VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3418

Japan · 615 pages · 359 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3418_0346 view scan ↗

English

From Macasser the 9th of June 1774. — From Macasser the 9th of June 1774. — bestower who condemned him thereto, reconsidering whether it might perhaps be concluded before the chief interpreter can arrive at Castij, by whom the appropriation is otherwise to be demanded. With regard to the complaint of the Jennang of BoeleComba concerning the Boniers in the village of Lonrong, action will need to be taken with all circumspection, in order to prevent those people from departing to the detriment of agriculture, as is to be expected if they see themselves subjugated under the Jennang, which is the very reason why I would also gladly have refused the requested investigation, which was not feasible for me. Wherewith, after greetings, I remain beneath Your Honour's good friend was signed T. G. van der Voort in the margin Macasser In the Castle Rotterdam the 22nd of January 1774. lower stood Agrees signed I. I. Voll, sworn Clerk. — Furthermore, we make known to our friends that from the hands of the Jenelis of Waroe, Barombong, and Kankilo we have duly received their letter, whereby they inform us that the illness of Prince Bone, who was chosen as King in his father's place, and the decease of his mother have prevented him from being brought hither to request thereon the approval of the Honourable Company, which we, with the favourable consent of their High Excellencies at Batavia, would also have granted: Yet since our friends promise to carry this out as soon as the said young King shall have improved in health, After the customary compliments! To the Soelewattang and Radja, together with the other grandees of the realm of Tambora. To health, which we hope will already be the case by now, we wish to expect that this promise shall be fulfilled as soon as possible, and we cannot therefore refrain from exhorting them thereto hereby, all the more because it must in every respect serve for the best of the land and people of Tambora. beneath stood written at Macasser in the Castle Rotterdam the 21st of February 1774. lower Agrees was signed I. I. Voll, sworn Clerk. — Receiving Your Honourable's highly respected letter of the 22nd of last month on the 30th thereafter, I immediately, according to the order given by Your Honourable, had an investigation made concerning the murdered child. I now take the liberty to report to Your Honourable that the murderer of that child, named Zabani, is a half Company subject and a half slave of Craing Bonthain, who had also sold him clandestinely. The murdered child was a resident of Bonto Zongo, and its father named Patta, a Company subject of Bizanpole. Concerning the 54 Spanish dollars that the Jennang of Bonthain is obligated and has also promised to pay, Right Honourable Sir, I have again made work of it; however, he requests a postponement first to look for money and then again so that he might try to obtain those who had brought him the water buffaloes, so that the Right Honourable Sir! To the Right Honourable Paulus Godefridus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes, etc. etc. To settlement, although he does not seem unwilling thereto, will still have to suffer some delay. When the chief interpreter shall have arrived here, I hope, Right Honourable Sir, that the disputes concerning the village of Lonrong will be settled to the greatest advantage of the Company subjects; at least I shall do my utmost best thereto as far as my humble abilities permit. Wherewith I have the honour to call myself with all due esteem and respect beneath Right Honourable Sir lower Your Honourable's humble and faithful servant was signed S. Monsieur in the margin Boelecomba in the Company fortress the 10th of February 1774. lower stood Agrees signed J. I. Voll, sworn Clerk. — I immediately had Lamalloe called and ordered, that since the King might still speak with him in private about one matter or another, when the King might come to speak with him about the matter of the farmer of the toll, he must help remind His Highness that the request of Intje Tengarie to collect toll in the Bugis kampong was agreed to by His Highness himself, but that he had to pay a doseua for it. This morning at 7 o'clock, Lamalloe was called by His Highness to bring up the Chinese barber, and after the King was shaved by the said Chinese, the King asked Lamalloe if he had heard anything concerning the matter of the farmer; to this Lamalloe answered nothing. I hereby make known to you that after I departed yesterday from my brother the Shahbandar, I went directly to the Makkabantana and presented to him the entire matter concerning the farmer just as it was before, and that Intje Tengarie was the first whom the King permitted to collect toll in the Bugis kampong, for which he had to pay a certain recognition money, and that such is now requested by the Governor to be allowed to remain in that manner, which is refused to His Honour. The Makkadantana, being convinced of this, fully agreed with me and promised that he will have the Tomilalang called tomorrow morning, as it is now very late in the night, to speak with him about it. After ordinary compliment and greeting: Translation of a Bugis document written by the former Pongauwa to the Captain of the Malays here, Abdul Cadier. otherwise

Dutch transcription

363 127 Van Macasser den 9:' Junij 1714. — Van Macasser den 9. Junij 174. — besteeder welke hem daar toe gecondemneert heft in deesen weder over of het somwijlen sijn beslag erlangen konde eer den oppertolk a Castij komen kan die d' inpalming andersints staat te worden gedemandeert. Ten aansien van de klagte van den Jennang BoeleComba met op„ sigt tot de boniers op de negorij Lonrong zal met alle omzigtigheid dienen gehandelt, ter preventie dat die menschen niet komen uit te wij„ „ken tot nadeel van den Landbouw gelijk te verwagten zij wanneer zij zig onder den Jennang zullen gesubjungeert zien, al waar om ik dat versogt ondersoek ook gaarne zoude hebben ontsegt, dat mij niet doenlijk geweest is. Waar meede na groete blijve /:onderstond:/ UE goede vriend /:was geteekend:/ T: G: van der voort /:in margine:/ Macasser In 't Casteel Rotterdam den 22:' Jann: 174. /: lagerstond:/ Accordeert /: getekend:/: I: I: voll, gesw: Clercq.— Wijders maken w' onse vrienden bekend, dat wij uijt han„ „den van de Jenelis waroe Barombong en kankilo wel ontvangen hebben, haaren, brief waar bij 'z ons bekend maken dat de ziekte van den tot Koning verkorene prins Bone, in zijn vaders plaatse en het overlijden van desselfs moeder belet hadde den selven herwaarts te laten brengen om daar op d' appro„ batie van de E Compagnie te versoeken die wij, onder de gunstige toestemming van haar hoog Edelhedens te Batavia ook zouden hebben verleend: Dan vermits onse vrienden belooven om zulks ge„ volg te laten neemen zo dra gemelde Jong koning aan de Na gewoone Complimenten! Aan de Soelewattang en ralie, nevens de verdere Rijksgroo„ „ten van Tambora. Aan beter 365 129 Van Macasser den 9 Iunij 1774. — Van Macasser den 9. Junij 174. — beter hand zal zijn geraakt, 't welk wij hoopen dat nu reets sal plaats hebben zo willen wij verwagten dat ten spoedigsten aan die belofte sal voldaan worden en kunnen dierhalven niet af zijn haar daar toe te vermanen bij desen te meer het zelve alle sints moet stercken ten beste van het land ende volkeren van Tambora. /:onderstond:/ geschreeven te Macasser in 't Cas„ „teel Rotterdam den 21:' Februarij 174. /:lager / Accordeert /:was getekend:/ I: I: voll, gesw: Clercq. — uwel Ed: Agtb: veel gerespecteerde letteren van den 22: J: L: op den 30: daar aan ontvangende heb ik ten eersten volgens uwel Ed: agtb: gegeevene order omtrent 't vermoorde kind onder zoek laaten doen ik neem thans de vrijheit uwel Ed: agtb: te berigten als dat de moor„ denaar van dat kind zabani gen:t een have Comp: onderdaan en een halfe slaaf van Craing Bonthain is die hem ook Clandestien ver„ kogt had: 't vermoorde kind is woonagtig geweest op Bonto zongo en desselfs vaader Patta genaamt een Comp: onderdaan van Bizanpole. Omtrent d' 54 sp:s die Jennang Bmnthan gehouden is en ook belooft heeft te zullen betaalen wel Edele Agtb: heer heb ik wederom werk gemaakt, tog hij verzoekt van eens uijtstel om geld te zoeken en dan wederom, als dat hij die geenen die hem de buffels hadden aangebragt zouden zien te krijgen zoo dat die Wel Edele Agtb: Heer! Aan denweld Agb: an Paulus Godecoedu van der voort. Gouverneur en directeur der Custe Celebes H: : Aan voldoening 137. Van Macasser den 9:' Iunij 174. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — voldoening schoon hij daar toe niet onwillig schijnt nog eenig uitstel, zal moeten lijden. wanneer de oppertolk alhier g'arriveert zal zijn hoop ik uwel Edele agtb: heer dat de dispunten omtrent de negorij Lonrong. ten meesten voordeele van Comp: onderdaanen zullen afgedaan worden ten minsten ik sal daar toe zoo veel mijne ge„ ringe vermogens toelaaten mijn uijterste best doen. waar meede de eer hebbe met alle verschuldigde agting en eer„ „bied mij te noemen /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heer /:lager:/ uwel Ed: agtb: onderdanige en trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ S: Monsieur /: in margine Boelecomba in Comp: Vesting den 10: februarij 1714. /:lagerstond:/ Accordeert /:geteekend:/ J: I: Voll, gesw: Clercq. — Ik terstond Lamalloe liet roepen en g'ordonneert (: dat wijl den koning met hem nog wel in 't particulier over eene of andere zaake spreeken:/ dat wanneer den koning met hem mogt komen te spreeken over de zaeke van den Pagter; hij zijn hoogheid moet helpen herinneeren, dat op het versoek van Jn„ „tje Tengarie om in de Campong boegis thol te heffen door zijn hoogheid zelfs is g'accordeert, dog daar voor een doseua heeft moeten opbrengen. Heden morgen ten 7. uuren is Lamalloe door zijn hoogheid geroepen om den Chinees baerdscheerder boven te brengen en na dat den koning van gem: Chinees geschooren was vroeg den koning aan Lamalloe of hij omtrent de zaake van den pagter niets gehoort heeft antwoorde Lamalloe hier op niets zo maake bij dese us bekend dat na ik gisteren van mijne broeder den sabandhair den vertrokken direst bij den makkabantana gedaan en denselven de zaake betref„ „fende de pagter alles hebbe voor gehouden sodanig als bevoorens is geweest, en dat Jn„ „tje Tengarie de eerste is geweest die den koning gepermitteerd heeft thol in de Cam„ pong bogis te heffen waar voor hij zeekere recognitie penn: heeft moeten betaelen en sulx thans door den heer gouverneur werd versogt om op diervoegen te mogen blijven die zijn wel Edele geweijgert word den Makkadantana hier van over„ tuigt zijnde gaf mij volkomentlijk gelijk en belooven morgen ochtend den Tomi„ lalang zal roepen laten wijl thans zeer laat in de nagt is om met hem daar over te spreeken. Na ordinaire Compliment en begroeting: Translaat Boeginees geschrift geschree„ ven door den geweesen Pongauwa Aan den Capitain der maleijers alhier Abdul Cadier anders 367

NL-HaNA_1.04.02_3418_0349 view scan ↗

English

From Macasser The 9th of June 1774. — From Macasser The 9th of June 1774. — other than that they will persist again in coming to request it, whereupon the king is said to have stated: was it possible that I could speak with my son in private, meaning thereby the Shahbandar. Lamalloe replied again: shall I then go and request him in Your Highness's name? No, answered His Highness, and thereupon the Tomilalang was immediately summoned, who also appeared. His Highness asked him what he now thought of the matter, seeing that they had made a request for it and one could not well refuse such a thing. The Tomilalang answered to this that he was of the same opinion, that one could not well decline the request, as it is always customary, whenever such a request came to be made from the Honorable Company or Boni to one another, that they could not refuse each other. Whereupon His Highness ordered the Tomilalang to go to the Makkadangtana and speak with each other about this, and at the same time await when they will come to request it again, for I am a slave of the Honorable Company. And while His Highness has now calmed down somewhat, I kindly request that my brother once more have His Highness requested to speak about it in private; I do not doubt in the least that he will be received better than before; do so for the best interests of the king and the country of Boni. Below stood: Agrees. Was signed: I: S: Voll, sworn Clerk. — In such manner also the Boni grandees of the realm shall forever renounce the maintaining of a Malawa or the sending back and forth of a vessel from here to the north and elsewhere, under whatever pretext such might be. The King of Boni promises hereby, both for himself and his successors in the realm, henceforth not only freely and unhindered to allow the Farmers of the import and export duties to levy tolls in the village of the Buginese as well as elsewhere from all arriving and departing vessels, as well as from all trade goods that are transported by land back and forth from here to Sapivia, but also always to maintain a competent person in the aforementioned village of the Buginese and another over the Bonians who have settled in the Campong Beroe, who shall in every respect lend a helping hand to the servants of the Farmer for the collection of their due rights, and protect them against all outrages, and likewise shall prevent any vessels of whatever nature from being left untaxed upon arrival or departure. For From Macasser The 9th of June 1774. — From Macasser The 9th of June 1774. — Right Honorable Sir For which assistance of the king and the renunciation of the Malawa, the farmers shall pay to His Highness annually, beginning with the current one, in two or three terms, a sum of One thousand Spanish reals, without being obliged to pay anything to anyone else. Below stood: written and sealed with the royal seal at the King's house on Saturday the 26th of February 1774. Lower: Agrees. Was signed: F: I: Voll, sworn Clerk. — Your Right Honorable's highly respected letters of the 20th of September and 14th of this month were duly received by me on the 9th and 24th, this serving as an escort for the Shahbandar of Bima, Abdul Mohameth, who comes before Your Right Honorable to make known the death of their king according to ancient custom. Furthermore, I have the honor to inform Your Right Honorable that the Radja Bitjara of Bima, alongside the other grandees of the realm, has been to see me and made known that the assembled grandees of the realm were inclined, instead of the deceased king, to elect his son Boemie Partiga, who has reached the age of twelve years, as the nearest and most legitimate to the throne, as their king, and during his minority it shall be administered by the aforementioned Radja Bitjara as Regent. However, since the Boni Prince Craeng Sapanang is also a pretender to the realm, who will likely come to solicit Your Right Honorable, the aforementioned Radja Bitjara, in the name of the collective foreign regents, has requested me to submit their humble request to Your Right Honorable, to the end of not appointing Craeng Sapanang as successor to the realm, for although he is a Bimangese by birth, he was nevertheless raised and brought up at the Boni court. To the Right Honorable Sir Paulus Godefridus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes.

Dutch transcription

135 369 Van Macasser Den 9:' Junij 1774. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — 6 anders dan dat 'z wederom zullen aanhouden daarom te komen versoeken hier op den koning zoude gezegt hebbe, was het mogelijk dat ik met mijn zoon in 't particulier konde spreeken /doelende hier meede den sabandhaer / Lamal„ „loe wederom repliceerde zal ik dan hem uit uw hoogheids naam gaan versoe„ ken. neer antwoord zijn hoogheid en daar op den Tomialang ten eersten wierde geroepen die ook verscheenen vroeg zijn hoogheid den zelve wat hij nu van de zaake dunk vermits dat z daarom verzoek hebbe gedaan, en men zulx niet wel konde weijgeren, den Tomilalang hier op g'antwoord hebbe van deselve gevoelen te zijn dat men het versoek niet wel konde afslaan wijt altoos gebruikelijk is wanneer diergelijke versoek van de E: Comp: of bonij aan denselven quame te doen z'elkanderen niet konde weijgeren waar op zijn hoogheid den Tomilalang ordonneerde om na den Makkadantana te gaan en met elkander hier over te spreeken, teffens afwagten wanneer z wederom zal komen versoeken, want ik ben een slaaf van d Ed: Comp:, endewijl zijn hoogheid thans eenigsints in bedaartheijd is gekomen soo versoek ik vrien„ „delijk dat mijn broeder nog eens zijn hoogheid laat versoeken om in 't par„ ticulier daar over te spreeken, tewijffele geensints of zal beter onthaald worden als bevoorens, doet zulx ten beste wille van den koning en het land van Bonij /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend/I: S: vol, gem: Clercq. — Invoegen ook de Bonijse Rijksgrooten voor altoos zul„ „len afsien van het houden van een Malawa of het over en weder zenden van een vaartuig van hier na de noord en elders onder wat pretext zulks zijn mogte. De koning van Bonij belooft bij deesen zoo voor hem als zijne opvolgeren in het rijk voortaan de Pagters van de in „komende en uijtgaande regten niet alleen vrij en onverhindert te zullen toelaaten om in de Campong der bougineesen zo wel als elders thol te heffen van alle aankomende en vertrekkende vaar„ tuigen, zoo meede van alle negotie whaaren die over land van hier over en weder na Sapivia vervoerd worden, maar ook al„ toos een bequaam persoon te zullen houden in de gemelde Cam pong der bougineesen en een ander over de boniers die zig in de Campong Beroe ter woon hebben neder gezet welke de dienae„ ren des Pagters in allen opzigte tot invordering van hunne geregtigheid de behulpsame hand bieden en tegen alle geweldena„ rijen bevijligen mitsg:s beletten zullen dat er eenige vaartuigen hoe genaamd 't zij bij aankomst of vertrek onvertolt gelaten worden. Voor 371 Van Macasser Den 9:' Juniy 1714. — Van Macasser dn9 Junij 174. — Wel Edele Agtbaare Heer Voor welke assistentie van den koning en het afsien van, de Malawa de pagters 's jaarlijks met dit loopende te beginnen, aan zijn hoogheid in twee a drie ter mijnen betaalen zullen een somma van Een duijsend spaanse reaelen sonder gehouden te zijn aan iemand anders iets op te brengen /:onderstond:/ geschreeven en gezegeld met het koninglijk zegul op 's ko„ „nings huis op Saturdag den 26:' Februarij 1774. /:lager:/ Accordeert /:was getekend:/ F: I: Voll, gesw: Clercq. — uuwel Ed: Agtb: hoog gerespcteerde beteren van den 20: September en 14: deser bij mijn op den 9: en 24:' wel geworden deeze ten geleijde dienende van den sabanthaar van Bi„ „ma Abbul Mohameth, die tot uwel Ed: Agtb: vierkond om volgens oud gebruik„ de bood van hunne koning te komen bekent maaken; voorts heb ik de eer uwel Edel: Agtb: te bedeelen, dat Radja Ritjara van bima nevens de verdere rijks„ grooten bij mijn is geweest en te kenne gegeven dat de gezamentlijke rijks grooten geneegen waaren om insteede van den overleeden koning desselfs zoon Boemie Partiga, tan den onderdom van twaalf Jaaren bereijkt /: als de naaste en mettigste tot de koom tot hunne koning te willen verkiesen en geduurende deselfs minder Jaarig, door vorm: Radja Bitjara, als Regent zal werden waargenomen. dan vermits den bonijs Prins Craeeng Sapanang meede een preetendent van 't rijk is, die denkelijk uwel Ed: Agtb: wel zal komen salliciteeren so heeft meerm: Radja Bitjara ut naam der gezamentlijke overwalse volsten my verzogt om aan uwel Edele agtb: haar ootmoedige versoek voor te dragen, ten eijnde staeeng sappanang niet als opvolger van't rijk te benoemen schoon den„ zelven een Bimanees van geboorte, egter aan 't bonijs hof opgevoeden groot ge„ Aan den wel d: Agtb Heer Paulus Godofredus vanden voorsz. Gouverneur en directeur ter Custe Celebes Aan bragt 135.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0351 view scan ↗

English

From Macassar the 9th of June 1714. From Macassar the 9th of June 1774. Right Honorable Sir, brought up, and therefore in nature and manner would not agree with the princes across the water, which would cause nothing but confusion and embroilments, which are the reasons why the combined grandees of the realm did not want to accept him as their king, just as the other princes of Dompo, Tambora, Sangar, and Tekat likewise do not wish to recognize anyone as king as before mentioned, Boenu Partiga. Furthermore, it serves for the information of Your Right Honorable that the Wadjoese on Sumbawa for the most part have departed from there and have settled at the settlement of Rhee near Datoe Boesing, partly also towards Talinang, but the most prominent or the richest have still remained on Sumbawa. The humble undersigned shall not fail, as soon as God grants him health, to proceed to Salimparang in order to speak with Gustij Waijantaga in person upon his invitation. Wherewith I conclude this, after having commended Your Right Honorable's precious person, together with the Company's weighty interests, to the safe keeping of the Almighty, and subscribe with all high esteem, was written below, Right Honorable Sir, lower, Your Right Honorable's humble and obedient servant, was signed, A. Lellerf, in the margin, Rima in the Company's fortress the 30th of October 1713. Lower stood, Agrees, signed, J. S. Voll, sworn clerk. My last to Your Right Honorable was of the 8th of this month; now I take the liberty to send over to Your Right Honorable Craing Oedjong Lowe, as well as the plundered Daing Pagalla, Glarrang Panjikokan, Glarrang Salo Salo, and Goeroe Mangoe, who I do not doubt, at least according to their own statements, will be able to demonstrate that the plundered person is not a Bonier, but indeed a subject. On the 1st of this month, Right Honorable Sir, I received a letter from the regent of the King of Boni, the contents of which, according to the translation of the interpreter Mulder, are that the head interpreter had complained to him about the theft of five buffaloes, this being, Right Honorable Sir, the same case of which I gave notice to Your Right Honorable. The regent writes further that he can demand in his name from the Jennang of Bonthain 54 Spanish rixdollars in order to indemnify those who brought the letter, these being the owners of three buffaloes, for their damages. The regent judges that the said Jennang is accountable as a thief, for the reason that he had embezzled the buffaloes after they were found with him and identified. But since that Jennang is already on his way to Macassar, I take the liberty From Macassar the 9th of June 1774. From Macassar the 9th of June 1774. to send that letter herewith to Your Right Honorable, in the hope that this matter may then be decided sooner. I have sent the bearers of that letter back again with a letter to the head interpreter. On the 12th of this month, Right Honorable Sir, having received the news that Sergeant Steijnbacht, coming from Buton, unable to proceed further on his voyage, is lying at Bonthain, I immediately wrote to him that I advised him, since the monsoon was not yet so far gone, to undertake his voyage once more if it were possible, as I firmly presumed that it would be much more pleasing to Your Right Honorable that such should happen than that he should seek to remain at Bonthain for some months; but it seems, Right Honorable Sir, that there is no great eagerness to complete that voyage. Wherewith, with all due respect and reverence, I take the liberty to call myself, was written below, Right Honorable Sir, lower, Your Right Honorable's humble and obedient servant, was signed, S. Monsieur, in the margin, Boelecomba the 14th of December 1773. Lower stood, Agrees, signed, J. J. Voll, sworn clerk. Having received on the 17th and 20th of this month your letters of the 8th and 14th previously, it serves in reply thereto that, however earnestly I also complained to the King of Boni about the insolent conduct of the Jennang of Bonthain regarding the soldier Greving, His Highness nonetheless, as it seems, being possessed by self-interest with prejudice, could not be moved to give satisfaction, but demanded that prior investigation be held, which has then been determined; and in order to settle simultaneously at Boelecomba and Bonthain itself the disputes between the Jennangs on the one side, and Craing Oedjong Lowe together with the owner of the buffaloes embezzled by the latter on the other side, for which purpose I have had to let the said Craing Oedjong Lowe together with his people return back again, all the more so since his party, as well as the other, are no longer here, the latter, if he might indeed have come up, must have departed again. Meanwhile, the prince has nevertheless already attached his seal to the decision of the regent to make the Jennang of Bonthain pay 54 Spanish reals to the owners, wherefore you must urge the same to the satisfaction thereof. Honorable, Pious, Discreet, To the Junior Merchant Simon Monsieur, Resident there. To

