad, met aanleggen van berg-bat„ terij, met sappeeren of ondermijnen Hij heeft een veel korter weg voor Sig, nament„ lijk om het Casteel in brand te schieten, welke seer gemackelijk te doen is, 't sij met eenige bommen of gloeijende kogels. Hoe lange sal een mensch het kunnen uijthouden, om in een soo kleen bestek, dat in vollen vuur staat, sig te defendeeren, en wat sal men dan van het guarnisoen hoe braaf en gewillig ook het selve sij te verwagten hebben? 't soude selfs de verkeerde bravour Sijn, om een kleen bestek, dat in volle vlam staat, en door het springen van de kruijtkelders nog T Sij mij gepermitteerd, om na mijn ge„ ring verstand en insigt, als een voor het welvaaren van Sijne Heeren en Mees¬ ters ijverige en trouwe dienaar, het geene te seggen, wat men nog doen kan, om aan een vijand veel werk te geeven, hem voorsigtig te doen han„ delen en de Saaken met de wapens in der hand nog op te houden, en voor een meer gevaar loopt, om in een oogen„ blik in een puijnhoop veranderd te worden, dit nog te willen hartneckig defendeeren, de buijten dien het infanterie vuur dan weijnig helpen Kan. Want om den brand te willen blussen, is maar een vergeefs werk, hoe veele moeijte men ook doen mag, geen mensch kan 't in soo een nauw bestek bij swaare brand uijthouden, en de vijand sal met alle force het vuur onderhouden door werpen van bommen en schieten van gloeijende kogels. Het Airthillerije-vuur van de wal sal den vijand hier inne weijnig nadeel doen; en wat sal 't hier opvolgen ? waarscheijnelijker wijse de overgave van 't Casteel. meer schielijke 4: 386 schielijke nederlage te bewaaren. De environs hier van Nagapatnam heb„ ben een seer voordeelige lage, om buijten een Corps te houden, dat Nagapatnam gedekt word. Dit Corps moet soodanig Sijn 1. dat 't sig ligt beweegen kan, 2: Het moet uijt troupen bestaan, op wel„ kers bravour en gewilligheijd men kan staat maaken. —. 3. De Commandant moet Carte blanche hebben, om sijn Leeger te verkiesen, te bevestigen; te veranderen en mouvements te maaken, die hij goedvind, mits dat het hoofd oogmerk, namentlijk de dek„ king van Nagapatnam in't oog ge„ hoúden worde. 4. Moet dit Corps met provisie en am„ monitie uijt de stad onderhouden, en in hoogsten noodval of tot 't daarvan een bijsonder Corp, met volk ondersteunt worden. De voordeelen van een diergelijken Corps Sijn deese: 1. Is Nagapatnam gedekt voor een nauwe blocquade 2. Moet de vijand volstrekt eerst dit Corps attaqueeren, eer hij Nagapatnam durft naderen; soo dit Corps op een voor„ deelige terrijn sig plaatst, de konst bij de natuur te hulpe neemt, soo kan de vijand niets uijtvoeren; want ik Sette ook den veel, hij wil het Corps tourneeren, soo bekomt hij het Cirthillerij-vuur van de wallen, en moet dit Corps ook retiree„ ren „ soo retireert 't niet verder, als onder de Canons, dan heeft de vijand nog niets gewonnen, soo de Commandant sijn metie verstaat, sal hij wel weeten weeder voorwaards post te vatten. 3. Moet de vijand seer voorsigtig ageeren, want so lange als dit Corps buijten is, kan hij nog dag of nagt sig in seeker„ heijd reekenen, dat hem niet een streek gespeelt worde; Want als de Commandant daar van habil is, sal hij niet nalaaten, om den vijand in vreese te houden, door aller hande beweegins, waarvan hij nooijt het waare oogmerk moet kunnen ont„ decken, en t' sijner tijd moet hij ook. weeten, om een vijand seeker te maaken. 4. Ziet de Officier in geringsten maar nauwe een 6: 7 387 een nalatige stelling, off een andere fout van den vijand, sal hij se sig weeten te nut te maaken, en hem gevoelig daar voor straffen, of hem ook in sijne beste dis„ positie onverwagts op het Lijf vallen, en in disordre brengen. kort, dit Corps moet ageeren als een vrij Corps; en Nagapatnam kan in waarheijd daardoor seer gedekt sijn; 5. soo lange als dit Corps buijten is, heeft de oude stad of buijten stad niets te vree„ sen, en nog minder het Casteel en de wal„ len van de stad kunnen altoos haar Ca„ non met gemaak en voordeel gebruijken. 6. De geheele stad is dan nog tot disposi„ tie, om alle schikkingen te kunnen maa„ ken, ingevalle de stad ook eijndelijk overging, b. C. met versperrene van al„ le overvloedige en schadelijke straaten, welk ligt gedaan is door nederhaalen der hoekhuijsen en in tegendeel met aan„ leggen van afsneijdingen en traversen etc: in de geene straaten, welke men tot retirade verkiest. — 7. Geeft 't een bijsonder Soulagement voor de geheele besetting, welke daar door niet afgemat word, om geduurig op de wallen onder 't gemeen te moeten staan, en in vuur te leggen; want dan sijn maar bij dag en nagt ordinaire wagten, op de bastions nodig. Buijten dien sal 't ook een soo veel te grootere moed aan de Jngeseetene geeven, en haar tot veel gewilligd en vrijwillige diensten aansetten. 8. Zo dit Corps maar eenigsints wel en geluckig ageert, houd men in der daad de saake op, 't Sij nu dat de reegentijd aankome en den vijand nodige sijn des„ seijn vaaren te laaten, of 't sij, dat onder de tijd een andere vijand sig de lan„ den van den Nabab nadere; en het geheele theater verandere, of dat narigten van Batavia over Ceijlon, of selfs nog verster„ king van volk, ammonitie, arthillerij, provisie etc: arriveere. Ik Soude nog verdere voordeelen kunnen aanvoeren van een diergelijken Corps, welke altoos onder de wallen van een stad of veel meer onder het bereijk van het Canon te rug trekken, en ge„ noegsaam als een Leevendige muur is, maar ik sal alle andere overslaan en alleenig mijn gevoelen seggen, hoe sterk het selve diend te Sijn. wallen Ik
English
388 I calculate 150 to 180 European volunteers or selected men. 300 Javanese. 150 Good Sepoys 600 to 680 men, or at most up to 700, primary plan, with four field pieces of 3, 2, and 1 lb., and 18 Artillerymen; when I now calculate according to the latest roll of the militia from here, it amounted to 1741 men, corporals and privates; of which must go 681 ditto on detachment, so that still 1060 men remained. These have now, over the past eight days, been increased by 100 Javanese from Ceylon, so that now 1160 men are in garrison; presumably, however, all outposts will be withdrawn when the enemy army approaches this city, consequently the garrison is thereby reinforced, and then, according to my plan, no more troops will camp outside than have already been stationed on detachment; only this corps needs to be formed in good time, and immediately occupy one of the most favorably situated terrains; this corps can even serve to surprise the Nabob on his advance The detachment must consist of Europeans Commandant. 1. Officers, and 1 Adjutant 8. Sergeants 6. Corporals. 7. Surgeon with the necessary bandaging materials. 1. 3 Drummers. 1 Fife player 160 privates, volunteers or selected men, or an entire company augmented to that strength. 184 men, European Infantry. Draft of requirements for forming a light or free corps, to operate outside Nagapatnam and thereby cover the city against escalade or other surprise attacks. at night or at another favorable opportunity, or to place itself in an ambush and even attack him on the march, etc.; but everything that pertains to the cannons and further equipment ought to be made ready for this now. Artillery 133 389 Artillery Common cartridges 1 Bombardier. 11 Gunners. 16 Mattrosses. 21 men, Artillery, volunteers or selected men Native Militia 350 Easterners; namely 300 to engage in action, and 50 for picket duties, though with their full arms and cartridges. These must be volunteers, or, if necessary, drafted. I have had experience with that in Ceylon, of what service such people are. For Easterners, I would choose the Company of Mundu, which is to be augmented to the required number. 114 Sepoys, or the Company of Mahometh Chan, which altogether amounts to: 184 men, European Infantry 350 Easterners 114 Sepoys 648 men and 21 Artillery 669 men, among whom 50 men ditto Buyut, ditto Keping are calculated for carrying ammunition, for transport of cannons, etc., for which coolies would otherwise have to be used, upon whom one cannot rely, but certainly upon the Javanese, who only need to receive a somewhat considerable gratuity to encourage them, which will cause little expense for the Company, because the coolies must be paid and fed anyway, and what one can do with 50 Javanese, one cannot do with 100 ordinary coolies; besides that, the Javanese are at the same time their own escort, etc. The detachment must have For every European corporal and private upon marching out, 3 bundles of cartridges. For every native soldier, corporal and private upon marching out, 2 bundles of cartridges; which amounts to 1472 bundles For reserve in barrels or chests, 500 ditto For wastage, for the Artillery and sergeants... 60 ditto 2032 bundles of cartridges under 2. ge . 390 Artillery Ammunition for Artillery Further requirements of tools, etc. under the assumption that, in case of deficiency, some can be obtained daily from the city. 4 Cannons of 3 lb., all four, or at least 2 of 3 lb. and 2 of 2 or also 1 lb. as can be managed. 2 small mortars of 4 inches to 5 at most, or instead 1 medium howitzer. 50 round shot for each cannon makes 200 ditto 50 grape shot for ditto ditto 200 ditto 100 filled paper cartridges 400 ditto if there are mortars or 1 howitzer: 40 shells for each, and... 80 shells 40 filled paper cartridges 8 quickmatches for each cannon, 32 quickmatches 60 hand grenades, which must first be tested; all tools belonging to a cannon, such as sponge, priming iron, handspikes, etc., not calculated here. 150 to 200 pitch rings 4 packets of match cord 12 large rockets for making signals at night. 1200 gunflints, 2 for each man, besides those they already have. Also For each cannon 6 spare paper cartridges for replacing defective ones 1 small barrel of powder of 50 lb. And if possible, it would be very useful to take along: 250 loose sandbags of coarse but dense linen, 2½ long and 2 feet wide. /signed:/ C: C: Wohlfarth. Thus, after resumption of the same, and the 600 venting wire needles, one for each man: 6 large wad hooks. 4 medium tarpaulins. 3 horn lanterns. 12 spiking nails of various sorts for cannons 6 large axes, 12 hand axes. 12 klewangs 4 shovels. 6 enxadas NB. All tools are transported with the cannons under the responsibility of the Artillery; 600 there
Dutch transcription
