VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3418

Japan · 615 pages · 359 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3418_0213 view scan ↗

English

137 23 69 the 30th before he had appointed the first of these two soldiers as provisional sergeant, and the other as provisional corporal, with the promise to both of them of the pay as soon as any non-commissioned officer positions should become vacant and they were to conduct themselves well: But since His Honour had noticed that the young king's objective was to use the said Corporal Philip as his servant and attendant on this expedition, which had been further confirmed to him by a private letter from Ensign Stephanus, he had ordered the said Stephanus on the 27th of this month by rescript to put this Philip as well as the soldier Willem Barends to work alongside the other extirpators, since the aforementioned Corporal Philip was considered a very intriguing fellow, from whose all too familiar intercourse with the young king nothing but disadvantage and hindrance in the work was to be anticipated. Which measures of the Governor having been approved by the Council, it was subsequently understood to make known by this Resolution that the Commissioners Stephaan and Out, together with the remaining extirpators, had departed from here on the 20th of September with the pantjallang Het Genoegen, via Tidor, for Maba, in order to make a start there with the extirpation work. Hereupon, two Minutes of Circular Inquiry were tabled by the Lord Governor, which read as follows: Today, the 23rd of September 1773, I, Fredrik Hendrik Beijnon, Secretary of Policy of this Government, by order of the Right Honourable Lord Paulus Jacob Valckenaer, Governor and Director of the Moluccas, betook myself to the collective members of Policy, making known to them how the young King of Tidor, who had come to take his leave of His Honour this afternoon, had most forcefully insisted upon receiving the annual recognition monies for the chiefs of Maba, Weda, and Pattanij, adding that those chiefs had permitted him to enjoy the same, in order thereby to defray the expenses which he, as Head of the already organized extirpation expedition to the aforementioned districts, was to incur. That the young prince having been given to understand thereupon by His Honour that the aforementioned recognition monies had already been received a few days ago by his lord father, the King of Tidor, he, under the pretext of being ignorant thereof, had once again insisted very strongly on being allowed to enjoy another year from these gratuitous monies, since he had to incur heavy expenses to maintain his station. While I further made known to the aforementioned Council members that the said Lord Governor had answered that Prince that His Honour would take this request into consideration, and first had to consult with the other Council members about this; wherefore I proposed to their Honours in the name of His Right Honourable whether one could not partially comply with this request, and have advanced to him, the young king, half a year of the aforementioned recognition monies calculated from Primo May to the last of October 1774, the more so since he had made great promises to have the extirpation work under his supervision executed with all zeal and speed, in the hope that this disbursement, to which one did not proceed without weighty reasons, would be approved by Their High Mightinesses. Furthermore, I made known to the above-mentioned Members that the aforementioned young King of Tidor had made a request to also enjoy the gratuity of One Hundred Rijksdaalders that, according to an ancient custom, used to be disbursed upon the arrival of the Tidorese princes, the more so since he had enjoyed this sum at his appointment as Crown Prince and once again during his presence here in the month of January 1772. All this having been presented to the said Council members, and their Honours being asked whether they could agree with His Right Honourable in the disbursement of the aforementioned half-year recognition monies and the gratuity of One Hundred Rijksdaalders, they all collectively concurred herein. Underneath was written: Ternate, date as above. Was signed: B. H. Beijnon, Secretary. Today, the 28th of September 1773, I, Koene Koener, provisional First Sworn Clerk of Policy of this Government, by order of the Right Honourable Lord Paulus Jacob Valckenaer, Governor and Director of these Moluccas, betook myself to the collective gentlemen members of the Political Council, and made known to Their Honours that the young King of Tidor, through his scribe, had submitted a request to His Honour for 1 legger of arrack and 3 flag cloths, in order to be settled after the spice extirpation had been performed. As also that the Tidorese state dignitaries, who are to attend the aforementioned extirpation as Commissioners, had requested of His Honour that, according to previous custom, they might also enjoy the present that usually used to be given at the beginning of that district. September 1773 f E

Dutch transcription

137 23 69 den 30: werden, voor dat hij de eerste dezer twee Militairen tot provi„ sioneel sergeant, en de andere tot provisioneel Corporaal hadde benoemt, met belofte van hen beide de gagies daar er eenige onder officiers plaatzen mogten openvallen en zij zig wel quamen te gedragen: Dog dewijl zijn Ed=e hadde, be„ „merkt dat des jongen konings oog merk was om gemel „den Corporaal Philip als zijn Dienaar en oppasser in dezen togt te gebruiken, het geen hem nader was bevestigt bij een particulier briefje van den vaendrig Stephanus, had„ „de hij gedagten Stephanus op den 27: dezes bij rescriptie gelast, om dezen Philip zoo wel als den soldaat Willem Barends, nevens de andere extirpateurs, aan het werk te stellen, vermits meermelde Corporaal Philip voor een zeer intrigante knaap wierd gehouden, uit wiens al te familiaire omgang met den jongen koning niets als nadeel en hindernes in den arbeid was te voorzien. Welke mesures van den Gouverneur door den Raad zijnde goedgekeurt, wierd vervolgens verstaan bij deze Resolutie be„ „kent te stellen dat de Commissianten Stephaan en Out„ nevens de verdere extirpateurs, op den 20:e September met de Pantjallang het Genoegen van hier, over Tidor, na Maba waren vertrokken, om aldaar een aanvang met het extirpatie werk te maken Hier op wierden door den Heer Gouverneur ter tafel over gelegt, twee Notulen van Rondvrage, die aldus luidden. Heden den 23:. September 1773: heb ik Fredrik Hendrik Beijnon Secre„ „taris van Politie dezes gouvernements ter ordre van den welEd:e Agtb: Heer Paulus Jacob Valckenaer, gouverneur en Directeur der Molucoos, mij vervoegt bij de gezamentlijke Leeden van Politie, haar te kennen gevende hoe dat den jongen Koning van Tidor die dezen agtermiddag bij zijn welEd: was komen afscheit neemen, op het allerknagtigste had aangedrongen Op heeden den 28: September 1773: heb ik KoeneKoener p:l Eerst ge„ „sworen klerk van Politie dezes Gouvernements, ter ordre van den WelEdelen Agtbaren Heer Paulus Jacob Valckenaer, gouverneur en Directeur dezer Molucoos, mij vervoegt bij de gezamentlijke Heeren leeden van den Politicque Raad, en Haar E: te kennen gegeven dat den Jongen Koning van Tidor door zijnen schrijver aan zijn Ed:e Agtbare had laten verzoek doen om 1: Legger Anak, en 3: vlagge doeken, ten einde na gedane specerij extirpatie verrekent te worden. Gelijk ook dat de Tidoreeses Rijksgrooten, die de evengemelde Extirpa„ tie als Commissianten staan bij te woonen, aan zijn Ed: Agtb: verzogt hadden, om na vorige usantie mede te mogen jouisseeren van het ge„ „schenk dat gewoonlijk bi 't begin van die districtie plag gegeven te om voor de opperhoofd van Maba, weda, en Pattanij hunne jaarlijkse recognitie penningen te ontfangen, met bij voeging dat die grooten hem vergunt hadden die geleden te mogen genieten, om daar meede de onkosten die hij als Hoofd reeds aangelegde extirpatie togt na voorschreeve destricten stont te onderneemen, te kunnen goedmaken. Dat die Jongen vorst daar op door zijn wel Ed:e Agtb: te verstaan gegeven zijnde, dat bovengemelde recognitie pen„ „ningen voor eenige dagen, reeds door zijn Heer vader den Koning van Tider waren ontfangen, hij onder voorwending van hier omtrent onkundig te zijn andermaal zeer sterk had geinsteert, om nog een jaar uit deze gunst„ penningen te mogen genieten, vermits hij tot het houden van zijn staat zware uitgaven moest doen. Terwijl ik alverder aan de voormelde Raadsleeden te kennen gaf dat welmelde Heer Gouverneur aan die Prins had geantwoort, dat zijn Ed:e dit verzoek in overweging zoude neemen, en eerst hier over met de verde„ „re Raadsleeden moest consuleeren; weshalven ik haar Ed:e uit naam van zijn WelEd: Agtb: heb voorgedragen, of men niet gedeeltelijk aan dit verzoek konde voldoen, en aan hem jongen koning een half jaar van de voorschreeve recognitie penningen gereekent van Primo Meij tot ult=o october 1774: voor uit te laten verstrekken, te meer dewijl hij groote beloften hadde gedaan om het extirpatie werk onder zijn opzigt, met alle ijver en spoed te zullen laten volvoeren, in hope dat deze afgave, waar toe men niet zonder gewigtige reden overging, door Haar Hoog Edelheeden zoude geapprobeert werden. Wijders heb ik aan de bovengemelde Leeden nog te kennen gegeven dat de voor„ „schreeven Jongen Koning van Tidor had verzoek gedaan om het douceur van Hondert Rijksdaalders dat volgens een oud gebruik bij de aankomst der Tidoreese vorsten pleeg afgegeven te werden, mede te mogen genieten, te meer dewijl hij deze somma bij zijn aanstelling als kroonpeins en nog eens bij zijn aanweesen alhier in de maand Januarij 1772: genoten had. — Dit alles aan de meermelde Raadsleeden voorgehouden, en haar Ed:e afge„ „vraagt zijnde of zij met zijn WelEd: Agtb: in de afgave van het evenge„ „noemd half jaar recognitie penningen en het dauceur van Hondert Rijxdaalders konden bewilligen, zoo hebben zij gezamentlijk hier in ge„ „condescendeert /:onderstont:/ Ternaten dato voorschreeven /was geteekent:/ B: H: Beijnon, sec=s September 1773: worden ƒ E

NL-HaNA_1.04.02_3418_0214 view scan ↗

English

24 the 30th 139 25. 70 be made. Regarding all of which I asked their Honors whether they could agree with his Honorable Respectable on the delivery of the aforementioned goods to the said young king, and of the following textiles as a gift to the Tidorese Commissioners, namely: 6 pieces of Guinees, common, bleached, Coast 3 large cotton quilts, Sourats, and 4 pieces of salempoeris, broad, blue whereupon the Gentlemen unanimously conformed thereto. It was written below: Ternate, in Castle Orange, date as aforesaid. It was signed: K. Koenes, P. E. G. Clencx. And whereas the Council members were jointly of the opinion that if one wished to look forward to a successful outcome of the planned Mabase extirpation expedition, the requested advance of a half-year of recognition monies for the benefit of the Crown Prince of Tidor could in these current circumstances be refused just as little as the request made by him for the customary gift of One Hundred Rijksdaalders upon the prince's appearance at this Castle, the said members have furthermore conformed to the contents of the first minute. For the above-cited reason, the members also continue to persist in and agree to the delivery of the arrack and textiles that, according to the minute of the 28th of this month, were provided partly on debt and partly as a gift to promote this momentous expedition; the trade employees shall be ordered to cause the charging and debiting for the receipt of the stated cash and goods to be properly recorded in the books of this Government. Subsequently, the Lord Governor informed the Council members how Their High Noble Lordships had written to His Honor in a secret missive of 31 December 1712 that they would not be displeased to see an inspection made here as to whether there might not be any possibility of extirpating the spice trees on Onin. That His Honor, in order to comply with this order, had happened to speak with the King of Tidor alone on the 16th of this month, on which occasion he, the Governor, had proposed this expedition to Onin to the prince; that His Highness had given a very lukewarm answer to this, and after having reflected for some time, had replied that he did not believe such an expedition could ever take place without throwing this coast of Nova Guinea into turmoil, because he feared that this people of Onin, who presently cared little for his orders due to the great distance, would then completely fall away from him and become rebellious; but that he would nevertheless propose this proposition to his grandees of the realm in a council meeting; which was thus agreed between His Highness and him, the Governor. Whereupon it was resolved to record this conversation between the King of Tidor and the Lord Governor in this Resolution, and to inform Their High Noble Lordships in a secret rescript on His Honor's behalf that none of the Council members saw the least possibility of ever being able to undertake a destruction expedition to this Onin with any success. It was written below: Thus Done and Resolved at Ternate in Castle Orange, date as aforesaid. It was signed: P. J. Valckenaer, J. F. Wedel, C. Meurs, G. W. van Rettesse, N. D. Mol, G. F. H. Beijnon. Thursday, September 1773 and Cash

Dutch transcription

24 den 30: 139 25. 70 worden. omtrent welk een en ander ik haar E=s heb afgevraagt, of zij met zijn wel Edele Agtb: konden bewilligen in de afgave van de voor„ schreeven goederen aan gemelden jongen koning, en van de volgende lijwaten ter geschenk aan de Tidoreese Commissianten Namentlijk. 6: p„s Guinees gem: gebl: cust 3: „ Dekens gecattoeneerde groote sourats en 4: „ salempoeris br: bl: zoo hebben de Heeren zig eenparig daar meede geconformeerd. /:onderstont:) Ternaten in't Casteel orange dato voorschree ren /:was geteekent /. K: Koenes p:r E: g: Clencx En dewijl de Raadsleeden gezamentlijk van gevoelen waren, dat als men een gelukkige uitslag van de voor„ „genomene Mabase extirpatie togt te gemoet wilde zien, de verzogte voor uitverstrekking van een half jaar recogni„ „tie penningen, ten behoeve van den kroonprins van Tidor, in deze tijds omstandigheden zoo min geweigert heeft kun „eren werden, als de door hem gedaane instantie om het gewoon geschenk van Een Hondert Rijksdaalders, bij des vorsten verschijning in dit Casteel, zoo hebben gemelde Leeden zig als nog met den in„ „houd der eerste Notul geconformeert. Om de boven aangehaalde reden blijven de leeden als nog ook persisteeren, en bewilligen in de afgave van de Arak en lijwaten, die bij Notul van den 28: dezer, tot bevordering dezer gewig„ „tige togt, gedeeltelijk op schult, en gedeeltelijk tot ge„ schenk zijn verstrekt; zullende de Negotie bedienden werden geordonneert, om de belastinge en afschrijving voor het genot der bekent gestelde contanten en goederen, behoorlijk bij de boeken dezes Gou„ „vernements te laten geschieden. Vervolgens verwittigde de Heer Gouverneur en Raadslee„ „den, hoe Haar Hoog Edelheeden zijn Ed: bij secreete missive van den 31: December 1712: hadden geschreeven, dat niet ongaarne„ zouden zien men hier eens bezogt off er geene mogelijkheit zoude zijn om de specerij boomen op onin uit te roeijen. Dat zijn Ed: om aan dit bevel te voldoen, den koning van Tidor op den 16: dezer gevallig alleen te spreeken was gekomen, bij welke gelegentheid hij Gouverneur den vorst dezen togt na onin hadde voorge„ „slagen; Dat zijn Hoogheid hier op een zeer flaauw ant„ woordt hadde gegeven, en na zig eenigen tijd bedagt te hebben, hadde gerepliceert, dat hij niet geloofde dat dus„ „danige togt ooit zoude kunnen geschieden, zonder deze kust van Nova Guineas in repen voeren te stellen, de„ „wijl hij vreesde dat dit volk van onin, die thans we„ „gens de verre destantie weinig na zijne ordres vraagden, als dan wel geheel van hem af zouden vallen, en oproerig wer„ „den: dog dat hij deze propositie egter in eene raads-vergadering aan zijne Rijksgrooten zoude voorslaan; Het geen dus tusschen zijn. Hoogheit en hem /:Gouverneur /was gearresteert. wierd Waar op beslooten van dit gesprek tusschen den Koning van Tidor en den Heer Gouverneur, bij dezen Resolutie bekents te laten stellen, en Haar Hoog Edelheeden bij secreete rescriptie voor zijn Ed: te laten verwittigen, dat niemant der Raadsleeden de minste mogelijkheit zag, om immer met eenige vrugt een destrictie togt na dit oum te kunnen aanleggen. /:onderstont:/ Aldus Gedaan en Geresolveert tot Ternaten in't Casteel Orange dato voorsz: /:was geteekent:/ P„s J„s Valckenaer, J: F: Wedel C: Meurs, G: W: van Rettesse, N: D: Mol G: F: H: Beijnon Donderdag september 1773: en Contanten

NL-HaNA_1.04.02_3418_0215 view scan ↗

English

Thursday the 18: November 1773 in the morning at 9 hours, Council of Policy meeting. The Right Honorable Lord Governor and Director Paulus Jacob Valckenaer present. The Valiant Captain Military Johan Fredrik Wedel, Senior Merchant and provisional Chief Administrator Godfried Karel Meurs, Merchant and Bookkeeper Gerrardus Willem van Renesse, Nicolaas Dionisius Mol, and Merchant and Secretary Fredrik Hendrik Beynon. Absent: Merchant and Fiscal Johan Georg van Raesveld, due to indisposition. The business concerning domestic affairs having been dealt with this morning, a letter was read from the commissioners of the Maba extirpation, Stephaan and Oudt, dated the 3rd of this month, from which it appeared that they had had to wait on Tidor nine to ten days for the Young King, and because of that delay had not arrived at Maba before the 14th of October; several days thereafter, the same had proposed to them to have the extirpation carried out with a considerable force of eight hundred Maba people, whereas previously no more than eighty persons had ever been used for that work. Which proposal was so far acceptable to the Council; however, since the commissioners had further made known that the said Young King had told them that the provisions for the Europeans could not possibly be transported so far inland, and that he therefore intended to let the work be done solely by natives, without our extirpators, it was agreed to reply to the commissioners on this that they should have opposed and refuted this intention of the Young King with greater zeal than was done, seeing that the instructions given to them dictate that the work must be attended by our people. Moreover, the Council was of the opinion that the Young King did not intend much good by this proposal, for since the Tidorese nation, even in the presence of our people, often acted very deceitfully in pointing out spice trees, they, having the opportunity to do so in the absence of our people, would now be able to deal with the spices according to their own pleasure and engage in smuggling with them, or at least report and inflate the number of felled trees at their own discretion. Since this wrong method of extirpation was furthermore contrary to the established custom and the intention of our supreme authorities, it was unanimously resolved to write to the commissioners to bring the Young King to a different concept and to make him desist from this wrong intention; refuting his statements by pointing out to him that a troop of two hundred Maba people was strong enough to carry the provisions for a small number of Hollanders, whereby the difficulty raised by the said prince ought to disappear of itself. Furthermore, the members of the Council were pleased to perceive from the commissioners' letter that the Young

Dutch transcription

26: 141 Den wel Edelen Agtb: Heer Gouverneur en Directeur Present Paulus Iacob Valckenaer. Johan Fredrik Wedel „ondert: en p:r Hoogdadmimitt: GEafried Karel Meurs _„o Jolij boekhouder Gerrardus Willem van Renesse Nicolaas Dionijsius Mol en Fredrik Hendrik Beijnon Dempto „ Koopman en fiscaal Johan Georg van Raesveld. mits in dispositie De besoigne over de huishoudelijke zaken dezen morgen zijnde afgehandelt wierd geleesen een brief van de commissianten der Maba„ „se Extiapatie, stephaan en Oudt, gedagteekent den 3: dezer, waar uit bleek dat zij op Tidor, negen â tien dagen na den Jongen koning hadden moeten wagten, en door dat toeven, niet voor den 14: october op Maba waren gearriveert: zijnde hen eenige dagen naderhand door den zelven voorgeslagen, om de exstirpatie te laten verrigten met een aanzienlijke magt van agthondert Mabareesen, daar van te vooren nooit meer als tagtig kop„ „pen tot dat werk waren gebruikt. welke propositie de Raadt in zoo verre wel aangenaam was, dog vermits des Commissianten verder te kennen hadden gegeven, dat ge„ „melde jonge Koning hen gezegt had, dat de provisie der Eu„ „ropeesen ommogelijk zoo verre landewaards ingevoert konde werden, en dat hij daarom van intentie was „ _o en Secretaris den Manh: Capitain Militair Donderdag den 18: No„ „vember: 1773: 'smorgens ten 9: uuren vergade„ „ring van Politie het werk alleen door inlanders, zonder onze exsterpateurs te laten geschieden, is verstaan de commissianten hier op te rescribeeren, dat zij dit voornemen van den Jongen Koning met meerder ijver hadden moeten tegengaan en wederleggen, als gedaan is: aangezien de hen meede gegevene Instruc„ „tie dicteert, dat het werk door de onzen moet werden bijgewoont. Daar en boven was de Raad van gevoelen dat de jonge koning door deze voorslag niet veel goeds bedoelde, wants dewijl de Tidoreese Natie zelfs in praesentie der onzen, dikwils zeer bedriegelijk in het aanwijsen van secerij- boomen te werk ging, zouden zij door absentie der onzen daar toegelegentheit hebbende, nu met de specerijen na hun welgevallen kunnen leven, en daar meede smokkel„ „handel kunnen drijven of ten minsten het getal der omge„ „velde boomen na hun eigen goeddunken kunnen opge„ „ven en vergrooten Dewijl dezes verkeerde manier van exstirpeeren boven dien mede stuijdig was tegens de ingevoerde gewoonte, en de intentie onzer oppergebieders, wierd eenpariglijk gear„s, „resteert de Commissianten aanteschrijven, om den Jongen Koning in een ander concept te brengen, en van dit verkeer„ „de voornomen te doen afzien: zijn gezegden wederleggen„„ „de met hem voor te houden, dat een troep van twee„ „hondert Mabareesen sterk genoeg was om de provisie voor een klein getal Hollandets te dragen; waar door de zwarigheit, die gemelde vorst heeft geoppert, van zelfs zoude moeten vervallen. Voorts was het de Raadsleden aangenaam uit der commissianten brief te bespeuren, dat de het Jonge E den 18: November 1773: 3

NL-HaNA_1.04.02_3418_0216 view scan ↗

English

143 the 18th November 1773 C Young King had caused nine Maba chiefs to be arrested, on account of their demonstrated unwillingness to extirpate for longer than six months, or too deep inland: for because the others, deterred by this, had afterwards been more willing to work, it was hoped that this enacted example of rigor would curb the ill-disposed, and would considerably advance the good outcome of the Commission. It was nevertheless decided to have the aforementioned Young King dissuaded by the Commissioners from exercising further severity against the Maba people, if they found that this nation behaved zealously and faithfully in the future. It also being decreed to send to the Commissioners at their request a sum of One Hundred Rijkdaalders, which they have spent on 200 pieces of purchased pedaks or parangs: the 200 pieces of chopping axes demanded by them shall be made ready as soon as practicable, and the 200 pedaks still required shall, if practicable, be purchased here, and sent with the first rations to Maba, in order that the felling of the trees may nowhere be delayed. To this end, and to encourage the native to zeal, it was also unanimously approved to consent to the requests of the Maba chiefs to enjoy, according to ancient custom, a gift of linens, for use as shrouds for those who happen to die on the expedition, as well as for the purchase of sago for their subordinates: for which it was agreed to deliver and to have written off on the account of the spice Districts 2 pieces Guinees ordinary bleached Coast 2 ditto dark blue and 2 pieces Salempoeris fine bleached Coast On the other hand, it was decided to refuse the request of the First Commissioner Stephaan, for restitution of Rijkdaalders 13: 24: which had been advanced by him for the redemption of a Buruese, named Djigoena, who was abducted by the Salawati people, and was purchased or redeemed out of the hands of the Maba people with the aforementioned sum, because the orders dictate that such ransoms may not be paid except for persons of distinction: While it was furthermore agreed to send back this Buruese, together with a captured Christian Ambonese, who escaped to the Commissioners at Maba, to Amboina with the first departing vessel. With pleasure the account was further read of the hostilities committed by the Papuans of Salawati against those of Jailolo, and of their murderous intentions against yet other settlements of their countrymen: for the more these scoundrels turned their weapons against each other and rooted in each other's bosom, the more beneficial this was judged to be for the Company's interests, because from the divisions of the Papuans, the peace and security must be born of distant outposts, which are most exposed to their rage and rapacity, although the Council nevertheless would like to see that these scoundrels, under the present circumstances, refrain from the invasion of the Patani settlement, on account of the fact that we will now need the last-mentioned nation for the extirpation work. Hereafter the Governor submitted to the other Members, how the Crown Prince's letting extirpation be carried out without Europeans, appeared to His Honour so disadvantageous, and at the same time as a matter of such 2 pieces Momentous.

