Inventory 3389
Japan · 812 pages · 372 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
243 [illegible] for reasons as stated in the margin questions asked with relation to his Commission. deliberation and resolution on this for reasons as here alongside Whereupon it appeared to the satisfaction of the Council that, although the customary slowness and unwillingness of the Tidorese and Wedarese had initially somewhat hindered the Commissioners in the execution of their Commission, they had nevertheless, through their patience and gentle persuasion, managed to induce these peoples to complete this work reasonably quickly with the assistance of our men, having on the aforementioned Island of Sisang in a period of seven days destroyed and eradicated a number of 5067 Nutmeg trees, namely 698 fruit-bearing 4369 young or sapling nutmeg trees Without finding any clove trees there Although among the total number of nutmeg trees, according to the measurements submitted by the Commissioners, some were felled that were more than seven feet thick in circumference. The Commissioners further made known in their Report that they had also endeavored to burn the remaining woods on that Island according to orders, but that they had refrained from doing so upon the persuasion of the King of Tidor; as His Highness observed that his subjects would be very disheartened on that account if the fruit trees standing thereon, whose fruits sometimes served them for food, were destroyed by fire. Whereupon, after deliberation, it was approved and resolved to sanction the Commissioners' actions, and to have them confirm under Oath the validity of their Report, and principally the statement made therein of the eradicated Nutmeg trees, which, owing to the persistent illness of Ensign Semet, could only be done by the second Commissioner, Lippens. The said Commissioner Lippens having thereupon appeared in the council chamber, he was asked by the Lord Governor whether the necessary orders for burning the fruits had been given, and with regard to the islands of Soeloe, [illegible] indicating that they, the Commissioners, had indeed made the necessary preparations to inspect those islands and clear the spice crops, but that they had been obliged to abandon this, because the Tidorese had been entirely unwilling to lend a helping hand to our men, under the far-fetched pretext that they were not authorized by their King for the extirpation on this Island, which they claimed did not belong under Tidor, but under the territory of Batchian; which prince, they alleged, would have them burned if they presumed to eradicate the Trees on the Islands without his consent. With subject. 245 confined. tree [illegible] brought is not returned. reasons [illegible] whether he had indeed gone into the woods to oversee the work with his own eyes, as well as whether he had accurately recorded in the Report the eradicated and reported spice trees: and all this having been answered with Yes by the said Lippens, he thereupon took the Oath prescribed for the heads of the spice inspections, before the Lord Governor. Then, all the common extirpators entering together, the non-commissioned officers were first asked whether they had accurately recorded the number of eradicated trees on their Report slips; and asking the soldiers whether they had also reported in good faith the quantity destroyed by them, as well as burned the found fruits, both ripe and unripe, and cleaved the stumps of the felled trees crosswise? All of which having likewise been answered by them with Yes, they thereupon each individually took the Oath in debita forma, with the required Solemnity: With this exception, that they had performed all this as faithful Servants, without having committed any neglect of duty in their opinion, but that it had been absolutely impossible for them to burn all the felled trees, because some of them, growing on steep Cliffs, as soon as they were chopped down, plunged into such deep and inaccessible valleys that it was impossible for a human being to reach them there; of which declaration it was agreed to keep this record. Afterwards, reflecting on the Commissioners' request to be discharged from further accounting for the items given to them, namely: 21 pieces of Axes 25 Pedaks 4 iron Lamps 1 half-hour glass 1 tin funnel and 1 Fish bucket Which goods they state suffered greatly through use and transfer between diverse vessels, and thus became unserviceable, but were nevertheless properly returned by them to Adolfs, the Equipment overseer, it was agreed to condescend to this, and to let them suffice with this return; And likewise to have them deliver to the Purser the rations and provisions for one month brought back by them, after deducting 470 Pounds of Rice which were passed for write-off, since this grain, on the Commissioners' testimony, was partly spoiled by the leakage of the native prahus, and partly supplied by them to some of their destitute Tidorese, which he confirms by oath.
Dutch transcription
243 te boomen den gedestreerde nog de verd nn 1 kimma chrbaa wor belande heeft om redenen als ter zijden vragen gedaan met relatie zijn Commissie. deliberatie en resolutie op dit om redens alshier nevens Waar bij den Raad, ten genoegen kwaar te blijken dat of schoon de gewoone traafficit en onwilligheid van de Tidokeesen wedareesens de Commissianten in den eersten opslag het uitvoeren hunner Commissie wel eeniger mote hinderlyk waren geweest deselve egter door hun gedult en zagtziging dett deze volkeren hadden weten te bewegen om met behulp der onzen dit werk nog rede„ „lyk spoedig te volvoeren als hebbende op voorschree„ „ven Eeland Sisang in een tyd van zeven dagen vernielt en uitgeroert een getal van 5067: Note„ „bomen, Namelijk 698: vrugt dragende 4369 Tel of Jonge noteboomen Zonder aldaar eenige nagelboomen aantetreffen Hoewel onder het gehal der note boomen volgens de overgegevene maat der Commissianten zommige zijn omgevelt, die in den omtrek meer als zeven voeten dik zijn geweest. Gevende de Commissianten wijders bij hun Berigtste„ kennen dat zij meede wel getragt hadden de verdere bosschagie op dat Eiland volgens de ordre te verbran„ „ten, maar dat zij op de persuatie van den Koning van Tidor, daar van hadden afgesien; nadien zijn Hoogheid aanmerkte dat zyne onderzaten dieswegens zeer mismoegt zouden worden, wanneer men de daar op zijnde vrugtboomen, welkers vrugten hen bij wijlen tot spijse dienden, door het vuur quam 6 te vernielen Waar over gedelibereerd zijnde, is goedgevonden, en ver„ „slaan, om der Commissianten verrigtingen te approbeeren, ende deugdelijkheid van hun Berigt, en wel principaal de daar bij gedane opgedane op gave der uitgeroeide Notebomen met Eede door hen te laten bevestigen, het geen wegens de aanhouden„ „dend ziekte van de vaandrig Semet, alleen door den tweeden Commissianten Lippens heeft kunnen geschieden, dewelke daar op in de vergaderzaal de Commissiant lippens eenige verscheenen zijnde, wierd derzelven door den Heer Gouverneur gevraagt of de nodige ordres tot het verbranden der vrugten wel waren gesteld, en af en t n atie te kereve men het betreking van de soeloe en este kenen gevende dat zij Commissianten medewel de nodige prepa„ „raties hadden gemaakt om die eilandjes te visiteeren, 't specerij gewas te Zuiveren, Dog dat zij wel van nen hadden moeten afzien, vermits de Tidtoreesen ten eenemaal onwillig waren geweest om de onzen daar toe de behulpzame hand tebieden, onder het verre gezogte voorwendsel dat zij door hunnen Koning met gequalificeert waren tot de extirpatie op dit Eiland, het welk zij Leeden niet onder Tidor, maar onder het gebied van Batchian te behooren; welke vorst zij voorgaven dat hun zoude laten verbranden indien zij zig onderstonden zonder zyne bewilliging de Boomen op de Eilandjes uit„ „teroem. Met sujet. 245 geconfineerd. boom by waaramn niet bragte niet gefestitueerd wordr. reden t vente ere hij zig welna de bossen had begeven om zijn rog over het werk te laten gaan, mitsgaders of hijde uit ge„ „roede en opgegevene specerij boomen nauwkeurig bij het Rapport hadde bekent gesteld:! en zulks alles door gemelde Lippens nat Ja beantwoord zijnde, heeft hij daar op den Eed voor de hoofden der specerij visites beraamt, aanhanden van den Heer Gouverneur afgelegt Vervolgens de gemeene extirpateurs alle gesament„ d tans ver gesnaand gemeent lyk binnen tredende wierd eerstelijk de onder offi„ „ciers afgevraagt of zij het getal der uitgeroeede boomen bij hunne Rapport briefjes wel exact hadden bekend gesteld. het afvraginge aan de soldaaten of zij de door hen vernielde quantiteit ook ter goeder trouwe opgegeven, mitsgaders de gevondene, zoo rijpe als onrijpe vrugten verbranden de stom„ „pen den omgevelde boomen in het kruisdoorklieft hadden? het geen door hun alles insgelijks met Ja en door hen iisgelijks met leve beantwoord zijnde, hebben zij daar op ieder in't bij zonder den Eed in debita forma, met de vereischte Solemniteit afgelegt: Met deeze uitzondering, dat zij dit alles als trouwe Dienaaren hadden verrigt, zonder huns bedunkens eenig pligt verzuim te hebben begaan, heogelijke kenn n veraen van dog dat het hen absolut onmogelijk was geweest, om alle de omgevelde boomen te verbranden, dewijl sommige van dezelve op steile Klippen groerende, zoo draa ze omvergehakt waren, in zulke diepe en ontoegang„ kelijke valleren waren ter neder gestort, dat het voor een mensch onmogelijk was dezelve aldaar te kunnen bereeken van welke betuiging verstaan is deeze aante kem g: te houden arna gereflecteerd werdende op des Commissianten verzoek, om onthefft te worden van de verdere ver„ „antwoording der aan haar meede gegevene 21. p:s Bijlen 25 „ Pedakken 4 „ ijzere Lampen 1 „ halff uurs glas 1 „ blikke tregter en 1 „ Vis aker Welke goederen zij opgeven dat door het gebruik in 't consideratie als ter zi:„ en het overscheepen in divense vaartuigen veel geleden, en dus onbequaam geraakt, dog egter door hun aan den Equipagie opsiender Adolfs behoorlijk geresti „tueert zijn, zoo is verstaan hier in te Condescendee„ „ren, en hen met deze afgave te laten volstaan; povrians En van des gelijken door hen aan den Dispenaer telaten afgeven, de door hen terug gebragte rand„ soenen en provisien van een maand, na aftrek„ „king van 470 Ponden Rijs die ter afschrijving wierden gepasseert, vermits dit graan op der Commissianten betuiging ten deele door de lekkagie der inlandse prauen was bedurven, en gedeeltelijk door haarlieden verstrekt aan sommige van haar noodlijdende „kelijker Tidoreese die hij met eede bevestigd.
English
247 Release of... baggage they have also received ...constant... by them... Let them jointly enjoy the board money And the Commissioners have paid the wages of the mercenaries Concerning this, the King of Tidor has not yet spoken The claim of the King of Batchian to those islets is fabricated by the Tidorese have not been visited Displeasure regarding the conduct of the Tidorese Tidorese companions It was likewise deemed necessary to pass to written-off gift expenses and thus release the Commissioners from the accountability of some linens and arrack that had been given to them to distribute as small gifts: it was observed from the Daily Register that these goods and drinks had also been given and distributed in service of the extirpation and with the necessary circumspection. Furthermore, it was resolved to also have the Commissioners reimbursed for the five Rds. in cash and 20 jugs of arrack expended and advanced by them, all of which they spent on the natives on various occasions in the most frugal manner. After which it was likewise agreed to allow both the chiefs and the common men to enjoy the usual board money, from the day of their departure until their return here, and in the same manner to have delivered to the Commissioners from the Company's treasury a sum of 52 Rds., being the wages of eight mercenaries who were employed by them during the period of 52 days, or from 24 March, when they departed for Tidor, until 14 May, when they returned here, both for carrying baggage and for performing other extirpation services. Meanwhile, there was again no small dismay over the refractory behavior of the Tidorese, who showed themselves very unwilling to provide our people with the required assistance in this extirpation work, and likewise managed under all sorts of mendacious pretexts to bring it about that through their actions the Commissioners were forced to abandon their intention of continuing the extirpation on Poelo Kakeks; concerning which matter, it was first taken into consideration that no credence was to be given to the Tidorese claim that Poelo Kakeks belonged in ownership not to their monarch, but to Batchian's King, but rather that the same was to be regarded as a fabrication, since Tidor's King did not utter a single word about it to the Commissioners Van Renesse and Van de Walle at the time they made a request to him in the past month of March to have those islands as well as Poelo Pisang visited. Which monarch, sending the scribe Noviman to the Governor after the extirpation of Poelo Pisang, likewise made no mention 249 Probable reasons why Poelo Kakeks was not searched as the previous ones The King of Tedor, upon his arrival at the Castle, is to be spoken to regarding the refusal of that spice visit Van de Walle is ordered to obtain a declaration regarding this Their High Mightinesses, in the Ambon ministry, to be notified of this but were turned away by that king laden with cloves, wished to enter Bengaaij of this pretended ownership of Batchian's King, as this scribe was sent here by Tidor's monarch at that time solely to make his excuses for why the visitation of Poelo Kakeks had not proceeded, indicating that it had been impossible to visit these islets because the commoners were mostly all sick, and on one kora-kora alone there were eighty disabled men; to which was added the scarcity of provisions, regarding which the scribe said that our Commissioners could testify that the Tidorese nation had suffered the utmost deprivation. However, since there would be much to say against this Tidorese excuse when compared against the Daily Register of the Commissioners, and the Council members thought that it appeared therefrom that the Tidorese had provided themselves so richly with food on Batchian that they would have been sufficiently able to continue the journey to Poelo Kakeks; so, for these and other reasons, it was approved and resolved to convey to the King of Tidor, upon the occasion of his upcoming appearance at this Castle, our displeasure regarding the refusal of the visitation of Poelo Kakeks, and at the same time to point out in proper terms that his subjects ought to carry out the extirpation with greater zeal than had occurred for some time. Lastly, having also taken into consideration how the departing Gorontalo Resident Houque, by his latest missive of 7 March, had informed the Council that he had obtained news from a certain anachoda who had arrived there shortly before from Bengaaij, that several Ceram junks, fully laden with cloves, had wished to put in there, but that Bengaaij's little king had made them depart; this news was accepted for communication, and it was resolved to give the required intelligence of this to Their High Mightinesses as well as the Ambon Ministry; just as the interim Resident Van de Walle has already been ordered to obtain, in the name of the Company, a full declaration of his statement from the aforementioned annachoda, should he still be at Gorontalo. Underneath stood: Thus Done and Resolved in Ternate at Castle Orange on the date aforesaid. Signed: P. J. Valckenaer, E. J. Beynon, J. J. Wedel, C. Meurs, G. W. van Renesse, and N. D. Moll. Agrees: J. Hend. Beynon. For reading: Gerroltsma, Adolfs. Register Macassar Missive from the Governor of the coast of Ambon to Their High Mightinesses, dated 14 June 1773: 1 Extract from the daily register beginning on 21 October 1772 until 9 June 1773: 137 Separate appendices belonging to the same.
Dutch transcription
247 onthefz: van kagie hebben mede gekregen „time conitauntie aen door hun verscho„ Haar gezametlijk laten gaudee„ van het kostgeld En de Commisante het loon den huurlingen voldaan Dieswegens is door den koning van Tidor nog niet gerept De pretensie van den koning van Batchian op die Eilandjes is ver„ „digt van de Tidoreesen niet zijn gevisiteerd Ongenoegen wegens het gedrag der Aidoreesen Tidoreese ras gesellen Gelijk menmede gbedrond om ter afschrijvinge tot schen te passieren en dus de Commissianten te ontheffen van de verandwoording van eenige lijwaten en trak, dat hen lieden tot het afgeven van een smalgeschenkjes was mede gegeven: bij het Dagregister wierd ontwaart dat deze Goederen en dranken almeede tot dienst van de extiripatie, en met de nodige omzigtigheit waren afgegeven en ver„ Voorts is beslooten om de Commissiante ook te laten restitueeren de door hen bekostigde en voor uit„ „verstrekte, vijff Rijxd:s aan Contanten, en 20: kannen Arak, welk een en ander zij bij diverse gelegenheden op het menagieuste aan den inlander gespen„ „deert hebben. Waar na men insgelijks over eenquam om de Hoofden zoo wel als de gemeenen telaten gaudeeren, van het gewoone Kostgeld, zedert den dag van hun vertrek tot hemn retour alhier, en inzelver voegen aan de Commissianten uit sComp:s kaste laten afgeeven eene somma van 52: Rd=s zijnde het loon van agt huurlingen, die door hen geduu„ „rende den tid van 52: dagen of zedert den 24=en Maart, wanneer na Tidor vertrokken, tot den 14 Meij dat alhier geretourneert zijn, zoo tot het dragen van bagagie als andere extirpatie diensten schonken. zijn geemploijeert geweest Ondertusschen was men weder niet weinig ont„ „stigt over het weerbarstig gedrag den Tittoreesen, zeer onwillig hadden getoont om de onzen dit in e extirpatiewerk de vereischte adsistentie te bewijsen, en insgelijk onder allerhande leugenag„ „tige voorwendselen hebben weeten te bewerken dat door wiens boedaen de Poel Bakeks de Commissianten genootzaakt zijn geweest hun voorneemen, om de extirpatie ook op de Poelo Kakeks voorttezetten, te moeten staken, waar over gesprooken werdende, quam eerstelijk in aan„ merking dat aan den Tidoreesen voorgave, dat de Poelo Kakeks niet aan hunnen vorst, maar aan Batchians Koning in eigen, „dom Louden toebehooren, geen gelooft te slaan, maar het zelve veel eerder voor= een verrierzel te houden was, nademaal Tidors Koning bij de Commissianten Van Renesse en Van de Walle, daar van geen woord gerept, ten tyde dezel„ „re hem in de gepasseerde maand Maart ver„ zoek deeden om die Eilanden zoo wel als Poelo Pisang te laten visiteeren Welke voorst den schrijven Noviman, na de extirpatie van Poelo Pisang bij den Heer Gou„ „verneur zendende, mede geen gewag heeft 7. zijn E lut 249 Z waarschijnelijke redenen waar om de Poelo Kakeks net zijn doorzogt geworden als de vorige De koning van Tedor bij zijn komst aan d 't Casteel nopens de refuse van die specerijvisite te onderhouden Van de walle heeft lastom dies wegens een verklaring in te winnen Hunne Hoog Edelheden, in't Ambonsministerie hier van te vermittigjen „maar zijn door died koning afgeweezen nagulen geladen, hebben op Ben„ gaaij willen binnen lopen, latenmaken van deze gevaande eigendom van Batchians Koning, als zijnde deze Schrijven hier te dier tijd eenelijk door Tidors vorst gezonden, om zijn exeuurs temaken, ter zaake dat de visi„ „tatie der Poelo Kakeks geen voortgang had ge„ onder tekennen gave dat men deze Eilandjes onmogelijk had kunnen visiteeren, ter zaake de gemeenen meerendeels alle ziek en er alleen op een Corna Corra lagtig impotenten geweest waren; waar bij nog quam de schaarsheits van mondkost, waar aan de schrijver zeide dat onze Commissianten Konden getuigen dat de Tido„ „reese natie het uitterste gebrek had geleden.— Tiegten ar mi nijang vinden Dog Dewijl op deze Tiborese verontschuldiging ver„ „geleken tegens het Dagregister der Commissiante, al veel te zeggen zoude vallen; en de Raadsleden dagten dat daar uit quam te blijken dat de Tido„ „reesen zig op Batchian zoo rijkelijk van kost hadden voorsien, dat zij genoeg instaat zouden hebben geweest, om de reise na de Poelo Kakeks voorttezetten; zoo is om deese en andere redenen goedgevonden en verstaan den Koning van Tidor bij gelegentheit van zijn aanstaande verschijving in dit Casteel ons ongenoegen wegens de weigering van de visitatie der Poelo Kakeks tekennen tegeven, en teffens in behoorlijke termes aantetoonen, dat zijne onderdanende extirpatee, met meerder ijver behoorden uit„ „teroeren, als zedert eenigen tyjd was geschied. Laastelijk nog in aanmerking gekomen zijnde, hoe de afgaande Gorontaals Resident Houque bij zijne laaste missive van den 7:e Maart den Raad verscheide Ceramse Jonken met Kennis had gegeven, dat hij van zekere anacho„ „da, die aldaar kort bevorens van Bengaaij was aangeland, tyting had de erlangt, dat ver„ „scheide Ceramse Ionken, volgeladen met nagulen, aldaar hadden willen binnen lopen; dog dat Bengaais Koningje hen had doen vertrekken; zoo wierd dit nieuws voor Communicatie aangenomen, en verstaan Haar Hoog Edelheden benevens het Ambonse Ministerium hier van de vereischte Kundschap te geeven; gelijk de prointerim Resident van de Walle ook reets gelast is, om zoo voormelde Annachoda, in naame Companee, nog op Geront als mogt zijn, van denzelven eene volleedige verklaringe van zijn gezegde inte winnen /:onderstond:/ Aldus Gedaan ende Geresolveert tot Ternaten in't Casteel Orange dato voorsz: /:was geteekend/ P=s I„s Valckenaer s E„s I„k Beijnon, I„n I„s Wedel C„s Meurs, G„s W„m van Re„ G ƒ D„l Moll „nesse en N onderdang Accordeert Jede. Hend. Beunon door Aleatien Voor 't Opleesen Gerroltsina Adolfs Register Macassar Hebent Ase vn den He Gudumen van der voor van Aumn Hog Edelheeden ogdekend 14 Juni: 173. . . . . Silrek dagoegste beginende met den 21 october 1772 tot den 9: —. 137 Juni 1773. Sitreete Bijlaagen tot dezelve gehoorende .