388 Ik reekene 150. tot 180 Europeesen vrijwillige of uijtgesogte. 300. Javanen. 150. Goede Sipaijs 600. tot 680. koppen of hoogstens tot 700. primo plan, met vier veld stukjes, van 3, 2. en 1. lb. en 18. Arthillaristen; als ik nu reeken na den laaste staat der militie van hier, soo was deselve 1741. Koppen, Corporaal en gemeene; daar van moeten 681. _:o op Commando, so dat nog 1060. Koppen overbleeven Deese sijn nu sedert agt dagen vermeerderd met 100 Iavanen van Ceijlon, so dat nu 1160. koppen in guarnisoen sijn, denkelijk sullen dog alle posteeringen ingetrocken worden, als het vijandelijke Leeger deese Stad naderd, gevolgelijk is daar door het Guarnisoen ver„ sterkt, en dan Campeeren volgens mijn pro„ ject niet meer troupen buijten, als reeds op Commando geleegen hebben, all eenig diend dit Corps bij tijds nu geformeerd te worden, en direct een der beste gelegenste terrijns te betrecken, selvs kan dit Corps daar toe dienen, om den Nabab in sijn aanmarsch Het Detachement moet bestaan Europeesen Commandant. 1. Officieren, en 1. Adjudant= P. sergeants 6. Corporaals. 7. Chirurgijn met het nodige tot verband. 1. B. tamboers. 1. fluijter 160. gemeene vrijwillige of uijtgetrocken volk, of een heele Comp:e tot soo sterk geaugmenteerd. 184. Koppen Europeese Jnfanterie: Ontwerp van benodigtheeden, tot formeeren van een ligt of vrij Corps, om buijten Nagapat„ nam te ageeren en daar door de stad voor Escalade of an„ dere Surprise te decken. bij nagt of bij andere gunstige geleegendheijd te overvallen, of sig in een buscade te leggen en hem in marsch selvs te attaqueeren etc: maar 't dliend nu allen daartoe reeds in gereed„ heijd gebragt te worden, wat tot de Canons en verdere uijtrusting behoord. bij Arthil 133 389 Arthillerij Gemeene petroonen 1: bombardier. 11. Canoniers. 16. handlangers. 21. koppen Cirthillerij vrijwillige of uijtgetrocken Inlandse Militie 350. Oosterlingen; als 300. tot ageeren, en 50. tot pikkelen, egter met haare volle geween en patroonen. Dit moeten vrijwillige sijn, of des noods gecommandeerd. Ik hebbe daarvan ondervinding op Ceijlon gehad, van wat dienst diergelijke volk is. — Tot Oosterlingen soude ik verkiesen de Compe van Moendoe, welke g'augmenteerd worden tot het ver„ eijschte getal. 114. sipaijs, of de Comp: van Mahometh Chan, welke te saamen bedraagt; 184. koppen Europeese infanterie 350. Oosterlingen 114. Sipaijs 648: Koppen en 21. Arthillerij „ 669. Koppen, daar onder dan 50. man _:o „ Boejoet, _:o „ Kepping gereekend sijn tot dragen van am„ monitie, tot transport van Canons etc. en waartoe dog Coelijs moesten sijn, op welke men geen staat kan maa„ ken, maar wel op de Javaanen, — welke alleenig een wat aansienlijk douceur moeten genieten, om se te animeeren, welke weijnig kosten voor de Comp: sal maaken, want de Coelijs moeten dog betaald en g'alimenteerd worden, en wat men met 50. Javanen doen kan, kan men met 100. ordinaire Coelijs niet doen, buijten dien sijn de Ja„ vanen teffens haar eijgen bedek„ king etc: Het Detachement moet hebben Voor ieder Europees Corporaal en gemeene tot uijtmarsch 3. bossen patroonen. - Voor ieder Inlandse Soldaat Corporaal en gemeene tot uijtmarch 2. bossen patroonen; welke bedraagd. 1472. bossen tot voorraad in vaatjes of kistjes. 500. _. o Voor breeken, voor de Oirthil„ lerij en sergeants. . . 2032. bes:s patr: onder 2. ge . 60. _. o 390 Arthillerij Ammonitie tot Arthillerij Verdere benodigdhee„ den van gereedschap„ —pen etc: onder veronderstelling, dat bij manque„ ment dagelijx welke uijt de stad te be„ komen sijn. — 4. Canons â 3. lb. alle vier of weijnigstens 2. â 3. lb. en 2. „ 2. of ook 1. lb. zoo z' sijn kan. 2. kleene mortiers van 4. duijm tot 5. hoogstens, of in plaats 1. middelmatige haubits. — 50. kogels tot ieder Canon maakt 200. d„os 50. druijven „ _:o _:o „ 200. _. o 100. gevulde Cardoesen „ 400. _. o zoo 'er mortiers sijn of 1. haubits. — 40. grenaden voor ieder en. . . 80. grenaden 40. gevulde Cardoesen 8. Zunders tot ieder Canon 32. Zunders 60. handgranaden, welke eerst geprobeerd moeten worden, alle tot een Canon behooren„ de gereedschappen, van wisser, Letter, handspaaken etc: hier niet gereekend. 150. tot 200. pik kransen 4. pacquets Lont 12. groote ragoetten tot doen van seijns bij nagt. 1200. Vuursteenen, 2. voor ieder man, buijten die ze reets hebben. Nog Voor ieder Canon 6. losse Cardoesen tot verbeeteren van slegte 1. Vaartje kruijt â 50. lb. En soo het sijn kan, was het seer nuttig om meede te voeren. 250. losse Zandsacken van grof maar digt linnen van 2½. lang en 2. voet breet. /:was Geteekend:/ C: C: Wohlfarth. Soo is naar resumptie derselve en de 600. ruijmnaalden ieder man Een: 6. Groote Kretsers. 4. middelmatige. presennings. 3. hoorne Lanthaarnen. 12. vernagel speijkers in soort tot Canons 6. groote beijlen, 12. handbeijlen. 12. kleewangs 4. schoppe. 6. Inchiados NB. alle gereedschappen vaaren bij de Canons onder verantwoording van de Arthillerij; 600 daar
English
39 the representations made therein and reasoned matters resting on very good grounds having been presented, tending to the defense and preservation of this place and the Company's valuable effects, it was unanimously approved and agreed to have the same put into execution, and to entrust to him the command over that corps as proposed by him, as well as to have them march out this very day with all that is already in stock of the required items, and to have what is lacking prepared at once and successively supplemented, as well as to give notice of this decision to the aforementioned officers stationed at Chikel, and to order that, as soon as required by the said Wohlparth, the company of Captains Moendoe and Kepping be detached to him. And whereas by the aforementioned detachment and arrangement made for the defense of this place, the officers on hand are not sufficient to manage everything in proper order and maintain good discipline, as well as properly man the posts, wherefore the appointment of some new officers has been judged to be of the highest necessity: Thus it has been agreed to appoint among the Ceylon troops as Captain-Lieutenant under the company of Captain Wohlfarth the Lieutenant Jan Fredrik Maus; as Lieutenant in his place, the Ensign Johan Willem Wehrman; and as Ensigns the Under-Adjutant Frans Sigfried Werner van Wulfen, the Sergeants Jan Hendrik Trip, Johan Hendrik Kornman, and Fredrik Raijt; and as Adjutant the Sergeant 392 Johan Wilhelm Tulmbeek; as well as among the garrison here as Ensigns the Adjutant Pieter Smith, the Sergeants Hendrik Willem Arnoud and Michiel Toorn; and as Adjutants the Sergeants Jan Pagoes and Adolph Zehl; all subject to the favorable approval of Their High Nobilities the Noble High Indian Government at Batavia. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam, date as above. /: Signed :/ As before. The commissioned members of this assembly, Jacob van Tessel and Joan Daniel Simons, having been sent to Naoer pursuant to yesterday's resolution at the express desire of the young Nawab Madarroel Moelk, Council of Policy Absent: The Merchant and Fiscal Marthinus Koning, due to illness. The Merchant, Trade Bookkeeper, and First Warehouse Master Hendrik Ambrosius Johnson, on commission to Madraspatnam. The Merchant, Adigar, and Mint Master Cornelis Pietersz. also, through indisposition. Friday, the 22nd of October 1773, in the forenoon at eleven o'clock. 393 in order to hear what His Excellency had to say or propose; having just delivered the report of their experiences and what further transpired between His Excellency and them concerning the claims formed by that regent regarding the purchase of the new lands; the same was presented by the Honorable Governor and, subsequently being read, was found to be of the following content: Report made to the Right Honorable and Stern Sir Reijnier Van Vlissingen, Governor and Director of this Coromandel Coast with its dependencies, alongside the Council at Nagapatnam, by the commissioned members from the same, Jacob van Tessel and Joan Daniel Simons, on their embassy to His Excellency the Lord Amiroel Oemra Madaroel Moelk Haphies Machamadoe Moenewarchan Bahadoer, second son of the Subah of the Carnatic, His Highness Mahometh Alijchan, and Conqueror of the Principality of Tanjore, at his desire to meet him at Naoer, where he had penetrated with his entire army. Right Honorable and Stern Sir and Gentlemen, Pursuant to the commission conferred upon us by Your Right Honorable by resolution of today, we departed from here this afternoon at half past four o'clock, assisted by the Company's 394 Brahmin Wengeta Souberaijer Aijen and the Persian writer Sijboedien, and accompanied by a corporal and 6 common sepoys, and arrived past half past five at Naoer in the army of His Excellency mentioned in the heading of this document, where his tent was immediately assigned to us as an abode by one of his grandees named Alijna Waschan, in which we remained seated until past half past seven o'clock, since His Excellency, as we were told, was in the temple to pray; whereupon we were invited by two envoys named Padiechan and Rahieman Alijchan /alias:/ Goelamalijchan, with the compliments of His Excellency, to appear before him in a truwasel standing outside the village next to a tank and commonly called Tangatje truwasel; and having proceeded thither in their company, we were received at the outer door of that building, which was surrounded with palmyra trees and in the perimeter of which sepoys were posted who paid us all the honors customary after sunset, by an English gentleman who also came inside and remained present during the negotiation, having pen, ink, and paper beside him, the door of the audience room being occupied by two horsemen as sentries. This truwasel is arranged inside just like the Malabar houses, His Excellency being seated in the courtyard on one side, which is not built up with rooms like the other but is open and called a coerom, on a wide square mattress with two large cushions behind his back, being continually fanned by three persons, and having some small cushions with him which he constantly moved and also placed under his hands and arms to lean upon; white linen was spread across the entire room, as well as on the pial under the lean-to roof opposite, and on it sat to his left the aforementioned Alijna Waschan and Goelam Alijchan.
