VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3389

Japan · 812 pages · 372 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3389_0338 view scan ↗

English

From Maccasser The 14 June 173— From Maccasr the 14: June 173— to wish to go to Macasser rather than allow the land to be taken away has not kept his word and been urged thereto, as must still happen under a plain declaration that in case he does not comply therewith, the matter will be considered settled and Dompo's prince will be maintained in such a way that others will lose the inclination to disturb him, so that Your Honour will also have to oppose this as much as possible; meanwhile, Your Honour may inform the King of Bima that his conduct in this matter causes me no small annoyance, the more so because he is not only convinced of the illegitimacy of Sangar's claim, but has even already declared that Sangar was a liar and that the land had always belonged to Dompo, according to the report that I received from Your Honour regarding this in a letter dated 29 August of last year, which Your Honour should therefore have pointed out to him and also especially to the King of Sangar, as well as the fact that people are only too well convinced of the deception that took place previously to obtain the allocation of the aforementioned piece of land; and since none of the princes seem to have troubled themselves to answer me to the letter dated 28 March of last year written to them among others about this subject, which is undoubtedly primarily to be imputed to Bima's king, whereby I have had to abandon my intention to send them a second letter in order not to expose myself once again to such slight esteem, Your Honour will also have to bring the neglect of his bounden duty seriously before him, and especially the one of Bima, and it may even well be added that, his aim with regard to the other allies being only too well known to me, he will find himself utterly deceived if he should imagine that he will achieve it, since in case of further steps I will well know the means to cut off his path thereto. Regarding the affairs of Tambora, it has astonished me not a little that the newly elected king has not yet appeared here; it is true that a small vessel has arrived with a common envoy, giving notice that he had indeed departed hither, but because of a leak of the vessel had been compelled to turn back, as Your Honour also confirms; but far from being able to give credit to that, I assume for certain that this was merely a pretext to deceive Your Honour, though it may well be that he embarked nominally; yet in the meantime he has had ample opportunity to resume the voyage; Your Honour's saying, moreover, that you do not doubt that Bima's prince frightened him, confirms me in my opinion, though I can as little understand what could have intimidated him or been proposed to him by the first-mentioned, as for what reason Your Honour did not inquire into this and assure him that there is not the slightest reason for him to fear anything if he comes here, but indeed if he remains negligent therein, the more so because he cannot be fully recognized as king before and until the contracts have been sworn by him and he has received the royal insignia, wherefore the one and the other must still take place as opportunity permits. Regarding the exiled Macassar Prince Daing Pateni and his son Mappa, expecting the fulfillment of your promise to keep a watchful eye on them, I only remark that for that purpose it is not enough to inquire, as Your Honour seems merely to have done with regard to Poanna Roempang and Palima Billa, where such rabble resides, but that it is necessary to watch their actions and, whenever an opportunity presents itself, to seize their persons, as I had expected Your Honour would have attempted to do pursuant to my order regarding the well-known Tjalla Bancahoeboe, but concerning whom, to my surprise, I find no mention made in any of your letters, nor likewise with regard to the Wadjorese, nor also of the well-known Craeeng Bellasarie, although in the instructions delivered to you I gave such special orders regarding all of these that Your Honour, without making yourself guilty of an unpardonable negligence, could not fail to reply thereto or make mention of them in Your Honour's letters, as I shall expect in the future regarding everything that deserves attention, and that in better order than in your aforementioned last letters.

Dutch transcription

325 Van Maccasser Den 14 Junij 173 — Van Maccasr den 14:' Iunij 173 — na macasser te willen gaan dan sig het land te laeten afnee„ „neemen niet bij sijn woord geval en daar toe aangemaand heeft gelijk als nog sal moeten geschieden onder een ronde verklaering dat ingevalle hij daar aan niet komt te voldoen de saak voor afgedaan gehouden en dompos vorst wel zodanig sal gemaintineerd worden dat andere den lust sal vergaan om hem 't ontrusten invoegen uE sulks ook so veel mogelijk sal moeten tegen gaan ondertus„ schen kan uE den koning van bima te kennen geeven dat mij sijn handelwijse in deese tot geen geringe ergernisse strekt te meer hij niet alleen van d'omvet„ tigheijd van sangars pretentie overtuijgd is maar selfs bereeds verklaard heeft dat sangar een leugenaar was en het land altoos aan dompo toebehoord hadde immers ona het bericht dat ik dierwegens van uE ontvangen hebbe bij brieve van den 29. augustus des voorleeden Jaars het geen ik uE dierhalven aan hem en ook insonderheijd aan den ko„ „ning van sangar hadde behooren voor te houden so wel als dat men maar al te seer overtuijgd is van de mis„ „leijding die en bevoorens heeftplaats gehad om de towijsing van meerm: stukis grond te verkrijgen en vermits geene van de vor„ „sten dig schijnen vervaardigt te hebben mij op den brief in dato 28. Maart des voorleeden Jaars aan haer onder anderen over dit on„ derwerp geschreeven 't antwoorden 't geen Binas koning onge„ twijffeld voornaamentlijk 't mputeeren is, waar door ik hebbe moeten afsien van mijn voorneemen om haer een tweeden brief te laeten toekomen ten eijnde mij met andermaal aan die kleen agting tex poneeren so sal uE deselve en insonderheijd die van binna het versuijm van sijn verschuldigde pligt almeede in ernstige termen onder hetoog moeten brengen en mager selfs wel worden bij gevoegd dat mij zijn oogmerk ten optigte der overige bondgenooten maar al te wel bekend sijnde hij sig bijsten sal bedrogen vinden wanneer sig verbeeden mogte het selve te sul„ „len bereijken dewijl ik ingevalle van verdere demarches wel middel sal weeten om hem den pas daar toe af te suijden, Belangende de sacken van Tambora heeft mij niet wei„ nig vermonderd dat den nieuw verkooren koning tot nog toe alhier niet verscheenen is wel is waar dater een kleen vaartuijg met een gemeen zendeling is gekomen kennis geevende dat den selven werkelijk herwaarts vertrocken maar door leckasie van van het Van Macase den 12 unij 1733 Van Maccassar den 14 Iunij 173— N 327 het vaartuijg genoodsakt geweest was te rug te keereninvoegen uE sulkis ook bevestigt dog wel verre dat ik daar aan geloof soude kunnen geeven stelle ik seker dat sulks maar een inkel voor„ wendsel geweest is om uE te misleijden kunnende het nogthans wel sijn dat hij sig quasi g'embarqueert heeft immers hadde hij in die tusschen tijd overvloedige gelegentheid gehad om de reijse te hervatten us zeggen daar en boven van niet te twijffelen of Binas vorst soude hem hebbe bang gemaakt sterket mij in mijne gedagten schoon ik so min begrijpen kan wat hem intimideeren of door den eerstgem: voorgehouden soudekunnen weesen als om wat reden uE sig daar op niet g'informeert en hem verseekert heeft dat er geen de minste reeden voor hem zij ielts te vresen wanneer hij hier op komt maar wel als hij daar inne nalaetig blijft te meer hij niet volkomen voor ko„ „ring kan worden erkend voor en al eer de contracten door hem beswooren sijn en hij de rijks insignia ontfangen heeft wes„ „halven het een en ander als nog bij geleegentheijde moeten geschieden Aangaande den uitgeweeken Maccassaars Prins Dair Pateni en zijnen soon Mappa het effect uwer belofte zullende verwagten om op den zelven een waekend oogte houden merkie ik alleen dan dat het ten dien eijnde met ge„ „noeg zij om sig t informeeren so als uE ten opsigte van Po„ anna roempang en Palima billa eenlijk schijnt te hebben gedaan waar diergelijk gespuijs sig ophoud: maar dat het nodig is op hunne bedrijven te letten en om als enr sig geleegentheijd toe aanbied sig van haar persoonen meester te maaken so als ik verwagt hadde dat uE ingevolge mijne ordre soude hebben tragten te doen omtrend den bekenden Tjalla Bancahoeboe maar ten aansien van den welken ik tot mijne verwondering in geene uwer brieven eenige mentie gemaakt vinde gelijk ook niet ten opsigte van de wadjoreesen onog ook van de bekende Craeeng Bellasarie schoon ik uE bij de hem inhandig„ de Jnstructie omtrend allen desen sodanige speciaele be„ veelen geven hebbe dat uE sonder sig aan een onverand„ woordelijke sloffigheid schuldig te maeken niet konde af sijn daar op t antwoorden of van deselve bij uE brieven vermaan te doen gelyk ik in't vervolg omtrend alle het geene attentie verdiend verwagten wil en sulks ingeschik ter ordre dan in voorgem: uE laetste waar houden bij

NL-HaNA_1.04.02_3389_0340 view scan ↗

English

No. 329 From Macassar, the 14th of June 173– From Maccasser, the 14th of June 173– wherein everything has been treated in so confused a manner that one must practically guess the intention, besides which it again contains many domestic matters that ought to have been treated in letters addressed jointly to me and the members of the council, and not therein, which is why these are also not answered herein. I must console myself with the fruitless outcome of Your Honour's commission to Salemparang, in the confidence that there truly was no opportunity to converse privately with Gusti Waijantaga or quietly deliver the one letter given to Your Honour for that purpose, although Your Honour ought to have demonstrated this with somewhat more detail than merely saying that four Balinese envoys present there were noticed following Your Honour everywhere; and despite all narrow surveillance by the same, there would, in my view, certainly have been a means to let that prince acquire knowledge of Your Honour's inclination, in order to experience whether such might also be pleasing to him, and whether he, on his part, was likewise restrained purely by the presence of the aforementioned emissaries from giving Your Honour occasion thereto. That seems once again to have been neglected; at least I find no evidence of it, but on the contrary, the reply of the Pehats Boenie Pangalassang and the Pangulu of the Malays and Matoca of the Wadjoers, sent by Your Honour, as appears from the daily register under dates of the 5th and 6th of December, to inquire whether Your Honour could speak to the prince alone, is so unsatisfactory that I cannot comprehend how Your Honour can still make mention of it; and since it has appeared to me from the said daily register that the second letter, the contents of which contained nothing material and the delivery of which was thus ordered to Your Honour, was delivered, of which Your Honour again makes no mention in his writing, Your Honour has neglected to return the other to me; at least I did not find it in the packet. Wherewith then, having answered all the points of Your Honour's writing in so far as necessary and required in this matter as aforesaid, I must yet add that, in accordance with my proposal, the former King of Tambora having been permitted by Their High Excellencies to take up his residence again at Bima, From Macasser, the 14th of June 173– From Maccassar, the 14th of June 1713– folio 331 the same will depart thither shortly, which can serve both for Your Honour's information and that, however little one has to fear from him, a watchful eye must nevertheless be kept on him; while with respect to the aforementioned Craeeng Bellasarie, referring to my letter of the 29th of March past, I await at the earliest a report concerning the Wadjoers on Sumbauwa, in order, if necessary, to make use of the proposal made to me and accepted by the King of Bonij, to send emissaries thither from both sides to compel them by proper means to remove from there. Furthermore, I send Your Honour herewith a letter from His High Excellency for the aforementioned King of Salemparang, Gustij Waijantaga, regarding the delivery of which some hesitation indeed arose with me upon its first receipt, but which, upon further consideration of what can be taken into account for and against it, I have judged must be carried out: partly because he himself has sent an embassy with letters to Batavia in which he mentions the proposal made to him, and this matter can thus no longer remain hidden from others; and partly, principally, because therein a reply, as appropriate as it is earnest, is given to his insolent writing concerning the dethroned King of Goa banished to Ceylon and concerning the cruisings formerly undertaken; and moreover, in the third place, in response to his request, toll exemption in all places where the Company is established is offered therein to the grandees of Karrang Assan and Salemparang, whenever he first accepts the proposal made to him to enter into a contract. Your Honour shall therefore direct the said letter at the first good opportunity, and there may then at the same time be added thereto the letter mentioned hereinbefore, addressed by me to the prince, the contents of which, for the cited reasons, likewise need no longer be kept secret. For the rest, I find myself obliged to admonish Your Honour once again to make in future, in his letters, a distinct report of all occurring matters in clear and plain terms, and to make mention at least twice a year, as good order requires, of all the subjects that the management of the Company's interests at Bima has produced, both in relation to the princes of the land and otherwise, even though there is little or nothing of importance to communicate regarding them. While, after greetings, I remain /below stood:/ Your Honour's good friend /was signed:/ P. G. van der Voort /in margin:/ Maccasser in Castle Rotterdam, the 20th of April 1773 /below stood:/ Agrees /was signed:/ J. I. Vol, sworn clerk. To After my adjoining letter of yesterday had already been written, Your Honour's letters of the 9th of this month were received here, of which the one also addressed to the members of the council again contains, contrary to order, matters concerning the princes of the land that belong solely to my knowledge, which I hope not to observe any more in the future. So I let this serve to answer what is necessary thereto, and therefore note in the first place that the assertion of the King of Bima, as if he had not intended to take the side of Sangar's prince regarding the piece of land in question west of the river Kampo—which has now fully appeared and been recognized by him to belong to those of Dompo—deserves too little credence, as it seems plausible that the true reason for the Valiant, Pious, Discreet From Maccasser, the 14th of June 173 To Ensign Alexander, Commandant there

Dutch transcription

N 329 van Macaser den 14 Junij 173— Van Maccasser den 14 Junij 173 bij alles so verward verhandeld is dat men genoegsaam maar d' jntentie raeden moet buiten dat z al weder veele huijshou„ delijke saeken vervat die bij brieve aan mij en de leden van den raad te saemen gerigt en niet daar bij hadde behooren verhandeld te sijn waar om z ook in deesen met b'andwoord worden. De vrugteloos uijtslag van uE Commissie naar salempa„ „rang moet ik mij getroosten in vertrouwen dat er waer„ lijk geen geleegentheijd sal geweest sijn gusti waijantaga in't particulier 't onderhouden of in stilte te overhan„ digen d'eene brief ub ten dien eijnde meede gegeeven schoon uE dat wat omstandiger hadde behooren aante toonen dan eenlijk met te seggen dat vier aldaar aange„ weest sijnde balijse gesanten uE over al gevolg hebben gemerkt en in weerwil van alle onaauwe toesigt door deselve mijner eragtens wel middel waare geweest om dien vorst kennisse te doen erlangen van uE incli„ natie om t ervceren ofte hem sulks ook gevallig mogt weesen en hij aan sijn kant meede enkel door het aanweesen der voormelde sendelingen wederhouden wierd uE daer toe occasie te geeven dat alweder versuijmt schijnt ten minste vind ik daar van geen blijk maar in tegendeel het antwoord van den Pehats boenie Pangalassang en den Pangoeloe der Maleijers en Matoca der wadjoreesen door uE blijkens dagregister onder datis 5. en 6. december afgesonden om„ te verneemen of uE den vorst alleen konde spreeken so onvoldoende dat ik niet begrijpen kan hoe uE er nog melding van kunt maken en daar mij uit 't gemelde dagregister gebleeken is dat de tweede brief welkers in„ houds niets zackelijks vervat en waar van d' overgave uE dus gelast is sijn bestelling gekreegen heeft waar van uE. bij sijn schrijven al weder geen mentie maakt heeft uE versuijmt mij de andere te rug tesenden ten min„ ste hebbe ik 2 in het pacquet niet gevonden. waar meede dan voor so verre nodig en sulkis als vooren gesigt in deesen vereijscht alle de poincten van uE schrijven b'antwoord hebbende moet ik er nog bij voegen dat aan den geweesen koning van Tambora conform mijn voorstel door haar hoog Edelheedens gepermitteerd zijnde om sig weder ter woon maar bina te begeeven den occassie selve Van Macasserden 14 Junij 173— Van Maccassar Den 14 Iunij 1713— f5 331 selve erlange derwaarts sal vertrecken t geen tot uE narigt so wel kan dienen als dat hoe weijnig men voor hem te vreesen heeft op den selven nogthans een waekend oog sal moeten worden gehouden terwijl ik mij met opsigt tot de voorgem: Craeeng bellasarie refereerende aan baemyn phrij„ „ven van den 29 maart passato ten eersten ompens demadjo„ reesen op Sumbauwa berigt verwagte om des nodig gebruik te kunnen maeken van dan aan mij gedaen en g'am„ plecteerde voorstel door den koning van bonij om weder zijds sendelingen derwaarts tesenden ten haar door immelijke wegen tot verhuijsing van daar te te nood„ sacken. voorts laat ik uE bij deesen toekomen en missive van sijn hoog Edelheijd voor den koning van Salemparang qustij waijantaga voorm: over welker besteling bij mijn op den eersten ontfangst wel eenige bedenklijkheijd is ontslaan maar die ik bij nader overwoeging van hiet geene daar voor en tegen in aanmerking kan komen geoordeeld hebbe gevolg te moeten neemen eensdeels om dat hij self een gesantschap met brieven naar Batavia gesonden heeft bij dewelke hij van de hem gedaene voorslag mentie maakten deese saak dus niet langer voor anderen kan verborgen blijven en anderdeels voornamentlijk om dat daar bij een so gepast als ernstig antwoord gegeeven word op sijn vermeetel schrijven over den gedetroneerden en na ceij„ „lon verbannen koning van goa en over de voormaals gedaene bekruijsingen mitsgaders hem daar bij in de derde plaats in antwoord van desselfs versoek aange„ boden word tol vrijheijd op alle plaatsen daar de Comp: geseten is aan de grooten van karrang Assan en salem„ parang wanneer hij alvoorens de hem gedaen voorslag tot 't aangaan van een contract komt 't amplecteeren uE sal dierhalven de gem: missive bij eerste goede ge„ legentheijd addresse moeten geeven en kan dan te fe„ fens daar by gevoegd worden de hier voorengewaagde brief door mij aan den vorst gerigt welker inhoud om d'aangehaalde reden om insgelijk niet meer geheim behoeft te worden gehouden. voor 't overige vind ik mij gehouden uE nogmaals te vermaenen om voortaan bij sijne brieven een distinct verslag man van 108 333 Van Macasser den 14 Junij 173. Lecert van alle voorvallende saaken in klaare en duijdelijke termen te doen en van alle d'onderwerpen die de beheering van scomp: belangen te bima so met relatie tot der orsten des lands als andersints opgeleeverd schoon daar omtrend weijnig of niets van belang te bedeelen valt ten minste twee maal sjaars mentie te maaken so als de goede ordre vereijscht terwijl ik na groete blijve / onderstond:/ uE goede vriend /:was geteekend:/ P: G: van der voort /in margine:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 20 April 1773 /onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ J: I: vol gesw: Clrcq Aan Nadat mijne nevenslegende van gistern rats afgeschreeven was alhier nog ontvangen sijnde uE brieven van den 9. hujus waar van de eene meede aan de leden van den raad gerigt alweder tegen d' ordre saaken vervaat betref„ „fende de vorsten des lands die alleen ter mijner kennisse gehooren het geen ik voor 't vervolg niet meer hoope te sullen ontwaeren so laat ik deesen dienen om daar op het nodige 't antwoorden en merke dierhalven in d'eerste plaats aan dat het zeggen van den koning van bima als of hij niet hadde voor gehad de parthij van Sangars vorst te wreeken ten opsigte van het bewuste stuks lands bewesten de rivier kampo 't geen als nu volkomen gebleeken en door hem erkend is die van dompo toe te behooren te weijnig geloof verdind als het aanneemelijk voorkomt dat de waare reden vande Manhafte Vroome Discreete Van Maccasser den 14 Junij 173 Aan den Zendrig Alexander Commandant aldaar halst:

NL-HaNA_1.04.02_3389_0343 view scan ↗

English

From Maccasser, the 14 Junij 1773 From Maccassr, The 14 Junij 173 89 335 stubbornness of the king of Sangar to leave those of Dompo in the quiet possession of the said land must only be attributed to the latter's unwillingness regarding the surrender of 16 subjects and 65 slaves, as was ordered to him by resolution of the political council of the 20: Meij 1770, so that it will appear to you from the extract sent to Bima, considering that up until now he has not brought forward any complaints about it, as would have been required if I had not failed to maintain him in this matter just as I have done for the other regarding the aforementioned piece of land, in order to convince them, as well as the other princes, that I intended nothing other than the maintenance of justice and, by giving each his due, to preserve peace and unity among them as allies of the Company. You ought therefore to have confronted both the kings of Bima and Sangar with their wrong, if not scheming, conduct up until now regarding the aforementioned piece of land, as well as the said subjects and slaves, and not merely be content with taking upon yourself the reclamation of the latter, which I nevertheless approve, provided that, following your declaration that the king of Dompo was inclined thereto and 25 heads, among whom were Siauw and his family, were surrendered, I hope will be followed by further good success, and of which I will accordingly await the outcome. But if indeed no more can be found, you will have to convince Sangar's prince thereof, and furthermore, pursuant to my aforementioned letter of yesterday, you must order him not to trouble those of Dompo anymore in the future, if he does not wish to expose himself to chastisement. Regarding the new king of Tambora, it can be reported that he arrived here the day before yesterday. With respect to those of Sumbauwa, it will be very pleasing to me to receive your confirmation soon that the grandees of the realm have departed for Talimang to fetch that prince from there, and, this having actually been carried out, all fear of further discord will have ceased, provided that he will come hither in the upcoming, or at least the following early spring, to swear to the contracts, to which you will have to exhort him, and especially the grandees of the realm, most earnestly. From Maccase, the 14 Muij 173 Accepting the information communicated regarding the known Talla Bancoeloe, although I cannot fathom what you mean by it, I abide concerning that vagrant by what was ordered to you by instruction, recommending that you exercise all necessary circumspection and caution regarding this matter. For the rest, accompanying this with the letter addressed by me to the king of Salemparang, so that it may be delivered to him in accordance with my previous instructions, I remain, after greetings, Your good friend, was signed: P:s G: vander Voort In the margin: Maccasser, in Castle Rotterdam, the 21. April 1773. Underneath: Agrees, was signed: F I: Voll, sworn clerk. The former king of Tambora, as repeatedly mentioned in my last letters of the 20 and 21 of the past month, now departing for Bima to take up his residence there under your supervision, I let this serve as his escort, and to order you, immediately after his arrival, to take an exact record of the number of heads comprising his retinue or own dependents who may remain with him, and further to ensure that all others belonging to the realm are sent thither or given freedom to go their way, in order to avoid all embroilments with the reigning king and the grandees of the realm, to which end you must also continuously ensure that he does not entice any others to himself or keep them with him, and upon Valiant, Pious, Discreet To the Ensign Alexander Lecerff Commandant there From Maccasser, the 14 Junij 173 337 noticing 1 339 From Manaser, the 14. Junij 178 From Maccasser, The 14 Iunij Year 173 noticing such persons, surrender them at once, whereas, on the other hand, in case his people should absent themselves or take themselves to Tambora, you must reclaim them, while for the rest concerning his person I refer to my aforementioned writings, and after greetings I remain, underneath: Your good friend, was signed: P: J: van der Voort. In the margin: Maccasser, The 1. Meij 1773. Underneath: Agrees, was signed: J: Voll, sworn clerk. The elected king of Tambora, confirmed by us on the 12. of this month subject to the favorable approval of Their High Mightinesses, but having passed away on the 24 thereafter, you are hereby informed thereof, as well as that the jenelis and glawangs who came here with him, constituting the principal part of the grandees of the realm and especially of those who can vote in the election of a new king, having proposed to me as such the deceased's son, the onkorato or crown prince named Bone, who has reached the age of ten years, and that the Jenelie Kiure, as the closest relative apart from the Tureli Tambona, who is the mother of the deposed prince, and the current Tureli Kankilo, who is a Bimanese by descent and therefore ought to be excluded, be appointed regent of the realm during the prince's minority, or at least that both might be provisionally recognized as such, because the laws dictate that the body of the deceased prince cannot be laid to rest before and until an- Valiant, Pious, Discreet To the Ensign Alexander Lecerp Commandant There other