Dutch transcription

373 137 Van Macasser den 9. Iunij 1714. — Van Macasser Den 9:' Junij 1774: — Wel Edele Agtbaare sur:" bragt is en dus van aard en manier met de overwalste vorsten niet zoude arr een komen 't welk niet anders dan verwaring en brouillerien zoude veroorspaa„ ken redenen waar omme de gezamentlijke rijks grooten, hem voor hunne ko„ ning niet wilde aanneemen gelijk de verdere voosten van dompo Tambora, sam„ gar en Tekat insgelijks niemand voor koning willende erkennen als vooren: Boe„ nu Partiga. — wijders dient uwel Ed: agtb: ter kennisse dat de wadjoree„ „zen op sumbauwa de meeste past van daar vertrocken zijn en zig terwomn gezet hebbende op de Negorij Rhee bij datoe Boesing ten del ook na Tali„ nang, dog de voornaamste of de reijkste zijn nog op sumbauwa, gebleeven, den Needrigen teekenaar zal niet mankeeren zo dra god: hem de ge„ soudheid: verleene, na Salimparang te sullen begeeven om gustij waijantaga op zijn noodiging mondeling te spreken. Gt. Waar meede dese stuite na uwel Ed: agtb: dierbaare persoon nevens s Comp: swaarwigtig belangen in de vijlige hoede des alderhoosten tehebben aanbevoolen, met alle hoog agting onderschrijven, /:onderstond/ wel Eoele Agtb: heer /: lager:/ uw wel Ed: Agtb: otmoedige en gehoorzame dienaar /: was geteekend:/ A: Lellerf /:in margine:/ Rima in sComp: vesting den 30:' october 1713. /: lagerstond:/ Accordeert/getekend:/ I: S: voll, gesw: Clercq. Mijne laaste aan uwel Ed: Agtb: was van den 0: deser thans name de„ vrijhed tot uwel Ed: agtb over te zenden Coaing oedjong Lowe als meede de geplunderde daing Pagalla glarrang Panjikokan, glasrang salo salo en goeroe Mangoe die ik niet twijffel ten minsten volgens haare eijgen opgaave of zullen in staat weezen om aan te toonen dat de geplunderde geen Bonier maar wel een onderdaan is Op den 1:' deser wel Ed: agtb: heer heb ik een brief van de rijks„ bestirder van de koning van Bonij ontfangen welkens inhout volgens de vertaaling van de tolk Mulder is, als dat de oppertolk bij hem over 't steelen van vijf buffels geklaagd had zijnde dit wel Edele agtb: Heer 't zelfde geval waar van ik uwel Ed: agtb: kennis heb ge„ „geeven: Den rijksbestierder schrijft verder van uit zijn naam van Jennang Bonthain afte kunnen eijsschen 54. rd: spaans om die gee„ ne die de brief bragten zijnde dit de Eijgenaars drie buffels daarme„ de haar schaade te vergoeden. den rijksbestierder oordeelt dat gemelde Jennang als een dief aanspreekelijk is om reeden hy de buffels na dat deselve by hem gevonden en g'eijgent waaren had verduijsterd. dog dewijl dien Jennang reets na macasser is neem ik de vrijheid Wel cuwel 375 139 Van Macasser in9' ungj 74. — Van Macasser Den 9 ' Junij 174. — uwel Ed: Agtb: dien brief bij deese toe te zenden in die hoope dat die zaak dan eerder gedicideert kan worden. de brengers dier brief heb ik wederom met een brief aan de oppertolk te rug gezonden. op den 12:' deeser wel Edele agtb: heer de tyding krijgende als dat de van Bruthon koomende sergeant Steijnbacht zijne reijse niet verder kunnen„ de vervorderen op Bonthain lig. heb ik hem ten eersten geschreeven dat ik hem raade dewijl de mouson nog zo vere niet verloopen was om zn 't mo„ gelijk was zijn reijse nog eens te onderneemen, dewijl ik vast presu„ „meerde dat 't uwel Ed: Agtb: veel aangenamen zoude weezen dat zulks geschide als dat hij eenige maanden op bonthain zogt te ver„ blijven dog 't scheijnt wel Ed: Agtb: Heer dat tot 't volvoeren dier„ reijse geen groote driff is waar meede met alle verschulde agting en eerbied de vrijheid neem mij te noemen /:onderstond:/ wel Edele Agtb: Heer /:lager:/ uwel Ed: Agtb: onderdanige en gehoorsame dienaar /:was geteekend:/ S: Monsieur /:in margine:/ Boelecomba den 14:' decemb:r 1773. /: lagestond/ Acordet/ getekend:/ J: J: voll, gesm: Cercq. — Op den 17: en 20: deeser ontfangen hebben de uw: brieven van den 8: en 14:' bevorens dient daar op in antwoort dat ho enstig ik ook bij den koning van Bonij gedoleert hebbe over het brutaal bedrijf van Jennang Bonthain om„ „trend den soldaat greving gehouden zijn hoogheid nogttans so 't schijnt door eigen belang ingenomen met vooroordeel niet te beweegen is geweest satisfac„ tie te geeven maar begeert heeft dat na alvoorens ondersoek gedaan zal worden 't geen dan vast gesteld is en om te gelijk op Boelecomba en bonthain zelfs af te doen de quistien tusschen de Jennangs ter eene en Coalleng oedjong Lowe, mitsg:s de eijgenaar der door den laaste verduijsterde buffels, ter andere zijde ten welken eijnde ik gem: Crang oedjong Lowe nevens de zijne weder hebbe moeten laeten te rug keeren te meer zijn Partij zig zo wel als den anderen niet meer hier bevinden den laaste zo hij al werkelijk mogt opgekomen zijn weder moet vertrocken weezen. ondertuschen heeft den vorst nogthans zijn zegel reets gehangen aan de cisie van den rijksbestierder om Jennang Bonthaim te doen betaalen 54. spaan„ se reaalen aan de eijgenaars weshalven UE. denselven tot dies voldoening dient Eersame, vroome, Discreete, Aan den onderkoopman Simon Monsieur. Resident aldaar. Aan aan

NL-HaNA_1.04.02_3418_0353 view scan ↗

English

1241. From Macasser the 9th of June 174. From Macasser the 9th of June 174. Honorable, highly Esteemed Sir to urge, awaiting the effect thereof in order to be able to insist upon it further in case of unwillingness. The departure of the commissioners, the chief interpreter Brugman and glastang Bontualacq, nevertheless having had to be postponed for the time being, it serves for your information that Jennang Boelecomba has complained to the king that a large number of Boniese are said to reside in the village of Lonrong who are unwilling to perform the Lord's service, and that His Highness therefore has also requested that this might be investigated in order to make a division between his subjects and those of the Company. This will be charged to the commissioners, while I in the meantime expect that you will inform yourself as much as possible in that regard, to the end that the aforementioned Brugman may be instructed about it so as to make that investigation easy and to keep in view the Company's interest alongside that of the subjects. I remain, after greetings, your good friend, signed, P. P. van der Voort, in the margin, Macasser in the Castle Rotterdam the 28th of December 173., below stood, Agrees, signed, I. S. Vol, sworn clerk. Upon my return from Salimparang, I had the honor to receive Your Honorable, highly Esteemed, highly respected letter of the 23rd of November via the envoys from Bima, who arrived safely here on the 4th of December. Meanwhile, regarding my commission to Salemparang, I communicate hereby to Your Honorable and Esteemed Sir that I have accomplished the same with good success and conducted the negotiations with King Gusti Waijantaga so far that His Highness is fully inclined to enter into a pact and alliance with the Honorable Company, just as his son Gusti Madekaran Assan and other grandees are likewise inclined thereto, under firm assurance that they will follow everything faithfully as sincere allies of the Honorable Company. His Highness therefore requests that Your Honorable and Esteemed Sir please send commissioners to draft the contract, so that this might still happen this year, as His Highness will otherwise never believe the Dutch again. From the conversations held during my presence at Tandjonkarang, both with King Gustij Waijantaga and his son, as well as with other grandees there and also with the two old Sumbawanese princes on Sagara, Radeeng Sibalang and Rabeeng Tidapa, I have sufficiently been able to notice their inclination toward entering into a firm alliance with the Honorable Company, as Your Honorable and Esteemed Sir will be pleased to see from my daily journal annexed hereto, to which I respectfully refer. In my absence, the scribe has properly delivered to the King and the Grandees of Sumbauwa Your Honorable and Esteemed Sir's transmitted To the Honorable, highly Esteemed Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. To 377

Dutch transcription

1241. Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' unij 174. — Wel Edele Agtbaare Heer aan te moenen zullende het effect daar van afwagten om bij onwilligheid nader daar op te kunnen aandringen 'T vertrek der gecommitt:s den opertolk Brugman en glastang Bon„ tualacq nogtans oor erst hebbende moeten worden uitgesteld t dient ter ub naricht dat Jennang Boelecomba bij den koning geklaagd heeft dat op de negorij Lonrong een groot getal Bonies zouden woonen die wrij gerig waa„ ren sheeren dienst te doen en dat zijn hoogheid dierhalven almeede verzogt hebbende dat zulks mogt worden onderzogt ten Eijnde een verdeeling van zijne en sComp: onderdanen te makken zulk de gecommitteerden in last zal wor„ den gegeven ter wijl ik intusschen verwagte dat UE: zig daar omtrent zo veel mogelijk sal in fromeren te eijnde is gem: Brugman daar van kan nderrig„ „ten om dat onderzoek gemakkelijk te maaken en sComp belang nevens dat der onderdanen in het oog te houden. Ik blijve nagroet /:ondersond/ uE: goede vriend /:was geteekend:/ P: P: „ „ van der voort /:in margine :/ macasser in 't Casteel Rotterdam den 28:' december 173. /: agerstond:/ Accordeert /: getekend:/ I: S: vol, gem: Cercq. — Met mijn te rug komst van Salimparang heb ik de eere gehad te ontfangen uwel Edele Agtb: hoog gerespecteerde letteren van den 23: November, per de gezanten van Bima dewelke op den 4: december alhier behouden is g'arri„ „veerd, Terwijl bij deesen ten belange mijner Commissie op salemparang ruwel Edele agtb: Communiceeren dat ik deselve met goed succes heb volbragt ende onder„ handeling met den koning gusti waijantaga, dus veere gedaan dat zijn hoog„ „heid ten vollen g'inclineerd is om met dE Comp: in verbond en alliantie te treeden gelijk zijn zoon gusti Madekaran assan, en verdere grooten meede daar toe ge„ negen zijnde, onder vaste verzeekering datze als opregte bongenooten der E: Maatschappij in alles getrouwelijk zal na volgen zijn hoogheid verzoek dier„ halven dat uwel Ed: Agtb: gecommitteerdens gelieve te zenden om 't Contract te maaken sulx nog in deesen Jaare mogte geschieden de wijl 't anders zijn hoogheid nooijt de hollanders meer zal gelooven. Met de gehoudene Converfatie 't seedert mijn aanweesen op Tan„ djonkarang zo wel met den koning gustij waijantaga en zijn zoon als andere grooten aldaar al meede met de twee oude sumbauwareese prin„ „len op Sagara, Radeeng Sibalang en Rabeeng Tidapa heb ik genoeg„ „zaam kunne bemerken hunne genegentheid tot 't aangaan van Een vaste verbond met dE Comp: gelijk uwel Edele Agtb: uit mijn gehoudene dag„ „register hier nevens g'annexeerd des gelievende zal kunne zien waar aan ik eerbiedig reverieren. Aan den koning en Rijxgrooten van Sumbauwa heeft den schriba in mijn absentie behoorlijk doen ter hand stellen uwel Edele Agtb: over„ Aan den wel Ed: Agtb: Heer Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en directeur ter Custe Celebes. Aan „gezondene 377

NL-HaNA_1.04.02_3418_0354 view scan ↗

English

From Macasser, the 9th of June 1714. From Macasser, the 9th of June 1714. the dispatched letter whose reply is enclosed herewith. Nor did I fail, on my return journey from Salimparang, to touch at Taliwang and once more urge the prince of Sumbawa to depart for Macasser. His Highness declared that he was ready at all times, but that it was only for lack of his grandees of the realm to convey him over. Upon my earnest urging, the assembled grandees of the realm now firmly promise that, since the King declared he was ready, they will not fail to convey the King over at the beginning of the east monsoon. Furthermore, the assembled grandees of the realm requested me to present their complaints to Your Right Honourable regarding the conduct of their King in appointing Pangerang Laija as King of Taliwang, done by His Highness, with the request that Your Right Honourable be pleased to annul the same and declare it unlawful, as Pangerang Laija does not originate from a legitimate bed of royal blood and therefore cannot be elevated to that dignity, nor may he bear the title of honour of King. As also concerning the King of Dompo, on account of a further 32 heads of Sumbawan women and children who were on His Highness's lands in the settlements of Sourbaij and Cempo to purchase foodstuffs; they were robbed there by the Dompoese, and partly struck down when offering resistance, and subsequently sold one after another by His Highness. With the humble request that they may receive proper satisfaction regarding these actions and also that their abducted people may be returned to them. Hereupon I promised the assembled grandees of the realm to have the necessary measures taken, just as the undersigned, shortly after his arrival here, went in person to Dompo and confronted that prince regarding this matter. He replied to me that the Sumbawanese had been on his lands between the two aforementioned settlements, had built huts in the forest where they stayed for some time stealing horses and water buffaloes, and that having received several complaints about this from his subjects, he had been forced to have them seized and treated as thieves according to the laws. However, since these two matters cannot be decided by me without orders and authorization from Your Right Honourable, I referred the assembled grandees of the realm, as they were to depart shortly, to Macasser in order to be settled by Your Right Honourable, also telling them that they must seek to take Pangerang Saijo with them upon their departure. I also paid a visit to Craeeng Biladjie, who gave me a firm assurance that upon the appearance of Tjalla Bankoeloe he would deliver him into the hands of the Honourable Company, provided that I or Corporal Carel Lecerf must be present there, since without having a European with him he dare not take the risk; all of which is noted more broadly in my daily journal. Yesterday I received word from Sumbauwa that the grandees of the realm are making preparations to depart alongside the King for Macasser. The young King of Tambora, having been unable to depart for Costij due to his indisposition, informs me by a letter that he is currently on the mend and hopes within one or two months, alongside Jenelie Kiwie, to come over to Your Right Honourable. However, the young King of Bima, who as yet has not been appointed full successor to the throne for the reason, as the regent has made known to me, that according to the custom of the country presented

Dutch transcription

379 Van Macasser den 9: Junij 1714. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — gezondene brief welker antwoord hier nevens overgaad ook heb ik niet gemankeert met mijn te rug rheijse van salimparang, op Taliwang aan te gieren, en sumbawas vorst nog maals opgewekt om na macas„ ser te vertrekken zijn hoogheid betuigde ten allen tijde klaar te zijn maar dat 't alleen aan zijn rijksgrooten ontbrak om hem over te bren„ gen de gezamentlijke rijksgrooten op mijn ernstige aanhouding thans vaste„ „lijk belooven, dewijl den koning betuigde gereed te zijn zijlieden niet inge „„reeke zullen blijven met 't begin van de oostmousson den koning over te brengen. wijders hebben de gezamentlijke rijksgrooten mij verzogt om haar klagten aan uwel Edele agtb: voor te dragen, omtrent de behandeling van derselver koning, met het aanstellen van Pangerang Laija tot ko„ ning van Taliwang door zijn hoogheid gedaan met verzoek dat uwel Edele agtb: 't zelve te willen vernietigen en voor onwettig te verklaaren also Pangerang Laija uit geen egte bed van 't koninglijke bloede gesprooken is en dierhalven tot die waardigheid niet kan werden verheeven, of de eer„ „titul van koning mag voeten. Als mede over den koning van dompo, wegens nog 32. koppen sum„ bauwareese vrouwen en kinderen dewelke op zijn hoogheids land in de negorijen sourbaij en Cempo ter inkooping van leevens middelen geweest zijn aldaar door de domponeesen gerooft en gedeeltelijk die zig te weer gesteld hebben ter needer zijn gelegd vervolgens successive door zijn hoogheid zijn verkogt geworden met ootmoedig verzoek datse over deese gedoentens eene behoorlijke satisfactie mag erlangen teffens haar geroofde volkeren weeder mag werden overgegeeven; hier op heb ik de gezamentlijke rijksgrooten beloofd de noodige van zal laate doen zo als den ondergeteekende kort na zijn aankomt alhier in perzoon na dompo heb begeeven, en dien vorst over deese zaak voorgehouden, die mijn ten antwoord gaf dat de sumbauwateesen op zijn land geweest zijn tusschen de twee voormelde negorijen in 't bosch hutten gemaakt alwaar ze zig eenigen tijd hebben opgehou„ den met poorden en buffels te steelen en hier over verscheijde klagten van zijn onderdaanen te hebben gekreegen hij genoodzaakt was ge„ „weest haarlieden te laeten opvatten en als dieven na wetten getracteerd. Dan vermits over deese beijde zaaken buiten order en qua„ „lificatie van uwel Edele Agtb: bij mijn niet kan werden gedecideert heb ik de gezamentlijke rijksgrooten /: also sijlieden binnen korten stonden te vertrekken:/ na macasser gerenvoijeerd ten eijnde bij uwel Edele Agtb: te werden afgemaakt, teffens gezegd datse met haar ver„ trek pangerang saijo moet zoeken meede te neemen. Aan Craeeng Biladjie heb ik mede een visitee gegeeven, mij vas„ te verzeekering gedaan bij opdaaging van Tjalla Bankoeloe hem in handen van de E Comp: te zullen overleeveren mits dat ik of den Corporaal Carel Lecerf aldaar moet bij weesen dewijl hij zonder een Europees bij hem te hebben niet durve hazardeeren; welk Een en ander breeder bij mijn dag register genoteerd staan; op gisteren heb ik teijding van sumbauwa bekomen dat de rijktgrooten klaarigheid maa„ „ken om nevens den koning na macasser te vertrekken. Den Jonge koning van Tambora door desselfs in dispositie na Costij niet heeft kunne vertrekken doet mijn bij een brief bekend maaken, dat hij teegenwoordig aan de beter hand gekomen is en ver„ hoope binnen Een a 2. maanden nevens Jenelie kiwie tot uwel Edele Agtb: te zullen overkomen, dog den Jongekoning van bima dewelke als nog tot geen volkomen successeur van de throon benoemd is om tee„ den /: so als den rijksbestierder mij heeft doen weeten:/ dat volgens 's lands voorgehouden gebruik

NL-HaNA_1.04.02_3418_0355 view scan ↗

English

From Macassar, 9 June 1774. From Macassar, 9 June 1774. custom, no new king is made or acknowledged as such by them, except in a certain fixed month which they call Boelang Lima, and secondly he must also first be circumcised. I hope shortly to come over to Your Right Honourable in person, and will make further report of this, while my waiting is solely for the King of Sangar in order to settle the piece of land in dispute with Dompo, as the envoys of the other Overwals rulers are already here to attend the same. I have also received news that Dompo's ruler has been gravely ill for several weeks, for whose recovery there is little hope. Furthermore, everything here is generally in good rest and peace. Wherewith, having set down all essential matters herein, in the hope that my actions will earn the favorable approval of Your Right Honourable, I have the honour, after having first commended Your Right Honourable together with the Company's weighty interests to the all-safe protection of the Most High, to subscribe myself with all high esteem, beneath stood, Right Honourable Lord, lower, Your Right Honourable's dutiful servant, was signed, A. Lecerff, in the margin, Bima in the Company's fortress, 4 March 1774, lower stood, Agrees, signed, T. P.ns Voll, sworn clerk. Year 1773. Daily journal kept by the undersigned Ensign and Commandant of Bima, Alexander Lecerff, during my commission to Salimparang. Friday the 12th November: departed in the evening at 10 o'clock from Bima and arrived at Batoepa. Saturday the 13th: departed from Batoepa. Sunday the 14th: arrived off Pankasjannang. Monday the 15th: remained lying at the same place. Tuesday the 16th: was near the island of Satonda. Wednesday the 17th: near the island of Mojong. Thursday the 18th: arrived at Sumbawa, and when the grandees of the realm came to me, I asked them why they had not departed with the king for Macassar; to which they replied that they would indeed have brought the king to Macassar had His Highness not departed for Taliwang. Further, I inquired after the reasons for the king's stay there, to which they replied that they had already several times requested, indeed begged, the king to remain in the land of Sumbawa, but that His Highness had asked them to be allowed to bring his grandfather to Taliwang and would stay there no longer than 10 to 12 days; His Highness has not yet returned to this day, and the reasons for this they could not tell me, wherefore From Macassar, 9 June 1774. From Macassar, 9 June 1774. or why this happened; whereupon I said that I would head for Taliwang myself and speak with the king. Friday the 19th: departed from Sumbawa. Saturday the 20th: came to anchor at Allas. Sunday the 21st: departed again from Allas and came to anchor in the roadstead of Mapping. Monday the 22nd: departed again, but due to severe current and wind came to anchor near the island of Passar; here I lost two anchors, but my third held until the morning of the next day. Tuesday the 23rd: weighed anchor and set sail; came to anchor in the roadstead of Jagara. I immediately sent the matoa of the Bugis ashore to warn the head of the village that the Commandant of Bima has arrived to speak with Gusti Waijantaga. The matoa came back on board to bring me the greetings of Radeeng Tidapa, head of the village, and at the same time had it said that he would come on board with me the following day. Wednesday the 24th: in the morning, the wind being Northeast, Radeeng Tidapa could not come on board; in the afternoon, the same sent to request me whether I would come ashore and that he would give me men to hold the sampan. Thus I went ashore. After having exchanged the usual compliments, I asked Radeeng Tidapa whether Gusti Waijantaga was not in the village, to which he answered no, but that he had departed again for Tanjong Karang a few days ago. Furthermore, I informed him that my arrival here was solely to speak with the king. Radeeng Tidapa asked me whether I would write a letter, and that he would send it swiftly to Tanjong Karang, as he believed that Gusti Waijantaga had departed for Bali. I promised to send a letter for the king ashore by the next day; furthermore, having taken my leave, I departed for on board. Thursday the 25th: in the morning I sent the letter for the king ashore, giving to know therein that I have come to anchor in this roadstead solely to speak in person with His Highness upon his invitation, with the request not to take it amiss of me that I had not arrived at Tanjong Karang, since on the day after my arrival here I contracted the fever, the more so as the village of this place lies two days' travel away. This roadstead is a very good anchorage for sloops and other vessels. Friday the 26th: nothing occurred. Saturday the 27th: went to Radeeng Tidapa. Sunday the 28th: nothing occurred. Monday the 29th

