VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3418

Japan · 615 pages · 359 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3418_0384 view scan ↗

English

439 203 From Macasser, 9 June 1741 From Macasser, 9 June Anno 1741. subsequently excused himself under the pretext of being a person of too low a rank, but for the third time had finally said that he had orders from the King according to which he did not need to appear before the Resident. Requesting therefore to know what further to do in that regard, to which I replied that I would see to speaking with the King himself about the matter tomorrow. Monday the 8th. The King of Bonij appeared today before noon at half past eight o'clock at my residence, alongside a small retinue of grandees of the realm, and having been ushered inside with the customary ceremonial by the merchant Voll and an assistant merchant, Monsieur, I informed His Highness, after the exchange of mutual compliments, how I had already for a considerable time desired to speak with him about a matter which Their High Noble Mightinesses had pleased to charge me with. I had nevertheless until now postponed inviting him to a conference, both for lack of occasion, due to my own occupations and my voyage to the north, and in order not to inconvenience him in the preparations for and the tranquil completion of the feast of the circumcision of the young King, and that it was therefore presently very pleasing to me to see him at my house, the more so since other matters had transpired and occurred which required prompt discussion. Whereupon the Prince having requested that I simply say what I had to say, I made a beginning by presenting to him how I had heard from private channels that a mission was said to have been sent by the English to Wadjo, without however having been able to get to the bottom of the essential truth of the matter, and therefore wished to know whether His Highness might have heard anything of it or have any report, since the close alliance between the Company and Bonij required being attentive concerning such a subject. His Highness, having first said no after a short silence, subsequently summoned the Prince Tosarassa, who was in his retinue, indicating that the latter, having recently been to Saurto, would be able to provide the best elucidation on the matter. The latter, then being questioned hereupon in private, declared to have heard that recently five English ships and 12 smaller vessels, manned for the most part with natives, both mariners and soldiers, under the command of a son of the governor at Bancahoeloe, named Moestakoel, had called at Passier, but had set course for Xullok, with the intention to wage war there, and having completed their work, to turn the bow towards Mandhaer or indeed Bellanipa. He added at the same time that among the crew the majority were Mandharese, and the common soldiers drew 5, the corporals 8, and sergeants 12 Spanish reals in pay, yet professed not to know what the objective regarding Bellanipa might actually be. On account of which I requested His Highness, in case anything further should be learned of this, to be pleased to give me notice of it. He, having served to charge Tosarassa with this, immediately continued with a sullen countenance: how he had thought that I would speak with him about the affairs of the Mandharese, of which he said he saw nothing more come, and that if this were left to take its course it could serve for nothing else than to set a bad example to other allies; upon which I pointed out to him that he would certainly be able to recall the conferences held with me on that subject, and how envoys of the Mandharese had actually been here, who had taken the liberty to agree to satisfy the demanded 2200 Spanish reals for the overwhelmed bark, yet had departed without binding themselves thereto in writing before I could obtain knowledge thereof; as well as how His Highness had himself given written proof of this promise made by them and had at the same time indicated that, notwithstanding the departure of the envoys, he did not doubt the settlement of the aforementioned sum; that notice of all this had been given to Their High Noble Mightinesses, who undoubtedly for the last-mentioned reasons had presented to him that they were hoping for the payment of the aforementioned sum through his cooperation; but that His Highness not yet having answered that letter, Their High Noble Mightinesses had just as little been able to give any further orders, as an amicable settlement could be sought and a war waged at the same time, which latter was moreover by no means Their High Noble Mightinesses' intention for the present, and that consequently I also could not take it upon myself to proceed thereto. The Prince's answer was that in case the Mandharese were friends, there would certainly be an appearance of moving them amicably to payment, but since they could no longer be considered as such, he also saw no chance of it; that the envoys who had arrived here, after all,

Dutch transcription

439 203 Van Macasser Den 9. Iunij 174 Van Macasser Den 9:' Iunij A:o 174. „te vervolgens. onder voorwensel van te gering van persoon te wee„ „sen ge Excuseert, dog voor de derdemaal finaal gezegt hadde ordre van den koning te hebben volgens welke hij bij den Resident niet behoefde te verscheijnen. versoekende dierhalven te weeten wat daar omtrend verder te doen daar ik hem opdiende dat ik over het een en ander opmorgen met den koning zelve zoude zien te spree„ Maandag den 8:' De koning van Bonij heden voor de middag ten half negen uu„ „ren, nevens een kleen gevolg van Rijksgrooten aan mijne wooning verscheenen, mitsg:s door den koopman voll een onderkoopman Monsieur, met het gebruijkelijk Ceremo„ „nieel, binnen geleijd zijnde, zo gaf ik zijn hoogheid na aflegging van weder zijds Complimenten te kennen hoe ik reets een geruijmen tyd verlangd hebbende met den zelven te spreeken over een zaak die haar hoog Edelhedens mij hadden gelieven in last te geeven ik nogthans tot hier toe had„ „de uijtgesteld hem tot een Conferentie te noodigen zo mits ont„ stentenisse van occasie, door eigen bezigheden en mijne reijse naar de noord als om hem niet te incommodeeren in het mae„ ken ter toebereidselen tot ende geruste voltrecking van het festijn der besnijdenisse van den Jongen koning en dat het mij oversulks thans zeer aangenaam was hem bij mij te zien te meer en zedert andere zaaken gepasseerd en voorgekomen waaren die vereijschten omer spoedig over te handelen. Waar op den vorst verzogt hebbende om maar te zeggen wat ik te zeggen hadde zo maakte ik een aanvank met hem voor te houden hoe ik van ter zijde vernomen hadde dat er een bezending door d' Engelschen naar wadjo soude weesen gedaan sonder nogthans agter het weesentlijke van de zaak te hebben kunnen komen en dierhalven gaarne wenschte te weeten of zijn hoogheit daar van iets gehoord of eenig narigt mogte hebben, wijl de nau„ „we vergeniging tusschen de Comp. en bonij vorderde omtrent zoda„ „nigen onderwerp attent te weesen. zijn Hoogheid hier op na een korte poos stil swijgens eerst Neen gezegt hebbende, deed: vervolgens bij zig komen der in sijn „gevolg zijnde prins Tosarassa met te kennen gave dat deese on„ langs op Saurto geweest zijnde daar omtrent de beste elucida„ „tie zoude kunnen geeven. Den welken dan hier op in stillen ondervraagd zijnde declareerde vernomen te hebben dat kortelings vijf Engelsche schee„ „pen en 12:' mindere vaartuijgen meerendeels met Jnlanders, zo bestijn wel „ken. 205 441 Van Macasser Den 9 Munij A:o 1741: — Van Macasser Den 9:' Iunij A:o 174. — wel zeevarende als militairen bemand onder het bevel van een zoon van den gouverneur te Bancahoeloe / met naame Moestakoel/ op Passier aangeweest, dog na Xullok gestevend waaren, met in„ tentie om daar 't oorlogen en gedaan werk gekreegen hebbende, den steven te wenden naar Mandhaer of wel Bellanipa hij voegde er teffens bij dat onder d' Equipagie meerendeels mandhareesen waa„ „ren ende gemeene militairen 5. de Corporaals 8 ende sergeanten 12. spaanse reaalen aan soldij trocken, dog betuijgde niet te weeten te hebben wat eijgentlijk het oogmerk omtrent Bellampa mogte zijn: uijthoofde van 't welk ik zijn Hoogheit verzogt om ingeval, „le daar van iets naders vernomen mogte worden er mij kennisse van te willen geeven die daar op gediend hebbende zulks Tosaras„ „sa op te dragen al aanstonds, met een gemelijk gelaat, vervolgde; „ hoe hij gedagt hadde dat ik hem zoude onderhouden over de zaa„ „„ken der Mandhareesen, waar van hij zeijde niets meer te zien wor„ „den waar van hij zeijde niets meer te zien worden en dat dit op zijn „ beloop blijvende nergens toe dienen konde dan om andere bondgenooten „ tot een kraad voorbeld te strecken; op 't welk ik hem voorhied dat hij zig zelven wel zoude kunnen herinneren de Conferentien daar over met mij gehouden en hoe er werkelijk gezanten van de Handha„ „deesen waaren hier geweest, die de gevorderde 2200: spaanse re„ „aalen, voor de overrompelde Bark de vrijheid hadden aangenomen te voldoen dog sonder zig daar toe schriftelijk te verbinden vertrocken waaren eer ik daar van kennisse hadde kunnen krijgen, mitsgaders hoe zijn hoogheijd van deese hunne gedaan toezegging zelfs een schrifte„ „lijk bewijs en te zelver tijd te kennen gegeeven hadde dat hij niet tegen„ „staande het vertrek der gezanten aan de voldoening der voorm: Com„ ma niet twijffelde dat van het een en ander kennisse gegeven was aan Haar hoog Edelhedens welke hem ongetwijffeld om de laastgem: redenen voorgehouden hadden dat zij de voldoening der voorm: som„ ma door zijn meede werking waaren verhoopende dog dat zijn Hoogheid die brief voor als nog niet beantwoord hebbende Haar Hoog Edel„ „hedens zo min eenige nadere beveele hadden kunnen geeven, als er te gelijk en een minnelijk accomodement gezogt en een oorlog gevoerd konde worden, welk laatste buiten des Haar Hoog Edel„ hedens intentie voor als nog geensints was, en dat ik gevolge„ „lijk ook niet op mij neemen konde om daar toe over te gaan. — 'T vorsten antwoord was, dat ingevalle de Mandhareesen vrienden waaren er zeekerlijk apparentie zoude weesen om haar in 't minnelijke te beweegen tot voldoening, maar vermits zij als zodanig niet langer konden worden geconsidereerd hij daar toe ook geen kans zog, dat d' alhier aangekomene gezanten „aalen immers

NL-HaNA_1.04.02_3418_0386 view scan ↗

English

207. The 9th June 174. — From Macasser From Macasser The 9th June 174 indeed had been dismissed from their offices because they had accepted the satisfaction, and for that reason there was no other recourse than to attack them with arms and thus constrain them to payment, after which, having declared that he would answer the received letter from Their High Excellencies in the coming spring, he once again repeated what he had said before, and thus also that this nation was becoming ever bolder and many lesser allies would follow them, so that he said an example of this already existed regarding Adje Tamparang or Sedeenring, whose Datoe seemed to be preparing for war and was already beginning to descend this way; whereupon, being asked by me what was going on and what the cause of those movements was, he merely related what had occurred between the Datoe and the Bonese elector Aroe oidjong insofar as it concerned the refusal of the former to grant an audience to the latter, without mentioning a single word about what followed thereupon, subsequently expressing that matters with respect to the allies on Celebes were in a much worse condition than might well be known to me, whereto I replied that I was sorry to hear this and had to declare that I did not know it, but that I had expected, this being so, that His Highness would have informed me thereof, since the alliance required it and I therefore, for the well-being of both, also requested it again, to which, although I repeated it twice, he nevertheless gave no answer, as I firmly presume out of fear that he would thereby bring his own restless schemes only too much to light, considering he immediately began to speak of indifferent matters. Wherefore, taking up the floor again, I presented to His Highness how one of the principal reasons that had moved me to invite him to a conference consisted in bringing my earnest grievances and complaints before him concerning the increasingly insolent conduct of his subordinates, further than ever before, both in the northern and southern provinces, to such an extent that if His Highness did not issue strict orders to counter this, the most dangerous consequences and even a final estrangement would arise therefrom; which was scarcely uttered before he lashed out with uncommon vehemence concerning what had occurred with the Jennang of Boelecomba in the plundering of a Company subject, since he insisted it be proven absolutely that the plundered person was a Bonese; so that he said one could immediately hear it from the Jennang, who was present here, such that I had difficulty bringing matters so far that a mutual investigation was agreed upon, for which to 443 which purpose I simultaneously instructed the resident Monsieur and the chief interpreter Brugman, just as His Highness also promised to do on his part, after which, the complaints likewise brought forward concerning the Jennang of Bonthain being put on the table by me, namely how he had appealed to His Highness that he was forbidden to appear before the Resident, the prince, contrary to my expectation, admitted that this was the truth, adding that such persons who merely had supervision over buffaloes and other small matters were too minor to deal with a Resident, and as I expressed my astonishment at this and that I could not comprehend how His Highness could entertain such thoughts, since surely no one could be too minor to be heard on occasion for the settlement of affairs, while asking what one should do in such cases, whereupon he simultaneously showed himself extremely offended, saying that he was never accustomed to being occupied with such trifles, which naturally gave me occasion to point out to him that such orders as he had just said he had given were the cause thereof, and that I otherwise found myself quite compelled to do so, since the interpreters could testify how often I had addressed myself regarding one thing or another both to the Regent and Tomilalang so as not to trouble him, but that everything was put on the long finger and remained unsettled, so that I consequently knew of no other counsel than to address him directly and had also been obliged to do so in the aforementioned cases, and indeed the last one; which discourse then also resulted on His Highness's side in many other useless and irrelevant words, until it was finally agreed to have this matter investigated as well, in such manner that I likewise recommended this to the aforementioned Resident and chief interpreter. After which, reminding His Highness of my recent complaints about the violence committed by the Matoe of Data and Androngoeroe Talinko, I brought to his attention what has occurred since, or on the 2nd of this month, in the manner communicated to me by the resident Van Rossum by letter of the following day, of which he professed to be ignorant, which nevertheless seemed somewhat suspicious to me, since he pretended not to be able to reconcile it with the circumstances of the time, so that I demonstrated the certainty thereof to him more closely, with no other result, however, than an avowal that after his death it would undoubtedly go worse; how 445

Dutch transcription

207. Den 9: Iunij 174. — Van Macasser Van Macasser Den 9. Iunij 174 immers van haare bedieningen waaren ontzet om dat z:' de voldoening aangenomen hadde en er uijt dien hoofde niets anders op was dan haar met de wapenen aan te tasten en dus tot betaeling te Con„ stringeeren, waare na hij betuijgd hebbende den ontvangen drief van Haar Hoog Edelheedens in 't aanstaande voor Jaar te zullen beantwoorden alweder zijn voorig gezegd herhaalde en dus ook dat die natie hoe stouter worden en veele minderen bondgenooten hun zouden na volgen invoegen hij zeijde daar van reets een voor„ „beeld te Eexteeren omtrent Adje Tamparang of Sedeenring welker Datoe zig scheen ten oorlog toe te rugten en reets dit heen begon af te zacken; waar op door mij gevraagd zijnde wat er dan gaande en d' oorsaak van die beweegingen waaren zo verhaalde hij een„ „lijk het voorgevallene tusschen den Datoe en Bonijs Kies Heer Aroe oidjong in zo verre betreft de weijgering van den eersten om den laastgem: gehoor te verleenen sonder van het geene daar op gevolg is een woord te reppen, zig vervolgens uijtlaetende dat het ten opzigte van de bondgenooten op Celebes in een veel slegter omstandig„ „heid was dan mij mogelijk wel bekend zoude zijn, daar op ik diende dat het mij leet was zulks te hooren en betuijgen moeste het zelve niet te weeten dog dat ik verwagt hadde dat dit zo zijnde zijn Hoogheid mij daar van zoude hebben onderrigt, ver„ „mits zulks het bondgenoodschap vorderde en ik dierhalven ten wel„ weesen van beide ook als nog versogt op 't welk hij of schoon ik zulks twee maalen kwam te herhaalen nogthans niet antwoord zo ik vaste stelle uijt beduchting dat hij zijn eigen onrustige mences hier door maar al te veel aan 't dagtigt zoude brengen gemerkt hy al aanstonds over onverschillige zaaken begon te spreeken. Washalven ik het word weder oprattende zijn hoogheid voor hielden hoe geen van de minste reden die mij bewrogen hadde hem tot een Conferentie te nodigen hier in bestond om mijne ernstige doleantie en klagten bij hem in te brengen over het verder dan ooijt toenaemend brutale gedrag zijner onderhorige, zo in de noorder als zuijder pro„ „vintie in zo verre dat wanneer zijn Hoogheid gen ernstige ordre kwame te stellen om zulks tegen te gaan daar uijt d' aller gevaar„ lijkste gevolgen en zelfs een finaale verwijdering ontslaan zoude 't welk naauwlijk quijt hem met ongemeene hevigheid deed uijt„ vaaren omtrent het voorgevallene met den Jennang van Boelecom„ „ba in 't plunderen van een sComp: onderdaanen gemerkt hij vol„ strekt beweesen wilde dat den geplunderde een Bonier was; invoe„ gen hij zeijde dat men uijt den Jennang die zig hier bevond aan„ stonds hooren konde, zo dat ik werk hadde het zo verre te bren„ „gen dat er een weederzijds ondersoek wierd vast gesteld waar „mits toe 443 zog Van Macasser Den 9 Iunij 174. — Van Macasser Den 9: Iunij 174. — toe ik teffens den resident Monsieur en den oppertolk Brugman last gaf gelijk zijn hoogheid ook beloofde zynent wege te zullen doen, waar na ook de inselver voegen ingebragte kragten over den Jennang, van Bonthain door mij ten tapijte gebragte zijnde, en wel hoe hij zig op zijn hoogheid beroepen hadde dat hem ver„ bodem was bij den Resident te verscheijnen advoueerde den vorst tegen mijne verwagting dat zulks de waarheid was, en bij voegende dat zodanige persoonen als eenlijk maar het opzegt over buffels en andere kleijn, zaeken hebbende te gering waa„ ren om met een Resident te handelen en wijl ik hier over myn „ne verwondering te kennen gaf en dat ik niet begrijpen kon„ „de hoe zijn hoogheid in diergelijke gedagten konde komen also immers wiemand te gering konde weesen om bij gelegentheid te worden gehoord ter afdoening van zaeken; onder afvrage wat men in diergelijkte gevallen dan doen moeste, daar hij zig te gelijk ten uijterste gebelgd; seggende dat hij nimmer gewend was over dier„ „gelijke bagatallen onderhouden te worden waar uijt wij van zelfs gelegentheid gegeeven wierd hem onder het vog te bregen dat soda„ „nige ordres als hij zo even zeijde gegeeven te hebben daar van d' ondersoek waaren en ik mij buijten des daar toe wel genodsaakt vond also de tolken getuijgen konden hoe menigmaal ik mij over het ee of ander zo wel bij den Rijksbestierder als Tomilalang g'addresseerd hadde om hem niet lastig te vallen dog dat alles op de lange bank geschoven wierd en onafgedaan bleef dat ik dier„ „halven geen andere Raad wist als hem direct aan te spreeken en zulks in de voorschreeven gevallen en wel het laatste gevolgelijk ook hadde moeten doen welk discours dan ook alweder veel an„ deren onnutte en niets ter zaake doende bewoordingen aan zijn hoogheids zijde ten gevolg hadde tot dat men eijndelijk over een quam deese zaak almeede te laeten onderzoeken invoegen ik zulks insgelijks aan voorm: Resident en oppertolk aan beval. waar na ik zijn hoogheid herinneerende mijne nogt Jongst gedaene klagten over de geweldpleeging van den Matoe van Data en Androngoeroe Talinko hem onder 't oog bragt het geene er sedert of op den 2:' deeser is voorgevallen in dier voegen als mij het selve door den resident van Rossum bij brieve van daags daar aan is bedeeld waar van hij betuijgde onkundig te weesen het geen mij nogthans eeniger maten bedenkelijk voorkwam vermits hij zig geliet het zelve niet over een te kunnen brengen met d' omstandig„ „heden des tijds so dat ik hem de zekerheid daar van nader de monstreerde met geen ander gevolg nogthans dan een betuijging dat het na zijn overlijden ongetwijffeld slimmer zoude gaan; het hoedanig 445

NL-HaNA_1.04.02_3418_0388 view scan ↗

English

447 211 From Macasser, the 9th of June 1774. From Macasser, the 9th of June 1774. how he expressed himself several more times during all these conversations, to which I replied that he ought to arrange matters for the best during his lifetime, and so we got further into conversation about the paddy fields on Bantha Banthain belonging to Intje Fimor, which I showed him from the daily register of Mr. Sinkelaar had already been claimed in the year 1767 by the Androngoeroe Talinko, though at that time it was already shown to have been unmolested for 50 years under the ancestors of the present possessor, with a refutation of the frivolous pretexts used to justify that unlawful claim as well as those of others; further pointing out to him that since this was now seven years ago without anyone having come forward, I considered this matter settled once and for all, and in the event of further violence I would also take measures accordingly; adding further that it would even be equitable, in case the subjects or the Boniers had any lawful claims upon each other, that those who wished to take the law into their own hands by committing violence should be deprived of them, since it was everyone's duty in that case to address their legitimate head, and I would always show myself willing to grant a hearing to this and to take upon myself the trouble attached to such disputes, and particularly to the trumped-up and unfounded demands of the Boniers; but all this could not prevent his highness, repeatedly interrupting my words, from seeming intent on bringing the aforesaid dispute to a closer investigation, for which purpose he asked the license master Voll whether he could not go thither, who replied that this was a settled matter and such an investigation was unnecessary, further expressing that while he was still Resident at Maros he had, in similar encounters, driven the Boniers away by threats of attacking them with force and even by going with armed men to the fields they wished to take possession of; which last remark was heard by Androngoeroe Talinko, who was among the prince's retinue and stood at the window, which then finally brought his highness to silence; so that, not deeming it necessary to make further mention of this, I further questioned him about the refusal to pay the tithe by various subjects on Siang and Sagerie as well as the customary overweight, which again gave rise to much debate back and forth, as he wished to maintain that more was demanded by the Company's shippers than was due to them and that the crew on the vessels committed fraud and, among other things, From Macasser, the 9th of June 1774. From Macasser, the 9th of June 1774. an example was even cited that they had made a hole in the deck where the rice was measured, referring to a case said to have happened, though indeed forty years ago; to which I replied that having given strict orders to both parties not to demand more than the tithe with the customary overweight stipulated in the years 1748 and 1766, I would have anyone who dared to transgress my orders or commit any fraud punished in the most severe manner as an example to others, whenever they could be convicted thereof; and that therefore I merely requested that, as well for the present, orders might be given for the payment of the arrears, as for remaining free from similar vexations in the future, with a narration of some instances of the Boniers' fraud and insolence encountered by me during the latest tithing; to all of which, however, he did not give a direct answer, but declared that it would indeed be necessary to place supervisors over the receipt on the vessels from both sides, which I said I was willing to do, so that this was then also established to be observed in the future; after which his highness declared that he now also had something to bring forward, and upon my request came with the usual complaints that so many edicts and laws were made and repeatedly renewed by the Company, but that he saw no effect from them; which having caused me to ask which edicts he meant and that I wished he would name just one, the answer was just as I had expected, namely regarding the slave thefts, with the further statement that he and the Boniers had rejoiced when the latest one was handed to them, as they had drawn hope from it that this evil would be noticeably curtailed, but that the contrary had been shown and it had gone with it just as with the previous ones; upon which I, becoming passionate, asked whether the Regent and others had indeed informed him how many slaves I had sent back who had been stolen by Bonian princes of his own company and brought here for sale or actually sold, to which he answered weakly that now and then a single one had indeed been brought to him, but that this could not be taken into consideration; I replied to that again that these were undoubtedly only those whom I declared directly to him

