VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3389

Japan · 812 pages · 372 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3389_0385 view scan ↗

English

442½ From Macasser, 14 June 1773. your further subordinates, and in particular Corporal Godfried Eijlberg, to whom, in case you should happen to pass away, the execution of this along with the command over his subordinates is assigned, we remain, beneath stood, your friends, was signed, P. G. van der Voort. In the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, 13 March anno 1778. Beneath stood: Agrees, was signed, P. J. Voll, sworn clerk. The unexpected arrival here of Cram Bontham and the Andron Goeroe of Tompoboeloe, along with several of their subordinates, minor regents as well as subjects, to make known their grievances concerning the recently conducted tithing in their regencies, namely that considerably more was imposed upon them than fairness requires; and this at a time when the departing Boelecomba Resident Mol, to whom that work was assigned due to my indisposition, is shortly to depart for Ternaaten, depriving me of the opportunity to hear his interests against this, has caused me to resolve to commission you to proceed thither in order to conduct an exact investigation into the validity of the aforementioned complaints. As both of you have previously been stationed at Boelecomba and frequently employed in the work of tithing, and thus being acquainted with the customs, it will not be necessary to be detailed in that regard. I shall only remark that, as it is the custom of the native in general to appeal to customs whenever it serves their purpose, even though such directly opposes equity, and therefore also to complain very readily of injustices, a meticulous investigation into all circumstances is exceedingly necessary before one passes judgment on their complaints. Wherefore I strictly order you to do so, and furthermore to present to the aforementioned Resident Mol the reasons for their grievance, and alongside him, according to the findings of the matter, to make such an arrangement that the complainants are either fully convinced of the groundlessness of their complaints, or, insofar as they are justified, are satisfied according to equity. I expect with the first opportunity the required report regarding your findings, in order to provide you with further orders if necessary, while in the meantime I remain, beneath stood, your friend, was signed, P. G. van der Voort. In the margin: Macasser, 29 January 1773. Beneath stood: Agrees, signed, P. J. Voll, sworn clerk. Instruction for Bookkeeper Alexander Wheijts and Second Interpreter Coenraad Janz. Velij, departing for Bonthain with the pantjallang De Goede Trouw. From Maccasser, 14 June anno 1773. Honorable, Respected Sir! Anno 1773 Departed from Macasser, 27 March Arrived at Bouton, 12 April Summoned by His Highness, after paying compliments, delivered the Honorable Company's recognition money. After the letter was read, His Highness spoke for some time with the councillors, but gave me no answer. After sitting quietly for a long time, I requested His Highness to provide me with a prahu so that I could depart for the islands as soon as possible, whereupon His Highness replied that he would take care of that, whereupon, after proper compliments, took my leave from His Highness, 13 ditto. Respectful report in the form of a daily journal from the undersigned to the Honorable, Respected Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. I found here three prahus from Zaleijer belonging to the village of Tanette, whereupon I had their passes requested, to which they replied that they had no business with me and that they had permission from the Sultan to trade here, whereupon going there myself the following day, they had departed, 17 April. Furthermore, I saw three heavily laden Buginese prahus with many men and ordnance on board in the river, whereupon I sent the interpreters to His Highness to have these prahus depart, for if the cruisers arrived here they would inspect them, but received no answer. The cruisers arrived here. In the morning, going on board to welcome them and bring some refreshments, arriving on the sloop I immediately informed them of these prahus and that they should know what they had to do, whether they could inspect within the river without the knowledge of His Highness, whereupon Sergeant Routje replied that he had already requested everything from His Highness, but had not yet received an answer, whereupon orders were given to the Bedrieger to go inside and inspect. Whereupon in the afternoon going inside with the sergeant along with the mate in the boat, we found the Bedrieger in the river and the commander inspecting, whereupon the mate ordered to place the boat alongside the prahu, whereupon Sergeant Routje sent 2 soldiers onto the prahu with their sidearms to watch out for any disorder. But the commander of the Bedrieger handing over a parcel with bamboos containing gold dust, which I immediately recognized and warned my companion of, the juragan shouted amok, and one soldier, Detzer, was wounded. His brother, being with me in the boat, seeing this, wanted to help him and met the same fate, whereupon seeing this I called out to him asking what he was doing there, whereupon coming to me in the boat he immediately died, the other brother falling into the water, his enemy finishing him off. Whereupon it was resolved to back away to prevent further misfortunes, and immediately sent to His Highness for assistance and to seize the prahus, since 2 Europeans were murdered, 18 ditto.

Dutch transcription

442½ Van Macasser den 14:' Iunij 1713. — uwe verdere onderhoorige en in sonderheijd van den corporaal godfried Eijlberg die in cas uE mogte ko„ „men aflijvig te worden d' uitvoering van desen ne„ vens het Commando over sijne onderhoorige word opgedragen blijven w /:onderstond:/ uE vrienden /:was geteekend:/ S: G: van der voort /:in margine:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam Den 13: Maart Ao 1778. /: onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ P: I: voll getw: Clercq De onverwagte herwaarts komst van cram bontham en den Andron„ goeroe van tompoboeloe nevens verscheijdehunner on der hoorige sommidere Regenten als onderdaenen om hunne beswaarnisse te kennen te geeven over de Jongst gedane vertiening in hunne regentschappen namentlijk dat hun dat hun vrij meerder soude weesen weesen opgelegt dan de regt: matigheijt vordert en sulkis in een tijd dat den afgaand boelecombas resident Mol aan wien dat werk mits mijn indispositie was opgedragen, eerlange naar ternaaten staande te vertrecken mij de gelegentheijt beneemt om daar tegen sijne belangen te hooren heeft mij doen besluiten uit te Committeeren om dig derwaarts te begeeven ten eijnde na de ge„ grondheijd van de voorm: klagten en evact ondersoek te doen uE beide wel eer op boelecomba bescheijden geweest en meermalen in het werk der vertiening gebruikt en dus de gewoonte keundig sijnde sal 't niet nodig weesen daar omtrend breedvoerig te sijn ik sal maar eenlijk aanmerken dat gelijk het de gewoonte van den Jnlander in 't Instructie voor den Boekhouder Alexcander wheijts en den Tweede Solk Coenraad Janz: Ve lij vertreckende naar Bonthain met Pantjallang De Goede Trouw. van Maccasser den 14 unij A„o 173 — Instructie gemeen Van Macasser den 14 Junij 173 — Van Macasser Den 14 Junij 173 gemeen is om sig op gebruiken te beroepen als & hun maar te stade komen of schoon zooke gelregt tegen de bellijkheijt aanloopen 2 dier„ halven ook al seer ligt klagen over verongelijkingen en dat dierhalven een nauwkeurig ondersoek or ae sijn omstandigheden ten uij„ „tersten noodsakelijk sij een men over hunne klagten uitspraak doet weshalven ik uE sulks wel ernstig beveele en om voorts aan voorm: resident Mol de reedenen van hun beswaar te vertoonen en nevens denselven na bevinding van saaken sodanige schip„ kinge te maaken dat de klagers of van de ongeguondheijd hunner klagten volkomen overtuijgd of voor so verre z gefundteert sijn naar billijkheijt te vrede gesteld worden verwagtende ik ten eersten„ wegens uE: bevinding het vereijschte berigt ten eijnde uE des nodig met nader beveelen te munieeren terwijl inmiddens blijve /:onderstond:/ uE versend /: was geteekend:/ P: G: van den voort /:in margine :/ matcasser den 29 Jann: 1773. /:onderstond:/ Acordeert /geteekend:/ J: J: voll gesw: Clrcq Wel Edelen Agtbaaren Heer! Anno 1773 van Macasser vertrokken Den 27 Maart op Bouton g'arriveert „ 12 April bij sijn hoogheijt ontboden na gedaanen Compliment'sE Comp: „ 13 d„o recognitie penningen overgelevert na den brief geliesen sijnde heeft sijn hoogheijd en tijdtlang met raaden gesprooken maar mij geen antwoord gegeeven na lang stil sitten hebbe sijn hoogheijd versogt om mij een prauw te geeven om hoe eerder liever te kunnen vertrekken na de Eijlanden waar op sijn Eerbiedig Raport bij forma van dag Regis„ „ter van den ondergeteekende Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur Deeser Custe Celebes 175 414 Enbudig hoogheid Van Macassen den 14 Junij 1713— Van Macasser Den 14: Junij 173 Den 17. April 175 416 hoogheijd repliceerde dat hij daar voor sorgen soude waar op na behoorlijk honeu van sijn hoogheijd mijn afscheijd genomen Hebbe alhier drie prauwen van zaleijer gevonden van de negorij tanette waar op na haar passen laaten vraegen waar op gerepliceerd dat sij met mij niet van nooden hadden en dat sij permissie van den sulthan hadden om hier negotie te drijven waar op sanderen daags selfs na toe gaande sijn sij vertrokken geweest. nog hebbe drie swaare gelaaden praauwen boegineesen veel volk en geschut op hebbende in 't revier gesonden waar op de tolken na sijn hoogheijt gesonden deese prauwen te laeten vertrekken want bij aldien de krussens hier quamen deselve soude visiteeren maar geen antwoord bekomen, zijn de kruijssers hier gearriveerd s morgens na boord gaande om haar te verwille komen en eenige ververschinge te brengen op de chialoup komende hebbe met eenen aan haar bekent gemaakt van deese prauwen en dat sij weeten moesten wat sij te doen hadden of sij binnen t rivier mogen visiteeren sonder kennisse van sijn hoogheids waar op den sergeant Routje repliceerde dat hij al om alles versogt bij sijn hoogheids maar nog geen andwoord bekomen waar op aan de bedrieger ordres gegeeven om na binnen te gaan en te vi„ siteeren waar op s'agtermiddags met den sergeant benevens den stuurman met 't schuijt na binnengaande vonden den bedru„ ger in 't rivier en den gesaghebber aan het visiteeren waar op den stuurman ordonneerde om naast de praauw met 't schuijt te leggen waar op den sergeant routje 2. militairen op de prauw sond met haar seijdgeweeren om op alle onordentelijkheeden te letten maar den gesaghebber van den bedriegen een pakje opgeevende met bamboesen met stof goud t welk ik den eersten kende en aan mijn maat sulks waarschouwede so roepte den anachoda amoek en den een militair detzer gequets sijn broeder bij mij in de schuijt wesende sulks siende heeft hem willen hebben en meede het selve lot bekomen waar op sulks siende hem toegeroepen wat hij daar deede waar op bij mij in de schuijt komende ten eersten overleeden den anderen broeder in 't water vallende sijn vijandt hem de rest gevende waar op geresolveert om agter uit te gaan om meer ongelucken voor te komen en ten eersten na sijn hoogheids gesonden om adsistentie en de prauwen in beslag te neemen terwijl 2. Eurcopeesen vermoord den „ 18. d„o bij

NL-HaNA_1.04.02_3389_0388 view scan ↗

English

From Macasser, the 1st of June 173[illegible] From Macasser, the 14th of June 173[illegible] On the 19th of April, the soldier Elzen was properly buried. On the 20th of the same month, summoned to His Highness together with the chiefs of the cruising fleet, His Highness, after customary compliments, asked why they had attacked these prahus, which were bound for Bonij to deliver their annual tribute. To this, Sergeant Routje replied that he had to obey his orders, and that because they carried Company contraband they had shouted amok, and therefore force had to be repelled with force. His Highness then replied that it was fortunate no greater misfortunes had befallen them, and that they had to return the goods to prevent further troubles; otherwise they should expect more harm to come to them, for he himself was afraid of the King of Bonij. And since, after sitting in silence for a long time, no further decision could be obtained from him, it was necessary to resolve to hand the same over to him, yet on the condition that he would keep it in safekeeping until further orders from the Honorable Governor of Macasser. Whereupon I most earnestly requested His Highness to dispatch me promptly to the islands, to which His Highness replied that he would give orders for a prahu and let me depart shortly; after which, having paid proper respects to His Highness, we took our leave. The envoy from Bonij arrived. We summoned the shahbandar together with Sergeant Routje to hand over some weapons and gold, since His Highness insisted on having this by force. I simultaneously requested him once more to petition His Highness that I might not be detained so long, for I was not sent here by the Honorable Company to sit idle, but to carry out and complete my business. After he promised me this, we took our leave of him with proper respects. Summoned to His Highness, after compliments were paid, I requested His Highness to give orders that I might be taken everywhere without a single place excepted, especially Kalesoesoe, and that I should not be opposed as in the previous year. To this, His Highness replied that he would give orders for that, and on the return from the islands, that I could also call at Kalesoesoe. The 22nd of April 177 4 18 replied could Bo 19th of the same month From Macasser, the 14th of June 170[illegible] From Macasser, the 14th of June 1773 The 8th of May could, whereupon I further requested His Highness concerning the remaining goods of the stranded chaloup De Nooteboom. His Highness replied that he could not know whether there was still anything there or not, but that if anything should yet be found, he would not fail to deliver the same to the Honorable Company. Furthermore, I reminded His Highness to think in good time about the number of slaves for the Honorable Company, to which His Highness replied that he intended to deliver 71 head to make up the number of 100. According to my orders, I told him that he was required to send 87 or 86 this year, to which he replied that he would see, and that this year he would deliver the slaves to Macasser and not to Batavia, because he had suffered too much loss in sending them to Batavia. Whereupon, after paying proper respects to His Highness, I took my leave, went on board, and departed immediately. Given to the mandor: 1 rijksdaalder 12 stuivers. Arrived at Wanchi Wanchi, whereupon the interpreter was sent to the raja to announce my arrival and to request an audience. 2nd of June 18th of the same month 13th of the same month 179 420 We summoned the raja, requesting him for people The 10th of May to make a jungle trek and to prepare a prahu to take me to Caijdoepa. Made a jungle trek across the land of Wanchie Wanchie and spent the night in the jungle. 12th of the same month In the morning, went further into the jungle, but due to constant rainy weather resolved to return home; arriving home in the evening, given to the people: 42 stuivers. Departed from Wanchie Wanchie and arrived at Caijdoepa, whereupon the interpreter was sent to the raja to announce my arrival and to request an audience. Summoned to the raja and requested him for people the 22nd of the same month to make a jungle trek and to prepare a prahu to take me to Tonganoe. Made a jungle trek across the settlement of Zeelon Mantikhiola the 26th of the same month Manieppie, and across the settlement of Ocko, returned home again, paid out to the people: 1 rijksdaalder 12 stuivers. Departed from Kaijdoepa and arrived at Ionganoe, whereupon the interpreter was sent to the raja to sent G 20th of the same month 5th of the same month

Dutch transcription

Van Macassr den 1: Junij 173 — Van Macasser Den 14 Iunij 173 Den 19 April is den militai elzen behoorlijk te aarden gebragt, 20: d„o bij sijn hoogheijts ontloden beneffens de hoofden van de kruijs„ vloot na gedaene compliment segte sijn hoogheid waarom sij lieden deese prauwen aangedaan dat sij na bonij moesten om haare Jaarlijks Tribut op te brengen waar op den sergeant routje repliceerde dat hij sijn ordres opvolgen moeste en om ree„ den dat sij sComp: contrabande hadden sij amok geroepen en daarom geweld met geweld moeten afkeeren waar op sijn hoogheijds repliceerde dat 't goed was dat haar geen meer ongelukkig waaren overgekomen en dat sij 't goed weederom uitkeeren moesten om meer ongelukken voor te komen anders moesten sij verwagten dat haar meer quaet over„ quam want dat hij selfs bange was voor den koning van bonij en na lange stil sitten geen verder resolutie van hem krijgen konden moesten resolveeren om hem t selve in handen te leeveren jedog met Conditie om 't selve so lange in bewaaring houden tot nader ordres van den wel Edele agtb: heer gouverneur van macasser waar op in stantigst versogt aan sijn hoogheid om mij schielijk te depecheeren na de Eijlanden waar op sijn hooghaid repliceerde dat hij ondres geven soude om een prauw en mij eerstdaags laeten vertrekken waar op na behoorlijk honeur van sijn hoogheijd onse afscheijd genomen is den afgesant van bonij g'arriveert wij den sabandhar ontboden beneffens den sergeantroutje om eenige waapens en goud over te leeveren terwijl sijn hoogheijd parforce sulks hebben wilde hebbe met eenen nogmaals aan hem versogt om sijn hoogheijd te ver„ soeken dat ik niet so lange mogt opgehouden worden want dat ik van de E Comp: niet hier gesonden was om stil te sitten maar mijne affairens te verrigten en te volleijn„ digen na mij sulks belooft hebbende hem na behoorlijk honeur onse afscheijd genomen, bij sijn hoogheijd ontboden na gedaenen compliment hebbe aan sijn hoogheid versogt om ordres te geven dat ik over al mogt gebragt worden en geen een plaats uitgeson„ dert voornamentlijk halesoesoe en mij niet tegen weesen als voorleeden jaar waar op sijn hoogheid repliceerde dat hij daar toe ordres geven soude en om 't weederom komen van de Eijlanden dat ik kalesoesoe meede aandoen den 22. April 177 4 18 repliceerde konde Bo 19 d„o Van Macasser den 14:' Junij 170— Van Macasser den 14:' Iunij 1773— den 8 Meij konde waar op nog aan sijn hoogheijd versogt om de res„ „tante goederen van de gestrande chialoup de noote boom waar op sijn hoogheid repliceerde dat hij niet weeten konde of daar nog iets was of niet waar bij aldien nogiets mogte gevonden worden dat hij niet mancqueeren soude om tselve aen de E comp: over te leveren, Nog hebbe sijn hoogheijd indagtig gemaakt om vroeg„ tijdig aan 't getal slaaven te denken voor d' E Comp: waar op sijn hoogheijd repliceerde dat hij van sins was om 71. stuks te leeveren om 't getall van 100 vol te maaken waar op hem volgens mijn ordres sagte dat hij 87 of 86 dit Jaar omoeste senden waar op hij repliceerde dat hij zier soude en dat hij dit Jaar na macasser en niet na batavia de slaeven leeveren soude want dat hij al te veel verlies gehad hadde met na batavia te senden waar op na behoorlijk honeur van sijn hoogheid mijn afscheid genomen na boord gaande inmediaat vertrokken aan den mandoor gegeven. . . . . rd:s 1: 12. op wanchi wanchi g'arriveert waar op den tolk ona het radja gesonden om mijn arrivement bekent temaaken en om audientie te versoeken „ 2: Iunij 18. d:o „ 13 d„o 179 420 wij het Radja ontboden waer op aan hem versogt om wolk Den 10 Maij om een bosch togt te doen en een prauw klaar te maaken om mij na caijdoepa te brengen Een bosch togt gedaan overt landt van wanchie wanchie en 's„ 12: d„o avonds in 't bosch overnagt 'S morgens verder bosckwaarts im maar door t gestadig reegen weer geresolveert om na huijs te keeren s avonds te huijs komende aan het volk gegeeven rds No. 42 van wanchie wanchie vertrokken en op caijdoepa gearriveert waar op den tolk mat radja ge„ sonden om mijn arrivement bekent te maaken en om au„ dientie te versoeken Bij het radja ontboden en aen hem versogt om volk „ 22 d„o om een boschtogt te doen en een prauw klaar te maaken om mij na Tonganoe te brengen Een bosch togt gedaan over de negorij zeelon mantikhiola „ 26. d„o manieppie en over de negorij ocko weederom te huis ge„ komen aen het volk uitgegeeven. vertrokken van kaijdoepa en op Ionganoe gearriveert waar op den tolk na het radja„ . rd„s 1: 12. Bij gesonden G „ 20: d„o 5. d:o

NL-HaNA_1.04.02_3389_0390 view scan ↗

English

No. 412 From Macassar, the 14th of June 1743 — From Macasser, the 14th of June 1743. The 10th of June sent to make known my arrival and to request men to make an expedition into the woods. 13th ditto Made an expedition into the woods across the negorij Wacha and across the negorij Thomia; having returned home, given to the men: rixdollars 1. 72. 15th ditto The interpreter requested provisions; given to him: 2. 24. 17th ditto departed from Tonganoe. 18th ditto arrived at Binonke and sent the interpreter to the head of the negorij to make known my arrival and to request men to make an expedition into the woods. Made an expedition into the woods across the negorij Walljewampo and Wattoawa and spent the night there. In the morning went further into the woods across the negorij Lalloindi, Leyne Kamme Basse, and spent the night at Wattopitopi. 19th ditto In the morning further into the woods across the negorij Bombo, and having come home in the evening, disbursed to the men: rixdollars 2. 24. 22nd ditto departed from Binonko in the morning and returned to Tonganoe in the evening, whereupon sent the interpreter to the radja to make known my return and to request men to make another expedition into the woods. 26th ditto Made an expedition into the woods across the negorij Thimolocko and across Homa, having returned home, given to the men: rixdollars 1. 12. The 30th of June I have learned here secretly that the Serammers pass by here every year, and last year when I chased them from Boutong they sailed towards Kalesoesoe and sold their spices there and passed these islands again, and sold lories and cockatoos, of which I even bought some as proof that they pass by here every year. Furthermore, I have learned secretly that His Highness gave a prahu to the crew of the prahu that I captured at Bouton and sent them with it to his companions. From these islands prahus go every year to Coepang, Larentoeka, and there on the entire coast of Timor I have seen several arrive, and I asked for their passes, but they had none, for I have learned that they mostly go to the English places. departed from Tonganoe. 1st of July returned to Caijdoepa, whereupon sent the interpreter to the radja to make known my return and to request men to make an expedition into the woods, and to prepare a prahu to take me to Wanchie Wanchie. From Macasser, the 14th of June 1743 — From Maccasser, the 14th of June 1743. 7th of July Made an expedition into the woods across the negorij Roeko Roeko; having come home in the evening, given to the men: rixdollars 1. 12. 14th ditto Been to the radja and took my leave. 15th ditto departed from Caijdoepa. 16th ditto returned to Wanchi Wanchi. 17th ditto the radja Zakudo, the sultan of Bouton's brother, comes to me and said that he had heard that I wanted to go to Kalesoesoe and that he advised me against it, seeing that they had built a strong castle on the beach in case I should come there, whether I might want to go ashore by force, because it had been said to them that the king of Bouton wanted to hand them over to the Honourable Company to do with them as they pleased; whereupon I replied to him that I did not mind such talk, but that I would observe my duty, because His Highness had promised me that he would take me there; but I could well perceive that I would again not be brought there as in the previous year. 21st ditto Made an expedition into the woods across the negorij Mandati, Rijntjemello, and spent the night at Baller. In the morning further into the woods across the negorij Labombo and spent the night at Sopi. 24th ditto in the morning further into the woods across the land of Beerenbergen Saume; having come home on the 28th of July, disbursed to the men: rixdollars 2. 24. sent the interpreter to the radja and requested men to make an expedition into the woods on the island of Kapotta. Made an expedition into the woods on the island of Kapotta; having come home in the evening, given to the men: rixdollars 1. 2. sent the interpreter to the radja and requested to make another expedition into the woods; the interpreter, returning with all the heads of the negorijen, said to me that with them it was not the custom to go into the woods more than twice, and that it was forbidden to them by the sultan of Bouton; whereupon I said to them that it was then unnecessary that I had been sent here by the Honourable Company if I was not allowed to go whenever and as many times as I wished, because this is contrary to the contract, and that they should watch what they did; but I could get nothing more from them. Whereupon I finally told them that they should give me men who were accustomed to sailing to Kalesoesoe; to which they replied that this was not customary and they were not allowed to take me anywhere else than to Bouton; I could therefore clearly see that they had secret orders from His Highness not to bring me there, because not even 6 days ago