Dutch transcription

143 den 18: November 1773 C Jonge Koning negen Mabareeses opperhoofden in hegtenis hadde laten zetten, wegens hunne betoonde onwilligheit om langer als ses maanden, of te diep landmaarts in te ovstirpeeren: want dewijl de overigen hier door afgeschriken naderhand bereidwilliger tot den arbeid waren geweest, was men in hoope dat dit gestatueerde voorbeld van rigeur, de quaadmienenden beteugelen, en den goeden uitslag der Commissie merklijk zoude bevonderen Men besloot egter om meermelden Jongen Kining door de Commissianten van het pleegen van verdere steng„ „heid tegens de Mabareesen te laten afraden, indien zij ondervon„ „den dat deze natie zig in 't vervolg ijverig en getrouw gedroeg. zijnde teffenst ook gearresteert om aan de commissianten op hun verzoek toetezenden eene somma van Een Hondert Rijk daalders, die zij door 200: p„s ingekogte pedakken of par„ „rings hebben besteed: zullende de door hen geeischte 200: p„s kapbeilen zoo spoedig doenlijk werden in gereedheit gebragt, en de 200: nog benodigde pedakken alhier des doenlijk, werden inges„ „kogt, en met de eerste randsoenen na Maba gezonden, ten einde de omkapping der boomen nergens door vertraagts werde. Ten dezen einde, en om den inlander tot ijver aantemoedige is meede eenpariglijk goedgevonden, te bewilligen in de insten „ties der Mabases opperhoofden om na oud gebruik een ge„ „schenk te genieten van lijwaten, tot gebruik van doodgewaat voor de geenen die op de togt komen te overlijden, zoo wel als tot het inkopen van zagoe voor hunne onderhoorigen: waar toe verstaan is aftegeven en op rekening van specerij Destricten te laten afboeken 2: p„s Guinees gemeen gebleekt custo 2: „ _o bruin blaeuw en 2: p„s Salempoeris sijn gebleekt Cust Daar en tegen besloot men te ontzeggen het verzoek der Eerste commissiant Stephaan, om restitutie van Rijksdaalders 13: 24: die door denzelven waren verschooten tot inlossing van een Boeronees, genaamt Djigoena, die door de salwatiers gerooft, en door de evengemelde somma uit handen van de Mabareesen is inge„ „kogt of gelost, dewijl de orders dicteeren, dat diergelijke losgel„ den niet mogen voldaan werden dan voor persoonen van distinctie: Terwijl nog verder wierd verstaan om dezen Boeronees, benevens een genoofd christen Amboinees; die het op Maba bij de commissianten is ontvlugt, met het eerst vertrekkend vaartuig na Amboina te rug te zenden . Met genoegen wierd wijders gelezen het verhaal van de gepleegde vijandlijkheeden der Papoeen van salwatti tegens die van Sailolo, en van hunne moordzugtige voor„ „mens tegens nog andere negorijen hunner landslieden: want hoe meer deze schelmen hunne wapenen tegens elkan„ „der wendden en onderling in elkanders Boesem vroeheden, hoe heilzamer zulks geoordeelt wierd voor Compagnies belangen, dewijl uit den Papoeen verdeeltheden, de rust: en zekerheit gebaren moet werden van afgelegene postjes, dies aan derzelver woede en roofzugt het meest zijn geëxponeert, hoewel de Raad nogtans gaarne zoude zien dat deze schelmen in deze tijds omstandighee„ „den van des invasie der Pattanijse Negorij afzagen, uit hoofde wij de laastgemelde Natie thans bij het exstirpatie werk nodig zullen hebben. Hier na hield de Heer Gouverneur aan de verdere Leeden voor, hoe het van den Kroon Prins om zon„ „des Europeaanen te laten exstirpeeren, zijn Ed: zoo nadeelig, en teffens als een poinct van dusdaing 2: p:s Zwaarwigtig.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0217 view scan ↗

English

36 31. 745 the 18: November 1773: a matter of weighty importance had arisen, so that his Honour, fearing that the Commissioners might not divert this Prince from this concept with sufficient zeal, had seen fit to that end to write a letter himself to the young King: the draft of which was now read aloud to the Council Members, and found to be of the following content: Maba To his Highness the Young King of Tidor Lord Crown Prince and very Good Friend From a letter of the Commissioners stephaan and outs, the Governor and Council have learned with great pleasure that your Highness was diligently applying himself to have the extirpation work in the Maba districts vigorously continued, and that to that end 800: Maba people, divided into four troops, had departed for the Forests. We hope that this considerable troop of extirpators will diligently obey Your Highness's orders, and will waste no time, so that the work may soon be brought to an end. However, since we have been informed that Your Highness had thought fit to have the extirpation work carried out without Dutch extirpators, because your Highness thought that it would be difficult to haul their provisions so far inland, we cannot fail to admonish Your Highness to abandon this intention, and to maintain the old custom of extirpating, because Their High Honours, the illustrious High Indian Government at Batavia, absolutely desire that all extirpations must be carried out with the assistance of Dutchmen, since aforementioned people of our nation must take the Oath that everything has been properly performed, and all the felled trees and fruits have been burned according to the orders, which they would not be able to confirm with an Oath if they had not been present at that destruction work. In short, all the trouble that your Highness and this Government have taken so far would be for naught and fruitless if no Dutch soldiers and burghers were sent off with the native troops; since Their High Honours would not only consider this negligence as a very great fault and error, but would certainly at the bottom stood: Thus Done and Resolved at Ternaten in Castle Orange, date as above written. was signed: Paulus Jacob Valckenaer, Johan Fredrik Wedel, Godfried Carel Meurs, Gerrardus willem van Renesse, Nicolaas Dirnijsius Mol, and Fredrik Hendrik Beijnon. also refuse to defray the costs of such an expedition: for all which reasons we once again recommend to your Highness always to attach Dutchmen and burghers to the native troops. Having learned that your Highness was somewhat indisposed, this is sincerely regretted by the Governor and Council, who nevertheless hope that Your Highness may soon return to your former health. Serving further for information, that following your Highness's proposal we are now sending off a present for the Maba chiefs of: 2:– pieces of Guinees ordinary bleached 2:— ditto broad bleached or 4: half pieces ditto 2:– pieces of Salempoeris fine bleached Which we send to them to serve, according to custom, as shrouds for the troop members. Just as the Lord Governor has also handed over to the Tidore scribe as a small present for your Highness, a Jar of Butter, four quires of writing paper, and 32: wax candles. Whereupon this letter was completely approved by the Members, and it was further resolved to have it immediately translated into Malay, and to dispatch it tomorrow or the day after tomorrow, together with our rescript to the Commissioners, to Mabas. Thursday

Dutch transcription

36 31. 745 den 18: November 1773: zwaarwigtig belang was voorgekomen, dat zijn Ed: be„ „dugtende dat de Commissianten dezen Prins niet met genoeg ijver van dit concept mogte diverteeren, goedge„ „vonden had ten dien einde zelfs een brief aan den jongen Koning te schrijven: waar van het opstel thans aan de Raadslieden wierd voorgeleesen, en van dusdanigen inhoud bevonden Maba Aan zijn Hoogheid den Jongen Koning van Tidor Heer Kroon Prins en zeer Goede Vriendt Uit een brief van de Commissianten stephaan en outs hebben den Gouverneur en Raad met veel genoegen verstaan, dat u Hoogheid zig vlijtig toelag om het extirpatie werk in de Mabases districten met ijver voort te laten zetten, en dat 'er ten dien einde 800: Maba„ „reesen, verdeelt in vier troupen, na de Bossen waren vertrokken. Wij hoopen dat deze aanzienlijke troep extirpateurs U Hoogheit beveelen vlijtig nakomen, en geen tijd zullen verzuinen, op dat het werk spoedig ten einde gebragt mag werden. Dog dewijl wij verwittigt zijn dat U Hoogheid goed had gevonden van het extirpatie werk zonder Hollandse extirpateurs te laten verrigten, dewijl u Hoogheit dagt dat het moeilijk zoude zijn derselver mondkost zoo ver landwaards in te sleepen, zoo kunnen wij niet nalaten U. Hoogheit te vermanen, om dog van dit voornemen aftezien, en de oude gewoonte van extirpeeren te onderhouden, dewijl Haar Hoog Edelheeden; de illustred Hooge Indi„ „ase Regeering te Batavia, absoluut begeeren dat alle de exstir„ „paties zoo wel met behulp van Hollanders moeten geschieden dewijl evengemelde onze natie den Eed moeten afleggen dat alles na behooren verrigt, en alle de omgevelde bomen en vrugten, na de orders, verbrand zijn, het geen zij niet met Eede zouden kunnen bevestigen, indien, zij bij dat vermelings werk niet praesent waren geweest. In 't kort gezegt, alle de moeite die u Hoogheit en dese Regeering tot dus verre genomen hebben, zoude voor niet en vrugte„ „loos zijn, indien er geene Hollandse militairen en burgers met de inlandse troepen wierden afgezonden; nademaal Haar Hoog Edelheeden deze nalatigheit niet alleen als een zeer groote faut en misslag zouden aanmaken, maar zekerlijk /:onderstont:/ Aldus Gedaan en Geresolveert tot Ternaten in't Casteel Orange dato voorschreeven. /:was geteekent:/ Paulus Jacob Valckenaer, Johan Fredrik Wedel, Godfried Carel Meurs, Gerrardus willem van Renesse Nicolaas Dirnijsius Mol en Fredrik Hendrik Beijnon. ook zouden weigeren van dusdanigen togt te bekostigen: om alle welke redenen wij de Hoogheit nogmaals recommandeeren, om altoos Hol„ „landers en burgers bij de inlandse troepen te voegen. Vernomen hebbende dat u Hoogheit eenigsints onpasselijk was, is zulks den Gouverneur en Raad van harten leets, die egter hoopen dat H Hoog„ „heit spoedig tot voorige gezondheid mag komen. Dienende wijders tot narigt, dat wij ingevolge u Hoog „heits voorslag thans voor de Mabareese opperhoofden een geschenk laten afgaan van 2:– p„s Guinees gem: gebl: 2:— „ _o br: bl: of 4: halve stukken e 2:– „ Salempoeris fijn gebl: Het geen wij hun toezenden om volgens gebruik te dienen tot doodgewaad voor de troepsvolkeren. Gelijk des Heer Gouverneur meede aan den Tidoreesen schrijver tot een gering geschenkje voor u Hoogheid heeft afgegeven, een Potje met Boter, vier boeken schrijf papier, en 32: waskaarsen Waar op deze brief volkomen door de Leeden wierd geapprobeert, en wijders beslooten om denzelven terstont in het Maleis te laten translateeren, en morgen of overmorgen nevens onze rescriptie aan de Commis„ sianten, na Mabas aftevaardigen ok Donderdag . . -

NL-HaNA_1.04.02_3418_0218 view scan ↗

English

Thursday, 13 January 1774. Meeting of the Council of Policy in the morning at nine o'clock. Present: the Honorable Governor Paulus Jacob Valckenaer, Senior Merchant and Fiscal Johan Fredrik Wedel, Head Administrator Johan Georg van Raesveld, Merchant and Pay Bookkeeper Godfried Carel Meures, Junior Merchant and Interim Secretary Gerardus Willem van Renesse, and Captain Military Fredrik Hendrik Beijnon. The name of the Lord having been invoked in prayer, discussions and deliberations took place concerning the contents of a letter from the commissioners Stephaan and Out, dated 20 December of last year, which was brought here the day before yesterday, the 11th of this month. From this, it was to the satisfaction of the Council members to observe, among other points, that the work of extirpation had finally commenced in the month of November, and that in 27 days our extirpators had eradicated a total of: 808 pieces of fruit-bearing trees and 2390 young trees, or Together, a total of 3198 spice trees of all sorts. The nutmeg fruit sent over from the first felled trees was subsequently inspected, and furthermore, upon measuring the size, it being found that trees of eleven feet in circumference had been discovered and eradicated by the extirpators, these sent-over proofs of the extirpation work were burned during the meeting. On the other hand, it was very displeasing to the Council to learn from the aforementioned letter that the Tidorese had for some time shown themselves very unwilling to eradicate the spice trees in places where no work had been done in previous years, maintaining moreover that they only needed to work through the lands along the seashore and were not obliged to extirpate inland, which was thought not to correspond at all with and to be contrary to the promises made by the King of Tidor and his grandees to this Government, namely to have the Tidorese lands of Maba, Weda, and Pattani completely worked through wherever spice trees might be found, without making any distinction whether they were found far inland or close to the sea beaches. Since it was now unanimously felt that the Tidorese extirpators ought to be brought to another frame of mind as soon as possible, it was resolved to notify the King of Tidor of the unwillingness of his subjects, and at the same time to request that he issue emphatic orders to his commissioners to have the spice crops eradicated in the above-mentioned districts in all places where they might be found, both along the coasts and in places situated deeper inland, seeing that one had to conclude from the commissioners' letter that many spice trees are to be found deep inland. For which reason it was likewise deemed good to urge the King to once again instruct his son the Crown Prince to work in unison with our commissioners, and above all to take care not to skip or make exceptions for any places. Furthermore, the Honorable Governor undertook to make the substance of these resolutions known in an Instruction, after which it was decreed to have it presented to the King of Tidor by commissioners, and to appoint members of this Council, Wedel and Meurs, as commissioners to carry out this mission. In addition to the mentioned points, they should also bring about with the King that no spice trees be eradicated except in the presence of Dutch extirpators or citizens, to which end the said commissioners must demonstrate to His Highness that Their High Mightinesses at Batavia would regard this important work as fruitless and poorly undertaken should it unexpectedly be performed without the Company's extirpators. Just as it displeased the Council further that some Tidorese, according to the commissioners' report, seemed to make it their business to incite the common Tidorese extirpators and thus obstruct the work, so on the other hand it appeared pleasing to this Government that the commissioners gave notice that they believed they could prevent the concealment of spices with the help of natives who came to warn them of this in secret. Finally, it was resolved to help accomplish this important extirpation work by all conceivable means, to which end it was decreed, upon the extirpators' request, to send them three months of their earned wages; and furthermore, at the first suitable opportunity, to provide them with half a leaguer of arrack to make the natives willing to work, as well as four more soldiers whom these commissioners write are very necessary to make the work proceed more rapidly. Thus done and resolved in Ternate at Castle Orange on the date aforesaid. Signed: P. J. Valckenaer, J. F. Wedel, J. G. van Raesveld, G. C. Meurs, G. W. van Renesse, and Fredrik Hendrik Beijnon.

Dutch transcription

32: 33: 149 En de e te en e Gureneur „onderkoopman en prointerim voor at over e brisf van Maptar 't getal der speverijen die aldaar zijn uitgeroert den omtrek. Den verderen wat dies wegens besloten is van Tidor Paulus Iacob Valckenaer, Johan Fredrik Wedel Johan Georg: van Raesveld, Godfried Carel Meures, Gerardus Willem van Renesse, en Fredrik Hendrik Beijnon WD Dempto Nicolaas Dionijsius Mol mits in dispositie Des Heeren naam in den gebede zijnde aangeroepen, wierd gespro„ „ken en gebesoigneert over den inhoud van een brief van de commis„ „sianten Stephaan en Out, de dato 20: December anni passati„ die hier op eergisteren den 11: dezer was aangebragt, waar uit de Raadsleeden onder andere poincten tot genoegen quam te blijken, cpotuendatis orgens 'z legen vn dat het extirpatie werk eindelijk in des maand November een aavang haddes genomen, en dat in 27: dagen door onze extir„ „pateurs was uitgeroeit een getal van. 808: pees Vrugt en 2390: „ Telboomen of Te zamen een getal van 3198: specerijboomen in zoort. De overgezondene noote vrugt der eerstomgevelde boomen ver„ „volgens bezigtigt, en wijders bij nameting van de maat bevon„ waar onder eenige aan 11: voeten in„ den zijnde dat 'er boomen van elf voeten in den omtrek door de exterpateurs ontdekt en uitgeroeit waren, wierden deze overge„ „zondener bewijzen van het extrapatie werk nog geduurende de verga„ „dering verbrant. der voorsz: mis„ Daar en tegen was het de Raad zeer onaangenaam uit gemelde missives te verneemen, dat de Tidoreesen zig, en tijd lang zeer Donderdag den 13: Januarij 1774: Vergadering van Politie 's morgens ten negen uuren Present. vnwillig hadden getoont: om de specerij boomen uitte „roeijen op plaatzen alwaar in vorige jaren niet gewerkt was, boven dien staande houdende dat ze de landen alleen langs den zeekant behoefden aftewerken en niet verpligt waren om landwaarts in te extirpeeren, het geen men dagt dat gansch niet overeen quam met en steijdij met de betoften de krmnn den beloften die de koning van Tidor, en zijne Groten aan deze Regeering hebben gedaan, om namentlijk Tidoreese landen van Maba, Weda, en Pattani, over al te laten afwerken, waar maar specerij boomen te vinden waren zonder onderscheid te ma„ „ken of dezelve ver landewaarts, off digt aan de zeestranden gevonden mogten werden. Vermits men nu een pariglijk van gevoe„ „len was dat de Tidoreese extirpateurs hoe eer„ „der hoe lieven in een ander denkbeeld gebragt behoorden te werden, besloot men Tidors koning van de onwilligheid zijne onderzaten kannis te geven, en teffens te verzoeken van nadrukkelijke orders aan zijne commissianten te laten afgaan om op de bovengenoemde destricten het specerijgewas te laten uitroeijen op alle plaatzen daar het zelve aange „troffen mogt werden, zoo wel aan de staanden als aan oorden die dieper landewaarts in onwillig zijn Den Manh: capitain Militair „ koopman en fiscaal. Hoofdadministrateur donderk: en soldij Boekhouder _o„ secretaris A 13: Januarij 1774 „sire niet 34: den 13: 151 Het zakelijke bij een Instructie bekend te stellen. naar Tidor benoemts. de Exstirpateurs drie maanden gagie te zenden zijn gelegen, aangezien men uit der commissianten brief moets besluiten, dat er diep in het land veel specerij boomen te vinden zijn: alwaarom men van desgelijken goedrond, bij den koning aan te houden om zijn zoon den kroon prins nogmaals te recomman„ „deeren van eensgezint met onze Commissianten te werk te gaan, en voor al zorg te dragen om geen plaat„ „sen over te slaan, of uittezonderen. Voorts nam de Heer Gouverneur op zig om het zakelijke van deze besluiten bij eene Instructie bekent te stellen: waar na gearresteert wierd om dezelve door Commissianten aan den koning van Tidor te laten voorhouden, en tot het uitvoeren dezer Commissie te benoemen der Leeden dezer Wedel en Meurs tot commissiante Tafiel Wedel en Meurs, die behalven de aangehaalde poincten nog bij den koning zouden moeten bewerken, dats er geene specerij boomen werden uitgeroert. als in tegenswoordigheit van Hollandse extirpateurs oft van burgers, ten welken einde gemelde Commissianten zijn Hoogheit zouden moeten vertoonen, dat Haar Haar Hoog Edelheden op Batavia dit gewigtig werk als vrugteloos en qualijk ondernomen zouden aanmerken indien het zelve onverhoopts buiten Compagnies exstirpateurs wierd verrigt. /:onderstont:/ Aldus Gedaan ende Geresol„ „veert tot Ternaten in't Casteel Orange dato voorschreven /:was geteekent:/ J:s J:s Valckenaer, J: F: Wedel, J=n G: van Raesveld, G: C: Meurs, G: W: Van Renesse, G. Fred„k Hend„k Beijnon. en _ oo wenig als het den Raad verder behaagde dat zommige Tidoreesen, volgens der commissianten berigt, hun werk scheenen te maken om de gemeene Tidoreese exstirpateurs op te stooken, en dus het werk te verhinderen, zoo behaaglijk quam deze Regeering aan de andere kant te voren, der commissianten te kennen gave, dat zij vermeenden het verduisteren van specorijen te kunnen beletten door behulp van, Inlanders, die hun zulks in het hennelijk quamen waarschouwen Eindelijk besloot men om dit gewigtig ex stiapas„ „tie werk door alle bedenkelijke middelen te helpen volvoeren, ten welken einde gearresteert wierd, de Exstiapateurs op hun verzoek, drie maanden van hunne verdiende gage toe te zenden; en hen wijders bij de eerste bequame gelegentheid zoo wel te voorzien van een halve legger strak, om den Inlander gewillig te maken tot den arbeid, als van nog vier militairen diese commissianten schrijven zeer nodig te hebben om het werk te spoediger voortgang te doen nemen soo Saturdag. Januarij 1774:

NL-HaNA_1.04.02_3418_0220 view scan ↗

English

36: 37: 76 153 The Right Honorable Lord Governor and Director of the Moluccas merchant and fiscal junior merchant and interim Chief Administrator Deliberation over a letter from Stephaan order to the commissioners further contents of said letter Saturday the 12th of February 1774: at nine o'clock in the morning, meeting of the Council of Policy. Present Paulus Jacob Valckenaer The Manful Captain-Military Johan Fredrik Wedel and Out. Johan Georg van Raesveld its contents Godfried Carel Meurs Resolution Gerardus Willem van Renesse Nicolaus Dionijsius Mol and Fredrik Hendrik Beijnon ditto and secretary The Council members having assembled, the Lord Governor made known that he had expressly convened this meeting to deliberate over a letter from the commissioners Stephaan and Out, dated the 16th of January, whereby it first appeared not unpleasing to the assembly that since the 20th of December until the 16th of January, a considerable quantity of 11,462 spice trees of various sorts had been cut down by our extirpators. But because the commissioners write very strangely and obscurely about a felled parcel of 2,328 trees, so that from their report it could hardly be ascertained whether the last-mentioned trees had been eradicated solely by the Tidorese extirpators in the absence of ours, or whether our extirpators had been present there, it was resolved to order the commissioners to make the number of eradicated trees known more clearly and plainly in the letters and the daily register henceforth, without leaving us to guess at it: as also to specify each time whether clove or nutmeg trees are being eradicated, since the writer Out seems to have the habit of usually mentioning what was eradicated only by the general generic name of spice trees. Furthermore, the Members noticed with satisfaction that the village chiefs of Maba had promised to build the necessary forest huts everywhere, and further to conduct themselves in the extirpation work according to the orders of this government: But because their unwillingness to extirpate the bay of Maba further before they had provided themselves with provisions did not agree with those fair-seeming promises; the Council members resolved to write to the Commissioners to persuade these peoples if possible to first help complete their region entirely, before the other districts of Maba, Doti, Messa, and Waitsele were begun. Furthermore, the Council members were of the opinion that if the young king of Tidor truly occupied himself with fishing as often as the commissioners report, his presence could then bring little trees benefit to the extirpation work; it being moreover noted that because he was inclined to return again to Tidor, it would be very difficult to keep him on Maba against his will: to which was added that the Prince had promised to give good orders upon his departure to have the work performed with the required accuracy even in his absence. For which reasons it was resolved to write to the Commissioners that if they saw no chance of making said Prince remain on Maba, they could announce to him that the Council left it to his choice to remain there or to return again with his retinue to Tidor: provided that they, the commissioners, in the event of the Prince's departure, kept the required careful supervision over the progress of the extirpation work. 38: 695 77 155 To provision the extirpators, and to reinforce their number with sending of the alongside mentioned of this content Report of Wedel and Meurs. Hereupon it was resolved, at their request, both to provide the Commissioners with rations for six months, and to reinforce them with a corporal and two private soldiers, and at the same time, according to the resolution taken on the 13th of the past month of January, to send them half a leaguer of arrack as well as six pieces of Guinea cloth, common bleached Coast, and three ditto brown blue, to serve as small gifts to natives who render any service to ours, as it was also resolved, for the promotion of the extirpation to Maba, also to send them axes and parangs, a number of 150 pieces of chopping axes, and 200 Amboinese parangs, these goods to be transported thither by the pantjallang the Caneelboom, which vessel it was thought fit to let remain at Maba for the time being for the security of the extirpators, since the pantjallang het Genoegen, which recently returned from there, was not in a state to undertake the voyage again to the aforementioned district on account of severe leakage. Next, a written Report of the Members of this Council, Wedel and Meurs, concerning the commission assigned to them by separate Resolution of the 13th of January last, being produced by the Lord Governor, this paper was upon reading found to be of this content: To the Right Honorable Lord Paulus Jacob Valckenaer Governor and Director of the Moluccas Right Honorable Lord The undersigned, charged by Your Right Honor with a commission to the Court of Tidor, set out on the journey thither with the government boat on the 15th of this month between five and six o'clock in the evening, after receiving a written instruction prepared for them for that purpose; but due to adverse wind and current, did not arrive there before eight o'clock in the morning. Having immediately notified the King of their arrival through the under-interpreter who accompanied them, and at the same time requested to know when His Highness would be pleased to admit them to an audience, the monarch thereupon gave as answer Maba ditto

Dutch transcription

36: 37: 76 153 Den WelEdelen Agtbaren Heer Gou„ „verneur en Directeur der Molucoos „ koopman en fiscaal „ onderkoopman en prointerim Hoofd administrateur Besorgne over een brief van Stephaan ordre aan de commissianten verdere inhoud van gemelde brieff Saturdag den 12:' Februarij 1774: smorgens ten negen uuren vergade„ „ring van Polities. Presents Paulus Jacob Valckenaer Johan Fredrik Wedel Johan Georg van Raesveld Godfried Carel Meurs Gerardus Willem van Renesse Nicolaus Dionijsius Mol en Fredrik Hendrik Beijnon _o en secretaris De Raadsleden te zamen gekomen zijnde gaff de Heer Gouverneur te kennen deze vergadering expres belegt te hebben om te besoigneren over een brieff van de commissianten Stephaan en Out, de dato 16: Januarij waar bij de vergadering in de eerste plaats niet onaangenaam te voren quam, dat 'er zedert den 20: December tot den 16: Januarij, door onze exstirpateurs waren ter neder gevelt een aanzienlijke mee„ „nigte van 11462: specerij-boomen in zoorts. Dog dewijl de commissianten zeer misselijk en duister schrijven over eene omgevelde partij van 2328: boomen, zoo dato uit derzelver berigt bij kans niet konde werden nage„ „gaan, op der laastgemelde boomen alleen door de Tidoreese extirpateurs waren uitgeroect, in afwezentheid van de onzen, dan of onze extirpateurs daar bij present waren geweest, zoo wierd goedgevonden de commissi„ anten te ordonneeren om het getal der uitgeroerde den onderkoorden solij behouder bomen voortaan duidelijker en klaarder bij de brieven en het Dagregister bekent te stellen, zonder ons daar na te laten raden: zoo meede om telkens te specificeeren, off er noote dan we nagel bomen werden uitgeroeit, aangezien de schrijver Out de gewoonte schijnt te hebben van het uitgereeide doorgaans maar met de algemeene geslagt naam van specerij boomen te benoemen Wijders ontwaarden de Leden niet genoegen, dat de dorpshoofden van Maba belooft hadden om olomme de nodige Bosckhuisen op te bouwen, en zig verders in het extirpatie werk na de ordres dezer regering te zulle rigten: Dog dewijl met die schoonschijnende be„ „loften niet over een stemde derselve onwilligheit om de kogt van Mabad verder te exstrapeeren, voor en al eer zij zig van mondkost hadden voorzien; besloten de Raadsleden de Commissianten aan te schrijven, van de„ „ze volkren des doenlijk over te haalen, om hunne land „streek eerst geheel te helpen afwerken, voor dat de andere districten van Maba, Doti, Messa„ en Waitsele begonnen werden. Voors waren de Raadsleden van gevoelen, dat als de jnge koning van Tider zig wezentlijk zoo dikwils met vissen ophield, als de commissianten melden, desselfs presentie als dan weinig bomen nut Den Manh: Capitain Militair en out. dies inhoud Besluit 38: 695 77 155 De Exstirpateurs te randsoeneeren, en hun getal te versterken met toezending van het nevenstaan„ I van dezen inhoud Rapport van wedel en Muurs. nut aan het extirpatie werk konde toebrengen; werdende daar en boven nog aangemerkt, dat dewijl hij genegen hies van den adja andeae aar ond was om wederom na Tidor te keeren, het zeer beswaar„ „lijk zoude vallen hem tegen zijn wil op Maba te houden: waar bij nog quam, dat de Prins belooft had, van bij zijn vertrek goede ordres te zullen geven om het werk zelfs in zijne absentie met de vereischte nauw„ „keurigheit te laten verrigten. Om welke redenen beslo„ „ten wierd de Commissianten te schrijven, dat zoo zij geen kans zagen gemelden Prins op Maba te doen ver„ „blijven, zij den zelven konden aankundigen dat de Raad aan zijne keuse overliet om aldaar te blijven, off met zijn gevolg weder naar Tidor te keeren: mits dat zij commissianten, in geval van des Prinssen vertrek, de vereischte naukeurige toezigt namen op den voort„ „gang van het Exstirpatie werk. Hier op wierd gearresteert te Commissianten, op hun verzoek zoo wel te voorzien met randsoen voor ses maanden, als te versterken met een corporaal en twee gemeene Militairen, en hen teffens volgens geno„ „nen besluit op den 13: der gepasseerde maand Januarij toe te zenden een halve legger Arak zoo mede ses p„s Guinees gemeen gebleekt Cust en drie „ _o bruin blaeuw om te doenen tot geschenkjes aan inlanders die de onzen eenige dienst komen te bewijzen, gelijk ook besloten wierd, tot bevordering der exstirpatie na De ondergeteekende door uwel Edele Agtbare gechargeerd met een commissie naar het Hof van Tidor, hebben zig den 15: dezer 's avonds tusschen vijf en ses uuren, na den ontfang van een schriftelij„ „ke Instructie, tot dat einde voor hen vervaardigd, met de lands schuit derwaards op reijs begeven; dog zijn door tegenspoed van wind en stroom, niet voor agt uuden 'sogtens aldaar aangekomen Den koning al aanstonds door den ondertolk, die hen verzelde, van hunne aankomst hebbende laten kennis geeven, en te gelijk ver„ „zoeken om te mogen weten wanneer zijn Hoogheid hen ter adien„ „tie geliefde te admitteeren, heeft de vorst daar op tot bescheit Hen ock bij len en pedakken te zenden Maba te zenden een getal van 150: p„s kapbijlen, en 200: Ambonse Parrangs, zullende deze goederen der„ „waarts werden overgebragt door de Pantjallang de Caneelboom, welk vaartuig men goedvond om voor eerst tot beveiliging der Exstiapateurs, op Ma„ „ba te laten verblijven vermits de Jongst van daar te rug gekomene Pantjallang het Genoegen wegens zware lekkagie niet in staat was om de reise wederom naar meergemelde Fiavrees detrict te onderneemen. Vervolgens door den Heer Gouverneur geproduceert werdende een schriftelijk Rapport van de Leden dezes Raads Wedel, en Meurs, betrek„ „kelijk tot de hen opgelegde commissie bij aparte Resolutie van den 13: Januarij Jongstleden, wierd dit papier bij lecture bevonden te zijn van dezen inhoudh. Aan den wel Edelen Agtb: Heer Paulus Jacob Valckenaer Gouverneur en Directeur der Molucoos Wel Edele Agtbare Heer Maba _o

NL-HaNA_1.04.02_3418_0222 view scan ↗

English

40 41: 157 78 Good inclination of the King of Tidore toward the progress of the extirpation work. had them informed that he would have them fetched in the afternoon by two of his grandees of the realm. Who then indeed appearing at their quarters in the afternoon at about half past five, namely the gogugu and one of the King's Captains, subsequently introduced them to the King in his dalem. Where, after due reverences in the name of this Government, they expressed their gratitude to the monarch, who was accompanied by a multitude of grandees of the realm, for the communication made concerning the death of His Highness's nephew, Prince Imhoff, son of the late former King, and on account of that death offered him, having paid the compliment of condolences, as a mourning gift: 1 piece of Guinea cloth, fine bleached, Coast 2 pieces of Morisse, common bleached, ditto 4 pieces of Bethilles Cangams 2 lb of spices in kind, and 3 lb of Pepper. All of which being exceptionally pleasing to the King, the monarch, regarding the condolence offered, merely replied that dying was the way of all flesh, further expressing thanks to the Government as well for the gift as for the observance of that custom. Subsequently, after a brief intermission, being asked by the monarch whether they had other matters to propose, they communicated to him that Your Right Honourable Worship had received word from the Commissioners on Maba that good order was currently observed in the spice extirpation, but that nevertheless some of His Highness's subjects raised difficulties about also rooting out the spice trees in places inland, and therefore maintained that they only needed to work through the lands along the seashore. Wherefore, having presented to the King in fitting terms the high necessity of also penetrating inland, they had requested him to issue orders to his Commissioners on Maba, Weda, and Patani to root out the spice crops everywhere there, and in particular earnestly to recommend his son, the Raja Muda, to act in unison with the Commissioners Stephaan and Out, to leave no places unvisited, and not to fell or root out the spice trees except in the presence of Dutch extirpators or burghers, since these men must take the oath for their performance after the extirpation is completed; and Their High Mightinesses would also consider that important work fruitless if it were performed without such extirpators. Whereupon the King replied that it was indeed pleasing to him to hear that good order was currently observed in the extirpation work on Maba, but that he nonetheless could not fathom how his subjects had arrived at such a mistaken notion that they only needed to extirpate along the seashores, whereas previously it had always been customary to extirpate inland as well, even without exempting or skipping a single place. Wherefore the monarch promised strictly to address both the Raja Muda his son and the other Tidorese Commissioners regarding this by letter, and at the same time most emphatically to admonish them to leave no places unvisited, whatever their situation might be; to act in good faith during the destruction; always to work unanimously with the Company's Commissioners; and nowhere to extirpate except in the presence of Dutch or burgher extirpators, as His Highness was also well aware that these men must take the oath for the uprooted spice crops. Whereby, to the satisfaction of this assembly, it became evident that the said Commissioners had found the King of Tidore inclined and willing to have the extirpation carried out with proper diligence, to such an extent that His Highness had even promised strictly to address his Commissioners concerning their unwillingness, and to admonish them to search all spice places thoroughly, to act in good faith during this work, and nowhere to extirpate except in the presence of the Company's Servants or of burghers; from which good promises it was resolved to await the outcome, and at the same time to keep this record of it. Thus done and resolved in Ternate in Castle Orange on the date aforesaid. Was signed: P: J: Valckenaar, J: F: Wedel, J: G: V: Raesveld, G: C: Meurs, G: W: V: Renesse, N: D: Mol, and F: H: Beijnon. Thursday All of which requisites the undersigned are firmly assured by the former secretary Abdul Raouf, now elevated to the high dignity of Qadi, will be carried into execution as soon as possible. The undersigned, having thereupon requested their leave, were unable to obtain it, as the King ordered them to remain with him that evening and, if they saw fit, to amuse themselves with dancing and other entertainments; so that, quite late in the night, after mutual courtesies and a friendly greeting from the King to Your Right Honourable Worship, they departed from there and returned here in the morning. This being the outcome of their commission, they hope that it may satisfy the intention and purpose of Your Right Honourable Worship, and take the liberty to subscribe themselves with profound respect. Underneath was written: Right Honourable Worshipful Sir. Lower: Your Right Honourable Worship's most humble Servants. Was signed: I: F: Wedel and G: C: Meurs. In the margin: Ternate in Castle Orange, the 17th of January Anno 1774.

Dutch transcription

40 41: 157 78 Goede neiging van Tidors Koning to den voortgang van 't Extirp actie laten brengen dat hij hen s agtermiddags door twee zijner Rijktgrooten zou laten afhalen. Die dan ook 'snamiddags circa om halff zes tot harent verschijnende, na„ „mentlijk den goegoegoe, in eenen van 'skonings Capitainen, hun daar op den koning in zijn dalm hebben geintroduceert. Alwaar zij na behoorlijke reverentien uit naam dezer Regeering de vorst die verzelt was met een menigte Rijksgroten hebben dank betuigt voor de gedane Communicatie wegens het overlijden van zijn Hoogheids Neef Prins Imhoff zoon van wijlen den laatste Koning, en aan denzelven wegens dat sterfgeval aangeboden 1: p„s Guinees fijn gebleekt Cust 2: „ Moerissen gemeen gebleekt _„o 4: „ Bethilles Cangams 2: lb: specerijen in zoort en 3: „ Peeper. Welk een en ander de koning bijzonder aangenaam zijnde, heeft de vorst ten aanzien van het gedaane Rouw beklag eenlijk geantwoord dat het sterve den weg van alle vleesch was; de Regeering wijders dank betuigende zoo wel voor het geschenk, als wegens de onderhouding van dat gebruik Vervolgens na een weinig intermissie, van den vorst gevraagt zijnde, of nog andere zaken hadden voortestellen, hebben zij denzelven communicatie gege„ „ven dat Uwel Edele Agtb: van de Commissianten op Mabas narigt had beko„ „men, dat de thans in de specerij Eystirpatie een goede ordre wierd geobser„ „veert, dog dat niet te min enige van zijn Hoogheids onderdanen swarigheit maakten om de specerijeboomen mede op plaatzen binnens lands uitterveijen, en daarom susti„ „neerden dat zij de landen langs het zee strand, maar alleen behoefden aftewerken: Alwaarom zij den koning in gepaste termen hebbende voorgehouden, de hooge nood„ „zakelijkheid om mede landwaarts in te dringen, hadden zij denzelven verzogt om ordres aan zijne Commissianten op Maba, Weda en Pattanij te laten afgaan ten einde het specerij gewas aldaar allerwegens uitteroeijen, En in het bijzonder zijn zoon den Radja Moeda ernstig te recommandeeren, om eens gekint met de com„ „missianten Stephaan en out, te werk te gaan, geene plaatsen onbezogt te laten, en de specerijboomen niet dan ten bij wezen van Hollandse Exstirpateurs of bur„ „gers om te vellen of uitteroeijen, aangezien deze menschen na volbragte Exstirpatie, voor hunne verwigting den Eed moeten afleggen; en Hunne Hoog Edelheden dat importante werk ook als vrugteloos zouden aanmerken; indien het zonder dusdanige Extirpateurs verrigt was. Waar op den koning heeft geantwoord, dat het hem in zoo verre wel aangenaam was, dat men thans in het Extirpatie werk op Maba een goede ordre in agt nam, dog dat hij nogtans niet kon beseffen, hoe zijne onderdanen in zoo een verkeerd denk„ „beeld waren geraakt, dat ze maar alleen langs de zee stranden behoefden te extirpeeren, daar het bevorens nogtans altoos in gebruik was geweest, dat men ook landwaarts in extiapeerde, zelfs zonder een enkele plaats uit te zonderen of over te slaan, weshalven de vorst beloofde, zoo wel de Radja moeda zijn zoon, als de verdere Tidoreese Commissianten dies wegens scherpelijk per missive te zullen onder„ „houden; en teffens op het nadrukkelijkste te vermanen, om geene plaatzen hoe der„ derzelver situatie ook mag zijn, onbezogt te laten, geduurende de Destrictie ter goeder trouwe te handelen; met de Compagnies Commissianten steeds una„ „nin te werk te gaan; en wergens te extirpeeren dan ter presentie van Hollandse het Compliment van Coridoleances afgelegt hebbende tot een rouw geschenk Waar bij tot genoegen dezer vergadering quam te Consteeren, dat gemelde Commissianten den Koning van Tidor genegen en bereidwillig hadden gevonden om de extirpatie met be„ „hoorlijke zorgvuldigheit te laten geschieden, in zoo verre dat zijn Hoogheid zelfs hadde belooft zijne Commissianten scherpelijk over hunne onwilligheit te zullen onderhouden, en vermanen om alle specerij plaatzen exact te doorzoeken, geduurende dit werk ter goeder trouwe tet handelen en nergens te erxtirpeeren als in presentie van Compagnies Dienaren ofte van burgers van welke goede beloften men besloot de uitwerking aftewagten, en daar van teffens deze aantekening te houden. Aldus Gedaan ende Geresol„ /:onderstont:/ „reert tot Ternaten in 't Casteel Orange dato voorschreven /:was geteekent:/ P: J: Valckenaar J: F: Wedel, J: G: V: Raesveld, G: C: Meurs, G: W: V: Renesse, N: D: Mol, en F: H: Beijnon Donderdag of burger Extirpateurs, dewijl het zijn Hoogheid mede wel bewust was dat deze menschen voor het uitgevoeide specerij gewas den Eed moeten afleggen Alle welke requisiten de ondergeteekenden door den gewezen secretaris Abdul Raouf thans verheren tot hooge waardigheid, van Cali, vast verzekert zijn dat ten spoedigsten zullen werden ter uitvoer gebragt. De ondergeteekenden hier meede hun afscheid verzogt hebbende hadden zij het zelve niet kunnen bekomen, dewijl de koning hen bevel dien avond bij hem te verblijven, en zig des goedvindende met danssen en andere anusementen, te di„ „verteeren, zoo dat dezelve vrijlaat in den nagt na weder zijdse pligtplegin„ „gen, en een vriendelijke groetenis van de koning aan Uwel Edele Agtbare, van daar vertrokken, en 'smorgens alhier te rug gekomen zijn. Dit dan uitslag hunner Commissie zijnde verhopen zij dat zulks aan de intentie en het oogmerk van uwel Edele Agtbares zal mogen voldoen, en nemen de vrij„ „haid zig met diepen eerbied te onderschrijven. /:onderstont:/ Wel Edele Agtbare Heer /:lager:/ uwel Edele Agtbares zeer onder„ „danige Dienaren /:was geteekent:/ I: F: Weldel, en G: C: Meurs. /:in margine:/ Ternate in't Casteel orange den 17:' Januarij A„o 1774: — werk.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0223 view scan ↗