English
251 Secret Enclosures from Macasser To His High Nobility The High Noble Greatly Respected Strict Far-Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General Together with The Right Honourable and Strict Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble Greatly Respected Strict Far-Ruling Lord Right Honourable Strict Lords. Having had the fortune on the 2nd and 14th of March past to receive in duplicate Your High Nobilities' much respected letter of the 31st of December prior Daily Register and 253 From Maccasser, the 14th of June, anno 1773 From Maccasser, the 14th of June, 1773 prior, whereby Your High Nobilities are pleased to defer the administration of secret affairs solely to me, without the interference of the second in command, with orders to report on the same alone, I therefore have the honour, in observance thereof, both to answer respectfully hereby and, according to my duty, to bring to Your High Nobilities' attention everything of importance that has occurred regarding the native princes since our last annual report, with humble expressions of gratitude for the favourable approval of my principal actions concerning the same in the past year, and at the same time respectfully assuring that I shall furthermore exert myself to continue giving satisfaction to Your High Nobilities in all respects, and consequently, in the first place with regard to the realm of Boni, endeavour to steer matters such that the election of the prince successor Latanre Tappoe will be accomplished as soon as the old monarch should depart this mortal life, which it is however to be hoped heaven will yet prevent for some time, or at least so long until the prince, having reached more mature years, shall have obtained greater experience and capability to direct affairs himself, and in the meantime may be instilled by the old monarch with the requisite ideas of the benefit and interest for the realm contained in a close alliance with and faithful attachment to the Company, of which His Highness has frequently instructed his subjects. On the other hand, however, I have once again, though again in vain, most earnestly urged the regent to settle the state debt, or even if it were only for the present a part thereof, since he keeps singing the old tune of the realm's inability and that he continues to do his best therein, with a request for delay until after the circumcision of the crown prince, which has as yet taken place as little as I have been able to learn with certainty when such will happen. I shall also keep [illegible] on the demanding of a contribution of forty slaves at Manado from the last-mentioned lands, of which fifteen according to the report submitted to Your High Nobilities should have been fulfilled, but from which in my view little fruit can be expected, since he will undoubtedly plead ignorance, wherefore I also could not find it advisable to invite him for a special visit, having thought it best to await a suitable opportunity for that occasion. 255 From Maccasser, the 14th of June, anno 1773 From Maccasser, the 14th of June, On the occasion that the king and the principal grandees of the realm came to the fortress on the 28th of January past, in the presence of the members of the council, to offer compliments on the arrival of the new year according to custom, the same made known his objections to further obliging his subjects to accept the payment of the Westfrisia coinage brought over in the past year with the barque De Gouda, under the pretext that others did not want to accept it, as it appeared to me, with the intention of inducing me to receive all that is still in circulation back into the Company's possession, whereby he would find his own account, to which I only answered that since the aversion of the inhabitants in that regard had been all too clear to me, I had not only long ceased the further issuing of that currency, but had even received almost as much of the same back into the treasury as had been paid out, and that since the remainder had been imported from outside as well as certain Bengal rupees declared bullion at Batavia, the Company could not be demanded to accept more. Furthermore, I deem myself obliged to inform Your High Nobilities that His Highness, fearing further evil consequences, thought best, not being satisfied with that, the remaining people who had fled to a third place named Raadja were also pursued and demanded from the inhabitants, and upon their refusal to surrender, these were likewise hostilely attacked and, having engaged in action with them, a multitude fell on both sides; that they had murdered an emissary who had been sent to them by those of Radja to inform them of the reasons for the refused surrender; His Highness sent me news of past unrest in the interior, consisting in this: that the inhabitants of the district of Bourengang, having conceived the suspicion that their recently deceased Arouw or prince had been murdered with poison by the Arouw of another district, Asa, marched thither together, attacked the same, set fire to the villages, and massacred a large part of the inhabitants.
Dutch transcription
251 Secreete Bylagerd van Macasser Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Achtb:r Gestr: wijdgebiedende Heere Petrus Albertus van der Tarra. Gouverneur Generaal Benevens Dewel Edele Gestrenge Heeren Raa„ den van Nederlands India. Hoog Edele Groot Achtb estr: wijd gebied Heere Wel Edele Gestr: Heeren. Op den 2 en 14 Maart passato het geluk gehad hebbende in duplo 't ontfangen uw Hoog Edelheedens veel gerespecteerde van den 31. dec: bevoorens Dagregister en 253 Van Maccasser Den 14:' Iunij Ao 1773 — Van Maccasser Den 14 Iunij 173 bevooren waar bij uw hoog Edelheedens de behering der secrete saaken en kel aan mij buijten bemoeijenisse van den secmnde gelieven te defereeren met ordre om ook alleen van deselve verslag te doen soo geeve ik mij in observantie van dien de eere daar op bij deese so wel met Eerbied 't antwoorden als uw hoog Edelheedens naar gehoudenisse onder het oog te brengen al het geene en met betrecking tot d' Inlandsche vorsten zeedert onse laatste na Jaerige van belang voorgevallen is onder eene ootmoedige dankbetuijging voor de gunsteg approbatie mijner voornaamste verrigtingen omtrent deselve in het voorleeden Jaar en eerbiedig verseekering teffens dat ik mij verder bijveren sal om ook voor t vervolg aan uw hoog Edelheedens in allen opsig„ te genoegen te geeven en dierhalven de Eerste plaats ten aansien van het rijk van. Bonij, de saaken daar heenen tragten te derigeeren, dat delectie van den prins successeur Latanre Tappoe to tstand gebragt worde soo dra den ouden vorst het sterffelijke mogte komen afte leggen t geen egter te hoopen sij dat den hemel nog eenigen tijd of ten minsten so lange sal gelieven te verhoeden dat den prins tot rijper Iaaren gekomen meerder ervaaris en bequaamheijd sal erlangd hebben om de saaken selfs te bestieren en hem intusschen van den ouden vorst kunnen werden ingeprent de vereijschte denkbeelden van het nut en Jntrest dat er voor het rijk legt opgeslooten in eene naauwe alliantie met en een getrouwe aan kleevig aan de Maatschappij waar van sijn hoogheijd de zijne meermalen onderregt heeft, Maar daar en tegen hebbe ik den rijksbestierder hoe wel alweeder te vergeefs nogmaals op het ernstigste doen aan„ maenen tot voldoening van de rijksschuld of al was het maar voor eerst een gedeelte van dien wijl hij den ouden sang blijft singen van srijks onvermogen en dat hij daar te sijn best blijft doen met versoek om uit spel tot na de besnijdenisse van den kroon prins die voor als nog soo min gevolg genomen heeft als ik met see„ kerheid hebbe kunnen envaaren wanneer sulks geschieden sal, ook sal ik met m gebreek enwegens houden over de des lauastgemeldens landen in het het doen van besonden veertig slaaven te manado vorderen van een Contributie waar van er vijftien pra de aan uw hoog Edelheedens ge„ daane opgaave souden voldaan sijn, dog waar van mijnes aandees wijnig vrugt kan worden verwagt, vermits bij onge„ twijfld ignorantier voorwenden sal waar omme ik oo g niet geraeden hebbende kunnen vinden hem tot een Expresse visite te noodige gedagte hebbe daar toe een bequaame geleegentheijd te moeten afwagten ccasie 't onder„ Ter 255 Van Maccasser Den 14 Iunij Ano 173 — van Maccassen den 14e Junij Ter geleegentheijd dat den koningende voornaamst rijksgrooten mij op den 28 Januarij watste er veste kwan neevens de leeden van den raaden en tegedentoadigwa en na het gebruijket te vergelukken met den intredite van het nieuwe Jaar door den selven zyne beswaarne te kenne gegeven sijnde om desselfs onderdaenen langer te verpligten tot de acceptatie van het paijement van de munt westfrisia in anno passato met de bark de gda aangebragt onder ewidsel dat anderen het niet accepteeren wilden, r zoo het aande mij toescheentti met intentie om mij te disponeeren alle het geene er nog roulleert weder bij de comp„t 't ontfangen waar bij hij zijne reekening wel soude vinden so hebbe ik daar op alleen gediend dat vermits mij de tegen sin der Jngesetenen daar omtrent maar al te seer gebleeken was, ik de verdere uitgave van die munt met alleen voor lange gestaakt maar zelfs ge„ moegsaam so veel van deselve in cassa te rug ontfangen hadde als er uit gegeven was en dat vermits het overige van buiten so wel inge„ voerd was als zeeker te batavia billoen verklaerde bengaalsche ropijen de comp: dis verdere ontfangst niet konde worden gevergt Voorts agte ik mij verpligt uw hoog Edelheedens te bedeelen hoe Dat sijn hoogheijd dugtende voor verdere quaede gevolgen best Dat sij daar meede niet vergenoegt het overige volk dat naar een derde plaats genaamd raadja gelugt was almeede nageset en van de bewoonders op g'eijscht mitsg: op de geweijgerde overgave door deselve ook deese vijandelijk aangetast en met deselve in actiegeraakt na zijnde, aan weerskanten een meenigte gesneueld waaren, dat sij een zendeling welke haar door die van radja was gesonden om hun de re„ denen van de geweijgerde overgave ter kennisse te brengen vermoord hadden gheid mij o sijn hoog n tijding uit is gesoode de ene geweesene onlusten de binnen landen te hier in bestaande dat d Jm van het distrcet bourengang het vermoeden opgerast hebbende dat kunnen ontangs overleeden Arouw of prins door den Arouw van een ander di strict Asa met vergift soude weesen omgebragt gesamentlijk der waarts opgetrocken, het selve geattacqueerd, de negorijen in den brand gestooken en een groot gedeelte der opgeseetenen gemassaereet hadden, sijn gedagt op zijn ver
English
From Maccasser, the 14th of June 1743. From Maccasser. to send thither me thereof request to know whether such might meet with my approval, or rather to offer him better counsel instead. and having thought of one of his grandees of the realm, the Arouw Tanette Matoca, whereupon I had the prince informed the following day in reply that, while fully approving of his intention, I nevertheless had to submit to his consideration whether it would not be good to add another capable person to the Arouw Tanette, lest something human should happen to him, or lest he should be prevented by other hindrances from fulfilling his commission, whereby the settlement of this matter, which nevertheless required haste, would be delayed; further pointing out how it appeared again from past events that many of the lesser and even subordinate allies paid little regard to the treaties, according to which no one was permitted to initiate any hostilities, but everyone was obliged to present his interests to the Company; and that I therefore wished to trust that His Highness would also send such of the grandees of the realm with the Arouw Tanette thither; and this having been done accordingly, they departed thither shortly thereafter, so that I await further report on the state of that matter before long. All that I further had to negotiate with this court shall be mentioned in what follows among the remaining matters, or is of too little importance to detain Your High Nobilities' esteemed attention therewith; thus I now proceed to the realm of Goa, regarding which it was reported to me on the 17th of November last by the assistant interpreter Blij how a certain Daeng Mandjareki, who is employed from time to time as an emissary, had informed him that the King had fallen into discord with the most prominent of his grandees, without however being willing to reveal the cause thereof, no matter how much they had tried to induce him to do so, as he declared he was too afraid of it. The 14th of June 1743. From Maccasser, the 14th of June 1743. adding, however, that it would not be long before they would give me notice thereof; though I have spared no pains to discover this secret, it has been as fruitless as it has appeared to me from all circumstances that there cannot have been anything to it; indeed, besides that everything has remained quiet since then up to the present, I have already had the King himself with the most prominent grandees of the realm on the 24th of November, and subsequently many of the latter on the 24th of January, visiting me, without being able to detect in the least, either from the words or from the countenance of any of them, the slightest appearance, much less evidence of displeasure, although on both those occasions, and especially on the latter / when His Highness was prevented from coming due to indisposition / I applied myself thereto. Meanwhile, on the 18th of January, upon the complaints presented to me by the Gissingers concerning a certain Karaeng Limbang Parang, or some of his people, who were said to have robbed 10 buffaloes from them, I had a grievance lodged thereanent with the King and demanded restitution of the same, with the success that on the 21st thereafter four of the same were sent back to me by the second Shahbandar, who at the same time let me know that he would do his best to trace the remainder as well, intending to have them returned to me likewise; however, nothing having come of this, I let the matter take its course, for the reason that the Gissingers, having pursued the robbers as far as a certain Macassar village, Mandella, and having engaged in combat with the inhabitants through their own doing, four of the same were killed, about which the prince brought in his reciprocal complaints; and for which reason I had them ordered to refrain from such excursions in the future, and in similar occurrences to be content to give immediate notice thereof to me, in order to be able to maintain them. Furthermore, I not only had a gift presented according to custom to the King, as well as to that of Bonij, on the occasion of the ended fast, but also on the occasion of the communication made to me in ceremony of the decease of His Highness's lawful wife, another one, as it could not well be avoided; on which account I humbly request that the amount thereof, amounting to ƒ 82: 4: as well as that of the other two, amounting together to ƒ 201: 10: may be favorably passed; and I note herewith further that
Dutch transcription
257 van Maccasser Den 14: Junij 1743. van Maccasser derwaarts te senden mij daar van versoek om te weeten den e aeter e er of sulks van myne approbatie weesen mogte, dan wel om hem andersints een beeter raad aan de hand te geeven. en gedagt hebbende een zyne ryksgrolm en dert avouw sanette Matoca waar op ik den vorst s'anderen daags in antwoord hebben laeten weeten dat ik sijn voorneemen volkomen approbeerende hem nog thans in consideratie moeste geeven of het niet god soude wesen arouw Tanette nog een ander bequam persoon toe te voegen, of het zomwijlen mogte gebeuren dat hem iets menschelijk over„ quam dat wel dat hij door andere hinderpaalen belet wierd zijnen last te volbrengen waar door de afdrening deser saak. die nogthans spoeds vereijschte. soude worden verwijld, onder verder voorhouding hoe uit het gepasseerde weeder quam te blijken, dat veele der mindere en zelfs onderhoorige bond genooten sig woeining der contracten bekrunden, volgens welke het niemand g'oorlof was eenige vijandelijkheeden te beginnen maar een ieder verpligt waare zijne belangen bij dE Comp: voor te dragen, en dat ik dier halven vertrouwen wilde dat sijn hoogheijd sulks opgemelde Goa, waar omtrent mij op den 17:e november patsato door den onder„ tolk blij wierd gerapporteert hoe hem seekeren Danig Mandjareki die nu en dan als een zendeling word g'emploijeerd berigt had„ „de dat den koning met de voornaamste zijner hof grooten in on„ „min geraakt was, sonder egter de oorsaak daar van te willen ontdecken hoe seer Bij hem daar toe hadden getragt te dispo„ „neeren als betuijgt hebbende daar voor te bevreest te zijn, met Al het geene ik verder met dit hof hebbe te verhandelen gehad in het vervolg deses onder de overige materien staande te worden gemeld of van te weinig belang sijnde om en uw hoog Edelheedens qera„ de altentie meede op te houden so stappe ik thans over tot het rijk van, voor heijd die van vouroen„ 't welk zijn „gang bedr er rijks„ hoogheijd so wel waarts te sullen senden, invoe„ grooten met Arouw Tametlde „gen sulks ook geschied zijnde, zo zijn deselve kort daar op derwaarts vertrocken, desik eerlange van den toestand dier saake nader berigt afwagte. volkeren bijvoreging de bewreeging Den 14e. Juny 173 259 Van Maccasser den 14 Junij 173 van Maccasser den 14 Junij 173 bijvoeging nogthans dat het niet lang soude aan hooper af men soude mij daar aan kennise geven den schoen k geen moijte gespaard hebbe agter dit de genaam de geheum te kienen is sulks so wel sonder vrugt geweest als mij uit alle omstandigheeden heeft toegescheenen dat er niet aan moet vast geweest sijn, immers behalven dat alles zedert tot dus verre stil gebleeven is hebbe ik den koning bereets zelfs op den 24. november met de voornaamte rijksgrooten en vervolgens op den 24 Ianuarij veele van de laatste bij mij gehad sonder in het minste nog uit de woorden nog uit 't gelaat van den een op anderen eenige de minste schijn, veel minder blijke van on„ „genoegen te kunnen ontdecken, hoe wel ik in die beide gelegentheeden en voornamentlijk in de laaste / wanneer sijn hoogheijd door onpasselijkheijd belet was te komen :/ mij daar op toegelegt hebbe Intusschen dat ik den 18. Ianuarij op de aan mij voorgedraagene klagten der geissongers over sekeren kraing Limbang Parang of wel eenige van de sijnen dewelke 10. buffel beesten van haar souden hebben geroofd daar over bij den koning hebbe doen doleeren en restitutie van deselve vorderen met dit succes dat mij op den 21 daar aan 1e derselve wierden te rug gesonden daar den tweeden voorts hebbe ik niet alleen den koning mits de g'eijndigde vasten wen als die van bonij naar het gebruik een geschenk doen aanbieden maar ook ter gelegentheijd van de aan mij in ceremonie gedaene Communicatie van 't overlijden van sijn hoogheijds egte vrouw nog een twee als niet wel te menageeren geweest sijnde weshalven ik ootmoedig versoeke dat het bedragen van dien groot ƒ82: 4: So wel als die van de beide anderen tesamen beloopende ƒ 201: 10: gunstig mag worden gepasseerd en hier bij nog noteere dat ik sjabandhaandie mij teffens weeten liet sijn best te sullen doen om ook d'overige optspeure ne, dindtende mij instgelijk te doen gewoon den waar van egter meds gekomen sijnde hebbe ik de saakenaar op sijn beloop geladten om reedenen de glissinigen de rooders tot op zeekere macassaarse negorij mandella nageset en selfs met d' inwoonders door eijgen toedoen in actie geraakt sijnde er vier derselve gesneuveld waaren, waar over den vorst zijne reiprocque „klagten kwam in te brengen, en waarom ik haar hebbe doen be„ veelen sig vordiergelijke uit slappen in 't vervolgte wagten, en bij gelijke voorvallen sig te vergenoegen om ten eersten daar van aan mij kennisse te geeven ten eijnde haar te kunnen maintineeren. — sjabandhar de
English
From Maccasser, 14 June 1773 The communication regarding the repudiation of one of the prince's daughters, a related circumstance of the woman Aki Hele, and just as there was little reason to give credence to the aforementioned report concerning the past disagreement between the king and his grandees of the realm, so certain is it on the contrary that a dispute has arisen between His Highness and his sister, the queen of Tello, because the first-named, under the pretext that the Androngoerie of Hharig had refused to help repair His Highness's dwelling, had caused two of his houses to be pulled down and various materials to be carried off, notwithstanding that this man had clearly demonstrated his innocence. However, just as little has come of this as I have reason to believe that this dispute will have any consequences, considering that the Macassars of Goa, seeking to keep those of Tello as well as others under the impression that they are one and the same people, or rather that the latter are subordinate to them, of which the contrary is nevertheless only too well known, will take good care not to break with them, in order to prevent the Company from interfering in the matter, as I immediately did when the matter might require it. Complaints also having been brought to me by the aforementioned Glissongers about violence committed by some Macassars of Sandra bonij, who under the leadership of a certain Daing Asing had robbed and carried off ten of their remaining buffalo cattle, of which however five were overtaken and recovered, while he had refused to return the rest, claiming to have no knowledge thereof, I made a complaint about this to the Karaeng or king and demanded back the said five animals, also making known to him that if he or his people had anything to claim from the Company's subjects, they should know to whom to address themselves, according to the entry in the daily register under 6 January. Whereupon I received as an answer on the 9th thereafter that the said Karaeng had declared not only to be innocent of the violence committed by Daing Asing, much less that the same had occurred with his prior knowledge, but that he, being a bad subject, did not wish to protect him or meddle with him, but that the Glissongers had nonetheless spared the truth, since of the ten animals taken, five had been returned by Daing Atseeng on his own initiative, and the remainder had belonged to a certain Curre Sewa, who, being a slave of his, had refused to do service, for which reason he had obtained justice for himself by taking away those animals and had already sold them, having subsequently proceeded to Suratta where he currently resided, requesting on that account not to impute the fault thereof to him, etc., adding for the rest that he would undertake nothing that would cause me displeasure. But since the Glissongers had to admit that Carde Lawa had been the owner of the aforementioned five animals, and this was therefore a dispute that did not directly concern the Macassars, I left the matter at that. Regarding Tamett, I can inform Your High Excellencies that the disturbances that arose there in anno passato have ceased again, considering that the regent of Barro has returned thither, and Soping's ruler Mappa has likewise departed for his place of residence and has reconciled with his brother Arou Pantjana; but on the other hand, I find myself obliged to bring to the attention of Your High Excellencies, as an event that portends no good consequences, how the Bonij pongauwa Lacasie was separated from his recently wedded wife, the widow Datu Samana, and he was subsequently pardoned by the king his father and received back into favor, according to the entry in the daily register under the dates 13 and 17 April passato, while the ruler declared to have had nothing against him other than this marriage of his, for the reason that, on account of his low birth in comparison to hers, it was not fitting for him to marry her. A pretext whose absurdity shines through so clearly when one only considers that, they having already produced a daughter with one another, the divorce could only serve to the shame of the woman, but the marriage could not be to his detriment, just as the ruler's conduct from the beginning concerning the same has shown that he aimed at a special purpose with it; for besides having laid the foundation for it himself, as I had the honor to report in my last autumn letter of 21 October, he was also again the moving cause of their divorce, the pongauwa indeed having been informed both by the grandees of the realm and by his son, the present Arou Sha, that his divorce was the only means to regain favor.