Dutch transcription

Van Maccasser den 14 Junij 1773 Van Maccassr Den 14 Junij 173 89 335 halstaarigheijd van den koning van Sangar om die van Dompo in de geruste possessie van het gesegde land te laeten alleen moet oegeschreeven worden aan des laastgemelde onwillig„ „heijt tot d'overgave van 16 onderdaenen en 65 slaeven so als hem bij politicq raads besluijt van den 20: Meij 1770 g'ordon„ „neerd is invoegen uE bij het na bima gesonden extract sal blijken gemerkt hij daar van tot dus verregeen gemag veel inin daar over sijne klagten ingebragt heeft so als vereijscht hadde wanneer ik niet ingebreeke soude gebleeven sijn hem in deesen so wel te maintineeren als ik den anderen hebbe gedaan omtrend het voorm: stuk land ten eijnde haar dus so wel als de verdere vorsten tovertuijgen dat ik niets anders bedoelde dan de handhaving van de geregtigheijd en om ieder het sijne geevende de ruste en eenigheijd onder deselve als sComp: bondgenooten te Conserveeren uE hadde dierhalven de koningen van bina en sangar beide hun verkeerd so niet intrigant ge„ „drag tot dus verre met betrecking tot 't meerm: stuk Lands als de ged: onderdaenen en slaeven dienen voor te houden en sig niet enkeld te vergenoegen met de afvordering der laastgem: op sig te neemen 't geen ik ongthand approbeerende mits us betuijging dat den koning van dompo er toe genegen wasen en 25 koppen waar onder siauw en sijn gestagt overgegaven waeren hoope van een verder goed succes te sullen worden gevolgd en waar van ik over sulks den uijtslag sal blijven afwagten dog to er waerlijk niet meer te vinden sijn sal us Cangans vrast daar van dienen te overtuijgen en hem voort overige conform mijn opgem: van gisteren moeten gelasten om voortaan die van dompo niet meer t ontrusten bij aldien hij sig niet aan kastijding wil bloot stellen Nopens den nieuwen koning van Tambora een lijk temelden vallende dat denselven op eergisteeren alhier gearriveerd es diend met betrecking tot die van Sumbauwa dat het mij seer aange„ onaam sal weesen eerlange Confirmatie te krijgen van uE: bericht dat de rijks grooten naar Talimang sijn vertrocken om dien vorst van daar af te haelen en sulks ook werkelijk uitgevoerd zijnde alle bedugting voor verdere oneenigheijd gecesseet sal weesen mitsgaders den selven in't aanstaand: na den wel volgende vroege voor Jaar herwaarts sal komen ter besweering der Contracten waar toe uE hem en voornamentlijk derijksgrooten ten erstigsten sal moeten adhorteeren, mits het Van Maccase den 14 Muij 173 — Het bedeelde nopens de bekende Talla Bancoeloe voor Commis „nicatie aanneemende of schoon ik niet bevroeden kan mat uE daar meede bedoeld gedrage ik mij ten belange van dien swerver aan het uE bevolene bij instructie onder recommandatie om alle nodige om en versigtigheijd daar omtrend te gebruijken in deese voor't overige taetende verseld gaan van de brief door mij aan den koning van salemparang gericht ten eijnde aan denselven conform mijne voorige besorgt so blijve ik na groet /odeet:/ uE goede vriend /:was geteekend:/ P:s G: vander voort /in Margine / Maccasser Jen 't Casteel Rotterdam den 21. April 1773 /onderstond / Accordeert /:was geteekend:/ F I: Voll gestw: Clercq. De geweese koning van Tambora nat meermelde bij mijne laatste van den 20 en 21 der voorleeden maand thans naar bima vertreckende om aldaar sijn verblijf tehouden onder uE oogen opsigt solaat ik deesen dienen tot desselfs geleijde en om uE te gelasten om aanstonds na sijne komste exact op ten eemen het getal der koppen sijn lijfvolk of eigen onderhoorige uijt„ maakende die bij hem sullen kunnen blijven en verder te sorgen dat alle andere die tot het rijk behooren derwaarts gesonden of vrijheijt gelaten worden hunnes weegs te gaan ter mijding van alle brouillerien met den regeerende koningen rijksgrooten ten welken eijnde uE ook bij Continuatie sal moeten letten dat hij geene anderen tot sig loket of bij han aanhoud en sulks Manhafte woomed Discreete Aan Den venrdig Alexander Lecrff Commandant aldaar Van Maccasser den 14 Junij 173 337 ontwaarende 1 339 Van Manaser den 14. Junij 178 Van Maccasser Den 14 Iunij A„o 173 ontwaarende de sodanige ten eersten weder overgeeft waar en tegen uE ook ingevalle de sijne sig absenteeren of sig na Tambora begeeven mogten deselve sal dienen terecla„ „meeren terwijl ik mij voor het overige ten belange van sijn persoon aan mijne opgemelde schrijvens gedrage en na groete blijve /:onderstond:/ uE goede vriend /:was geteekent:/ P: J: van der voort /:in margine:/ Maccasser Den 1. Meij 1773 /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ J: voll gestw: Clercq De g'eligeerd koning van Tambora door ns op de gunstige approbatie van haar hoog Edelheedens den 12. deser bevestigt dog den 24 daar aan overleeden zijnde se word uwE daar van so wel bij desen kionis gegeven als dat de met denselven hier gekomene fenelis en glawangs uitmakende het voornaam„ ste gedelte van de rijks grooten en insonderheijd van die geene welke kannen stammen in de verkiesing van een nder koning aan mij als sodanig voor„ gedragen hebbende des overleedens soon den onkorato of kroonprins met naeme bone die den ouderdom van tien Jaaren bereijkt dat den Jenelie kiure als daar toe de naaste buijten de Tureli Tambona sijnde de moeder van den afgesetten vorstenden tegenwoordigen Tureli kankilo die een bimanees van afkomst is en der halven behooren te worden uijtgestooten„ gedeurende sprincen minderjarigheijd tot regent van 't rijk be„ noemd ten minste deen en ander als sodanig bij provisie magte woor„ den erkend ter oorsaak de wetten dicteeren dat het lijk van den over„ leeden vorst niet kan worden ter aarden besteld voor en al eer er een Manhafte roomd Discreete Aan den vindrig Alexcander Lecerp Commandant Aldaar Aam ander

NL-HaNA_1.04.02_3389_0346 view scan ↗

English

The 14 June 173. From Makassar From Makassar The 14 June 173 another has been nominated, I have consented thereto on condition that the said Jernelis and Glarrangs, who return under this escort, immediately upon their arrival on Tambora in a combined assembly, in which Your Honour will if possible need to be present, give notice of what has occurred here and shall have to bring the matter to a further inquiry, in order subsequently, whether they persist in their intention or choose another as king, to bring the same hither with an express embassy at the very earliest and even yet within this year, at least in the former case the aforementioned Fen Li Her or whoever may be chosen as Regent, to swear to the contracts; to all of which Your Honour will therefore need to pay attention, earnestly exhorting them to both matters if necessary, to the end that they do not again fail in their duty and obligation; which I can also the less expect by reason of the request granted to them to be allowed to take along the State Ornaments which were handed over to the deceased Rees, and their solemn promise and vow to fulfill the aforementioned sacredly; wherewith, after greetings, I remain, Your Honour's good friend, signed, P. G. van der Voort. In the margin: Makassar, in the Castle Rotterdam, the 26 May 173. Below stood: Agrees, was signed, as clerk. Honourable, Pious, Discreet. To the Residents of Bulekomba and Bantaeng, As well as of Saleyer. Seeing that I have received report these days that the Papuans and Serammers with thirty kora-koras are said to have made an invasion upon some islands belonging under Buton, and such being true, reasonably awakens apprehension for other bold enterprises of that predatory rabble, and especially upon the Company's districts under Your Honours' residency, I therefore not only give Your Honours notice thereof by this, but also order Your Honours at the same time to be constantly on their guard so as not to be taken by surprise by the same unawares, and at the same time to recommend a careful vigilance and a timely warning to the inhabitants thereabouts whenever any of their vessels might be seen here or there, which Your Honours must try to get into your grasp as far as possible without, however, exposing yourselves to danger, advertising me thereof at the speediest in such a case, in order to be able to assist you as required, either by the dispatch of vessels or otherwise; meanwhile, after greetings, I remain, Your Honour's good friend, signed, P. G. van der Voort. In the margin: Makassar, in the Castle Rotterdam, the 5 June. Below stood: Agrees, signed, S. vol gester Clerk. To the Junior Merchant Matthijs van Ressum, Resident there. Honourable, Pious, Discreet. In reply to Your Honour's letter of the 4th of this month, it serves to state that I have discharged the mountain regent of Lalotje, named Gawoe, and in accordance with the request of the lesser chiefs who have come over here, have appointed in his place the person of Daeng Manrjuere, who returns to you along with the same under escort of this letter; wherewith, after greetings, I remain, Your Honour's good friend, signed, P. G. van der Voort. In the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, the 7 June 173. Below stood: Agrees, was signed, as clerk. Right Honourable Worshipful Sir. To the Right Honourable Worshipful Sir, The Right Honourable Worshipful Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, etc. etc. etc. I hope these my humble lines may find Your Right Honourable Worship in perfect health, alongside which I make known to Your Right Honourable Worship that these below-mentioned Tanette people and Bugis refuse to pay any tithe. At the negorij Talla, Goeroe Talla, which is tithed for 6 gantings of rice, this Goeroe Talla says that it is the paddy of Salekika of Bontowala and that he had this paddy brought to Makassar and told this Goeroe to refuse to pay any tithe, although it is the custom that Salekika's paddy is tithed; and if I want to have the tithe, I must come to Makassar and go with him to the Shabandar to speak about it. Care Mang Cenckie, for 8 gantings at the same negorij, says: I am of the Shabandar's people, and will not pay before the Shabandar tells me to. Datoe a Coping, at the negorij Limpanang, for [illegible] gantings, says: I am not accustomed

Dutch transcription

Den 14 Junij 173. Van Maccasser Van Maccasser Den 14.: Iunij 173 45 341 ander benoemd is ik daar inne hebbe geconsenteerd onder voorwaarde dat gem: Jernelis en glarrangs die onder geleijde dees te rig keeren anstonds bij hunne komstiop tambora ineen gecombineerde vergaadering waar in uE: de mogelijks sal dienen presten te weesen van het alhier gpassede kennisse geeven en de saak in nadere omvrage sullen moeten brengen om vervolgens 't zijer bij hun intentie gepersisteert op e ander tot koning geligerd woor den sel„ ven met een xpres gesantschap ten alderspoedigsten en elfs wog in dit jaar herwaarts te brengen ten minste in het eerst geval voorm: fen li her of den geene die tot Regent mogt worden verkooren om de contracten te besweeren op alle het welke uE dierhalven sal dienen te letten haar des noods tot het een en ander ernstig adhorteerende teneijnde sij alweder aan haeren pligt en gehoudenisse met komen te manqueeren 't geen ik ook te minder verwag„ „ten kan ten oorsaake van het aanhaar geaccordeert versoek om de Rijksorna„ „menten die men den overleeden rees inhandigt heef temogen meede nemen en haere senieus toesegging en belofte van het hier vooren gemelde heijlig thulen nkom„ waar meede na groet blijve /onderstond/ uE goede wiend /va geekend:/ P: G: van der voort /: in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 26 Meij 173 /(onderstond:/ Accondeert / was geteeken:/:' volgesw Carca„ Aangesien ik deser dagen bericht ontfangen hebbe dat de Papoeers en cerammers met dertig corre corren een invasie souden hebben gedaan op eenige Eijlanden onder Bouthon gehoorende en sulkis waar sijnde billijke bedugting vermekit voor andere Htoute onderneemingen van dat roofgespuijs en wel insonderheid op sComp: districten onder uE: resident so geeve ik uE: daar van met alleen bij deese kennisse maar gelaaste uE teffens steeds op hunne hoede te weesen om niet onvoorsiens door deselve overvallen te worden en om teffens de Jngesetenen daar omtrend een sorgvuldige waaksaamheijd en een tijdig waarschuwing aan te beveelen wanneer eenige haeren vaartuijgen hier op daar moose „vernomen worden die uE to vere mogelijk in de kimp moeten tragten te krijgen sonden sig egter aan gevaar te exponeeren mij ten spoedigsten Eersame vroome Discreete Aan De Residenten van Boelecomba en Bonthain Mitsgader van Saleijer Aan 97. 343 Van Maccasser Den 14 Junij 173 — van Macassen den 14 Juniy 173 in sulken gevalle daar van adventeerende om ul 't zij door tesending van vaartuijgen ofte andersints na vereijscht te kunnen assisteeren inmiddens blijve ik nagrot /onderstond:/ uE goede vriend /was geteekend:/ P: G: van der voort /in margine:/ Maccasser In't Casteel Rotterdam den 5: Junij/:onderstnd:/ Accordeert/ geteekend:/ : S: vl gestm: Clercq. Aan den onderkoopman Matthijs van Ressum Resident aldaar Eersame vroome Discreete. In antwoord van uE schrijven van den 4. deser dient dat ik den berg regent van lalotje in name gawoe ontslagen en conform het versoek der alhier overgekomene mindere hoofden indeself plats werder aangesteld hebbe de persoon van dain Man rjuere dienevensdeslve tot ut teruigheer onder geleijde deses waar meedena groet Hlijve /:onderstod:/ uE: goede vriend /was geteekend:/ P: G: van der voort /in margine / Macaserin Castel Rottendam den 7 Junij 173 /ordertend/ beorden/wagteken: : F:n vol getn lrg Hoope uwel Edele Agtbaare deese mijne geringe letteren in een vol„ maakte gesondheijt moogen aantreffen waar nevens ik uwel Edele agtb: bekend maake als dat dese onderstaande tanettereesen en boegineesen geen vertiening willen betaalen op de negorij talla goeroe talla die is voor 6. gontings rijs vertient deese goeroetalla segt dat' salkika van bontowala sijn Padijis en dat die deese padie heeft lacten haelen na macasser en gesegt heeft aan deese gperoe van geen vertienig te wile betalter vijftgengebruik is dat am akikia sin padij vertient worden indien ik de vertiening hebbe wil op marcasser koomen moet en met hem bij d' heer siabandhaar gaan om daar over tespreeken. Care mang Cenckie na gantings op deselve ngoij egt k ben vand her sa ƒ „andhar sijn volk en wil niet betaelen voor al eert mijn d'Eee salam an segt. Datocea Coping op de negorij Limpan ngang de ganting uijt segt ik ben niet Wel Edelen Agtbaeren Heer Aan den wel Edelen Achtbaeren Heere Den welEd: Agtb: heer Paulus Godofredus van der Voor 't Gouverneur en directeur deser Custe Celebes &: &: &, Aan gewoon -

NL-HaNA_1.04.02_3389_0348 view scan ↗

English

9q 345 From Maccasser The 14 August 173— From Maccasser The 14 June 173— accustomed to be tithed in rice and also refuses to pay rice, but rather as much paddy as they have, which they will pay, and that I am accustomed to receive tithes in paddy, but no rice. Toappa of Dinegoij Kichiang, being named, said the same, that he was not accustomed to be tithed in rice, but rather in paddy, and also refuses to pay, amounting together to 216 gantangs of rice, for which the sloop that lies here is waiting, and fearful for the vessel, as the bad monsoon is already beginning well here. I have already sent three letters with the clerk of Tanette to the Shahbandar and requested the assistance of the Shahbandar, two of which were answered by the Shahbandar to me, stating that this clerk would assist me, and seeing not the least help from the clerk of Tanette, I am compelled to request help from Your Honourable Worship, since I receive no answer to my last letter which I have recently sent to the Shahbandar, and do not know in what manner I shall obtain this tithing, for they state outright that they refuse 178 to pay rice; with which I break off, wishing God's precious blessing upon Your Honourable Worship, and remain with great respect. Below stood: Right Honourable Worshipful Sir. Lower: Your Honourable Worship's very humble and obedient servant. Was signed: J: F: Paal. In the margin: Zageerie, the 22 November Anno 172— Below stood: Agrees. Was signed: F: T: Voll, sworn Clerk. While the regents of the upper district continue to delay with their appearances, I have the honour to let this serve to accompany the annual tribute of Bira, as well as both claimants to that vacant regency, namely Daeng Salatang and Daeng Todjing, of whom the first, although having in himself no greater right than the latter, for both are nephews of the deceased, yet through the general approval of the Pangerangs and the desire of the common people enjoys great preference over the latter, who is supported only by a certain priest and a former pangerang. The Briton, having been addressed by me concerning his departure to Maccasser, since my present condition and daily increasing complaints make his longer stay here entirely needless, said he wished to request Your Honourable Worship to be permitted to depart again via Saleijer to Maccasser. Honourable, Worshipful, Severe, Valiant, Wise, Provident, Very Generous and Discreet Sir. To His Right Honourable Worshipful Sir Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of the Coast of Celebes. To I 347 101 From Maccasser The 14 June 1732— From Maccasser The 14 June May it please Your Honourable Worship to grant the friendly request that Your Honourable Worship may be pleased to arrange regarding this gentleman, be it that he shall depart for Saleijer or directly for Maccasser, since here nothing occurs for which I would require his assistance. Furthermore, I have the honour to report to Your Honourable Worship that the new coin is generally in circulation here and on Boonthan among the native population. Here and there there may be some murmuring, which is of no consequence, and I have counted out all the coin mixed among the good monthly pay to the people without anyone objecting to it, since the native everywhere was found ready to accept it. Having nothing further to add at present, I have the honour to subscribe myself with all esteem and respect, Right Honourable, Worshipful, Severe, Valiant, Wise, Provident, Very Generous and Discreet Sir. Lower: Your Honourable Worship's humble and most obedient servant. Was signed: A: D: Mol. In the margin: Boelecomba, the 7 November 172— Even lower: P.S. Shortly before closing, the remaining regents of the standard of Bira arrived, namely Lemo Lemo, Taa, Bonto Tanga, and Tanna Berde, all in their own person except the last-named, who, prevented by weakness, has delegated his brother for that purpose, to offer their customary tribute to Your Honourable Worship. Below stood: Agrees. Was signed: I: D: Voll, sworn Clerk. It took no small effort to bring the arriving Karaengs and Galarangs of the remaining highlanders in this regard to their duty. Daeng Manodjengang, provisional Regent of Lange Lange, and Calla of Wero request, upon the delivery of their annual tribute, to be confirmed in this post through Your Honourable Worship's approval; the remaining Galarang Hiro, Karaeng Graffing, and Galarang Batang come solely to offer their annual tribute to Your Honourable Worship. Right Honourable, Worshipful, Severe, Valiant, Wise, Provident, Very Generous and Discreet Sir. To the Right Honourable Worshipful Sir Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of the Coast of Celebes. To This

Dutch transcription

9q 345 Van Maccasser Den 14 Auij 173— Van Maccasser Den 14 Iunij 173— gewoon voor rijst vertien te worden en wil ook geen rijst betaelen maar welje soveel ondijhebendie velck betal en dat ben ik gevoon noor padijveten te werden maar geen rijst Toappa op dinegoij kichiang ne gen: sog 'tsefde van mit gewoont sin vorijt vern „tient te worden maar welvr padijen ook gen uijt betaele wil bedraegend te samen 216 gant: rijst alwaar de bloep die hier leijd na wagt en bang voort vaartuijg den dewil de quade mousn hier al moij begint mnal drie brieven heb met den schrijver van tanette aan d heer saband haar gesonden en versegt heb om de hulpe van de heer sabandhaar waar van mijn twee van de heer sabandhaar beantwoord sijn als datdese schrijver mijn hulpe souw en in't munstgeen hulp van dschrijver van tanette sie genootsaakt ben om uwel Ed: Agtb: heere om hulpe te versoeke dewijl ik geen antwoord krijg op mijn Laatste brief die derwijl ik aan de heer sabandhaar gesonden heb en niet weet op wat manier ik dese vertiening krijgen sal want ijregt uijt sege gen rijst te 178 willen betaelen waer meede ik afbreeke onder toewinsching van godes dierbaare zeegen over uwel Edele agtb: met veel Eerbied ver blijve /onderstond:/ wel Edelen agtbaaren heere /:Lager:/ uwel Edele agtbare seer onderdanige en gehoorsaame dienaar /:was geteekend:/ J: F: Paal /: in margine:/ Zageerie den 22. november Ao 172 /onderstond:/ Accordeert /:was getek:/ F: T Voll gesw: Clercq. Terwijlde regenten van de boven strek nog al blijven maren met ophioonen heb ik de Eere desen telaten dienen ten geleijde se van hit Jaerlijkschen tiebut van bira als van de beide pretendenten tot dat openstaand Regent schap sament. lijk Danig Salatang en Danig Todjing van welke de eerste houwel op sig selven geen meer regt hebbende dan de laatste want beide sijn sij neeven van den overleeden door de algemeene goedkeuring der Pangerangs ende be„ geerte van 1 minder volk groote preverentie boven den laasten heeft die slegts door sekeren priester en eenen geweesen pan gevang onderstunt wordt De brhijts door mij over sijn vertrek naar Mattase sinde aangesproken allo mijn tegenwoordige gesteldheijd en dagelijks toeneemende kwagten sijn langer verblijp alhier geheel nodelos maken zijde mij u Ed: agt: te willen versoeken om over saleijer wederom naar maccassen temogen vertrecken medlEdele Agt erntfeste Aanlaste ije verinige zer geneur en Discreete Heer. Aan Dijn wel Edele Agtaren Heere Paulus Godofredus van der Voort gouverneur en directeur ter Custe Celibes Aan Ik 347 101 Van Maccassr Den 14 Iunij 1732 — Van Maccasser Den 14. Junij Magte he meiguweld agt van in ijd ts ijn vorenen ve te agen et vriendelijk versek dat wel d agt en pordigedese hir agande glievent velen het sijdan dat hij naar saleijen dan wel direct naar macasser vertreken sal vermits hier nitste dan valt waar toe ik sijne hulpe nodig desoude hebben wijden hebbe kede Een uwe Ed agt: temelden dat het nieuwe paijement alhier en op boonthan bij dnilander intalgemen gangbaar is hier endaar moge er en moomen disis van geene influentie en ik hebbe al het paijement onder de goede maande penningen gemengt aan het volk toegeteld sonder dat jemand en iets teegen had vermits sig den Jnlander over al gereed vond om het aan te neemen. hier bij thans nietste voegen hebbende heb ik de Eer mij met alle agtingen Eerbiet te ondertekenen / wel Edele agtbaare Erntfeste Manthafte wije voorsienige seer genereus en discaete her/lager:/ uw E: agtb: onderdange en ghoosaamsten dienaar /:was geteekend:/ A: D: Mol /in margine:/ Boelecomba den 7 november 172 /nog lager/ : s: kor vor het sluitendes quamen de nog resterende regenten vant vaandel van birateweeten lemo lemor taa bonto tanga en tanna berde allen mn eijgen persoon behaalven laastgen die door swaakheijd belet sijnen broeder ten dien eijnde heeft afgewvaardigt om hun gewoon Gribuit uw Ed Agtb: aan te bieden /onderstont:/ Accordeert /was geteekend:/ I: D: vol getr: Clarcq: Theeftgen geringe moet gehot deto uw E: Agt: han ovorkomende Craings en glarrangs der nog overig zijnde boven landers in deesen opsigt tot hunnen pligt te brengen Daeeng Manodjengang provisioneel Regent van lange lange en Calla van wero versoeken bij het opbrengen van hun Jaarlijks trbuit teffens ook in deesen post door uw Ed: agtb: goedkeuring temogen levestigt worden de overige glarang hiro crang graffing en larang batang komen enkel om hunnen Jaarlijkschen sijn uw Ed: agtb: aan te bieden. Wel Edele Agtb Erntfeste Manhafte wijse voorsienige zeer Genereus en Discreete heer Aan den Wel Edele Agtbaren Heer Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en Directeur Ter Custe Celebes Aan Dit