Dutch transcription
39 daar bij gedaane voorstellingen, en beredeneerde saaken op seer goede gronden steunende, te vooren gekomen weesende, streckende tot defensie en be„ houd van deese plaatse en 's Comp:s dierbaa„ re Effecten met eenparigheijd van stemmen Goedgevonden en verstaan, het selve ter uijtvoer te laaten brengen, en hem het Commando over dat Corps, soodanig als door hem geproponeerd is, op te dragen, mitsg:s heeden selfs te laaten uijttrecken, met al het geen van het gerequireerde door denselven reeds in voorraad is, en het ontbreekende ten eersten in gereedheijd te laaten brengen en successive supplee„ ren, mitsgaders van dit besluijt de voormelde op Chikel posteerende Officieren kennisse te geeven, en te gelasten, dat soo dra door gedagte Wohlparth gere„ quireerd wierde, de Compagnie van de Capitains Moendoe en Kepping na den„ selven te detacheeren. En dewijl door het voormeld detache„ ment en gemaakte schicking tot defensie deeser plaatse de aan handen weesende Officieren, niet toereijkende sijn, om alles in een behoorlijke ordre te beheeren, en goede Discipline te houden, mitsgaders de posten naar behooren te besetten, dier„ halven het van de hoogste noodsaake„ lijkheijd geoordeeld is, de aanstelling eenige nieuwe Officieren: Soo is verstaan onder de Ceijlonse troupen tot Capitain Luijtenant onder de Compagnie van Cae„ pitain Wehlfarth aantestellen den Luijtenant Jan Fredrik Maus, tot Luijtenant in sijn plaats, den Ven„ drig Johan Willem Wehrman, en tot Vendrigs den onder Adjudant Trans Sigfried Werner van Wulfen, de Sergeants Ian Hendrik Trip, Iohan Hendrik Kornman en Fredrik selven, Raijt 392 Raijt, en tot Adjudant den Sergeant Johan Wilhelm Tulmbeek, mitsgaders onder het guarnieoen alhier tot Ven„ drigs den Adjudant Pieter Smith, de sergeanten Hendrik Willem Arnoud en Michiel Toorn, en tot Adjudanten de sergeanten Jan Pagoes en Adolph Zehl, alles op de gunstige approbatie van Haar Hoog Edelens de Edele Hooge Indiasche Regeering te Batavia. Aldus Gedaan en Gearresteerd In't Casteel tot Nagapatnam Dato voor„ schreeven /: Geteekend:/ Als Vooren. De Gecommitteerde Leeden dee„ ser Vergadering Jacob van Tessel en Ioan Daniel Simons ingevolge het besluijt van gisteren, op de expresse begeerte van den Jongen Nabab Ma„ darroel Moelk naar Naoer geson„ Vergadering van Politie Demptis Den Koopman en Fiscaal Marthinus Koning, mits siekte Den Koopman, Negotie-Boekhouder en Eerste Packhuijs-meester, Hendrik Ambrosius Johnson, in Commissie na Madrasp„m en Den Koopman, Adigaar en Muntmeester Cornelis Pietersz. meede, door indispositie Vrijdag den 22:' October 1773. des voormiddags te Elf uuren Vrijdag den 135 393 den sijnde, ten eijnde te verneemen, wat sijn Excellentie te seggen of voor te dragen hadde; soo even het rapport hunner wedervaaren en het verder voorge„ vallene tusschen Sijn Excellentie en haar, nopens de door dien regent ge„ formeerde pretentien omtrend den koop der nieuwe Landen; overgegeeven heb„ bende, wierd het selve door den Heer Gouverneur overgelegd en vervolgens geleesen sijnde, van de volgende inhoude bevonden: Rapport, Gedaan aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Reijnier Van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deeser Custe Cormandel, met den resorte van dien, neevens den Raad te Na„ gapatnam, door de Gecom„ mitteerde Leeden uijt desel„ In gevolge de Commissie door ouwel Edele Gestrenge bij resolutie van heeden aan, ons gedefereerd; sijn wij deesen agtermiddag, geadsisteerd van Wel Edele Gestrenge Heer, en Heeren ve Jacob van Pessel en Joan Daniel Simons in haare besending aan Sijn Excellentie Den Heer Amiroel Oemra Mada„ roel Moelk Haphies Machamadoe moene warchan Bahadoer, twee de Soon van den Souba van Carnatica sijn Hoog„ heijd Mahometh Alij„ chan, en Overwinnaar van het Vorstendom Tans¬ joer, op sijne begeerte om hem op Naoer, alwaar hij met sijn gansche lee„ ger ingedrongen was, te Komen ontmoeten. ve 's Comp:s 394 's Comp:s bramine Wengeta Souberaijer Aijen, en den Persiaans schrijver Sij„ boedien, en begeleijd van een Corporaal en 6. gemeene Sipaijs, om half Vijf uuren van hier vertrocken, en over half Ses te Naoer in't Leeger van sijn Excellentie in den hoofde deeses gemeld aangekomen, alwaar ons door iemand Sijner Grooten in naame Alijna waschan aanstonds desselvs tent tot verblijf aangeweesen wierd, in dewelke wij dan ook tot over half seeven guuren bleeven sitten, vermits sijn Excellentie, soo als men ons seijde in de Tempel was, om te bidden, wan„ neer wij door twee gesanten in naamen Padiechan en Rahieman Alijchan, /alias:/ Goelamalijchan onder het afleg„ gen van Sijn Excellenties Compliment g'inviteerd wierden, voor hem in een truwasel buijten het dorp naast een tank staande, en in de wandeling Tangatje truwasel genaamt te ver„ verschijnen, en ons in geselschap van haar derwaarts begeeven hebbende, aan de buijten deur van dat gebouw, het welk met palmeeren om set was, en in welkers omtrek Sipaijs geposteerd stonden, die ons alle het honneur na sons ondergang gebruijkelijk bewee„ sen, gerecipieerd door Een Engelsch heer, die ook meede binnen quam, en geduurende de onderhandeling present bleef, mitsg:s pen, Jnkt, en papier naast sig hadde, sijnde de deur van het vertrek der audientie door twee ruijters als schild-wagten beset. Deese truwasel is van binnen eeven sodanig ingerigt, als de mallabaarse huijsen, Sijnde sijn Excellentie in de plaats aan de eene zeijde, die niet gelijk de andere met Kamers bebouwd, maar open is, en Coerom genaamt werd op een breede vierkante bul„ sak geseeten, met twee groote kussens agter sijn rug, wordende Continueel door drie persoonen gewaaijd, en eenige kleijne ditos bij sig, die hij geduurig beweegde en ook onder sijn handen en armen leij„ dede, om daar op te leunen, over het gansche vertrek lag wit Lijwaat ge„ spreijd, soo meede op de piaal onder het afdak daar teegens aan, en op deselve saaten aan sijn linkerhand den voorm: Alijna waschan en Goelam Alijchan„ in en
English
395 and beside him the Company's Brahmin Wengeta Soubaraijer Ciijen, as well as on his right hand the aforementioned Sadiechan, and very far behind him, so to speak in a corner, the Persian writer Sijboedien. His Excellency is a person of moderate height and somewhat stout, yellowish of complexion, reasonably friendly in glance, and very pockmarked. After we had properly greeted His Excellency and offered 11 pagodas as a nazr, he immediately assigned us, and the aforementioned Englishman, seats directly in front of him outside the awning, where three chairs stood placed, whereupon we sat in such a manner that the Englishman sat on our left hand next to the veranda, and thus close to Sadiechan. After everything had been arranged in this manner, His Excellency asked in Persian, which was translated by Goelamalijchan into Malabar, and by the Company's Brahmin from the latter language into Portuguese, after the well-being of the Right Honorable Governor, the Council, and ourselves, which we answered with similar compliments on behalf of the Right Honorable and the members, as well as for ourselves; and having paid a similar reciprocal courtesy toward His Excellency, he said of his own accord, without having been asked by us, that the aforementioned Englishman was a writer on behalf of his nation, and that he had to be present at the conference to hear what was being negotiated; further desiring to know what the intention of our mission entailed, and over what matters we had actually come to him. To which we replied that since His Excellency had not only spoken to the military captain stationed at Naoer, but had also written by letter, that he desired that two deputies from the Council should be sent to him, we had therefore appeared there to hear what His Excellency's desire was, with the request that he would please state the same. 396 After the friendship that had always existed from ancient times between the Subah his father and the Honorable Company had first been extolled very highly by him, and spoken of at great length, in order to show and reproach in a covert manner what favors Their Honors had enjoyed from his lord father, and the obligation that thereby lay upon Their Honors in his regard, he then said that he would first speak of the matters relating to the Captain who had been stationed there, and would thereafter proceed to the essential points. Indicating with regard to the first that the said Captain was a very good man, who had properly looked after the Company's affairs there and had also given him satisfaction, and that he had been requested by the same to make this known in such manner; whereupon we expressed by way of a compliment that we were also very pleased that this officer had satisfied His Excellency, and at the same time had properly looked after the affairs of the Honorable Company. His Excellency then continued with regard to this subject, saying that a writing had been handed to him by that military officer, both in Dutch and Persian, containing that the new lands belonging to the Dutch Company were being ruined by the invasion of the same by His Excellency with his army, leaving the consequences arising therefrom to his account and responsibility, over which he at the same time expressed his astonishment, indicating that he could not understand in what manner those lands had come into the ownership of the Honorable Company; likewise over the protest itself, in which regard he told us that he was the lawful lord of this region, and thus not obliged to give any reckoning or account of his actions to anyone; whereupon we replied that that which had been done by the Honorable Company in relation to the purchase of the new lands stood described and treated at large in the letter on this subject to His Excellency.
Dutch transcription
395 en naast deselve 'sComp:s bramine Wen„ geta Soubaraijer Ciijen, mitsg:s aan sijn regter hand voormelde Sadiechan en seer verre agter denselven, om soo te spreeken in een hoek den Persiaans schrijver Sijboedien. — zijn Excellentie is een persoon mid„ del matig hoog en wat geset, geelagtig van Couleur, reedelijk vriendelijk van opslag en seer pokdalig. Na dat wij sijn Excellentie behoor„ lijk gegroet, en 11. pag: tot een Ligt„ gift aangebooden hadden, heeft hij ons, en den voorsz. Engelsman, aanstonds regt voor hem buijten het afdak, alwaar drie stoelen geplaatst stonden, sit plaats aangeweesen, wanneer wij soodanig Saaten dat den Engelsman aan onse linker„ hand naast de piaal, en dus digt bij Padiechan Pat. Na dat alles in deeser voegen gere„ guleerd was, vroeg sijn Excell: in't persiaans, dat door Goelamalijchan in het mallabaars, en door 's Comp:s bra„ mine uijt de laastgemelde taal in het portugeesch vertolkt wierd, na de welstand van den wel Edelen Gestren„ gen Heer Gouverneur, den Raad en ons, het welk wij met gelijke Complimen„ ten uijt naam van sijn wel Edele Ge„ strengen, en de Leeden, mitsg:s voor ons selve beantwoord, en een gelijk Contra pligtpleeging omtrend sijn Excellentie gemaakt hebbende, seijde hij uijt sig selfs, sonder 'er door ons na gevraagd te sijn, dat den voormelden Engelsman een schrijver van weegens Sijne Natie was, en dat denselven in de Conferentie teegenswoordig weesen moest, om te hooren, wat 'er verhandeld wierd; begeerende voorts te weeten, wat de intentie onser sending behelfde, en over wat saaken wij eijgent„ lijk bij hem gekomen waren, op het wel„ ke wij diende, dat vermits sijn Excellen„ tie teegens den op Naoer geplaatst geweest sijnde Militairen Capitain niet alleen gesegd, maar bij brieve ook ge„ schreeven hadde, dat hij begeerde, als dat 'er twee Gecommitteerdens uijt den Raad aan hem gesonden werden soude, wij dierhalven aldaar verscheenen waren, om aante hooren, wat van sijn Excellen„ ties begeerte was, met versoek, dat hij het selve geliefde opte geeven. gen - Na 396 Na dat dan door hem voor af de vrindschap, die van oude tijelen af, altoos tusschen den Souba Sijn Vader, en D' E. Comp: gesubsisteerd hadde, seer hoog op„ gevijseld en breedvoerig daarover ge„ sprooken was, ten eijnde op een bedek„ te wijse aantetoonen en te verwijten, welke gunsten haar Edele van sijn Heer Vader genoot, ende verpligting die daar door ten sijnen opsigte op haar Edele lag, seijde hij vervolgens, eerst de saaken die betrecking tot den al„ daar geposteerd geweest sijnde Capitain scheerken hadden zeggen en daarna tot het essentieel overgaan Soude. — Geevende nopens het eerste te kennen, als dat gemelde Capitain een seer goed man was, die 'sComp:s saaken aldaar na behoo„ ren waargenomen en hem teffens ook genoegen toegebragt hadde, en dat hij door denselven versogt was, sulx sodanig te kennen te geeven, waarop wij bij wijse van een Compliment betuijgde, meede seer Content te sijn, dat dien Officier sijn Excellentie voldaan, en de Saaken der E. Comp: te gelijk na behooren gade ge„ slagen hadde. — zijn Excellentie vervolgde toen nopens dit Sujet, als dat hem door dien krijgsman een geschrift, soo in't hollands als Persiaans overhandigd was, inhou„ dende, als dat de nieuwe Landen toe„ behoorende aan de Hollandsche Comp: door de invadeering derselve van sijn Excellentie met desselvs leeger g'ruineerd wierden, met laating van de gevolgen daar uijt te ontslaan, voor sijne reeke„ ning en verantwoording, over het welke hij teffens sijne verwondering betuijgde, onder te kennen geeving, dat hij niet be„ grijpen konde, op wat manier, die lan„ den in eijgendom aan D' E. Maatschap„ pij gekomen waren; Soo meede over het protest selve, ten welken opsigte hij ons zeijde, wettige Heer van deese Landstreek, en dus niet gehouden te sijn, aan iemand eenige Reekenschap of verantwoording van sijn doen en laaten te geeven; Waarop door ons gediend wierd, als dat het geene door d' E. Comp: met relatie tot de koop der nieuwe landen verrigt was, breed„ voerig beschreeven en verhandeld stond, bij de brief over dit Sujet aan Sijn Sijn 1
