Inventory 3418
Japan · 615 pages · 359 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Macasser: The 9th of June 174. From Macasser, the 9th of June 174. then to sound out the prince as to what he would indeed claim, presenting the matter in that case, however, as if it were solely in the name and on the orders of the tax farmers, and urgent arguments ought not to be deemed fruitless beforehand, in order, while preserving the Company's respect and privileges, to prevent the undoubted estrangement that would otherwise be expected to arise from this at a time when it does not suit the Company at all to become entangled in difficulties with the princes, however desirable it would nevertheless be if one were in a position to be able to maintain the infractions of its prerogatives by power and, if necessary, by force. Merchant Roll therefore specifically requested a private audience with the king and, having proceeded thither in the afternoon, reported to me toward evening that he had fulfilled what had been mandated to him to the best of his ability, but had succeeded in the one matter as little as in the other, seeing that His Highness had declared once again that he could not forbid the Bone people from holding a Malawa, and that, wishing to be no slave to the tax farmers, he did not need to assist their servants, but that they could withhold the gratuity paid to him for it thus far. That furthermore, with regard to the offer made on behalf of the tax farmers to provide somewhat more of a gratuity for the assistance of their servants and the equivalent for the abolition of the Malawa, he had shown himself very indifferent and had even said that he did not wish to receive the former any longer; however, regarding the equivalent, he had said to the Tomilalang and some grandees of the realm who were present that, hearing the Governor's message now, they could declare themselves, upon which they had responded that they requested to be maintained in their privileges. Besides what was recorded under the 5th of this month, further complaints having been brought to me concerning the violent actions of the Prince of Tanette, Aroe Pantjana, as having extorted 22 pieces from a certain envoy, Toassa, under a false accusation that the said envoy had allegedly stolen and sold one of his people, who thereupon, along with another envoy, Soero Loko, and three other subjects, had abandoned their dwelling place Mandellij and fled to Marang for fear of having to pay even more or, in case of inability, suffering other ill treatment; wherefore I sent the Chief Interpreter Brugman to the Queen of Tanette, not only to give notice of all the violent acts of her son and Aroe Pao Pao, From Macasser, the 9th of June 174. From Macasser, the 9th of June 174. but also to announce that I intended to dispatch Brugman himself to Mandellij to strictly forbid them from all further violent acts, lest they wish to expose themselves to punishment, and at the same time to compel them to make restitution of that which they had unlawfully appropriated, as well as to maintain the subjects and recall those who had fled; wherefore I earnestly requested Her Highness to let one of her grandees of the realm accompany Brugman for the same purpose. Having fulfilled this order, Brugman reported to me that Her Highness had declared she had been informed of the complaints made against her son and that she had also had him questioned about it, but that he had denied everything; that she, nevertheless, willingly wishing to comply with my request, would dispatch her Captain Daing Maziki, as the only one of her grandees of the realm who was present here, to him, and in addition would question him again about the said complaints by letter, while the order given to Brugman to depart thither was very agreeable to her. After this, the Collector of Customs Voll came to give me notice that the former Pongauwa Lacasie had been with him in person, and while thanking him for the advice given upon his message of the day before yesterday, which he affirmed he had followed, related how a few days ago he had been summoned by the Regent and, being addressed by him concerning the dispute between the Company in Bone relating to the holding of a Malawa, had expressed his astonishment at the conduct of the Bone people and the little regard that was paid to the Company's reasonableness in this matter, etc., with the result that the said minister, being convinced of all this after having first requested him to go and speak to the king about it, which was not feasible for him for known reasons, had declared that he intended to request His Highness to settle that matter; and that since he had been informed that a conference had been held with His Highness concerning this, he trusted that this dispute could indeed be settled if Voll were willing to speak with the prince once again. Voll further affirmed to me that he had answered him that he could not do so, and even doubted whether the Governor would be willing to resolve to do so, unless one were assured of not undertaking fruitless trouble, and that for that reason he had requested him to inquire further into it, particularly with the Regent, in order to be able to report to me about it then, which the
Dutch transcription
283- 519 Van Macasser: Den 9:' Anij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — dan den vorst t' ondertasten wat hij wel pretendeeren zoude egter in dien gevalle de zaak voordragende als waare het alleen uijt naam en last van de pagters en niet eerder drangreedenen vrugteloos moeten worden g'aclt om behoudens sComp: respect en voorregten d' ontwijffelbaare verwijdering te weeren welke daar uit ander„ „sints zoude te wagten zijn in een tijd dat het der maatschappij gantsch apij niet Convenieerd om zig met de vorsten in moijelijkheeden te wie„ „kelen hoe wenschelijk het nogthans zoude zijn dat men in staat waare de infractien haaren prerogativen met magt en des noods met geweld te kunnen maintieeren. Den koopman roll dierhalven expres particulier belet bij den koning doen vragen en, zig des nademiddags derwaarts begeeven heb„ „bende zo bragt denzelven mij tegen den avond rapport aan het hem inmandatis gegeevene na vermogen voldaan dog omtrend het een zo min als ten aansien van 't ander gereusseert te hebben gemerkt zijn hoogheid alwrder verklaard hadde de boniers het houden van een Malawa niet te kunnen verbieden en dat hij geen slaaf van de pagters willende