VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3373

Coromandel · 580 pages · 213 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3373_0166 view scan ↗

English

duty of a commander-in-chief, as being after all primarily responsible for everything, provided that the necessary disclosure thereof was made by him to his Council Members whenever those matters had been concluded, or no longer required secrecy, or could also not be executed without prior consultation and resolutions; having requested after the conclusion of what was proposed to assist me in this instance with your advice, and to present your Honors' reasoned opinions put to paper at a subsequent Meeting. Now that day has arrived, and to my utmost satisfaction, at the opening of this Meeting, through the production of papers of which the contents have been composed by each of you according to his own opinion, I have been able to perceive that your Honors have taken the trouble to let your Honors' thoughts dwell upon those proposed propositions of the Court, which are so important and no less pregnant with unforeseen bad consequences. I have also, according to my duty, and as much as my other occupations both of the Government in itself and concerning the delicate circumstances in which we find ourselves allowed, reflected upon the same in quiet solitude, in order to impart to your Honors my preliminary advice, which shall only be brief and concise. Advice. Concerning the first, I am of the opinion that although one might maintain that the Nabab, upon conquering the Principality of Tansjoer, might make some moves or commit unjust outrages against the acceptance of the bills of sale of Kiewaloer, Naoer and Topotorre, especially against the Company's offices situated in his lands at Palliacatta, Sadraspatnam and Portonovo, it is nevertheless of the utmost necessity that one accepts the same, on those conditions—as long as no others that are more advantageous are proposed—on which the same have been offered. For although one may freely assume that the acquisition of such bills of sale will not remain so secret but that the Nabab, alongside his allies, will obtain knowledge thereof, whether through the courtiers of the Prince of Tansjoer, who have more their own interest in view than that of their master, or through others, and would thereby want to dispute our right which we deem to have to the same for and on behalf of the Company, yet neither he nor the English Gentlemen will be able to contradict the lien which the Company has acquired upon the same through the loan of a considerable capital, since this Prince of Tansjoer, as well as many of his ancestors from earlier times, yea even when the Moors were not yet possessors of Carnatica and a part of these lower lands, has already on several occasions been considered a legitimate lord of these lands by their High Mightinesses the High Indian Government and the Government of this place. This acceptance of bills of sale then taking place, which I say once again appears to me to be of the utmost necessity, serves for nothing else than to protect the Company from damage which it might sometimes come to suffer through the Nabab cum suis not acknowledging the legitimacy of the mortgaging, and at the same time for greater security, regarding which we are obligated pursuant to their High Mightinesses' secret letter of the 31st of December of last year, in case any apparent certainty presented itself that the Empire of Tansjoer should have to pass to the aforementioned Souba Mahometh Alichan, to set everything to work without delay that might be necessary and capable of keeping our right to the lands which the Prince of Tansjoer might have mortgaged to the Company in their full force and value, and to keep us in possession of the same until the full repayment of the loan and the accrued interest on the same, in order thereby to prevent in time that the

Dutch transcription

150 lijk van een hoofdgebieder, als tog in de eerste plaats voor alles Responsabel sijnde, mits dat daarvan door denselven aan sijne Raads Leeden de nodige opening gegeeven wierde, wanneer die saaken haar be„ slag gekreegen hadden, of geen secretes„ se meer vereijschten, of ook sonder voor¬ gaande raadpleeging en besluijten niet kon„ den worden uijtgevoerd, na het afloopen van het voorgestelde versogt gehad, mij in dit geval met derselver Raad te wil„ len assisteeren, en uwel Edelens berai„ sonneerde gevoelens ten papiere gebragt, bij een te volgene Vergadering te suppedi„ teeren. Thans is die dag verscheenen, en ik heb tot mijn uijtterste Contentement bij het ope„ nen deeser Vergadering door het produceeren van papieren, waar van den inhoud door een ieder ouwer na desselvs gevoelen is te samen gesteld, mogen ontwaaren, dat uwel Ed:s sig verledigt hebben, om over die soo aan„ geleegene en niet minder van niet te voor„ siene quade gevolgen weesende, voorge„ dragene propositien van het Hof, 5uwel Edelens gedagten te laaten gaan. Ik heb deselve dan ook volgens mijn Advis. Betreffende het eerste, zoo ben ik van gevoelen, dat alschoon men sustinee„ ren konde, dat den Nabab bij overmees„ tering van het Tansjoerse Vorstendom, tee„ gens de acceptatie van de koop-brieven van Kiewaloer, Naoer en Topotorre eeni„ ge beweegingen, dan wel onregtveerdige geweldenarijen pleegen soude, insonderheijd op de in sijne Landen gelegene Comp:s Comptoiren van Palliacatta, Sadras„ patnam en Portonovo, het egter van de uijtterste noodsaakelijkheijd is, dat men deselve accepteerd, op die voorwaarden, zoo lange geen andere die voordeeliger sijn, werden geproponeerd, op welke deselve pligt, en soo veel mij mijn verdere beesigheeden so van het Gouvernement op sig zelfs, als omtrend de neetelige omstandigheeden, waarin wij ons bevinden in stille een saamheijd overdagt, ten eijnde uwel Ed:s mijn preadvis, dat maar kort en saakelijk weesen sal, meede te deelen. pligt aan 151 aangebooden sijn. Want alschoon men vrij veronderstel„ len mag, dat de verkrijging van dierge„ lijke koop-brieven soo geheijm niet blijven sal, of den Nabab neevens sijne geallieer„ dens zullen daarvan, het sij door de hovelingen van den Tansjoersen Vorst, die meer hun eijgen intrest, dan dat van hunne meester bedoelen, dan wel door an„ dere, kennis krijgen, en daar door ons het regt zouden willen betwiften, het welk wij voor en van wegen De Compagnie vermeenen op het selve te hebben, zoo sal hij, nog de Heeren Engelsen egter niet kunnen teegen spreeken, het verband het welk de Comp:e door de beleening van een aansienlijk Capitaal op deselve ver„ kreegen heeft, nadien deese Vorst van Tansjoer so wel als veele sijner Voor„ saaten van vroeger tijden af, Ia selfs wanneer de Mhooren nog geen besit„ ters van Carnatica, en een gedeelte dee„ ser beneeden Landen waren, bereeds voor een wettig heer van deese Landen door Haar Hoog Edelheedens de Hooge In„ diase Regeering, en de Regeering deeser plaats bij verscheijden geleegendheeden is aangemerkt geworden. Deese acceptatie van Koop-brieven dan geschiedende /: gelijk ik andermaal seg dat mij voorkomt van de uijtterste noodsakelijkheijd te weesen :/ diend nergens anders voor, als om de Comp:e te bevrijden voor schade, die deselve Somwijlen door het niet erkennen van de wettigheijd der ver„ panding, door den Nabab C. S: Soude Kun„ nen komen te lijden, en teffens tot meer¬ der Securiteijt stelling, waarop wij in ge„ volge Haar Hoog Edelens secreete schrij„ ven van den 31.' December des voorleeden Jaars verpligt sijn, bij aldien 'er maar eenige schijnbaare seekerheijd sig opdeed, dat het Tansjoerse Rijk aan den meer„ melden Souba Mahometh Alichan soude moeten overgaan, al ten eersten alles in het werk te moeten stellen, dat nodig en be„ quaam weesen soude, om ons regt op de lan„ den, die den sansjoersen Vorst onder de Comp:e mogte verpand hebben, in haar vol¬ le kragt en waarde, en ons in de possessie derselve tot de volle afbetaaling van het beleende, en de verloopene renten op het selve, te doen blijven possideeren, om daardoor in tijds te precaveeren, dat is den

NL-HaNA_1.04.02_3373_0168 view scan ↗

English

the new possessor by no exceptions, if the said Subah of that realm, having become ruler by the sword, should cause the Hon. Company the least disadvantage, but that in such a fatal misfortune of Tansjoer one should take further such measures as were written by Their High Excellencies in an earlier letter of 16 February 1772. Concerning the second point, I am fully of the opinion that one must embrace that offer and not reject it, if only some reduction of the demanded sum of 100,000 pardauws or circa 45000 new Nagapatnam pagodas can be obtained, especially now, since the Company by that redemption would be entirely released from an obligation which has never denoted anything other than a subordinated habitation among many, and especially among the English gentlemen, and of which, as appears from what was noted in my respectful secret letter of 15 October 1772, as soon as the Tansjoer lands were overpowered by the Nabab, they would make a very damaging and extremely detrimental use. In order, therefore, not to fall into such a predicament damaging to the Company, necessity dictates that this servitude, as well as that of the elephants, be redeemed, and instead of the demanded sum of 100,000 pardauws, or 45000 new Nagapatnam pagodas, to offer the Prince 20 or at most 25000 pieces of that same coin, which sum appears to me to correspond best with Their High Excellencies' sentiment in the year 1740, at which time it pleased Their High Excellencies to write to this Government regarding that same burdensome matter that, if one could at the same time effect the other, namely the redemption of the recognition monies, one might in our opinion be a bit more generous therewith, to offer more than 20000 pagodas for an annual revenue of 2835 pagodas, but that Their High Excellencies nevertheless wished to defer to the sound judgment of this Government, in the trust that the greatest interest of the Company would be observed therein; from which wording it is also at the same time to be inferred that Their High Excellencies valued the cancellation of the contract regarding the recognition elephants higher than that of the recognition monies, and thus it provides clear proof that one may freely establish a proportionality between the payment of 30,000 pagodas for the former, and 20 to 25000 pagodas for the latter. And finally, concerning the third point, I am of the opinion that we, by virtue of the friendship and alliance that has existed for so many years between the Prince and the Company, are absolutely obliged to accept the Prince's family, regarding whom alone the request is made, into this city and to grant the protection of the Company, which cannot cause any displeasure to anyone, and especially not to the Nabab, who was in a similar situation in the year 1758 and was saved here in this city by flight from the persecutions of the French, who had besieged Madras at that time, and was granted the protection of the Company, if he is still animated with the least reasonableness, and thus no greater favor would be shown by the Company to other unfortunates than had been done to the Nabab himself. The undersigned has, according to his modest knowledge and experience, which he, to the Right Honorable Sir Reijnier Van Vlissingen. There, Gentlemen, is my opinion briefly laid open to your Honors, with the addition of such reasons as I have been able to trace in the shortness of time to substantiate the same; I hope that everyone, as far as his ability has allowed, will have put his views on paper regarding these critical affairs, in order that what is necessary and most advantageous for the Company may be decided thereon and inserted into the secret resolution of this day. Nagapatnam, 24 July 1773. Was signed: R:n van Vlissingen.

Dutch transcription

152 den nieuwe besitter door geene exceptien; wanneer gedagte Souba van dat Rijk door het swaard heerscher geworden sijnde, D' E. Comp:e het minste nadeel toebrenge, maar dat men in sulk fataal noodlot van Tansjoer al verder sodanige maatregulen neemen, als door Hoogst deselve geschreeven is bij een vroegere brief van den 16:' febr: 1772. Ten belange van het tweede, so ben ik volkomen van gedagten, dat men dat aanbod amplecteeren en niet van de hand wijsen moet, als 'er maar eenige vermindering van de g'eijschte Somma van 100'000. pardauws of C. C. 45000. nieuwe Nagapatnamse pagoo„ den te obtineeren is, insonderheijd thans, wijl de Comp:e door die afkooping ten eenemaal ontslagen soude worden van eene ver„ pligting, die nooijt anders, als eene gesubor„ dineerde inwooning bij veele, en insonder„ heijd bij de heeren Engelsen gedenoteerd heeft, en waarvan sij blijkens het geno„ teerde bij mijne Eerbiedige Secreete brief van den 15. ' October 1772. Soo dra de Tansjoerse Landen door den Nabab over„ meesterd waren, een seer schadelijk, en ten uijttersten nadeelig gebruijk souden maaken Ten eijnde dan in soo een voor de Comp:e schadelijk predikament niet te vallen, brengt het de noodsaakelijkheijd meede, dat servituijt so wel, als dat der Eliphanten aftekoopen, en in steede van de g'eijschte Somma van 100'000. pardauws, dan wel 45000. nieuwe Nagapatnamse pagooden den Vorst aantebieden 20. of uijterlijk 25000. stux dier selvde munt, welke somma mij toescheijnt best overeen te komen met Haar Hoog Edelens Sentiment in den Jaa„ re 1740. in welke tijd het Hoogst deselve behaagd heeft, aan deese Regeering over die selvde lastpost te schrijven, dat, wan„ neer men teffens het andere /: te weeten den afkoop der recognitie penningen :/ konde bewerken, mogte men onses bedunkens de hand wel wat beter daarmeede ligten, „voor een Jaarlyks revenu van 2835 pugooden als met 20000. pagooden „ te bieden, dat Haar Hoog Edelens egter aan het goed overleg van deese Regeering wel gede„ fereerd willen laaten, in vertrouwen, dat het meeste Intrest van de Comp:e daar„ inne soude werden betragt; uijt wel„ ke bewoordingen dan ook teffens opte maaken is, dat Haar Hoog Edelens de vernietiging van het Contract, omtrend de Ten Recoq - 153 recognitie Eliphanten hooger dan dat der recognitie penningen geschat hebben, en dus een klaar bewijs uijtlevert, dat men vrij tussen de betaaling van 30'000. pa„ gooden voor het eerste, en 20. â 25000. pagooden voor het laaste een evenreedig„ heijd stellen mag. En eijndelijk omtrend het derde, ben ik van oordeel, dat wij, uijt hoofde van de seedert soo veele Jaaren af, tussen de Vorst en de Comp: gesubsisteerd hebbende vrind= en bondgenootschap absolut verpligt sijn, de familie van den Vorst /:waar„ omtrend nog maar eenlijk vraag gedaan word :/ in deese stad te accepteeren, en de be„ scherming van de Comp:e te verleenen, het welk bij niemand, en insonderheijd bij den Na„ bab /: die in anno 1758. in een soortgelijk geval geweest is, en hier ter steede sig door de vlugt, voor de vervolgingen van de francen, welke in die tijd Madras be„ legerd hadden, gesauweerd geworden, en en de protectie van de Comp:e gegeeven is:) eenig ongenoegen wanneer met de minste reedelijkheijd nog besield is, geeven kan, en dus daar door geen meerder faveur door de Comp: aan andere ongeluckige beweesen Den ondergeteekende heeft na sijne geringe kennisse en ervarentheijd, die hij Wel Edele Gestrengen Heer Reijnier Van Vlissingen werden soude, dan aan den Nabab selvs geschied was. Zie daar Mijn Heeren, korte„ lijk uwel Ed:s mijn gevoelen, met bij„ voeging van sodanige reedenen, als ik in de kortheijd des tijds, tot staa„ ving van het zelve, heb kunnen na„ spooren, opengelegd, hoop ik, dat een ieder soo veel sijn vermogen heeft mee„ de gebragt, desselvs gevoelens over die Critique assaires sal hebben ten papiere gesteld, ten eijnde het nodige en meest voordeeligste voor de Comp:e daar op beslooten, en bij de secreete resolutie van deesen dag geinsereerd te kunnen werden. Nagapatnam den 24. ' Julij 1773. /:was geteekend:/ R:n van Vlissingen. — werden tsee

NL-HaNA_1.04.02_3373_0170 view scan ↗

English

...which he has obtained since his stay here regarding the state of this and that matter of this Coast, having maturely reflected upon and thoroughly weighed the three proposals made on behalf of the Tanjore Court, and would therefore gladly admit to having found them, but especially the first two points, to be of the greatest weight and the utmost consequence, to such an extent even that he finds himself not a little perplexed to provide Your Right Honourable with a well-founded and plausible advice on this matter, as very much can be brought against them, in order that the Honourable Company in due time, namely when the Prince of Tanjore should succumb under the power of the Nabob, might enjoy those presentations made and thus obtain and possess in lawful property the lands already mortgaged to their Honours, namely: the Province of Kiewaloer and the two seaports of Naoer and Topotorre, with their dependencies, and thus at the same time as sovereign Lord and Master, without the least hindrances, interference or encumbrance from the Prince or his successor, or anyone else in the future, to be able and permitted to act, do and refrain, with those as well as with the lands already long possessed in property by the Honourable Company as its own lawfully acquired property, in such manner as their Honours shall constantly be pleased to deem fit. Then, since necessity currently absolutely requires to choose the best of two evils, indeed time itself at present does not permit to hesitate long in this, the more so because the Nabob is already actively engaged in executing his design against the Prince of Tanjore, which is as wicked and scandalous as it is contrary to all right and reason, and thus at the same time no less ruinous, indeed who knows against whom else in time, the undersigned nevertheless believes, under correction of wiser opinions, that there is nothing else or better for the Honourable Company in this delicate and critical juncture of time than to embrace what has been proposed on behalf of the Tanjore Court, and thus, for greater security of the aforementioned lands mortgaged to the Honourable Company, to accept the deeds of sale confirmed with the Prince's seal, and to redeem the recognition monies, etc., as both are of no small importance to the Honourable Company, and that all the sooner and the more so because it has already cost all too much trouble and headache etc. to get and bring those lands so far under the power of the Honourable Company, and it would therefore at the same time be most regrettable and vexatious, indeed most lamentable, to have to lose them again shortly, to surrender them, and to hand them over to the aforementioned Nabob and his adherents, should he become master of the Principality of Tanjore, as it is very apparent that he surely will become, unless the Prince is most suddenly and unexpectedly effectively assisted by this or that other native ruler, which latter circumstance, however, would otherwise pose no danger or difficulty if the Honourable Company is provided with proper deeds of sale for the aforementioned lands, unless the frequently mentioned greedy and spiteful Nabob, moreover, per fas et nefas, should wish and be able to make himself Lord and Master of everything he merely imagines ought to be ceded or belongs to him, be it lawfully or unlawfully, but in which latter case the Honourable Company would then either equally have to put up with it, or oppose it, in such manner as their Honours should deem best to do or leave undone for the maintenance of their right, honour and esteem; and for this, as well as for other weightier reasons, it would, in the humble opinion of the undersigned, be desirable that the Prince of Tanjore could and might immediately be supported and helped with might and main by the Honourable Company itself against that violent and crafty enemy, the Nabob and his adherents, not only to preserve that Prince, currently so miserable and calamitous, to the notable advantage of the Honourable Company in due time, but also to be able thereby to prevent the most harmful and vexatious consequences that otherwise will surely result from this ruinous war and...