Dutch transcription

145 381 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — gebruik geen Nieuwen koning word gemaakt of als sodanig bij haar„ lieden erkend, als op een zeekere vaste maand deese noemen, Boelang Lima, ten tweeden ook eerst dient besneeden te werden Jk hoop binnen korten in per zoon tot uwel Edele agtb: te zullen overkomen, en hier van nader Rapport zal doen terwijl mijne wagten alleenlijk is op den koning van sangar, om t in disput leggende stuk land tusschen dompo af te maa„ ken alzo de gezanten van de andere overwalse vorsten ten bij wooning van deselve reeds hier zijn ook heb ik tijding ontfangen dat dompos vorst al eenige weeken slegt siek is tot welker geneesing men weij„ nig hoop hebbende. Wijders zijn alhier in 't generaal alles in een goede ƒ rust en vreede. Waar meede thans alle 't zaakelijkheeden hier inne te heb„ ben ter needer gesteld in hoope dat mijne behandelingen, eene guns„ „tige goedkeuring van uwel Edele Agtb: te zullen wegdragen, heb ik de eer, na alvoorens uwel Edele Agtb: nevens sComp: swaarwigti„ ge belangen in de allen vijlige hoede des alder hoogsten aanbevoolen te hebben, my met alle hoog agting onderteekenen /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare heer /:lager/ uwel Edele Agtb: trouwschul„ „dige dienaar /:was geteekend:/ A: Lecerff /:in margine/ Bima in sComp: vesting den 4:' maart 1774. /:lagerstond:/ Accordeert /.geteekend:/ T: P:ns Voll, gesw: Clercq. — des avonds om 10. uuren van Bima vertrocken en op Batoepa gekomen vrijdag den 12:' Novemb:r Saturdag „ 13: van Batoepa vertrocken Sondag - - - „ 14. op de hoogte van Pankasjannang gekomen maandag „ 15: op deselve blijven leggen Dingsdag „ 16: bij 't Eijland, Satonda geweest bi 't Eijland Mojong op sumbawa gekomen en als de rijksgrooten bij mijn gekomen zijn, heb ik haarlieden gevraagd waarom zij met met den koning na ma„ casser waren vertrocken so gaven z mijn ten antwoord dat zij den koning wel na macasser zouden gebragt hebben bij aldien zijn hoogheid niet na Taliwang was vertrocken, verders vroeg ik na de redenen van des konings verblijf aldaar so gewense mijn tot antwoord datse den koning al verscheijde maalen verzogt, ja gebeeden om op 't land van sumbauwa te blijven dat zijn hoogheid haarlieden verzogt hadde om zijn grootvader na Taliwang te mogen brengen en niet langer als voor 10 â 12. daagen aldaar zoude verblijven, zijn hoogheid tot heeden nog niet was getetour„ neerd, de redenen hier van weeten zijlieden mij niet te seggen waar„ woensdag - „ 17: Donderdag „ 18: Ao: 1773. Dagregister gehouden door den ondergeteekende vaan„ „drig en Commandant van Bima Alexander Lecerff, met mijn Commissie na Salimparang. Dagregister „om 107 383 Van Macasser den 9: Iunij 1774. — Van Macasser Den 9 Junij 174. — Vrijdag om of het zulks geschied, daar op zeijde ik dat ik zelf op Taliwang zal aangieren en den koning overspreeken. vrijdag den 19:' van sumbawa vertrocken Saturdag „ 20:' op allas ten anker gekomen sondag „ 21:' van allas weder vertrocken en op de rheede van mapping ten anker ge„ koomen Dingsdag „ 23: Maandag „ 22:' weeder vertrokken, dog oor swaare war en winst bi 't eijland Passar ten anker gekomen, alheer verloor ik twee ankers dog mijn derde blyft tot 't anderen daags 's morgens toe. ligte het anker en gongen onderzeijl, quam op de rleede van Jagara ten ankere ik zond ten eersten de matoa der boegineesen na land om aan het hoofd van de negory te waarphouwen dat den Commandant van bi„ ma is gekomen om met gusti waijantaga te spreeken de matoa quam weder aanboord mij uit naam van Radeeng Tidapa /: hoofd van de nego„ rij:/ de groetenis doen teffens Liet zeggen dat hij des anderen daags bij woensdag „ 24:' Smorgens de wind Noord oost konde Radeeng Tidapa niet aanboord komen des agtermiddags liet denselven mijn verzoeken of ik aan de wal wil koomen en dat hij mijn volk zoude geeven om de Champang vast te houden, so ben ik na de wal gegaan, na dat de ordinaire Complimen„ „ten te hebben afgelegd vroegir aan Radeeng Tidapa of gusti waij„ mijn aanboord zoude komen. dingsgdag Saturdag „ 27 ƒ Sondag - - - - „ „ 28 „ 26: „antaga niet in de negorij was so gaf denselven ten antwoord van neen maar voor eenige daagen weeder na Tanjong karang was vertroken voorts gaf ik hem te kennen dat mijn aankomst alhier allenlijk was, om met den koning te spreeken Radeeng Pidapa verzogte mijn of ik een brief wille shrijven, en dat hij deselve shielijk na Tanjong karang zou„ de zenden dewijl hij geloofde dat gusti waijantaga na Balie zoude zijn vertrocken ik beloofde teegen 's anderen daags een brief voor den koning aan de wal te zullen zenden voorts mijn afscheijd genomen hebbende vertrock Smorgens sond ik de brief voor den koning aandewal, daar bij te Donderdag den 25: kennen gegeven dat ik op deese rheede ben ten anker gekomen, alleenlijk om op zijn nooiging in perzoon met zijn hoogheid te wille spreeken met versoek mijn met qualijk geliefde te neemen dat ik op Tanwjongkarang niet was aangekomen dewijl ik des anderen daags na mijn aankomst alhier de koors heb gekreegen, te meer de negorij van deese plaats twee daagen theijsens verleijd. Deese rheede is Een zeer goede anker plaats voor Chialoupen en an„ „dere vaartuigen. Niets voorgevallen na Radeeng Tidapa gegaan Niets voorgevallen. ik na boord. „antaga maandag. - . . „ 29

NL-HaNA_1.04.02_3418_0357 view scan ↗

English

te 385 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — Thursday the 2nd Friday the 3rd Wednesday the 1st of December nothing occurred Tuesday the 30th the son of datoe goenoeng came on board to me with a message that he was sent by the king gusti wagantage, and gust madekarangassan who, with friendly greetings in both their names, requested whether I would be pleased to come to Tanjonkarang, but if it could not happen, that his son gusty madekarangassan would then come down. I gave this envoy as an answer that I was ready to depart provided that they prepare 12 horses to ride to the settlement. He promised to deliver them to me by the day after tomorrow; furthermore, that envoy took his leave and departed ashore; at his departure 7 cannon shots were fired. In the morning I departed from sagara and in the evening arrived at the settlement Lapo. In the morning departed again and about halfway arrived at a large tree where a Balinese man with 2 gourds of sagoweer was awaiting us; after we had eaten and drunk we departed again, about an hour away from approaching Tandjongkarang I was welcomed and met by two commissioners along with 100 men with their firearms on their shoulders, and thus escorted to before the king's Dalam, and there was kindly received by the king gusti najantaga, who gave me his hand and welcomed me; after that his son gusti made karangassan came, likewise giving me his hand and wishing me a warm welcome. After the ordinary compliments were exchanged on both sides, the king said to me that I should just go and rest a little, as he could well see that I was very fatigued. His Highness gave me a place to stay in his dalam; furthermore, the king said that he will send his son gusti madekarangassan to me, and if I had anything to say, I should just tell it to him. In the evening at nine o'clock guste madikarangassang came to me and asked why I had come. I declared myself very obliged to have found him here, for if I had had the good fortune in the past year to meet your Honor, I would have revealed my heart regarding what I have to say on behalf of the Honorable Company with the Balinese. Gusti madekarangassam requested me to just speak freely, as the king his father was also minded to declare his intentions with the Honorable Company to me. Thereupon I made known to him that I was sent by my lord and master to make a firm alliance with the king his father, and if they were inclined to do so, they could speak with me about this. The prince said to me that the king and the other grandees of the realm were content to enter into an alliance and pact with the Honorable Company, but that he had been deceived so many times by the Dutch that he would not want to believe me if he had not heard from others that I was an honest man. The prince assured me that the king will open his heart; if the Honorable Company wants to enter into a firm alliance with the salimparingereesen, they too will not fail to follow the same sacredly, that furthermore

Dutch transcription

te 385 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — donderdag „ 2:' vrijdag „ 3:' woensdag „1:' decemb:r niets voorgevallen Dingsdag den 30:' quam de zoon van datoe goenoeng bij mijn aanbood met bodschap dat hij was gesonden door den koning gusti wagantage, en gust madekarangassan mij onder vriendelijke groete ut hun beijder naamen liet verzoeken of ik op Tanjonka„ rang geliefe te komen dog s 't niet konde gescheeden dat zyn zoon gusty madekarangassan als dan soude afkomen ik gaf aan deese gezant ten ant woord dat ik klaar was om te vertrekken mits datze 12 paarden klaar maaken om na de negorij te reijden den zelven beloofde mijn tegens overmorgen te zullen bezorgen voorts nam dien afgezant zijn af„ scheid en vertrok aan land met zijn vertrek 7. Canon schooten gedaan. 's morgens ben ik van sagara vertroeken en des avonds op de negory Lapo gekomen. 's morgens neder vertrokken en om halver weg bij een groote boomn gekomen daar een balier met 2. Calbassen sageweer ons verwagtende na dat wij gegeeten en gedonken hebbende zijn weder vertrocken, omtrent een uur ver dat wij van Tandjongkarang genadert waaren wierd ik verwille kamst en afgelaald door twee gecommitteerdens nevens 100 mannen met hunne scheet geweersen op haar schouders en sodanig geconvoijeerd tot voor't konings Dalm, en aldaar door den koning gusti najantaga vriendelijk wierd ontfangen die my de handgaf en verwellekkomt daar na quam zijn zom gusti made karangassan mij insgelijks de hand gevende en goede wellekomst wenste, Na dat de ordinai„ re Complimenten weder zijds was afgelegd zeijde den koning teegens mijn dat ik maar Een weijnige soude gaan rusten dewijl hij wel zien konde dat ik zeer vermouijt was zijn hoogheid gaf mijn in zijn dalam een plaats om te woo„ nen wijders zeijde den koning tat hij zijn zoon gusti madekarangassan bij mijn zal zenden en als ik wat te seggen had maar aan hem zoude doen. Des avondr om negen uuren quam guste madikarangassang by mijn en vroeg waarom ik gekomen was ik betuigde zeer verblig te zijn hem hier te hebben gevonden, want had ik in den voorleden Jaar 't geluk gelad uE: te ont„ moeten soude ik mijn hart g'openbaard hebben van 't geen ik van weegen dE Comp: met de balier te zeggen heb gusti madekarangassam, verzogte mij dat ik maar voijelijk seggen zoude, dewijl den koning zijn vader meede van sins was zijn voorneemens met dE: Comp: aan wij te declareeren. Daar op gaf ik hem te kennen, dat ik was gezonden van mijn heer en mas„ ter om een vaste verbond te maken met den koning zijn vader, en als zijlie„ den geneegen waaren dezelve te doen kunnense met mijn hier over spreeken den prins zeijde teegens mijn dat den koning ende verdere rijksgrooten te voee„ „de waaren om met dE Comp: in verbond en aliantie te treeden maar dat hij zoo veel keer van de hollanders bedroogen was geworden dat hij mijn niet zoude willen gelooven indien van anderen niet hadde gehoord dat ik een braafman was. Den prins verzeekerde mij dat den koning zijn hard zal openbaaren indien dE Comp: met de salimparingereesen een vaste verbond willen aan „gaan zijlieden ook niet zal mankeeren deselve heijlglijk na te volgen, dat wijders

NL-HaNA_1.04.02_3418_0358 view scan ↗

English

151. 387 From Macasser the 9th of Junij 174. From Macasser the 9th of Junij 174. Furthermore the prince said, I trust that your Honour will not be a man like the former resident Bakker and the present resident of saleijer voll. Such sorts of people the king absolutely did not wish to have; it was better for such persons to stay away from his country, because they have deceived us, and if my father had say over them, he would have both of them castrated, for they are not men but rather women. After we had conversed back and forth with one another, gusti madekarang assang departed from me at about 2 hours after midnight, and we wished each other a good night. Saturday the 4th at six o'clock in the morning I went to the king and his son at his house at their request. There were only the three of us. The king asked whether it was the truth that His Excellency wished to enter into an alliance with them, saying he had received a letter from His Excellency. I requested to be allowed to see the said letter, which was fetched by his son and handed to me. While reading the same, I translated it into Malay word for word and informed His Highness that the content of the same is the truth and that the intention of Their Excellencies was to enter into an alliance with them. His Highness declared himself to be very well pleased to enter into an alliance with the Honourable Company and to live faithfully with one another as true allies. The king said further to me, had another commissioner come, I would not have believed it at all. I assured His Highness that he can count with sincerity on me speaking the truth on behalf of the Honourable Company. The king being very rejoiced at this, declared that on his part he would not fail to contribute everything if the Honourable Company will only send commissioners in the coming year to settle it, but if no commissioners come, His Highness will never believe the Dutch again. I promised him that the Honourable Company will not fail to do the same. Furthermore the king and his son continued that he had sent to sourabaija to purchase a proa, but the resident there did not wish to permit it, why was such forbidden, if His Excellency was of a mind to live in friendship with us, and therefore we could not believe what His Excellency has written to us, for if such was truly the intention, why am I not permitted to buy a vessel? I do not forbid the Company's subjects nor its allies to arrive here, but permit everyone freely to trade, buy and sell. I gave as an answer that I do not know the reasons for this, possibly forbidden by the Honourable Company, but if His Highness wishes to purchase vessels from Java in the future, he may be firmly assured that His Excellency will not forbid it. furthermore 389 153. From Macasser the 9th of Junij 174. From Macasser the 9th of Junij 174. Furthermore, after having held more discourse back and forth, I took my leave and departed. At about 2 hours I went to gusti madekarangassang. He received me very kindly and said, come on, my brother, I shall tell you something more. Do you still remember that your Honour was here two years ago with a present for my father? Your Honour said to me that the Honourable Company would not permit other European nations to come trade here, but would make them depart from here, and that whenever the cruiser might find other European nations here, it will chase the same away; but in case the people of salimparang should come to assist the strangers, they would attack the one as well as the other who resisted the Honourable Company; therefore from that time on we have accepted no more foreign Europeans here. I further informed him that it had been told to me as truth that Tjalla Bankoeloe had been here in the country during the past year. The prince declared no, but indeed a proa of his had lain at anchor near the island of Lombok, coming from the mangerij. Your Honour can be assured, my brother, that such is the truth. But brother, the prince continued, I will tell you the pure truth why I have been very angry with the Europeans; these are the reasons: during the troubles of the Sumbawarese at oetang, Mr. Bakker and the present resident of saleijer voll sent to request my assistance, as I indeed went. Upon my arrival there, Mr. Bakker had me called. Coming there, I find the two gentlemen sitting on chairs, without offering me one, but told me to sit on the ground. I asked whether that was the manners among the Dutch, they to sit on their chairs and I must sit on the ground. From that time on I did not want to see any Dutchman anymore and also had no respect anymore and then went away from them, because I was ashamed before my people over the affronts and slight regard they had shown me, and therefore I took the king of goa with me and provided for him for a long time; I also called Tjalla Bankahoeloe here, but now I see that they are not all like that. With you I gladly wish to be in good friendship and live together as brothers. The prince had a small bottle of anise and other drinks brought, which we drank together. From all his reasoning I have sufficiently been able to notice that he has a good heart for the Honourable Company, for several times I have heard him say, if the Honourable Company is in alliance with us, then we are preserved; the Honourable Company at sea and we on land, no one can defeat and master us. After having had some more discourse, I took my leave.

Dutch transcription

151. 387 Van Macasser den 9:' Junij 174. — F Van Macasser Den 9. Junij 174. — wijders zeijde de prins ik vertrouwe dat us niet een man zal weesen als den geweesen resident Bakker en den tegenswoordigen resident van saleijer voll„ diergelijke zoorten van menschen begeerde den koning gantsh niet te hebben, de sulke was beeter van zijn land af te blijven, want zij hebben ons bedroogen, en als mijn vader over haarlieden te seggen hadde, hij soude ale beijde lae„ te lubben want zij zijn geen mannen maar wel vrouwen na dat wij met mal„ „kander over en weder gediscoureerd hebbende vertrok gusti madekarang as„ „sang van mijn omtrent 2. uuren in de na Middernagt, en menschte malka„ „der een goeden nagt. Saturdag den 4:' des morgens om ses uuren ben ik op versoek van den koning en zijn zoon bij den zelven op het hus geweest wij waaren maar met ons die zo voeg den koning of de waarheid was dat zijn hoogheid met haarlieden in verbond wille treeden zegende een breef van zijn hoog Edelheid te hebben ontfangen ik versogte om gem: brief te moogen zien 't welk door zijn zom wierd afge„ „haald en aan mijn ter hand gesteld onder het leesen van deselve translateer„ „de ik weeder in het maleijds word voor woord en gaf zijn hoogheid te ken„ nen dat den Jnhoud derselve de waarheid is en dat de Jntentie van haer hoog Edelheedens was om in verbond met haarlieden te treeden zijn hoogheid betuigde zeer wel meede te vreeden zijn om met d'E Comp: in allian„ „tie te breeden en als opregte Bondgenoodschap met malkanderen trouwe„ „lijk te leeven den koning zeyde verder tegens mij wa 't een ander ge„ „committeerden gekomen zoude ik in 't geheel niet gelooven ik verzeekerde zijn hoogheid dat hij met opregtheid kan staat maaken dat ik van wegen d'E Comp: de waarheid spreekt, den koning hier over zeer verbleed zijnde betuigde van zijn komt niet ingebreeke te zullen blijven alles te Contribueeren als dE Comp: in 't aanstaande Jaar maar gecommitteerdens wil zenden om 't af te maaken doch so geen gecommitteerdens komt, zijn hoogheid nooijt de hollanders meer zal gelooven ik beloofde hem dat dE Comp: niet mankeeren zal 't zelve te doen. voorts vervolgde den koning en zijn zoon, dat hij na sourabaija had gezonden om een prauw te koopen dog den resident aldaar heeft niet wille permitteeren, waarom zulks verbooden, in dien zijn hoog Edelheid van meening was met ons in vrindschap te beeven en daarom hebben wij niet kunnen gelooven 't geen zijn hoogEdelheid aan ons heeft geschreeven want was 't waarlijk zodanig de Jntentie waarom werd mij niet ge„ permitteerd Een vaartuig te koopen, ik verbied geen Comp: onderdae„ nen nog boudgenooten derselve alhier aan te koomen maar permitt:d een ieder vreijlyjk te mogen handelen koopen en verkoopen. Ik gaf tot antwoord dat ik de redenen hier van niet en weet mogelijk door d'E Comp: verboden, dog so zijn hoogheid in t vervolg vaar„ „tuig van Java wil koopen hij vast verzeekerd kan zijn dat zyn hoog Edelheid niet zal verbieden. Comm voorts 389 153. Van Macasser Den 9: Iunij 174. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — Voorts nog meer discoers over en weder gehouden te hebben nam ik mijn afscheid en vertrok. Omtrent 2. uuren ben ik na gusti madekarangassang gegaan, hij intsing mij seer vriendelijk en zeijde komt aan mijn broeder ik sal uwe nog nat seggen staat uwe nog wel voor dat uwe voor twe Jaar hier is ge„ weest met een present voor mijn vader, uE: teegens mij heeft gesegd, dat d'E Comp: niet wille permitteeren, dat andere Eucopeese natie hier quam Negotieeren, maar hier van daan zoude laate vertrocken en dat wan„ neer de kruijser andere Europeer natie hier mogte vinden sij deselve zal weg Jaagen, dog bij aldier 't volk van salimparang de vrcendelingen tot hulp quam te adsisteeren den Een so goed als den anderen, die tegens dE Comp: te weer stelde zoude attacqueeren daarom van die tyd af aan hebben wij geen vreemde Europeese hier meer aangenomen. Ik gaf hem wijders te kennen dat mijn voor waarheid verteld is— geworden, dat Tjalla Bankoeloe in den voorleeden Jaar hier op 't land was geweest den prins betuigde van neen maar wel een prauw van denselven bij het eijland Lombok ten anker geleegen komende van de mangerij, uE kind verzeekerd weezen mijn broeder dat zulks de waarheid is. Maar broeder vervolgde de prins ik wil uw de suijvere waarheid wel seggen waar om dat ik op de europeesen zeer quad ben geweest, zijn deeze reedenen, met de stroebeling der sumbawareesen op oetang heeft ' heer Bakker en den tegenswoordigen resident van saleijer voll mijn tot adsistentie laate verzoeken soo als ik ook ben gegaan, met mijn aankomst aldaar lut Vheer Bakker mij roepen, daar komende vind ik de twee heeren op de stoelen sitten, sonder mijn ook een te pre„ senteeren, maar hiet mijn op de aarde sitten ik vroeg of dat bij de hollanders de manieren was sijlieden op haar stoelen en ik op de aarde moet sitten van die tyd af heb ik geen hollander meer mogen zien en ook geen respect meer gehad en ben toen van haarlieden weg gegaan, want ik was beschaamd voor mijn volk over de affconten en klijn agting die sijlieden mij heeft aan„ gedaan, en daarom heb ik den koning van goa bij mijn genoemen en langen tijd de kost gegeven ook heb ik Tjalla Bankahoeloe hier ge„ „roepen, maar nu zien ik datse allemaal zo niet en zijn, met uw wel ik grag in goede vrundschap zijn en als broeder te saamen leeven den prins liet een Clessie anijs en andere dranken brengen, daar mij te saamen dronken. uit alle zijne reedeneering heb ik genoegsaam kunne bemerken dat hij een goed haad heeft voor d'E: Comp: want verscheijde maalen heb hoore zeggen, als d'E Comp: met ons in verbond is, dan zijn wij behouden dE: Comp: te waater en wij te lande niemand kan ons overwinnen en meester worden Aa nog eenige discoers gehad te hebben nam ik myn deese afscheid