Dutch transcription

N 412 Van Macassar Den 14. Junij 1743 — Van Macasser den 14 Iunij 173. den 10e. Junij gesonden om mijn arrivement bekent te maaken en om volk te versoeken om een bosch togt te doen Een besch togt gedaan over de negorij wacha en over de negorij Thomia weederom te huis gekomen aan het volk gegeven d„s 172 Den tolk versogt om leevens middelen aan hem gegeeven „ 2: 24. vertrokken van tonganoe op binonke gearriveert en den tolk na het hoofd van de regorij gesonden om mijn arrivement bekend te maaken en om volk te versoeken om een bosch togt te doen. een boschtogt gedaan over de negorij wallje wampo en wattoawa en aldaar overnagt. 'S morgens verder boschwaarts in over de negorij lalloindi leijne kamme basse en op wattopi topi overnagt 19 d„o 'S morgens verder boschwaarts in over de negorij bombo en savonds te huis komende aen het volk uitgegeeven. . . rd„s 2. 24. smorgens van binontio vertroken en'savonds op Tonganoe geretourneert waar op den tolk na het radja gesonden om mijn retour bekent te maaken en om volk te verseken om nog een bosch togt te doen 26 d:o Een boschagt gedaan over de megorij Thimo locko en over homa wedem den 30. Junij te huijs gekomen aan het volk gegeeven Hebbe alhier onder de hand vernomen dat de cerammer hier alle Jaaren passeeren en voorleeden Jaar doen ik haar verjacgt hebbe van boutong sijn bij na kalesoesoe toe geseijlt en aldaar haar specerijen verkogt en dese Eijlanden wederom gepasseert en loerij en kakatoes verkogt waar van selfs eenige gekogt tot bewijs dat sij hier alle jaaren passeeren, Nog hebbe onder de hand vernomen dat sijn hoogheijd 't volk van de prauw welke ik op bouton geattrappeerd een praauw heeft gegeeven en daar meede na sijne makkers toegesonden op deese eijlanden gaan alle jaaren oprauwen na coe„ pang Larentoeka en daar op de heele kust van Timor heb„ „be verscheijde sien aankomen en hebbe na haar opasse ge„ vraagt maar hebben geen gehadwant hebbe vernomen dat sij meerendeels na de Engelsche plaatsen toegaan van Tonganoe vertrokken op caijdoepa geretourneert waar op den tolk na het radja „ 1: Iulij gesonden om mijn retour bekent te maaken en om volk te versoeken om een boschtogt te doen en een prauw klaar te maaken om mij na Wanchie Wanchie te brengen Een 13. d:o 15 d:o 17 d„o 10 d. o 22 d„o - rdo 1. 12. Van Macasser den 14 Junij 1773 — Van Maccasser den 14 Junij 173 Een bosch togt gedaan over de negorij Roeko Roeko s avonds te huijs komende aan het volk gegeeven Ro 1: 12. Bij het radja geweest en afscheijd genomen 15. d„o vertrokken van Caijdoepa 16 d„o op wanchi wanchi geretourneert. 17 d„o komt den radja Zakudo den sulthan van bouton sijn broeder bij mij en segte dat hij gehoord hadde dat ik na kalesoesoe toe gaan wilde en dat hij mij sulks afraaden terwijl bij een sterke cas„ „teel gemaakt hadden aanstrandt indien ik daar quam of ik somtijds met geweld aan de wal gaan wilde want dat aen haer lieden gesegt was dat den koning van bouton haar aan de E Comp: overleeveren wilde om daar meede te doen na naa haar sin waar op hem repliceerde dat ik mij aen sulke „praatjes niet stoorde maar dat ik mijn pligt observeeren soude want dat sijn hoogheijd mij beloofd hadde om aldaar te sullen brengen maar konde wel bespeuren dat ik weder om niet soude gebragt wor„ den als voorleeden Jaar„ Een boschtogt gedaan over de Negorij mandati Rijntje mello en op Baller overnagt Smorgens verder boschwaarts in over de segoijLabombo en op sopi overmagt 's morgens verder boschwaarts in over t' land van beerenbergen saume den 28. Julij rd„s 2. 24. te huijs komende aan het velk uit gegeeven den tolk na het radja gesonden en om volk versogt om een bosch togt op 't Eijland kapotta te doen Een bosch togt gedaan op 't Eijland kapotta Iavonds te huijs. . „ 28: 8: komende aen het volk gegeeven den tolk na het radja gesonden en vertogt om nog een bosch togt te doen den tolk wederom komende met alle hoofden van de negorijen zegten tegens mij dat 't bij haar lieden geen gewoonte was om meer als twee maalen in't bosch te gaan en dat 't haar van den sultaan van bouton verboden was waar op tegens haar segte dat 't dan onnodig was dat ik hier van d'E Comp: gesonden was bij aldien ik niet gaan mogte wanneer en hoe veel keeren dat ik maar wilde want sulkis tegens 't contract strijdende en dat sij wel toesien souden wat sij deeden maar konde niets meer van haar krijgen. waar op eijndelijk tegens haar segte dat sij mij volk geeven souden 't welk gewent was om na kalesoesoe te vaaren waar op sij repliceerde dat sulks geen gewoonte en mij niet anders als na bouton brengen mogten konde dierhalven wel zien dat sij heijmelijke ordres van sijn hoogheidt hadden om mij aldaar niet te brengen want nog geen 6. daegen geleden rd: 1: 2. „ 24 d:o 183 424 Smorgens Den 7. Julij 14 d„o 21: d:o

NL-HaNA_1.04.02_3389_0392 view scan ↗

English

From Macasser the 14th of June 173— From Maccasser the 14th of June 173 185 a proa from Kalesoesoe had arrived here, and therefore I had to endure such lies with patience and let them take me wherever they wished. I learned here that the people here fished a large packing chest floating in the water out of the sea, full of white linen and cerasse clothes, which the King of Boutong took for himself and fined the village 1000 rixdollars. On the 3rd of August I was with the Radja and took my leave. On the 4th of the same month I departed from Wanchie Wanchie. Returned to Boutong, whereupon the interpreter was sent to His Highness to announce my return and to request an audience with His Highness. Summoned before His Highness together with the sergeant of the cruising fleet. After exchanging compliments, I duly reported to His Highness, chiefly regarding Wanchi Wanchie and Kalesoesoe, to which His Highness replied that it was not his fault, that he had given orders to let me go everywhere I wished. Regarding Kalesoesoe, His Highness spoke for some time with his councillors, but received no answer, for here a proa from Kalesoesoe lay in the river, and when this was asked of several interpreters whether they were from there, why they came here, and this was surely told again to His Highness, he was at a loss to give me an answer. On Caijdoepa with their ramparts, which stand under the Radja's house and belong to a sloop stranded about 20 years ago, and demanding them from the Radja, he told me that if he received orders from the Sultan of Boutong he would have to surrender them, but His Highness for some time... Whereupon I finally requested His Highness to have me taken to the strait, but not as last year, but to be allowed to go and inspect to the right and left along the shore, to which he replied that he would presently have a proa prepared to satisfy the Honourable Company, though this had never been customary. Whereupon His Highness was asked for the cannons that lie stranded here from wrecked ships, and a large ship's anchor from which the palms are already knocked off, and the ring thereof, especially at Bone bone: 17 pieces of cannons, at Wanio: 12 of the same, 426 Kalesoesoe: 5 of the same, with: 7 of the same. From Macasser the 14th of June 173— From Maccasser the 14th of June 173. 187 428 Having deliberated with his councillors, he lashed out at me with harsh words, asking who had permitted me to speak such language, for according to the contract with the Honourable Company everything from wrecked ships belonged to him, both anchor and cannon and cordage, even if the ship were laden with diamonds; for if no ships were wrecked here, where would he get cannons from? And that he was not minded to deliver these up again, and that he would write to Batavia about my using such impertinent arguments. To which I replied that I was merely following my orders, and that he could do as he pleased. Furthermore, I requested His Highness to dispatch me quickly to Macasser and not detain me as long as last year, whereupon His Highness replied that he had already given orders to sail with 3 proas to Macasser and one to Batavia, and to send 71 slaves to the Honourable Company. Furthermore, I found a ship's boat standing here on the shore and asked His Highness where it had come from, whereupon His Highness replied that his subjects had fished it out of the sea and brought it here. Whereupon I requested His Highness to send it to the Honourable Company, as there was currently an opportunity to send it to Macasser with the pantjallang of the cruising fleet, to which His Highness replied that he could not do that alone, but that he would hold a council about it so as not to infringe upon the customs of the country. Whereupon, after rendering proper honours to His Highness, I took my leave. Departed for the strait, and arriving near Bombono Boelo, the interpreter told me that he had orders not to take me any further than this point. Whereupon, seeing a proa with a flag, I asked the interpreter what kind of proa that was, to which he replied that it was the Radja Wonegene, who was lying here on guard duty to observe me in case I should attempt to force him to go beyond his orders. I could therefore clearly see that it was premeditated, just as was done last year.

Dutch transcription

Van Macasser den 14 Junij 173 — Van Maccasser den 14 Junij 173 185 was een praauw van kalesoesoe alhier gearriveert en dierhalven sulke leu„ „gens met gedult verdraagen moeste en mij laaten brengen maar sij maar wilden Hebbe alhier vernomen dat het volk alhier een groote pakkist in 't water drijvende opgevist voll met wit linnen en cerasse kleedjes welke de koning van boutong na sig genomen en de negorij in de boete geslaegen voor 1000 rd:s Den 3: Augustus bij het radja geweest en afscheid genomen „ 4. d„o van wanchie wanchie vertrokken op boutong geretourneert waar op den toek na sijn hoogheid gesonden om mijn retour bekent te maaken en om audientie te versoeken bij sijn hoogheijd bij sijn hoogheid ontboden beneffens den sergeant van de kauitvloot na gedaanen Compliment hebbe aan sijn hoogheid behoorlijk gerapporteert voornamentlijk van wanchi wanchie en kalesoesoe waar op sijn hoogheid repliceerde dat 't zijn schuld niet was dat hij ordres gegeeven hadde om mij overal te laaten gaan waar ik maar wilde wegens kalesoesoe sprak sijn hoogheid een tijd lang met sijne Raaden maar kreeg geen antwoord want alhier een oprauw van op Caijdoepa met haere rampaarden welke onder t radjas huijs staan en van een gestrande Chialoup sijn omtrent 20 jaaren geleeden en sulke van den Radja eijschen „de segte mij indien hij ordres van den sulthaan van boutong kweeg hij z afgeeven moeste maar sijn hoogheid een tijd lang kalesoesoe, in t rivier leggende en sulkis aan verscheijde tolken gevraagt indien sij vanden waaren waar om dat sij alhier quamen en seeker sulkis aan sijn hoogheid wederom gesegt se was hij verleegen om mij antwoord te geeven waar op eijndelijk aan sijn hoogheid versogt om mij na de straat te laaten brengen, maar niet als voorleeden jaar maar regts enlinks aen den wal te mogen gaan en visiteeren waar op hij repliceerde dat hij eerstdaags een opraauw soude laaten klaar maatien om dE Comp: haer genoegen te geeven dat 't ho nog nooijt geen gewoonte geweest, waar op aan sijn hoogheid gevraagd om de canons dewelke alhier van verongelukte scheepen aanstrand leggen en een groote scheepes anker waar van de handen al afgeslagen bij en den ring daar uitnamentlijk op Bone bone op wanio - - - - 17 pees Canons . . . 12. „ _o 426 kalesoesoe met „ 5. d. o d„o .. 7. „ _„o Van Macasser Den 14 Iunij 173— Van Maccasser Den 14 Iunij 173. 187 428 met zijne raaden overlegt hebbende en met harde woorden tegen mij uitvoer wie dat mij gepermitteerd hadde om sulke taal te spreeken, want dat volgens 't Contract met d'E Comp: hem alles toequam van verongelukte schepen so wel ankier als canon en touwerken en soude t schip ook met diamanten gelaaden weesen want bij aldien geen scheepen hier ver ongelucken waar de canons van daan krijgen soude en dat hij niet van siis was om sulke wederom uijt te leeveren en dat hij daar over na batavia schrijven soude dat ik so impertinente reeden gebruikte waar op hem repliceerde dat ik niet meer als mijne ordres op volgte en dat hij sijn sin doen konde nog hebbe aan sijn hoogheid versogt om mij schielijk te depecheeren na macasser en mij niet so lange ophouden als voorleeden Jaar waar op sijn hoogheid repliceerde dat hij al ordres gegeven hadde om met 3. oprauwen na macasser en een ona batavia te seijlen en 71. stux slaeven te senden aan d' E Comp: Nog hebbe alhier een scheeps boot op den wal staande gevonden en aan sijn hoogheid gevraagt waar hij van daan gekomen waar op sijn hoogheijd repliceerde dat sijn onderdaanen hem opgevist en alhier ge„ bragt waar op aan sijn hoogheijd versogt om hem aan d' E Comp: toe te senden terwijl tegenswoordig occasie met de Pantjallang van de kruijsvloot na macasser gesonden te worden waar op sijn hoogheid repliceerde dat hij dat alleen niet doen konde maar dat hij daar over soude vergadering houden om de gewoonte van 't landt niet te kort te doen waar waar op na behoorlijk honeur van sijn hoogheijd mijn afscheijd genomen vertrokken na de straat omtrent bombono boelo komen„ „de segte den tolk tegens mij dat hij ordres hadde om mij niet verder als tot hier toe te brengen waar op een praauw siende met een vlag so vroeg aan den tolk wal dat voor een praauw was waar op hij re„ pliceerde dat 't den radja wonegene was welke alhier op brandwagt leggende om mij te observeeren indien ik hem forceeren wilde om buiten sijn ordres te gaan kon„ de dierhalven wel zien dat 't overlegt was als voorleeden daan Jaar

NL-HaNA_1.04.02_3389_0394 view scan ↗

English

From Macasser, 14 June 173— From Macasser, 14 June 173— 189 438 whereupon, going ashore alone with the interpreter and asking him in private what orders he had, he replied that he was ordered by His Highness not to take me further than to battoe sore, the narrows of the strait, and that he had already gone beyond his orders, and begged me most humbly not to force him, for he would be an unfortunate man if I forced him. Whereupon, going to the prahu, and he being fond of arrack, I got him intoxicated and asked him whether this was not approximately the right place for which the Honorable Company had sent me here. After long consideration he said that he had formerly been an honest man, but being an interpreter now, he had to become a rogue, and that his king did not have a good heart toward the Honorable Company, and that this was indeed the right place, but that he was not permitted to bring me, because at wattoe omatobe up to Coepea and Combawa, that place was full of spice trees, and that the Honorable Company sent every year to the islands, but that there was nothing or not much there, and that they brought the same every year to the English if they did not come here themselves. 25 August In the morning went into the forest there, but intentionally taking the road to wattoe mattobe in order to test the interpreter once more, the interpreter was very embarrassed and said to me that I must surely not make him unhappy; whereupon, going past the negorij Baroeboe toward the beach, seeing that my hands were tied, arriving there, sent the interpreter to the radja borogene to speak with him. The interpreter, returning, said that he was expecting me; whereupon he replied that he was sent here by His Highness because the people living here on boutong complained that so many evil people came here during the night and evening hours, dragged the people away or completely murdered them and took away their sarmoedje, and that I had to take good care that no misfortune befell me; whereupon I replied to him that I still had powder and lead and therefore was not afraid. Asked him further whether he had to stay here long, whereupon he replied, as long until he received orders from His Highness to come back to boutong; whereupon, letting nothing show, I took my leave of him. Going on board, being about half a mile behind a point, dropped the anchor. In the evening around 8 o'clock the radja borogene arrives, being under the impression that we were already on boutong. Coming up to us, he asked what kind of prahu this was, whereupon the interpreter told him that we were Europeans. He was very angry and said in the Bouton language that he thought we had long since gone to boutong, and thereupon dropped his anchor. Seeing this, and being able to perceive well enough that the interpreter had spoken the truth, I therefore had the anchor weighed and departed immediately. Arriving at the roadstead of boutong, the interpreter asked me whether I wanted to go first to boutong or at once to Siombo and kadatoeang, but I told him that he must simply go inland and that I did not intend to be led like a blind man wherever His Highness merely pleased, because I was there last year and well knew that there was nothing there that could be harmful to the Honorable Company, and for that reason His Highness gladly permitted me to go there; whereupon I further asked him whether in former times the sergeant had not gone everywhere, both on the land of boutong and on the island woena, whereupon he replied yes, but that for over 20 years such had no longer happened. 26 August Returned to boutong, whereupon given to the people the 24th, to the interpreter, and sent the interpreter to His Highness to say that it was no decency for a Radja not to keep his given word, and that he would have to answer for this to the Honorable Company, and that I only requested to be able to depart for macasser as soon as possible, but received no answer. 9 September The ship d'oranje boom, coming from ternaten, anchored here in the roadstead. 11 ditto Departed again, and the bark d'mossel anchored here, also coming from ternaten. 12 ditto The bark d'mossel departed again. 23 ditto The gunpowder fleet departed, with which a letter was also sent to the Honorable and Respected Lord Governor at Macasser.

Dutch transcription

Van Maccasser Den 14„:' Junij 173 — Van Macasser Den 14: Iunij 173— 189 438 Jaar ook waan een waar op met den tolk alleen aan de wal gaande en hem onder vier oogen vroeg wat hij voor or„ ares hadde waar op hij repliceerde dat hem van sijn hoogheijd belast was om mij niet verder als bij battoe sore't nauw van de straat te brengen en dat hij thans al buiten sijn ordres gegaan en bad mij ootmoedigst om hem niet te forceeren want dat hij een ongeluk„ kig man was indien ik hem forceerde waar op na den prauw gaande en hij een liefhebber van arack hebbe hem beschonken gemaakt en hem ge„ vragt op hier omtrend den regten plaats niet was 't geene waarom mij de E Comp: hier gesonden hadde na lang bedenken so segte hij dat hij voor deesen een eerlijk man geweest maar thans tolk weesende so moeste hij een schelm worden en dat sijn koning geen goed herte voor d E Comp: hadde en dat hier wel den regten plaats is mmaar dat hij mij niet brengen mogte want bij wattoe omatobe tot Coepea en Combawa dat daar vol specerij boomen stond en dat d E Comp: alle jaaren na de Eijlanden sond maar dat daar niets of niet veel was en dat sij deselve alle Jaaren na den engelschen bragten indien sij selfs hier niet quamen, 'Smorgens aldaar in 't bosch gegaan maar met den 25 augustus willens den weg neemende na wattoe mattobe om den tolk nog eens te probeeren so was den tolk heel ver„ legen en segte tegens mij dat ik hem dog niet ongelukkig maaken soude waar op over de ne„ „gorij Baroeboe na Strand toe gaande terwijl siende dat mijn hand gebonden was aldaar komende sond den tolk na het radja borogene om hem te spreeken den tolk wederom komende segte dat hij mij verwagtende was waar op hij repliceerde dat hij van sijn hoogheijd hier gesonden terwijl 't volk alhier woonagtig op boutong geklaagt dat so veel quaade volk hier quam bij wagt en vontijden de menschen wegslepten of gaar vermoorden en haar sar„ moedje afnamen en dat ik wel sorge moete draegen dat mij geen on„ geluck overquam waar op hem waar op hem repliceerde dat ik nog kruijt en lood hadde en dierhalven niet bange was ^lange hier blijven moeste waar, op hij repliceerde so vroeg hem verder of hij nog ^ lange tot hij ordres van sijn maar hoogheid N Van Macassen den 14: Junij 173— Van Macasser Den 14:' Junij 173 — 1r 432 hoogheid bequam om wederom op boutong te koomen waar op mij niets blijken lieten van hem mijn afscheid nam, na boord gaande omtrend een halve mijl agter een hoek wesen„ de liet 't anker vallen 's avonds omtrend 8: uuren komt den radja borogene in de gedagten wesende dat wij al op boutong waaren bij ons komende vroeg hij wat dit voor een prauw waar op den tolk hem segte dat wij europeesen waaren so was hij heel graamstoorig en segte op boutonse taal dat hij gedagt dat wij al lange na boutong waaren en liet daar op sijn anker vallen ik sulks diende en genoeg bespeuren konde dat den tolk de waarheid gesegt hadde liet dierhalven 't an„ ker ligten en inmediaat vertrokken op de Rheede van boutong komende vroeg mij den tolk of ik eerst. na boutong of met eenen ona Siombo en kadatoeang gaan wilde maar segte hem dat hij maar na bin„ „nen gaan moeste en dat ik niet van sins was om als een blinde man gevoert te worden alwaar t sijn hoog„ heijd maar beliefde want dat ik voorleeden Jaar aldaar geweest en wel weetende dat aldaar niets was dat d' E Comp: 9 Septemb„r - - - „ 2:24. schadelijk wesen konde, en om die reeden sijn hoogheijd mij gaarne permitteerde om aldaar te gaan waar op hem nog vroeg of in voorleeden tijden den sergeant niet over al ge„ gaan so wel op 't land van boutong als op 't eijland woena waar op hij repliceerde van oa maar dat al over de 20' Jaa„ „ren sulks niet meer geschied. op boutong geretourneert waar op aan het volk gegeven do 24: den 26 augustus aan den tolk en den tolk na sijn hoogheijd gesonden met te seggen dat 't geen fatsoen was voor een Radja omt gegeevene word niet te houden en dat hij sulks bij de E: Comp: verantwoorden moeste en dat ik maar versogt om hoe eerder hoe liever te kunnen vertrekken na macasser maar geen antwoord bekomen is 't schip doranje boom van teenaten komende alhier ter rheede„ g'ankert wederom vertrokken en den bark d'mossel alhier g'ankert „ 11: d„o meede van ternaten komende „ 12: d„o is de barck d' mossel wederom vertrokken is de kruitvloot vertrokken alwaar een briefs meede gegeeven „ 23: d„o aen den wel Edelen agtb: heer gouverneur op Macasser schadelijk „ .