Dutch transcription

154 t seedert sijn verblijf alhier van wegens de gesteldheijd van deese en geene saaken deeser Custe heeft verkreegen, rijpelijk overdagt, en wel ter deegen overwogen de drie gedane propositien van wegens het Tansjoerse Hof, en wil over sulx gaarn bekennen, deselve, edog voor al de twee eerste poincten van 't grootste gewegt en de uijtterste aangelegentheijd te hebben bevonden, in so verre selfs, dat hij sig niet weijnig verleegen vind om daarom„ voor- trend /: als seer veel en teegen deselve intebrengen sijnde :/ een wel gegrond en plausibel advis uwel Edele Gestren„ ge te suppediteeren, ten eijnde D' E. Comp:e te sijner tijd, te weeten: wanneer de Vorst van Tansjoer onder de magt van den Nabab mogte komen te beswijken, soude mogen gauderen, van die gedaane presentatien en dus in wettige eijgendom erlangen en besitten de bereeds aan Haar Ed:s verpande landen, te weeten; de Provintie Kiewaloer en de beijde Seeplaatsen Naoer en Topotorre, met derselver onderhoorig„ heeden, en soo teffens als souverain Heer en Meester sonder de minste beletselen, bemoeije„ nisse ofte beswaarnisse van den Vorst of des„ selvs Successeur, dan wel iemand anders voor het vervolg so wel met die, als met de bereeds voor lange bij D' E. Comp:e in eijgen„ dom beseeten wordende landen, als haar eijge wettig verkreegen goed, soodanig te kun„ nen en mogen ageeren, doen en laaten, als haar Edele steeds sal gelieven goed te vinden. Dan dewijl het de noodsaakelijkheijd tans absolut vereijscht, om van twee quade het beste te kiesen, Ja de tijd selvs â pre„ sent niet en permitteerd, om in deese lange te haesiteeren, te meer, dewijl den Nabab bereeds werkelijk beesig is, om sijn soo boos en ergerlijk, als teegens alle regt en reeden strijdende, en dus teffens niet min verderffelijk voorneemen tegens den Vorst van Tansjoer /:ja wie weet in der tijd tegens wien nog al meer :) ter executie te brengen, alsoo vermeent den onderge„ teekende egter onder Correcie van hoog wijsere gevoelens, dat 'er voor D' E. Comp:e in dit netelige en Criticque tijds gewrigt niet wel anders of beeters op is, dan het geproponeerde van weegens het Tansjoerse Hof te amplecteeren, en dus tot meerdere securiteijt van de aan d' E. Comp:e voormel„ selvs de 155 de verpande landen te accepteerende met 's Vorsten segel bekragtigde koop„ brieven, en de recognitie-penningen afte„ koopen Etc. als het een en ander van geen gering belang voor d' E. Comp:e sijnde, en dat nog te eer en te meer, dewijl het be„ reets al te veel moeijte en hoofd-breekens etc: heeft gekost, om die landen voor soo verre onder de magt van D' E. Comp:e te krijgen, en te brengen, en het oversulx teffens ten uijtterste Jammer en spijtig, Ja beklagelijkst soude sijn, van deselve eerlange weder te moeten missen, afstand doen, ende overgeeven aan de meerm: Na„ bab C. S. , wanneer hij meester van het Vorstendom Tansjoer mogte worden, ge„ lijk seer apparent is, dat hij seekerlijk worden sal, soo de Vorst niet op het al„ ler subietste en onverhoedste kragtda„ dig door deese of geene andere meede In„ landse Regent worde geadsisteerd, het welke laaste egter anders soo ligt geen nood of swarigheijd heeft, wanneer D' E: Comp: van behoorlijke koopbrieven van voormelde Landen is voorsien, ten waa¬ re dik gerepte so hier sugtige, als wree„ vel moedigen Nabab daar en boven nog per fas et nefas sig teffens Heer en Meester wilde en konde maaken van al het geen hij sig maar verbeeld hem te moeten worden afgestaan ofte te Com¬ peteeren, 't sij dan wettig, of onwettig, edog in welk laaste geval D' E. Comp:e sig alsdan evengelijk sulx soude moeten laaten welgevallen, dan wel daar tegen in oppositie treeden, indiervoegen als Haar Edele tot mainctenue van derselver regt, Eer en agting soude vermeenen best gedaan of gelaaten te worden, en daar„ om als om meer andere gewigtige reedenen, waare het na des ondergeteekende geringe sustenue wel te wenschen, dat al aanstonds den Vorst van Sansjoer door D' E. Comp: selvs teegens dien geweldigen en arg listigen vijand den Nabab C. S. met magt en kragt konde en mogte worden ondersteunt en geholpen, om niet alleen dien tans so elendigen als rampsaligen Vorst te behouden tot merkelijk voordeel van D' E. Comp:e in der tijd, maar ook om soo teffens daardoor te kunnen praevenieeren de allerschadelijkste en ver„ drietigste gevolgen, die anders seeker„ lijk uijt deese ruineusse oorlog ende per daar

NL-HaNA_1.04.02_3373_0172 view scan ↗

English

the subsequent impending defeat of the Prince and the loss of his realm are bound to result, to the significant prejudice of the Honorable Company; on the other hand, etc., at the very least I deem it of the utmost necessity for the present that a good quantity of troops, both European and Malay, be sent here from Ceylon, so that such use can be made of them in due course as the circumstances of time and matters shall absolutely require, etc., etc. Concerning the first question of Your Right Honourable, whether one shall, can, or cannot accept the deeds of purchase that are offered, I answer by way of advice that the same ought to be accepted, provided care is taken that the sum does not exceed and also does not decline too much from the essential value of the above-mentioned mortgaged lands, and that therefore, instead of 250000 pagodas, indeed 300000 pagodas may be set in the deeds of purchase, namely 240000 pagodas for the province of Kiewaloer, and 60000 pagodas for Naoer and Topotorre; furthermore, that a means ought to be devised in what manner the mortgaged jewels can best remain concealed, as otherwise, in the unexpected event of an incident regarding the same by the repeatedly mentioned Nabab, various quibbles might sometimes be raised which could also be, or become, of detrimental consequence for the Honorable Company concerning the aforementioned purchased lands. Concerning the second question, I am of the opinion that for the redemption of the tribute money, at the very most 25000 pagodas can be paid, provided that for the renunciation and cancellation thereof by the Prince such powerful and binding deeds of agreement are procured for the Honorable Company that it shall most clearly and distinctly appear that the Honorable Company from now on shall no longer be held or obliged to the Prince, or those who come or shall still come after him, to furnish or pay for this or that, however named, and under whatever pretext it might be, namely in this respect. Speaking or answering, according to the modest opinion of the undersigned, the third question answers itself, that the Honorable Company cannot well refuse to accept the Wife and the further family—yea, even were it the King himself, just as well as was previously done for the Nabab—under the protection of its Flag in this city, and that as well on account of the close alliance, the good and faithful intelligence and correspondence that has hitherto subsisted between the Honorable Company and the Prince, as for the reason that the Nabab has resolved, in the most unreasonable, yea completely improper manner, not only, but already, as said, is busy joining all his forces to overpower the aforementioned currently helpless and desperate Prince, and thus at the same time become master of him, his realm, and his land, etc. Herewith I have the honor to remain with the utmost respect and high esteem, underneath stood: Right Honourable Sir! Your Right Honourable's most humble servant, was signed: Hs Leembruggen, in margin: Nagapatnam the 24th of July Anno 1773. Third To accept the Prince's Wife and family, was signed: I: E. G: Haselman. Advice of the undersigned Merchant and Fiscal concerning the following offer and petition made on behalf of the Tanjore Court by the Prince's envoy Narsinga and ha- Second Proposition Concerning the tribute money, it is my opinion that it would be most advantageous for the Honorable Company to redeem the same on this occasion. First Proposition Regarding the deeds of purchase, I am of the opinion, since up to this day the Nabab has not made known any manifesto or the slightest thing to the Dutch Company, to accept the same. First Having given ripe consideration to what has been offered and requested by the aforementioned persons, consisting of this: First: To procure proper deeds of purchase, validated with the Prince's seal, for the province of Kiewaloer, likewise the maritime places Naoer and Topotorre, recently mortgaged by the Prince to the Honorable Company for 250000 pagodas, under this condition nevertheless: that in case he should happen to succumb under the power of the Nabab and company, the aforesaid lands shall then belong to the Company in full property, but if the Prince triumphs, and thus remains master of his realm, the aforesaid deeds of purchase shall be returned, and those lands again, as at present, be regarded as mortgaged lands according to the bonds signed for them. Secondly: To renounce the tribute money that the Company has hitherto paid annually to the Prince up to a sum of 5000 pardauws; provided that in compensation thereof he receives a considerable sum of 100000 pardauws, or amounting to about 45000 pagodas, being approximately as much as the Company would have to pay in the span of twenty years, however after deduction of three years for which the Prince is still in arrears on account of the tribute money furnished in advance, and Thirdly: Whether, in case the Prince should have the misfortune to succumb under the power of the Nabab and company, or deemed it advisable before the capture of Tanjore, to send his Wife and family here and secure them in this place, one would accept them under the protection of the Company. Thus, with respect to the first-mentioned point, or the offering of deeds of purchase of the already mortgaged province of Kiewaloer, and the maritime places Naoer and Topotorre, weldaar Cannagasawea for the security of the lands mortgaged to the Company of Topotorre

Dutch transcription

156 daarop te volgen staande nederlage van den Vorst, en het verlies van sijn Rijk staan gebooren te worden, in mer„ kelijke prejuditie van D' E. Comp:e daar en tegen etc:. , ten minste dit agte ik voor eerst hoog noodsakelijk, dat een goede quantiteijt militairen soo Europeese, aels Maleijers van Ceijlon herwaards wor„ den gesonden, om daar van te sijner tijd sodanig gebruijk te kunnen worden ge¬ maakt, als de omstandigheeden van tijd en saaken sulx absolut vereijsschen Sullen Ete. Ete. — Omtrend de eerste vraag dan van uwel Edele Gestrenge, of men de koop„ brieven die aangebooden worden, acceptee„ ren sal, kan, daen wel niet, antwoorde ik bij wijse van advis, dat deselve die„ nen te worden geaccepteert, mits sorge gedragen wordende, dat de somma niet excedeere en ook niet te veel declineere de wesentlijke waarde van de bovengem: verpande landen, en dat dus in steede van 250000. wel 300000. pagooden bij de koop„ brieven kan worden gesteld, te weeten 240'000. pagooden voor de provintie Kie„ waloer, en 60'000. pagooden voor Naoer en Topotorre, als meede dat een middel diend te worden bedagt, op wat wijse best de verpande Juweelen sullen kunnen blijven gesecreteerd, als andersints bij on„ verhoopt toeval omtrend deselve door meerm: Nabab Somwijlen deese en geene Captien sullende kunnen worden gemaakt, die teffens voor D' E. Comp:e van een nadee„ lig gevolg soude kunnen sijn, of worden, omtrend de meermelde gekogte Landerijen. Omtrend de tweede vraag, vermeene ik, dat tot afkooping van de recognitie penningen op sijn aller hoogst 25000. pa„ gooden kunnen worden betaald, mits van dies afstand en vernietiging door den Vorst soodanige kragtige en bondige Cauls D' E. Comp: worden besorgt, dat daarbij op het klaarste en duijdelijkste komen te blijken, dat D' E. Comp:e van nu voortaan niet meer aan den Vorst, of die na hem komt of nog komen sullen, gehouden of verpligt sal weesen, op te brengen of te be„ taalen, voor dit of dat, hoe ook genaamt, en onder wat pretext het ook soude mo„ gen weesen, te weeten ten deesen opsigte. — Spreekende of beantwoordende na des ondergeteekende gering gevoelen, de Derde en 157 Eerste Propositie Derde vraag sig van selfs, dat D' E. Comp:e niet wel weijgeren kan, om de Vrouw en de verdere familie /: Ja al was het selvs den Koning even soo goed, als men den Nabab wel eer gedaan heeft :/ onder de be„ scherminge van derselver Vlag in deese stad te accepteeren, en dat so wel uijt hoofde van de nauwe alliantie, de goede en getrouwe Jntelligentie en Correspon„ dentie, die tussen D' E. Comp:e en den Vorst dus lange heeft gesubsisteerd, als om ree„ den, de Nabab op de aller onreedelijkste, ja gantsch onbetamelijkste wijse voorge„ nomen heeft, niet alleen, maar bereets gelijk gesegt beesig is, met alle sijne kragten te samen te spannen, om meer„ melde tans redde= en radeloose Vorst 't' onder te brengen, en soo teffens meester van hem, sijn Rijk en land te worden Etc. Hiermeede heb ik de Eere met de uijtterste Eerbied en hoogagting te ver„ blijven /: onderstond:/ Wel Edele Gestren„ ge Heer! uwel Edele Gestrenge gansch onderdanigen Dienaar /: was geteekend :/ H„s Leembruggen /:in margine:/ Nagapatnam den 24. ' Julij A„o 1773. Derdens Des Vorstens Vrouw en familie te accepteeren /:was geteekend:/ I: E. G: Haselman. Advis van den onderge„ teekende Koopman en Fis¬ caal over de volgende aan„ bieding en Jnstantie van wegen het Tansjoerse Hof gedaan door 's Vorsten af„ gesant Narsinga en ha„ Tweede Propositie Wegens de recognitie penningen, is mijn gevoelen, het voordeeligste voor D' E. Comp:e te sijn, deselve bij deese gelegendheijd af te koopen. Aangaande de Koop-brieven, ben van gevoelen, dewijl tot heeden toe den Nabab geen manifest of het gering„ ste aan de Hollandse Comp:e heeft bekend gemaakt, deselve te accepteeren. Eerste wel daar 158 Mijne gedagten rijpelijk hebbende laaten gaan, over het aangebodene en versogte door evengemelde Personnen, hier in bestaande: Eerstelijk: Om van de Jongst door den Vorst aan D' E. Comp:e voor 250000. pagooden verpande provintie Kiewa„ loer, item de Zeeplaatsen Naoer en Topotorre, behoorlijke koop-brieven met 's Vorsten zegel bekragtigt te sul„ len besorgen, onder deese voorwaarde nogtans, dat ingevalle denselven on„ der de magt des Nababs C. S. mogte komen te beswijken, de voorsz: Lan„ den alsdan de Comp:e in eijgendom sul„ len toebehooren, dog den Vorst trium„ pheerende, en dus meester van sijn Rijk blijvende, de voorsz: koopbrieven te rug gegeeven, mitsgaders die Landen weeder, gelijk tans, als verpande Lan„ den, volgens de daarvan gesigna„ leerde obligatien aangemerkt werden. Ten Tweeden: Om afstand te sullen doen Zoo ben ik ten opsigte van het eerstge„ melde point, ofte de aanbieding van koop„ brieven der reeds in pand genomene Provin„ tie Kiewaloer, en de Zeeplaatsen Nader en van de recognitie-penningen, die de Comp:e tot nog toe 's jaarlijx tot een Somma van 5000. pardauws aan den Vorst betaald heeft; mits daar voor tot een recompens genietende een aansien„ lijke Somma van 100000. pardauws, of CC. 45000. pagooden uijt maakende ten naasten bij soo veel De Comp:e in den tijd van Twintig Jaaren soude moe„ ten betaalen, egter na detractie van drie Jaaren, die den Vorst wegens de vooruijt verstreckte Recognitie pennin„ gen nog ten agteren staat, en Ten Derden: Of men, ingevalle den Vorst het ongeluk mogte hebben, om onder de magt des Nababs C. P. te beswijken, dan wel voor de overmeeste„ ring van Tansjoer geraaden oordeelde, sijn Vrouw en familie dit heen te senden, en alhier te secureeren, deselve onder de bescherming van de Comp:e wilde aanneemen. weldaar Cannagasawea tot securiteijt van de aan de Compe: verpande Landen van Sopotorre

NL-HaNA_1.04.02_3373_0175 view scan ↗

English

Humble advice of the undersigned regarding the three propositions submitted by the envoys of the Tanjore Court, Narsinga Rauw Bosale and Cannagasawea Poele, and presented to this Assembly on the 14th of this month by the Right Honorable Lord Governor for mature deliberation, so that everyone, in accordance with the resolution of that date, may submit his opinion in writing at a following session; which the respectful undersigned, pursuant thereto, currently has the honor to do. Topotorre under the prince's seal, of the opinion that one cannot do wrong by accepting that presentation, albeit conditionally, since the Prince is entirely free to deal with his anciently acquired possession according to his own pleasure; besides which, the Company, being provided with such documents, firstly possesses full right of ownership, and the same can also in that case, with greater foundation than otherwise, be maintained according to ability. Concerning the proposed surrender of the recognition money paid annually up to now by the Company to the Prince in the sum of 5000 pardauws, provided that for this, as a recompense, he receives an excessive sum of 100,000 pardauws; I maintain that, although the aforesaid recognition in itself constitutes a burden for the Company, and it is thus desirable that it may be freed from it, nevertheless the demand made for it is far too exorbitant, and moreover, in the present uncertain circumstances of the times, it is not advisable to undertake anything regarding this without having first requested and obtained the esteemed approval of the High Indian Government concerning this matter. And as to what further concerns the question of taking the Prince's family under the protection of the Company's flag here, regarding that I join my advice to the sentiments of the Assembly that mostly agree with each other in this matter. Was signed: M:s Koning. In the margin: Nagapatnam, the 20th of July, Anno 1773. That the Tanjore Court currently finds itself in a very delicate situation, indeed possibly on the brink of its ruin, is fully demonstrated by its proposals to the Honorable Company, which are no less advantageous than important, since they would otherwise never have arrived at such an extremity; on which account the same, being of very great weight and consequence, require to be deeply considered. And since it is impossible to erect a good building without having first laid a good foundation, it will be necessary to take some remarks beforehand as a basis, in order to be able to build upon them afterwards with all the more confidence. I find myself all the more obliged to do this, since it has frequently occurred to me with indignation that the English Gentlemen, regarding a very important point, differ in opinion from us in the most unreasonable and unjust manner, and it appears to me that the welfare of the Honorable Company, as well as the righteousness of our opinions, depends on the validity or invalidity of their proposition. This proposition, so very pernicious to the Honorable Company, consists in: "That the King of Tanjore is not a sovereign Lord and Master of his lands, and thus does not possess the same in ownership, but only holds them from the Mughal as a vassal; that it is therefore not within His Majesty's power to dispose of them according to his pleasure, or to pledge, sell, or give away any parts thereof." Splendid indeed! Nor could a more plausible means or better pretext be devised to brew much trouble and mischief for the Honorable Company in this critical juncture of affairs under the guise of triumph, underhanded, and to carry out their ruinous intentions, by means of the Subah, whom they after all have under their control and power, with a semblance of justice. That I do not say too much here, nor draw a loose conclusion from their unjust assertion, let the constantly circulating rumors serve as proof. But upon what foundation their opinion is based, I do not know, wherefore I cannot demonstrate the defectiveness thereof either; I shall therefore only occupy myself with examining the truth or untruth of their proposition: The question then is, whether the Kingdom belongs to the King of Tanjore in ownership, whether he is completely Sovereign over it, and whether he can deal with the same, or at least a part thereof, as his own property, and pledge, sell, and give it away at his discretion? To this threefold question, I believe, with submission to wiser judgment, that one can answer with a full Yes, for the following reasons: Firstly: because, although the Kingdom owes tribute or homage to the Mughal, and with him to the Subah, the same has nevertheless up to this day, not having been conquered by them, been possessed by the Tanjore Princes by hereditary right under a full title of ownership without contradiction. Now, one inherits nothing in such a manner except that which belongs to the testator in full ownership, and over which he has complete disposal without the consent of another; therefore, the Tanjore Kingdom, although owing tribute, has nevertheless remained in full ownership of the Prince. This also corresponds accurately with the law of nature, as can be seen in Hugo Grotius, in his Law of War and Peace, Book 2, chapters 7, 8, 20, and 21, where he, after having demonstrated in the preceding paragraphs and in Book 1, Chapter 3, the distinction between Kingdoms that are possessed in a complete manner and are hereditary, and those which receive the manner of holding them from another, and also that such a complete hereditary kingdom is a part of the inheritance, continues in this manner: "But in one's own hereditary property it is different than in fiefs, there shall also..."