NL-HaNA_1.04.02_3418_0360 view scan ↗

English

155 391 From Macasser the 9th of June 1714. — From Macasser the 9th of May 1714. — Sunday the 5th: farewell and wished him a good stay. The prince requested that when I return in the coming year, I should await him here again, and that he will write a letter to the king of Balie, Gusti Moera Karanassang, stating that he will bring me thither in the coming year. I informed him that I had no orders to have any dealings with the Balinese. He wished me a safe journey, and so I took my leave of him. In the morning at 5 o'clock, Gusti Waijangtaga came to me and said that 40 men would convoy me as far as Sagara. Furthermore, his highness escorted me to the front of his dalem very politely. I thanked him most kindly for the courtesies and friendship I had enjoyed. We shook each other by the hand and his highness wished me a safe journey, and I departed from Tanjongkarang. About halfway to the settlement of Laijo, I again found a Balinese standing by a large tree waiting for us with 2 calabashes of sagoweer. We ate and drank there, and then departed again and arrived in the evening at the settlement of Laijo. Monday the 6th: Departed again and arrived in the afternoon at 2 o'clock at Sagara. Tuesday the 7th: Two princes who departed with me from Tanjongkarang came aboard. I welcomed them with 7 shots; upon their departure, 7 shots were fired again. I offered my services to the king and his son; they promised to do so, and departed for shore. Wednesday the 8th: In the morning there came aboard to me Datoe Bajeeng, otherwise known as Radeeng Sibalang, and Radeeng Tibapa, both being old Sumbawanese princes. They declared to me that they would gladly be under the Honorable Company. I asked if they had weapons. They answered yes, if only the Honorable Company would help to keep the Balinese off Salimparang, so that they can no longer cross over at all; furthermore, that if such were to happen, they could well see to driving the Balinese who reside on Salimparang away from the land. After having held further discourse, they departed for shore again; upon their departure, 7 cannon shots were fired. Thursday the 9th: Departed from Sagara and arrived at the roads of Allas. Friday the 10th: In the morning I sent to Daimong Allas to request horses for me and the men, in order to go overland from here to Taliwang. Saturday the 11th: Nothing occurred. Sunday the 12th: In the morning departed from Allas and in the evening arrived at the settlement of Settello. Monday the 13th: In the morning departed from Sattello; around 10 o'clock before noon arrived at Taliwang. I immediately went to the king of Sumbawa. After the usual compliments were exchanged on both sides, I asked the king what reason his highness had for not departing for Macasser, since he had promised me to do so. His highness gave me in answer that he was always ready to depart if his grandees of the realm would only transport him; that he gladly wished to go to Macasser, but alone it could not be done. I asked further why his highness repeatedly departed from Sumbawa and stayed so long at Taliwang. His highness answered that Taliwang was his birthplace, and also that he found more pleasure there in the bad monsoon, but in the good monsoon his highness will betake himself to Sumbawa. His highness requested of me that when I arrived at Sumbawa, I would urge the grandees of the realm to bring him to Macasser in the coming east monsoon to swear to the contract. His highness further declared that he well knew that as long as he had not yet sworn to the contract, the Honorable Company did not recognize him as king. I took my leave of the king and went to Craceng Bilajie. Arriving there, I was kindly received. During the conversation I asked him whether he saw any chance of delivering Tjalla Bankoeloe into the hands of the Honorable Company. He promised me that if that rogue should show himself again, he will deliver him into my hands, provided that I must be present myself, since he dared not undertake it without me. I requested him to be so good as to let me know at Bima. He assured me that he would not fail to give me notice of this immediately. Thereupon I took my leave and departed from him, with the assurance that we shall live as good friends. Tuesday the 14th: Departed from Taliwang and arrived at Satello. Wednesday the 15th: Departed again and arrived in the evening at Allas. Thursday the 16th: Heavy weather, nothing occurred. Friday the 17th: Departed from Allas. Saturday the 18th: Nothing occurred. Sunday the 19th: Arrived at anchor at Sumbawa at the roads of Laboeang Boenting. I immediately sent to the settlement to request horses, and also to make known that on the following day I shall come to the bitjara house or meeting place, and that all the grandees of the realm must present themselves there, since I had something to say on behalf of the king. Monday the 20th: Early in the morning received the requested horses, so I rode to the settlement. Arriving there, I was welcomed by Daeeng Mapoenoe and an interpreter. After the usual compliments were exchanged on both sides, I informed the grandees of the realm who were present, especially Calliballa, Neene Ranga Jndipatie, and Daeeng Mapoenoe, that I was very much surprised why they had not fulfilled their promise to bring the king to Macasser, since they had promised me

Dutch transcription

155 391 Van Macasser den 9:' Junij 1714. — Van Macasser en 9' Muij 174. — sondag den 5: afscheid en wenschte hem een goed verblijf den prins verzogte dat ik in 't aanstaande Jaar wederom komt my hier wederom verwagte en dat hij aan den koning van Balie gusti moera karanassang een brief zal schrijven dat hij mij in 't toekomende Jaar aldaar sal brengen ik gaf hem te kennen geen ordre te hebben met de baliers iets te doen hij wenschte mijn Een behoude reijse so ben ik van hem afgegaan. 's morgens om 5. uuren quam gusti waijangtaga bij mijn en zijde dat 40 man mij zal Convoijeeren tot na sagara voorts doet zijn hooghed mijn uitgeleijde tot voor zijn dalm zeer beleefdelijk ik bedankte hem zeer vrien„ delijk voor de beleefheden en vriendschap dien ik genooten heb wij gaven malkander de hand en zijn hoogheid wenkte myn een behoude reijse, en vertrok van Tanjongkarang omtrent halver weg van de negorij Laijo; rond ik weder een Balier bij een groote boom staan ons wagtende met 2. Callebassen sageweer nij aaten en doonken daar voorts weder vertrokken en quam des avonds op de negorij Laijp: maandag „ 6: weeder verstrocken en quam des na de middag om 2: uuren op Sagara. dingsdag „ 7: quam twee prinsen die met mijn van Tanjongkarang zijn vertrocken aanboord ik heb met 7. schooten verwellekomt met hunne vertrekt weder 7. schooten gedaan ik liet mijn dienst presentatie doen aan den koning en zijn zoon sij beloofden te zullen doen, en vertrok aan land. woensdag „ 8: smoogens quam bij mijn aanboord datoe bajeeng of anders radeeng sibalang en Radeeng Tibapa zijnde beijde oude sumbawareese prinsen zij betuigden mij datse gaarne onder dE: Comp: willen weesen ik vroeg of sijlieden wapenen hadde zij antwoorde van Jaals dE Comp: maar wille helpen om de balier van salimparang af te houden sodanig dat „se in 't geheel niet meer kan overkomen, wijders dat wanneer zulx mog„ te gebeuren zijlieden wel kan zoude zien om de baliers dewelke op salimparang woonagtig zijn van 't land weg te Jaagen na nog meer discours gehouden hebben vertrokkense weeder aan land, op haar ver„ trek 7. Canon schooten gedaan. donderdag den 9:' van Sagara vertrocken en op de rheede van allas gekomen 's morgens sond ik na daimong Allas om paarden voor mijn en 't volk vrijdag - „ 10:' te verzoek ten eijnde van hier over land na Taliwang te gaan Saturdag „ 11 Niets voorgevallen 's morgens van allas vertrokken en des avonds op de Negorij settels gekomen. Somdag „ 12 's morgens van Fattello vertrocken, omtrent 10 uuren voor de middag op Maandag „ 13. Taliwang gekomen ben ik ten eersten na den koning van sumbawa gegaan na dat de ordinaire Complimenten weder zeijds was afgelegd vroeg ik den koning wat reeden dat zijn hoogheid hadde van niet na macas„ „ser te vertrecken also denzelven mij beloofd heeft zijn hoogheid gaf mijn ten antwoord dat hij altijd klaar was om te vertrekken als zijn rijksgrooten maar wille overbrengen, dat hij gaarne na macasser wille Sibalang gaan 157 393 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — gaan maar alleen kon het niet weeden ik vroeg wijdes waar om zijn hoog heid telkens van sumbauwa vertoek en op Taliwang so lang ophou„ „den zijn hoogheid antwoorde dat Taliwang zyn geboorte plaats was ook meer plaisier te hebben in de quade mousson, maar met de goede mousson zijn hoogheid na sumbawa sal begeeven zijn hoogheid verzogte mij dat wanneer ik op sumbawa quam de rijksgrooten willen aanspoo„ ven datse niet de toekoomende oostmoisson hem na ma Casser zalboen„ gen om de Contract te besweesen, zijn hoogheid betuigde verders wel te weeten dat so lange hy de Contract nog niet beswooren heeft dE Comp: hem voor geen koning erkende ik nam mijn afsheid van den koning, en ben na Craceng Bilajie gegaan daar komende wierd ik vriendelyk ont„ fangen, onder het discoureeren vroeg ik aan denselven of hij geen kans het Tjalla Bankoeloe, dE: Comp: in handen te leeveren, hij be„ loofde mijn dat wanneer dien smerver weder mogte verthoonen densel„ „ven in mijn handen zal overleeveren mits dat ik zelfs present moet weesen dewijl hij buiten mijn niet durf ondernamen ik verzogt hem dat hij de goedheid gelieve te hebben van mijn op Bima te willenlaaten weeten hij verzeekerende zulx niet te zullen mankeeren, mij hier van ten eersten kennisse te geeven, voorts nam ik mijn afscheid en ver „trok van den zelven, onder verzeekering dat wij als goede voien„ den zal leeven. van Taliwang vertrocken, en op satello gekomen Weeder vertrocken en quam des avonds op Allas Swaar weer niets voorgevallen Van Allas vertrocken Niets voorgevallen Op sumbawa ter rheede Laboeang boenting ten an„ sondag „ 19: „ker gekomen, ik sond ten eersten na de Negorij om paar den te verzoeken teffens bekend te maaken dat ik des an„ „deren daags op de Bitjara huis of vergadering plaats zal koomen en dat alle de rijksgrooten aldaar zig moet laate vinden, dewijl ik van wegen de koning wat te seggen had. S morgens vroeg het verzogte paarden ontfan„ Maandag „ 20:' gen so ben ik na de negorij gereeden daar koomen„ de wierd ik van Daeeng Mapoenoe en een tolk verwelle komt na dat de ordinaire Complimenten weederzeijds was afgelegd gaf ik aan de present zijnde rijksgrooten voornamentlijk aan Calliballa, Neene Ran„ ga Jndipatie en danng Mapoenoe te kennen dat ik zeer ver„ wondert was waarom datze aan haar belofte niet hadde vol„ daan om den koning na macasser te brengen also sijlieden dingsdag den 14:' woensdag „ 15:' donderdag „ 16 vrijdag - - „ 17. Saturdag „ 18 van mij

NL-HaNA_1.04.02_3418_0362 view scan ↗

English

159. 395 From Macasser, the 9th of June 174. — From Macasser, the 9th of June 174. — have promised me several times, and most recently did so again, that it would take place in the month of October, yet to this day it has not been done, and that the king declared he was ready to depart at all times, so that the fault lay only with them. I desired to know the reasons for this, assuring them that as long as his highness has not sworn to the Contract, the Company did not recognize him as king. I reminded the assembled grandees of the realm of the promises made to the former Commissioner, the shahbandar Mr. Voll, in the presence of Aroe Oejoeng, that when the king came of age to rule, they would bring him over to Macasser; now that the king has grown up, this has still not been done. The assembled grandees of the realm gave me no other answer than to firmly promise now for the last time that, since the king declared himself ready, they would not fail to depart for Macasser at the beginning of the east monsoon. Furthermore, the assembled grandees of the realm complained about the king of Dompo concerning 32 Sumbawarese individuals who had been on his land in the settlement of Cempo to purchase provisions, were captured there by the Domponese, and were subsequently sold by the king, requesting that I kindly look into this matter so that their abducted people might be returned to them. I assured them that I would have the necessary investigation conducted into this and would deal with it according to the laws of the land, but since they were about to depart for Macasser, it was best to present their complaints to the Right Honorable Governor. This proposal was unanimously approved. After we had eaten with one another, the assembled grandees of the realm held a meeting. In the meantime, Daeng Mapoenoe and an interpreter were sent to another administrator of the realm who lay ill at home. The envoys having returned, both came to me on behalf of the assembled court grandees with the request that I please write a letter to Macasser to the Right Honorable Governor there, in order to present their complaints about the conduct of their king regarding the appointment of Pangerang Laija as king of Taliwang made by his highness, so that the same may be annulled and declared unlawful, since Pangerang Laija did not issue from a lawful bed of royal blood and therefore cannot be elevated to that dignity or bear the title of king. I gave the envoys as a reply that I would write to Macasser, and that they must see to it that Pangerang Laija also departed with the king for 161. 397 From Macasser, the 9th of June 174. — From Macasser, the 9th of June 174. — the king to Macasser, so that this matter as well as the other could be settled at the same time before his Right Honorable. The assembled grandees of the realm promised to arrange to bring that minister along. Furthermore, I took my leave of them. Tuesday the 21st, departed from Sumbauwa. Wednesday the 22nd, nothing occurred. Thursday the 23rd, in the afternoon arrived again in the roads of Bima. Below stood: Bima in the Company's fortress, date as above. Was signed: A: Lecerf. Lower stood: Agrees. Signed: F: S: Voll, Sworn Clerk. — After customary compliments. To the King of Bouton and his Grandees of the Realm. Having duly received from the hands of your highness's envoys, the mantri Lataijde and both Pangelassangs, the letter written to us by your highness and the Grandees of the Realm on the 9th of the month of Roemalang of the year 1107, we must initially state in reply that we find the reasons alleged by your highness by no means acceptable as to why our previous letter was not answered at all and merely touched upon, as it were. On the contrary, it appears to us that the intention is to consign the matters contained therein to oblivion, since there is no intention to give proper satisfaction and no chance is seen to dispute the fairness thereof, which is completely misunderstood. For this reason, we still adhere to the said letter, in the expectation that it, together with this one, will be answered at the first opportunity. Of little less value do we also still consider the excuse concerning the entirely unpaid remaining debt of one hundred To

Dutch transcription

159. 395 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — mij verscheijdemaalen belooft hebben en nog Jongst gedaan dat in de maand van october zal geschieden, doch tot heeden nog niet is gedaan en dat den koning betuigd heeft ten allen tijden klaar te zyn om te vertrecken zulx maar aan haarlieden ont„ brak de redenen hier van begeerde teweeten onder verzeekering dat so lange zijn hoogheid 't Contract nog niet heeft beswooren dE Comp: hem voor geen koning Erkende, ik herinneerd de„ gezamentlijke rijksgrooten, hunne gedaane beloften aan den geweesen Commissiant den sabandhaer d'heer voll, in„ presentie van Aroe oejoeng gedaan, dat wanneer den ko„ ning in zijn regeerende Jaar zal gekomen zijn hem na macasser soude overbrengen nu den koning groot geworden zijnde nog niet is gedaan de gezamentlijke rijksgrooten gaven mijn geen ander antwoord als nu voor 't laaste maal vastelijk belooven, dewijl den koning betuigde klaar te zijn zijlieden niet ingebreeke zal blijven met het be„ „gin van de oostmousson na macasser te zullen vertrecken. wijders klaagde de gezamentlijke rijksgrooten over den koning van dompo wegens 32. koppen sumbawareesen die op zijn land in de negorij Cempo ter inkooping van leevens middelen geweest zijn, aldaar door de domponeesen geroofd en door den koning successive zijn verkogt geworden met verzoek dat ik ik over deese gedoentend geliefde in te sien datse haare geroofde volkeren weeder mog„ te overgegeeven worden ik verzeekerende haar hier van de noodige onder zoek zal laate doen en na 's lands wetten te zullen tracteeren maar dewijl sijlieden na macasser stonden te vertrecken 't beste was hunne klagten aan den wel Edelen agtb: heer gouverneur te doen deese voorstel werd gezamentlyk goedgekeurt na dat wij niet malkanderen gegeeten hadden hieden de gezamentlijke rijksgrooten vergadering in tusschen wierd daeeng Mapoenoe en een tolk weg gezonden bij een ander rijksbestiender die te huis ziek lag de zzendelingen te rug gekomen zijnde quamen beijde bij mijn uit naam der gezamentlijke hoff grooten met verzoek dat ik een brief na macasser gelieve te schrijven aan den wel Edele Agtb: heer gouverneur aldaar ten eijnde hunne klagten voor te dragen over de behandeling hunner koning met het aanstellen van Pangerang Laija tot koning van Taliwang door zijn hoogheid ge„ daan 't zelven mag werden vernietigd en voor omwettig te verkla„ ren also pangerang Laija uit geen egte bed van 't koninglijke bloe„ de gesprooten is en dierhalven tot die waardigheid niet kan wer„ den verheeven of de estitul van koning mag voeren ik gaf aan de zen„ deling tot keerberigt van na macasser te zullen schrijven, en dat sijlieden moet zien te bewerken dat Pangerang Laija meede met koning den 9 161. 397 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — den koning na macasser vertrok om aldaar zoo wel over deese als 't andere bij zijn wel Edele agtb: te gelijk kan werden afge„ „maakt de gezamentlijke rijksgrooten belooven werkstellig te sullen maaken om dien ministers meede te neemen. voorts nam ik mijn afscheijd van haarlieden. dingsdag den 21:' van sumbauwa vertrocken woensdag „ 22:' niets voorgevallen Donderdag „ 23:' des nadmiddags ter rheede Bima weder gearriveerd /: onderstond:/ Bima in's Comp: vesting dato voorschreeven /:was geteekend:/ A: Lecerf /:lager:/ Accordeert /: getekend:/ F: S: Voll, gem: Clercq — uijt handen van uw hoogheids gesanten den mantrie Lataijde en beijde Pangelassangs wel ontfangen hebbende de brief door uw hoogheijt en Rijksgrooten aan ons gescreeven deng van de maand Roemalang des Jaars 1107. moeten wij aanvanckelijk in antwoord betuigen geensints aan„ neemelijk te vinden de reedenen die uw hoogheid allequeeren waarom onse voorgaande in 't geheel niet b'antwoord en als 't waare maar even aange„ roerd is in tegendeel komt 't ons voor dat er meede bedoelt word om de zoeken daar bij vervat in vergeetelheid te brengen vermits men niet van in„ „tentie is om behoorlijk voldoening te geeven en geen kans ziel om de billijkheid der zelve te wederspreeken dat gansch verkeerd begreepen is weshalven wij ons aan gemelde brief als nog gedragen in ver„ wagting dat deselve nevens deese bij eerste gelegentheid zal wor„ den b' antwoord. van weijnig minder valeur agten wij ook als nog het Ex„ cus over de geheel onvoldaan gelaten restant schuld van hon„ Na gewoone Complimenten Aan den koning van Bouton en zijne Rijksgrooten dert Aan

NL-HaNA_1.04.02_3418_0364 view scan ↗

English

From Macasser, the 9th of June 1714. — From Macasser, the 9th of June 1714. — hundred thirteen slaves, considering it is indisputable that when many bondservants are sent elsewhere for sale, as we know only too well is happening, at least some could also be delivered to the Company. We therefore wish to have admonished your highness and the grandees of the realm to settle the debt as soon as possible. Had this already been done long ago, as it ought to have been, we would perhaps have made no difficulty in providing your highness and the grandees of the realm with some muskets and ammunition, however much the orders of our lords and masters entail not to entrust any money or goods on credit, which we dare do even less now. We do not doubt, however, that your highness and the grandees of the realm will be sufficiently capable of bringing those of Kalesoeso to reason and back to their duty, if matters there should truly be as they come to write, although it appears strange that it is said only now to have been discovered that those peoples made themselves guilty of the robbery of the cargo of the sloop De Horteboom, since this has been known to us for three years already and was also maintained at that time. And as for the Cerammers, we are of the opinion that their insolent enterprises are a bolder consequence of their admission into the Bouton ports, whereby they have become knowledgeable of the situation and have learned to know the weakest places in order to exercise their predatory cunning. Nevertheless, we think that one need not be afraid of that rabble if proper watch is kept for their coming in order to assemble people in timely fashion at places where they might wish to land, to offer them resistance; but when one procrastinates with them, it is certain that they are given the opportunity to do harm, as has been shown by those of Timon and Tongano, who without doubt will have colluded with them. Although your highness and the grandees of the realm further say that the necessary assistance was granted to the commissioners for the extirpation of spice trees and that they had gone as far as they had been able to reach, the contrary has appeared to us from the testimony of all of them, according to which your highness's interpreters very expressly refused to bring them to places where it is believed spice trees are to be found. So that, being unable to lament enough over this deception, we have considered whether we should not withhold the customary gratuity of 150 Spanish reals until the commission of this year shall have been performed. Yet, out of consideration for the circumstances in which your highness and the grandees of the realm profess to find yourselves, the same is now now given along again to our commissioner Steijnbach, in the expectation that this time the necessary help and no hindrance to the objective of his mission will substantially be afforded to him, which may at the same time serve to strengthen your highness's and the grandees' trust in the Company's friendship, since this must be founded on the fulfillment of the contracts. We allow the sent slave to return herewith so as not to burden the Bouton realm. Below stood: written in Castle Rotterdam at Macasser, the 19th of March, Anno 1714. Was signed: P. P. van der Voort. Lower: Agrees. Signed: I. S. Voll, sworn clerk. — From the report of your recent commission we have again found such proofs of the king's constant scheme to render the essential objective thereof illusory that we might justly carry out our intention to withhold the customary recognition money until such time as the commission of this year shall have been completed, were it not that the disobedience and defection of the people of Kalesoeso communicated to us merits some consideration, and at the same time it has not appeared to us from the other side that you brought our intention to the attention of the aforementioned prince as you were earnestly recommended to do, over which neglect we must express our displeasure just as much as your conduct in all other respects carries our approval. We have therefore seen fit to send you the said money along again. Honorable, Pious. Instruction for Sergeant Johan Christoffel Steijnbach, departing in the company of Corporal Johan Christoffel Giod and three common soldiers, together with two Ambonese, to Bouton for the extirpation of the clove and nutmeg trees that are to be traced everywhere in that realm and dependent islands.