zijn hunne dienaaren niet behoefde te assistee„ „ren maar zij het douceur daar voor aan hem tot dus verde betaald konden inhouden. Dat hij wijders met opsigt tot d'aanbieding uijt naam van de pag„ „ters om wel iets meer tot een douceur voor d'assistentie hunner dienae„ „ren en het aquivalent voor d' afschaffing der Malawa te willen opbrengen zig zeer onverschillig getoond en selfs gezegt hadde het eerste niet meer te willen ontfangen dog egter ten belange van het aquivalent door hem aan den Tomilalang en eenige Rijksgrooten die er tegenwoordig waaren gezegt was dat zij's gouverneurs bood„ „schap thans hoorende zig verklaaren konden, welke daar op had„ „den gediend dat zij versogten bij haare voorregten te mogen wor„ „den gemainctineerd. Behalven het aangeteekende onder den 5:' deeser nog nadere klagten bij mij ingebragt zijnde over de geweldadige gedoentens van den Tanets prins Aroe Pantjana als hebbende zeekeren zendeling Toassa onder een valsche behuldiging, dat den zelven Zen„ „deling een zeijner volkeren gestoolen en verkogt zoude hebben 22. p:s afgebwongen denwelken daar op met een ander zendeling soero Loko en nog drie onderdaanen hun woonplaats Mandellij vertaaten en na Marang gevlugt waaren uijt weese van nog meerder te zullen moeten opbrengen of bij onvermogen andere quaede beje„ „geningen 't ondergaan zo hebbe ik den oppertolk Brugman naar de koninginne van Tanette gezonden ten eijnde niet alleen van alle de geweldenarijen van haar zoon en Atroe Pao Pao kin„ ters nisse 225 521 Van Macasser den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — nisse te geeven maar ook aan te kundigen dat ik voorneemens zijnde hem Brugman zelfs na Mandellij afte zenden om haar alle verdere geweldabige bedrijven op het aller enstigste te verbieden ingevalle zy zig niet willen Exponeeren aan straffe„ en teffens te Constringeeren tot restitutie van het geene zij zig onwillig hebben toe geijgent mitsg:s de onderdaanen te maintmee„ „ren en d' uijtgeweekene weder te rug te roepen ik dierhalven haar Hoogheid ernstig tiet versoeken om iemand haarer Rijksgrooten met Brugman ten zelven eijnde laten meede gaan, aan wel„ „ken last Brugman voldaan hebbende, zo bragt hij mij tot rapport dat haar hoogheid betuigd hadde van de gedaene klagten over haar zoon onderrigt te zijn, en dat zy hem daar over ook doen onderhouden, dog denzelven het een en ander ontkend hadde, dat zij nogthans gaarne aan mijne begeerte willende voldoen haa„ „ren Capitain Daing Maziki als d'enigste van haare rijks„ „grooten die zig hier bevond aan denzelven afvaardigen en hems daar en boven over de gemelde klagten nogmaals bij een breef on„ „derhouden, zoude terwijl de gegeevene last aan hem Brugman om derwaarts te vertrecken haar seer aangenaam was. Hier na kwam den licentmeester voll mij kennisse gee„ „ven dat de geweesene Pongauwa Lacasie zelfs bij hem geweest en onder danksegging voor de gegeevene raad op sijn boodschap van eer„ „gisteren denwelken hij betuijgd hadde te hebben opgevolgd, verhaald hadde hoe hij voor eenige dagen bij den Rijksbestier der ontboden en door denselven onderhouden zijnde over de questi tusschen de Comp: in bonij betreckelijk tot het houden van een Malawa zijne be„ vreemding te kennen gegeeven over het gedrag der bonies en het weijnig reguard dat er op sComp: billijken in deesen wierd gesla„ „gen, enz: met dit gevolg dat gem: minister van het een en ander overtuijgd /:na hem alvorens te hebben versogt den koning daar over te gaan spreeken, 't welk hem om bekende redenen niet doen„ „lijk was:/ verklaard haade voorneemens te zijn om zijn Hoogheid te versoeken die zaak af te doen en dat hij zedert g'informeerd, zijnde dat hier over een Conferentie met zijn hoogheid gehouden was vertrouw„ „de dat dit geschil wel zoude bij te leggen weesen wanneer hij voll andermaal met den vorst wilde spreeken; die mij verder betuijg„ „de hem te hebben g'antwoord zuks niet te kunnen doen en zelfs te twijffelen of den gouverneur daar toe wel zoude willen resolveeren „ten waare men verseekert waaren geen vrugteloose vrugteloose moeij„ „te te zullen doen en dat hij hem uijt dien hoofde verzogt hadde zig daar op nader te informeeren in 't bijsonder bij den rijksbestier „der om mij als dan daar van berigt te kunnen geeven het welk en den
English
From Macasser, 9 June 174. - From Macasser, 9 June 174. - Wednesday the 23rd: Nothing occurred. Thursday 24: The former Pongauwa of Bonij, having in accordance with his promises spoken once again with the Regent concerning the disputed Malawa, and having given notice of his experiences in that regard as well as of other circumstances in a letter to the Captain of the Malays, and how among other things the King had expressed his desire to speak about this once more with the Shahbandar, I instructed the latter to request a private audience with the monarch again in order, as it were, to renew once more my latest request and also the abolition of the Malawa, but principally to make an end of the matter as best as possible in order to prevent further disputes. The audience having subsequently been requested by a short letter, the Honorable Voll reported to me that His Highness not only granted the same for the day after tomorrow, but had also let it be known that upon his arrival he would lash out at him again, but that he should not be troubled by this and should confront the people of Boni as firmly as possible, as he had promised them. Friday 25: I gave the envoys of Tambora their dispatch to return home, and, handing over a letter for the assembled grandees of the realm, urged them to admonish the same further in my name to send the young King and the Regent hither quickly in order to swear to the contracts, adding, in response to their question on that matter, that if the Regent should be unable to come hither due to indisposition or another mishap, in such case one of the other grandees of the realm could be appointed in his stead. Saturday the 26th: Chief Interpreter Brugman departed for Sagerij and Mandallij for the purpose noted under the date of the 22nd of this month, wherein I furthermore ordered him to urge the Tanete Princesses Aroe Pantjana and Aroe Pao Pao most earnestly to guard themselves carefully against further extortions and oppressions, should they not wish to expose themselves to being treated as open enemies of the Company. Sunday the 27th to Thursday 3 March: The License Master Voll, intending to proceed to the King of Bonij upon the granted