English
written to His Excellency's father the Souba, of which a copy had been sent to him for his perusal, and also that it was an indisputable duty of the Company's servants to submit a protest in cases such as this, in order to be able to justify themselves before their Lords and Masters; while further making known by way of a compliment that His Excellency should not consider that one had thereby sought to show him any disrespect, but that this had taken place solely because one assumed that regarding this affair one was to deal with the Souba and with no one else, on which account. His Excellency, without expressing himself further regarding the protest, indicated concerning the second point, or the essential matter itself, that his father the Souba had sent him to settle all matters belonging to the Principality of Tansjoer on an equitable and regulated footing, and that he had arrived at Truwaloer in the firm expectation that Commissioners would have been sent thither on behalf of the Honorable Company to treat with him in a friendly manner, but that this had not occurred, nor had the matters been settled with his two ambassadors sent from there to the Government, named Rahieman Alijchan (being the well-known Goelam Alijchan) and Padiechan; whereupon we demonstrated to him that, since Commissioners had already been sent directly to his father the Souba to negotiate with him about everything, and that just as they settled the matters with His Highness, one would be very satisfied therewith, the Government had therefore judged it unnecessary, indeed itself unauthorized, while those negotiations were pending, to address anyone else regarding the matters relative thereto, as this would serve to show disrespect to the Souba; His Excellency expressed his contentment with this our demonstration, and specifically because, as he slyly expressed it, the Honorable Company awaited the decision of his father, or to explain it clearly, submitted itself thereto, but at the same time said in an arrogant manner that since he had been sent to conclude and regulate everything, as his father's letter showed, one must therefore consider well to whom one thereby brought and showed disrespect, meaning thereby the Souba, who had authorized him to settle the matters; which was refuted by us by saying that as soon as the capital Tensjoer was conquered, letters of congratulation were immediately sent to His Highness the Souba as well as to His Excellency, and notice having been given at the same time that Commissioners were to be dispatched to the Souba; that matter therefore could not subsequently be properly altered, nor could that embassy have been withdrawn without offending the Souba, all the more so since those Commissioners had already been dispatched at the outset, with the further demonstration that this and nothing else was the true reason why one had deemed it unnecessary to enter into negotiations with His Excellency, but instead of remaining satisfied therewith, he asked us in reply to the same, what those who heard these matters would conclude therefrom? (wishing thereby to indicate that the Honorable Company, through this its conduct, showed itself unwilling to comply with the arrangement of the Souba regarding the power granted to him to settle everything, or to respect him as such, and that one thereby greatly slighted them both): which was evident from the second question that he made follow without awaiting our answer to the first, containing whether it was likewise well done that his aforesaid ambassadors sent from Triwaloer had only been given their dispatch after a four days' stay here? and to make known even more clearly that he was very displeased about this, he added by way of
Dutch transcription
397 sijn Excell:s vader den Pouba geschree„ ven, en waarvan men hem ter sijner speculatie een afschrift toegesonden hadde, mitsg:s dat het een onwederspree„ kelijke verpligting van 's Comp:s die„ naaren was, om in sodanige gevallen, als dit, een protest overtegeeven, ten eijnde Sig bij haare Heeren en Mees„ ters te kunnen verantwoorden; Onder wijdere te kennen geeving bij wijse van een Compliment, dat sijn Excel„ lentie niet aanmerken moest, dat men hem daar door eenige kleijnagting hadde tragten aantedoen, maar dat sulx eenelijk geschied was, om dat men veronderstelde, dat men nopens dee¬ se aeffaire met den Souba en met niemand anders te handelen hadde, welkent„ weegen. Sijn Excell: Sonder sig over het protest verder uijt te laaten, ten belange van het tweede, of de wesent„ lijke saak selve te kennen gaf, dat sijn Vader den Souba hem gesonden hadde, om alle saaken tot het Vorsten„ dom Tansjoer gehoorende, op een effen en gereguleerden voet te brengen, en dat hij te Truwaloer gekomen was, in die vaste verwagting, dat hem van wegens D' E. Comp: aldaar Gecom„ mitteerdens gesonden soude sijn, om in het vrindelijke met hem te han„ delen, dog dat sulx niet geschied, nog de saaken met sijne van daar aan de Regeering gesondene twee Ambassa„ deurs in namen Rahieman Alijchan /:sijnde den bekenden Goelam Alij„ chan:/ en Padiechan, ook niet tot effenheijd gebragt waren; Waarop wij hem demonstreerden, dat vermits er reeds Gecommitteerdens direct aan sijn Vader den Souba gesonden waren, om over alles met denselven te handelen, en dat sodanig als desel„ ve de saaken met sijn hoogheijd regu„ leerden, men daarmeede Seer verge„ noegd weesen soude, de Regeering over sulx onnodig, Ja sig selfs onbevoegd geoordeeld hadde, om staande die onder„ handeling sig over de saaken daar toe relatief aan iemand anders te addressee„ ren, dewijl sulx tot kleijnagting van den Souba strecken Soude; zijn Excell: betuijgde over deese onse aantooning desselvs Contentement, en wel Speciaal, die om 398 om dat soo als hij het op een listige wijse uijtdruckte, D' E. Comp: op de decisie van sijn Vader wagtede, of om het duijde„ lijk te expliceeren, sig daaraan Sub„ mitteerde, dog seijde teffens op een trotse wijse, dat dewijl hij gesonden was, om alles aftemaaken en te reguleeren, gelijk de brief van sijn Vader Sulx aantoon„ de, men dierhalven wel overweegen moest, wien men daar meede Klijnagting toebragt, en aandeed, meenende daar„ meede den Scriba, die hem tot de af„ maaking der saaken gequalificeerd had„ de; het welk door ons wederlegt wierd, met te seggen, dat soo dra de Hoofd„ stad Tensjoer overwonnen was, men al ten eersten brieven van felicitatie aan sijn Hoogheijd den Souba soowel als sijn Excell: gesonden, en daar bij teffens kennisse gegeeven hebbende, dat 'er Ge„ committeerdens aan den Souba afgesonden stonden te werden; Die Saak over„ sulx naderhand niet wel voegelijk ver„ anderd, of dat gesantschap ingetrocken hadde kunnen werden, sonder den sou„ ba te verongelijken, te meer alsoo die Gecommitteerdens al ten eersten gede„ pecheerd waren, met wijdere aantoo„ ning, dat sulx en niets anders de waare reeden vn was, dat men onnoodig gecor„ deeld hadde, met sijn Excell: in onder„ handeling te komen, dog in steede van sig daar meede voldaan te houden, vroeg hij ons tot antwoord, op het selve, wat de geene, die deese saaken hoorden, daar uijt opmaaken soude ? /: daarmeede willende te kennen geeven, als dat D'E. Comp: door dit, derselver gedrag sig onwillig toonde aan de schicking van den Souba, omtrend de op hem ver„ leende magt, om alles af te maaken, te voldoen, of hem als soodanig te respec„ teeren, en dat men haar beijde daar„ door seer declineerde :/ het welk uijt de tweede vraag, die hij sonder ons antwoord op de eerste af te wagten vol„ gen liet, behelsende op het almeede wel gedaan was, dat men sijne voorm: van Triwaloer afgesondene Ambas„ sadeurs na vier dagen vertoevens alhier, eerst haare depeche gegeeven hadde ? en om nog al duijdelijker te kennen te geeven, dat hij daar over seer onvergenoegd was, voegde hij bij pecheerd wijse
English
by way of a simile added thereto whether, if he paid no regard to the questions that we, as Commissioners, might put to him (since we had brought no letter with us), this would cause us any discontent; accompanied by this threatening dispute, which he uttered somewhat angrily, that he, having endured a multitude of fatigues, had not descended so far with his army to sit still, since the kingdom of Tansjoer, and everything related thereto, thus also the new lands in possession of the Honourable Company, belonged lawfully to the Souba, and that therefore, of everything that the Honourable Company had lent and advanced to the vanquished Prince, an accurate account and demonstration had to be handed over to him, since he would repay the money and take the lands for himself. All of which we, in order not to become entangled in unnecessary discussions, and being equipped with not the least order, left unanswered, as having already been settled by what we had demonstrated beforehand, and served him materially by reporting everything to your Honour, and requesting and awaiting your highest orders thereon, pressing therefore for permission for our departure, which latter he nevertheless kept in reserve, and concerning the other desired that we should make a proper report of the matters that had occurred, and bring him the very next day an answer to his satisfaction, while at the same time professing that, since he had a great desire to meet the Honourable Governor as soon as the matter was settled, all possible haste ought therefore to be made therewith, so that he might depart again speedily, which we then also accepted, and promised His Excellency that, as soon as we were sent back, we would make a proper report to him. While after some other indifferent discussions, he finally also said that that the Honourable Governor in all fairness ought not to have meddled with such matters as these, with the desire that this should likewise be made known by us to the Government, and pointing out that it was not at all good that discrepancies should arise between the Souba and the Honourable Company, since His Highness would not suffer the least disadvantage thereby, but such would in every respect result in great damage to the Company; further granting, while saying that it was already too late to detain us any longer, permission for our departure, after having first excused himself that he had nothing with him there to make us a present, but that everything remained at Truwaloer, and the same could therefore take place afterwards; provided also that if the Honourable Governor would be pleased to let him know what he desired as a gift, whether Elephants, horses or anything else, he would then send it with much satisfaction, since he desired nothing other than his Honour's friendship; which having been answered by us with a counter-compliment of that nature, His Excellency desired that we should come close to him, who thereupon asked for our handkerchiefs, and from a small casket that he had standing by him, poured with his own hand some rose oil into each of them and onto our cuffs, for which having made our compliments, a silver box with folded betel was presented, of which we each took one, and thereupon, making our reverence, left the audience chamber at about 9 o'clock, being conducted to our palanquins by the aforementioned Englishman and the three Moors who were present, where two horsemen and some torchbearers with burning torches stood ready, who thereupon accompanied us to the Company's village of Papenacherij, and took their leave there. Our transactions having hereby ended, we find ourselves obliged, in addition, also to note that His Excellency, just as we were about to leave, told us that he had to speak with the Brahmin and Persian writer in private, just as he, having taken them aside, according to the report that was afterwards made to us by them, also requested them to make your Honour clearly understand all the matters about which he had entertained us, and to obtain their settlement as soon as possible to his satisfaction, so that no dissensions should arise between the Souba and the Honourable Company, with the threat that if such were to happen, it would be very disadvantageous to their Honours, and nothing would then be obtained from the country, but everything, including rice, cloth, books, and whatever else it may be, would have to be brought in by sea. We hope that your Honour will take complete satisfaction in what has been performed by us, and will thus crown the same with your highest favourable approbation, and for the rest we have the honour to subscribe ourselves with true respect. (Below stood:) Honourable Sir and Gentlemen, your Honour's humble and obedient servants (was signed:) J:s Van Cessel and I: D: Simons (in margin:) Nagapatnam, the 21st of October 1773. Anno 1773. Thus, after resumption thereof and deliberation upon that which served the matter and was applicable, it was Resolved and Understood to send the aforesaid members back to His Excellency, and to have demonstrated to him the groundlessness of his claim to the return of those lands, which had been lawfully purchased by the Honourable Company, as had been very amply and fundamentally shown both to him and to his father the Souba in the letters dispatched to them; that this Government therefore, however much its inclination tended thereto, was not capable, nor had that power any longer