English

42 43: 159 71 Governor and Director of the Moluccas Senior Merchant and Fiscal Junior Merchant and Interim Chief Administrator the Junior Merchant Pay Bookkeeper Deliberation on two letters from Stephaan Further contents of those letters Thursday the 3rd of March 1774 in the morning at nine o'clock Meeting of the Council of Policy Present Jacob Valckenaer Johan Fredrik Wedel Johan Georg van Raesveld Goufried Carel Meurs Gerrardus Willem van Renesse Nicolaus Dionijsius Mol and Fredrik Hendrik Beijnon The Honorable Lord Governor Paulus and Secretary The members having assembled, and the prayer having been performed, they proceeded to the deliberation of two letters from the Commissioners Stephaan and Out dated the 28th of January and the 16th of February, which had already previously been circulated among the members for reading. The same now expressing their satisfaction, How many spice trees and again since from both of these letters they had observed that in the span of 34 days there had again been eradicated a number of 16,124 spice trees; thus now since the beginning of the extirpation, or from the 23rd of November until the 18th of February, there had already been felled and destroyed a considerable quantity of 30,784 spice nutmeg trees of various sorts. Because the Council members furthermore persisted in their opinion that it was better that the Maba district were now finished in one go, rather than leaving the same incomplete, and meanwhile making a beginning with the destruction of Wedar, the same thought that the Young King of Tidor, as well as the Maba chiefs, ought to be urged in the strongest terms by the Commissioners to have the work now begun on Maba completed in one go without leaving any parts of the districts unfinished, because thereby later again new trouble and expenses would be caused: For which reason they were still of the opinion that it was well done to have orders sent out to the Commissioners to urge the Young King, as well as the above-mentioned Maba chiefs, continuously to a diligent vigilance, as had already been done in the outgoing missive of this Government of the 1st of this month. As it appeared from the Commissioners' latest letter of the 18th of February that their representations to the Young King had had a good effect, since the said monarch had shown himself very willing to comply in all parts with our intentions, this report was not displeasing to the Council, just as it pleased them even more that of Because The Military Captain the 3rd of March 1774 44: folio 61 That the Radja of Salwatti is said to have been arrested by the Young King is contradicted by the writer Tahani. defer The Prince of a small barrel of gunpowder the monarch's intention to proceed to Tidor nothing further was mentioned, because one deduced from this that he had abandoned this plan. When one subsequently came to speak of what was communicated regarding the Radja of Salwatti, who was held under arrest by the Tidorese Crown Prince; the Council members expressed their astonishment at this news, because one had never heard that this present little king of Salwatti had been guilty of any misdemeanor of piracy, but indeed his predatory Salwatti subjects had: whereupon the Governor gave it to be understood that the writer Tahani who had brought this letter had informed His Honour that the Commissioners had expressed themselves poorly according to the apprehension of the little Salwatti king, since the same, according to the statement of Tahani, had gone to the Crown Prince of his own accord, and requested to be allowed to remain with him, because he otherwise feared being held complicit in the misdeeds that were committed by the Salwattiers, and which he could not possibly prevent: which story did not appear improbable to the Council, when one recalled that the repeatedly mentioned little king, Which of both reports to believe named Oempaijman, appeared to the former Papuan Commissioners Hemmekam and Waker to be a very well-meaning person, what in that regard: underneath was written: Thus Done and Resolved at Ternate in Castle Orange on the date aforesaid was signed: P. J. Valckenaer, J. F. Wedel, J. G. van Raesveld, G. C. Meurs, G. W. van Renesse, N. D. Mol, and F. Hk Beijnon who had made many weighty and faithful disclosures to them in the year 1771, as can be seen more broadly from the Commissioners' daily journal of the 25th of July 1771 and the annexes pertaining thereto: Wherefore it was agreed to write to the Extirpation Commissioners that, notwithstanding the probable innocence of the little Salwatti king, we nevertheless were of the opinion that it was not a bad thing that the same was detained by the Crown Prince, although we would much rather have seen that the chief little king of Waigeo had flown into the candle; wherefore it was decided to order the said Commissioners to do their best to have the said pirate and the other vagabonding Papuan grandees, by the help of the Tidorese, seized by the head, to which end it was agreed to provide the Crown Prince, upon his request, with a small barrel of Gunpowder, to be used on the Tidorese korakorras that the said Crown Prince intended to send against the Salwatti and Waigeo pirates, this Gunpowder to be written off on account of the spice extirpation. the 3rd of March 1774 continuation to provide

Dutch transcription

42 43: 159 7i „neur en Directeur der Moluccos „. koopman en fiscaal „ onderkoopman en Prointerim Hoofd administrateur den ondert ie soldij boekouder Besoigne over twee brieven van Stephaan Verdere inhoud dier brieven Donderdag den 3: Maart 1774: 'smorgens ten negen uuren Vergadering van Politie Present Jacob Valckenaer Johan Fredrik Wedel Johan Georg van Raeesveld Meurs Goufried Carel Gerrardus Willem van Renesse Nicolaus Dionijsius Mol en Fredrik Hendrik Beijnon Den wel Edele Agtb: Heer Gouver Paulus _o en Secretaris De leeden bij een gekomen, en het gebed verrigt zijnde, trad man ter besoigne van twee brieven van de commissianten stephaan en out de datis 28: Januarij en 16: Februa „rij welke reets bevorens bij de leden waren rondgezon„ „den om te lezen. Gevende dezelve thans hun genoegen te kennen, Hooe veel specerijboomen en weder zijn vermits uit deze beide brieven ontwaard hadden, dat er in den tijd van 34: dagen weder was uitgeroert een getal van 16124: – specerij-bomen; dus nu zedert den aanvang der exstirpatie, of van den 23: November tot aan den 18: Februarij, reets waren omgeveld en vernielt eene Considerabele quantiteit van 30784:— specerij Noote boomen in zoort Dewijl de Raadsleden wijders bleven persisteeren bij hun gevoelen, dat het beter was het Mabase destrict thans in eene reis wierde afgewerkt, als dat het zelver onvoltooit gelaten, en intusschen een aanvang met de destructie van wedar wierd gemaakt, zoo dagte dezelve dat de Jonge koning van Tidor, zoo wel als de Mabareese opper„ „hoofden, op het kragtigste door de Commissianten behoorden te werden aangemaand, om het thans begonnen werk op Maba in eens te laten voleindigen zonder eenige gedeeltens van landstreken onafgedaan te laten, der„ „wijl daar door naderhand wederom nieuwer moeite en kosten zouden veroorzaakt werden: Weshalven men als nog van gedagten was welgedaan te hebben van orders aan de Commissianten te laten afgaan om den Jongen Koning, mitsgaders des bovengemelde Mabarese opperhoofden, bij Continuatie tot eene naarstige vigi „lantie aan te spooren, zoo als reets bij de af„ „gaande missive dezer Regeering van den 1:e de„ zer is geschiet. Bij der Commissianten laatste brieff van den 18: Februarij komende te blyken, dat derzelver vertoogen bij den Jongen Koning een goede uitwerking hadden gehad, vermits ge„ „melde vorst zig zeer bereidwillig hadde getoont om zig in allen deele na onze intenties te schikken, was dit berigt den Raad niet onaangenaam, gelijk het dezelves nog beter behaagde dat er van Dewijl Den Mant: Capitain Militair den 3. Maart 1774: 44: fo 61 Dat den Radja van salwatti door den Jongen koning zou zijn gearresteert word door den schrijver Tahani tegen„ „gespacken. defereeren De prins van een vaatje buskruit des vorsten voornemen, om zig na Tidor te begeven niets verder wierde gemelt, vermits men daar uit afleidde; dat hij van dit dessen hadde afgezien. vy ye Wanneer men vervolgens quam te spreeken op het gecommuniceerde wegens de Radje van Sal„ „walti, die door den Tidoreese Kroon Prins in arrest wierd gehouden; gaven de Raadsleden hunne verwondering over deze tijding te kennen, dewijl men nimmer had ge„ „hoort dat dit tegenswoordig Koningje van salwatti zig aan eenig wanbedrijf tot roverij hadde schuldig gemaakt, maar wel zijne hoofzugtige salwattise onderdanen: waar op de Gouverneur te verstaan gafs, dat de schrijver Tahami die dezen brief hadde aangebragt zijn Ed: hadde verwittigt, dat de commissianten zig volgens de apprehensie van het salwatties koningje qualijk hadden uitgedrukt, vermits dezelve zig, volgens het zeggen van Tahani, uit zigen motief bij den kroon Prins hadde begeven, en verzogt om bij den zelven te mogen verblijven, vermits hij anders vreesde als mede„ „pligtig te werden gehouden aan de euveldaden, die door de salwattiers wierden bedreven, en dewel„ „kes hij onmogelijk konde beletten: welk verhaal de Raad niet onwaarschijnlijk te vooren quam, als men zig te binnen bragt dat meermeld koningje Welke van beide berigten geloof te Oempaijman genaamt, de gewesene Papoese Commissianten Hemmekam en Waker als een zeer wel meenend persoon is voorgekomen wat dieswegens: (:onderstont:/ Aldus Gedaan en Geresolveert tot Ternaten in't Casteel Orange dato voorschreeven /:was geteekent:/ P„s I: Valckenaar, J: F: Wedel, J: G: V: Raes„ „reld, G: C: Meirrs, G: W: van Renesse N: D: Mol, en F: H=k Beijnon die henlieden in den jaare 1771: veele gewigtige en trouker„ „tige openbaringen hadde gedaan, gelijk breeder uit den Com„ „missianten dag verhaal van den 25: Julij 1741: en des daar toe specteerende bijlagen is te zien: Alwaarom verstaan wierd de Extirpatie Commissianten te schrijven, dat wij niet tegenstaande de waarschijnelijke onschuld van het salwatties Koningje, nogtans van gedagten waren het niet quaad te zijn, dat dezelve door den kroon prins wierd aangehouden, hoewel wij veel liever zouden hebben gezien dat het hooft koningje van Waigeeuw in de kaars was gevlogen; alwaarom besloten wierd de genoemde commissianten te gelasten van hun best te doen om gemelden Rover en des verdere ragabonderende Papoese grooten, door behulp van de Tidoresen, te doen bij de kop vatten, ten welke einde verstaan is den kroon Prins, op zijn verzoek, van een vaatie Buskruit te voorzien, om te gebruiken op de Tidoreese Corra Corras, die gemelde kroon Prins voornemens was op de salwattise en waaigeeuw„ „se rovers aftezenden zullende dit Buskruit, op reeke „ning van specerij exstirpatie werden afgeschreven die 3: Maart 1774 vervolg te voorzien - -

NL-HaNA_1.04.02_3418_0225 view scan ↗

English

81163 the 25th of May 1774 The Right Honorable Lord Governor and Director of the Moluccas The head merchant and Chief Administrator Captain-Commandant Ditto, Secretary Paulus Jacob Valckenaer, Godfried Carel Meurs, Johan Fredrik Wedel, Johan Georg van Raesveld, Jan Witewaal, Gerardus Willem van Renesse, Nicolaus Dionysius Mol, Fredrik Hendrik Beijnon, Francois Bartholomeus Hemmekam. A Pay Bookkeeper Merchant and Fiscal Junior Merchant Ditto and Resident of Gorontalo Ditto and Shopkeeper Wednesday the 25th of May 1774: In the morning at nine o'clock, meeting of the Council of Policy. Present: [illegible] At the opening of the meeting, the Lord Governor reminded the other members of the Council how the former commissioners Hemmekam and Wakker, in the year 1771 upon their return from the Papuan Islands, had reported to this Council that a certain native had revealed to them that on the Poelo Kakeks, and especially on the largest of these small islands, many spice trees were said to grow. For which reason the commissioners Semnet and Lippens, who visited the island of Pisang in the year 1773, had instructions to search and clear these small islands; which undertaking, however, could not be carried out because of the sullen unwillingness of the Tidorese, who under all kinds of frivolous pretexts refused to lend our people a helping hand in this. However, since Their High Mightinesses were extremely vexed by this unwillingness, and made their displeasure on this account very clearly known in the last letter to the King of Tidore, the Lord Governor recently had a proposal made to the said ruler through a Postholder of Tidore to undertake an extirpation expedition to the Poelo Kakek. This had the result that His Highness thereupon immediately sent the Kali Abdul Raoutf hither with the message that His Highness agreed to this expedition, and undertook to send a large corocoro here after the expiration of twenty-six days, which will be in about a month, to collect our extirpators. Whereby His Highness also had the Lord Governor informed that most of his vessels were currently being used by the extirpators on Maba, and he therefore could not employ more than one large corocoro for this spice expedition, wherefore he requested that on our side no more than four to five soldiers, together with a non-commissioned officer, might be appointed to conduct the said spice inspection, since he thought that this number was entirely sufficient to ensure that the inspection on these very small islands was properly carried out. Which message having been extensively deliberated upon, it was felt that the king's statements regarding the smallness of these islets and the small number of extirpators required for them were indeed true, wherefore it was resolved to conform to the ruler's proposal, and in accordance therewith to appoint a capable corporal together with five common soldiers who were experienced in the extirpation work, with orders to hold themselves ready towards the 20th of the coming month of June to be able to undertake the journey with the Tidorese to the Poelo Kakeks; it being likewise understood that the said extirpators shall be provided with rations for two months, and that a clear and appropriate instruction for guidance shall be handed to the commanding corporal upon his departure. After this, the Council proceeded to the examination of two letters from the Maba extirpators Stephanus and Out, dated the 28th of April and the 8th of this month, both of which had recently been received here shortly after one another, by which the Council noted to its satisfaction that the extirpation work was continuously making reasonably prosperous progress, to such an extent that since the beginning of the extirpation up to the 8th of May, there had already been eradicated in the two completed Maba districts a considerable number of 39,915 nutmeg trees, together with 536 clove trees of various sorts. And although the notification of the departure of the Tidorese Crown Prince to Patani did not please the Council, since they would rather have seen him attend the extirpation work until the very end, it was nevertheless very pleasant on the other hand to learn from the commissioners that the work did not suffer the slightest disadvantage from his absence, but indeed, on the contrary, was continued with just as great zeal since his departure. Furthermore, it was also considered well done that the commissioners had found the means to keep this work going with four troops, and had thereby made a beginning with the eradication of the northern part of Maba; which last Maba district, according to their letter of the 28th of April, would also be completed after the expiration of eight to ten weeks, when they planned to proceed to Weda in order to make a beginning with the eradication there. It was likewise resolved to note herewith that the [illegible] sergeant [illegible] May 1774.

Dutch transcription

81163 den 25 Mey 1774 Den Wel Edelen Agtbaren Heer Gou„ „verneur en Directeur der Molucoos Den ht: koopman en Hoofd admi„ „ kapitain kommandant _o „ Secretaris secerij bomen ontdekking van op het grotste Der kaker „pateuas met en Corra Carra laten afhallen dog nieuw nu met behulp „der Tidoreese staan vermelt te Paulus Iacob Valckenaer, Godfried Carel Meurs, Johan Fredrik Wedel, Johan Georg van Raesveld, Jan Witewaal, Gerardus Willem van Renesse, Nicolaus Dionijsius Mol, Fredrik Hendrik Beijnon Francois Bartholomeus Hemmekam Bij het aangaan der vergadering herinnerde de Heer Gou„ „verneur de verdere Raadsleden, hoe de gewesene Commissianten Hem„ „mekam en Wakker in den Jare 171: bij haare terug koomst uit de Papoese Eilanden aan deze Raad hadden gedapporteert, dat ze„ „ker inlander hen geopenbaart had, dat 'er op de Poelo kakeks, en inzonderheit op het grootste dezer Eilandjes, veele specerij bo„ „men zouden groeien: Om welke reden de Commissianten semnet en Lippens, die het Eiland Pisang in den jaare Een soldij Boekhouder „ koopman en fiscaal „ onderkoopman Woensdag den 25 Meij 1774: 'S morgens te negen uuren vergadering van Politie Present ij easten eget 3 van te ein esonte hebeng seete, ede e an „datis hebben gehad, om deze Eilandjes te doorzoeken en aftewerken; dog welk voornemen niet uitgevoert heeft kunnen werden, we„ „gens de norse onwilligheit der Tidoreesen, die onder aller hande fri„ „voole voorwendzels hebben geweigert de onzen hier in de behulpzaame hand te bieden. Dan dewijl Haar Hoog Edelheden zig over deze on„ „willigheit ten hoogsten geërgert, en hun misnoegen dieswegens zeer diudelijk bij de laatste brief aan den koning van Tidor hebben te kennen gegeven, hadde de Heer Gouverneur gemelden vorst door een Posthouder van Tidor nu onlangs laten voorslaan, om een exstrpatie sogt na de Poelo Rakekt te ondernemen het geen van dat gevolg was gewees, dat zijn Hoogheit hier op terstond den kali Abdul Raoutf hadde herwaarts gezonden met de boodschap dat zijn Hoogheit in dezen togt bewilligde, en aannam om na ver„ „loop van zes en twintiglagen, tat circa over een maand zal zijn: een groote Corra Corra herwaarts te zenden om onze exstlipateurs aftehaalen: waar bij zijn Hoogheit den Heer Gouverneur ook Tidars koning sal de Extir hadde laten weeten, dat zijne meeste vaartuigen thans bij de Eystirpateurs op Maba gebesigt werden, en hij daarom niet meer als een groote Corra Corra tot deze specerij togt konde em„ „ploijeeren, weshalven verzogt dat er van onze zijde niet boven de Vier â vijff soldaten, benevens een ander Oofficier, tot het doen van gemelde specerij visite benoemt mogten werden, aangezien 1773 hy „nistrateur „ _o on Gorontaals resident „ _o „ Winkelier Eijlan worden. 3 8 765 25 den een Corp=l en 4 zoldaaten. „zaen afrstreekt en een Jnstructie zal afgegeven worden hir Bezaigne over een brief vade Extiruaateurs te mabba ondekking van en naeb booder het zelve het Laatste van gem: dek„ „trectie, staat eersdaags afgewerkt te worden. hoe veel specerij boomen in de gezuit hij dagt dat dit getal volkemert terekende was om toezigt te re„ „men dat de visite behoorlijk op deze zeer kleine eilandjes wierd verrigt. Over welke boodschap breed voerig geraad plegt zijnde, was men van gevoelen dat des konings gezeden wegens de klemste de„ „zer eilandties, en het daar toe benodigde gering getal van oxsterpateurs in waarheit bestond, weshalven men besloot zullende de Extapateurs bestaan in van zig niet des vorsten voorslag te confirmeeren, en ingevolge van dien een bequaam Corporaal benevens vijf gemeene mili„ „tairen te benoemen, die in het exstiipatie werk bedreven waren, met ordre van zig tegens den 20: van de aanstaande maand Junij geraet te houden om de reize met de Tidoreesen, naar de Poelo Kakeks te kunnen ondernamen; werdende van aan dewelke 2: maanden land, desgelijken verstaan om gemelde exstirpateurs van randsoen voor twee maanden te voorzien, en den Commandeeren Corporaal bij zijn vertrek, een duidelijk en gepaste Jnstructie tot narigt uw hand te stellen. Hier na trad men ter besoigne van twee brieven van de Ma„ „base extterpateurs Stephanus en out, de datis 28: April en 8: dezer, welke beide hier nu anlangs kort na den anderen waren ontfangen, waar bij den Raad tot deszelfs genoegen quamt te Consteeren, dat het exstirpatie werk nog bij Continuatie eene redelijke voorspoedige voortgang hadde, in zoo verre dat er zedert het begin der exstirpatie tot op den 8:e Meij reeds naabate discricten, zijn uit„ in de beide afgewerkte Mabase distrecten was uit geroeit een aan„ „zienlijk getal van 39915: – specerij noote boomen, benevens 536: Na„ „gelboomen in zoort. En hoewel de communicatie van het ver„ „trek van den Tidoreesen kroon Prins na Pattani den Raad niet wel aanstond, dewijl men liever gezien zoude hebben dat hij tot het uit einde toe het exstirpatie werk hadden bij gewoont, was het egter aan de andere kant zeer aangenaam van de Com„ „missianten te vernemen, dat ik werk door desselfs absentie geen de minste nadeel lied, ja zelfs in tegendeel zedert zijn Vertrek met even grooten ijver wierd voortgezet. ƒ Voorts wierd mede voor wel gedaan aangemerkt dat de Commissianten het middel hadde weeten te vinden om dit werk met vier troepen aan de gang te houden, en daar mede een aanvang hadden gemaakt met de uit roeijing van het Noor„ „der gedeelte van Maba; welk laatste Mabase district volgens hun schrijven van den 28:e April na verloop van agt. of tien weken mede afgewerkt zoude zijn, wanneer zij staat maakten om zig na Weda te begeven, ten einde aldaar een begin met de uit roeijing te maken. Van desgelijken wierd besloten bij dezen te noteeren dat den p„l nog Sergeant Meij 1774