Dutch transcription
26„ Van Maccasser Den 14 Iunij 175 de communicatie wegens 'tafsheoven van een van verorsten dogters een bijkemeten omglient van voruw aki hele e een ende zo weing gronder is gewest vom geloof te geeven aan het hier vooren gemelde bericht wegens geween on eenigheij tussch en den koning en sijne rijkis„ grooten soo sekere is daar en tergens dat er verschil is ontstaan tusschen sijn hoogheijd en zijne suster de koninginne van selle, ter osake den eerstgemelde onder voorgevendat den An„ drongoerie van Hharig geweijgerd hadde sijn hoogheijds wooning te helpen repareeren desself twee huijsen om verre en verscheijde ma„ terialen soude hebben laaten weg haalen niet tegenstaande deese zijne onschuld duijdelijk hadde aangetoond dan hier van is al meede so min iets verder gekomen als ik reeden hebbe te gelooven dat dit disput van gevolgen weesen sal, gemerkt de maccaessaren van Goa die van tello so wel als anderen in 't begrip tragtende te houden dat z' een en het selve volk sijn, of wel dat de laatste onder haar sorteeren waar van het tegendeel nogtans maar al te wel bekend is zig wel wagten sullen met deselve te breeken, ter pereventie dat er de comp: sig meede bemoeije, so als ik aanstonds wanneer het desaak Sandra bonij, die onder aanvoering van zeekeren daig Asing tim hunner blijven buiffel beesten geroofd en woeg gevoerd hadden waar van en nogtans vijf agterhaald, en weeder gekreegen waaren ten wijl hij d'overige niet hadde willen restitueeren voorgeevende daar van geen kennisse te dragen, hebbe ik bij den kiraing of koning daar over laten doleeren ende gemelde vijf beesten te rug vorderen mitsg„s hem te kennen doen geeven dat hij of de zijnen op sComp: onderdaanen iets te pretendeeren hebbende, zij ween moesten aan wien sig te adresseeren naa het aangeteekende bij dagregister onder den 6: Januarij waar op ik den g' daar aan tot antwoord ontfing dat gemelde Crang betuijgd hadde niet alleenonschuldig te weesen aan het geweld, door daing asing gepleegd veel min dat het selve met zijne voorkennisse soude weesen geschied maar dat hij denselven als een slegt subject sijnde niet wilde protegeeren of sig Doorde voorgenoemde Hlissngers by mij almeed klagten ingeragt zijnde over gepleegd geweld dor eenige maccassaaren van, vereijschen mogt geacht als om de minste ij iets van het gepasseerde be„ „kend was; verlijsche Van Macassar Den 14 Iunij 173 nogj so min dienstig hebben „ met Junij Ao 173. Maccasser Den 14 Van Van Maccasser Den 14 Iunij Ao 1773 263 telijk de waarheijd met hem bemoaijn dat negthans de gesonges ge gespaard haaden, vermits van de zeeg genomen tien besten vijf uit eijgen beweeging door danig Atseeng terug gegeeven waaren en d'overige aan eenen curre sewa hadden te behoord di een slaaf van hem zijnde, ge„ weigerd hadde dienst te doen, waarom bij sig zelve door het weghaalen dier beester regt besorgt en deselve bereets verkogt hadde, sig vervolgens na Suratta begeeven hebbende daar hij meetn zijn verblijft hield, uit dien hoofde versoekende de schuld daar van niet aan hem 't imputeeren enz, met bijvoeging voor 't overige dat hij niets soude onderneemen dat mij on„ genoegen soude geeven dan vermits de glissongers moesten bekonnen dat carde Lawa den eijgen aar geweet sij van de voormelde vijf besten en dit dierhalven disput was dat den Macassaaren niet direct aanging, hebbe ik de saak daar bij ook gelaeten. Ten belange van Tamett, kan ik uw hoog Edelheedens wel bedeelen dat de beweegingen aldaar in anno passato ontslaan weder gecesseert zijn gemerkt den rijksbestiender van Barro derwaarts te rug gekeert mitsgaders Sopings vorst Mappa insgelijks naar sijn residentie plaats vertrocken, en met zijn broeder Arou Pantjana versoend is, maar daar en tegen vind ik mij gehouden uw hoog Edelheedens als een voor val dat geen goede gevolgen Een voormendsel welke ongerijndheijd soo klaar door straald wan „neer min maar om aanmerking neemt, dat sij met den anderen be„ reets een dogter geprocueerd hebbende d gtscheijding allen tot schande van de vrouw maar het huwelijk niet tot nadeel van hem konde strekken als' vorsten gedrag van den beginne omtrent het selve gehouden heeft, doen zien dat hij daar meede een bijsonder doelhwit beoogt, want behal„ ven dat hij en selfs de grond toelegd heeft soo als ik bij mijne laatste najaerige van den 21. october de eer hebbe gehad te melden is hij ook weeder de beweegende oorsaak dat hit gescheijden is, immers den pon„ gauwa soo wel door den rijksgrooten als door sijn soon de presenten Atrou sha te kennen gegeven sijnde dat sijne egtscheijding het eenigste voorsguld te kan bengen hae den bonij songauwa lacasie van zijn Jongst getrouw de vrouw de weduwe dator Samana gesepareert, en hij vervolgens door den koning sijnen vader gepardonneert, mitsgrs weder in genaden aangenoomen is, na het aangeteekende bij dagregis„ ten onder dat is 13, en 17, april passato, ter wijl den vorst betuigd heeft niets tegen hem te hebben gehad dan dit sijn huwelijk om redenen het denselven ter oorsaake van sijn laege geboort, in vergelijking van de haare niet gepast hadde met haar te trouwen, voorspeld middel
English
265 From Makassar, the 14th of July 173 From Makassar, the 1st of June 173 means of reconciliation being with his [illegible], it is easy to understand that such has proceeded from his own forge. Far, therefore, from holding his pretense to be acceptable, I can conclude nothing else from it than that his aim has been to insult anew the Queen of Tanete, but especially her aforementioned son Mappa, and to do them the utmost harm, to see whether he might bring the latter so far as to undertake hostilities, in the expectation that the Company would then be obliged to assist His Highness, in order to fall upon him together and in the meantime find a means to bounce him from the throne of Soppeng and force himself in again, which, as is known, he has long sought, but has hitherto been as little able to achieve as I have been able to perceive that Mappa will be incautious enough to proceed to that. On the contrary, having received report that he himself gave his aforementioned brother Arou Santjana to understand by a brief letter that it was not yet time to take revenge for the insults done to them, just as Your High Nobilities [illegible] on the 10th of May last, [illegible] on the 11th of January prior, the arrival here from Soppeng of one of the Sabitjaras or councillors of state with a message, containing how his aforementioned master had constantly conducted himself according to the advice and admonitions formerly given to him by Governor Boelen, to keep quiet during unpleasant encounters, so he also had wished to commit no violence, nor take revenge for a certain injury recently done to him anew, but had thought it best to give us notice thereof, requesting help and maintenance, further informing me that the Bone Prince Daing Mandjaroengie, of whom mention was made in my respectful letter of the 24th of October 171, had caused a slave and some muskets to be taken away from one of his master's vessels, and some Bonians had robbed four of his best hunting horses. Which envoy was dispatched back by me with an answer, as I trust suited to the matter, and especially to persuade his master of the necessity to continue likewise in his conduct held thus far, for his own best interest. From Makassar, the 14th of June 173 From Makassar, the 14th of June 173 267 to persevere in his conduct held thus far for his own best interest. Above that which was done above, I have also given notice to the Queen of Tanete and had her requested to instill peaceful thoughts in him, which she promised and, as I trust, also did, which may, if not the sole cause, at least have contributed greatly to his having kept quiet until now. I flatter myself therefore that it will satisfactorily appear to Your High Nobilities from this that I neglect no occasions nor leave any means unattempted to preserve the peace, whereby I request Your High Nobilities to be assured that I shall continue, to the best of my knowledge and according to what circumstances of time and affairs come to advise, conformable to the desire of Your High Nobilities, which it would have been just as pleasant for me to satisfy in respect of the demanded compensation from those of Mandhar for the overrun bark De Vrijheijd, as I must with regret declare to see no further chance of obtaining anything thereof, unless [illegible]. With respect to the permission granted by Your High Nobilities to the Wajo princess Arou Mario to return to Makassar, and her intended departure for Banjarmasin, I have given notice to the Queen of Tanete, who expresses humble thanks to Your High Nobilities on that account. But as for capturing the Bonian Lappie, who transported her from Banjarmasin to Bangka Hulu, I judge, with due respect, even though such might be feasible, to be ill-advised, because he stays among the Wajoese and also belongs there, who would apply themselves to avenge the same at one time or another; whereas now, on the contrary, beyond the expansion of their trade far and wide, which would not suffer the least infringement by that capture, they will undertake nothing against the Company. [illegible] if the King of Bone wished to reward that arrival, when in my opinion it would not be necessary to proceed to the use of arms, as His Highness has been able to propose, and which I shall constantly try to dissuade in a friendly manner, although I myself cannot think that he was truly in earnest about it.
Dutch transcription
265 Van Maccasser ten den 14e: Juy 173 Van Maccaser Den 1 Junij 173 middelwas versoening byj sijn esende is het gemal„ laast gemelde daar toe monder heij kelijk te begrijpen dat sulkis uit sworsten kooker selve is voortgekoomen welverre dierhalven dat desselfs voorgeeven voor aanneemelijk te houden zij, so kan ik er niets anders uit besluijten, dan dat sijn betragting geweet is, om de koninginne van Tanitte dog inson„ „derheijd haar op gemelde soon Mappa op nieuw te hoonen en d' uiterste suaad aan te doen, of hij ook den laastgem: se verre brengen konde dat hij vijandelijkheeden onderneemen mogte, in verwagting dat de comp: sijn hoogheijd als dan soude moeten bijstaan, ten eijnde hem te saemen op het lijk te komen en in tusschen een middel uit te vinden, om hem uit des opingse zetel te bonsen, en en sig selfs weder in te dringen, 't geen hij als bekend lange gesogt heeft, maar voor als nog soo min heeft kunnen berijken, als ik hebbe kunnen merken terten, dat Mappa onvoorsigtig genoeg sal sijn om daar toe over te gaan in tegendeel bericht ontfangen hebbende dat hij selfs voorn: sijnen broeder Arou santjana bij een briefje te kennen gegeven heeft dat het nog geen tijd was om revinge te neemen, over de haar aangedaane beladigingen gelijk uw hoog Edelheedens Soping van een den Sabitjaras of rijkisraaden met een boodschap, be„ helsende hoe voormeldten sijnen meesten den oenlijpoe E igsteeds ge„ dragen hebbende aan den raad en vermaeningen hem wel eer gegeeven door den heer gouverneur boelen, om sig bij onaangenaame ontmoetingen stil te houden, hij ook geen gemeld hadde willen pleegen, of revenge neemen, over seeker hem jongste op nieuw aangedaane leed maar best getagt hadde wij daar van kennisse te doen geeven met versoek om hulpe en mainitenue, mij wij„ ders berigtende dat den bonijs Prins Daing Mandjaroengie waar van mentie is gemaakt bij mijne Eerbiedige van den 24. october 171 uit een van sijn meester vaartuijgen Een slaaf en eenige geweeren soude hebben doe e weghaelen en sommige bomers vier zijner beste jagt paarden geroofd hadden welken zendeling door omij te rug gedepecheert is met een antwoord soo ik vertrouwe ter sacke gepast en in sonderheijd om sijn „meester't overreeden van de noodsaakelijkheijd om als nog insgelijks bij voormeldte nden den 10 Meij pass:o des chae„ „gende to wel breeden sel constee els onden den 11 Januarij bevoorens de herwaarts komste, uit hij door den insgelijks bij Van Maccaser Den 14 Iunij 173— Van Maccasser Den 14 Iunij 173 267 bij sijn tot dus verre gehouden gedrag te zijnen eijgen bete te volhaaden. boven ik van die gedaan booven ook aan de konin„ en „ginne van tanette hebbe doen kennisse geeven en haer laeten ver„ linvin om denzelve insgelyks soeken ^ meersaame gedagten in te boesemen het geen sij belooft, en soo ik vertrouw ook gedaan heft, 't geen mo„ gelijk so niet doorsaak geweest, ten minsten veel sal gecontribueerd hebben, dat hij tig tot nog toestil gehouden heeft, — Ik vleije mij dierhalven dat uw hoog Edelheedens hier uit ten genoege sal voorkomen dat ik geen cuasien versuijme nog misdelen onaangewend laete om de ruste te Conserveeren waar bij ik uw uw hoog Edelheedens versoeken verseekert te weesen dat ik naar beste kennisse en naar omstandigheijd van tijden saeken sulks komen aen te raeden Continueeren sal Conform uw hoog Edelheedens begeerte aan welke meede te kunnen voldoen ten opsigte van de gevorderde voldoening van die van Mandhaer, voor de afgeloopene bark de vrijheijd mij soo aan„ „genaam soude gemeest sijn als ik met leedweesen betuigen moet geen kans meer te sien iets daar van te krijgen ten waere Met betrekking tot de wadjoreek princestrou Mario, om naar maccasser te rug te keeren en haar bedeelde vertrek naar ban jermatsing hebbe ik de koningin„ „ne van Tanette kennisse gegeeven die uw hoog Edelheedens dier„ wegens ootmoedige dank betuijgd maar om den bonien Lappie die haar van banjer maar bancha hoeloe overgevoert heeft op te ligten oordeele ik onder reverentie schoon sulks aldoenlijk mogte weesen ongeraeden ter oorsaeke hij sig bij de wadjpreesen onthoud en ook aldaar thuijs hoord, die biger op soude toeleggen, om t selve d'een of ander tijd eens te wreeken daar sij nu integendeel buiten d' uitbreijding van haare commercie, wijd en zijds welke door die opligting geen de minste inbreuk soude lijden niets tegen de comp: onderneemen sullen den koning van thonij daanr te comst wilde beloonen wanneen het myjns oordels niet noordige nde weesen tot het gebruk der wa te gaan soo als sijn hoogheijd heeft koonen voor te slaan, en ik steeden op 't vriendelyk sal tragten 't ontleggen, schoon ik selfs niet denken kan dat het hem weesenlyjk omst gemeest is van de verleende permissie door uw hoog Edelheedens aan de over den
English
From Maccasser the 14th of June 1773 From Maccasser the 14th of June In the year 1773 Overseas princes, your Right Honourables, humbly thanking on behalf of and for the former king of Tambora for the permission granted to him to proceed with his family to Bima, I have the honour to inform your Right Honourables that, he having departed thither on the 1st of May past, I instructed the commander that, notwithstanding there being nothing to fear from him, he should nevertheless keep a watchful eye on him, with further orders upon his arrival immediately to make an inventory of the retainers belonging to him and whom he may keep with him, and likewise to make all others who directly sort under the realm go their way, that is to say to send them to Tambora, in prevention of disputes with the newly elected king, who, having arrived here alongside some of the grandees of the realm on the 18th of April past and having duly sworn to the contracts on the 12th of May thereafter, was confirmed as such, but already on the 24th thereafter passed away here, for which reason, and because the laws of the country entail that the corpse of a deceased prince may not be buried before another has been appointed in his stead, the Jenelis and gallarrangs who had crossed over together with him, constituting the principal part of the grandees of the realm and most notably of those who can vote for the election of another, came to request me provisionally to elect another, presenting thereto the son of the deceased as the nearest heir, and that on account of his youth, having reached eighteen years, the Jpulle lankime might at the same time be appointed regent of the realm, to which I consented on condition that, according to custom, this must be further put to the vote in a combined assembly in Tambora, and I have at the same time granted them permission to take with them the regalia already handed over to the deceased prince, provided that, if the said provisional election should be persisted in, the new king alongside the regent, and especially the latter, or if another king should be elected, they shall send the same hither as soon as possible with an embassy for the swearing of the contracts, which was jointly promised and accepted by them, on which account, awaiting the fulfillment thereof, I note here further that the repeatedly mentioned grandees of the realm, having been interrogated by me concerning the claim of the deposed king, testified that everything declared by him as his own belonged to the realm, while of the cash advanced by him to some subjects nothing more could be obtained than that which had been restituted to him, consisting of a small sum of 39 Spanish rixdollars, which receipt he also communicated to me without making any further request regarding the remainder, wherefore I also let the matter rest there. Although I had rightfully flattered myself that the dispute between the kings of Dompo and Sangar would already have been completely settled, and the latter, being convinced of the illegality of his claim to the piece of land in dispute, would have renounced it, the commander has again reported to me the contrary, and that he has now once more brought forward a certain other claim at the expense of the former concerning some of his subjects, whose restitution was also imposed on the last-mentioned by secret resolution of the 20th of May 1750, and could not have thought that as yet no effect had been given to it because the one of Sangar had not uttered a word about it since; the said commander having nevertheless at the same time communicated that Dompo's prince had not only testified that he was inclined to the handover, but that twenty-five souls had already been handed over, and the remainder consisted of such people who belonged as little to Sangar as to Dompo, so I have ordered him, in case the latter should be found to be so upon further investigation, to convince the one of Sangar thereof, and earnestly to warn him to refrain from further disturbing the other with regard to the repeatedly mentioned land, if he does not wish to expose himself to a legitimate chastisement, of which I expect the desired effect if the said commander—who has since informed me by letter of the 16th that the matter was soon to be settled finally in the native assembly—only shows the necessary seriousness in that respect, as I have strongly recommended to him, as well as to be attentive for the future in the handling of affairs and the communication of that which occurs in respect of the princes, than has appeared to me thus far from his consecutively received reports, which are almost all drawn up very obscurely, confusedly, and carelessly, and in which not a word is to be found of many points given to him in instructions, so that this appears circumstantially from my letter to the same of the 20th and 21st of April past, and especially in the first place how he has communicated to me with regard to the realm of Sumbauwa only as in passing the retreat of the king to his hereditary realm of Taliwang and the discord that arose between him and his grandees of the realm (of which the rumour had spread here long before) without the true reason having been ascertained, and
Dutch transcription
Van Maccasser den 14:' Junij 1773 — Van Maccasser Den 14 Iunij Ao 173 Ovrialsche vorsten, uw hoog Edlheedins met en voor den geweesen koning van Tambora ootmoedig bedankend voor de aan denselven verleend permission sig met en ween maan Bina te begeven soo hebbe Ak dee uw hoog Edelheedens te berigten dat hij op den 1: maeij pas: derwaarts vertarcken zijnde ik den commandtant gelast hebbe om niet jegenstaande er niets voor hem te vreesen sijnogthans een wae„ kend oog op hem te houden met verdere ordre om bij sijne komste aanstonds een opneem te doen van het lijfvolk dat hem toebehoord en hij bij sig houden kan mitsg:s om alle anderen welke direct onder het rijk sorteeren haares weegs te doen gaan dat wel naar tambora tesenden, presiventie van disputen met den nieuw verkooren koning die alhier nevens eenige van de Rijksgrooten op den 18: april passato opgekomen sijnde en den 12. meij daar aan de contracten behoorlijk beswooren hebbende, als sodanige beves„ tigd dog reets den 24. daar aan alhier overleeden, is uit welken hoofde en ter saeke slands wetten meede brengen dat het lijk van een overleeden vorst met mag worden ter aarden besteld voor en al eer en een ander in desselfs plaats is benoemt, de gesamentlijk met den selven overgekomene Jenelis en glarrangs het voornaamst ge„ „deelte van de rijksgrooten uitmakende en wel voornamentlijk van die geene welke tot de verkiesing van een ander kunnen stemmen an mij quamen versehen om bij provisie en ander te verkiesen daar toe desoverleden som als de maaste vorstaande en dat mits desselfs sonk hed als imaanthien Jaeren bereyt hebbende, den Jpulie lankime toffens tot regent van het rijk mogte worden benoemd waar in ik onder voor„ waarde dat sulks na het gebruik in een gecombineerde vergadering te tambora nader in om vrage sal moeten worden gebragt geconsenteert en haar teffens geaccordeerd hebbe om de aan den overleeden vorst be„ reets overgegevene rijks ornamenten meede te neemen mitssij wan„ neer bij gem: provisioneel verkising mogte worden gepersisteert den nieuwen koning nevens den regent en wel in't bijsonder den laastgem: dan wel doer een ander koning mogte worden verkoren den selven ten spoedigsten met een gesantschap ter besweering der contracten herwaards senden het geen door haar gesamentlijk belooft en aan„ genoomen is weshalven ik de nakoming daar van verwagtende hier nog noteere dat meermelde rijksgrooten door mij onderhouden sijnde over de pretensie van den afgesetten koning deselve betuijgd hebben dat alle het door heum als sijn eijgen opgevene het rijk was toebehoorende terwijl van de door hem aan eenige onderdaanen uitgeschootene Con„ „tanten niets meerder was te krijgen geweest dan het geene hom van gerestitueerd 249 271 Van Macasser den 14 Junij 173 Van Maccasser den 14 Junij 173 gerestitueert was bestaande in een sommatje van 39 rd„s spaans welken ontfang hij nij ook gecommunieert heft sonder verder enig versoek omtrent het overig te doen, waarom ik het daar bij ook hebbe ate brusten schoon ik mij met eeden gelijdhade dat het geschit tushndekonngen van dompo en sangar bereets velkomen soude weesen afgedaan en den laatsten als overtuijgd sijnde van de onwettigheijd zijner pretensie op het in disput leggende suk lands daar van soude hebben afgesien heeft mij den commandant alweder het tegendeel berigt en dat hij als nu weder op de baan is komen met sekere andere pretentie ten laaste van den eersten over eenige zijner onderdaenen welker restitutie den laastgem: ook bij secrete resolutie van den 20 meij1750 opge„ „legt is en mit heeft kunnen denken dat voor als nog geen gevolg genomen hadde om dat die van sangar daar van sedertgeen woord gerept heeft gemelden Commandant nogthans teffens Communicatie gegeven hebbende, dat dempos vorst niet alleen betuijgd hadde dat de overgave genegen te sijn omaar dat er bereets vrijf en twintig koppen overgegeven waeren ende overige in sodanige volkeren bestonden die foormin aan sangar als aandompo gehoorden soo hebbe ik heem gelast om ingevalle het laatste bij nader ondersoek sodanig mogte bevonden worden die van sangar dalr van 't overtuijgen, en hem erns„ tig te warschuiven om ag te wagten den anderen met betoekking tot be meermelde land verder tontrusten de hyj lig niet aan een regtmeest ge kastyding wil blootstellen, waar van ik het gewenschte effect verwagte bij aldien gemelden commandant die mij sedert bij brieve van den 16: rets bedel heeft dat de saak eerlange, in de Jnlandsche vergadering fincat stond teworden afgedaan daar omtrent, maar de noodige erenst betoond gelijk ik hem so wel gerecommandeert hebben als om voor het vervolk at„ tentie te sijn in de behandeling van saaken ende Communicatie. van het geene en ten opsigte van de vorsten voorvalt dan mij tot dus verse gebleeken is ut sijne succssive ontfangene berigten die meest alle seen duijster verward en agteloos sijn opgesteld en waar bij geen woord te vinden is van veele hem in mandatis gegevene poincten invoegen het een ander omstandig blijkt bij mijn schrijven aan den selven van den 20 en 21: april passato en wel in de eerste plaats hoe hij mijn omet betrekking tot het rijk van Sumbauwa, maar als ter loops bedeelt heeft de retraite vanden koning naar sijn erffelijk rijk Taliwang ende gereesen oneenigheid tusschen den selven en sijne rijktgrooten o: waar van sig het gerugt lang bevoorens alhier verspreijd hadde :/ sonder de waere reeden bevonden en