Dutch transcription

159 Topotorre onder 's vorsten Zegel van gevoelen, dat men niet kan misdoen met die presen„ tatie, schoon Conditioneel te accepteeren, al„ soo het den Vorst volkomen vrij staat, met sijne van ouds verkreegene besitting naar eijge welgevallen te handelen, buijten en behalven, dat de Comp:e met sodanige be„ wijsen voorsien werdende, voor eerst het volle regt van eijgendom besit, en het sel„ ve ook in dien gevalle met meerder fon„ dament als anders, naar vermogen kan gemaintineert werden. Betreffende de gepresenteerde af„ „stand van de Recognitie-penningen door de Comp:e tot nu toe aan den Vorst 's jaarlijx betaald sijnde ter somma van 5000. pardauws, mits daar voor tot een recompens genietende een excessive somma van, 100'000. pardauws; susti„ neere ik, dat of schoon de voorsz: recog„ nitie in sig selve, een lastpost voor de Comp:e uijtmaakt, en het dus te wenschen is, dat deselve daarvan mag bevrijd raaken; nogtans de daar voor gedane Eijsch al te exhorbitant, en het boven dien in de presente onseekere tijds-om„ standigheeden niet geraaden is; daar omtrend Needrig Adris van den ondergeteekende, no„ pens de door de afgesanten van het Tansjoerse Hof Narsin„ ga Rauw Bosale en Canna„ gasawea Poele voorgestelde en den 14. ' deeser door den Wel Edele Gestrenge Heer Gouverneur deeser Vergadering ter rijpe overweeging voorge„ dragene drie propositien, ten eijnde een iegelijk volgens iets te onderneemen, sonder al voorens het g'eerd goedvinden der Hooge Jn„ diase Regeering deesen aangaande versogt en bekomen te hebben. — En wat wijders de vrage tot aan„ neeming van 's Vorsten familie onder de bescherming van 's Comp:s vlag alhier, aanbelangd, daar omtrend voege ik mijn advis bij de meeste met den an„ deren in deesen overeenkomende senti¬ menten der Vergadering (:was Getee„ kend :/ M:s Koning /:in margine:/ Nagapatnam den 20. ' Iulij A„o 1773. iets besluijt 166 besluijt van dien datum hier over sijn gevoelen bij eene vol„ gende Sitting schriftelijk over„ geeve, het welk den Eerbie„ digen Teekenaar ingevolge van dien, de Eere heeft tans te doen. Dat het Tansjoerse Hof sig tans in eene seer netelige omstandigheijd, ja mogelijk op den oever sijns verderfs bevind, deno„ teeren Sijne voor D' E. Comp:e niet min voor„ deelige als aangelegene voorslagen ten vollen, alsoo sij anders nooijt tot sulk een uijtterste zoude sijn gekomen, wes„ halven vereijsschen deselve, als van seer groot gewigt en gevolg sijnde, wel diepelijk overdagt te werden. En nadien het onmogelijk is, een goed gebouw te stigten, sonder al voorens een goed fondament gelegt te hebben, sal het nodig sijn, vooraf eenige aanmerkin„ gen tot eenen grondslag te neemen, ten eijnde 'er vervolgens met soo veel te meer gerustheijd op te kunnen bouwen; Ik vinde mij te meer hier toe ver„ pligt, vermits mij meermalen met veront„ waardiging is te vooren gekomen, dat de Heeren Engelsen omtrend een seer gewig¬ tig punt op de onbillijkste en onregt„ vaardigste wyse, met ons van begrip ver„ schillen, en 't mij toeschijnt, dat het wel„ vaaren der E. Comp:e so wel, als de regt„ matigheijd onser advijsen van de gegrond= of ongegrondheijd hunner stelling af„ hangt. — Deese voor D' E. Maatschappij soo seer pernitieuse stelling bestaat in „ Dat den Koning van Sansjoer geen „ souveraine Heer en Meester sijner lan„ „den is, en dus deselve niet in eijgendom, „maar eenlijk Mochol als Leenman be„ „sit. dat het dierhalven niet in de magt „ sijner Majesteijt sij, daarover na wel„ „gevallen te beschicken, of eenige gedeel„ „tens daarvan te verpanden, verkoopen, „ nog weg te schenken". Treffelijk voorwaar! ook kan 'er geen waarschijnlijker middel, nog beter voorwendsel worden uijtgedagt, om D' E. Comp:e in dit tijd gewrigt van saaken bij Zegen praling (:onder de hand :) veel spuls en onheijls te brouwen, en hunne verder„ felijke voorneemens /: door wegen van de waardiging Souba 161 Souba, wien hij tog onder hun bedwang en magt hebben :/ met schijn van regt, ter uijtvoer te brengen. Dat ik hier niet te veel zegge; nog uijt hunne onregtvaardige Sustenue een los gevolg trecke, doe ik de geduurig over„ waijende gerugten, ten bewijse dienen. Dog op welk fondament hun gevoelen gegrond is, weet ik niet, weshalven de on„ deugdelijkheijd daar van ook niet kan aantoonen, ik sal mij dierhalven maar beesig houden met de waarheijd of onwaar„ heijd hunner stelling te ondersoeken: De vraag is dan, of het Rijk den Koning van Tansjoer in eijgendom behoort, daar over volkomen Souverain is, en met het selve, of ten minsten een gedeelte daar„ van, als eijgen goed handelen na wille„ keur verpanden, verkoopen en weg schen„ ken kan ? Op deese drieleedige vraag, vermee„ ne ik /: met onderwerping aan wijser oor„ deel :/ om de volgende reedenen volkomen Ja: te kunnen antworden. Eerstens: om dat, schoon het Rijk den Mochol /:en met den Pouba:/ schatting, of hulde schuldig sijn het zelve egter tot heeden toe, als van hun niet overmeesterd sijnde, door een volkomen regt van eijgen„ dom sonder weerspraak, door de Tansjoer„ se Vorsten Erfelijk beseeten is: Nu, men erft niets op dusdanige wijse, dan 't geen den Erfmaaker in vollen eijgendom behoort, en waar over hij buijten toestem„ ming van een ander, volkomen beschik„ king heeft, dierhalven is het Tansjoerse Rijk, den Vorst, schoon schatting schul„ dig, egter in volkomen eijgendom geblee„ ven, ook komt dit naauwkeurig met het regt der natuure over een, gelijk men bij Hugo Grotius in sijn regt des oorlogs en des vreedens B. 2. lb 7. 8. 20. en 21. zien kan, alwaar hij, na in de voorige paragrafen en in Boek 1. A. 3. het onderscheijd te hebben aange„ toond tusschen Rijken die op eene vol„ kome wijse beseeten worden, en erfe„ lijk zijn, en de zoodanige, welke de wijse van die te hebben, van een an„ der ontfangen, mitsgaders dat een soo volkomen erfrijk, ook een gedeelte der Erfenisse zij, deeser wijse vervolgt „ Maar in eijge Erf-goederen anders „ is, dan in leen goederen, daar sal ook heeden de

NL-HaNA_1.04.02_3373_0178 view scan ↗

English

162 "succession, if the Realm is not a Fief, or at least NB. was not originally so, although homage is rendered for it afterwards, takes place according to that same law by which it occurs in allodial property at the time when the Realm was established. But in such Realms as have been granted from the beginning as Fiefs by him who was the absolute Lord thereof, one must proceed according to the law of succession in fiefs, etc." Now the law of succession also includes the law of power; that is, that such a Fief-realm, as is described here, retains alongside the succession also at the same time that same power which it held at the time when the Realm was established, as Grotius says. That the Realm of Tanjore was never a Fief-realm (if it can even be called such at all) requires no proof; therefore the Prince retains to this day the same right and power as God gave to him and his Ancestors from the beginning. I say again, if the Realm of Tanjore can even be called a fief-realm; since the contrary appears to me incontrovertible. For paying tribute to someone and holding certain lands from him in fief must surely not be confounded with one another as one and the same thing; indeed Grotius makes an essential distinction therein in the aforementioned work, Book 1, Chapter 3. For after having demonstrated in § 21 that someone can hold supreme authority and Dominion even though he is bound to an unequal alliance, he proves the same in the following paragraphs by two very notable examples, of which the first is taken from such realms as pay tribute, and the other from such as are bound by feudal law; on which account they are also different from one another. Those that pay tribute he calls such as pay a certain sum either to avoid vexation or to obtain assistance; such a one was the Eastern Roman Empire in the time of Justinian, since he gave the Persians a certain sum of money under the honorable name of subsidy for securing the Caspian sea mouths. And as the Turks still do today 163 to the Arabs of the mountains, without it ever having entered anyone's mind, so far as I know, not to regard the said realms on this account as completely Sovereign. As such a one, namely: one who pays tribute to prevent vexation, and no further, I judge that the Prince of Tanjore can alone be regarded; and it is of such Kings that Emperor Antoninus said "that it was not reasonable to be a King and yet to have to account for one's actions which one had done as a King." Secondly: Because this right and this Power have always been tacitly recognized in him by all the successive Mughals and Nawabs. For all the Parwannas, Kauls, etc. granted by them have reference solely to the seat and trade in those Lands which are outside the Principality of Tanjore and stand under their obedience. Nor is there a single Parwanna etc. of the Mughal or Subah to be found in which the privileges and grants, etc., which the Princes of Tanjore have successively granted to the Honorable Company, are approved or annulled; one or the other of which would undoubtedly have occurred had the Mughal or Subah been of the opinion that the Realm of Tanjore belonged to them in ownership by virtue of the tribute collection. Now since all this has not occurred, this is a very convincing proof of the absolute Sovereignty and independence of the Prince. Thirdly: Because the Honorable Company also always, as far as I have been able to verify, was of that same opinion, since it nowhere appears that it requested permission from the Nawab or Mughal to be allowed to settle here and carry on trade in this Realm, but always from the Tanjore Princes alone, whereas it nevertheless always observed this with regard to the Lands lying outside this realm; indeed Their High Nobilities' very highly respected Secret Dispatch of the 31st of December of the preceding Year, which the Right Honorable and Worshipful Lord Governor produced for deliberation, serves to me as a renewed guarantee thereof. Fourthly: Because this proposition is too dangerous and of far too disadvantageous consequences for

Dutch transcription

162 „de navolging indien het Rijk geen „ Leengoed is, of immers NB. van eersten „ niet geweest is, hoewel daar voor nader„ „hand manschap gedaan wort, geschie„ „den na die selvde wet, door welke „ die in eijge Erfgoederen geschied, ten „ tijde als het Rijk wierd opgeregt. Dog „in sodanige Rijken, die van den aanvang „ voor Leen goederen sijn uijtgegeeven, van „ de geene die volkomen Heer daarvan „ was, moet men gaan na de wet van na„ „volging in leen goederen, ensz„n Nu sluijt de wet van na - of - opvolging, ook de wet van magt in, dat is, dat so„ danig een Leenrijk, als hier beschree„ ven is, nevens de opvolging, ook teffens die selve magt behoud, dien het had ten tijde, als het Rijk wierd opgeregt, ge„ lijk Grotius Spreekt. — Dat nu het Tansjoerse Rijk altoos geen Leenrijk /:indien het sodanig nog maar kan ge„ noemt worden:) geweest is, hoeft geen bewijs, dier„ halven behoud den Vorst tot nog toe, het selve regt en magt, als God hem en sijne Voorsaaten van aanbeginne gegeeven heeft. K her segge, indien het Tansjoerse Rijk nog maar een leenrijk kan genaamt worden; vermits mij het tegendeel onwraakbaar voorkomt; Want iemand schatting te geeven, en eenige Landen van hem in leen te besitten, moet voor seeker niet als een en deselve saak onder elkander worden vermengt; immers Grotius stelt 'er in het opgemelde werk B. 1. lb. 3. een. wesentlijk onderscheijd in, want na in §. 21. gedemonstreerd te hebben, dat iemand het opperbewind en Heerschappij kan hebben, alschoon hij aan een ongelijk verbond gehouden is, so bewijst hij sulx in de volgende paragrafene door twee seer aan merkelijke voorbeelden; waarvan het eerste genomen is van sulke rijken, welke schatting betalen: en het andere van sulke„ welke aan het leenregt verpligt sijn; weshalven dan ook verschillende van elkan¬ der. Die schatting geeven, noemt hij de sodanige, welke, 't sij om den over„ last, of het sij, om hulpe te verkrijgen iets seekers betaalen: zoodanig eene nu was het Postersche Keijser-rijk ten tijde van Sustiniaan, nadien hij de Persen een seekere somme gelds onder den eerlijken naam van onderstandpennin„ gen tot beveijliging der Kaspise zee monden gaf. En gelijk nog heeden de Turken ver — aan, 163 aan de Arabiers van het gebergte doen, sonder dat het ooijt iemand, voor soo verre ik weete, in het hoofd is gekomen, gedagte rijken om deesentwille niet voor volstrekt Souverain aantemerken. Als sodanig een nu, te weeten: die tot voorkoming van overlast, schatting betaald, en niet verder, oordeele ik dat den Vorst van Tansjoer maar kan werden aangemerkt; En het is van sulke Koningen, dat Keijser An„ tonius zeijde „ dat het niet reedelijk was, „koning te weesen en egter sijne bedrijven „ te moeten verantwoorden, die men als Koning „ gedaan had„. Tweedens; Om dat dit regt en deese Magt door alle de agtervolgende Mochols en Na„ babs, altoos stilswijgende in hem erkent is. want alle de door hun verleende Parwan„ nas, Cauls, ensz: hebben all eenlijk opsigt op den zeet en handel in die Landen, wel„ ke buijten het Vorstendom van Tansjoer sijn, en onder hunne gehoorsaamheijd staan. Ook is 'er geen eene Parwanna ensz: van den Mochol nog Souba te vinden, waarin de privilegien, en schenkingen Etc. welke de Vorsten van Tansjoer successive aan D' E. Comp: verleent hebben; geapprobeert, dan wel vernietigt worden; welk een of an„ der, ongetwijffeld soude sijn geschied, bij aldien den Mochol of Souba in het denk„ beeld waren geweest, dat het sansjoerse Rijk, uijt hoofde der schatting heffing, hun in eijgendom toebehoorde. dit alles nu niet geschied sijnde, is sulx een seer Convincant bewijs, van de volstreckte Souverainiteijt en onafhangkelijkheijd van den Vorst. Derdens: Om dat D' E. Comp:e ook altoos, voor soo verre ik hebbe kunnen nagaan, in dat selve gevoelen is geweest, nadien nergens blijkt, dat sij den Nabab nog Mochol, permissie versogt heeft, sig alhier te mogen nedersetten, en in dit Rijk handel te drij„ ven; maar altoos aan de Pansjoerse Vor„ sten alleen, daar sij sulx egter met be„ trecking tot de buijten dit rijk leggende Landen, altoos in agt genomen heeft; Ja Haar Hoog Edelheedens seer hoog geres„ pecteerde Secreete Missive van den 31' xber des voorgangen Jaars, welke den wel Edele Gestrenge Heer Gouverneur ter deliberatie heeft geproduceert; strekt mij op nieuw daarin tot waarborg. Vierdens: Om dat deese stelling te gevaar„ lijk, en van al te nadeelige gevolgen dan voor

NL-HaNA_1.04.02_3373_0180 view scan ↗

English

would be for the Honorable Company, which is why it is in our interest to resist this notion, which is no less false than it is ruinous, with emphasis and vigor. For if it is accepted that the King of Tansjoer, on account of his homage, is neither owner nor Lord and Master of his lands: away then with all mutually contracted treaties, and the privileges granted and donations made etc. by him and his ancestors privately on their own authority, since all of these, as long as they are not confirmed either by the Souba or Mochol, become null and void; for something that is contrary to the law remains forever contrary to the law, until such time as the legislator has provided otherwise in the matter. Therefore, neither antiquity nor long-lasting possession can, in this case, grant any prerogative, but it is just as invalid as the most recent privilege, mortgaging, or sale etc., wherefore the Honorable Company in such case would be obliged, willy-nilly as being grounded on reason and equity, at the first pleasure of the Souba or Mochol, not only to renounce all its privileges, but also voluntarily to surrender all the lands acquired in ownership, both through purchase and donation. Ha! What a fine pretext for the English to dethrone the Honorable Company from here with a semblance of right upon the conquest of Tansjoer which God forbid! It appears to me, however, that notwithstanding their boasting, they must be all too well convinced of the unlawfulness of this proposition, since I cannot otherwise comprehend how these antagonists would have allowed the Honorable Company for so long the peaceful possession of its prerogatives upon such void privileges etc., without continually having urged the Souba to demonstrate the groundlessness and untenability thereof to the Honorable Company, and to constrain it, if it wished to retain all the same privileges etc., to request them from him as the lawful Lord, even if it were only to demonstrate thereby that Tansjoer belongs to him in ownership, that the Prince is nothing more than a vassal of his, and to be able, if deemed advisable in time, to make proper and fit use of this right. It must therefore, as has been said, be very far from the case that the Souba or the English recognize the Prince as such. Their actions of the past year also argue strongly against this opinion disseminated by them, since they then, as is known, even took some lands as a pledge from the Prince for the security of the moneys still to be received. How can this now be reconciled with their supposed position! Indeed, it does not make sense for me to say, that house belongs to me in ownership, while in the meantime I take the same as a pledge for the security of the debt which my tenant owes me. That which is my own and a part of my wealth cannot be given to me in pledge. Therefore, the Souba as well as the English gentlemen have, by this act, fully recognized that the Prince possesses the Kingdom of Tansjoer in full ownership, and can do with his lands, pursuant to the right arising therefrom, whatever he pleases and deems useful for the benefit of the Kingdom. Yet here a question comes into consideration, namely: Whether a Prince being at war retains this power during the same! In my opinion, this is a matter that speaks for itself, since I remain master of my property, and can act with it at discretion, as long as it is not taken from me in a lawful manner. According to the law of nature and sound reason, says Dr. Blackmore, speaking of the right of exclusive property, the right of possession holds good as long as actual possession lasts. Ergo, one can also, during that possession, act as one is accustomed to do with one's own property. If, then, according to the law of nature in a just war, one can dispose of one's own at pleasure, how much more so in an undeclared and unjust one, such as that of the Souba will be, if he wages it against the King of Tansjoer? In this regard, Grotius says: That according to the law of nature

Dutch transcription

164 voor D' E. Comp:e soude sijn, waarom het onse intrest is, ons tegen dit niet min valsch, als verderflijk gevoelen met na„ druck en kragt te versetten. Want so dat doorgaat, dat de koning van Tansjoer om de wille sijner hulde geen eijgenaar, nog Heer en Meester sijner Landen is: weg dan met alle de onderling aangegaane Contracten, ende door hem en sijne voorsaa„ ten prive authoritate verleende privile„ gien en gedane schenkingen Etc. , nadien deselve alle, so lang ze /: 't sij door den Souba of Mochol :/ niet bevestigt sijn, als nietig komen te vervallen, want iets, dat tee„ gen de wet is, blijft altoos tegen de wet, tot soo lange den wetgeever daarinne an„ ders heeft voorsien; dierhalven kan geen ouderdom, of langduurig besit in dit geval, eenig voorregt geeven, maar het selve is eeven so min kragtig, als de Jongste privi„ legie, verpanding, of verkooping Etc, wes„ halven D' E. Comp:e in sulken geval tegen wil en dank /: als op de reede en billijk„ heijd gegrond sijnde :/ verpligt soude wee„ sen, op het eerste goedvinden van den Souba of Mochol, niet alleen van alle sijne privilegien afstand te doen, maar ook alle de soo door aankoop als schen„ king in eijgendom verkreegene Landen, goedwillig overte geeven. Ha ! welk een schoon voorwendsel voor de Engelsen, om D' E. Comp: bij overweldiging van Tansjoer /:d. God verhoede :) met scheijn van regt van hier 't onttroonen! 'T komt mij eg„ ter voor, dat sij niet teegenstaande hun„ ne grootspreeking, te wel van de onregt„ matigheijd deeser stelling moeten over„ tuijgd weesen, dewijl ik anders niet be„ grijpen kan, hoe deese Cintagonisten D' E. Maatschappij soo lange het vreedig besit Haarer voorregten, op zulke nie„ tige privilegien Ete. souden hebben laa„ ten behouden, sonder den Souba, geduu„ rig te hebben aangespoort, D' E. Comp:e de ongegrond=en onbestaanbaarheijd daar van aantetoonen, en te Constringee„ ren, alle deselve privilegien Etc. bij al„ dien ze behouden wilde, van hem als wettigen Heer aftevragen, al was het ook maar alleen, om daar door aante„ toonen, dat Tansjoer hem in eijgendom behoort, den Vorst, niet meer als Na„ sal van hem is, en om van dit regt in der tijd des geraaden vindende, met ge„ ook voeg 165 voeg 't behoorlijk gebruijk te konnen maaken: 't moet 'er dan, gelijk gesegt is, seer verre van daan weesen, dat den sou„ ba of Engelsen den Vorst daar voor erkennen. kragtig pleijt ook teegen dit hun uijtgestrooijt gevoelen, hunne gedoentens van voorgange Jaar, dewijl sij toen, gelijk bekent is, selfs eenige Lan„ den tot securiteijt der nog te ontfangene penningen van den Vorst in pand genomen hebben; Hoe kan dit nu met hun ge„ waande sustenu te saamen gaan! Im„ mers strookt het niet, dat ik zegge, „dat huijs behoort mij in eijgendom toe, terwijl ik ondertusschen tot verseeke„ ring der schuld, welke mijn huurder mij debet is, 't selve in pand neeme. 'T geene mijn eijgen en een gedeelte van mijn rijkdom is, kan mij niet in pand gegee„ ven worden; dierhalven heeft den sou„ ba so wel als Heeren Engelsen door deese daad, ten vollen erkent, dat het Tansjoerse Rijk, den Vorst in vollen eijgendom besit, en met sijne Landen, navolgens het daaruijt voortspruijtend regt, doen kan, wat hij wil, en ten oorber des Rijks dienstig agt. Dan hier komt een vraag in beden„ king, namentlijk: Of een Vorst in oor„ log sijnde, geduurende 't selve deese magt behoud! Mijns bedunkens, is dit een saak die van selve spreekt, nadien ik meester van mijn goed blijve, en daarmeede na willekeure handelen kan, soo lange het mij niet op eene regtvaardige wijse afgenomen word. „ volgens de wet der „ natuure en gesonde reede „ zegt D:r Blackmore, over het regt van uijt„ sluijtend eijgendom spreekende, 1 grijpt „het regt van besitting, soo lang stand „ als de dadelijke besitting duurt. Ergo kan men dan ook geduurende die be„ sitting handelen, als men in eijgen goed gewoon is te doen. Kan men dan volgens het regt der natuure in eenen regtvaardigen oorlog, over het sijne na goedvinden dis„ poneeren, hoe veel te meer dan in eenen ongedeclareerden en onregtvaardigen, ge„ lijk die van den souba weesen sal, bij aldien hij die den Koning van Tansjoer aandoet ? ten deesen opsigte zegt Gro„ tius „ Dat men volgens het regt der Dan Natuure .