Dutch transcription

163 399 Van Macasser den 9:' Junij 1714. — Van Macasser den 9 Junij 174. — „dert dertien slaeven gemerkt het onweeder sprekelijk zij dat wan„ neert er veele lijfeigenen na elders ter verkoop worden gesonden gelijk wij maar al te zeeker weten dat geschied er dan ten minste ook wel eenige aan de Comp: kunnen worden gelueerd wij willen uw hoogheid en rijks grooten dierhalven vermaand hebben om de schuld zo spoedig doenlijk te verevenen. was dit reets voor lange geschied gelijk behoord hadde zouden w' mogelijk geen swaarigheid maaken uw hoogheid en rijksgrooten van eenige geweesen en ammu„ nitie te voorsien hoe zeer d'ordres van onse heeren en meesters mee„ de brengen om geen geld of goederen op Credit te fieeren dat wij als nu ten minder derven doen. Wij twijffelen egter niet of uw hoogheid en rijksgrooten zullen genoeg in staat zijn om die van kalesoeste tot reeden ende wederkeering van hunne pligt te brengen wanneer het daar meede waarlijk zodanig mogte gelegen zijn als zij komen te schrijven, schoon het vreemd voor„ komt dat men zegt nu eerst ontdekt te hebben dat die volkaren zig aan den roof der lading van de Chaloup de Horteboom hebben schul„ dig gemaakt, dewijl dat bij ons al voor drie Jaaren bekend geweest en ook reets doenmaals beweerd is En wat de Cerammers aangaat zijn wij van gedagten dat hunne stadelijke onderneemingen een bouter gevolg zijn van d' admissie der zelve in de boutonse havenen waar door z van de situatie kundig gewor„ den de swakste plaatsen hebben leeren kennen omer hun rooflist t' effe„ „nen: egter meenen w' dat men voor dat gespuis niet behoeft bevreest te weesen wanneer maar behoorlijk gewaakt word op haare komste om tyding volk bij den anderen te versaemelen op plaetsen daar t' mogten willen landen, ten eijnde haar resitentie te bieden, maar wanneer men met haar komt te morssen is het zeeker dat haar gelegentheid gegeeven word om keaad te doen, gelijk aan die van Timon en Tongano welke buiten tuijf sel met haar zullen hebben aangelegt gebleeken is. Schoon uw hoogheid en rijkegrooten verdr zeggen dat aan de Commissianten tot Extirpatie van specerij boomen de nodige adsistentie verleend was en zij zo verre geweest waaren als z hadden kunnen ko„ men is ons het tegendeel van dien uit het getuigenisse van alle deselve gebleeken volgens 't welke uw hoogheijts tolken wel expresselyk geweijgert hebben haar te brengen op plaatsen daar men meend dat specerij boomen te vinden zijn, zo dat wij over deese misleijding alweder niet genoeg kun„ nende doleeren in beraad hebben gestaan of wij het gewoone douceur van 150. spaanse reaalen niet souden inhouden tot dat de Commissie dit Jaar zal zijn verrigt dog uit Consideratie nogthans van de omstandigheid waar in uw hoogheid en rijksgrooten betuigen sig te bevinden word het selve hunne thans 165 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser den9. Junij 174. — thans aan onsen Commissiant steijnbach weder meede gegeven in verwag„ ting dat hem ditmaal weesentlijk de nodige hulpe en geen verhindering in 't oogmerk zijner sending sal worden toegebrag 't geen teffens zal kunnen strecken om uw hoogheids en rijksgrooten vertrouwen op 'sComp: vriendschap te verstrecken wijl deese gegrond moet zijn op de nakoming der Contracten. De gezondene slaaf laaten wij nevens deese terug gaan om het Boutons Rijk niet te beswaeren /:onderstond:/ geschreeven in't Cas„ „teel Rotterdam te macasser den 19:' maart A:o 1714. /:was geteekend:/ P: P: van der voort /:lager:/ Accordeert /: geteken:/ I: S: voll, gem: Clercq. — Bij het rapport uwer Jongste Commissiehebben wij weder zodanige preuves gevonden van 's konings gesladige toeleg om het weesentlijke oogemerk van dien illusoia te maaken dat wy thans billijkt ter uitvoer zouden mo„ gen brengen ons voorneemen om de gewoone recognitie penn: in te houden tot tijd en wijlen de Commissie desen Jaere zal zijn volbragt: waare het net dat d' ons bedeelde ongehoorsaamheid en afval der volkeren van kalesoesoe eenige Consideratie meriteert en ons teffens aan d' andere kant niet gebee„ ken is dat uE den vorst gem: ons voorneemen onder het oog gebragt heeft gelijk uE ernstig gerecommandeert was, over welk versuijmt wij zo zeer ons ongenoegen moeten betuigen als us gedag in allen ande„ ren op zigte onse approbatie wegdraagd. Wij hebben dierhalven goedgevonden uE de gemelde penn: weder Eersame, Vroome. Instructie voor den zergeant Johan Christoffel Steijnbach vertreckende in geselschap van den Corporaal Iohan Chriffel Giod, en drie gemeene Militairen nevens twee Ambrineesen na Bouton ter utroeijing van de Nagel en Nootebomen die allomme in dat rijk en onderhoorige Eijlanden op te speuren zijn Instructie meede 401

NL-HaNA_1.04.02_3418_0366 view scan ↗

English

From Macasser the 9th of June 1774. From Macasser the 9th of June 1774. to be given along to be handed over to the king, yet we command you to inform him in serious terms that we have proceeded to this only on account of the abovementioned consideration, and firmly intend, should such signs of obstruction and misdirection in the work of extirpation appear to us again as before, to withhold the same henceforth until such time as it shall have been completed properly; therefore requesting him with the greatest emphasis to have you brought by the interpreters everywhere and to all places which are judged necessary and able to be investigated, in order to uproot and destroy by fire all spice trees that are found there, for which we then also expect that you will spare no effort nor proper means, with the recommendation to make use to that end, in addition to the two knowledgeable Ambonese who are now crossing over again, of the appendices customary attached hereto, namely: a copy of the contract renewed in the year 1766 with the Bouton court on which the commission rests, the extract from the description by Mr. Valentijn, and six distinct drawings from which the clove and nutmeg trees can be recognized, and on which you, therefore, as well as Corporal Giod and the other soldiers, will primarily have to focus. Furthermore, you will also need to point out to the king that we are no less dismayed by the failure to answer the most and principal points contained in our letter of last year to the court, as the reasons for the excuse thereof found in the letter recently received from the same seem to us unfounded and frivolous, while it seems that the intention therewith is rather to consign the matters to oblivion; with the notification on this matter that we still expect the said answer, and likewise the disputed cannon and the ship's boat still to be found there, both of which you shall therefore duly demand, and furthermore shall also have to insist upon a prompt satisfaction, at least this year, for half of the remaining debt of one hundred thirteen slaves. As for the further points to be observed during your commission, it is known that they consist of obtaining all possible information as to what nations are residing on Bouton and its surroundings, as well as what merchandise they bring in and have traded, protesting against all those who according to the contracts may not appear there, particularly against those of Mandhar, Banjermassing, the Strait of Malacca, and the like, while the Ceram people with spices, whenever the possibility presents itself, may be attacked and destroyed upon encounter; but on the other hand you will have to leave all small traders in foodstuffs unmolested, as well as the inhabitants of the villages where you might arrive on your journey, just as we most earnestly command him along with his men, under penalty of rigorous punishment should the contrary be found. Furthermore, it only remains for us, in conclusion, to recommend to you the necessary prudence and vigilance, and likewise that if Corporal Giod should happen to pass away, the execution of this, along with the command over his subordinates, be entrusted to you; with which we remain, below stood, your friends, was signed, P. P. van der Voort, B. van Steuren, M. Peters, I. Raket, I. H. Voll, K. Klaane, I. H. Taringauw, and R. Houcque. In the margin: Macasser, in Castle Rotterdam, the 24th of March 1774. Below: Agrees, signed, T. I. Voll, sworn clerk. First, because of the summoning made hither of the Mandharese princes, who, as soon as they receive word that the king is about to depart, will stay behind, and thus will leave the Company as well as Bony not only in uncertainty regarding the matters on which one intends to negotiate with them, but thereby ground would also be given for Bony in the future Whereas the collective grandees of the realm of Bony have come to request my permission to be allowed to depart soon with their king to the interior, in order to present the crown prince, Aroe Timoerong, according to previous custom, to the lesser allies and subjects, but it being in every way necessary to decline that request, since the prince's departure can then be disadvantageous to the interests of the Company, and the same with respect to the present state of time and affairs must be considered no less dangerous for the realm of Bony, especially when one considers what could happen if His Highness were to pass away in the interior, whereupon extreme confusion would undoubtedly arise; thus I have deemed it expedient to dissuade His Highness and the grandees of the realm, if possible, from that intention through all possible compelling arguments, on which account you will need to point out to them: That I, fully aware that their request is founded upon the Bony state laws and in accordance with former examples, am very far from wishing to refuse the same or to curtail their laws in the least, showing myself on the contrary always ready to maintain all allies in their privileges and prerogatives; but that, in the present case, I trust that His Highness as well as the grandees of the realm will please take into consideration how the circumstances of the time do not permit the prince to remove himself from here, and Memorandum for the merchant Jan Hendrik Voll, departing on a commission to the Court of Bony.

Dutch transcription

167= 403 Van Macasser den 9: Junij 174. — Van Macaser en 9:' Muij 174 — meede te geeven om aan den koning overhandigd te worden, dog gelasten uE denselven in ernstige ter men te kennen te geeven dat wij alleen in't hoof„ „de van de bovengem: Consideratie daar toe getreeden en vast van intentie zijn wanneer ons weeder zodanige blijken als voor heen voorkomen van traver„ sien en mislegdingen in het werk der Extirpatie deselve voortaan in te houden tot tijd en wijlen het selve zal zijn volbragt na behooren denselven dierhalven met de meeste nadruk versoekende om ul door de tolken over al en op alle plaatsen te doen brengen die g'oordeelt worden te moeten en te kunnen wor„ den ondersogt, om alle specerij boomen die er gevonden worden uit te roeijen en door 't vuur te vernielen en waar toe wij dan ook verwagten dat uE geen moeijte nog be kwaeme middelen ongespaard zult laaten, met recommanda„ tie om zig ten dien eijnde behalven de twee kundige Amboneesen die thans weder overvaaren te bedienen van de hier nevens na gewoonte gevoegde bij„ „laagen te weeten: Een afschrift van het in den Jaare 1766 gerenoveerde Con„ „tract met het Boutonse hof waar op de Commissie berust het Extract uit de beschrijving van de heer valentijn en ses onderscheijden afteekenin„ „gen uit welke de Nagul en Nooteboomen te kennen zijn en waar op uE zig dus voornaementlijk zo wel als den Corporaal giod en verdere mi„ „litairen zullen moeten toeleggen. wijders zal uE den koning ook dienen voor te houden dat wij niet minder ontstigt zijn over het onbeantwoord laeten van de meeste en voor„ „naamste poincten vervat in ons schrijvens van a:o p:s aan het hof als ons de reeden tot verschooning van dien bij de Jongst van het zelve ontfangen brief te vinden ongegrond en frivool voorkomen ter wijl 't schijnt dat daar smee„ „de veel eer bedoeld is de zaaken in vergeetelheid te brengen met aanzegging over sulx dat wij het gem: antwoord als nog verwagten en zo meede het aldaar nog te vindene bewiste Canon en de scheepsboot welk een en andere uE dierhal„ ven de nooo vorderen en voorts ook sal moeten aandringen op eene spoedige vol„ doening ten minste dit Jaar voor de helft van de resteerende schuld van Een hon„ dert dertien slaeven. Wat nu de verdere poincten betreft die in agt genomen moeten worden geduurende uE: Commissie is het bekend dat dezelve bestaan in't doen van alle mogelijke informatien wat natien zig op Bouton en daar omstreeks be„ vinden, zo meede welke koopmanschappen deselve aanbrengen en verdrre ven tegen alle de zulke die aldaar volgens de Contracten niet verschij„ nen mogen protesteerende als in 't bijsonder tegen die van mandhaer Banjermassing straat malacca en diergelijke terwijl de Cerammers met specerijen wanneer er mogelijkheid toe zij, bij ontmoeting mogen g' „attacqueerd en vernield worden, dog daar en tegen zal uE: alle smal„ „de handelaars met leevensmiddelen zo wel ongemoeijt moeten lae„ ten als de Jnwoonders van de negoryen daar uE in zijn togt mogt aankomen gelijk wij hem nevens de zijne op het aller ernstigste naamste te Commandeeren 169 Van Macasser Den 9: Junij 174. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — re commandeeren op poene van regoreuse straffe zo het tegendeel mog„ te ondervonden worden. Wijders blijft ons niet overig van uE: ten besluite de noodige voor„ sigtigheid en waarzaamheid teffens aan te beveelen en zo meede den Corporaal giod die in Cas us mogt komen 't' overlijden de uitvoering deeses nevens het Commando over zijne onderhoorige worde opgedra„ gen waar meede blijve /:onderstond:/ UE: vrienden /:was geteekend:/ P: P: van der voort, B: van Steuren, M: Peters, I: Raket, I: H: voll, k: Klaane, I: H Taringauw, en R: Houcque, /: in margine:/ Macasser In't Casteel Rotterdam den 24: maart 1774. /:lager:/ Accordeert, /:geteekend:/ T: I: voll, gesw: Clercq:— I:o Ter oorsaake van de gedaene ontbieding na herwaarts van de mandhareese vorsten die zo doa z dra z tijding erlangen dat den koning staat te vertroc„ ken, agter blijven en dus de Comp. zo wel als bonij niet alleen in 't onseekere zul„ len laaten omtrent de zaaken waar over men voorneemens is, met haar te handelen maar daar door ook voet zoude gegeven worden om bonij in't vervolg De wijl de gezamentlijke rijksgrooten van bonij mijne permissie hebben komen versoeken om met hunnen koning eerlange na de binnen landen te mogen ver„ trecken, ten eijnde den kroonprins Atoe Timoerong na voorig gebruik aan de mindere bondgenooten en onderdaanen voor te stellen, dog het allesints no„ dig zij dat versoek 't ontleggen vermits srorsten vertrek voor de belangen van de Comp: dan nadeelig kan zijn en het zelve ten opzigte van de tegen„ woordige toestand van tijd en zaaken voor het rijk van bonij niet minder ge„ vaarlijk moet worden g'acht voor al wanneer men aanmerkt hoe hoe zoude kunnen gebeuren dat zijn hoogheid in de binnen landen kwame t' overlyden wanneer er ongetwyffeld d'uiterste verwarring zoude ontstaan, zo hebbe ik dienstig g'acht zijn hoogheid en rijksgrooten door alle mogelijk drang rede„ nen des mogelijk van dat voorneemen te diverteeren weshalven UE: haar zal dienen voor te houden. Dat ik ten vollen bewuste dat hun verzoek gegrond is op de Bonijse Rijxwetten en over eenkomstig de voorige voorbeelden, wel verre ben van het selve te willen weijgeren of hunne wetten in 't minste te verkorten mij in tegendeel steds gereed zul„ lende toonen om alle bondgenooten bij hunne privilegien en voorregten te handhaa„ ven, dog dat ik, in het tegenwoordige geval vertrouwe dat zijn hoogheid zo wel als de rijksgrooten in aanmerking zullen gelieven te neemen, hoe de omstandigheid des tijds niet toelaat dat den vorst zig van hier verwijdere en Memorie voor den koopman Ian Hendrik Voll, vertreckende in Commissie naar het Hof van Bonij. Memorie van wel. 405

NL-HaNA_1.04.02_3418_0368 view scan ↗

English

171 From Macasser the 9th June 1774. — From Macasser the 9th June 1774. — to delay any longer than has already occurred. Secondly. The intended dispatch of an embassy to Batavia with a letter to their High Mightinesses, which, in addition to the communication of Atoe Timoerong's appointment as crown prince, will contain other matters to which their High Mightinesses might give such an answer as would necessarily require conferring about it with the governor. Thirdly. How it might happen that the ruler, being in the interior, were called away by heaven even before the installation had been completed; a consideration which ought to weigh so heavily with all true-hearted Boniers that all other reasons of necessity must yield to it, since from this an extraordinary confusion and even such detrimental consequences for the realm itself could undoubtedly arise that anyone who has its welfare at heart can only think of it with dread. Fourthly. That this was also the reason which moved their High Mightinesses, during the ruler's last stay in the interior, not only to order the then Noble Lord Governor Boelen to urge his highness to a speedy return, but also to command the present governor to persuade him to remain here in the future. Fifthly. That if his highness were therefore to depart, their High Mightinesses would have to suspect whether he had not discharged his duty, wherefore he hopes that one will not expose him to any displeasure, and that all the more because. Sixthly. In case such should happen, it is entirely uncertain when his highness would be able to return, the last instance having shown, against all expectations, that three years passed before his highness arrived back at the Castle. All these considerations, being clearly presented according to your Honor's known experience and skill in dealing with the native, and their objections regarding this being resolved according to the circumstances of the case, I flatter myself with a favorable outcome toward achieving the objective, which I wholeheartedly wish. Below stood: Agrees. Was signed: I: S: Voll, sworn clerk. — We, the grandees of the realm, wish ten times over that we may bring your brother the king there yet this monsoon, in accordance with this respected desire, unless some impediment of illness or otherwise should prevent it, so that we are hindered therein, in which case the person of the sultan of Sumbauwa will be represented by an envoy; and even assuming there might be some other European nation that might possess more power, we nevertheless hope not to go to them, but indeed to the Honorable Company; even though the Make known hereby to my brother that I have received very well the letter from my brother via Corporal Louie and have understood well the contents thereof, which has served me with much pleasure and affection regarding the summoning of my person by my brother this year to Macasser. After ordinary greetings and compliments. Translation of a Malay letter written by the king and grandees of the realm of Sumbauwa to the lord governor at Macasser; of the contents: Translation 407 173. 409 From Macasser the 9th June 1774. — From Macasser the 9th June 1774. — same rules over a small territory, so have we placed all our hope and trust only upon the same. Have nothing else to send as a token of life except only to pray day and night that we may be strengthened in our hope and trust. Below stood: written in the land of Sumbauwa the 18th of the month of Shawwal, being on a Sunday in the year 1187. Lower down: For the translation. Was signed: G:s Brugman, First Sworn Interpreter. Lowest stood: Agrees. Signed: I: S: Voll, sworn clerk. — Translation of a Bugis document delivered on the 18th April 1774 to the governor by the Bonian grandees of the realm. We, the collective grandees of the realm of Boni, declare ourselves to be exceedingly glad that our request made, according to the declaration of the lord governor, is well-founded and consistent with the ancient laws of the realm of Boni, and that the lord governor does not wish to curtail or alter anything for us in the least in that regard. Therefore we request once again at this time to be permitted to bring the king to the interior in order to follow and execute the ancient customs that were customary for our previous kings to perform; furthermore, we also declare ourselves to be very pleased that their High Mightinesses have ordered the lord governor to let the laws and customs of Boni and other allies remain, and to maintain them in their privileges and prerogatives. And concerning the expected Mandharese, we are willing to wait so long until their arrival here in order to submit to the discretion of the Honorable Company and Boni concerning them when they shall be here. And concerning our intention to send an embassy to Batavia to their High Mightinesses, of that there are indeed several examples that our king, being in the interior, has dispatched envoys to Batavia

Dutch transcription

171 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Iunij 1774. — van tyd nog meer te hoonen dan al reede geschied is. 2:o De voorgenome depeche van een gezantschap naar Batavia met een brief aan haar Hoog Edelheden behalven de Communicatie van Atoe Timoerongs benoeming tot kroon prins nog andere zaeken zullende bevatten, daar Hoog deselve zodanig antwoord op zouden kunnen geeven dat 't noodsaekelijk zoude verEijsschen omer met den gouverneur over te Confereeren. 3: Hoe het zoude kunnen gebeuren dat den vorst in de binnen landen zijnde door den hemel wierd opgeroepen zelfs eer de voorstelling volbragt waare; een bedenking die bij alle regt g'aarde Boniers zo swaar behoord te weegen dat er alle andere reden van noodsaekelijkheid voor moeten swigten dewijl daar uit ontwijffel„ „baar een ongemeen verwarring en zelfs zodanige nadeelige gevolgen voor het rijk zelve zouden kunnen ontstaan dat een iegelijk die haar welweesen ter herten gaat er niet dan met strik om denken kan. 4. Dat dit ook de reeden heeft uitgemaakt welke haar hoog Edelhedens bewoogen heeft om bij 'T vorsten laatste aanweesen in de binnen landen niet alleen aan den doenma„ ligen Edelen heer gouverneur Boelen te beveelen om zijn hoogheid tot een spoe„ dige te rug komst aan te maanen, maar ook aan den tegenwoordigen gouverneur te ordonneeren, hem voor 't vervolg te disponeeren om alhier te verblijven. 5: Dat wanneer zijn hoogheid dierhalven vertrok haar hoog Edelhedens hem zouden moeten verdenken of hij zig niet van zijn pligt g'acquiteert hadde weshalven hij verhoopt dat men hem aan geen misnoegen zal Exponeeren en zulks te meer vermits. 6. Ingevalle sulks mogt geschieden het allesints onzeeker zij wanneer zijn hoogheid zoude kunnen te rug komen, het laatste geval, tegen alle verwagting geleerd heb„ bende, dat er drie Jaaren verloopen zijn eer zijn hoogheid weder aan het Casteel is g'arriveert Alle deeze bedenkingen na uE bekend ervaarentheid en bekwaam„ „heid om met den Jnlander te handelen distinctelijk voortgebragt en haar tegen werping daar omtrend na d' omstandigheid der zaeke opgelost wordende zo vlije ik mij met een geluckigen uitslag ter bereijking van het boelwit 't welk ik van herten wensche /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ I: S: voll, gesw: Clercq. — Wij Rijksgrooten wenschen wel thien maal om uwen broeder den koning nog in deese mousson ingevolge deesen gerespec„ teerde begeerte aldaar te mogen overbrengen ten waare ee„ nig verhindering van siekte als andersints, zulx mog„ te beletten, dat ons daar in gestoort werd, als dan door afgezant den sulthan van sumbauwa zijn persoon zal werden gerepresenteerd en schoon genoomen er eenig andere eu„ ropeese natie mogte weesen die meer magt mogt bezitten so kopen wij egter bij denselven niet te gaan, maar wel bij d'E Comp: schoon de Maake bij deesen aan mijnen broeder bekend, dat ik de brief van mijne broeder per den Corporaal Louie zeer wel ontfan„ gen hebbe en den Jnhoud van dien wel verstaan het geen mij tot veel genoegen en lief zijn gestreckt heeft omtrend de ontbieding mijner persoon door mijnen broeder in deesen Jaere tot macasser. Na ordinaire groete en Complimenten. Translaat Maleijds brief geschreeven door den koning en Rijksgrooten van Sumbauwa aen den heer gouverneur tot Macasser; van Jnhoude. Translaat schve 407 173. 409 Van Macasser Den 9: Iunij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — selve op een kleen landschappje heerscht zoo hebben wij alle ons hoop en vertrouwen alleen op dezelve gevestigt Hebbe niets anders tot een teeken van leeven te zenden als alleen„ „lijk dag en nag te bidden dat wij in onse hoop en vertrouwen mag werden gesterkt /:onderstond:/ geschreeven op 't land van sumbauwa den 18 van demaand sauwal zijnde op een sondag in 't Jaar 1187. /:lager:/ voor de translatie /:was geteekend:/ G:s Brugman, E: gew: olk (:la„ gestend:/ Accordeer /: getekend:/ I: S: Voll, gem:Clercq. — Translaat Bouginees geschrift den 18:' April 1714. aan den gouverneur over gegeven door de Bonijse rijksgrooten. wij gesamentlijke rijksgrooten van bonij betuigen ten hoogsten ver„ „blijd te weesen, dat onse gedane versoek volgens betuiging van den heer gouverneur gegrond en met de oude rijkswetten van bonij over een kom„ stig is en dat den heer gouverneur ons niet het minste daar inne wil verkorten of veranderen. Dierhalven versoeken wij thans nogmaels den koning na de bin„ nen landen te mogen brengen om de oude gebruikelykheeden welke door onse voorige koningen gewoon zijn te doen na te volgen en ter uit„ voer te brengen, verders betuigen wij ook zeer verheugd te zijn dat haar hoog Edelhedens den heer gouverneur heeft aan bevoolen omme de wetten en gebruikelijkheeden van Bonij en verdere bond„ genooten te laeten blijven en haar in hunne previlegien en voorregten te handhaven. En omtrend de verwagte mandhareesen, willen wij gaarne zo lange vertoeven tot hunne komst alhier ten eijnde ons aan het goedvinding van dE: Comp: en bonij omtrent hunl: wanneerse alhier zullen weesen te onderweepen. En betreffende onse intentie om een gesandschap naar Batavia aen haar hoog Edelhedens te willen afsenden, daar van zijn er wel mee Exem„ pel dat onse koning in de binne land sijnde afgesanten na batavia heeft gede