audience in order, if possible, to make an end of the dispute over the Malawa, came this morning to inform me how His Highness had let him know further yesterday that, since one thousand Spanish rijksdaalders had been offered by him during his previous visit, he should simply bring the same along, with the promise to ensure then that the matter was settled; and that he, having meanwhile asked the tax farmers, had found them entirely willing to do so. Whereupon I instructed him to offer that amount if the matter could be resolved by it, but, to be certain, to persuade and dispose the monarch beforehand to grant such a bond as was drafted by me on the spot, so that, translated into the Buginese language, it might be properly sealed by him. This was then found to have the desired success, since Voll, returning towards midday, not only reported to me that the dispute was settled, the monarch having accepted the offer of the tax farmers, but also brought back the aforementioned bond, properly sealed, declaring that it had cost him less effort than he had expected, showing that the monarch had been concerned primarily with his own interest, both with regard to enjoying a larger gratuity from the tax farmers for assisting their servants, and to remain master of the equivalent for the abolition of the Malawas, hitherto enjoyed by others, if not entirely, then at least for the greatest part. Friday the 4th: I had some small provisions supplied to the Butonese envoys in accordance with their request for the repair of their vessels, and at the same time let them know that they could indeed prepare for departure, but that, waiting for the arrival of the office ship with the letters from Their High Nobilities, I could not yet determine when they were to be dispatched. Saturday the 5th: The King of Goa having informed me through his interpreters Naga and Oemara that His Highness's wife, being a niece of Glaarang Tombolo, had given birth in childbed to a princess, I congratulated him on his blessing, with expressions of thanks for the communication, and subsequently on Sunday 6: Sent the Assistant Interpreter Pietersz to His Highness for the same purpose, who, according to Pietersz's report upon his return, had me thanked amicably for that. Monday 7 to Wednesday 9: Nothing worthy of note occurred. Nothing of note occurred. Thursday 10: Chief Interpreter Brugman, having returned before noon from his commission to Sagerij and Mandallij, gave me a report in writing of his experiences, containing: That having arrived at Mandallij, the Pabitjara of the Queen of Tanette, who had departed from here with him, but to Pantjana
Dutch transcription
287 523 Van Macasser Den 9: Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Vrijdag den zelven beloofd hadde. Donderdag „ 24:' De geweese Pongauwa van Bonij ingevolge zijne beloften den Rijksbestierder andermaal over de questieuse Malawa onder„ „houden en van zijn wedervaaren ten dien belange zo wel als van andere omstandigheden bij een brief aan den Capitain der maleijers kennisse gegeeven hebbende en hoe onder anderen den ko„ „ning zijn verlangen betuijgd hadde om hier over nogmaals met den sabandhaar te willen spreeken zo hebbe ik deese opgedra„ „gen om alweder particulier belet bij den vorst te laeten vragen ten eijnde quasie nogmaals mijn laatste versoek en ook d'afschaf„ „fing der Malawa te vernieuwen, dog principaal om ten beste doenlijk tot voorkoming van verdere brouillerien een eijnde van de zaak te maaken, het acces vervolgens bij een briefje gevraegd zijnde zo berichte mij den E: voll dat zijn hoogheid het zelve niet alleen tegen over morgen g'accordeert maar teffens ook had„ „de laeten weeten bij zijn komste weder tegen hem te zullen uijt„ „vaaren dog dat hij sig daar aan niet stooren maar de boniers zo scherp mogelijk bejegenen moeste. „ 25: Hebbe ik de gezanten van Tambora hun depeche gegeeven, om na huijs te kieren, en onder overgave van een brief voor de woensdag den 23:' Is niets gepasseerd gesamentlijke Rijksgrooten gerecommandeerd om deselve uijt mijn naam nader aan te maanen tot de spoedige herwaarts sending van den Jong koning en regent ten eijnde de Contracten te beswee„ „ren met bij voeging op hunne dierwegens gedaene vrage dat in„ „gevalle den regent door Jndispositie of ander ongeval buiten staat mogte weesen herwaards te komen in sodanig geval een der andere rijksgrooten in desselfs plaats konde worden benoemd. Is den oppertolk Brugman na Sagerij en Mandallij Zaturdag den 26:' vertrocken ten zodanigen eijnde als onder dato 22:' deeser staat aangeteekend waar bij ik hem nog gelast hebbe de Tanetse prin„ „cin Aroe Pantjana en Aroe Pao Pao op het allen rnstig„ „ste te recommandeeren om zig voor verdere knevelarijen en extor„ „sien sorgvuldig te wagten bij aldien z: zig niet exponeeren wil„ „len om als opentlijke vijanden van de Comp: te worden gehandeld. De Licentmeester voll op het g'accordeert acCas zig bij den ko„ ning van Bonij zullende begeeven om waare het mogelijk een eijn„ „de van de questi over de Malawa te maken kwam mij deesen morgen berichten hoe zijn hoogheid hem gisteren nader hadde lae„ „ten weeten dat vermits is door hem bij zijn voorige visite Een duij„ „send rijxd: spaans aangeboden was hij dezelve maar moeste meede brengen onder toesegging om als dan te bezorgen dat de zaak afge„ gesamentlijke daan 525 Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — Van Macasser den 9: unij 174. — zondag den 27:' tot Donderdag „ 3:' Maart Woensdag „ 9:' „daan wierd en dat hij inmiddens de pagters gevragd hebbende, dee„ „se daar toe volkomen bereijdwillig hadde gevonden, waar op ik den„ „zelven inmandatis gegeeven hebbe om dat bedragen aan te bieden, wanneer de zaak daar door gevonden zoude kunnen worden, dog om zeeker te gaan den voorst teffens alvoorens 't overreden en te dis„ „poneeren tot het verleenen van zodanig verbandschrift als door mij op stond ontwoorpen wierd ten eijnde in de bougineese taal overgeset door hem behoorlijk gezegeld te worden 't welk dan ook van 't gewenschte succes bevonden wierd, vermits voll. tegen de middag te rug komende, mij niet alleen rapporteerde dat de queste afgemaakt was, den vorst d' aanbieding der pagters g'accepteerd hebbende maar ook het gem: verbandschrift behoorlijk gezegeld meede bragt, met betuiging dat het hem minder moeijte hadde gekost dan verwagt hadde ten blijke dat het den vorst voornaementlijk was te doen geweest om eijgen be„ „lang zo wel met op zigte tot