Dutch transcription

447 211 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9' Iunij 174 — hoedanig hij zig nog verscheijdene reijsen onder alle deese discour„ „sen Expliceerde daar ik op gediend hebbende dat hij bij zijn lee„ ven het beste behoorde te beschieden zo raakte men verder in gesprek over de padij velden op Bantha Banthain Jntje Fi„ mor toebehoorende die ik hem uijt het dag Register van den heer sinkelaar aan wees dat an A:o 176. door den Androngoeroe Talinko reets gepretendeerd dog doenmaal al aangetoond wae„ ren reets 50 Jaaren ongemoeijt onder de voor ouders van gem: pre„ „senten bezitter te zijn geweest met wederlegging van de frivoole voorwendsels om die onwettige pretentie zo wel als van anderen te billijken hem wijders voorhoudende dat dit nu weder zeven Jaaren geleeden zijnde sonder dat er iemand was opgekomen ik deese zaak eens voor al als afgedaan Considereerde en bij verdere geweld pleeging daar na ook maat regulen zoude neemen; onder verder bijvoeging dat het zelfs billijk zoude zijn ingevalle d' onderdaanen of de Boniers al eenige wettige preten„ „sien op den anderen mogte hebben de zulke de zig zelven door 't pleegen van geweld wilden regt doen daar van verstooken wier„ „de wijl het een ieders pligt was zig indien gevalle bij zijn wittige hoofd te addresseeren en ik mij steds bereid zoude toonen daar aan gehoor te verleenen en mij de moeijte te zullen getrooften welke er aan dier gelijke disputen en wel aan d' opgeraapte en onge„ grond eijsschen der Boniers vast was dan dit alles konde niet beletten dat sijn hoogheit telkens in mijne redenen vallende daar op uijt scheen om de voorsz: queste tot een nader ondersoek te brengen ten welken hij den licentmeester voll vroeg of hij niet derwaarts konde gaan, die er op diende dat dit een uijtgemaakte zaak en een zodanig onderzoek onnodig was sig verder uijtlaetende dat hij nog Resident op Maros zijnde bij diergelijke rencontres de bo„ niers door dreijgementen om haar met geweld op 't lijf te komen en zelfs wel door zig met gewapend volk na de velden die z' in porsissie wilden neemen te begeeven, daar van daan gejaagd hadde welk laatste door Androngoeroe Talinko die zig onder 's vor„ sten gevolg bevond en aan het venster stond aangehoord wierd 't geen zijn hoogheid dan eijndelijk tot stilswijgen bragt zo dat ik niet nodig agtende hier van verder gewag te maeken hem wijders on„ „derheild over het weijgeren zo van de voldoening der tiende door deese en geene onderdaanen op siang en sagerie als van het gewoone overwigt, dat al weeder aanleijding gaf tot veel de„ batten over en weder also hij beweeren wilde dat er door de af„ scheepers van de Comp: meer geEijschte wierd dan hun toequam en dat het volk op de vaartuijgen bedrog pleegde en er onder an„ welke deren Van Macasser Den 9 Iunij 174 — Van Macasser den 9. Iunij 1774. — „deren zelfs ee lyxmpelsoude zijn gelyteert dat z' een gat in het dek hadden gemaakt daar de rijst gemeeten wierd, doelende op een geval dat men zegt gebeurd, dog wel veertig Jaaren geleeden te weesen dog waar op ik repliceerde dat ik scherpe ordres zo aan d' een als andere gegeeven hebbende om niet meer te vor„ deren dan de tiende met het gewoone overwegt in A:o 1748 en 1766 bepaald ik den zulken die zig onderstaan mogten mijne beveele 't overtreeden of eenig bedoog te pleegen op het allerstrengste zoude doen straffen ten Excempel van anderen wanneer ze daar van konden overtuijgd worden en dat ik dierhalven eenlijk maar versogt dat zo wel voor het tegen„ woordige ordre tot voldoening van d agterstallen mogt worden gesteld als om voor het vervolg van diesgelijke vexatien bevreijd te mogen blyven onder een verhaal van eenige staaltjes van der Boniers bedrog en brutaliteiten mij geduurende de Jongste vertiening bejegend op welk een en ander hij nogthans niet direct antwoorde maar betuijgde dat het wel nodig zoude zijn op de vaartuygen van wederzijden opzigters over den ontfangst te plaatsen 't geen ik zeyde gaarne te willen doen invoegen dit dan ook vast gesteld wierd om in den aanstaande g'observeerd te worden, waar na zijn hoogheid verklaarde thans meede iets te moeten inbrengen en op mijn versoek kwam met de gewoone klagten dat er bij de Comp: zo veele placcaaten en wetten gemaakt en telkens ver„ „nieuwd wierden, maar dat hij van deselve geen effect zag 't geen mij hebbende doen vragen welke placcaten hij bedoelde en dat ik gaarne wenschte dat hij er maar een zoude opnoemen so was 't antwoord even als ik wel verwagt hadde, dat omtrent de slaven dieverijen, met verdere uijting dat hij ende boniers zig verheigd hadden toen hun het laetste was inhandigd also daar uijt hoope had„ „den geschept dat dit quaad merkelijk zoude weesen gesluijt dog dat daar van 't tegendeel gebleeken en het er even meede gegaan was als met de voorige waar op ik driftig worden„ de vroeg of hem de Rijksbestierder en anderen wel hadden bericht hoe veel slaeven ik te rug gezonden hadde die door bonijse princen van zijn eigen maatschap gesloolen en hier ter verkoop gebragt of daedelijk verkogt waaren daar hij slaauw op antwoorde dat er nu en dan wel een enkele bij hem gebragt was maar dat dit in geen aanmerking konde komen; ik repliceerde daar weder op dat dit onge„ twijffeld alleen de zulken waaren geweest die ik hem verklaarde direct

NL-HaNA_1.04.02_3418_0390 view scan ↗

English

From Macasser the 9th of June 174. - From Macasser the 9th of June 174. - had sent directly, but that out of shame I had either caused the others to be brought to the Regent or had arranged their release in secret, yet that whenever it suited him, I would myself give him direct notice of such cases to convince him of the truth that his own people were principally guilty of that evil; whereupon, having answered only "it is well," I continued again that he was surely well assured that our inhabitants did not dare to enter the village of the Buginese to kidnap people, and consequently those who were missed there must have been stolen by his own subjects; upon which he finally professed to wish that a means might be found to prevent this evil, which caused me to keep silent, the more so because he is all too well aware that his own children and grandchildren make up the greatest crowd of the slave thieves, and that he is not free from suspicion of even finding his own profit therein, from which he tries to clear himself by making such complaints in the presence of the grandees of the realm, as I firmly believe to be his objective. And having thus also moved away from this subject, I presented to His Highness the complaints of the ministers at Ternate made on behalf of the King to their Right Excellencies concerning the sending of missions to his lands, and how about one and a half years ago a levy of forty slaves had been ordered at Manado by His Highness's emissary, of which fifteen had been paid, asking whether this was known to him, and if so, what there was to this matter; whereupon, leaving me no time to speak further, he immediately replied that it was true and an old custom, since they were his own dependents who lived there and were obliged to pay him a contribution. I asked whether His Highness was well assured that through these proceedings no people of the King of Ternate fell into his hands and whether he had received the aforementioned fifteen heads, and received as an answer that it might well be that there were Ternatans among them, since slaves were purchased there just as here; that the said fifteen heads, or however many might have been paid, had not yet reached him, but when he received them he would make inquiries about it; upon which, having expressed once again that even though the King of Ternate tolerated the residence of Bonians somewhere in his lands, it did not follow therefrom that His Highness was at liberty to send missions thither, and their Right Excellencies therefore kindly had him admonished to desist therefrom in prevention of troubles, he gave only as an answer, "when one does not wish to permit it, one can drive them away from there," adding at the same time, "surely so many nations also come here that were not previously accustomed to do so, and recently two Ceram vessels have entered the river of Tjinrana." Whereupon, I having asked why His Highness had not caused them to be seized, he gave as an answer that he was not empowered to do so; but upon my reply that the Bonian realm was surely not so weak that it could not overpower a few smuggling vessels, he said that he had not known whether they might perhaps be allies of the Company; the contrary of which I presented to him, and that he could not be unaware of how the Ceram people had already of old not been permitted to trade in this region, with the request therefore to make arrangements for the future to have all those who might appear again under his dominion arrested, overpowered, or if necessary destroyed; which he accepted, subsequently expressing himself further on various matters not worth noting until, it having become one o'clock, he finally took his leave, and the customary ceremonial escort having been provided, departed. Tuesday the 9th. Pursuant to what was agreed yesterday, having sent the delegates, the junior merchants Kraake and Paringauw, to the court of Goa with the treaty under the date last mentioned, in order to be sealed and signed by the King and the grandees of the realm, they brought the document back to me unsigned towards noon, reporting that the King had declared he could not sign because the amendment had not been made to it which the chief interpreter was said to have promised to arrange, namely that instead of the words quoted therein, "that assurance would be given to the Company that the punishment or particularly the banishment of the criminals would be carried out in such a manner that they could never obtain the opportunity to return to the land," it should solely be stated, "that they are banished from the land, and returning and doing evil once more, they shall be punished as needed."

Dutch transcription

25 Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — direct gezonden hadde maar dat ik uyt schaamtens halve d'an„ „dere of aan den Rijksbestierder laeten brengen of de largatie van deselve instilte bewerkt hadde dog dat ik wanneer hij er meede gediend was hem zelfs van diergelijke gevallen direct zoude laaten kennisse geeven om hem van de waarheid dat de zijne zig aan dat quaad voornaementlyk schuldig maekten 't overtuijgen waar op hij eenlyk geantwoord hebbende het is wel, zo vervolgde ik al weder dat hij immers wel versekerd was dat onse ingezeetenen, met in de Campong der bougineesen derfden komen om menschen te rooven en gevolgelyk die geene welke daar vermits wierden door sijn eigen onderdaanen moeste ge„ „stoolen worden op 't welk hij eyndelijk betuijgde te wenschen dat er een middel mogt worden uijtgevonden om dit quaad te beletten het geen mij deed stille swijgen te meer hij maar al te wel bewust is de zijn eijgen kinderen en agter kinderen den groot„ „sten hoop der slaeven dieven uijtmaaken, en dat hij niet vrij van verdenking is er zelfs zij voordeel bij te vinden waar van hij zig door diergelijke klagten in presentie van de rijksgroo„ „ten te doen tragt te zuijveren gelyk ik vost stelle zijn doel„ En hier meede dan ook van dit onderwerp afgeraakt zijnde stelde ik zijn hoogheid voor oogen de klagten van de ministers te Ternaten uijt naam van den koning aan Haar hoog Edelheedens gedaan over het doen van be„ zendingen na desselvs Landen en hoe er Circa een en een half Jaar geleeden door zijn hoogheids zendeling een Contri„ „butie te Manado was uijtgeschreeven van veertig slaeven waar van er vijftien voldaan waaren vraagende of hem zulks bekend en zo Ja; wat er van deese zaake was, waar op hij mij geen tyd laetende verder te spreeken aanstonds repliceerde dat het waar en een oud gebruijk was vermits het zijn eigen onderhoorige waaren welke daar woonden en verpligt waa„ ren hem Contributie te betaalen. Jk vroeg op of zyn hoog„ „heid wel verseekerd was dat er door dit gedoente geen vol„ „keren van den koning van Ternaten in zyne handen geraek „ten en of hij de voorsz vijftien koppen ontfangen hadde en kreag tot antwoord dat het wel weesen konden dat er Ternatanen onder waaren vermits daar even als hier slaeven ingekogt wierden; dat hem de gem: vijftien koppen of zo veel er mogten voldaan weesen nog niet geworden waaren, maar hij deselve krijgende daar na verneemen zoude: op het welke ik dan al„ weeder g'uijt hebbende dat schoon den koning van Ternaten er„ „gens in zijne landen d' inwooning van boniers gedaagde, zijnde zijnde daar wit te zijn. 451 217 Van Macasser Den 9:' Iunij 174 — Van Macasser Den 9:' Junij 174— daar uijt niet volgde dat het zijn hoogheid vrijstond derwaarts be„ zendingen te doen en haar hoog Edelhedens hem dierhalven vriendelijk lieten vermaanen daar van af te zien te pereven„ tie van moeijelijkheeden zo gaf hij eenlijk ten antwoord, „ wan„ „„neer men het niet permitteeren wil kan men er haar van daen „Jaagen er te gelijk bij doende daar komen immers hier ook zo „veele natien die zulks bevoorens niet gewoon waaren en Jongst „zijn er nog twee Cerammers de rivier van Tjinrana ingeloopen; waar op ik gevraagd hebbende waar om zyn Hoogheid dezelve niet hadde doen wegneemen gaf hij ten antwoord daar toe niet mag„ „tig te zijn dog op mijn weder teplicq dat het bonijs rijk immers so swak niet was of het zoude wel eenige smokkel vaartuijgen kunnen overmeesteren zeijde hij niet te hebben geweeten of het somwijlen bondgenooten van de Comp: mogte weesen welker te„ „gendeel ik hem voorhield en dat hem niet onbewust konde wee„ „sen hoe den Cerammers reets van ouds niet gepermitteerd was om deesen oord te handelen met versoek dierhalven voor den aan„ „staande ordre te stellen om alle de zulke die zig onder zijn heer„ schappije weder overtoonen mogte, te doen aanhouden overmeesteren of des noods te vernielen dat hij aannam vervolgens zig nog over diverse niets noteerenswaardige zaaken uijtende tot dat het Dat zij in weerwil van alle aangewende middelen om een uuren geworden zijnde hij eijndelijk zijn afscheijd nam en met het gewoone Ceremonieel uijtgeleijde gedaan zijnde ver„ trok Conform het op eegsteren geacordeert alCles de gecommitteerd Dingsdag den 9:' dens de onderkooplieden kraake en Paringauw naar het hof van goa gezonden hebbende met het verbandschrift onder dien datum laatst vermeld ten eijnde door den koning en Rijks„ grooten ten worden gezegeld en geteekend zo bragten zij mi schriftuur tegen de middag ongetekend te rug onder te kennen gave dat de koning betuijgd hadde niet te kunnen teekenen ter oorsaake er de verandering niet bij was gemaakt die den oppertolk zoude beloofd hebben daar bij te zullen bezorgen namentlijk dat in steede van de daar bij aangehaalde woorden „ dat aan de Comp: verzeekering zoude gegeeven worden dat de straf „„fe of bezonder het bannissement der misdaediger zodanig „ zoude worden uijtgevoerd dat zij nimmer gelegentheid kon„ „„den erlangen om in het lang te rug te komen. eenlijk, zoude „worden gesteld. „ Dat z' van het land gebannen en weder te „rug komende andermaal quaad doende de noo, zouden wor„ „„den gestraft. Een den 453

NL-HaNA_1.04.02_3418_0392 view scan ↗

English

From Macassar, 9 June 174. From Macassar, 9 June 174. having failed to convince the king and nobles of the absurdity of their desire, and not having been able to obtain the signature, they had therefore been obliged to return without having accomplished their mission. Having immediately summoned the chief interpreter to my presence to examine him regarding this unexpected turn of events, he utterly persisted in denying that the king had said the slightest thing regarding the alteration, but on the contrary, in accordance with the reply to his last message, had fully declared that he would sign the deed just as it lay. I ordered him to return thither this very afternoon to convey to the prince my serious displeasure at this refusal and to inquire once more what his intentions were, pointing out that I had no wish to compel him, but that to maintain the respect of the Company I could not neglect to warn him that the affair which had brought this deed to light would have entirely disagreeable consequences for the kingdom. To which message the chief interpreter brought me a report in the evening that the prince, having declared that he felt aggrieved about the signing because he had asked the commissioners how he was to understand the point of security regarding the execution of the banishment, and they had replied that this could be done by sending the offenders to Ceylon or elsewhere; nevertheless, upon his making known that the deed by no means contained such a provision, but that the interpretation of this point would depend on a further agreement in case any applicable offense should occur again, and through other arguments presented, he had finally made a further promise that he would await the commissioners to seal the deed. In the afternoon, the envoys from Bima arrived here, namely the shahbandar together with the nobles Boemie Sarie Ombodjo and Boemie Parisie Bolo, who gave me notice thereof through an interpreter, whom I instructed to welcome his masters and inform them that I would grant them an audience tomorrow. Wednesday the 10th. The king of Boni having sent for the under-interpreter Brugman to come to him, and the latter having gone to wait upon His Highness in accordance with my permission, he brought me upon his return the following report: How the prince, pretending not to have clearly understood what I had said in the conference held with him the day before yesterday regarding the paddy fields of Bata and Banta Bantaeng, had questioned him further on that matter; and he had answered that the governor had pointed out to His Highness how the claims repeatedly made thereon were devoid of all ground of proof, and that he therefore considered this matter settled once and for all and would continue to regard it as such; that His Highness had thereupon subsequently declared that the Bonians were jealous of him because he did not put himself more into the breach for them in this matter, to which Brugman had replied that this was surely mistaken, since the governor had expressed himself in the presence of all the Bonians in the manner aforesaid, which His Highness had left unanswered. That, having subsequently also asked Brugman what I had actually said regarding the dispute with the Jennang of Bulekumba, the latter had answered him that the governor had agreed with His Highness to have the matter investigated with him, the chief interpreter, by commissioners from both sides, and that to this end, according to agreement, those who could provide the necessary elucidation in this regard were to be summoned hither from Bulekumba as soon as possible; after which he took his leave and departed. The envoys from Bima who arrived here yesterday subsequently appeared before me, and having delivered the letters from both the collective nobles and Commander Lecers, they made known that their king having passed away, and among others of His Highness's family also the Crown Prince Jenelie Teeke, it had been decided to elect once again as king the deceased's only surviving minor son, Boemie Partigi, and as Regent of the kingdom the administrator, to which end they declared they had come hither to request the approval of the Company thereon. I gave them as an answer that we would not only consent to these elections, but that in my judgment it was extremely necessary to proceed immediately with the definitive appointment of the said prince as king, because there was a pretender to the Bimanese crown here who, supported by higher authorities, might easily make moves to achieve his aim, which I nevertheless judged to be very harmful to the kingdom since he was not a native-born Bimanese, and that it would therefore be best for them to return as quickly as possible, for which purpose I [illegible] the reply to the letter

Dutch transcription

Van Macasser Den 9: Iunij 174. — Van Macasser Den 9 Iunij 174. — den koning en rijksgrooten van de absuaditeid van hun begeerte te overtuijgen de teekening niet hebbende kunnen verkrijgen dierhalven onverrigter zaake hadden moeten te rug keeren. Den oppertolk hier op aanstonds: bij my hebbende doen ko„ men om hem over dit onverwagt geval 't onderhouden; die volstrekt bleef ontkennen dat den koning iets het minste nopens de verandering gezegt maar in tegendeel Conform het antwoord op zijn laatste boooschap volmondig betuijgd hadde d' afte zo als z'lag te zullen teekenen gaf ik hem ordre om nog deesen namiddag weder derwaarts te gaan en den vorst mijn ernstig misnvoegen over deese weijgering te betuijgen en nogmaals af te vragen wat hij van intentie was onder voor„ houding dat ik hem niet dwingen wilde maar te maintenue van d Comp: respect niet nalasten konde hem te waarschuwen dat het geval waar door deese afte in het licht was gekomen voor het rijk gantsch geen aangenaeme gevolgen, zoude hebben. Op welke boodschap mij den oppertolk des avonds tot berigt bragt, dat den vorst betuijgde hebbende zig over het teekeenen beswaard te vinden ter zaake hij de gecommitteerdens gevragd hadde, hoe hij het poinct der verseekering wegens de uijtvering van het bannissement begrijpen moeste en deese daar of ge„ „diend hadden dat zulks konde geschieden door versending van de misdaeders na Ceijlon of elders nogthans op zijne te kennen ga„ re dat zulks immers d' afte geensints in sloot maar d' interpre„ „tatie van dit poinct van een nadere over een komst in Caser we„ „der eenig applicabel de lift exteerde zoude afhanden en ander bij ge„ bragte redenen eijndelijk nader toezegging hadde gedaan de ge„ committeerdens te zullen afwagten om de acte te bezegelen. In den namiddag zijn alhier als gezanten van Bi„ „ma gearriveerd den sabandhaer nevens de rijksgrooten Boemie sarie onbodjo Boemie Parisie Bolo die mij daar van door een tolk lieten kennisse geeven denwelke ik inmandatis gaf zijn meesters te verwelkomen en aan te zeggen dat ik haar morgen gehoor zoude verleenen. De koning van bonij den ondertolk Brugman heb„ woensdag den 10:' „bende laeten vragen om eens bij hem te komen en deese Conform mijne permissie zijn hoogheid zijnde gaan opwagten zo bragt hij mij bij te rug komst tot rapport Hoe den vorst zig gelaetende mijn gezegde in de met den zelven gehoudene Conferentie op eergisteren met betrek„ king tot de padij relden van bata en Banta Bantaim, met wel te hebben verstaan hem daar omtrent nader ondervragt „diend 455 457 Van Macasser Den 9 Iunij 174. — Van Macasser Den 9 Iunij 174. — en hij daar op g'antwoord hadde dat den gouverneur zijn hoogheid aangeweesen hadde hoe de meermaalen daar op gemaakte pretensien van alle grond van bewijs ontbloot waaren en hij dierhalven dee„ „se zaak eens voor al voor afgedaan hield en dezelve als zodanig zoude blijven aanmerken dat zijn hoogheid daar op vervolgens gedeclareerd hadde dat de Boniers over hem Jalours waaren ter zaake hij zig in deesen voor haar niet meerder in de bres quam te stellen daar hij Brugman weder opgediend hadde dat zulks immers verkeerd was wijl de gouverneur in pra„ „sentie van alle de Boniers daar over in voegen als voorsz hadde uijtgelaeten 't welk zijn hoogheid onbeantwoord hadde ge„ taaten. Dat hij vervolgens aan Bougman almeede gevraagd heb„ „bende wat ik eigentlijk gezegd hadde omtrent het geschil met de Jennang van Boelecomba denzelven daar op hadde geantwoord dat den gouverneur met zijn Hoogheid was over een gekomen om het zelve bij hem oppertolk door weder zijds gecommitteerdens te laeten onderzoeken en dat ten dien eijnde volgens afspraak de geene die daar omtrend de nodige eluci„ „datie konden geeven ten spoedigsten van Boelecomba herwaarts stonden te worden ontboden: waar na hij zijn afscheid genomen en vertrocken was. D' op gisteren alhier g'arriveerd Bimase gezanten vervolgens bij mij verscheenen ende brieven zo van de gezamentlijke Rijks„ grooten als den Commandant Lecers overgegeven hebbende gaven te kennen hoe hun koning en onder anderen van zijn hoogheijds famille ook overleeden weesende den kroon Prins Jenelie Teeke er beslooten was weeder tot koning te verkiesen 's roosten eenig over„ gebleeven minder Jarige zoon Boemie Partigi en tot Regent van het Rijk den Rijksbestierder ten welken eijnde zij betuijg„ „den herwaarts gekomen te zijn om daar op de approbatie van de Comp: te versoeken: Ik gaf haar tot bescheijd dat men in deese verkiesingen niet alleen bewilligen zoude maar dat het mijnes oordeels ten uijtersten nodig waaren om ten eersten met de positive aanstelling van gemelden Prins tot koning voor te vaaren ter oorsaeke, zig hier een pretendent tot de Bi„ maneese kroon bevond die door hooger hand onderstumnd ge„ mackelijk beweegingen zoude kunnen maaken om aen zyn oogmerk te geraeken, dat nogthans zeer schaedelijk voor het rijk bij mij wierd g'oordeeld vermits hij geen gebooren Bimanees was en dat het dierhalven best voor haar zoude weesen so spoe„ „dig mogelijk te rug te keeren waar toe ik het antwoord op den en brief