English
Maccasser, 14 Iuniy 173 — From Maccasser, 14 Iunij Anno 1773 — From to report already in such a manner that it does not appear that he did so as if it were a visit, whereas the same nevertheless had to be considered of a very critical appearance, especially as to that was added the elevation of datou boede, son of the late previous king, to datou Janewe, from which one had reason to conclude that the intention of the grandees of the realm might well be to thrust from the throne the aforementioned prince, who is still very young in years, completely unloved, and gifted with no talents required for governance, and to place thereon datou Jarewe, who possesses the necessary capability, both on that account and by reason of his birth is uncommonly esteemed, and also has a greater right to the realm; regarding which, it being in my opinion understood that in such a case it would be better to accommodate oneself to the intention of the majority, provided only that the Company's prerogative can be maintained, without the violation of which no foreign kings may be deposed or appointed, rather than to oppose the same, I have, while expressing my displeasure regarding his inattentiveness in this matter, communicated these my reflections to the frequently mentioned Commandant, and enjoined upon him what was necessary in that respect; but in the meantime having received news from him. Meanwhile, I have seriously taken him to task with respect to the further negligences mentioned hereinbefore, and particularly on the matter that, upon the orders given to him relative to the well-known Tjalla bancahoeloe and cranig bellasarie, he has answered me as little as he has given report concerning the condition in which the Wadjorese find themselves there, in order to be able to dispatch emissaries thither together with the king of bonij to induce them by amicable ways to depart; having [reported] that the aforementioned grandees of the realm had departed for Salwang to fetch their prince from there, to which I merely replied that it would be very pleasing to me to learn that such has actually been carried out and all apprehension of further discords shall have ceased, and that I then would expect that the prince will come hither in the coming autumn or the following early spring for the swearing of the contracts, with orders to admonish the same and also the grandees of the realm thereto in the most earnest manner, the result of which will have to be awaited, although I cannot think that such will happen, since the frequently mentioned Commandant, in his further letter of 16 Meij, informed me that rumors went that the same was out of his mind. Having 273 I 275 From Macasser, 14 Junij 173 From Macasser, 14 Junij Anno 173 I, for lack of that communication, have had to postpone; yet with respect to the aforementioned cranig bellasarie, the king of bonij requested permission from me on 23 Januarij to be allowed to have her fetched from there, to which I at once consented, his emissary Coning Sapanang having departed thither on 30 maart thereafter, to whom I gave along a note for the commandant containing orders to cooperate if necessary in her departure; who also, in his further letter of 16 Meij, informed me that he had learned that she was inclined thereto, so that I hope she will arrive here before long, and thus all apprehension will be removed regarding her harmful correspondence with the king of Salemparang, who through that apparently will have imbibed many of his haughty and grand notions regarding the power of the realm of goa, and seems conceited enough to imagine that one needs to be afraid of the same and also of him; which is nevertheless so far from the case that I, on the contrary, hold myself assured that it would cost little to humble it to the utmost, if Your High Excellencies did not show, by continuation, a preference to incline toward the gentlest way, which I then shall also further follow in conformity with Your High Excellencies' honored orders. So I must now also report how, it being reported to me by the frequently mentioned Commandant that his commission thither had turned out to be fruitless, I indeed replied thereto that I would have to be content with that, in the trust that there truly had been no opportunity to confer with gusti waijantaga in private or quietly to deliver the letter given to him by me for that purpose; but at the same time pointed out to him that he ought to have explained such circumstances, rather than merely stating in his letter that four Balinese emissaries who had arrived there had followed him everywhere, and, directly contrary to that, reporting in his kept daily register that, having sent out certain persons to inquire whether he could manage to speak to the frequently mentioned prince alone, these had assured him that such was impossible because the aforementioned emissaries were constantly with the same; so neither the one nor the other seems sufficient to conclude from it that there was no means to let the same have knowledge of the object of his arrival, and at the same time to learn whether he likewise was longing for it, but was restrained from it by the presence of the frequently mentioned emissaries; but since such cannot be undone, and this matter has in the meantime acquired a completely different aspect, insofar as it is no longer necessary and no secret need be made of it, the less so as gusti waijantaga [illegible] Your High Excellencies about the frequently mentioned him
Dutch transcription
Maccasser Den 14 Iuniy 173 — Van Maccasser Den 14 Iunij A:o 1773— Van van die alreite te melden mvoegen het met blijfkit dat hij gedaan heeft even als of het een desoek daar deselve nogthans van een se bedenkelijke aanpchouw moest worden geconsidereert tenmer daar bij komst de verkeffing van datou boede soon van wijlen den vorigen koning tot dato u Janewe waar uit men reeden hadde te moeten opmaaken dat der rijks groten intentie wel souden kunnen sijn om voor gem: vorst die nog seer jong van Jaaren, gantsch niet bemind en met geene talonten tot het bestier vereijschende, begaaft is van den troon te stooten en er datou Jarewe daar op te plaatsen, die denodige bequaamheijd besiten soo uit dien hoofde als om sijn geboorte ongemeen gesien is en ook meerder regt tot het rijk heeft waaromtrent ik mijnes eragtens van begriep sijnde dat het in sodanigen geval beter soudeweesen dig onade intentie der meeste te schicken ingevalle maar sCompsvooregt buiten brenking van het welke geen de overwalsche ko„ ningen afgesethof angesteld mag worden kan worden gemaintineerd dat het selve met gemeld tegen te gaan, so hebbe ik den meermelde Com„ mandant onder betuijging van mijn ongenoegen over sijn in attentie hier omtrent dese mijne bedenkingen meede gedeed, en hem het noodige diendwegen aan bevoolen dog intusschen van hem tijding ontfangen ondertusschen hebbe ik hem ten opsigte van de verdere hier vooren gewaagde slordigheeden emnstig onderhouden en int bijsonden ter saake hij mij op de hem gegeven beveelen betreekelijk tot den bekenden Tjalla ban„ cahoeloe en cranig bellasarie so mmn g'antwoord als berigt gegeven heeft wegens den toestant waar in de wadjoreesen sig aldaar bevinden ten eijnde 't neevens den koning van bonij sendelingen derwaarts te kunnen afvaar„ „digen om deselve door minnelijke weegen totopbrake aan tesetten't geen hebbende dat de voorm: rijksgrooten naar Salwang souden vertrocken sijn om hunne vorst van daar af tehaalen dader op eenlijk gantwoord dat het mij seer aangenaam soude sijn te verneemen dat sulkis werke„ kelijk utgewoerd en alle bedugting voor verder oneenigheeden g'cesseerd sullen weesen en ik als dan verwagten wilde dat den vorst int aan„ staande nadan wel volgende vroege voorhaar herw: sal komen ten be„ sweering der contracten met last om den selven en ook de rijksgrooten daar toe op het eanstigt 't adhorteeren waar van het gevolg sal dienen teworden afgewagt schoon ik niet denken kan dat sulks geschieden sal vermits meerm: Commandant mij bij desselfs nader„ schrijven van den 16 Meij bedeelt heeft hoe de gerugten wilden dat den selven zimeloos soude weesen hebbende 273 ik 275 Van Macasser den 14 Junij 173 Van Macasser Den 14 Junij A„o 173 ik mits ontssehtenisse van die communicatie hebbe moeten uijtsellen dog met opsigt tot gemn onamig bellasarie heft miy den koning van bonij op den 23. Januarij permissie versogt om haar van daar te mogen laten afhaalen waar iik te eersten geconsenteert hebbende sijnde desselfs zendeling Coning Sapanang den 30 maart daar aan derwaarts vertrocken aan den welken ik een briefje voor den commandant hebbe meede gegeeven houdende ordre om des nodig tot haar vertrek meede te werken den welke mij ook bij sijn nadere van den 16 Meij bedeelt heeft vernomen te hebben dat zer toegemclineerd was to dat ik hoope dat sij erlange herwaarts komen en dus alle bedugting sal weg genomen worden voor hare schadelijke correspondentie met den koning van Salemparang die daar door apparent veele van sijne tootsche en groote denkbeelden nopens de macht van het rijk van goa sal hebben ingezoogen en verwaerd genoegschijnt om sig te verbeeden dat men voor het selve en ook voor hem behoeft bevreest te weesen waar van het nogthans boverre af is dat ik mij in tegendel verseekert houde dat het weijnig soude behoe„ ven te koten om het uijterste te verneederen bij aldien uw hoog Edelheed.:s niet betoonden bij continuatie liever tot den zagsten weg over te helben die ik dan ook Conform uw hoog Edelheedens g'eerde bereelen verder sullende volgen so moet ik thans nog melden hoermij door den er gem: Commandant berigt sijnde dat sijne commissie naar der waarts „gteloos was uijt gevallen ik daar op wel gediend hebbe dat ik mij sulks este getroosten in vertrouwen dat er waarlijk geen geleegentheijd sou„ sijn geweest gusti waijantaga in 't particulier 't onderhouden of in stille verhandigen de brief, hem tot dat eijnde door mij meede gegeeven dog en teffens voorgehouden dat hij sulkis omstandigen hadde behooren te en dan met eenlijk bij sijn brief teseggen dat vier aldaar aange„ „st zijnde balijse zendelingen hem over al gevolgd hadden en bij des„ „ gehouden dag register regt strijdig daar teegen te melden dat hij i bijsonder persoonen uitgesonden hebbende om te verneemen of hij meer„ elde vorst alleen te spreeken soude kunnen krijgen deese hem betuijgd daen dat sulks onmogelijk was wijl M: de opgemelde zendelingen toos bij denselven waaren alsoo nog het een onog ander voldoende schijnt ger uit te besluijten dater geen middel sij geweest denselven kennisse te doen langen van het oogmerk zijner komste en teffens 'tervaaren of hij „sgelijks verlangende daar na was dog door het aan weesen van de peerm: zendelingen er van wederhouden wierd dan vermits sulks nette herdoen en deese saak ondertusschen van een geheel anderen aan„ schouw geworden is in so verre het niet meer nodig sij en geen gehem van te maaken te minder gusti waijantaga uw hoog Edelheedens over de meergem: hem -
English
275 From Makassar the 14th of June 173 From Makassar the 14th of June Anno 173 which I have had to postpone due to the absence of that communication, but with respect to the aforementioned Belasarie, the King of Boni requested my permission on the 23rd of January to have her fetched from there, to which I immediately consented, his emissary King Sapanang having departed thither on the 30th of March, to whom I gave a letter for the commander containing orders to cooperate, if necessary, in her departure; who also informed me in his further letter of the 16th of May that he had learned she was inclined to it, so that I hope she will arrive here before long and thus all apprehension will be removed regarding her harmful correspondence with the King of Salemparang, who apparently will have absorbed from this many of his proud and grand ideas regarding the power of the kingdom of Gowa, and seems arrogant enough to imagine that one needs to be afraid of it and also of him; from which things are nevertheless so far removed that, on the contrary, I hold myself assured that it would cost little to humble him to the utmost, if Your Right Honourables did not continually show a preference for inclining toward the most lenient path, which I shall therefore also further follow in accordance with Your Right Honourables' esteemed orders. So I must now also report that, having been informed by the frequently mentioned Commander that his commission thither had turned out to be fruitless, I replied that I had to resign myself to this in the trust that there truly would have been no opportunity to confer with Gusti Wayantaga in private or quietly hand over the letter given to him by me for that purpose; but at the same time I pointed out to him that he ought to have demonstrated this in more detail than merely saying in his letter that four Balinese emissaries who had been there had followed him everywhere, and in direct contradiction to this, reporting in his kept daily register that, having sent out three particular persons to inquire whether he might be able to speak to the aforementioned prince alone, these had assured him that this was impossible because the aforementioned emissaries were always with him; as neither the one nor the other seems sufficient to conclude therefrom that there was no means to let him gain knowledge of the purpose of his arrival, and at the same time to learn whether he likewise longed for it but was prevented from it by the presence of the aforementioned emissaries. But since this cannot be redone, and this matter has meanwhile taken on an entirely different appearance, in so far as it is no longer necessary to make any secret of it, the less so since Gusti Wayantaga himself has written to Your Right Honourables concerning the aforementioned offer made to him, From Makassar the 14th of June 173 From Makassar the 14th of June 173 I have forwarded Your Right Honourables' answer given thereto and duly received by me to the Commander, to be delivered along with the missive mentioned herebefore, directed by me in anno passato to the same regarding this subject; which, according to his aforementioned writing of the 16th of May last, having also taken its course, I will hope with Your Right Honourables that the objective may thereby be attained. Having reported in the common advices now departing that the expedition sent to Buton in Anno passato for the extirpation of spice trees was once again of just as little success as in previous years, I find myself obliged to inform Your Right Honourables in this that on the 16th of November last there appeared here, with the returned Sergeant-Commissary Steinbach, a distinguished embassy headed by the grandson of Sultan Sakie-oed-din, with a letter drafted in such terms that, in case one could trust that the protestations of the king and grandees of the realm contained therein were in earnest, there would be reason to think that the cruising carried out in anno passato and my writing to them had made some impression, considering that they therein confess in round terms to having violated contracts and made themselves guilty of punishment, and request pardon on that account, as may be seen in more detail, if it pleases Your Right Honourables, from the copy transmitted herewith. But since the contrary thereof is easy to deduce, both from the aforementioned fruitlessly ended expedition, which they nevertheless say was properly accomplished according to custom, and from the still continuing admission of smugglers and the refused restitution of some cannons fished up there from two wrecked Company ships, I have in my reply, consistently with Your Right Honourables' latest letter to this court, a copy of which was duly received by me in honour, once again seriously remonstrated with them about the one and the other, and thus made known how much their words differed from their deeds; adding that if they wished to show that their assurance sprang from a sincere heart, I would expect for the future a better effect from the commission for the extirpation of spice trees, the prevention of smuggling, and the surrender of the aforementioned cannons, together with a ship's boat washed ashore and salvaged there, along with the satisfaction, if not in whole at least for the greatest part, of the remaining debt in slaves to the number of 113. 277.
Dutch transcription
275 Van Maccasser den 14 Junij 173 Van Macasser Den 14 Junij A„o 173 ik mits ontstentenisse van die communicatie hebbe moeten uijtstellen dog met opsigt tot gemn onanig bellasarie heeft my den koning van bonij op den 23. Januarij permissie versogt om haar van daar te mogen laten afhaalen waarmik ten eersten geconsenteert hebbende sijnde desselfs zendeling Coning Sapanang den 30 maart daar aan derwaarts vertrocken aan den welken ik een briefje voor den commandant hebbe meede gegeeven houdende ordre om des nodig tot haar vertrek meede te werken den welke mij ook bij sijn nadere van den 16 Meij bedeelt heeft vernomen te hebben dat zen toegemnclineerd was to dat ik hoope dat sij eerlange herwaarts komen en dus alle bedugting sal weg genomen worden voor hare schadelijke correspondentie met den koning van Salemparang die daar door apparent veele van sijne trotsche en groote denkbeelden nopens de macht van het rijk van goa sal hebben ingezoogen en vervaerd genoeg schijnt om sig te verbeeden dat men voor het selve en ook voor hem behoeft bevreest te weesen waar van het mogthans soverre ab is dat ik mij in tegendeel verseekert houde dat het weijnig soude behoe„ hembat ven te kosten om het uijterste te verneederen bij aldien uw hoog Edelheed:s niet betoonden bij continuatie lieven tot den Lagsten meg over te hellen die ik dan ook Conform uw hoog Edelheedens g'eerde berelen verder sullende volgen so moet ik thans nog melden hoe mij door den meergem: Commandant berigt sijnde dat sijne commissie naar derwaarts vrugteloos was uijt gevallen ik daar op wel gediend hebbe dat ik mi sulks moeste getroosten in vertrouwen dat er waarlijk geen geleegentheijd sou„ de sijn geweest gusti waijantaga in 't particulier 't onderhouden of in stille te overhandigen de brief, hem tot dat eijnde door mij meede gegeeven dog hem teffens voorgehouden dat hij sulks omstandiger hadde behooren te toonen dan met eenlijk bij sijn brief teseggen dat vier aldaar aange„ weest zijnde balijse zendelingen hem over al gevolgd hadden en bij des„ selfs gehouden dag register regt swrijdig daar teegen te melden dat hij drie bijsonder persoonen uitgesonden hebbende om te verneemen of hij meer„ melde vorstalleen te spreeken soude kunnen krijgen deese hem betuijgd hadden dat sulks onmogelijk was wijl sE: de opgemelde zendelingen altoos bij denselven waaren alsoo nog het een onog ander voldoende schijnt omer uit te besluijten dater geen middel sij geweest denselven kennisse te doen erlangen van het oogmerk zijner komste en teffens ter vaaren of hij insgelijks verlangende daar na was dog door het aan weesen van de meerm: zendelingen er van wederhouden wierd dan vermits sulks metse herdoen en deese saak ondertusschen van een geheel anderen aan„ schouw geworden is in so verre het niet meernodig sij er geen gehem van te maaken te minder gusti waijantaga uw hoog Edelheedens over de meergem: hem Van Maccaser Den 14. Junij 173 — Van Maccasser Den 14 Iunij 173 hem gedamn anbieding slfs geschreven heft sohb ik uw hoog Edel„ „heedens daar op gegeven en mij wel geworden antwoord aan den Com„ mandant toegeschikt om nevens de hier voorgewaagde door mij in anno pass: an den selven over dit ondermerp gerigte missive besteld te worden 't geen ook volgens desselfs hier voren gem: schrijvens vanden 16: meij passe etsgevolg genoomen hebbende do wil ik met uw hoog Edel„ delheedens hoopen dat daar door het ogmerk mag worden bericht Dat d in A:o passato gedaane bezending naar Bouton tot Extirpatie van specerij boomen alweder van even weijnig succes geweest is als in voorige Jaaren bij de thans afgaande gemeene advisen gemeld hebbende so vind ik mij gehouden uw hoog Edelheedens in deesen te bedeelen dat alhier op den 16 November laastleeden met den geretrouneerden sergeant Commissant steijnbach verscheenen is een aansienlijk gesantschap aan het hoofd hebbende de kleensoon van Sulthan Sakie oedm: met een brief in sulke ter mon op gesteld dat in„ gevalle men vertrouwen konde dat des konings en Rijks grooten betuijgingen daar bij vervat ernst waare er reeden soude sijn te den„ ken dat d' in anno pass:o gedane bekruijssing en mijn schrijvens aan deselve eenigen indruk hadde gemaakt gemerkt zij daar bij met vonde woorden bekennende contracten overtreeken en ig aan staf schuldig gemaakt te hebben en de wegens pardon versoeken in oege om„ standigen bij het in copia overgaande afschrift uw hoog Edelheedens des behagende sal geblijken dan vermits het tegendeel van dien ligt op te maaken sij soo uit de voorm: vrugteloos afgeloopene betendeig die z: nogthans seggen dat na usantie behoorlijk soude weesen volbragt als uit de nog al aanhoudende admissie van sluijkhandelaars en de geweigerde restitutie van eenige aldaar op geviste Canons uijt twee verongelukte sComp: cheepen soo hebbe ik bij mijn antwoord over eenstemmig uw hoog Edelheedens laatste schrijvens aan dit „hof waar van mij de Copia ter eeren welgeworden is haar over het een en ander al weder op het vmstig onderhouden en dus te kennen gegeven hoe seer hare woorden quamen te verschillen van hunne dade„ met bijvoeging dat wanneer sij betoonen wilden dat hunne versee„ kering uit een opregt hente was voortspruijtende ik voort vervolg een beeter effect van de commissie tot uitroeijing van specerij boomen deweering van den sluijkhandel en d' overgave van het voorm: Canons mitsgaders van een aldaar aan gedreeven en op geriste scheps boost verwagten soude met de voldoening soo niet geheel ten minste voor 't grootste gedeelte van de restant schult in slaven ten getalle van 113: met als 277.