het genieten van een grooter douceur van de pagters voor het assisteeren hunner dienaaren als om van het aquivalent voor d' afschaffing der Malawas tot nog toe door anderen genoten zo niet geheel ten minsten voor 't groot„ „ste gedeelte meester te blijven. Is niets bijsonder voorgevallen. viel niets naam waardigs voor De' oppertolk Brugman heben voor de middag van sijne Commissie Donderdag „ 10:' na Sagerij en Mandallij gereverteerd deed mij van zijn wedervaeren in scriptis rapport behelsende Dat hy te Mandallij gearriveerd den Pabitjara van de ko„ ninginne van Tanette, welke met hem van hier vertrocken dog na Maandag „ 7:' tot Hebbe ik aan de boutonse gezanten Conform hun versoek eenige kleenig „ vrijdag den 4:' „heden laeten vertrekken tot reparatie van der zelver vaartuigen en haar teffens laeten weeten om zig wel gereed te kunnen maeken tot vertrek dog dat ik wagtende op de komst van het Comptoir schip met de brie„ ven van haar hoog Edelheedens, nog niet bepaelen kende wanneer z, stonden te worden gedepecheert. De koning van goa mij door zijne tolken Naga en oemara hebben, zaturdag den 5:' „de doen kennisse geeven dat zijn hoogheids vrouw zijnde een sicht van glaarang Tombolo in 't kraambedde bevallen was van een princes zo hebbe ik denzelven, onder dank betuijging voor de Communicatie met zijne overwinst tomn vergelueken en vervolgens op Den ondertolk Pietersz ten zelven eijnde na zijn hoogheid geson„ zondag „ 6:1 „den die mij dierwegens volgens Pietersz rapport bij te rug komst vriende„ lijk tiet bedanken. Hebbe Pantjana
English
From Macasser The 9th June 174. From Macasser The 9 June 174. Pantjana had departed, having summoned him, he had come to him at the same time as Aroe Pantgana. That, having thereupon gathered all the chiefs together and asked Aroe Pantjana about the reasons for forbidding the subjects from chopping wood in the forest of kattena and grazing buffaloes there, as well as taking fish out of their own fish ponds, he had said, in regard to the first, that such had only happened on the occasion when he intended to arrange a deer hunt, and in regard to the fish ponds, that he likewise had only fished himself on a single occasion and Craeeng kattena in person had enjoyed himself there, but that he had otherwise not prevented the subjects from fishing. That, subsequently having spoken to him concerning the restitution of the abducted subjects, he had indeed admitted to having had a female slave named Daupie taken away /: because, being married to one of his subjects, she had made herself guilty of adultery :/ whom he promised to return, but said he knew of no others, and one could not convince him otherwise; That Brugman, having attempted in vain to speak with Aroe Pao Pao because he had departed for Tanette, had nevertheless let it be known that Aroe Pantjana could answer for everything; having also asked the latter why Aroe Pao Pao had seized paddy fields and carried off various subjects, the latter had replied thereto that the former had only happened in order to sow some seedlings therein, but the other was an untrue accusation because those carried off by him were Tanettereese and not subjects; so that Brugman declared that he had also found it to be so upon investigation, and therefore had reproached Craeeng kattena about it. That, subsequently having exhorted Aroe Pantjana to the restitution of the slaves and instructed him henceforth to leave the subjects of the Company unmolested and in the peaceful possession of their goods and properties, with a serious warning in my name to take careful heed in the future against committing violence and extortion if he did not wish to expose himself to correction, the latter had flown into the utmost rage, railing at Craeeng kattena and others and making threats to kill all those who might accuse him again, adding that he was afraid of no one except their High Excellencies in Batavia and many other insolent expressions; regarding which the chief interpreter declared that, as he noticed he was drunk at the time, he had been able to reason with him afterwards, with the result that he had apologized with the assurance that he would take care not to give me reason for displeasure. Friday the 11th Saturday the 12th to Thursday the 17th The Regent of kattena appeared before me, letting it be known not only how one of his sons on Mandallij, having gone out on an errand towards evening, had been murdered, which he maintained had been done by the people of Aroe Pantjana, although the perpetrator or perpetrators could not be discovered, but also how he was fearful of further consequences on account of the threats made to him by Aroe Pantjana in the presence of the chief interpreter. Whereupon I pointed out to him how he was himself partly to blame, on the one hand by bringing complaints against that prince which he could not fully prove, and on the other hand, indeed principally, through the continuous intermarriage of the subjects with the Tanettereese and the pawning to them of paddy fields, slaves, and other things, from which notorious disputes inevitably had to arise each time; therefore recommending him to prevent such things in the future, and further gave him orders simply to return home, instructing the emissary Patjelang to accompany him, whom I also charged with the protection of the subjects against the insolent treatment by the Tanettereese and the unlawful appropriation of their paddy fields, etc., as well as to warn Aroe Pantjana in the most serious manner to leave the subjects unmolested if he does not wish to feel the effects of the Company's displeasure. Friday the 18th Nothing occurred. The Boutonese envoys, having been warned on my behalf by the under-interpreter Blij to prepare themselves for departure by next Wednesday and to receive their dispatch then, had me requested for a few days' postponement due to the illness of the first envoy, nevertheless with expressions of thanks for the favor I showed in wishing to let them depart quickly. Saturday the 19th Sunday the 20th Nothing occurred. Monday the 21st The Boutonse envoys let me know through one of their interpreters that they hoped to be ready to depart by next Monday, with a request therefore to receive their dispatch then; whereupon I had them told that they were to be dispatched on the preceding Saturday, and I did not doubt that they would also be ready to sail by that time. Tuesday the 22nd to Thursday the 24th Nothing occurred.