Dutch transcription
399 wijse van een gelijkenis daar nog bij of indien hij op de vragen, die wij als Gecommitteerdens aan hem mogte komen te doen /:wijl wij geen brief meede ge„ bragt hadden :/ geen reflectie sloeg, sulx ons geen discontentement veroor„ saaken Soude, verseld van deese bedrijgende Contestatie, die hij eenigsints driftig uijttede, dat hij, onder het uijt„ staan van een meenigte fatiques, soo verre met sijn leeger niet afgesakt was, om stil te sitten, dewijl het rijk van Tansjoer, en alles wat daar toe re„ latie hadde, dus de bij d' E. Comp:e in besit sijnde nieuwe landen ook, den Souba wettig toebehoorde, en dat men oversulx van al het geene D' E: Comp:e aan den overwonnen Vorst geleend en verstrekt hadde, een accuraate ree„ kening en demonstratie aan hem ter hand stellen moest, vermits hij het geld weder betaalen, en de landen na sig neemen soude. Alle het welke wij om in geen onnoodige discoursen in„ gewickeld te raaken, en als met egeen de minste ordre gemunieerd sijnde, onbeantwoord lieten, als door het bevoo„ rens door ons gedemonstreerde reeds vervallen sijnde, en hem saakelijk dienden van alles aan uwel Edele Gestr: rapport doen, en Hoogst der„ selver ordre daarop versoeken en affwagten souden, met instantie dier„ halven, om permissie tot ons vertrek welk laaste hij egter in petto hield, en nopens het andere begeerde, dat wij een regte verslag der voorgevallene saaken doen, en hem des anderen daags selfs, een antwoord na sijn ge„ genoegen brengen moesten, onder betuij„ ging teffens, dat vermits hij een groot verlangen hadde, om soo dra de saak tot effenheijd gebragd was, den Wel„ Edelen Gestr: Heer Gouverneur te ontmoeten, daarmeede dierhalven alle mogelijke haast diende gemaakt te werden, op dat hij weder spoedig ver„ trecken konde, het geen wij dan ook aangenoomen, en sijn Excell: be„ loofd hebben, dat soo haast als weder gesonden wierden, hem een behoorlijk verslag soude doen. Terwijl hij na eenige andere onver¬ schillige discoursen, eijndelijk nog seijde, rens dat 400 dat den wel Edelen Gestr: Heer Gou„ verneur na billijkheijd, sig met sodanige saaken, als deese niet hadde mogen bemoij„ en, met begeerte, dat sulx door ons almee„ de aan de Regeering moeste werden te kennen gegeeven, en aantooning, dat het gansch niet goed was, dat 'er discrepan„ tien tusschen den Soriba en D' E. Comp: ontstonden, dewijl sijn Hoogheijd daar„ bij geen het minste nadeel lijden, maar sulx in allen opsigte tot groote schade voor de Maatschappij strecken soude, verleenende voorts onder het seggen, dat het reeds te laat was, om ons langer op„ te houden, permissie tot ons vertrek, na alvoorens sig g'excuseerd te hebben, dat hij aldaar niets bij sig hadde, om ons een present te doen, maar dat alles op Truwaloer berustede, en het selve „dierhalven nader hand konde geschieden, mitsg:s dat indien den Wel Edelen Ge„ strenge Heer Gouverneur hem gelief„ de te laaten weeten, wat hij tot een geschenk begeerde, het sij Eliphanten, paarden of iets anders; hij sulx dan met veel Contentement senden soude, de„ wijl hij niets anders, dan sijn Wel Edele Gestr: vrindschap begeerde, het geen door ons met een Contra- Compli„ ment van die natuur beantwoord sijnde, begeerde sijn Excell:, dat wij digt bij hem komen souden, die vervolgens onse neusdoeken vroeg, en uijt een kleijn keldertje, dat hij bij sig had„ de staan, in ieder derselve, en op onse Manchetten eijgenhandig wat reosen„ Olij goot, waarover ons Compliment gemaakt hebbende, wierd 'er een silvere doos met toegevouwen betel gepresen„ teerd, van dewelke wij ieder een genomen hebben, en vervolgens onder het maaken onser reverentie omtrend 9. uuren uijt het vertrek der audientie gegaan sijn, wordende door den voorm: En„ gelsman en de present geweest sijnde drie Mhooren tot onse Palenquins geconduisseerd, alwaar twee ruijters en eenige toortsiers met brandende toort sen klaar stonden, die ons vervolgens tot 's Comp:s dorp Papenacherij ver„ selden, en aldaar afscheijd namen. Het verhandelde door ons hier mee„ de afgeloopen sijnde, vinden wij ons verpligt, buijten dien ook nog te no„ Edele teeren 401 teeren, dat sijn Excell: so als wij heen gaan wilden, ons gesegt heeft, met den bramine en Persiaans schrijver iets in't bij sonder te moeten spreeken, gelijk hij haar apart genomen hebbende, volgens het berigt, dat ons naderhand door haar daar van gedaan is, dan ook versogt heeft, on alle de saaken, waarover hij ons onder„ houden hadde, ouwel Edele Gestr: duij„ delijk te verstaan te geeven, en ten spoe¬ digsten na sijn genoegen haar beslag te doen erlangen, op dat tusschen den Souba en D' E: Comp: geene oneenighee„ den quamen te ontstaan, met bedreij„ ging, dat indien sulx quam te geschieden, het selve voor haar Edele seer nadeelig weesen, en men dan uijt het land niets bekomen, maar alles tot rijst, Lijwaat, boeken, en wat dies meer Sij toe, ter zee Soude moeten aanbrengen. Wij verhoopen, dat uwel Edele Gestr: in het verrigte door ons volkomen genoe„ gen neemen, en het selve dus met hoogst„ derselver gunstige approbatie bekroo„ nen Sullen, en geeven ons voor het overige de Eere met waare agting te onderschrij„ ven. /:onderstond:/ Wel Edele Gestrenge Soo is na resumptie derselve en deli„ beratie van het geene ter materie dien„ de, en toepasselijk was, Goedgevon„ den en Verstaan, de voorsz. Leeden aan sijn Excell: weder te senden, en densel¬ ven te laaten vertoonen de ongefondeerd„ heijd sijner pretentie ter te rug gave dier Landen, welke door D' E. Comp: wettig gekogt waren, gelijk sulx soo wel aan hem, als sijn Vader den Souba, in de aan hun afgevairdigde brieven seer ampel en fondamenteel aangetoond was geworden; dat deese Regeering dierhalven, hoe seer derselver genegendheijd ook daartoe strek„ te, niet vermogens was, of die magt meer Heer en Heeren, ouwel Edele Gestr: Onderdanigen en Gehoorsaame Die„ naaren /:was geteekend:/ J:s Van Cessel en I: D: Simons /:in margine:/ Nagapatnam den 21. ' October 1773 A„o 1773 Heer hadde
English
had to cede the same, without special authorization from their High Excellencies, the Honorable High Indian Government at Batavia, because everything having been done and having occurred upon their orders, on that account their command had to be requested and awaited before one could proceed to any change in that regard, all the more so since their said High Excellencies had not only been informed of everything, but also very specially of this His Excellency's pretension and desire, and to put it into his consideration to that end that a subordinate or inferior, as this Government was to the High Indian Government, could do or refrain from doing nothing without their highest orders, and that the same was such a common matter and method of the Honorable Company that it could be unknown to no one, and thus not to His Excellency either; it was furthermore resolved to instruct the said Commissioners, under all presentations and considerations serving the matter, to demonstrate to him in the most emphatic manner, and to request, that he would exercise patience until the answer from Batavia should be obtained, which one was certain and, taken at the longest, could be here within the time of two to three months, and in addition to demonstrate that in the meantime the land in question remained the land, which could not be alienated, and of which His Excellency had violently taken possession, as also that the conduct of this Government regarding the same provided His Excellency with a convincing proof of the inclination of this Government to give him satisfaction; but if all those presentations should effect nothing for the good, and thus he would not grant a hearing to the requested postponement, it was agreed to authorize the aforementioned Commissioners in that case, with the declaration that, in order to convince him further, this Government, and in it the Dutch Company, wished nothing other than to maintain the old friendship with His Highness's father, and now anew to confirm it closer and more permanently, just as the Honorable Company on its part had always cultivated with all zeal and attentiveness, to offer the aforesaid lands, in case His Excellency, according to the offer and promise made by him as well as his father the Subah, wished to pay and return the money advanced for them, and if he inclined thereto, how and when that payment should take place, as well as how the administration of the land should proceed if the payment did not take place in cash immediately, with more such other precautions for the security of the Honorable Company as should appear to them from the negotiation concerning this matter to be the safest for the Honorable Company, and which should have to be observed and kept in view by them; without, however, for the present expressing the slightest thing regarding the jewels, the recognition money, and elephants, because His Excellency has until now restricted himself only to the land in question; alongside which it was also agreed to have presented by the said Commissioners that not only did the encampment of his troops extend into the limits of the Company's old lands, but also that many violent acts and robberies were committed by them, just as this, besides the cutting and carrying away of the standing crops on the fields, has taken place here and there in the villages, in the village of Iapana Cherij, regarding one of the residents there, by chasing that man out of his house and furthermore taking everything out of it that was in it, and the wanton act committed by 10 sepoys in the village of Porwala Cherij against some women who, being busy washing at the tank, had the ear ornaments and other jewels that they were wearing taken from them, of which three having been seized by the Company's people (the other seven having escaped) and brought under arrest to this city, it was resolved to have them brought tomorrow morning under an escort to the outposts of the Nabob's army and to request His Excellency to be pleased to make the necessary orders in that regard so that such improprieties do not happen, and to that end the aforesaid captured sepoys may be punished most rigorously as an example to others, and the army may be removed from the limits of the Honorable Company. After this, the aforesaid members Van Tessel and Simons requested that the sworn clerk Cornelis Obdam, or someone else, might be assigned to them to keep notes of the matters that were negotiated with His Excellency Madarroel Moelk and the conversation occurring about them, and furthermore to commit the same to paper. Which having been agreed to by the Government, it was approved to have the aforementioned sworn clerk Obdam accompany the Commissioners during this commission. Furthermore, the Governor demonstrated to the members that just as the siege of Tansjoer had commenced, there had also been brought here from Jaffanapatnam an elephant sent as a present by the Governor of Ceylon, Falck, to the said Madarroel Moelk, as Nabob of Tritjenapalij, in
Dutch transcription