NL-HaNA_1.04.02_3373_0182 view scan ↗

English

nature, through a just war, acquire the value of that which is due to us, and not otherwise, or also obtain that which causes damage to the injurer, namely such goods as belong to the enemy, since it is an everlasting law among men that when a Country and whatever belongs to the enemy is conquered from them, the same fall to the victor; but that this nevertheless takes place only in a formal, that is to say just, as well as declared war, and in no other, just as goods not belonging to the enemies, although even found among the enemy, cannot be acquired in war. Moreover, it is indeed fully known that in military, as well as in other matters, it is an art to be willing to lose in time, and it has never been disputed to a Prince to sacrifice a part of his lands in order to preserve the rest. Philippus King of Macedon, being attacked by the Romans, being a good and sensible warrior, ruined in good time a great part of his land which he judged he could not protect, in order that the Enemy might not be strengthened by the same, and he perhaps thereby lose his Kingdom. In this manner also acted Vercingetorix, who had more than twenty cities and a great number of villages burned, so that they might not fall into the hands of Caesar. It is also known that a just and victorious Enemy, conquering a city or stronghold, never seizes anything other than what he finds therein, without making any claim upon the riches carried out of it. Indeed Buddens, in his short theses concerning war, goes even further, and says that the first effect of war, understand just war, is indeed the acquisition of possessions, but that reason nevertheless teaches regarding this that if one has taken more than one can demand from the enemy, one must, after deducting the debts and charges, return the surplus to his hands. If a Prince now, if he considers it necessary for the benefit of his Kingdom, even during the war, can dispose of some of his lands in one way or another, how much more then presently the King of Tansjoer, who is not yet at war with the Souba, has given him no reason for it, nor against whom, up to this day, the same has not yet been declared. It remains then established from the reasoned arguments, under correction of better judgment, that the King of Tansjoer possesses his Kingdom in full hereditary ownership, and can deal therewith at his pleasure and to the greatest benefit of his Kingdom, both in war and in peace, and consequently can also give away and sell a part thereof to the Honorable Company. Having laid this down beforehand as a foundation, I shall now proceed to take into consideration the propositions, and indeed primarily the first of them, as being the principal one and upon which the other two depend. And since regarding this, in view of the Company's situation here on the Coast, much can be felt for and against, I shall, in order not to fence at random, do so in the following order; namely: Firstly: on the side of the King, I shall A. examine what advantages the Honorable Company may expect therefrom in due time upon acceptance of the propositions. B. what disadvantages, in case they are not accepted. Secondly: on the side of the Souba. A. what advantages in case the proposals are politely declined, and B. what disadvantages in a similar case, finally The evil consequences that will probably result from the acceptance thereof. As for what concerns the first then, namely the advantages which the Honorable Company has to expect on the side of the king, in case the proposals are agreed to, and he succumbs to the power of the souba cum suis, they can be reduced to the following two; namely: 1st. The preservation of the Company's good name and reputation, with all the fruits resulting therefrom. 2nd.

Dutch transcription

166 „natuure, door een regtvaardigen oorlog, „ de waarde van het geen ons toekomt, „ en niet anders, bemagtigen, of ook 't geen „ den beleediger schade toebrengt, verkrij„ „gen kan, namelijk sulke goederen, die „ den vijand toekomen, nadien het een eeu„ „wigduurende wet onder de menschen is, „ dat als een Land, en wat den vijand toe„ „ behoort, op haar veroverd word, deselven „den overwinnaar toevallen; dog dat sulx egter niet dan in een plegtigen, dat is regtvaardigen, so wel als aange¬ oorlog, en in geen andere „kundigden plaats heeft, gelijk ook „ dat goederen, „de vijanden niet toekomende, hoe wel selvs „ bij den vijand gevonden werdende, in den „ oorlog niet kunnen verkreegen worden. Daar en boven is het immers ten vollen bekend, dat het in krijgs /: so wel als in andere saaken :/ een konst is, in tijds te willen verliesen, en het een Vorst nooijt bedisputeerd is, een gedeelte sijner landen op te offeren, ten eijnde het overige te be„ houden. Philippus Koning van Mace„ donien, van de Romeijnen besprongen werdende, ruineerde /: als een goed en Verstandig krijgsman sijnde :/ al bij tijds een goed gedeelte van sijn land, dat hij oordeelte, niet te kunnen beschermen, ten eijnde den Vijand door het selve niet versterkt wierde, en hij misschien sijn Rijk daar door verloor. Deeserwijse handelde ook Vercingetorix, die meer als twintig steeden, en een groote meenig„ te dorpen liet verbranden, ten eijnde sij Casar niet in handen vallen mogte. Ook weet men, dat een regtvaardigen en Victo„ riseerenden Vijand, een stad of sterkte overwinnende, sig nooijt van iets anders meester maakt, dan van 't geene hij er invindt, zonder op de daar uijt gevoer„ de rijkdommen eenige aanspraak te maaken. Ia Buddens gaat (: in sijne korte stellingen, betreffende den oorlog :/ nog verder, en segt, dat „ de eerste uijtwerking van den oorlog /:verstaat regtvaardige:/ wel is, de verkrijging der besittingen, maar dat de reede daaromtrend nogtans leert, dat so men meerder genomen heeft, dan men van den vijand eijsschen kan, men naar aftrek der schulden en ongelden het over„ schot hem weder ter hand stellen moet. Kan nu een Vorst, indien hij het ten een voordeele 167 voordeele sijns Rijks nodig agt, selvs geduu„ rende den oorlog, sig van eenige sijner lan„ den op de een of andere wijse ontdoen, hoe„ veel te meer dan tans den Koning van Tansjoer, die met den Souba nog niet in oorlog is, hem daartoe geene reeden gegee„ ven heeft, nog teegens wien tot heeden toe, deselve nog niet is gedeclareerd. Het blijft dan uijt het beredeneerde /: onder Correctie van beter gevoelen :/ vast, dat den Koning van Tansjoer Sijn Rijk in vollen eijgendom erffelijk besit, en soo wel in oorlog als vreede daarmeede na goedvinden, en ten meesten nutte sijns Rijks handelen, gevolgelijk ook voor een gedeelte aan D' E. Comp:e wegschen„ ken en verkoopen kan. Dit voor af tot een grond gelegt hebbende, sal ik nu overgaan de proposi„ tien, en wel voornaamelijk de eerste derselve, als de voornaamste sijnde, en waar van de twee overigen afhangen, in overweeging te neemen. En nadien hier omtrend „ aangesien 's Comp:s gesteld„ heijd hier ter Custe, veel voor en teegen kan gevoeld werden, sal ik, om niet in't wild te schermen, sulx in de volgen„ de ordre doen; namelijk: Eerstens: aan de kant van den Ko„ ning, Sal ik A. nagaan, welke voordeelen D' E. Comp:e bij acceptatie der propositien in der tijd daar uijt te wagten heeft. B. welke nadeelen, ingevalle ze niet werden aangenoomen. Tweedens: aan de zijde van den Souba. A. welke voordeelen in Cas de voor„ slagen beleefdelijk werden van de hand geweesen, en B. welke nadeelen in een gelijk ge„ val, eijndelijk De quade gevolgen, die 'er uijt de aanneeming derselve waarschijnlijk re„ sulteeren Sullen. Wat dan het eerste belangd, namelijk de voordeelen, welke D' E. Comp: aan de kant van den koning te wagten heeft, bij aldien de voorstellen werden geagreeerd, en hij voor de magt van den souba C. S. beswijkt, kunnen tot de volgende twee gebragt werden; te weeten: 1„e De behoudenis van 's Comp:s goede naam en reputatie, met alle de vrugten daar„ uijt volgende. de, 2„

NL-HaNA_1.04.02_3373_0184 view scan ↗

English

168 2nd. The acquisition of the very important Province of Kiewaloer and maritime places Naoer and Topotorre, in full and lawful ownership with all that appertains thereto. I say then firstly, the preservation of the Company's honor and esteem, etc., for since the Honorable Company is a very close friend and ally of the Prince, and also, according to the latest mutual defensive alliance of 16 March 1688, is obliged to grant him all possible assistance should any troubles befall him, they would, by failing to comply with this contract, rightly be considered a perjured and unfaithful ally, upon whom not the slightest reliance can be placed, and who adopts as a basic principle not to maintain treaties any further than they accord with its interests, and that it is obliged to violate them if changed circumstances so require! Whereby necessarily Their Honors' credit, honor, and good faith, which hitherto have served as an example to others and constitute the foremost ornaments of Their crown, would be jeopardized in a shameful manner, unjustifiable before the world, which would bring about nothing but very many evil consequences. Vigilance and good faith have always been the principal pillars of ancient Batavian virtue. What a disgrace it would be, then, to see them so unforgivably despised and neglected by their true offspring and brave descendants, to the reproach of the whole nation! Indeed, the matter of good faith among Princes, and consequently also with that of the Honorable Company, is entirely different from that of private individuals, since it is the foundation upon which the entire political edifice must rest, which one can therefore not touch nor shake without causing this great structure to tremble and making it subject to collapse. Therefore, human nature in general, and the honor of our nation in particular, demands not only such piety from us, but above and beyond this we owe it in the highest degree primarily to the esteem, honor, interest, and 169 welfare of the Honorable Company. To its esteem and honor, because otherwise in the future no Prince, the example of Tansjoer continually playing before their eyes, will wish to ally himself with such an unfaithful ally. To its interest and welfare, because no one will wish to enter into any alliances with such an impotent and cowardly people, as which our nation in the future, to our eternal shame, will necessarily be regarded by the native population. Indeed, even those Princes with whom we are still allied on this coast, upon being urged to do so by a victorious enemy, would not fail to break their contracts entered into with us, as being of no use to them anyway, out of fear of the victor, and deprive us of all our privileges and prerogatives! It is true that what has been granted to us cannot be reclaimed, but where is justice when violence and iniquity rule the throne; there is no doubt that our deadly antagonists and interlopers would have a significant hand in this, and would turn this prejudice, which is very disadvantageous to us and which they would carefully foster, to their own advantage. However, notwithstanding all this, one might make the impotence in which the Honorable Company presently finds itself here with respect to its military affairs serve as a plausible pretext and an honorable excuse. But if, against this, one considers in turn that it could be objected against us that the Honorable Company should have considered this beforehand when entering into the mutual alliance, and not have signed an alliance so casually which it could not fulfill in due time, for whatever reasons; as well as that the Honorable Company has since that time been placed in no worse, but rather in a more advantageous situation than then, which therefore makes the sacred fulfillment of its solemn promise all the more binding upon it. And finally, that the contract does not specifically speak of troops, but only of all possible assistance.

Dutch transcription

168 2„e De verkrijging der seer aangelegene Provintie Kiewaloer en Zeeplaatsen Naoer en Topotorre, in vollen en wetti„ gen eijgendom met de gevolgen van dien. Ik Zegge dan Eerstens, de behou„ denis van 'sComp:s Eer en agting Ete:, want vermits D' E. Maatschappij een seer nau„ we Vrind- en bondgenoot van den Vorst, en teffens volgens het jongste onderling verweerend verbond van den 16.:' Maart 1688. verpligt is, hem eenige ongemak„ ken overkomende, alle mogelijke hulpe te verleenen. Zo zouden sij, dit Con„ tract niet nakomende, met regt gehou„ den worden voor een meijnedig en on„ trouw bondgenoot, waarop geen de min¬ ste staat te maaken is, en dien 't sig tot een grond regel voorsteld „ de trac„ „taaten niet verder te onderhouden, dan „voor soo verre deselve met haare belan„ „gens overeenkomen, en dat sij ver„ „pligt is deselve te schenden, indien „ de veranderde omstandigheeden sulx „vorderen! waardoor noodwendig Haar Ed. Credit, Eer en goede trouw, wel„ ke tot nog toe ten voorbeeld van an„ deren hebben gestrekt, en de voornaam„ ste Cieraaden Haarer Kroon uijtmaaken, op eene schandelijke; en voor de wereld on„ verantwoordelijke wijse, in de waagschaal soude werden gesteld, 't welk niet dan seer veel kwade gevolgen na sig sleepen soude— waaksaamheijd en goede trouw, sijn altoos de voornaamste Zuijlen der oude bataafse deugd geweest. welk een schande sou het dan niet weesen, deselve van hun egte kroost en brave nasaaten tot een blaam der gansche Natie, soo onvergeeflijk ver„ agt en verwaarloost te sien! Immers is 't met de goede trouw der Vorsten, en gevolg„ lijk ook met die der E. Comp:e geheel anders geleegen, dan met die der bijsondere lieden, nadien sij het fondament is, waarop het gantsche staatkundig gebouw moet rusten. 't welk men dierhalven niet kan aanroe„ ren nog beweegen, sonder dit groot ge„ vaar te doen trillen, en aan instorting onderheevig te maaken. dierhalven vor„ dert het menschelijk geslagt in't alge„ meen, en de Eer onser Natie in't bijsonder dergelijke Gods-dienstigheijd /:niet al„ leen :/ van ons af, maar wij sijn de„ selve ook daar en boven nog voorna¬ melijk aan de agting, Eer, belang en ste welvaa„ 169 welvaaren der E. Comp:e ten hoogsten ver„ schuldigt. Aan haare agting en Eer, om dat an„ ders voortaan geen Vorst, /: 't exempel van Tansjoer hun geduurig voor oogen spelende :/ sig met sulx een ontrouw bond„ genoot sal willen verbinden. Aan haar belang en welvaaren, om dat niemand met sulk een onmagtig en lafhartig volk /:waarvoor onse Natie in 't toekomende, tot onse Eeuwige schande, bij den Inlander noodwendig sal werden aange„ merkt:/ eenige verbintenissen sal willen aangaan, Ja selfs die Vorsten, met wien wij te deeser Custe nog in verbond staan, souden door eenen overwinnenden Vijand daartoe aangesogt wordende, niet nalaaten, hunne met ons aangegaane Contracten, als tog niet nuttig voor haar sijnde, uijt be„ vreescheijd voor den overwinnaar te breeken, en ons van alle onse voorregten en preroga¬ tiven te beroven! 's is waar, 't geen ons geschonken is, kan niet weder g'eijscht worden, maar waar blijft geregtigheijd, wanneer geweld en onregtvaardigheijd den troon beheerscht; 't is niet te twijffelen, of onse dodelijke antagonisten en onder„ kruijpers souden niet weijnig hunne handen hierin hebben, en dit voor ons seer nadeelig vooroordeel /: welk sij sorgvuldig souden aankweeken:/ ten hunnen voordeele keeren doen. Egter sou men, niet teegenstaande dit alles, de onmagt, waarin sig D' E. Comp:e, ten op„ sigte van haar Militaire weese, voor het teegenswoordige Juijst alhier bevind, tot een schijnbaar voorwendsel, en eerlijke uijtvlugt kunnen dienen doen. Dan indien men daar tegen weer in Consideratie neemt, dat men ons soude kunnen voor„ werpen, dat D' E. Comp:e sulx bij het aan„ gaan van het onderling verbond, voor uijt moest hebben bedagt, en niet naar so los weg eene alliantie gaan teekenen, die sij in der tijd, om welke reedenen: ook niet soude kunnen nakomen; zoo meede, dat D' E. Comp:e seedert dien tijd in geen slim„ mer, maar veel eer in een voordeeliger situatie is gesteld, als toen, het welk haar dan ook dierhalven het heijlig naarkomen haarer plegtige belofte, soo veel te moeijelijker maakt. En eijn„ delijk, dat het Contract niet bepaaldelijk van Manschappen, maar eenlijk van alle Kruijpers moge .

NL-HaNA_1.04.02_3373_0186 view scan ↗

English

170 possible assistance, which consequently includes relief in money as well as troops; just as the prince also understands it, since he insists on nothing else. If one now, I say, takes these objections into consideration, the excuse, not being sound enough, will soon vanish, and the Honourable Company will remain exposed to all the aforementioned adverse consequences. Remarkable is the advice of a certain great man, I mean Archbishop Fenelon, to the king his pupil, in a similar case of powerlessness. I request permission, subject to favourable interpretation, to cite the same here. This great man then, having enumerated to his royal pupil all the calamities of war, and having therefore exhorted him to peace as being the most advantageous for his realm and subjects, finally continues his discourse with these emphatic words: But, he says, a single case may nevertheless occur in which war, notwithstanding all the calamities, becomes necessary. This case is when one could not avoid it except by giving too much ground and advantage to an unjust, cunning, and too powerful enemy. Then, wishing to avoid war through weakness, one would fall into it all the more dangerously: one would make a peace that would be no peace, having only the deceptive appearance of it. Then, despite oneself, one must wage war with force out of a sincere desire for a good and lasting peace. The application of this, although the Honourable Company itself will not come to open war, one does not have to seek far, however, since upon the conquest of Tanjore it has to suffer as much as the king, etc. Before I depart from this article, I must answer yet another counter-objection, which at first sight seems of no small weight and seems, as it were, to bind the hands of the Honourable Company. It is this: The Honourable Company is in an alliance with the subah as well as with the king of Tanjore; therefore it can assist neither the one nor the other, with troops as little 171 as with money, but is obliged to keep itself neutral. In general one might remark upon this by asking why the subah has not opposed the money loan until now, and has let it proceed without any protests, even profiting from it? Since the same nevertheless mostly served, to his advantage, or to speak more plainly, to buy off the war from him; for at the time of the first loan, the peace was not yet made. Yet if one considers the words of the alliance, one will not need this counter-objection, since they contain no limitation, and the Honourable Company is thus obliged to adhere strictly to the letter. It is true, Hugo Grotius says in the aforementioned work, that an ally is not bound to help even when he sees entirely no good outcome. For a partnership is entered into for good and not for evil; but he also immediately follows this with: Yet one must also protect an ally against another ally, unless something else was determined in the oldest treaty. Thus the Athenians were permitted to protect the Corcyreans, if their cause was just, against the Corinthians, who were otherwise even older allies. And in Book 2, chapter 15, he answers the counter-question: Whom one shall be most obliged to help if our allies wage war against each other? In the following manner: Here one must first know that there is no obligation to an unjust war. Wherefore one must join oneself to the one whose cause is just, not only when he has to do with a foreigner, that is, such a one with whom we have no treaty, but also with our ally, provided there is no treaty stating that one shall send no aid against such a one. That there now exists such a treaty with the Prince of Tanjore or the Carnatic subah, namely to assist neither of them when they are at war with one another, no one will say

Dutch transcription

170 mogelijke assistentie, spreekt, waar onder gevolglijk so wel secours van geld als Manschappen begreepen is; Gelijk 't dan ook de Vorst sodanig verstaat, vermits hij om niets anders aanhoud. Indien men nu zegge ik, deese tegenwerpingen in Consideratie neemt, so sal de uijtvlugt als niet bondig genoeg sijnde, wel haast verdwij„ nen, en D' E. Comp:e aan alle de opgenoemde nadeelige gevolgen blijven blood gesteld: Aanmerkelijk is de raad van een seeker groot man /: ik meene den Garts„ bisschop Fenelon:/ aan den Koning sijnen Leerling, in een dergelijk geval van on„ magt. /: Jk versoek onder gunstige wel„ duijding verlof, deselve alhier te mogen aanhalen:( Dees groote man dan, na sijnen Koninklijken Leerling, alle de onheijlen van den oorlog opgeteld, en hem dierhalven als 't voordeeligst voor sijn Rijk en onder„ daanen sijnde tot vreede vermaand te hebben, vervolgt eijndelijk sijne reeden met deese nadruckelijke woorden. Maar„ zegt hij „ een enkel geval kan 'er egter „ plaats hebben, waarin den oorlog niet „ tegenstaande alle de onheijlen noodsaake„ „lijk word. Dit geval is, wanneer men den„ „selven niet soude konnen vermijden, dan „ door een onregtvaardigen, liftigen en te „ magtigen vijand, te veel voet en voordeel „ te geeven. alsdan soude men door „swakheijd den oorlog willende vermij„ „den, des te gevaarlijker 'er in vallen: „ men soude een vreede maaken, die geen „ vreede soude sijn, en daar van slegts den „ bedriegelijken schijn hebben. als dan „ moet men tegen dank den oorlog met „ geweld voeren door een opregt verlan„ „gen na een goede en bestendige vreede„ De toepassing hiervan /: schoon D' E. Comp: selve tot geen openbaaren oorlog komen sal:/ hoeft men egter niet verre te soeken, nadien sij bij overweldiging van Tansjoer, soo veel als de Koning te lijden heeft ensz. — Eer ik van dit Crticul afscheijde, moet ik nog een tegenbedenking beant„ woorden, die in't eerste aansien van geen kleijn gewigt, en D' E. Comp:e haare handen als te binden schijnt. Sij is deese „ D' E. Comp:e is met den souba so wel „ in een verbond, als met den koning van „ Tansjoer, dierhalven kan sij nog den „een, nog den ander, so min met volk, selven als 171 „ als met geld, bijstand doen, maar is ver„ „pligt, sig neutraal te houden " In 't algemeen sou men hierop vragende kun„ nen remarqueeren, waarom den Souba sig dan tot heeden toe tegen de geld belee„ ning niet heeft verset, en het selve sonder eenige protestatien sijnen voortgang heeft doen hebben, Ia selvs daarvan te profitee„ ren ? vermits deselve tog meestendeels /: ten sijnen voordeele, of om klaarder te spree„ ken :/ gestrekt hebben, om den oorlog van hem aftekoopen, want bij de eerste geld„ leening, was de vreede nog niet gemaakt. Dog indien men de woorden van de allian¬ tie overweegt, sal men deese tegen bedenking niet nodig hebben, nadien deselve geene bepaaling behelsen, en D' E. Comp:e dus verpligt is, sig stiptelijk aan den letter te houden. 'T is waar Hugo Grotius segt in't meergenoemde werk, „ Dat een „ bondgenoot, selvs dan niet gehouden is, „ te helpen, als hij ganschelijk geene „ goede uijtkomst siet. Alsoo een maat„ „schappij tot goed, en niet tot quaad word „ aangegaan"! maar hij laat 'er ook onmiddelijk opvolgen. Dog men moet een „ N. bondgenoot ook beschermen tegen „ een ander bondgenoot, ten sij in het oud„ „ste verbond wat anders beslooten sij. al„ „ soo mogten die van Athenen de Kor„ „cijreen, indien haar saak regt matig „was, wel beschermen, tegen de Korinters, „ die anders nog ouder bondgenooten „ waren! en B. 2. lb. 15. beantwoord hij de tegengeworpene vraag, „ Wien „ men bij aldien onse bondgenooten tegen „ malkanderen krijg voeren, 't meest= „ verpligt sal sijn te helpen! Jnvol„ gender voege „ Hier moet men voor eerst „weeten, dat 'er geen verbintenis is tot „ een onregtmatigen oorlog. weshalven „ men sig voegen moet tot den geenen, „ wiens zaak regtmatig is, niet alleen „ wanneer hij te doen heeft met eenen „ Vreemden, /:dat is, zulk een met wel„ „ken wij geen verbond hebben:/ maar „ ook met onsen bondgenoot, bij aldien „ 'er geen verdrag legt, dat men tegen „ soodanig een geen hulpe senden sal„r Dat „er nu sodanig een verdrag met den Vorst van Sansjoer, of Carnaticasen Souba, legt (:namelijk van hun geen van beijden, wanneer zij met elkanderen in oorlog sijn, bijte staan :) sal niemand een seggen