English
From Makassar, 14 June 1713 having returned [illegible] of the individuals brought here by the aforementioned envoys, as being too old or too young, and for the rest suffering from incurable diseases, and thus in total only 58 were accepted, however much they tried to persuade us to accept the rest as well. The said envoys thereupon departed again on 13 March past in the company of the aforementioned Steijnbach, to whom I assigned the repeatedly mentioned commission de novo and whom I equipped with such instructions as are set forth in the copy attached hereto, to which I take the liberty to respectfully refer in order to avoid prolixity; only noting further how I have permitted a certain Abdul Malick, calling himself lieutenant of the Malays at Ternate, who sailed from there for Batavia on the ship De Jonge Petrus Albertus, but having gone ashore in the Strait of Buton, the ship sailed on without him, to return thither on the sloop of the Chinese Qua Tjanko, which was stranded here due to maritime distress. While I may be permitted, with regard to Your High Nobilities' remark that the misfortune that befell the cruisers in the past year must again be attributed to the wantonness of the Company's own people, and the order appended thereto to recommend as utmost necessary to the commander of the vessels alongside all other commissioners moderation towards the native population, under threat of rigorous punishment if found to the contrary, to highly assure the same that, just as I believe, subject to respectful correction, to have observed this in the instructions also given to the heads of the aforementioned cruising vessels, I will also for the future dutifully observe the same and severely punish offenders, as would have happened with regard to the case in question had not the helmsman Minne, who was the moving cause of the aforementioned conduct of our men, or to whom at least the blame thereof is given by the others, died; which seemed to me to make the investigation thereof too difficult, or at least not sufficient to convict others, just as the inquiry demanded of the fiscal as to whether this or that good from the above-mentioned booty might have been withheld, turned out to be fruitless, as reported in the general advices. The commission to Maros, assigned from the Company's side to the resident Van Rossum and chief interpreter Brugman, and by the King of Boni to the Tomitalang, having been carried out on 24 October last, they returned on 20 December thereafter with the report that many disputes between the Company's subjects and the Bonians had been settled to the satisfaction of both parties, but that the investigation into certain others had to be postponed owing to the fallen time for planting the paddy, which are to be settled at a further opportunity; whereas against this, various claims of the Queen of Tanete, for the decision of which she made a request to me on 23 November during a special visit, were rejected, as being partly, through age, no longer traceable to their true origin, and partly found to be devoid of all grounds of proof on her side; so that the one and the other appears more broadly in the daily register under the aforementioned dates, to which I respectfully refer in this regard and with respect to certain points of minor importance relating thereto and recorded under 25 November, 3 December, and 21 February past; and here only further report that the mountain regent of Blotje Tawoe has been discharged from that regency conformable to his request, and appointed thereto again as the closest and most capable is the person of Daeng Mannewro. The Southern Provinces, having received news on 14 December past from the departed resident Mtol of how a certain Latila, a son of the Boni Ponggawa Lacasi, who had already for a long time been known as one of the greatest rascals, had entered into marriage with the daughter of the regent of Froen, the latter having thereupon come here together with his said father-in-law, so have I, upon the declaration made by the last-mentioned that this marriage had occurred without his foreknowledge and even less with his consent, as Latila, on the occasion when he was away from home, had come there and forced his daughter, and further out of consideration for his request as well as that of the lesser village chiefs to be pardoned, deemed it necessary to take the gentlest course and let him, who would otherwise have well deserved to be dismissed, continue in the regency, under the condition nevertheless that he shall never again admit his said son-in-law into his presence, in the expectation that this favor will awaken him and his people to a further faithful adherence to the Company, of which the southern regents have many times given proof. Furthermore, in place of the deceased regent of Bira, Daeng Salatang was appointed thereto again at the session of 5 January past as the closest and most capable, who as such took the oath of loyalty according to the custom of the country. And whereas on the 27th thereafter the regents of Bonthain and Tombolo unexpectedly appeared here in order to lodge their complaints with me, as was done without delay, concerning the recent tithing of the paddy crop, which, owing to an uncommonly severe illness with which I was attacked, and also on account of the expected [illegible] from the
Dutch transcription
279 Van Macase den1 Junij 173 Van Maccasser den 14:' Junij 1713 — als zijnde van de 1 koppen door voorm: gesanten alhier aangebragt t als te oud ofte Jong en voort overige aan ongeneeslijke siektens laboneerende terug gegeeven en dus in 't geheel maar 58 geacepteert hoe zeer deselve ons hebben getragt te persuadeeren ook de overige aan teneemen. zijnde de gemelde gesanten daar op den 13. maart pass:o wederom ver„ „trocken in geselschap van voorm: steijnbach aan wien ik de meerm: commissie de novo opgedragen en den welken ik met sodanigen jn„ structie gemunieert hebbe als in afschrift desen versteld waar aan ik de vrijheijd neeme mij ter vermijding van lang weiligheijdeerbiedigte refereeren eenlijk nog noteerende hoe ik aan sekeren Abdul Malick sig tituleerende licutenant der Maleijers te Ternaten die met het schip de Jonge Petrus Albertus van daar na batavia gestevend dog in straat Bouton aan wal gestapt wesende schip agter uit geseijld is gepermit„ „teert hebbe met de alhier door zeenood vervallen Chaloup van den Chinees qua Tjanko derwaarts te rug te keeren Terwijl het mij gepermitteert zij ten aansien van uw hoog Edelheedens remarque dat 't ongeval de kruiseren in ao pass:o vergekomen alweder aan de moedwilligheijd van sComp: eijgen volk moest worden toege„ schreeven en daar bij gevoegde ondre om den gesaghebber der vaartuijgen neevens alle andere Commissianten de moderatie omtrend den Jnlander De Commissie na Maros van 's Comp: zeijde aan den resident van rossum en oppertolk brugman en door den koning van bonij aan den Tomitalang op gedragen den 24 october laastleeden gevolg genoomen hebbende sijn deselve op den 20. december daar aan geretourneert met berigt dat er veele geschillen als ten uijterste noodsakelijk aan te beveelen onder bedrijging van rigou„ reuse straffe bij bevinding van het teegendeel hoog deselve te verseekeren dat gelijk ik onder eerbiedige correctie vermeene sulks in agt te hebben ge„ noomen bij d'instructie aan de hoofden van de voorm: kruijs vaartuijgen meede gegeeven ik ook voor het vervolg het selve chuldpligtig obser„ „veeren ende overtreeders ernstig ernstig Corrigeeren sal so als ten aan sien van het geval in questie geschied soude weesen was den stuurman Minne die welde beweegende orsaak van het voorn gedrag der onsen geweest is of aan wien ten minste de schuld daar van door de anderen word gegeven mit overleden t geen mij heft tegescheenen het ondersoek daar na te moeijelijk te maaken ommers niet voldoende te sullen weesen, om anderen 'tovertuijgen so als de aan den fiscaat gedemandeerde en„ quiete of er ook door deese of geen goederen uit de boven genoemd buijt mogten agterhouden weesen vrugteloos afgeloopen is mat vermelde bij de gemeene advisen als tusschen 28„ Van Macassar Den 14 Junij 173 — Den 14 Junij Ao 173. Van Maccasser tusschen 'sComp onderhoorige ende bonmerns tengenoegen van weder zijde partijen afgedaan dig het ondersoek naar sommige anderen mitsde gevalle tijd tot het planten van den padij hadde moeten worden uitgeseild die bij en nader gele„ gentheid staan vereevend teworden waar en teegen deese en geene pretensie van de koningrine van Tanette om welker dicesie sij mij den 23 novemb:r bij een Expaesse visite versoek gedaan heeft waaren afgeweesen als deels door ouderdom niet meer in sijn waare oorspronk op te speuren en deels van alle grond van bewijs aan haare sijde ontbost bevonden sijnde invoegen het een en ander breeder blijkt bij dagregister onder voormelde datums waar aan ik mij ten deesen belange en met beteeking tot eene poincten van min„ „den belang hier toe betrecking hebbende en vermeld staande onder den 25 November 3: december en 21. februarij passato Eerbiedig gebraege en hier nogeenlijk melde dat den berg regent van Blotje Tawoe van dat re„ gentschap Conform sijnde versoek ontslagen en daar toe weder als de „naaste en bequaamste aangesteld is de persoon van Danig Man nsewre Zuijder Provintien op den 14 december passato van den afgegaane resident Mtol tijding ontfangen hebbende hoe zeekeren Latila een soon van den Bonijs Pongauwa Lacasi /: die rees een geruijmen tijd voor een der grootste deugnieten is bekend geweest sig in huwelijk begeven hadde niet de digter van den regent van Froen deese daar op nevens zijnen gem: schoonwader en stilt alhir gekomen sijnde so hebekopde dor den laast gem: gedaan betuij „ging dat dit huwelijk luijten sin voorweten en nogminder met sijn tosten„ „ming was geschied als latilea ten geleegentheijd dat hij van huijs gewees waar aldaar gekomen en zijn dogter en toegedmongen hadde en voorts uit Conside„ ratie se van sijn versoek als dat der mindere doropshoofden om gepardonneert te mogen worden geoordeelt zagtsten wegtemoeten in slaan en hem die andee sints wel verdiend soude hebben afgeset te worden in het regentschap laten Continueeren onder voorwaarde nogthans dat hij sijn gem: schoon soon rimimmer weder bij hem sal mogen admitteeren in verwagting dat dese gunste hem ende zijne sal op weeken tot een verdere getrouw aankleeving aan de Comp: waar van de suijder regenten veel malen blijken gegeven hebben voortsis in steede van den overleeden regent van Bira daar toe als de naaste en bequamste ter sessie van den 5. Januarij passato weder aangesteld Dang salatang di als sodanig den Eed van getrouwigheijd na sland wijs het afgelef En vermits op den 27 daar aan alhier op 't onvermagts verscheenen de reegenten van bonthamnen tombele teneijne glijk sonderen dag geschied is hunne klagten bij mij in te brengen over de Jongst gedaane verthiening van het partij gewash/ die mits en ongemeen herige zeekte waar van ik ge„ attacqueerd wierden teffens ook ter saake van de verwagt wordende uit de
English
283 From Makassar, 14 June 1731 From Makassar, 14 June 1731 ...the arrival of the overseas princes was assigned to the outgoing Resident Mol, whereby much more was said to have been imposed upon them than ever before, or what the tithe truly came to amount to. Concerning this, on the one hand, it came to my consideration that the imminent departure of the said Mol to Ternate, which was set for 10 February, did not permit hearing his interests in opposition, and that, on account of his conduct and behavior pursued up to this point, I had no reason to defer completely to those complaints. Thus, I judged it best to commission the bookkeeper Whijt and the junior merchant [illegible] as the most capable for this purpose, to depart thither in order to investigate the matter and to settle the dispute with the resident as far as possible. This was indeed attended with the desired result, while Mol meanwhile, by a letter of the 31st thereafter, most strongly professed his innocence, which appears all the more acceptable because the complainants allowed themselves to be satisfied so easily that nothing had to be deducted for them from the delivery imposed upon them, and they were nevertheless completely content. Therefore, I made no further stir about it, but allowed the frequently mentioned Mol to depart after he had beforehand delivered a memorandum regarding the condition of the residency to his successor, the junior merchant Monsieur, a copy of which accompanies this letter. Concerning Saleyer, upon his repeated declaration of being guilty of what was charged against him, I deposed the regent of Tamete, but upon his request permitted him to remain there provided he keeps away from the post, since no harm is to be feared from his person, and the exile of such subjects, who usually still have some following, presents a dangerous prospect on account of the latter. Furthermore, at the request of the joint lesser chiefs and subjects, Danig Matalle was reappointed thereto as the closest and most capable, who, together with his family and the laborers who usually come over here, has departed thither again. For the rest, I take the liberty to present herewith to Your Right Honorable Lordships the copy of a certain report delivered on the 1st of this month at the secretariat by the Malay and resident here, Intje Machia, according to which the Cerammers and Papuans some time ago made an invasion with thirty kora-koras upon the islands of Iongans and Emontio belonging under Bouton, and are said to have massacred many of the inhabitants and plundered them, with the added notification that it had originally been aimed at Bouton itself, but that the scattering of their fleet, which had consisted of one hundred kora-koras, had prevented this, and their intention was to return with full force to take revenge for the taking away in anno passato of two Ceram vessels that had been present there. The latter, however, appears suspect to me, because it is not to be thought that such would ever have been done by the Boutonese, and if one of those vessels might also be taken...
Dutch transcription
283 Van Maccassar Den 14 Junij 173 Van Maccasser Den 14 Iunij 173 — op komst der overwalsche vorsten aan den afgaend Resident Mol is op gedragen:/ waar bij hun veel meersoude ween op gelegt dan immers bevoorens of de teende waarlijk kinam te bedragen waar omtrent aan deene zijde bij mij inconsi„ „„eratiequam dat het op handen sijnde vertrek van gemelde Molmaar Ternaaten 't geen op den 10:' februarij bepaald was niet toeliet sijne belangen daar tege„ te hooren en dat ik uit hoofde van sijn tot hier toe gehouden gedragen wandel geen reeden hadde aan die klagten volkomen te defereeren so oordeelde ik best om teneerten den boekhouder whijt enden ondertoek bljals daar toe de bequaamste te committeeren om derwaarts te vertrecken ten eijnde na de saak ondersoek te doen en het geschil boveel mogelijk met den resident bij te leggen hit gendan ook van het gewenscht gevolg is geweest terwijl Mol inmiddens bij brieve van den 31. daar aan op het sterkte zijne onschuld betuijgd heeft die nog te aanneemelijker voorkomt ter oorsaake tig deklagers so gemackelijk hebben laten vinden dat haar niets heeft behoeven gevali„ deert te worden van de hun opgelegde leverantie en zij des nietse min volkomen vergenwoegd sijn weshalven ik daar over geen verdere beweeging gemaakt maar meermelde mol hebbe laten vertrecken na dat hij al„ voorens nopens den toestand der residentie aan sijn vervanger den onderkoop„ man Monsieur een memorie hadde overgegeven waar van 't afschrift deten verseld Betuffende Salijer hebbeik den regen van tamete op sijn onde verklaring van aanhet hem ten laaste gelegde schuldig te sin gegeset dog hem op sijn versoek geprmitteer al„ daart blijven mits sig onthoudende bij de post gemerkter geen quaad voor sijn persoon tevreesen is en de versending van diergelijk subjecten die gewoonlijk nog al eenige aan hang hebben om de wille der laatste van dangereuse uitsigt is sijnde voorts op het ver„ soek der gesamentlijke mindere hoofden en onderdaenen daar toe als de naaste en bequaam te weeder benoond Danig Matalle welk nevensde sin en het alhier nagewosnte overgekomen werk volk weder derwaarts vertrooken is, voor 't overige neeme ik de vrijheijd uw hoog Edelheedens hier nevens aan te bieden het afschrift van zeeken reelas op den 1: hujus ter secretarij verlend door den maleijer en inwoonder alhier Jntje Machia volgens het welke de cenammert en Papoeers voor eenigen tijd geleeden met dertig Corre coren een invasi op de Eijlanden Iongans en Emontio onder bouton gehoorende gedaan en vele der Jnwoondens gemassaereert en gerooft souden hebben onder bij gevoegde te kenne gave als maar vre het op bouton selve gemunt geweest dog dat de vertrooijing van hunne vloot inhondert corre corren bestaan hebbende sulks belet hadde en hunne intentie was ondermat weeder te komen om revenge te neemen over het wegmeemen in anno passato van twe aldaar aangeweet zijnde Ceramse vaartuijgen welke laaste mij nogthans suspeet voorkomt wijl het niet te denken sij dat sulks immers door de boutonders gedaan sal weesen en wanneer en een dier vaartuigen meede mogte worden
English
From Makassar, 14 June 1773 From Makassar, 14 June 1773 is meant, which was intercepted there two years ago by the commissioner for the extirpation of spice trees, one has even less reason to defer to it, considering the crew itself was saved by them and the Cerammers therefore cannot be unaware that they are not to blame for it. I have nonetheless, upon receipt of the aforementioned report, ordered the resident of Bolecomba and Bonthain, and also the resident of Saleijer, not only to be on their guard against any unexpected attacks, but also to warn the subordinates and inhabitants carefully to watch out so as not to be unexpectedly ambushed by that roving rabble, if they should occasionally appear in those regions, especially at Saleijer, while upon any further appearance of the same I shall further endeavor to employ such means as time and circumstances shall permit to frustrate their dangerous designs. Everything having now been dealt with here which I judged to deserve a particular description in this letter, I take the liberty, concerning the events of lesser importance, to refer respectfully to the accompanying copy of the aforementioned separate daily register and further annexes, and for the rest I have the honor of commending Your High Excellencies' illustrious persons, together with the weighty interests of the Company, to God's safe keeping and protection, subscribing myself with the deepest respect and due high esteem. Was signed below: High Noble, highly venerable, rigorous, widely-commanding lords, and right noble, rigorous lords. Lower: Your High Excellencies' very humble, obedient, and faithful servant. Was signed: P. J. van der Voort. In the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, 14 June 1773. This expressly serves to make known to my son that I have received his letter, and understood from it regarding my previous debt to you the sum of 43 pieces of silver rupees, each calculated at 150 pieces of copper cash, thus making together 6450, which I am indeed in a state to be able to settle, though however with no other trade than with rice, which is also now transferred into the hands of your messenger named Salemang, 387 gantings, as the current price of that here on Jagara is 200 cash per 12 gantings. I have also understood from the said letter your kind offer that if there should be anything to my liking in the land of Bima, I might freely write to you, for which offer I thank you heartily, and shall take advantage of it as occasion arises. And concerning my messenger Bapa Doerina, whom I previously wished to dispatch via Makassar to Batavia, and who has returned back to Salemparang, with whom I received a letter from the governor from which it was understood that at that time there was no opportunity Translation of a Malay letter written by Gusti Wayantaga of Salemparang to the Resident and Commandant at Bima. anymore From Makassar, 14 June 1773 From Makassar, 14 June 1738 anymore to be able to send the said messenger to Batavia, I have nonetheless dispatched him thither in the month of Shawwal. Furthermore, I make known to you that I have also received a letter from Nene Manko Boemie of Great Sumbawa, mentioning the vessel that was ordered by you to bring the same to me, and to my regret I had to learn from the aforementioned letter that the vessel has entirely perished due to heavy drainage in the river; thus, my son, my trust is placed in no one else but only in you, all the more because the Governor-General has recommended me to make no acquaintance with any other European nation than solely with the Governor-General. Further, I very kindly request 40 pieces of kanawa for stocks for blunderbusses, as well as as many silver rupees for the mountings thereof, to the value of two lasts of rice or paddy, or else copper cash, which you will please have the goodness to send to me together with the requested gunstocks. Below was written: Agrees. Was signed: J. K. P. Voll, sworn clerk. I hereby make known under the soles of the feet of the Lord Governor the dreary and sorrowful state in which I currently find myself in the land of Tambora, wherefore I placed my trust in no one else than solely in the Lord Governor, in the hope that he will take pity on my impoverished state, as I have no other friends or kinsfolk After ordinary compliments. Translation of a Malay letter written by the old Queen to the Right Honorable Lord Governor Paulus Jacobus van der Voort, reading as follows: Translation than
Dutch transcription
285 Van Maccasser Den 14:' Junij A„o 173 Van Maccasser Den 14:' Iunij Ao 173 — worden bedoeld welke voor twee jaaren aldaar door den commissiant tot d'Estiripatie van specerij boomen agterhaald is heeft men nog minder reeden daar aan te defereeren gementit de equpagieselve door haar gesauveert is en de cerammers dus niet onkun„ dig kunnen sijn dat z daar aan geen schuld hebben ik hebbe nogthans op den ont„ fangst van het voorsz: bericht de resident van bolecomba en bonthain en ook die van saleijer gecommandeert om miet alleen op hunne hode tesin voor alle onverhoopte aanvallen maar ook omd onderhoorige en ingesetenen tewaar schuiven sorgvuldig te waaken om niet onvoorsiens door dat roof gespuijsovervallen te worden of zook som „wijlen dig on dien oorden wel ins onderheijd te saleijer verthoonen mogten terwijlik bij eene nadere verschijning van deselve verder sodanige middelen in't werk sal tragten testellen als de tijd en omstandigheeden sullen permiteeren on hunne gevaarlijk des seijnen te vereijdelen Hier meede nu alles afgehandelt sijnde wat ik geoordeelt hebbe een bijsondere be„ schrijving in deese te verdienen so neeme ik de vrijheijd mij omtrent de gebeurtenissen van minder belange eerbiedig te refereeren aan het desen versellend afschrift van het meer gewagde apart dag register en verder bij lagen en hebbe voor het overige d'eere naar uw hoog Edelheedens Jllustre persoonen nevens de gewigtige belangens van de Maatschappij en godes veilige hoede en bescherming te hebben bevoolen mij met de diepte Eerbied en verschuldigde hoog agting te noemen /onderstond/ hoog Edele groot agtbaare gestrenge wijdgebiedend heere en wel Edele gestrenge heeren /lager / uw hoog Edelheedens seer onderdanige gehoor„ saeme en getrouwe dienaar /:was geteekend:/ P. I vander voort /in mergin:/ Macasser In't Casteel Rotterdam den 14 Junij 1773 Soo dient dese expreselijk om mijn soon bekent te maaken dat ik desselfs brief ontfangen hebbe en daar uit verstaan wegens mijne voorige „debel aan uE: de somma van 43. peesen silvere ropijen ieder gereekent tegens 150 p„s kopere pitjes makende sulks te saamen 6450: dien ik wel instaat sijn te kunnen voldoen dog egter met geen andere mnegotie als met rijst die ook thans in handen van ub sendeling gen:t salemang overgaat 387. gantings als de prijs van dien Cor alhier op Jagara is 200. pitjes d' 12 gantings. Hebbe almeede uijt gem: brief verstaan uE: genegene presentatie wanneer er Eenige van mijne gading op 't Land van bina mogte wesen ik vorijelijk aan uE soude schrijven voor welke aanbieding ik uE van harten bedanke en sal bij occatjie daar van proviteeren en aangaande mijne sendeling bapa Doerina dien ik bevoorens over Ma„ cassen na Batavia hebbe willen afsenden en deselve weder te rug op sa„ lemparang is gekomen met dewelke een brief van den gouverneur hebbe ontfangen waar uit verstaan dat er te dier tijd geen gelegentheid Translaat Maleijde Brief geschreeven door gustij waijantaga van Salemparang. Aan den Resident en commandant te Bima„ meer 287. Van Maccasser Den 14 Junij Ao 17 — Van Maccasser Den 14 Junij 1738 meer waeren om gem: sendeling naar batavia te kunnen senden hebbe egter deselve dog in de wiaand souwal na derwaarts gedepecheert. wijders maake ik uE bekend dat ik ook een brief van nene Manko boemie van groot sumbauwa ontfangen hebbe meldende wegens het vaartuijg die door ub is geordonneert om deselve aan mijn te moeten overbrengen en tot mijn leedweesen uit voorsz: brief te hebbe moeten ontwaaren dat die vaartuijg door swaare afwatering in de rivier ten eenemaal is vergaan dis mijne soon op niemand anders omij„ „ne vertrouwendheid gevestigd dan alleen op uE: te meer om dat den gouverneur generaal mij heeft gerecommandeert om met geen andere Europeesche natie kennis te maaken dan eenlijk met den gouverneur generaal, voorts versoeke seer vriendelijk om 40. stux kanawa tot laahout voor donderbussen als meede so veele silvere ropijen tot beslag van dien Ter waarde van twee laaste rijst of padij dan wel kopere Pitjes die uE de goedheijd sal gelieve te hebben nevens deversogte Lahouten mij toe te senden /onderstond:/ Accordeert /was geteekend:/ J:k P: voll geswo Clerdiq„ De maake bij deesen onder de voltsoolen van den hier gouver„ „neur bekent de naere en droevigen staat waar in ik thans op 't land van Sambora sig bevind wishalven op neemand anders mijne vertrouwendheijd stelde als alleenlijk op den heer gouverneur op hoope dat deselve over mijn armoedigen staat sal ontfea„ „men alsoo ik geen andere vrunden of maagden hebbe Na Ordinaire Complimenten Translaat Maleijdsche Brieff Geschreeven door den ouden Koningim Aan Den Wel Edelen Agtbaaren Heer gouvern:r Paulus Jodofredus van der voort luijdende als volgt Translaat dan
English
From Maccasser the 14th of June Anno 173 From Maccasser the 14th of June 173 than the only son who is currently on the Company's behalf under the protection of the Governor at Macasser, so my wish is nothing other than that by the Company's favor he may be permitted to see my son once and to pardon the same, written in the Land of Tambora on the 14th of the Month of Radjab on Friday in the Year 1182. Underneath stood: Agreed. Was signed: F. I. Voll, sworn Clerk Translation Furthermore, this serves earnestly to make known to my father the Governor and the Council that we have received his letter, as well as the recognition money that we still enjoy annually through the Honorable Company's goodness, and also 2 pieces of white linen with the customary ceremonial out of the hands of the mantri Litaijoe and the sergeant, together with a corporal and 8 ordinary soldiers, and have understood the contents thereof, our transgressions and mistakes being clearly made known to us therein by the Governor, about which we were compelled to gather together, having been, upon the re-reading of that letter, After Ordinary Compliments Translation of a Malay letter written by the Sultan of Bouton Kaijmoedien, together with Padoeka Magha Radja Sapatie and Captain Laut, as well as the other dignitaries of the realm and regents of all the subordinate villages, to my father the Honorable Company, together with my Lord the Governor and his Council, whose power and goodness are widely extended and established. From Maccasser: the 14th of June 173 From Maccasser the 14th of June 173 so stricken in our hearts that we were completely convinced of having violated the contracts somewhat, and that through the doing of the country's people of Bouton, so that we had long since deserved the punishment of the Honorable Company, were it not that its usual goodness and compassion with its inferiors had also taken place toward us, by continuing to admonish and remind us for our own good regarding the observance of the contracts. Thus, we all together knowing no excuse to offer, only request pardon from the Governor and Council for the committed mistakes, as we know to take our refuge and protection nowhere else than only with the Honorable Company, in which we have placed our trust, so that we hope that the same will pardon us, overlook our simplicity, and cover our shame, under the promise henceforth to vouch that not the least mistake shall be committed anymore, and always keeping in mind the admonitions of the Governor and Council. Regarding the passage in the aforementioned letter whereby it is imposed upon us to search for and hand over again the plundered goods from the lost chaloup, which had already been plundered by evil and disobedient people of Bouton, the King and dignitaries of the realm declare themselves burdened in that regard, because those goods had already long since been swallowed up by the evil people. However, we maintain no other means to exist for the restitution of the same than only, whether by ruse or by force of arms, to constrain these plundering peoples thereto, and to this end we hope by the Honorable Company's blessings to succeed, so that the land of Bouton might be made fortunate in the execution of this matter. However, we find ourselves as yet unable to undertake this enterprise, because the subjects find themselves too weak for it and cannot bear two or three burdens at the same time, while at present we think of nothing else than our outstanding debts. Wherefore the King and dignitaries of the realm found themselves compelled to take pity on their subjects and for the present to excuse them from this, out of fear that they would have reason to disperse far and wide, while the King would then be stripped of subjects, we not doubting in the least that the Honorable Company, which after all arranges everything for the best and uses consideration regarding its inferiors, will approve our considerate actions in this matter. From Maccasser the 14th of June Anno 173 From Maccasser the 14th of June 173 Subsequently, the King and dignitaries of the realm request of the Governor and Council please not to suspect the King and dignitaries of the realm of conspiring with evil people who have already sinned against the Company, for we can never praise such actions, the more so as we enjoy the Company's goodness daily, which would also be very ungrateful of us; notwithstanding that we admit to being at fault regarding the lost chaloup, because we did not immediately send our assistance. On that account we cannot blame the Honorable Company for coming to claim the plundered goods from us, and it will serve us as a lesson for the future. Furthermore, the King and dignitaries of the realm have thought fit to send the grandson of Sultan Zakioedien, named Tomagga, accompanied by Mantrie Siampoe, as well as 4 pangalassang and 2 tosken with their subjects in 3 vessels, to appear before the Governor and Council, to whom we have also delivered into custody 71 slaves, so that with the previous ones they make up 100 pieces, and 100 pieces still remain due; further serving to communicate that the extirpation has been properly completed according to annual custom, and the sergeant returns with the envoys. The King and dignitaries of the realm also report that we sent a mantri as an envoy to Batavia on the 7th of the month of Rajap, to give notice regarding the delivery of the slaves. Lastly, we request in advance forgiveness for our envoys, should the same sin in anything through their simplicity. Underneath stood: Written in the Land of Boutong, the second day of the month of Sabang, on Wednesday in the Year 1186. Lower: Agreed. Was signed: J. J. Voll, sworn Clerk.