NL-HaNA_1.04.02_3389_0350 view scan ↗

English

103 349 From Maccasser the 14th of June 173 — From Maccasser the 14th of June 173— This would be enough of this and I could proceed to something else, were it not that something has occurred which seems necessary for me to report to Your Honorable Worships. Namely, while my interpreter was summoning the aforementioned regents, he heard, not without astonishment, that the daughter of Craing Tiro had married the well-known Daeng Latilla, son of the Ponggawwa, an arch-scoundrel who, even during my absence here in Bantaeng, committed no small amount of insolence. Craing Tiro, summoned hereupon by Muller, excused himself every time under the pretext of a severe illness; inquiring even of his wife, he received the answer that neither she nor her husband, being absent precisely at that time, had known anything of this whole marriage until, having returned, they saw Daeng Latilla as a son-in-law in their house. How improbable these pretexts are, Your Honorable Worships will readily see. Having been informed of the incident by Muller while still there, I wrote to them that he, Daeng Latilla, must go no further before I had written to Your Honorable Worships concerning this matter. Now, to my astonishment, I hear that the supposedly sick Craing Tiro, together with Daeng Latilla, have departed beforehand for Maccasser, with no other possible purpose than to complain about me to Your Honorable Worships regarding my conduct toward that Latilla. Yet if this should be so, may it please Your Honorable Worships to consider that according to my duty I could not leave such a scoundrel in the country, the more so because this marriage seemed to have been entered into against the wishes of both parties. Therefore, thinking that my conduct in this matter will not be disapproved of by Your Honorable Worships, I take the liberty to request Your Honorable Worships to confront Craing Tiro with the reprehensibility of his conduct and, if it were possible, to break this marriage entirely, which cannot be anything other than detrimental to the Company's interests. And surely the Bonians already have too much footing here in the country, both through previous encroachments and similar marriages, for scoundrels to be bold enough, relying on themselves with no other support than that of an illustrious birth, to enable themselves through such intermarriages to undertake with impunity and under cover whatever insolence enters their minds, to torment in all kinds of ways the quiet subjects and such of their own people as conduct themselves honestly and well on the Company's land, and ultimately to bring about a complete decline among the Company's subjects. gone 350 From Maccasser the 14th of June Anno 1773 — From Maccasser the 14th of June 1732 15 The abundant supply of water and the daily fine weather reinforce in us the hope of a forthcoming richer harvest, which I long for with heart and soul. The firmly promised promotion of the soldier Schmidt in Your Honorable Worships' highly honored letter of 21 November gladdens me heartily, while I continue to acknowledge with a grateful heart Your Honorable Worships' goodness in being so favorable toward my request in this matter. Here I have the honor to commend Your Honorable Worships to the divine protection and aid, calling myself with all high esteem and respect, below stood: Right Honorable, Worshipful, Valiant, Manly, Wise, Prudent, Most Generous and Discreet Sir; lower: Your Honorable Worships' most obedient and humble servant; was signed: N: d: Mol; in the margin: Boelecomba the 2nd of December 1772; lower: Agrees; was signed: F: I: Voll, sworn clerk. In answer to Your Honorable Worships' honored letters of the 18th, 4th, and 29th, it serves to report that the sloop De Verlooren Soon, together with the pantchiallangs De Boreas and De Opas, have arrived safely at Bonthain with their cargoes and will depart whenever the weather shall permit them to do so. It was pleasing to us that the matter of Craing Tiro was so easily settled and put out of the way, and we hope that according to his word peace and quiet may be lasting in that country in the future. With very much regret the first undersigned testifies his grief over what occurred with the craings concerning the tinning, they having accused him of committed extortions. Nevertheless, he testifies against this with a clear conscience that this Right Honorable, Worshipful, Respected Sirs, To the Right Honorable, Worshipful Mr. Paulus Todofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes, together with the Council at Castle Rotterdam. To say

Dutch transcription

103 349 Van Maccasser den 14. Junij 173 — Van Maccasser Den 14 Junij 173— Dit waere genoeg hier van en konde ik tot it anders voortgaan waar er niet iets voorgevallen dat mij noder dunkt aan uw Ed: Agtb: te melden terwijl namentlijk mijn tolk de genoemden Regenten op riep hoorde hij niet sonder verbastheijd dat de dogter van craing Tira gehuwt was aan den bekanden daeeng Latilla soo van den Pongau„ wa Een harts schelm die selfs geduurende mijne afweesentheid hier te bende niet wennig baldadigheeden gepleegt heeft craiigtiro hier op door Muller ontboden verschoonde tig telken rijse onder voortwentsel eener swaare sietie den ander selfs huijsvrouw onder vragende kreeg ten antwoord dat sij nog haar man juist toen ter tijd afweesig van dit gantsche huwelijk niets geweeten hadden dan wanneers te rug gekomen danig Latilla als schoon soon op hun huijs saagen ste onwaarschijnlijk deese voorwensels sijn siet uw Ed: Agtb: ras. Ik van 't voorgevallene door Muller nog taar sijnde onderrigt schreep hun dat hij Daeeng Latila maar corst niet verder gaan voor ik uw Ed: Agtb: over deesen zaak geschreeven had. Nu hoor ik tot mijne verbastheid dat de so zieke Craing Tiro neeven Daeng Latilla voor uit mnaar Maccasser zijn heen gegaan met geen ander oogmerk mogelijk als om mij bij uw Ed. e agtb: nopens mijn gedrag omtrent dien Latilla te beklagen Dan so dit dus mogt zijn gelieve uw E: agtb: te bedenkien dat ik volgens pligt sulk een schelm niet op 't land kon laten te meer daar dit huwelijk tegens bij der onderen Iin scheen aangegaan. Derhalven denkende dat mijn gedrag in deesen bij uw Ed: agtb: niet sal worden afgekeurt neeme ik devrijheijt uw Ed: agtb: te versoeken Craeeng toro de laakbaarheijd van sijn gedrag onder 't oog te brengen en waare het mogelijk dit huwelijk geheel te breeken dat niet anders dan schadelijk weesen kan voor sComp: belangen. en seeker hebben de boniers reets so door doet voorige inkruijpingen als soort gelijken huwelijken te veel voets hier te lande dan dat schelmen stout genoeg om van sich selven sonder andere steun dan die van een aansienlijke geboorte sch door sulke aanhuwelijkig in staat sellen om ongestraft en gedeket alle te onderneemen wat baldadigheijd hen ingeet de stille onderdaanen en sulke van hun eijgen volk als sich op comp: grondeerlijken wel gedragen op allerhande wijsen te quellen en ten laatsten een gantsch verloop onder de Comp: onderdaanen te weege te brengen gegaan 350 Van Maccasser den 14: Junij A„o 1773 — Van Maccasser Den 14' Junij 1732 15 De ruijme overvloet van waeter en het dagelijks schoon weder versterken bij ons de hoope op een kort aanstaande rijker insaam waar naar ik met hart en ziel verlange De vastlijk toe gesegde verbetering van den soldaat schmidt bij uw Ed: agtb: hoog gEerden van den 21 9ber: verblijt mij harlijk terwijl ik uw Ed: agtb: goedheid in deesen van mijn versoek so gunstig te sijn geweest met een dankbaar hart blijve erkennen Hier heb ik de Eere uw Ed: agtb: der goddelijke hoede en hulpe aanbevoolende mij met alle hoog agting en Eerbied tenoemen /:onderstond/ wel Edele agtb: Erntfeste Manhafte wijse voorsienige zeer genereuse en discreete heer /:lager:/ uw Ed: Agtb: gehoorsaamsten en onderdanigste dienaar /:was geteekend:/ N: d: Mol /inmargine :/ Boelecomba den 2 december 1772. /(lager:/ Acordeert /:was geteekend:/ F: I: voll gesw: Clercq. Ter beandtwoording van uw: E: agtb:geEer schriven van den 18: 4 en 29 dient dat de chialoup De verlooren soon neevens de Pantjallangs de boreas en de opas behouden op bonthain gearriveert met hunne Ladingen vertrecken sullen wanneer t weder hun sulkis toe sal laeten aan „genaam was het ons dat de saak van craintiro so maklijk vereffenden uit de waereld geholpen was en wij hopen dat be sijn woor tand dat in het toekomen de de rust en stilte daar te lande bestendig moge sijn. Met seer veel Ledweesen betuijgt den Eersten Teekenaar Sijnesmean ten over't voorgevallene met de oraings weegens de vertining als zijnde door hen betigt van gepleegde kinevelarijen Even wel betuigt hij met een onschuldig gewisse hier tegen dat dit Wel Edele Agtb: seeren Heeren Aan Den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Todofredus van der voort Gouverneur en Directeur ter Custe celebes nevens Den Raad ten Casteele Rotterdam. Aan seggen

NL-HaNA_1.04.02_3389_0352 view scan ↗

English

From Makassar, 14 June 1773. From Makassar, 14 June 1773. saying, and pure burdens, in my view originating from and imposed by the chiefs, whether they were to be tithed instead in paddy alone, in which what was commanded, nor forbidden, was to be tithed half in rice and half in paddy. This is all of which he is aware. Nevertheless, he was from the beginning not disinclined, should the chiefs be displeased about this, to give them satisfaction on that account, just as he has already given to Craing Gantanang. It would be easy for him, besides many witnesses, to produce a multitude of reasons, both in defense of his conduct in this matter and to indicate how far the insolence of the natives, which he has experienced before, went also in this case, and how little such scoundrels deserve to be believed at their first word. Seeking only the Company's welfare, no vile self-interest drove him to spend a single grain for his own advantage, but he has offered everything with honest dealings to the Company. And as he dreads no investigation, however rigorous, he willingly submits himself to the inquiries of both commissioners sent by Your Honorable Worships. According to the contents of Your Honorable Worships' highly esteemed letter of the 24th of the past month, having made proper and liquid transfer to the Honorable Simon Monsieur in the presence of the Bookkeeper Hendrik Welvaart and the Sergeant Johan Hendrik Steijger, I let the same accompany this, together with a distinct Memorandum of Native Affairs, while, on account of being fully occupied and bodily weakness, I have not yet been able to proceed with the introduction of the second undersigned, although that ceremony will take place shortly. Having hereby answered all of Your Honorable Worships' highly esteemed letters, it remains for me to report to Your Honorable Worships that the surgeon Gestima passed away here on the 3rd of this month without leaving anything behind, and as this death brings us into great embarrassment on account of several sick persons who are now entirely helpless and not out of danger, it is the humble request of both undersigned to be provided as soon as possible with a capable subject in the deceased's place. Furthermore, I renew once more my request made in my last of 20 January concerning the exchange of the uncurrent currency for current coin. Lastly, I submit humbly to Your Honorable Worships a request that the soldier Philip Nicolaas Schmidt, who was exchanged by Your Honorable Worships to the pen, be granted to me, who still remains in a helpless condition, for company and assistance on the journey. Herewith I have the honor to call myself, with all due respect and reverence, undersigned, Right Honorable Worshipful Lord and Sirs, lower, Your Honorable Worships' humble and obedient servants, was signed, N. D. Mol and S. Monsieur. In the margin: Boelecomba, 31 January 1773. Undersigned: Agrees, was signed, J. Voll, sworn clerk. Since by the favor of Their High Mightinesses it has been granted to me to exchange this post for another, while I shall transfer to Your Honor the oversight of the first-mentioned, and as on this occasion it has been the ancient custom to provide one's successor with the necessary disclosure both of the state of affairs in this residency and of the method of dealing that one is accustomed to maintain among the natives, I offer Your Honor this Memorandum, which, although not prolix in Sir, Memorandum drawn up and left behind by Nicolaas Dionisius Mol, Junior Merchant and outgoing Resident of Boelecomba and Bonthain, to his successor, the fellow Junior Merchant and elected Resident Simon Monsieur. Memorandum From Makassar, 14 June 1773. From Makassar, 14 June 1773. needless trivialities, will reveal clearly enough to Your Honor what is most necessary to be known. First of all, this country is divided into two large parts, named after the two posts by the common name of Boelecomba and Bonthain. The first is again subdivided into Biera or the Upper District, Tiro, Oedjong, Loehoe, and Ganterang. Biera comprises within itself the regencies Tanna Beroe, Lemo Lemo, Bonto Tanga, and Ara, thus forming a body of five called the banner of Biera. Biera currently has as its Craing, Daeng Salattang, of whom, being newly appointed, nothing can yet be said. Tanna Beroe is ruled by a certain Daeng Mangeamba, Lemo Lemo by Daeng Matino, Bonto Tanga by Daeng Taidsie, and Ara by Mazezee. Their feudal service, divided among each other, consists in maintaining the bastion on the west side of this post with palisades, galleries, and washboards; furthermore, they are obliged to deliver annually in October their tribute of white Biera cloths and to supply a provision prahu with twelve men for bringing up annual necessities and defective goods. They find their livelihood in seafaring and in building prahus. Just like Biera, Tiro, together with Lange Lange, Grassing, Batang, and Weero, forms another banner. Tiro has as regent Daeng Mannilang, Lange Lange Daeng Manodjengang, Grassing Batang and Weero, Zalla. These are obliged to deliver their tribute consisting of cotton gifts annually in October at Makassar, to provide the post on the east side with palisades, and to build and maintain the Resident's dwelling as well as the warehouse, the military guardhouse, and the house of the interpreter. Hereupon follows the district of Oedjong, truly a very fertile region, but since the departure of the Bonians and the flight of many subjects in the war of Tjalla Paneekie in the year 1749, greatly diminished for lack of planters. This is ruled by a Craing named Manno, under whose authority stand the Gallarrangs of Panjikokang, Majampa, Soesong, and Palagisang. These deliver to the Honorable Company the tithe of their crops, are obliged to build half of the house of the Governor and that of the surgeon entirely.

Dutch transcription

351 Van Maccassr Den 14 Junij 1773. Van Maccasser Den 14. Junij 173. seggen en louter lasten ik denklijk voortgesprooten en bij de hoofden belagt wij zij intede voor enkel padij vertient te worden in 't geen wig geboden 1. nog verboeden is voor half rijst en half padij vertient sijn geworden Dit ishem alles waar van hij sig bewust is. Even wel was hij van den beginne aan met ongeneegen de hoofden doer over mogten 't onvreede sijn en hem daarom versogten voldoening te geven gelijk hij res aan craing gantanang gegeeven heeft. Het ware hem ligt behalven veele getuijgen meenigte reeden brengen so tot verdeediging van sijn gedrag in desen als tot aanduijding hoe verre de brutalieijt der inlanderen die hij al meer onderonden heeft ok in dit geval geweetis en hoe weijng sulke schurken op hun eerste woord verdienen gelooft te worden. Enkiels Comp: vel sijn soekende dreef geen vuijl belang hem een enkiel korl tot sijn eijgen voordeel te besteeden maar alles heeft hij met Eerlijke handelen der Comp: aangeboden. En daar hij geen ondersoek hoe scherp ook schroomt onderwerpt hij sig gaarne aan de naspeuringe der beijde gecommitteerdens van uw Ed: agtb: gesonden volgens inhoud van uw Ed: Agtb: zeer g'eerde van den 24 der verloopene maand behoorlijk en ziquide transport aanden E Simon Monsieur ten overstaan van den Boekhouder Hendrik welvaart en den sergeant Johan Hendrik steijger gedaan hebbende Laat ik het selve hier neevens gaanv erselt van eene distinctie Memorie van de Inlandsche Saaken terwijl ik nog vermits volhandigheid en lighaams Smatite met de voorstelling van den tweeden teekenaar niet hebbe kunnen voortgaan hoe wel die plegtigheijd binnen korten sal worden Hier meede uwelEd: agtb: hoog g'Eerden Letteren alle beantwoord hebbende schiet mij nog over uwel Ed: agtb: temelden dat de chirurgijn Gestima den 3. deeser alhier is komen te overlijden sonder iets na te laeten en dewijl deese dood ons in groote verleegentheijt brengt van wegens verscheijdene sieken die nu geheel hulploos niet buijten gevaar sijn is het ootmoedig versoek der beijde teekenaars ten spoedigsten met een bequaam subject in soverleeden plaats voorsien te worden. verders vernieuwe ik nogmaals mijne versoek bij mijnen laatsten van den 20 Jann: gedaan betreffende de ruijling van't ongangbaar paijemint met den gangbaere munt, Den laatsten Leeverene ik bij uwel Ed: agtb: needrig in een ver„ soek om den door uwel Ed: agtb: aan de pen gechangeerden soldaat Philip Nicolaas Schuidt mij die thans nog in een welvaart reddeloos 109. 352 van Macase den 14 Junij 173 Van Maccasser Den 14 Junij 173 — redelosen toestand blijve op de reijs tot geselschap en hulpe meede te geeven Hier meede heb ik de Eere mij met alle schuldige agting en Eerbied te noemen /onderstond:/ wel Edele agtb: heer en heeren /:lager:/ uw Ed: Agtb: onderdanige eer gehoorsame dienaaren /:was geteekend:/ N: D: Mol: en S: Monsieur /in margine :/ Boelecomba den 31 Jann: 1723 /onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ J: voll: gesm: Clercq Daar't mij door gunste van hunne hoog Edelheedens ge„ lutit is deese plaats voor een ander te moogen vervuijlen terwijl ik aan uw Ed:e het optigt over eerst gem: sal overgeeven en het bij deese geleegentheijd van oudsher de gewoonte was zijne vervanger de noodige opening te geeven soo van de gesteld„ heijd der saaken in deese residentie als van de handelwijse welke men gewoon is onder den jnlander te houden biede ik uw Ed: deese Memorie aan die hoewel niet wijsloopig in Mijn Heer Memorie opgesteld en nagelaaten door Nicolaas Dionisius Mol onderkoopman en afgaand Resident van Bolecomba en Bonthain aan sijne succes„ „ceur den meede onderkoopman en g'eligeert Residen Simon Monsieur Memorie moodeloose G: Van Macase den 14 Junij 173 Van Maccasser den 14 Iunij 173— #11 354 nodeloose kleijnigheeden uw Ed klaar genoeg ontrouwen salwat nodigst dient geweeten teworden Aller eerst dan word dit land verdeelt in twee grootene deelen naar de beide posten den gemeene naam voerende van boelen comba en bonthain het eerste word wederom onderdeelt in buera of den boven Strek. Tier oedjong lour en ganterang Biera vervat onder sig de regentschappen Tanna beroe lemo lemo bonto tanga en ara maaken dus een lighaam van vijven genaamt het vaendel van biera Biera heef thans tot Craiig Danig Salattang van wien men als pas aangesteld nog niets kan seggen Tanna berve word bestiert door eenen daaeng Mangeamba lemo lams door danig Matino bonto tanga door danig Ta idsie en ara door Mazezee Deeser hofdienst onder elk ander verdeelt bestaat in het on„ derhouden van de punt van de west zijde van deese post met palli„ saaden gaanderijen Smeerplanken vervolgens sijn see verpligt Iaarlijks in october hun tribuit van witte bierangs kleedjes op te brengen en een Provisie praauw met twaalf man te leeveren tot het opbrengen van Iaarlijksch benordigheeden en onbequam goederen sij vinden hun bestaan in de vaart en in't maake van praauwen Even als Bira maakt iers met lange lange grassing batang en weer een vaandel u't hiero heeft tot regent Danig Mannilang lange lange Danig Monodjengang grassing batang en weero zalla Deese sijn verpligt sjaarlijks in october hunne tribuit bestaande in Catoene gaaven op maccasser te leeveren de post aan de oost zijde met Pallisaaden te voorsien en de Residents wooning soo wel als t pakhuijs de militaire wagt en het huijs van de Toek te omaaken en te onderhouden Hier op volgt het landschap oedjong zowe wel een en seer vrugtbaare sertreek maar seedert 't verloopen der boniers ende vlugt veeler onderdaanen inden oorlog van Tjalla paneekie in den Jaare 1749 bij mangel van Planters seer vermindert Dit word bestierd door een caanig genaamt Manno onder wiens gesag staan de glarrangs Panjikokang Majampa Soesong en Palagisang dese leeveren aan de E Compagnie den thiende van hun gewas sijn verpligt 'thus van den heer gouverneur voor de helft dat van den Chirurgijn geheel temaken goederli

NL-HaNA_1.04.02_3389_0355 view scan ↗

English

From Maccasser the 14th of June 1713 From Maccasser the 14th of June 1713 113 356 and must also maintain the north point at the post and provide letter carriers. Finally follows Gantarang, which large region standing under the command of Daing Manwercang is considerable on account of its extensive paddy fields. To this belong the kraengships of Taala and Pallivooij, which together with that of Gantarang form one body, and have divided among themselves the Company corvée services consisting of building the other half of the aforementioned dwelling, maintaining the south point at the post, and delivering letter carriers, further bringing up their tribute to the Company in rice and paddy. Apart from these four principal kraengships, one also finds here the two negorijs Calaconcong and Teerang Teerang, both governed by a Jennang, who with the men under their command make up the bodyguard of the resident and are used in all occurring affairs such as the shipping of rice, sailing on the resident's scheprauwen and the like, for all which services they are only tythed in paddy. Lastly it should also be noted that a Jennang commonly called Jennang Boelecomba resides here not far from the post on behalf of His Highness his master and regulates and manages his affairs, attending at the same time to clearing away all discontent between the Company and his people, to which end he is obliged to request an audience with the resident. This would certainly be a fine thing if the villainous nature of the Boniers did not also frequently appear herein, when old, forgotten, or even completely false matters are brought forward solely to torment and vex one or another of the Company subjects. Furthermore, Your Honour should be warned against the yearly depredations of a number of prominent Bonian nobles, such as Arou Ta Poedada and a number of others who, relying on higher power, do not hesitate to plunder the quiet inhabitants, both of their own and of the Company people, and to mistreat them in all kinds of ways. These Your Honour must attack and confront at the very first beginnings of their villainies, when they usually move away and leave the land in peace, whereas it is almost a miracle to obtain any satisfaction once one has let them have their way. Let this be enough concerning the Boniers, of whom it is also to be noted that they bring up their tithes just like the Company servants, but are subject to no other corvée services except in the utmost necessity. From Maccasser the 14th of June 1713 From Maccasser the 14th of July 1713 115 358 necessity, when a resident, upon prior permission from the Jennang, may make use of them, just as the Boniers in similar cases on their part request help from Company subjects. Having thus far dealt with Boelecomba, I now proceed to the consideration of Bonthain, which is split into two, consisting of Bonthain properly so-called and Tompo Boeloe. The first is governed by a kraeng named Daing Mangalla, who in turn has under him Charing Caijilie with the further Jennangs of the negorijs in that region. They pay the Company their yearly tithe in paddy and rice, and are obliged to build and maintain the rice warehouse in the post, along with the soldiers' guardhouse and galley; subsequently, to bring the stored rice on board the fetching sloops, and finally, to provide the landward and front side of the post with the point with good palisades. The second is governed by an Anrong goeroe or chief who is currently an old man named Daing Manjallang, under whom the Jennangs of Rappoer, Nipa Nipa, etc. fall. The Tompoboeloes, besides their tithing, are bound to perform the following corvée services, namely, alongside Bonthain to supply horses for carrying out the tithing, also alongside the same to erect and maintain the governor's house, and above and beyond that, to build and maintain the dwellings of the resident, sergeants, and interpreters, and finally to provide the post and points on the seaward side with palisades. Before I proceed further, it should be mentioned that yearly guard soldiers must be stationed, of whom 4 serve at Bonthain and 4 at Boelecomba. Besides these two chiefs, the so-called grand huntsman Jennang Brankeekie also comes into consideration, who is bound to supply bamboos for the repair of all the aforesaid buildings, to credit the Tompoboeloes 17 feet of work in executing their assigned share at the post, to deliver deer and buffaloes, and finally a tithe of rice and paddy. To this also come into consideration the two Jennangs of Woont Elena and Leembang Oedjong, whose principal work consists of being at the post daily, keeping the same pure and clean, and similar lighter duties. Behold, Your Honour, the true state and condition of these lands presented before your eyes.