NL-HaNA_1.04.02_3418_0227 view scan ↗

English

83 167 The 25th of May 1774. The fruits were burned during the meeting. To demand elucidation from the Commissioners regarding the previous gifts offered to the Crown Prince of Tidore. To deliver to the said village chiefs a gift according to previous examples. Sergeant Philip had discovered a clove forest in this northern part along the River Seeu and had eradicated the above-cited quantity of that type of tree there, these being the first cloves of which the Commissioners' letters make mention; and as proof of which they sent over the thickness of the felled trees, of 1 fathom or 6 feet each, together with the samples of the found fruits and leaves; all of which was examined by the Council members, and burned during the meeting, in the presence of both Council members Renesse and Hemmekam. Furthermore, the Commissioners show that the Maba village chiefs had refused to accept the offered gift of 3 pieces of common bleached Guinees and 2½ pieces of dark blue Guinees, pretending that in former times they had enjoyed 8 Guinees and other additional linens. And since the said Commissioners write further that these chiefs had told them that they had drawn nothing from the previous gifts that were sent by this Government, without their mentioning whether other village chiefs or perhaps the Crown Prince of Tidore had taken for himself the linens sent previously, it is thus understood to demand further elucidation from the Commissioners concerning this, in order to take our measures accordingly. Yet, in order not to stem the highly necessary work of extirpation on the other hand through the refusal of some few linens, it was resolved, as well for this consideration as on account of the good testimony that was given of these village chiefs by the members of this Board, to send to them at their insistence as a gift the linens which they claim to have enjoyed in former times for their trouble, with the exception of the 10 blankets specified therein, which quantity was deemed far too excessive; and which one therefore thought fit to reduce to four pieces: thus the gift to be sent would then consist of: 8 pieces of common bleached Coast Guinees 8 men's shirts 4 large blankets 2 rumals From the Commissioners' last letter of the 8th of May it appearing that the Crown Prince of Tidore had raised difficulties against extirpating the land between Aki Senghadje and Wattileo upon the proposal of our people, under the ordinary pretext that the spice crop there had never yet been eradicated, this contention of the young Prince seemed very offensive and groundless to the Council; wherefore one fully approved that the Commissioners, without regarding the Prince's words, had had these named places 84 169 To have the said Prince charged for some taken goods and to let the Commissioners have some things returned. places searched by Corporal Schemering with four burghers, without encountering any spice trees there in the space of five days: and since the Commissioners' secret friends had likewise informed them that no spice trees grew in these places, it was thought fit to write to them, for the prevention of unnecessary trouble and expense, to simply refrain from the further visitation of the repeatedly mentioned districts of Aki Senghadje and Wattileo. Furthermore, it is understood to order the trade officials to let the 15 axes and 51 pedaks which the young King has taken for himself, as well as the shackle bolt with its accessories borrowed from the Commissioners, run on his account within the margins of the extirpation ledger, in order to make a further decision on this once the entire work shall have been performed; while in the meantime another shackle bolt instead of it shall be sent to Maba at the first opportunity. It being likewise resolved to have the cash, which to the sum of 24:16:— rixdollars beyond the forty rixdollars taken along was expended by the Commissioners for the promotion of the extirpation, repaid to them, and to send to them in addition, for further accounting, the same sum of 40 rixdollars, with the recommendation to observe frugality with this as well as with the further linens entrusted to them. The Commissioners shall also at their request be sent the further requested small items, with the demanded rations for three months, and the due wages of the soldiers and burghers for two months instead of for three, since one knew for certain that the men were not so much in need of cash due to the receipt of rations, and it was therefore deemed much more useful that here, according to old custom, a part of the wage remained in arrears, to let the same be received by the extirpators upon their return. When the conversation happened to fall upon the fact that the pajalang De Caneelboom, which had brought one of these letters, had had to undertake the voyage hither because of its broken mast and leakage, and that one had moreover yesterday taken the decision to design this vessel, after repairs made, for the voyage to Gorontalo, to which was added that one presently also began to suffer a very great lack of other vessels, so that at present not a single pajalang here was capable of making the voyage to Maba; it was unanimously approved for the cited reasons to hire for making this voyage to Maba the small sloop of the deceased Resident of Hila, Hemmekam, and to place upon it not the

Dutch transcription

83 167 den 25: Meij 1774. vreegten zijn staande vergode„ ring verbrand. wageven de ad oaen aangebaden afte vorderen wegens de vorige geschenken Prins van Tidra dan denaar zeker destadt te laten bit tegeten Aangemelde opperhoofden een geschenk na vorige exempelen Sergeant Philip in dit Noorder gedeelte aan de Rivier Seeu„ een Nagel bosch antdekt en aldaar de boven aangehaalde quantitet aftegeven van dat zoort van bomen hadde uitgeroeit. zynde dit de eerste na„ „gelen waar van der Commisstanten brieven gewag maaken: en waar van zij tot een bewijs de dikte der amgevelde bomen, van 1: vadem of 6: voeten ieder, mitsgaders de monsters der gevondene vrugten, de overgezandene moonsters der en bladeren over zenden; het geen alles door de Raadsleeden wierd ge-examineert, en staande vergadering verbrand, in praesentie der beide Raadsleden Renesse en Hemmekam. Wijders vertoonen de Commissianten dat de Mabase Dorps„ „hoofden het aangeboden geschenk van 3: p:s Guinees Gemeen Gebleekt, en 2½ p:s Guinees bruin blauw niet hadden wil„ „len accepteeren, voorwendende dat ze in vorige tijden 8: Qui„ „neesen, en meer andere Lijwaten hadden genoten. En dewijl Gemelde Commissianten Verder schrijven, dat deze opperhoofden hen hadden gezegt dat ze niets getrokken hadden van de vo„ „rige geschenken die door deze Regeering waren gezonden, zonder dat ze melden of andere Dorpshoofden, dan wel de de Commissianten elucidatie kroon Prins van Tidor de voormaals gezondene Lijwa„ „ten na zig hadden genomen, zoo is verstaan hier omtrent nadere elicudatie van de Commissianten aftevorderen, ten einde daar na onze maatregulen te nemen. Dog om het hoognodig exstripatie werk aan de andere kant door weigering van eenige weinige lywaten niet te stermmen, is zoo wel om deze Consideratie, als uit hoofde van het goed getuigen is dat van deze dorpshoofden wierd gegeven door de Leden dezer Tafel ge„ „arresteert om op derzelver instantie tot een geschenk aan hen toete„ „zenden de Lijwaten die zae voorgeven in vorige tijden voor hunne moerte te hebben genoten, uitgezondert de daar bij gespecificeerde 10: Cambaarsen of dekens welke quantiteit al te excessijb wierd ge„ „ordeelt; en die men daarom goedvond op vier stuks te reducee„ „ren: dus het te verzenden geschenk dan zoude bestaan in„ 8: p:s Guinees Gemeen gebleekt Cust 8:, Mans Hemden e 4: „ Combaarsen of dekens Groote 2 „ Roemals BEij der Commissanten laatste brief van den 8:e Meij komende te blijken dat de kroon Prins van Tidor zwarigheit hadde, gemaakt om op de propositie der onzen het land tusschen Aki Senghadje en Wattileo te exstirpeeren, onder het ordinaije voorwendzel dat het specerij gewas aldaar nog nooit uit„ „geroeit zoude zijn, zoo quam deze sustenue van den Jongen Vorst den Raad zeer ergerlijk en ongegrond te voren; weshal„ „ven men volkomen approbeerde dat de Commissianten zon„ „der regard te slaan op des Prinssen gezegden, deze opgenoemde og E plaatzen 84 169 Gemelde Prins voor eenige nge geno¬ „tene goederen te laten belasten en alat ge sehommissiante eenige latten restitueeren ngen te plaatzen door den Corporaal Schemering met vier Burgers har„ „den laten voorzoeken, zonder aldaar in vijf dagen tyd eenig specerij a atee dee ge oeden an te treffen: en dewijl der Commissanten geheume vrienden hen mede berigt hadden dat op dit plaatsen geen specerij bommen groei„ „den, wierd goed gevonden hen te schrijven om tot voorkoming van onnodige moeite en kosten, van de verdere visitatie van meermelde districten van Aki Senghadje en Wattileo maar afte zien. Wijders is verstaan de Negotie bedienden te gelasten om de 15: bijlen en 51: pedakken die de Jange koning na zig heeft geno„ „men, zoo mede de van de Commissianten geleende boeij bout met zijn toebehoren, binnenslijns bij de exstirpatie Reekening tot zijnen laste te laten voortlopen, ten einde hier over een nader besluit te nemen als het geheele werk zoude zijn verrigt zullende inmiddels een andere boeij bout in diesstede, bij de eerste gelegentheit na Maba werden gezonden. zijnde van des gelijken besloten om de Contanten, die ter somma van rd„s 24:16:— boven de me„ „de genomene veertig Rijksdaalders, door de Commissianten, tot bevordering der exstirpatie zijn uitgegeven, aan henlieden te laten te rug geven, en hen boven dien, tot nadere verantwoor„ „ding toe te zenden dezelfde somma van 40: Rijksdaalders, met recommandatie om hier mede de zuinigheit zoo wel in agt te nemen, als met de verdere aan hen toe vertroude lywaten. zullende de Commissianten op hun verzoek de verdere verzogte kleinigheden mede werden toegezonden, met het geeischte randsoen voor drie maanden, en de te goed hebbende gagie der militairen en burgers voor twee maanden, instede van voor drie, vermits men zeker wist dat de manschap door het genot van aandsoen zoo zeer niet om contanten verlegen was, en het daarom veel nittiger wierd geoordelt dat hier, na oude gewoonte, een gedeelte der gagie blief staan, om het zelve door de opsterpateurs, bij hunne te rug koomst te laten ontfangen. Als hier op het gesprek quam te vallen, dat de Pantjallang de Caneelboom die een dezer brieven hadde aangebragt, wegens zijne gebrokene mast en lekkagie de herwaarts reize hadde moeten aanemen, en dat men boven dien op gisteren het besluit hadde genomen om dit Vaartuig na gedane reparatie, voor de reize na Gorontalo te projecteeren, waar bij nog quam dat men thans aan andere vaartuigen mede een zeer Groot gebrek begon te lijden, dus hier tegens woordig geen een Pantjallang instaat was om de reize na Maba te doen; zoo wierd om de aange„ „haalde redenen een pariglijk goedgevonden tot het doen van dezen togt na Maba in huur t nemen het sloepje van den overleden Hullas Resident Hemmekam, en daar op te plaatsen niet de

NL-HaNA_1.04.02_3418_0229 view scan ↗

English

the crew of the sold pantjallang Het Genoegen. That, subject to the approval of Their High Excellencies, the sum of one hundred Rds shall be paid for the charter for this expedition by the authorized agents of the said Hemmekam. Lastly, it was resolved hereby to take into account that, according to the commissioners' letter, the settlement of the petty king of Waaigeeuw was destroyed by the military expedition dispatched by the Tidorese Crown Prince, and that the said petty king was himself taken into arrest: which was considered a very good and desirable matter, and since this petty king was already sent hither in custody on the 22nd of this month, it was resolved to arrange the necessary measures regarding this pirate and his dispatch without delay. Thus done and resolved in Ternate at Fort Orange on the date aforesaid. Signed: P. I. Valckenaer, G. C. Meurs, I. F. Wedel, I. G. van Raesveld, I. Wttewaal, G. W. van Renesse, N. D. Mol, H. H. Beynon, Francois B.s Hemmekam. Agrees, Jae Hend Rimon For inspection: Hobde Chalmar For reading aloud: D Maningen Page 85 171 Monday, the 12th of July 1773, in the afternoon at four o'clock, meeting of the Council of Policy. Present: The Right Honorable Lord Governor and Director of the Moluccas, Paulus Jacob Valckenaer Johan Fredrik Wedel, Merchant and Senior Captain Military Johan Georg van Raesveld, Merchant and Fiscal Godfried Carel Meurs Gerardus Willem van Renesse, Merchant and Bookkeeper Nicolaas Dionysius Mol, and Fredrik Hendrik Beynon, Secretary Deliberation over a letter from the King of Batchian. After the common affairs had been handled this morning, deliberations began on the contents of a letter recently received from the King of Batchian, dated the 14th of July last, in which that monarch initially gives an account of all that he had written in his missive to the High Government of the Indies, mainly consisting of a request for an increase in the recognition money, and subsequently also in many far-fetched excuses regarding his negligence in dispatching the Cerammers, declaring that he the 12th Page 86 To have Agaats replaced for the satisfaction of the King. What to reply thereto. Cerammers and the surrender of Bisnoe. cannot spare them; communicating further that he had also informed the said High Rulers of the election of Prince Iskandar Alam as successor to the throne of Batchian; complaining subsequently very strongly about Sergeant and Postholder Agaats, whom he suspected of not dealing with him in good faith in several respects, wherefore he requested that, if this Government should see fit to relocate the said Agaats from there, it might then be left to him to choose another to his liking in his place, whether it be a soldier, sailor, or another servant upon whom his choice might happen to fall. Furthermore, the King expresses in that missive his gratitude for the election of the said Prince Kandar Alam, in which he declared to take great satisfaction, and that after the conclusion of the Moorish holidays, his grandees of the realm shall be sent hither for his presentation. On the other hand, the monarch indicated in very spiteful terms that he was by no means inclined to settle the expenses caused by the aforementioned Iskandar Alam in Amboina, but that he would indeed consent to this Prince being held accountable, pursuant to the contract transmitted by this Government, for the King's overdue recognition money, provided that no money shall be issued to him without the King's prior knowledge. Concerning the demanded spice thief Towe and the Macassarese Sergeant Bisnoe, His Highness communicated that the former, whom he calls a Galelarese Alfur, had put up resistance while they were in the process of apprehending him, wherefore they had been forced to take his life on that occasion, while requesting to be excused from sending the other, since he, Bisnoe, according to the King's statement, was innocent of any misconduct. Having attentively deliberated upon the aforementioned contents of this missive, it was resolved to reply to that monarch as required at the proper opportunity, and to answer him regarding his complaints about Postholder Agaats that, although the said Postholder gave the Council satisfaction in his service, the Council nevertheless, in order to give His Highness satisfaction, was willing to recall him from there, in which case we would appoint another worthy sergeant as Postholder; since the Council members could not possibly approve leaving the choice of another Postholder to His Highness, because there was reason to fear that the monarch might nominate for this post one or another soldier or other low servant of bad conduct, and draw him into his interests in such a manner that many kinds of evil consequences could result therefrom. Furthermore, it was resolved to thank His Highness for the communications, and once again to continue urging the dispatch of the Cerammers as well as the surrender of the Macassarese Bisnoe, with the notification that the latter was never accused by the Council of illicit trade in spices, of which His Highness tries to exculpate him, but July 1773

Dutch transcription

de manschap van de verkogte Pantjallang het Genoegen. zullende op approbatie van Haar Hoog Edelheeden tot huur voor deze togt van de gemagtigden van gemelden Hemmekam werden betaalt de somma van een hondert Rd,s Laastelijk wierd besloten bij dezen aan te rekenen dat de Negorij van het koningje van Waai„ „geeuw volgens der Commissianten schrijven, door de afgezon„ „dene krijgs expeditie van den Tidoreesen kroon Prins was gedes„ „trueert, en gemeld koningje zelfs in arrest genomen: het geen als eene zeer goede en gewenschte zaak wierd aange„ „merkt, en dewijl dit koningje reets op den 22: dezer in hegtenis herwaarts is opgezonden, wierd besloten om eerst„ „dags het nodige over dezen zee rover, en desselfs op zending te /:ondertend/ Aldus Gedaan ende Geresolveert tot Ternaten in 't Casteel Orange Dato voorschree„ „ven /:was getekent:/ P I: Valckenaer, G: C: Meurs, I: F: Wedel, I: G: van Raesveld, I: Wttewaal, G: W: van Renesse, N: D: Mol, H: H: Beynon Francois B:s Hemmekam Accordeert Jae Hend Rimon beramen Voor 't Nasien Hobde Chalmar Voor Op Leesen D Maningen Pag: 85 171 Maandag den 12: Julij 1773: des nademiddags te vier Uuren vergade„ Present Den welEdele Agtb: Heer Gouverneur Paulus Iacob Valckenaer en Directeur der Moluccos Johan Fredrik Wedel Den Mans Captain, Militair Johan Georg van Raesveld „ Koopman en Fiscaal oordert en pr egpentmntatur Hodfried Carel Meurs Gerardus Willem van Renesse _„o Soleij Bakhouder „ _o geliget Ggrntat: ee Nicolaas Dionijsius Mol, en Fredrik Hendrik Beijnon _„o secretaris deliberati over een brief van Bat„ chians Koning Na dat de gemeene zaken dezen morgen afgehandelt waren; begon men te delibereeren over den inhout eener brief Jongst van Batchians, Koning ontfangen, en gedateert 14: Julij laastleeden waar bij die vorst aanvankelijk een verhaal doet van alle het geene hij bij zijne missive aan de Hoogs Indiase Regeering heeft geschreeven, voornamentlijk bestaande in een versoek om vermeerdering van recognitie penningen, en vervolgens ook in veele vergezogte excusen over zijne nalatigheid in't ver„ E „zenden der Cerammers betuigende dat het niet „ring van Politie den 12: /3 86 Agaats te gevalle van den koning te laten vervangen wat daar op te rescribeeren cerammers en overgave van Bisnoe niet missen kan, communiceerende alverder dat hij gemelde Hooge gebieders meede had verwittigt de verkiesing van den Prins Iskandar Alam, tot Throons opvolger van Batchian; klaagende vervolgens zeer sterk over den sergeant en Post„ „houder Agaats die hij verdagt hielt dat in verscheide op zig„ „ten niet ter goeder trouwe met hem te werk ging, weshalven verzogt dat wanneer deze Regeering mogte goedvinden gemelden Agaats van daar te verplaatsen, het dan aan hem mogte gelaten werden om een ander na zijn zin indies plaats te mogen verkiesen het zij een soldaat, matroos, of een andere Dienaar waar op zijn keuse ook mogt komen te vallen Voorts betuigt de koning bij die missive zijne dank„ „baarheid over de electie van gemelden Prins Kandar Alam, waar in hij verklaarde zeer veel genoegen te neemen, zullende tot dies voorstelling na het eindigen van de Moorse feest-dagen, zijne Rijksgrooten werden herwaards gezonden Daar en tegen gaf de vorst in zeer spijtige bewoordinge te kennen, dat hij geensints genegen was de onkosten door voormelde Iskandar Alam te Amboina veroor„ „saakt te voldoen, maar dat hij wel miede bewilligen dat de„ „zen Prins ingevolge het overgezonden contract dezer Regeering, voor de agterstallige konings recognitie-pennin„ „gen verantwoordelijk wierde gestelt, mits dat 'er geene penningen buiten 's konings voorkennisse aan hem wer„ „den afgegeven . Belangende de opgeeischte specerij die f Towe en Macoassaaas Sergeant Bisnos bedeelde zijn Hoogheid, dat de eerste die hij een Galillase Alfoer noemt, zig te weer had gestelt, terwijl men bezig was geweest: om hem op te vatten, alwaar om men denselven bij die gelegentheit het leven had moeten benemen, terwijl van de opsending der andere versogt geexcuseert te blijven vermits hij Bisnoe, volgens des konings opgave, onschuldig was van eenig wanbedaijf„ Over den voormelden inhoud dezer Missive met aandagt gebe„ „soigneert zijnde wierd geresolveert om dien vorst bij gele„ „gentheit na vereischte rescribeeren, en hem op zijne klagten over den Posthouder Agaats te antwoorden dat hoewel gemel„ „de Posthouder den Raad genoegen gaf in zijne dienst, den Raad om zijn Hoogheit genoegen te geeven den zelven, egter van daar wel wilde op ontbieden, in welken geval„ „le wij een ander braaf sergeant tot Posthouder: zouden aanstellen; Aangesien de Raadsleden ommogelijk kon„ „den goedvinden, om de keuse van een ander Posthouder aan zijn Hoogheid overtelaten, om dat men reden had van te dugten dat de vorst tot dezen post wel de een of andere soldaat of andere geringe Dienaar van slegte conduites zoude kunnen nomineeren, en den zelven dusdaniger wijze in zijn belangen trekken, dat daar uit veelerzeije quaade gevolgen zouden kunnen resulteeren. Voorts besloot men zijn Hoogheit voor het gecommuni„ Nadere instantie op te versending der „ceerdes te bedanken, en al wederom eens op het ver„ senden der cerammers zoo wel als op de overgave van den Maccassaar Bisnoe te blijven aandringen, met te kennen gave dat dezelve nooit door den Raad met morshandel in specerijen is beschuldigt, waar van zijn Hoogheit hem tragt te verontschuldigen, en maar 3 Julij 1773 J