NL-HaNA_1.04.02_3389_0396 view scan ↗

English

From Macassar, the 14th of June 173 From Macassar, the 14th of June 1710 The 2nd of October On the 24th of September a prahu from Kalesoesoe arrived here, whereupon I discreetly inquired whether the radja was not coming to Boutong, to which they replied that he could only come with the west monsoon and that he had also been here last year, so that one could well see that they deal in falsehoods, for His Highness himself told me that the radja of Kalesoesoe had not been to Boutong in 7 years. Taking a walk and coming onto the beach, I perceived two Mandharese prahus and saw many Boutonese coming off the prahu with linens and opium, so upon arriving home I sent 2 interpreters to His Highness requesting that these prahus might depart, but received no answer. The Boutonese envoy departed for Batavia, having fully 300 slaves aboard. I again sent 2 interpreters to His Highness requesting to dispatch me to Macassar still within this month and not detain me any longer, as I saw that westerly winds blew every day and no more work was being done on the prahu. There came 2 interpreters sent by His Highness to say that tomorrow a beginning would be made to break up the prahus and that I must not be uneasy. The 26th ditto. I again sent 2 interpreters to His Highness and most humbly requested to be allowed to know when I would depart, seeing that no work at all is being done on the prahus anymore. The 27th ditto. His Highness sent word to me again that the writer had fallen ill, and since the letter was not yet ready, that I must therefore have patience. Summoned before His Highness, after paying compliments, I once again asked His Highness for the remaining goods of the stranded chaloup De Nooteboom, to which His Highness replied that he had done his utmost to have them accounted for, but that nothing more was to be found and that he had written everything in the letter, whereupon no further resolution could be obtained from him. 6th of November 145 434 On the 9th of October the ship De Jonge Petrus Albertus, coming from Ternate, anchored here, and the Mandharese prahus, catching sight of the ship, departed at once into the strait. 10th ditto. The ship departed again. 11th ditto. The Boutonese prahu arrived from Macassar with the Honorable Company's letter. 12th ditto. The Honorable Company's letter was brought from aboard to His Highness with due honor. get ditto ditto ditto 7. brought From Macassar, the 14th of June 173— From Macassar, the 14th of June 17733 could get. After having wished His Highness a good stay, I took my leave of His Highness with due honor. Expended to the mandoor and interpreters: 3 rixdollars, 6 stuivers. The Honorable Company's letter and 71 pieces of slaves were brought aboard, and thereupon departed at once from Bouton. Returned to Macassar. I am always ready to confirm under oath. Below stood: Right Honorable Sir. Lower: Your Right Honorable's very obedient and bounden servant. Was signed: J. C. Steijnbach. In the margin: Macassar, the 13th of November Anno 1772. Below stood: Agrees. Signed: P. I. Voll, sworn clerk. The first relator as anakoda and the second as jurumudi on a padewakang, having sailed to Bonij to trade for more than three months, declare that after selling their merchandise there at the negorij Tjelloing, in returning and having called at several places for about twenty days, they came to anchor in the Bay of Bonij before the negorij Cadjang; from whose inhabitants they understood that a two-masted chaloup had already been tacking there for six to seven days in order to enter the bay, without any of the crew having been ashore, nor did anyone know what nation it was. That subsequently, the next morning, when they left from there and wanted to sail out of the bay, they met the said chaloup, to which they immediately showed their Prince's flag, without this being answered by it, asking only Account given at the Secretariat of Policy at Macassar by the Chinese Gjeonko and the Company's commander Tambo, under translation by the deputy interpreter Coenraad Jansz Blij, concerning their encounter with a two-masted chaloup in the Bay of Bonij. Seelaar The 7th ditto 13th ditto 495 4 36

Dutch transcription

Van Macaser den 14:' Junij 173 Van Macasser Den 14:' Junij 1710 den 2: october den 24. September is een praauw van kalesoesoe alhier gekomen waar op onder de de hand hebbe laten verneemen of 't radtja niet op boutong quam waar op sij gerepliceert dat hij niet als met de weste mouson konde komen en dat hij voorleeden jaar ook hier geweest hadde so dat wel sien konde dat sij met onwaarheijd om gaan want sijn hoogheid heeft selfs teegens omij gesegt dat't radja van kalesoesoe in 7. jaaren niet op boutong geweest. een wandeling doende aan strand komende hebbe twee man„ „dhareesen prauwen ontwaart en veel boutonders van den prauw siende afkomen met lijwaaten en amphioen so hebbe te huis komende 2: tolken na sijn hoogheid gesonden met versoek dat deese prauwen vertrokken mogten maar geen antwoord bekomen, is den bouthonders afgesant na batavia vertrokken wel 300 slaa„ ven op hebbende Hebbe wederom 2: tolken na sijn hoogheid gesonden met versoek om mij in deese maand nog te depecheeren na macasser en mij niet langer ophouden terwijl siende dat alle dagen weste winden waijden en aan de praauw geen werk meer gedaan quam 2: tolken van sijn hoogheid gesonden miet te seggen dat mor„ gen een begin soude gemaakt worden om de prauwen te sloppen en dat ik niet ongerust weesen omoest, Hebbe wederom 2. tolken na sijn hoogheid gesonden en nee„ „ 26: d„o drigst laeten versoeken om te weeten mogen wanneer dat ik vertrekken soude dewijl siende dat aan de prauwen in 't geheel geen werk meer gedaan word heeft sijn hoogheid mij wederom laaten seggen dat den schrij „ 27. d„o over was siek geworden en terwijl de brief nog niet klaar dat ik dierhalven patientie hebben moeste bij sijn hoogheid ontboden na gedaanen Compliment hebbe„ nogmaals aan sijn hoogheid gevraegt om de restante goederen van de gestrande Chialoup de nooteboom waar op sijn hoogheid repliceerde dat hij sijn uijterste best gedaan om te laaten opboeken maar dat niets meer te vinden was en dat hij alles in den brieff geschreeven hadde waar op geen verder resolutie van hem 6: novembr 145 434 is 't schip de Jonge Petrus Albertus van Ternaten komende alhier den 9. october g'ankert en de mandhareese prauwen 't schip in 't gesigt krijgende sijn ten eersten vertrokken straat waarts in 10:e d„o is 't schip wederom vertrokken is den boutons prauw van macasser g'arriveert met s6 Comp: brief „ 11: d„o in'sE Comp: brief met behoorlijk honeur van boord na sijn hoogheid „ 12: d. o krijgen d„o d„o d„o 7. gebragt Van Macassar Den 14 Junij 173— Van Macasser Den 14. Iunij 17733 krijgen konde na sijn hoogheid een goed verblijk gewenscht hebbende hebbe na behoorlijk honeur van sijn hoogheid mijn afsched genomen aan den mandoor en tolken uitgegeeven - - rd„s 3: 6: zijn sE Comp: brief en 71: stuks slaeven na boord gebragt en daar op ten eersten vertrokken van bouton op Macasser geretourneert Ik ben altijd gereed met Eeden te bevestigen /:onderstond:/ wel Edele agtbaaren Heer /:lager:/ uwel Edele agtbaare zeer gehoorsamen en trouwschuldigen Dienaar /:was geteek/ J: C: Steijnbach /:in margine:/ Maccasser den 13:' November A:o 1772. /:onderstond:/ Accordeert /:geteekent:/ P I. voll: getw: Clercq Den eersten relatant als anachoda en den tweeden als Juramoedie op een Paduakang voor ruijm drie maanden na bonij ten handel gevaaren hebbende verklaaren dat sij na hunne negotie aldaar op de negorij Tjelloing verkogten in het te rug keeren op eenige plaatsen aangeweest te hebben voor circa twintig dagen in de bogt van bonij voor de negorij Cadjang sijn ten anker gekomen d van welkers Jnwoonders sij verstonden dat aldaar al bereedsses a seven dagen een twee maste Chialoup hadde gelaveerd om de bogt in te komen sonder dat eene der scheepelingen aan de wal was geweest nog dat iemand wist wat natie het was: Dat vervolgens des anderen daags Smorgens wanneer sij van daar gingen en de bogt wilden uitseijlen gedagten Chialoup hum was ontmoet die sij ten eersten hun prince vlag vertoonden sonder dat sulx door hem wierd beantwoord vragende Eenelijk Nelaas gedaan ter Secretarij van Politie te Macasser door den chinees Gjeonko en den sComponder„ „daan Tambo onder Verthaaling van den ondertolk Coenraad Jansz Blij wegens hum ontmoeting van Een twee maste Chialoup in de bogt van Bonij Seelaar den 7: d„o 13: d„o 495 4 36

NL-HaNA_1.04.02_3389_0398 view scan ↗

English

197 4 38 From Macasser The 14 June 1773 From Macasser The 14 June 1773 in passing, in Malay, where the declarants came from, to which they answered from Bugis without knowing whether this was understood by them or not, they continuing their voyage to Saleijer and Boneratte and from there to here. The aforesaid having been presented once more to the declarants, they declared that it contains the pure truth, being prepared, if necessary, to confirm the same further under oath. Below stood: Thus related at Macasser in Castle Rotterdam at the Secretariat Office today, the 27 October Anno 1772, in the presence of Diderich Deefhout and Jan Dirk van Clootwijk, clerks requested as witnesses hereto, the minute of this is duly signed by the declarants, interpreter, and me, secretary. Lower: In my knowledge, signed, C. Kraane, Secretary. Lower: Agrees, signed, P.k J. Voll, sworn clerk. The declarants declare that about one month ago, the first as skipper and the second as jurumudi, they sailed to Salemparang with a prahu paduakang manned with 9 heads in order to buy rice, but that after having been at sea for ten days, the mast of their vessel was so damaged by strong wind that they were forced to call at the settlement Sodiang on Salemparang to provide themselves with a new mast as well as with water and firewood. That to that end six of them went ashore, leaving only three men on board, and while they were busy in the woods chopping firewood, a certain Macassarese prince named Craan Patene, together with his son Mappa, who stay there committing robberies, arrived with two heavily manned paduakangs at the vessel of the declarants and fired some shots with Report made at the Secretariat of Police at Macasser by the Company's subjects Bappa Moesa and Tjatjo, under translation of the assistant interpreter Coenraad Jansz Blij, regarding how their vessel was taken by the robber Crain Patene. Report. blunderbusses The 14 June 1773 From Macasser From Macasser The 14 June 1773 blunderbusses upon it, wherefore the three who had remained on board immediately fled ashore to their companions to give notice thereof, leaving their vessel in the hands of the said robber, who immediately took possession of it and sailed with the same, together with the entire cargo, to one of the islands lying in the vicinity, the aforementioned Mappa crossing over to the vessel of the declarants, after which the declarants, together with their other travel companions, went overland to the settlement Baijang, and there found the Macassarese Care Toelolo, who had also come there with a paduakang for trade, and who, at their request, brought them along back to here. Below stood: Thus related at Macasser in Castle Rotterdam on today, the 5 November Anno 1772, in the presence of Willem Burggraaff and Hendrik Beerens, clerks requested as witnesses hereto, the minute of this is duly signed by the declarants, interpreter, and me, secretary. Lower: Quod attestor, was signed, C. Kraane, Secretary. Lower: Agrees, signed, J. F. Voll, sworn clerk. The declarant declares that in the month of February he sailed with a prahu paduakang to Boutong and the subordinate islands to buy tripang there, and having come to the island Wantjie for that purpose, on 23 March last he heard from the inhabitants there that about one month previously, thirty heavily manned Papuan and Ceram kora-koras had been on the islands Tonganoe and Bironko, lying in the vicinity and also belonging under Boutong, Report made at the Secretariat of Police at Macasser by the Malay Intje Matika, under translation of the assistant interpreter Coenraad Jansz Blij, concerning what he heard on the island Wantje, belonging under Boutong. Report. D 440 From Macasser the 14 June 1773 From Macasser The 14 June 1773 had attacked and captured the same in a hostile manner, setting fire to the settlements situated there, whereby about one hundred and forty heads of the inhabitants were killed, taken prisoner, or fled. That they also attacked two Mandarese vessels that wanted to go to Ceram and had come to anchor at the island Tonganoe, and after having lost two kora-koras, overpowered the same, scuttled them, and murdered all those on board; as well as a paduakang laden with salt coming from Bima to trade there, being seven men strong, of whom they got the principal one on board with them by gentle means and murdered him, and subsequently Furthermore, those who had escaped from Tonganoe related to the inhabitants of Wantjie that the robbers were said to have been one hundred kora-koras strong, and that they had strayed from the fleet, otherwise they had intended to steer to Boutong to attack it directly, but that they were of intention to return to that end after the lapse of three or at the most six months to obtain satisfaction. also shot the vessel to the bottom and killed the remaining crew members as well, after which they plundered and set fire to a Wajoese paduakang coming from Macasser and standing on the beach there, the crew of which, however, escaped by flight, the anakhoda being named Lasoba and residing here. 4 442

Dutch transcription

197 4 38 Van Macasser Den 14 Iunij 173 Van Macassir Den 14:' Iunij 173 in het voor bijstewirden in het maleijts waar sij relatanten van daan kwaamen waar op bij antwoorden van boegis sonder te weeten of sulx door hen was verstaan of niet vervolgende sij hun rijs naar saleijer en Boneratte en van daar ona herwaarts 'T geen voorsz: staat de relatanten nogmaals voorgehouden sijnde so verklaarden sij sulks de suijvere waarheid te behelen bereijd te sijn 't selve des noods met Eede nader gestand te doen /:onderstond:/ Aldus gerelateert tot Macasser in het Casteel rotterdam ter Secretarij Comptoir heeden den 27: october A=o 1772. ter presentie van Diderich Deefhout en Aan Dirk van Clootwijk Clercquen als getuijgen hier toe gerequireerd de minute deses is behoorlijk geteekend voor de relatanten Tolk en mij seeren taris /:lager:/ Jn kennisse van mij geteekend, C: kraane secret„s /lage: Accondeert /: geteekend:/ P:k I: Voll getm: Clerq„ Derelatanten verklaaren dat sij den Eersten als schipper en den an„ „derens als suramoedie voor circa Een maand met een prauw padu„ akang bemant met 9 koppen naar Salemparang gevaaren sijn om rijst in te koopen dog dat na thien daegen in zee tsijn geweest de maast van hun vaartuijg door sterke wind sodanig beschadigt wierd dat sij genoodsaakt waaren de negorij sodiang op Salem„ parang aan te doen om hun so wel van een nieuwe mast als van water en brandhout te voorsien Dat sij ten dien eijnde met hun sessen na de wal waren gegaan eenelijk drie man aan boord latende en in het bos beesig wesende om het brandhout te kappen seekeren macassaarse prins met naame caam Patene benevens sijn soon Mappa die hun aldaar met rooven ophouden met twee sterk bemaande opaduakangs op het vaar„ tuig van de relatanten aangekomen en eenige schooten met Relaas gedaan ter kerecarijvan Solite te Matassor door 'sComp:s onderdanen Bappa Moesa en Tjatjo onder verthaling van den ondertolk cenraad Jansz Blij hoedanig hunne vaartuijg door den rover Crain Pate„ „ne genomen is Nelaas donderbussen Den 14 Junij 1773 Van Macasser Van Macasser Den 14 Jnij 173 — donderbussen daar op gedaan hadden waar door de drie aan boord geblevene ten eersten na de wal bij hun makkers waaren gevlugt om daar van kennis te geeven latende hun vaartuig in handen van gem: roover die sig daar ook ten eersten meester van maakte en met het selve benevens de gantsche lading na eene van de daaromstreks leggende eijlanden seijlden gaande voormelde mappa over op het vaartuig van de relatanten, waar na sij relatanten benevens hunne verdere rijsgroten overland na de negorij Baijang waren gegaan en aldaar hadden aangetroffen den macassaar Core Toelolo die aldaar meede met een paduakang ten handel was gekomen en die hun op haar versoek wederom meede naar herwaards hadde overgevoert /:onderstond:/ Aldus gerelateert tot Ma„ casser in 't Casteel Rotterdam op heeden den 5: November Anno 1772. ter presentie van willem Burggraaffen Hendrik Bewens clercquen als getuygen hier toe gerequireert die de minute „deeses is behoorlijk door de relatanten Tolk en mij secretaris geteekend /:lager:/ quod attestor /:was geteekend:/ C: Kraane Sec:s /lagen/:scodeet /:getekend:/ I:s F: voll: getw: Clercq Den relatant verklaard in de maand februarij met Een prauw Paduakang na boutong en de onderhoorige Eijlanden gevaaren te sijn om aldaar Trippangs te koopen, en ten dien eijnde op het Eijland wantjie gekomen sijnde, op den 23 maart I: L: van de Inwoonders aldaar vernoo„ „men had dat Circa Een maand bevoorens dertig stork bemaande Papoese en ceramse corre corres op de daarom streeks leggende en meede onder boutong gehoorende Eij„ landen Ionganoe en Bironko waa„ Relaas gedaan ter Secretarij van Politie te Macasser door den Maleijer Intje Matika onder vertaaling van den ondertolk Coenraad Jansz Blij weegens het geene hij gehoord heeft op het onder boutong gehoorende Eijland wantge elaas ven D 440 Van Macasser den 14 Iunij 173— Van Macasser Den 14 Iunij 170— ren geweest deselve vijandelijk g'attacqueerd en veroverd hadden steekende de daar op staande negorijen in de brand waar door circa Een hondert en veertig kop„ „pen der Inwoonders so gesneuveld als gevangen genomen en weg gevlugt waaren, Dat sij ook twee Mandhareese vaartuigen die na ceram wilde en bij het eijland To: nganoe ten anker gekoomen waaren hadden gattacqueerd en na twee corra corras te hebben verlooren deselve overwonnen in de grond geboord ende opvaarende alle vermoord als meede een met sout geladene paduakang van bina komende om aldaar te handelen sijnde seeven man sterk waar van sij de voor„ naamste op een sagte wijs bij hun aanboord hadden gekreegen en vermoord en vervolgens voorts hadden de geene die het op To nganoe ont„ „komen waren aan de Inwoonders van wantjie verhaald dat de roovers soude gesegt hebben Een hondert corra corras sterk te zijn geweest en dat sij van de vloot waaren afgedwaast anders voorge„ noomen hadden na boutong te steevenen om het selve direct te attacqueeren dog dat sij van Intentie waar „ren ten dien eijnde wederom te komen na verloop van drie of ten langsten ses maanden om satisfactie het vaartuijg ook in de grond geschooten en de overige scheepelingen meede om het lee„ ven gebragt waar na bijEen wadjoreese Pa„ duakang van Macasser komende en aldaar op strant staande hadden geplundeert en in de brand gestooken waar van de schepeling het egter door de vlugt ontkomen waar van de scheepeling het egter door de vlugt ontkomen waren sijnde de anachoda genaamt Lasoba en alhier woonagtig het te 4 442

NL-HaNA_1.04.02_3389_0401 view scan ↗

English

From Macassar, 14 June 1773 From Macasser, 14 June 1773 to take concerning two Ceramese vessels that the Boutonners had taken away anno passato. Below was written: Thus related at Macasser in Castle Rotterdam on the first of June Ao 1773 in the presence of Alexander Whijts and Diederich Deefhout as witnesses. The original of this is duly signed by the relator, interpreter, and me, the secretary. Lower was written: Quod Attestor. Was signed: C: Kraane, Secretary. Lower was written: Agrees. Signed: F: T: Voll, sworn clerk. I, Daceng Salatang, currently appointed regent over the district of Bira, promise and swear to govern as a faithful regent over the Company's subjects; to show all loyalty and obedience to the Company in accordance with the concluded contract; to maintain, and cause to be maintained, all those who resort under my district; to remove all discord; and to tolerate no conspiracy or meetings in my entrusted regency, let alone to permit them with my knowledge; and should such happen to occur without my knowledge, both at the time they are held or upon discovering them afterward, I shall endeavor to prevent them and immediately give notice thereof, or cause notice to be given, to the resident; which I promise to observe and fulfill in the most sacred manner. In token of the truth, I, Daang Salatang, regent of the abovementioned district, swear this in the most sacred and the Mahometan manner with From Macasser, 14 June 1773 From Macasser, 14 June 1773 with the placing of my hands upon the Alcoran and the drinking of kris water. Below was written: Thus done, signed, and sworn in Castle Rotterdam on 5 January Ao 1773. Was signed: P: G: van der Voort. In the margin stood: The Company's seal pressed in red wax, below which is signed: S: Monsieur and C:s Kraane. Below was written: Agrees. Signed: F: I: Voll, sworn clerk. Whereas the king of Tambora, Abdul Saijt Johan Kamalatsa, was removed from the throne on account of the complaints brought against him by his subjects by our secret resolution of 6 June 1771, and thereupon, pursuant to the authorization granted, the Eureli Kanhilo, named Tahamnitoulla Hidaija toen Manalla, was again elected king by the assembled dignitaries of the realm according to the custom of the land, in the presence of the commandant at Bima, Alexander Lecerps; which person, having arrived here alongside some of the aforementioned dignitaries, requested of us to confirm the said election, subject to the favorable approval of His Right Honorable the Governor General and further Councilors of the Dutch Indies, and consequently to recognize him, Iahanni doulla hidaija toen Minalla, as king; so it is that we, in consideration of the assurance given to us regarding his legitimacy and their expectation that this would serve the best interest of the realm, having found no reasons to refuse the same, have consented therein, on the condition that the frequently mentioned Iahami doulla Hidaija Toen Minalla shall be obliged to swear to the contracts entered into with the realm of Tambora, and in particular the last one of 18 April 1701, and that to Their Right Honorables' well-mentioned disposition From Macassar, 14 June 1773 From Maccasser, 14 June 1773 Wednesday the 21st. disposition full approval remains deferred, as well as to amplify or alter the aforementioned contract with some articles as they shall deem advisable; wherefore the frequently mentioned contract having been shown to the aforementioned elected king in the original, and having been read out to him in the Malay language, and its contents having been clearly made understandable, the same was sworn to by him upon the Alcoran with the drinking of kris water, and in evidence thereof sealed by him with the realm's seal, and confirmed with his signature and those of the aforementioned dignitaries. Below was written: Thus done, signed, and sworn in Castle Rotterdam at Macasser this 12 May 1773. Was signed: P: G: van der Voort, B: van Pleuren, S: W. Peters, J: Raket, C: Kraane. In the margin stood: By order of the Honorable Worshipful Lord Governor and Council. Signed: C: Kraane, Secretary. Secret Daily Register Nothing occurred. Thursday, 22nd. The chief interpreter Brugman having been sent by me to the king of Bonij, not only to inquire whether the tomilalang and glarrang of Bontualacg could depart with him, Brugman, for Maros by the day after tomorrow for the investigation of the disputes between the Company's and His Highness's subjects there and in the other northern provinces, but also to request His Highness to grant such full power to those ministers that all arising cases concerning his subordinates could be completely settled without any appeal to His Highness, and this in order to prevent all unnecessary delay in dragging out disputes which sometimes amount to nothing and thereby become more difficult rather than easier to resolve; the said Brugman reported to me that the king had told him that his deputies would at the appointed October Ao 1772 Daily register time.