Dutch transcription
289. Van Maccasr den 14 Iunij Ao 173 Van Maccasser Den 4 unij 173 dan de Eenigste soon die teegenwoordig sComp: wegen onder beschi„ ming van din heergouverneur op Macasser is dus is mijn wensch niets anders dan dat door sComp gunste hem mag geper„ mitteerd worden om mijne soon eens te mogen sien en deselve te pardonneeren, geschreeven op t Land Tambora den 14. van de Maand Radjab op vrijdag in 't Jaar 1182: /onderstont s Accordeerd /: was geteekend:/ F: I. Voll, getw: Clercq Translaat Wijden dien des Epnslijk om mijnen vader den heer gouverneur en den raad bekendte maken dat wijhoogst desselfs brief beneevens de re„ cognitie penn: die wij door sE Comp: goetheijd Jaarlijks nog sijn genietende en nog 2: stucken wit linnen met de gewoonelijke Ceremoniele uijt handel van den mantri litaijoe en den sergeant benevens Een corperaal en 8: gemeene militairen hebben ontfangen en den inhoud van dien verstaan wordend ons door den hergouvernur onde overbreeding en misslagen klaarlijk daar bij te kenne gegeven waar over wij genoodsaakt ware bij elkanderen teversamelen sijnde wij bij herleesinge van dien brief Na Ordinaire Complimenten Transladt Maleijdsche rief geschreeven door den sulthan van Houten Kaijmoedien bene„ „vens Padoeka magha Radja Sapatie en capitain lauwt Mitsgaders de verdere Rijks grooten en Regenten van all de onderhoorige dorpen aan mijnen vader de Edele Comp benevens mijnen Hteen den Heer ouverneur en zijnen Raad welkers magt en goedheijd wijd uijtgebreijd en bevestigt is sodanig 1 Van Maccasser: Den 14:' Junij 173 — Van Maccasser Den 14 Iunij 173 291 sodanig in onse gemoederen getroffe dat wij als ten eenemaal overtuijgt wierden de contracten eenigsints te hebben overtreeden en sulx door toedoen vande lands volkeren van bouton also bij overlang de straffe van de Edele comp: hadden verdiend ware het niet dat desselfs gewoonelijk goedheijd en medelijden met sijn minderen ook te onswaards hadde plaats gehad net ons bij continuatie nog ten goeden te vermanen en te hernineeren omtrend het nakomen der contracten dus wij gesamentl: geen ver„ ontschuldiging wetende in te brengen eenelijk van den heer gouver„ „neur en raad in de begaane mislagen pardon versoeke also wij ner„ „gens onse toevlugten bescherminge weeten te neemen als eenelijk bij d E Comp: op welke wij ons vertrouwen hebben gesteld sodanig dat wij hoopen dat deselve ons sal pardonneeren onse onnoselheid over 't hoofd sien en onse schanden deeken onder belofte na deesen borg te sullen dragen van geen de minste mislagen meer te begaan en altoos in gedagten houdende vermaningen van den heer gou„ verneur en raad omtrend de periode in gem: brief waar bij ons word opgelegt om de geroofde goederen van de geblevene Chialoup die bereets door quade en ongehoorsaame volkeren van bouton was geplun„ „deert meder te moeten soeken en overgeven so betuijgd den koningen rijfksgrooten sig daar omtrend beswaard te vinden wijl die gorederen reets lange door de quaade volkeren waren ingeslokt egter sustineeren wij geen ander middel hier op te sijn restitutie van deselve dan eenlijk 't zij door list of door magt van wapenen dese roof volkeren daar toe te constringeeren en hier toe verhoope wij door E: sComp: zegeningen te sullen geraken op dat 't land van bouton geluckig mogt gemagt worden ter uitvoeringe van deese saag egter bevinden wij ons als nog in capabll om deese on„ derneeminge te doen also de onderdaanen daar toe te siwack sig bevinden en geen twee â drie lastposten te gelijk kunnen dragen wijl wij tegenwoordig niets anders denken dan om onse agter stallige schulden. weshalven den koning en rijksgrooten sig genoodsaakt von„ den om hun over desselfs onderdaanen te ontfermen en hun lie„ den voor als nog daar van te Excuseeren uijt vreese dat sij reeden hebben om sig wijden zijd te versprijden terwijl den ko„ ning als dan van onderdaanen ontbloot soude weesen twijffelende wij geensints off de Edele Comp: die dog alles ten beste schikt en consideratie gebruijkt wat sijn minderen sal indeesen onse Consideratie behandelingen approbeeren koning vervolgens 143 Van Maccasser Dden 14 Iunij A„o 173 — van Maccasser Den 14 unij 173. Vervolgens versoekt den koning en rijksgrooten aan den heer gouverneur en raad om den koning en rijksgrooten dog niet te wille verdenken datse met quaade volkeren te samen spannen die bereels tegen de Comp: gesondigt hebben want wij sulke gedoentens mooit prijsen kunnen te meer wij dagelijks sComp: goedheijd sijn genietende 't welk ook van ons seer ondankbaar soude zijn niet tegenstaande wij bekennen schuld te hebben wegens de gebleevene Chialoup vermits niet ten eersten onsen assistentie hebbe toegesonden uit dien hoofde kunnen wij de Ed: Comp: geen ongelijk geven dat deselve de geroofde goederen van ons komen te pretendeeren en 't sal ons voor het toekomende tot een leerstrecken, voorts heeft den koning en rijksgrooten goedgevonden de kleijn soon van de sulthaen Zakioedien genaamt tomagga verseld met mantrie Siampoe benevens 4: pangalassang en 2. tos„ „ken met desselfs onderdaanen in 3. vaartuijgen af tesenden om voor den heer gouverneur en raed te verscheijnen aan welke wij teffens ter bestellinge hebbe meede gegeeven 71. stux slaaven so dat met de voorige 100 stux uitmaaken en nog schuldig blijven 100 stux dienende wijders ter Communicatie dat de Extirpatie volgens Aan Iaarlyks usantie behoorlijk is volbragt en keert den sergeant met de„ afgesanten weder te rug ook meld den koning en rijksgrooten nog dat wij een mantrie als afgesant den 7. van de maand Rajap naar Batavia hebbe afgesonden ter bekend makinge wegens de leverantie van de slaaven Laastelijk versoeke wij voor af vergiffenisse voor onse afgesanten wanneer den selven door hunne onnoselheijd iets mogte peceeren /:onderstond:/ Geschreeven op 't Land van van Boutong Den Tweeden dag van de Maand Sabang op woensdag in 't Jaar 1186 /:lager:/ Accordeert /: was getekend:/ J:n J: Voll: gesw: elercq: Jaarlijks 9
English
From Maccasser the 14th of June 1773 From Macasser the 14th of June in the year 1773 To the King of Bouton and his dignitaries of the realm The usual preamble. Besides the letter from your highness and the dignitaries of the realm dated the 23rd of the month of Jumada al-Akhir 1186, which safely reached us with the return of our cruisers on the 9th of October last and was found to be of the same contents as your earlier letter of the 10th of the month of Rabi al-Akhir brought here by an express messenger on the 24th of July, which, having been answered on the 8th of August, required no further reply, we have on the 16th of November last, with the arrival of the embassy headed by the grandson of Sultan Sakie aedin named Tomaga, safely received your highness and the dignitaries of the realm's further letter dated the 2nd of the month of Shaban of the aforementioned year 1186. Replying thereto now on the occasion of that embassy's return home, we cannot omit to note in the first place that, although its principal content would give us some reason to hope that the court of Bouton, in accordance with the protestations made therein, having finally lent an ear to our frequently repeated admonitions and warnings, had come to repent and had firmly resolved to comply strictly henceforth with its general obligation to, and especially with the so solemnly sworn contracts entered into with the Honourable Company, we nevertheless find not the least evidence that your highness and the dignitaries of the realm are truly concerned to observe that to which the aforementioned contracts bind the realm of Bouton, namely the prevention of all smuggling and a faithful pointing out of the spice trees found therein, along with the furthering of their extirpation through the necessary assistance yearly sent from here. Indeed, that the smuggling by all sorts of nations even increases more and more is as undeniable as the excuses your highness and the dignitaries of the realm bring forward for justification each time some of their vessels are caught are frivolous and unfounded. And as far as the extirpation is concerned, it is so far from the case that the latest commission was or could have been properly carried out, as your highness and the dignitaries of the realm say, that on the contrary our commissioner was no less thwarted and misled than before. From Maccasser the 14th of June 1773. From Maccasser the 14th of June 1773— 747. He was also, under the most unacceptable pretexts and among others ostensibly out of concern so as not to expose him to misfortune, prevented, notwithstanding that there was not the least danger to fear unless one intended openly to breach good faith and practice treason, which cannot be expected of an ally who owes his entire well-being solely to the Company. We deem it once again unnecessary to name specifically all the suspicious places from which, as before, our said commissioner was kept away, or rather where the interpreters provided to him refused to take him. Limiting ourselves only to the known smuggling nest Calesoesoe, we shall merely note that if the pretext of the defection and rebellion of those peoples against the realm for some years past had been consistent with the truth and were still existing at present, they would undoubtedly not have contributed their share to the delivery of the slaves due to the Honourable Company, as we are reliably informed that among those recently received several were found delivered by them. Against this it cannot be argued that they have submitted again, since then the commission ought to have proceeded thither at once. A third point that can be reconciled neither with the general obligation of an ally nor with the special relation of your highness and the dignitaries of the realm to the Company is the detention of goods from some wrecked ships or vessels of the Company or of its subjects. Nothing is more preposterous than the contention brought forward as if the realm of Bouton should have a right thereto, the more so as Article 13 of the latest contract clearly dictates and promises to show all ships and vessels the necessary assistance and help, which surely ought to take place above all in the event of their shipwreck. With what right then, we may ask, can your highness and the dignitaries of the realm refuse the return of a large lot of cannon salvaged from the Company's ships stranded in the vicinity of Bouton, of which we have been informed that 17 are found at Bone bone, [illegible] at Wanio, and 7 with their carriages at Caijdoepa, and of a boat that recently came drifting there and was hauled onto the beach? Of the slaves sent hither by your highness and the dignitaries of the realm in reduction of the debt of 171 heads, to the number of 71, only 70 could be accepted, and thus [illegible] was returned
Dutch transcription
24 Van Maccasser Den 14 Iunij 173 van Macaser: Den 14 Iunij A„o 173 Aan den koning van Bouton en zijne Rijksgrooten Dewoone Voorreeden. Behalven den brief van uw hoogheijten rijfks grooten van den 23 der maand sumadil Ahier 186. die ons met het retour onser kruijs„ seas op den 9 october passato wel gewonden en van een gelijke inhond bevonden wesende als derselver vroegere van den 10:' der maand Rabil Schir alhier den 24 Julij met een expres zendeling aangebragt in den 8 Aug:s daar aan b'antwoord geen verdere rescriptie vereijscht hebben wij op den 16. November laast verweeken met het arrivement van het gesantschap aan het hoofd hebbende de kleen zoon van sulthan Sakie aedin in naame Tomaga wel ontfangen uw hoogheits en rijfis grooten nader schrijven van den 2. der maand sabang de voorm: Jaart 1186 waar op wij thans ter geleegentheijd dat die Ambassade maar huijs keerd antwoordende so kunnen wij niet voor bij in d' eerste plaats aan temerken dat alhoewel dies voornaamste inhoud ons eenigsints grond van reden soude geeven om te hoopen dat het hof van bouton over eenkomstig De betuijgingen daar bij gedaan eijndelijk en het vrgeleend hebbende aan ons to menig wer f herhaelde vermaeningen en waarschuwingen tot berouwen in hier geko„ mien het vas te voorneemen hadde opgevat om voortaan sliptelijk te voldoen aan haare algemeene verpligting tot en insonderheijd aan de soheijlig beswoore contracten met d'Edele Compagnie aangegaan wij nogthans geen de minste blijken ontmoeten dat het uw hoogheijt en rijkis grooten waarlijk omst sij dat geene na te komen waar toe de voorschreeven contracten het bontonseijse verbinden de wering ma„ „mentlijk van allen sluijkhandel en een getrouwe aanwijsing van de specerij boomen die in het selve gevonden worden nevens de bevorde„ „ring van dies uitrweijing door de nodige assistentie te Jaarlijks van hier gesonden wordende immers dat den sluijkhandel van al„ „lerlij soort van natien zelfs meer en meer toeneemt is so onwedersprekelijk als de excusen die nu hoogheijt en rijksgrooeten tot verschooning bij brengen telken reijse dat er eenige van haere vaertuijgen worden g'attrapeerd frivool en ongegrond sijn en wat d'ex tirpatie betreft is het er so verre van dan dat de jongste Commis„ „sie behoorlijk soude sijn of hebben kunnen worden volbragt /: so als uw hoogheijt en rijksgrooten zeggen:/ dat men den Commissiant in tegendeel niet minder dan bevoorens gedwaars boont en misleijd bij heeft ƒ: Van Maccasser Den 14 Anij 173. Van Maccasser Den 14:' Iunij 173— 747. heeft almeede, onder de onaannemelijkste uijtvlugten en onder anderen quasicop paetijt om hem niet aan ongelucken te willen exponeeren miet tegenstaande en het minste gevaar te vreesen was of men moeste de goede trouw opentlijk willen schenden en verraed oeffenen dat van een bondgenoot die sijn geheel wel weesen aan de Comp: alleen verschul„ digt is mit kan worden verwagt wij agten alweder omodig special op te noemen alle de suspecte plaatsen van waar omen gem: onse commissiant even als bevoorens geweerd heeft of liever daar de tolken welke hem meede gegeeven zijn hem niet hebben willen brengen ons alleen bepaelende tot het bekende sluijk mest Calesoesoe sullen wij maar noteeren dat ingeval het voorgeeven van den afvaal en opstand dier volkeren tegen het Rijk nm zedert eenige Jaaren met de waarheijd over een komstig geweest en thans nog subsitteerde waere bij ongetwijffeld hun aandeel miet souden hebben opgebragt tot de leverancie van de verschuldigde slaeven aan d'E Comp: so als wij in't seekere onderrigt sijn dat onder de Jongst ontvangene ver„ scheijde gevonden worden door haar geleeverd waar tegen niet kan worden ingebragt dat deselve sig weden hebben gesubmit„ teerd aangesien als dan de Commissie derwaarts ten eersten hadde behooren voort te gaan. Een derde poinct dat nog met de algemeene verpligting van een bondgenoot nog met de besondere betrecking van uw hoogheijten rijksgrooten tot de comp: kan over een gebragt warden is de aan„ „houding van goederen uit eenige verongelukte scheepen of vaartuijgen van de Comp: dan wel deselver onderhoorige en niets ongereijnder dan de sustenue die er word bij gebragt als of het rijk van bouton daar toe soude regt hebben te meer het Jongste contract articul 13 wel duijdelijk diteert en belooft om alle scheepen en vaartuijgen de noodige assistentie en hulpe te bewijsen 't geen immers voor al bij het verongelucken van deselve behoord plaats te hebben met wat regt dan mogen mij vragen kinnen uw hoogheid en rijksgprooten de te rug gave weijgeren van een groot parthij Canon uit s Comp scheepen om„ streeks bouton gestrant opgevist waar van men ons bericht heeft dat en 17 op bone bone k op wanio en 7. met hunne rampaarden op Caij„ doepa gevonden worden en van een boot welke daar jongst komen aandrijven en opstrand gehaelt is van de slaeven door uw hooijheijd en rijks grooten in mindering der schuld van 171 koppen ten getalle van 71. herwaarts gesonden heeft men maar To kunnen accpteren en dus is te rug gegeeven
English
From Maccasser, 14 June 1773. From Maccasser, 14 June 1773 given which were entirely unserviceable, while we could have rejected several more of the others if we had not wished to show special consideration. And although we did offer last year to accept the slaves here, it nevertheless goes without saying that since this was done solely to accommodate Your Highness and the grandees of the realm regarding the greater expenses incurred when express vessels must be fitted out for their transport to Batavia, this ought not to have been demanded of us this time, as Your Highness and the grandees of the realm have dispatched an embassy thither, with which they could conveniently have been sent. Not to mention that the shipment hither ought to have taken place so early that we could have forwarded them immediately without being forced to maintain them here for eight months, whereby the Company derives no service from them and only incurs expenses, in addition to the loss through mortality, as three have already died. All this we have deemed necessary to place before Your Highness and the grandees of the realm as evidence of the great discrepancy between your words and deeds. If Your Highness and the grandees of the realm wish to show henceforth that your declarations proceed from a sincere and pure heart, we need not elaborate further, but shall reasonably expect a better result from the upcoming commission for the extirpation of spice trees, for which Sergeant Steijnbach has again been appointed, who carries with him the customary recognition money to the amount of 150 Spanish reals, as well as a complete delivery of the remaining slaves, or at least the greatest part thereof this year and the remainder in the coming year, either directly to the main settlement or here, and in the latter case so early that we can forward them immediately; furthermore, the prevention of smuggling, and finally the surrender of everything that may still be recovered from the cargo and equipment of the wrecked sloop De Nooteboom, together with the aforementioned cannons from various wrecked ships, as well as the boat that washed ashore there; all of which goods we expressly claim hereby. And in conclusion, we once again admonish Your Highness and the grandees of the realm to keep in view and promote the common welfare of the land of Bouton, as well as the value of the Company's friendship above private interests, as we wish for you. Below stood: Written at Maccasser in Castle Rotterdam, 13 March Anno 1773. Was signed: P. G. van der Voort. Lower: Agrees. Was signed: J. F. Voll, sworn clerk. In reply to your letter of the 11th of this month, it serves to inform you that I am commissioning you and the chief interpreter Brugman with the investigation and settlement of the disputes between the Company's subjects and the Bonians and Macassars in Maros and the other provinces, as the Somilalang and Galarang of Bontualacq have been delegated thereto on behalf of the King of Boni, who have moreover received such full power that all further appeal to His Highness can and must be rejected in order to keep no matters pending. However, should anything of such importance arise that you might be somewhat at a loss, I shall expect a report thereof, of which you must nevertheless reveal nothing to others, as they might cause delays under the pretext of needing to confer; although I otherwise recommend to you, alongside the observance of all impartiality and justice, the requisite speed so that agriculture may not be hindered thereby. Honorable, Pious, Discreet [Sir], To the Junior Merchant Matthijs van Rossum, Resident there. From Maccasser, 14 June 1773. and that no hindrance be caused thereby. The beams recently received for the sea jetty having again been found so poor that no use can be made of them for that work, as they are only 5 and 6 inches thick whereas they ought to be at least 13 to 14 inches thick, you shall make known to the contractor my serious displeasure thereat, and, pointing out that I let it pass this time merely out of grace, warn him to supply in future no timber other than of the required thickness and length, under penalty of being punished according to merit, whether by the imposition of fines or other punishment. Furthermore, this serves as an escort for the aforementioned chief interpreter, while after greetings I remain, Below stood: Your good friend, Was signed: P. G. van der Voort. In the margin: Macasser, 24 October 1772. Below stood: Agrees. Was signed: Pt. J. Voll, sworn clerk. Since reports indicate that the long-exiled Macassar prince Craeng Satene, who together with his son Mappa has since stayed on Sumbawa, has for some time now begun to commit acts of piracy and has already taken a vessel belonging to our inhabitants off the coast of Saleyer, I have deemed it necessary to give you notice thereof, with orders not only to keep a watchful eye on that pirate so as to inform me of his actions, but also to resist him as much as possible, and if feasible to manage matters in such a way that he is surrendered by the Sumbawanese or apprehend him yourself in a prudent manner and keep him in secure custody until further orders, provided no difficulties are made therein by you, whether on account of Valiant, Pious [Sir], From Macasser, 4 June 1773. To Ensign Alexander Lecerf, Commandant there.