Dutch transcription

Van Maccasser Den 14. Iunij 1713— van Maccasser den 14 Junij 173 113 356 en moeten nog de noordpunt aan de Pest onderhouden en brief dragers besorgen ten laatsten volg gantarang welke groote streek onder't beind van daing Man wjercang staande aanzienlijk is van wegens haare uitgebreijde Padij velden Hier toe behooren de craingschappen van Taala Pallivooij die met dat van gantarang een lighaam uitmaaken en Comp: hofdienst bestaande in 't maaken van de andere helft van de bovengenoemde wooningt onderhouden van de zuijdpunt aan de post het leveren van briefdragers d' onder elkander verdeelt hebben brengende verders hunne tribuit aan de compagnie in rijst en Padij op buiten deese vier voornaame Craingschappen treft men hier nog aan de beide negorijen Calaconcong en Teerang Teerang beide door een Pennang bestiert die met hunne onderhebbende manschappen den lijfwagt van den resident uitmaken en in alle voorvallende saaken gebruikt worden als t afscheepen van rijst 't vaaren op den residents scheprauwen diergelijke vooralle welke diensten bij slegts in padij vertient worden. Ten laasten staat nog aantemerken dat een Jennang door de wandeling Jennang boelecomba genaamt alhier niet verve van de Post van weegens sijn hoogheijd sijn meester verblijf houd en desselfs saken ree„ „gelten bestert passende te gelijk om alle misnoegen tusshen Comp: en sijn volk uit den weg te ruijmen ten welken eijnde hij verpligt is den Resident om gehoor te versoeken. Dit waare seeker een schoone saak soo met den snoode aard der boniers ook meenigwerf hier in bleck wanneer houde vergeetene of ook wel gantsche falsche saaken op den baan gebragt worden alleen tot quelling en verdriet van den een of ander Comp: onderdaanen verders dient uw Ed: gewaarschouwt tegens de Jaarlijksche stroperijen van een deel aan dienlijke bonij fitten als Arou Ta Poedadaen een aart al anderen die steunende op hooger magt niet schroomen de stille in geseetenen soo van hun eijgen als Comp: volk te plundeeren en op allerhande wijse te mithandelen deese moet uw Ed: bij de eeste beginselen hunner fielterijen aantasten en te kier gaan wanneer zij gewoonlijk verhuijsen en 't land in rust laaten daar het schier een wonder is eenige satisfactie te krijgen wanneer men se eens heeft laaten begaan Dit sij genoeg van de boniers van dewelke nog aantemerken valt dat sij hunne verthiende eeven als Comp: dienaaren opbrengen maar aan geen andere hofdiensten onderworpen sijn als allen bij de uijtterste wegns noodsaakelijkheid Van Maccasser den 14 Junij 173 — Van Maccasser den 14 Iulij 1713 115 358 noodsakelykheijd wanneer een resident op voor afgaande telaating van den jennang gebruik van hun maken kan gelijk de boners in soortgelijke gevallen op hun beurt hulp versoeken van compagnies onderdaanen Dus verre over boelecomba gehandelt hebbende treede ik thans ter beschouwing van bonthain t geen in tween gespilt ketaat in bonthain eigentlijk so getegt en tompo boeloe Het eerste word bestiert door een craang genaamt dang Mangalla die weeder om onder sig heeft Charing Caijilie met de verdere Cenangs van de negorijen daar te lande zij betaalen de Comp: Jaarlijks hunne thiende in padij en rijst en sijn verpligt het rijstpakhuijs in de Pott nevens den beldaaten wagt en combuijs te maaken en te onderhouden vervolgens om de inge„ schuurde rijst bij de afhaalende sloepen aan boord tebrengen en ten laasten de land en voorkant van de Post met de punt van goede Pallisaaden te voorsien Htet twede word geregeert door eenen Anrong goeroe op heer die tegen woordig een oud man is genaamt Danig Manjallang onder wien de Jennangs van rappoer Nipa Nipa & sorteeren. De Tompobeles sijn behalven hunne verthioning gehouden de Dogeer ik verder goa dient meld: te weeten dat er Jaarlijks wagtonders „moeten waar van 4 op bontham 4 op boelecomba dienst doen gelegt werden volgende hof diensten te volbrengen te weeten neevens bontham paarden te leeveren tot het doen der verthiening ook neevens den selve t gou„ verneurs huijs op te rigten en onderhouden en nog daar en boven den residents zergeants en tolks wooningen op te maaken en te onderhouden en ten laasten de Post en punten aan de zeekant met pallisaaden te voorsien, behalven deese beide hoofden komt nog in aanmerking de zorge„ naamde opperjagermeester Jennang brankeekie die gehouden is bam„ boesen tot reparatie van alle de voorsegde opstallen te leveren de Tompoboelers 17. voeten bij het bewerken van hun opgelegde deel aan de post in werk te goed te koomen herten en buffels te leeveren en ten laasten verthiende van rijst en Padij Hier bij koomen nog in aanmerking de beide Jennangs van woont Elena de leembang oedjong wier voornaamste werk bestaat in da„ „gelijks aan de post te sijn deselve suijver en schoon te houden en diergelijke ligtere diensten. zie daar uw Ed dien waarostaat en gestelteijt deser zanden voor ogen volgende tot gelegt

NL-HaNA_1.04.02_3389_0357 view scan ↗

English

117 360 From Maccasser the 14th of June 1773 — From Maccaser the 14th of June 173. to prevent all smuggling and transport of rice or padij tending to the detriment of the Company's tithes. Each of these watchmen has a district to himself over which he must keep watch. These are at bontham Moroa Tino rappor and gantarang hieeke at woelecombar gantarang Calloememe densang and Lomdrong. These people each have two attached native boys for assistance and keep the native tolerably well in awe; nevertheless it does not prevent a considerable portion of rice and padij being transported and sold here and there outside the Company's borders, in which cases the cranigs and other chiefs who ought to watch for the Company's interests play the principal role; indeed this is an ailment from which they all limp, and among all the Craings and lesser chiefs I have not yet encountered a single upright, worthy, honest man. They swear allegiance to the Company, they also swear to Your Honour and know well how to maintain the appearance of it, but in their hearts they despise both. It would be easy for me to substantiate this with many examples; let one suffice for all. The watchman stationed at Tino having been warned at the Tourattereesen borders that a large number of horses laden with sacks was on the way, sped thither to make an investigation into the matter, just as he also found the affair not to be clean. Hereupon, firing some shots to obtain assistance as is customary in such cases, he was in danger of being murdered there without anyone coming to his aid. Finally, however, cranig kagelie and a certain sennang Tanga Tanga arrived, not to offer any help, but to make him believe that those people were only transporting kapok, thus seeking to persuade him to desist from all further investigation; but as he refused this, it was discovered at once that it was untithed rice, belonging without doubt to the principal chiefs. This happened not long before the tithing, which subsequently proceeding in an equitable manner /: while attention was nevertheless paid to the usual rogueries of the natives, many of whom are bold enough to declare barely half of their crop, by raising their gilampangs by estimation or also, where necessary, having them counted off, I granted to the chiefs who by choice are tithed either for rice or for padij, since it had been a fertile crop and those friends can also best spare it, to be tithed for half rice and half padij. Here it remained, and they began storing it in the barns, which work proceeded slowly. Meanwhile, craing bonthain arrived, accompanied by daeng Mattinrie, son of the Anrong goeroe, and a train of annak cranigs, telling me that the tithing had been too heavy. I, being conscious in my mind of the contrary, not only denied this to him, but brought to his attention what rogueries they did not employ to deceive the tithers, and how they conspired among one another to rob the Company of its lawful revenues. I asked this especially of daeng Mattinrie, who had been found to have reported about 1000 bundles too few, but he left this question unanswered, while I heard an annak Craing say to himself: Biassaa, a customary excuse by which they hold in all cases. Here this conversation ended, and they departed, taking me by the hand, promising to deliver the rice to the warehouse as soon as possible. What do you think now, sir, could Your Honour ever have suspected that both these chiefs, without any warning, without my permission, went to maccasser to complain about my treatment? Nevertheless they have done this, without my yet knowing anything of the outcome. From this sample Your Honour easily sees the truth of what I say and over what kind of people Your Honour will hold command, if one can understand holding command here by the execution of some unavoidable annual corvée duties after a dreadful headache. This is what experience has taught me, which I hope may be more favorable for Your Honour. Nevertheless, my conscience convinces me that through improper conduct I have never given these people the least occasion or reason for such wanton behavior. Be this as it may, the least severity drives them to macasser to complain, gentleness they laugh at. Let this be enough for Your Honour's information. What is still lacking, experience, which is the best schoolmistress, will teach Your Honour yourself. I have presented the matters to Your Honour just as I have found them through experience.

Dutch transcription

117 360 Van Maccasser den 14. Junij 1773 — Van Maccaser Den 14:' Iunij 173. tot voorkoming van alle sluijkerijen en vervoer van rijst of Padijstrek„ kende tot nadeel van Compagnies verthiening, Elk deeser wagthouderen heeft een district voor sig alleen waar op hij toog moet houden Deese sijn op bontham Moroa Tino rappor en gantarang hieeke op woelecombar gantarang Calloememe densang en Lomdrong deesen lieden hebben elk twee bijgevoegde Jnlandsche Jongens tot asfis„ „tentie en houden den inlander tamelijk wel in ontsag evenwel belet 't niet dat met een aanmerkelijk gedeelte van rijst en Padij hier en daar buiten Comp: Grensen vervoert en verkogt word in welk gevallen de cranigs en andere hoofden die voor Comp: belangen waaken moesten de voorm: hoofd rol speelentrouwens dit is een seer waar aan se alle hinken en mij is onder alle de Craings en mindere hoofden onog geen een regtschaapen braaven eerlijk oman voorgekomen sij sweeren onderdanigheid aande Comp: tij sweeren ook aan uw Ed: en weeten den schijn daar van wel te be„ waaren omaar beide veragten sij in hunne harten. Dit waare mij ligt met veele voorbeelden te staaven laat een voor al genoeg sijn Den op Tino leggende wagthouder aan den Tourattereesen gronsen gewaarschouw dat en een groot getal paarden gelaaden met blas„ jas op weg was spoed ik derwaarts heen om ondersok diesmweegen te doen gelijk hij ook de saak niet suijver bevond, Hier op tot verkrijging van assistentie eenige schooten slaa„ konde gelijk in sulke gevallen gebruijklijk is stond hij daar in gevaar van vermoord te worden sonder dat iemand hem ten hulpephot Eijndelijk evenwel quaamen cranig kagelie en eenen sen„ „nang Tanga Tanga niet om eenige hulpe te bieden maar om hem wijs te maaken dat die lieden om aar sleopkapok vervoerden soekende hen dus te beleeden om van alle verdere ondersoeking of te laaten maar hij dit wijgerende ondekite men oras dat het onverthiende rijst was buijten twijffel aan de voornaamste hoofden toebehoorende Dit geschieden niet lang voor de verthiening welke vervol„ „gens voortgaande op een billijke wijse /: terwijl men egter agt gaf op de gewoone Schelmerijen der Jnlanderen van welke veele stout genoeg sijn pas de helft van hun gewas op te geeven met hunn gilampangs naar gis te verhoogen of ook wel daar t noodig was te laaten aftellen gaf ik onder de opperhoofden die naar wille keur of voor rijst of voor Padij vertient worden alsoo het een vrugjtbaan gronsen gewas 18 119 362 Van Macasser Den 14 Junij 173. Van Maccasser den 14 Junij 173. — gewas geweest was en die vrienden het ook t best kunnen missen voor halv rijst en halv Padij te verthienen Hier bleef 't bij en men begon met den inschuuring welk werk traaglijk voortging Inmiddens quam craing bonthain vergeselt van danig Mattinrie soon van den Anrong goeroe en een sleep van annak cranigs mij seggende dat de verthiening te swaar geweest was ik van het teegendeel in mijn gemoet bewust Loochende hem dit niet alleen maar bragt hem onder t oog wat schelmerijen sij niet in 't werk stelden om de verthienders te bedriegen en hoe bij niet onder malkander saamen spanden om de Compagnie van haare wettige inkomsten te berooven dit vroeg ik wil special aan danig Mattinrie die bevonden was geworden omtrent 1000 bossen te min opgegeeven te hebben dan hij liet deese vraag onbe„ antwoord terwijl ik een annak Craing hoorde bij sig selve seggen Biassaa een gewoone verschooning waar bijijsig i alle gevallen ouden Hier eijndigde dit gesprek en tij gingen heen mij bij de hand Slinelend beloovende de rijst ten spoedigsten in 't Pakhuijs te leeveren wat dunkt unmu mijn heer sond uw Ed: wel kunnen vermoeden dat beide du hoofden sonder Eenige waarschuuringe sonder mijn toelaaten naar maccasser gegaan sijn om over mijne behandeling te klaegen. Even wel hebben sij dit gedaan sonder dat ik nog iets van den uitslag wiete. uit dit staal sie uw Ed:e ligt de waarheijd van mijn seggen en over wat soort van menschen uwEd: het gebied sal voeren gebied voeren Ia soo men hier door 't uijtvoeren van eenige onuijtstelbaare jaarlijks weederkoomende hof„ diensten na een vreeslijk hoofdbreeken verstan Dit heeft mij de ervarenis geleert welke ik hoope dat gunstiger voor uw Ed: sijn moogen Evenwel overtuijgt mij mijn gemoet dat ik door een verkeert gedrag hen lieden noort de minste aanleding of reeden tot sulken baldaadigehandelwijse gegeven hebben Dit zij hoet wil de minste strengheijd drijft hen na macasser tot klaagen zagtheid belaggen de dit bij genoeg tot uw Ed: onderigt. wat er nog aan ontbreekt sal de ondervinding die de biste Leermeesteresse is uw Ed: selve Leeren. Ik heb uwEd de saaken voorgelegt soo als ik zee bij erva„ rentheijd bevonden heb. omijn

NL-HaNA_1.04.02_3389_0359 view scan ↗

English

119 362 From Maccasser, 14 June 173. From Maccasser, 14 June 173 crop had been, and that those friends could best spare it, to tithe for half rice and half paddy. There the matter rested, and they began with the storing in the barn, which work proceeded slowly. In the meantime came Craing Bonthain accompanied by Daeng Mattinrie, son of the Arung Guru, and a train of Anak Craings, telling me that the tithing had been too heavy. Being in my conscience aware of the contrary, I not only sought to show him this, but also brought to his attention what rogues' tricks they put into practice to deceive the tithers, and how they conspired together to rob the Company of its lawful revenues. I asked this especially of Daeng Mattinrie, who had been found to have declared about 1000 bundles too few; but he left this question unanswered, while I heard an Anak Craing say to himself: "Biassaa," a common excuse with which they cover themselves in all cases. Here this conversation ended and they departed, promising me with a handshake to deliver the rice to the warehouse as soon as possible. Now what do you think, Sir, could Your Honour ever suspect that both those chiefs, without any warning, without my permission, went to Maccasser to complain about my treatment? Yet they have done this, without my knowing anything of the outcome as yet. From this sample Your Honour easily sees the truth of what I say, and over what sort of people Your Honour will hold command, if one understands holding command here as executing some unavoidable yearly recurring court duties after terrible vexation. This experience has taught me, which I hope may be more favorable for Your Honour. Nevertheless, my conscience convinces me that I have never, through any improper conduct, given them the least occasion or reason for such wanton behaviour. Be that as it may, the least severity drives them to Macassar to complain, leniency they laugh at; let this be enough for Your Honour's information. What is still lacking, experience, which is the best teacher, will teach Your Honour yourself. I have presented the matters to Your Honour as I have found them by experience. 121 364 From Maccasser, 14 June 1743 From Maccasser, 14 June 173— May it go better with Your Honour, may Your Honour, without agonizing vexation, see the orders of the Company executed, and finally enjoy more health and contentment than I have enjoyed among such a perverse and crooked race. Herewith I subscribe myself with much respect and affection, was written below, Sir, lower, Your Honour's willing friend and servant, was signed, N: D: Mol, in the margin, Boelecomba, 30 January Ao 1773, was written below, Agrees, was signed, T: I: Voll, sworn Clerk. Having arrived here on the 31st of the past month with the pantchiallang De Goede Trouw, in order, according to Your Honourable and Most Respected order, to conduct an exact investigation into the validity of the complaints brought in by Craing Bonthain and Arung Guru Tompobulu cum suis regarding the tithing carried out last year in their regencies; of which we also immediately informed the Residents Mol and Monsieur by sending to Boelecomba the letters brought along, their Honours being informed thereof; and two days after our arrival the aforementioned regents together with their subordinates also returned from Maccasser, so we have, in To the Honourable Respected Sir To The Honourable Respected Sir Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of the Coast of Celebes, etc. 123 366 From Macasser, 14 June 173— From Macasser, 14 June 173 compliance with your Honourable, Respected and Esteemed order, upon our return from Boelecomba, whither we went in order not to conduct a blind investigation, obtained the tithing roll from Resident Mol, caused the aforementioned regents, lesser sub-chiefs and common subjects also immediately to assemble and investigated the matter, whereby it has sufficiently appeared to us that those people were not tithed properly and according to the custom of 5 and 6 gantings per hundred bundles according to the size of the same, as the tithers, instead of following that, had taken 7 to 18 gantings, which was 7 per cent at the lowest and 10 at the most; indeed, it has even appeared to us from the roll that a certain Jennang of Mamampang, who according to the declaration had no more than 1150 bundles of paddy, was nevertheless tithed at 14 gantings or at 12 per cent, regardless of the bundles not having been larger than the usual annual ones; which made it no wonder that complaints were lodged about it, wherein they mostly attributed the blame solely to the acting scribe Schmit, who, having been charged with the supervision of the tithing by Resident Mol, saw fit to impose this upon those people and to treat them thus; and although he himself made excuses for it, and is protected therein by His Honour Mol, with whom, as it seems to us, he certainly stands in very high favour, by telling us that he had done no more than His Honour's order, it nevertheless seems to us that several of the servants may also merit some credit, who together with the natives have unanimously testified to us of this their heavy tithing, as also that whenever the interpreter Muller and others spoke to him, Schmit, against this, urging him to tithe the people in an orderly manner, he, instead of doing so, gave such people another 2 to 3 gantings on top of it, and said that he would take upon himself whatever might come of it; besides that those people have already been extorted to such an extent, they were moreover branded by the same as base liars, whereas the roll sufficiently confirms their submitted complaints of being heavily tithed; yet, however heavy that may certainly be for them to bear, we have nevertheless through

Dutch transcription

119 362 Van Maccasser Den 14 Junij 173. Van Maccasser den 14 Junij 173 gewas geweest was en die vrienden het ok t best kunen missen voor halve rijst en halv Padij te verthienen Hier blif 't bij en men begen met den inschuring welk werk traaglijk voortging Inmiddens quam crring bouthai vergesell van danig Mattinie Soon van den Arrong goeroe en een sleep van anak cranigs mij seggende dat de verthiening te swaar geweest mas ik van het teegendeel in mijn gemoet bewust zoochende hem dit niet alleen maar bragt hem onder t oog wat schelmerijen sij niet in 't werk stelden om de verthienders te bedriegen en hoe bij niet onder malkander saamen sepanden om de Compagnie van haare wettige inkomsten te berooven dit vreg ik wil special aan danig Mattinrie die bevonden was geworden omtrent 1000 bossen te min opgegeeven te hebben dan hij liet deese vraag onbe„ antwoord terwijl ik een annak Craing hoorde bij sig selve seggen Biassaa een gewoone verschoning waar bij „n sig in alle geallen onden Hier eijndigde dit gesprek en bij gingen heen mij bij de hand Sillen beloovende de rijst ten Spoedigsten in't Pakhuijs te leeveren wat dunkit u nu mijn heer sond uw Ed: wel kunnen vermoeden dat beide die hoofden sonder Eenige waarschuringe sonder mijn toelaaten naar maccasser gegaan sijn om over mijne behandeling te klaegen. Even wel hebben sij dit gedaan sonder dat ik nog iets van den uitslag weete. uit dit staal sie uw Ed: ligt de waarheijd van mijn seggen en over wat soort van menschen uwEd: het gebied sal voeren gebied voeren sa soo men hier door 't uijtvoeren van eenige onuijtstelbaare jaarlijks weederkoomende hof„ diensten na een vreeslijk hoofdbreeken verstan Dit heeft mij de ervarenis geliert welke ik hoope dat gunstiger voor uw Ed: sijn moogen Evenwel overtuijgt mij mijn gemoet dat ik door een L.8 1 verkeert gedrag hen lieden noort de minste aanleeding of reeden tot sulken baldaadigehandelwijse gegeven hebben Dit zij hoet wil de minste strengheijd drijft hen na macassar tot klaagen zagtheid belaggen se dit sij genoegtot uw Ed onderrigt. wat er nog aan ontbreekt sal de ondervinding die debeste Leermeesteresse is uw Ed: selve Leeren. Ik heb uw Ed de saaken voorgelegt soo als ik zee bij erva„ rentheijd bevonden heb. omijn 121 364 Van Maccasser Den 11 unij 1743 Van Maccasser Den 14' Iunij 173 — Mogt het uw Ed: beeter gaan mogt uw Ed:e sonder guellent hoofdbreeken zijne beveelen van de maatschappij sien uijtgewoerd en ten laasten meer gesontheijd en vergenoeging genieten dat ik onder sulk een verdraaijt en verkeent geslag genooten heb„ Hier meede teekene ik mij met veel agting en genegent„ heijd /:onderstond:/ Mijn Heer /:Lager:/ uwE D: willige vriend en Dienaar /:was geteekend:/ N: D: Mol /:in margine:/ Boelecomba den 30. Januarij Ao 1773 — /:onderstond:/ Acordeert /:was getekend:/ T: I: voll geten Clncq Op den 31. der jongst verweekene maand met de pantchial„ lang de goede trouw alhier g'arriveert sijnde ten eijnde volgens uwel Edele achtbaere seer gerespecteerde ordre na de gegrondheijd der ingebragte klagten van craing bonthain 11 en anrongoeroe Tompoboelo: C: s: over de J. s gedaene verthie„ „ning in hunne regentschappen eene efact ondersoek te doen waar van u' ook mediatelijk met oversendinge na boelecomba aan de residenten Mol en Monsicur der meede gebragte brieven haar Ed„s verwittige dewelke twee dagen na ons arrivement genoemde regenten nevens onderhoorige meede van Maccasser te rug sijn aengelaent soo hebben wij in Wel Edelen Agtbaren Heer Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort Gouverneur en Directeur ter Custe Celebes d: H: Aan onakom: 2 van Macassen den 14 Junij 173— Van Macasser den 14 Iunij 173 123 366 nakominge van welke uwel Edele agtb: g'Eerde ordre met ons te rug komste van boelecomba werwaards wij geweest sijn ten eijnde geene blinde ondersoek te doen van den resident Mol de verthiende rolle te Erlangen gemelde regenten minder onderhoofden en gemeene onderdaanen ook ten eersten bij een doen koomen en de saak ondersogt bij welk ons genoegsaam gebleeken is dat die luijden niet na be„ hooren en volgens den gebruijke van 5: en 6: gantings 't hondert bossen na de groote derselve waaren verthiend als hebbende de verthienders in steede van dat ona te volgen 7: tot 18. gantings genoomen t welk 7 't cento de minste en 10. de meeste was sa selfs sijn ons uijt de rolle ook geblee„ ken dat seekere Jennang van Mamampang welk volgens op gaaf niet meerder dan 1150. bossen padij te hebben gehad hij evenwel van 14. gantings of tegen 12't Cento was verthiend ongeagt de bossen niet grooten sijn geweest dan de gewoone jaarlijke het geen niet te verwonden, was dat daar over klagten sijn ingekomen daar sij alleen meest de schuld op den waarnemende scriba schmit attribueerden welke als het opsigteter verthiening door den resident Mol was opge dragen heeft kunnen goedvinden die luijden dat op te leggen en dus te tracteeren en of schoon hij selfs daar van ver¬ ontschulding en door sijn E: Mol /: bij wien hij na het ons scheijnt seeker al vrij breet staat :/ daar inne werd geprotigeerd met ons te seggen dat hij niet meerder dan zijn E ordre had gedaan soo dunkt ons egter st dat ver„ scheijde derdienaeren ook eenig geloof mogen meeritere die nevens de Inlanders ons van deese hunne swaare thiende een paarig getuijgd hebben als ook dat wan„ „neer den tolk Muller en andere hem schuit daar tee„ „gen sprak van dog de Luijden op eene ordentelijk wijs„ te verthiene hij in steede van sulks te doen wel sodienige nog een gantings 2. a 3. nog daar en booven gaven en dat hij op sig soude neemen al wat er van koomen mogten buijten en behalven dat die luijden reets so verre sijn afgeperst werden sij boven dien door deselve nog tot groove leugenaars uijtgemaakt daar ons te rolle genoegsaam haare opgegevene klagten van swaar te sijn verthiend sulks bevestigd Edog hoe swaarseeker die ook voor haar lieden sijn mag te dragen hebben wij nogthand dragen door