NL-HaNA_1.04.02_3418_0394 view scan ↗

English

From Macasser The 9 June 174. — From Macasser The 9 June 174. — Friday the 12th: would prepare the letter of the Grandees of the realm shortly, at the same time informing them that I would expect without fail that the king or at least the Regent would come here before the end of the west monsoon for the swearing of the contracts: which they said they would comply with as far as they were concerned, and that they would communicate the rest to the Grandees of the realm; after which, having requested of me permission to deliver various letters solely containing the announcement of the king's demise to the courts of Bonij and Goa Tello as well as to lesser princes, to which I agreed, they took their leave and departed. Furthermore, noting the willingness of the king of Goa to seal and sign the repeatedly mentioned bond document as a preliminary condition, I had an audience requested for tomorrow morning for the ordinary commissioners, which, according to the report of the emissary, being granted, there departed on Thursday the 11th thither the junior merchants Kraane and Paringauw, who returning towards noon brought back to me two copies of that document properly sealed by the king and signed by most Grandees of the realm, the third having been left there, with the assurance that no exchanges of words of consequence had occurred regarding it. Upon the complaint made to me by the shipper of the Company's rice and paddy at Siang, the Corporal Diets, regarding the unwillingness of various Boniers to pay their tithe, having sent to the king of Bonij to complain about this and at the same time to request someone to be sent thither in order to compel them to do so, I received in reply that His Highness had given orders to that end to Ioanna Abang, brother of Matoa Waga, who coming along at the same time came to inquire further about what he was to do; whom I therefore gave the necessary instructions, along with a copy of the deed determining the overweight that the suppliers are bound to deliver, and with which he departed in the company of the Company's emissary Niga. After this, the king of Goa, while inquiring after my well-being, had an audience requested for his commissioners, which I granted for the day after tomorrow. Nothing occurred. Saturday the 13th: As commissioners of the Goa court appeared before me this forenoon the second Tomilalang, the third, and From Macasser The 9 June 174. — From Macasser The 9th June 174 Sunday the 14th: and further Grandees of the realm, Bonto Lancas, Catapang, Bonto Patonko, and Mang-esoe, along with the Gallarang Mangasa, they declared to have appeared solely according to custom to announce that the Mahometan fast would commence on the 15th of this month, and also to ask for an excuse in the name of the king that His Highness had not come along, being indisposed; upon which first I instructed them to thank the king and Grandees of the realm for upholding the custom, and regarding the other served that I was sorry for the king's indisposition and wished him a speedy recovery; after which, having spoken for some time about indifferent matters, they took their leave and departed. An interpreter of the present envoys of Rima having departed with the usual emissary Daing Mandjareki to the court of Bonij for the delivery of some communication regarding the demise of their king, the aforementioned emissary brought me, along with the report, two letters written to His Highness, which the latter had presented to me for perusal with the request to send them back to him. Monday the 15th: The Captain of the Malays, ordered by me to make all possible inquiries regarding the state of affairs concerning the dispute between Sedenreng and Mario, came to report to me this morning to have learned for certain from an emissary of the Poenlipoe-e of Soping how the latter, upon receipt of my latest letter, had immediately given orders to Aroe Mario to cause the fugitive regent of Sedenreng, Poeanna Salema, to depart; that Sedenreng, two days after this order had been complied with, had approached Mario with about two hundred men to within a cannon shot and asked whether the aforementioned Poeanna Salema was there, but upon the answer of no, and that he had already departed elsewhere without knowing whither, the same had returned again without having committed anything improper: the aforementioned Captain of the Malays further added to this that this account was also confirmed by an emissary of the Datu of Sedenreng himself, who had called at Sabouton with a letter for delivery to the queen of Tello, his mother-in-law, to take in some refreshments. After this I received a private visit from the Bonian prince Tosarasa, whom I had secretly invited to that end, and upon my inquiry into further particulars regarding what was declared by him on the occasion of the conference held on the 8th of this month with the king of Bonij, related. How dispute

Dutch transcription

223 459 Van Macasser Den 9 Iunij 174. — Van Macasser Den 9 Iunij 174. — vrijdag den 12:' brief der Rijksgrooten per naasten in gereedheid zoude brengen hun te gelijk te kennen geevende dat ik zonder faut verwagten zoude dat de koning of ten minsten de Regent nog voor het uijt eijnde der west mousson herwaarts zoude komen ter be„ sweering der Contracten: welk een en ander ze zeijden te zul„ „len nakomen voor zo veel haar aanbelangde en dat zij het overige de rijksgrooten zouden Communiceeren; waar na z, mij verzogt hebbende diverse brieven eenlijk de bekendmaaking van 's koning overlijden behelsende aan de hoven van bonij en goa Tello mitsg:s mindere princen te mogen bestellen dat ik accordeerde, afscheijd namen en vertrocken.— wijders hebbe ik niets de betuijgende bereidwilligheid van den koning van Goa om tot voorwaard) meermalen aange„ „roerde verbandschrift te zegelen en teeken acces laeten ver„ „soeken tegen morgen ochtend voor d' ordinaire gecommit„ „teerdens 't geen volgens het Rapport van den sendeling geac„ „cordeerd zijnde, zo vertrocken des Donderdag den 11: derwaarts d' onderkooplieden Kraane en Paringauw die tegen den middag te rug komende mij twee afschriften van dat geschrift behoorlijk door den koning gezegeld en door de meeste rijksgrooten geteekend te rug bragten het derde aldaar gelaaten zijn met betuijging dat daar over geen woor„ de wisselingen van aangelegentheid waaren voorgevallen. Op de mij gedaan klagte door den afscheeper van sComp: rijst en Padij te siang den Corporaal Diets wegens d' onwillig„ „heid van diverse Boniers om hunne tiende te voldoen bij den koning van Bonij gesonden hebbende om daar over te doleeren en tevens te versoeken iemand derwaarts te zenden ten eijnde de„ zelve daar toe te noodsaeken ontfing ik tot antwoord dat zijn hoogheid daar toe last gegeeven hadde aan Ioanna Abang broeder van Matoa waga die te gelijk meede komende zig nader kwam informeeren wat hem te doen stond denwelke ik oversulx de nodige inmandatis gegeeven hebbe nevens een afschrift van de afte bepaalende het overwigt dat den Leveran„ „ciers gehouden zijn te voldoen en waare meede denzelven ingeselschap van sComp: zendeling Niga vertrocken is. Hier na liet den koning van Goa onder in for„ „matie naar mijne welstand acces versoeken voor zijne ge„ „committeerden 't welk tegen overmorgen geaccordeert hebbe. Viel niets voor Als gecommitteerdens van het Goa hol heeden voormid,„ zaturdag „ 13:' „dag bij my verscheenen zijnde de tweede Tomilalang derde en 225 461 Van Macasser Den 9 Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Juij 174 zondag den 14:' en verdere Rijksgrooten Bonto Lancas, Catapang Bonto Paton„ „ko en Mang-esoe nevens den glarvang mangasa zo betuijgden deselve eenlijk na het gebruijk verscheenen te zijn ter bekendma„ „king dat de mahometaanse vasten den 15:' deeser aanvang zoude neemen en om teffens uijt naam van den koning excus te versoeken dat zijn hooghid niet was meede gekomen als onpasselijk zijnde op welke eerst ik hun in mandatis gaf den koning en Rijksgroo„ ten voor het onderhouden van 't gebruijk te bedanken en op het an„ „dere diende dat my 's konings onpasselijkheid leed zijnde in hem spoedig beterschap wenschte waar na nog een poos tijd over onver„ schillige zaaken gesprooken zijnde zo naamen 'z hun afscheid Een tolk van d' aanweesende gezanten van Rima met de ge„ woone zendeling Daing Mandjareki naar het hof van Bo„ nij vertrocken zijnde ter bestelling van eenige Communicatie wee„ gens het overlijden van hunnen koning zo bragt mij voorm: zendeling met het rapport te gelijk twee brieven aan zijn hoogheid geschreeven die deese mij ter lecture liet presenteeren met versoek om z' hem we„ „der te rug te zenden. Maandag „ 15 De Capitain der maleijers, door mij gelast im alle mogelijke na vorsching te doen wegens den toestand der zaeke raekende het geschil tusschen sedeening Mario, kwam mij deesen mogen bezich„ ten van een zendeling van den Poenlipoe- E van Soping in 't zee„ „kere te hebben vernomen hoe deese op den ontfangst van mijn Jongst schrijven aanstonds ordre gegeeven hebbende aan Aroe Mario om d'uijtgeweeken rijks bestierder van sedeending Ioeanna salema te doen vertrecken, dat sedeenring twee dagen, na dat aan dit bevel voldaan was met Circa twee hondert man Mario op een Canong schoot genadert en gevraagt hadde of den gem: poe„ „anna Salema zig daar bevond, dog op het antwoord van neem en dat hij reets na elders vertrocken was, sonder te weeten wer„ waarts denzelven weder was te rug gekeert sonder iets onbe„ „hoorlijks bedreeven te hebben: voegende gem: Capitain der maleijers hier wijders nog bij dat dit verhaal ook was geconfirmeerd door een sendeling van datoe sedeenring zelfs, die met een brief ter bestelling aan de koninginne van Tello desself schoonmoeder op Sabouton was aangeweest om eenige verversching op te doen. Hier na ontfing ik een particuliere visite van den Bo„ „nies prins Tosarasa, die ik daar toe in stelte hadde laeten ver„ soeken en op mijne vrage na nader omstandigheeden wegens het door denselven gedeclareerde ter gelegentheijd van de op den 8:' dee„ „ser gehoudene Conferentie met den koning van Bonij verhaelde. geschil Hoe en vertrocken.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0396 view scan ↗

English

From Macasser the 9: June 174. - From Macasser the 9 June 174. - How the Wadjorese, except those of Pamana, were said to have agreed with the Maradia of Madjene or Bangaij to allow the English to erect a fortress at one of the Mandharese sea places, to which the Maradia of Bellanipa had also consented, or at least declared that he would not oppose it, but that all the other princes were not inclined thereto, and those of Chintana themselves were said to have testified that they would gladly see this prevented by the King of Bonij, who, Tosarasa said, had not yet given a full account of all this, in order not to expose himself to the danger that would threaten him should he return to Samito in case it became known that he had brought this to light. I thanked him for that communication and questioned him further on some other matters relating to the English, concerning which, however, he could give me no further elucidation, but requested that, if possible, it be brought about that his wife, who has been removed from the administration at Samito, might be reinstated, to which I replied that I would consider the matter, promising to do him as much favor as possible, after which he took his leave and departed. Tuesday the 16: Through the under-interpreter Blij, I sent back to the King of Bonij the letters written by the Bimase grandees of the realm to His Highness, which had been offered to me for perusal. Furthermore, the King of Goa sent to inquire after my health and to request some trifles, which I gave along to his emissary, the interpreter Borra. Wednesday 17: Thursday 18: Nothing happened. Thereupon returned from Siang, Sagerij, and Labakkang the Company's and Bonij's emissaries Niga and Toecenna Mang, who had departed thither on the 11: of this month, with the report that they had everywhere, in the name of the King, ordered the Boniers to pay their owed tithes and the customary overweight, and that all of them had promised to comply therewith. Friday 19: An interpreter of the Bimase envoys present here, in the company of the Company's emissary Daing Mandjareki, departed for Goa to deliver a letter written by the Bimase grandees of the realm to the King, which was brought to me for perusal in His Highness's name by the aforementioned emissary. Saturday 20: The chief interpreter Brugman, having presented himself this morning to the King of Bonij, who had sent to request me to send him to court sometime, 465 229 From Macasser the 9: June 174. - From Macasser the 9: June 174. - Sunday the 21. brought me word upon his return that His Highness had testified to having summoned him in order to announce that he, together with all the grandees of the realm, had resolved to come to me together after the end of the Mohammedan fast, in order to request that the Crown Prince Latanri Tapoe might be appointed Young King, adding that His Highness, feeling his strength decline more and more, deemed this necessary and also intended to give notice of this to Their High Excellencies, and then at the same time to write about matters concerning the Mandharese. Furthermore, the prince had made it known that it had been reported to him that Datoe Sedeenring, wishing to attack Aroe Mario, had been repulsed and driven to flight, asking whether he, Brugman, had heard anything of this; who assured His Highness of the contrary and that this was a false rumor, to which His Highness did not reply. The Maros emissary Carra Mandjarekie, having appeared before me with a letter from the Resident van Rossum, I dispatched again this evening with my reply. Monday 22. I sent back with a Company emissary the letter offered to me for perusal, written by the Bimase grandees of the realm to the King of Goa. Tuesday the 23: There arrived here the Regent of the southern district Bira, whom I have summoned to come to me tomorrow before noon. One of the three Bimase envoys present, named Boemie Parisie Bolo, having appeared before me in order to inquire in the name of the other envoys when it would be convenient for me to dispatch them, testifying that they were ready for departure, I summoned them to come take their leave tomorrow afternoon. Meanwhile, the chief interpreter handed me a letter addressed by all the grandees of the realm to the aforementioned envoys present here, which they had given to him, the chief interpreter, in order to present it to me for perusal, asking what they were to do with regard to the claim of the Macassarese mentioned therein to a part of Mangarij; in answer to which I instructed Brugman to tell them that the Company, being of the same sentiment in that respect as before, they could easily understand what ought to be done, and that if those of Bima might need anything to protect their garrisons against violence

Dutch transcription

227 463 Van Macasser Den 9: Iunij 174. — Van Macasser Den 9 Iunij 174. — Hoe de wadjoreesen behalven die van Pamana met den Mara„ „dia van Madjene of Bangaij over een gekomen zouden weesen der Engelschen 't opregten van een fortres op een der Mandhareese zee plaatsen te vergunnen waar in de Maradia van Bella„ „nipa meede geconsenteerd, ten minste verklaard hadde zig daar tegen niet te zullen kanten, dog dat alle d' overige voosten daar toe niet genegen waaren en die van Chintana zelfe zoude be„ „tuijgd hebben gaarne te zullen zien dat zulks konde worden belet door den Koning van Bonij die hij Tosarasa zeijde van dit alles nog geen volkomen verslag te hebben gedaan, om zig niet bloot te stellen voor het gevaar dat hem zoude drijgen wan„ „neer hij te samito weder mogte komen ingevalle het bekend wierd dat hij dit aan den dag hadde gebragt. Ik bedankte voor die Communicatie en vroeg hem verder na eenige andere zaaken betreckelijk tot d' Engelschen, waar om„ „trend hij mij nogthans geen verder elucidatie konde geeven maar versogt om des mogelijk te bewerken dat zijn vrouw die van 't bewind te samito is ontzet weder mogt hersteld worden, daar ik in antwoord op diende dat ik mijn gedagten dierwegens zoude lae„ „ten gaan, met toezegging van hem zo veel mogelijk plaisier te willen doen, waar na hij zijn afscheijd nam en vertrok. woensdag „ 17:' Donderdag „ 18:' Dervolgens reverteerde van siang Sagerij en Labakkang de op den 11:' deeser derwaarts vertrockend sComp: en Bonijs zen„ deling Niga en Toecenna Mang met bericht dat zij de Bo„ „niers alomme uijt naam van den koning de voldoening van haar verschuldigde tiend. en van het gebruijkelijk overwigt aan bevoo„ „len en alle dezelve belooft hadden daar aan te zullen voldoen. Hebbe ik door den ondertolk Blij aan den koning van Bonij Dingsdag den 16:' te rug gesonden de mij ter lecture aangebodene brieven van de bi„ „mase rijksgrooten aan zijn hoogheid geschreeven. Voorts liet den koning van Goa na mijn welstand wagen en om eenige kleenigheiden versoeken welke ik aan zijn zendeling den tolk Borra hebbe meede gegeeven. is niets gepasseerd Is een tolk van d' aan weesende Bimase gezanten in ge„ vrijdag „ 19:' zelschap van s Comp: zendeling Daing Mandjareki, naar goa vertrocken ter bestelling van een brief door de bimase rijksgrooten aan den koning geschreeven welke mij ter lecture uijt zijn hoog„ „heijts naam door voormelte zendeling wierd gebragt. De oppertolk Brugman heden morgen zig vervoegd hebbende zaturdag „ 20:' bij den koning van Bonij die mij hadde laeten versoeken vervolgens hem 465 229 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — zondag den 21. hem eens ten hove te senden kwam mij bij retour tot bericht brengen hoe zijn hoogheid betuijgd hadde hem te hebben laeten bij zig komen ter bekendmaking dat hij nevens de gezamentlijke rijkegrooten beslooten hadde na het eijndigen van de mahometaanse vasten gesaementlijk bij my te komen ten eijnde te versoeken dat den kroonprins Latanri Tapoe tot Jong koning mogt worden be„ „noemd, met bijvoeging dat zijn hoogheid zijne kragten meer en meer voelende afneemen dit nodig hadde gtachte en hier van ook aan haar hoog Edelhedens voorneemens was kennisse te geeven en dan ook teffens te schrijven over de zaaken vae„ kende de mandhareesen. Doorts hadde den vorst onder te kennen gave dat hem berigt was dat Datoe sedeenring Aroe Mario hebbende willen attacquee„ „ren afgeslagen en op de vlugt gedreeven was gevraagd of hij brug„ „man daar van niets gehoord hadde die sijn hoogheid het tegen„ „deel betuijgd hadde en dat sulks een verkeerd uijtstrooijsel waare daar zijn Hoogheid niet op hadde geantwoord. De Maros zendeling Carra Mandjarekie met een brief van den Resident van Rossum bij mij verscheenen hebbe ik heden avond met mijn antwoord weder gedepecheerd. Maandag „ 22. Hebbe ik de mij ter lecture aangeboden brief door de Bimase rijksgooten aan den koning van Goa geschreeven met een s Comp: zen„ „deling te rug gezonden. Is alhier gearriveerd der Regent van het zuijder district Bi„ Dingsdag den 23:' „ra den welken ik bescheijden hebbe tegen morgen voor de middag om bij mij te komen. Een der drie aanweesende Bimase gezanten met name Boemie Parisie Bolo bij mij verscheenen zijnde ten eijnde ziguijt naam der overige gezanten 't informeeren wanneer het mij gelegen zouden komen om hun te depecheren met betuijging dat z tot ver„ „trek gereed waaren zo hebbe ik haar bescheiden on morgen na de middag afscheijd te komen nemen. In tusschen wierd mij door den oppertolk inhandigd een brief door de gezamentlijke Rijksgrooten aan voorm: alhier aan„ wesende gezanten gereeht, welke deselve aan hem oppertolk hars„ „den gegeeven ten eijnde ze mij ter tecture te presenteeren onder vrage wat hun met betrekking tot de daar bij vermelde pre„ „tensie der macassaeren op een gedeelte van de mangarij te doen stond in antwoord van dewelke ik Brugman aanbeval haar te zeggen dat de Comp in dat opzigt nog van 't selve senti „ment zijnde als bevoorens zij lichtelijk zouden kunnen begry „pen wat er moest gedaan worden en dat wanneer die van Bi„ „ma rets mogte nodig hebben om hunne bezettingen tegen ge„ rijksgrooten weld 6

NL-HaNA_1.04.02_3418_0398 view scan ↗

English

237. 467 From Macasser The 9. June 174. — From Macasser The 9th June 174. — to defend against violence from outside, they would be assisted. Wednesday the 24th. The regent of Bira appeared before me this forenoon to make his arrival known, and gave notice at the same time that the lesser regents belonging under the Bira company had not yet appeared, and he therefore could not yet deliver the customary tribute, which I ordered him to do as soon as they should have arrived, after which he took his leave. In the afternoon, the envoys from Bima present here called upon me, to whom I gave their leave while handing over a letter to the grandees of the realm and one to the Commandant LeCerc, and they departed this very evening. Thursday the 25th. The king of Bony sent me, through his interpreter Moentoe, a draft instruction for the people of Boneratta regarding the turning away of all kinds of vagrants, with the request to have it properly drawn up in Dutch and Bugis, in order that, being confirmed with the Company's and Bony's seals, it may be sent thither, which I promised His Highness would be done. Furthermore, His Highness informed me that the Tanette prince Magoesila with his wife Datoe Ri Tjieta was about to depart for Tanette, for which the queen had caused His Highness to be urged with a request, namely, to have them told that they must not linger there too long; which I likewise promised, and to which end I have dispatched the under-interpreter Bly thither, with orders, however, without mentioning the king of Bony, to present to Magoesila that, having heard of his intention to undertake the journey this evening, I expressed my astonishment that he had not given me prior notice of it, since even the kings of Bony and Goa, just like his mother, were accustomed when wishing to depart elsewhere to communicate such to the governor; that I, however, not wishing to prevent him from fulfilling his intention, expected that he would not linger too long at Tanette but would return here soon: whereto Bly brought me as an answer that the prince had excused himself regarding his negligence with the pretext of having known no better than that his mother had caused me to be requested to permit him the departure, and that he had otherwise promised to return as soon as feasible. Finally, the interpreter also requested in the prince's name that I would send the chief interpreter Brugman to His Highness this afternoon, who wished to speak with him, to which I likewise gave my consent and therefore gave Brugman orders accordingly. 2233: 469 From Macasser The 9th June 174. — From Macasser The 9th June 174. — The aforementioned Brugman having presented himself to His Highness in the afternoon, he brought me a report towards the evening that the prince, repeating the abovementioned message concerning Magoesila, had reminded him that he had caused me to be requested to tell that prince to return soon on account of the present troubles in Tanette and because it was uncertain how the subjects were disposed towards him, thereby indicating not obscurely his apprehension that they will not want to recognize him as the successor to the realm, as is generally believed since the principal people favor the Soppeng Poenlipoe-E Mappa; adding further that it could not be unknown to me how the queen had promised to declare him her successor, wherefore His Highness had given me further notice thereof. To which Brugman had said that Magoesila, by my order, through the under-interpreter Bly, conforming to His Highness's request, had been told to return soon. Furthermore, the prince had spoken to him again about the dispute between the Jenrang of Boele Comba and Oedjong Lowe, giving to understand as though he, with the impending departure of the Resident Monsieur in mind, thought that this matter would thereby get stuck or be delayed, to which Brugman had replied that the Resident's absence could not hinder the investigation, but that they were waiting for the arrival of some old people of Oedjong Lowe, for which the governor had given orders. Because of the news received from the shipper of rice and paddy at Siang on Friday the 26th that the Matoa Waga still continued to refuse to pay his obligated tithes, I sent the ordinary messenger Dain Mandjareki to Prince Datoe Baringang to inform him thereof, and that, in order not to trouble the king of Bony again over this, I expected him to dispatch someone thither once more alongside one of the Company's messengers to compel that Matoa thereto, or that I would otherwise be forced to address the king or take other measures to help the Company get its due; to which message I received as an answer that Datoe Baringang had agreed to commission someone to depart for Siang alongside a Company messenger and tell Matoa Waga to comply without further contradiction, so that he, to that end, on the