NL-HaNA_1.04.02_3373_0188 view scan ↗

English

to say, wherefore the Honorable Company, since Tansjoer is notoriously and unjustly about to be attacked, is necessarily obliged, for all the aforementioned reasons, to assist the King. She has no troops, therefore she must do it with money; this admits of no contradiction. Although, if I may favorably be permitted to note this in passing, it were nevertheless to be wished that she, for more than one reason, could also do it with troops. For although at first glance it might indeed appear that the Honorable Company would suffer great disadvantage thereby, yet examining the matter somewhat more deeply, one will not only find that it is not so, but even at the same time the very contrary thereof. For wherein, after all, does the feared disadvantage consist? Insofar as I can determine, in nothing else than firstly in a war breaking out with the Souba, accompanied by an obstruction in the sale of trade. And secondly, in bearing the heavy burdens of war? More than that, I do not believe there is to fear. But might one, subject to correction of a better opinion, not make that fear vanish by considering that the Souba, finding the Honorable Company so well prepared for resistance, will hardly come to that extreme of making war upon Her, because on his own he is surely not in a position to face us in the field, let alone attack us in our strongholds, since the English, however many gasconades they may make, would not dare to think of openly assisting the Souba against us with force, for fear of thereby causing a breach of the peace, which in England, on account of the powerless and moribund state in which their Company finds itself, would certainly be taken very amiss. If, then, the Souba, however weak, should nevertheless dare to undertake such a bold step, could this not but turn out to his disadvantage, which would give the Honorable Company an opportunity not only to expand further around Padras, Palliacatta, and Portonovo, but also to make herself sovereign and independent of him, if not over the lands to be conquered, then at least over the places currently held in lease. With trade it is situated in just the same manner, since maintaining one's pretensions by force of arms or might carries incomparably more power and impression than the most well-founded written protests, by which, after all, no unjust enemy is troubled; and thus, seeing us so well armored, he would not dare to meddle with it, not to mention that the obstruction of trade, particularly with respect to the primary spices and the Japanese bar copper, would harm him just as much and even more than the Honorable Company. Indeed, who knows whether the Honorable Company on the whole would have anything at all to lose by it, seeing that, until such time as peace was again established, she could move the seat of her trade to Iaggernaijkpoeram, which is outside his territory, after which time I am assured that he himself would solicit the Honorable Company to be willing to resume trade in his lands as before. It is true that the collection of cloths might, for that time, not proceed so smoothly at the three forward comptoirs situated in his lands, but if one must indeed choose one of two evils, is it not better to lose one's hair, which can grow back again, for a short while, than to lose one's head forever? Over and above that, this short-lived damage can easily be outweighed, indeed even very far surpassed, by a perpetual, very considerable advantage on the side of the Prince of Tansjoer, as will further appear in the sequel. Not even counting the respect, esteem, awe, and confidence that such manly action and faithful adherence to treaties would arouse for the Honorable Company among the native friends and allies. I pass over the fact that the interest of the Souba himself truly does not entail making an enemy of the Honorable Company, since it is in his interest to have so powerful an ally as the Honorable Company truly is as a friend, to whom, as has already been experienced by him to his benefit, he can always take refuge in times of need. And as for the other inconvenient

Dutch transcription

172 zeggen, weshalven D' E. Comp:e, nadien Tansjoer notoor onregtvaardiglijk staat geattakeerd te worden, den Koning, om alle voorverhaalde reedenen noodsaakelijk ver„ pligt is, bij te springen. Volk heeft zij niet, dierhalven moet zij het met geld doen, dit tijd geen tegenspraak. /: Hoewel, 't sij mij gunstig gepermit„ teerd, sulx in het voorbijgaan aantemerken:) het nogtans wel te wenschen was, dat zij het om meer dan eene reede, ook met volk kon doen. Wantschoon 't in den eersten op„ slag, wel eenige schijn heeft, dat D'E. Comp:e grootelijx nadeel daarbij lijden soude, sal men egter het selve wat dieper insiende, sulx niet alleen sodanig niet bevinden, maar ook selvs tegelijk 't tegendeel van dien. Want waarin bestaat tog het te vree„ sene nadeel ? voor soo verre ik nagaan kan, en niets anders, dan voor eerst in een uijt te berstenen oorlog met den Souba, verseld met een stremming van vertier in den handel. En ten tweeden, in 't dragen der swaare oorlogs lasten ? meer geloove ik niet, dat 'er uijt te dugten is. Maar zou men /: onder Correctie van beter gevoelen :/ die vrees niet kunnen doen verdwijnen door te overweegen, dat den Souba D' E. Comp:e so wel tot tegenweer gesteld vindende, beswaarlijk tot dat uijtterste komen sal, van Haar den oorlog aante doen & want hij is immers alleen niet in staat, ons in't veld het hoofd te bie„ den, laat staan dan ons in onse sterktens aantelasten /: nadien de Engelsen, hoe„ veel gasconades sij ook maaken mogen, het in hunne gedagten niet souden dur„ ven neemen, den Souba opentlijk tegens ons met magt bij testaan, uijt vreese van daar door een vreedebreuk te veroorsaa„ ken, die hun in Engeland, uijt hoofde der onmagtige en sieltogende staat, waarin sig hunne Comp:e bevind, seeker„ lijk seer qualijk genomen soude werden:/ indien dan den Souba, hoe swak ook eg„ ter sulk een stoute stap dorst ondernee„ men, sou sulx immers niet dan ten sijnen nadeele kunnen uijtvallen, dat D' E. Comp:e niet alleen gelegenheijd geeven soude sig omstreeks Padras, Palliacatta en Por„ tonovo, verder uijttebreijden, maar ook van sig, so niet al over de te winnene 1. Landen, ten minsten over de tans in pagt beter hebbende 173 hebbende plaatsen, Souverain en onafhang„ kelijk van hem te maaken. met den han„ del is 't even sodanig geleegen, nadien sijne pretentien met de wapenen of door magt staande te houden, van ongelijk meer Kragt en indruk is, als de gegrond¬ ste schriftelijke protestatien, waaraan sig tog geen onregtvaardigen vijand stoort; en dus soude hij ons soo wel geharnast siende, daar niet aan tornen durven, om niet te seggen, dat de stremming van den handel, voornaamelijk in opsigt der hoofd-specerijen en het Japanse staaf„ kooper, hem soo wel en selvs meer, als D' E. Comp:e schaden Soude. Ia wie weet, of D' E. Maatschappij 'er over het geheel, wel iets bij te verliesen had, aan„ gesien zij, tot tijd en wijle de vreede we„ derom gemaakt was, den zetel van ha„ ren handel, na Iaggernaijkpoeram dat buijten zijn gebied is, soude kunnen verplaatsen, na welke tijd ik mij ver„ seekerd houde, dat hij D' E. Comp:e selve soude aansoeken, om den handel als be„ voorens wederom in Sijne Landen te willen voortsetten. 'T is waar met den Insaam van doeken sou het mogelijk voor die tijd op de voorwaats drie in sijne Landen leggende Comptoiren soo grif niet gaan, maar is 't, indien men tog van twee quaaden een kiesen moet, niet beter sijn hair, dat tog weer aangroeijen kan, voor een korte wijl, als sijn hoofd voor Eeuwig te verliesen? buijten en behalven, dat die kortduurende schade, door een altoos blijvend seer aanmerkelijk voordeel aan de sijde van den Tansjoersen Vorst mackelijk kan werden opgewogen, Ja selvs seer verre surpasseeren, gelijk in het vervolg wij„ ders blijken sal. Engereekend nog de Eerbied, agting, ontsag en vertrouwen, dat sulk eene mannelijke handeling en getrouwe nakoming der Tracaaten onder de Inlandse Vrind=en bondge„ noten voor D' E. Comp:e verwecken soude. Ik swijge, dat het belang van den souba selve 't waarlijk niet meede brengt, D' E. Maatschappij ten vijand te maaken; ver„ mits het sijn intrest is, een so magtig bondgenoot als D' E: Comp:e in waarheijd is, tot vriend te hebben, tot wien hij /: gelijk reeds door hem ten sijnen voordeele onder„ vonden is, :/ in tijd van nood, altoos sijn toe„ vlugt neemen kan. En wat het andere voor inconve

NL-HaNA_1.04.02_3373_0190 view scan ↗

English

inconvenient, namely concerning the costs of war. Why should the Honourable Company, in supporting the Prince of Tanjore (just as the English do the Subah), not also in imitation of them contract with the King to assume those costs? Indeed, even that the Honourable Company, in case he remains victor and possessor of his throne through its help (which in such a case is not to be doubted), should as a recompense, if not cede all the pledged lands, at least convey the sea places Naoer and Topotorre in full ownership, it being better to lose a little than his entire kingdom and possibly also his life. But I have occupied myself long enough, and possibly more than necessary, with this first very weighty article; therefore I shall proceed to the consideration of the other, no less weighty one. If one then considers, secondly, the advantages that the Honourable Company has to expect upon obtaining the very conveniently situated province of Kiewaloer, together with the sea places Naoer and Topotorre, if the King's proposals are accepted and he happens to succumb to the power of the Subah et al., one cannot long be in doubt to embrace his offer to secure the Company's advanced funds. Because since the province of Kiewaloer, consisting of 300 villages, which annually yields fully 300000 pardauws with a good harvest and in time of peace, of which the Honourable Company consequently would enjoy half, and Naoer and Topotorre annually produce 21000 such pardauws or ƒ 42000, the Honourable Company would see its wealth increased annually by a substantial sum of 171000 pardauws or ƒ 342000. What a considerable advantage! Indeed, who knows whether it might not over time even grow to 400000, if only the lands are left in peace. Furthermore, the province of Kiewaloer is also very necessary to us on account of the upper water, since it cannot then be prevented from flowing towards our villages and fertilizing the paddy fields situated therein, as the said province is interwoven with rivers and is, as it were, the basin in which all the upper water flowing down from the mountains above Tanjore is caught and preserved, in order, like a beneficent mother, subsequently to impart and bless her neighbouring lands therewith according to each one's necessity. A no less necessary circumstance, which should still be noted in this regard, is: that the upper water cannot be prevented from flowing into Triwaloer without placing all the Tanjore lands in great danger at the same time; since the two main rivers, which bring all the said upper water, both have their outlet precisely in Tanjore, where it subsequently, as noted above, spreads into hundreds of branches. Now, if the said two rivers were dammed at the frequently mentioned Triwaloer borders, they would necessarily swell throughout the entire kingdom, and therefore must inundate the whole land to the peril of villages, people, and beasts; and if it is held back above Tanjore, the principality itself suffers want, exposes its subjects to a painful death, and loses for that year, as well as these lower lands, its crops and harvest, and therefore also its revenues, which after all for the largest part consist solely thereof. If one now furthermore adds to this the damage that could be done to the Honourable Company in its linen and chintz trade by the stoppage of the water, in case the said province fell into the hands of enemies, it will not be difficult to guess to which side the scale ought to tip. The late descent of the upper water in this year can serve as proof of this. Now, as regards the second point, namely the disadvantage on the part of the King in case the proposals are not agreed to and he is victorious, these can be reduced to the following, which I shall merely enumerate to avoid repetitions; namely the 1.

Dutch transcription

174 in Convenient, namentlijk de oorlogs kosten aangaat. Waarom sou D' E. Maalschappij den Vorst van sansjoer /:even gelijk de Engelsen den Souba doen:) bijstaande ook niet teffens in navolging van hun, met den Koning konnen Contracteeren, die kosten op sig te neemen? Ja selvs om D' E. Comp:e, bij aldien hij door haare hulpe overwin„ naar en besitter van sijn troon blijft, /: daar in sulk geval niet aan te twijf„ felen is: ( tot een recompens, so niet alle de verpande landen, ten minsten de Zee„ plaatsen Naoer en Topotorre in vollen eijgendom afteslaan, als tot beeter sijnde, een weijnigje, dan sijn gansche Rijk en mogelijk ook zijn Leeven te ver„ liesen. Dog ik hebbe mij lang genoeg, en mogelijk meer, als nodig is, met dit Eerste seer gewigtig articul beesig ge„ houden, dierhalven sal ik ter beschou„ wing van het andere, niet min gewigtig, overgaan. Let men dan tweedens, op de voordee¬ len die D' E. Maatschappij bij verkrijging der seer aangeleegene Provintie Kiewaloer, mitsgaders Zeepaatsen Naoer en sopotorre te verwagten heeft, indien men 's Konings Propositien accepteerd, en hij voor de magt van den Souba C. S. te beswijken komt, soo kan men niet lang in twijffel staan, sijn aanbod tot verseekering van 's Comp:s uijtgeschotene penningen te amplecteeren. Want vermits de uijt 300. dorpen bestaande Provintie Kiewaloer, welke Jaarlijx bij een goed gewas en in vreedens tijd wel 300000. pardauws opbrengt waarvan D' E. Comp:e gevolgelijk de helft genieten sou, en Naoer en Topotor„ re Jaarlijx 21000. gelijke pard:s of ƒ 42000. opwerpen, so sou D' E. Comp:e haren rijkdom met een wesentlijk mon„ tant van 171000. pardauws of ƒ342000. Jaarlijx vermeerdert sien. Welk een aanmerkelijk voordeel ! Ja, wie weet, of 't niet wel door den tijd tot 400'000. sou kunnen aangroeijen, wanneer de landen maar in rust gelaaten worden; Boven dien, soo is de provintie Kiewaloer, om de wille van het opperwater ons ook nog seer noodsaakelijk, dewijl het selve als dan niet kan werden belet, na onse dorpen toe te vloeijen, en de daarin leggende Nelij-velden te bevrugten, na dien gedagte provintie met revieren Proposi door 175 door weeven, en als de kom is, waarin al 't boven het Tansjoerse, van het gebergte afstromende opperwater, ge„ vangen en bewaard word, om, even als een goed doende moeder, vervolgens haare nabuurige Landen, na een iegelijks benodigdheijd, daarvan meede te deelen, en te segenen. Eene niet min nodige omstandigheijd, welke hier„ omtrend nog aantemerken valt, is: dat het opperwater niet kan belet worden in het Triwaloerse te stroomen, sonder alle de Tansjoerse Landen te gelijk in groot gevaar te stellen; vermits de twee hoofd-revieren, wel„ ke al het gedagte Opperwater aan„ voeren, Juijst beijde hunne uijtwa„ tering in het Tansjoerse hebben, al„ waar het sig vervolgens, gelijk boven aangemerkt is, in honderden van armen verspreijd; Indien nu gedagde twee revieren aan de dikgerepte Triwaloerse grensen wierden bedamt, souden deselve noodwendig door het gantsche Rijk op„ swellen, en dierhalven het geheele land met gevaar van dorpen, menschen en beesten overstromen moeten; En word het boven Tansjoer tegen gehouden, soo tijd, het Vorstendom selve gebrek, steld sijne Onderdanen blood aan eene smertelijke dood, en verliest voor dat Jaar, so wel als deese beneede lan„ den, sijn gewas en Oogst, en dierhal„ ven ook sijne inkomsten, die tog voor het grootste gedeelte alleenlijk daar„ uijt bestaan. Voegt men nu boven dien hier nog bij, de schade, die D' E. Comp: door de opstopping van het wa„ ter in haaren Lijwaat en Chitse=han„ del sou kunnen werden aangedaan; bij aldien gedagte provintie in han„ der vijanden verviel, so sal het niet moeijelijk te raaden weesen, aan welke kant de schaal dient overte„ slaan. De laate afkoming van het opperwater in dit jaar, kan daarvan ten bewijse strecken. — Wat nu het tweede; namelijk het nadeel aan den kant van den Ko„ ning betreft, ingevalle de propositien niet werden toegestemt, en hij victoriseerd, deselve kunnen tot deese volgende be„ trocken worden, die ik ter vermijding van rediten, eenlijk sal opnoemen; als het 1.

NL-HaNA_1.04.02_3373_0192 view scan ↗

English

176 1: Loss of good name and prosperity, along with all privileges and prerogatives. 2. Loss of the mortgaged lands and coastal places, without repayment of the funds advanced for them out of revenge, since one may well assume that the Prince, having been abandoned by us in such danger and to the fortunes of war contrary to our word and faith, will likewise not consider himself bound to his promises and obligations. 3. Continuous obstructions in grain cultivation, as well as linen and chintz bleaching, by withholding the upstream water. 4. Prevention of all kinds of food supplies, which we must obtain entirely from the country, as a result of which people here would almost have to perish from hunger. 5. Incessant and costly raids, as well as thwarting the collection of linens, and finally 6. Prevention of the sale of merchandise, all of which must after all be sold in that Kingdom and further up from there. Consequently, a complete standstill of sales and collection, at least for the greatest part, as well as complete famine for the common man and Malabar inhabitants. Now I shall consider the advantages which the Honourable Company has to expect on the side of the souba in case the proposals are rejected, if he conquers. I find no more than one, namely: our possibly undisturbed seat and trade in Portonovo, Sadtras, Palliacatta, and here. On the other hand, the disadvantages, whether the proposals are rejected or accepted, are manifold. It may perhaps seem a contradiction if I say that, whatever one chooses, we have nothing but disadvantage to expect with regard to the souba: I nevertheless believe I can establish this for the following reasons. 1st: Because, should the souba become the victor, one will be obliged to return the mortgaged Province of Kiewaloer, along with the coastal places Naoer and Topotorre, upon reimbursement of the 177 advanced funds. 2nd: Because the souba only in appearance, and the English in reality, being too much under their control, rule the Tanjore country and therefore will not fail to continually incite the Souba, or if he has no inclination for it, his heirs, gradually to curtail our privileges: to obstruct trade, both in sales and collection, and to accompany the supply of grains and further provisions with incessant chicanery and vexations; indeed, even to prevent and hold back the so necessary upstream water as soon as those actual antagonists claim to be injured or affronted, for which far-fetched pretexts will never be lacking. 3rd: Because the English will without doubt not fail to take possession of and fortify immediately the coastal places that are important both with respect to Ceylon and Nagapatnam, from which the resulting disadvantageous consequences can very easily be foreseen. If this is already so should they merely place a small fort there as proof of their possession, what will it not be if they turn Naoer, which would truly be advisable for them because of the river and good roadstead, into their capital and residential city? To have a powerful, encroaching, and ingenious people, just as devoted to trade as we are, in a large and well-fortified city two hours from here, is truly no matter of small importance and well worthy of doubly serious consideration. 4th: Because the English, if they understand their interest at all, will not fail to talk the Tanjore Kingdom out of the souba in payment of his debt, which is great, or, if that should not succeed, proceed to rob him of it by force, since there is no better goldmine for them on the entire Coast, not only to restore their ruined affairs, but also to maintain them perpetually, it being a Kingdom that brings to its possessor, not counting all other means, from the paddy crop alone, annually,