Dutch transcription

203 444 Van Macassar Den 14:' Junij 173— Van Macasser Den 14 Junij 173 te neemen over twee ceramse vaartuijgen die de bou„ tonders anno passato hadden weg genoomen /:onderstond:/ Aldus gerelateert tot Macasser in 't Casteel Rotterdam den Eersten Junij Ao 1773 ter Presentie van Mex„ ander whijts en Diederich Deefhout als getuijgen de oinite deeses is behoorlijk door den relatant tolk en mij secretaris onderteekend /:lager:/ Quod Attestor /:was geteekend:/ C: Kraane Secretaris /:lager :/ Accordeert /geteekend:/ F: T: voll gesw: Clercq Ik Daceng Salatang thans aangestelde regent over het district van bira beloove en sweere als den Trouwe regent over sCompagnies onderdaanen te regeeren alle trouw en onderdanigheijd volgens het gemaakte Contract aan d Compagnie te bewijsen on„ derhouden en doen onderhouden alle de geene die onder mijn district resorteeren alle on eenigheeden uit den weg te ruimen en geene Conspiratie ofte vergaderingen om mijne aanbetrouwde regent„ schap te dulden laat staan die met mijn ken„ nisse toe te laten en sulks buiten mijn weeten mogt komen te gebluiken en op dien tijd dat deselve ge„ houden worden ofte naderhand deselve ontdekkende sal ik sulks tragten te beletten en aanstonds aan den resident daar van kennisse geeven of laten geeven het welke ik beloove op de allerheijligste wijse te onder „houden en naar te komen, Inteeken der waarheid soo besweere ik Daang Salatang regent van boven gem: district dit op de allerheijligste en onaar de Mahometaanse wijse IK met 285 446 Van Macasser den 14 Iunij 1713 — Van Macasser Den 14 Iunij 173 — met het leggen van mijne handen op den Alcoran en 't drunken van kritsen water /:onderstond:/ Aldus gedaan geteekent en beswooren ten Casteele Rotter„ dam den 5: Januarij Ao 1773 /: was geteekend:/ P: G: van der voort /:ter Sijderstond:/ SComp: zegel in roodlacg gedaukt waar onder geteekent S: Monsieur en C:s Kraane /:onderstond:/ Accordeert /geteekend:/ F: I: voll gesw: Clercq Aangesien de koning van tambora abdul saijt Johan kama latsa op de tegen hem ingebragte klagten sijner onderdaenen bij onse secreete resolutie van 6: Junij 1771: van den troon ontzet en daar op ingevolge verleende qualificatie door de gesamentlijke rijks grooten na slands wijse ter overstaan van den commandant te bima Alex ander Lecerps weder tot koning verkooren is den Eureli kanhilo in name tahamnitoulla Hidaija toen Manalla den welke nevens eenige van de voorgemelde grooten alhier opgeko„ „men aan ons versogt hebben om de gemelde verkiesing onder de gunstige approbatie van sijn hoog Edelheijd den heere gouverneur generaal en verdere heeren raeden van nederlands Jndia te be„ vestigen en hem Iahanni doulla hidaija toen Minalla gevolgelijk als koning terkennen so ist dat wij uit aanmerking van daan ons gedaane verseekering wegens desselfs wettigheid en haere ver wagting dat sulks ten beste van het rijk soude strecken geene reedenen gevonden hebbende het selve te weijgeren daar inne geconsenteerd hebben onder voorwaarde dat meermelden Iahami doulla Hidaija Toen Minalla gehouden sal weesen de contracten met het rijk van Tam„ bora aangegaan en insonderheid het laatste van den 18. April 1701 te besweeren en dat aan haar hoog Edelheedens welmelde Aangezien dispositie 207. Van Macasser Den 14. Iunij 1713. — Van Maccasser den 14 Juniy 173 woensdag den 21. dispostie so wel de volkomen approbatie gedefereerd blift als om het voormelde Contract met eenige articulen te amplieeren op 't altereeren so als hoog deselve sullen geraeden oordeelen weshalven het meermelde Contract aan den opgenoemde verkooren koning in origineele vertoond en aan den selven in de maleijds taele overgeleesen mitsgaders dies inhoud duijdelijk te verstaan gegeeven sijnde so is het selve door hem onder het drinken van kris water op den alcoran beswooren en deese ten blijke daar van door hem met het nijks zegel gesegeld mitsgaders met zijne handteekening en die van de voormelde grooten bekragtigt. /:onderstond:/ Aldus gedaan geteekend en beswooren in 't Casteel Rotterdam te Macasser dezen 12. Meij 1773. /:was geteekend:/ P: G: van der voort, B: van Pleuren, S: W. Peters, J: Raket C: krane /:ter seijde stond:/ Ter ordonnancie van den wel Edelen Agtb: heer gouverneur en raad /:geteekend:/ C: Kraane Secretaris Secreet Dagregister Niets voorgevallen den oppertolk Brugman door mij bij den koning Donderdag, 22. van bonij gesonden sijnde om niet alleen te vernee„ men of de tomilalang en glarrang van bontualacg tegen overmorgen nevens hem brugman na Maros soude kunnen vertrecken tot het ondersoek der ge„ geschillen tusschen sComp: en sijn hoogheijts on„ der daenen aldaar en in de verdere noorder provin„ tien maar om ook sijn hoogheijt te versoeken aan die oministers sodanige vollemagt te ver„ „leenen dat alle voorkomende saeken sijn onderhoo„ „rige betreffende volkomen konde werden afgedaan sonder eenig beroep op sijn hoogheijt en sulks ter preventie van alle modeloos dilaij in het sleepende houden van questien die somwijlen niets om het lijf hebbende daar door eerder moeijelijker als gemackelijker wierden om te beslissen so bragt gem: Brugman mij tot rapport dat den koning hem so wel gesegt hadde dat sijne gecommitteerdens op den bepaalden october A„o 1772 448 Dag register tijd .

NL-HaNA_1.04.02_3389_0404 view scan ↗

English

From Maccasser, 14 June 1773 Sunday the 25th Monday the 26th Wednesday the 28th until time would be ready, that he had ordered it to them in his presence, and that his Highness, in fulfillment of my request, had immediately had his secretary draft an order according to the intention for them in writing, of which he accordingly gave me notice. Friday the 23rd. Nothing happened. Saturday the 24th. This evening the head interpreter Brugman departed for Maros in the company of the Bonian Tomilalang and the glarrang of Bontualacq, the first mentioned having taken along a letter to the resident Van Rossum. Nothing occurred. Tuesday the 27th. I received report from the under-interpreter Blij that the Bonian prince Lawajoe Anna, alias Daeng Pagoeling, a brother of Daeng Mandjaroengie, the day before yesterday in the province of Siang, and specifically the negorij Bone Bone, got into a quarrel with a Bugis, Nachoda Pamana, at a cockfight, was stabbed to death by the same, and the aforementioned Nachoda was subsequently likewise killed by Daeng Pagoeling's retainers. Sunday 1 November. Nothing worthy of note occurred. The regent of Tanette, mentioned under the date of the 8th of the previous month, having arrived here the day before yesterday and having appeared before me this forenoon, I had the under-interpreter Blij point out to him that it could not be unknown to him that his subjects had for a long time brought complaints about his despotic and uncommonly harsh manner of government, and that I had therefore had to decide to summon him hither in order to hear what he might know to put forward in his excuse; but far from excusing himself on any points, he fully acknowledged having misbehaved and having made himself unworthy of the regency, requesting therefore even that he might only be relieved thereof by deposition, and that I would permit him to reside with his family on Saleijer under the assurance that he would keep himself quiet there; which latter I then granted on condition that he must continue to live close to the post under the eye of the resident, which he willingly accepted; having I furthermore From Macasser, 14 June 1773 present From Macasser, 14 June 1773 Thursday the 5th until Sunday the 8th From Macasser, 14 June 1773 given notice of these occurrences to the present Pongauwa and other glarrangs of that province, so as to be able to nominate another as regent. Wednesday the 4th. The present pongauwa, as well as glarrangs and anak craeengs of the Saleijer province of Tanette, having appeared before me this forenoon, I made this known to them, asking whether they had anyone to nominate for this, which they answered in the affirmative, requesting at the same time that the anak craeeng named Daeng Matalli, who was present there, as the most rightful next in line and possessing the required ability, might be chosen thereto; to which I therefore consented and appointed the same as such with an appropriate recommendation both to him and to them all. Tuesday the 3rd. Nothing happened. Nothing of importance occurred to be noted herein. Monday the 9th. The former king of Tambona, having previously been granted access, coming to pay a visit to me this forenoon, first handed me a missive from his mother, containing among other things, Tuesday the 10th. Nothing happened. on the receipt of a missive from Sergeant Taal in Wednesday the 11th: a request that her aforementioned son's offense might be forgiven and he be permitted to return thither again; and he subsequently gave me notice of the receipt of 39 rixdollars and 18 stuivers, being as much as had been collected of his claim on some of his former subjects, yet that he had little hope of obtaining much of the remainder since the others denied the debt, requesting therefore my assistance; regarding which I promised him to do my best upon the expected arrival hither of the new king and grandees of the realm, while to his further urging whether he might be permitted to take up residence across the water, or else that his mother might come hither if the former could not be granted, I made known that I was awaiting the esteemed disposition of their High Excellencies in this regard; for all of which he expressed his thanks and subsequently took his leave.

Dutch transcription

450 Van Maccasser den 14 Junij 1773— zondag den 25 Maandag „ 26 woensdag den 28. tot tijd souden gereed weesen als dat hij het haar in sijn bijweesen bevoolen hadde en dat sijn hoogheijt in vol„ doening van mijn versoek aanstonds sijn secretaris een ordre na d'intentie voor haar hadde doen in geschrifte stellen waar van hij mij oversulks liet kennisse geeven vrijdag den 23. Is niets gepasseerd Zaturdag „ 24. Heden avond is den oppertolk brugman in geselschap van den bonijs Tomilalang en den glarrang van bontualacq naar maros vertrokken hebben den eerst gem: een briefje meede genomen aan den resident van rossum niets voorgevallen Dingsdag „ 27 ontfing ik van den ondertolk blij bericht dat den bonijs prin Lawajoe anna alias Danig Pagoeling een broeder van Danig Mandjaroengie op eer Gisteren in de provintie Siang en wel de negorij bone bone met een bouginees Nachoda Pamana bij een haenen gevegt in questi geraakt door den selven dood gestooken en den gem: Nachoda vervolgens doordaing Pagoelings lijfvolk ins gelijk om 't Leeven gebragt was Zondag „ 1. November viel niets noteeren waardig voor De regent van Tanette vermeld onder dato 8: der voor„ leedene maand op eergisteren alhier gearriveerd en desen voormiddag bij mij verscheenen sijnde deed ik den selven door den ondertolk blij voorhouden hoe hem niet onbekend konde weesen dat sijne onderhoo„ orige sedert een geruijmen tijd herige klagten hadden ingebragt over sijne despoticque en ongemeene harde regeerings wijse en dat ik dierhalven hadde oeten besluiten hem herwaarts te ontbieden ten eijnde te hooren wat hij tot sijn verschooning mogte weeten om te brengen dog wel verre van sig over eenige poincten 't ontschuldigen betuijgde hij volmondig misdaan en sig het regentschap onwaardig gemaakt te hebben versoekende dierhalven selfs daar van eenlijk door afsetting te mogen worden ontslagen en dat ik hem permitteeren wilde bij sijn famillie op saleijer te mogen verblijven onder versee„ kering van sig aldaar stil te sullen houden welk laatste ik dan geaccordeert hebbe onder voorwaarde dat hij onder toog van den resident digt bij de post sal moeten blijven woonen het geen hij bereijdwillig aannaam hebbende ik voorts van Macassen den 14. Iunij 1773 aanweesende 2o 239 211 452 van Macasser den 14. Iunij 1773 Donderdag den 5: tot Zondag „ 8: Van Macasser den 14. Iunij 1773 d' aanweesende Pongauwa en verdere glawangs van die provintie van dit gepasseerde kennisse doen geeven om een ander tot regent te kunnen voordraegen, woensdag „ 4. D' aanweesende pongauwa mitsgaders glarrangs en anak Cra„ eengs van de salijereese provintie Tanette heden voor de middag bij mij verscheenen sijnde maakte ik aan deselve bekend onder afvrage of sij reimand daar toe hadden voor te dragen het geen sij met ja beantwoordende versogten sij te gelijk dat den amak craceng genaamd daeeng Matalli welke er tegenwoordig was als de naast gewettigste en de vereijschte bequaamheid besittende daar toe mogte worden verkooren waar in ik dierhalven toegestemd en den selven als sodanig onder een gepaste recommandatie soo aan hem als aan haar alle aan„ gesteld hebbe Dingsdag den 3. is oniets gepasseerd niets voorgevallen van belang om in deesen te worden genoteerd Maandag „ 9 de geweesen koning van Tambona ina voor af verleend aices heden voor de middag bij mij een visite komende afleggen inhandigde mij eerst een missive van sijne Moeder onder anderen behelsende Dingsdag den 10. ' Niets gepasseerd op den ontfangst eenen missive van den sergeant Taal in Woensdag „ 11: versoek dat haar gemelde soon mis drijf mogte vergeeven en hem gepermitteerd worden om sig weder ona derwaarts te begeeven en gaf mij vervolgens kennisse van den ontfangst van rd:s 39: 18 sijnde so veel er ngepalmt waare van sijn opretentie op eenige sijner geweese onderdaen en dog dat hij weijnig hoope hadde van het resteerende veel te sullen krijgen vermits de overige de schuldig ontkenden met versoek dierhalven om mijne adjude waar omtrend ik hem beloofd hebbe bij de verwagte herwaarts komst van den nieuwen koning en rijksgrooten mijn best te sullen doen terwijl ik op sijn verdere instantie of dat hem gepermitteerd mogte worden sig ter woon na d'overwal te begeeven dan wel dat sijn Moeder als het eerste niet geaccordeert kondewvorden herwaarts mogte komen te kennen gaf dat ik daar omtrend was afwagtende de g'eerde dispositie van haar hoog Edelheedens voor welk een en ander hij dankbetuijgde en vervolgens afscheid versoek Commisse. nam

NL-HaNA_1.04.02_3389_0406 view scan ↗

English

From Macasser the 14. Iunij 1773 Commission to Sagerie for the shipping of the tithe rice, containing that some Tanette people had refused to pay their obligated tithes under various frivolous pretexts, I have sent the under-interpreter Blij to the Queen of Tanette in order to request and instruct Her Highness in my name to establish the necessary order there by sending an express courier for whom they had respect, to which she informed me in reply that she had already sent someone there, but that she would dispatch another person there for the aforementioned purpose. Thursday the 12th nothing occurred. Friday the 13th before noon, there returned here from Bouton the Sergeant and Commissioner for the extirpation of spice trees, Steijnbach, bringing with him a certain Abdul Maliek, calling himself Lieutenant of the Malays in Ternaten, who claims to have stepped ashore in the Strait of Bouton from the ship de Jonge Petrus Albertus, with which he intended to sail to Batavia, when that vessel unexpectedly departed. In the afternoon, three vessels arrived at this roadstead carrying envoys from Bouton, who gave me notice of their arrival and asked for an audience, which I scheduled for next Monday. Saturday the 14th, the King of Boni, giving notice through his interpreter Moentoe that the farmer of the incoming and outgoing duties had detained some goods that Opoe Sangaria had wanted to ship to be transported to Zoewoe, and this notwithstanding that the duty thereon had been offered, which the farmer had refused to receive under the pretext of having no authority for release without my prior knowledge. I gave His Highness to know hereupon that I would send him further notification as soon as possible. Sunday the 15th nothing passed. Monday the 16th, being the appointed day for the reception of the arrived envoys from Bouton, they appeared around nine o'clock under the usual ceremonial in the Castle, consisting of the following persons, namely: Radja Tomaga alias Lalaki the Mantrie Siompoe the Pangalassangs Lanton ngao Malabolie Malamakki and Java, together with two lesser notables named Baroetha and Baroekene. After extending the usual compliments and taking their seats, the first-mentioned handed me the letter from the King and councilors of the realm, making known that they had brought along seventy-one slaves to serve in reduction of the realm's debt, still promising 14 heads, with the request that these might be accepted. And notwithstanding that I presented to him that it first needed to be examined whether they were all deliverable, he nevertheless continued to urge acceptance with all force, which being refused, as was also his further instance that the inspection of the same might then take place immediately in the envoys' presence, which required too much time to do at that moment, I nevertheless had him answered that notice would be given to them when such was to happen, in order that they might assist therein; nothing else was further transacted on this occasion that deserves notation here. Upon the message delivered to me the day before yesterday in the name of the King of Bonij, I sent the under-interpreter Blij this afternoon to His Highness to communicate that, whereas Opoe Sangaria had wanted to ship off the goods detained by the farmer without paying toll for them, although he had offered it afterward, that detention was thus done lawfully and likewise with my prior knowledge, and that I would not be obligated to return anything of the one or the other, which I nevertheless, out of consideration for His Highness's request, had ordered the farmer to do even without claiming toll for it, as being of little importance, since all the merchandise brought by Opoe Sangaria had been quietly unloaded, notwithstanding that I had already agreed to allow the import of the value of two to three hundred rix-dollars toll-free, as His Highness could be as little unaware as of the fact that it nowhere appeared on what foundation anyone, whoever it may be, coming hither under the name of envoys or otherwise, should be free from the payment of incoming duties.

Dutch transcription

454 van Macasser den 14. Iunij 1773 213 Commissie naar Sagerie tot den afscheep van de verthiende rijst behelsende dat eenige tanettereesen geweijgert hadden hun verpligte tiende te voldoen onder deese en geene nietige voorwendsels hebbe ik den ondertolk blij maar de ko„ „ringinne van Tanette gesonden ten eijnde haar hoogheit uit mijn naam te versoeken en aan teseggen denoodige ordre daar toe te stellen door het zenden van een expresse voor den welken zij ontsag hadden waar op 't mij in antwoord liet weeten bereets iemand derwaarts te hebben gesonden dog dat z nog een ander ten voorschreeven eijnde derwaarts soude afvaardigen, Donderdag den 12 viel niets voor Vrijdag „ 13. voor de middag reverteerde alhier van bouton den Serge„ ant en Commissiant tot d'extirpatie van specerij boomen Steijnbach meede brengende zeekeren Abdul Maliek zig„ onoemende Luitenant der Maleijers te ternaten die voorgeeft van het schip de Jonge Petrus Albertus waar meede hij maar batavia meende te stevenen in straat bouton aan de wal gestapt te weesen toen dien bodem onverwagt vertrocken was 'ss nademiddags arriveerden te deser rheede drie vaartuigen Van Macasser den 14: Iunij 1773 op hebbende gesanten van bouton die mij van hun komst deeden kennisse geeven en om alles vragen dat tegen aanstaande maandag bepaald hebbe Den koning van bout, door sijn tolk Moentoe doende Zaturdag den 14. kennisse geeven dat den pagter van d' inkomende en uijtgaande regten eenige goederen hadde aangehouden die opoe Sangaria hadde willen in scheepen om nna zoewoe vervoert te worden en sulks niet Jegenstaande de geregtigheijd daar van was aangeboden welke de pag„ ter onder voorwendsel van sonder mijne voorkennasse geen magt tot de largatie te hebben hadde geweijgert te ontvangen ik liet sijn hoogheijt hier op een lijk weeten dat ik hem ten spoe„ digsten nader bescheijd soude zenden passeerde niets De bestemde dag tot de receptie der van bouton g'arri „ Maandag „ 16. „veerde gesanten verscheenen deselve tegen negen uuren onder het gewoone Ceremonieel in het Casteel be„ staande in te meldene persoonen te weeten. Radja Tomaga alias Lalaki de Mantrie Siompoe zondag den 15. op de Van Macasser den 14 IJunij 1773. Van Macasser den 14. Iunij 1773 245 456 De Pangalassangs Lanton ngao Malabolie Malamakki en Java Mitsgaders twee mindere grooten in naame Baroetha en Baroekene Na aflegging van de gewoone Complimenten en genomen zil plaats wierd mij door den eerstgemelden overhandigt den brief van den koning en rijksgrooten onder bekendma„ „king dat '2 hadden meede gebragt een en seventig slaeven om te strecken in mindering van de rijks schuld nog beloo„ pende 14. koppen niet versoek dat deselve mogte worden geaccepteert en niet tegenstaande ik hem voorhielde dat alvoorens diende te worden ondersogt of 'z alle leverbaar waaren bleef hij nogthans op d' acceptatie met alle kragt aandringen 't geen afgeslagen sijnde en so meede zijn verdere instantie dat dan devisitatie van deselve aan„ stonds in der gesanten tegenwoordigheit mogte geschieden waar toe te veel tijd vereijschte om het doenmaals te doen deed ik hem nog„ „thans antwoorden dat men haar soude kennisse geeven wanneer sulke stond te gechieden ten eijnde er bij te kunnen assisteeren zijnde verder bij deese occasie niets anders verhandeld dat in deesen aanteekening verdiend op de boodschap mij eergisteren uijt naam van den koning van bonij gedaan hebbe ik den ondertolk blij deesen nademaddag aan sijn hoogheijt gesonden ter Communicatie dat vermits opoe Sangaria de goederen door den pagter aangehouden hadde willen afscheepen sonder daar voor tol te betaalen schoon hij sulks naderhand aangeboden hadde die aanhouding dus ten regten en teffens met mijne voor kennisse was geschied en dat ik niet gehouden soude sijn iets van het een of ander weder te geeven het geen ik nogthans den pagten uit consideratie van sijn hoogheijts versoek gelast hadde selfs sonder daar voor tol te pretendeeren als van weijnig inportantie sijnde vermits al de door opoe Sangaria aangebragte handel whaeren in stilte ontscheept waeren niet tegenstaande ik all een geaccordeert hadde voor de waarde van twee a Ddrie Honderd rijxdaaders tol vrij te sullen laeten invoeren gelijk sijn hoogheijt so min onbewuest konde weesen als dat nergens bleek op wat pundament iemand wie het ook sij onder de naam van gesanten als andersints her„ waarts komende vrij soude weesen van de betaling van sijnde in komende