Dutch transcription

237. 467 Van Macasser Den 9. Iunij 174. — Van Macasser Den 9:' Juij 174. — „weld van buijten te defendeeren men haar assisteeren zoude. woensdag den 24. de regent van Bira heden voor de middag bij mij verscheenen om zij arrivement bekend te maaken gaf teffens te kennen dat de mindere regenten onder het Biras vendel gehoorende nog niet opgedaagd waaren en hij dierhalven het gewoone tri„ but nog niet leveren konden dat ik hem aan beval te doen zo dra zij zouden gekomen zijn waar na hy zijn afscheijd Sna de middags lieten d' aanweesende gezanten van Be„ „ma zig bij mij bevinden die ik onder overgave van een brief aan de rijksgrooten en een aan den Commandant LeCerc hun af scheid gaf en nog deesen avond vertrocken zijn Donderdag „ 25:' zond den koning van Bonij mij door desselfs tolk Moentoe een Concept Jnstructie voor die van Boneratta tot af„ wijsing van allerley swervers met versoek deselve in forma in 't nederduijtsch en boeginees te doen vervaardigen, ten eijnde met sComp: en bonijs zegel bekragtigt zijnde derwaarts gezonden te worden, t geen ik zijn Hoogheid hebbe doen toezeggen. Wijders liet mij zijn hoogheid onder Communicatie dat de Fa„ nets prins Magoesila met zijn vrouw datoe Ri Tjieta naar Tanette stonden te vertrekken waar toe de koningin bij zijn hoogheid instantie hadde laeten doen versoeken, nam. om haar te laeten aanzeggen dat z zig ginter niet te lang moesten ophouden dat ik almeede toegezegt en ten welken eijnde ik den onder„ tolk. Bly derwaarts gezonden hebbe, met last nogthans om zonder den koning van Bonij te noemen Magoesila voor te houden hoe my zijn voorneemen om deesen avond reijse te onderneemen, ter oo„ ren gekomen zijnde ik hem mijne verwondering liet betuijgen dat hij mij alvoorens geen kennisse van het zelve gegeeven hadde daar zelfs de koningen van bony en Goa even als zijne moeder gewoon waaren wanneer z elders vertrecken wilden zulks aan den gou„ „verneur te Communiceeren dat ik hem egter niet willende be„ „letten zijn voorneemen te volbrengen verwagtende was, dat hij zig niet te lang te Fanette ophouden maar weder spoedig herwaarts zoude keeren: waar op Blij Mij tot antwoord bragt dat dien prins zig ten opzigte van zijn nalatigheid met een voor„ geeven verschoon hadde van niet beter te hebben geweeten of zijn moeder hadde mij laeten versoeken om hem het vertrek te per„ mitteeren en dat hij voor het overige belooft hadde zo spoedigdoen„ lijk te rug te laeten keeren Eyndelijk versogt den tolk nog uijt s orsten naam dat ik den oppertolk Brugman deesen middag een bij zijn hoogheid zen„ den wilde die denzelven wenschte te spreeken waar toe ik al„ om meede 2233: 469 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — meede toe segging gedaan en daar toe oversulkes Brugman ordre gegeeven hebbe. Gem: Brugman zig dan 's namidags bij zijn hoogheid ver„ voegd hebbende zo bragt denzelven mij tegen den avond tot rapport, dat den vorst, onder herhaeling van de boven gem: boodschap raekende Magoesila hem voorgehouden hadde mij te hebben laeten versoeken om dien Prins te doen aanseggen spoedig te rug te keeren uijt hoofde van de tegenwoordige strubbelingen te Tanette en dat het onzeeker was hoedanig d' onderdaanen ten zijnen op zigte gezind waaren, daar meede niet onduijster zijne bedugting te kennen geevende dat 'I hem voor geen successeur van het Rijk zullen willen erkennen, gelijk algemeen geloofd word vermits de voor„ naamste den sopings Poenlipoe- E Mappa zijn toegedaan met verdere bijvoeging dat mij niet Onbewust konde weezen hoe de koninginne hadde beloofd hem tot haaren opvolger te zullen verklaaren waarom zijn hoogheid mij door van nader liel verwittigen op 't welke Brugman hadde gezegt dat Ma„ goesila ter mijner ordre door den ondertolk Blij Conform sijn hoogheids versoek, was aangezegt om spoedig te rug te komen: Voorts hadde den vorst hem alweder onderhouden over het geschil tusschen den Jenrang van Boele Comba en oedjong Lowe te kennen geevende als waare hij met het ophanden zijnde vertrek van den Resident Monsieur in gedagten, dat die zaak daar door steeken blijven dan wel vertragen zoude, daar Brugman op gediend hadde dat's Residents afweesen het ondersoek niet hinderlijk konde zijn maar dat er op de komst van Eenige oude lieden van oedjong Lowe genagt wierd daar den gouverneur ordre toe hadde ge„ Mits de bekomen tijding van den afscheeper van Rijst en Padij te vrijdag den 26:' Siang dat den Matoa waga als nog bleef weijgeren zijn ver„ „pligte tiende te voldoen hebbe ik den ordinairen sendeling dain Mandjareki naar den prins Datoe Baringang gezonden om hem daar van te verwettigen en hoe ik om den koning van bo„ mij hier over alweeder niet lastig te vallen verwagten wilde dat hij andermaal iemand nevens een der zendelingen van de Comp: derwaarts zoude depheceeren om dien Matrra daar toe te Con„ stringeren of dat ik andersints genoodsaakt zoude weesen mij aan den koning te addresseeren dan wel andere maattegulen te neemen om de Comp: het haare te helpen op welke bodschap ik ten antwoord ontfing dat daloe Baringang aangenomen hadde iemand te zullen Committeeren om nevens een Comp: zen„ „deling na siang te vertrecken en Matoa waga aan te zeggen zonder verder tegenspreeken te voldoen invoegen hij ten dien Eijnde op. „geeven. den

NL-HaNA_1.04.02_3418_0400 view scan ↗

English

From Macasser The 9th of June 174. From Macasser The 9th of June 174. Monday the 29th Sunday the 28th nothing occurred. Tuesday the 7th Saturday the 27th the Bone envoy Tamalalang came to me, whom I dispatched to Siang together with the Company's envoy Soeroe Patgelang, with orders not only to strictly summon Matoa Waga, but also all others who may not yet have paid their tithes, to do so. I sent the amended draft instruction for the Bone envoy La E.sa at Boneratte through the under-interpreter Blij to the King of Bone for revision, who returned the same to me with thanks, requesting it to be stamped with the Company's seal, so that the seal of the realm may subsequently also be affixed thereto and it can be sent thither. Through the under-interpreter Blij, I had the instruction for the Bone envoy at Boneratte, mentioned the day before yesterday, brought to the King of Bone, who expressed his thanks to me for it. Tuesday the 30th Upon the request presented to me by the present Saleijer regents to return home together with their subordinates, I had them notified to come take their leave tomorrow. Wednesday the 1st of December Having arrived here today, the glarrangs of the southern provinces Ianna Bero, Lemo Lemo, Ara, and Bonto Tanga, all belonging under the banner of Bira, The Regent of Bira appeared before me this morning, Wednesday the 8th together with several pangerangs in order to take their leave, and he made known how various subjects who earned their living through seafaring had gone to live elsewhere, namely on Saleijer, Bima, Sumbauwa, and Salemparang; for which reason he requested that I would permit him to go in person to Saleijer in order to bring back from there all such persons who might be found yonder, and that for the rest, orders might be given by me to the other Nothing occurred. Thursday the 2nd until I ordered Craceng Bira to deliver their tribute into the large trade warehouse tomorrow. Subsequently, towards noon, the present Saleijer regents appeared at my residence, who, after having sat for a short while, took their leave to depart this evening or tomorrow morning. In the afternoon, the under-interpreter Blij reported to me that he had learned that the Bone Prince Datoe Baringang had paid a visit yesterday to the King of Goa, but that he had not been able to discover anything about what was discussed. I places From Macasser The 9th of June 174. From Macasser The 9th of June 174. places to return those who were found there. I presented to him on this matter that all means of coercion regarding such subordinates usually have an adverse effect, and that I must therefore advise him to encourage their return by amicable means; that a gentle yet just governance could primarily serve this purpose, of which they, being informed by their countrymen, would naturally be encouraged to settle again in their birthplace; that for the rest, however, I would indeed permit him to cross over to Saleijer once, provided he only went to the resident and no further, and that I would accordingly give notice of this to the said Resident with orders to lend him a helping hand in regaining the Biranese who might be there. Whereafter he and the other minor chiefs took their leave and departed. In the afternoon, the chief interpreter Brugman reported to me that the Bone Tomilalang had just come to him, claiming to have been sent by the King for the purpose of making known that Jennang Upon the message delivered to me yesterday, I sent the Thursday the 9th ordinary envoy Daing Mandjareki to the Bone Tomilalang to instruct him to inform the King that, since the collection of the tithes was at hand, the requested inquiry into the complaints of Jennang Boelecomba could not yet take place, but that after the completion thereof I would be prepared to send someone thither together with one of the grandees of the realm for the aforementioned purpose; whereupon Boelecomba had complained to His Highness that there were about three to four hundred Bone people living in the Boelecomba village of Lonrong who, when ordered to perform corvée labor, refused to do so by saying they were Company subordinates, and when this was ordered of them on behalf of the Company, they again pretended to be Bone people; and that His Highness therefore requested to propose to me to send someone on behalf of the Company thither together with one of the Bone grandees of the realm, in order to conduct a precise inquiry into that matter and subsequently make a division between the subjects and the Bone people, so that each of the chiefs might know which ones were theirs. Boele Comba the

Dutch transcription

235 471 Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Maandag „ 29:' zondag „ 28:' viel niets voor Dingsdag „ 7: zaturdag den 27:' den bonijs zendeling Tamalalang bij mij zond die ik nevens sComp. zendeling soeroe Patgelang na siang afgevaardigt hebbe met last om niet alleen Matoa waga, maar ook alle andere die hunne tiende nog niet mogten betaald hebben daar toe op het ernstigste aan te naamen. Hebbe ik de nadere Concept Jnstructie voor bonijs sendeling La E.sa te Boneratte door den ondertolk Blij ter resumtie aan den koning van Bonij gesonden die my dezelve onder dank„ zegging weder liet toekomen met versoek 'z zodanig met sComp: zegul te bestempel ten eijnde er vervolgens ook dat van de het Rijk op te stellen en z derwaarts te kunnen zenden. Liel ik door den ondertolk Blij de op eersisteren vermelde Jn„ structie van bonijs zendeling te Boneratte aan den koning van bonij brengen die mij daar voor deed bedanken. Dingsdag „ 30 Hebbe ik op het aan mij voorgedragen versoek van de aanweesende saleijreese regenten ten eijnde nevens hunne onderhoorige naar huijs te keeren dezelve laeten aanzeggen om moogen hun af„ scheijd te komen neemen. woensdag „ 1:' December heden alhier gearriveerd zijnde de glarrangs van de Zuijder provintie Ianna Bero Lemo Lemo Ara en Bonto Tanga alle gehoorende onder het rendel van Bira zo hebbe De Regent van Bira deesen voor de middag bij mij ver„woensdag „ 8:' „scheenen nevens verscheijdene Pangerangs ten eijnde hun af„ scheijd te neemen zo gaf denselven te kennen hoe verscheijde„ „ne onderdaanen die zig met de vaart erneerden, elders met naa„ „ne op Saleijer, Bima, sumbauwa en salemparang waaren gaan woonen uijt dien hoofde versoekende dat ik hem permit„ „teeren wilde, om in persoon na saleijer te mogen gaan ten eijnde alle de zulken die zig ginter bevinden mogten van daar te haelen en dat voor het overige door mij ordre na d'andere niets gepasseerd Donderdag den 2: tot ik Craceng Bira doen gelasten morgen hun tribut in het groot ne„ „gotie Pakhuijs te leeveren. Vervolgens verscheenen tegen de middag aan mijn wooning de aanweesende saleijereese Regenten die na een kleene pos gezee„ „ten hebbende hun afscheid naamen om heeden avond of morgen ochtende te vertrecken. 'S na middags berichte mij den ondertolk Blij hoe hij ver„ nomen hadde dat de Bonijs Prins Datoe Baringang op gis„ „teren een visite hadde afgelegt bij den koning van goa dog dat hij van het verhandelde niets te weeten hadde kunnen krijgen. ik plaatsen 237 473 Van Macasser Den 9: Iunij 174. — Van Macasser Den 9'Iunij 174. — plaatsen mogt worde gegeeven om die geene welke er zig bevon„ den te rug te doen komen; ik stelde hem hier op voor hoe alle middelen van dwang omtrend zodanige onderhoorige gemeen„ „lijk een verkeerde uijtwerking hebbende ik hem dierhalven raaden moest haar door minnelijke middelen tot te rug komst 't animeeren; dat hier toe voornaementlijk dienen konde ee„ „ne zagte dog regtmaetige regeering, waar van zij door hun„ „ne landsluijden onderrigt van zelven zoude worden aangespoord zig weder in haare geboorte plaats neder te zetten dat ik voor het overige nogthans hem wel permitteeren wilde eens naar saleijer te mogen oversteeken mits hij zig alleen bij den resi„ „dent en niet verder begaf en dat ik hier van oversulx aan gem: Resident kennisse zoude geeven met ordre om hem de behulpzaame hand te bieden tot te rug erlanging van de Biraneesen welke zig aldaar mogten bevinden. waar na hij ende verdere mindere hoofden hun afscheyd naa„ „men en vertrocken. Ina de middags rapporteerde mij den oppertolk Brug„ „man dat den bonijs Tomilalang, even bevoorens bij hem gekomen was voorgeevende ten dien eijnde door den koning bij hem gezonden te zijn ter bekendmaeking dat Jennang Op de my gedaane boodschap van gisteren hebbe ik den Donderdag den 9:' ordinaire sendeling Daing Mandjareki naar Bonijs Tomi„ „lalang gezonden om hem aan te zeggen ten eijnde den koning daar van te verwittigen, dat vermits de vertiening op han„ „den was het versogte ondersoek na de klagten van Jennang Boelecomba als nog niet konde geschieden dog dat ik na het afloopen van dien bereijd zoude zijn iemand nevens een der Rijksgrooten ten voorsz: eijnde derwaarts te zenden, waar op Boelecomba bij zijn hoogheid geklaegd hadde hoe er Circa drie a vier honderd Boniers waaren woonende op de boelecombase Negorij Lonrong die wanneer haar wierd g'ordonneerd 's hee„ ren dienst te doen sulks weijgerden met te zeggen Comp: on„ derhoorige en wanneer haar zulks sComp: wegen wierd be„ voolen wederom voor te wenden Boniers te weesen: en dat zijn hoogh:d dier halven versoeken liet aan mij voor te dra„ gen om nevens een van de bonijse rijksgrooten iemand 'sComp: wegen derwaarts te zenden ten eijnde na die zaak een naauwkeurig ondersoek te doen en vervolgens een ver„ „deeling te maaken tusschen d'onderdaanen ende Boniers ten eijnde een ider der hoofden weeten konden welke de haare waa„ Boele Comba den „ren

NL-HaNA_1.04.02_3418_0402 view scan ↗

English

239 475 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — Friday the 10th: the same informed me that he would give notice thereof to the king. Saturday the 11th: nothing noteworthy occurred. Sunday the 12th: Having already been informed some weeks ago of a certain design of Datoe Baringang to sail a vessel back and forth from here to the north with trade goods without paying toll thereon, under the pretext that this was an old custom, the chief interpreter gave me notice of how the Matoa of the Wadjorese in the campong of the Buginese had come to him and reported this in the name of the king, but had simultaneously made known that he did not need to make a report of it to me, as His Highness had solely ordered to report the same only to him, Brugman. Whom I have instructed that, as soon as someone came to speak with him about this again, to answer such persons that he would advise the king, or whomever it might be, not to presume to carry out such a step, in order to prevent the detrimental consequences that were to be expected therefrom. In the same manner the aforementioned Brugman reported to me that the Tomilalang and Gallarrang of Bontualacq, having come to his house, had shown him a certain paper stamped with the seal of the regent, containing in substance: That the dispute between the Company's subjects and the Matoa Data was settled in such a manner that the subjects would still be allowed to plow the fields this year to which that Matoa lays claim, but must surrender the same thereafter. That both of those grandees of the realm, having attempted to base the legality of the claim on this, had nonetheless, upon his remark in answer thereto that this was a matter on which he could not judge, confessed to being unaware on what foundation that document had been granted by the regent, as no trial concerning the dispute had taken place, and that the Gallarrang had further added that he was now not surprised that Matoa Data remained standing so firmly on his point. Towards noon the Bonian interpreter Passeere came to me, saying he had been sent by the regent and Tomitalang to request in the king's name that the act determining the excess weight of the tithed rice and paddy in the north might also be sent to the southern provinces, or Boele Comba, for compliance. Whereupon I instructed that emissary to tell his masters that, as a different manner of tithing took place in the south than in the north, no change could be made therein, as it had never appeared or been shown to me that complaints had occurred concerning the tithing there, but that in the latter case the abuses would be redressed according to equity, as soon as the same were reported to me. 2ott. 477 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — Tuesday the 14th: The Captain of the Malays, having paid a visit yesterday with my prior knowledge to the King of Bonij, recounted to me this morning how he had been asked by His Highness whether there were good harbors anywhere along the Mandharese coast for ships or vessels to stay during the west monsoon. To which he had answered no, and that from here onward he knew of no such place other than the bay of Soreang, belonging under the realm of Bonij. The prince had subsequently said regarding this that the Wadjorese were of one mind with the Mandharese, or particularly the Maradias of Bellanipa and Madjene or Bangab, alongside those of Adje Tamparang (Sedeenring), and seemed to intend some evil design; likewise that a son of the late Aroe Paneki, named Basso Paneki, was with the English, who had recently turned their prow from Passier to Sullok, which it was believed they had captured. This same report was also given to me thereupon by the chief interpreter Brugman, who, at the prince's request to send him to him, had proceeded thither this morning and further reported to me how His Highness had added that from this it appeared that one ally after another was tearing themselves away from the Company and Bonij, and these two would at last remain alone. He had replied thereto that in his opinion there was not the least reason to fear any evil as long as the Company and Bonij remained of one mind, which seemed to have pleased the prince very much; as well as that during this discourse it had nevertheless been said casually by the Matoa of the Wadjorese in the Campong Boegis that the rumor as if the son of Aroe Panekie was with the English was false, because he had still been in Passier after their departure. Furthermore, His Highness had again conversed with him about the disputes between the Company's subjects and the Jennang of Bonthain and Boelecomba, intimating as if there were no intention to settle that matter, of the contrary of which he had assured the prince, and that the resident of Boele Comba had been earnestly ordered to send hither the persons required for the investigation of those disputes, upon whose arrival alone they were waiting, with which His Highness then interpreter

Dutch transcription

239 475 Van Macasser Den 9: Junij 174. — Van Macasser Den 9. Iunij 174. — Vrydag den 10:' zaturdag „ 11:' den zelven mij liet weeten dat hij den koning daar van kennis„ „se zoude geeven. is niets noterens waardig gepasseerd. zondag „ 12:' Al vor eenige weeken onderrigt van zeeker desseijn van datoe Baringang om onder voorgeeven dat zulks een oud gebruijk, zoude zijnd een vaartuijg van hier over en weder na de noord te doen vaaren, met negotie goederen sonder dat van tol te betaalen gaf mij den oppertolk kennisse hoe den Matoa der wadjoreesen in de Campong der bougineesen bij hem gekomen sulks uijt naam van den koning berigt dog teffens te kennen gegeeven hadde dat hij er mij geen rapport van behoefde te doen also zijn hoogheid eenlyk gelast hadde het zelve enkel aan hem Brugman te melden denwelke ik hebbe gelast om zo dra hem weeder ie„ mand hier over kwam onderhouden de zulke 't antwoorden dat hij den koning of wie het zij mogte raeden zoude zig de uijtvoe„ ring van zodanige stap niet t' onderstaan te voorkoming van de nadeelige gevolgen die er uijt zouden te wagten weesen. Inselver voegen berichte mij gem: Brugman dat de Tomi„ „lalang en glavrang van Bontualacq ten zijnen huijse ge„ „komen hem vertoond hadden zeeker papier met het zegul van den rijksbestierder bestempeld houdende in substantie. Dat het verschil tusschen sComp: onderdaanen en den Ma„ „toua data waare afgedaan zodanig dat de onderdaanen nog dit Jaar de velden waar op dien Matoa pretensie maakt zou„ den mogen beploegen dog deselve daar na moeten overgeeven. Dat beijde die rijksgrooten hier op de wittigheid der pretensie hebbende tragten te fundeeren nogthans op zijne aanmerking in antwoord daar omtrent dat dit een zaak was waar over, hij niet Jugeeren konde hadden bekend onbewust te zijn op wat fum„ „dament dat schriftuur door den Rijksbestierder was verleend ge„ worden also er geen proces over het disput voorgevallen wat en dat den glarrang er nog bijgevoegd hadde dat het hem nu niet ver„ wonderde dat Matoa Data zo sterk op zijn stuk staan bleef. Quam tegen de middag bij mij den bonies tolk Passeere zeg„ gende gezonden te zijn door den rijkbistierder en Tomitalang om uijt 's konings naam te versoeken dat de acte bepaelende het over„ wigt van de vertiende rijst en padij om de noord ook ter opvolging mogte worden gezonden na de zuijder provintien of wel Boele„ Comba waar op ik doen sendeling last gaf zijne meesters te zeggen dat er een andere wijse van vertiening om de zuijd als om de noord plaats hebbende daar in zo min verandering konde den worden 2ott. 477 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9. Iunij 174. — Dingsdag den 14:' worden gemaakt als mij immers voorgekomen of gebleeken was dat er over de vertiening aldaar klagten waaren gevallen dog dat in het laatste geval de misbruijken na de billijkheid, redresseeren zouden zo ova deselve mij wierden opgegeeven. De Capitain der maleijers met mijne voorkennisse op gisteren een visite afgelegt hebbende bij den koning van bonij verhaalde mij deesen morgen hoe hem door zijn hoogheid gevraagd zijnde of ergens langs de mandhareese Custe goede havens waaren voor scheepen of vaartuyjgen om er in de west mousson te vertoeven waar op door hem neen g'antwoord was en dat hij van hier af geen zodanigen plaats konde dan de bogt van soreang onder het Rijk van bonij gehoorende den vorst hier op vervolgens gezegt hadde dat de wadjoreesen met de mandhareesen of wel bijsonder de mara„ dias van Bellanipa en Madjene of Bangab nevens die van Adje Tamparang /:sedeenring:/ eens gesint waaren en eenig kwaad oogmerk scheenen te bedoelen zo meede dat een zoon van wijlen Aroe Paneki met naame Basso Paneki zig bevond bij d' Engelschen die kortelings den steven van Passier na sullok hadden gewend welke men wilde dat dit plaats zouden hebben overmeestert. Dit zelve berecht wierd mij hier op ook gedaan door den opper„ „telk Brugman die op Toorsten versoek om den zelven eens bij hem te senden zig deesen morgen derwaarts hadde begeeven en mij nog rapporteerde hoe zijn hoogheid er bij gevoegd hebbende dat hier uijt bleek hoe d' een bondgenoot voor ende andere na zig van de Comp: en bonij afscheurden en deese beijde ten laatsten alleen zouden blijven, hij daar op gediend hadde dat er zijne er agtens geen de minste reeden was voor eenig kwaad te dugten zo lange de Comp: en Bonij eens gezind bleeven het geen den vorst zeer scheen beval„ „len te hebben zo meede dat onder dit discours nogthans toeval„ „lig door den Matoa der wadporeesen in de Campong Boegis ge„ „zegt was, dat het gerugt als of de zoon van Aroe Panekie zig bij d' Engelschen bevond; vals was, wijl hij na derselver vertrek nog te Passier was geweest. Wijders hadde zijn hoogheid hem alweeder onderhouden over de questen tusschen sComp: onderdaanen en den Jennang van Bonthain en Boelecomba te kennen geevende als waare men niet van intentie die zaak af te doen van welker tegendeel hij den vorst versekert hadde en dat den resident van Boele„ „Comba ernstig gelast was de persoonen die tot ondersoek van die verschillen vereijscht wierden herwaarts te zenden, na welken komst alleen gewagt wierd waar meede zijn hoogheid „tolk dan