402 hadde, om van deselve afstand te doen, son„ der speciale qualificatie van haar hoog Edelens de Edele Hooge Indiase Regee„ ring te Batavia, dewijl alles op derselver ordre gedaan en geschied weesende, uijt dien hoofde derselver bevel versogt en afgewagt moeste werden, eer men tot eenige veran¬ dering dienaangaande overgaan konde, te meer Hoogst deselve niet alleen van alles, maar ook wel specialijk van deese sijn Excell:s pretentie en begeerte kennisse gegeeven was, geworden, en hem ten dien eijnde in Consi¬ deratie te doen geeven, dat een Subalterne of onderhoorige, gelijk deese Regeering van de hooge Indiase Regeering was, niets doen off laaten konde, buijten hoogst derselver or„ der, en het selve soo een vulgaire saak en methode der E. Comp: was, dat niemand, en dus sijn Excell: meede niet onbekend konde weesen; het geen al verder beslooten wierd, ge„ dagte Gecommitteerdens te gelasten, onder alle ter materie dienende vertoogen en Con¬ sideratien op het nadruckelijkste aan den„ selven te vertoonen, en te versoeken, dat soo lange patientie wilde oeffenen, tot dat het antwoord van Batavia erlang soude weesen, het geen men vast stelde en ten langsten genomen, binnen den tijd van twee â drie maanden, hier soude kunnen wee„ sen, en daarneevens te demonstreeren dat intusschen het land in questie het land bleef, het welk niet veraliëneerd konde werden, en waar van sijn Excell: gewel„ dadig het besit genomen hadde, soo meede dat het gedrag deeser Regeering omtrend het selve, sijn Excetl: een overtuijgend bewijs uijtleverde van de geneijgdheijd deeser Regeering, om hem genoegen toe te„ brengen; Dog soo alle die vertoogen niets ten goeden mogte uijtwerken, dus geen gehoor aan het versogt uijtstel ver„ leenen wilde, is verstaan, de voormelde ter Gecom: 403 Gecommitteerdens te qualificeeren in dat geval, onder betuijging, dat om hem nader te overtuijgen deese Regeering, en in haar de hollandsche Comp: niet anders wensch„ te, dan de oude vrindschap tusschen sijn hoogheijds vader te onderhouden, en nu op nieuw nader en bestendiger te bevestigen, gelijk D' E. Comp: van haare sijde altoos met alle iever en oplettendheijd aange„ kweekt hadde, om de voorsz. landen aan te„ bieden, ingevalle Sijn Excell: volgens sijne soo wel, als desselvs Vader den Souba gedaane aanbieding en belofte betaalen en uijtkeeren wilde, het daar voor uijtge¬ schootene geld, en soo hij daartoe incli„ neerse, hoedanig, en wanneer die betaaling geschieden, mitsg:s hoedanig met de beheering van het land gaan soude, indien de be„ taaling niet ten eersten in Contant geschie„ dede, met meer andere sodanige precautien tot securiteijt van D' E. Comp:e, als uijt de verhandeling over deese saak haar het veijligste voor D' E. Comp: te vooren komen soude, en door haar betragt, en in het oog gehouden soude moeten werden; sonder egter voor als nog iets het geringste uijttelaaten, omtrend de Juweelen, de recognitie-pen„ ningen en Eliphanten, dewijl Sijn Excell: tot nog toe sig maar aan het land in questie bepaald heeft; waarnevens nog verstaan wierd, door gedagte Gecommitteer¬ dens te laaten vertoonen, dat niet alleen de Leegering sijner troupen tot in de Limiten van 'sComp:s oude landen strekte, maar ook veele geweldadigheeden en rove„ rijen door deselve gepleegd wierden, soo als sulx buijten het zuijden en weg voe„ ren van het opveld staande gewasch, hier en daar in de dorpen plaats heeft gehad, in het dorp Iapana Cherij, omtrend een der moradores aldaar, met die man uijt sijn huijs te Jaagen, en voorts uijt het verhan selve 404 selve alles weg te neemen, wat 'er in stond, en de baldadigheijd door 10. Sipaijs in het dorp Porwala Cherij gepleegd, aan eenige vrouwen, die aan de tank beesig sijnde te wasschen, van deselve de oor„ cierselen en andere Juweelen, welke se aan„ gehad hadden, afte neemen, van dewelke drie door 'sComp:s volk opgeval /: als sijn„ de de andere seeven ontsnapt:/ en na dee„ se stad in arrest gebragt weesende, be„ slooten wierd, morgen oytent, onder een Escorte aan de voorposten van 's Nababs leeger te laaten overbrengen en sijn Excell: te versoeken, daaromtrend de nodige ordre te willen stellen, dat dierge¬ lijke onhebbelijk heeden niet gebeuren, en ten dien eijnde de voorsz. gevangene Sipaijs ten exempel van andere ten rigoureusten gestraft, en het leger uijt de limiten der E. Comp: genomen mogen werden. Hierna versogte de voorsz. Leeden Van Tessel en Simons, dat hun den geswoore Clercq Cornelis Obdam, of iemand anders toegevoegd mogte werden, om van de saaken, die met sijn Excell: Madarroel Moelk verhandeld wierden en het gesprek daar over vallende, aantee„ kening te houden, en voorts het selve ten papiere te brengen. Waarin door de Regeering bewilligd sijn„ de, goedgevonden wierd, voormelde Gesw: Clercq Abdam, geduurende deese Commissie, de Gecommitteerdens te doen versellen. Voorts vertoonde den Heer Gouverneur de Leeden, dat soo als het beleg van Tans„ joer. aanvang genomen had, alhier ook van Jaffanapatnam aangebragt was ge„ worden, een Eliphant door den Heer Ceij„ lons Gouverneur Falck, aan gedagte Madarroel Moelk, als Nabab van Tritjenapalij tot geschenk gesonden in Hier becom¬
English
recompense for what he had presented to His Honour in the late part of 1771, on the occasion when the Interpreter of the Honourable Company here, Nagamalloe Chinaija Naijker, had been to Tritjenapalij, proposing at the same time to have that animal offered to His Excellency on this occasion, while he was so close to this city: It was resolved to carry this out, in order thereby to cajole him somewhat and make him more manageable. After this, the well-mentioned Lord Governor furthermore presented, as proof that Brigadier Smith with his English troops is in the camp of the Nabab at Naoer, a letter written by the same to His Honour, which had served to accompany a Malay soldier, who, having fallen behind during the retreat from the Riwaloer district, had been seized by the cavalry of the Nabab and brought to Naver; alongside which His Honour at the same time made known to the council the arrival here of an English deserter from their army named Daniel Haklij from Cork in Ireland, and the notice given thereof to the said Brigadier Smith by a letter, which, as well as his aforementioned received missive, it was resolved to insert into these minutes. Right Honourable Sir! The bearer, one of your soldiers having been left behind on the road yesterday, was by some of the Nabab's cavalry To Reijnier Van Vlissingen Esquire, Governor etcetera At Nagapatnam brought here, without any weapons; a search was made at once, and being found in the hands of some troops, I ordered them to return the same to him, and am now sending him back; and since that man has not taken part in anything, so far as I have learned, permit me then to commend him to your mercy; I am with respect, below stood, Right Honourable Sir, your Honour's obedient and humble servant, signed, Joseph Smith, in the margin, In the Camp, 22 October 1773. To the Right Honourable and Gallant Sir Joseph Smith, Brigadier General, Commander and Chief of the Troops of the Honourable English East India Company on the Coast of Cormandel. Right Honourable and Gallant Sir, Hereby I have the honour to inform your Honour that a soldier from your Honour's troops, named according to his statement Daniel Haklij from Cork in Ireland, having been drunk, strayed from the army hither; however, he is currently suffering from fever and diarrhea, and I have therefore placed him in the hospital; as soon as he is healthy or able, I shall have him sent over to your Honour. I have meanwhile the honour to be with the most perfect esteem, below stood, Right Honourable and Gallant Sir! Your Honour's humble and obedient servant, was signed, R.r Van Vlissingen, in the margin, Nagapatnam, 22 October 1773. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam, date as aforesaid. Signed as before. Saturday the 23 October 1773. In the evening at five o'clock. Council of Policy, excepting The Merchant and Fiscal Marthinus Koning; The Merchant, Trade Bookkeeper and First Warehouse Master, Hendrik Ambrosius Johnson; The Merchant Titular, Adigaar and Mintmaster Cornelis Pietersz.; the first and the last due to illness, and the second on a commission to Madraspatnam. This specially convened meeting having been opened by invoking the Lord's Holy Name, there was read the submitted report of the commissioned members of this Meeting, Jacob van Tessel and Joan Daniel Simons, regarding their experiences with His Excellency Madarroel Moelk at Naoer, whither they had been sent pursuant to the resolution of this Meeting of yesterday's date, in order to convey the result thereof to His Excellency, and at the same time to confer further with him concerning the dispute that had arisen between him and the Honourable Company regarding the lands purchased from the dethroned Prince of Tanjore etcetera. Report made to the Right Honourable and Gallant Sir Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Cormandel with the dependencies thereof, together with the Council at Nagapatnam, by the commissioned members from the same, Jacob van Tessel and Joan Daniel Simons, together with the Sworn Clerk and Translator Cornelis Ebdam, assigned to them for their assistance, and their mission to His Excellency Amiroel Eemra Madarroel Moelk Haphies Machamadoe moene warchan Bahadoer, second son of the Souba of Carnatica, His Highness Mahometh Alijchan, and conqueror of the Principality of Tanjore, stationed with his army at Naoer. Right Honourable and Gallant Sir and Gentlemen, Pursuant to the resolutions at the meeting of this morning, having proceeded this evening at half past five, together with the Company's Brahmin and Persian writer, for the second time to the camp of His Excellency, in order to treat with him on such points as were given to us in writing by the same, we arrived there close to half past six, and were received in the same manner as mentioned in our previous report, and were led to the audience at around seven o'clock, with this difference, that Goelamalijchan did not fetch us from the tent, but met us on the way, where the very same persons were also present again, the Translator Ebdam being placed, according to our agreement, on the right side of and next to the second signer, in order to be better able to hear and understand the Brahmin. In the first place, or at the beginning of the negotiation, we first politely offered the compliments of the Right Honourable and Gallant Lord Governor in particular, and those of the
Dutch transcription
455 recompens van het geen hij in het laast van 1771. aan sijn Edele vereerd had, bij geleegendheijd, dat den Tholk der E. Comp: alhier Nagamalloe Chinaija Naij„ ker op Tritjenapalij geweest was, tef„ fens voorstellende, om dat dier aan sijn Excell:, terwijl hij sig soo na bij deese stad bevond, bij deese geleegendheijd te laaten aanbieden: Soo is verstaan, sulx van gevolg te doen sijn, ten eijnde hem daar door wat te Cajoleeren en handel baarder te maaken. Hierna Leijde Welmelde Heer Gouverneur nog over, ten bewijse, dat den Brigadier Smith met sijne Engel„ sche troupen sig in het leeger van den Nabab op Naoer bevind, een brief van denselven aan sijn Edele Geschreeven, gediend hebbende ten geleijde van een Maleijdse Soldaat, die bij de reti„ rade uijt het Riwaloerse agter uijt ge„ Wel Edelen Heer! Den brenger een van ouwe soldaaten op de weg gisteren nagelaaten sijnde, is door eenige van des Nababs Cavallerij Aan Reijnier Van Vlissingen Schildknaap Gouverneur Etc. a Te Nagapatnam raakt weesende, door de Cavalerij van den Nabab opgevat en te Naver ge„ bragt was, waarnevens sijn Edele tef„ fens den raad bekend maakte, de aan„ komst alhier eener Engels Deserteur uijt het leeger derselve in naame Daniel Haklij van Cork in ijrland, en daarvan gegeevene kennisse aan ge„ dagte Brigadier Smith bij een brief, de„ welke soo wel, als sijne voormelde ont„ fangene missive verstaan wierd, in deesen te insereeren. raakt al 406 alhier gebragt; sonder eenige wapenen; daar wierd ten eersten nagesogt en in handen van eenige troupen gevon„ „den sijnde, heb ik haar geoordonneerd het selve hem terug te geeven, en sende hem tans te rug; En dewijl dien man sig aan niets aandaadig gemaakt heeft, voor soo verre als ik vernomen hebbe, permitteerd mij dan, dat ik hem aan ouwe genade beveele; Ik ben met respect /:onderstond:/ Wel Edelen Heer uwel Edele Ge„ hoorsame en Onderdanige Dienaar /: Geteekend:/ Ioseph Smith /: in margine:/ In't Camp den 22.:' October 1773. Aan den Wel Edelen Gestr: Heer Joseph Smith, Brigadier Generaal, Comman„ dant en Chef van de Troupen van de Edele Engelse Oost- Jndische Comp: ter Custe. Cormandel. Wel Edele Gestrengen Heer Hiermeede heb ik de Eere ruwel Aldus Gedaan en Gearres¬ teerd In't Casteel tot Nagapat„ nam Dato voorsz. /: Geteekend:/ Als Vooren. Edele Gestr: kennisse te geeven, als dat een soldaat van uwel Edele Gestr: troupen, volgens sijn opgave genaamd Daniel Haklij van Cork in Eijrland, bedronken sijnde uijt het leeger na herwaarts gedwaald is, dog hij labo„ reerd tans aan de koorts en afgang, en heb hem dierhalven in het hospi„ taal besteld, soo dra hij gesond, of in staat is, sal ik hem tot cuwel Edele Gestr: laaten overbrengen. — Ik heb intusschen de Eere met de volmaakste agting te sijn /:onderstond:/ Wel Edele Gestr: Heer! uwel Edele Gestrenge Onderdanige en Gehoorsa„ me Dienaar /:was Geteekend:/ R:r Van Vlissingen /:in margine:/ Nagapat„ nam den 22. ' October 1773. — Edele Saturdag 407 Saturdag den 23: ' October 1773. Des avonds te vijf uuren Vergadering van Politie demptis Den Koopman en Fiscaal Marthinus Koning; Den Koopman, Negotie-Boekhouder en Eerste Pakhuijs-meester, Hendrik Ambrosius Johnson, Den Koopman Titulair, Adigaar en Muntmeester Cornelis Pietersz., De eerste en de laaste mits ziekte, en de tweede in Commissie na Madrasp=m Deese expresse belegde bij een komste door het aanroepen van des Heeren Heijligen Naame geopend sijnde, wierd geleesen het overgelegd rapport van de Gecommitteerde Leeden deeser Verga„ dering Iacob van Tessel en Ioan Da„ Rapport gedaan aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Reijnier van Vlis„ singen, Gouverneur en directeur deeser Custe Corman„ del met den Resorte van dien, nevens den Raad te Nagapatnam, door de Gecommitteerde