NL-HaNA_1.04.02_3418_0234 view scan ↗

English

the 12th: 5 87 Request from Prince Ponia for maintenance. Hemmekam regarding the present state of Rutlok of content as here annexed granted as tolerable but indeed that he was requisitioned because he remained there without special permission, and had already been known for fourteen years as a wanderer and bad subject, and had been summoned because of his evil qualities. While it was noted with regard to the aforementioned Towe that, according to the letter from the Postholder Agaats, he was not killed while being apprehended, but rather intentionally by order of the king, presumably out of fear that if he were to be apprehended, many matters might be brought to light by him that would not add to His Highness's great reputation. The Governor further informed the Council members that Prince Kalim Ponia, who had fled here from Batchiam some time ago, had already come several times to complain about his great destitution and inability to provide himself with clothing, humbly requesting to be aided with some linens for body covering. Which request the Governor now presented to the members, at the same time submitting for consideration whether this well-intentioned yet needy Prince, who had to leave all his goods and property behind on Batchian, might not be remembered with a small present of some clothing or linens, following the example of the present to the amount of ƒ 207:11:— that was delivered to him in the year 1765 upon the obtained authorization of Their High Nobilities by letter of 31 December of the said year; which having been discussed, and it being taken into consideration that Their High Nobilities had been pleased to take the said old Prince into Their particular protection. So, after mature deliberation, it was approved on these grounds, in hope of favorable approval, to have a present of some highly necessary linens delivered to the aforementioned Prince in the name of the Honorable Company, provided that the same did not exceed the just-mentioned sum of ƒ 207:11:—. Finally, the Governor notified the other Council members that His Honor had ordered the Translator Hemmekam to question the Xullok emissary Amaloel Alam Mochamat, who is currently here, by way of conversation about the present condition of that country, as well as the nature and conduct of the inhabitants, their intercourse with other nations, trade, local produce, and other similar noteworthy matters, of which the said Hemmekam had now submitted a written report of the following content: To the Right Honorable Sir, Paulus Jacob Valckenaer Governor and Director of the Moluccas Right Honorable Ruling Sir, Pursuant to Your Right Honorable respected order, to hear and learn from the Xullok emissary Amaloel Alam Mohamet, who is currently here, by way of conversation delivered 6 3 July 1773 O 60 O

Dutch transcription

den 12: 5 87 derhoud. Verzoek van Prins Ponia om on„ Hemmekam wegens den Jegen „woordigen toestand van Rutlok van inhoud als hier nevens geaccordeert als ter lijden maar wel dat hij gerequireert is, om dat hij zig zonder speciaale permissie aldaar onthooft, en reets voor veer„ „tien Jaaren voor een zwerves en slegt subject bekent ge„ „weest, en om zijne quaade hoedanigheeden is op ontboden. Terwijl men met betrekking tot de voorschreeven Towe aanmerkte, dat hij volgens het schrijven van den Posthouder Agaats, niet onder het opvatten maar wel expres uit ordre van den koning is om het leven ge„ „bragt, denkelijk uit bedugting dat bij aldien hij eens opgevat mogt werden, veele zaaken door hem aan het ligt zouden kunnen koomen, die zijn Hoogheit geen groote reputatie zouden bij zetten. Nog is door den Heer Gouverneur aan de Raadsleeden te kennen gegeven, dat de vooreenigen tijd van Batchiam herwaards gevlugte Prins Kalim Ponia, reeds ver„ scheide maalen was komen klagen over zijn groote nood „druft en ommagt om zig van kleederen te voorzien ootmoedig versoek doende om met eenige Lijwaten tot lijfdekking geholpen te werden. Welk verzoek de Gou„ „verneur thans aan de Leeden voordroeg, teffens in overweging gevende of men deze welmenende dog be„ „hoeftigen Prins die al zijn goed en have op Batchian hadde moeten agterlaten, niet met een geschenkje van eenige kleederen of Lijwaten zoude mogen bedenken, na het voorbeeld van het present ter somma van ƒ 207:11:—: dat aan den selven in den jaare 1765: op de bekomene qualificatie van Haar Hoog Edelheeden, bij brief van den 31: December des gemelden Jaars is Aan den Wel Edelen Agtbaren Heer.. Paulus Jacob Valckenaer Gouverneur en Directeur der Molucoos Wel Edele Agtbare Gebiedende Heer Ingevolge van uwel Edele Agtb: gerespecteerde bevel, om van den thans alhier zijnde Xulloksen zendeling Amaloel Alam Mohamet, bij wijze van discours om te hooren en te vernee„ afgegeven, waar over gesproken, en in aanmerking genomen zijnde dat Haar Hoog Edelheedens gemelden ouden Prins in Hoogst derzelver bijzondere protextie hadden gelieven te neemen. Zoo is na rijpe deliberatie goedgevonden op dit fundamenten in hoope van gunstige approbatie een geschenk van eenige hoogbenodigde Lijwaaten, in naam der E: Compagnie, aan mermelde Prins te laten afgeven mits dezelve de even gemelde sommas van ƒ207:11:—: niet te boven gingen. Eindelijk verwittigde de Heer Gouverneur de ver„ „dere Raadsleeden dat zijn Ed: den Translateur Hemmekam hadde geordonneert, om den thans alhier zijnde Xullokse sendeling Amaloel Alam Mochamat bij wijse van discours eens te ondervragen na den te„ „genswoordigen toestants van dat Land, mitsgaders na den aart en het bedrijg der inwoonders, hun omgang met andere natien, handel, landsproducten, en ande„ zoort gelijke merkwaardigheeden, waar van gemelde Hemmekam thans een schriftelijk Rapport hadde ingediend, van navolgenden inhoud afgegeven 6 „men 3 Julij 1773 O 60 O

NL-HaNA_1.04.02_3418_0235 view scan ↗

English

the 12th: 8b inquiring after any particulars or news of the said island Xullok, and of the peoples, Europeans as well as natives, who came there to trade, I have on various occasions learned the following from that missionary: That Xullok is an island, and is governed by only one king under the title of emperor, whose name is Mohamet Israël. That from this island, in two days and nights by rowing prahu, one can easily reach Magindanao at the place called Samboangan, where a Spanish Governor resides. That the Spanish garrison at Samboangan is nowhere near as strong as the Company's garrison in Ternaten. That about eight years ago, according to estimate, the English arrived at Xullok with seven ships and insisted to the old emperor on taking possession of this island. Which was not granted, but permission was given to do so on a certain uninhabited island named Balambangan, situated seven days and nights of travel from Xullok under favorable conditions and fifteen miles from Borneo. From where those Europeans, having been able to enter into no intercourse with the island peoples surrounding them, neither by means of friendliness nor by use of arms, have now, about five years ago, according to estimate, broken up again from the said island Balambangen, and have not even been to trade at Xullok for about two years. Caused because they saw no profit in navigating those regions. Whereas, on the contrary, one or two, or even three richly laden Chinese junks come annually from China to Xullok to trade. Who barter their goods for pearls, mother-of-pearl shells, tripang, and wax. That the Chinese at Xullok are quite as numerous as in Ternaten! Who go to trade both in Samboangan and in Mangindanao. Whereas, on the contrary, the Spaniards and Magindanaos also come to trade at Xullok. That the Magindanaos are a murderous people and spare no one in murdering or robbing, including the Spaniards, which gives rise to an unceasing execution of vengeance between one another. That once a large English ship coming from Batavia nearly died out at Xullok. That the Spanish Governor residing in Samboangan, during the navigation of the English in those regions, had several times sent missions, though of very minor persons, to Xullok to admonish the emperor to maintain no intercourse, outside of themselves, with any other European powers, and especially the English and Dutch, but on the contrary to ward them off from Xullok. That the emperor had replied to this, acknowledging his power to be too slight for that, and therefore left their repulse to the Spaniards. This being all that I have been able to find out from this missionary, I respectfully offer the same to Your Honorable Worship: and in the hope that I shall thereby have fulfilled the esteemed intention of Your Honorable Worship, I call myself with due respect, beneath was written: Honorable Worshipful Commanding Lord, lower: Your Honorable Worship's altogether obedient servant, was signed: Fransois Bartholomeus Hemmekam, in the margin: Ternaten the 14th of July Anno 1773. After which reading it was understood to offer Their High Excellencies a copy of this paper and deliberations resolution in this regard, and to insert the same herewith, in case some points appearing therein might come in handy for us in due course. beneath was written: Thus done and resolved at Ternaten in the Castle Orange on the date written above, was signed: P. Is. Valckenaer, J. F. Wedel, J. G. van Raesveld, G. C. Meurs, G. W. V. Renesse, N. D. Mol, and F. H. Beijnon. Saturday, July 1773.

Dutch transcription

den 12: 8b „men naar eenige bijzonderheeden of nieuwstijdingen van gemeld Eiland Hullck, en van de volkeren, zoo wel als Europeaanen als Inlanders die aldaar ten handel quamen, heb ik diverse kee„ „ren van dien zendeling verstaan het volgende Dat Xullok een eiland is, en door maar een koning onder den titul van keiser bestiert werd welkers naam is Mohamet Israël. Dat men van dit Eiland in twee etmaal per schep praauw makkelijk op Magindanao ter plaatse Samboangan genaamt alwaar een spaans Gouverneur resideert kan zijn. Dat de besetteling der spanjaarden te Samboangan, in verre na zoo sterk niet is, als 's Compagnies bezetteling in Ternaten. Dat de Engelschen na gissing agt jaar geleeden met zeven scheepen te Xullok gekomen zijn, en bij den ouden keiser geinsteert hebben om bezit van dit Eiland te neemen. Het geen niet geaccordeert maar vergunt is te kunnen doen, van zeker onbewoont Eiland genaamt Balambangan, bij goede gelegenheid zeven etmaal rijsens van Xullok en vijftien mijl van Borneo-geleegen. Van waar die Europeaanen, om dato zoo min door middel van vriendelijkheid, als gebruik van wapenen, in geen gemeenschap met de, om hun heen leggende Eilands volkeren konde geraaken, nu na gis„ „sing vijf jaar, van gemelde Eiland Balambangen weder opgebrooken, en zelfs in carcas twee Jaar niet ten handel te Hullok geweest zijn. Veroorsaakt om dat bij des vaart in dies contrijen geen voor„ „deel hebben gesien . Waar en tegen 'er jaarlijks uit chinas te Xullok ten handel ko„ „men Een of twee ook wel drie rijk geladene chineese jonken. Die hun wharen, tegens Peerlen, Paarl d'amoer schelpen, Tari„ „pangs en was trocqueeren. Dat de chineesen ruim zoo sterk te Xullok als in Ternaten zijn! Die zoo wel te samboangan als te Mangindanao gaan negotieeren. Waar en tegen de Spanjaarden en Mangindanauwens ook op Xullok ten handels koomen Dat de Mangindanauwers een moordadig volk is en niemand in het vermoorden of berooven ontsien tot de spanjaanden inclusive, waar door ontstaat dat tusschen elkander ook een onophoudentlijke wraakoeffening genomen werd. Dat eens een groot Engels schip van Batavia komende, bij na te zullok uitgestorven is. Dit al het geen zijnde wat ik van dezen zendeling heb kunnen uitvorschen, zoo biede ik het zelve u wel Edele Agtbare in eerbied aan: En in hoope dat daar meede aan de geëerde intentie van uwel Edele Agtbaares zal hebben voldaan noeme ik mij met verschuldigde Eerbied /:onderstont:/ Wel Edeles Agtbare Gebiedende Heer /:lager / Uwel Ede„ „dele Agtbares gansch gehoorsamen Dienaar /:was getee„ „kent/ Fransois Barthol„t Hemmekam /in margine/ Ternaten den 14: Julij Anno 1773: — Na welke lecture verstaan wierd Haar Hoog Edelheeden een afschrift van dit Papier Deliberatien besluit dieswegens aan te bieden, en het zelve bij deezen te insereeren, of sommige daar bij voorkomende poinc „ten ons in tijd en wijle nog eens te passes mogte komen. /:onderstont:/ Aldus Gedaan ende Geresolveert tot Ter„ „naten in't Casteel Orange dato voorschreeven /:was ge„ b „teekent:/ P: I:s Valckenaer, J: F: Wedel, J: G: van Raesveld, G: C: Meurs, G: W: V: Renesse; N:: D: Mol, en F: H: Beijnon. Dat den keizer daar op in antwoord had laten dienen, zijn magts te gering daar toe erkende, en daarom het ver„ weiren derzelve, aan de spanjaarden overliet. Dat de te Samboangan resideerende spaansen Gouverneur, gedu„ „rende de vaart der Engelschen in die contrijen, verscheide male bezendingen, dog van zeer geringe persoonen, na Xullok had laten doen, om den keiser te vermanen, geen gemeenschap buiten hen„ „lieden, met eenige andere Europeese mogentheeden, en wel speciaal de Engelschen en Hollanders te houden, maar in tegendeel uit Xullokse te verweiren Saturdag Julij 1773: . - Tet

NL-HaNA_1.04.02_3418_0236 view scan ↗

English

179 The Right Honorable Lord Governor and Director concerning the transfer made to van de Walle what is still to be credited to him Saturday the 14: August Anno 1773: In the morning, meeting of the Council of Policy Present Paulus Jacob Valckenaer Johan Fredrik Wedel Johan Georg van Raesveld Junior Merchant and Provision Administrator Godfried Carel Meurs ditto and Paymaster Gerrardus Willem van Renesse ditto incoming Resident Nicolaas Dionysius Mol and ditto Secretary Fredrik Hendrik Beynon the Honorable Military Captain Merchant and Fiscal The discussions regarding the contents of the recently received Gorontalo letters having been partly concluded this morning, it was approved to record in a secret Resolution how the members of this board, to their particular displeasure, had perceived from the mentioned letters that the retired Resident Houque, far from making a clear transfer of the Residency to his successor van de Walle as this Council had ordered him by missive of the 27: April, had on the contrary handed over an excessive amount less in cash, textiles, and other merchandise than he had actually received from his predecessor Wilewaal. Further discussions concerning Gorontalo the 14: August 1773 As appears from a forwarded inventory in which all this cash and merchandise handed over in deficit were made known, they amounted to a sum of Rixdollars 8914: 47: besides a multitude of other goods of which the monetary sum was not made known, all of which must therefore still be accounted for by the mentioned Houque. How much Houque must account for. Although the Gorontalo specification along with other papers sent here via Manado had not yet arrived, and the exact deficit of Houque could therefore not yet be known, it was nevertheless evident to the members from the Gorontalo letter of the 30: June last that the following items should be deducted from the above-mentioned sum of Rds 8914: 47: —: and credited back to Houque. Firstly, all that he, according to the specification, supplied and consumed for the service of the Honorable Company during his stay of nine months. Next, there must be credited to him the amount of textiles that he disbursed during that time for the exchange of gold dust. And then furthermore also the textiles that, according to a forwarded list, he had extended on credit to various Native Grandees, Company Servants, and other Gorontalo inhabitants, to an amount of rixdollars 4274: 17: —: Notwithstanding this, the council was nevertheless of the opinion that at the closing of the account a considerable amount would still be missing, seeing that an account showed that alone a sum of rds 655: 21: 8: in cash had fallen short in the transfer from Houque to van de Walle. as much as there is short in cash had Yet. must. 1 come.

Dutch transcription

179 Den wel Edelen Agtbaren Heer Gouverneur en Directeur conterneerende het gedane Transport aan van de walle vor kem dar on egen te goede Saturdag den 14: Augustus A„o 1773: 'S morgens vergadering van Politie Present Paulus Iacob Valckenaer Johan Fredrik Wedel Johan Georg van Raesveld „ onderkoopm: P=r des ad mumistr: Goafriet Carel Meurs _o en soldij beerheuden Gerrardus Willem van Renesse _o aankomende gen: rensdent Nicolaas Dionijsius Mnol. en „ _o Secretaris Fredrik Hendrik Beijnon den Maomb: Capitain Militair „ Koopman en Fiscaal De besoigene over den inhoud der jongst ontfangene Go„ „rontaalse brieven heeden morgen gedeeltelijk afgehandelt zijn„ „de wierd goedgevonden bij eene secreete Resolutie bekent te stellen hoe de leeden dezer tafel tot hun bijzonder ongenoe„ „gen uit gemelde Letteren hadden ontwaart, dat de afgegaane Resident Houque, wel verre van een van de Residentie door Houque Liquid Transport aan zijnen vervanger van de Walle te doen, zoo als dezen Raad denzelven bij missive van den 27: April hadde geordonneert, daar en tegen een excessive bedragen, aan contanten, lijwaten, en andere koopmanschappen, minder hadde overgegeven als hij wezentlijk van zijn voorsaak Wilewaal Nadere besrgne ver Gorontale den 14: Augustus 1773 hadde ontfangen. Blijkends bij eene overgesondene Bevinding waar bij alle deze temin overgegevene contanten en koopmanschappen bekent Hoeveel Houque mij verantwoorden zijn gestelt, dat dezelve quamen te bedragen eene somma van Rijks„ „daalders 8914: 47: behalven nog een monigte andere goederen, waar van de geld somma niet was bekent gestelt welke alle dus nog door gemelden Houque verantwoord moeten werden. Hoewels nu de Gorontaalse specificatie nevens andere papieren over Manabo herwaards gesonden, hier nog niet waren aangekomen en men dus de regte te korte koming van Hougues nog niet te weeten konde krijgen, quam de leeden egter uit de Gorontaalse brief van den 30: Junij jongstleeden te consteeren, dat van de bovengemelde somma van d„s 8914: 47: —: gedetraheert en Houque wederom ten goeden gebragt dienden te werden de volgende Posten. Eerstelijk al het geene dezelve, volgens de specificatie, geduu„ „rendes zijn aanwesen van negen maanden, tot dienst der E: am„ „pagnie heeft verstrekt en verbruikt. Vervolgens moet hem ten goede komen, het bedragen der lijwaten die hij geduurende dien tijd tot het inruilen van stofgoud heeft uitgegeven. En dan verders ook de Lijwaten die dezelve blijkens een overge„ „zondene lijst aan diverse Inlandse Groten compagnies Dienaren en andere Gorontaalse ingesetenen had uitgezet, voor een bedragen van rijxdaalders 4274: 17:—: Dit niet tegenstaande was de raad nogtans van ge„ „dagten dat 'er bij het slot van Reekening nog wel een zoe veel 'er aan contanten is te kort aanmerkelijk montant zoude manqueeren, aangesien 'er bij eene Reekening quam te blijken, dat 'er alleen eene somma van rd„s 655: 21: 8: aan contanten bij Transport van Houque aan van de Walle was te kort gekomen. hadde Dog. moet. 1 gekomen.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0237 view scan ↗

English

the 14th because the aforementioned papers of the true deficit can be drawn up. Resolution to debit Houque's pay account for the shortage found in cash. Notify the Ministry at Maccasser thereof. Houque rebuked for the carelessness of his administration. Deliberation regarding his discharge suspended, while he is in confusion about what he brings there. August 1773 master However, because one was currently unable, due to the lack of the Gorontalo specification and account of the drawn gold, and other required original papers, to draw up a statement of the substantial deficit, it was after deliberations approved provisionally to have the pay account of the frequently mentioned Houque debited for the shortage of rd=s 655: 21: 8: found in cash, and in the meantime to arrest two-thirds of his salary for whatever more he unexpectedly might fall short after the drawing up of an accurate statement; beyond the stipulated bail of 2000:—:—: rd=s for which his guarantors were liable; since nothing was to be obtained from the frequently mentioned dismissed Resident Houque, as he returned from the Gorontalo residency just as destitute as he arrived here from Amboina. And in order to accommodate Houque's innocent guarantors as much as possible, it was resolved at the same time both to inform the Maccassar Ministry of the arrest of his salary and to request the same to gradually seize, if possible, as much from Houque's revenues for the benefit of the Company as will be possible. The aforementioned Houque, who had stood outside during this deliberation, subsequently being summoned into the meeting room, was sternly rebuked by the Governor for his carelessness and reckless administration of the Company's effects entrusted to him, and it was presented to him on what a frivolous footing he had exposed the Company along with his guarantors to the danger of a heavy loss, by just putting out without qualification a considerable sum of rd=s 4274: 17:—: in textiles to debtors, of whom some were not to be trusted in the least, indeed that even most of the Gorontalo Grandees to whom he had given goods on credit were known as bad payers, from whom nothing was to be had: as appeared from a list sent over by Van de Walle, since various dubious debt items to the amount of rd=s 1399: 18:—: were listed therein, of which one knew beforehand that very little would be recovered. To all these representations the frequently mentioned Houque could bring little else to his discharge than that he had relied on the statements of his predecessor Witowaal, who had assured him that most of the Gorontalo people were well-to-do people, to which Houque also added that he had trusted nothing to the native except with the consent of the King Mono Arfa, who had also signed almost all the bonds made thereof as guarantor, so that he hoped that the Company would not suffer any loss thereby. With respect to the deficit, Houque declared that after a close examination not more than about 100: rd=s could be missing, on which moneys he testified that he had had to live, since during his stay in Gorontalo he had drawn not the least revenues. Which assurance appearing incredible to the Council members, it was therefore approved to postpone their judgment and the necessary decisions about this until the statement of Houque's deficit would be drawn up and submitted here. In order, however, to leave no means untried for preventing damage.