NL-HaNA_1.04.02_3418_0370 view scan ↗

English

175 411 From Macasser, 9 June 174. From Macasser, the 9th of June 174. Valiant, pious, discreet. dispatched, and that with the return of the same, the letter from the inland Boniers was fetched from here. Furthermore, that the Lord Governor may please to say, if it should please heaven to tear His Highness from this world before the Crown Prince shall have been presented, we make no distinction in that regard whether the King passes away here or in the inland territories before or after the coronation, since our trust is established in none other than solely in the Honourable Company, which will maintain that which our King has appointed with the approval of the Boniers, which has also been the custom of the Honourable Company ever since we have lived in friendship with the same. And for these reasons we have thought proper to answer the Lord Governor as written above, but the King of Boni lets the Lord Governor know that if His Right Honourable finds himself encumbered to let His Highness go in these present times, then His Highness is well inclined to remain, provided that this may in the future serve as no precedent, when a King wishes to depart for the inland territories, that he is not impeded and hindered therein by the Lord Governor. Below stood: Agrees. Signed: S: vol, signed: Clerq. Although it was not unpleasing to me to see from your letter of the 4th of March past, only received on the 15th of April following, that you, having returned from Salemparang, had found King Gusti Waijantaga alongside his son Gustij Madekaran Assan, as well as the old Sumbawan Princes at Sagara, Radeen Sibalang and Radeen Piaapa, fully inclined to enter into a contract with the Honourable Company, and the first-mentioned even requested that commissioners might be sent to him; I have nevertheless not been able to convince myself that it will proceed as swiftly therewith as you seem to imagine, considering that not the least foundations have yet been laid, much less any articles drafted for such an agreement, among which, on the side of the Company, one of the principal must be considered the stipulation of free navigation and trade to Salemparang, to the exclusion of all other European nations, a point on which the prince, formerly, by letter to His Right Honourable the Governor-General, plainly declared himself unwilling to concede, and without which, nevertheless, a contract of friendship with the same can be of little value, To the Ensign Alexander Secerss. To his, Commandant there. 413 177 From Macasser, the 9th of June 174. From Macasser, 9 June 174. as this and that may be gathered from the instructions given to you three years ago on your mission to that prince, wherefore it would have been necessary in every respect to sound him out in that regard as well as to what his demands might be in return, so that both will still need to be done before one can undertake anything further; the sending of commissioners in particular being entirely unadvisable before one has obtained information that the exclusion of foreign Europeans, along with other highly necessary articles, will above all at least be granted; besides that it would still in every respect be more desirable if the prince could be disposed to send envoys of stature hither or to the main headquarters to conclude it, which in any case is left to his choice, but even if unobtainable will give no reason to break off the negotiations, for which some foundation has now already been laid, at least in so far that it cannot be judged unserviceable to make further attempts to achieve the proposed objective: the more so as it did not appear improbable to me, as to you, that Gustij Waijantaga currently promises himself advantages from the Company's friendship which he did not imagine before. I refer hereby not only to his request made to Their Right Honourables for exemption from tolls for his vessels upon their arrival at the Company's establishments, regarding which a conditional favourable promise was made to him, but also to the prospect that, according to the thoughts of many, he seems to imagine for himself, namely through the Company's help to shake off the yoke of the King of Great Balij and to obtain the sovereignty of Salemparang; regarding all of which one will nevertheless need to act with the utmost circumspection with the same, so far as to promise him as little as possible with regard to the first point, and with respect to the other, supposing he might make any application for it, nothing whereby the Company would disadvantage itself. Therefore, no mention was made of either of these points in the articles for a contract drafted by me to hear his sentiments thereon, which then having to serve as a foundation for further negotiation, you will accordingly have to proceed therewith in this manner, namely: as soon as you have arrived at Bima, you will have to send to Gusti Waijangtaga, by a trusted and capable person, the two letters addressed to him enclosed herewith, of which the one in yellow satin was written to him by His Right Honourable and the other in yellow armozine by me, giving him notice, with a compliment of greetings on my behalf, that having reported to me your willingness to live in friendship with the Honourable Company and to conclude a contract, you are now sending him both these letters so that they may serve as a token of the Company's sincere goodwill.

Dutch transcription

175 411 Van Macasser in 9. ' Iunij 174. — Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — Manhafte vroome Discrute. gedepecheert, en dat met de terug komst van deselve de brief door de bonijers uit de binne landen, van hier is afgehaaft geworden Wijders dat den heer gouverneur gelieve te zeggen wanneer den hemel mogt ko„ men te behagen om zijn hoogheid uit dese weseld te rucken, voor dat den koom prins zal zijn voorgesteld maake wij daar omtrent geen ondersheijd of van den ko„ ning alhier dan wel in de binne banden voor of na den krooning komt aflijvig te worden, vermits onde vertrouwen op niemand anders gevetigd is dan alleen op d'E Comp: die stand zal doen houden het geen onsen koning niet goedvinden der Bonijers heeft aangesteld 't geen ook het gebruik der E Comp is zeedert dat wij met dezelve in vrindschap hebbe geleet en om deese redenen hebben wij goed„ gevonden den heer gouverneur te antwoorden zodanig als voorschreeve staat, maer den koning van bonij laat den heer gouverneur weeten als zijn Edele agtb: zig beswaard vind, zijn hoogheid in deese tegenwoordige tijd te laaten gaan dan is zijn hoogheid wel g' inclineert te blijven mits zulx in 't vervolg tot geen voor„ „beeld mag strekken, wanneer een koning na de binne landen wil vertrec„ „ken dat dezelve door den heer gouverneur daar in niet belet en ver„ „hindert word /:onderstond:/ Accordeert /:geteekend:/ :S: vol, get: Clerq Al hoe wel het mij met on aangenaam is gewest uit ub schrijven van den 4: maart pass:o den 15: april daar aan eerst ontfangen te zien dat us, van salemparang te rug gekomen den koning gusti waijantaga nevens zijn zoon gustij madekaran Assan, zo meede d' oude sumbauwareese Princen op saga„ „ra Radeen Sibalang en Radeen Piaapa ten vollen genegen hadde gevon„ „den om met de E: Comp: een Contract aan te gaan en den eerstgemelde zelfs versogt heeft, dat hem gecommitteerdens mogten gezonden worden; hebbe ik mij zelven egter niet kunnen over reeden dat het daar meede zo spoedig vlotten zal als uE sig schijnt voor te stellen, geconsidereerd er nog geen de minste gronden gelegt veel min eenige articulen tot zodanigen over een komst beraamd zijn, onder welke aan de ziyjde van de Comp: en der voornaamste moet worden g'acht het bedingen van een vrije vaart en handel op Salemparang s: met s Clutie van alle andere europeese Natien een poinct waar toe den vorst, wel eer, bij brieve aan zijn hoog Edelheid den heer gouverneur generaal rondelijk verklaard heeft, niet te willen overgaan, en buiten het welke nogthans een Contract van vriendschap met denzelven van weijnig waarde kan Aan den vindrig Alexander Secerss. Aan sijn, Commandant aldaer 413 177 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9. Iunij 174. — zijn gelijk dit een en ander af te neemen it uit de Jnstructie us voor drie Jaaren in zijne afsending aan dien vorst mede gegeven wethal„ ven het allesints nodig was geweest om hem daar omtrent zo wel t' on„ derlasten als wat daar en tegen zijne eijsschen mogten weesen invoegen het een en ander als nog sal dienen te geschieden eer men iets verder onderneemen kan het zenden van gecommitteerdens in sonderleid gantsz niet geraaden zijnde alvoorens men onderrigting bekomen heeft dat de Eyclusie van vreemde eucopees nevens andere hoog nodige articulen ten minste dit voor al zal toegestaan worden behalven dat het dan nog alle„ sints wenschelijker zoude zijn dat den vorst konde worden gedisponeerd ge„ „zanten van aanzien tot het sluiten naar herwaarts dan wel na de hoofd plaats te zenden dat in allen gevalle aan desselfs keuse gelaeten word, dog al niet te verkrijgen zijnde geen reeden geeven zal om d' onderhandeling af te bree„ „ken, waar toe nu reets eenige grond gelegt is ten minste in zo verre dat 't niet ondienstig kan worden g'oordeelt verdere poogingen te doen tot bereijking van het voorgestelde doel eijnde: te meer het mij met ul niet onwaarslijn„ „lijk is voorgekomen aat gustij waijantaga zig thans voordeelen van 'sComp: vriendschap beloofd, welke hij zig bevoorens niet heeft voorgesteld ik doele hier meede niet alleen op zijn gedaan verzoek aan haar hoog Edelhedens om tol vrijheid voor zijn vaartuigen bij der selver komst op sComp: etablissemen„ „ten, waar op hem Conditioneel Cavorable toezegging is gedaan, maar ook op het uitsigt dat hij zig na de gedagten van veelen schijnt voor te stellen om namentlijk door'sComp: hulpe het Juk van den koning van groot Balij af te schudden ende souverainteit van salemparang te ver„ krijgen omtrent welk een en ander nogthans met den zelven ten uijtersten omzigtig zal dienen gehandeld in zo verre dat hem met betrecking tot het eerste poinct zo min mogelijk en ten aansien van het andere gesteld dat hij daar toe eenig aansoek mogte doen niet be„ „loofd worde waar door de Comp: zig zelve benadeelen zoude zijn dierhal„ ven Van beijde deese poincten ook geen gewag gemaakt bij de articu„ len tot een Contract door mij ontworpen om desselfs sentiment daar op te hooren, t welk dan tot een grondschap van de verdere onderhande„ „ling zullende moeten strecken zo zal uE daar meede in deeser voegen moeten handelen, namentlijk uE zal zo ras te Bima gearriveerd zij door een vertrouwt en bequaam persoon aan gusti waijangtaga moeten afzenden de twe hier nevens leggende aan hem gerigte brieven, waar van d'eene in geel satijn door sijn hoog Edelheid en d' andere in geel armo zijn door mij aan hem geschreeven is hem, onder een Compliment van groete mijnent wegen, doende kennise geeven dat uE van zijne bereijdwil„ ligheid om met d'E Comp: in vriendschap te leeven en een Contract te sluij„ „ten verslag aan mij gedaan hebbende hem als nu die beijde boie„ „ven toezend om tot een blijk van sComp: opregte welmeenentheid te kunnen

NL-HaNA_1.04.02_3418_0372 view scan ↗

English

From Macasser the 9th of June 1774. From Macasser the 9th of June 1774. may serve that it now depends solely on him to profit from this and to declare himself on the aforementioned articles, which can subsequently be handed over to him, while asking for his thoughts regarding them, whether to accept them as such or with some alterations, and what he might wish to stipulate for himself in return beyond what is already stated therein, with the request to state the same; and should this meet with good success, to demonstrate further to him not only that one cannot send commissioners before and until one has obtained his thoughts regarding the aforementioned points, but also that it will be better for himself to send envoys of renown to Macasser or indeed to Batavia to conclude, in order the better to obtain whatever he might desire, rather than to receive commissioners from the Company, since they could easily find themselves in embarrassment regarding one thing or another, to the needless delay of the mutual good intention. Having to await the outcome of this once again, I also wish to trust that Your Honour, for the rest, regarding all impossible-to-foresee events, will fix his attention on the Company's principal objective and thus will neglect no occasion to promote the same, as well as to make the Company's proposal palatable to the oft-mentioned prince through all other serviceable means, informing me as speedily as possible of whatever might occur in that regard; whilst I hereby also qualify Your Honour, in case this should be requested by him or otherwise deemed serviceable, to proceed thither again in person to speak with him, on which occasion Your Honour will have to seek to investigate his disposition towards the king of Great Balij more closely, the more so as his offer to have Your Honour brought thither appears to contain a contradiction with his previously cited objective of withdrawing himself from the dominion of that prince. As the promise of the king and grandees of Sumbauwa to come hither has again been of no effect, I have in reply to their letter enclosed herewith once more expressed my displeasure, in such manner as Your Honour must also do on occasion, making known: that they appear willfully to expose themselves to correction, and they can be assured that they will also feel it should they remain wholly behind this year; but that I expect the contrary and indeed do not doubt that they will proceed hither, if not shortly, then at least in the autumn, until which time, or rather their arrival, I have likewise postponed any disposition regarding the complaints of the grandees concerning the unlawful election by their prince of Pangerang Laija to be king of Taliwang, the more so as it is to be wished that the latter will also let himself be found here then, as well as concerning the subjects abducted by those of Dompo. The further promise of Coaing Biladje to deliver the well-known vagabond Tjalla Banchoeloe into Your Honour's hands will be pleasing to me to see answered by the outcome, and an European may well be assigned to him to assist in his apprehension, provided such person is not exposed to an accident. Although I have a better opinion of the sincere inclination of the Tamborese to bring their young king along with the regent Jenelie Kankiwie hither than of the Sumbawarese, they will nevertheless also have to be exhorted thereto, just as it is no less necessary that this be done regarding the young king of Bima; for although the pretext of the administrator of the realm concerning the time at which that prince can first be proclaimed according to the laws of the land, and that he also needs to be circumcised before his departure hither, might suffer no contradiction, the matter nevertheless appears questionable because many grandees have previously indicated that they long for his confirmation because of their apprehension that a powerful competitor might arise, which I have also found not unfounded, since this person, namely the well-known Coaleng Sapana, has attempted to depart for Bima along with his mother, which I nevertheless refused, so that no excessive speed can be made with the settlement of this matter, as is hereby most emphatically recommended to Your Honour. And finally also to put an end to the dispute that has dragged on until now between the princes of Sanger and Dompo over the questionable piece of land, which must be deemed all the more necessary because of the first-mentioned prince's sickly condition, of which I nevertheless hope for the best, as that prince appears to possess good qualities and, having always been faithful to the Company, has learned by experience that he has been maintained in his righteous cause and that no intrigues to shortchange him have availed anything. All this being what I have found to remark upon Your Honour's aforementioned missive and what Your Honour has further communicated to me orally, I recommend to Your Honour all possible attention and a speedy execution regarding everything, and remain furthermore.

Dutch transcription

139- 415 Van Macasser den 9: Junij 1774. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — kunnen strecken dat het nu maar aan hem staat om daar van te profiteeren en zig te declareeren op de voorwaarts gemelde articulen die hem vervolgens kunnen inhandigd worden, onder afvraage van zijn gedagten dierwegens 't zij om deselve zodanig of met eenige veranderingen aan te neemen en wat hij daar en tegen voor hem mar„ der mogte willen bedingen dan daar bij reets vermld staat met versoek om 't zelve op te geeven en zulx van goed succes zijnde, hem alverder te vertoonen niet alleen: dat men geen gecommitteerdens senden kan voor en al eer men zijne gwagten omtrend de voorsz poincten er„ „langd heeft, maar ook dat het vor hem zelfs beeter zal zijn gesanten van naam na macasser of wel na watavia te zenden, om te sluiten ten eijnde het geene hij begeeren mogte des te beter te verkrijgen, dan gecommitteerdens van de Comp t' ontfangen vermits deselve sig nopens het een of ander tichtelijk in verlegentheid zouden kunnen bevinden, tot nodeloose verwijling van weder zijds goede intentie: hier van nu alweder den uitslag moetende afwagten wil ik teffens vertrouwen dat uE: voor het overige nopens alle onmogelijk te voorsiene gebeurtenisse zijn attentie op 's Comp: voorname doelwit vistigen en dus geene ofcasie versuijmen zal, om het zelve te bevorderen mitsg:s den meerm: vorst door alle andere gedienstige middelen 's Comp: voorslag smakelijk te maaken mij zo spodig doenlijk van het geene daar omtrend mogte voorvallen berigt geevende ter wijl uE. bij deesen teffen qualificeere om ingeval zulx door hem versogt of het zelve andersints dienstig mogte g'acht worden zig weder in perzoon derwaarts te begeeven, om met denselven ten spreeken, bij welke ofcasie uE: zijn gesindheid omtrent den koning van groot Balij nader sal moeten trag„ ten uit te vorsten te meer zijn presentatie om uE derwaarts te doen brengen een tegenstrijdigheid schijnt in te sluiten met zijn hier vooren aangehaalde doelivit om zig de heerschappij van dien vorst te ontrecken. Dewijl de toezegging van den koning en rijksgrooten van sum„ bauwa, om dit heen te komen alweder van geen gevolg geweest is hebbe ik daar over in antwoord van derselver schrijven desen bij gevoegd, an„ dermaal mijn misnoegen betuigd invoegen UE: ook bij gelegentheid zal moeten doen onder te kennen gave: dat zij zig moedwillig aan corecte schijnen te willen bloot stellen en zij verseekert kunnen zijn deselve ook te zullen gevoelen ingevalle zij dit Jaar geheel agter mogten blijven dog dat ik het tegendeel verwagten en zelfs niet twijf„ „felen wel of z zullen zo niet eerlange ten minste in het na Jaar zig herwaarts begeeven tot welken tijd of wel haare komst ik „der dispositie over de klagten der rijksgrooten wegens d'on„ wettige verkiesing door hunnen vorst van Pangerang Laija tot koning van Taliwang zo wel hebbe uijtgesteld:/ te meer het te wenschen zij dat deesen zig dan meede hier zal lae„ „ten 181 417 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Iulij 174. — ten vinden als over de geroofde onderdaanen door die van dompo: De nadere toezegging van Coaing Biladje om uE den beken„ den swerver Tjalla Banchoeloe in handen te leveren zal mij aan„ genaam zijn bij d' uijtkomst beantwoord te zien kunnende hem wel een Europee tot adsistentie in zijn opligting toegevoegd worden mits zodanigen perzoon niet aan een ongeluk getesigueerd worden. Schoon ik van d' opregte geneijdheid der Tamboreesen om hun Jongen koning nevens den regent Jenelie kankiwie herwaarts te brengen beter denkbeeld hebbe dan van de sumbauwareesen zullen dezelve nogthans daar toe almeede moeten worden aangemaand, gelijk niet minder nood„ saekelijk zij dat zulks geschiede, omtrent den Jongen koning van Bima, want schoon het voorgeeven van den rijkbestier der nopens den tijd in welke dien vorst eerst volgens 's lands wetten kan worden ge„ proclameert en denselven ook voor zijn vertrek na herwaarts nog diend besneeden te worden al geen tegenspraak mogte kunnen lyden, zo komt het een en ander nogthans bedenkelijk voor ter zaeke vel rijksgooten bevoorens te kennen gegeven hebben, dat zij na zijne bevestiging reijk„ „halsen ter oorsaeke van hunne beduchting. dat er een magtig meede Dit alle het geene zijnde, wat ik op voorschree„ ven UE: missive en het geen uE mij verder mondeling ge„ „comminiceert heeft te remarqueeren hebbe gevonden, zzo beveele ik uE omtrent het een en ander alle mogelijke attentie en een spoedige uitvoering aan en blijve En eijndelijk ook om vens een eijnde te maaken van het tot nog toe trottee„ rend geschil tusschen de vorsten van sanger en dompo over het questieuse stuklands het welk te noodsaekelijker moet worden g'acht, om de wille van de eerst gemelde ziekelijken toestand waar van ik nogthans het beste wil verhoopen also dien vorst goede hoedanigheden scheijnt te besitten en voor de Comp: steeds trouw geweest zijnde, door ondervinding geleerd heeft dat men hem in zijne regt veer„ dige zaak gehand havend heeft en geen kuijperijen om hem te ver„ korten iets hebben mogen baten dinger zoude kunnen op komen 't welk ik ook niet ongegrond gevonden heb„ „be, also deese namentlijk den bekende Coaleng Sapana getragt heeft nevens zijne moeder na Bima te vertrecken dat ik nogthans afgeslagen hebbe invoegen er dan met d'afdoening deeser zaak niet te veel voorvae„ ventheid kan worden gemaakt zo als uE: bij deesen op het nadruckelijks te gerecommandeerd word. dingel voorts

NL-HaNA_1.04.02_3418_0374 view scan ↗

English

185. 419 From Macasser the 9th of June 1774. From Macasser the 9th of June 1774. further after greetings subscribed your Good Friend signed P: I: van der voort in the margin Macasser In Castle Rotterdam the 9th of May 1774. lower Agrees. signed J: J: voll, sworn Clerk Although the last letter which I received from your highness offers me no material for an answer other than in so far as your highness is pleased to say you are in uncertainty regarding my intention, having received no report thereof yet, I must testify thereto that the same is fully in agreement and sincere with that of his high Excellency at Batavia as my highly honored commander, to enter into a Contract on behalf of the High and Mighty Dutch East India Company with your highness, which I am assured will tend to the welfare of the land of salemparang this has been the reason that I have sent the Bima Commander to your highness up to three times, and the report of the honor and politeness shown to him on the occasion of his latest presence has served to my particular pleasure. yet I am no less pleased now to have the opportunity to be able to give your Highness once again a token of his high Excellency's sincere inclination to live in friendship with your highness by the letter which is to be delivered to your highness alongside this one, it being agreeable to me to perceive that your highness is also of such a mind, in which case your highness please declare yourself to the Commander yourself To the king of Salemparang gustij waijantaga. and with the same make the required arrangements which may serve to establish the same upon lasting foundations. Meanwhile I add here furthermore how his high Excellency has given me notice that your highness still continues to reclaim the vessel formerly taken by mistake under Hanga Baris, yet since I have already informed your highness two years ago that it was retrieved from sumbauwa by your highness's emissaries named Carte Mangojoengie and Anachoda Makoe, who sold the same as the sumbauwarese testify, I do not doubt but your highness will yourself discover where it has ended up, it being unknown to me that it should ever have come here subscribed written at macasser in Castle Rotterdam this 9th of may 1774. signed P: G: van der voort. lower Agrees signed P: J: Voll, sworn Clerk. In order to make the friendship all the more durable, those of salemparang promise henceforth not to admit any other European nations into their land for trade, but to turn away all vessels of the same, even those that were with their passes or come from places where they are settled, although no Europeans might be found on them. On the other hand, all vessels of the Honorable Company's subjects provided with proper passes shall have complete freedom to come trade at salemparang. Just as all subjects of salemparang all along Java's east Coast up to and including Batavia, and further also at sumbauwa and Macasser, shall be permitted to come trade with the products of their lands and other trade goods whose importation is not prohibited, all help and friendship being shown to the same, as to the Company's own subjects who trade there. whenever the Company might in time require any of the land's products, the same shall be delivered to it at reasonable prices, and especially rice at. Both parties promise each other an everlasting friendship. 2. those of salemparang shall be friends of the Company's friends and enemies of its enemies. Therefore they promise in particular to live as friends with the kings on the opposite shore, namely of Bima, sumbauwa dompo, Tambora, sangaa and Papekat, and even if any dispute might arise with one of the same, not to disturb their lands on that account, but to give notice of the same to the Company, which as shield and protector of those realms and lands shall help settle the matter according to equity. Draft Articles for a Contract between the Company and the Realm of Salemparang. Draft. turn over 8 3 just as the same. the last of.