Dutch transcription
297 527 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9 Iunij 174. — Pantjana gesteevend was bij sig ontboden hebbende denselven tegelijk met Aroe Pantgana bij hem gekomen was. Dat hij daar op de gesamentlijke hoofden versamelt Aroe Pantja„ „na gevraagd hebbende na de redenen om het koppen van hout in het hout„ „bossh van kattena en het doen grasen aldaar van buffels aan de onder„ daanen te verbieden zoo meede het haalen van vis uijt haar eijgen vis„ „kuilen hij met betrekking tot het eerste gezegt hadde, zulks alleen geschied te zijn bij gelegentheid dat hij voornemens was een harte beeste Jagt aan te rigten en met betrekking tot de riskuilen dat hij insgelijksmaar een enkele reijse zelfs gevist en Craeeng kattena in perzoon zig daar bij vermaakt hadde dog dat hij verder d'onderdaan niet belet hadde om te visschen. Dat hij vervolgens hem aangesprooken hebbende om de restitutie der geroofde onderdaanen denselven wel g'avoueerd hadde een slavin met naame Daupie te hebben doen weg neemen /: alzo zij met een zijner onderdaanen getrouwd haar hadde schuldig gemaakt aan over„ „spel:/ die hij beloofde weder te geeven dog gezegt van geen andere te weeten en men hem niet konde overtuigen; Dat hij Brugman na vergeeft Aroe Pao Pao hebbende getragt te spreeken te krijgen also denselven na Tanette vertrocken was dog hadde laeten weeten dat Aroe Pantjana op alles antwoorden konde desen almeede gevraagd hadde, waarom Aroe Pao Pao padij velden genaast en verscheijde onderdaenen weg gehaeld hadde den zelven daar op gediend hadde dat het eerste alleen geschied was om er eeni„ „ge plantjes in te zaaijen dog het andere een onwaare beschuldiging was also de door hem weggevoerde Tanettereesen en geen onderdae„ „nen waaren invoegen hij Brugman betuijgde ook zodanig bij onder„ soek bevonden en dierhalven Craceng kattena daar over gereprocheerd te hebben. Dat hij vervolgens Aroe Pantjana tot de restitutie der sla„ „ven aangemaand en gerecommandeert hebbende om voort aan d'onder„ „daanen van de Comp: ingemoeijt en in de veedige possessie haare goederen en eigen dommen te laeten met een ernstige waarschou„ „wing uit mijn naam, om zig voor 't vervolg sorgvuldig te wagten van het pleegen van geweld en Eytorsien bij aldien hij zig niet aan Correctie wel bloot stellen denselven in de uijterste woede uijtge„ „vaaren was scheldende op Craeeng kattena en anderen en bedreij„ „gingen doende van alle de geene die hem weeder aanklaegen mogten om hals te brengen met bijvoeging dat hij voor niemand bang was als voor haar hoog Edelheedens te Batavia en veele andere bru„ „taele Expressien, waar over den oppertolk betuigde vermits hij be„ merkte dat hij doenmaals beschonken was om naderhand te reden konde gesteld 293: 529 Van Macasser Den 9:' Aunij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — rijdag den 11:' Donderdag „ 17:' gesteld te hebben met dit gevolg dat hij om excus hadde versogt niet verzeekering dat hij zig wagten zoude mij reden van midnoegen te„ De Regent van kattena bij mij verscheenen onder te kennen gave niet alleen, hoe een zijner zoonen op Mandallij om een boodschap tegen den avond uitgegaan zijnde vermoord geworden was 't welk hij susti„ „neerde door't wolk van Aroe Pantjana te zijn geschied, schoon de daa„ „der of daeders niet hadde kunnen ontdekt worden maar ook hoe hij voor verdere gevolgen bedugt was ter oorsaake van de dreijgementen hem door Aroe Pantjana bij aanweesen van den oppertolk gedaan zo hield ik hem voor hoe hij zelfs gedeeltelijk schuld hadde eensdeels door 't inbrengen van klagten tegen dien prins, welke hij niet volko„ „men bewijsen konde en anderen deels wel voornaementlijk door het geduurig trouwen van de onderdaanen met de Tanettereesen het ver„ „panden aan dezelve van padij velden slaeven als andersints war uijt telkens notoir disputen moesten rijsen met recommandatie dier„ „halven om het eenen ander in 't vervolg te beletten en gaf hem wijders ordre maar na huijs te keeren, den zendeling Patjelang gelas„ „tende hem te versellen die ik teffens de bescherming der onder„ „daanen tegen de brutaele bejegeringen der Tanettereesen en het onwettig tor eijgenen van desselver Padij velden enz: aanbeval als Niets voorgevallen Dingsdag „ 22:' tot Saturdag „ 19:' Zondag „ 20:' Zaturdag den 12:' tot meede om Aroe Pantjana op het ernstigste te waarschuwen d'onder„ daanen ongemoeijt te laaten bij aldien hij de uijtwerkselen van 'sComp:s misnoegen niet wil gevoelen. Veel niets voor De Brutense gezanten door den ondertolk Blij mijnent wegenge„ Vrijdag „ 10 waarschuwrd om zig tegen aanstaande woensdag tot vertrek gereed te maken en om als dan hunnen depeche verlangen zo lieten ver mij mits de ziekte van den eersten eenige dagen uijtstel versoeken onder dank betuiging nogthans voor de gunste die ik betoonde van hun spoedig te willen laeten vertrecken. is niets gepasseerd Lieten de Boutonse gezanten mij door een hunnen tolken bekend Maandag „ 21:' maken dat z:' tegen aanstaande Maandag gereed hoopten te zullen zijn om te kunnen vertrecken, met versoek dierhalven om als dan hun„ „ne depeche te zullen erlangen waar op ik haar hebbe laeten zeggen dat zz des saturdags bevoorens stonden te werden gedepecheert en ik niet twijffelde of zo zouden tegen die tijd ook wel zeijlvaardig weesen. meede vrijdag geeven. Donderdag „ 24:'
English