Dutch transcription

181901 den 14: wijl de nevens gemelde papieren van de waare te kortkomst komnen opgemaakt worden „ning voor de te min bevondene contanten te laten belasten. Het Ministerie te Maccasser daar van kennis geven. Hougue over de agteloosheid zijn adminutratie bbestaaft De deliberatie dies wegens gesurcheerd decharge in„ zijn war hij daar Dog dewijl men thans door des destitutie van de Gorontaalse spe„ manqueeren, heeft er geen bevinding cificatie en Rekening van het getrokkeerde Goud, en verdere benodigde origineele Papieren niet in staat was om een bevinding van de wesentlijke te kort komst op te maken, Besluit om Houques soldij reeke„ zoo wierd na gehoudene deliberaties goedgevonden bij provisie de sol dij reekening van meermelde Houque voor de te min bevondene rd=s 655: 21: 8: aan contanten te laten belasten, en ondertusschen twee derde gedeeltens zijner Gagie te arresteeren voor al het geene hij na het opmaken van een accurate bevinding onverhoopt meerder mogte te kort koomen; als de gestipuleerde borgtogt van 2000:—:—: rd=s Waar voor desselfs borgen aansprekelijk waren; aangezien 'er dog van meermelden afgeganen Resident Hougue niets was te haalen, als die even behoeftig uit de Goron„ „taalse Residentie te rug is gekomen, als hij alhier van Amboi„ „na is gearriveert. En ten einde Houques onschuldige borgen zoo veel doenlijk te gemoet te komen, is te gelijk beslooten het Maccassaarse Ministerie zoo wel van het arresteeren van desselfs gagie ken„ „nis te geeven, als het zelve te verzoeken, om des doenlijk suc„ „cessive zoo veel uit Houques revenuen ten behoeven van de Com„ „pagnie in te palmen, als mogelijk zal zijn: Meergemelde Houque die geduurende deze deliberatie bui„ „ten had gestaan, vervolgens in de vergaderzaal, ontboden zijnde wierd over zijne agteloosheid en aukkeloose administratie van de hem toevertrouwde compagnies effecten met ernst door den Heer Gouverneur bestraft, en voorgehouden op hoe eene losse voet hij de compagnie benevens zijn borgen had bloodgestelt, aan het gevaar van eene swaare schade, door zoo maar zonder qua„ „lificatie eene aansienelijke somma van rd=s 4274: 17:—: aan lijwaten uittezetten aan Debiteuren, waar van sommige in het minste niet te vertrouwen waren, ja dat zelfs de meeste Gonontaalse Grooten, die hij goederen op schuld had gegeven, voor slegte betaalders bekent stonden, waar van niets was te haalen: zoo als bij eene overgezondene lijst van, van de walle quam te blijken, aangesien daar bij diverse dubieuse schuldposten, ten bedrage van rd„s 1399: 18:—: waren opgegeven, waar van men voorhands wist dat zeer wenig te regte zoude Op alle welke vertoogen meergenoemde Houque weinig anders tot zijn de Charge wist te brengen als dat hij op de gesegdens van zijn voorzaat Witowaal hadde staat ge„ „maakt, die hem verzekert hadde dat de meeste Gorontaalders wel begoedigde menschen waaren, waar bij Houque nog voegde, dat hij niets aan den Inlander had gefieert dan met toestemming van den koning Mono Arfa, die ook meest alles de daar van ge„ „maakte obligatien als borge had onderteeken, zoo dat hij hoope had dat de Compagnie daar bij geen schade zoude komen te lijden. Met betrekking van het te kort komende, verklaarde Houques dat na een naukeurig onderzoek niet boven des 100: rd=s konde manqueeren, van welke penningen hij betuigde dat had moeten leeven, vermits hij geduu„ „rende zijn verblijf te Gorontalo geen de minste renenuen had getrokken. Welke versekering de Raadsleden ongelooflijk voorkomende, wierd daarom goedgevonden hun voordeel en de nodige besluiten hier over uittestellen tot dat de bevinding van Houques te kort komst alhier op gemaakt, en ingediend zoude zijn. Om egter geene middelen tot voorkoming van schade komen. meester onbezogt. Augustus 1773 brengt. -

NL-HaNA_1.04.02_3418_0238 view scan ↗

English

183 G1 the 14th The salary of the bookkeeper Out and of other debtors of Houque to be partially seized. To be relieved of it. To be credited. Reading of a secret letter from van de Walle. Houque's deficit on Ambon settled. produced. to leave unexamined, it was unanimously resolved to instruct the currently acting Resident van de Walle in the most emphatic manner to urge the aforementioned debtors of Houque, in the name of the Honourable Company, to settle their arrears, and thus if possible, through his vigilance, to ensure that these outstanding debts are speedily collected; to that end it was also decided to confer with Mono Arfa by missive regarding these debts, and at the same time to have van de Walle intercede with him to offer the Resident a helping hand in this matter, under the assurance that this Government will reciprocate His Highness's offered help and intercession with a return favour when the occasion arises. It being furthermore understood that an attachment shall be placed both on two-thirds of the salary of the Bookkeeper Cornelis Volkertze Out on account of his receipt of 50:— rixdollars and the assistant Johannes Proenen for the sum of 88: —:— rixdollars, as well as on two-thirds of the monthly wages of the other servants stationed at Gorontalo, all towards the settlement of that which they collectively owe to the aforementioned Houque, both with and without bonds, on account of cash received and other goods; regarding which it was approved to deliver a proper list to the payroll clerks so that the debts of Out and Proenen may be collected here, and those of the other servants by the acting Resident on Gorontalo, on behalf of the Honourable Company and in reduction of Houque's arrears. A letter from the Ambon Ministry: Thereafter, a separate letter from the Ambon ministry, dated 25th May last, was tabled by the Governor, whereby it was first perceived, to the satisfaction of the Council members, that an opportunity had been found to settle the debt of the repeatedly mentioned Houque, amounting to 4462: 8:¾: rixdollars, which he was short on the administration of the shop upon his departure from Amboina, out of the estate of his late brother, the Dispenser Houque at Batavia, just as it was further communicated from there that on Amboina, after Houque's departure, a sum of 250:8 7/8: rixdollars had still been collected from several of his debtors. His salary account therefore to be relieved thereof. Upon which communication it was in the first place resolved to relieve the salary account of the repeatedly mentioned Houque, which according to the resolution of the 17th June of the past year had been debited for the deficit on the Ambon shop, of that debit once again, and furthermore to credit his account with the amount of the collected sum of And the alongside mentioned amount 200: 8 7/8: rixdollars in accordance with the request of the Ambon Ministers, who have credited the said amount to the favour of this Government by invoice. After the discussion concerning Houque's deficit had ended, and what was necessary concerning this difficult affair had been resolved, they proceeded to the reading of a secret letter dated 22nd July 1773 addressed to the Governor alone by the interim Resident van de Walle, and reading as follows. Here Ternate August 1773

Dutch transcription

183 G1 den 14: Degagie van den boekhouder outen van andere Debiteuren van Houque gedeeltelijk in beslag te nemen. van tonthessen. ten goede te brengen. fecture van een secreete brieff van van de Walle. Houques te kort komst op Am„ bon vereffent. „rie geprotuceert. onbezogt te laten, is een pariglijk gearresteert, den thans fungeerende Resident van des Walle op het nadrukke¬ „lijkste te gelasten, de voorschreeven debiteuren van Houque uit naame der E: Compagnie tot voldoening van haare agterstallen aan te maanen, en dus doenlijk door zijne vigilan„ „tie te bezorgen dat des uitgezette schulden spoedig werden ingepalmt; ten dien einde almeede beslooten van Mono Arfa over deze schulden bij missive te onderhouden, en teffens door van de walle bij hem te laaten instee„ „nen om hem Resident daar toe de behulpzame hand te bieden, onder verzeekering dat deze Regeering zijn Hoogheid de gebodene hulp en Intercessie bij gelegentheid met wederdienst zal vergelden. Werdende boven dien verstaan om zoo wel arrest te leggen op twee derde van de gagies van den Boek„ „houder Cornelis Volkertze Out wegens genot van rd„s 50:— en den adsistent Johannes Proenen voor de som„ „mas van rd=s 88: —:— als op twee derde gedeeltens der maand gelden van de verdere op Gorontalo beschei„ „dene Dienaaren, alles tot voldoening van het geene zij gesamentlijk zoo wel op als zonder verband„ „schriften aan gemelden Houque wegens genotene Contan„ sten en andere goederen zijn debet: gebleeven, waar van goed„ „gevonden wierd een behoorlijke lijst aan de soldij bedienden ter hand te stellen ten einde de schulden van out en Proenen alhier, en die van des andere Dienaaren door den fungeerende Resident op Gorontalo, ten behoeven van DE. Compagnie en in mindering van Houques agterstal ingepalmt te werden Een brief van het Ambons Minste: Hier na wierd door den Heer Gouverneur ter tafel overge„ „legt eene aparte brief van het Ambonse ministerium, de dato 25: Meij Jongstleeden, waar bij eerstelijk tot genoegen der Raadsleeden wierd ontwaard dat 'er gelegentheid was ge„ „vonden om de schuld die meermelde Houque, ten bedrage van rd„s 4462: 8:¾: bij zijn vertrek van Amboina op de administratie der winkel te kort was gekomen, te ver„ „effenen uit de erffenis van wijlen desselfs broeder den Dispencier Houque te Batavia, zoo als alverder van daar is bedeelt, dat op Amboina, na Houques vertoek, van verscheide zijner Debiteuren nog was ingepalmt, een Somma van rd=s 250:8 7/8:. zijn soldij-Rekening derhalven daar Op welke cummunicatie in de eerste plaats beslooten de soldij Reekening van meermelden Houque, die volgens besluit van den 17: Junij anno passato voor de te kort koomst op de Ambonse winkel belast was, thans weder van die belasting te ontheffen en desselfs Reekening daar en boven nog ten goede te brengen het montant van de ingepalmde somma van En het nevens gemeld montant rd„s 200: 8 7/8: ingevolge het verzoek der Ambonse Ministers, die het gemeld bedragen dit Gouverne„ „ments bij Factuur ten faveure hebben aangereekent. Na dat het gesprek over Hougues te kort koomst geëindigt, en het nodige over deze moeilijke affaire was beslooten, trad men ter lecture van een secreete brief de dato 22:' Julij 1773: door den prointerim Resident van de walle, aan den Heer Gouverneur alleen geaddresseert, en aldus luidende. Hier Ternaten Augustus 1773

NL-HaNA_1.04.02_3418_0239 view scan ↗

English

185-1s To the Right Honorable Worshipful Lord Paulus Iacob Valckenaer Governor and Director of the Moluccos. Right Honorable Worshipful Commanding Lord Whereas by the Company's most recently dispatched letter of 30 June, among other things, having set down in good faith that according to the pretext of His Highness Mono Arfa, the annual decrease in the gold delivery here had, and must have had, its source mainly from the importation of a multitude of Macassar clothes and other private merchandise with the Parigi provision prahu, which, by the Bugis and Mandarese arriving with it, were exchanged along the way at the gold-bearing places, namely Mouton, Moeloesipat, and Poguatto, as well as here in Gorontalo, for the most part against dust gold with disloyal subjects, and that to counter this unauthorized trade he would give strict orders to his people; and although I am willing to believe that the king's pretext has some semblance of truth, I must nevertheless testify to Your Right Honorable Worship, hoping for a favorable interpretation, that I have meanwhile perceived that His Highness, with his fair-seeming discourses and fine promises, intends nothing other than to make Their High Excellencies as well as Your Right Honorable Worship and the Residents here have an ever better opinion of him, while I now experience and is fully known to me that the decay of the gold trade here is not only to be attributed to the king's aforementioned allegation, but indeed principally to the abominable usury and insatiable greed of himself and his cunning wife Njonje sien, with which they are afflicted to the highest degree, and who through their power and through all kinds of most underhanded practices manage to keep solely to themselves the sale of linens and other merchandise, as well as that of provisions, here at Poguatto and at the other gold-bearing places. Formerly, each of the grandees of the realm, lesser chiefs, and other subjects was free to go to the gold mines to sell or barter linens and provisions to the diggers there, and thus seek their profit, and at that time the gold delivery did not stand still, as it does at present, when sometimes in a month or more not a real's weight of purchase is brought to the Resident; but since His Highness Mono Arfa and his aforementioned wife have managed to keep the sale of everything solely to themselves and run a monopoly therewith, no one is permitted 14 August 1773 to go to the aforesaid mines, under the specious pretext of precaution lest the gold be alienated or bartered away to unauthorized traders. But when the grandees of the realm or other subjects take linens and provisions on debt from him and Njonje sien at an excessive price, then they quasi receive a pass, and then they furthermore send, so to speak, incessantly prahus with the aforesaid merchandise to the gold mines, which are forced upon the diggers willy-nilly at the most expensive rates, and which they must even pay for in village weight or heavy weight: Village weight: Company's weight To wit: 1 piece Guineas ordinary bleached against rds 12: 24: rds 15: 30: 1/2 piece ditto brown blue ditto 7: 24: 9: 18: 1 piece Percale fine bleached ditto 5: — 6: 12: 1 piece Guineas ditto ditto 21: — 26: 12: 1 piece Bafta or Salempores red ditto 10: — 12: 24: and all other sorts of linens pro rata; and those who upon departure from here, or at Poguatto and the other gold-bearing places, take them on debt must pay in gold for the value of one to two village weights or two and a half rds of the Company's weight, whereby His Highness and his wife increase in wealth from year to year in slaves, jewels, silverware, ornaments, and who knows what else, while the chiefs at the gold mines can make no profit, the grandees of the realm become impoverished, the subjects fall into slavery, and the Residents are ordinarily unfortunate, as has evidently appeared with the three last departed. I say the Residents are unfortunate, and that not unjustly, because instead of being assisted, they are thwarted when they wish to collect their outstanding debts at the breaking up of the market, although the same were for the most part given in good faith—upon the good testimony and assurance of His Highness Mono Arfa that he would gladly employ his good offices toward the obliging discharge of the debts—to the chiefs over the gold diggers upon their departure for the mines, and to persons of property, as one thought, in order to make a small profit therewith and to encourage them more and more in their bounden duty in collecting and bringing in a good quantity of gold. But if I am not mistaken, as I do not doubt, then I believe that with the linens and cash given on credit in good faith by the Residents, the debts to His Highness and Njonje sien are paid, and then they are not even ashamed to offer to pay the debts of the subjects to the Residents upon departure from here at a two-thirds loss, thus consigning to oblivion the good shown to him, whereas the linens which he successively had fetched from the Residents through his cunning shahbandar Jackienie were charged to him at no more than the Company's price. And I must therefore confess that Governor Pielat, in his left-behind Memorandum to his noble successor Governor de Haaze, fittingly cited the saying of Governor Padbrugge, to wit that the Gorontalese and the Limbottoese, in their manner of lying and deceiving, sowing falsehoods, committing perjury, and arming themselves for all kinds of atrocious deeds, are masters above all other Moluccans. I have repeatedly [addressed] His Highness in private, in the most friendly

Dutch transcription

185-1s e Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Iacob Valckenaer Gouverneur en Directeur der Moluccos. Wel Edele Agtbaare Gebiedende Heer Bij 's compagnies Jongst afgegaane Missive van den 30: Junij onder anderen met een goed vertrouwen hebbende ter neder gesteld dat volgens voorwending van zijn Hoogheid Mono Arfa, de jaarlijkse vermindering van de goud leverancie alhier, wel voornamentlijk zijn source had, en moeste hebben, uit den aanbreng van een menigte Maccassaarse kleetjes en andere particuliere koopman„ „schappen, met de Parigiese randsoen Praauw, die door de daar mede overko„ „mende Boegineesen en Mandhareesen, onderweegs op de goudgevende plaat„ „sen, te weeten Mouton, Moeloesipat en Poguatto, zoo wel als hier te Gorontalo, voor het grootste gedeelte tegens stofgoud aan Trouwloose onderdanen wierden vertrooqueert, en dat hij tot tegengang van dezen ongepermitteerde handel, stipte ordres aan de zijne zoude geven, en hoewel ik wel wil geloven, dat 's konings voorwending eenige schijn van waarheid heeft, zoo moeten egter uwel Edele Agtb: onder hope van gunstige welduiding betuigen, dat ik intusschen hebbe ontwaart, dat zijn Hoogheid met zijne schoon schijnende vertoogen en goede beloften, niet anders bedoelt, als om Haar Hoog Edelheeden, zoo wel als uwel Ed: Agtb: en de Residenten alhier meer en meer goed denkbeeld van hem te doen hebben, terwijl thans ondervinde, en mij ten vollen bekent is, dat den verval van den Goudhandel alhier, niet eenlijk aan 's konings ge-allegueerde hier voren, is te attribueeren, maar wel principaal aan den vervoeijelijke woeker en onverzadigden schraapzugt van hem, en zijne doorslepene huisvrouw Njonje sien waar mede zij tot in de hoogste graad zijn behebt, en die door hun vermogen, en door allerhande slinkste practijken, den verkoop van Lijwaten en andere koopmanschappen, zoo wel als die van de Eetwaren, hier op Pogu„ atto en op de andere goudgevende plaatsen, aan zig alleen weeten te behouden. Voor heem stond het aan een ijder der Rijksgrooten, minder hoofden en andere onderdanen vrij, naar de Goudmijnen te gaan, om de Lijwaten en mondspijze aan de gravers aldaar te verkoopen of te verruilen, en dus hunne winst te zoeken, en toen stond de Goudleverancie niet stil; gelijk tegenwoordig, dat bij den Resident geen reaal aan swaarte, zomwijlen in een maand of meer koop werd gebragt, maar zedert zijn Hoogheid Mono Arfa en voornoemde zijne Huisvrouw, den verkoop van alles, aan zig alleen hebben weeten te behouden en Monopolie daar meede drijven, is het aan niemand gepermitteerd, den 14: Augustus 1773: om naar voorschreven mijnen te mogen gaan, onder pretieus pratext van voorzorg, dat het goud niet werde veralieneert, of aan ongepermitteerde handelaars vertrocqueert dog wanneer de Rijksgroten of andere onderdanen, van hem en Njonje sien; Lijwaten en Eetwaren op schuld tegens een excessive prijs neemen dan krijgense quasi een pas, en dan zendense daar en boven, zoo te zeggen onophoudentlijk praauwen met voorschreeven koopmanschappen, naar de goudmijnen die aan de gravers nolens volens ten duur, ste werden opgedrongen, en die dezelve nog met Negorijs of swaar gewigt Negorijs gewigt: Comp:s gewigt mogten betalen Teweeten: - 1: p„s Guinees gemeen gebl: tegens - - - — rd„s 12: 24: — rd„s 15: 30: —: _o bruin blaeuw _o ½: „ – – – „ 7: 24: –„ 9:18:— — 1: „ Parcalle fijn gebl: - - _:o - - - - - - „ 5: — — „ 6: 12: — 1: „ Guinees _o _o - - - - – „ 21: — — „ 26:12:— 1: „ Bafta of Salemporis roode _o - - - - „ 10: — — „ 12: 24: —: en alle andere sorteeringen van Lijwaten na rato en die bij vertrek van hier, of op Poguatto, en de andere goudgerende plaatsen op schuld neemen, moeten voor de waardij van Een â twee Negdrijs of twee en een halff rd„s 'scompagnies gewigt aan goud betaalen, waar door zijn Hoogheid en zijne Huisvrouwe van Jaar tot Jaar aan slaven Juweelen, zilverwerken, cieraden, en wies weet wat meer in rijkdom toemen, de opperhoofden in de Goudmijnen niets kunnen proffiteeren, de Rijksgrooten verarmen, de onderdanen in slavernij vervallen en de Resi„ „denten ordinair ongelukkig zijn, zoo als evident is gebleeken, aan de drie laast afgegaane, ik zegge de Residenten ongelukkig, en zulks niet ten on„ „regte om dat zij in steede van geassisteert, werden gedwaasboomt wanneer hunne uitstaande schulden bij het scheiden van de markt willen innen schoon dezelve meerendeels op de goede getuigenisse en verseekeringe van zijn Hoogheid Mono Arfa, dat zijne goede officien tot de schuldpligtige voldoening geerne zal in't werk stellen: aan de hoofden over de Goudgravers, bij hen vertrek naar de mijnen, en aangegoede lieden zoo als men denkt, ter goeder trouwe zijn gegeven, om een winstje daar mede te behalen, en om haar meer en meer te amimeeren, tot hun verschuldigde pligt, in het verzamelen en opbrengen, van een goede quantiteit goud, maar indien ik de bal niet misslaa, gelijk ik niet twijffele, dan geloof ik, dat met de lijwaten en contanten, die door de Residenten ter goeder trouwe op credit zijn gegeeven, de schulden aan zijn Hoogheid en Njonje sien werden betaalt, en dan schaamt men zig nog niet, te presenteeren, om de schulden, van de onderdanen mits twee derde verlies, aan de Residenten bij vertrek van hier te willen betalen, stellende dus in het vergeetboek het goede aan hem beweesen, terwijl hem de Lijwaten die hij successive door zijnen doorsleepen sabandhaar Jackienie van de Residenten heeft laten haalen, niet hoger als tegens 's compagnies prijs zijn aangereekent, en moet dus bekennen dat, den Heer Gou„ „verneur Pielat, in zijne nagelatene Memorie aan zijn Edele successeur den Heer Gouverneur de Haaze, toepasselijk heeft aangehaalt, het gezeyde van den Heere Gouverneur Padbrugge te weeten dat de Gorontaalders en de Limbotters in maniere van liegen en bedrie„ valschheeden te zaaijen, memeedig te weezen, en zig tot allerhande Exzeldaaden te gewermen, Meesters boven alle de andere Molucca„ „nen zijn. Ik heb meermelde zijn Hoogheid in het bijzonder op het vrien„ „de