NL-HaNA_1.04.02_3389_0408 view scan ↗

English

217 458 Wednesday the 18th. incoming duties that are general, whereupon Blij reported to me that His Highness sent his thanks to me for the order for the refund, which he attested had already taken place, adding, however, that His Highness did not know that envoys had ever before paid toll. Tuesday the 17th. It was brought to my knowledge by the assistant interpreter Blij how he had learned from a certain Macassar man, Daeng Mandjarieki, who is occasionally used as an emissary, that the King of Goak was said to have fallen into discord with the foremost of his court grandees, without him having been willing to disclose anything regarding the cause, declaring that he was too afraid to do so, though he had added that it would not be long before it would come out and he would inform me. The aforementioned Daeng Mandjarieki had likewise communicated to him, Blij, that the Queen of Tello had quietly departed for Barro and from there to Sedeenring out of displeasure regarding the King of Goah, on the grounds that this monarch was said to have caused the house of her Anaron Goeroe at Thaing to be demolished because the latter had refused to repair the roof of the King's dwelling, without the slightest communication having first been given to her of that refusal, which the aforementioned Anaron Goeroe also absolutely denied. Nothing happened. Thursday the 19th. The former King of Tambora, having requested everything beforehand, appeared before me merely requesting permission to send a vessel to the opposite shore in order to collect some outstanding moneys and to purchase small goods, as well as to be permitted to obtain a pass for that purpose. Both matters being granted by me, with the promise to grant the pass when the vessel shall be ready, the same subsequently departed. Subsequently, the first envoy of Bouton sent to ask me for permission to pay a visit to the King of Bony, and furthermore for the usual emoluments and board money, all of which I granted. But in regard to a third request for toll exemption for three vessels which he claims belong to the retinue of the embassy, I had him told that I could not make a declaration on this matter before the cargoes were inspected by the farmer, and to me nothing had appeared of his claim in the letter from the King and councilors, except that the toll to which traders are subject had to be paid by everyone. 219 460 From Macasser the 14 June 1773. From Macasser the 14 June 1773. On the other hand, I consented to the request of the Ternatean Lieutenant of the Malays, Abdul Malik, mentioned under the 13th of this month, to be permitted to return thither by the sloop of the Chinese Quei Fjanko, which was condemned here. Towards noon, one of the two claimants to that regency, by name Daeng Todjeeng, arrived here from Bira. In the afternoon, I sent the ordinary emissary Niga both to the King of Goah and to the Queen of Tello, ostensibly while inquiring after their well-being, to ascertain whether the latter had really departed for Barro and Sedeenring and for what reasons. The former of these I found verified upon his return, and that the reason thereof was to attend the circumcision of a son of Craleng Barro, for which reason her son-in-law, the Datu of Sedeenring, had sent for her. The assistant interpreter Blij, having been ordered by me to make further inquiries regarding the difference that was said to have arisen between the aforementioned Queen and the King of Goah, came towards evening to inform me how he had been informed by the interpreter of the former, by name Carre Mangazi, that some time ago, two glarrangs or village heads having defected from Goah to Tello and another two from Tello to Goah, both Their Highnesses had decided to have this dispute investigated by the usual judges /: Pabitgaras :/ in order to be settled amicably, without the outcome thereof being known to him, the interpreter. He also reported that it was true that the King of Goah had caused not merely one, but even two dwellings of the Anaron Goeroe of Thaing to be torn down on the pretext that the latter had refused to repair the King's house, who nevertheless maintained the contrary, so that he had assured him, the interpreter, who had been expressly dispatched thither by his mistress, of this; and that having reported this latter circumstance and the probable innocence of the aforementioned Anaron Goeroe to the Queen, Her Highness had replied to him: "This fate is allotted to us."

Dutch transcription

217 458 woensdag den 18. inkomende regten die algemeen sijn waar op Blij mij tot rapport bragt dat sijn hoogheijt mij voor de ondre tot de te rug gave die hij betuijgd hadde rees geschied te weesen liet bedanken met bijvoeging nogthans dat sijn hoogheijt niet wist dat gesanten ooijt bevoorens tot betaald hadden, Dingsdag den 17. wierd mij door den ondertolk blij ter kennisse gebragt hoe hij van seekeren Macassaar dan mandjarehie die nu en dan als zendeling word gebruijkt vernomen hadde dat den ko„ „ning van goak met de voornaamste sijner hof grooten in onmin soude weesen geraakt sonder dat den selven iets no„ „pens doorsaak hadde willen ontdeeken onder verklaaring dat hij daar toete bevreest was schoon hij er hadde bij gevoegd dat het niet lang soude aanloopen op omen soude en mij Kennisse van geeven ook hadde gem: Dam Mandjarictie hem blijmit gelijks ge„ „communiceert dat de koninginne van Tello sig in stille mnaar barro en van daar na sedeenring hadde begeeven uit miswegen over den koning van goah ter saeke dien vorst het huijs van haeren Anaron goeroe op Thaing soude hebben doen ruimeeren uit hoofde deese geweijgert hadde het dak van s' konings wooning Is niets gepasseerd De geweesen koning van Tambora na voor af versogt Donderdag „ 19 alles bij mij verscheenen eenlijk permissie versogt hebbende om een vaartuijg na d'overwal te senden ten eijnde eenige uitslaande penningen in te vorderen en kleenigheeden in te hoopen mitsgaders ten dien eijnde een passe te mogen er„ „langen en het een en ander door mij toegestaan sijnde met belofte te pas te sullen verleenen als het vaartuijg in gereedheijd sal sijn is den selven vervolgens vertrocken. vervolgens liet den eersten gesant van bouton omij ver„ „soeken om permissie ten eijnde een visite af te leggen bij den koning van bonij en voorts om de gewoone emolumenten en kostgelden welk een en ander g'accordeert hebbe dog ten aansien van een derde versoek om tot vrijheijd van drie vaartuijgen die hij voorgeeft tot het gevolg der ambassa„ „de te gehooren deed ik hem zeggen dat ik mij daar op niet verklaeren konde voor en al een de ladingen door den te koomen herstellen sonder dat haar alvoorens van die weijgering die gem: Androngoeroe ook volstrekt ontkende de minste Communicatie gegeeven was, pagter 219 460 Van Macasser den 14 Iunij 1773. van Macasser den 14. Iuny 1773. sagter beschouwd aan mij van sijn voorgeeven in den brief van den koning en rijksgrooten niets gebleeken was behalven dat den tot die de handelaars subject sijn door een ieder moeste betaald worden daar en tegen hebbe ik geconsenteerd in 't versoek van den ternaats luijtenant der Maleijers Abdul Malik vermeld sub 13. deeser om perdehier vervalle chialoup van den chinees quei Fjanko weder na derwaarts te mogen keeren teegen den middag arriveerde alhier van bira eender twee pretendenten tot dat regentschap met naem Daang Todjeeng s nademiddags hebbe ik den ordinair sendeling Niga so wel na den koning van goah als de koninginne van Tello„ gesonden om quasi onder informatie naar derselver welstand te verneemen of de laest gemelde werkelijk naar borra en de„ deenring mogte vertrocken weesen en om welke redenen welk eerste ik bij sijne te rug komst bewaarheijd vond en dat d'oorsakke van dien was om de besuijdenisse van een soon van Craleng barro bij te woonen om welke reden haar schoon zoon den datoe van sedeenring haar hadde doen afhaalen Den ondertolk blij door mij gelaast om eens nader in for„ „matie te doen ten opsigte van het verschil dat en tusschen gemelde koninginne en den koning van goah soude gereesen weesen kwam mij teegens den avond kennisse geeven hoe hem door den telk van d'eerstgem: in name Carre Mangazi berigt was dat er voor eenigen tijd twee glarrangs of dorps hoofden van goah na tello en weder twee andere van tello naar goah overgeloopen sijnde beide haar hoogheden hadde beslooten dit geschil door de gewoone regtens /: Pabitgaras:/ te doen ondersoeken om in der ommine bij gelegt te worden sonder dat hem tolk d'uitslag daar van bekend was dat het waar was dat de koning van goah niet slegts een omaar selfs twee wooningen van den Androngoeroe van Thaing hadde doen om verre haelen op voorgeeven deese soude geweijgert hebben 'skonings huis te repareeren die nogthans het tegendeel beweerde invoegen den selven sulks aan hem tolk als derwaarts efpres door sijn meesteres afgevaardigt verseekert hadde dat hij van dit laetste en de waarschijnlijke onschuld van voorm: Androngoeroe aan de koningin rapport gedaan hebbende haar hoogheijt hem hadde toegevoegd„ dit lot is ons beschooren den

NL-HaNA_1.04.02_3389_0410 view scan ↗

English

221. 462 from Macasser the 14th of Junij 1773 and we must console ourselves therein. Friday the 20th, the Jennangs of Bonthain and Tompo Boeloe arrived here from the southern provinces with their annual tribute. In the morning, having gone to the Castle to inspect the Bouton slaves brought here in order to reject those who might not be acceptable, thirteen were rejected as entirely undeliverable after reciprocal discussions with the envoys who had also appeared at the Castle and strongly urged their acceptance, because they were partly afflicted with incurable diseases and partly much too young. Saturday the 21st. The King of Goah having requested an audience for the coming week, both for himself and some of his grandees, to announce the approaching Mahometan fast, as did the Queen of Tanette, I granted this to both, setting the former for next Tuesday and the latter on the day before. Sunday the 22nd, several Pangerangs and Glarrangs from the province of Bira arrived here, having in their company the fellow claimant to the vacant Regency, Mirie alias Daeeng Salatang, who informed me of their arrival and also that the Glarrangs of Tanna Beroe and Lemo Lemo were likewise expected shortly. The Queen of Tanette having appeared before me this morning in accordance with the audience granted to her, I found the purpose of her coming to consist of a request to have a further inquiry and ruling made concerning certain disputed paddy fields in the northern province, situated specifically at Camarjang, as well as over some peoples found among the Company's subjects around the negorij Marrang at Sagerie, to which she maintains a claim, which however has already been contested against her several times, not so much on the grounds that one could fully demonstrate to her the injustice of it all, as that is doubtful, but rather that the investigation itself would be far too difficult and, whatever the outcome might be, would have very detrimental consequences through a division of lands and households that have remained with and under each other since time immemorial, falling under the Company. I therefore had the Queen informed that I was willing to consent to her request so far from Macasser the 14th of Junij 1773 as 223 464 from Macasser the 14th of Junij 1773 to send her Captain Daeng Mazihie or someone else to the north in order to conduct the desired investigation with the chief interpreter stationed there and bring an end to the matter; but her further request to be allowed to go there in person was dissuaded by me in friendly terms as unadvisable, so that she then embraced my proposal and that for this reason she would dispatch someone to the north with her claims in writing, whereupon I promised her to include a letter for the chief interpreter instructing him with what is necessary. Tuesday the 24th. The King of Goah, together with most of his realm's grandees, paid a visit to me today and, after the communication of the upcoming fast, the sole purpose of their coming, having been regaled in a friendly manner with some refreshments, they departed towards midday very contentedly for home. In the afternoon, the regents of the southern provinces Lemo Lemo and Tana Beroe arrived here with their usual annual tribute. Thursday the 26th. Nothing occurred. Sunday the 29th. The King of Goah, while inquiring after my well-being, requested permission for a pass to send a vessel to Sumbauwa to purchase some curiosities, to which I consented and therefore had the requested pass issued. Furthermore, an emissary having been sent to me by the Queen of Tanette to communicate that she intended to dispatch her Captain Daeng Mazikie and Androngoeroe La Oepa to Maros in order to conduct an investigation with the chief interpreter Brugman regarding the disputed paddy fields and peoples mentioned under yesterday's date, I had her answered that I would send her the letter addressed to the said Brugman for that purpose, so that following upon this on Wednesday the 25th, her said deputies subsequently departed in the evening, while the present regents of Saleijer visited me to take their leave, who likewise undertook their return journey thither in the evening. From Macasser the 14th of Junij 1773 Furthermore Tuesday

Dutch transcription

221. 462 van Macasser den 14. Junij 1773 „en daar in moeten w' ons getroosten vrijdag den 20. arriveerde alhier van de zuijder provintien de Jennangs van bonthain en Tompo boeloe met hun jaarlijks tribut s voor de middags mij naar t Casteel begeeven hebbende ter besigting van de alhier aangebragte boutonse slaev en ten eijnde de sodanige uit te schieten welke niet acceptabel mogten weesen wierden er na over en weeder spreekend met de almeede in 't Casteel verscheenen gesanten die sterk op d'ac„ ceptatie aandrongen dertien als volstrekt on leeverbaar uit„ geschooten wijl deels met ongeneeslijke ziehitens behebt en deels veel te jong waaren Zaturdag „ 21. Dekoning van goah voor hem selve en eeniger zijne grooten so wel tegen d'aanstaande week om acces hebbende doen vragen ter bekendmaking van de ophanden zijnde Maho„ metaanse vasten als de koninginne van tanette hebbe ik sulks aanbeide g'accordeert en het eerste tegen aanstaande dingsdag mitsgaders het laatste op den dag bevoorens bepaald zondag „ 22 arriveerde alhier verscheijde Pangerangs en glarrangs van de provintie bira in hun geselschap hebbende den meede opretendent tot het vacante Regentschap Mirie alias Daeeng Salatang die mij van hunne komst so wel deeden kennisse geeven als dat de glarrangs van Tanna beroe en lemr Lemo eerstdaegs meede verwagt wierden, De koninginne van Tanette conform het haar g'accordeert acces desen voor de middag bij mij verscheenen sijnde bevond ik het oogmerk haerer komste te bestaan in een versoek om nader enqueste en uitspraak te laeten doen over zeeker questi„ euse padij velden in de woorder provintie en wel te Camarjang gelegen so meede over eenige onder sComp: onderdaenen te vindene volkeren om de onegorij Marrang op Sagerie waar op sij pretensie sustineert dog 't welk haar bereeds meermalen tegen gesprooken is niet so seer op fundament dat men haar d'onbillykheijd van het een en ander volko„ „men soude kunnen aantoonen also sulks twijffelagtig is als wel dat het ondersoek selve veel te moeijelijk en bij uitslag aan wat zijde sulks mogte komen te vallen van seer nadeelige gevolgen soude weesen door een verdeeling van Landen en huisgesinnen die zedert een onheuglijke tijd onder en bij den anderen gebleeven sijnde onder de Comp: sorteeren Ik liet de koning in dierhalven seggen dat ik in so verre van Macasser den 14. Junij 1773 Daveng wel 223 464 van Macasser den 14. Junij 1773 wel in haar versoek consenteeren wilde om haar Capitain danig Mazihie of wel iemand anders ona de noord te senden ten eijnde met den oppertolk die sig daar bevind het begeerde ondersoek te doen en een eijnde van de saak te maeken dog haar verder versoek om liever in persoon sig der„ waarts te mogen begeeven wierd door mij als ongeraeden om vriendelijke termen ontlegt invoegen sij dan mijne propositie amplecteerde en dat z uijt dien hoofde iemand met haare pretensien ingeschrifte naar de noord soude afvaardigen waar bij ik haar beloofde een briefje voor den oppertolk te sullen meede geeven om hem het nodige te gelasten Dingsdag den 24. De koning van goah nevens de meeste zijner rijksgrooten heden bij mij ter visite geweest en na de Communicatie van d'aanstaande vasten het eenig oogmerk hunner komste vriende„ lijk op eenige versnaperingen gereguleerd sijnde vertrocken deselve tegen den middag seer vergenoegd naar huijs snademiddags arriveerden alhier met hun gewoon Jaar„ lyks tribut de regenten van de suijder provintien Lano Lemo en Tana Beroe „Donderdag „ 26 viel niets voor „zondag „ 29. Liet de koning van goak onder in formatie naar mijn welstand mitij Maandag „ 30. . permissie een pas versoeken om een vaartuijg na sumbauwa te senden ter inkoop van eenige ke eenigheeden waar in geconsenteerd hebbe en dierhalven de versogte pas doen afgeeven Voorts door de koningine van Tamette en sendeling aan mij gesonden sijnde ter Communicatie dat ze voorneemens was haeren Capitain Danig Mazikie en Androngoeroe La oepa na Maros te depecheeren ten eijnde met den oppertolk brugman ondersoek te doen wegens de questiceule padij velden en volkeren vermeld onder dato gisteren so hebbe ik haar ten antwoord doen geeven dat ik het ten dien eijnde gerigte briefje aan gemelde Brugman haar soude toesenden in voegen sulks op gevolg genomen hebbende sijn gemelde haare gecommit„ wonsdag den 25. „teerdens vervolgens s avonds vertrocken, jntusschen dat d'aanweesende regenten van saleijer bij mij sijn geweest om afscheijd te neemen die insgelijks des avonds de te rug reijse derwaarts hebben aangenoomen Van Macasser den 14 Iunij 1773 voorts dingsdag

NL-HaNA_1.04.02_3389_0412 view scan ↗

English

from Macasser the 14th of June 1773 Monday the 7th Tuesday the 8th From Tuesday the 1st until Saturday the 5th of December nothing happened Sunday the 6th: The head of the province of glissong arrived here, who, being brought before me by the junior interpreter volij, made known that certain Macassars of Sandra bonij, under the leadership of a certain daeeng Aseeng, on the 29th of the past month, had robbed ten buffalo beasts by force from the Company's subjects and carried them off, of which, however, five had been overtaken and brought back by the owners, which the aforementioned daeeng Asieng, under pretext of ignorance, had not been willing to restore, on account of which he, craeeng glissong, requested my protection. Upon this, I immediately sent the junior interpreter Israel Pietersz to craeeng sandra bonij in order not only to lodge a complaint about that violence committed and also to demand back the remaining five beasts, but also to ask for satisfaction, with orders to make known to him that he ought to know to whom he had to address himself in case his people believed they had any claim against the Company's subjects. Nothing happened. from Macasser the 14th of June 1773 The junior interpreter Pietersz, having returned from sandra bonij, Wednesday the 9th brought me report that the craeeng had declared not only to be innocent of the violence committed by daeeng Aseeng, much less that such had occurred with his prior knowledge, but that he, being a bad subject, did not even want to protect him or concern himself with him; that, however, in the statement by those of glissong, the truth had been partly spared, because although ten beasts had indeed been robbed, five of them had been returned out of his own accord, and the remainder had belonged not to this one or that one, but to a certain carre Lewa, who, being a slave of Daeeng Aseeng, having become his property through the decease of his former master Craeeng Banjoe Anjara, had refused to do service, whereby the latter had taken the law into his own hands by carrying off the aforementioned five beasts, which he had already sold and had since departed for Touratte, where he now made his abode; on account of all of which Craeeng Sandra bonij requested me not to impute the blame for what had happened to him, the less so as it was not customary to compel anyone among the subjects 225 468 to compel From Thursday the 10th until Sunday the 13th 227 470 from Macasser the 14th of June 1773 to compel them to take legal proceedings against one of their slaves, and that he therefore had not been able to oppose the doing of daeeng Aseeng regarding carre Lewa or force him to return the aforementioned beasts, adding further that he would undertake nothing that could cause me displeasure for the future. Nothing occurred. Monday the 14th: The Pangerangs and glaurangs of bira who had come up, together with the regents of Tanna beroe and limo Lemo belonging under that company, as well as the deputy of bonto tanga, having been granted an appointment and having appeared before me today, and having been asked whom they held to be the closest and most capable for the regency out of the two pretenders Daaeng Salatang and daeeng sodjing, they all declared themselves in favor of the first-mentioned, with the added emphatic insistence that the same might be chosen for it; which having been promised to them by me, they expressed their humble thanks for it, as did the aforementioned Daeeng salatang himself, with the assurance that he would never fail to show his gratitude for it. Wednesday the 16th nothing occurred. The king of bonij, through his interpreter Moentoe, had inquiries made after my Thursday the 17th well-being and at the same time gave notice of his intention to move into his new dwelling today; for all of which I had His Highness thanked, with the assurance that he would show this by demonstrating fidelity to the Company and by promoting to the utmost of his ability the welfare of land and peoples, both of which belonged to Their Excellencies. In the afternoon there arrived here the deputy of Tiro, together with the provisional regents of wero Lange Lange and likewise those of grassing with their ordinary tribute, the first stating that his craeeng or Lord, prevented by illness, could not come up in person. Notwithstanding the illness of Craceng Tiro alleged yesterday, it was reported to me by the junior interpreter vlij that the same had likewise appeared very late in the company of his newly wedded son-in-law latila, in order, as the aforementioned vlij had learned, to come and excuse himself before me regarding the aforementioned marriage, to avoid displeasure and correction. from Macasser the 14th of June 1773 addition to