25 531 From Macasser, the 9th of June 174— From Macasser, the 9th of June 174— Friday the 25th: I caused the Bouton envoys to be summoned to the Castle tomorrow before noon to take their leave. Saturday the 26th: Having received the Bouton envoys before noon today in the Castle with the customary ceremonial and promised them some additional provisions according to their request, while also refuting their frivolous complaints that the sergeant commissioner for the extirpation of spice trees, who is to sail across with them again, encumbered the vessel with private goods, and demonstrating that everything they called private goods consisted of the provisions for the spice extirpators and their clothes and belongings, and that moreover nothing was to be transported from here to Bouton for trade, I further had them informed: How for years in succession complaints have been made in vain about the continual obstructions to the work of spice extirpation, and that having written on that account in the past year that if the same were noticed again the usual recognition money would be withheld, I had hoped that this would have borne some fruit; but that it had appeared to me from the latest report of the extirpators that they had been misled and hindered no less than before under all kinds of far-fetched pretexts from properly carrying out their commission; that one would now have reason to put our intention into execution and thus not deliver the recognition money, but to hold it back until the upcoming expedition shall have been completed; that I nevertheless, out of consideration for the circumstance in which the Bouton court found itself due to the rebellion or demonstrated disobedience of the people of Calesoesoe, had refrained from doing so for this time, and the same was to be handed over to the first commissioner; but that I nevertheless had to instruct them, in accordance with what was mentioned in that regard in the letter to be taken with them, to notify the king and grandees of the realm that they should no longer count on that money in the future if such obstructions should be noticed again as before, all the more so as this warning was also issued in the name of Their High Nobilities in Batavia. That one was furthermore not only expecting, if not a complete settlement, at least half of the arrears of 113 slaves this year, but that I also had to give notice how the aforementioned Their High Nobilities had ordered me to admonish the court in the most earnest manner to a speedy clearing of that debt, in a letter brought the day before yesterday with the Company's ship and thus only delivered after it had already been prepared for the court, with the recommendation to communicate the same to the prince. That for the rest I also had to recommend to dispatch 297 533 From Macasser, the 9th of June 174.— From Macasser, the 9th of June 174.— Sunday the 27th: Nothing occurred. Wednesday the 30th the extirpators henceforth before the break of the west monsoon, in order to gain the return voyage and not be compelled to remain lying at Bouthain for a long time to the detriment of the Company and the delay of its service, as had already frequently occurred. That for the rest I referred to the letter which I handed to them for the king and grandees of the realm. Whereupon, having testified that they would report on these matters to the king, their master, they took their leave and departed. Monday the 28th: Due to the arrival of the ship Leijerdorp and in accordance with the agreement made on that account with the king of Bonij, having sent the chief interpreter Brugman to His Highness to give him formal notice that I had now indeed received the customary letters from Their High Nobilities, but had found no answer therein to the request made in His Highness's name for and on behalf of Aroe Palacca for the recall of her grandson, the former king of Goa who was banished to Ceilon; the aforementioned Brugman, upon his return, reported to me that, accompanied by the Bonian Tomilalang, he had delivered the message in the prince's name to Aroe Palacca Tuesday the 29th herself, and that princess had expressed her utmost sorrow over it, making known how she, together with the exile's mother Craceng Bellasarie, had several times requested the king of Bonij to petition Their High Nobilities for the release of her grandson, and His Highness had also promised to do so; that the same had now been done, but having been without success, she had to resign herself to her misfortune and commit that matter to the direction of Heaven, while in the meantime conveying her thanks for the communication given to her. Furthermore, that princess had asked the chief interpreter and Tomilalang whether an embassy from the Bonian court was to depart for Batavia this year, to which they had answered yes, at least that they knew nothing else in that regard other than that the king had declared his intention to do so, and that they could therefore not think otherwise than that it would indeed take place. Nothing noteworthy occurred. Thursday the 31st: The king of Goa having enquired after my health through his interpreter Bora, I instructed the envoy to tell his master, with thanks for his politeness, that I was presently in tolerable health. herself, Friday
Dutch transcription
25 531 Van Macasser Den 9:' Iunij 174 — Van Macasser Den 9:' Junij 174 — rijdag den 25:' Hebbe ik de Boutonse gezanten tegen morgen voor de middag in het Casteel doen appoicteeren ter erlanging van hun afscheijd. Saturdag „ 26: De Boutonse gezanten met het gebruijkelijk Ceremonieel heden voor de middag door mij in het Casteel ontfangen en haar nog eenige provisie Conform hun versoek toegesegt hebbende met wederlegging teffens van hunne frivoole klagten als of den sergeant Commissant tot de Extirpa„ tie van specerij boomen, die weeder met hun staat over te vaaren het vaartuig met particuliere goederen belemmerde en aantooning dat alle het geene zij particuliere goederen noemde in de provisie voor de spece„ „rij extirpateurs en derselver kleederen en plinje bestond mitsgaders ook van hier niets ter negotie na Bouton te vervoeren was so liet ik haar wijders voorhouden. Hoe men nu Jaaren agter den anderen over de geduurige traversien van het werk der specerij Extirpatie te vergeeft gedoleert en uijt dien hoofde in a.:o pass:o geschreeven hebbende dat men sulks weder ontwaa„ „rende de gewoone recognitie penningen zoude inhouden ik gehoopt hadde dat zulks van eenige vrugt zoude zijn geweeft dog dat mij uijt het Jongste rapport der extirpateurs gebleeken was dat zij niet min„ „der dan bevoorens onder allerleij gesogte voorgeevens misleijd en ver„ „hinderd waaren aan hunnen last na behooren te voldoen; dat men thans reedenen zoude hebben om ons voorneemens