NL-HaNA_1.04.02_3418_0240 view scan ↗

English

16: 18 1797 the responsibility he brings upon himself, since through this his land and people indisputably had to undergo more other oppressions and burdens, and whether one must not rightly presume that the decline of the gold trade here is principally to be attributed thereto; likewise whether his subjects do not thereby have significant reason to sell their gold to private traders whenever the occasion presents itself to them. There was no lack of cursing, swearing, and solemn oaths regarding his innocence. Indeed, he was pleased to retort to me that if one wished to impute to him the cause of the annually diminished gold delivery, he would rather resign his royal authority; I passed over this threat without answering, and in my humble opinion it would be very necessary for the Company's interests here that, if the prince came to make a request to that effect, instead of diverting him from it through amicable words, one consented thereto without any postponement or delay, provided care were then also taken that the royal dignity was not conferred upon his son the Marsaolie Amboesinga, since he is of the same nature as the father, and moreover malicious, as is known to every one of the servants here; and should such be possible, the father, without long delay, would be very eager to leave the royal authority to his son, as he has reportedly made it known on multiple occasions. While, then, with regard to the succession of the Gorontalese crown, I must inform Your Right Honourable Sirs that the first goegoegoe Kitchili Oenoe, besides being the most eligible for that dignity, is moreover good-natured of character and well-disposed toward the Honourable Company, being the son of the deceased Gorontalese king Batoetiga, and who, as the former Resident Witewaal cited in his memorandum left to his successor Houque, was entitled to the crown earlier than Mono Arfa, not only by virtue of his illustrious lineage, but also because the ancestry of Mono Arfa is by far not to be equaled to his; and if this change should happen to take place, I can assure Your Right Honourable Sirs that out of a hundred Gorontalese and those of the surrounding settlements, there will not be ten who would not gladly see it, as he, Kitchili Oenoe, is very much beloved by high and low through his extraordinary good nature and humanity. If I now wish to take up the gauntlet to cause His Highness and his aforementioned wife to desist from their usury, greed, and from that which is further detrimental to the gold delivery, be it through harsh words or be it through means of coercion, then I must fear that he is not above blackening my name in time with my respective masters through all kinds of false and slanderous accusations, and will exert all his powers to bring me if possible into misfortune; indeed, who knows what else may happen to me, and that prince lacks no cunning tricks for it; but assured of Your Right Honourable Sirs' generous and lawful equity, I rest easy. the 14th: If I wish to overlook everything or let it pass with closed eyes, then it is utterly impossible for an honour-loving Resident to acquit himself of the much venerated orders of his lords and masters, and of the trust that one has in him, to finally bring the fallen gold trade onto a better footing through his doing, and therefore I find myself necessitated, salvo meliore, to have to advise Your Right Honourable Sirs: That as long as His Highness Mono Arfa holds and wields the royal authority and he and his wife do not desist from their usury and greed, one can have little hope for the increase of the gold trade, even if above the 1500 men as many more are sent to the gold mines, since their desire to dig has been taken away from them. That it is high time to make His Highness Mono Arfa apply himself somewhat more to the observance of the contracts with the Company through threats, instead of constantly flattering that prince with all amicable words. 7. That he and his wife may be earnestly interdicted from henceforth applying themselves so heavily to the trade in linens, and what more, which they keep exclusively to themselves, and that His Highness in particular may be kindly admonished to content himself with what the subjects dutifully and willingly contribute to him on account of the country's dues belonging to the king, just as his brother the co-king of Gorontalo Wallanadi is doing, who thereby makes himself beloved by everyone. That His Highness Mono Arfa may be forbidden to interfere directly or indirectly with the traders residing and arriving here, or to arrogate to himself any authority over them, through whom the provisions are fetched from Togia, Poeloeang, Ampana, Mandono, Balantak, Bengaaij, and from the other settlements situated on the opposite shore and brought here, and whom he has known how to pinch through his authority for some years now in such a manner that those people have been deprived of the courage to sail anymore, which sometimes causes a great embarrassment besides the high prices for the Company's servants as well as for the inhabitants; nor may any of the aforementioned traders venture to depart from here without a pass from him, regarding the Resident's pass as a zero in the cipher, keeping himself moreover ignorant of the refusal in that regard made at his request by the Right Honourable Lord Governor Breton in the year 1766, and that he was ordered by His Right Honour not to interfere with those peoples in the least. f As also of that which was demanded of him by a letter from the Moluccan Government dated 13 August of the following year, to [illegible] the subjects who sail to the mines

Dutch transcription

16: 18 17.97 de verantwoording die hij zig op den halshaalt, vermits daar door meer ande„ „re verdrukkingen en lasten zijn land en volk onwedersprekelijk moesten ondergaan, en of men niet met regt moet veronderstellen dat het verval van den Goudhandel alhier, daar aan wel principaal is te attribueeren; zoo meede of zijne onderdanen daar door geen significante reden hebben, om hun Goud aan particuliere handelaars te verkoopen wanneer hun de occasie presenteert. Vloeken sweeren, en duure Eeden, waaren geen gebrek van zijn onschuld Ja geliefde mij voor te werpen, dat wanneer men aan hem de oorzaak van de jaarlijkse verminderde Goud leverancie, wilde imputeeren als dan zijn koninglijk gezag liever wilde nederleggen; ik heb dit dreigement on„ „beantwoord gepasseerd, en zoude mijnes geringe eragters zeer noodzaake„ „lijk voor 's Compagnies belangen alhier zijn, dat wanneer den vorst daar„ „om kwam verzoek te doen, men in steede van hem door minnelijke bewoor„ „dingen daar van te deverteeren, zonder eenig uitstel of dilaij daar inne bewilligde, mits dan ook zorge wierd gedragen, dat de Koninglijke waardigheid niet aan zijn zoon de Marsaolie Amboesinga, wierd opgedragen, vermits hij van het zelfde naturel als de vader is, en buiten dien quaadaardigen, zoo als een jder der Dienaren alhier is bekent; en zulks kunnende geschieden, zoude de Vader zonder lang vertoeven zeer greetig weezen, om het koninglijk gezag aan zijnen zoon overtelaten, zoo als zig meermalen zouden hebben laten verluiden Terwijl dan met opzigt tot de successive van de Gorontaalse kroon Uwel Ed: Agtb: moet verwittigen dat den eersten goegoegoekitchili„ oenoe behalden de Eligibelste tot die waardigheid boven dien van im borst goedaardig, en welmeenende met de E: Compagnie is, zijnde de zoon van den overleeden Gorontaals koning Batoetiga, en die zoo als den geweesen Resident Witewaal bij zijne Memorie, aan zijnen successeur Houque nagelaten aangehaalt, eerder de kroon heeft toegekomen als Mono Arfa, niet alleen uit hoofde van zijn doorlugtig geslagt, maar ook om dat de afkomst van Mono Arfa in verre na, niet bij de zijne is te evenaren, en wanneer deze verandering eens mog„ „te gebeuren, zoo kan ik Uwel Ed: Agtb: verseekeren, dat van de hondert Gorontaalders, en die der omleggende Negorijen geen thien zullen zijn, die zulks niet geerne zouden zien, alzoo hij Ritchilie oenoe door zijnen bijzonderen goeden imborst en menschlieventheid bij hoog en laag zeer is bemint. Wil ik mij nu, het harnas aantrekken om zijn Hoogheid en voor„ „noemde zijne huisvrouw van hunne woekerij, schraap Lugt en van het geene verders nadeelig is voor de goudleverancie, het zij door harde bewoordingen, of 't zij door middelen van dwang, te doen afzien dan moet ik bedugt wezen, dat hij niet te goed is, om mij in der tijd door allerhande valsche en lasterlijke beschuldigingen in een swart blaadje te brengen bij mijne respective gebieders, en alle zijne kragten zal inspannen, om mij des mogelijk in het ongeluk te brengen, ja wie weet wat mij nog anders kan overkomen en daar toe ontbreeken dien vorst geen loose streeken maar verzeekert van uwel Ed: Agtb: edelmoedige en regtmatige aquiteit, zoo stel ik mij gerust. den 14: Wil ik alles oogluikende passeeren of laten passeeren dan is het voor een eerlie„ „vend Resident volstrekt onmogelijk, dat zig kan queiten aan de veel gevenereerde ordres van zijne Heeren en Meesters, en aan het vertrou„ „wen dat men van heeft, om den vervallen goudhandel door zijn toedoen eimn„ „delijk eens op een beteren voet te brengen, en dierhalven vinde ik mij ge„ „necessiseert uwel Ed: Agtb: /:salvo Meliore/ te moeten adverteeren. Dat zoo lang zijn Hoogheid Mono Arfa het koninglijke gezag heeft en hijst en zijne huisvrouw van hunnen woeker en schraapzugt niet af„ „zien men weinig hoop kan hebben, tot het accresseeren van den Goudhandel, alworden 'er boven de 1500: man nog zoo veel naar de Goudmijnen gezonden, terwijl dezelve de lust om te graven zijn benoomen. Dat het hoog tijd is, om zijn Hoogheid Mono Arfa door bedreigingen wat meer toeleg te doen hebben op het naarkomen van de contracten met de Compagnies, in stede van dien vorst gestadig door alle minne„ „lijke bewoordingen te vlijen 7. Dat hem en zijne huisvrouwe ernstig mag werden ge=interdiceert, om hun voortaan niet meer zoo sterk toeteleggen, op de alleen aan zig houden„ „de negotie van lijwaten, en wes meer, en dat zijn Hoogheid in het bijzonder vriendelijk mag werden vermaand, om zig vergenoegt te houden, met het gee„ „ne de onderdanen aan hem schuldpligtig en gewillig opbrengen wegens 'slands geregtigheeden, die den koning toekomen, even als zijnen broeder den meede koning van Gorontalo Wallanadi is doende, en die zig zig daar door bij een ieder bemind maakt. Dat zijn Hoogheid Mono Arfa mag werden verboden, zig direct nog indirect niet te bemoeijen met de alhier woonende en aankomende dagangers, off zig eenig gezag over dezelve aantematigen, door dewelke de Eetwaaren van Togia, Poeloeang, Ampana, Mandono, Balantak, Bengaaij, en van de andere aan de overwal geleegene negorijen werden afgehaalt en alhier aangebragt, en die hij zeedert eenige jaaren door zijn gezag, zodanig heeft weeten te beknibbelen dat die menschen de moet is beno„ „men, om meer te varen, het geene voor 's Compagnies dienaren zoo wel„ als voor de ingezetenen, zomwijlen behalven de duurte, een groote verleegentheid veroorzaakt, ook mag zig niemand, van voorschreeven dagangers ver„ „stouten om zonder Passe van hem, van hier te verstrekken, merkende 's Residents Passe als een O: in het Cijffer aan, houdende zig daar en boven ignorant, van de weigering dieswegens op zijn verzoek door den wel Edelen: Agtb: Heer Gouverneur Breton in den jaare 1766: gedaan, en dat hem door zijn Edele Agtb: is gelast, om met die volkeren 't minste niet te mogen bemoeijen ƒ Als ook van het geene hem bij een brief van de Molucoose Regeering de dato 13: Augustus van het jaar daar aan, is gedemandeert, om de onderdanen die naar de mijnen v

NL-HaNA_1.04.02_3418_0240 view scan ↗

English

depart, to send them first to the Resident to collect a pass, for which they will however need to pay nothing, and has on the contrary emphatically ordered the chiefs in the mines to admit no one there who is provided with the Resident's pass, unless a similar credential from him is added thereto, and herein in my opinion lies the snake in the grass. That Mono Arfa's impermissible authority, instead of giving it free rein, may be curtailed, and that whoever has been entrusted with the administration here on the Company's behalf, provided he does not exceed the bounds of modesty and reasonableness, and must always be mindful that he remains accountable for his actions. That each of the grandees of the realm, lesser chiefs, and subjects may bring their gold freely and frankly by tavoques to the Resident, just as before, when the delivery, so to speak, never stood still, and not as is presently in use with a clerk of the Negorij, since ever since this began, the gold delivery has diminished from year to year, which in my humble opinion was primarily devised in order to check and know everyone's state and wealth, rather than that Mono Arfa and his cunning Njonja intended anything else by it, serving to create distrust toward the Resident. With the assurance that in what has been deduced here above, no passion is concealed, and that I thereby dutifully intend to uphold my words contained in the aforementioned Missive of the 30th of the recently elapsed month of June to the joint kings and grandees of the realm, to wit: That according to my power, both here and elsewhere, I would prevent and cause to be prevented everything that could in any way tend to the detriment of the Company's prerogative gold trade, and in that case would look after the Master's true interests without connivance or respect of persons, as well as that everything I have cited here for the redress of the decayed gold trade is most urgently required. Thus I most humbly request Your Honorable Worship, if I should have committed any omissions therein, to accommodate such with benevolence and to support me with your fatherly instructions, and before use is made of one thing and another, it may first be considered whether it might occasionally happen that the repeatedly mentioned His Highness Mono Arfa, upon my friendly exhortation, might have a change of heart and abandon his detestable usury and insatiable greed. The former Resident Witewaal, in the four years' time since the orders regarding the new calculation have appeared, having lost approximately 2000:—. — rixdollars on the linens successively delivered to King Mono Arfa through a miscalculation of Netherlands money to rixdollars of 48 stivers Indies, has informed His Highness thereof, in the expectation that he would show some consideration for his loss and make it good, but what shall I say, it seems that thus far, in that regard, one has knocked on a deaf man's door. While in the meantime, wishing God's precious blessing upon Your Honorable Worship's honored person and upon the Company's important interests, I call myself with due respect and reverence. Was undersigned: Honorable Worshipful Ruling Lord. Lower: Your Honorable Worship's humble and dutiful servant. Was signed: Bartholomeus van de Walle. In the margin: Gorontalo in fortress Nassau the 22nd July 1773: — It being resolved beforehand, after the reading of that missive, to insert the same herewith: this letter further seeming to have been arranged solely by the abovementioned Resident to expose the extreme greed of Mono Arfa and of his shrewd wife Njonja Sien, and further to demonstrate that the annual decrease of the gold delivery was to be derived much rather from this bad conduct of the mentioned king than from the importation of the Macassarese cloths into the gold mines of Mouton, Moeloesipat, and Poguatto, to which Mono Arfa usually attributes the decline of that trade, only, as the Resident maintains, with the intention to blind this Government and give a favorable impression of his candor, while he and his aforementioned wife meanwhile, through all kinds of underhanded practices, know how to reserve the sale of linens and provisions to themselves alone through a detestable monopoly and to obtain the gold from the mines, spending the same for their own use and for the purchase of precious goods, to the detriment of the community, the ruin of the Residents, and the total decline of the Company's exclusive gold trade. Moreover, Mono Arfa is held suspect by the inserted letter of spending the linens and cash, which are given to him on credit by the Resident in good faith, to pay the debts of himself and his wife Njonja Sien, behaving in all other respects, according to the writer's assertion, deceitfully and ungratefully toward the Residents.

Dutch transcription

ertrekken, eerst bij den Resi„ „dent te zenden, ter afhaal van een pas, daar zij egter niets voor zullen behoeven te betaalen, en heeft ter contrarie des opperhoofden in de mijnen wel nadrukkelijk gelast, om aldaar niemant te admitteeren, die met 's Residents Pas zijn voorzien, ten zij een gelijks geloofsbrief van hem, daar bij is gevoegt, en hier schuilt mijn dunkens de adder onder het gras Dat Mono Arfas ongepermitteerde gezag in steede van den teugel te vieren mag werden besnoeit, en den geenen die van 's Compagnies wee„ „gen het bewind alhier heeft toegenoegt, mits de paalen 5. Wil Augustus 1773 189 12/94 teerd aan het suspect gedaag van van bescheidentheit en redelijkheit niet te buiten gaat, en altoos verdagt moet wezen dat van zijne gedoentens verantwoording onderhetig blijft. Dat een ieder van de Rijksgrooten, mindere hoofden en onderdanen, vrij en vrank hun goud ter tavoques bij den Resident mag brengen, zoo als voor heen, toen de leverancie zoo te zeggen niet stil stond, en in't gelijk tegenwoordig in gebruik is, met een schrijvers van de Negorij, alzoo sedert zulks zijn begin heeft genomen, de goud leverancier van jaar tot jaar is vermiadent, en kunnen nagaan en weeten een ieders staat en rijkdom, dan wel dat men Mono Arfa en zijn wijs=r Njonja iets anders daar meede heeft willen bedoelen, strekkende tot misvertrouwen op den Resident Met verzeekeringe dat onder het gededuceerde hier voren, geen passie is scheulende, en dat ik daar meede schuldpligtig bedoele, om mijn gezegdens aan de gezamentlijke koningen en Rijksgrooten bij voorschreeven Missive van den 30:' der jongst verweekene maand junij vervat, gestant te doen te weeten: Dat ik na pouvoir zoo hier als elders zoude beletten en doen beletten alles wat maar eenigsints tot nadeel van 's Compgnies prorogativen goudhan„ „del konde strekken, en in dat kas 's Meesters waare belangen zonder ooglui„ „king of aanzien van persoon zoude behertigen, als meede dat alles wat ik tot bedres van den vervallen Goudhandel hier heb aangehaalt, hoognood„ zakelijk werd vereischt, zoo verzoeke uwelEd: Agtb: zeer onderdanigst wanneer ik eenige omissien daar meede mogte hebben begaan, zulks goe„ „dertierentlijk in te schikken, en mij met uwe vaderlijke onderrigtinge te ondersteunen, en bevoorens van het een en andere werd gebruik ge„ „maakt, voor eerst nog mag werden ingezien, of het zomwijlen mogte gebeuren, dat meermelde zijn Hoogheid Mono Arfa op mijne vrien„ „delijke adhortatie, een ander inkeer kreeg, en abandonneerde zijne ver„ „foeijelijke woeker en onversadigde schraaplugt. Den gewesen Resident Witewaal, in vier jaren tijds, dat de ordres ten opzigte der nieuwe bereekening zijn opgekomen, op des successive afgege„ „vene Lijwaaten aan den koning Mono Arfa, circum circa 2000:—. — rijksdaalders hebbende verlooren; door misreekening van het Neder„ „lands geld tot rd„s van 48: stver„s Indias, heeft zijn Hoogheid van verwittigd, in verwagting dat hij eenige consideratie met zijn verlies zoude gebruiken en ten goede komen, maar wat zal ik zeggen, het schijnt wel dat tot nog toe, dienaangaande aan een doovemans deur is geklopt Terwijl inmiddens na toewensching van Godes dierbaare zeegen over uwel Edele Agtbare geëerde persoon, en over 's compagnies impor„ „tante belangen, mij met verschuldigd eerbied en ontzag noeme. /:onderstont:/ Wel Edele Agtbare Gebiedende Heer /:lager:/ Uwel „Edele Agtb: onderdanige en Trouwschuldige Dienaar /:was getee„ „kent:/ Bartholomeus van de Walle /:in margine, Goron„ „talo in 't fortres Nassauw den 22:' Julij 1773: — Werdende na gedaane opleesing van die missive voor af besloten, denzelven bij deezen te insereeren: schijnende deze brief verders eenelyk door bovengemelden Resident te zijn ingerigt. om de verregaande schraapzugt van Mono Aafa, en van zijn doorsleepene huisvrouw Njonja sien, aan den dag te leggen, en wijders aantetoonen dat de jaarlijkse slegt gedrag van gemelde koning was te deriveeren, als uit den aanbreng der Maccassaarse kleedjes in de Goud„ „mijnen van Mouton, Moeloe sipat en Poguatto, waar aan Mono Arfa het verval van dien handel doorgaans pleegt toeteschrijven, zoo den Resident sustineert, eenelijk met intentie om deze Regeering te verblinden en een favorabel denkbeeld: van zijne openhartigheit te geeven. daar hij, en evengemelde zijne huisvrouw ondertusschen door allerhande sluikse praktijken den verkoop van Lijwaten en Eetwaaren door een verfoeijelijke monopoli aan zig alleen weeten te be„ „houden, en het goud uit de mijnen magtig te werden, het zelve tot hun eigen gebruik en tot het inkoopen van koste„ „lijkheeden besteedende, tot nadeel van de gemeente ruine der Residenten, en tot aal verval van 's Compag„ „nies privativen Goudhandel Daar en boven wert Mono Arfa bij de geinsereerde brief verdagt gehouden van de Lijwaten en contanten, die hem door de Resident een ter goeder trouwe op crediet werden gegeven, te besteden om de schulden van hem, en zijn huisvrouw Njonja sien te betaalen, zig in alle andere opzigten na des schrijvers voorgeven bedrigelijk en ondankbaar te„ „gens de Residenten gedragende. het welk mijnes geringe eragtens, voornamentlijk is verzonnen, om te de schaarse goud, leverantie gemnijn„ vermindering der goud leverantie, veel eerder uit dit : Augustus 1773: den 14: eenelijk Verder sien in„

← previousnext →