Dutch transcription

176 1: Verlies van goede naam en welvaa„ ren, nevens alle voorregten en preroga„ tiven. 2. Verlies der verpande Landen en see„ plaatsen, sonder de daar voor gescho„ tene penningen uijt weerwraak, te rug te geeven, alsoo men wel voor onderstellen kan, dat den Vorst na in sodanigen ge„ vaar, en aan het lot des oorlogs, te„ gens woord en trouw door ons overge„ laaten te sijn geweest, sig aan sijne beloften en verbintenissen ook niet sal verpligt agten. — 3. geduurige traversatien in de graan Culture, mitsgaders Lijwaat=en Chitse bleeking, door het ophouden van het op„ perwater. 4. Beletting van allerleij soort van leevens„ toevoer, die wij alle uijt het land moeten hebben, waardoor men hier bij na van honger sou moeten vergaan. En ophoudelijke en kostbaare stro„ 5: perijen, mitsgaders dwarsbooming in den Insaam van Lijwaaten, en eijndelijk 6. Beletting in 't verthier van handel„ wharen, welke tog alle in dat Rijk, en van daar verder op moeten werden ver„ debiteerd. Dierhalven een volstrekte stilstand van vertier en Insaam ten minsten voor het grootste gedeelte, mitsgaders een vol„ komen hongersnood voor den gemeenen man en mallabaarse Jngeseetenen: /:Nu sal ik de voordeelen eens gaan beschouwen:/ welke D' E. Comp:e in Cas de propositien werden afgeslagen, aan de kant van den souba te wagten heeft /: soo hij overwind. Ik vinde 'er niet meer als een, te weeten; onsen mogelijk gerusten zeet en handel te Portonovo, Sadtras, Palliacatta en hier. Daar en teegen sijn de nadeelen so wel, wanneer de propositien werden af- als toe„ gestemt, meenigvuldig. — 'T sal mogelijk eene Contradictie schij„ nen, indien ik segge, dat, wat men ook verkiest wij ten opsigte van den souba niet dan nadeel te wagten hebben: Ik meene het egter, om de volgende reedenen te kunnen vast stellen. 1:o Om dat men, den souba overwinnaar werdende, verpligt sal sijn, de verpande Provintie Kiewaloer, neevens de Zeeplaat„ sen Naoer en Topotorre, mits goeddoening debi der 177 der verschote penningen te rug te geeven. 2:e Om dat den souba maar in schijn, en de Engelsen in der daad (:als te seer onder haar bedwang sijnde :/ het Tansjoersen be„ heerschen en dierhalven niet nalaten sul„ len, den Souba, dan wel indien hij geene voren daarna heeft, sijne Erfgenaamen geduurig aante spooren, ons allengskens in onse voorregten te besnoijen: In den han„ del, soo van vertier als insaam te traver„ seeren. En den toevoer der granen en verdere Levensmiddelen met onophoudelijke Chicanes en verdrietlijkheeden te doen verseld gaan. Ia selvs 't soo noodsaake„ lijk opperwater te beletten, en tegen te houden, so dra die dadelijke antago„ nisten benadeelt of geaffronteerd te sijn, waartoe het nooijt aan vergesogte voor„ wendselen sal ontbreeken. 3:o Om dat de Engelsen Sonder twijffel niet Sullen nalaaten; de soo wel ten op„ sigte van Ceijlon, als Nagapatnam gewigtige Zeeplaatsen, terstond in be„ sit te neemen en te versterken, waar„ van men de daaruijt te ontstaane nadee„ lige gevolgen seer ligtelijk voorsien kan. Is het nu Soo, indien sij 'er maar een klijn fortije, tot een bewijs hunner be„ sitting leggen, wat sal het dan niet weesen, wanneer sij Naoer (:'t geen hun waarlijk om de wille der revier en goede rhée, geraden Soude sijn :/ in hunne hoofd en residentie stad verkee„ ren. Een magtig onderkruijpend en aan, en in den handel soo seer, als wij over„ gegeeven, en vernuntig volk, in een groo„ te en wel gefortificeerde Stad twee uuren van hier te hebben, is waarlijk geen saak van gering belang en wel dub„ bel ernstige overweeging waardig. 4:e Om dat de Engelsen, indien sij een„ ders hun intrest wel verstaan (: niet in gebreeke blijven sullen den souba, in afbetaling sijner schuld die groot is, 't Tansjoerse Rijk afte praaten, of, in„ dien dat niet lucken wil, hem gaan met geweld daar van te beroven, aan„ gesien 'er op de gansche Cust geen beter goudmijn voor haar is, om haare ver„ valle saaken, niet alleen te herstellen, maar ook eeuwig duurend in stand te doen blijven, als een Rijk sijnde, die sijnen besitter /: ongereekend alle andere middelen :/ uijt het nelij gewas alleen, klijn, 's jaars

NL-HaNA_1.04.02_3373_0194 view scan ↗

English

178 yields over twenty million guilders a year. Fifthly, because if the English in time become sovereigns of the Kingdom of Tanjore independently of the Subah, it will be over for the Honourable Company on this Coast, since in such a case, as we would be their tributaries (as one still is at present to the King, until such time as one has bought off that pernicious servitude), they will prescribe such laws to us as they see fit and as their interest demands of them. And it is not to be doubted that these would be so burdensome, dishonourable, and disadvantageous, that the Honourable Company would of its own accord be forced to decamp from here, and leave the Coast (which would indeed be the objective of their constant chicanery and unbearable vexations) in their peaceful possession. These and several others may be the detrimental consequences, even if one views the matter from the most advantageous side regarding the Subah, that is, if the Honourable Company lends no ear to the proposals of the endangered Tanjorean Prince, our ally, and, contrary to the concluded treaty, abandons him to the vengeance of his merciless and unjust enemy. Now I come to the disadvantages on the side of the Subah, in the event that the proposals are accepted. After long deliberation, I can find no more than those already mentioned; the only difference is that the Subah and associates can then carry out his intentions with a greater semblance of justice; so that whatever one chooses, not the substance of the matter, but only the pretext (and that only in appearance) would change its form. For all of these arguments for and against, I am therefore very humbly of the opinion that (as one must indeed choose the lesser of two evils) it is by far the best to accept the first proposition as it stands. If there were, however, a possibility in that respect to enter into an actual rather than a conditional agreement, that is, if the King could be persuaded to yield the aforementioned 179 lands and coastal places for a reasonable purchase sum, I would prefer such far above the other; indeed, I even judge that the Honourable Company could well be somewhat generous in such a case, since the Honourable Company would then not only see its revenues increase very considerably annually within a few years, but also thereby completely cut off all far-fetched, ostensible pretexts for the Subah and associates, which is not the case now. For if the Subah comes: Firstly, to know that the agreement entered into by us is conditional, he will consider this as a trick and an unpardonable deceit on our part, in order to swindle him thereby upon conquest, with a semblance of right, out of some of the principal pieces of his conquered lands, and to enrich ourselves thereby in an unjust manner, wherefore he consequently will not consider himself obligated to respect the said contract, it being inequitable. Secondly, it is very credible that this apparent unfaithful and indirect conduct of ours, discovered by the Subah and associates, will possibly put him in the mind (at least he will pretend) that all our loans are cut from the same cloth, and thus he, without restitution of those funds for the mortgaged lands and coastal places, as they are indeed not truly mortgaged, could take them for himself with the greatest reason and equity, and violate the flags planted therein, without acting contrary to the law of nations, since we have first violated that sacred right (by abusing it as a cloak for our deceit); and if now such pretensions (whether they be far-fetched or not) were once accompanied by action, what would the Honourable Company (lying as it would under legitimate suspicion, of which it would with difficulty be able to clear itself), what, I say, would the Honourable Company do then? Protest? That was not advisable, since that would only be the very means to make its shame (which it with reason [illegible])

Dutch transcription

178 's jaars ruijm twintig millioenen gul„ dens opbrengt. 5:e Om dat, so de Engelsen door den tijd onafhankelijk van den souba, souverai„ nen van het Koningrijk sansjoer wor„ den, het met D' E. Comp:e te deeser Custe is gedaan, nadien sij ons in sulk geval, als hunne Tributairen sijnde /:gelijk men teens nog van den Koning is, tot soo lan„ ge men dat pernisieuse Servituit niet heeft afgekogt :/ sodanige wetten sullen voorschrijven, als het hun goeddunkt, en het belang hun afvordert. En het is niet te twijffelen, of deselve souden soo swaar„ lastig, onteerend en nadeelig sijn, dat D' E. Comp: van selvs genoodsaakt soude wee„ sen, van hier op te breeken, en de Cust (:dat tog het oogwit hunner geduurige Chica„ nes en onverdraaglijke vexatien souden sijn :/ in hunne geruste besitting over„ te laaten. Dit en meer andere kunnen de nadee„ lige gevolgen sijn, bij aldien men de saak aan de sijde van den souba van den voordeeligsten kant beschouwt, dat is. Wanneer D' E. Comp: de voorslagen van den in gevaar sijnde Tansjoersen Vorst onsen bondgenoot, geen gehoor ver„ leent, en hem teegens het aangegaane tractaat, aan de uraak van sijnen on„ barmhertigen, en onregtveerdigen vijand overlaat. Nu kome ik tot de nadeelen aan den kant van den Souba, so wanneer de voorslagen worden aangenoomen. — Ik kan 'er na lange overweeging geene meer, als de reets genoemde vrinden, 't eenig„ ste onderscheijd is, dat den Souba C. S. sijne voorneemens alsdan met meerder schijn van regt ter uijtvoer brengen kan; soo dat wat men ook verkiest tog niet de saak, maar alleenlijk het voorwendsel, /:en dat nog maar in schijn :/ van gedaante ver„ anderen soud. Om alle welke voor- en teegen reede¬ nen ik dan ook seer nedrig van ge„ voelen ben, dat het /: als tog van twee quaden een kiesen moetende :/ seer verre het best is, de eerste propositie soo als het legt, te accepteeren. Indien 'er egter mogelijkheijd was, ten dien opsigte eene reële, in steede van Conditioneele verbintenis aantegaan, dat is; so den Koning konde bewogen worden, Vorst gedagte 179 gedagte Landen en Zeeplaatsen voor eene reedelijke Somme inkoop aftestaan, sou„ de ik sulx verre boven het andere pre„ fereeren, Ja oordeele selvs, dat 'er D'E. Comp: in sulken geval de hand wel wat „mee ligten kon: nadien D' E. Maat„ schappij alsdan, niet alleen binnen wij„ nige Jaaren haare Jnkomsten Jaarlijks seer aanmerkelijk vermeerdert soude zien, maar ook den Souba C. S. daar door alle vergesogte schijnbaare voor„ wendselen ten eenemaal soude werden afgesneeden, dat nu soo niet is, want komt den Souba Voor eerst; teweeten, dat de door ons aan¬ gegaane verbintenis Conditioneel is, sal hij sulx voor een list, en onverschoon„ lijke bedriegerij van ons aanmerken, ten eijnde hem daar door bij overwinning, eenige der voornaamste brokken sijner over„ heerde Landen, met schijn van regt te ont„ troggelen, en 'er ons op eene onregtvaar„ dige wijse door te verrijken, waarom hij dan ook bij gevolge sig niet ver„ pligt sal agten, gemeld Contract als on„ billijk sijnde, te respecteeren: Ten Tweeden: Is het seer gelooflijk, dat deese onse schijnbare door den Souba C. S. ontdekte ontrouwe, en indirecte behande„ ling, hem mogelijk in het denkbeeld sal brengen, /: ten minsten sal hij 't voorwen„ den :/ dat alle onse geldleeningen, op dien„ „selven leeft geschoeijd sijn, en hij dus, sonder restitutie dier penningen der in pand genome Landen en Zeeplaat„ sen, als tog in waarheijd niet verhij„ potequeerd sijnde, met de grootste reeden en billijkheijd na sig neemen, en de daarin geplante vlaggen violeeren kan, sonder tegen het regt der volke„ ren aantegaan, dewijl wij dat heijlig regt 't eerst /: door het selve tot een dekmantel onser bedriegerije te mis„ bruijken :/ geschonden hebben; En indien nu sulke voorgeevingen /:zij mogen dan vergesogt sijn of niet, :/ eens met de daad verseld wierden, wat sou tog D' E. Comp:e /: als onder regtmatige ver„ denking leggende, waarvan sij sig be„ swaarlijk soude kunnen Suijveren:/ wat zou zeg ik D' E. Comp: dan doen Protesteeren ? Sulx was niet geraaden, nadien dat maar het regte middel soude weesen, haare schande /: die sij met reeden deese be -

NL-HaNA_1.04.02_3373_0196 view scan ↗

English

180 ought to have kept hidden, without gaining anything by it. And if she remains silent, she loses the money she advanced. It is true, and this will be admitted no less by the English than by the Souba if they wish to judge fairly, that the Honorable Company, having helped the Prince out of his embarrassment into which he was brought by the Souba, to the advantage of the latter by advancing money, consequently can and may now also, when the King is again in distress, provide for the security of her funds. "But," the Souba may further remark, "does this same obligation also justify the Honorable Company in entering into a fraudulent contract precisely for that reason, to the prejudice of my rights? Does the Honorable Company not already have sufficient security with the lands and jewels taken in pledge? Indeed she does; otherwise no money should have been advanced upon them. What moves the Honorable Company then to conclude so indirect an agreement? Is it not the thought, very dishonorable to me, that upon becoming the victor, I shall make myself master of the said lands etc., without repaying the funds borrowed upon them? Indeed it is. Well then, let me take the keenest revenge for this insult offered to me, without having given cause for it, and now do that which they have so unjustly, unfriendlily, and uncharitably judged me capable of doing, and which I would otherwise never have proceeded to do." These and more similar reflections may constantly cross the mind of the Souba, wherefore, as has been said, it would truly be better to purchase the frequently mentioned lands, if possible, from the King. If, however, the Prince will not agree to this, I remain by my former advice. Having herewith deliberately dealt at length, according to my humble capacity, with the first proposition and all that may in any way be related to it, this will spare me the trouble of dwelling so long upon the other two, as they are after all included therein and must stand or fall with the same. Wherefore I consequently, in that regard, without bringing forward reasons for it, since they are to be found at length in the arguments above, solely advise: 181 That the recognition monies should certainly be bought off, and in my opinion one might well offer from 20 to 25000 pagodas for them. The sovereignty is indeed a generosity worthy of it. The third proposition requires no hesitation. Indeed, even if the Prince himself wished to come under the protection of our flag, one could not refuse it to him under any pretext whatsoever. Nagapatnam the 21st of July 1773. Was signed: H. A. Sohrison. To the Right Honorable and Worshipful Sir, Reijnier Van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Cormandel with the dependencies thereof, etc. etc. etc. Right Honorable and Worshipful Sir! In compliance with Your Right Honorable and Worshipful's desire to be served with written advice concerning the points sent in writing to the undersigned, regarding some propositions made by the envoy Narsinga and the haweldaar Cannagasawea, he now serves, in submission to your judgment, the following: Firstly: That one may well accept the deeds of sale of Riewaloer as well as of Naoer and Tepotorre on the condition proposed by the said envoy Narsinga and haweldaar Cannagasawea; although it would be a desirable thing if, even should the Nabab come to succumb, one could nevertheless remain lawful owners by virtue of those deeds of sale, even if it were only of Naoer and Topotorre alone. 182 Secondly: That the surrender and cancellation of the recognition monies is also a proposal which, taking into consideration the beneficial consequence thereof in time, one might well embrace, and therefore, for the redemption thereof, in proportion to the amount that was paid to the Prince for the surrender of the recognition elephants, one might also offer around 30000 pagodas. Thirdly: That although one may view with apprehension the consequences of accepting the Prince's family under the protection of the Company's flag in case His Highness should happen to succumb to the Nabab's power or fall into that danger, yet that protection cannot well be decently refused to His Highness's family, since the same has at times even been granted to the Nabab himself, whereby he obtained the opportunity to escape further the danger from the French. Hoping herewith to have fulfilled the intention of Your Right Honorable and Worshipful, in order to comply with the respected command of Your Right Honorable and Worshipful and at the same time to fulfill my duty, he claims the honor to subscribe himself with deep respect in the capacity of, as below: Right Honorable and Worshipful Sir, Your Right Honorable and Worshipful's humble and dutiful servant, Was signed: C. Pietersz. In the margin: Nagapatnam the 24th of July 1773.

Dutch transcription

180 bedekt moest hebben :/ aan den dag te brengen, sonder 'er iets bij te winnen. En swijgt ze stil, soo verliest sij haar uijt geschote geld. — 'T is waar, en sulx sal so min van de Engelsen, als den Souba bij aldien na billijkheijd oordeelen willen, ontdekt wor„ den, dat D' E. Comp:e den Vorst uijt sijne verlegendheijd, waarin hij door den souba gebragt was, ten voordeele van den laast„ gen:de door geldschieting geholpen hebbende, sij ook gevolglijk tans, nu den Koning wederom in't naauw is, voor de seekerheijd haarer gelden sorgen kan, en mag. Maar /:kan den Souba wijders aan mer„ ken:/ „ wettigd over sulx deese selve ver„ „pligting haar Ed: ook, om eeven daarom „ een tot verkorting mijner regten be„ „driegelijk Contract aantegaan: heeft „ D' E. Comp: met de in pand genomene „ Landen en Juweelen, reets geene ver„ „ seekering genoeg ? Immers Ja; anders „ moest 'er geen geld op geschooten sijn „ geweest; wat beweegt haar Edele dan „ eene so indirecte overeenkomst te sluij„ „ten? Is het niet, de voor mij seer on„ „teerende gedagte, dat ik, overwinnaar „ werdende, mij van gemelde Landen ensz: sal meester maaken, sonder de daar„ voor geleende gelden te rug te geeven? Immers Ja. wel aan dan, laat ik mij „ over dien aangedaanen hoon /: sonder „ oorsaak 'er toe gegeeven te hebben:/ „ op het gevoeligste wreeken, en tans „ doen, het geene, waartoe men mij soo „ onbillijk, vrind= en liefdeloos be„ „ quaam geoordeelt heeft, en waartoe „ ik anders nooijt overgegaan soude „ sijn " Deese en meer soortgelijke be„ denkingen kunnen gestadig het gemoed van den Souba overdwarsen; waarom het /: gelijk gesegd is :/ waarlijk beter soude weesen, dikgenoemde landen, in„ dien het mogelijk is, van den Koning af„ te koopen, so egter den Vorst daartoe niet wil verstaan, blijve ik bij mijn voorig advis. Hiermeede de eerste propositie met al wat 'er eenigsints toe betreckelijk kan werden gemaakt, met voordagt in't breede /: na mijn gering vermogen:/ afgehan„ delt hebbende, sal mij sulx de moeijte sparen op de twee anderen /:als tog daar in begreepen sijnde, en met het sel„ „ werdende, ve 181 ve staan of vallen moetende :/ so lang te blijven oogen: Waarom ik dierhalven ten dien opsigte sonder reedenen daartoe bij tebrengen /: vermits deselve bij 't voor„ waarts beredeneerde breedvoerig te vinden sijn :/ enkelijk adviseere. Dat de re„ cognitie-penningen gewisselijk dienen te werden afgekogt, en men mijns be„ dunkens wel van 20. tot 25000. pagoden daarvoor soude kunnen bieden. De Gouverainiteijt is wel een mildheijd waar„ De Derde Voorstelling heeft geen beden„ king nodig, Ja al wilde selvs de Vorst onder de bescherming onser vlag komen, sou men 't hem, onder wat voorwendsel ook, niet kunnen weijgeren. Nagapatnam den 21. ' Julij 1773. /:was geteekend:/ H„k A„s Sohrison. dig. Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Reijnier Van Vlissingen Gouverneur en Directeur deeser Custe Cormandel Per voldoening aan uwel Edele Gestr: begeerte, om schriftelijk te dienen van advis, over de poincten aan den ondergeteekende in scriptis toegesonden, raakende sommige propositien door den afgesant Narsinga en haweldaar Cannagasawea gedaan, diend hij tans met onderwerping aan sijner oordeel, het volgende. Voor eerst: Dat men de Koop-brieven van Riewaloer soo wel als van Naoer en Tepotorre wel kan accepteeren, op de door gem: afgesant Narsinga en haweldaar Cannagasawea geproponeer„ de Conditie; hoewel het een gewenschte saak Zouw sijn, indien men, schoon den Nabab kwam te beswijken, egter uijt kragte dier koopbrieven wettige Eijgenaars konde blijven, al was het maar van Naoer en Topotorre alleen. Wel Edele Gestrenge Heer! met den Resorte van dien Etc:r Etc:ra Etc:ra met Ten 182 Ten tweeden: Dat den afstand en vernie„ tiging der Recognitie-penningen meede een voorslag is, die men, het voordeelig gevolg van dien in der tijd in overdenking neemende, wel sou kunnen amplecteeren, en dierhalven tot afkooping van dien, in evenreedigheijd van het bedragen, dat aan den Vorst betaald is geworden, voor den afstand der Recognitie Eli„ phanten, ook wel C. C. 30000. pag: zou kunnen bieden. Ten Derden: Dat schoon men de gevol„ gen van de acceptatie van 's Vorstens Familie onder de bescherming van 's Comp:s vlag, ingevalle Sijn Hoogheijd voor des Nababs magt mogte komen te be„ swijken, of in dat gevaar raaken; swaar kan trecken, egter die protectie aan Sijn Hoogheijds familie niet wel voegelijk kan geweijgerd werden, dewijl men aan de Nabab selvs wel eens de„ selve heeft verleend gehad, waardoor denselven occagie gekreegen heeft, om verder het gevaar der Francen te ont„ vlugten. — Hiermeede verhoopende aan de in„ tentie van 5 uwel Edele Gestr: te hebben Om ingevolge het gevenereerd be„ vel van uwel Edele Gestrenge daaraan, en teffens te voldoen aan Wel Edele Gestrenge Gebiedende Heer! Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer, Reijnier Van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deeser Custe Cormandel met den Resorte van dien Etca: Hcr voldaan, matigd hij de Eere van met diepe ontsag te onderschrijven, in de hoedanigheijd van /:onderstond:/ Wel Ede„ le Gestrenge Heer; uwel Edele Gestr: Onderdanigen en trouwschul„ digen Dienaar /:was Geteekend:/ C: Pietersz. /:in margine:/ Nagapat„ nam den 24. ' Iulij 1773. — voldaan, mijn