Dutch transcription

185. 419 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — voorts na groete /:onderstond:/ uE goede vriend /: was„ geteekend:/ P: I: van der voort /:in margine:/ Macasser In 't Casteel Rotterdam den 9:' Meij 1774. — /:lager:/ Accordeert. /:was geteekend / J: J: voll, geswoore Clereq Al hoe wel de laatste boif die ik van uw hoogheid ontfangen heb„ „be mij geen stoffe tot antwoord opleverd dan voor zo verre uw hoogheid ge„ leeft te zeggen nopens mijne intentie in 't onzeekere te zijn als daar van nog geen naricht bekomen hebbende zo moet ik daar op betuigen dat deselve met die van zijn hog Edelheid te Batavia als mijn hoog g'eerden gebieder, volkomen over een stemmig en oprecht is, om van wegen de groot machtige nederlandsche oost Jndische Comp met uw hoogheid een Contract aan te gaan, het welke ik ver„ zeekert ben dat tot welweesen van het land van salemparang zal strecken dit is de reeden geweest, dat ik den Bimas Commandant tot drie maalen aan uw hoogheid gezonden hebbe, en het bericht van de hem aangedaane eere en beleefcheid ter gelegentheid van zijn Jongste aanweesen, heeft mij tot Bij„ „sonder genoegen gestrekt. dog niet minder ben ik verblijd thans gelegentheid te hebben u Hoogheijd nog maals een blijk te kunnen geeven van zijn hoog Edelheid op rechte geneijd„ „heid om met uw hoogheid in vrindschap te leeven bij den brief die us hoog„ „heid nevens deese staat te worden in handigd mij aangenaam zullende zijn 't ontwaaren dat uw hoogheid meede zodanig gezint is in welken gevalleuw hoogheid sig aan den Commandant zecerf gelieve te decla„ Aan den koning van Salemparang gustij waijantaga. reeren Aan — 185 421 Van Macasser den 9:' Junij 1774. — Van Macasser den 9:' Junij 174. — „reeren en met denselven de vereijschte schickingen te maaken welke dienen kun„ „nen om deselve op duursame gronden te vestigen Ondertusshen voege in hier nog bij hoe zijn hoog Edelheid mij kennisse gegee„ „ren heeft dat uw hoogheid als nog terug komt te vorderen het vaartuigen wel eer door misslag onder Hanga Baris, genomen dan vermits ik uw hoogheid bereets voor twe Jaaren verwittigt hebbe, dat het van sumbauwa door uw hoogheids zendelingen met naam Carte Mangojoengie en Anachoda Makoe is afgehaeld, die het selve verkogt hebben zo als de sumbauwareesen getuigen zo twiffele ik niet of uw hoogheid zal zelve wel ontdecken waar het beland is, mij onbekend zijnde dat het immer zoude weesen hier gekomen /:onderstond:/ geschreeven te macasser in 't Casteel Rotterdam desen 9: meij 1774./was geteekend:/ P: G: van der voort. /:lager:/ Accordeert /: geteekend:/ P: J: Voll, gesw: Clercq.— Om de vriendschap des te bestendiger te maaken zoo belooven die van sa„ „lemparang voortaan geene andere Europeesche natien in haar land ten han„ „del te zullen admitteeren, maar alle der zelver vaartuigen afte wijsen selfs de zulke die met haare passen waaren of komen van plaatsen daar zij geseten zijn schoon er zig geen europeesen op mogten bevinden. daar en tegen zullen alle vaartuigen van 'sE Comp: onderdaanen met behoor„ „lijke passen voorsien volkomen vrijheid hebben op salemparang te komen han„ „delen. Gelijk ook alle onderdaanen van salemparang langs geheel Javas oost Cust tot Batavia in geslooten en voorts ook op sumbauwa en Macasser ten handel zullen mogen komen met de producten hunner lands en andere negotie goederen welker aanbreng niet verboden is zullende aan dezelve alle hulp en vriendschap worden beweesen, als aan 'sComp:s eijgen onderdaanen welke daar handelen. wanneer de Comp: in der tijd eenige van 'slands producten mogten benodigen, zullen haar deselve tegen redelijke prijsen geleverd worden en wel in 't bijsonder de rijst tegen. Belooven weeder zijds parthyjen elkanderen een altoos duurende vriendschap. 2. die van salemparang zullen zijn vrumnden van sComp: vrienden en vijanden van haare vijanden. oversulks belooven zij in 't bijsonder met de koningen op d' overwal namentlyk van Bima, sumbauwa dompo, Tambora, sangaa en Papekat als vrienden te zullen en schoon er met een van deselve eenig geschil mogte ontstaan haare landen daarom niet t' ontrusten, maar van het selve aan de Comp: kennisse te geeven, wel„ ke als schult en scheren hier van die rijken en landen de zaak naar billijkheid sal helpen bijleggen. Concept Articulen tot een Contract tusschen de Compagnie en het Rijk van Salemparang. Concept. verte 8 3 .. . . zo als dezelve. .. . . . . . . . . het last van.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0376 view scan ↗

English

423 187. From Macasser the 9th of June 1774. — From Macasser the 9th of June 1774. — 8. In return, the Company promises to also accommodate the people of Salemparang, whenever requested, with goods in which it trades, and that at a reasonable price. 9. In case any ship or ships or vessels of the Company should happen by misfortune to run aground on Salemparang, the king and dignitaries of the realm promise to render all possible help and assistance in order to return the crew and everything that can be salvaged into the hands of the owner, and to prevent anything thereof from being stolen. 10. It is also promised that no protection shall be granted to any of the Company's subjects who have committed any offense and thereby made themselves liable to punishment, but that all such persons found on Salemparang shall be surrendered, as well as such allies of the Company, whether kings, princes, or dignitaries of the realm, who have fallen into disagreement with the Company and come to abandon their lands. 11. And whereas the Cerammers steal spices from the Company and transport them clandestinely, whereby they cause notable damage to the Company and cannot be regarded as other than its enemies, it is promised as a consequence of article 2 that not only shall none of their vessels be permitted to sell those products on Salemparang, but that all such as might arrive there henceforth shall be seized and surrendered to the Company along with the crew and cargo. Was below: Agrees. Was signed: J: J: Voll, sworn clerk. — Having duly received the letter from Your Highness and the dignitaries of the realm of the 18th of the month of Shawwal in the year 1187, I shall, without expatiating on the improper manner in which the same is framed, only say: that I cannot comprehend what could have prevented His Highness from already coming hither in accordance with the promise made, as I had expected and still wish to expect as soon as possible, unless he, or indeed the one who may be the cause of remaining behind longer, wishes to expose himself to the Company's righteous displeasure, for which it lacks no power, as experience regarding those who have made themselves guilty of violating the contracts has taught, and which can be as little unknown to Your Highness and the dignitaries of the realm as one could expect that they, being solicited by others to abandon the Company's side, would proceed to do so, regarding which the mention in Your Highness's letter appeared very strange to me. Was below: Written in Macasser in Castle Rotterdam, this 9th of May 1774. Was signed: P: J: van der Voort. Lower: Agrees. Signed: J: J: Voll, sworn clerk. — After the customary preamble To the King of Sumbauwa and his dignitaries of the realm. 189 From Macasser the 9th of June 1774. — Honorable, highly esteemed Sir! Secret Daily Register Anno 1773. October. Sunday the 24th To the Honorable, highly esteemed Sir, Paulus Godefridus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. On this occasion I take the liberty humbly to inform Your Honor that since the Honorable Commandant departed from here nothing remarkable has occurred, except only that the envoys of Sumbauwa have been here to seek a good and large vessel for the transport of the king to Macasser, but obtained none; and also the collective dignitaries of the realm of Dompo informed me on the 11th of April last that the king happened to pass away the day before, no other having been chosen in his place up to the present day. Wherewith I take the liberty to subscribe myself with all submission, was below: Honorable, highly esteemed Sir, lower: Your Honor's faithful servant, was signed: B:r Steijns. In margin: Bima In the Company's fortress, the 11th of May 1774. Lower stood: Agrees, signed: J: J: Voll, sworn clerk. — Nothing happened. Monday the 25th The Company's and Bone's envoys Patjelang and Jamallang returned from Siang with the report that the Matoa Waga and Jennang Palampang had now agreed to pay the tithe of rice and paddy that they still owed, but on the other hand had positively declared their unwillingness to make good the customary overweight that has been paid since time immemorial by the suppliers to the shippers of the Company and without which they can never break even; which message, due to the king's departure to the north, I have provisionally accepted for notification, in order to address him about it upon his return, or to speak with him personally. After this, there also appeared before me the former Regent of Loewoe, sent by the Queen of Tanette to Aroe Pantjana regarding my complaints mentioned under the date of the 17th of this month, informing me that he, having been to her said son on Her Highness's behalf, the latter had tried to excuse himself regarding the complaints brought against him with these and other insufficient pretexts; whereupon I let Her Highness know in reply through that envoy that it appeared to me 425

Dutch transcription

423 187. Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser den9:' Junij 174. — Waar en tegen de Comp: belooft om die van salemparang meede te zullen gerieven, wanneer zulx versogt word met goederen in welke sij handel vrijft en sulks tot een redelijken prijs. Ingevalle er eenig schip of scheepen dan wel vaartuigen van de Comp: bij onge„ „luk op salemparang mogten komen te blijven st belooven de koning en rijks geoo„ ten alle mogelijke hulp en bijstand te verleenen om de equipagie en al het geene te bergen is weder in handen van den eijgenaar te doen komen en te belet„ „ten dat daar van iets ontvreemd word. ook word beloofd dat geen pritectie zal worden verleend aan eenige van 's Comp: onderdaanen die het een of ander misdaan en zig daar door aan stoaffe schul„ dig gemaakt hebben, maar dat alle de sulke sig op salemparang bevindende zullen overgegeeven worden gelijk ook zodanige van s Comp: bondgenooten het zij koningen princen of rijksgrooten die met de Comp: in mneenigheid geraakt zijn en hunne landen komen te vertaeten. En vermits de Cerammers de specrijen de Comp: ontvreemden en deselve ter sluijk ver„ voeren, waar door zij de Comp: merkelijk nadeel toebrengende niet anders dan voor haare vijanden kunnen worden aangezien, zo werd als een gevolg van art:s 2. belooft dat niet alleen geene van haare vaartuigen op Salemparang zal toegelaaten worden die producten te verkoopen maar dat alle de zodanige die aldaar aankomen mogten voortaan in beslag genomen en nevens de equipagie en lading aande Compagnie zullen overgegeeven worden /:onderstond:/ Accordeert /:was geteek:d/ J: I: voll, gesw: Clercq. — Mij wel geworden zyjnde den brief van uw hoogheid en rijks grooten van den 18:' der maand sauwal in 't Jaar 187., sal ik sonder mij uit te laaten omtrend de verkeerde wijse, waar op deselve is ingericht alleen zeggen: dat ik niet begrij„ pen kan wat zijn hoogheid zoude hebben kunnen verhinderen, om Conform de gedaane toezegging bereets herwaarts te komen gelijk ik verwagt had„ de en als nog ten spoedigsten verwagten wil, wanneer denselven of wel de geene die oorsaeke van het langer agter blijven mogte weesen, zig niet wil blot stellen aan sComp: billyk misnoegen, waar toe het haar aan geen vermogen ontbreekt, gelijk d'ondervinding omtrent de zul„ „ke die zig aan d' overtreeding der Contracten schuldig gemaakt hebben geleerd heeft en uw Hoogheid en rijksgrooten also min onbekend kan weesen, als men verwagten kan, dat zij door anderen aange„ „sogt wordende om 's Comp: zijde te verlaeten, daar toe zouden overgaan, waar omtrent het vermelde in uw Hoogheits brief mij zeer vriend is te vooren gekomen. /:onderstond:/ Geschreeven te Ma„ „casser in 't Casteel Rotterdam deesen 9:' Meij 174. /:was geteekend:/ P: J: van der voort /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ J: J: Voll, gesw: Clercq. — Na Sewoone voorreeden Aan den koning van Sumbauwa en Sij„ Aan Aan 8 9. 10 11. ne Rijxgrooten. 189 Van Macasser den 9: Iunij 174. — Wel Edele Agtbaare Heer! Sicrut Dag Register A:o 1773. october. zondag den 24:' Aan den wel Edele Agtbaare Heer. Paulus Godofre dus van der Voort. Gouverneur en directeur ter custe Celebers. Bij dese gelegentheid gebruik ik de vrijleid uwel Edele Agtbaere needrig be„ kend te maeken dat 't zedert den E. Commandant van hier vertrocken is niets remarkabel voor gevallen als alleenlijk dat de gezanten van sumbauwa al„ „hier is aangewest, om een goed en groot vaartuijg te zoeken, tot Trans„ port voor den koning na macasser, Edoch geen gekreegen, als meede heb„ „ben de gezamentlijke rijksgrooten van dompo op den 11: april Jongstl:d mij doen bekendmaaken dat den koning daags bevoorens is komen te overleeden zijnde tot heeden nog geen ander in plaats verkooren. Waar meede de vrijheid neemen mij met alle onderdanigheid te onderschrijven /:onderstond/ wel Edele Agtbaare Heer /:lager:/ uw wel Edele Agtbaare Trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ B:r Steijns /:in margine:/ Bima In sComp: vesting, den 11: Meij 1774. /:lagerstond:/ Accorteerd, /:geteekend:/ J: J: Voll, gesw: Clercq. —. Is niets gepasseerd Reverteerde sComp: en Bonijs zendelingen Patjelang en Ia„ Maandag „ 25:' „malalang van Siang met bericht dat den Matoa waga en Jen„ „nang Palampang als nu wel aangenomen hadden de thiende rijst en Padij die zij nog schuldig waaren te voldoen dog daar en tegen volstrekt betuijgd hadde het gewoone overwigt dat ze„ „dert onheuglijke tijden door de Leveranciers aan de afscheepers van de Comp:e is betaald geworden en buijten het welke zij nimmer kunnen uijtkomen niet te willen goed doen welke boodschap ik niets 'skoning vertrek na de noord bij provisie voor Communica„ tie hebbe aangenomen om denselven daar over bij terug komst te doen of zelfs te onderhouden. Hier na ook bij mij verscheenen weesende de gewee„ „sene Rijksbestierder van Loewoe, door de koninginne van Tanette op mijne klagten vermeld onder dato 17:' deser aan Aroe Pantja„ „na afgezonden mij berichtende dat hij uijt Haar hoogheijs naam bij gem: haar zoon geweest zijnde deese zig nopens de tegen den„ „zelven ingebragte klagten. hadde tragten te verschoonen met deese en geen onvorldoende voorwendsels zo hebbe ik haar hoog„ „heid door dien zendeling in antwoord laeten weeten dat het mij 425

NL-HaNA_1.04.02_3418_0378 view scan ↗

English

427 191 From Makassar, the 9th of June A:o 1774. — From Makassar, the 9th of June A:o 1774. it would have pleased me better if Aroe Pantjana had merely asked excuse for his conduct and made a promise to refrain from all hostilities, than to bring forward such pretexts, and that I consequently wished to expect that she would inform him thereof more closely as well as warn him once again to refrain in the future from committing all sorts of acts of violence and extortions against the Company's subjects, since in the contrary case I would be forced to use measures of severity and force that could be as little pleasant to her as to him, however reluctantly nevertheless, because on the contrary I desired nothing more than to convince Her Highness and family of the Company's goodwill and my friendship, which, upon the continuation of such doings as were now committed again by Aroe Pantjana, would in such a case undoubtedly suffer harm through no fault of mine. Subsequently the aforementioned envoy also made known that Her Highness, intending shortly to depart for her country, wished beforehand to pay a visit to me, to which I had answered that it would be very pleasant for me to receive her, the more so as I had already for Nothing occurred The Captain of the Malays informed me that he had been told by an envoy of the Poenlipoes of Soping that the Wadjorese had answered the letter written to them by the English, and that they would await the English or envoys on their behalf at Batoemanoe, a place situated in the Bay of Boni and belonging under the realm of that name, in order to enter into negotiations with the same concerning a contract. The King of Goa let me know through his interpreter Borra, while inquiring after my health, that his son Craaeng Data, brother of Craaeng Bontolankas, was to marry in nine days the youngest daughter of the Tello Regent, Craaeng Manjerooij, for which I had His Highness thanked with congratulations on that intention. Hereafter it was reported to me by the License Master Voll that he accidentally had asked a certain envoy of the King of enter. Tuesday the 26th to Thursday the 28th a long time desired it, requesting nonetheless to postpone it for a few days on account of my pressing affairs at hand. long Boni 429 193: From Makassar, the 9th of June 1774. From Makassar, the 9th of June 1774. Sunday the 31st nothing occurred Boni, named Soeroe Doerie alias Laoepa, who had departed for the interior about three months ago and had returned only a few days ago, about the reason for his departure, who had answered him plainly that he had been sent by the Regent and Tomilalang to notify all the Toradjas belonging under the realm of Boni in the name of the King to make themselves and keep themselves ready for war, in order to come down hither upon the first further order without making any exception, as he had also fulfilled his charge, with the further addition that Soero Manoenkala alias Tosamma had been dispatched with a similar message to the Mandharese. Monday, 1 November. The Chief Interpreter Brugman, sent by me to the Queen of Tanette to not only complain to Her Highness about the payment of tithes refused by Aroe Pantjana, but also to request her to order him to do so, brought me in answer that that princess had promised to satisfy my desire, just as the Regent of Boni, upon a similar complaint and request made to him by the envoy Daing Mandjareke regarding some unwilling payers in Sagerie, let me know that he would send an envoy thither to constrain them thereto, at the same time requesting that someone on my behalf also be allowed to depart thither. The Queen, having meanwhile requested an audience with me, which I granted toward the afternoon, Her Highness appeared at five o'clock at my residence, making known, as she had already informed me, that she intended to return to Tanette and to undertake the journey this very evening; that she had therefore come to take leave of me and to wish me a good stay, which having answered in fitting terms, I asked when Her Highness intended to come hither again or how long she intended to remain there, which she declared she could not say with certainty, as it would depend on the circumstances of affairs and the disposition of her body. Furthermore, I spoke with her about the bold and punishable conduct of her son Aroe Pantjana, both in refusing the due tithes and in committing many acts of violence against the Company's subjects, with an earnest request