Dutch transcription
Van Maccasser Den 14:' Junij 173. — Van Maccasser Den 14 Junij 173 gegeeven diese wel geheel onlevenbaar waeren als wij er van d' andere nog verscheijden souden hebben kunnen uitschieten als wij geen bijsondere consideratie hadden willen gebruijken en schoon wij in het voorleeden jaar wel aangebooden hebben de slaeven hier 't accepteeren spreekt het nogthans van deselve dat sulks alleen geschied zijnde om uw hoogheijts en rijksgrooten te gemoet tekomen in de grootere kosten die er oploopen wanneer tot dies over„ breng na batavia expresse vaartuijgen moeten worden aan„ gelegt ons het selve ditmaal niet hadde behooren teworden geverg wijl uw hoogheijd en rijksgrooten een gesantschap na derwaarts hebben afgevaardigt waar meede '2 gevoeg „lijk soude hebben kunnen worden versonden ongereekend dat de Zending na herwaarts se vroegtijdig hadde dienen te geschieden dat wij z ten eersten hadden kunnen voortschicken sonder genoodsaakt te zijn z hier agt maanden aan te houden waar door de Comp: er geen dienst en alleen onkosten van heeft buiten het verlies door sterfte gelijk er reets arie overleeden zijn Dit alles hebben wij nodig g'acht uw hoogheijts en rijks grooten voor te houden ten blijke van het groot onderscheijd tusschen haare woorden en daaden willen uw hoogheijt en Rijksgrooten nu voor t vervolg betoonen dat haare betuijgingen uit een opregten zuijver herte voortkomen dan behoeven wij ons niet breeder uit te laten maar sullen met grond verwagten een beeter effect van d' aanstaande Commissie tot destiripatie van specerij boomen waar toe den sergeant steijnbach weder benoemd is die de gewoone recognitie penningen ten bedrage van 150 Spaanse reaalen meede neemt gelijk ook so net eene com„ „pleete voldoening van het restant slaeven ten minste van dies grootste gedeelte in dit en de resteerende in 't aanstaande Jaar 't zij direct ter hoofdplaats of hier en in 't laatste geval so vroegtijdig dat wij z ten eersten kunnen versen„ „den voorts de weering van den sluijkhandel en eijndelijk d'overgave van alle het geene er uit de lading en Equipagie van de verongelukte Chialoup de Nooteboom nog te agter haelen sal sijn neevens de hier voors Genoemde canons van diverse verongelukte scheepen mitsg„s de boot die aldaar is koomen aan drijven alle welke goederen wij bij deesen expresselijk reclameeren en ten besluijte uw hoog heit en Rijksgrooten nogmaals vermaenen om het woorden gemeen d:o Van Maccasser den 14:' Junij 173 — gemeen wel sijn van het land van Bouton Mitsgaders de waarde van 's Comp: vriendschap boven bijsondere belangen in het oog te houden en te bevorderen so als wij haar toewenschen /:onderstond:/ Geschreeven te Maccasser in 't Casteel Rotterdam Den 13. Maart Anno 1773. /was geteekend:/ P: G: van der voort /:lager:/ Accordeert /:was geteekend:/ J: F:s voll getw: Clercq: Op dub schriven van den 11 hujus dient dat ik aan ub en den oppertolk brugman sowel ben opdragende het ondersoek en d'afdoening der ge„ schillen tusschen Ccomp: onderdaanen en de bomiens en maccassaaren op maros en de verdere provintien als daar toe van wegen den ko„ „ming van bonij sijn gecommitteert den Somilalang en glarrang van bontualacq welke daar en boven sodanigen volle magt ontfangen hebben dat alle verder beroep aan sijn hoogheijt sal kunnen en moeten worden gerejecteert om geene zaken sle„ „pende te houden sullende ik egter wanneer er iets van zodanige aanbelang mogte voorkomen dat uE en eenigsints over verlegen mag„ te sijn daar van bericht verwagten waar van uE egter niets aan anderen moet laten blijken als kunnende het selve op pretext„ van sig te moeten bekenden wat dilaijeren worden gehouden schoon ik uw E' andersits nevens de observantie van alle een ijdigheit en regtvaar„ digheijt de vereijschte spoed recommandeerde ten eijnde den landbouw Eersame vroome Discreete Aan den onderkoopman Matthijs van Rossum Resident aldaar Van Maccasser Den 14:' Iunij 173 — Aan er F5 301 B 303 Van Macasser den 14 Junij 173 — en geen hinder door worde toegebragt, De balken jongst voor het zee hoofd ontvangen weder so sligt bevonden sijnde dat er tot dat werk geen gebruijk van kan worden gemaakt als 2 maar 5: en 6. duijmen houden daar 'z ten minsten 13 a 14 duijmen behooren dik te sijn to sal uE de Leve„ rancier daar over mijn wenstig misnwoegen te kennen geeven en onder voorhouding dat ik sulks ditmaal nog bij gratie passere waar„ schuwen moeten om voortaan geen ander hout dan van de ver„ eijschte dikte en lengte sub peene van naar omerite te worden gecorrigeerd het sij door d'oplegging van boetons of ander Straffe, wijdens dient deese ten geleij van voorn: oppertolk terwijl ik na groete blijve /onderstond:/ uE: goede vriend /:was getekend:/ P: G: van der voort /in margine:/ Macasser den 24. october 1772 /onderstond:/ Accordeert /was geteekent:/ Pt. J. voll: gesw: Clrveyq Dewijl de berigten willen dat den voorlange uijtgewekene ma„ cassaaren Prins craceng Satene die zig nevens sijn soon Mappa zedertop Sumbauwa heeft onthouden nu eenigen tijd geliven zel rovereijen soude hebben beginnen te plegen en reets en vaartuig onser ingesetenen onder de kust van Salemparang genomen so hebbe ik nodig g'acht uE: daar van kennisse te geven met last om op dien rover niet alleen een wakend oog te houden om mij van sijn bedrijven kennisse te geeven maar ook om denselven soveel doenlijk te keer te gaan en het des mogelijk daar heen te deri„ geeren dat hij door de sumbauwaneesen overgeleeverd dan wel door uE selvs op een voorsigtige wijse opgeligt mitsgaders in goe„ de verseekering gehouden worde tot nadere ordre so daar in door uE geene swarigheijd word gemaakt het sij om Manhafte Vroome Van Macasser den 4 Juij 173 — Aan Den Venetrig Alexander Lecerf Commandant Aldaar Aan zijn
English
From Macassar, 14 June 1773 his large following or for other reasons, which I shall then await as soon as possible with all that may further be reported concerning it, as well as the outcome of the negotiation with the Sumbawarese and the King of Salemparang according to your instructions, while in the meantime, after greetings, I remain, below stood, your good friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Macassar in Castle Rotterdam, 9 November A.D. 1772, below stood, Agrees, was signed, I.k I.n Toll, sworn clerk. In response to your letter of yesterday, it serves to state that chief interpreter Brugman has been requested to compel, by means of the Tomilalang, Guru Talla to pay his 60 gantangs of rice; that the share of Cave Mandjarckie will be provided by the Shahbandar; and that the Queen of Tanette will give orders that the 32 gantangs of Datu Soppeng on Limpanpang and the 110 ditto of Toappa on Kiekiang be paid either in rice or money. So that if they Honorable, Pious. To the Adjutant Jan Fredrik Taal From Macassar, 14 June 1773. To 6 55 55 304 From Macassar, 14 June 1733 57. 305 will not give rice, you may accept money for it; furthermore, I await the return of the sloop as soon as possible, as the boat has been sent to Segeri to collect the remainder. In the meantime I remain, below stood, your friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Macassar in Castle Rotterdam, 23 November A.D. 1772, below stood, Agrees, was signed, J.b J.n Toll, sworn clerk. The Queen of Tanette having troubled me again to make a ruling on her claim concerning various peoples counted among the Company's dependencies, and further to my proposal to send commissioners on her behalf to Maros in order to investigate that matter with you, she is now sending her Captain Daeng Maschie thither with her claim in writing, from which it seems must be gathered that it is not entirely contrived but does have some basis; nevertheless, it would be of far too great consequence to decide in her favor, both because of the discontent that would arise among the subjects and because it would give grounds to bring up all other matters of that nature, however much these, due to the long lapse of time, must be considered settled, as is also the case with Honorable, Pious From Macassar, 14 June 1773. To the Bookkeeper Gerrit Brugman To From Macassar, 14 June 1773 From Macassar, 14 June 1773 the matter in question. You will therefore need to use all possible circumspection so as not to concede too much, 1949 but rather direct matters in such a way that I do not find myself compelled to grant Her Highness's desire in this matter, by bringing forward everything that can be submitted against it from our side, as the proposal itself will naturally indicate, in which expectation, after greetings, I remain, below stood, your friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Macassar in Castle Rotterdam, 25 November 1772, below stood, Agrees, was signed, F. J. Toll, sworn clerk. Regarding the points left unanswered from your letters of 17 November and 2 December last, I note herein for your information that the provisional regents of Langelange and Wero, by name Daeng Manoejeang and Lalla, have been confirmed in their mentioned posts and, having properly delivered their owed tribute just as the other regents did, have returned home again. However much the marriage of the daughter of Karaeng Tiro to the notorious Latila surprised me, understanding as you do the pernicious consequences of such intermingling of the Company's subjects with the Bonians, I nevertheless judged it necessary this time to take the lowest road and excused the conduct of that regent, both because of the sincere declarations of his Honorable, Pious, Discreet To the Junior Merchants Nicolaas Dionisus Moll, outgoing, and Simon Monsieur, incoming Residents 59 306 To ignorance
Dutch transcription
Van Macase den 14 Junij 173 zijn grooten aanhang of om andere redenen die ik dan met alle het geene daar omtrend verder te berigten valt ten spoe„ digsten sal verwagten en somede den uitslag van de onder„ handeling met de sumbauwareesen en den koning van salemparang na luijd van uE instructie terwijl inmid„ dens na groete blijve /:onderstond:/ uE: goede vriend /:was geteekend:/ P: G: van der voort /:inmargine:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 9 novem„ ber A:o 1772. /:onderstond:/ Accordeert /: was„ geteekend:/ I„k I:n voll getimn Clercq. Op uE: schrijvens van gisteren dient dat aan den opper„ tolk Brugman gedemandeerd is door middel van den Tomilalang goeroe Talla te constringeeren tot voldoe„ „ning van sijn 60 gantings ryst dat het aandeel van cave Mandjarckie door den heer Sabandhaar sal besorgd worden en door de koninginne van Tanette ordre sal worden gesteld dat de 32 gantings van Datoe Soping op Limpanpang en de 110. ditos van Toappa op kiekiang t sij in rijst of geld vol„ „daan worden. invoegen uE daar voor als z Eerzame Vrome. Aan den Euigant Jan Fredrik Taal Van Maccasser den 14: Junij 173. — Aan 6 55 55 304 Van Maccasser den 14 Junij 1733 57. 305 geen rijst willen geven geld kan accepteeren verwagtende ik voorts de sloep ten eersten te rug also de boot na sagerie gesonden is om het resteerende af te haelen; Ik blijve intusschen /:onderstond:/ uE vriend /:was geteekend:/ P: G: van der Voort /:in margine:/ Maccasser In't Casteel Rotterdam Den 23 november Ao 1772. /:onderstond:/ . Accordeert /:was geteekend:/ J=b J:n Toll gesw: Clercq De koninginne van Samette mij weder lastig gevallen sijnde om uitspraak te doen over haere pretensie omtrend diverse onder sComp: onderhoorige gereekend wordende volkeren en voorts op mijn propositie om gecommitteerden haerent wegen na Maros tesenden ten eijnde die saak metusl: t ondersoeken thaens haeren capi„ tai danig Maschie derwaarts zendende met haere pretensie in geschrifte uijt 't welke schijnt te moeten worden opgemaakt dat deselve niet geheel gesogt is maar wel eenige grond heeft soude het nogthans van al te veel consequentie soude sijn om z in haar voordeel te beslissen so ter saeke van het ongenoegen dat er onder d'onderdaanen soude ontstaan als dat het voet soude geeven met alle ander zaaken van dien aard op te komen hoe seer deselve door het langduurig tijds verloop moeten gehouden worden voor af gedaan soo als het ook met Eerzame Vroome Van Maccasser den 14 Iunij 1773. Aan Den Boekhouder Gerrit Brugman Aan ƒ Van Maccasser den 14. Junij 173 Van Maccassa Den 14 Junij 1773 „desaak in quest gelegen is uE sal dierhalven alle mogelijk om„ sigtigheijd dienen te gebruyken om niet te veel toe te geeven 1949 maar het daar heenen moeten dirigeeren dat ik mij niet in die verpligting gebragt vinde haar hoogheijts begeerte in deesen in te willigen door alles bij te brengen wat tegens deselve van onse zijde kan worden ingebragt en den voor„ dragt wel van selve sal komen aan te wijsen in welke verwagting ik na groete blijve /:onderstond:/ uE vrind /:was geteekend:/ P: G: van der voort /:in margine:/ Maccasser In 't Casteel Rotterdam Den 25: Novem„ „ber 1772. /onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ F J: voll gesw: Clercq Betreffende de nog onbrandword gebleevene poincten op uE brieven van den 17. november en 2. december passato noteere ik in deesen tot ul narigt dat de provisioneele Regenten van Lange Lange en wero in name Daeing Manoejeang en Lalla i gen melde hunne posten bevestigt en ook so wel als de verdere Regen„ len na hun verschuldigt tribut behoorlijk geleeverd te hebben weder ona huijs gekeerd zijn Hoeser mij het huwelijk van de dogter van craing Tiro met den befaamden latila heeft gesurpreneerd als met uE de pernitieuse gevolgen van diergelijke vermengingen van sComp: onderdaenen met de bomiers begrijpende hebbe ik egter ditmaal geordeelt den Lagsten weg temoeten kiesen en het gedrag van dien regent ver„ schoont soo ter saake van de Cinceere btuijgingen van sijn Eersame vrome Discreete Aan donder koopliden Nicolaas Dionisus Moll afgaande. en Simon Monsieur aankomende Residenten 59 306 Aan ignorantie
English
From Maccassar the 14 June A:o 173 Maccassar The 14:th June 173 — ignorance, as the pangerangs and g'larrangs who crossed over here with him have taken a great interest on his behalf so that he may be permitted to continue in the Regency, in such manner that I have granted this on the condition, which he and they have accepted, never to admit Latila to Tiro again. This may serve for your information, just as the attentiveness employed by you concerning that incident meets with my full approval. On the other hand, the prospect of a more favorable crop than the previous year has seemed very pleasant to me, which I wish the future may confirm. For the rest, I refer to the general missive now being dispatched, and after greetings I remain (was written below:) your good friend (was signed:) P:s S: van der voort (in the margin:) Maccasser in Castle Rotterdam the 24 January 173. (was written below:) Agrees (was signed:) J: Voll sworn Clerk. You will apparently already have been informed that Craing Bonthain and the Androngoenre of Sompoboeloe, alongside several of their subordinate lesser chiefs as well as common subjects, have set out in this direction. At least they arrived here yesterday evening in order to lodge their grievances and complaints, as indeed was done yesterday, concerning the recent collection of the tithes, regarding which they testify that considerably more was demanded of them than can be consistent with fairness; besides the fact that, contrary to previous custom, the regents themselves were charged with the delivery of a portion of their owed tithe in cleaned rice instead of paddy. Regarding this last point, I have made it known to them that this could not always be the rule, since the Company at one time required more cleaned rice and at another time more paddy, and at present it was provided with more than enough of the latter. But regarding the first point, having taken into consideration that the imminent departure of Resident Mol Honorable, Pious, Discreet. To the Junior Merchants Nicolaas Dionisus Mol, outgoing, and Simon Monsieur, incoming Resident. From and 6 61 307 within to 369 From Macasen the 14 Juij 173 within a few days, and thus the shortness of time, does not permit waiting for his defense to these complaints, and that this affair nevertheless must be settled at once in order to prevent all bad consequences, I have thought it best to send the sworn Clerk Whijts and the second interpreter Blij thither at once. Tomorrow they will depart on the pantjallang De Goede Trouw in order to conduct a precise investigation into whether and to what extent the aforementioned complaints may be well-founded, and subsequently make such arrangements alongside you that the reasons for the dissatisfaction are removed and all further bad consequences that could arise from it are cleared away. I shall be pleased to hear of a good success herein, while I await the speediest report regarding this. And in the meantime, after greetings, I remain (was written below:) your good friend (was signed:) P: G: vandervoort (in the margin:) Macasser in Castle Rotterdam the 29 Jan: 173 (was written below:) Agrees (was signed:) S Voll sworn Clerk. Since I in no way doubt that the incoming Resident Monsieur, having already departed from here on the 24th of the past month, will not only have arrived there long ago, but that you will also have received my last letter of the 29th of that month a short time thereafter, I am extremely surprised to receive as little news of the former as an answer to the said missive, the more so because I cannot fathom what the reason for this may be, since there certainly can be no lack of opportunity to write, and the impending departure of the outgoing Resident Mol to Ternaten requires that we be informed beforehand concerning the handover of the trading post as well as with regard to the complaints lodged by those of Bonthain and Tompoboeloe over the tithing. I can just as little imagine that the delay in this matter has any particular purpose, as I expect that the aforementioned Mol, before and prior to properly handing over the post Honorable, Pious, Discreet. To the Junior Merchants Nicolaas Dionisus Mol, outgoing, and Simon Monsieur, incoming Resident. From Maccasser the 14 June 173 hand over To
Dutch transcription
Van Maccassa den 14 Junij A„o 173 Maccassar Den 14:' Junij 173 — ispmorantie als dat de pangerangs en g'larrangs met hem alhier overgekomen zich seer voor den selven g'interesseed hebben om in het Regentschap te mogen blijven continueeren in voegen sulks dan hebbe g'accordeert onder voorwaarde die hij en sij hebben aangenomen om latila nimmer weder op Tiro 't admitteeren 't geen so wel kan dienen tot ul narigt als dat d'attentie door uE: omtrend dat voorval ge„ bruikit mijne volkomen approbatie wegdr agt. zier aangenaam is mij daar en tegen voorgekomen d'apparentie to ten favrabelen uijt gewasch dan het Jaar bevooren 't geen ik wensch dat dulkomt sal mogen bevestigen voor toverige refereere mij aan de thans overgaande gemeene missive en blijve na groete (onderstond:/us goede vriend /:was geteekend/ P:s S: van der voort /in margine :/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 24. Ianuarij 173. /onderstond:/ Accordeert /was geteekend:/ J: voll gestw: Clercq. UE sullen aparent al narigt hebben dat craing bonthain en de Androngoenre van sompoboeloe nevens verscheide van hunne onderhoorige somindere hoofden als gumen ondersaanen in sle hermart ntreken sin ten „minste sijn deselve engisteren avond hier aangekomen ten eijnde gelijk ook gis„ „teren geschied is hunne beswaarnisse en klagten in te brengen over de Jongst gedaen verthiening waar omtrendz betuijgen dat hun vrij meerder afgevorderd soude sijn dan met de regtmatigheijt bestaan kan behalven dat tegen het voorig gebruik aan hun regenten self de leverantie van een gedeelte van hunne verschuldigde tiende in rijst in stede van Padij was opgelegt welk laaste ik haar migthemn hebe tekennen gegeven dat niet alloos konde doorgaan vermits de Comp: dan een meerder rijst en dan weder meerder padij benoodigde en men voor het tegenwoordige van het laaste zelf bovendebenoligt voor ad voorin was dan wat het erte bereft dor mij in aarmerking genomen sijn dat het aanstaand vertrek van den Resident Mol Eersaame vroome Discreete Aande onderhooplieden Nicolaas Dionisus Mol afgaand Simon Monsieur aankomend Resident Van en 6 61 307 binnen aan 369 Van Macasen den 14 Juij 173 binnen weijnige dagen en dus dekortheijt des tijd niet permittert om op deese hunne klagten desselfs verantwoording af te wagten mitsgaders dat dese affauire nogthans ten eersten dient te worden bij gelegt ter voorkoming van ale quad gevolgen s heb ik bet gedagt den geswore Clercq whijts en tweede tolk blij ten eersten derwaarts tesenden inoorgen 2 thans met de Pantjallang De goede trouw vertrecken ten eijnde een naauwkeurig ondersoek te doen of en in hoe verre de voorm: klagten gegrond mogten sijn en daar na sodanige schickinge nevens uE maken dat de reedenen van het misnoegen weggenomen en alle verdere quade gevolgen du er uit souden kunnen ontstaan uit den weg gerumt worden waar van mij een goed sulces aangenaam sal weesen te verstaan terwijl ik daar omtrend ten spoedigsten berigt verwagte en in middens na groete blijve /:onderstond:/ uE goede vriend /:was geteekend:/ P: G: vandervoort /in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 29 Jan: 173 /:onderstond:/ Accordeert /:was gekend:/ : S volgetr Cerig„ Dewijlik gensints twijfel of den aankomen resident Monsiceu„ als bereets den 24 der voorleedene maand van hier vertrocken sal niet alleen voor lange â Costij g'arriveerd weesen, maar dat uE: ook alweijnig tijd daar aan sal sijn geworden mijn laaste schrijven van den 29 dier maand: se verwondert het mij ten uijtersten so min van het eerste lijding als antwoord op gemelde missive t' ontvangen„ temeer ik niet bevroeden kan wat daar van de reeden mag sijn aangesien het immers aan geen gelegentheijd tot schrijven kan ont breeken en 't ophanden sijnde vertrek van den afgaand Resident Mol na Ternaten vereijscht, dat ons nopens d'overgave van 't Comptoir alvorens so wel berigt gegeven worde als ten aansien van de gedaene klagte door die van bonthamen Tompoboeloe over de vertiening. Jk kan soo min denkien dat het uijtstel in deesen eenig bijsonder doel heeft als ik verwagt dat voorm: Mol voor en al eer het Comptoir behoorlijk Eersaame vroome Discreete Aan d onderkooplieden Nicolaas Dionisus Mol afgaand en Simon Monsieur aankomend Resident Van Maccasser den 14 Junij 173 overgeven Aan
English
From Makassar, 14 June 173— From Makassar, 14 June 173— handed over and the aforementioned dispute with those of Bonthain and Tompobulu has been settled to their satisfaction, will undertake the journey, even though the sailing date for his transport vessel is set for the 20th of this month; nevertheless, I deemed it necessary to remind you of this further, while in response to this I await a detailed and distinct report regarding the situation of the aforementioned, as well as everything else that should come to my knowledge, especially also concerning the outcome of the tithing, which surely will already have ended on Bulukumba as well. Meanwhile, after greetings, I remain /signed:/ your good friend /was signed:/ P. G. van der Voort /in the margin:/ Makassar in Castle Rotterdam, 11 February 1773 /signed:/ Agrees /was signed:/ V. I. Voll, sworn clerk. Having received the evening before yesterday your letter of the end of the past month, I must first note in reply that although its principal contents revolve around native affairs, it is also addressed to the Council, whereas it is nevertheless well known that all such matters belong solely to the knowledge of a Governor, quite apart from the fact that I also wrote to you about it alone, while the others were dealt with by letters signed either by the Council or jointly by my and their order. Regarding the complaints made by those of Bonthain and Tompobulu about the latest tithing, I am very willing to believe that they, having some reason, since nothing was conceded to them in the least, have reported the matter with the most grave circumstances; but had the Honorable Mol, upon the grievances they brought forward, informed me fully of the course of events and adequately demonstrated their groundlessness, I would Honorable, Pious, Discreet. To the Junior Merchants Nicolaas Dionisius Mol and Simon Monsieur, outgoing and incoming residents. To From Makassar, 14 June 173— From Makassar, 14 June 173— have been in a position to refute their claims and turn them away, whereas I, on the contrary, was now forced to send commissioners thither so that, after a careful investigation alongside His Honor, they might put an end to it, which I had already expected, but do not yet see following, as it appears that nothing has been done in it yet; at least I have received as little writing from the aforementioned commissioners as I gather from you that anything has been set in motion by them. Assuming the transfer of the residency to be completed, I mention only that alongside the transport the specification of receipts and expenditures for the last five months, or up to the end of January, ought to have been sent, and that in place of the deceased surgeon Gestima another will be sent at the first opportunity, while the Honorable Moll is permitted to take along the clerk-soldier Philip Nicolaas Snit to remain on Ternate. After greetings, I remain /signed:/ your good friend /was signed:/ P. G. van der Voort /in the margin:/ Makassar in Castle Rotterdam, 13 February 1733 /signed:/ Agrees /was signed:/ J. K. S. Voll, sworn clerk. It surprises me greatly not to have received the least writing from you until now, and to have learned from a letter from the outgoing Resident Mol that the dispute with the regents of Bonthain and Tompobulu, far from being settled, has reached such terms that it could become a lingering issue, contrary to my intention, contrary to the contents of the Instruction, and contrary to the interest of the Company, both for the present and the future; for according to that letter, you have supposedly conceded far too much to those regents, however early I warned you against that. Yet, so that no new dispute between the said residents and you might arise from this, I hereby order you to bring an end to the matter together with the same, conforming to the contents of their Instruction, in the best possible manner, without showing any animosity, which I would have to think that you have displayed thus far; at least the complaints about that in the aforementioned letter are very vehement, but for the aforementioned reasons I find it To the Bookkeeper Alexander Whijts and the Second Assistant Coenraad Jansz Blij. Honorable, pious. To reasons