Dutch transcription

van Macasser den 14. Junij 1773 Maandag „ 7. Dingsdag „ 8. Dingsdag den 1. tot Saturdag „ 5:e December vsrniets gepasseerd Zondag „ 6: Arriveerde alhier het hoofd van de provintie glissong die door den ondertolk volij bij mij gebragt te kennen gaf dat eenige Macassaeren van Sandra bonij onder aanvoering van seekeren daeeng Aseeng op den 29 der gepasseerde maand met geweld van sComp: onderdaenen tien buffel beesten geroofd en weg gevoerd hadden waar van er nogthans door d'eijge„ „naeren vijf agterhaald en te rug gebragt waaren die den gem: daeeng Asieng onder voorgeeven van ignorantie niet hadde willen restitueeren alwaar omme hij cracong glissong mijne protectie versogt. Jk hebbe hier op aanstonds den ondertolk Israel Pietersz naar craeeng sandra bonij gesonden ten eijnde niet alleen over dat gepleegd geweld te doleeren en de overige vijf besten meede te rug te vorderen maar ook satisfactie te vragen met ordre om hem te kennen te geeven dat hij behoorde te weeten aanwien sig hadde taderesseeren ingevalle de zijne op sComp:s onderdoenen eenig pretensie vermeenden te hebben isoniets gepasseerd. van Macasser den 14. Iunij 173 Den ondertolk Pietersz van sandra bonij te rug gekomen Woensdag den 9:' bragt mij berigt dat den craeeng betuijgd hadde niet alleen ontschuldig te weesen aan het gepleegd geweld door dateng Aseeng veel min dat sulks met sijne voorkiennisse soude weesen geschied maar dat hij den selven als een slegt subject sijnde selfs niet wilde protegeeren of ig met hem bemoeijen Dat nog„ „thans in d'opgave door die van glisseng gedeetelijk de waarheijd gespaard was vermits of schoon er weesentlijk tien beesten gerooft waaren daar van vijf uit eijgen motief waaren weeder gegeeven dat de overige niet aan deese of geenen maar aan sekeren carre Lewa hadden toegehoord die een slaap wee„ sende van Daeeng Aseeng als door versterf van desselfs voorigen lijfheer Craeeng Banjoe Anjara hem eijgen geworden ge„ weijgert hadde dienst te doen waar door deese sig selfs regt betorgt hadde door het weg haelen der gem: vijf besten die hij ook reets verkogt en zedert sig naar Touratte begeeven had„ dde alwaar hij meet zijn verblijx hield uit hoofde van al't welke Craeeng Sandra bonij mij liet versoeken hem de schuld van 't gepasseerde niet 't inputeeren te minder het geen gebruik was om iemand der onderdaanen te 225 468 noodsaeken Donderdag den 10: tot Zondag „ 13 227. 470 van Macasser den 14 Junij 1773 noodsaeken tegen een hunner slaeven te procedeeren en dat hij sig dus tegen het gedoente van daeeng Aseeng omtrend carre Lewa niet hadde kunnen versetten of hem tot de te rug gave van de meergem: beesten dwingen niet bij„ voeging voor 't verdere dat hij niets soude onderneemen dat mij voor t vervolg ongenoegen konde geeven, niets voorgevallen Maandag „ 14. De opgekomene Pangerangs en glaurangs van bira nevens d'onder dat vendel gehoorende regenten van Tanna beroe en limo Lemo mitsgaders den steedehouder van bonto tanga heden bij mij g'appoincteert en verscheenen afgevraegd hebbende wie z voor de naaste en bequaamste hielden tot 't regentschap uit de beide pretendenten Daaeng Salatang en daeeng sodjing do verklaarden ze zig alle voor den eerstgemelden met bij gevoegde nadruckelijke instantie dat den selven daar toe mogte worden verkooren 't geen ik haar beloofd hebbende betuijgde zij daar voor te wel otmoedig dank als gemelde Paieng salatang selve met vertekering dat hij nimmer soude nalaeten sijne erkientenisse daar voor woonsdag „ 16. viel niets voor liet den koning van bonij door lijnen tolk Moentoe naar mij Dondendag „ 17. „ne welstand informeeren en teffens kennisse geeven van desselfs voornemen om heden sijn nieuwe wooning te gaan betrecken voor welk een en ander ik sijn hoogheijd doen bedanken met te doen blijken door getrouwheijd te betoonen aan de Comp: en 't welweesen van land en volkeren, die beide aan Haar Edele toe„ behoorden, na uijterste vermogen te betragten Snademiddags arriveerden alhier de stede houder van Tiro nevens de provisioneele regenten van wero Lange Lange en so meede die van grassing met hun ordinair tribut gevende den eersten voor dat sijn eraeeng of Heer door ziekte belet in persoon niet konde op komen, Niet jegenstaande de opgisteren voorgevende ziehte van Dingsdag den 15. Craceng Tiro wierd mij door de ondertolk vlij gerap„ „porteert dat den selven insgelijks seer laat verscheenen was in geselschap van sijn Iongst aangehuwde soon latila ten eijnde so gem vlij vernomen hadde sig bij mij te komen ver„ schoonen wegens het gem: huwelijk ter ontwijking van mis„ noegen en correctie van Macasser den 14 Iunij 1773 byvoeging te

NL-HaNA_1.04.02_3389_0414 view scan ↗

English

Saturday. From Macasser the 14th of June 1773. Adding that I had already found myself bedridden for fourteen days, and very ill and weak. Likewise, the first envoy of Bouton sent to inquire after my health and to request permission to be allowed to pay a visit to the prince of Bonij in order to congratulate His Highness on moving into his new residence, to which I consented. Friday the 18th. I had the king of Bonij congratulated in appropriate terms by the assistant interpreter Pietersze on moving into his new residence, who kindly had me thanked for it. Furthermore, I confirmed the provisional regents of Lange Lange and Wero as such, and permitted them to return to their place of residence. Towards noon, the king of Goak sent his interpreter Boara to inquire after my health and to request some trifles, which I ordered to be delivered. Saturday the 26th. In these days nothing else occurred that deserves note, except that on the 28th the king of Goak communicated to me the decease of one of his daughters, who was married to a son of the Tomilalang, over which casualty I had His Highness condoled. I sent the assistant interpreter Pietersz to the king of Bonij and the emissary Niga to the court of Goak to request access for tomorrow for the ordinary deputies to offer the customary Puasa gifts, which was granted. The merchant Voll and junior merchant Monsieur, the latter on account of the illness of the fiscal Rahiel, proceeded to the court of Bonij, and junior merchant Craane and bookkeeper Bremen to Goak, to present the Puasa gifts, who upon their return reported to me the acceptance thereof and the thanksgiving expressed for them. The chief interpreter Brugman has also returned from Maros in the company of the resident Van Rossum, who came to inform me of the outcome of their commission to investigate and settle these and other disputes between some of the Company's subjects on the one hand and various Bonians, Tanetteans, and Macassars on the other, containing the final settlement of many questions to mutual satisfaction, but that others concerning paddy fields, with which a beginning of plowing had already been made, had to remain postponed until a further opportunity, while all the claims of the queen of Tanette, being either entirely groundless or, due to antiquity, no longer traceable to their true origin, had been entirely rejected, and particularly because of the evil consequences that were to be expected therefrom, as they found to be in conformity with what I had written to Brugman and the chiefs had jointly testified. In contrast to this, they further brought to my knowledge how the Lomo of Maros, having made his complaint to them about the Mattoa Data, who was said to have taken about one hundred paddy fields from him, had summoned the latter before them and ordered the restitution thereof as actually belonging to the Company's subjects, but that he had refused this under the pretext of having orders from the Regent of the realm to plow them. And finally, that a certain Craceng Boengoro at Siang had requested to be put in possession of two paddy fields that had long ago been assigned to him by the deceased interpreter Bantels and the Tomilalang of Bonij, but had not been surrendered by the Mattoa Waga, who had them plowed, as the same, although ordered anew to do so, absolutely continued to refuse restitution, declaring he would not do so before and until he might receive a direct order for it from the king of Bonij. Tuesday the 29th. Nothing occurred. Wednesday the 30th. I sent the chief interpreter Brugman to the king of Bonij in order to inform His Highness of the refusal made by Mattoa Waga to surrender two paddy fields at Siang, of which mention was made under date of the 28th instant, with a request to His Highness to give orders thereto, with further instructions to Brugman to also make that same request to the Regent of the realm concerning the paddy fields that Mattoa Data had unlawfully appropriated, to the number of about one hundred pieces. Thursday the 31st. Brugman, returning, brought me report that the ambassadors of Bouton, having asked me for permission to pay another visit to the king of Bonij in order to congratulate His Highness on the ended Mohammedan fast, this was granted by me.

Dutch transcription

229 472 Zaturdag„ van Macasser den 14. Junij 1773 bij voeging dat ik mij bereets veertien dagen bedlegerig en zeer zieken swak bevond. Insgelijks liet den eersten gesant van bouton maar mijne ge„ zondheijd vragen en permissie versoeken om een visite aan bonijs vorst te mogen gaan afleggen om sijn hoogheijd met den intrek in desselfs nieuwe wooning te vergelucken waar vrijdag den 18. Hebbe ik den koning van bonij over sijn intrek in deselfs nieuwe wooning door den ondertolk Pietersze ingepaste ter„ „men doen feliciteeren die mij daar voor vriendelijk heeft laeten bedaenken voorts hebbe ik de provisioneele regenten van lange lange en wero als sodanig bevestigt en gepermitteerd naar hun woonplaats te rug te keeren, Tegen den middag sond den koning van goat sijnen tolk boara om na mijne gesondheid te vragen en om eenige kleenig„ heden te versoeken die ik hebbe doen afgeeven Zatusdag „ 26 in deese dagen is niet anders voorgevallen dat aantekening vern diend dat dat den koning van goak mij op den 28 ded Communiseren het overlijden van een sijner dogters die met een soon van den tomilalang getrouwd is over welk sterf geval ik sijn Hoog„ heijd hebbe doen condoleeren, Hebbe ik den ondertolk Pietersz naar den koning van bonijen den zendeling Niga naar het Htof van goak gesonden om acces te„ „gen morgen te vragen voor de ordinaire gecommitteerdens ter aanbieding van de gewoone ponassa geschenkien t welk g'ac„ condeert is begaven sig de coopman voll en ondercoopman Monsieur de laatste mits de ziekte van den fiscaal Rahiel na t Hofd van bonij end' onderkoopman Craane en Boekhouder Bremen naar goak ter aanbieding van de Pouassa geschinken die mij bij te rug komst van de acceptatie derselve en daar voor betuijgd dank zegging rapport bragten, 11 ook is van Maros gereventeerd den oppertolk vrugman ingesel„ schap van den resident van rossum die mij van den uitslag hunner commissie tet ondersoek en afdtoening van deese en geene geschillen tusschen eenige van sComp: onderdaenen ter eene en diverse boniens Tanittresen en Macassaren ter ander lijde quamen konnisse geeven houdende de finaale afdoening van veele questien tot woederzijds van Macasser den 14 Iunij 1773. het genoegen in geconsenteerd hebbe 19 tot Van Maccasser Den 14 Iunij A„o 173 — 931 474 van Macasser den 14 Junij 1773 genoegen dog dat anderen over Padij velden waar meede reets een begin tot geloegen gemaakt was tot nader gelegentheijd hadden moeten blijven uitgesteld terwijl alle de pretensien van de koninginne van Tanette of van alle grond ontbloot of door ouderdom niet meer„ der in sijn waare oorspronk op te speuren sijnde geheel afgeweek waeren en wel insonderheijd om de quaede gevolgen die daar uit soude te wagten fijn so als z conform met het door mij aan Brugman geschreevene bevonden en de hoofden gesae„ „mentlijk betuijgd hadden, waar en tegen sij mij mog ter kennisse bragten hoe den Lomo van Maros zijn beklag aan haar gedaan hebbende over den Mattoca Data die hem omtrend honderd Padij velden soude hebben afgenomen bij deese wel bij sig ontboden en de restitutie derselve als werkelijk s Comp: onderdaenen behoorende g'ou„ donneerd dog den selven sulks geweijgert hadde onder voorgeeven tot het beploegen derselver ordre van den Rijks bestiender te hebben en Eijndelijk dat eenen Craceng Boengoro op Siangalmado versogt hadde om in't besit van twee Padij velden te worden gesteld die hem voorlange door den overleeden tolk bantels Dingsdag den 29 viel niets voor Woensdag „ 30. Hebbe ik den oppertolk brugman na den koning van bonij ge„ Donderdag „ 31. sonden ten eijnde sijn Hoogheijt van de gedaane weijgering tot overgavo„ van twe padij velden op siang door Mattoa waga waar van onder dato 28. deeser is mentie gemaakt kennisse te geeven met versoek aan sijn Hoogheijt om daar toe ordre te stellen met verdere last aan Brugman om ook dat selve versoek te doen aan den rijkisbestien„ der nopens de padij velden die mattea data onwetigt genaast hadde ten getalle van circa Een Honderd stuks Brugman te rug komende bragt mij tot bericht dat den koning en den Tomilalang van bonij toegeweesen dog door den Mattca wage die se deed beploegen niet overgegeeven waaren als denselven schoon daar toe op nieuw gelast de restitutie volstrekt bleef weijgeren met betuijging sulks niet te sullen doen voor en al eer daar toe direct bevelmogte krijgen van den koning van bonij d'ambassadeurs van bouton mij permissie hebbende doen vra„ „gen om wede een visite af te leggen bij den koning van bonij ten eijnde sijn hoogheijt met de geijndigde Mahometaanse vasten te vergelucken is sulks door mij g'accordeert en kan

NL-HaNA_1.04.02_3389_0416 view scan ↗

English

235 4788 From Maccasser, the 14th of Iunij 1773. From Maccasser, the 14th of Iunij 1773. Friday the 1st until Monday, 4. Having referred him to the regent of the realm with regard to the inspection of the two paddy fields, conveying that since this matter had been settled or pronounced upon it should also take such effect, he went to that minister of state and discussed this as well as the remaining fields with him, and the latter accepted this and promised to make the necessary arrangements for the one and the other as soon as possible. Furthermore, the kings of bonij and goak had inquiries made after my well-being through their interpreters Moentoe and boura, and also offered some small items as New Year's gifts according to custom, for which I had them thanked with an appropriate compliment. Sunday, 3. Januarij 1773. Nothing occurred worthy of note. The first envoy of bouton had inquiries made after my health and also asked for an audience at such day and hour as would please me; having had him thanked for the former, the latter was postponed by me until such time as I should find myself on the mend, as I am not yet in a state to receive him owing to my severe illness and weakness. Until Thursday the 7th. Nothing happened. The king of bonij, having inquiries made after my well-being through his interpreter Moentoe, and also requesting to have access in the next few days even if only for half an hour, Tuesday the 5th. In the meeting of the council held today at my house, Miedrie or dateng salatang having been appointed regent or Craaeng of the province of bira, the oath of fidelity was simultaneously taken by him according to the usual custom. Wednesday, 6. The Regent of bira, Craaeng Salatang, appointed the day before yesterday, having appeared before me today together with the present Pangerangs and glarrangs in order to express their gratitude for this, which was answered by me in appropriate terms, they jointly requested that certain two subjects named Tobarang and totginde, being turbulent and restless individuals, might be detained here or else forbidden to return thither and make their residence there; which I granted, and having on that account ordered the head interpreter to notify them of this and to keep watch therein, they departed after taking their leave in order to return home tomorrow. Saturday, 9. 235 480 From Maccassar, the 14th of Iunij 1773. From Maccasser, the 14th of Iunij 1773. I had His Highness thanked for the former, and let it be known that, however much I myself longed to see His Highness, I nevertheless still find myself unable to receive him due to continuous weakness, but that as soon as it should be possible for me I would send word thereof. Monday the 11th. The Poenlipoe E or Datoe of Soping, having sent Mappa, one of his Pabitjara or councilors of state, named Poeanna sboeba, hither to deliver a message to me, and the latter having been brought inside by the under-interpreter, made known in his master's name: How, having constantly complied with the advice and admonitions formerly given to him by Governor Boelen to keep quiet in the many unpleasant encounters inflicted on him by various persons, he also did not wish to be the first to use violence, nor even to take revenge over the wrong newly received, but had thought it best to inform me thereof, requesting my assistance: That his master, having sent a slave hither in a small vessel for sale a few days ago, on the occasion that the said vessel had anchored at balang, the Boniese Prince Daring Mandgaroengie together with one of his brother's sons, soeroe, had not only had the boldness to wrench the said slave from the crew, but also to take away three muskets and some assegais as well as their sidearms from them; all of which was said to have been handed over by them to the son of the king of bonij, Datoe bariigang, at least as Datoe soping had been informed. That in addition, likewise a few days ago, eight of his best horses, which had been grazing there, had been stolen or rather robbed by some Boniese of the negorijs kaloekoe barrang and bengo. I had that messenger answered that, not being unaware of what his master had transacted with Mr. Boelen, I rested assured that he would not have found it to his disadvantage thus far to adhere to the advice given to him by His Honour. That I regarded the communication of the occurrences that recently befell him both as a consequence thereof and as a proof of the trust that he also came to place in me; that

Dutch transcription

235 4788 Van Maccasser Den 14. ' Iunij 1773. — Van Maccasser Den 14. Iunij 1773— vrijdag den 1: tot Maandag, 4. hem ten aansien van de twee padij velden opsiang na den rijks„ bestierden overgeweesen hebbende onder te kennen gave dat deese zaak afgedaan of uitgesprooken zijnde ook sodanig gevolg behoorde te neemen hij sig bij dien staels minister begeeven en denselven daar over so wel als de overige velden onderhouden en deese aangenoomen en belooft hadde tot het een en ander ten spoedigsten de nodige ordre te sullen stellen, voorts lieten de koningen van bonij en goak door hunne tolken Moentoe en boura naar mijne welstand informeeren en teffens naar het gebruijk eenige kleenigheeden aanbieden tot nieuwjaars geschenken waar voor onder een gepast Compliment hebbe doen bedanken Zondag „ 3. Januarij 173. Niets voorgevallen dat aanteekening verdiend Liet den Eerste gesant van bouton naar mijne gesondheijd en teffens om alles vragen tegen sodanige dagen uur als mij soude be„ haegen voor't eerste hebbende doen bedanken wierd het laatste door mij verschoven tot lijden wijle mij aan de beter hand soude bevinden als niet in staat weesende hem als nog t ontvangen mits mijne heerige ziekte en Swakbeid tot Donderdag den 7. niets gepasseerd Moentoe Den koning van bonij door sijnen tolk, Vaar mijne welstand doende informeeren en teffens versoeken om eerstdaegs al was Zaturdag „ 9 In de heden ten mijnen huijt gehouden vergadeing van Sola Dingedag den 5. „tie tot regent of Craaeng van de provintie bira aangesteld sijnde Mie„ drie of dateng salatang so wierd door den selven te gelijk den Eed van getrouwigheijt afgelegt na 't gewoone gebruijk d' opgisteren aangestelde Regent van bira Cracang Salatang woensdag „ 6. heden nevens de aanweesende Pangerangs en glarrangs bij mij verscheenen sijnde ten eijnde daar voor hunne dank betuij„ „ging af te leggen 't geen door mij in gepaste termen wierd beant„ woord versogten se gesamentlijk dat seekere twee onderdaenen met naemen Tobarang en totginde als woelagtige en onrus„ „tige Subjecten alhier aangehouden of wel verboden mogte worden weder derwaarts te keeren en aldaar hun verblijf te houden 't geen ik g'accordeert en aan den oppertolk uit dien hoofde gor„ „donneert hebbende om haar sulks aan te kundigen en daar in opsigt te houden sijn deselve na genomen afscheijd vertrocken om opmorgen naar huis te keeren het 235 480 Van Maccassar Den 14 Iunij 1773 — Van Maccasser Den 14.:' Iunij 1773— het maar voor een half ur acces te mogen hebben liet ik sijn Hoogheijt voor't eerste bedanken en daar wij weeten dat hoe zeer ik zelf er na verlangde sijn Hoogheij te sien ik mij nogthans door aanhoudende zwakheijd voor als nog buiten staat bevind hem t ontfangen dog dat ik se spoedig mij sulks doenlijk soude weesen daar van kennisse soude laeten geeven Maandag den 11. Den Poenlipoe E of Datoe van Soping Mappa en zijner Pa„ bitjara of rijksraaden herwaarts gesonden hebbende met naeme Poeanna sboeba om een boodschap bij mij te doen en deese doorden ondertolk blij binnen gebragt sijnde gaaf, uit sijn smeesters naam te kennen Hoe den selven dig steeds gedraegen hebbende aan den raad ende vermaeningen hem wel eer door den Heer gouverneur Boelen gegeeven om sig in veele onaangenaame ontmoetingen hem door deese en geene aangedaan stil te houden hij ook als mude eerste niet wilde weesen om geweld te pleegen nog selfs revenge teneemen over het op nieuw ontfangen leed maar best gedagt hadde mij daar van te doen kennisse geeven met versoek om mijne adjude, Dat sijn meester voor weijnige daagen met een kleen vaartuijg een slaaf ter verkoop herwaarts gesonden hebbende ter geleegentheid dat gem: vaartuijg op balang aangegierd was den bonies Prins Da„ ring Mandgaroengie neevens een van sijn broeders zoonen soeroe niet alleen de stoutheijt hadden gebruijkt de gem: slaaf van d' opvaerende t' ontweldigen maar hun ook drie snaphaenen en eenige assegaijen so meede de heupgeweeren af te neemen welk een en ander door haer aan de soon des konings van bonij Datoe bariigang soude overgegeeven weesen ten minste so als men hem datoe soping g'informeerd hadde Dat daar en boven insgelijks voor eenige dagen geleeden door eenige boniers van de negorijen kaloekoe barrang en ben„ „go vien sijner beste agt paarden gestoolen of lieven gerooft waaren die deselve aldaar geslaagt hadden Ik deed dien zendeling daar op antwoorden dat ik niet onbewust van het geene sijn meester met den heer boelen ver„ handeld hadde mij verseekend hield dat den selven digook tot dus verre niet kenaelijk soude bevonden hebben met sig te houden aan den raad hem door sijn wel Edele gegeeven. Dat ik de communicatie van de voorvallen hem Jongst bejeegend so wel voor een gevolg van dien aanmerkte als tot een bewijs van het vertrouwen dat hij ook in mij quam dat te