NL-HaNA_1.04.02_3373_0199 view scan ↗

English

my bounden duty, in presenting a written advisory concerning the concurring circumstances of the mortgaged Province of Kiewaloer, the coastal places Naoer and Topotorre, I am of the opinion that the offer made by the Prince's envoys Narsinga together with the havildar Cannagasawea, to provide deeds of purchase on certain conditions in lieu of mortgage bonds amounting to 235000 pagodas, namely for the Province of Kiewaloer pagodas 200000 and the two coastal places Naoer and Topotorre pagodas 50000, or 250000 together; and that the lands shall belong to the Company in full ownership should His Highness succumb to the power of the Nabob cum suis, but having become master over his enemies, the deeds shall be held as nothing other than bonds, must not be rejected, since the Prince, as long as he is not overcome by his enemies, can deal with his lands and property according to his own pleasure, as has happened previously, and also because the Honourable Company is thereby protected against all damages according to the law of nations. With regard to the redemption of the recognition monies of this outer city, I am of the opinion that a sum of pagodas 25000, or even somewhat more, may well be paid for it, provided that the Prince relinquishes his right forever. Now concerning the wives and further family of the Tanjore Prince wishing to be in safety in this city under the flag of the Honourable Company, this cannot, when they arrive here, be denied them by virtue of the alliance that the Honourable Company has entered into with the Court of Tanjore; for otherwise the said Prince would have little use for such allies, and could, if he remains in possession of his lands and states, repay the Honourable Company in many ways, and might also at times enter into an alliance with another European nation. This having been set down on paper as briefly as possible, the undersigned hopes and wishes that God may be pleased to thwart the unjust plots undertaken by the Nabob cum suis, and restore these lands to a desired peace, so that the commerce and business of the Honourable Company, especially the precious collection of cloth, may have a peaceful and desired progress. While subscribing myself with due respect, underneath stood: Right Honourable, Commanding Sir, Your Right Honourable's Humble Servant, was signed: J.n Appengh, in the margin: Nagapatnam, the 22nd of July 1773. Advisory. With respect to the three important points made to the Right Honourable Lord Governor by the ambassadors of the Tanjore Court, Narsinga Rauw Bhosale and Cannagasawea Poele, on account of the critical circumstances in which that principality finds itself again at present due to the persecution by the Arcot Subah Mahometh Alichan cum suis, and in order to cover the Honourable Company for the successive assistance given to the Prince of an important sum of money, amounting both on the Company's behalf and privately to 235000 pagodas, besides the latest negotiation of the recognition elephants, Naoer cum suis and Truwwaloer, in case His Highness should have the misfortune of having to bow under the power of his enemies, who are very formidable; and communicated by His Honour to the members in the meeting of the 14th instant, with the request that each of them should declare himself thereon in writing at a following meeting, I am, subject to wiser judgement, of the following sentiment: 1st. Concerning the deeds of purchase to be granted under the Prince's seal for the Province of Kiewaloer for a sum of pagodas 200000, and for the coastal places Naoer and Topotorre for 50000 pagodas, which instead of pagodas 235000 amounts to 250000 pagodas, solely to make a round sum, without the missing 15000 pagodas however having to be supplemented or paid out: That one may and can indeed accept the same. For

Dutch transcription

183 mijn schuldigen pligt, met het doen van een schriftelijk advis, wegens de Concureerende omstandigheeden van de verpande Provintie Kiewaloer, de Zeeplaatsen Naoer en Topotorre, so ben ik van gevoelen, dat het aanbod van 's Vorsten afgesanten Narsinga nevens den haweldaar Cannagasawea, om in plaatse van verpandings obliga„ tie groot 235000. pagooden 'er koop„ brieven op seker voorwaarde voor te willen besorgen, te weeten voor de Provin„ tie Kiewaloer pag: 200'000. en de twee Seeplaatsen Naoer en Topotorre pag: 50000. of 250000. te samen; en dat de Landen de Comp:e in volle eijgendom sullen toebehooren, wanneer sijn hoogheijd voor de magt van den Nabab C: S. mogte beswijken, dog meester van sijn vijanden geworden sijnde, Soo zullen de brieven ^ niet moet afgeslagen worden niet anders dan Obligaties gehouden worden^ aangesien den Vorst soo lange niet van sijne vijanden overwonnen is, met sijn landen en Goederen kan handelen na eijgen welge„ vallen, gelijk voormaals geschied is, en ook om dat daar door D' E. Comp:e volgens het regt der Volkeren voor alle schade gedekt is. Ten opsigte van den afkoop der recog„ nitie-penningen van deese buijten stad, ben ik van gedagten, dat daar voor wel een som van pa/o: 25000. , al was het iets meer kan betaald werden, mits dat den Vorst van sijn regt voor altijd afstand doet. Wat nu belangt de Vrouwen en ver„ dere Familie van den Tansjoersen Vorst, om in deese stad onder de Vlagge van D' E. Comp:s in veijligheijd te willen sijn, kan haar, wanneer sij hier komen door de al„ liantie, die D' E. Comp: met het Hof van Tansjoer gemaakt heeft, niet werden ver„ booden, want anders den gesegde Vorst weijnig aan sulke bondgenooten soude hebben, en D' E. Comp:, wanneer hij in het besit van sijn Landen en staaten blijft, op veel der hande manieren kunnen betaalen, en ook somtijds, wel een ver„ bond met andere Europeese Natie kunnen aangaan. Dit so kort doenelijk op het papier gesteld sijnde, hoopt en wenscht den tee„ kenaar, dat God de onregtvaardige aanslagen door den Nabab C. S. voorge„ nomen, gelieve te verijdelen, en deese Landen in een gewenschte rust te her„ Ten stellen 184 stellen, op dat handel en wandel van D' E. Maatschappij, insonderheijd den pre„ tieusen Insaam van Lijwaaten een vreed„ same en gewenschte voortgang kan hebben. Terwijl met gepaste Eerbied onderschrij„ ve /:onderstond:/ Wel Edele Gestrenge, Gebiedende Heer; UUwel Edele Gestren„ ge Ootmoedigen Dienaar /:was geteekend:/ J„n Appengh, /:in margine:/ Naga„ patnam Den 22. ' Iulij 1773.— Advis. Ten opsigte van de drie aangelegene poincten, door de Ambassadeurs van het Tansjoerse Hoff Narsinga Rauw Bhosale en Cannagasawea Poele, om de wille van de Criticque omstandigheeden, waarin dat Vorstendom, door de vervolging van den Arcadoesen Souba Mahometh Alichan C. S. s tans weder verseerd, en om D' E. Comp:e voor de successive aan den Vorst gedaane adsistentie van een impor¬ tante somma Gelds, bedragende soo 's Comp:s wegen, als particulier 235000. pag: /: buijten de jongste onderhandeling van de Recognitie Eliphanten, Naoer C. S. en Truwwaloer :/ te decken, ingeval sijn Hoogheijd eens het ongeluk hebben mogt, van onder de magt sijner vijanden, die seer gedugt sijn, te moeten bucken; aan den wel Edelen Gestrengen Heer Gou¬ verneur gedaan, en door hoogst densel„ ven in de vergadering van den 14. ' Cour:t aan de Leeden gecommuniceerd, met versoek, dat een ieder derselve sig daar„ over in een volgende bijeenkomst schrif„ telijk soude verklaaren, ben ik met onderwerping aan wijser oordeel van het volgende Sentiment. 1:e Omtrend de te verleene koop-brieven onder 's Vorsten Segel, van de Provin„ tie Riewaloer voor een Somma van prCo: 200'000. , en van de Zeeplaatsen Naoer en Topotorre voor 50000. pagoden, dat in steede van pa/o: 235000. , pago„ den 250000. uijtmaakt /: alleen, om een effen som te maaken, sonder dat de manqueerende 15000. pagooden egter sullen werden gesuppleerd of afgegeeven:/ Dat men deselve wel accepteeren mag en Kan. J: buijten Want

NL-HaNA_1.04.02_3373_0201 view scan ↗

English

For the Prince is the lawful possessor of his lands, so long as he is not openly conquered by his enemy, and thus he also has the power to sell or mortgage any of them at his pleasure, as he deems best and most advantageous for himself, just as this Government, having judged him entitled to the former, also took the province of Kiewaloer in pledge without any hesitation, which was fully approved by the Noble High Indian Government. And if one can take his lands in pledge with peace of mind, he is equally entitled to sell the same, for if the purchase should cause us any trouble, the mortgaging will do so just as well. It is indeed true that some objection could be made here, that by such a purchase one will make the Nabab and company angry, but reasoning according to fairness, I do not see that this can take place, for the following can always serve as a refutation thereof: The Honorable Company assisted the Prince with money, to enable him to contribute the sum contracted with the Nabab in anno 1771, and thus preserve his land. Now he is attacked again, and it is our duty to take care that the Company's money comes in before the emergence of any misfortunes. For this he is now incapable in cash, and proposes to cede lands for it; ergo, to prevent damage, we are indeed obliged to accept the same, which everyone who finds himself in the same circumstance would do. 2. That with respect to the offered surrender of the recognition monies, through what was shown in Art. 1 regarding the Prince's authority to deal with his lands and privileges at his pleasure, the difficulty that could be raised in that regard having been removed, to wit, reasonably argued, for against the raising of unreasonable and unfounded excuses, which could happen regarding this as well as the previous point by the Prince's enemy, if he becomes the victor, no one can, nothing remains but the determination of the sum that could be given for it, in proportion to what was paid for the redemption of the elephants up to pagodas 30,000, for which I think the sum of 25000 pagodas can provisionally be offered, making exactly what the Honorable Company must pay for it in the period of 12 years. And if it cannot be obtained for that sum, then the recognition of 3 years, which His Highness is in arrears, amounting to pagodas 6250, could still be added thereto, but also no more, as it would then be exactly for 15 years, just as was paid for the elephants, and would cost pagodas 31250; for by this redemption the Honorable Company is freed from that burden which has lasted for so long, and entirely free from the principality of Tanjore, to which it has always been tributary. 3. That one can, in case of need, indeed accept the Prince's wife and family under the protection of the Company's flag and in this city, as His Highness is a friend and ally of the Honorable Company, with whom one stands in a very close alliance, the more so because the Honorable Company, under the administration of the Noble Lord Vermont, personally harbored its own enemy, the Nabab, here against the persecution of his enemies, the French gentlemen. Was signed: D:s Van Tessel. Advice of the Secretary of Policy, Willem Duijnevelt, with respect to the proposals made by the envoys of the Tanjore Court, Narsinga Rauw Bosale and Cannaga Sawea Poele. The dangerous circumstances in which the Tanjore realm currently finds itself, and the dark clouds of war that hang over its head, due to the great preparations which the Carnatic Subah Mahometh Michan, assisted by the English gentlemen, notwithstanding the large sum of money with which the Prince in anno 1771 bought off the war, or rather actually the siege of his capital and residential city, is now making again, to attack anew that realm, upon which he as well as his allies have had their eye for a very long time, with a firm intention to overpower the same, require of us that regarding the affairs of that Prince, who stands in close friendship and alliance with us, and between whom and the Honorable Company a contract for the rendering of mutual assistance has existed from old times to the present, one proceed in general with all caution and circumspection, not only because his enemy through the assistance of the English is very powerful, and it is therefore not without apprehension that the same will subjugate him and conquer his states, whereupon the Honorable Company will have the same obligation to him as it now has to the Prince, and he will also not fail to make their Honors pay doubly for everything that was done in this war to the benefit of the Prince, having in that case an unlimited opportunity to do so, but also because the Honorable Company also conducts its trade peacefully and unhindered in the Subah's land, and the factories of Palliacatta, Sadraspatnam, and Portonovo are situated in his states, where he thus, even without becoming the conqueror of Tanjore, can plague their Honors enough for the help rendered to his enemy, and inflict important damage by obstructing trade or surprising said factories, although both would be very unreasonable, since the Subah, being in the same case with us as the Prince, would absolutely desire that under these circumstances the contract be fulfilled. If this circumspection and caution is now in general so highly necessary, it is so in particular, and especially also with regard to the currently made

Dutch transcription

185 Want den Vorst is wettige besitter van sijne Landen, soo lang hij niet opent„ lijk door sijn vijand overwonnen is, en dus heeft hij ook de magt eenige daar van na sijn welgevallen te verkoopen, off te verpanden, so als hij dat voor sig selvs best en voordeeligst oordeelt, gelijk deese Regeering hem tot het eerste bevoegd ge„ oordeelt hebbende, de provintie Kiewaloer, ook sonder eenige schroome in pand genoo„ men heeft, dat door de Edele Hooge Indiase Regeering ten vollen geappro„ beerd geworden is. — En kan men Sijn Landen met gerust¬ heijd in pand neemen, soo is hij ook even goed bevoegd, om deselve te verkoopen, want indien ons, de koop eenig moeytlijk„ heijd veroorsaakt, so sal de verpanding het ook even goed doen. Het is wel waar, dat hier eenige be„ denking soude kunnen werden gemaakt, dat men door eene sodanige koop den Nabab C. S. gramstoorig maaken sal, „ naar maar „ billijkheijd redeneerende, zie ik niet, dat zulx plaats vinden kan, want tot wederlegging daarvan kan altoos het volgende dienen: D' E. Comp:e heeft den Vorst met geld geadsisteerd, om hem in staat te stellen, van den Nabab de in A„o 1771. gecon„ tracteerde somma te kunnen Contri„ bueeren, en dus sijn Land behouden. Nu werd hij weder overvallen en het is onse pligt, om sorge te dragen, dat voor het exteeren van eenige onge„ luken 's Comp:s geld inkomt.— Hier toe is hij nu in Contant onver„ mogens, en proponeerd. Landen daar voor afte staan, Ergo sijn wij tot preventie van schade wel verpligt, deselve te ac„ cepteeren, het welk een ieder, die sig in deselvde omstandigheijd bevind, doen Soude. 2: Dat ten opsigte van de aangeboodene afstand der Recognitie-penningen door het aangetoonde bij Art. 1. van Vorstens bevoegdheijd omtrend het han„ delen met sijne Landen en privilegien na sijn wel gevallen, de swarigheijd, die daar omtrend soude kunnen wer„ den geopperd weggenomen sijnde /: te weeten reedelijker wijse geredeneerd:/ want tegens het opwerpen van onbillij„ ke en ongefundeerde uijtvlugten, die D E. Zo 186 So omtrend dit als het voorige poinct door 's Vorstens vijand, soo hij overwinnaar word, kunnen geschieden, kan niemand:/ resteerd 'er niets, als de bepaaling van de Som, die daar voor gegeeven soude kun„ nen werden, na evenreedigheijd van het betaalde voor de afkooping der Eli„ phanten tot pa/o: 30'000. , waar voor ik denke de Somma van 25000. pag: bij provisie kan werden gebooden, maa„ kende net het geen D' E. Comp:e in de tijd van 12. Jaaren daar voor betaalen moet. En so het voor die som al niet te be„ komen is, dan de recognitie van 3. Jaa„ ren, welke sijn Hoogheijd ten agteren staat, bedragende pa/o: 6250. nog daar„ bij zoude kunnen werden gevoegd, dog ook niet meer, als sijnde dan net voor 15. Jaaren gelijk voor de Eliphanten is betaald, en sullende kosten pa/o: 31250. want door deese afkoping word D' E. Comp: van die al so lang geduurd hebbende last„ post bevrijd, en in 't geheel vrij van 't Tans„ joerse Vorstendom, waaraan ze altoos tri„ butair geweest is. 3: Dat men 's Vorstens vrouw en familie in De dangereuse omstandigheeden, waarinne het sansjoerse Rijk sig voor tegenswoordig bevind, en de donkere wolken van oorlog, die het selve boven Advies van den secreta„ ris van Politie, Willem Duijnevelt, ten opsigte van de gedaane Propositien door de afgesanten van het Tansjoerse Hof Narsinga Rauw Bosale en Cannaga„ Sawea Poele. — Cas van nood wel onder de bescherming van 's Comp:s vlag, en in deese stad accep„ teeren kan, als sijnde sijn Hoogheijd een Vrind= en bondgenoot van D' E. Comp:e, waarmeede men in een seer nauwe allian„ tie staat, te meer vermits D' E. Comp: sijn eijgen Vijand den Nabab onder de Regeering van de Edele Heer Ver„ mont alhier personneel voor de vervol„ ging sijner vijanden d' Heeren Francen wel geborgen heeft /: was Geteekend:/ D„s Van Tessel. Cas het 187 het hoofd hangen, door de groote pre„ paratien, welken den Carnaticasen sou„ ba Mahometh Michan, geadsisteerd van de Heeren Engelsen, niet teegen„ staande de groote Somma gelds, met welke den Vorst in anno 1771. den oor„ log, of wel eijgentlijk het beleg van sijn Hoofd= en Residentie-stad afgekogt heeft, tans weder maakt, om dat Rijk, waarop hij soo wel als sijne geallieerdens al seer lange het oog gehad heeft, de novo aantelasten, met een vast voorneemen, om het selve te overmeesteren, vorderen van ons, dat men omtrend de zaaken van dien Vorst, die met ons in een nauwe Vrind= en bondgenootenschap staat, en tus„ schen denwelken en D' E. Comp:e van oude tijden herwaards een Contract tot het be„ wijsen van wedersijdse bijstand subsistee„ rende, in het generaal met alle voor-en omsigtigheijd te werk gaat, niet alleen, om dat sijn Vijand door de adsistentie der Engelsen seer magtig, en het over sulx niet buijten bedugting is, dat denselven hem ten onderbrengen, en sijne staaten veroveren sal, wanneer D' E. Comp: aan hem deselfde verpligting krijgt, als se tans aan den Vorst heeft, en hij ook niet nalaaten sal haar Edele alles, wat men in deesen oorlog ten voordeele van den Vorst gedaan heeft, dubbeld betaald te setten, als hebbende daartoe in dat geval een onbepaalden geleegendheijd, maar ook om dat D' E. Maatschappij in Soubas Land ook gerust en onverhinderd haaren handel drijft, en de Comptoiren Pallia„ catta, Sadraspatnam en Portonovo in sijne staaten geleegen sijn, al waar hij dus, schoon geen overwinnaar van Jansjoer wordende, Haar Edele voor de hulpe aan sijn vijand beweesen, ge„ noeg plagen, en importante schade toe„ brengen kan, door den handel te belet„ ten, of gedagte Comptoiren te overrom¬ pelen, hoewel het beijde seer onreede„ lijk weesen soude, aangesien den sou„ ba in het selvde geval met ons sijnde als den Vorst, absolut begeeren soude, dat in deese omstandigheeden aan het Contract voldaan wierd. Is deese om= en voorsigtigheijd nu in't generaal soo hoog noodsaakelijk, soo is ze sulx in het bijsonder, en voor„ namentlijk ook met betrecking tot de tans gedane

NL-HaNA_1.04.02_3373_0204 view scan ↗

English

made proposals of the aforementioned envoys, for on the one hand one must, according to oath and duty, care for the interest of the Honourable Company, and on the other hand one must also guard as much as possible against irritating the Souba, since Her Honour's interest is also not a little dependent on this, whereas both can hardly go together, but the one being observed, the other must be neglected. And for that reason it is also exceedingly necessary that one fix one's attention upon the consequences that may in time arise from the accepting or rejecting of these proposals, since the one as well as the other is accompanied by apprehension for danger to the Company's interests, and one must therefore choose the best of two evils, or to speak more clearly, that which according to the situation in which one finds oneself, one in good conscience considers to be such, since through unforeseen changes of times and affairs, according to which no human decision can be directed or arranged, the path which one at present regards as the most beneficial and adopts as such, may well become the most harmful, or it may appear in hindsight that it would have been better if one had chosen the other; in consideration then of the weight of this matter, it having been requested by the Governor in the meeting held on the 14th current, and subsequently resolved, that each of the members should submit in writing his opinion on this precarious subject in a following session, so it is that, pursuant to the same, I submit this present writing to serve for that purpose. Concerning the first point, namely: whether one shall or can accept, or not accept, the deeds of purchase confirmed with the Prince's seal offered by the envoys as security for the moneys lent both on behalf of the Company and privately to a sum of pa/o: 235000 /: aside from the recent transaction of Triwaloer, Nader, and Topotorre, as well as the recognition elephants :/ of the Province of Kiewaloer, as well as the coastal places Naoer and Topotorre, in such manner and on such condition as was proposed, the following weighty difficulties against the acceptance thereof arise according to my humble understanding; namely: 1: That this cannot be done or effected so secretly, but the Souba and the English will obtain knowledge of it, and through the ways of some ill-intentioned persons and self-interested court grandees or others who think to find advantage in it, sometimes obtain some plausible reasons that those lands were not actually sold to us, but that the granting of those deeds is a secret agreement between us and the Prince to keep the best lands from them, which they will then also extend much further than it in fact takes place, and consequently decry our conduct as indirect and in bad faith, as well as in case of victory dispute that ownership with us in the strongest manner, indeed will not even hesitate to take possession of the said places by force of arms, especially Naoer, upon which the Souba, on account of the prominent Moorish temple being there, has long had his eye, and for which the English, by virtue of the convenient situation by the sea, are also very eager, and openly do violence to our flag planted there, which one would have to look upon with forbearance, being far too weak and unable to oppose and prevent the same with force. 2: It can also result therefrom /: namely from the acceptance of the deeds of purchase :/ that if, in order to prevent a formal dispute with the Souba should he become the victor, when one perceived that he had full knowledge of the state of the matter or of the agreement between us and the Prince, and by virtue thereof desired the restitution of those places, one were willing to desist from the purchase and hand them over, provided that the Honourable Company were paid its accrued interest thereon according to the tenor of the mortgages,