NL-HaNA_1.04.02_3418_0404 view scan ↗

English

243 479 From Macasser, 9 June 174— From Macasser, 9 June Anno 174. then seeming to accept this, subsequently brought up once again the claim of Matoa Data to certain paddy fields belonging to the Company's subjects, asking how that matter was now to proceed. Whereupon Brugman, having served notice of how I had pointed out to His Highness in the recently held conference the groundlessness of that claim, and that this was therefore a settled matter, had furthermore brought to the monarch's attention what had been transacted on that account with the Tomilalang and Gallarrang of Bontualacq, and how the Regent of the realm had given a sealed document to Matoa Data and, as people said, having taken money for it, this was the foundation upon which he based his claim to enforce his demand. With this result, that His Highness, after Brugman's statement had been confirmed by the Tomilalang, had not only testified to being completely ignorant of this manner of proceeding, but had also expressed himself in these words: "Thus it goes, and thus so much happens of which I am given no knowledge," thereby clearly demonstrating how greatly he is misled. From which Brugman, having taken the opportunity to sound His Highness out as to whether the recently delivered message sent in his name regarding the requested dispatch to Boelecomba of the act determining the overweight of the tithe rice for the north might also have come directly from him, he testified that he had to conclude the contrary, since the monarch had made no mention of it and had said nothing other than that complaints had been made by the Jennang of Boelecomba, etc., about the Company's shippers, who claimed more than the customary overweight. To which Brugman had answered that, since I had strictly forbidden this, His Highness could rest assured that no one would be demanded of too much nor forced to pay more than was customary from old times. In contrast, however, His Highness had avowed having given orders to request me to send someone on the Company's behalf to the south with one of the Bone grandees of the realm for the division of the mutual subjects in the Negorij Lourong. And after Brugman had served notice thereon that this would take place after the tithe-gathering, he retorted to him that in postponing such matters one could afterwards easily say that they had been settled; which Brugman had left unanswered. Who further reported to me that the King, having spoken in his presence with the Tomilalang about the presentation of the Crown Prince, had given the latter to understand that this would necessarily have to take place in the interior, 245 481 From Macasser, 9 June 174.— From Macasser, 9 June 174.— Wednesday the 15th Friday have to take place because all the chiefs who ought to be present there could not be made to come hither. The assistant interpreter Pietersz returned from Sagerij and Mandellij with the report that all the Boniers and Tanetterese had finally, after much haggling, fulfilled their obligatory tithes, except for the Queen of Tanette, who refused such for about three hundred bundles of paddy, for which she claimed she would speak to me herself, giving to know that she intended to come hither shortly. Thursday the 16th. I had audience requested at the courts of Bone and Goa through the assistant interpreters Blij and Pietersz for the customary commissioners for the presentation of the Poassa gifts, which interpreters brought me report that the same would be accepted, while the first-mentioned informed me on behalf of the King of Bone that His Highness had said he intended the day after tomorrow in the morning to go inspect the grave of the old Palacka and possibly on that occasion to pay a visit to the King of Goa. 17th. The merchants Rattet and Voll having departed as commissioners to the court of Bone, and the junior merchant Kraane and bookkeeper Bremer to Goa, for the presentation of the Poassa gifts, the same brought me report upon their return that those gifts had been accepted with expressions of thanks. In addition to which it was further reported to me by the merchant Voll that the King of Bone, having asked him whether the Captain of the Malays had informed me of what His Highness had told the same a few days ago, and whether it was true that I was intending to pay a visit to him before long, he had answered to both that the first was to be assumed as certain, but regarding the latter he could not say for sure. Toward midday there arrived here from Boelecomba Kraeng Kaoeloe together with the Jennangs Tabaringang and Lonro, accompanied by a letter from the Resident, Monsieur, with the customary tribute of Asse Lolo (newly pounded paddy) in some pouches or little sacks. Saturday the 18th. The King of Bone departed for Goa to visit the burial site of his predecessors, and on that occasion paid a visit to the King of Goa, who also toward midday had his interpreter Demar inquire after my health. Sunday 19th. I sent the interpreter Blij to the King of Bone in order to request an audience with His Highness for tomorrow morning, which according to his report was graciously accepted. Furthermore, I [illegible] the Boelecomba regents mentioned the day before yesterday back to

Dutch transcription

243 479 Van Macasser Den 9:' Junij 174 — Van Macasser Den 9 Iunij A:o 174. dan genoegen scheijnende te neemen vervolgens nogmaals op het tapijt hadde gebragt de pretensie van den Matoa Data op eenige Padij velden van sComp: onderhoorige onder afvrage hoe het daar meede nu gaan zoude, dat Brugman daar op gediend hebben„ „de hoe ik zijn hoogheid d'ongegrondheid dier pretentie in de Jongst gehoudene Conferentie aangeweesen hadde en zulks dus eene afgedaan zaak was den vorst wijders hadde onder het oogge„ „bragt het door hem diend wegen verhandelde met den Tomi„ „lalang en glarvang van Bontualacq, en hoe den Rijks bes„ tierder aan Matoa dato een gezegeld geschrift gegeeven en zo men wilde daar voor geld getrocken hebbende dit den grond was waar op deese bouwde om zijn eijsch te doen gelden met dit gevolg dat zijn hoogheid na dat Brugmans gezegde door den Tomilalang geconfirmeerd geworden was niet alleen betuijgd hadde van deese handel wijse geheel onkundig te zijn maar zig ook uijtgelaten in deese woorden„ zo gaat het „en zo geschied er zo veel daar men mij geen kennisse van geeft dus duijdelijk doende blijken hoe zeer hij misleijd word. waar uijt Brugman gelegentheid genomen hebbende om zijn hoogheid eens te polsen of de Jongst gedaane boodschap uijt desselfs naam met betrecking tot de versogte oversending nia Boelecomba van de acte bepaelende het overwigt van de tiende rijst om de noord ook wel direct van hem mogte gekomen zijn, zo betuijgde hij het tegendeel te moeten besluijten also den vorst daar van geen mentie gemaakt en niet anders gezegt hadde dan dat door Jennang Boelecomba ens geklaagd was over s Comp afscheepers die meer dan het gewoone overwigt pretendeerden daar Breigman op g'antwoord hadde dat ik zulks op het strengste verboden heb„ „bende sijn hoogheid gerust konde weesen, dat niemand te veel af gevergt nog gedwongen zoude worden meerder te betaalen, dan van ouds gebruijkelijk was daar en tegen hadde zijn hoogheid nogthans geavoueerd ordre gegeeven te hebben om mij te versoeken iemand sComp. wegen na de zuijd te zenden met een der Bonijse rijks„ grooten tot verdeeling van wederzijds onderdaanen op de Negorij Lourong en na dat Brugman daar op gediend hadde dat zulks na de vertiening geschieden zoude, hem toegevoegd dat men dierge„ „lijke zaaken uijtsellende naderhand gemackelijk zeggen kon„ „de dat z' afgemaakt waaren; het geen Brugman onbeantwoord hadde gelaeten; die mij voorts nog berigte dat den koning in zij„ „ne tegenwoordigheid met den Tomilalang gesprooken hebben„ „de over de voorstelling van den kroon Prins deese te verstaan ge„ „geeven hadde dat sulks noodsaekelijk in de binne landen zoude na moeten 245 481 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — woensdag den 15:' vrijdag moeten geschieden also men alle de hoofden die daar bij present die„ nen te weesen, niet konde laeten herwaarts komen. Reverteerde den ondertolk Pietersz van Sagerij en Mandellij met rapport dat alle de boniers en Tanettereesen hun verpligte tiendens eijndelijk na veel habpelens voldaan hadden behalven de koninginne van Tanette welke zulk weijgerde, omtrend drie hondert bossen Padij waar voer zij voorgeevend hadde mij zelfs te zullen spreeken onder te kennen gave dat zij voorneemens was bin„ nen korten herwaarts te komen. Donderdag den 16:' Hebbe ik door de ondertolken Blij en Pietersz bij de hoven van bonij en goa acles laeten vragen voor de gewoone gecommitteerdens ter aan„ bieding van de Roassas geschenken welke tolken mij bericht bragten dat de zelve zouden geaccepteert worden ter wijl den eerstgem: mij uijt naam van den koning van bonij kennisse gaf dat zijn hoogheid gezegd hadde voornemins te zijn overmorgen ochtende het graf van den ouden Palacka te gaan bezigtigen en mogelijk bij die occa„ sie een risitie te zullen afleggen bij den koning van goa. „ 17:' Als gecommitteerdens na 't hof van bony vertrocken zijnde de kooplie„ „den Rattet en voll en naar goa de onderkoopman kraane en boek„ houder Bremer ter aanbieding van de Toeassa geschenken zo bragten deselve mij bij terug komst rapport dat die geschen„ „ken; onder dankbetuijging geaccepteerd waaren waar en boven my door den koopman voll nog bericht wierd dat den koning van bony hem gevraagd hebbende of den Capitain der Maleijers mij kennis„ „se gegeeven hadde van het geene zijn hoogheid aan denzelven voor eenige dagen hadden verhaald en of het waar was dat ik voor„ nemens zoude zijn eerlange een visite bij hem afte leggen en op het een en ander door hem was g'antwoord het eerste voor vast te stellen dog het laatste niet zeeker te kunnen zeggen. Tegen den middag arriveerden alhier van Boelecomba Craeing Kaoeloe nevens de Jennangs Tabaringang en Lonro onder geleij„ „de van een brief van den Resident Monsieur met het gewoone tribut van Asse Lolo /: nieuwe gestampte padij / in eenige blas„ „jes of Sakjes. Is den koning van bonij na Goa vertrocken ter bezoeking saturdag den 18:' van de Graf steede van zijne voorgangeren en heeft bij die gelegent„ „heid een visite afgelegt bij den koning van goa die ook tegen den middag door zijn tolk demar naar mijne gezondheid deed vragen. Hebbe ik den tolk Blij naar den koning van Bonij gesonden Sondag „ 19:' ten Eijnde voor mij belet bij zijn hoogheid te vragen tegen morgen ochtend 't geen volgens desselfs rapport met gratie g'accepteerd is voorts hebbe ik de op eergisteren vermeld Boelecombase regenten weeder ken voor na

NL-HaNA_1.04.02_3418_0406 view scan ↗

English

From Macasser, the 9th of June 174. From Macasser, the 9th of June 174. dispatched home. Monday the 20th. I proceeded together with the license master Voll to the King of Bonij, where I was received with the customary ceremonial. Having taken our seats and spoken for a short while about indifferent matters, but subsequently having stepped into a separate room, I presented to His Highness: How, since our recently held conference, I had received further reports that the English were intending to establish a post somewhere along the Mandhar coast, and that the Maradias of Billanipa and Madjene or Bangaij would attempt to promote the same, while it was maintained that all the others were against it and those of Chinrana were even said to have declared as much; that I had therefore deemed it necessary to come confer with His Highness about this, in order to learn what means, in his opinion, ought to be employed to prevent or indeed foil such an undertaking. After he had expressed himself as to why one needed to interfere with the doings of others and that one should just let them be, he nevertheless immediately continued that, the conduct long maintained by the Maradias of Bellanipa and Madjene not being unknown to me, I would well understand that no good expectation could come from an embassy to the same to summon them hither; to which, having replied that I would judge it best to have all the Mandhar princes come hither in order to learn what truth there might be in the matter, and, if it were found that there was any scheme to grant possession to the English, to be able to foil the same, I finally brought matters so far that His Highness not only consented thereto, but also promised to dispatch forthwith one of his grandees of the realm to summon all the aforementioned princes hither in the name of the Court of Bonij, without mentioning the Company, and in the meantime also in particular the former regent of Chinrana, currently Maradia of Limboa, who according to the prince's declaration belongs to his personal retinue and stays at Tjampoea situated near Soreang, in order to learn whether he too might know anything. For which promise, having paid His Highness a friendly compliment of thanks, I further took the opportunity, on the grounds of what he had said regarding the conduct of the aforementioned Maradias of Bellanipa and Madjene, as well as other allies who he declared cared nothing for the Company and Bonij, to present to His Highness that, in my opinion, there was no reason to fear others as long as the Company and Bonij did not become estranged, but that I had reason to be concerned on account of the unheard-of outrages committed by many of his subjects, both in the northern and southern provinces, against those of the Company, if His Highness did not take timely measures in this regard; further recounting to him how the Jennang of Bonthain had not shrunk from assaulting a common soldier, stationed as a guard against the clandestine transport of rice and paddy, seizing him by the throat and having him dragged to his residence on the occasion that the soldier had tried to prevent the transport of twenty bundles of paddy, accompanied by a request for a striking satisfaction in this regard; but far from receiving a satisfactory answer to this, the prince lashed out very passionately, saying among other things that this accusation deserved as little credit with him as that the said Jennang had allegedly sold stolen water buffaloes, and that such complaints had first to be investigated; without all the arguments brought against this by me—and that no one would dare to venture bringing forward such accusations as those of the aforementioned soldier unless they contained truth—finding the slightest acceptance, so that I had to content myself with agreeing that this case would soon be investigated by commissioners from both sides, all the more because His Highness wished to maintain that the Jennang of Bonthain had been here when the incident was said to have occurred, and even said that he was still here, which nonetheless turned out otherwise when I requested to have him brought to us immediately, as Datoe Baringang then replied that he had departed yesterday. Whereupon the prince, just as in the conference recently held with him, having said once again that he had never before been troubled about such trifles, to which I replied once more that the fruitless embassies to the regent in Tomilalang for the settlement of matters, of which a great many were still pending, indeed forced me to address him directly, and that despite this I managed matters as much as possible so as not to trouble him, there arose from this a further extensive discourse, during which the chief interpreter, by my order, presented to the regent and Tomilalang how several disputes between subjects of both sides had already been decided in favor of those of the Company,

Dutch transcription

21 483 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9' Junij 174 — na huijs gedepecheerd. Maandag den 20:' Begafik mij nevens den licentmeester voll naar den koning van Bonij alwaar ik met het gebruijkelijk Ceremonieel gerecipeerd wierd. zil plaats genomen en een korte poos over onverschillige zaeken gesprooken dog vervolgens in een apart vertrek getreeden zijnde zo tiel ik zijn hoogheid voor houden Hoe ik sebert onse Jongst gehouden Conferentie nader berichten gekreegen hebbende: dat d' Engelschen voornemens zouden zijn ergens langs de mandhareese Cust post te vatten en dat de Maradias van Billanipa en Madjene of Bangaij het zelve zouden tragten te bevorderen ter wijl men wilde dat alle de andere daar tegen waa„ „ren en die van Chinrana zulks zelfs zoude betuijgd hebben ik dierhalven nodig g'oordeelt hadde zijn Hoogheid hier over te komen onderhouden om te verneemen wat middel er zijns bedunkens tot voorkoming of wel verijdeling van diergelijken onderneeming be„ „hoorde te worden in 't werk gesteld. Na dat sig op hadde uijtgelaeten wat men zig met de gedoen„ „tens van anderen behoefde te bemoeijen en dat men die maar diende te laeten begaan, zo vervolgde hij nogthans al aanstonds dat my het gedrag door de Maradias van Bellanipa en Madjene lange gehouden niet onbekend zijnde, ik wel begrijpen zoude dat er geen goede verwagting konde zijn van een bezending aan dezelve om z' her„ „waarts t' ontbieven, waar op ik gediend hebbende dat ik het beste zou„ „de oordeelen om alle de mandhareesen vorsten herwaarts te laeten ko„ „men ten eijnde te verneemen wat er van de zaak zijn mogte en be„ „vonden wordende dat er eenige toeleg was om d' Engelschen possessie te verleenen, het zelve te kunnen verijdelen, bragt ik het eijndelijk zo verre dat zijn hoogheid daar inne niet alleen bewilligde maer ook toezegging deed ten eersten eene zijner rijksgrooten te zullen afsenden om alle de meermelte vorsten uijt naam van het Bo„ „nijs Hof, sonder de Comp: te noemen herwaarts te ontbieden en in„ middens ook in 't bijsonder de geweese rijksbestierder van Chin„ „rana thans Maradia van Limboa, die volgens pvorsten be„ tuijging tot zijn Lijfvolk gehoorende zig te Tjampoea om„ trend soreang gelegen onthoud ten eijnde te verneemen of deese ook iets bekend mogte weesen. Voor welke toezegging ik zijn hoogheid een vriendelijk Compliment van dank betuijging gemaakt hebbende naam ik wijders uijt hoofde van desselfs gezegde nopens het gedrag van de evengem: Maradias van Bellanipa en Madjene mitsg=s ande„ „re bondgenooten die hij betuijgde zig der Comp: en bonij niet be„ „kreunen, gelegentheid zijn hoogheid voor te houden dat er mijns goede 485 219 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9. Junij 174. — er agtens geen redenen waaren voor anderen bedugt te weesen zo lange de Comp en bony niet in verwijdering kwamen, maar dat ik daar voor met reeden bekommert moeste zijn, ter zae„ „ke van d' ongehoorde geweldenaijen van veele zijner onder daa„ „nen zo in de noorder als zuijder provintien omtrend die van de Comp: wanneer zijn hoogheid daar in geen tijdige voorsienige quam te doen hem wijders verhaelende hoe den Jennang van Bonthain zig niet ontzien hadde een gemeen militair, als wagthouder tegen den Clandestinei vervoer van rijst en Pady uijtgesteld te overvallen bij den keel te grijpen mitsgaders na zijne wooning te doen sleepen ter occasie deese den vervoer van twintig bosen Padij hadde willen beletten met bijgevoegd versoek om een eclatante satisfactie dierweegens, maar wel verre van hier op voldoend antwoord t' ontfangen voer den vorst zeer driftig uijt onder anderen zeggende dat deese be„ schuldiging bij hem zo min geloof verdiende als dat gemelden Jennang gestoolen buffels zouden hebben verkogt en diergelijke klagten alvoorens moesten worden onderzogt sonder dat alle de daar tegen door mij ingebragte reedenen, en dat niemand zig zoude durven onderstaan zodanige beschuldigingen als die van de gem: militair te berde te brengen bij aldien z' geen waarheid behelsden eenige de minste ingang vonden in voegen ik my moest vergenoegen om toe te staan dat na dit geval eerlang door weder zijds gecommitteerden ondersoek zoude worden gedaan te meer zijn hoogheid beweeren wilde dat Jennang Bonthain hier geweest was toen het geval zoude geschied zijn en zelfs zeijde dat hij zig nog hier bevond, het geen nogthans anders bleek wanneer ik versogt om hem dan aanstonds bij ons te doen komen wijl Datoe Baringang daar op diende dat hij gisteren vertrocken was. Waar na den vorst even als in de Jongst met hem gehou„ den Conferentie alweder gezegt hebbende dat hy nimmer bevoo„ „rens over diergelijke kleenigheden was lastig gevallen daar ik nogmaals op antwoorde dat de vrugteloose bezendingen aan den rijksgestierder in Tomilalang ter afdoening van zaeken die er nog in menigte sleepende waaren mij wel nood„ saekten hem direct aan te spreeken en des niet Jegenstaande zulks zo veel mogelijk menageerde om hem niet te vermoeij„ „lijken, ontstond hier uijt een verder breed discours onder het welke den oppertolk ter mijner ordre den rijksbestierder en Tomilalang voorhield hoe er reets verscheijde geschillen tusschen wederzijds onderdaanen in voordeel van die van de Comp: waarheid gedecideert,

NL-HaNA_1.04.02_3418_0408 view scan ↗

English

257 487 From Macasser, the 9th of June 174. — From Macasser, the 9th of June 174. — had been decided, without satisfaction being obtained, and how, on the other hand, not a single matter on the other side had remained uncompleted, with the result that His Highness, having asked the said ministers for the reasons for their negligence, to which they could by no means give a satisfactory answer, recommended them to settle all matters as speedily as possible, furthermore holding before them, under various reproaches on account of their indifferent conduct both in general and especially with regard to his person in particular, that their oath and duty required this, as well as that they ought to have so much consideration for his person as to ensure that he would not have to meddle with such matters, which made the burden of the government exceedingly difficult for him, with the further addition that it would be well hereafter to lay down this burden of his, but that they could otherwise choose another king; that he had long since grown tired of the government and had deliberately bought a piece of land in the Kampong Bugis for a dwelling place in order not to depend on them and to be able to adhere to the Company; which being answered with silence, I likewise held before the eyes of the said ministers their obligation, and that I therefore had to admonish them to take the monarch's words to heart, to which they also remained silent. Hereafter they came to an indifferent discourse, whereupon His Highness, showing me various writings received by the previous kings from the Company as tokens of recognition, with the known gold medals and chains, came to ask whether any of his said ancestors might also have committed any offence against the Company that had caused the Bonian kingdom to no longer possess all that it had possessed before, from which I easily understanding that he had his eye on the province of Bonthain, I answered that nothing of the kind was known to me, nor was I aware that anything had been taken from the kingdom, which made him ask why Bonthain was then no longer possessed in full by Boni; to which I served that it surely could not be unknown to him that Bonthain had not been taken back by the Company, but had been surrendered again to the Company by the late Queen, His Highness's sister, and thus also taken into possession, where it remained; so that after tarrying a short time longer, I took my leave and returned home. The Captain of the Malays, having visited the King of the Boni with my prior knowledge, who had let him come to him, reported to me this morning that His Highness, having informed him of his intention to commission the glarrang of Bontualacq to Mandhaar, had asked whether this mission should then precede the one to Boelecomba, since he could use no one else for the latter. I thereupon sent the chief interpreter to His Highness to request that the said glarrang might first be sent to Mandhaar as this could not well brook delay, which the monarch promised me. At the same time, I had also given to Brugman, for presentation to the King, a letter or document from the regent sent to me by Boelecomba's resident, according to which the Jennang of Bonthain was condemned for the illicit purchase of stolen buffaloes to the payment of 54 Spanish reals, with orders to tell His Highness how this could serve as an example, on the one hand, that the aforementioned Jennang was indeed guilty of an offence, and on the other hand, how the regent, although long convinced of it, had left His Highness in a contrary belief, and even yesterday, when that matter was spoken of, had remained silent, and that it could be inferred from this how other cases were dealt with as well; to which, upon Brugman's return, I received the answer that His Highness, upon reading the said letter, had merely shaken his head and sent him to the regent to speak with him about it himself, as was done, and who had excused himself by pretending that it had escaped him. Furthermore, the monarch had spoken to Brugman again about the paddy fields at Data, intimating that he feared accidents because he had received report that subjects on both sides were beginning to take up arms against each other, wherefore he had further requested that that matter might be settled or an arrangement made concerning it to prevent all evil consequences. I have again sent the chief interpreter to the King of Boni to inform His Highness that, having clearly demonstrated the lawful possessions of the paddy fields in question by the Company's subjects, I could neither curtail their rights nor prevent them from protecting their lawful property; that there was not the slightest fear of accidents if the Bonians would refrain from committing violence, just as I His Highness of their pretensions, considering that they were solely based on a document granted contrary to all truth by the regent, for which he had drawn money from the Matoa of Data, I