Dutch transcription
311 Van Maccasser Den 14 Junij 173 — Van Maccasser Den 14 Junij 173. overgeven en het voorsz: geschil met die van bonthain en Tompobeeloe ten haaren genoegen verevend is de reijse sal onderneemen of schoon ook de zeijldag voor desselfs transport bodem op den 20. hujus is tepaald dog hebedes niets te min goordeelt us zulks nader te moeten herinneeren terwijl ik in antwoord deeses een omstandig en distinct bericht blijven afwagten nopens den toestand bovan het voorsz als van alle het geene er verder tot mijne kennisse behoord insonderheijd ook wegens den uitslag der vertiening die zeeker op Boeleromba meede reets sal weesen afgelopen in„ tusschen blijve ik na groete /onderstond:/ uE goede vriend /was geteekend / P: G. van der voort / in Margine:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 11: februarij 1773: /:onderstond:/ Accordet /was getekend:/ V: I: voll getm: Clercq Eorgisteren avond mij geworden sijnde ul schrijven van ult den voorleedene maand moet ik voor af in antwoord anmerken dat hoewel dies voornaamte inhoud roulleerd over d Jnlandsche saeken deselve ook aan den raad gerecht is daar het nogthans't over bekend sij dat alle de sulke alleen ter kennisse van een gouverneur gehooren ongereekend dat ik uE er ook alleen overgeschreeven hebbeterwijl de andere bij brieven door den raad meede of wel ter mijner en haere ordre te saemen geteekend verhandeld zijn Nopens de klagten door die van bonthain en Tompoboeloe over de laatste vertiening gedan wil ik zeer gaarne gelooven dat zal eeniger maaten reden hebbende dat haar nog in 't minste miet toe„ geven was de saak met de graverrenste omstandigheeden hebben opgegeeven maar hadde den E: Mol op dienste dolcantien die zij hebben ingebragt mij volleedig van den toedragt van dien g'informeerd en voldoende aangetoond de ongegrondheid van deselve soude ik Eersame Vroomd Discreete Aan d' onderkooplieden Nicolaas Dionisus Mol en Simon Monsieur afgaande en aankomende resdentn Aan Van Maccasser Den 14 Iunij 173.— Van Maccasser Den 14 Anij 173 — 6 313 in staat sijn geweest hun voorgeeven te wederleggen en haar afte wijsen daar ik nu in tegendeel in de noodsakelijkheijd wierd gebragt om gecommitteerden derwaarts te senden teneijnde na een naauwkeurig ondersoek nevens sijn E: daar van een eijnde te maeken t geen ik ook al reede verwagt hade dog wog niet zie volgen als scheijnende het dater nog niets in gedaan sij ten minste hebbe ik van voorm: ge„ committeerden so min schrijvens als ik van uE verneeme dat er iets door haar in't werk is gesteld. d'overgave der residentie voor bedeeld houdende melde ik alleenlijk dat nevens het transport hadde behooren gesonden te sijn de specifi„ catie der ontfangsten uitgaven en de laatste vijf maanden of tot ult:o Januarij en dat in steede van den overleden Chirurgijn gestima per eerste geleegentheijd en andere sal gesonden worden, terwijl aan den E: Moll gepermiteed word: den aan de pen getrocken soldaat Philip Nicolaas snit meede te nemen om op Ternaten te blijven. Ik blijve naer groete /:onderstond:/ uEs goede vriend: /:was geteekend:/ P: G: van der voort /in margine:/ macasser in 't Casteel Rotter„ dam den 13. febr: 173. /onderstond:/ Accordeert, was geteekend:/ J:k S:n Voll: gesw: Clercq Het vermondert mij seer tot nog toe geen het minste schrijvens van uE ontvangen en uijt een brief van den afgaend, Resident Mol ontwaard te hebben dat het geschil met de regenten van bonthain en Tompoboeloe wel verre van bij gelegt in die termen soude geraekt sijn dat het selve van een lange na leeps oude kunnen worden tegens mijne intentie tegen. den inhoud der Jnstructie en tegen het interest der maatschappij Soo voor het tegenwoordige als toekomende want volgens dat schrijvens sonden uwE die regenten veel te veel hebben toegegeven hoe eerik uE daar tegen hebbe gewaarschuwd dan om hier ui't geen nieuw geschil tusschen gemelde residenten uE te doen reijsen do gelast ik uE bij deesen om nevens den zelven Conform den inhoud van haere Jnstruc„ tie eeneijnde van de saak te maeken op de best morgelijkste weijse sonder eenige animositeijt te laeten blijken die ik soude moeten denken dat uE tot dus verre hebben betoond ten minste sijn de klagten daar over bij opgemelde schrijvens seer heerig, maar ik vind het om voorm: Aan den Boekhouder Alexander whijts, en Den Twede Pelk Oenraad Jansz Blij. Eersame vroome. Aan redenen H
English
From Maccasser the 14 June 1773 reasons not necessary to recall them, since I only desire the settlement of the dispute itself, apart from which nothing has been ordered of you other than what I told you verbally, that I had released those of Talla and Gantarang from the fines previously imposed on them, not on grounds of innocence, but rather because of the lapse of time between the imposition and the collection, as I could not investigate it first without making too much stir over a trifle. I will therefore only hope and expect that you will succeed in your commission, awaiting a good outcome and a speedy report thereof, I remain, underneath stood, your friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Maccasser in Fort Rotterdam the 10 February 1773, underneath stood, Agrees, F. P. Voll, sworn clerk. Having seen with pleasure from your letter of the 7th instant, which reached me only yesterday afternoon, that the dispute concerning the tithing at Bontam, etc., contrary to the previous report received about it, has been settled to the extent that no further consequences are to be feared, and that the regents had only requested to be permitted to suffice with the delivery of paddy, which however would be very inconvenient for this time on account of the large stock, and therefore ought to be declined by you if this can be done with any propriety, I find nothing further to reply to it than that, in accordance with my previous letter of the 13th instant, I await a final settlement of affairs. Honorable, Pious. From Maccasser the 14 June 1773 To the Bookkeeper Alexander Whijts and the Second Interpreter Coenraad Jansz. Blij await, against which nothing more can stand, since the fines paid to the Honorable Mol by others, with the exception of those of Gantarang and Talla, are not a subject regarding which I have given you instructions. I remain, underneath stood, your friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Maccasser in Fort Rotterdam the 17 February 1773, underneath stood, Agrees, was signed, F. P. Voll, sworn clerk. To the Bookkeeper Alexander Whijts and the Second Interpreter Coenraad Jansz. Blij. Honorable, Pious, It having appeared to me from your letter of the 26th of February that the mission entrusted to you has been accomplished and has answered its purpose, I express my satisfaction therewith and therefore permit you to return hither with the first departing vessel of the Company, remaining for the rest, underneath stood, your friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Maccasser in Fort Rotterdam the 9 March 1773, underneath stood, Agrees, was signed, F. P. Voll, sworn clerk. As the reply to your letter of the 26th of February, received here on the 26th of this month, will follow by a further opportunity, I let this serve only to accompany the Bone prince Craing Japanang, who, together with an ordinary envoy, is dispatched by the King of Bone to Sumbauwa in order to fetch from there and bring hither the well-known Craang Bellasarie, mother of the late King of Goa, who is residing at the Bone court. I give you notice thereof in case it might at times be necessary to assist in her departure, should she have little inclination thereto, in which case it should be represented to her that she cannot remain on Sumbauwa and that it is in every way for her own best interest to Honorable, Pious, Discreet, To the Ensign Alexander Lecert, Commandant there. repair to Maccasser, alongside whatever else you might find useful to encourage her to depart, in order to fulfill the purpose of this. After greetings, remains, underneath stood, your good friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Maccasser in Fort Rotterdam the 29 March Anno 1773, underneath stood, Agrees, was signed, F. P. Voll, sworn clerk. Since the dispatch of my previous letter of the 9th of November of last year, having looked out with an extraordinary longing for reports concerning the state of affairs on the opposite shore, and having finally received on the 26th of March past your letter of the 26th of February prior, there appeared to me from it, in the first place with no less concern, the confirmation of the rumor spread here for some time that the King of Sumbauwa, having fallen into discord with his grandees, had betaken himself to Paliwang, and it has surprised me to the utmost that you made mention of this and of the mutual division only briefly and as if in passing, without mentioning a single word of the cause, nor stating whether Valiant, Pious, Discreet, From Maccasser the 14 June 1773. To the Ensign Alexander Lecert, Commandant there.
Dutch transcription
Van Maccasser Den 14 Iunij 173 — reeden niet notig deselve op tehaelen dewijl ik maar allen verlange na d'afdoening der queste selve buiten 't welk uE niets is bevoelen dan alleen dat ik us mondeling hebbe gesegt dat ik die van Talla en ganta„ rang ontheven hadde van de hun bevooren opgelegdte boetens niet uit hoofde van onschuld maar wel om de wille van het verloopdes tijds tusschen doplegging en invordering wijl ik het eerst niet hebbe kunnen ondersoeken sonder over een kleenigheijd te vel beweeging temaeken. Ik wil dierhalven alleenlijk hoopen en verwagten dat uE recusseeren sullen in haeren lasten daar van een goeden uitslag en spoedig berigt afwagtende blijve ik /:onderstond:/ uE: vriend /:was geteekent:/ P: G: van den voort / in margine:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 10 Februarij 1773. /:onderstond/ Accondeert F=k P=r voll getw: Clrcq: Uijt uE brief van den 7. hujus die mij gisteren middag eerst geworden is met genoegen gesien hebbende dat 't geschil wegens de vertiening te Bontam enz: contrarie het voorig berigt daar van ontfangen in zo verre soude wesen bij gelegt dat er voor geen verdere gevolgen te vreesen sij ende regenten eenlijk versogt hadden om met de leverantie van padij te mogen volstaan dat egter voor ditmaal seer ongelegen soude komen mits die grooten voor „raad en dierhalven door uE diend te worden ontlegt als sulks met eenige gevoeglijkheijd geschieden kan so vinde ik verder daar op niets te rescribeeren dan dat ik conform mijne voorige van den 13. hujus een finaale afdoening van Saeken ver Eersaeme Droome. Van Maccasser Den 14 Junij 173 — Aan Den voekhouder Alexcander whijts on Twede Tolk Coenraad Jans=z 1olij ƒ 315 Aan wagte 3 317 van Maccasjen den 14 Junij 173 Van Maccasser Den 14 unij 173 wagte waar tegen niets meer op steenen han vermits de aan den E Mol betalde boetens door anderen met uitsondering van die van gan„ tarang en Tallageen onderwerp is waar omtrend ik uE inmandatis gegeeven hebbe Jk blijve /onderstond:/ ul vriend / was geteekend:/ P: I: van der voort /in margine:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 17 februarij 173. /onderstond:/ Accoudeert /was geteekend:/ P:k S: voll gesw: Clercq: Aan Den Boekhouder Alexander whijts. en Den Tweede Tolk Coenraad Jansz. Blij Eersaame vroome Mij uijt uE: schrijven van den 26. februarij gebleeken sijnde dat de haar opgedragene missive sijn beslag gekwregen en aan het oogmerk bant„ woordheeft so betuijge daar over mijn genoegen en permitteer us dier„ halven met het eerst van daar te vertreckene vaartuijg van de Comp weder herwaartste keeren blijvende voortoverige /:onderstond:/ ul vriend / was geteekend/J: G: van der voor /in margine/ macasser in't Castee Rotterd:m den 9 Maart 173 /onderstond:/ Acorder/gekend:/ :r S: voll getr Clercq: Het antwoord op uE schrijven van den 26. februarij den 26. deesen alhier ontfangen bij nader gelegentheijt sullende vol„ gen laat ik deese alleen dienen ten geleijde van den Boniers Prins Craing Japanang die nevens een gewoon sendeling door den koning van bonij naar sumbauwa word gedepecheerd ten eijnde van daar af te halen en naar herwaarts te brengen de welbekende Craang Bellasarie moeder van de laast ge„ wesen koning van goa die sig aan het bonijs hof onthoud, ik geef uE. daar van kennisse of het zomtijds nodig mogte wee„ „sen om meede te werken tot haar vertrek ingevalle bij daar toe weijnig inclinatie mogte hebben als wanneer haar dient te worden voorgehouden dat zij op sumbauwa niet verblijven kan en het allenthalven ten haaren eijgen best is om Eersame vrome Discreete Aan Den vendrig Alexcander Lecert Commandant aldaar Aan dig. 319 Van Maccasser den 14 Junij 1773— sig na Macasser te begeven nevens het geene ul verder dienstig mogt vinden om haar 't annimeeren tot vertrek om te voldaen aan het oogmerk van die na groete blijft /:onderstond:/ uE: goede vriend /was geteekent:/ P: G van der voort /:in margine:/ Maccasser In het Casteel Rotterdam Den 29. Maart Anno 1773. /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ I: J: voll gestr: Clerq Sedert dafsending mijner voorige van den 9 nevemberades voor leeden Jaars met een ongemeen verlangen ona berigten wegens den toestand van de zaaken aan de overwal uitgesien en ein„ delijk op den 26 Maart passato ontfangen hebbende uE schrijvens van den 26: februarij bevoorens is mij daar uit in de eerste plaats met geen minder bekommering voor„ gekomen de bevestiging van het alhier voor eenigen tijd verspreijde gerugt dat den koning van sumbauwa in on eenigheijd met sijne rijksgrooten geraekt sig naar Pali„ wang soude begeeven hebben als het mij ten uijtersten ver„ wondert heeft dat uE daar van en van d'onderlinge ver„ deeldheijd maar even en als ter loops gewaag gemaakt som„ der eenig woord van d' oorsaak te reppen nog temelden of Manhafte Vrooma Discreete Van Maccasser den 14 Junij 173. — Aan Den Hendrig Alexander Lecerp Commandant aldaar daar Aan
English
From Maccasser the 14th of June 173 From Maccasser the 14th of June 173. thereafter having made inquiry whether nothing of importance had happened, it is true that I find noted in the daily register kept on your journey to Salemparang under the 23rd of November that Damon Allas had told you the reason for the king's departure to Talijang was because the regents of the realm did not permit him to marry a daughter of the king of Sandrabonij, adding that the monarch had sent a vessel to Banjer to ask the sultan's sister in marriage; but that this can as little bear the name of a proper investigation as it is excusable not to mention a word of it in the letter. Furthermore, whatever the truth may be concerning the sending of a vessel to Banjer, it is as certain as your indifference in letting the matter rest there appears to me irresponsible, the more so because anyone who has even the slightest knowledge of the nature of the Sumbawan people will easily be able to gather from all this how it is with reason to be feared that difficulties of great importance will again arise, and even the tranquility in which this realm has been for some time will be disturbed; so that your duty had not only required you to inform me clearly of everything, but even to proceed thither in person to that end, in order, if such be possible, to help settle the matters and thus to prevent the bad consequences that are to be dreaded therefrom, as ought still to happen with the greatest haste, and I therefore expect it, although I fear that it will be only too late; in which unexpected case, and if, as it appears to me, the intention of the realm's grandees might be to depose the king and to help Datoe Boedie, now Datoe Jarewe, onto the throne, I cannot see, from whichever side the matter is viewed, that one would gain anything by wishing to oppose the intention of the realm's grandees and to maintain the king, since on the contrary I hold it as certain that, after employing all serviceable means, among which a costly expedition must not be counted as the least, one would nevertheless finally have to let the line slip, as it is known that the present monarch, apart from his young years, has no abilities for the government and is not at all beloved, whereas on the contrary Datoe Boedie has long been in high esteem and has much more right to the realm, as his father was himself king. I From Maccasser the 14th of June in the year 173 June 173 From Maccasser the 14th I am therefore of the opinion that the sole consideration in this matter ought to be principally to maintain the prerogative of the Honorable Company, without whose prior knowledge and consent none of the kings across the water may be deposed nor another appointed; and I therefore order you, as soon as you come to learn that the objective of the grandees of the realm truly tends in that direction, to represent to them plainly that the Company's consent is required for this, and that they will therefore do well, following the example of those of Tambora, to have the complaints they might have against their monarch presented to me by an embassy of the most prominent among them; and I flatter myself that if you proceed in this matter with the required circumspection, to which end I also consider it serviceable that you, also conversing with Datoe Boedie at that time, persuade him that, having obtained the Company's consent to his election, he may consider himself assured of a peaceful possession, both the one and the other will indeed listen to reason, especially if you thereby give them hope of succeeding, whereby there would also be less fear of bad consequences, the more so as the old monarch, finding himself deprived of the Company's help and becoming convinced that his own improper conduct is the cause of his downfall, will keep himself quiet again; besides which one will otherwise be all the better able to take measures to preserve the peace. In the meantime, I shall expect that you will fix your utmost attention on this and give me notice as soon as possible of what has occurred since. That the King of Sangan does not wish to submit to my decision to let those of Dompo remain in peaceful possession of the district on the west side of the river Compo, which was previously assigned to the former through the misleading reports formerly given to the government here, but upon further investigation was found truly to belong to the latter, I attribute entirely to the instigation of the King of Bima, who, arrogating to himself an all too great superiority over the other allies, also seeks by this means to belittle those of Dompo, the only ones whom he has had to respect until now; it surprises me nevertheless that you, upon the first-mentioned's declaration that he would rather once again consequences to
Dutch transcription
321 Van Maccassr Den 14. Junij 173 Van Maccasser Den 14 Iunij 173. daar na onder bak gedaan zij ven op e niets van belang gebeurd waare wel is waar dat ik bij het dagregister gehouden op uE reijse na Salemparang sub 23 november genoteerd vind dat damon Allas uE zegt hadde de reeden van skonings vertrek na talijang tewesen om dat den rijsks bestiaten niet permitteeren dat hij met een dogter van den koning van sandrabonij kwam te trouwen met bijvoeging dat den vorst een vaartuijg na banjer hadde gesonden om des sulthans suster ten huwelijk te vragen maar dat dit de naam van een behoorlijk ondersoek so min dragen kan als het verschoon„ lijk sij daar van in den brieff gen woord aan te haalen nog wat er zij van de sending van een vaartuijg nia banjer is so seeker als uE onverschilligheijd in het daar bij te laten berusten mij onverandwoordelijk voorkomt te meer een iegelijk die maar eenigsints van den aard der sumbauwar eesen kennisse heeft uit dit alles lugt sal kunnen opmaeken hoe er met reden diend te worden gevrest dat er weder moeijelijkheeden van veel be„ lang ontstaan sullen en selfs de ruste waar in dit rijk zedert eenige tijd geweest is sal gestoord worden to dat uE pligt niet alleen vereijscht hadde mij van alles duijdelijk tinformeeren maar selfs om sig ten dien eijnde in persoon derwaarts te te begeeven ten eijnde sulks mogelijk sijnde de zaeken te hel„ „pen bij leggen en dus de quaede gevolgen dien en uijt te dug„ ten zijn te prevenieeren gelijk als nog ten spoedigsten diend te geschieden en ik dierhalven verwagte of schoon ik vree„ se dat het maar al te laat sal weesen in welken onverhoopte geval en dat so als het mij voorkomt d' intentie der rijks„ „grooten mogt weesen om den koning afte zetten en datoe Boedie thans datoe jarewe op den throon te helpen ik niet zien kan aan wat zeijde de saak ook beschouwd werd dat men met sig tegen d' intentie der rijksgrooten te willen versetten en den koning te mainitineeren rets winnen soude dewijl ik in tegendeel vast stelle dat men na aan„ wending van alle gedienstige middelen waar onder geene van de minste moet worden gereekend eene kostbaere expeditie dog eijndelijk het lijntje soude moeten laeten slippen als bekend wesende, dat den presenten vorst onge„ reekend zijne Jonge Jaaren geene bequaamheeden tot het bestia betis. en gantsch niet bemind is daar in tegendeel Datoe Boedie voor lange in aansien geweest en veel meer regt tot het rijk heeft also sijn vader selfs koning geweest is begelven ik pr 323 Van Maccasser Den 14 Iunij Ao 173 — Junij 173 Van Maccasser den 14 ik ben dienhalven van begrip dat d'enigste betragting in desen behoord te sijn om voornamentlijk het voorregt van d E Com„ pagnie buiten wiens voorkennisse en toestemming geen der overwalsche koningen afgeset nog een ander aangesteld maag worden staande te houden en gelast uE dierhalven om so ras uE komt 't ervaeren dat het doelwit der rijks„ grooten waarlijk daar heenen strekt hun onbewimpeld voor te houden dat daar toe scomp: toestemming ver„ eijscht en sij dierhalven wel sullen doen na het voorbeeld van die van tambora de klagten die sij tegen hunnen vorst mogten hebben aan mij te doen voordragen door een gesantschap van de voornaamste uijt den haeren en ik vlije mij als uE hier omtrend met de vereijscht som„ zigtigheijd te werke gaat waartoe ik ook dienstig agte dat uE Datoe boedie als dan meede onderhoudende over„ „ried dat hijs Comp toestemming tot sijne verkiesing en langende sig van eene geruste possessie kan verseekerd hou„ „den d'eene en andere sig wel sullen laeten geseggen voor al so uE haar daar bij hoope geeft van te sullen ruisseuren wanneer ok te minder beduckting soude sijn voor quade gevolgen te meersig den ouden vorst van sComp: hulpe verstoo„ ken diendte en overtuijgd wordende dat sijn eijgen verkeend gebrag orsaeke van sijnen val is sig ween stil sal houden buijten dat men andersints te beter maet regulen sal kun„ „nen neemen om de ruste te conserveeren intusschen wil ik verwagten dat uE hier omtrend d uijterste attentie sal vestigen en mij ten spoedigste kennisse geeven van het „geen en zedert is voorgevallen, Dat sanganskoning sig niet wil onderwerpen aan mij„ one decisie om die van dompo in de geruste potsessie te laa„ „ten van 't landschap aan de weest zijde van de revier Compo t geen aan den eersten door de mitleijdende berigten voor„ „maals aan de regeering alhier gegeeven toegeweesen dog bij nader ondersoek bevonden is den laatste waarlijk toe te behooren schrijve ik met uil toe aan d'nistigatie van den koning van Bina die sig eene maar al te groote superionileus over dandere bondgenooten aanmatigende door dit middel ook die van dompo de eenigste die hij tot nog toe heeft moeten ontsien tragt kleen te maaken het vermonderd mij nogthans dat uE den eerstgem: op zijne betuijging van liever andermaal gevolgen na