Dutch transcription

427 191 Van Macasser Den 9:' Junij A:o 174. — Van Macasser Den 9' Junij A:o 174. mij vijbeten zouden aangestaan hebben dat Aroe Pantjana over zijn bedrijf eenlijk Excus verzogt en belofte gedaan hadde sig voor alle hofteliteiten te wagten dat diergelijke onschuldigingen te berde te brengen en dat ik oversulks verwagten wilde dat zij hem daar van zo wel nader zoude doen kennisse geeven als an„ „dermaal waarschouwen om vonr 't vervolg van het pleegen van allerleij geweldenarijen en Extorsien omtrent sComp. onder dae„ „nen af te zien vermits ik bij het teegendeel genoodsaakt zou„ „de weesen middelen van klein en nadruk te gebruijken die haar zo min als hem aangenaam konden zijn hoe ongaarne nogttans ter oorsaake ik in tegendeel niets meer verlangende was dan om haar hoogheid en famille van 'sComp: wel meemntheid en mijne vriendschap te overtuijgen die bij voortgang van diergelijke ge„ doentens als door Atoe Pantjana nu weeder gepleegd waa„ „ren in zo een geval buijten mijne schuld ongetwijffeld inbreuk zoude lijden. Vervolgens gaf den voorm: sendeling nog te kennen hoe Haar Hoogheid van intentie zijnde eerlange na haar Land te vertrecken alvoorens nog wel een visite bij mij wensch„ te te doen waar op ik deed antwoorden dat het mij zeer aan„ „genaam zoude zijn haar 't ontfangen te meer ik reets voor Niets voorgevallen Berechte mij den Capitain der Maleijers hoe hem door een sin „ Vrijdag „ 29:' deling van den Poenlipoes van soping gezegt was dat de wadjo„ „reesen den brief aan haar door de Engelschen geschreeven b'antwoord hadde en hoe zij d' Engelschen of wel zendelingen haarent wee„ „gen zouden verwagten op Batoemanoe, een plaats gelegen in de Bogt van bonij en onder het Rijk van die naam gehoorende ten Einde met dezelve over Een Contract in onder handeling Liet de koning van goa my door zijn tolk Borra onder Zaturdag „ 30:' informatie naar mijne welstand kennisse geeven dat desselvs zoon Craaeng Data broeder van Craceng Bontolankas over negen dagen in huwelijk stond te treeden met de Iongste dogter van den Tel„ „los Rijksbestier der Craceng Manjerooij, waar voor ik zyn hoogheid hebbe doen bedanken met een gelukwensching over dat voorneemen. Hier na wierd mij door den Licentmeester voll gerappor„ „teerd hoe hij toevallig zeeker sendeling van den koning van te treeden. Dingsdag den 26: tot Donderdag „ 28:' lange daar na verlangd hadde met versoek nogthans sulks niets mijne om handen hebbende beezigheeden nog eenige dagen uijt te stel„ lange Bonij „len 429 193: Van Macasser Den 9: Junij 174. Van Macasser Den 9:' Iunij 1774. zondag den 31:' is niets gepasseerd Bonij Soeroe Doerie alias Laoepa genaamd, die voor Circa drie maanden na de binne Landen vertrocken en voor weijnig dagen eerst gereverteerd is na de oorsaake van zijn vertrek gevraagd hebbende denzelven rond uijt ten antwoord gegeeven hadde door den Rijksbestierder en Tomilalang gezonden te zijn om alle de Toradjareesen onder het Rijk van Bonij sorteerende uijt naam van den koning aan te zeggen om zig tot den oorlog ge„ „reed te maeken en te houden ten eijnde op de eerste nadere ondre sonder eenige Exeptie te maeken herwaarts af te komen, hoe„ danig hij ook, zijnen last volbragt hadde met verdere byvoeging dat soero manoenkala alias Tosamma met een gelijke boodschap was afgevaardigd aan de Mandhareesen. Maandag „ 1: November. Den oppertolk Brugman door mij gesonden naar de koninginne van Tanette om bij haar hoogheijd niet alleen te doleeren over de door Aroe Pantjana geweijgerde be„ „taeling van tiende maar ook te versoeken om hem zulks te ordonneeren zo bragt denselven mij tot antwoord dat die vorsten beloofd hadde aan mijn begeerte te zullen voldoen gelijk den Rijksbestierder van Bonij op een gelijke doleantie en versoek door den sendeling Daing Mandjareke aan denzelven ge„ „daan omtrent eenige onwillige betaalders op Sagerie mij liet weeten een zendeling derwaarts te zullen zenden om haar daar toe te Constringeeren teffens versoekende iemand mijnent wegen meede derwaarts te laeten vertrekken. De koninginne in tusschen acces bij mij hebbende lae„ „ten versoeken het geen ik tegen de na middag accordeerde zo verscheen Haar hoogheid ten vijf uuren aan mijne wooning te kennen geevende zo als z' mij bereets hadde laeten verwitti„ „gen voorneemens te zijn na Tanette te rug te keeren en des„ zelf nog deesen avond de reijse t' onderneemen dat z' dier„ „halven gekomen was om afscheyd van mij te neemen en een goed verblijft te wenschen het geen ik in gepaste termen b'ant„ „woord hebbende vroeg ik wanneer haar hoogheid weder meen„ „de herwaarts te komen dan wel hoe lange z' voorneemens was daar te blijven het geen zij betuijgde niet zeeker te kun„ „nen zeggen also zulks van d' omstandigheid der zaaken en haar lichaams dispositie zoude afhangen. Voorts onderhield ik haar nog over het stout en straf„ „waardig gedrag van haar zim Atoe Pantjana zo in 't wij„ „geren van de verschuldigde tiende als het pleegen van veele ge„ weldenarijen omtrend sComp: onderhoorige met eenstig daan versoek

NL-HaNA_1.04.02_3418_0380 view scan ↗

English

431 195 From Macasser, the 9th of June 1744. From Macasser, the 9th of June 1744. request that she would constrain him to the former and prevent him from the latter, or that I would be forced to use measures of greater force and emphasis myself. This she promised me, adding however that, as he was still innocent, he acted more out of ignorance than with intent. To this I replied that she had to be as convinced of the contrary as I on my part was quite capable of demonstrating it most clearly to her otherwise, if I did not think it would be fruitless to bring many unpleasant matters to the table, so she left both unanswered. Subsequently, Tuesday the 2nd. The King of Bonij having had me further invited this morning by his interpreter Moentoe to a fishing party, I let His Highness know in reply that, barring any hindrance, I intended to depart from here tomorrow evening to wait upon His Highness. Furthermore, around half past ten, after prior granted access, there appeared before me the second Shahbandar of Goa along with the draft deed mentioned under the 2nd of October last, which had been offered to the King for resumption, also bringing a similar concept in the Macassar language, intimating that it was of the same content, but that the clause concerning Craceng Borisallo and the Glarrang Sonkolo had been entirely omitted, because the King and the grandees of the realm maintained that this was a settled matter, and that on the contrary a request had been inserted into it that all Macassars who had deserted to the Company might be returned. I replied to this that they were exceedingly mistaken if they thought the matter in question to be settled, because the written treaty first had to be concluded; that I could make no changes to it either, since the case set forth therein indicated the ground of the same, as had occurred in several contracts concluded with the Macassars; and that demanding a reciprocal surrender of subjects of Goa, besides there never having been any ground for it, was not only the utmost unfairness, but even a step that I had not expected and about which I could not fail to show myself offended; that I therefore would still expect a positive answer as to whether the King and the grandees of the realm were prepared to ratify the written treaty as it lay, and in the meantime I would continue to consider the question 197. From Macasser, the 9th of June 1744. From Macasser, the 9th of June 1744. in its entirety, so that, if the ratification should not follow, I might myself insist on a sufficient satisfaction. Whereupon that minister, indicating that he would make a report to his master, departed, having declared to the chief interpreter as he came outside the garden that he had indeed expected such an answer from me and had already advised the King to comply with my desire since it was fair, but that His Highness had not been willing to lend an ear to it. In accordance with the promise made to me the day before yesterday, the regent of Bonij let me know that he had ordered the envoy Soeroe Doerie to depart for Sagerij in order to command the Boniers who refused the tithe to satisfy it, with the request to know whether I also wished to send someone along on behalf of the Company, to which I had him answered yes, and therefore appointed for this the under-interpreter Pietersz, whom I at the same time gave instructions to also earnestly admonish Atoe Pantjana and the other Tanitterese to make satisfaction, who subsequently departed with the said Bonij envoy in the evening. Wednesday the 3rd. The Captain Malay appearing before me with a Soping envoy showed me a certain letter written by the Datu of Sedenring to Aroe Mario and to him, the Captain, with some lines subjoined thereto sent by the Poenlipoel of Soping, intimating how it contained a threat of attack on account of the residence granted in that place by Aroe Mario to the exiled regent of Sedenring, and that the Poenliepoe-E of Soping, being in embarrassment on this account, would gladly know what he ought to do. Whereupon, having replied that I would have the said letter translated, I ordered that envoy to return as quickly as possible and tell his master that, referring to the letter written by me to him yesterday, I would send him a further reply. In the evening at ten o'clock, I proceeded together with the merchant Voll, junior merchants Monsieur and Kraane, and bookkeepers Voll and Zechder by sea to the north or mouth of the river Marana to attend the fishing party arranged by the King of Bony, wherewith we amused ourselves from eight o'clock in the morning until noon, returning home while I with His Highness the 433

Dutch transcription

431 195 Van Macasser Den 9: Iunij 174. Van Macasser Den 9:' Junij 174. — versoek dat z' hem tot het eerstgem: Constringeeren en het laat„ „fte beletten wilde of dat ik genoodsaakt zoude weesen selfs mid„ „delen van meerder klein en nadruk te gebruijken het geen zij mij beloofde, onder bijvoeging nogthans dat hij nog on„ „nosel zijnde meer door onweetentheid dan met op zet handel„ „de daar ik opgediend hebbende dat zij van het tegendeel zo wel moest overtuijgd weesen als ik aan mijnkant genoeg in staat was om haar zulks andersints ten klaarsten te demonstreeren. wanneer ik niet dagt dat het zonder vrugt zoude zijn veele onaangenaame zaaken ten 't apijte te bren„ gen zo liet z het een en ander onbeantwoord vervolgens ver„ Dingsdag den 2:' De koning van Bonij mij door zijn tolk Moentoe heeden morgen nader hebbende doen nodigen tot een visvangst heb„ „be ik zijn Hoogheid in antwoord laaten weeten dat ik son„ der verhindering voorneemens was morgen avond van hier te vertrecken om zijn Hoogheid te komen opwagten. Voorts verscheen tegen half elf na voor af verleend acces bij mij den tweede sjabandhaar van goa nevens d' ont„ „worpene en den koning ter resumtie aangeboode afte vermeld sub 2:' october pass:o meede brengende een diergelijk Concept in de macassaarse taal onder te kennen gare dat het van een zel„ „re inhoud maar daar bij allen uijtgelaeten was de periode raekende Craceng Borisallo en den glarrang Sonkolo om dat de koning en Rijksgrooten sustineerden dit een afgedaane zaak te zijn en daar en tegen in het zelve gesteld een ver„ „soek dat alle Macassaeren die tot de Comp overgelopen wae„ „ren mogten te rug gegeeven worden ik diende daar op dat zij zig ten hoogsten abuseerden, wanneer zij vermeenen mog„ ten de zaak in questi afgemaakt te weesen, wijl het ver„ bandschrift eerst zijn beslag moest erlangen dat ik daar in ook geen verandering konde maeken vermits het daar bij bekend gesteld geval den grond van het zelve aanwees, zo als in meer Contracten met de macassaeren geslooten plaats had„ „de en dat het vorderen van een reciprocque overgave van onderdaanen van goa, behalven dat daar toe nimmer eenige grond was geweest d' uijterste onbillijkheid niet alleen maar zelfs een stap was die ik niet hadde verwagt en waar over ik niet nalaeten konde mij gevoelig te toonen; dat ik oversulx als nog positief antwoord verwagten zoude of den koning en Rijksgrooten bereid waaren het verband schrift zo als het lag te bekragtigen en intusschen de questi zoude blijven Conside„ de „reesen treckende 197. Van Macasser Den 9 Iunij 1744 Van Macasser Den 9 Junij 174: „reeren in zijn geheel om wanneer de bekaagtiging niet volgen mogt op eene voldoende satisfactie zelve aan te dringen waar meede dien minister onder te kennen gave er sijn meester ver„ „slag te zullen doen vertrocken is aan den oppertolk nog thans zo als hij buijten de thuijn quam gedeclareerd hebbende dat hy diergelijk antwoord van mij wel verwagt en ook den koning reets geraaden hadde om aan mijn begeerte te voldoen also die billijk was dog dat zijn Hoogheid daar aan het oor niet hadde willen leenen. Conform de mij op eergisteeren gedaane toezegging hiet den Rijksbesteerder van Bonij mij weeten dat hij den sendeling soeroe Doerie gelast hadde na Sagerij te vertrekken ten eijnde de Boniers die tiende weijgerde tot voldoening van dien te ordonneeren met versoek om te mogen weeten of ik ook iemand sComp: wegen wilde meede geeven daar ik hem op heb„ „be doen antwoorden van Ja. en dierhalven daar toe benoemd den ondertolk Pietersz denwelke ik teffens in mandatis hebbe gegeeven om ook gelijk Atoe Pantjana ende verdere Tanittereesen met ernst tot voldoening aan te maanen die vervolgens met gemelde Bonijs sendeling des avonds ver„ trocken is. Den Capitain Maleijer met een sopings sendeling bij mij woensdag den 3:' verscheenen vertoonde mij zeekere brief door den datoe van sedeen„ „ring geschreeven aan Aroe Mario en aan hem Capitain, met eenige daar onder gevoegde regels gezonden door den Poenlipoel van Coping onder te kennen gave hoe deselve bekelsde een bedreij „ging van attacque ter oorsaake van het door Aroe Mario ver„ gumnde verblijf in die plaats aan Sedeendinge uijtgeweeken rijks, bestierder, en dat den Poenliepoe-E van soping dierweegens in verlegentheid gaarne weeten wilde wat hem te doen stond waar op ik gereepliceerd hebbende dat ik de gem: brief zoude laeten overzetten gaf ik dien sendeling last maar ten spoedigsten te rug te keeren en zijn meester te zeggen dat ik mij gedragen„ „de aan de breef door mij op gisteren aan den zelven geschreeven hem nader antwoord soude doen toekomen. 'S avonds ten tiend: uuren begaf ik mij nevens den koop„ „man voll onder kooplieden Monsieur en Kraane ende boek„ „houders voll en zechder over zee na de Noord of mond van de revier Marana ter bij woning van de door den koning van Bony aangeriehte vischerij waar meede w' ons des van 's morgens ten agt uuren tot den middag gediverteerd, heb„ „binde: na huijs te rug keeren terwijl ik met zijn hoogheit den in 433

NL-HaNA_1.04.02_3418_0382 view scan ↗

English

From Macasser the 9th of June 1774. From Macasser the 9th of June 1774. meanwhile had agreed to hold a conference shortly, either at my residence or at his, which I have left to his discretion. Friday the 5th. Having appeared before me this morning the Lomo of Maros together with the Company's emissary Carre Mandjareki and Jntje Timor, in order, while delivering a letter from the Resident van Rossum, to complain personally and verbally about the insolent actions of the Matoa Dato and Androngoeroe Talinko, and to request maintenance against them, I ordered them to return immediately with orders that, in case those fellows with their adherents should attempt by force to take possession of the paddy fields which they claim, to drive them away by force, and to that end immediately to devise the necessary measures to have a sufficient number of armed subjects close at hand at the first movement, whereupon they departed. Saturday the 6th. The King of Bonij, informing me that he had returned yesterday from the north, having had me asked when and where I wished to hold the conference proposed to him, I had His Highness answered that next Monday would suit me best, but I still left it to him to determine whether I should come to him or he to me, nevertheless letting it be known that I would prefer to see the latter, while I further told the interpreter that I would send further word about this myself. Sunday the 7th. Chief interpreter Brugman having gone to Goa in vain yesterday, since he had not found His Highness at home, having departed thither again this morning, to demand a categorical answer from him and the grandees of the realm as to whether they were prepared to confirm the relevant bond, while at the same time repeating my remarks and well-founded displeasure about the last message in that regard delivered to me by the Shahbandar, and especially about the deed drafted by them in a completely different manner, he brought me the answer that His Highness had undertaken to fulfill my desire, and to that end would expect the copies thereof with the commissioners for whom I had requested access in that case by the day after tomorrow, having excused himself with worthless pretexts regarding my grievance, but nonetheless letting Brugman know that he was informed From Macasser the 9th of June 1774. From Macasser the 9th of June 1774. that he some time ago, upon a certain message, had received the reply among others from Bonij's king that His Highness would remain a friend of the Company even though the entire realm should fall away from it, and that he likewise held the same sentiments, requesting Brugman to tell me this. Meanwhile, having sent the second interpreter Blij to the King of Bonij to ask His Highness once more whether he might prefer that I come to him tomorrow, but if perceiving that he was indifferent in that regard, then to request him to come to me, and to indicate to that end that it would be easier if any papers had to be examined, I received a report upon his return that the ruler had agreed to appear at the appointed time, for which reason I ordered what was necessary to receive His Highness with ceremony according to the regulations. After which I received complaints from the BoeleComba Resident Monsieur about the Jennangs of Boele Comba and of Bonthain, consisting of the following. That the first-named, already some months ago, had seen fit to have the uncle of Craceng Oedjong Lowe robbed of all his possessions under the pretext that he was a Bonier, without his being moved to make restitution, despite all efforts made to convince him that the plundered person was a subject of the Company, as he completely refused to give ear to this and had said that if a complaint was made about him, he would answer for himself in Macasser. That he, having subsequently gained knowledge of how that Jennang had caused the buffaloes to be transported, had summoned him to appear before him; but that he first, under the pretext of illness, Regarding the other, namely the Jennang of Bonthain, the Resident declared that he had spoken to him some time ago about five buffaloes, which belonged to inhabitants of Polembankeeng, had been stolen, and were found with him; but that he had denied this stiffly and firmly, and subsequently, upon the further message which the Resident, given the certainty of the information provided to him, had conveyed to him, that he would have to consider him the thief unless the sellers were pointed out, he had remained silent.

Dutch transcription

199 435 Van Macasser Den 9:' Junij 174. Van Macasser Den 9:' Junij 174 intusschen over een gekomen was om eer lange een Conferentie te zul„ „len houden 't zij aan mijn of aan zijne wooning dat ik aan den „zelven gedefereerd hebbe gelaeten. vrijdag den 5:' Heden voor de middag bij mij verscheenen zijnde de Lomo van Ma„ „ros nevens sComp: sendeling Carre Mandjareki en Jntje Ti„ „mor ten Eijnde, onder overgave van een brief van den Resident van Rossum, zelfs mondeling te klaagen over de brutaale bedrijven van den Matoa Dato en Androngoeroe Talinko en daar tegen maintenue te versoeken, zo hebbe ik haar gelast ten eerste te rug te keeren met ordre om ingevalle die kna„ „pen met haeren aankang onderstand mogten de padij vel„ den, welke zij komen te pretendeeren, met geweld te willen in possessie neemen, haar met geweld te verdrijven en ten dien eijnde ten eersten de nodige middelen te beraamen om een genoegsaam getal: gewapende onderdaanen op d' eerste beweeging bij der hand te kunnen hebben, waar op zij ver„ trocken zijn. Zaturdag „ 6:' Den koning van Bonij mij onder Communicatie dat giste„ „ren van de noord te rug gekoomen was hebbende laaten vra„ „gen wanneer en waar ik begeerde de aan hem voorgeslagen Conferentie te houden, liet ik zyn hoogheid antwoorden dat het mij best aanstaande maandag zoude Convenieeren, dog ik als nog aan hem overliet om te bepaalen of ik bij hem dan wel hij bij mij komen zoude onder te kennen gave nogthans dat ik het laatste liefst zien zoude, terwijl ik den tolk verder zeijde dientwe„ „gen zelfs nader om bescheijd te zullen zenden. D' oppertolk Brugman gisteren te vergeefs na goa geweest zondag den 7: zijnde, vermits hij zijn Hoogheid niet thuijs hadde gevonden heden morgen weder derwaarts vertrocken zijnde, om aan denzelven ende rijksgrooten Catagorishe antwoord af te vragen of dezelve bereijd waaren het bewuste verbandschreft te be„ „kragtigen onder herhaeling teffens van mijne remarques en gegrond ongenoegen over de laatste boodschap daar omtrent, aan mij door den sabandhaar gedaan en insonderheid over de door haar op een geheel andere wijse ontworpen acte zo bragt mij denzelven tot antwoord, dat zijn Hoogheid aangenomen had„ „de aan mijn begeerte te zullen voldoen en ten dien eijnde de afschriften van het zelve met de gecommitteerdens /:waar voor ik in dat geval acces hadde doen versoeken:/ tegen over„ „morgen te zullen verwagten, hebbende zig ten opzigte van mijne doleantie met nietswaardige uijtvlugten verschoond, dog des niet te min aan Brugman te kennen gegeeven g'infor„ mij „meerd 437 281. Van Macasser Den 9 Iunij 174— Van Macasser Den 9 Iunij 1774. — „meerd te zijn dat deeze voor eenige tijd op zeekere boodschap on„ „der anderen van Bonijs koning, ten antwoord gekreegen heb„ „bende dat zijn Hoogheid een vriend van de Comp: zoude bly„ „ve of schoon het geheele rijk haar afveile, en dat hij insge„ „lijks deselve geveelens hadde versoekende Brugman zulks aan mij te zeggen. Intusschen dat ik den tweede tolk Blij na den koning van Bonij gezonden hebbende om zijn hoogheid nogmaals te vragen of hij ook liefst zoude willen zien dat ik tegen morgen bij hem quam, dog bemerkende dat denselven daar omtrent onver„ „schillig was als dan te versoeken om bij mij te komen, en ten eijnde te kennen te geeven dat sulks te gemaekelijker zou„ „de vallen, bij aldien er eenige papieren moeste worden inge„ „zien, ontfing ik met zijn te rug komst rapport dat den vorst aangenomen hadde ten bestemden tijde te zullen verschijnen weshalven ik het nodige bevoolen hebbe om zijn hoogheid na de ordre in Ceremontie te ontfangen. Waar na ik van den BoeleCombas Resident Mon„ „sieur klagten ontfing over den Jennangs van Boele Com„ „ba en van Bonthain; hier in bestaande. Dat den eerstgemelden al voor eenige maanden gelee„ Dat hij naderhand kennisse gekreegen hebbende hoe dien Jennang de buffels hadde laeten vervoeren denzelven bij zig hadde ontboden; dog dat hij zig eerst onder pretext van ziek„ Den anderen of wel Jennang Bonthain betuigde den Resident voor eenigen tijd aangesprooken te hebben over vijf buffels, die aan bewoonders van Polembankeeng toebehoorende gestoolen en bij hem gevonden waaren, dog dat hij sulks stijf en sterk ont„ „kend en vervolgens op de nadere boodschap die hij Resident mits de zeekerheid van het hem gegeeven berigt aan denzelven hadde laeten doen, dat hij hem voor de die (moeste houden bij „aldien de verkoopers niet aangeweesen wierden, stil geswee„ „gen hadde. „den hadde kunnen goedvinden d' oom van Craceng oedjong Lowe van alle zijne bezittingen te doen berooven onder voorwendsel dat den selven een Bonier zoude weesen, sonder dat hij tot de restetutie waare te bewegen geweest in weerwil van alle aangewende moeijte om hem te overtuigen dat den geplunder„ „den een onderdaan was van de Comp: also hij volstrekt weij„ „gerde daar aan gehoor te leenen en gezegt hadde wanneer over hem geklaagd wierd, hij zig op macasser zoude verant, „woorden. „den te

← previousnext →