Leeden uijt deselve Jacob van niël Simons, wegens hun wedervaa„ ren bij sijn Excellentie Madarroel Moelk te Naoer, werwaards sij in„ gevolge het besluijt deeser Vergade„ ring van gisterigen datum afgeson„ den waren, om- het resultaat dersel„ ve aan sijn Excell: over te brengen, en teffens met denselven al verder te Confereeren, over het ontstaan geschil tusschen hem in d' E. Comp:e, nopens de van den gedetroneerden Tansjoersen Vorst gekogte Landen Etc: niel Tessel en 408 Tessel en Joan Daniel Simons, neevens den Geswoo„ ren Clercq en Translateur Cornelis Ebdam, haar tot derselver adsistentie toege„ voegd, en haare besending aan sijn Excellentie Amiroel Eemra Madarroel Moelk Haphies Macha„ madoe moene warchan Bahadoer, tweede Soon van den Souba van Car„ natica sijn Hoogheijd Mahometh Alijchan, en overwinnaar van het Vorstendom Tansjoer, met sijn leeger te Naoer ge„ posteerd staande. Wel Edele Gestrenge Heer, en Heeren Na luijd van het beslootene ter vergadering van heeden voor de middag ons deesen avond om half Ses uuren nevens sComp:s bramine en Persiaans schrijver ten tweeden male na het leeger van sijn Excellentie begeeven hebbende, om met denselven over soda„ nige poincten te handelen; als ons door hoogst deselve schriftelijk opgegeeven waren, sijn wij digt bij half Seeven Seeven aldaar aangekomen, en op deselvde wijse, als bij ons voorig rap„ port vermeld staat gerecepieerd, mitsg:s omstreeks Seeven uuren ter audientie geleijd, met deese verandering, dat Goelamalijchan ons niet van de tent afgehaald, maar in de weg te gemoed ge„ komen is, alwaar sig ook weder de eij„ genste persoonen present bevonden, sijn„ de volgens onse gemaakte afspraak den Translateur Ebdam aan de regter seijde van- en naast den tweeden teeke„ naar geplaatst, om de bramine te bee„ ter te kunnen hooren en verstaan. In de eerste plaats of ten aanvan„ ge der onderhandeling leijden wij eerst op een beleefde wijse de Complimen„ ten van den wel Edelen Gestr: Heer Gouverneur in het bijsonder, en die van ons de
English
from the entire government in general, which were answered by his Excellency with a series of counter-protestations of that nature. Among other things, his Excellency even expressed a very great desire to see and meet the Right Honorable and Respected Lord Governor, whom on that occasion he called his brother, and likewise that he cordially wished to have the good fortune of holding a meal with his Honor, expressing his astonishment that this had not yet happened, despite him having already been there for two days, nor had his Excellency, as a friend of his Honor and of the entire Dutch Company, been invited or offered the pleasure of viewing the particulars of this place and taking delight and rejoicing in them as well as in the fine gardens here present. To which we responded with some other fitting assurances of friendship in order to discharge ourselves as best as possible from this desire of his, indicating that this could always happen after the fine dining once matters had been settled, and that one would also not fail to bring his Highness the required satisfaction in that regard. His Excellency having outwardly appeared satisfied with this with a smile, we presented him, while conveying another compliment from the Right Honorable and Respected Lord Governor, the tusked elephant sent by the Right Honorable and Respected Lord Governor of Ceylon to his Honor here, to be offered to his Excellency. After making some excuses—which he thought served in this case for the maintenance of his Highness's dignity, and which could very well be noticed were not from the heart, but forced—he accepted it amicably. After which he said he was very eager to hear whether we had brought an answer that would be agreeable to him and afford him pleasure. Having first replied to him on this that we did not doubt it in the least, since the Honorable Company sought in all respects to gain his friendship and thus wanted to and would do everything that was at all possible to please him, we demonstrated to him at length the second point of our instruction, namely the legality of the purchase of the new lands. In this regard, we specifically referred to the letter written by our Right Honorable and Respected Lord to the Souba, repeatedly stating that a copy thereof had been sent to him, from which he would perceive everything. To which his Excellency, after he had first made the two sentinels step back a little and had the door of the room pushed to, answered little or nothing to the point, and also seemed to want to know nothing of the copy of the letter written to his father, merely saying in relation to that article that he had full power and authority to settle all matters with the Honorable Company in a friendly manner. And that for this reason he had at first even at Pansjoer already expected commissioners on behalf of their Honors, but noticing that they did not appear there, he had for that reason descended with his army to Triwaloer and was thereafter, for that same reason, compelled to come to Naver, because he presupposed that the closer he was, the sooner matters would be settled. This was accompanied by a series of protestations that he wished nothing so much as that the friendship between the Souba and the Honorable Company might increase from time to time, and that their Honors might enjoy his Highness's favor and assistance more and more regarding their settlement and trade, declaring at the same time that by granting his request for the surrender of the newly purchased lands, the same would flourish and be experienced more and more. And since we clearly perceived from all circumstances that he absolutely desired those lands, as everything we brought forward further to that interest was met with a kind of
Dutch transcription
409 de gansche Regeering in't Generaal af dewelke door sijn Excellentie met een reer van Contra- betuijgingen van die natuur beantwoord wierden, en onder anderen selfs, als dat sijn Excell: een seer groot verlangen hadde, om den Wel Edele Gestrenge Heer Gouverneur /: dewelke hij te dier geleegendheijd Sijn broeder noemde :/ te sien en ontmoeten, mitsg:s dat hij hartelijk wenschte, om het geluk te mogen hebben, van met sijn wel Edele Gestr: een maaltijd te houden, onder betuijging sijner verwondering over dat sulx, niet teegenstaande hij sig reeds twee dagen aldaar bevond, nog niet geschied, nog sijn Excellentie als een Vrind van Hoogst denselven, en de gantsche hollandsche Maat„ schappij sijnde, niet geinviteerd, nog hem aangebooden geworden was, om het vermaak te genieten van de bijsonder heeden deeser plaatse te besigtigen en sig daarinne soo wel als de alhier weesende fraaije Thuij„ nen te verlustigen en te verheugen, het welk door ons met eenige andere vrind„ schaps-Contestatien daar op passende, om sig soo goed moogelijk van deese sijne beantwoord zynde begeerte te ontslaan, onder te kennen gee„ ving, dat sulx altoos, bented fuijnade, wanneer de saaken tot effenheijd gebragt waren, geschieden konde, en men ook niet in gebreeke blijven Soude, sijn Hoogheijd daar omtrend het vereijscht, Contentement toetebrengen; en sijn Ex„ cellentie Sig voor het oog met het doen van een grimlag daarmeede vergenoegd gehouden hebbende, presenteerde wij hem onder het afleggen van een ander„ malig Compliment van den Wel Edelen Gestrengen Heer Gouverneur de ge„ tande Eliphant door den wel Edelen Gestr: Heer Ceijlons Gouverneur aan sijn Edele alhier gesonden, om sijn Excell: aangebooden te werden, dewelke hij na eenige gemaakte excuusen, die hij dagt, dat in dit geval tot maine„ tena van Sijn Hoogheijd strekte, en men seer wel merken konde, dat niet van herten, maar geforceerd wa„ ren, vrindelijk geaccepteerd heeft. Waarna hij seijde seer begeerig te weesen, om te hooren, of wij ant„ woord meede gebragt hadden, dat hem sig aange 410 aangenaam weesen en genoegen toebren„ gen Soude, en door ons vooraf daarop gediend sijnde, dat wij daaraan geen sints dubiteerden, vermits D'E: Comp: in allen opsigte tragtede sijn vrind„ schap te gewinnen, en dus alles, wat maar immers mogelijk was, doen wil„ de en soude, om hem te behagen, be„ toogden wij hem ampel; het tweede poinct onser Instructie, namentlijk de wettigheijd van de koop der nieuwe landen, waaromtrend wij ons Speciaal aan de brief door ouwel Edele Gestr: aan den Souba geschreeven, onder het Seggen bij herhaaling als dat hem daarvan Copij gesonden was, en dat hij daar„ uijt alles ontwaaren soude, refereerden, op het welke sijn Excell:, na dat hij al voo„ rens de twee schildwagten wat hadde laa„ ten agteruijt treeden, en de deur van het vertrek doen aansetten, weijnig of niets ter saake antwoordede, en van de Copij brief aan sijn Vader geschree„ ven, ook niets scheen te willen weeten, „ eenelijk als seggende met relatie tot dat articul„ dat hij volle magt en authoriteijt hadde om alle saaken met D' E. Comp: in't vrindelijke af temaaken en dat hij over sulx eerst te Pansjoer selfs, reeds gecom„ mitteerdens van wegen haar Edele ver„ wagt hadde, dog merkende, dat deselve aldaar niet verscheenen, uijt dien hoofde met sijn leeger na Triwaloer afgesakt en daarna, om die selfde reeden genood„ saakt geweest was, te Naver te komen, om dat voor onderstelde, dat hoe nader hij sig bevond, hoe eerder de saaken tot effenheijd komen soude, verseld van een reer van betuijgingen, dat hij niets soo seer wenschte, als dat de vrindschap tusschen den Souba en D' E. Comp:e van tijd tot tijd toeneemen, en haar Edele omtrend der„ selver zeet en handel, hoe langs„ hoe meer sijn Hoogheijds gunste en hulpe genieten mogt, onder verklaaring teffens dat door het inwilligen sijner begeerte ter afstand van de nieuwe gekogte lan„ den, deselve meer en meer floreeren en ondervonden werden soude; En dewijl wij uijt alle omstandigheeden ten klaar„ sten bespeurde, dat hij die landen abso„ lut begeerde, als alles wat wij ten dien belange verder inbragten, met een soort om van
English
hearing with contempt, we could no longer dwell on that matter, but found ourselves compelled to proceed to the first clause of the second article of the Instruction and to testify that the Government was not competent to cede those lands without special authorization from Their High Mightinesses, and this on the basis of such reasons as had been prescribed to us in that regard. Which was smilingly refuted by His Excellency, saying that he could not wonder enough at the fact that it was now pretended that the purchase thereof had taken place by order of the said Their High Mightinesses, whereas the Right Honorable Sir Governor had previously declared to his envoys Rahieman Alijchan and Sadiechan that one had indeed been forced to proceed thereto in order to recover the money lent by the Honorable Company to the defeated Prince, without, however, mentioning a word of the letter written to his father, the Souba, wherein that matter is treated in the same manner. And although, by an ample demonstration that this order cited by us consisted in having to take care by all possible means and consider all conceivable measures to obtain complete security for the Company's advanced funds, and that now this had already taken place through the purchase of those lands and notice thereof had been given to Their High Mightinesses with the transmission of the original deeds of sale, no alteration could well possibly be made therein by the Government or that purchase be abandoned, it being a matter done for the best of the Honorable Company, we asserted and maintained that these two kinds of statements concerning this matter were by no means contradictory, but could in all respects be reconciled with one another, and that therefore this entire objection was nothing but caviling over words that had not the least relation to the matter itself, whereby time only elapsed and the essential remained neglected, and to which we could not answer, he nevertheless persisted in his pretended displeasure at the fact that the matter was presented in two different ways, and asked us in a biting manner, if one acted in such a way, what trust could then be placed in the spoken words. Which, having been answered by us with a suitable reason to maintain the contrary, His Excellency, without giving any heed thereto, further continued that, if the Government of itself had possessed sufficient power (thus misinterpreting our aforesaid words in this manner) to purchase the new lands, it therefore notoriously possessed the authority to be able to cede them again, the more so because therein, if the advanced funds were paid by the Honorable Company, as he offered more than once in this negotiation to do down to a single duit, not the least prejudice for Her Nobility was contained, and such would also not at all be, nor could be, taken amiss by Their High Mightinesses, because thereby the highest orders thereof to let the Honorable Company obtain its money were punctually fulfilled. Without wishing to hear, with respect to this point, any further representations or remonstrances, however clearly we demonstrated the contrary to him and asserted that, although the Government by virtue of a general authorization might have power to do something, it was nevertheless not competent to alter the same again afterwards without special order, and however long we also urged this, he remaining steadfast on that matter, saying finally that he, having been sent by his father to take possession of all the lands belonging to the Principality of Tansjoer, being only a servant of the same, was absolutely obliged to comply with that commission, and thus could nor would desist from this article. Whereupon we served him with a brief and succinct reply, that he would please consider in the same manner that the Government here was subject in exactly the same way to the High Government at Batavia, and without its order in matters