ter Executie stellen„ de en dus de recognitie penn: niet af te geeven, maar aan te hou„ „den tot dat d' aanstaande togt zal zijn volbragt; dat ik nogthans uijt overweeging van de omstandigheid waar in het Boutonso hof zig bevond door den opstand of betoonde ongehoorsaamheid der volkeren van Calesoesoe voor dit maal daar van afgezien hadde en deselve den eersten Commissiant stonden inhandigd te worden dog dat ik haar nogthans moeste gelasten, over eenkomstig het daar omtrend vermel„ „de bij den brief door haar meede te neemen, den koning en Rijksgeoo„ „ten aan te zeggen dat zij op die penn: voor het vervolg niet langer moesten staat maaken, bij aldien men weder zodanige traversien als bevoorens ontwaaren mogte, te minder deese waarschuwing teffens geschiede uijt naam van haar hoog Edelhedens te Batavia. Dat men wijders niet alleen was verwagtende so niet een Compleete voldoening ten minste dit Jaar voor de helft van het ag„ terstal van 113. slaven maar ik ook moeste kennisse geeven hoe welgem: Haar Hoog Edelhedens mij bevoolen hadden om het hof tot een spoedige aflegging van die schuld op het ernstigste aan te mae„ „nen bij een brief op eergisteren met sComp: schip en dus eerst aan„ „gebragt na dat die voor het hof reets gereed gemaakt was, met recom„ „mandatie om het selve aan den vorst te bedeelen. Dat ik voor het overige almede moeste recommandeeren om voor„ „taan 297 533 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — zondag den 27: Niets gepasseerd woensdag „ 30 „taan de Eytirpateurs voor de doorbrakke van de wistmousson te depechee„ „ren ten eijnde de herwaarts reijze te kunnen gewinnen en niet ge„ „noodsaakt te zijn een geruijmen tijd tot nadiel van de Comp: en verag„ „tering van haaren dienst op Bouthain te blijven leggen so als reets dikwerf geschied was. Dat ik mij voor het overige was gedraegende aan den brief die ik haar voor den koning en Rijksgrooten inhandigde waar op ze betuigd hebbende van het een en ander aan den koninghun„ nen meester rapport te zullen doen zo namen z' hun afscheijd en ver„ „trocken Maandag „ 20:' Mits het arrivement van het schip Leijerdorp en Conform de dierwee„ „gens gedaene afsprake met den koning van Bonij den oppertolk Brug„ „man bij zijn hoogheid gesonden hebbende om denzelven quase ken„ „nisse te geeven dat ik als nu de gewoone brieven van haar hoog Edelhedens wel ontfangen dog daar bij geen antwoord gevonden had„ „de op het gedaan versoek uijt zijn hooghids naam voor en van wee„ „gen Aroe Palacca tot rappel van haar kleen zoon de geweesene en naar Ceilon gebannen koning van goa zo bragt gem: Brugman mij bij zijn te rugkomst tot rapport dat hij verseld van den Bonies Timilalang uijt Trorsten naam de boodschap aan Aroe Pallacca Dingsdag den 29 zelfs gebragt in die princes daar over haar uijterste leedwesen betuijgd hadde onder te kennen gave hoe zij nevens des Bannelings moe„ „der Craceng Bellasarie verscheijden maalen aan den koning van Bonij versogt hadde om tot mntslag van haar kleen zoon bij haar hoog Edelhedens te solliciteeren in zijn hoogheid zulks ook beloofd hadde dat het zelve thans geschied dog van geen sucles geweest zijnde zy zig haar ongeluk getrooften en die zaak aan Chemels bestiering over geeven moeste ter wijl zij inmiddens liet bedanken vonr de haar ge„ „daane Communicatie Wijders hadde die vorsten aan den oppertolk en Tomilalang ge„ „ragd of er dit Jaar een gezantschap van het Bonijs hof naar Ba„ „tavia stond te vertrecken die daar op g'antwoord hadde van Ja: ten minste dat z dierwegens niet anders wisten of den koning hadde verklaard zulks voorneemens te weesen en dat z' dierhalven niet anders denken konde of het zoude ook gevolg neemen. is niets noteerens waardig voor gevallen De koning van goa door zijn tolk Bora naar mijne welstand Donderdag „ 31. hebbende laeten verneemen gaf ik den sindeling last zijn meester onder danksegging voor desselvs beleeftheid te zeggen dat ik mij thans in tamelijke gesondheid bevond. zelfs, vrijdag
English
From Macasser the 9th June 174— From Macasser the 9th June 174— Friday the 1st April. The Bonian interpreter Moentoe came to request an audience with me on behalf of the Regent and other court grandees, which I postponed on account of the approaching Holy Days of Easter. I therefore ordered the chief interpreter Brugman to inquire into the purpose of this, who subsequently reported to me that he had learned from the envoy that the intention was to request my consent for the departure of the King to the interior for the presentation of the Crown Prince. Saturday the 2nd. The King of Bonij having sent a request to speak with the Licent Master Voll, the latter was sent by me to His Highness this afternoon, with instructions also to sound out the ruler's intention regarding the request of the grandees of the realm to depart with him to the interior, and whether he himself might be inclined to do so. Toward evening the said Voll came to report to me: That upon his arrival the prince had immediately informed him how Aroe Palacca and Craeeng Bellasarie, after receiving the message delivered to him day before yesterday on my behalf by the chief interpreter, had come to him weeping and lamenting, with a request to attempt once more the recall of her son and grandson, or at least to do his best alongside me to that end; and that he had promised her not only to propose the same in his letter to Their High Nobilities, but also to request this of me; that he nevertheless had me assured that he still remained of the same opinion regarding the matter as before, and for that reason had wished to let me know of this so that I might govern myself accordingly, and likewise to pretend it were serious in order to be rid of her troublesome pestering. That he subsequently brought up the point of the audience requested by the Bonians, presenting various difficulties to the prince and indicating that I would likely have no fewer objections against consenting to the departure, to which the prince replied that I surely could not violate the laws of the realm. However, after Voll had