NL-HaNA_1.04.02_3389_0362 view scan ↗

English

From Macassar, the 14th of June Anno 173— From Maccasser, the 14th of June 173— 125 368 by means of kind words that things would go better with the upcoming tithing, brought matters so far that all those complainants have been fully satisfied, just as they are now also content with it, as if it had never happened that one had, so to speak, pulled the skin over their ears; only that their head regents, namely Craing Bontain and Arong Goeroe Tompoboloe, the first-mentioned as well for himself as for his brother and nephew Daeng Mamankasie and Daeng Manamboeng, alongside the last-mentioned regent, come to implore Your Right Honourable's favour that they may tithe entirely in paddy, according to annual custom, just as in former times had even been granted to some lesser sub-chiefs and Jennangs by a resident, as we have understood from the Honourable Mol that Craing Gantarang at Boelecomba was, upon private request to His Honour, also favoured with this for this year. That although we have tried to talk this request out of their heads so as not to trouble Your Right Honourable with it, they nevertheless persist in their continuous request in order that they may thereby also obtain Your Right Honourable's favour. Regarding the tithing of Boelicomber, no complaints about it have come before us to this day. Concerning the fine imposed already two years ago by the said Honourable Resident Mol on Gantarang and Craing Tala, we have, pursuant to Your Right Honourable's highly respected order, notified His Honour that he must desist from it and not demand a single penny from them, and that if it has already been paid, he must restitute the same again to those people, just as we have also informed those people thereof. But His Honour has declared to us that he had not yet enjoyed anything from it; that His Honour on account of another fine had pocketed another 110 rixdollars; that if one had orders to demand the same, His Honour would gladly restitute it to us, wherefore we, having no orders from Your Right Honourable, have not dared to proceed to that either, not wishing to overstep our bounds in this matter. Herewith we have the honour to conclude this with heartfelt wishes for all conceivable blessings and steadfast health upon Your Right Honourable's 127 370 From Maccassar, the 14th of June 173— From Maccasser, the 14th of June 173— most precious person, and remain with all due high esteem and respect, underwritten: Right Honourable Lord; lower: Your Right Honourable's very humble and dutiful servants; was signed: A. Whijts and C. I. Blij; in the margin: Bonthain, the 7th of February Anno 1733; underwritten: Agrees; was signed: I. S. Voll, sworn clerk. The late delivery of our humble letter to Your Right Honourable of the 7th of this month having appeared to our regret from Your Right Honourable's highly respected letter dated the 13th, we would have dutifully presented Your Right Honourable with a duplicate thereof, were it not that we, as Your Right Honourable's further very esteemed letter dated the 17th thereafter—which we had the honour to receive the day after receipt of the previous esteemed one—let us know of its good delivery, have desisted therefrom. In humble answer to which very esteemed letter of Your Right Honourable we have the honour to serve with this, that we have not only denied both chiefs Craing Bontham and Arong Goeroe Tompoboeloe their request, but also observed the matter according to Your Right Honourable's desire and arranged it to the inclination of both those chiefs, of which we have made a final settlement. Right Honourable Lord To the Right Honourable Lord Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of the Coast of Celebes, etc. etc. 129 - 372 From Maccaser, the 14th of June Anno 173— From Maccasser, the 14th of June 1733 To bring whom to complete satisfaction has cost us quite some work, not that those people showed themselves disobedient to submit to Your Right Honourable's desire, but rather that their grievance was like that with the regent of Gantarang, where he was granted the delivery of paddy for his tithe by the Honourable outgoing Resident Mol—possibly not without some design or interest in it—yet their request, being of equal standing, was not allowed to carry as much weight with His Honour as that of this Craing Gantarang, and according to their assertion, far from consenting to it, he would not even have deigned to listen to their entreaty, which causes them but little respect among the common subjects, as Your Right Honourable may kindly consider for yourself under favourable interpretation. In the hope that our conduct in this matter may meet with Your Right Honourable's satisfaction, we have the honour to sign ourselves with the utmost high esteem and respect, underwritten: Right Honourable Lord; lower: Your Right Honourable's very humble and dutiful servant; was signed: A. van Hijts and C. I. Vlij; in the margin: Bonthain, the 26th of February 1733; underwritten: Agrees; was signed: I. S. Voll, sworn clerk. I have had the honour to receive Your Right Honourable's very agreeable letter of the 9th of November of the past year with all respect on Sumbawa on the 18th of the same month, and seen from it that Your Right Honourable pleases to order me to keep a watchful eye on the Macassar prince Craing Patene with his son Mappa, wherein I shall not fail to observe Your Right Honourable's esteemed order. I had already heard, before I received Your Right Honourable's missive, that Joeanna Roempang and Palima Billa had taken away a Macassar prahu near Salemparang; I also immediately inquired thereafter where those people were, and having heard Right Honourable Lord To the Right Honourable Lord Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes that

Dutch transcription

Van Macasr Den 14 Iunij A:o 173 — Van Maccasser Den 14 Junij 173 125 368 door middel van goede woorden dat met de aanstaande verthiening beter soude gaan soo verre te weege ge„ bragt dat men die klaegers allen ten vollen te vreede heb„ ben gesteld gelijk sij ook thans daar meede vernoegt sijn als ofdat mooyt geschiet was dat men de om soo teseggen 't vel over de ooren hebben getrocken all eenlijk dat haar hoofd regenten namentlijk Cranig bontain en arongoeroe Tomp„ „boelo eerstgenoemde so voor sig selfs als wel voor sijn broeder en neep danig Mamankasie en danig Manamboeng nevens laastgenoemde regent uwel Ed: agtb: gunste koomen insteere dat sij geheel voor padij verthiend mogen werden na Jaar„ „lijkse gewoonte gelijk wel eertijd selvs aan sommige mindere onderhoofden en Jennangs door een resident was vergund gelijk men van D E Mol verstaan hebbe tat craing ganta„ „rang op boelecomba door particulier versoek aan sijn E van dit gaar ook daar meede was gebunstigd dat alhoewel wij dit haar versoek hebben getragt uijt 't hoofd te praeten om dog uwel Ed: agtb: daar meede niet lastig te vallen blijven bij egter bij aanhouden versoeke op ze daar door ook uwel Ed: agtb: gunste verkrijgen moge Aangaande de verthiening van boelicomber sijn ons tot heeden daar over nog geene klagten te vooren gekoomen, De door gemelde E: Resident Mol reets voor twee jaeren van gantarang en cranig tala opgelagde boete belangende hebben wij sijn E: uijt uwel Edele agtbare seer gerespecteerde or„ „dre aangesegt sig daar van te moeten afsien en van haar geene enkeld penn: af te eijsschen dat so reets be„ „taeld sijn deselve weeder aan die menschen omoe„ „sten restitueeren gelijk wij die luijden sulks ook hebben verwittigd maar heeft sijn E ons verklaard dat daar van nog niets genooten had dat sijn E. weegen andere boete nog eene 110 . rijsd„s hadde ingepalmt dat soo men ordre tot dies afeijsching hadde sijn Ed: ons die gaarne soude restitueeren daar omen als geene ordre van uwel Edele agtb: hebbende toe ook niet hebben durven treeden wil men ons daar inne niet te buijten gaan Hier omeede hebben wij de Eer deese besluijte met hart „grondige toewenschinge van allen bedenkelijke beegen en bestendige gesondheijd over uwel Edele agtbare Aangaande zeer J 127 370 Van Maccassar Den 14 Junij 173 — Van Maccasser Den 14 Iunij 173 — zeer dierbaare persoon en blijven met allen ver„ schuldigde hoog agting en Respect /:on„ derstond :/ wel Edelen Achtbaaren heer /:lager:/ uwel Edele Achtbaere zeer onderdaenige en Trouwschuldige Dienaaren /:was geteekend:/ A: Whijts en C: I: Blij /:in margine :/ Bontham Den 7. februarij A:o 1773— /:onderstond:/ Accor„ „deert /:was geteekend:/ I: S: voll gesw: Clercq De laate bestelling onser onderdanige letteren aan uwel Edele Achtbaare van den 7 deser ons uijt uwel Edele agtbaere ser geres„ pecteerde gedatteert den 13. tot leedweesen gebleeken sijnde souden wij pligtschuldigt cto duplicaat daar van uwel Edele agtbaare hebben gepresenteert waare het niet dat wij als uit uwel Edele agtb: nadere seer geEerde van dato 17 daar aan dewelke wede Eer hadde daegs naden ont„ fangt de voorigeg'Eede tontfangen van dies goede betelling temogen verneemen ons daar van hadden doen afsien In needrige antwoord op welke uE wel Edele agtb seer geerden wij de Eer hebben bij deesen te dienen dat wij de beide hoofden cranig bontham en anrongoeroe Tom„ poboeloe niet alleen haar versoek ontbegd maar ook desaak volgens uuwel Edele Achtb: begeerte geobserver ensodanig geschiket tot genegen dier beijde hoofden waar van men een finalafdoening hebben gemaket Wel Edelen Achtbaaren Heer Aan Den Wel Edelen Achtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort Gouverneur en directeur ter Custe Cclebes H: A: Aan om 129 - 372 Van Maccaser den 14: Muij Ao 173— Van Maccasser den 14' Junij 1733 om welke tot ene volkoomene bevreediging te brengen on al wij mat werk heeft gekot miet dat die luijden haar sig ongehoorsaam khoonde te onderwerpen aan uwel Edele agtb: begeerte als wel dat haar hart val die als met den regent van gantarang daar hij met de kerantie van Padij voor sijn thiende door den E: afgaande resident Mol /megelijk metsonder insigt of belang daar bij gehad/ was vergund dog gelijk standig sijnde haer versoek bij sijn E: soo veel als dat van dese craing gantarang niet hebben mogen gelden en volgens voorgeven wel verre van daar onne te bewilligen niet eens soude hebben verwaardig haar instantie aan te willen hooren 't geen voor haar bij de gemeene onderdaanen maer kleijn agting maakt so als uwel Edele agtb: onder gunstig welduiding gesegt selfs gelive te Consideteeren. In hoope dat onse behandeling in deese van uwel Edele agtbaare genoegen mag sijn hebben wij de Eerons met de uijtenste hoog agting en respect te onderteekene /:onderstond:/ wel Edelen Achtbaeren heer /:lager:/ uw wel Edele achtbaare seer onderdanige en Trouw„ schuldigen Dienaar /:was geteekend: A: vn hijts en C: I: Vlij /in margine/ bonthain Den 26: februarij 173 /onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ F I: voll gen Clercq Ik hebb:e de Eere gehad uwel Edele achtb: sie aange„ „naame letteren van den 9. 9ber a:o pass:o en op den 18. derselver maand op Sumbauwa met allen respect te ontfangen en daar uit gesien dat uwel Edele Agtb: gelieven mij te ordonneeren om den Maccassaaresen prins Crain Patene met sijn zoon Mappa Een waakend oog te houden waar in ik niet manqueeren sal uwel Edele Agtb: g' Eerde ordre te observeeren Ik had areeds voor dat ik uwel Edele agtb: missive hebt ontfangen gehoord dat Ioeanna roempang en Palima Billa Een maucassaarse praauw onder salemparang hadden weggenoomen ik hebt ook ten eersten daar na ƒ g'informeerd waar sij lieden waaren en gehoord hebbende Wel Edele Agtbare Heer Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort Gouverneur en Directeur Deser Custe Celebes Aan dat

NL-HaNA_1.04.02_3389_0365 view scan ↗

English

From Macassar the 14th of June 173 — From Macassar the 14th of June 173 — 374 131 that the aforesaid with the king of Sumbawa on Saliwang were, Craeng Patene sides with the Buginese and all the realm's regents are well intentioned. Datoe Boedi at present, Datoe Djarewe and Datoe Badjen do not side with all the realm's regents on Sumbawa because of Craeng Patene. I have been with him before I received Your Right Honourable letter and asked him whether Poeamna Riempang was not under him. He answered me that he had formerly run with him, but because of his bad conduct had driven him away and he was at present with Datoe Boesin. I have the honour to inform Your Right Honourable that I was received very well on Selaparang and spoke for about three hours with Gusti Waijantaga in the presence of 4 Balinese who were sent to Selaparang by the king of Bali to fetch these people away from Selaparang, because a civil war has arisen on Great Bali. It was impossible for me to speak alone with Gusti Waijantaga, because the Balinese envoy followed me everywhere; therefore I do myself the honour to send back to Your Right Honourable these letters from the aforesaid Gusti Waijantaga. Concerning Dompo and Sangar: during the time that the undersigned went from here to Selaparang, the king of Dompo arranged a deer hunt near the village of Seletoa, but the king of Sangar had it cut to pieces without writing anything about it or making it known to the clerk who, in my absence, was here on Bima, but rather to the king of Bima, whereupon the Bapa Bitjara immediately sent two envoys to Dompo to let the king of Dompo be told that he should just keep quiet. When I arrived back on Bima, no one reported to me about it, but I had sent the Panghulu of the Malays to Sangar. When the said Panghulu had returned to Bima, he said to me that the king of Sangar had said to him that his people had gone to the village of Seletoa to fetch betel nut and sirih, and finding a deer corral there, had cut it to pieces, but that he had given them no order to do so. On the 30th of December 1772, the king of Dompo sent two envoys here to me to lodge his complaints regarding the destroying of the deer corral by the king of Sangar, and that the village of Seletoa has nevertheless always belonged under Dompo. I thereupon wrote to the king of Sangar that he had to come here to Bima to hold a meeting concerning the land, and if it belonged to him he could be assured that justice would be done to him. But he answers me that he had no intention to litigate over that land anymore, as it had been given to him up to three times: first by the clerk and the mate Jan; secondly by the resident Volkert Thomas Stigt; and thirdly at Macassar by the Honourable Valiant Lord David Boelen, the Honourable Lord Bernardus van Pleuren, and the Shahbandar Jan Hendrik Voll, the secretary Joseph Smolder, and the resident Volkert Thomas Stigt, in the presence of the king of Bima, the king of Dompo, the king of Tambora, and the Pangalasang of Pekat, that all the land west of the river Camboe belongs to him, and that he would rather die than let the land be taken from him. Your Right Honourable can see from the map which I have the honour to send herewith to Your Right Honourable that the land does not belong to the king of Sangar and consequently there has been an error regarding the land west of the river Camboe; it would belong to Sangar because it was given to him, but if Dompo must cede the land to Sangar, then he cannot get out of his debts, as the most sappanwood is cut there. On the 5th of January last I sent the sergeant and the Panghulu of the Malays to Dompo, as owing to my indisposition I could not go myself. The king of Dompo had at that time arranged a deer hunt near the village of Taha, where the king of Dompo is always accustomed to hunt, but the king of Sangar forcibly forbade the hunting. Had the sergeant not been present there with the Panghulu of the Malays, Dompo and Sangar would have come to blows. I wrote to the king of Sangar about it, that His Highness from the letter which I received from the Right Honourable Lord Governor and Council of Macassar

Dutch transcription

Van Macassaar Den 14. Junij 173 — Van Maccasser den 14 Junij 173 — 374 131 dat voorgemelt bij den koning van Sumbauwa op Saliwang waaren crain Patene houd met de boegineesen en al de rijks „besierdens zijn wel g'intentioneert Datoe boedieteegenwoordig datoe djarewe en datoe Badjen die houden niet al de rijkistestiers op simbauwa van weegen cram patene ik ben bij hem ge„ weest voor dat ik uwel Edele Agtb: missive ontfangen had en hem gevraagt off Poeamna riempang niet onder hem stond hij gaf mij tot antwoord dat hij voor deesen bij hem had geloopen maar door sijn quat diende hem had weggejaagt en tegenwoordig bij datoe Boesin was, Ik hebbe de Eere uwel Edele Agtb: bekend: te maken dat ik op salemparang seer wel ontfangen ben geweest en omtrent drie uuren met goesti waijantaga gesprooken hebben in presentie van 4 balijs die op Salemparang waard gesonden van den koning van balij om dit volke van salemparang af te haalen dewijl Een binnen landse oorlog op de groot balij t is mijn onmogelijk geweest om allen bij gusti waijantaga respreeke„ wantde balijse sendeling heeft mijn over al gevolg daarom geeve ik mij de Eere uwel Edele agtb: deese brieve van gem: gusti waijantaga weederom te senden van wegens dompo en zangar dien tijd dat den ondergetee„ kende van hier naar salemparang is gegaan heeft den ko: „ning van dompo Een herte beest Jagt aangesteld bij de ne„ gorij seletoa maar de koning van Sangar heeft laaten in stukken kappen sonder iets daar van te schrijven off be„ kent te maaken aan den schrijver dewelke in absentie van van mij alhier op bina sijnde maar wel aan den koning van bima waar op bapa bitjara aanstonds twee sendelin„ „gen naar dompo gesonden heeft om den koning van Dompo laaten zeggen dat hij sig maar soude still houden Ik op binna weder om gearriveert sijnde heeft mij niemand daar van rapport gedaan maar ik had den Pangoelo der maleijer naar Langar gesonden den gemelte pangoeloe wederom op bina te rug gekomen sijnde sijde mij dat den koning van Langer teegen hem gesegd had dat sijn volk naar de Negorij seletoa gegaan waaren om pienang en surie te haalen en selfde een hertebeeste kraal aldaar gevonden hebbende sulx in stuk„ „ken gekapt maar hij heeft haar lieden geen ondre daar toe had gegeeven den 30 xber 1772 heeft den koning van dompo twee sendelin„ van Van Maccasser den 14 Junij 173 — Van Macaser den 14 Janij 173 139 376 „gen alhier bij mij gesonden om sijn beklagten te laaten doen wegens 't tramponeeren van t hertebeeste kwaal door den ko„ „ing van Langar en dat dog altijd de negorij seletca onder dompo heeft gehoord ik hebbe daar op aan den koning van Langar geschreeven dat hij hier op bima moeste komen om vergadering te houden over 't land en als het hem toequam hij verseekerd konde sijn dat hem regt sullen geschieden Maar hij geeft mij tot antwoord dat hij niet van Intentie was meer over dat land te procedeeren terwijl het hem tot drie maand „len gegeeven was ten eersten van den schrijver en den stuur„ „man Ian ten tweede van den resident volkert Thomas higt en ten derden op Maccasser van den wel Edele gestrengen heer David boelen den wel wel Edelen heer bernardus van Pleu„ „en den Sabandhaar Ian Hendrik voll den secretaris Joseph Smoder en den resident volkert Thomas stigt in preesentie van den koning van bima den koning van Dompo den koning van tambora en den Pangalassang van Petiat al het landen bewesten de rivier Camboe hem toebehoord en dat hij liever wilde sterven als sig het land laaten afneemen uwel Edele agtb kunnen sien uijt de kaart dewelke ik de Eere hebt uwel Edele agtb: hier nevens toe te senden dat 't land den koning van Sangar niet toekomt en dierhalven Een abuijs is geweest wegens 't land ten westen van het revier Camboe het soude aan Langar behooren terwijl het hem gegeeven is maar als Dompo het land aan zangar moet cedeeren so kan hij niet van sijne schulden afkoomen terwijl het meete apan„ hout aldaar gekapt werd. op den 5. Iann: J=l hebbe ik den sergeant en den Pangoeloe der Maleijer naar dompo gesonden terwijl weegens mijne onpasselijkheijd selfs niet hebbe gaan kunnen den koning van Dompo hadde dier tijd Een hertebeeste Jaegd aangesteld bij de negorij Taha alwaar den koning van Dompo altijd gewoont is om te laaten Jaagen maar den koning van Sangar heeft 't met geweld verboden om te Jaagen hadde den sergeant met den Pangoeloe der Maleijer aldaar niet in presentie geweest het soude Dompo en Sangar hand gemeen soude geworden ik hebt den koning van Sangar daar over ge„ schreeven dat sijn hoogheijt uit de missive dewelke ik van den wel Edele agtb: heer gouverneur en raad van uwel macasser