Dutch transcription

188 gedane propositien der voorsz: sendelin„ gen, want aan de eene zijde moet men na Eed en pligt voor het Jntrest der E. Compagnie Sorge dragen, en aan de andere kant moet men sig ook soo veel mogelijk wagten, om den Souba te ir„ riteeren, alsoo Haar Edele belang daar aan meede niet weijnig geleegen legt, daar het egter beijde niet wel te samen gaan kan, maar het eene in agt genomen werdende, het ander agter„ weegen blijven moet. — En oversulx is het meede ten uijtter„ sten necessair, dat men sijn aandagt vestige op de gevolgen, die uijt het am„ plecteeren, of van de handwijsen deeser voorslagen, in der tijd ontstaan kunnen, aangesien het eene soo wel, als het an„ dere, met bedugting voor gevaar van 'sComp:s belangens verseld gaat, en men mits dien van twee quaden het beste, of om duijdelijker te spreeken, dat geene kiesen moet, het welke men na de situa„ tie, waarinne men sig bevind, in ge„ moede daar voor Consideerd, vermits door ontevoorsiene veranderingen van tijden en saaken, waarna geen mensche„ lijk besluijt ingerigt, of geschikt wer„ den kan, de weg, die men tans voor de heijlsaamste aanmerkt, en als soo„ danig inslaat, wel de schadelijkste worden, of van agteren blijken kan, dat het beeter geweest soude sijn, soo men de anderen verkooren hadde; uijt overweeging dan van het gewigt deeser saake, in de Gehoudene Vergadering van den 14' Courant door den Heer Gou„ verneur begeert, en vervolgens besloo„ ten sijnde, dat ieder der Leeden sijn advis over dit haggelijk Sujet in een volgende sitting schriftelijk soude in„ brengen, Soo is het, dat ik ingevol„ ge van het selve, deesen daartoe dienen laat. Concerneerende het eerste peinct na„ mentlijk: of men de door de afgesanten tot securiteijt voor de soo 'sComp:s wegen, als particulier geleende gelden tot een som„ ma van pa/o: 235000. /: buijten de jong„ ste onderhandeling van Triwaloer, Na„ der en Topotorre, mitsgaders de Recog„ nitie Eliphanten, aangeboodene Koop-brie„ ven met 's Vorstens segel bekragtigt, van de Provintie Kiewaloer, item de lijk t Zeeplaatsen 189 Seeplaatsen Naoer en Topotorre, in dier„ voegen, en op sodanige Conditie, als gepro„ poneerd werd, accepteeren sal of kan, dan wel niet, doen sig na mijn gering be„ grip de volgende gewigtige swaarig„ heeden teegens dies aanneeming op; te weeten: 1: Dat sulx soo geheijm niet geschieden, of g'effectueerd werden kan, of de Souba en de Engelsen Sullen 'er Kennis van krijgen, en door wegen van Sommige quade ge„ intentioneerdens, en baatsugtige hofs„ Grooten, of andere, dewelke 'er voordeel bij denken te vinden, somtijds eenig schijn„ baare reedenen magtig werden, dat die Landen niet reël aan ons verkogt sijn, maar het verleenen van die brieven; een geheijme overeenkomst tusschen ons, en den Vorst is, om haar de beste landen te onthouden, en dewelke se dan ook veel verder, als se in der daad plaats heeft, extendeeren, mitsg:s dienvolgende onse behandeling voor indirect, en ter qua„ der trouwe uijtkrijten, item in Cas van overwinning, ons die eijgendom op het kragtigste betwisten, ja selvs niet haefi„ teeren sullen, om gedagte plaatsen door kragt van wapenen in besit te neemen, principaal Naoer, waarop den Souba, om de wille van de aldaar sijnde voor„ naame Mhoorse tempel, al lang het oog gehad heeft, en op dewelke de Engel„ sen uijt hoofde van de welgelegendheijd ter zee, ook seer verleekerd sijn, en onse aldaar geplante vlagge, opentlijk geweld aante doen, het welk men met goede oogen soude moeten aansien, als veel te swak en onvermogens sijnde, om het selve met geweld te kunnen tegen gaan en beletten. 2: Kan daar uijt /: te weeten uijt de accep„ tatie der Koop-brieven:/ ook resultee„ ren, dat, indien men tot voorkoming van een formeele oneenigheijd met den Souba, indien hij overwinnaar werd, wanneer men bespeurde, dat hij van de toedragt der saake, of van de overeenkomst. tusschen ons en den Vorst, volkomen kennisse hadde, en uijt hoofde van dien, de restitutie dier plaatsen begeerde, al van de koop desisteeren en deselve over„ geeven wilde, mits dat D' E. Maatschap„ pij haar daar op verloopen Intrest na luijd van de hijpoteecquen betaalen word, Kragt, Sijn

NL-HaNA_1.04.02_3373_0206 view scan ↗

English

Excellency will also refuse that satisfaction and pretend that this was dealt with in the same manner as the deeds of purchase, and that they were obtained from the Prince in an indirect manner without advancing any money, in order to disadvantage him, the Soubah; in which case we might thereby also lose our lawful claim of mortgage, however just it may be in itself, as the Soubah, according to our representations that the conqueror of a country is bound to accept it in the state in which he finds it and to respect the mortgages that have already been placed upon it, will sometimes not listen at all, but take possession of the lands by force, and in refutation of our claim and this conduct of his will say that, just as we had a secret agreement with the Prince concerning the purchase to his detriment, the same applies to the mortgaging, which in itself would also be somewhat probable. 3. That, even though this negotiation were conducted so secretly that the Soubah knows no better than that we have genuinely purchased these lands from the Prince without any agreement existing, which is absolutely impossible, he will nevertheless become very embittered against the Honorable Company and will also avenge this on Their Honors by taking those places to himself by force in case of the capture of Tansjoer, and by denying us all trade both in that Principality and in his entire country, in which case there will be nothing left to carry out or perform at this main settlement and at all the Southern factories, but one will be forced to break up and depart from there completely. 4. That, even if the King of Tansjoer has the good fortune to repel the Soubah and maintain himself in his states, the latter will then sometimes nevertheless not fail to take revenge for this negotiation by causing the Honorable Company all possible obstacles in its trade in his country, indeed sometimes prohibiting it entirely, to which the English, who always seek to thwart the Honorable Company and undermine its trade, will omit nothing to contribute their share, if not openly, at least secretly, as the Soubah is entirely subject to them; regardless of the fact that the Honorable Company receives nothing for all that danger if the Prince triumphs over the Soubah, but must return the lands to him again. However, against this there are again very many motives for the acceptance of those deeds of purchase, namely: A. That the Prince, being the lawful lord and possessor of his lands, as long as he has not been conquered by his enemy, also has full authority to deal with them according to his pleasure and as he deems most advantageous for himself and his realm, thus also to sell, to mortgage, or to give them away, just as in the year 1750 he also ceded 15 villages to us, both by purchase and as a gift, together with his share in the right of the mint here, and in the year 1771 already mortgaged the province of Kiewaloer, which was approved by Their High Mightinesses in their Secret Missive of the 31st of December 1772; and besides this, they have also been pleased to consider the lending of money on Naoer etc. as an advantageous point, wherein lies clear proof that Their High Mightinesses deem him just as competent to do so as the government does. B. That, we having judged His Highness competent to mortgage, one can also proceed with equal confidence to accept deeds of purchase for those lands for greater security of our money, without anyone acting justly being able to object to it, or lawfully molesting the Honorable Company on that account. C. That in accepting the deeds of purchase absolutely no indirect negotiation with the Prince takes place to the detriment of the Soubah, and the following will always serve as a well-founded refutation of the objection that he might wish to raise concerning this, and mentioned hereinbefore at articles 1 and 2.

Dutch transcription

190 Excellentie die voldoening ook sijn weijgeren en voorwenden sal, dat daar„ meede even als met de koopbrieven ge„ handelt is, en deselve op een indirecte wijse Sonder eenig geld te schieten, of van den Vorst verkreegen sijn, om hem Souba te benadeelen, in welk ge„ val wij daar door onse wettige preten„ tie van beleening, hoe regtveerdig die in sig selve ook is, meede kunnen verlie„ sen, alsoo den Souba na onse vertoo„ gen, als dat den overwinnaar van een Land gehouden is, het selve in die staat, waarinne hij het vind te aanvaarden, en de beleeningen, die 'er reeds op ge„ schied sijn, te respecteeren, somtijds gansch niet luijsteren, maar sig door magt meester van de landen maaken, en tot wederlegging van onse pretentie, en dit sijn gedoente seggen sal, dat al soo wel, als wij omtrend de koop een geheijme overeenkomst met den Vorst tot sijn nadeel gehad hebben, het sel„ ve nopens de verpanding ook plaats heeft, het welk op sig selfs ook eenig„ sints waarscheijnelijk sijn soude. 3: Dat, of schoon deese onderhandeling, al soo secreet geschied, dat den Souba niet beter weet, of wij hebben deese lan„ den reël van den Vorst gekogt, sonder dat 'er eenig overeenkomst subsisteerd, /: het geen absolut onmogelijk is:/ hij daardoor egter seer verbitterd op D' E. Comp: werden, en sulx ook aan Haar Edele wreeken sal, door die plaatsen in Cas van overmeestering van Sans„ joer met geweld na hem te neemen, en ons alle handel soo in dat Vorstendom, als in sijn gansche Land te ontseggen, in welk geval te deeser Hoofd-plaatse en op alle de Suijder Comptoiren niets meer uijttevoeren of te verrigten is; maar men genoodsaakt weesen sal, van daar geheel en al op te breeken. 4: Dat of schoon den Koning van Tans„ joer al het geluk heeft; om den sou„ ba afteweeren, en sig in sijne staaten te mainctineeren, den laastgemelde dan somtijds tog niet nalaten sal, sig over deese onderhandeling te reven„ geeren met D' E. Comp:e in sijn land alle mogelijke hinderpaalen in derselver han„ del toetebrengen, ja deselve somtijds ge„ heel en al te verbieden, waartoe de En„ al gelsen, 191 gelsen, die altoos D' E. Comp: tragten te dwars boomen, en in haar Negotie te onderkruijpen, niets nalaaten sullen, soo al niet opentlijk, ten minsten in Cognito, het haare te Contribueeren, alsoo den Souba geheel en al aan haar onderworpen is, ongeagt nog dat D'E. Comp: voor al dat gevaar niets geniet, soo den Vorst over den Souba trium„ pheerd, maar de landen aan hem we„ der restitueeren moet; Dog daar teegen sijn 'er weder seer veel motiven voor de acceptatie dier koopbrieven; Namentlijk A. Dat den Vorst als wettige heer en besitter sijner landen sijnde, soo lange hij door sijn vijand niet overwonnen is, ook volkomen magt heeft, daarmeede na sijn welgevallen en soo als hij dat voor hem en sijn Rijk het voordee„ ligst oordeeld, te handelen, dus ook om deselve te verkoopen, te verpanden of weg te schenken, gelijk hij in anno 1750. ook 15. dorpen so inkoop als geschenk, mitsgaders sijn aandeel in de geregtigheijd van de munt alhier, aan ons afgestaan, en in a=o 1771. de pro„ vintie van Kiewaloer reeds verpand heeft, 't welk door Haar Hoog Edelens bij hoogst derselver Secreete missive van den 31. ' December 1772. geapprobeerd is geworden, en buijten dien de beleening van geld op Naoer etc. meede voor een voordeelige poinct hebben gelieven aantemerken, waarin een klaar bewijs opgeslooten legt, dat Hoogst denselven hem so wel be„ voegd daartoe oordeelen, als de regee„ ring. B. Dat wij sijn Hoogheijd tot de verpanding bevoegd geoordeeld hebbende, men ook even ge„ rust overgaan kan, om tot meerder secu„ riteijt voor ons geld, koopbrieven van die landen te accepteeren, sonder dat iemand die billijk ageeren, iets daar teegens in„ brengen, of D' E: Comp:e met regt daar over molesteeren Kan. Dat in het accepteeren van de koopbrie„ ven gansch geen indirecte onderhande„ ling met den Vorst ten nadeele van den Souba plaats vind, en het ondervolgende altoos tot een gegronde wederlegging van de Captie, die hij daar over soude willen maaken, en hier vooren bij arb: 1: en 2. C. vintie voor

NL-HaNA_1.04.02_3373_0208 view scan ↗

English

can serve what has been proposed, and must be acknowledged by everyone who considers equity, namely: That the Prince, having been assaulted with violence by the souba and having bought off that war for a large sum of money, the Honorable Company, being his ally, assisted him with money upon his summons made thereto, not to the detriment of the Souba, but indeed to enable him, namely the Prince, to be able to contribute to the same the contracted sum, so that Their Honors, instead of acting in this respect to the detriment of his Excellency, actually brought him an advantage, as the Prince would otherwise have been unable to satisfy him. That the Souba currently threatens His Highness again with the same danger as that in which he was placed at that time, and immediately puts this into practice by his preparations, our duty therefore required us to call upon the Prince for the payment of the borrowed principal before he loses his states and there is no hope of obtaining anything; That he, being unable to satisfy the Honorable Company in cash, and offering instead to cede lands to us, we are for that reason also forced to accept the same, as being unable to obtain anything else, since everyone who finds himself in the same case as us would do so. For even though an agreement exists in that regard between us and the Prince, such as currently subsists, namely: That if he obtains the victory and pays us the advanced money with interest, his lands will then be returned, or that otherwise, and if he must succumb to his enemies, they shall forfeit to us; yet our conduct is by no means unjust, seeing that we are contracting with a lawful Prince who is in full possession of his lands, and whom, according to the terms of the contracts made with the Tanjore Nayaks and the Princes of the Maratha lineage who succeeded them, even long before the Moors were possessors of Carnatica, and all of which must ever since be sacredly observed, we are obliged to assist, and that if we were in a position to do so, even in a more striking manner than solely and exclusively by the advancing of money, it is after all also completely open to us to stipulate such advantages as we deem necessary and serviceable for the security of our money, as well as what we can obtain in compensation for the rendered assistance, without his enemy, who subsequently overcomes him, being able on that account to make any equitable claim upon us, or to dispute or take away from us in an unreasonable manner that which we have thus obtained from him by agreement and according to lawful proof. D. That, if the Souba wishes to act in an unjust manner against the Honorable Company, he could then, even if we do not accept the deeds of purchase, should he become the victor, contest the mortgaging just as well and take the lands held by us to himself by force, and even if he does not triumph, he can in that case thwart and inflict damage upon Their Honors at the Southern Factories over the loan just as well as over the purchase, seeing that against unreasonableness accompanied by power, nothing can be done. E. That one must reason a matter according to equity, and not according to the unreasonable acts that may be committed in a violent manner, for if one is, or should be, constantly fearful of that, then as long as one is so weak in men on this Coast with respect to the native Princes, nothing can be undertaken or accomplished, nor can the least designs of the same be opposed or foiled, but in that case the Honorable Company would in all respects be obliged always to dance to the tune of whoever is the most powerful, without being able to maintain its contracts with one or the other, which in the event of a revolution of affairs may not only have very pernicious consequences, but also result in

Dutch transcription

192 voorgesteld is, dienen kan, en door een ieder die de equiteijt betragt, geadvoueerd werden moet, te weeten: Dat den Vorst door den souba met geweld overvallen sijnde en dien oor„ log voor een groote somma gelds afge„ kogt hebbende, D' E. Comp:e als sijn bond„ genoot weesende, hem op sijn daar toe gedaane Sommatie, met geld geadsisteerd heeft, niet ten nadeele van den Souba maar wel om hem te weeten, den Vorst in staat te stellen, van denselven de gecontracteerde somma te kunnen Con„ tribueeren, invoegen Haar Edele in steede van in dit opsigt tot nadeel van sijn Excellentie te ageeren, hem in der daad voordeel toegebragt heeft, al soo den Vorst anders onvermoogens soude zijn geweest, hem te voldoen. Dat den Souba Sijn Hoogheijd tans weder met het selvde gevaar, als waarinne hij te dier tijd verseerde, drijgende, en sulx door sijne prepa„ ratien aldadelijk appliceerende, onse pligt dierhalven requireerde, om den Vorst tot de betaaling van het geleende Capitaal aantespreeken, voor en al eer hij sijne staaten verliest, en 'er geen hoope is, van iets te krijgen; Dat hij onvermoogens sijnde, d' E. Comp: in Contant te Satisfaceeren, en in plaats van dien, aanbiedende landen aan ons te sullen afstaan, wij uijt hoofde van dien, ook wel genoodsaakt sijn, deselve, als niet anders kunnende krijgen, te accepteeren, dewijl een ieder die met ons in het selvde geval is, sulx doen soude. Want al heeft daaromtrend eeni„ ge overeenkomste tusschen ons, en den Vorst plaats, gelijk als tans subsisteerd, namentlijk: Dat indien hij de overwin„ ning verkrijgt, en ons het geschooten geld, met den Jntrest betaald, men dan sijne Landen te rug geeven sal, of dat ze anders, en soo hij onder sijn vijanden beswijken moet, aan ons vervallen wee„ sen sullen; soo is onse behandeling egter geensints onregtveerdig, aange„ sien wij met een wettig Vorst, die in het volkomen besit sijner landen is, en dewelke wij na luijd der Contracten selvs lange voor dat de Mhooren be„ sitters van Carnatica waaren, met de Ri Taasjoerse, 193 Sansjoerse Neijken ende op deselve gevolgde Vorsten uijt de Marattijse Linie gemaakt, en die alle sints heijlig moeten werden onderhouden, verpligt sijn te adsisteeren, en sulx soo wij 'er toe in staat waaren, selvs op een eclatan„ ter wijse, dan eenelijk en alleen met het bijsetten van geld Contracteerende, het ons immers ook volkomen vrij staat, soodanige voordeelen te bedingen, als wij tot securiteijt voor ons geld noodig en dienstig oordeelen, mitsgaders tot recompens der beweesene adsistentie be„ komen kunnen, sonder dat sijn vijand, die hem nader hand overwind, uijt hoofde van dien, eenige billijke pretentie op ons maaken, of ons onreedelijker wijse dat geene bedisputeeren of afneemen kan, dat wij bij overeenkomst en volgens wettig bewijs van hem in dier„ voegen geobtineerd hebben. D. Dat, soo den Souba op een onregtveerdi„ ge wijse tegens D'E. Comp:e ageeren wil, hij dan, schoon wij de koop-brieven niet accepteeren, indien hij overwinnaar word, de verpanding even goed betwiften en de onder ons sijnde Landen met geweld na sig neemen, en soo hij al niet triumpheerd, Haar Edele in dat Cas op de Zuijder Comptoiren even goed over de beleening, als de koop, traverseeren en schade toebrengen kan, aangesien tegens onree„ delijkheijd, die met magt verseld gaat, niets te doen valt. Dat men een saak na billijkheijd, en E. niet na de onreedelijkheeden, die 'er op een geweldadige wijse gepleegd kun„ nen werden, beredeneeren moet, want indien men daar altoos voor bevreesd is, of diende te weesen, kan 'er solang men te deeser Custe dusdanig swak van volk is, ten opsigte van de Jnland„ se Vorsten, niets ondernomen, of werk„ stellig gemaakt, nog geen de minste des„ seijnen derselve tegen gegaan, of ver„ ijdelt werden, maar in dat geval sou„ de D' E. Comp:e in allen opsigte ver„ pligt sijn, steeds na de pijpen van de geene, die het magtigst is, te dansen, sonder haare Contracten met den een of ander te kunnen mainctineeren, het welk bij omwenteling van saaken niet alleen van seer pernitieuse se„ queelen weesen kan, maar ook ten neemen gevolge

← previousnext →