Dutch transcription

257 487 Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — Van Macasser Den 9: Iunij 174. — gedecideert waaren, sonder dat er voldoening kwam en hoe daar en tegen geen enkelijke zaak aan d' andere kant onafgedaan gebleeven was, met dit gevolg dat zijn hoogheid aan gem: mi„ „nisters na de redenen van hun nalatigheid gevraagd heb„ „bende daar zij geensints voldoende op konden antwoorden, hun recommandeerde alle zaaken ten spoedigsten te verevenen haar wijders onder verscheijde verwijtingen wegens haar onderschillige gedrag so in 't gemeen als insonderheid met be„ trecking tot zijn perzoon in 't bijzonder voorhoudende dat hun Eed en pligt zulk so wel meede bragt als dat zij zo veel Consideratien voor sijn persoon behoorde te hebben om te zorgen dat hij zig met diergelijke zaaken niet behoefde te bemoeijen die hem den last van 't bestier ten uijtersten moeijelijk maakte met verdere bijvoeging dat het wel zoude weesen na deesen zijnen last te buijteren dog dat z' anders een ander koning konden kiesen dat hij reets voor lange van de Re„ „geering was gemaakt Eepres een stuk gronds in de Campong bou„ „gis hadde gekogt tot een verblijf plaats om van hun niet te de„ „pedeeren en zig bij de Comp: te kunnen houden, het welke met stil swijgen b'antwoord zijnde zo hield ik gem: ministers ins„ gelijks hunne verpligting voor oogen en dat ik haar dierhalven vermaenen moest 's vorsten gezegte ter harte te neemen daar z' meede op stille sweegen. Hier na geraakte men op een onverschillige discours wanneer zijn hoogheid mij vertoonende diverse geschriften bij de voorige koningen van de Comp ontfangen tot bewijsen van erkentenisse met de bewuste goude medailles en kettingen kwam te vragen of een van gemelde zijne voorzaten ook iets tegen de Comp mis„ „daan mogte hebben dat oorsaake hadde gegeeven waarom het bo„ „nijs Rijk niet alles meer bezat wat het zelve bevoorens beze„ „ten hadde waar uijt ik ligt begrijpende dat hij het oog hadde op de provintie Bonthain zo gaf ik ten antwoord dat mij niets daar van bekend en ook zo min bewust was dat het Rijk iets afgenomen was 't geen hem deed vragen waarom Bonthain dan niet meer door Bonij ter deen bezeten wierd, daar ik op dien„ „de dat hem immers niet onbekend konde zijn dat Bonthain niet door de Comp: te rug genomen, maar door wijlen de laatst overleedene koninginne zijn hoogheits suster aan de Comp: we„ „der was opgedragen en dus ook in possessie genomen waar bij het bleef, so dat ik na nog een korte tijd vertoevens mijn af„ scheid nam en na huijs keerde. De Capitain der maleijers met mijne voorkenisse bij den vermaanen Koning 255 489 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — koning van Bonij gewest zijnde die hem hadde laeten bij zig ko„ men rapporteerde mij deesen morgen dat zijn hoogheid hem be„ „deeld hebbende voorneemns te zijn den glarrang van Bontua„ „lacq na de mandhaar te Committeeren gevraegd hadde of dee„ „se besending dan wee die naar Boelecomba moest voorgaan also hij tot de laatste niemand anders gebruijken konde: ik hebbe daar op den opertolk bij zijn hoogheid gesonden om te versoeken dat gem: glarrang eerst na Mandhaar mogte gesonden worden als niet wel uijtstel konnende veelen 't geen den vorst mij liet toeseggen. te gelijk hadde ik aan Brugman ter vertooning aan den koning meede gegeeven een brief of gescherift van den ryks besterder my door Boelecombas resident toegezonden, volgens het welke den Jen„ „nang van Bonthain over de ongeoorloofde koop van gestolen buffels werd gecondemneerd in de voldoening van 54. spaanse reaa„ „len met last om zijn hoogheid te zeggen hoe dit tot een staaltje konde dienen aan d'eene zijde zo wel dat voorm: Jennang in der daad schuldig was aan misdrijf als aan d' andere zijde hoe den rijksbestierder, schoon daar van lange overtuijgd zijn hoogheid in een Contrarie waar gelaaten en zelfs nog gisteren toen over die zaak gesprokken wierd stil gesweegen hadde, en dat daar uijt af te neemen was hoedanig er in andere gevallen meede gehandeld wierd op 't welk ik bij te rug komst van Brugman tot antwoord ontfing dat zijn hoogheid op de lecture van het gem. brifje eenlijk zijn hoofd geschulden hem na den rijksbestierder gezonden hadde om hem zelf daar over te onderhouden gelijk geschied was en welke zig verschoond hadde met vor te wenden dat het hem ontgaan was. wijders hadde den vorst Brugman weeder gesprooken over de Padij velden op Data inder te kennen gave dat hy voor ongelucken weesde wijl bericht erlangd hadde dat weder zijds onderdaanen zig tegen elkander begonden te wapenen weshalven hij nader versogt had„ „de dat die zaak mogte worden afgedaan of wel eene schicking daar omtrend gemaakt om alle kwaede gevolgen voor te komen. Hebbe ik den oppertolk alweder naar den koning van bony gee„ „zonden om zijn hoogheid te kennen te geeven dat ik de wettige possessien der bewuste padij velden door s Comp: onder daanen klaar gedemonsteerd hebbende deselve in haar regt zo min verkorten als haar beletten konde om haar wettige eijgendommen te bescher„ men dat er geen de minste bedugting voor ongelucken was wanneer de bonies zig van het pleegen van geweld kwamen t' onthouden ge„ „lijk ik zijn hoogheid hunner pretensien gemerkt deselve eenlijk gegrond waaren op een tegen alle waarheid aan verleend geschreft van den rijksbestier der voor het welke hij van Matoa Data geld ge„ ik trocken

NL-HaNA_1.04.02_3418_0410 view scan ↗

English

From Macasser The 9. Iunij 174. — From Macasser The 9' Iunij 174. — had drawn. Whereupon I received the answer that his Highness, notwithstanding the document in question had come to light and been shown to him, and he had declared to have no knowledge of it, nevertheless had requested again that this matter might be further investigated, even if only in appearance, to satisfy the Boniers. Furthermore, on account of the absence of a soldier from the garrison, I gave notice of his disappearance to the respective courts with a request to hand him over upon apprehension, which was promised. Thursday the 23: The chief interpreter departed again to the King of Bonij to point out to his Highness that, however much I wished to do so, I was nonetheless unable to comply with his request of yesterday without making myself a laughingstock to the Regent and others, because the Boniers who had laid claim to the paddy fields in question, convinced of the groundlessness thereof, had been incited thereto solely by the devious conduct of that minister, who consequently ought to be held responsible for the evil consequences that might arise therefrom, for the prevention of which I had his Highness requested once more to send one of his grandees thither to forbid his people all acts of violence; thus the said Brugman finally reported to me that his Highness had promised to dispatch the Tomilalang to his people, but notwithstanding this, requested me, when the fields in question should be planted, still to allow a further investigation to take place. In such manner this latter was repeated in the afternoon by the Bonij interpreter Moentoe in the Prince's name, as also that I might send along one of the Company's interpreters with the Tomilalang, which servant I sent back with orders to tell his master that sending an interpreter of the Company was unnecessary and it would be sufficient if the Tomilalang merely carried out his orders, while for the rest I adhered to the messages which I had sent concerning this through the chief interpreter. Furthermore, I have secretly ordered the Captain of the Malays to keep a watchful eye, both through his subordinate peoples living on the island of Sabouton, who sustain themselves with trepang as well as with turtle shells, and through other persons trusted by him, whenever any foreign ships might appear to the North, in order to be informed thereof as quickly as possible. Towards evening the chief interpreter informed me how it had been reported to him by the Company's emissary Niga that the latter this afternoon From Macasser The 9:' Junij 174. — From Macasser The 9:' Junij 174. — Friday The 24: Saturday 25: Sunday afternoon, having been with the Regent of Bonij on an errand, had learned there that the Company's subjects, having proceeded to the paddy fields in question of Data and Bantha Banthain, a party of fully two hundred armed Boniers had marched out against them, and that they would actually have come to blows had Matra Data not prevented this, as also that Androngveroe Talinko had immediately departed for Maros upon that report. Nothing occurred. 26: The King of Bonij having informed me through the interpreter Hoentoe that the Glarrang of Bontralacq was ready to depart for Mandhaar, asking whether I also had any orders for him, and if he should come in person to receive them, I had the latter requested. He, having subsequently appeared before me, requested to be informed concerning his orders and how to conduct himself if he should be asked what the purpose of the summoning of the princes was, and also whether it were concerning the hijacked vessel in question; whereupon I gave him to understand that he should convey to them in general terms that it was not to be thought that the latter point would be the reason for his dispatch, since this concerned the collective Mandharese princes as little as his commission was simultaneously undertaken in the name of the Company, without, however, declaring what the purpose actually was, nor positively assuring that there would be nothing to negotiate regarding the vessel, unless this latter should be strictly necessary to induce the princes to come hither. The King of Bonij had inquiries made after my welfare. Monday the 27: Tuesday 28: nothing occurred. Wednesday 29. The Chinese Ong I. Tjoeko, having again farmed the lease of the import and export duties for the coming year, related to me this afternoon that he, having given notice thereof to the King of Bonij so as also to request the customary assistance, his Highness had told him not to claim in the future more than six hundred instead of eight hundred Spanish reals, which the leaseholders had paid to the King for a long time, whereof six hundred were reckoned for assistance to their servants and two hundred went to serve as a [illegible] Thursday 30

Dutch transcription

256 491 Van Macasser Den 9. Iunij 174. — Van Macasser Den 9' Iunij 174. — „trocken hadde. waar op ik tot antwoord ontfing dat zijn hoogheid niet Jegenstaande het bewuste geschrift voor den dag gekomen en hem vertoond was mits„ „gaders hy betuijgd hadde daar van geen kennisse te dragen nogtlams alweeder verzogt hadde dat deeze zaak al wat het maar in schijn nader mogte worden indersogt om de boniers te vreede te stellen. Voorts hebbe ik mits d'absentie van een militair uijt het quaa„ „nisoen na de respective hoven van desselvs vermissing doen ken„ nis geeven met versoek om denselven bij agterhaeling over te laeve„ „ren 't geen is toegezigt. Donderdag den 23:' Den oppertolk alweder naar den koning van bonij vertrocken om zijn hoogheid te vertoonen dat hoe gaarne ik zulks wenschte ik nogthans buijten staat was om aan desselvs versoek van gisteren te voldoen, sonder mij bij den rijks bestierder en anderen ten spot te stellen, wijl de boniers welke op de bewuste padij velden preten„ „tie hadden gemaakt van d' ongegrondheid van dien overtuygd alleen door het slinkse gedrag van dien minister daar toe waa„ „ren aangezet denwelke oversulks voor d' oorsaake zoude moeten worden gehouden van de quaede gevolgen die er uijt mogten voor„ „komen, ter preventie van dewelke ik zijn hoogheid nogmaals versoeken liet iemand zijner grooten na derwaarts te zenden om de zijne alle gewelspleegingen te verbieden zo bragt gem: Brug„ „man mij eijndelijk tot rapport dat zijn hoogheid beloofd hadde den To„ milalang aan de zijne te zullen afvaardigen, dog des niet tegen„ „staande mij deed versoeken om wanneer de velden in questie zouden zijn beplant als nog een nader ondersoek te laeten geschieden. Jnvoegen dit laatste snamiddags door den bonijs tolk Moentoe uijt srorsten naam herhaald wierd so meede dat ik een van sComp: tolken met den Tomilalang mogte meede geeven welken bediende ik te rug zond met last om zijn meester te zeggen dat het zenden van een Tolk van de Comp onnodig en het genoeg zoude zijn als den Tomilalang zijn last maar volbragt terwijl ik mij voor 't overige aan mijne boodschappen was gedragende die ik door den oppertolk hier over hadde laaten doen. Wijders hebbe ik aan de Capitain der Maleijers in stilte last gegeeven, om zo wel door zijn onderhoorige volkeren die op het Eijland sabouton woonende zig zo met den tripans als risvangs erneeren als andere door hem vertrouwd wordende lieden een waakend oog te doen houden wanneer zig eenige vreem„ „de scheepen om de Noord vertoonen mogte ten eijnde daar van ten spoedigsten verwittigt te worden. Iegen den avond berigt mij den oppertolk hoe hem door sComp: zendeling Niga gerapporteerd was hoe deese heeden middag 493 257 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Vrijdag Den 24:' Zaturdag „ 25:' Zondag middag bij den Rijksbestierder van Bonij om een bordschap geweest aldaar vernomen hadde dat sComp: onderdaanen zig begeeven hebbende naar de bewuste Padij velden van Data en Bantha Banthain een parthij van wel twee honderd gewapende Bonieas tegen deselve waaren uijtgetrocken en dat z. werkelijk hand ge„ „meen zouden zijn geworden bij aldien Matra Data zulks niet gesluijt hadde, mitsg:s dat Androngveroe Talinko op dat bericht aanstonds na Maros vertrocken was. Is niets voorgevallen. „ 26:' De koning van Bonij mij door den tolk Hoentoe hebbende doen weeten dat den glarrang van Bontralacq gereed was om na mandhaar te vertrecken onder vrage of ik hem ook iets te be„ lasten hadde wanneer hy selfs komen zoude om zulks te verneemen liet ik het laatste versoeken. Denzelven vervolgens bij mij verscheenen zinde versogt„ hij g'informeerd te mogen weesen nopens zijnen last en hoeda„ „nig zig te gedragen wanneer hem mogte gevraagd worden wat der vorsten ontbod ten doek hadde mitsgaders, of het ook waare om het bewuste afgeloopen vaartuig waar op ik hem te kennen gaf dat hij haar in generaele termen zoude dienen te verstaen te geeven hoe het niet te denken waare dat het laatste pompt de reden van sijn sending zoude zijn, wijl sulks zo min de ge„ samentlijke Mandharreese vorsten aanging als zijne Commissie uijt naam van de Comp teffens geschiede, sonder nogthans te verklaeren wat eigentlijk het oogmerk zij, nog ook positief te verseekeren dat er nopens het vaartuig niets zoude te verhan„ „delen vallen ten waare dit laatst volstrekt nodig mogte weesen om de vorsten tot herwaarts komst te beweegen Lut den koning van Bonij naar mijne welstand verneemen Maandag den 27:' dingsdag „ 28:' viel niets voor woensdag „ 29. Den Chinees ong I. Tjoeko voor Anno future weder de Donderdag „ 30 Pagt gemeijnd hebbende van d' in en uijtgaande regten verhaalde mij deesen na de middag dat hij den koning van Bonij daar van kennisse gegeeven hebbende om teffens de gewoone adsisten„ „tie te versoeken zijn hoogheid hem gezegt hadde voor het vervolg niet meer te pretendeeren dan ses Hondert in steede van agt hondert spaanse reaalen welke de pagters zedert een geruijmen tijd aan den koning hadden opgebragt waar van ses hondert gereekend wierden voor adsistentie aan hun„ „ne dienaaren en twee hondert kwamen te strecken tot een vte

NL-HaNA_1.04.02_3418_0412 view scan ↗

English

495 From Macasser The 9th of June 1774. — From Macasser The 9th of June 1774. — Friday the 31st as an equivalent for the abolition of two Malawas, being vessels that were formerly dispatched back and forth to the north by the Boniers, but which had already ceased since the year 1730, with an assurance of granting him the remainder; that he, having said upon this that he hoped this might not tend to his disadvantage on another side, His Highness had answered that he need not be concerned about that, adding that he well knew there was talk of the reintroduction of a Malawa or the sending of a vessel back and forth to the north, but that His Highness suspected that this had originated much rather from the Company's people themselves than from the Boniers. Monday the 3rd of January 1774. Nothing worthy of note occurred. Tuesday the 4th. The King of Bonij informed me through his interpreter Moentoe that the Tomilalang, having returned from the north, had, in accordance with the orders given to him, commanded the Boniers who laid claim to the disputed fields of Bantha Banthain and Data to permit the Company's subjects unhindered to cultivate the same until after the planting season, when a further inquiry concerning this would be held by both sides. Wednesday the 5th. Thursday the 6th. I ordered the interpreter to thank his master for the communication of the former, and to say that since His Highness, together with the collective grandees of the realm, as well as the aforementioned Boniers themselves, were convinced of the illegality of their claim, all further inquiry concerning it would be unnecessary, and I, thus considering this matter settled forever, did not doubt that the Boniers would keep quiet. Nothing occurred. Friday the 7th. The King of Bonij had his interpreter Moentoe ask permission for an audience with me for the young king and the collective grandees of the realm to pay the New Year's compliment, but requested an excuse for himself because his advancing years and weak bodily constitution did not permit him to come in person; upon which I had the answer given that since I had found myself indisposed for several days, I was as yet unable to receive the company, but would send further word. Toward noon there arrived from Boelecomba the southern Regent Craleng Wero, together with the galarrangs of Lange Lange and Grassing belonging under the banner of Tiro, bringing with them their customary tribute. Saturday 497 261. From Macasser The 9th of June 1774. — From Macasser The 9th of June 1774. — Saturday the 8th. Nothing occurred. Sunday the 9th. I sent the interpreter Blij to the King of Bonij, not only to invite the young king together with the collective grandees of the realm for a meal in the Company's garden next Wednesday, but also to request His Highness to appear as well, if his health should permit it, even if it were only for a single hour. Before receiving an answer to this, His Highness had a draft instruction presented to me for review through his interpreter Moentoe for the galarrang of Bontualacq, requesting me at the same time to send the license master Voll together with the chief interpreter to court for a moment in order to speak with them about something; in answer to which message I expressed thanks for the instruction and furthermore gave notice that the license master and chief interpreter would come this afternoon, so that I gave them orders to that end, who, having subsequently carried this out, reported to me toward evening: How His Highness had declared that he had summoned them because Aroe Palacka came to pester him daily as to whether any answer had yet arrived from Batavia to the requested recall of the former King of Goa on Ceylon, her grandson, which he, in order to be rid of her, had made her believe had been submitted by me at his insistence to Their High Excellencies; and that he therefore would like to see me send her the chief interpreter with a message, ostensibly to strengthen her in the belief that this solicitation had indeed been made, but that the answer to it was still awaited, in order to be able to inform her subsequently on another occasion that it had not been granted; he had me requested to put this into effect. Furthermore, His Highness had also said that he intended to come in person, together with the young king and grandees, to pay the customary visit to me, which was also reported to me by the assistant interpreter Blij upon his return. Monday the 10th. Nothing happened. Tuesday the 11th. In accordance with the request of the King of Bonij, I ordered the chief interpreter Brugman to betake himself to His Highness and, under the guise of inquiring after his health, to report as it were that no answer had yet been received to my letters dispatched to Their High Excellencies, and that I was therefore still unaware of Their High Excellencies' decision regarding the request. —

Dutch transcription

495 Van Macasser Den 9. Junij 174. — Van Macasser Den 9. Junij 174. — vrijdag den 31: tot aequivalant voor d' afschaffing van twee Malawas, zijnde vaar„ tuigen die voormaals door de Boniers over en weder na de noord gedepecheerd waaren dog 't welk reets zedert A:o 173. gecesseert hadde met betuijging van hem de overige te schenken, dat hij daar op gezegt hebbende te willen hoopen dat zulks hem aan een andere kant nie tot nadeelen mogte strecken zijn hoogheid g'antwoord hadde dat hij daar voor niet bekommert: behoefde te zijn met bijvoeging wel te weeten dat er gesproken wierd van de weeder invoering van een Malawa of het senden van een vaartuig over en weder na de noord, dog dat zijn hoogheid ver„ „moede dat zulks veel eer van sComp: volk zelfs dan van de Boniers was voortgevloeijd. Maandag „ 3: Januarij 1774. Is niets noteerens waardig voorgevallen. Dingsdag „ 4:' „ Liet den koning van Bonij mij door desselvs tolk Moentoe weeten dat den Tomilalang van de noord gereverteerd zijnde ingevol„ „ge de hem gegeven inmandatis de Boniers die pretentie op de queestieuse velden van Bantha Banthain en data maakten bevoolen hadde sComp: onderdaanen onverhinderd toe te laeten om deselve te bewerken tot na den plant tijd, wanneer weder„ zijds een nader ondersoek dierwegens zoude geschieden: Jk woensdag den 5:' donderdag „ 6:' gaf den tolk last zijn meester voor de Communicatie van het eerste te bedanken en te zeggen dat vermits zijn hoogheid nevens de gesamentlyke Rijksgrooten zo wel als de opgemelde Boniers zelve van de onwettigheid haarer pretensie overtuigd waaren alle verder ondersoek dier wegens onnodig waare en ik deeze zaak dus voor altoos afgedaan houdende niet twijffelde of de Bo„ niers zouden zig wel stil houden viel niets voor Liet de koning van Bonij door zijn tolk Moentoe belet bij mij ora„ vrijdag „ 7:' gen voor den Jong koning ende gesamentlijke rijksgrooten ter aflegging van het nieuw Jaars Compliment, dog voor zig zelfs verschooning ver steken uijt hoofde zijne toeneemende Jaaren en swacke lichaams Constitutie niet permitteerden zelfs te komen waar op ik deed ant„ „woorden dat vermits ik mij zedert eenige dagen oopasselijk be„ vonden hadde ik voor als nog niet in staat was het geselschap 't ontfangen dog nader bescheijd, zoude zenden. Tegen den middag arriveerde van Boelecomba de zuij„ „der Regent Craleng wero nevens de glarsangs Lange Lange en grassing gehoorende onder het rendel van Tiro meede brengende hun gewoon toubut. ga: Zaturdag 497 261. Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9' Iunij 174. — zondag „ 9:' zaturdag den 8:' viel niets voor Hebbe ik den tolk Blij na den koning van Bonij gezonden om niet alleen den Jong koning nevens de gezamentlijke rijksgroo„ „ten tegens aanstaande woensaag in sComp: thuijn ter maaltijd t' inviteeren, maar ook zijn hoogheid te versoeken om ins„ gelijx meede te verschijnen, wanneer zijn dispositie het per„ mitteeren mogte al was het maar voor een enkel uurtjen. Alvoorens hier op antwoord t' ontfangen, tiel mij zijn Hoogheid door zijn tolk Moentoe een Concept Jnstructie ter resumtie aan„ „bieden voor den glaarang van Bontualacq mij teffens doende versoeken om den Licentmeester voll nevens den oppertolk eens ten hove te senden ten eijnde met deselve over iets te kunnen spreeken in antwoord van welke boodschap ik voor de Jnstructie bedanken en voorts weeten liet dat den decentmeester en opper„ „tolk deesen na de middag komen zoude invoegen ik deselve daar toe bevel gaf die zulks vervolgens volbragt hebbende mij tegen den avond rapporteerden. Hoe zijn hoogheid betuijgd hadde haar bij zig te hebben doen komen ter zaake Aroe Palacka hem dagelijks kwam tastig te vallen of er nog geen antwoord van Batavia ge„ komen was op het versogte rappel van den geweesene koning Maandag den 10:' van goa op Ceijlon haar kleen zoon 't welk hij om van haar ontslagen te raeken haar diest gemaakt hadde door mij op zijne instantie, aan Haar hoog Edelhedens te zijn voorgedragen, en dat hij deerhalven gaarne zullende zien dat ik haar den oper„ „tolk kwam te zenden met een boodschap quasie om haar in de gedagten te sterken dat die sollicitatie werkelijk geschied was dog het antwoord op nog verwagt wierd, om haar vervolgens bij een andere gelegentheid te kunnen doen weeten dat er niet op gedescribeerd was; hij mij versoeken liet om zulks ter uijtvoer te willen brengen Voorts hadde zijn hoogheid nog gezegt van intentie te zijn E om nevens de Jong koning en grooten in persoon de gewoone resite bij mij te komen afleggen 't welk mij ook door den ondertolk Blij bij zijn te rug komst gerapporteerd wierd. Is niets gepasseerd. Conform het versoek van den koning van Bonij hebbe ik den opper„ Dingsdag „ 11:' „tolk Brugman in mandatis gegeeven om zig bij zijn hoogheid te vervoegen en denzelven onder informatie na desselfs welstand kwa„ „sie te berichten dat er nog geen antwoord op mijne brieven aan haar hoog Edelheedens afgevaardigt, ontfangen en ik dierhal„ „ven nog onkundig was van Hoog derselver dispositie omtrent het van versogt. —