NL-HaNA_1.04.02_3389_0367 view scan ↗

English

From Maccasser the 14th of June 1773. From Macasser the 14 June 1773 135 378 brought with me could well show to the king of Bima, Dompo, Tambora, Sangar, and Pekat that the matter has not yet been settled, and that I was therefore ordered to investigate and settle the matter. Whereupon the king of Sangar replied to me that, although he was well aware of this letter, since the Honorable, Valiant Lord Governor Boelen and the Council of Macasser had once concluded it, the same could not be undone again, and that he would rather go to Maccasser himself. Your Honorable Worships may rest assured that the king of Bima is the cause of the matter, and the king of Bima currently has authority over Tambora, Sangar, and Pekat; likewise, he will not fail to seek to bring Dompo under his control. Indeed, the king of Bima seeks to force the Honorable Company to give the land to Sangar. During my absence from here to Salemparang, the king of Tambora, who wanted to go to Maccasser—furthermore, I have the honor to inform Your Honorable Worships that the writer Richard arrived here on the 24th of December of the past year and was in conference with the king of Bima every day. I therefore do not doubt that the king of Bima must have made him somewhat fearful. Afterward, the king of Tambora departed from here to pursue his voyage to Maccasser, but he turned back again, whereupon, upon my arrival from Salemparang, I was astonished to find that the king of Tambora had returned to the settlement of Liama. The king sent two emissaries to me, conveying that he had met with an accident and that his proa was in pieces, which is why he had sent the Torelij Beroboeng to Maccasser, and that His Highness would depart with the first opportunity. I also wrote to His Highness that he must depart in the middle of this west monsoon. here deceased From Maccasser the 14 June 1773 From Maccasser the 14th of June 1773 380 137. has deceased, therefore I request Your Honorable Worships to please send another in his place. Furthermore, I favorably request Your Honorable Worships on behalf of the gunner Joost Vlaming that his pay may be increased from 9 to 13 guilders per month under a contract of five years. Thus, on this occasion, I take the liberty to send herewith to Your Honorable Worships all Honorable Company missives by Corporal Hans Jacob Hartman and the private Cornelis vrij Altenhoven. This private most humbly requests to have his discharge, as his time has expired; therefore, I favorably request Your Honorable Worships to please send another private in his place. Honorable Worships, I request the favor of Your Honorable Worships to please look into the debts of the land of Sumbauwa, which remained indebted for 103 head of slaves in the year 1770 in the month of August, and in the same year paid 40 head of slaves to the valiant gentleman Lieutenant Diderich, leaving still 143 head of slaves, or 5720 picols of sappanwood, on which 3136 was delivered in the year 1771, so that the Sumbawanese still remained indebted for 2584, or 64 head of slaves and 24 picols of sappanwood. Thus Your Honorable Worships can see that nothing of their debt has been reduced, and therefore the Sumbawanese will have to receive the 528 3/4 rixdollars back, since the gentleman Resident withheld it from them in the year 1769 and paid the Honorable Company, and also entered the same in the cash account in the month of August 1769; thus the Sumbawanese must be repaid that money, 528 3/4 rixdollars, out of the cash account, since nothing of their debt has been reduced. Therefore, I shall await Your Honorable Worships' orders as to what I shall do in this matter, and I request that Your Honorable Worships please believe that I am always with deep respect, Sumbauwa From Macasser the 14th of June 1773 From Maccasser the 14 June 1773. am, below stood, Honorable Worshipful Lord, lower, Your very obedient and very humble servant, was signed, A: Lecerf, in margin, Bima in the Honorable Company's fortress, this 26th of February in the year 1773. still lower, P:S: I have the honor to send herewith to Your Honorable Worships the journal and a land map. Below stood, Agrees, was signed, F: J: Voll, sworn clerk. departed from Bima nothing occurred at Na-aanmierroe departed from the same, the 31st of the same at Pekat I sent to Tambora to the king to come to me, the 2nd of the same Bappa Biljara of Tambora came to me and I told them that they must go to Maccasser, and they said that they were ready to depart and that they would depart in a day or two nothing occurred, the 4th to the 6th of the same departed from Pekat, the 7th of the same arrived at Sumbauwa and learned that the king of Sumbauwa had departed for Talimang, the 8th of the same the 1st of November. In the year 1772. The 28th of October the 29th of the same the 30th of the same 139 382 Journal of the Ensign Commander at Bima, Alexander Lecerf, on commission to Salemparang have

Dutch transcription

Van Maccasser den 14. Junij 173. — Van Macasser den 14 Junij 1713 135 378 mauasser meede gebragt hebbe aan den koning van bima Dompo Tambora Langar en Pehat wel konde zien, dat de saak nog niet afgemaakt is en dier„ halven aan mij geordonneert was om de zaak te ondersoeken en af te maeken waar op den ko„ „ning van Sangar mij ten antwoord heeft gegeeven„ van deesen brief wel weetende omaar terwijl dat den wel Edelen gestrengen heer gouverneur boelen en den raad van Macasser Een maal was afge„ „maakt het selfde niet wederom konde verbroken werden en dat hij liever selfs naar maccasser wilde gaan uwel Edele agtb: kunnen verseekert sijn dat den koning van bima de oorsaak van de saak is en den koning van bina heeft tegenwoordig het ge„ sag van tambora Sangar en Pekat ook sal hij niet na laaten te soeken om Dompo onder sig te krijgen Ia den koning van bina soek DE Comp: daar toe te forceeren om het landen aan Sangar te sullen geeven By mijn absentie van hier naar salemparang is deko„ „ning van Tambora dewelke naar Maccasser wilde gaan verders hebbe de Eere uwel Edele agtb: te communiceeren dat dierschrijven Richard op den 24. december anno passato gaan alhier gekomen en alle daagen met den koning van bima in Conferentie geweest Ik twijffele also niet of de koning koning van bima sal hem wat bange gemaakt hebben daar na is den koning van Tam„ bora van hier vertrokken om sijne reijs na mac„ casser te bevorderen maar hij is wederom te rug gekeerd waar op ik bij mijn arrivement van salemparang het verwondert staan dat den koning van Tambora naar de negorij Liama was te rug gekeerd de koning heeft twee sendeling bij mij gesonden en laaten seggen dat hij een ongeluk had gekree„ „gen en dat sijn prauw in stukken was dierhalven den Torelij beroboeng naar matcasser had gesonden en dat sijn hoogheijt met de Eerste occagie vertrekken soude ik hebt ook aan aan sijn hoogheijd geschree„ „ven dat hij met de helfte van deese west mouson ver„ trekken moet, alhier overleeden Van Maccasser den 14 Junij 173 — Van Maccasser den 14' unij 173 380 137. overleeden is dierhalven versoek uwel Edele agtb: Een ander in die plaats mogen toe senden wijders versoek ik uwel Edele Agtb: gunstig aan den bosschieter Joost vlaming om sijn verbeeter te mogen werden van ƒ 9. tot 13. perm:d onder Een ver„ band van vijff Jaaren soo weeme de vrijheijd bij deese geleegentheijd aan uwel Edele agtb: als nu over te senden alle sE Comp: missive door den corporaal Hans Jacob Hartman en den gemeene militair Cornelis vrij Altenhoven deese gemeene militair versoek ootmoedigst om sijn verlossing te mogen hebben terwijl sijn tijd g'Expireert is dierhalven versoeke ik uwel Edele agtb: gunstig om een ander gemeene militair in sijn plaats temogen toesenden, wel Edele Agtb: ik versoekt de gunst van uwel Edele Agtb: gelieve te sien weegens de schulden van't Land van Sumbauwa dewelke in anno 170 in de maand August:s debet sijn gebleven 103. p„s slaeven en in den selve Jaar aan den manhaften heer Luijtenant Diderich betaald hebben 40: p:s slaeven resteerende nog 1423 ps slaven of Sappanhout 5720. pic:s daar op in ao 1771. geleeverd 3136 so dat de Sumbauwareesen nog debet sijn ge„ bleeven 2584. of 64. p:s slaeven en 24. picols sappan„ hout so kan uwel Edele agtb sien dat dat van haar schuld met vermindert is en dierhalven. sal de sumbauwareesen de 528¾ rd„s weederom moet hebben terwijl de heer resident sigt van haar Lieden onthoud heeft Ao 1769 en d' E Comp: betaald heeft en selve ook in de maand augustus 1769 in de cassa Ree„ kening opgebragt so moet de sumbauwareesen dat geld 528 ¾. rd„s uit de cassa Reekening weederom aan de sumbauwareesen moeten betaald werden terwijl van haar schuld niet vermindert heeft daarom sal ik uwel Edele agtb: ordres verwagten wat ik daar aan doenen sal en versoeke dat uwel Edele agtb: gelieve te gelooven dat ik met een diep respect allen tijd Sumbauwa ben Van Maccaser den 14. Junij 173 Van Maccasser Den 14 Junij 173. ben /: onderstond:/ wel Edele agtbare Heer /:Lager:/ uw zeer gehoorsaame en zeer onderdanige Dienaar /:was geteekent:/ A: Lecerf /:in margine:/ Bima in 's E: Comp: vesting adij 26:' Februarij a:o 1773 /:nog lager :/ P: S: hebbe ik de Eere uwel Edele agtb: t dagregister en Een Land Caart hier meede toesenden /:onderstont:/ Accordeert /:was geteekend:/ F: J: voll gesw: Clercq van bima vertrocken niets voorgevallen op Na-aanmierroe van _„o vertrocken „ 31: _o op Pekat Hebt ik na tambora gesonden aan den koning om bij „ 2 _„o mij te koomen Bappa biljara van Tambora bij mij gekomen en hebt „ ik aan haar lieden geseijd dat na maccasser moeten gaan en sij seijd dat sij zeijd dat sij lieden klaar waaren om te vertrekken en dat over een dag of twee vertrecken soude niets voorgevallen „ 4. tot den 6 d„o van Pekat vertrocken „ 7 —:o op Sumbauwa gekomen en vernomen dat de koning van „ 8 _„o sumbauwa na Talimang was vertrocken „ 1: November. Ao 1772. Den 28. october „ 29 _o „ 30 _o 139 382 Dag Register van den vaandrigen Com„ „mandant te Bima Alexander Lecerf in Commissie na Salemparang hebb

NL-HaNA_1.04.02_3389_0370 view scan ↗

English

From Makassar the 14th of June 173 From Makassar the 14th of June 173 The 9th of November I learned that Palima Billa and the Buginese Poeanna Roempang had plundered a prahu belonging to an inhabitant of Makassar in the territory of Salemparang. Therefore I sent to Kallij Balla and the other grandees of the realm to learn where Sallima Billa and the Buginese Poeanna Roempang were staying. Kallij Balla and the other grandees of the realm informed me that Salima Billa was a Mandarese and was currently staying at Taliwang, and Poeanna Roempang was staying with Datu Boessing, and currently cruising at Laboean Beroe, Laboean Adjie, and Segara Lombok. The 10th ditto I sent Boemie Pangalassang of the estate of the Matoa Bugis and the Panghulu of the Malays to Kraeng Bellasarie, and had her informed that she must depart from Sumbawa for Bima, and that the Honourable Company will not permit her to remain on Sumbawa. Received as an answer that she was ill, and requesting that a prahu be given to her so that she might travel to Bima, because the King of Sumbawa had taken all the prahus with him, and that when the King returned, she would gladly depart from there for Bima. The 11th ditto sent a letter to the King of Sumbawa and one to Kraeng Billajie to request His Highness that he please come to me. This letter was sent with Daeng Menpeng to Taliwang in the hope that His Highness would be on Sumbawa when I returned from Salemparang. The prince Datu Boedie has now become Datu Jereweh, his father having been made rich by the King and all the governors of the realm of Sumbawa. The 12th of November, the Sumbawarese Kallij Balla, the Adipati, Nene Ranga Kambang, and Damen Maping and the other governors of the realm came to me. Here I asked them for what reason the King had departed for Taliwang. They stated that the King, upon his departure for Taliwang, instructed them that when the resident came to inquire, to let him know that His Highness would return to Sumbawa. I asked them who had gone with His Highness to Taliwang. They said Datu Boessing, Mappa, and the Matoa of the Buginese had departed with His Highness, and that His Highness had gone to Taliwang to have the grave of his ancestor repaired. The 13th ditto I informed the governor of the realm that I would come to the settlement the next day. The 14th of November nothing occurred. The 15th ditto I went to the Sumbawa settlement, and after paying the customary compliments, I asked them why the King had not gone to Makassar. They said that the King was still ill, and that he would go next year. I requested that they must provide a shipload of sappanwood next year; he assured me that there would be enough sappanwood. The 16th and 17th ditto nothing occurred. The 18th ditto received a letter from the Honourable Governor and Council at Makassar. I sent to the Panghulu of the Malays to request Kraeng Patenete to come to me. He promised that he would come the next day, but he did not come. The 19th ditto nothing occurred. The 20th ditto departed for Alas to search for the aforementioned Palima Billa and Poeanna Roempang. The 21st ditto anchored at Utan. The 22nd ditto arrived at Alas. The 23rd ditto Damen Alas came on board. I asked Damen Alas if he had heard anything of Palima Billa and Poeanna Roempang. He said that he did not know. I asked why the King of Sumbawa had departed for Taliwang. He said that the King had departed because the governors of the realm did not want His Highness to marry the daughter of the King of Sanrabone; therefore His Highness had sent a prahu to Banjarmasin to request the King of Banjarmasin to be permitted to marry the sister of the said King. The 24th of November nothing occurred. The 25th ditto departed from Alas. The 26th ditto arrived at Laboeang Beroe, but found nothing, although it was said that the two aforementioned persons, Palima Billa and Poeanna Roempang, were staying around Segara Lombok. The 27th ditto far past Laboeadjie. I had sent the Matoa Bugis ahead to search for the two aforementioned persons, but having found nothing, we passed Segara Lombok and came to anchor at the point of Segara Lombok. We came to anchor at an island, and the Matoa of the Buginese came to warn me that four prahus of pirates were anchored at the point of the island. We set out toward them with our four prahus, but while the Matoa of the Buginese...

Dutch transcription

Van Maccasser den 14. Junij 173 van Macassen den 14 Juny 173 Den 9. November hebt ik vernomen dat Palima billa en den boegienees Poeanna roem„ pang een prauw van den inwoonder op mallasser geplundeerd had op t land van Salemparang daarom hebbe ik na Kkallij balla en verder rijkis grooten gesonden hebt om te mogen weeten waar Sallima billa en den boeginees poeanna roempang ophoud kallij balla en verdere rijkisgrooten lieten mij seggende dat Salima billa een mandarees was en tegenwoordig op talimang op houden en Iocanna roempang bij datoe Boessing op hielden en tegen„ woordig op laboran beroe Laboean adjie en Segara zombo kuissen 10:e _„o hebt ik boemie Pangalassang van schat matoa boegis en Pan„ goeloe der maleijenr na cram bellasarie toegesonden en laaten haar zeggen dat sij moet van sumbauwa na bima vertrecken en dat d E comp: niet hebben wil dat sij op sumbauwa sal blijven tot ant„ tot antwoord gekreegen dat sij siek was en versoeken dat haar een praauw sal gegeven word om na bima te mogen waar want de ko„ „ring van sumbauwa had al de praauw meede genomen en als de koning wederom quam dat sij soude graag dar van daar na bima vertrecken 11: _„o Een brief aan den koning van sumbauwa toegesonden en een aan Cram billajie om aan sijn hoogheijd te versoeken dat hij bij 14t 384 mij gelieve te komen desen brief gesonden met daing menpens na taliwang met hoope dat sijn hoogh:d op sumbauwa soude weesen als ik weederom van Salemparang soude komen den prince datoe boedie is tegenwoordig datoe jereve geworden sijn vader rijk gemaakt door den koning en allen rijkbestieren van sum„ zijnde sumbauwarees bij mij gekomen kallij bla en dipattie den 12. november nene Ranga kambang damen maping en de verdere rijkbe„ Hier ik heb met haarlieden gevraagt wat voor reeden dat den koning na Saliwang was vertrocken zij lieden seggende dat den koning op sijn vertrekt naar taliwang, met harlieden belasten aals de resident quam te vragen laten hem weeten dat sijn hoogheijt op sumbauwa soude wederom komen ik hebt haarlieden gevraagt wie is met sijn hoogheijt na Paliwang sa„ men gegaan sij sijde datoe boesing mappa en matoca der boegineesen met sijn hoogheijt waaren vertrocken en dat sijn Hoogheijt na taliwang was gegaan om de dood graaff van sijn voor vader te laeten repareeren Liet ik aan den aijksbstierder weeten dat ik 's anderen daeg „ 13 _„o op de negorij soude komen bauwa niets „ 11: mij 143 386 Van Maccasser den 14. Junij 173 Van Maccasser den 14. Junij 173. — Den 14. novemb„r niets voorgevallen hebtik na de negorij Sumbauwa gegaan en na de ordinaie Compliment gedaan hebbende hebtik haar lieden gevraagt waarom den koning niet na maccassen was gegaan sij seijd dat den koning nogte Jink was en dat toekomende Jaar soude gaan ik beijd dat sij lieden sappan„ hout voor Een schip lading moet geeven toekomende Jaar bij versekert mij dat sappanhout genoeg soude weesen, 16: en 17 _„o niets voorgevallen 18 _:o Een brief van den wel Edelen heer gouverneur en raad temaccasser ontfangen hebt ik aan den pangoeloe der maleijer gestuurd om aan cram patenete versoeken dat hij bij mij soude komen hij beloofd dat hij anderen daag soude komen maar hij komt niet 20.: _„o Na allas vertrokken om de gemelte Palima billa en Poeanna Roempang op te soeken 21: _o op oetang ten anker 22. _:o op allas gekomen „ 23 _o is damon Allas aan boord gekoomen ik vroeg aan damon allas of hij niet gehoord had van Palima billa en Poeanna Roempang hij zeijd dat hij niet en weet ik vroeg waarom heeft den koning 19 _o niets voorgevallen niets voorgevallen den 24. november van Allas vertrokken „ 25. _„o op Laboeang beroe gekomen maar niets gevonden als geleijd „ 26: _„o wierd dat de twee gem: Palima Willa en Poeanna roempang omtrend Sagara Lombok op hielden ver bij La boeadsie ik had matoa boegis voor uit gesonden „ 27 _„o om de twee gemelte persoonen op te soeken maar niet gevonden heeft kom wij verbij segara Lombok en quam ten anker op de hoek van Segara Lombok komt wij in een Eijland ten anker en de matca der boegineesen bij mij komen waarschouwt dat vier praauw van zeeramer op de hoek van 't Eijland ten anker wij hebben met onsen vier praauw daar na toe maar terwijl de omatoa der van Sumbauwa op taluwang vertrocken hij seijd dat de koning vertrokken was om reden dat de rijkslettier niet hebben wouw dat sijn hoogheijd met de dogter van den koning van Sandra„ bonij trouw soude daarom had sijn hoogheijd een praauw na Banjermassing toegesonden had om den koning van ban„ „jermassing te versoeken om de suster van de gemelte koning te mogen trouwen boegineeken „ 15 _„o „ man

NL-HaNA_1.04.02_3389_0372 view scan ↗

English

From Maccasser the 14th of June 1733 From Maccasser the 14th of June 1733 The 29th of November came to anchor at the village of Baijang to fetch water The 30th ditto departed from Baijang The 1st of December came to anchor at Sagara Totong The 2nd ditto at Tallo Dalam The 3rd ditto came to anchor at the village of Tandjong Karang, and I immediately sent the Pangulu of the Malays and the Matoa of the Buginese ashore, and informed King Gusti Waijantaga, saying that I had brought a letter from the Honorable Governor and the Council of Maccasser, and requesting that it might please His Highness to receive it, and the messenger came to tell me that His Highness had told them that he would have me fetched tomorrow morning, but that I should not take it amiss that he could not do me the honor as he did last year, because the greater part of his people had been sent to Bali, and that there were still prows that must take his people to Great Bali, as a heavy war was being waged there against a certain prince named De Noa, and because the Buginese had forgotten to take in their flag, the Ceramers could immediately set sail, and rowing hard it was impossible for us to reach them, and that he had to send his own son to Bali. On the 4th of December went ashore with the letter from the Most Honorable and the Council of Maccasser, and was received with all honors, and having arrived before Gusti Waijantaga and having paid the ordinary compliments, I presented to His Highness the letter from the Honorable Gentleman and the Council of Maccasser in the presence of the 4 Balinese envoys, and we conversed there for about 2 to 3 hours, but nothing of importance was discussed. His Highness told me that the envoy from His High Nobility at Batavia had returned, and he immediately ordered the common envoy to be summoned. I asked him whether he had been well received in Batavia; he said that everything had gone well and that he had never seen so many ships together. I attempted to speak to His Highness alone, but could never manage it because the Balinese envoys were always with him. In the afternoon at 5 o'clock I went back on board. I sent the Bumi Pangalassang of Pekat to His Highness to see whether he could arrange for me to speak with His Highness alone. At 5 o'clock in the evening From Maccasser the 14th of June 1773. From Maccasser the 14th of June 1733 In the evening the Bumi Pangalassang of Pekat returned and told me that it was impossible to speak with His Highness alone, because the Balinese envoys were always with him. The 6th of December I sent the Pangulu of the Malays and the Matoa of the Buginese to His Highness to inquire whether I could speak with His Highness alone; in the afternoon the Pangulu and the Matoa returned, saying it is impossible to speak with His Highness alone, for the reason that the Balinese envoys were always with him. The 7th ditto I informed His Highness that I intended to depart this evening; he sent word that he would write to the Honorable Governor and the Council of Maccasser at the first opportunity, and wished me a safe voyage and good health. The 8th ditto anchored at Sagara Tokong The 9th ditto anchored at the corner of the village of Sagara Lombok The 10th ditto anchored at Utang; nothing occurred The 11th of December arrived at Sumbawa and learned that the King of Sumbawa was still at Talimang The 12th ditto I went to Kram Patene and asked him whether Puanna Rumpang did not fall under his authority; he gave me the answer that he had previously served under him, but because of his misconduct had driven him away, and that he was currently with Datu Busing. The 13th ditto departed from Sumbawa; nothing occurred The 14th ditto anchored near Moyo The 15th ditto sent to Kali Bala and asked why the King of Sumbawa had not returned; he informed me that he did not know, but that if the king did not come, he and the Regent would go to Talimang to fetch the king. The 16th ditto anchored near the island of Satonda at 10 o'clock in the evening. The 17th ditto through severe storms, and we dragged our anchor and thus drifted before a heavy west wind. The 18th ditto From Maccasser the 14th of June 1773 From Maccasser the 14th of June 1773 The 20th of December we got a good wind, and in the evening at Bima Underneath was written: Bima in the Honorable Company's Fortress Adij, the 22nd of December, Anno 1772. Signed: A. Lecerff. Below: agred. Signed: T. I. Voll, sworn clerk. To the Right Honorable Gentleman, Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this coast of Celebes. Right Honorable Sir, I hope that Your Right Honorable has received my last letter of the 26th of February of this year. Regarding the matter of Dompo and Sangar, since that time a change has occurred. The Bapa Bichara of Bima came to me on the 9th of March; he said to me that the King of Sangar would be willing to attend the meeting, and that we could bring about an accord between Dompo and Sangar if I was willing to cooperate, and that he would do his best to bring Dompo and Sangar to an agreement. He requested that I would not take it amiss that he made a request of me; I told him that he was free to speak. He said to me that Dompo and Sangar would never become good friends as long as the King of Dompo did not return the slaves to Sangar, for the reason that the Right Honorable Governor