NL-HaNA_1.04.02_3389_0418 view scan ↗

English

From Maccasser the 14th of June 1773 From Maccasser the 14 June 1773 237. 482 Tuesday the 12th. to set, and by reason of all this I would also not fail to support him with counsel and deed and to pursue everything possible for the best of his person, lands, and peoples, as well as to give immediate proof thereof in the present case if it appeared to me of such weight that it was worth causing a stir over; of which, however, I maintained the contrary, just as I held myself assured that his master and all the notables of the realm themselves would do when they came to consider the matter further and took into account that I would have to address myself on that account directly to the King of Bonij, whereby the estrangement between His Highness and Datoe Soping would undoubtedly become even greater and, far from being of any fruit, could drag other and more disadvantageous consequences after it, the more so since ignorance of one and the other could be pretended, because the Pabitjara, upon the question put by me to that end, had to testify himself that his master had learned of the alleged surrender of the aforementioned sleeping rifles by Daaeng Mandjaroongie to Datoe Baringang only by rumor, nothing occurred. To the end that the answer given by me the day before yesterday to the envoy of Datoe Soping should find as much acceptance as possible, I have today sent the chief interpreter Brugman to the Queen of Tanette and informed Her Highness of what had been treated with him, representing to her that it astonished me somewhat how her son, Datoe Soping, had sent me an express Pabitjara over such matters of the least importance, because it appeared to me therefrom that he did not come to prefer his own well-being and the peace of the country above a slight harm done to him by some subjects, had, and would not be able to point out the horse thieves. Charging therefore the repeatedly mentioned envoy to place all this before his master, and that, reassuring him once again of the Company's sincere goodwill toward his person, land, and subjects, as well as of my true friendship, I advised him to let the aforementioned occurrences also pass unnoticed, as they are indeed, as said, of too little concern for him to sacrifice the peace of Soping thereto and make many of the subjects unhappy. Wednesday the 13th. had of From Maccasser the 14 June 1773 From Maccasser the 14. June 1773 239 484 of the King of Bonij, undoubtedly done without His Highness's knowledge, at least without his foreknowledge; with the request, therefore, that Her Highness would cooperate with me to instill peaceful thoughts in him and, in conformity therewith, also to advise him to let what has passed take its course without making any further stir about it. In answer thereto, Brugman brought me word that the Queen had declared that she regarded the sending of an express by her son to inform me of what had passed as not well done on account of its slight importance, with the promise to let him know this as well as to comply with my further desire. Thursday the 14th. The Pabitjara of Datoe Soping, mentioned under the date of the 1st of this month, having appeared before me to inquire whether there might still be anything of my commands, and if not, that I would permit him to depart again, I granted the latter, with a reminder of my answer to his message and with the charge to greet his master on my behalf, whereupon he departed. On the other hand, there arrived here by a small vessel an envoy Friday the 15th. nothing occurred. Sunday the 17th. Upon the report and complaints received today from the subjects at Glissong that the Macassar Prince Craang Limbang Parang had not hesitated, the day before yesterday, arriving there unexpectedly with a party of people, to rob and carry off fifteen head of buffalo from there, for the recovery of which they had pursued him in vain, while some of their number on that occasion having proceeded to the negorij Mandellij, with the Macassars residing there, who had lent a helping hand to Craang Limbang Parang in the carrying off of the aforesaid animals, from the new King of Tambora, informing me that his master, together with some notables of the realm, already having sailed from there toward here about two months ago and having advanced as far as the Postillions Islands, had been obliged to turn back due to the severe weather and leakiness of the vessel, and that they had arrived at the negorij Catoepa, where they would repair their vessel in order to undertake the journey this way again. Monday the 18th. first of

Dutch transcription

Van Maccasser Den 14:' Iunij 1773 — Van Maccasser Den 14 Iunij 1773— 237. 482 Dingsdag den 12. te stellen en uithoofde van welk een en ander ik ook niet nalaeten soude hem meede met raad en daad te ondersteuren en alles wat mogelijk was ten beste van sijn persoon landen volkeren te be„ „tragten mitsgaders daar van in het tegenwoordige geval reets aanstends blijken soude willen geeven als het mij van dat ge„ wigt voorkwam dat het der moeijte waardig was om er be„ weeging over te maeken waar van ik egter het tegendeel zo wel sustineerde als ik mij verseekerd hield dat sijn meester en alle rijksgrooten selfs souden doen wanneer zeede saak nader kwamen t overweegen en in aanmerking namen dat ik mij dierwegens direct aan den koning van tonij sou„ de moeten addresseeren waar door de verwijdering tusschen zijn Hoogheijd en datoe soping ongetwijffeld nog grooten worden en welle verre van oversulks van eenige vrugt te sijn nog andere en nadeeliger gevolgen soude kunnen na sig slepen te meer vermits van het een en ander ignorantie soude kunnen worden gepretendeert wijl den Pabitjara op de door mij ten dien sijnde gedaene vrage selfs betuijgen moest dat sijn meester de pretensie overgave van de voorn: slaapen geweeren door daaeng Mandjaroongie aan datoe Baringang maar bij gerugt vernomen is niets voorgevallen Ten eijnde het door mij op eegisteren gegeeven antwoord aande woensdag „ 13. sendeling van datoe soping so veel mogelijk meerder ingang te doen vinden hebbe ik heden den oppertolk Brugman aan de koninginne van Tanette gesonden en haar hoogheijd van het met den selven verhandelde doen kennisse geeven onder voorhouding dat het mij eeniger maaten verwonderde hoe haar soon /: Datoe soping:/ mij over diergelijke saaken van de minste importantie een expresse Sabitjara gesonden hadde vermits mij daar uijt toeschee„ denselven sijn eijgen welweesen en slands kuste niet kwam te prefereeren boven een gering leed hem door eenige onderdaanen hadde en bij de paarde dieven niet soude kunnen aanwijsen Belastende dierhalven meerm: sendeling om sijn meester dit alles voor te houden en dat ik hem van sComp: op regte welmee„ „nentheijd tot sijn persoon land en onderdaanen mitsgaders van mijne waere vriendschap andermaal versekerende kwam te raeden om de opgem: voorvallen meede ongemerket te passeren als dog gelijk gesegt voor hem van te weijnig aangeleegentheijd sijnde om er de ruste van soping aan op 't offeren en veele der onderdae„ „nen ongeluckig temaaken hadde van Van Maccasser Den 14 Iunij 1773 — Van Maccasser den 14. Junij 1773— 239 484 van den koning van bonij ongetwijffeld buijten sijn hoogheijt kennisse„ ten minsten buijten desselfs voorweeten aangedaan met versoek dier„ „halven dat haer Hoogheijt met mij wilde meede werken om denselven vreedsaame gedagten en te boesenen en dien conform meede aan te raeden het gepasseerde op sijn beloop te laeten sonder daar over eenige verder beweeging te maken jn antwoord van dien bragt brugman mij tot berigt dat de ko„ „ringinne betuijgd hadde de sending van een expresse door haar soon om mij van het gepasseerde kennisse te geeven als niet wel gedaan aan te merken om de wille van dies geringe importantie, met belofte hem sulks se wel te sullen laeten weeten als aan mijn verdere begeerte te voldoen, Donderdag den 14 Den Pabitjara van Datoe soping onder dato 1: deser vermeld bij mij verscheenen zijnde omt informeeren op er nog iets van mijne beveelen mogte weesen en so niet dat ik hem permitteeren wilde weder te vertrecken so hebbe ik het laatste g'accordeert onder herinnering van mijn antwoord op sijne boodschap met last om sijn meester mijnentweegen te groeten waar op hij vertrocken is. daar en tegen arriveerde alhier per een klein vaartuig een zindeling vrijdag den 15 tb viel niets voor 1 Zondag „ 17 op het heden ontfangen berigt en klagten der onderdaen en Maandag „ 18. te glissong dat den maccassaars Prins Cracing Limbang Parang sig niet ontzien soude hebben eer gisteeren op het onverwagts met een parthij volk aldaar komende vijftien duffel beesten van daar te rooven en wig te voeren tot te rug bekoming van dewelk bij hem vrugteloos hadden mnageset terwijl eenige uit den haeren zig bij die gelegentheijd naar de negorij Mandellij begeeven hebbende met de aldaar woonagtig zijnde Macassaeren, die craang Limbang parang in den we„ voer der voorsz: beesten de behulpsaeme hand hadden gebooden van den nieuwen koning van tambora mij berigtende dat sijn meester nevens eenige rijksgrooten reets omtrend twee maanden van daar na herwaarts gestevend en tot aan de Postillions eijlanden gevordert sijnde door het uwe weder en leckheijd van het vaartuijg hadden moeten te rug keeren en deselve op de negorij Catoepa ter houw gekomen waeren alwaar z hun vaartuijg souden repareeren om de reijse weder dit heen te onderneeereen eerst van

NL-HaNA_1.04.02_3389_0420 view scan ↗

English

From Maccasser the 14 Iunij 1773 From Maccasser the 14 Iunij 1773 241 486 first came to words and subsequently into a fight, having been immediately attacked by them, with the result that they suffered four wounded, among whom one very severe and dangerous, and that on the side of the Macassars also one was wounded, but three others had lost their lives, I sent the assistant interpreter and ordinary emissary Daeing Mtandjaretie to the King of Goak to complain earnestly about the conduct of Craang Limbang Parang, as well as to demand both the restitution of the robbed and carried-off buffalo cattle and satisfaction, and to inform His Highness thereby that even though the subjects at Glissing might have insulted the said Limbang Parang, he was not at liberty to commit such violence, but ought to have addressed himself to His Highness to request satisfaction, who could then have had his interests presented to me, whereupon I would not have failed to do justice to him or to the Macassars. The interpreter and emissary returning brought me report how the King expressed his astonishment at the complaints of those of Glissong with respect to the person of Craang Limbang Parang and had given to understand that the same could not possibly be guilty of what was charged against him, since he had already been lodging with His Highness for several days and on account of illness was unable to go elsewhere, so that, not having been out the day before yesterday either, he could not have been at Glissong. That although it might nevertheless well be true that some of the retainers of Craang Limbang Parang had committed the violence and abused their master's name, as indeed happened now and then, the same could not be held responsible for it in the present case, all the more so since the thieves themselves were fugitives and unknown. That His Highness had already long ago issued orders everywhere and given his subjects permission to strike down thieves and robbers in general, and even those with whom stolen goods are found, even if it were an own son of his; that in addition he would order his Tomilalang and Shahbandar to make every possible inquiry in order to lay hands, if possible, on the thieves of the aforementioned buffaloes, of which he would further inform me of the outcome, whilst in the meantime he requested me to take into 4888 243 From Maccasser the 14 Iunij 1773 From Maccasser the 14. Iunij 1773 Tuesday the 19. Nothing occurred. consideration that the assertion of the Glissongers, as if those of Mandelehij had first drawn their krisses against them, who nevertheless denied this, had the less probability because only few of theirs were wounded, and on the contrary as many as three of the last-mentioned had lost their lives. Wednesday 20. I had the King and grandees of the realm of Bonij invited by the assistant interpreter for the coming Saturday at my residence, making known that, notwithstanding my continuing indisposition, I could no longer postpone this; whereupon I received report that it would be very agreeable to His Highness to meet me, even if it were only for half an hour, and that he therefore would not fail to come at the appointed time. Thursday 21. The Shahbandar of Goa, in the name of the King his master, sent to me with the interpreter Borra twelve buffalo cattle that had been recovered here and there from those robbed from the Glissongers by the people of Caareng Limbang Parang, with the communication that he, the Shahbandar, Friday the 22. Nothing occurred. Saturday 23. The members of the Political Council having assembled this forenoon at my residence for the reception of the King of Bonij, His Highness appeared towards half past nine o'clock with a great number of court grandees, and was conducted inside under the customary ceremonial by the merchants Ratiet and Voll. After having taken seats and the exchange of mutual compliments relative to this begun new year and the ended Mahometan fast, it having been made known by the prince how he would gladly see that Craeng Bella Sarie, mother of the late Kings of Goak, would do his best also to trace and recover the three that were still missing, but that the thieves had made themselves scarce. With expressions of thanks for those sent, I let him know in reply that I would await the fulfillment of his promise, and ordered the chief interpreter to return the said animals to the owners, with the recommendation at the same time to avoid, for the future, as much as possible all troubles with the Macassars, and in such encounters to give notice thereof to me in time.

Dutch transcription

Van Maccasser den 14 Iunij 1773— Van Maccasser den 14 Iunij 1773 — 241 486 eerst in woorden en vervolgens in gevigt waaren geraakit als door haar daedelijk aangevallen sijnde met dit gevolg dat bij vier gequesten hadden bekomen waar onder een seer swaar en gevaarlijk en dat van de kant der macassaeren meede een gequest dog drie andere om 't leeven geraakt waaren hebbe ik den ondertolk blijenge„ woone zendeling Daeing Mtandjaretie na den koning van goak gesonden om over het gedrag van Cracing limbang pa„ „rang ernstig te doleeren mitsgaders so wel restitutie van de geroofde en vervoerde buffel beesten als satisfactie tevorderen en sijn hoogheijd daar bij te kennen te geeven dat of schoon ook d'onderdaenen te glissing gem Limbang sarang mogten hebben beledigt het hem niet vrij stond sodanig geweld te pleegen maar bij sig aan sijn hoogheijd hadde behooren tadresseeren om manictonu te versoeken die vervolgens sijnde belangens bij mij hadde kunnen doen voordragen wanneer ik niet soude hebben nagelaeten hem of wel de macassaeren regt de doen wedervaeren De toek en sendeling te rug komende bragten mij tot berigt hoe den koning over de klagten van die van glissong betrec„ „hielijk tot de persoon van oraang limbang Parang sijne bevremding betuijgd en te kennen gegeeven hadde dat den selven aan het hem ten laast gelegde onmogelijk konde schuldig weesen vermits hij bereets eenige daagen bij sijn hoogheijt gelogeerd en door siekite buiten staat was om sig eldens te begeeven invoegen hij eergisteren ook niet uitgeweest sijnde niet op glisjong hadde kunnen sijn Dat schoon het nogthans wel waar konde weesen dat eenige van het lijfvolk van craang limbang parang hetgeweld gepleegd en de naam van hunnen meester misbruijkt hadden so als nu en dan wel gebeurde denselven daar voor in 't gre„ sente geval niet responsabel konde gehouden worden te meer de dieven selve voortvlugtig en onbekend waeren Dat sijn hoogheijt bereets voor lange alomme ordre ge„ steld en zijne onderdaene vrijheijd gegeeven hebbende om dieven en roovers in 't gemeen en selfs de sulke waar bij gestoolene goederen gevonden worden al was het ook een eigezoon van hem ter needer te leggen hij daar en boven zijn en Tomilalang en sjabandhaar gelasten soude alle mogelijke en queste te doen om des mogelijk die van de voorm: buffels inhanden te krijgen waar van hij mij het succes nader soude laeten o bekend maeken terwijl bij mij intusschen liet versoeken in betuijgd consideratie E 4888 243 Van Maccasser den 14 Iunij 1773— Van Maccasser den 14. Iunij 1773 — Dingsdag den 19. niets gepasseerd consideratie te willen neemen dat het voorgeeven der glissongens als of die van Mandelij hij eerst hunne krissen tegen haar getoeken hadden die sulks nogthans ontkenden te minder waarschijn„ lijkheijd hadde vermits en maar weijnig uit de haeren gequest en daer en tegen wel drie van de laastgemelde om het leeven ge„ raakt waaren woensdag „ 20. Hebbe ik den koning en rijks grooten van bonij door den onder„ tolk blij doen inviteeren tegens aanstaande zaturdag aan mijner wooning onder bekend Macking dat ik niet tegen„ „genstaande mijne aanhoudende smakiheijd sulks niet langer hadde mogen utstellen waar op ik tot rapport ontfing dat het sijn hoogheijt seer aangenaam soude weesen omij alwaere het ook maar voor een half uur t ontmoeten en dat hij dier„ halven niet in gebreeke soude blijven om ter bestander tijd te Donderdag „ 21 zond den sjabandhaar van goa mij uit naam van den koning sijn meester met den tolk borra twaalf buffel beesten die hier en daar agterhaald waeren uit de geroofde van de glissongers door het voek van Caareng Limbang Parang onder Communicatie dat hij Saband haa niets voorgevallen de leden van den Politicquen raad heden voor de middag zaturdag „ 23. aan mijne wooning vergadenrt tot de receptie van den koning van bonij so verscheen sijn hoogheijd tegen half tien uuren met een groot getal hofs grooten en wierd onder het gebruikie„ lijk ceremonieel door de kooplieden Ratiet en voll binnen geleijd Na genomene sitplaats en aflegging van wederzijds Com„ plimenten betreckelijk tot dit aangevangene nieuw jaer ende g'eijndigde mahometaanse vasten door den vorst te kennen gegeven sijnde hoe hij gaerne soude sien dat crareng bella sarie moeder van de laats geweesene koningen van goak vrijdag den 22 zijn best soude doen de nog manqueerende drie meede op te speu„ ren en 't agterhaelen dog dat de dieven sig absent gemaakt had„ den Jkliet hem onder dank betuijging, voor de toegesondene in antwoord weeten dat ik de nakoming sijner belofte soude ver„ wagten en gaf aan d'oppertolk last de gem: beesten aan der„ „genaeren weeder te geeven met recommandatie teffens om voor t vervolg so veel mogelijk alle moeijelijkheeden met de mac„ cassaeren te vermijden en bij diergelijke ontmoetingen en daar van in tijds aan mij kennisse te geeven. zijn die komen.

NL-HaNA_1.04.02_3389_0422 view scan ↗

English

From Maccasser the 14 June 1773 From Maccasser the 14: June 1773— 245 490 Goa who resides across on the island of Sumbauwen might come hither to stay with him alongside her further family, with the request, therefore, that I would permit sending to fetch her from there, I immediately consented thereto, adding that in my judgment that woman would be much better off with His Highness than on Sumbauwa, and that I, therefore, would not only grant a pass for the vessel to be sent to fetch her, but would also write to the Bima commandant in this regard. Subsequently, His Highness expressed his reluctance to compel his subjects any longer to accept the currency of the West Frisia mint brought here in the past year, because they could not pass it on to others. To this, I replied that since the residents' aversion thereto was only too evident to me, I had already ceased the issuance of that specie four months ago, and in the meantime, although previously never in use, had accepted so much back into the Company's treasury that little more would circulate among the residents, were it not brought in large quantities from outside, for the acceptance of which the Company was as little bound as I intended to compel anyone further, whether among the Company's dependents or His Highness's subjects, but left the same to their choice, as well as the receipt of certain sorts of Bengal rupees declared bullion at Batavia, which had been exchanged there at low prices by the Macassar native traders, brought here, and which people had likewise wished to force upon the Company, but the acceptance of which I had refused on the Company's behalf, and nor would it take place. Hereupon, the Prince immediately summoned the person in his retinue, Matter, the Wadjoese Lamadang, making known to him that he or his people would no longer need to accept any of the mentioned double stuivers, from which I took the opportunity to point out to His Highness that Lamadang himself had the best knowledge of the import of the aforementioned rupees, as it had occurred with his own vessel, who had to avow as much, as well as that previously never had any currency been received by the Company in payment for trade, so that I held this before His Highness at the same time, and that the same was only petitioned for the convenience of the small trader and especially of his subjects. From Maccasser the 14. June 1773 — From Maccasser the 14: June 1773 — Sunday the 24. Monday 25. Tuesday 26. 247 492 after which, having spoken for some time about indifferent matters, His Highness and his retinue took their leave and departed. Furthermore, the King of Goa sent his interpreter Bora to request access for his commissioners in order to pay the customary New Year's compliment, with the added message that however much His Highness had wished to come in person himself, the mourning in which he found himself over the death of his daughter, combined with his indisposition, prevented him from doing so, and he therefore requested to be excused. I answered the interpreter that, regretting the circumstance of his condition because I had to miss the pleasure of receiving him thereby, I would await the commissioners by next Tuesday morning, and that, wishing His Highness a speedy recovery, I hoped to see him with me on a future occasion. Nothing occurred. The commissioners of the court of Goak, consisting of the second tumalang and councillor of state and seven other grandees, having appeared before me this morning and been seated, they first offered the excuse on behalf of the King for his absence and subsequently delivered in very polite terms the compliment of congratulation on the arrival of the new year, which being reciprocally answered by me, they departed for home around eleven o'clock after the consumption of some refreshments, expressing friendly thanks for that reception. Hereafter, the present Bouton envoys, while inquiring after my health, likewise requested access, which was granted by me for tomorrow morning. Having appeared around nine o'clock, they declared the principal reason for their coming was to congratulate me on the arrival of this year, which they did very politely, and after the same was answered by me, they only requested to be allowed to return home somewhat soon, to which I replied that I was only awaiting the arrival of the factory ship from Batavia, but that in case it should stay away for some time longer, I would dispatch them in ten to twelve days at the latest, permitting them in the meantime to get their vessels ready. In the afternoon, the regents of Bonthain and Tompoboeloe arrived here, along with the lompo of Gantarang and Tala. Subsequently