NL-HaNA_1.04.02_3418_0414 view scan ↗

English

499 263. From Macassar The 9th of June 174. — From Macassar The 9th of June 174. — Wednesday the 12th requested the dismissal of the former king of Goa, which servant upon his return reported to me that His Highness had sent him along with one of his interpreters to Aroe Palacka herself to deliver that message to her, who had expressed her gratitude for it; however, from the speculative questions that Brugman told me she had put to him, I must gather that she suspects the Prince's conduct. There arrived here in the roads three Tambora envoys who made their arrival known to me, in reply to which I had them welcomed, with the announcement that I would receive them shortly. I entertained the king of Bony, together with the Crown Prince and virtually all the grandees of the realm, alongside a multitude of young princes, at a meal in the Company's garden in the presence of the members of the Council of Policy and all qualified persons. Among other casual discourses held with His Highness, he indicated his intention to communicate the election of the Young King by a solemn embassy to Their High Excellencies, recommending him at the same time in the strongest terms to the Company's favor for the welfare of the realm and the subjects; to which I replied that the intended mission would undoubtedly be very pleasing to Their High Excellencies, and that, the Company having always striven as much for the prosperity of Bony as for that of its own interests, I would not fail to demonstrate the same in the future as well; adding that in my judgment a desirable fruit of his reign was to be expected in all respects if His Highness would continually entertain notions of the Company's friendship, to which many other Bony grandees seemed averse, and, continually preferring the general interest above all private interest, live with the Governor in good trust and harmony, and on the other hand carefully guard against the evil machinations of all those who, indifferent to the welfare of the Realm, make no difficulty in giving cause for misunderstanding, from which very detrimental consequences could arise; after which His Highness, having declared that he found himself somewhat at a loss as to whom he should employ as Ambassadors, saying that there were scarcely capable persons for it, I asked whether he could not resolve to let the Crown Prince himself go along, but he declared that he was as yet too young, saying however that he would consider the matter further. After the midday meal was finished and His Highness undoubtedly 501 265 From Macassar The 9th of June 174. — From Macassar the 9th of June 174. — had drunk a cup of tea, he, along with the Young King and other grandees, took his leave around three o'clock and departed under the customary ceremonial. Thursday the 13th. The long-awaited envoys of Bouton arrived here in the company of the spice extirpators, who gave me notice thereof through an interpreter with a request for an audience, which I have set for the day after tomorrow. Friday the 14th. I received the Tambora envoys who arrived the day before yesterday, who, while handing over a letter from the grandees of the realm, communicated to me that, notwithstanding that everything had already been in readiness for his departure, they had not been able to bring the Young King along, both because he found himself indisposed and because his mother had died, and that they had therefore only been sent to request an apology on that account, as well as to report that the said Young Prince, along with the regent, were to come at the soonest. Toward noon, the Chinese Liekamlong, one of the partners of the farm of the import and export duties for the current year, came to lodge a complaint with me on behalf of them all, stating that in the Boegies Campong a rather large vessel was being loaded, for which the Bonese refused to pay toll, pretending that they were entitled to the sailing back and forth of such a vessel from here to the North and vice versa, and that this was said to be an ancient custom; they therefore requested my assistance, as this was to result in such notable prejudice to their revenues that they would not be able to raise their owed lease monies; whereupon I ordered the complainant to address himself to the king on that account and present his interests against it, without however using my name any further than if His Highness should refuse to give satisfaction, in which case I ordered him to represent to the prince that extraordinary difficulties were to be expected from this, as I would find myself compelled vigorously to maintain the farmers, and I therefore requested that the dispatch of such a vessel should not proceed, or else the usual toll for the loaded goods should be paid. The answer to that message, brought to me toward evening by Liekamlong, dictated that the king continued to maintain the right of the Bonese to keep such a vessel under the name of Malauwa, and that he had declared having no power to prevent them from it; but that he would speak about it with the Bony grandees and send me an answer.

Dutch transcription

499 263. Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Woensdag den 12:' versogte ontslag van de geweese koning van goa, welke bediende mij bij te rug komst bericht bragt dat zijn hoogheid hem nevens een zyner tolken na Aroe Palacka zelfs gesonden hadde om haar die bood„ „schap te doen die daar voor haar dankbaarheid hadde betuijgd: egter dien ik uijt de speculatave vragen welke Brugman mij zeijde dat z.' hem gedaan hadde op te maeken dat zij T rorsten gedrag verdenkt. Arriveerde alhier ter Rheede drie Tamboreese gezanten welke my hun komst deden bekend maaken in antwoord van 't welk ik haar liet verwelkomen, onder aanzegging van haar eerstdaags te zullen ontfangen Hebbe ik den koning van bony nevens den kroon Prins en genoegsaam alle de rijksgooten nevens een menigte prinsjes in sComp: thuijn in bij„ weesen van de leden van den politicquen raad en alle gequalificeer„ den ter maaltijd onthaald onder andere onverschillige discoursen met zijn Hoogheid verhandeld gaf hij te kennen: voorneemens te zijn de verkiesing van den Jong koning door een plegtige ambassade aan haar hoog Edelhedens te Communiceeren denselven tef„ „fens op het aller kragtigste recommandeerende in sComp: gunste tot welweesen van het rijk en d'onderdaanen waar op ik repli„ „ceerde dat de voorgenomene bezending haar hoog Edelheedens ongetwijffeld zeer aangenaam zoude weesen dat de Comp: attoos zo zeer voor den welvaart van Bonij als voor dat van haar eij„ gen belangen g'ijvert hebbende ik niet in gebreeke zoude blij„ „ven zulks ook voor 't vervolg te betoonen; met bijvoeging dat er mijns oordeels allenthalven een gewenschte vrugt van spin„ „len Regeering zoude te wagten weesen, wanneer zijn Hoogheid hem steeds denkbeelden van sComp: vraindschap, waar van veele andere Bonijse grooten avers scheenen en om steeds het algemeen belang boven alle bijsonder Jntrest prefereerende met den gou„ „verneur in een goud vertrouwen en harmonie te leeven en zig daar en tegen zorgruldig te wagten voor de kwaede minees van alle de zulke die onverschillig omtrend den welstand van het Rijk geen swarigheid maeken om aanleijding te geeven tot misverstand waar uijt zeer nadeelige gevolgen ontstaan kennen: waar na zijn Hoogheed betuijgd hebbende zig eenigsints in verlegentheid te vinden wie hij als Ambassadeurs zoude gebruijken als zeggen„ „de dat er naeuwlijks bequaeme persoonen toe waaren zo vroeg ik of hij niet zoude kunnen resolveeren den krom prins zelfs te lae„ ten meede gaan dog hij betuijgde dat den zelven als nog te Jong was egter zeggende zig daar op nader te zullen bedenken. Na dat het middagmaal geijndtigt was en zijn hoogheid ongetwijffeld 501 265 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser den 9: unij 174. — Vrijdag een kopje the gedronken hadde nam hij nevens de Jongkoning en verdere grooten tegen drie uuren afscheijd en vertrok onder het ge„ bruijkelijk Ceremonieel. Donderdag den 13:' Arriveerde alhier de lang verwagte gezanten van Bouton in geselschap van de specerij Extirpateurs dezelve mij daar van door een tolk doende kennisse geeven met versoek om acces t welk ik tegen overmorgen bepaald hebbe. „ 14: Hhebbe ik d' op eergisteren gearriveerde Tamboreese gestanten gerecippierd die mij onder overgave van een brief van de rijksgroo„ ten Communiceerde dat zij den Jong koning niet tegenstaande alles bereeds tot zijn vertrek in gereedheid was geweest niet hadde kun„ „nen meede brengen zo uijt hoofde denzelve zig onpasselijk bevond als dat zijne moeder overleeden was en dat zij oversulks alleen waeren afgezonden om dierwegens Excus te versoeken, mitsgaders te berigten dat gemelden Jongen voorst nevens den regent ten spoedig„ „sten stonden te komen. Tegen den middag kwam den Chinees Liekamlong een der mee„ „de standers van den Pagten der in en uijtgaande regten voor het loopende Jaar uijt hun aller naam klagte bij mij doen dat er in de Campong Boegies een tamelijk groot vaartuig wierd beladen, waar van de bonieas tol weijgerden te betaelen, onder voorgeeven dat zij tot het over en weeder doen naaren van zodanigen vaartuijg van hier na de Noord en vice versa geregtigt en sulks een oud gebruijk zoude zijn versoekende zij dierhalven mijne adjude also zulks tot zo mer„ kelijken nadeel hunner inkomsten stond te strecken dat 'z niet in staat zouden weesen hunne verschuldigde pagtpenningen op te bren„ gen: waar op ik den klager gelaste om zig dierwegens zelfs bij den koning te vervolgen en zijne belangen daar tegen in te ver„ „voegen en zijne belangen daar tegen in te brengen zonder nogthans mijn naam verder te gebruijken dan wanneer zijn hoogheid gaen veldoening mogte willen geeven in welken geval ik hem ordon„ „neerde den vorst voor te houden dat hier uijt ongemeene moeije„ „lijkheeden te wagten stonden wijl ik mij genoodsaakt zoude vin„ „den de pagters kragtdaedig te maintineeren en ik dierhal„ „ren versoeken liet dat het versenden van zodanigen vaartuijg geen voortgang neemen dan wel de gewoone tol van de Jngeladene goederen mogte betaald worden. Het antwoord op die boodschap mij door Liekamlong tegen den avond gebragt dicteerde dat den koning het regt der boniers tot het houden van zodanigen vaar„ „tuijg onder de naam van Malauwa bleef beweeren en dat hij betuijgd hadde geen magt te hebben om haar sulks te beletten: dog dat hij met de bonijse rijksgrooten daar over spreeken en mij tot bescheijd

NL-HaNA_1.04.02_3418_0416 view scan ↗

English

267 503 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — would let know a reply: Saturday the 15th: I received the Bouton envoys who arrived here yesterday with the customary ceremony in the Castle, who merely handed me a letter from the king and grandees of the realm, which I told them I would have translated in order to confer with them further on the matters contained therein, after which they took their leave. Subsequently, the king of Goa requested access for himself and his grandees of the realm for next Tuesday to pay the customary New Year's compliments, to which, on account of indisposition, I replied that I would let them know a further decision. After this, the Bone interpreter Moentoo appeared before me on behalf of the king his master, making known that the Chinese Liekamlong, alias Intje Troo, having spoken to His Highness about the so-called Malawa, he had spoken to the Tomilalang regarding this and also received as an answer that the Bone people were not inclined to abandon this right of theirs, which was grounded in the Bone realm's laws and was an ancient custom, and that they had never sold it or ceded it for money; furthermore, that His Highness, not being permitted to curtail them, therefore requested that the Malauwa might remain in force. I instructed the interpreter to tell the king that it seemed strange to me how the grandees of the realm in this matter could appeal to Bone realm laws concerning the right to the toll which legally belonged to the Company on all imported and exported goods, and that as far as the ancient custom was concerned, it was well known that the maintaining of a Malauwa had already been abandoned since the year 1753, and in place of it an equivalent of two hundred rijksdaalders a year was paid by the respective leaseholders to the Bone people, which they had also offered again for this current year and were still inclined to pay; that therefore the reintroduction thereof included an innovation, and I consequently expected that such would be ceased, furthermore requesting the same in the earnest manner of His Highness to prevent difficulties, considering that I, being bound to maintain the leaseholders, would otherwise have to take measures to prevent the dispatch of such a vessel. The interpreter, having departed with this answer, returned in the afternoon with the reply that His Highness had ordered him to tell me that the Bone people could not sell the right to maintain a Malauwa nor receive money for it, yet 269 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — Sunday the 16th: yet that, in case the Company wished to take it for itself, they would have to be content: whereupon I let the prince know once more that I acknowledged no such right of the Bone people except insofar as it had been an ancient custom which they had abandoned themselves, and that it was therefore as little open to them to reintroduce the same as it was the Company's desire to take anything away from them of the gratuity that had since been paid for it, the only thing they could maintain with any basis of reason to belong to them, the more so because the agreement regarding this with the leaseholders, as well as regarding the gratuity which the king enjoys from them for the assistance, had always remained outside the interference of the Company or indeed the administration here. I had the king and grandees of the realm of Goa invited for noon the day after tomorrow through the under-interpreter Istaels, who reported to me that His Highness had accepted to appear. Furthermore, the first envoy of Bouton who was present had access requested of me to deliver, as his interpreter attested, a private letter from the king addressed to me, to which I let him know that I would receive him as soon as possible. Nothing occurred. I entertained the king and grandees of the realm of Goa in the Company's garden at noon, who departed very satisfied at about four o'clock, expressing their gratitude for the friendly reception, without any matters of importance being dealt with. The envoys of Bouton present, having appeared before me in the Company's garden at about eleven o'clock after previously granted access, handed me the first letter of their prince. After which, having engaged in conversation with them regarding the outstanding matters between the Company and the realm, I expressed my astonishment at the contents of the letter from the king and grandees of the realm, as my previous one had merely been barely touched upon therein and most points had been left unanswered, furthermore that not a single slave had been paid in reduction of the remaining debt of 113 heads, notwithstanding the earnest admonition both from me and in particular from Their Right Noblenesses, who had ordered me to attend to the collection thereof. All of which they answered by making known that the king and grandees of the realm, through the conduct of those of Calesoesoe, had been placed in a state unable to fulfill their obligations. Monday the 17th: Tuesday the 18th: Wednesday the 19th: 505

Dutch transcription

267 503 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — bescheijd zoude laeten weeten: Zaturdag den 15:' Hebbe ik d' op gisteren alhier g'arriveerd Boutonse gesanten met het gebruijkelijk Ceremonieel in het Casteel gerecipeerd die mij eenlijk overhandigden een brief van den koning en Rijks„ grooten welke ik hun zeijde te zullen laaten translateeren om nader met haar over de zaeken daar in vervatte abouchee„ ten waar na z' hun afscheid name vervolgens liet de koning van Goa voor hem ende zijne rijksgrooten acces vragen tegen aanstaande Dingsdag ter af„ legging van de gebruykelijke nieuw Jaars Complementen waar op ik mits onpasselijkheid g'antwoord hebbe nader bescheijd te zullen laeten weeten Hier na verscheen bij mij de bonijs tolk Moentoo uijtnaam van den koning zijn meester te kennen geevende. Dat de Chinees Liekamlong alias Jntje Troo zijn hoogheid gesprooken hebbende over de zo genaamde Malawa hij den Tomilalang dierwegens hadde onderhouden oog ten antwoord bekomen dat de boniers niet geneijd naaren van deese hunne geregtigheid welke op de bonijse Rijkswetten gegrond en een oud gebruijk was af te zien en dat zij t'immer verkogt of voor geld afgestaan hadde mitsgaders dat zijn hoogheid haar niet mogende verkorten over sulks ver„ „sogt dat de Malauwa mogt blijven stond grijpen Ik gaf den tolk last den koning te zeggen dat het mij vreemd voor„ „kwam hoe de rijksgrooten zig in deesen beroepen konden op bonijse Rijkswelten over de geregtigheid van den tol die de Comp: wettig van alle in en uijtgevoerd wordende goederen Competeerde en dat wat het oude gebruik betrof het bekend waare dat van het hou„ „den van een Malauwa reets zedert het Jaar 1753 afgezien en daar voor door de respective pagters aan de boniers een equivalent van Twee hondert rijksdaalders sjaars betaald was welke sij ook voor dit loopende weeder g'offereert hadden en als nog genegen waaren te voldoen, dat oversulks de weeder invoering van dien een nieuwigheid includeerde en ik dierhalven verwagten wil„ „de dat zulks zoude worden gestaakt mitsg:s het zelve op het ernstigste aan zijn Hoogheid liet versoeken ter voorkoming van „moeijelijkheeden gemerkt ik gehouden weesende de Pagters te maintineeren andersints middelen bij der hand zoude moeten neemen om de versending van zodanigen vaartuig te beletten. Den tolk met dit antwoord vertrocken keerde des nade middags weder te rug met replicq dat zijn hoogheid hem gelast hadde mij te zeggen hoe de Boniers het regt tot het houden van een Malauwa niet verkoopen nog daar voor geld ontfangen kon„ Togt den 269 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — zondag den 16:' den, tog dat zij ingevalle de Comp: het zelve na zig nemen wilde zig te vreeden moesten houden: daar ik den vorst andermaal op wee„ „ten liet dat ik geen zodanig regt van de boniers erkende als voor zo verre het een oud gebruijk geweest was waar van zij zelfs af„ gezien hadden en dat het haar oversulx zo min vrij stond het zelve weder in te voeren als de Comp begeerde haar iets af te nee„ „men van 't douceur dat daar voor zeedert betaald was, het ee„ nigste dat z' met eenig grond van redeenen konden susteneeren haar te Competeeren te meer d' over een komst dierwegens met de pagters zo wel als wegens het douceur dat de koning van haar geniet voor d' assistentie altoos gebleeven was buijten bemoeijenisse van de Comp: of wel het ministerie alhier Hebbe ik den koning en Rijksgrooten van gra tegen overmor„ gen ter middagmaal laeten nodigen door den ondertolk Istaels die mij bericht dragt dat zijn hoogheid aangenomen hadde te zullen verschijnen. Voorts liet de aanweesende eerste gezant van Bouton ac„ „les bij mij versoeken ter overgave zo desselvs tolk betuijgde van een Particulier briefje van den koning aan mij gerigt daar ik hem op hebbe laaten weeten dat ik hem op hebbe laaten weeten dat ik hem zo spoedig mogelijk recipieeren zoude. Vrel niets voor Hebbe ik den koning en Rijksgrooten van gra in sComp: thuijn Dingsdag „ 18:' ter middagmaal onthaald, dewelke onder betuijging van hunne dankbaarheid voor de vriendelijke receptie tegen vier uuren zeer vergenoegd vertrocken; sonder dat er over eenige zaaken van belang is gehandeld D' aanweesende gezanten van Bouton na voor af verleend Woensdag „ 19:' acles tegen elf uuren bij mij verscheenen in sComp thuijn over„ handigde mij den eersten brief van zijn vorst. Waar na ik met haar in gesprek geraakt over de uytstaan„ „de zaaken tusschen de Comp: en het rijk mijne bevreemding te kennen gaf over den inhoud van den brief van den koning en rijksgrooten also mijne voorige daar bij als 't waare maar even aangevoerd was ende meeste poincten onb' antwoord gelaaten waaren mitsg:s dat er geen enkele slaaf in mindering van de restand schuld van 113. koppen voldaan was, met Jegenstaande d'ernstige aanmaening zo van mij als in 't bijzonder van haar Hoog Edel„ „heedens welke mij gelast hadden dies invordering te bezorgen. Welk een en ander zij b'antwoorden met te kennen gave dat de koning en rijksgrooten door het gedrag van die van Calesoe„ „soe buijten staat waaren gesteld aan haar gehoudenisse te vol„ Maandag den 17:' viel doen/ 505

NL-HaNA_1.04.02_3418_0418 view scan ↗

English

277. 507 From Macasser The 9th June 174. — From Macasser The 9th June 174. — do, but that, the king intending to undertake an expedition against them, they hoped for a successful outcome in order to be able to pay off the remaining debt, further repeating the request made in the letter for two hundred flintlocks with the necessary powder and lead, which I refused under the pretext of having orders not to increase the debts of the princes nor to provide more money or goods before the old debts were paid off, nevertheless pointing out to them that if the king and the grandees of the realm had taken the necessary measures at the first signs of disobedience from the Callisoesoe people to bring them to reason, it would have been far better than waiting this long, but that I nevertheless had to assume that they would come to terms if only serious action were taken, since those people were no match for the rest of the prince's forces and it was likely that upon the first arrival of the prince's troops many, if not most, would submit at once; which they acknowledged. After which I asked them about some circumstances concerning the Cerammers, about whom they were able to tell me nothing more than what is already known to me, so that, after taking some refreshments, I dismissed them. Upon receiving the report from the Farmer of the import and export duties that the vessel in the Bugis Kampong mentioned under the 14th of this month was fully laden and would possibly depart with the first opportunity, notwithstanding the messages sent about this to the king of Bonij, on Thursday the 20th I sent the chief interpreter Brugman directly to His Highness with orders to request him once again most earnestly in my name to prevent this, pointing out that it would be extremely unpleasant for me, after three years of friendly relations with His Highness in which I had shown all goodwill from my side, to fall into discord, which was undoubtedly to be expected from this, since I, being bound to maintain the Company's rights, could not look favorably upon them being infringed without bringing upon myself the extreme displeasure of Their High Excellencies, who would likewise have to regard such a step as highly contrary to the friendship between the Company and Bonij; Brugman subsequently having returned, reported to me that he had made everything known to the king as much as possible, but that His Highness, far from lending an ear to it, had lashed out against him with unusual vehemence and said that the Bonij people had from ancient times had a Malawa, and that although the keeping of it had ceased since 1753, this did not take away their right, but that they were free to make use of it again, which he could not prevent; that if I nevertheless wished to do so, I could do it myself, even if it were that I also wished to take away from him the money that the farmers were accustomed to pay for the assistance to their servants; after which he had nevertheless said to the Tomilalang and Datoe Baringang, who were present there, that they could now answer the message of the chief interpreter, so these had only requested that they might not be curtailed in their rights, which the prince had subsequently ordered Brugman to deliver to me in reply as well, who further testified that due to the prince's demonstrated drift and passion he had had no opportunity to answer him properly. Friday the 21st: The southern Regents Craeeng Tiro and Craeeng Wero, together with their accompanying glarrangs, item the glarrang of Grassing and Lange Lange, having properly delivered their tribute, and having appeared before me this forenoon to take their leave, I dispatched them. Furthermore, on account of the unsatisfactory answer of the king of Bonij to my message of yesterday, I sent the shahbandar Voll, having previously requested a private audience with His Highness, to confer with him most earnestly yet at the same time amicably concerning the questionable point of the Malawa and, if possible, to persuade him to cease its reintroduction, but with no better result than yesterday's mission by Brugman, who also went along again, as the shahbandar reported to me upon his return that the prince had lashed out against him no less, to the extent that he had had to request several times to be heard before he was able to carry out his orders, while the final outcome had been that His Highness had stated that he neither could nor would prevent the Bonij people from keeping a Malawa, but would await whatever I might wish to undertake to oppose it, with the further remark that he would also no longer accept the usual douceur from the Farmers for the assistance of their servants, while he had in addition feigned ignorance beyond the six hundred