Dutch transcription

Van Maccasser den 14: Iunij 173 Van Maccasser den 14:' Iunij 173 — den 29 novemb„r op de negorij baijang ten anker gekomen om water te haelen 35 _„o van baijang vertrocken 1: December op Sagara totong ten anker 2: _„o op Tallo dalam„ 3 _o op de negorij tandjong karang ten anker hebt ik aanstonds. de Pangoeloe der maleijer en de omatoa der boegineesen nadewal gesonden en liet den koning gustij waijantaga seggende dat ik een brief van den agtb: heer gouverneur en den raad van maccasser mede gebragt en versoek om bij sijn hoogheijd ik den selven te mogen geaccepteerd werd en de sendeling bij mij komen seggen dat sijn hoogheijt haarlieden geseijd had dat hij morgen vroeg souw laten afhaalen maar dat ik niet qualijk neemen moet dat hij mij de Eer aan doenen kan so als verleeden Jaar want sijn volks die waaren te meeste pard naar balij toegesonden en daar was nog wel de prau„ wen die sijn volk naar groot balij moeten brengen terwijl daar is swaar oorlog was tegen sekere prins genaamd De Noa boegineesen vergeet had sijn vlag te bergen so kon de Seeramer aan„ stonds onderseijl en met sterke roeij was ons onmogelijk om bij haarlieden te komen en dat sijn Eijgen soon na balij moeten senden, aan de wal met de brief van den groot agtb: en den raad den 4. December van maccasser met alle een ontfangen geworden en bij gustij waijantaga gekomen na ordinaire compliment afgelegt te hebben hebt ik aan sijn hoogheijd de briev van den agtb: heer en den raad van maccasser gepresenteerd in preesentie van de 4. balijse zendeling daar wel 2. a 3. uuren gediscoe„ „reerd maar niets van belang sijn hoogheijd zeijt tegen mij dat den sendeling van sijn hoog Edelheijt van bata„ via wederom was gekomen en liet aanstonds de gemeene sendeling roepen ik vroeg hem of hij op batavia wel ontfangen was geworden hij seijd dat alles wel gedaan was en dat hij nooijt soo veel scheepen bij malkander gesien had ik hebt gesoekt om de gem: sijn hoogheijd allee„ „rig te spreeken maar nooijt konnen krijgen terwijl de balijse zendeling altijd bij hem waaren sagtermiddag om 5 uuren na boord gegaan, Htebt ik de boenie Pangalassang van Pekat na sijn hoogh:d toegesonden om te sien als hij konnen maaken dat ik bij sijn hoogheijd had kunnen spreeken om 5. uuren 145 388 en s avonds Van Maccasser den 14 Junij 1773. — Van Maccasser Den 14 Jnij 1733 's avonds de boemi pangalassang van sekat komende we„ „derom en bij mij seggen dat onmogelijk was om met sijn hoogh:d alleen te spreeken terwijl de balijse sendeling altijd bij hem waaren Den 6: December hebt ik de pangoeloe der maleijer en den Matoca der boegineesen na sijn hoogheijd toegesonden hebben om te verneemen als ik alleen bij sijn hoogheijd kunnen spree„ „ken 's agtermiddag komt de pangoeloe en den matoa wederom seggen 't is onmogelijk om bij sijn hoogheijd al„ „leenig te spreeken om reeden de balijse zendeling is altijd bij hem waaren 7. _„o liet ik aan sijn hoogheijd weeten dat ik van sins was om heeden avond te vertrecken hij liet mij seggen dat hij aan den agtb: heer gouverneur en den raad van maccasser met de eerste geleegentheid soude schrijven en daar een behoude reijs en welvaerentheijd wenschen, 8. _o op Sagara Tokong ten anker 9 _o op de hoek van de negorij Sagara Loombok ten ankier 10 _o op oetang ten anker niets voorgevallen van Sumbauwa vertrokken niets voorgevallen bij moejong ten anker bij de eijland satonda ten anker 's avonds om 10 uuren „ 18 _„o „ 15 _o „ 14. _ o Bij kalie bala gesonden en laeten vraagen waarom den koning van Sumbauwa niet weder„ „om kom hij liet mij weeten sulx niet weetende maar als den koning niet komen dat hij omet de rijkbestierder naar Talimang sullen gaan om den koning af te haalen op Sumbauwa gekoomen en vernoomen dat den ko„ den 11. Decemb„r „ning van Sumbauwa nog op Talimang was Ben ik bij cram patene gegaan en hem gevraagt „ 12 _„o of Poeanna Roempang niet onder hem stond hij gaf mij tot antwoord dat hij voor deesen bij hem had geloopen maar door sijn quaaddoen„ de hem had weg gejaagd en tegenwoordig bij Datoe Boesing was 147 390 op door 13 „ 16: _o „ 17 _„o Van Maccasser den 14„' Junij 173 — Van Maccasser den 14:' Junij 1773— Den 20 December kreijgt wij goede wind in savonds op Bina /:onderstond :/ Bima in sComp: vesting Adij 22. December Anno 1772. /:was geteekend:/ A: Lecerff /:lager:/ Accordeert /:was geteekend:/ T: I: Voll getr: Clerceq Ik hoope dat mijne laaste letteren van den 26 februarij deses Iaars sal uwel Edele Agtbaeren ontfangen hebben van weegens de saak van Dompo en Langar van die tijd daar is een verandering Een gekomen de bappa Bitjara van bina is op den 9: maart bij mij gekomen hij seijt tegen mij dat de koning van Langar wel in de vergadering wouwkomen en dat wij dompo en Langar da coord kon krijgen als ik doen wouw dat hij sijn best souw doen om dompo en Sangar te sien te accordeeren hij versoekt dat ik niet qualijk neemen souw dat hij mij iets te versoekt had ik segge dat hij maar gelieve te spreeken hij zeijd tegen mij dat nooijt dompo en sangar soude goede vriend worden so lange dat de koning van Dompo de slaaven aan Sangar niet restitueeren om reeden dat den wel Edele Agtb: Heer E Wel Edele Agtbaere Heer. Aan Den wel Edele Agtbaeren Heer Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en directeur deser custe Celebes door een swaare stormen en wij sijn van ons anker geraakt en so met swaare weste wind gedreeven, 149 392 Aan gouverneur

NL-HaNA_1.04.02_3389_0375 view scan ↗

English

From Maccasser, 14 June 173 — From Maccasser, 14 June 173 — 151 394 governor and council at macasser and the other allies had condemned the king of Dompo to restore the 65 Sangarese slaves to the king of Sangar, and if the king of Dompo did not want to give the slaves to sangar, that was a sign that he did not want to listen to the Company, so he could well understand that the Sangarese did not want to be obedient to the resident because dompo had not been obedient to the Company and had not returned his slaves as was ordered in the meeting at maccassaar; the bappa bitjara affirmed to me that if the slaves were restored to Sangar, he together with the Company would compel the king of sangar not to touch that land anymore, as it belongs to the king of dompo, and that he intended to go there with me and settle the boundary line between dompo and sangar. On 13 March, the king of bima and the administrator of the realm came to me, and after the ordinary compliments had been paid, I asked the king of bima why it was that the king of Sangar did not want to come to the meeting, though I had sent for him twice. The king of bima gave me for an answer that the king of Sangar had sent to him to request his highness that his highness would tell the resident, and humbly requests to be excused that he could not come here because he was ill. His highness said to me that he requests that I should not take it amiss, as he would tell me the truth as to why the king of Sangar did not want to appear; his highness says that I must not think that his highness took the side of sangar, but his highness being the principal ally, he is obliged to seek justice, because at macasser, in the meeting of the Honorable Worshipful Lord Governor and further council and allies, the king of dompo was condemned to restore 65 Sangarese slaves to sangar, and although five years have already passed, he has not yet given a single slave to sangar; and he gave to understand that while the king of dompo would not obey the Honorable Worshipful Lord Governor and council and further allies, he would not obey the resident either; therefore his highness requests, in order to maintain the Company's authority, that I should just issue orders that dompo give the slaves to Sangar and Sangar stay away from this land. It was agreed that I should have the slaves demanded from Dompo; therefore I sent to dompo and received a letter from the king of Dompo stating that he wanted to pay three slaves to the Lord High, From Maccasser, 14 June 173 — From Maccasser, 14 June 173 153 396 but the resident had told him that there was still time enough and had spoken no more of it, but now that I have sent to ask him, he will see to obtaining and paying the slaves, so I hope to settle this matter in a short time, for dompo is inclined to return the slaves to Sangar. On behalf of the king of Tambora, on the 4th of this month the senelibe Saleppe was sent to me for three passes for three prahus that will depart with the king for maccasser, along with a letter to be sent to your Honorable Worshipful Lord; the letters that I wrote to Petrat I have conveyed to the king, so I hope that by the receipt of this, the king of Tambora will be at macasser, along with the six horses. On the 20th of last month I sent Corporal Lecerpo to sumbauwa in order to learn what business the king of sumbauwa had at Salivang, and to know whether the jalla bancoeloe was not there; Crain patene has written to me by Corporal Lecers that the jalla bancoeloe had been at Taluwang with a sloop and a pantjallang, was presently under a small island near Salemparang, and had sent his people to sumbauwa to claim his debts, and that the jalla bancoeloe will soon arrive at Sumbauwa with a pantjallang; the letter from Crain Petene I send herewith together with the translation of the letter, and all the administrators of the realm of Sumbauwa have departed for Taliwang to fetch the king and bring him back to sumbauwa; with regard to the sappanwood, the Sumbawanese have firmly promised to provide a shipload at Sumbauwa, so I hope that the ship that shall arrive here will get its full cargo. Herewith also goes the letter from gusti waijantaga, requesting that your Honorable Worship may excuse it for the reason that I have forgotten, wherewith your Honorable Worshipful illustrious family is commended to God's protection, and I take the honor with veneration and high respect to call myself, underneath was written: Honorable Worshipful Lord, lower: your Honorable Worship's most humble and dutiful servant, was signed: A: Lecers, in the margin: Bima in the Company's fortress, this 6 April Anno 173, underneath was written: Agrees, signed: F:s S:s voll sworn clerk.

Dutch transcription

Van Maccasser Den 14 Junij 173 — Van Maccasser Den 14.:' Junij 173 — 151 394 gouverneur en raad op macasser en de verdere bondgenooten den koning van Dompo gecondanneert hadde de 65. Sangareesen slaaven aan den koning van Sangar moeten restituteren en als de koning van Dompo de slaeven niet geeven wouw aan sangar dat was een teek dat hij dE Comp niet wouw na lusteren so kon hij wel begreepen dat de zangareesen niet wouw de resident gehoorsaam weesen om dat dompo de comp: niet gehoorsaam was geweest en sijn slaeven niet weederom gegeeven had so als in de vergadering op maccassaar g'ordonneerd was de bappa bitjara affirmeerd mij als de slaaven aan Sangar gerestitueerd was dat hij met de comp: de koning van sangar toe dwingen souw om dat land niet meer aan te roer terwijl de koning van dompo toe behoord en dat hij van sints was met mij na toe te gaan en de lemiet scheijding van dompo en sangar af te maaken den 13. maart de koning van bina en de rijksbestier bij mij gekomen na ordinair compliment afgelegt soo vroeg ik aan de koning van bima hoe komt dat de koning van Langar in de vergadering niet wilde komen dat ik twe maal hem laaten roepen de koning van bima geeft muy ten antwoord dat de koning van Sangar aan hem gesonden had om sijn hoogheijd te versoeken dat sijn hoogheid aan de resident zouw seggen en versoekt onderdanig Excusie dat hij niet hien ko„ „men dat hij sul was sijn hoogheijt seijd tegen mij dat hij versoekt dat ik niet qualijk nemen douw, hij souw mij de waar„ heijd seggen waarom waarom de koning van Sangar niet Com„ pareert wouw sijn hoogheijt seijt dat ik niet moet den tit dat sijn hoogheijt de parthije van sangar naamen maar sijn hoogheijt de eerste bondgenooten sijn dat hij verpligt is om de geregtigheijd te soeken want op matcasser sijn in de vergadering van den wel Edele agtb: heer gouverneur en verdere raad en bondgenooten de ko„ mming van dompo gecondemneerd is omme 65 sangareesen slaaven aan sangante restitueeren en al vijff jaaren geleeden sijn nog geen Een slaaf, aan sangar gegeeven heeft en gaff te kennen terwijl de ko„ oning van domp aan den wel Edele agtb: heer gouverneur en raad en verdere bondgenooten aan de resident ook niet doenen souw daarom versoekt sijn hoogheijd om sComp: gesagt te houden dat ik maar ordre soude aanstellen dat dompo de slaven aan Sangar te geeven en Langar van dit land af te blijven t wierd g'accordeert dat ik de slaeven aan Dompo soude laaten vraagen daarom hebbe ik na dompo gesonden en Een brief van den koning van Dompo gekree„ gen dat hij drie slaeven aan d Heer Higt had wilde betaalen Zouw maar Van Maccasser den 14 Junij 173 — Van Maccasser den 14 Junij 173 153 396 maar de resident hem geseijd had dat nog tijd genoeg was en daar niet meer van g'sproken had maar terwijl dat ik hem laaten vraegen hij sal sien om van deslaeven te krijgen en te betaalen so hoope een korte tijd deeses saak af te maaken want dompao is toe„ genegen om deslaeven aan Sangar wederom te geeven. van weegens den koning van Tambora heeft op den 4. deser de senelibe Saleppe bij mij gesonden om drie pas voor drie praauw die met de koning na maccasser vertrecken sal neevens Een brief aan uwel Edele agtb: heer toe te senden de brieve die ik op Petrat gesz: heeft heb ik de koning laat behouw so hoope dat dat met 't ontfangst deses de koning van Tambora op macasser sal weesen nevens de ses paarden op den 20 verleeden maand heb ik den Corporaal Lecerpo na sumbauwa gesonden om te mogen weeten wat den koning van sumbauwa op Salivang te doenen had en om te weeten op de jalla banioeloe niet daar was Crain patene heeft met den Corp:l Lecers mij geschreeven dat d'jalla bancoeloe op Taluwang geweest was was met Een chialoup en Een pantjallang tegenwoordig onder Een klein Eijland bij Salemparang was en sijn volkeren na sum„ „bauwa gesonden had om sijn schulden te Eijst en dat djalla bancoeloe attenis op Simbauwer sal komen met Een Pantjallang de brieve van Cram Petene sende ik hier meede neevens de Translaat van de brieve en alde rijkisbestierder van Sumbauwa sijn na Talivang vertrokken om den koning af te haelen en wederom op sumbauwa te brengen van wegens de sappanhout heeft de sum„ „bauwareesen vast belooven om een schip lading op Sumbauwa te geeven schoope dat de schip die hier komen sal sijne volle la„ „ding souw kreijgen Heer gaat meede de brieve van gusti waijantaga versoekt dat uwel Edele agtb: te mogen Excuseeren om reeden dat ik vergen hebt waar meede uwel Edele Agtb: illustre familie in gods pro„ testie te bevoolen en geve ik met de Eer met veneratie en hoog respect mij te noemen /:onderstond:/ wel Edele Agtb: Heer/:lager:/ uwel Edele ootmoedigsten en trouwschuldige dienaar /was geteekent:/ A: LecerCs /:in margine:/ Bia in 's Comp: vesting Adij 6: April A:o 173 /: onder stond:/ Accondeert /geteekend:/ F:s S:s voll gesw: clercq Bancoeloe Deesen

NL-HaNA_1.04.02_3389_0377 view scan ↗

English

From Makassar, the 14th of June 1773 From Makassar, the 14th of June 1773 This Makassarese letter, written by Crain Patene, is translated here into the Dutch language with the following contents: Greetings to the Honorable Resident. Inquiring of the Honorable Resident, he has certainly been to Taliwang with a pantjallang and a sloop. It would still be four behind. He shall come to Sumbawa to demand his debts from the Wajoese Tosaijhoeka. When a sloop is at Sumbawa, then it shall be. Below stood: Agreed. Was signed: F. I. Voll, sworn clerk. Clerk On the 10th of April and the 12th of this month, I had the honor to receive your Right Honorable, highly esteemed separate letters of the 29th of March, 28th and 21st of April, the first per the Bone prince Craeeng Sappanang and the latter two per the ship Leijerdorp. I immediately sent a corporal and a common soldier to Sumbawa with a letter to Craeeng Ballassarie, mother of the late King of Gowa, in order to make the arrival of this prince known to her. It seems that the arrival of this prince here has alarmed the King of Bima not a little, since Craeeng Sappanang is a pretender to the realm who also has a more legitimate claim to the throne than this one. The same is much more favored by the Bimanese subjects. The King of Bima has now, as I notice, changed in humor. I shall not fail, according to the orders given by your Right Honorable, Right Honorable Sir, To the Right Honorable Sir, Paulus Godefredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. 155 398 To orders From Makassar, the 14th of June 1773 From Makassar, the 14th of June 1773 157 400 orders, to exert my utmost ability to persuade her to return again to the Bone court. I have good expectations in this, as I have learned that she is currently inclined to return, while the rest of the orders given to me by your Right Honorable will be promptly obeyed. Regarding the King of Sumbawa, who is currently still staying at Taliwang, I have the honor hereby to note to your Right Honorable that in the past year, upon my departure for Salimparang, as already reported to your Right Honorable in my previous humble letters, I called at Sumbawa and asked the Regent for the reason for the King's departure for Taliwang, who answered me that there were no other reasons than wishing to see his father's grave Pombe and to repair what is necessary to it. Meanwhile, the Regent sent an emissary named Daing Mapoeno to Taliwang to the King to make my arrival there known to the same. Thus, at the request of the Regent, I remained for eleven days, whereupon I continued my journey to Salimparang, with the promise to return again, as occurred on the 11th of December. But since the King was not yet present, I again questioned Kaliballa along with the other grandees of the realm, who assured me for the second time that they still know of no other reasons to state, and that, the King still being young, this matter must be regarded as childish pranks. The grandees of the realm collectively promised me that they would all go in person to the King to bring him back to Sumbawa, as indeed happened, of which I have not yet received word whether the King has returned or not. But if another king must be made, I think that none other will be eligible for the throne than the two brothers Datoe Boedie or Datoe Badjin, who are also the closest to it, and no one else. Upon arrival at Sumbawa, I shall confer with the grandees of the realm about this and put into effect such arrangements as your Right Honorable has been pleased to order me. Da Eeeingimo Allas, with whom I stayed on the 23rd of November, recounted to me that the cause of the King's departure is solely because the Regent would not permit him to enter into a marriage with the daughter of Craeeng Sandrabonij. Furthermore, Datoe Voesing advised the King to send a vessel to Banjarmasin to the Sultan in order to ask for his sister in marriage. Questioned Boemi

Dutch transcription

Van Maccasser Den 14 uny 173 Van Maccasser den 14:' Junij 1773— Deesen Maccassaarse Brief gesch: Door Crain Patene word hier in 't hollandse taal getransla„ „teerd de ondervolgende inhoud, De Groetenis aan dheer Resident, den heer Resident navragen hij is vast op Taliwang geweest met een pantjallangs en Een chialoup het soude nog vier agter hij sal op sum„ bauwa komen om sijn schulden te Eijsschen van den wadjorees Tosaijhoeka als Een chialoep op Sumbauwa is dan sal die weesen. /:onderstond:/ Accordeert/:was getekend:/ F: I: voll gesw: Clrcq Clenq Op den 10 Apil en 12. desen heb ik de Een gehad te otfangen uwel Edele agtb: hoog g'agte aparte brieven van den 29 maart 28 en 21. april de eerste p:s den bonijs prins Craceng Sappanang en de twee laaste p: t schip Leijerdorp Ik heb ten eersten Een corporaal en Een gemeene militair na Sumbauwa gesonden met Een brief aan crareng Ballassarie moeder van den laastgewelden goas koning ten eijnde de komst van deesen prins haar bekend te maaken, het scheijnt dat de komste van deesen prins alhier den koning van „bina maar niet weijnig heeft ontsteld dewijl craceng sappanang Een pretendent aan het rijk is die ook wettiger tot een troon is als deese deselve werd door de bimaneese onderdaanen veeleer aange„ daan de koning van bina is thans soo ik merk van heumeur verandert sal niet mankeeren volgens uwel Edele Agtb: gegevene Wel Edele Agtb: Heer Aan Den wel Edele Agtbaere Heer Paulus Godefredus van der voort Gouverneur en Directeur der custe celebes 155 398 Aan ordre Van Macasser den 14 Junij 173— Van Macasser den 14 Junij 173— 157 400 ordre mijn uijttenste vermoogen aanwenden om haar te amnineeren van weder na 't bonij stof te heeren ik heb in deese Een goede ver„ wagting dewijl vernoomen hebbende datse zig thans geneegen is om weeder te keeren terwijl 't verdere van uwel Edele agtb: aan mij gegeevene ordre prompt sal werden g'obedieert, Aaangaande den koning van Sumbauwa die thans nogop Ta„ „liwang sig op houdende bij deesen de Eer hebben uwel Edele Agtb: te noteeren dat ik in a:o p:s met mijn vertrek na Salimparang gelijk in mijn voorgaande needrige letteren uwel Edele agtb: reets ber„ deeld op Sumbauwa ben aangewest en den Rijkt bestierder gevraagd na de reden van des konings vertaek na Saliwang die mij op antwoorde dat 't geen andere reeden waaren als om sijn vaders graf Pombe te willen sien en t noodige daar aan te repareeren jntusschen heeft den rijkbestierder Een sendeling genaamd Daing mapoeno na tabriwang gesonden bij den koning van den selve mijn aankomst aldaar bekend maeken dus bleef ik op versoek van den rijks bestien der Elff dagen lang als wanneer ik mijne reijse vervolgde na Salimparang, met belofte van te sullen wederom komen gelijk op den 11 xber geschie is dog vermits den koning nog niet pratent sijnde heb ik kaliballa nevens de verdere rijfksgrooten weeder voorgehouden dewelke mij ten tweede maal versekeren dat se als nog geen andere reedenen weeten te seggen en dat den koning als nog Iongst zijnde deese saak als een kinderagtige streeken moet werd aangemerk de gesamentlijke rijksgrooten beloofde mij alle in persoon na den koning te sullen begeeven om hem weder op sumbauwa te brengen soo als ook geschied is waar van als nog geen tijding heb ontfangen off den koning wederom is, dan 2 niet Dog soo een ander koning moet werden gemaekt denk ik dat geen ander tot den troon sal verhooren worden als de twee gebroeders Datoe boedie off Datoe badjin die ook de naaste daar toe zijnde en geen ander ik sal bij aankomst op Sumbauwa den rijksgrooten hier van onderhouden en sodanige schikking in het werk stellen als uwel Ed: agtb: mij heeft gelieven te ordonneeren Da Eeeingimo Allas bij wien ik op den 23. 9ber ben aangeweest verhalde mgdat de oorsaak van des koning vertrek alleenlijk is om dat den rijks bestierder niet wilde permitteeren Een huwe„ „lijk aan te gaan met de dogter van craeeng Sandra bonij voorts heeft datoe voesing den koning aangeraaden om een vaartuig na banjermassing te senden bij den sulthan ten eijnde sijne zuster ten huwelijk te versoeken voorgehouden Boemi

NL-HaNA_1.04.02_3389_0379 view scan ↗

English

From Makassar, 14 June From Makassar, 14 June 173- 159 Doam Pangalassang of Schat, a man whom I have used here on land as a spy, assures me that His Highness of Sumbawa is insane; this is also confirmed to me by many gentlemen here. I hope upon the return of the corporal from Sumbawa, who has been ordered to conduct a thorough investigation into these circumstances, to give Your Right Honourable further report thereof, while on my part there will be no failure to take good care that no change shall occur in the Sumbawan realm without the prior knowledge of Your Right Honourable. Furthermore, it will not be lacking on my person to put into effect all possible means in accordance with the honoured order of Your Right Honourable with regard to Poeanna Roempang and Palima Billa, as well as to investigate their conduct, and if necessary, in case of any resistance, to put them down. But with regard to Tjalla Bankoeloe, I shall not fail to proceed according to my instructions and provide Your Right Honourable with further report on everything. The King of Sangar, who in the month of January preferred to go to Makassar rather than renounce the land, which was also permitted by me, nevertheless some time thereafter wrote me a letter requesting pardon therein, and stating that he had now completely changed his intention, and that he will now submit to me and the King of Bima. Bappa Bitjara, who visited me on the ninth month, testified that he certainly sees a chance to satisfy Dompo and Sangar, and that they will both listen to the Honourable Company and the King of Bima. Thereupon, on 5 May, I convened a combined native assembly, present being the King of Sangar and the dignitaries of Bima: Bappa Bitjara, the Shahbandar, Kali Toreie Dongo, Jeneli Vooha, Jeneli Bolo; as well as the dignitaries of Dompo: Jeneli Hilo, Boerie Loema, and Boemie Ngotjo. A proper investigation was made into this claim, and it was found that among the 65 slaves there were 11 free Bimarese, 5 Malays, 2 Buginese slaves, and 7 who had never been to Dompo. Regarding this matter, it will be finally settled at the upcoming native assembly, whereupon I shall give Your Right Honourable further report thereof. Furthermore, I have held before the assembled rulers that they can be assured that the Right Honourable Lord Governor at Makassar, for the maintenance of justice and giving everyone their due, aims to preserve peace and unity among all the Company's allies, just as I, upon the honoured order of Your Right Honourable, have proceeded to hold before the King of Bima in serious terms regarding his intriguing conduct between Dompo and Sangar, and that His Right Honour is only too well aware of his superiority 402 king over From Makassar, 14 June Anno 173- From Makassar, 14 June 173- over other rulers. Yet it seems as though the words which I have often held before him are of little effect. I have delivered both letters for Salimparang, properly addressed, via the Malay Intje Kredjang residing here. Herewith, hoping to have set down all essential matters thus far, I shall have the honour to conclude this after having commended Your Right Honourable's precious person, together with the Company's weighty interests, to the sole safe keeping of the Almighty, and to declare myself with due respect, Honourable, Most Worshipful Sir, Your Right Honourable's most humble and dutiful servant, was signed, A. Hecerp. In the margin: Bima, in the Company's fortress, 16 May Anno 173- Below stood: Agrees, signed, F. I. Voll, sworn clerk. Bantimoeroong, Grassie, Dain Mattona, Birauw, Limpoe, Sapijja, Moessoe, Tonassa, I. Loegoe, 3. Lompeengen, all daeng gallarrangs of Balotje, Tosagoenie, on the 2nd of this month in the presence of the five chiefs of Maros, I asked what they had to object against these complaints of their regent, who answered thereto that there was nothing, and that it was true that nobody wished to obey him, while not he, but his wife's brother, who is a Buginese and named Patsang, by order of him, Kraeng Balotje, the master over The mountain regent Kraeng Balotje, named Gawoe, having recently complained both to the interpreter and to me about the unwillingness of his subordinates in the performance of their duty, requesting rather to be relieved of that regency than to bear the name and nothing else of it any longer, whereupon I questioned the following chiefs of this regency, as Matta Kraeng of Malacca. Honourable, Most Worshipful Sir, To the Honourable, Most Worshipful Sir, Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Celebes, etc., etc. 161 40 4 To their failures