Dutch transcription

Van Maccasser den 14 IJunij 1773 Van Maccasser den 14: Iunij 1773— 245 490 goat die haar aan de overwal of het eijland Sumbauwen onthoud herwaarts mogte komen om nevens haere verdere Camilie bij hem te verblijven met versoek dierhalven dat ik permitteeren wilde om haar van daar te doen afhaelen so hebbe ik daar inne aanstonds geconsenteerd met bij voeging dat mijne oordeels die vrouw bij sijn hoogheijd veel beeter soude weesen dan op sumbauwa en dat ik dierhalven niet alleen een pas voor het vaartuijg ter haaren afhael te senden geeven maar ook aan den binas commandant daar omtrend meede schrijven soude vervolgens betuijgde sijn hoogheijd desselfs beswaernisse om sijne onderdaenen langer te verpligten tot de acceptatie van het in den voorleden Jaar: alhier aangebragte paijement van de munt west frisia dewijl bij het niet aan aenderen konden uitgegeeven waar op ik diende dat vermits mij de tegen zin der ingeseetenen daar omtrend maar al te wel gebleeken was ik d'uitgave van die specie bereets voor vier maenden gestaakt en intusschen weder schoon bevoorens onimmer in gebruk geweest sijnde so veel in s Comp: cassa g'accpteert hadde dat er weijnig meer onder d' Jngeseetenen soude roulleeren waare het selve niet in meenigte van buiten aangebragt tot welker acceptatie de Comp: so mingehouden was alf ik verder iemand 't bij van sComp: onder„ hoorige of sijn hoogheijts onderdaenen toe wilde verpligten maar t selve aan haar keuse so wel overliet als den ontvang van seekere te batavia billion verklaarde boorten van bengalsche ropijen die aldaar door de Macassaerse Jnlandsche traffiquanten tegen laege prijsen ingewisseld alhier waeren aangevoerd en men de de Comp: almeede hadde willen opdringen dog welker acceptatie ik 'sComp: wegen geweijgerd hadde en ook niet soude geschieden Den vorst liet hier op aanstends bij sig komen den in sijn ge„ volg sijnde Matter den wadporeesen Lamadang hem bekiend maer kende dat hij of de sijne geene van de gewaegdte dubbelde stuijvers meer soude behoeven 't accepteeren waar uit ik gelegentheid nam sijn hoogheijd voor te houden dat Lamadang selfs de beste kennise hadde van den aanbreng der opgemelde ropijen als met sijn eijgen„ vaartuig geschied weesende die sulks so wel moeste advoueeren als dat bevoorens minner bij de Comp: eenig paijement in betaeling van negotie ontfangen was invoegen ik sulks sijn hoogheijds tevens voorhield en dat het selve alleen tot geriefe van d'smnallen handel aar en in 't bijsonder van sijne onderhoorige gepetitioneerd wierd niet waar Van Maccasser den 14.' Iunij 1773 — Van Maccasser den 14: Iunij 1773 — Zondag den 24. Maandag „ Dingsdag „ 247 492 waar na nog over onverschillige saekenen wijle tijd gesprooken sijnde nam sijn hoogheid en deselfs gevolg afscheijd en vertrok wijders sond den koning van goa desselfs olk bora om acces voor sijne gecommitteerden te versoeken ten eijnde het gewoone nieuw Jaars „ met een compliment te komen afleggen, bij gevoegde boodschap dat hoe seer sijn hoogheijd selfs in persoon meede hadde willen komen den rouw waar in hij sig over het afsterven van sijn dogter bevond gevoegd bij zijne onpasselijkheijd hem sulks verhinderde en hij dierwegens om verschooning versoeken liet Ik gaf den tolk ten antwoord dat mij d'omstandigheijd van sijn leed sijnde om dat ik daar door het genoegen moeste missen hem t ontvangen ik de gecommitteerden tegen aanstaande dingstdag morgen soude afwagten en dat ik sijn hoogheijd beterschap toewenschende bij nader ocasie hoopte bij mij te sullen sien viel niets voor 25 26. de gecommitteerdens van het hof van goak bestaande in den tweede somilalang en rijksraad en seven andere grooten heden voor demiddag bij mij verscheenen en geseeten sijnde maakten deselve voor af het of cus uit naam van den koning over desselfs agterblijven en heijde„ vervolgens in seer beleefde termen het compliment van felicitatie af wegens dintreede van het nieuwe jaar 't geen door mij reeiprocqu„ b'antwoord sijnde so vertrockense tegen elf uuren na t gebruik van eenige refraichementen onder een vriendelijke dank betuij„ „ging voor dat onthael naar huijs Hier na lieten d' aanweesende boutonse gesanten onder informatie naar mijne welstand almeede om acces versoeken t geen door mij g'accordeert is tegen morgen achtend of deselve tegen negen uuren verscheenen weesende betuijgde is de voornaeme reden hunner komste te sijn om mij wegens din„ „treede van dit Jaar te vergelucken invoegen z zulks zeer beleefden lijk deeden en na dat het selve door mij b'antwoord was versogten z nog eenlijk om wat spoedig na huijs te mogen keeren waar op ik diende dat ik alleen naar de komst van het Comptoir schip van batavia was wagtende dog dat ik in gevalle het selve nog eenige tijd mogte weg blijven ik haar over tien â twalf dagen uijterlijk soude depecheeren haar intusschen permitteerende haere vaartuijgen in gereedheyjd te brengen Des nademidags arriveerde alhier de regenten van bonthain en Tompoboeloe nevens de Lompor van gantarangt en Tala vervolgens

NL-HaNA_1.04.02_3389_0424 view scan ↗

English

From Maccasser the 14 June 1773 From Maccasser the 14. June 1773 2rg 494 in order, as the chief interpreter reported to me, to make their complaint about the recent tithing of the rice crop, regarding which more was said to have been demanded from them than custom entailed. I had them appointed to appear tomorrow before noon in order to present their complaints. Thursday the 2nd. The aforementioned southern regents having appeared before me this morning, they made it known that not only had their subordinates, at the recent tithing which due to my indisposition was assigned to the boelecombas resident Mol, been imposed the delivery of a portion greater than a tenth, but that from them regents themselves rice was also said to have been demanded for their share, notwithstanding that they had previously satisfied it only in paddy. That the former had gone so far that for a hundred bundles which they had to deliver, from some eight, and from others again more, yea even up to ten gantings of rice were demanded, whereas it was nevertheless known that such 100 bundles could yield no more than six and a half or at the utmost seven gantings. That they had brought their grievances concerning both matters before the said resident in vain, and having requested a reduction as well as permission for themselves, just as before, to suffice with the delivery of paddy, they had not been able to obtain a hearing, and therefore had been brought to the necessity of repairing hither and to me, with the request that I would be of assistance to them in this. After I had presented to them that they would have done better, as soon as the tithing had begun, to send two or three from their midst hither, rather than to wait for the completion of the same and all come up at once, since I would then immediately have been able to make an inquiry in order to investigate and redress the mistakes that might have been made in the calculation, which would now be difficult since all the rice was already in the granary and the paddy cleared from the field, I replied with regard to the request for themselves to deliver only paddy: that although with the regents now and then or even for the greater part that consideration had been exercised, such ought not to be made into a law; that the Company required at one time more and then again less paddy pro rata of the harvest, and the arrangement was made accordingly, wherein the regents were indeed preferred so far, but such could go no further than that arrangement entailed; that the Company being presently richly provided with paddy, I could not excuse them insofar as the delivery of rice was imposed upon them, From Maccasser the 14 June 1773 From Maccasser the 14. June 1773 251 496 the more so as the quantity on the whole in comparison with the paddy was not too much. That for the rest, having had no other expectation than that the tithing would have been done by resident Mol in accordance with fairness just as before, it appeared to me extremely strange to have to hear complaints concerning this just at the point that he was about to depart for ternaeten, having been appointed by their High Nobilities as resident of gorontalo, and thus the shortness of time did not permit hearing his interests in opposition, whereby I was incapacitated from deciding anything regarding it. That I nevertheless would immediately send two commissioners to boutham and boelecoemba in order to investigate the matter as much as possible, with orders to the resident to satisfy them insofar as the commissioners might find that they were truly wronged. That I therefore had to admonish them to submit to that investigation and the verdict to be rendered thereon by the commissioners, being all that they could expect in this, since their own tardiness in not giving me earlier notice of the matter was the reason that I could do nothing further in their favor regarding this. That for the future I would take care that no reasons for complaints would be given to them, even if I might once again be prevented from coming to do the tithing myself. For all of which having expressed their thanks, with the promise to conduct themselves according to my admonition and to abide by the verdict of the commissioners, to which I told them I would appoint the sworn clerk whijts and second interpreter blij, I ordered them to return immediately to their dwelling places, which they also willingly accepted. Meanwhile the lompo of gantarang also made it known how a fine of sixty rixdollars had been imposed upon him two years ago by resident Mol on account of a certain encounter which he had had at that time with one of the European watchmen in the tithing, which however had not been demanded from him until before the resident's last return from Maccasser in the recently passed autumn, requesting to be relieved therefrom as being not only innocent, but that he had known no otherwise than that the same had already been remitted to him, wherein

Dutch transcription

Van Maccasser den 14 Iunij 1773— Van Maccasser den 14. Junij 1773- 2rg 494 ten eijnde so als mij den oppertolk berigte hun beklaag te doen over de Jongste vertiening van het rijst gewasch waar omtrend haar meerder soude weesen afgevordert dan het gebruik meede bragt ik liet deselve tegen morgen voor de middag apporincteeren ten eijnde hunne klagten voor te daagen Donderdag den 2d:' Deopgemelde suijder regenten deesen morgen bij mij verscheenen zijnde zo gaven deselve te kennen dat niet alleen aan haare onderhoorige bijde jongste vertiening die mits mijne indispositie aan den boelecombas resident Mol opgedragen is de Leverantie van een grooter dan tiende gedeelte was opgelegt maar dat van haar regenten selfs ook rijst voor hun aandeel soude afgevordert weesen niet tegenstaande sij bevoorens alleen padij voldaan hadden dat het eerste do verre was gegaan dater voor een honderd bossen die sij leveren moesten van sommige agt en van anderen weeder meer Jaselfs tot tien gantings rijst geëijscht. waeren daer nogthans bekend was dat sodanige 100: bossen niet meer dan ses en een half of ten uijtersten seeven gantings konden uitleeveren dat sij over het een en ander hunne beswaernissen bij gem: resident te vergeefs in gebragt en vermindering mitsgaders voor haar selfs versogt hebbende even als bevoorens met de Leverantie van padij te mogen volstaan geen gehoor hadden kunnen vewerven Na dat ik haar voor oogen gesteld hadde dat z beter souden hebben gedaan om so dra de vertiening begonnen was twee of drie uijt den haaren herwaarts tesenden dan nna het afloopen derselve te wagten en alle tegelijk op te komen vermits ik dan daedelijk ondre soude heb„ „ben kunnen stellen om de misslagen die er in de bereekening mogte begaan weesen t ondersoeken en te redresseeren dat nu beswaerlijk soude weesen dewijl alle rels ngeschuurd ende padijalrant veld was diende ik ten aansien van het versoek voor haar selve om eenlijk padij te leeveren dat schoon men met de regenten nmuendan of ook wel voor het meeren gedeelte die Consideratie gebruik hadde sulks tot geen wet behoorde teworden gemaakt dat de Comp: dan eens meerder en dan weeder minder padij opro rato van den insaam benoodigt waere en daar na de schicking wierde gemaakt wannen wel in so verre de regenten geprefereert wierden dog sulkes niet verder gaan konde dan die schikking meede bragt dat de Comp: thans van padij rijkelijk voorsien sijnde ik haar in so verre haar de Leverantie van rijst opgelegt was daar van niet ontslaan en dierhalven tot de noodsakelijkheijd waeren gebragt dig herwaarts en bij mij te vervoegen met versoek dat ik haar in deesen behulplaam wilde sijn en konde Van Maccasser den 14 Junij 1773— Van Maccasser den 14. Junij 1773— 251 496 konde te meer de quantiteijt over het geheel in vergelijking van de Padij niet te veel was Dat ik voor het overige gen andere verwagting gehad heb„ bende dan dat de vertiening door den resident Mol even als bevoorens naar billijheijd soude weesen geschied het mij ten uijtersten vreemd voorkwam dierwegens klagte moeten verneemen Juijst op het punt dat den selven naar ternaeten stond te vertrecken als door haar hoog Edelens tot resident van gorontalo benoemd sijnde en dus de kortheijd des tijd niet permitteerde daar tegen sijne belangen te hooren waar door ik buiten stad gesteld was daar omtrend its te kunnen decideeren dat ik nogthans ten eersten twee gecommitteerdens naar boutham en boelecoemba senden soude ten eijnde so veel mo„ „gelyk de saak te ondersoeken met ordre aan den resident omhaar in se verre de gecommitteerdens bevinden mogten dat z waar„ „lijk benaedeeld waeren te vreede te stellen, dat ik haar dierhalven vermaenen moeste sig aan dat on„ dersoek en d'uitspraak daar over door de gecommitteerd:s te doen te onderworpen als alles sijnde wat sij in deesen verwagten konden vermits hunne eigen talmagtigheid door mij niet tijdiger kennisse van de saak te geeven d'oorsaak was dat ik hier om„ „trend niets meerder in haar faveur doen konde dat ik voor het ver„ „volg sorge soude dragen dat haar geene reden van klagten wier„ „den gegeeven alwaere het dat ik andermael mogte worden be„ let de vertiening selfs te komen doen. voor alle het welke bij hunne dank betuijgd hebbende met be„ „lofte om sig naar mijne vermaening te gedragen en sig duijt„ spraeke der gecommitteerd:s waar toe ik haar seijde den geswoore clercq whijts en tweede tolk blij te sullen benoemen te sullen laeten welgevallen so gelast ik haar maar ten eersten naar hun woonplaats te keeren, het geen z ook gewillig aannamen. Jnmiddens de lompo van gantarang nog te kennen gaphoe„ hem door den resident Mol voor twee Jaeren een boete was opgelegt van sestig rijxdaalders ter saek van siekere ren contre die hij doenmaels hadde gehad met een van d'europeesche wagthouders in de vertiening welke hem egter niet wat afgevordert dan voor de resident laatste te rug komst van Maccasser in 't Jongst verwee„ ken na Jaer versoekende daar van te mogen worden ontheven als met alleen onschuldig sijnde maar dat hij nit anders ge„ weeten hade op deselve was hem beraeds quijt gescholden waar tijdiger in

NL-HaNA_1.04.02_3389_0426 view scan ↗

English

From Maccasser the 14th of June 1773 — From Maccasser the 14th of June 1773 — 259 498 and I consented, not so much because his innocence was proven to me, as because the imminent departure of the Resident to Ternaaten would not allow the necessary investigation to be conducted there, and too much time has already elapsed with the debt collection. Whereupon the two of them jointly took their leave and returned home this evening. Sunday the 21st of February: nothing occurred, except that messages were exchanged back and forth with the courts of Bonij, Goa, and Tello, as well as the Queen of Tanaette, to inquire after their health. Monday the 22nd: The envoys of Bouton having requested an audience, the same was granted by me for the day after tomorrow, before noon. Tuesday the 23rd: Nothing occurred. Wednesday the 24th: The present envoys of Bouton having appeared before me, declared the purpose of their visit was to inquire once more when they might be able to depart. Whereupon, having answered them that I would have everything in readiness in about ten to twelve days, I discussed further with them the settlement of the remaining debt in slaves, the restitution of the cannon and gun carriages that were found there from some wrecked ships, as well as a boat that was salvaged there, and further regarding the extirpation of spice trees; of all of which they promised to make a proper report, with the request that I also make mention thereof in my letter to the King and the grandees of the realm, which I informed them was my intention. Whereafter they took their leave and departed. Thursday the 25th: The King of Bonij requested of me through his interpreter Moente that two paddy fields in Maros, over which a dispute had arisen between the Company and his subjects, and which, being presently already ploughed by His Highness's subjects, were already planted, might be left with them until after the harvest time, when the legitimacy of the claim could be investigated and the same surrendered to their rightful owner. Thus, as this was in accordance with the custom of the land, I consented thereto. From Friday the 26th of February to Sunday the 7th of March: Nothing of importance occurred to record herein. Monday the 8th of March: I had the present envoys of Bouton notified to prepare themselves to return home by the 13th of this month, and furthermore appointed for them that day to receive their dismissal and the letter for the King and the grandees of the realm. Tuesday the 9th to Friday the 12th: Nothing unusual occurred. Saturday the 13th: The envoys of the King of Bouton, having appeared before noon in the Castle in accordance with the invitation under the customary ceremonial, I, after the exchange of some discourses which, not being of any consequence, are omitted herein, handed over the letter for the King and the grandees of the realm and subsequently granted them their dismissal. Sunday the 14th to Tuesday the 16th: Nothing occurred. Wednesday the 17th: Having sent the chief interpreter Brugman to the King of Bonij and the under-interpreter Pietersz to that of Goa, with the copies of two recently renewed edicts against the wearing of exposed sidearms and assegais, as well as the wandering about of vagrants at night without a light around the settlement of Vlaardingen, the said interpreters brought me report that both rulers had undertaken to give notice thereof anew to their subjects and to issue orders for their observation; the King of Bonij, however, according to Brugman's report, added thereto that those who went about with covered sidearms were all the easier to apprehend. Thursday the 18th: Nothing occurred. Friday the 19th: It being reported to me by the chief interpreter Brugman that a son of the Bonij prince Aroo Toura had been brought to him, who was accused of having, together with two others, seized and bound a subject of the Queen of Tanette just outside the gate of the new settlement, with the intention of selling the same, but who, upon his cry of "I am stolen," had been rescued by some others, who had thereupon apprehended the said young prince and taken away his kris while his accomplices had fled; I therefore ordered the said Brugman to hand the same over to the Regent of the realm with an account of the occurrence, as a further demonstration of how the Bonijers apply themselves to man-stealing. Which took effect accordingly, seeing that Brugman brought me report that the Regent sent his thanks to me for that delivery. Saturday the 20th: The King of Goa had inquiries made after my health, for which I returned my thanks. Sunday the 21st: Nothing occurred. Monday the 22nd: The King of Bonij sent me his interpreter Passier with the request that the chief interpreter might come to His Highness; which was granted, and the latter having proceeded thither, brought me report towards the evening that the ruler [illegible] 255 500

Dutch transcription

Van Maccasser den 14 Iunij 1773 — Van Maccasser den 14 Junij 1773 — 259 498 in ik hebbe geconsenteerd mit so seer om dat mij zijne onschuld ge„ bleeken is als om dat aanstaande vertrek van den Resident naar Ternaaten niet toelaeten soude daar het vereijschte ondersoek te doen en er reets te lange tijd verloopen is met de invordering. waar na 2 gesamentlijk gescheijd genomen hebben en nog deesen avond na huijs gekeerd sijn Zondag „ 21 febr: is mits gepasseerd dan dat over en weder bodschappen zijn gedaan aan de hoven van bonij goa tello mitsg:s de koningine van Tanaette om naar welstand 't informeeren, De boutonse gesanten om acces hebbende doen versoeken is het selve Maandag „ 22. door mij g'accordeert tegen overmorgen voor de middag„ Dingsdag „ 23. viel niets voor vrijdag den 29: tot woensdag „ 24. d'aanweesende boutonse gesanten bij mij verscheenen sijnde be„ tuijgden 't oogmerk hunner komst te weesen om onogmaals 't informeeren wanneer bij souden kunnen vertrecken waar op door mij g'antwoord wesende dat ik over tien a twaelf daegen alles in gereedheijd soude hebben onderhield ik haer verder over de voldoening van d overige schuld in slaeven de restitutie van het Canon en rampaarden die aldaar uit eenige gebleeve scheepen vrijdag den 26. tot Niets voorgevallen van belang om indeesen aantekening en van Zondag „ 7. Maart te houden Hebbe ik daan weesende boutonde gesanten doen aansegen om sig tegen den Maandag „ 28. 13 deser gereed te maeken tot retour na huis en haar wijdens op dien dag geappo„ mieterdom hunascheid en den brief voorden konin en ijs gotent ontrangen gevonden wierden mitsgaders een boot die guiter is opgevist en voorts over destiapatie van specerij boomen van al t welk sij beloofden behoorlijk verslag te sullen doen met versoek dat ik daar van ook bij mijn schrijven aan den koning en rijksgrooten wilde mentie maaken 't geen ik haar berichte mijn voorneemen te sijn waar na 't hun afscheijd namen en vertrocken, hiet den koning van bonij mij door sijntolk Moente versoeken Donderdag den 25. dat twee padij velden op Maros waar over tusschen 's Comp: en sijne onderdaenen disput gereesen was en welke door die van sijn hoogheid thans reets beploegd weesende alreede beplant wierden onder deselve gelaeten mogten worden tot na de moeijtijd wanneer de wettigheid der pretentie ondersogt en deselve aan haere regten eigenaar konde overgegeeven worden so hebbe ik daar in als met 's lands ge„ „bruik over een stemmende g'ccordeert gevonden Duijsdag Van Maccasser den 14' Iunij 1733— Van Maccasser Den 14 Iunij 173 Dingsdag den 9 tot vrijdag „ 12 zondag „ 14 tot Dingsdag „ 16: woensdag „ 17. Is miet zonderlings gepasseerd zaturdag : 13 De gesanten van den koning van bouton ingevolge invitatie heden voor de middag onder't gewoone ceremonieel in 't Casteel verscheenen zijnde hebbe ik haar na het wisselen van eenige diescouasen die niet van eenige consideratie sijnde in deesen overgeslagen worden den brief voor den ko„ „ningen rijksgrooten inhandigt en vervolgens haar afscheid gegeeven„ viel niets voor D'oppertolk brugman na den koning van bonij en den ondertolk Pietersz aan die van goa gesonden hebbende met d' afschriften van twee Jongst gerenoveerde placcaten tegen het draegen van ontbloote heupgeweeren en assegaijen mitsgaders het rondswerven van va„ „gabonden bij nacht sonder licht omtrend de negorij vlaerdingen so bragten gem: telken mij tot bericht dat beide de vorsten aange„ „nomen hadden hunne onderdaenen daar van de novo kennisse te sullen doen geeven en ordre tot dies observantie te stellen hebbende nogthans den koning van borij volgens het rapport van brugman daar bij gesegt dat de sulke die met overdekite heup geweeren gingen des te gemackelijker waeren op te paeken Donderdag „ 18. is mits gepasseerd niets voorgevallen zond den koning van bonij mij sijnen tolk Passier met versoek Maandag „ 22. dat den oppertolk een bij sijn hoogheid mogte komen 't welk ge„ accordeert en desen sig derwaarts begeeven hebbende so bragt den selven mij tegen den avond tot rapport dat den vorst mij Zondag „ 21. mij door den oppertolk brugman gerapporteert sijnde hee en soon van vrijdag den 19' den bonijs prins aroo Toura bij hem gebragt was die beschuldigt wierd nevens twee anderen en onderdaan van de koninginne van tanette even buiten het hek van de nieuwe negorij opgevat en ge„ vleugelt te hebben met oogmerk om den selven te verkoopen dog die op sijn geroep van ik ben gestoolen ontzet was door eenige anderen welke het gemelde prinsje daar op aangepreesen en hem sijne kris afgemmen hadden terwijl zijne Complicen gevlugt waeren so hebbe ik gemelde brugmangelast denselven aan den rijksbe„ stierder onder bekendmaeking van 't geval over te geeven ten blijk alweeder hoe de bonijers dig toeleggen op menschen diverije invoegen sulks ook gevolg genomen heeft gemerkt brugman mij tot rapport bragt dat den rijksbestierder mij voor die toesending liet bedanken ziet den koning van goak naar mijne welstand informeeren zatuadag „ 20 waar voor ik hebbe doen bedanken 255 500 liet omij

← previousnext →