Dutch transcription

277. 507 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9: Iunij 174. — „doen dog dat de koning verneemens zijnde daar tegen een Eypedi„ „tie te doen zij hoopten op een geluckigen uijtslag ten eijnde de resteerende schuld te kunnen afleggen herhaelende wijders het bij den brief gedaane versoeken om twee hondert snaphaanen met het nodige kruijt en lood 't welk ik afsloeg onder voor geeven ordre te hebben de schulden der vorsten niet te vergrooten of geld of goederen meer te verstrecken voor dat de oude schulden waaren afbetaald haar nogthans voorhoudende dat ingevalle de koning en rijksgrooten op d' eerste blijken van ongehoorsaamheid der Cal„ „lisoesoeers de nodige mesures hadde genomen om hun tol reeden te brengen zulks vrij beter zoude zijn geweest dan dus lange te wagten, dog dat ik des niet tegenstaande genoegsaam moest vast „stellen dat z' wel zouden bij komen wanneer er maar ernst ge„ bruijkt wierd wijl dat volk tegen 's vorsten overige magt niet opgewassen en het waarschijnlijk was dat op d' eerste aankomst van srorsten troupen veele, zo niet de meesten zig al aanstonds submitteeren zouden; 't geen zij b'raamden. Waar na ik haar gevraagd hebbe na eenige omstandigheeden van de Cerammers, omtrent dewelke I mij egter niets wisten te zeggen dan 't geene my reets bekend is zo dat ik haar na 't nut „tigen van wat refraichementen hun afscheijd gaf Mits het ontfangen berecht van den Pagter der in een Dinderdag den 20 uijtgaande regten dat het vaartuig in de Campong Boegineesen vermeld sub 14. deeser geheel vollaaden was en mogelijk met den eersten vertrecken zoude, niet jegenstaande de daar over gedaane bodschapen aan den koning van Bonij hebben ik den oppertolk Brug „man direct bij zijn hoogheid gesonden met last om denselven nog„ maals uijt mijn naam op 't ernstigste te versoeken om zulks te be„ „letten onder voorhouding dat het mij ten uijtersten onaangenaam zoude zijn na een drie Jaerige vriendelijken omgang met zijn hoog„ „heid waar in ik in alleen op sigte van mijne zijde alle welmeenent„ heid betoond hadde in onmin te geraeken welke daar uijt onge„ twijffeld te verwagten stond vermits ik gehouden zijnde sComp: geregtigheeden te maintineeren niet met goede oogen zoude kun„ „nen aansien dat deselve wierden g'infringeert sonder mij het uijterste ingenoegen van Haar Hoog Edelheedens op den hals te haalen welke zodanige stap insgelijx als ten hoogsten sctrijdig met de vriendschap tusschen de Comp: en bonij zouden moeten aan„ merken; Brugman vervolgens te rug gekomen, rapporteerde mij dat hij alles zo veel mogelijk den koning hadde te kennen gegee„ „ren dog dat zijn hoogheid wel verre van daar aan het oor ter leenen ongemien hevig tegen hem uijtgevaaren en gesegt gehad had„ Nits den 273. 509 Van Macasser Den 9.:' Junij 174. — Van Macasser Den 9: Iunij 174. — „de dat de boniers van ouds een Malawa gehad hadden en dat schoon het houden van dient zedert 1753 was gestaakt zulks hun regt niet wegnam maar het haar vrijstond daar van weder gebruikt te maaken het welk hij niet beletten konde dat ik zulks nogthans willende het zelve konde doen al was 't dat ik ook hem ontneemen wilde het geld dat de pag„ ters gewoon waaren voor d' assistentie aan haar dienaaren te betaalen waar na hij nogthans aan de Tomilalang en da„ „toe Baringang, die zig daar bevonden gesegt hebbende dat z' nu op de boodschap van den oppertolk konden antwoorden zo had„ den deesen eenlijk versogt dat zij in hunne geregtigheid niet mogten worden verkort het welk den vorst vervolgens aan Brugman hadde gelast mij meede in antwoord te boodschap„ „pen die wijders betuijgde door'T vorsten betoonde drieft en passie geen gelegentheid te hebben gehad hem behoorlijk te kunnen antwoorden. Vrijdag den 21:' De zuijder Regenten Craceng Tiro en Craeeng, wero ne„ „vens hunne bij hebbende glarvangs item de glarrang van grassing en Lange Lange hun tribut behoorlijk gelievert heb„ „bende mitsgaders deesen voormiddag ter erlanging van af„ scheijd bij mij verscheenen zijnde hebbe ik deselve gedepecheert. voorts hebbe ik mits 't involdoend antwoord van den koning van bonij op mijne boodschap van gisteren den saban, „dhaar voll na voor af versogt particulier acles bij zijn hoogheid gesonden om denzelven op het aller eenstigste dog teffens vriendelijk 't onderhouden over het quistieuse poinct van de malawa en waare het mogelijk te disponeeren om dies weeder invoering te doen staaken dog met geen be„ ter uijtslag dan de besending op gisteren door Brugman die teffens weder meede gegaan is also den sabandhaar mij bij te rug komst rapporteerde dat den vorst: niet minder te„ „gen hem uijtgevaaren was in zo verre dat hij verscheijdene reijse hadde moeten versoeken om alvoorens gehoord te mogen morgen eer hij in staat was geweest zijnen gelast te volbren„ gen ter wijl den eijndelijken uijtslag was geweest dat zij hoog„ „heid te kennen gegeven hadden de boniers het houden van een Malawa niet te kunnen nog te willen beletten maar te zullen afwagten alles was ik tot tegengang van dien mogte willen in t werk stellen, met verdere uijtleeting, dat hij ook het gewoone douceur van de Pagters voor de assistentie hun„ „ner dienaar niet meer accepteeren, zoude ter wijl hij daar en boven ignorantie gepretenteerd hadde buijten de ses hon„ voorts dert

NL-HaNA_1.04.02_3418_0420 view scan ↗

English

From Macasser The 9th of June 174. From Macasser The 9th of June 174. Saturday the 22nd had enjoyed any other money, beyond one hundred Spanish rijksdaalders for the assistance of the farmers' servants, or knew that such had been drawn by anyone else as an equivalent for the abolition of the Malawa, however much he, the sabandhaar, had tried to convince him thereof, even naming the persons who had come to receive it. Nothing occurred. Monday the 24th it was reported to me by the sabandhaar Voll as well as by the Captain of the Malays how the latter was informed that, notwithstanding the declaration of the King of Boni regarding the Malawa recorded under the 21st of this month, His Highness, as soon as the sabandhaar Voll had departed, had submitted to the Regent and other grandees that the message delivered to him by the sabandhaar on my behalf, with the arguments presented by him both with respect to the Company's right regarding the collection of toll and that the Bonians themselves had waived the holding of the Malawa, as well as the apprehension that estrangement could arise from this between the Company and Boni, required that this matter be taken into further consideration, Sunday the 23rd That pursuant to this they had also communicated the result of their meeting to His Highness, but had received as an answer that, having asserted upon their previous declaration that the holding of a Malawa could not be disputed to them, he could not now retract, but that it would be best and therefore ordered them to consult further with one another about it; that according to this, all the grandees of the realm having repaired the following day to the Regent, the latter had publicly declared that the request of the Company was equitable, since the exclusive collection of toll pertained to it and the Bonians had long since waived the holding of the Malawa and had since enjoyed an equivalent from the respective farmers for it. That the Tomilalang, along with the other grandees, with the exception however of Batoe Baringang, had agreed to the statement of the Regent, and that it had therefore been thought fit to make this known to their monarch and to request him to arrange the same according to his pleasure, under this comparison: that they collectively were like the leaves of a tree, but the king was the wind by which the same were moved. to be to leave the matter to take its course until he, in order to appoint the young king, was to depart for the inland regions in two or three months, when the governor could do what seemed good to him. From Macasser the 9th of June 174. From Macasser The 9th of June 174. Tuesday the 21st to Saturday the 29th Nothing occurred. Friday the 28th I received a report that the recovered punggawa, having been summoned by the Regent of Boni and very circumstantially questioned regarding the cause of the abolition of the Malawa and what he thought of the Company's desire and the request made to the king that the same might not be reintroduced, had declared to him that he could not understand how, turning down the said request, they remained standing on the right that the Bonians claimed to have thereto: that indeed on the one hand the Company alone was entitled to the collection of toll, while the Bonians, having themselves abolished the Malawa, had since enjoyed an equivalent for it; and that on the other hand the interest of Boni required the avoidance of all disunion with the Company which would certainly arise therefrom; that to this was added how the Wadjoese, who had always been enemies of Boni, stood to be primarily benefited thereby, and this was as much as if one wanted to make them even more powerful in order to be able to do more harm to Boni afterwards; Sunday the 30th to Saturday the 5th of February Nothing of particular importance occurred to be noted herein. Sunday the 6th Various complaints in writing, made to him by the regents of Sagerij and Kattena, were handed over to me by the chief interpreter concerning the insolent actions of both the Tanete Prince Aroe Pantjana and Aroe Pao Pao, and principally: 1st. That Aroe Pantjana had forbidden the subjects of Kattena from cutting wood in their own forest named Pollo Pollo or from letting their buffaloes graze there, saying he wanted to make a hunting ground of it for himself. 2nd. That he had likewise appropriated for himself a stream called Kalobbang, which also belonged to them and in which they had been accustomed to fish from of old. 3rd. That about two years ago, through one of his sons named Laora, he had caused three subjects to be carried off from the negorij Kattena after having plundered the same, and up to now had been willing to return no more than one, in spite of all representations made and the refutation of his frivolous pretexts; but that everything had to be attributed to the ignorance of the people who presently had the management of affairs in hands, referring to Datoe Baringang and Aroe Pinroe. but 4th.

Dutch transcription

275 511 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Zaturdag den 22:' „dert rijksdaald:s spaans voor d' assistentie van de dien aa„ ren der Pagters eenig ander geld genoten te hebben of te weeten dat zulks bij iemand anders getrocken was als een aquivalent voor d' afschaffing der Malawa hoe zeer hij sabandhaar hem daar van hadde tragten 't overtuigen zelfs de persoonen noemende die het selve waaren komen ontfan„ is niets gepasseerd Maandag „ 24: wierd mij door den sabandhaar voll zo wel als door den Ca„ „pitain der Maleijers gerapporteerd hoe den laast gem: onder„ rigt was dat niet Jegenstaande de claratie des koning van Bonij omtrend de Malawa aangeteekend onder den 21:' de„ „ser zijn hoogheid zo dra den sabandhaar voll vertrocken was de rijksbestierder en verdere grooten voorgehouden hadde dat de boodschap hem door den sabandhaar mijnent wegen gedaan met redenen door den selven gevoerd zo met betreckking tot sComp: regt omtrent het heffen van Tholl als dat de boniers van het hou„ „den van de Malawa zelfs hadden afgezien zo meede de be„ dugting dat hier uijt verwijdering konde ontstaan tusschen de Comp: en bonij vereijschte om die zaak na der in overweeging zondag „ 23:' Dat zij ingevolge van dien zijn hoogheid het resultaat van hunne samenkomst ook meede gedeeld dog ten antwoord be„ „komen hadden, dat hij op hun voorige betuiging beweerd hebben„ O „de dat het houden van een Malawa hun niet konde worden betwist nu niet terug de inden konde, dog dat het best zoude te neemen, en hun dierhalven gelast daar over nader met den anderen te raadpleegen dat volgens alle de rijksgrooten zig des an„ „deren daags bij den rijks bestierder vervoegd hebbende, deese opent„ „lijk verklaard hadde dat het versoek van de Comp: billijk nas wijl haar de privative hoffing van thol Competeerde ende Boniers voor lange van het houden van de Malawa afge„ zien en daar voor zedert een aquivalant van de respective pagters genoten hadden. Dat den Tomilalang nevens d' overige grooten (: met uijtsondering nogthans van Batoe Baringang:/ het gesegde van den Rijksbestierder hadden toe gestemt en dat er dierhalven goedgevonden was sulks hunnen vorst bekend te maaken en te versoeken het selve na zijn goedvinden te schicken onder deese vergelijking dat zij gesamentlijk als de bladeren van een boom dog de koning de wind was waar door dezelve bewoogen wier„ weesen „gen den 513 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — Dingsdlag den 21:' tot Zaturdag „ 29:' niets gepasseerd. vrijdag „ 28:' ontfing ik bericht dat de geneesen pongauwa bij den ijtsbestierder van bonij ontboden en heel omstandig en der vraagd zijnde wegens d'oor„ „saeke der afschaffing van den Malawa en wat hem tagt van 'sComp: begeerte en het aan den koning gedaene versoek dat dezelve niet wee„ „der mogte worden ingevoerd denzelven betuijgd hadde niet te kun„ „nen begrijpen hie men het gemelde versoek van de hand wisende op het regt bleef staan dat de Bmiers daar toe voorgaven te hebben: dat immers aan d' eene zijde de Comp: alleen tot de heffing van thol ge„ regtigde was terwijt de boniens zelfs de Malawa afgeschaft hebben„ „de daar voor zeedert een aquivalant genoten hadden, en dat anderen deels het belang van Omij vorderde alle meenigheid met de Comp te vermijden, welke daar uijt zeekerlijk soude ontstaan dat hier nog bij komende hoe de wadpreesen die altoos vijanden van Bonij waa„ „ten geweest daar door voornaementlijk bevoordeeld stonden te wor„ „den en dit zo veel was als of men deselve nog vermogen der wilde maaken om naderhand Bonij te meer afbreuk te kunnen doen, weesen de zaak op zijn beloop te laaten tot dat hij om den Jongen koning om te stellen over twee a drie maanden na de binnen landen kwam te vertrekken wanneer den gouverneur doen konde wat hem goed dagt. zondag den 30:' tot passeerde niets van sonderling belang om in deesen genoteerd te worden. Zaturdag „5:' Februarij Wierden mij door den opetolk divrse klagten ingescherft overgegeeven, zondag „ 6: door de regenten van Sagerij en kattena bij hem gedaan over de brutaale bedrijven zo van den Tanets Prins Aroe Pantjana als Aroe Pao Pao en voornamentlijk. 1:o Dat Aroe Pantjana d'onderdaanen van kattena verbooden hadde in hun eijgen bosch Pollo Pollo genaamd hout te kappen of er hun„ „ne buffels te doen grasen seggende daar van voor zig selfs een Jagt plaats te willen maaken. 2:e Dat hij zig insgelijks hadde toe g'eijgend een water spruijt genaamd kalobbang die hun almeede toebehoorde en waar in z: van oud gewoon waeren te visschen. 3:e Dat hij voor omtrent twee Jaaren door een sijner zoonen genaamd Laora van de negorij Kattena drie onderdaanen, na dezelve geplun„ „derd te hebben hadde doen weg haalen en er tot dus verre niet meer dan eene weeder hadde willen te rug geeven in weerwil van alle gedaane instantien en wederlegging van zijne frivoole voorweershlen dog dat alles moest worden toegeschreeven aan de onkunde van luijden die thans de maneance van zaeken in handen hadden /:doelende op Da„ „toe Baringang en Aroe Pinroe. dog 4:

NL-HaNA_1.04.02_3418_0422 view scan ↗

English

279. 515 From Macasser The 9th of June 1774. — From Macasser The 9th of July 1774. — Monday the 7th to Sunday the 13th: 4th: That he recently had also taken a subject of the Company from the negorij Mangerantjang, claiming contrary to the truth that he was his. The people of Sagerij complain that Aroe Iao Iao, besides taking some paddy fields, detained two of their female slaves under the pretext of having claims on the Company's subjects of the negorij kaloe koeang, notwithstanding that he had never come forward with this before, nor was anyone aware of it. Nothing noteworthy occurred. Monday the 14th: The first envoy of Bouton having requested me through an interpreter to be granted his dismissal as soon as possible, stating that he found himself very ill, I had him answered that I was awaiting the office ship or the letters from their High Excellencies to see whether any orders regarding the affairs of Bouton might be contained therein; that in the meantime, wishing him recovery, I would nevertheless dispatch him as soon as practicable if the letters should remain delayed for too long. Tuesday the 15th to Thursday the 17th: Nothing occurred. Friday the 18th: I received report that the Queen of Tanette returned here yesterday from her kingdom and had moved into a house in the campong of the Buginese. Furthermore, at her request, I granted a pass to the Queen of Tello for a small vessel to collect some necessities from Boelecomba. Saturday the 19th: The Queen of Tanette gave me notice of her return through an emissary, for which I sent her my thanks and congratulations on the occasion. Sunday the 20th: I had the Queen of Tanette welcomed upon her arrival here by the assistant interpreter Pietersz. The former Bonian Pongauwa Lacasie having informed the Licent-Master Voll that his wife had been invited by her brother the Poinlipoe 8 Mappa to come to Soping to attend the upcoming wedding of [illegible], requesting advice on how to behave in this matter, since he could well understand that if this took place it would cause particular displeasure to the King, his father, which he gladly wished to prevent; the said Voll reported this to me and that he had only sent the confidant away with the answer that he would let his thoughts dwell on the matter and send his master word, or that he could return later about it; whereupon I gave him orders to advise Lacasie to decline the request of Mappa by a polite letter, pointing out that he himself would well realize, just as was understood by friends of both sides, that his wife's departure for Soping would undoubtedly be of very harmful consequence in the present state of affairs, and that he therefore saw himself forced to excuse her. 237. 517 From Macasser The 9th of June 1774. — From Macasser The 9th of June 1774. — Monday the 21st: The farmer of the Boom, together with his partners, having once again brought their complaints before me, not only regarding the actual shipment of the questionable Malawa by the Bonians without paying customs, but also that their servants, far from receiving assistance from the King as had always been customary hitherto, were on the contrary violently prevented from keeping proper watch and conducting inspections, indeed even risking life and limb, which made them unwilling to let themselves be employed any further for a small wage; and likewise that, besides all this, the Wadjoese Matouia Lamadang, who is considered the cause of the reintroduced Malawa, had already presumed to levy toll himself on the small vessels arriving in and departing from the Bugis campong, by all of which they were deprived of a considerable part of the revenues they had counted on, and were rendered unable to produce the lease moneys due, requesting therefore an energetic support or else to be released from the lease, which they declared they would prefer, notwithstanding that they had already paid for two months and, having had no revenue of any importance in return, were already facing a considerable loss, even if they were accommodated as they requested in that case; I therefore charged the Licent-Master Voll to present all this to the King of Boni and to demonstrate to His Highness at length the undoubtedly detrimental consequences to be expected from these proceedings, as well as to request and urge most seriously on the one hand to halt the further dispatch of the Malawa, and on the other hand to prohibit his people from collecting dues that belong solely to the Company and to properly assist the farmer's servants as before; with further instructions that in case he should perceive that His Highness's object is his own advantage, or to have somewhat less in the future as an equivalent than hitherto, as he maintained having to sustain on account of privately received reports, then [...]

Dutch transcription

279. 515 Van Macasser Den 9:' Iunij 1774. — Van Macasser Den 9:' Julij 174. — Maandag den 7: tot „ 13: zondag 4:e Dat hij Jongst van de negorij Mangerantjang almeede een onder„ „daan van de Comp: hadde doen haalen, tegen de waarheid voorgevende dat het den zijnen was. Die van Sagerij klaagd dat Aroe Iao Iao behalven eenige pa„ dij velden twee sijner slavinnen kwam aan te houden onder pretext van pretentien op 's Comp: onderdaenen van de negorij kaloe koeang te hebben niet tegenstaande hij er mimmer meede te voorschijn geko„ „men, nog iemand daar van iets bekend was. viel niets noteerens waardig voor Maandag „ 14:' D'eerste gezant van Boulon mij door een tolk hebbende doen ver„ „zoeken om dog ten spoedigsten afscheijd te mogen erlangen onder bekendmaking dat hij zig heel ziek bevond hebben ik hem doen antwoorden dat ik wagtende was op het Comptoir schip of wel de brieven van haar hoog Edelheedens of daar bij eenige beveelen mogten vervat weesen betreckelijk tot de zaaken van Bouton dat ik hem in middens beterschap wenschende egter so spoedig doenlijk depecheeren zoude wanneer de brie„ „ven te lange mogten agterblijven Dingsdag „ 15: tot Donderdag „ 17: viel niets voor Vrijdag „ 18 ontfing ik bericht dat de koninginne van Tanette gisteren weder uijt haar Rijk alhier te rug gekomen en die in de Campong met verstek om raad hoe zig in dit geval te gedrag vermits hij wel beseffen konde dat sulks geschiedende te bijsonder ongenoegen van den koning zijnen vader zoude strecken het welk hij gaarne wensch„ „te te verhoeden gaf gem: voll mij daar van bericht en dat hij den vertrouwde eenlijk afgevaardigt hadde met antwoord dat Hlij zijn gedagten over die zaak laaten gaan en zijn meester bescheijd, zen„ „den zoude dan wel dat hij er nader omkomen konde; waar op ik hem inmandatis gegeeven hebbe om Lacasie te doen raeden. der Bougineesen een huijs betrocken hadde. voorts hebbe ik aan de koninginne van Tello op haar versoek een pas verleend voor een kleen vaartung ter afhaal van eenige benoodigt„ „heden van Boelecomba. Liet de koninginne van Tanette mij door een zendeling van Zaturdag den 19:' haar te rug komst kennes geeven waar voor ik haar onder een ge„ lukwensching dierwegens liet bedanken. Hebbe ik de koninginne van Tanette over haare herwaarts zondag „ 20 komste dor den ondertolk Pietersz: doen verwellekomen. Den geweese Bonijs Pongauwa Lacasie aan den Lecentinees„ „ter voll hebbende doen kennisse geeven hoe zijn vrouw voor haar broeder den Poinlipoe. 8 Mappa genodigt was om na Soping te komen ter bijwooning van de ophanden zijnde bruyjloft van. verte het 237. 517 Van Macasser Den 9:' Junij 1774. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — het versoek van Mapa door een belafden brief 'tontleggen onder voorkouding dat hij zelf wel zoude beseffen even als dit door beider vrienden begreepen wierd, dat het vertoek van zijn vrouw na soping intwiffelbaar in de presente tijds gesteldheid van een zeer nadelige Consiquentie zoude kunnen zijn en hij dierhal„ ven zig in de noodsakelijkheid gebragt zagen haar Exlus te Maandag den 21:' De pagter van de Boom met zijne meede standers andermaal hunne klagten bij mij ingebragt hebbende niet alleen over de wer„ „kelijke versending van de questiuse Malawa door de boniers, zon„ „der betaeling van thol maar ook dat hunne dienaaren wel verde van assistentie t' ontfangen van den koning zo als tot hier tot steeds gebruijkelijk was geweest in tegendeel geweldaedig belet wierd de behoorlijke wagt te houden en visitatie te doen Ja selfs gevaar liepen aan lijf en leeven, het geen haar onwillig maakte zig verder voor een gering loon te laeten gebruiken: en zo meede dat behal„ „ven dit alles den wadjores Matouia Lamadang welke men houd voor d'oorsaak van de weeder ingevoerde Malawa, zig zelfs reets hadde onderstaan van de kleene in de Campong bou„ „gis aankomende en van daar vertreckende vaartuijgen thol te heffen, door welk een en ander zij dus van een merkelijk deel der Jnkomsten daar zij opgereekend hadden verstooken vonrden„ „de buijten staat wierden gesteld de verschuldigde pagtpenn: op te brengen, met versoek dierhalven om eene kragtdaedige maincte„ „nu dan wel om van de pagt ontslagen te mogen worden, het welk „ze betuigden nog liever te zullen hebben niet tegenstaande zij reets voor twee maanden betaald en daar en tegen nog geene Jnkomsten van eenig belang gehad hebbende al reede een aanmerkelijke verlies ston„ „den te lijden alwaar het schoon dat zij te gemoed gekomen wierden gelijk z:' in dat geval waren versoekende zo hebbe ik aan den lifent„ „meester voll opgedragen om het een en ander aan den koning van Bonij voor te houden en zijn Hoogheid in 't breede te betoogen de on„ twijffelbaare nadeelige gevolgen uit die gedoentens te wagten, mits„ „gaders dieshalven op 't ernstigste te versoeken en aan te dringen om aan de eene zijde als nog de verdere versending van de Malawa te doen staaken, en aan andere kant het invorderen door de zijne van geregtigheden die de Comp: alleen Competeeren te verbieden en des pagters dienaaren als vooren behoorlijk te doen assisteeren: met ver„ „dere last om ingevalle hij bespeuren mogte dat het zijn hoogheid te doen zij om eijgen voordeel of wel voor het vervolg wat minder tot een aquivalent te hebben dan tot dus verre zo als hij betuijgde te moe„ „ten sustineeren ter zaeke van particulier ontfangen berieten, als deel/ dan moeten maken.

← previousnext →