Dutch transcription

Van Maccasser Den 14 Junij Van Maccasser Den 14 Junij 173 — 159 Doam Pangalassang van schat Een man dien ik hier op land voor Spion gebruikite verseekent mijn dat sijn hoogheijt van Sumbauwa Sinmeloos is deesen werd ook mijn van veelen heer versekert ik hoope bij retoer van den corp: van Sumbauwa die dese omstandigheeden een goede ondersoek is aan bevoolen uwel Edele agtb: naeder berigt van te sullen geven ter wij 't aan mij kant niet sal ingebreke blijven goede sorge te sullen draagen dat er geen verandering in't sumbauuias rijk sal geschieden buiten voorkennisse van uwel Edele agtb: voorts sal 't aan mijn persoon niet af sijn om aan de g'eerde ordre van uwel Ed: agtb: alle mogelijke middelen in het werk te stellen ten opsigte van Poeanna roempang en palima billa als wel van haare handelwijse te ondersoeken Ia des noods bij eenige teegenweer deselve ter needer te leggen dog van weegen Tjalla bankoeloe sal ik niet manqueeren volgens mijne Instructie te werk te gaan en uwel Ed: agtb: van alles nader berigt geeven, Den koning van Sangar die in de maand Januarij liever na macasser woude gaan als afstand te doen van 't Land 't geen door mij ook is toegestaan dog eenigen tijd daar na geleeden mijn een brief geschreeven daar in excusie versoekende en dat hij as nu ten Eenemaal van Concept verandert was en dat hij mu aan mijn enden koning van bina sal zutteren bappa bitjara die op den 9maant bij mijn geweesten betuijd dat hij wel kans sien om dempe met Sangar te vreede te stellen en dat se beijde aan DE: Comp en den ko„ „ning van bima sal met luisteren daar op heb ik den 5 meij geconbineerde inlandse vergadering belegd: present den koning van Sangar en den rijisgrooten van bima bappa b: tJara Sa„ bandhaar kallie toreie dongo genelie vooha jendli bolo als. meede de rijksgrooten an dompo jenelie hilo Boerie Loema en Boemie ngotjo welk pretentie Een goede ondersoek gedaan en bevonden onder de 65 laaven 11. vrije bimaneesen 5 maleijers 2. boegineesen slaeven 7. die nooijt op dompo geweest omtrend deese saak sal bij aanstaande Inlande vergadering fimaal afgemaakt werden sul„ „lende als dan uwel Ed agtihier van nader berigt geven wijders heb ik aan de gesamentlijke vorden voorgehouden datse kunnen verseekert sijn dat den wel Edele Agb: heer gouverneur op macasser tot handhaving van de geregtigheijd en ier het sijne geevende om de ruse en Eenigheijt onder alle sComp: bondgenoten te conserveeren gelijk k op g'Eerde bevel van uwel Edele Agtbaere hib te werk gegaan den koning van benijs met Ernstige termen voorgehoden omtrend sijn intrigant gedrag tusschen Dompo en Sangar en dasijn wel Edele agtb: over sijne seperioniteijt 402 koning over Van Maccasser Den 14 Iunij A„o 173— Van Macassar den 14. Junij 173 over anders vorsten maar al te veel bekend was dog het scheijnt als of mijne woorden dien ik hem dickwils heb voorgehouden van weijnig Ik hebde beide brieven voor Salimparang eene behoorlijke atdtresse„ besorgd per den alhier woonagtig maleijer Intje kredjang hier meede verhoopen alle't zaakelijkheeden dus verre ter meeder gesteld hebbende so salde eer hebben deese te sluijten na uwel Edele agtb: dierbaere persoon nevens's Comp: wigtige belangen in den alleen vijlige hoede des aller„ hoogsten te hebben aanbevoolen met de verschuldigden Eerbied tenoemen /onderstond:/ uwel Edele Agtb: heer /:lager:/ uwel Edele Agtb: ot„ moedigsten en Trouwschuldigen dinaar /:was geteekend/A: hecerp /in margine:/ Bnna in s Comp: vesting Adij 16. Meij Ao 173 /:onderstond:/ Accordeert / geteekend:/ F: I: voll gestw: Clercq „ Bantimoeroong grassie „ Dain Mattona „ „ Birauw Limpoe „ „ Sapijja Moessoe „ Tonassa I: loegoe 3: Lompeengen, alle dai glanrangs van Balotje Tosagoenie op den 2. deeser in de presentie der vijf hoofden van maros afvroeg wat sij teegens deese klagten van hun regent in te brengen hadden die daar op antwoorden van nietsen dat het waar was niemand hem gehoorsa„ men wilde terwijl met hij maar sijn vrouws broer die een boeginees is en genaamd werd Patsang op ordre van hem craimn balotje den baas over Den berg regent craim balotje genaamdt gawoe diense heven so bij den tolk als bij mijn geklagt hebbende over de onwvilligheijd sijnen onderhoorige in het nakomen van hunnen pligt versoek om liever van dat regentschap ontslagen te willen sijn dan langer de naam en geen dat daar van te voeren waar op ik de onderstaande hoofden van dit regentschap als Matta cram van Malacca Wel Edelen Agtbaaren Heer Aan Den wel Edelen Agtbaaren Meere Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en Directeur deser celebes H: k A: 161 40 4 Aan hun faleuris

NL-HaNA_1.04.02_3389_0381 view scan ↗

English

From Maccasser the 14th of June 1773 From Maccasser the 14th of June In the year 1773 acted against them in the seizure of their paddy fields, fish ponds, and other matters, concerning which, when they came to complain to their Crain, they could obtain no justice, because he himself, so it appeared, was afraid of this his brother-in-law, hardly daring to speak to him, much less reproach him concerning one thing or another; and besides this, they clearly perceived and experienced that things would never go well if this man remained their Crain any longer; but that they now humbly requested to be allowed to have another Crain from the Company, and that their minds and thoughts had unanimously fallen upon the person of Daeng Manwjuwie, named Mann, being a brother of Daeng Lompo at Marana, who according to the report is currently the closest and, in my humble opinion, would also be the best and most capable for this. It is on that account that I take the liberty to send him now, together with the aforementioned Crains, to Your Right Honorable: on the one hand because Gawoe himself comes to request his dismissal as old regent, and on the other hand because the collective chiefs, subject people, and all unanimously have requested Daeng Manwjuwie. Wherewith, after having commended Your Right Honorable and the Company's interests to God's protection, I call myself with all respect, below stood, Right Honorable Sir, lower, Your Right Honorable's humble and faithful servant, was signed, M. van Rossum. In the margin, Maros in the Company's fortress Valkenburg the 4th of June 1773. Below stood, Agrees, signed, F. J. Voll, sworn clerk. Although we have once again observed with the utmost vexation from the report of your latest commission to Bouton for the extirpation of spice trees that the same was of just as little success as in many preceding years, it has nevertheless become sufficiently clear to our satisfaction from the same that there was no lack of zeal on your part to persuade the King to offer him the required assistance for this purpose and consequently to have you brought everywhere Honorable, pious Instruction for Sergeant Johan Christoffel Steijnbag, departing in the company of Corporal Godfried Eijberg and three common soldiers, together with two Ambonese, from Bouton for the extirpation of the clove and nutmeg trees that are to be traced everywhere in that Kingdom and subordinate islands. 165 406 Instruction brought 408 From Maccasser the 14th of June 1773 brought where such trees are found, just as your further proceedings on that commission, in so far as it concerns what was given to you in mandatis, carry our approval, while we let pass as a finished matter what occurred between the cruising patjallangs and a Buginese vessel, in which you meddled too much, as it did not directly concern his charge. Having therefore decided to entrust the aforesaid commission to you for the third time, and letting this therefore serve as an instruction for the same, while handing over the usual annexes, namely an extract from the contract between the Company and the Bouton court renewed in the year 1768, a copy from the description of Mr. Valentijn, together with six different drawings from which clove and nutmeg trees are easily recognized, we note beforehand: That just as we, in our reply to the letter from the King and the grandees of the realm recently brought by their envoys, which has now been handed over to them, have made our feelings known in fitting terms regarding the hindrances you again encountered in the work of extirpation, as well as regarding the smuggling trade that is conducted there more and more, and likewise regarding the detention of the cannon from various shipwrecked vessels, together with a salvaged boat, the Honorable High Indies Government has no less refrained from presenting to them their transgressions and deviations from the contracts in such serious words that we should have grounded reasons to hope for better conduct for the future, unless they were entirely indifferent regarding their own welfare and might have cast aside all fear of the disadvantageous consequences that in the contrary case are certainly to be expected in due course, which is not to be thought, although we nevertheless cannot believe that their confession of guilt and request for pardon, along with the promise of amendment made in their aforementioned letter to us, was truly in earnest for the present, as we have given them to understand, with the addition, however, that we shall expect the fulfillment of their duty for the future. Upon your arrival there, therefore, after delivering the usual complimentary greeting on our behalf, you must, on the basis of the aforementioned missive from Their High Nobles as well as ours, request the King to give orders to the interpreters to bring you this time, and also the commissioners who are to arrive there in the future, to all places under his territory wherever it is deemed necessary, under the presentation From Maccasser the 14th of June 1773 Boat that

Dutch transcription

Van Maccasser den 14 Iunij 173 Van Maccasser Den 14 Iunij A„o 173 — hun speelden so in 'tafneemen hunner padij velden vishuijlen & waar over sij bij hun cram komen de klagen geen regt konde verkrijgen want dat hij selfs so het scheen voor deesen sijn swager bevreest was dervende hem nauwe„ lijks aanspreeken veel min over het een off ander reprocheeren en buiten dien bespeurden en ondervonden fij wel dat hejt voroijt goed soude gaan wan„ „neer den deesen nog langer hun Cramn bleef: maar dat sij nu onderdaeniglijk versogten om een andere Crain van dE Comp: te mogen hebben en dat hun sin en gedagten gesamentlijk waeren gevallen op de persoon van Dain man wjuwie genaamt mann:/ sijnde een broer van Daeeng Lompo op Marana die volgens op gave thans de naaste en naar mijn geringe gedagten ook de beste en bequaamste daar toe soude sijn Het is uit dien hoofde dat ik de vrijheijd neeme denselven thans neevens de ommegem: Crains aan uw wel Edele agtbaare over tesenden Eensdeels om dat gawoe selfs om sijn ontslag als oud regent komt te versoeken en an„ derendeels om dat de gesamentlijke hoofden onderdaen en een paerig om dam Man erjiwie hebben versogt waar meede naar uwel Edele agtbare en s Comp: belangen in godes Hoede te hebben aanbevoolen mij met alle Eerbied noeme /:onderstond:/ wel Edelen agtbaeren heer /:lager:/ uw wel Edele agtbaere ootmoedigen en trouwschuldigen dienaar /:was geteekend:/ M: van Rossum /in margine / maros in sComp: vesting valkenburg den 4. Junij 1773 /:onderstond:/ Accordeer /:geteek:/ F: J: voll getw Clerca Op schoon wij uit het rapport uwer Jongste commissie naar bou„ „ton tot uijtroeijing van specerij boomen weder met d'uijterste ergernisse hebben ontwaard dat deselve van even weijnig succes geweest s dan in veele voorgaande jaaren to isons nogthans uit het selve so wel ten genoegen gebleeken dat het aan uwen rever niet gehapert heeft om den koning te persuadeeren hem daar toe de verpligte assistentie te bieden en dierhalven over al te doen Eersame vrome Instructie voor den sergeant Iohan Christoffel Steijnbag vetvrec„ kende in geselschap van den corporaal Godfried Eijberg en drie gemee„ „ne militairen nevens twee amboineesen van Bouton ter uijtroeijing van de Nagul en Nooteboomen die alomme in dat Rijk en onderhoorige Eijlanden op te speuuen sijn 165 406 Instructie brengen 408 Van Maccasser den 14. Iunij 1773—. brengen daar sodanigeboomen gevonden worden als ul verdere verrigtingen op dien tolf inso verrehet ub inmandatis gegeevene aan„ belangt onse goedkeuring wegdrag terwijl wij het overgevallene tusschen de kruijspatjallangs en een bouginees vaartuijg waar in uE sig te veel gemelleert heeft als zijne last niet direct raekende als een gedaene sack passeeren Dienhalven beslooten hebbende uE de voorsz: commissie ten derdemaale op te dragen en deese dierhalven laetende dienen tot desselfs gnstructie onder ter handstelling van de gewoone bijlagen te weeten een extract uit het in ao 176 gerenoveerd contract tusschen de Comp: en het boutonse hof een afschrift uit de beschrijving van den heer valentijn nevens ses onderscheijdene afteekeningen waar uit nagul en Noote boomen ligt te kennen sijn do noteeren wij vooraf Dat gelijk wij bij ons antwoord op den brief van den koningen rijksgrooten Iongst met haare gesanten aangebragt het welke aan deselve thans is inhandigt onse gevoeligheijd in gepaste termen te kennen gegeeven hebben over de traversien uk im het werk der extia„ patie alweder bejegend mitsgaders over den sluijkhandel die aldaar meer en meer gedreeven word en so meede meede over d' aanhouding van het canon van diverse verongelukte scheepen neevens een opgeviste boor d Edele hooge Indiasche regeering niet minder nagelaeten heeft aan deselve hunne overtreedingen en afwijkingen van de contracten in zo evnstige woorden voor te houden dat wij met grond van reedenen een beeter gedrag voor het vervolg souden dienen te hoopen ten waere z omtrend haar eijgen welweesen geheel onverschillig weesen en alle vreese voor de nadeelige consequentien die bij het Contrarie van dien in der tijd seekerlijk te wagten sijn aan een zijde geset mogten hebben dan niet te denken sij schoon w' nogthans niet gelooven kunnen dat hunne schuld bekentenisse en versoek om Pardon mitsgaders belofte van beterschap bij op gem: haar schrijven aan ons gedaan voor als nog regte ernst geweestis so als w haar dit te verstaan gegeeven hebben met bij voeging evenwel dat w' voor het vervolg de nakoming van hunnen opligt sullen verwagten. uE sal dierhalven bij sijne komste aldaar na aflegging van het gewoone Compliment van begroeting onsent wegen den koning op fundament bo van welgemelde missive van haar hoog Edelheedens als d'onse moeten versoeken om ordre te geeven aan de tolken om uE ditmaal en soo ook aan de Commissiante die in't vervolg aldaar staan te komen op alle plaatsen onder desselfs gebied te brengen daar het noodig g'oordeeld word onder voorhou„ van Maicasser den 14. Junij 1773 Boot ding

NL-HaNA_1.04.02_3389_0383 view scan ↗

English

From Maccasser the 14 Junij 178— From Macas the 25 Junij A„o 173 167 410 attitude also that his people would surely not dare to think of defying his orders without remaining unpunished, as has happened until now, if the prince had truly been in earnest, or else that they had received no secret orders contrary to his highness's promises; and whereas you in that work may make use of the two Ambonese crossing over with you who know the clove and nutmeg trees, whereto you, alongside Corporal Godfried Eijlberg and other soldiers, will also have to apply yourselves as much as possible, we therefore also expect that you will spare no effort to carry out a most careful inspection for trees everywhere and in all places where it is required, in the forests, mountains, and valleys, so that upon finding them they may be eradicated root and branch and destroyed by fire; and since the contract clearly dictates that the recognition money to the amount of 150 Spaense reaelen need not be handed over before and until the inspection has been properly completed, we could rightfully withhold the same until such time as the report of the outcome of your commission shall have reached us, yet considering that ancient custom entails the contrary, namely the offering thereof upon the arrival there of the commissioner, the same are now also given to you again for that purpose; we desire, however, that you present this to the king, with the further notification that if this mission should again prove fruitless, as in earlier years, and you should be misled and thwarted in the same manner as before, we for our part shall in future not send that money before it has become evident to us that the extirpation or the inspection has been properly completed. Let this therefore be enough concerning what you are to do regarding the principal objective of your commission; furthermore, you, as has been repeatedly recommended to him, will have to gather as much information as possible regarding which nations are present there and successively come to trade, as well as what merchandise they bring and carry away, and you must protest against the admission of all those who according to the contracts may not be permitted there, such as in particular those from Mandhaer, Banjermassing, the Strait of Malacca, and also the Cerammers, who are becoming so dangerous, with spices, who, if you see an opportunity for it, may quietly be attacked and their vessels destroyed; whereas on the other hand you must leave unmolested all petty traders who transport only provisions, as well as From Maccasser the 14 Junij 1773 — From Macasser the 14 Junij 173 — 1/69 unmolested you shall leave all inhabitants in the settlements where you may arrive on your journey, just as you, along with your subordinates, are strictly commanded on pain of being punished most rigorously in case of the contrary. Whereas with the latest envoys 71 slaves have been brought here in reduction of the state debt amounting to 171 heads, of which first number only 58 were accepted and 13 returned, so that the remainder still amounts to 110 heads, we have urged the king and grandees of the realm to settle at least the greater half thereof this year and the remainder in the coming year by sending them hither, whenever there should be no opportunity to transport them to Batavia, provided this then occurs so early that we can forward them with the last vessels departing from here in October. You shall therefore We recommend to you in conclusion all necessary circumstance, attentiveness, and zeal to fulfill the objectives of your dispatch, adding here only that we also expect this of must also urge upon this and by all persuasive arguments persuade the prince to comply with this desire of ours, as well as to hand over the cannons that are still lying on Bone Bone, Wamio, and Caijdoepa, amounting to 36 in total, among which seven at the last-mentioned place with their carriages, and likewise the boat that came drifting ashore there, since both have been claimed by us with refutation of the pretext, as absurd as it is shameless, brought forward against better knowledge by both the king and the currently departing envoys for their retention, as though the realm of Bouton would have a right thereto. 412 there your

Dutch transcription

Van Maccasser den 14 Junij 178— Van Macas den 25 Junij A„o 173 167 410 houding teffens dat de sijne immers niet in haar gedagten souden derven neemen sijne beveelen te wederstreeven sonder ongestraft te blijven de als tot nu toe geschied is wanneer het den vorst regte ernst geweest was dan wel dat sij geen heijmeleijken last ont„ fangen hadden contrarie sijn hoogheijts beloften en terwijl uE sig in dat werk kunnen bedienen van de met uE overvae„ „rende twee amboineesen die de nagul en nooteboomen kennen waar op uE sig nevens den corporaal godfried Eijlberg en verdere militairen meede so veel mogelijk sullen moeten toeleggen so verwagten wij dan ook dat uE geen moeijte spaeren sult om over al en op alle plaatsen daar het vereijscht in de bosschen bergen en dalen en aller naauwkeurigst visitatie te doen naar boomen om bij bevinding van deselve met wortel en tak uijtgeroeijt door het vuur vernielt te worden en vermits het contract wel duijdelijk dicteert dat de recognitie pemningen ten bedrage van 150 Spaense reaelen niet behoeven afgegeevente worden voor en al eer de visitatie behoorlijk volbragt is souden wij deselve met regt kunnen inhouden tot tijd en wijle ons het berigt van den uijtslag uwer commissie geworden sal sijn dog geconsidereert het gebruik van ouds het Contrarie of wel d'aanbieding van dien meede brengt bij het arrivement aldaar van den commissiant so worden deselve uE thans ook weder ten selven eijnde meede ge„ „geeven wij begeeren egter dat ul sulkis den koning voorhoude onder verdere ten kennen gave dat wij ingwalle deese besending weder als in vroegere Jaaren vrugteloos sijn uE mnselver voegen als bevoorens mogte misleijd en gedwarsboomt worden wij van smne sij in't vervolg dat geld niet te senden voor dat ons sal gebleeken weesen dat de exter„ patie of de visite behoorlijk is volbragt, Dit sij dus genoeg van het geen uE: te doen staat omtrend het voor„ naamste oogmerk sijner Commissie voorts sal ul even als hem meer „maelen gerecommandeert is so veel mogelijk informatie moeten nee„ „men so wel wat natien sig aldaar bevinden en successive ten handel komen als wat koopmanschappen z aanbrengen en vervoeren en tegen d'admissie van alle de sulkie welke aldaar volgens de Contracten niet gepermitteerd mogen worden moeten protesteeren als daar sijn in 't bijsonder die van Mandhaer banjermassing de straat Malacca en ook de so gevaarlijk wordende Cerammers met spece„ rijen die wanneer uis en kans toe mogte sien gerustenogen geattac„ „queert en haar vaartuigen vernielt worden waar en tegen uE alle smalle handelaars die alleen leevensmiddelen vervoeren so wel meede ongemoeijt Van Maccasser Den 14 Junij 1773 — van Macasser den 14 Junij 173 — 1/69 ongemoeijt sult moeten laeten als alle inwoonderen op de negorijen daar uE in sijn togt mogte aankomen gelijk uE: nevens sijn onderhoorige wel ernstig bevoolen word op peene van bij het teegendeel ten rigoreusten te sullen worden gestraft. Dewijl met de Iongste gesanten alhier 71: slae„ ven sijn aangebragt inmindering van de rijksschuld groot 171. koppen van welke eerste men maar 58 g'accepteerd en 13. te rug gegeeven heeft so dat het restant nog 110: koppen bedraegd hebben wij den koning en rijksgrooten aangemaand om dit Jaar ten minste de grootste helft daar van d' overige in 't aanstaande jaar te voldoen door sending na herwaarts wanneer er geen gelegentheijd mogte weesen z na batavia te vervoeren oits sulks als dan so vroegtijdig geschiede dat w't kunnen voortschicken met de laatste vaartuijgen die in october van hier vertrecken uE zal dierhalven wij recommandeeren uE ten besluijte alle nodige omstandigheed oplettendheijd een iever om te voldoen aan d'oogmerken uwer afsending en hier nog maar bijvoegende dat wij sulks ook verwagten van daar op almeede moeten urgeeren en door alle drangredenen de vorst dienen over te haelen om aan deese onse begeerte te voldoen gelijk niet oinder om de canons over te geeven die er nog leggen so op bone bone wamio en Caij„ doepa ten getalle van 36. te saemen waar onder seven ter laastgem: plaatse met hunne rampaarden en so meede de boot die aldaar is komen aandrijven also het een en ander door ons gereclameert is met wederlegging van het voorwendsel so onge„ „reijmt als schaamteloos tegen beeter weeten so door den koning als de thans vertreckende gesanten voor dies aanhouding bijgebragt als op het rijk van Bouton daar op regt soude hebben 412 daar uwe

← previousnext →