Dutch transcription
411 van veragting aanhoorende, soo hebben wij op dat stuk ook niet langer kun„ nen blijven staan, maar ons wel genood„ saakt gevonden, tot het eerste lid van het tweede articul der Instructie over„ te gaan, en te betuijgen, dat de Regee„ ring onbevoegd was, die landen sonder speciale qualificatie van Haar Hoog Edelens af te staan, en de sulx op funda„ ment van Sodanige reeden, als ons dier„ weegens voorgeschreeven waren, het welk door sijn Excell: grimlaggende wederlegt wierd, met te seggen, dat hij Sig niet genoeg verwonderen konde, over dat men tans quam voor te wenden, dat de koop der selve op ordre van welmde haar hoog Edelens geschied was; daar den wel Edelen Gestr: Heer Gouver„ neur aan Sijne afgesanten Rahieman Alijchan en Sadiechan bevoorens ver„ klaard hadde, dat men daartoe wel genoodsaakt was geweest te treeden, om het door D' E. Comp: aan den over„ wonnen Vorst geleende geld te recou„ vreeren, sonder egter van de aan sijn vader den Souba geschreevene brief, alwaar die saak in selver voegen ver„ handelt staat, een woord te gewagen, /: en ofschoon wij door een ample demon„ stratie, dat deese door ons aangehaalde ordre daarinne bestond, dat men op alle mogelijke wijse sorgen, en alle uijtden„ kelijke middelen betragten moest, om vol„ komen seekerheijd voor 's Comp:s uijtge„ schootene gelden te hebben, en dat nu sulx door de koop dier landen reeds ge„ schied, en daar van aan haar hoog Edelens, onder toesending der origineele koop-brieven kennisse gegeeven was, daar inne door de Regeering niet wel mogelijk verandering gemaakt, of van die koop gedesisteerd werden konde, als een ten besten van d' E. Comp: gedeene saak sijnde, beweerden en staande hielden, dat dit tweederleij gesegde om„ trend deese saak gansch niet Contra„ dictoir, maar in allen opsigte met elkan„ der overeen tebrengen was, en dat over sulx dit gansche tegenwerp niet als fitterijen op woorden waren, die tot de saak op sig selfs geen de minste re„ latie hadde, waardoor de tijd maar ver„ liep en het wesentlijke agterweege bleef en waarop wij ook niet antwoorden handelt konden, 42 konden, so persisteerde hij egter bij sijn gewaand misnoegen over dat men die saak op twee verschillende wijse voor„ droeg, en vroeg ons op een bitse wijse, indien men dusdanig handelde, wat ver„ trouwen 'er dan in de gesprookene woorden gesteld werden konde, dat door ons met een gepaste reeden ter staande houding van het Contrarie beantwoord sijnde, ver„ volgde sijn Excell: sonder daar aan eenig ingang te verleenen alverder, dat, indien de Regeering van sigselvs magt genoeg gehad hadde, /:als leggende onse voorsz. woorden in deeser voegen verkeerdelijk uijt:/ om de nieuwe landen te koopen, se over sulx dan ook notoir de authoriteijt besat, om deselve weder te kunnen af„ staan, te meer, dewijl daarin, wanneer de geschootene gelden door D' E. Comp: betaald wierden, soo als hij in deese onder„ handeling meer als eens aanbood, tot een duijt toe te willen doen, geen het minste nadeel voor haar Edele opge„ slooten lag, en sulx door haar hoog Edelens ook gansch niet qualijk ge„ nomen soude, nog konde werden, dewijl daar door punctueel aan hoogst dersel„ ver ordre om D' E. Comp: aan haar geld te doen komen voldaan wierd, son„ der ten opsigte van dit poinct na eenige verdere vertoogen of remonstratien te willen hooren, hoe duijdelijk wij hem het tegendeel aantoonde, en beweerde, dat of schoon de Regeering uijt kragte van een generaale qualificatie wel iets ver„ mogt, te doen, deselve egter niet bevoegd was, om het selve naderhand sonder spe„ ciale ordre weder te veranderen, en hoe lange wij daarop ook urgeerde, als blijvende pal op dat stuk staan, on„ der het seggen eijndelijk, dat hij als door sijn Vader gesonden weesende, om alle de landen tot het Vorstendom van Tansjoer gehoorende, in besit te neemen, hij als maar een bediende van denselven sijnde, absolut verpligt was, die last na te komen, en dus van dit articul niet desisteeren konde nog soude; waarop wij hem kort en Saakelijk ten antwoord diende, dat hij inselvervoegen geliefde te Considereeren, dat de Regeering alhier even op deselvde wijse aan de hooge Regeering te Batavia Subject was, en sonder derselver ordre in saa„ ver ken
English
could and might undertake nothing in matters of importance; and furthermore, seeing that nothing more could be done about it, we proceeded to the second part of this article, namely, that His Excellency would then at least please exercise patience until the orders regarding this matter had been obtained from Their High Mightinesses, to whom the Souba's claim had already been presented, indicating that it was expected to obtain the same in two months, with the request that in the meantime all affairs of the Honorable Company, both in the Principality of Tanjore and the other lands of the Souba, be allowed to proceed according to custom. Concerning this request, he also expressed great surprise and asked us how one could make such proposals and speak first this way and then that, as he said was occurring in this respect; since the Right Honorable Governor, in a letter without mentioning any delay or that orders from Batavia had to be awaited, had finally declared that the Government would conduct itself as the Souba should come to regulate affairs, thereby intending to convey that they had submitted completely to his decision and thus showed they had the power to act at their discretion; and that now, on the contrary, it was being pretended that special orders from Batavia were needed, and therefore a delay was requested, with an ample demonstration that this was directly contradictory. And although, in refutation of this sought-after exception, we declared that what was written by the Right Honorable Governor could not nor should not be taken in such a broad sense, but that the true intention thereof was nothing other than that they would abide by whatever was deliberated and established between the Souba and the Commissioners sent to him on behalf of the Honorable Company, since they were provided with the same order as we were, to profess the incompetence of this request for the surrender of the lands, and if it could not be otherwise, to request the aforementioned delay from the Souba himself, but not to submit entirely to his will; and that consequently in this regard there resided not the slightest contradiction, but a merely misleading explanation of words in a narrower sense than they were written. Yet he heard this only with indignation, which was as evident to us from his demeanor and movements as from his question of whether we had wind and weather in our power to be able to determine a time when one would obtain news or an answer from or to anything across the sea, accompanied by several other similar arguments which he judged applicable and necessary on that subject to embarrass us with word-splitting, in which he was not a little supported by the cunning Goelam Celijchan, who sometimes also added something of his own, without in the least wanting to listen to our well-founded refutation—as we believe, submitting to wiser judgment—namely, that we did not fix that time firmly, but posed it as an estimate that we would then be able to get an answer to our dispatched letters, being the ordinary time for it. For in order to make us desist from this topic, where he perceived himself to be pinned down, he further asked us that, since the Government could not have foreseen whether the Souba would condescend to their request for a delay or not, there certainly must also be a decision laying down what would be done if he should refuse the same, and what it contained? Whereupon it was replied by us that nothing had yet been deliberated by us in that regard, on the grounds that it was firmly hoped and trusted that the Souba, in consideration of the great friendship existing between him and the Honorable Company, which His Highness on the part of their Honors had experienced and proved in a conspicuous manner both in person and family, would indeed grant this slight acknowledgment. At this he was extremely astonished, and said in a mocking manner, grinning
Dutch transcription
413 ken van gewigt niets onderneemen konde nog mogte; en voorts als siende dat daar„ aan niets meer te doen viel, tot het tweede Lid van dit articul overgingen, nament„ lijk, dat sijn Excell: dan ten minsten patientie geliefde te oeffenen, tot dat men deesen aangaande de ordre van haar hoog Edelens, aan wien des Soubas pretentie reeds voorgedragen was, er langt soude hebben, onder te kennen geeving, dat men veronderstelde, het selve in twee maan„ den te sullen bekomen, met versoek intusschen alle de saaken der E. Comp: soo wel in het Vorstendom van Tans„ joer, als de verdere landen van den Souba na usantie voortgang te doen neemen, over welke Jnstantie hij almee„ de betuijgde seer gesurpreneerd te sijn, en ons vroeg, hoe men sulx voorstellen, en dan eens dus en dan weder sodanig spree„ ken konden, soo als hij zeijde in dit opsigt te geschieden, vermits den wel Edelen Gestr: Heer Gouverneur bij een brief Sonder van eenig uijtstel, of dat 'er ordre van Batavia verwagt werden moest te gewaagen, finaal ver„ klaard hadde, dat de Regeering sig soo„ danig gedragen soude, als den Souba de saaken quam te reguleeren, daarmeede willende te kennen geeven, als of men sig geheel en al aan sijne decisie gesub„ mitteerd en dus betoond hadde, de magt te hebben, om na welgevallen te kunnen handelen en men tans ter Contrarie quam voortewenden, Speciale ordre van Batavia te benodigen, mitsg:s ten dien eijnde uijtstel begeerde, met een ample demon„ stratie, dat sulx regel regt tegens den anderen streed; En of schoon wij tot we„ derlegging van deese gesogte exceptie, wel betuijgde, dat het voormelde geschree„ vene door den Wel Edelen Gestr: Heer Gouverneur in soo een ruijmen sin, niet genomen konde nog moeste werden, maar dat de waare intentie daar van niet en ders was, dan dat men sig gedraagen soude aan het geene tusschen den Souba en de aan denselven van weegens D' E. Comp:e gesondene Gecommitteerdens beraamd en vast gesteld wierd, vermits deselve met een gelijke ordre als wij, om de onbe„ voegdheijd deeser begeering tot de over„ gave der landen te betuijgen, en soo het niet anders weesen konde, het voormeld danig uijtstel e 414 uijtstel van den Souba selvs te versoeken, voorsien waren, maar niet om sig geheel en al aan desselvs wil te súbmitteeren, en dat over sulx hier omtrend al weeder geen de minste strijdigheeden resideerde, maar een enkele abusive explicatie van woor„ den in een nauwer sin, dan ze ge„ schreeven waren; Soo hoorde hij het selve niet als met verontwaardiging aan, het geen ons uijt sijn houding en beweeging so wel Consteerde, als uijt sijn vraag of wij weer en wind in onse magt hadde, om een tijd te kunnen bepaalen, wanneer men over zee tijding of antwoord van= of op iets bekomen soude, verseld van meer ar„ dere soortgelijke reeden voeringen, die hij op dat Sujet applicabel en nodig oordeelde, om ons door woorde fitterijen in verleegendheijd te brengen, waarinne hij door den arguliftigen Goelam Celijchan, die 'er somtijds ook wat uijt sig selfs bij voegde, niet weijnig onder„ steund wierd, sonder na onse soo wij met onderwerping aan wijser oordeel ver„ meenen, gegronde wederlegging, als dat wij die tijd niet vast bepaalde, maar Calculatief stelden, alsdan antwoord op ons afgegaane schrijvens te sullen kunnen krijgen, als de ordinaire tijd daartoe, sijnde, in het minst te willen hooren, want om ons van dit Chapiter alwaar hij bespeurde pal geset te sijn, te doen afstappen, vroeg hij ons al„ verder, dat vermits de Regeering niet hadde kunnen voorsien, of den souba in derselver versoek om uijtstel condes„ cendeeren soude, of niet, 'er dan ook seekerlijk een besluijt leggen moest, wat men doen soude, indien hij sulx mogte refuseeren ? en wat het selve behelsde? Waarop door ons gerepli„ ceerd sijnde, dat daaromtrend door ons nog niets beraamd was, uijt hoofde men vast hoopte en vertrouwde, dat den Souba, uijt aanmerking van de groote vrindschap tusschen hem en D' E. Comp:e Subsisteerende; en dewelke sijn Hoogheijd van de zijde van haar Edele soo in persoon als familie op een uijtblinkende wijse ondervonden en beproefd hadde, deese geringe erken„ ten is wel toestaan soude, soo verwon¬ derde hij sig daarover ten uijttersten, en zeijde op een spottende wijse al op grim