assured him that such was by no means my intention, but that the circumstances of the times provided me with sufficient reasons to advise His Highness against the departure, it seemed as if His Highness was lending an ear to this, without however wishing to state his position directly, as he at the same time declared he was bound to satisfy the intention of the Bonians. Sunday the 3rd. Nothing occurred. Monday the 4th. I had the Regent and other court grandees of Bonij requested through the sub-interpreter Blij to come to me tomorrow, but they begged to be excused on the grounds that Aroe Oedjong and two or three others were not present here. Tuesday the 5th. The Regent and other court grandees of Bonij having again sent to me for an audience, the same was granted by me for tomorrow before noon. Furthermore, Daeeng Manbanij, a confidant of the King of Goa, appeared before me, informing me in his master's name: That the Queen of Tello, having been with Aroe Palacca some days ago, had learned from her that the King of Bonij had expressed that the reason why no answer had been received to the request made by me to Their High Nobilities in her name for the recall of her grandson possibly lay in the failure to have petitioned for it themselves, and that he had now promised her to do so, as well as to request the same of me; that Aroe Palacca was also minded to address Their High Nobilities, and possibly would also attempt to persuade the court of Goa to that end. Wherefore the prince had wished to let me know of this in confidence, requesting to know how to conduct himself in the matter. I instructed the envoy to tell his master that he had done very well to confer with me on this matter, but that I was already informed of it and could assure his master in all good faith that there was not the slightest prospect of the return of the banished prince, and he could therefore set all fear aside in peace; that he should, however, pretend not only that he was indifferent to it, but even if the King of Bonij should wish to ask him to write about it, to promise to do so and even to do it, without revealing his mind to that prince; further requesting him to keep this matter secret, indeed to disclose nothing thereof even to the King of Bonij, and for the rest to rely upon my word of honor. Wednesday the 6th. The Regent together with the Crown Prince of Bonij, as well as the Tomilalang and most of the remaining court grandees having appeared before me this morning and stated that they had come in the name both of their ruler and of them all to request my permission to depart shortly with the said ruler and the young king to the interior in order to present the latter there according to the ancient customs, I replied thereto that I could not answer positively on such a delicate point, that I would give my mature consideration to it and convey my answer to them. Whereupon the Tomilalang having said that the departure of the King was in accordance with the ancient custom and founded upon the laws of the realm of Bonij, and they therefore trusted that I would not violate them, I already replied
Dutch transcription
Van Macasser Den 9: Junj 174— Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Vrijdag den 1:' April Den bonijs tolk Moentoe voor de rijksbestierder en verdere Htof grooten acces bij mij zijnde komen vragen 't welk ik mits d' ophanden, zijnde H: dagen van Taasschen hebbe uitgesteld, so gelaste ik den oppertolk Brug„ „man naar het oogmerk van dien 't infermeeren welke my vervolgens berigte van den sendeling vernomente hebben dat d'intentie soude weesen om mijn Consent te vragen tot vertrek van den koning naar de binnen landen ter voorstelling van den kroon Prins. zaturdag „ 2:' De koning van bonij hebbende laten versoeken om met den licentmeester voll eens te mogen spreeken die daar op deesen middag door mij naar zijn hoogheid gezonden wierd, met last teffens om fvorsten intentie eens te polsen nopens het versoek der rijksgrooten om met denselven na de binnen landen te vertrecken en of hij daar toe ook zelve geneijgd mogte weesen zo kwam gem: voll mij tegen den avond rapporteeren. Dat den vorst hem aanstonds bij zijne komst bekend gemaakt had„ „de hoe Aroe Palacca en Craceng, Bellasarie na de ontfangst der boodschap ergisteren mijnentwegen door den oppertolk aan hem gedaan bij hem gekomen waaren huijlende en Camenteerende onder een versoek om nogmaals te tenteeren het rappel van haar zoon en kleen zoon ten minste daar toe nevens mij zijn best te doen en hij haar had„ „de toegezegt 't zelve bij zijn brief aan haar Hoog Edelhedens niet alleen te zullen voordragen, maar zulks ook aan mij te zullen versoeken, dat hij mij nogthans liel verseekeren nog in 't selve gevoelen omtrend de zaak te verseeren als bevoorens en mij oversulks hier van hadde willen laeten kennisse geeven ten eijnde mij er na te reguleeren en insgelijks te gelaeten of het ernst waare ten einde van haar las„ tig aanstek ontslagen te raeken. Dat hij vervolgens het poinct van het versogte acces door de boniers ten tapatij gebragt den vorst deese en geene swarigheden vorgesteld en te kennen gegeeven hebbende dat ik er denkelijk geene mindere zoude hebben om in het vertrek niet te consenteeren door denselven daar op wel gediend was dat ik immers de rijkswetten niet vermog„ „te te verbreeken, dog na dat hij hem hadde verzeekert zulks mijne intentie geensints te zijn, maar dat d'onstandigheeden des tijd mi genoegsaeme redenen aan de hand gaven om zijn Hoogheid het ver„ „trek t'ontraaden, zo hadde het gescheenen of zijn hoogheid daar aan het oor kwam te leenen sonder dat hij egter direct hadde wil„ „len uijtkomen also hij teffens betuijgd hadde gehouden te zijn aan de Jntentie der Boniers te voldoen Niets voorgevallen Hebbe ik den rijks bestierder en verdere Hofgrooten van Bonij Maandag „ 4' door den ondertolk Blij laeten versoeken om morgen bij mij te ko„ „men dog deselve lieten mij excus vragen ter zaeken Aroe oedjong zondag den 3:' versoeken 301 537 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — en twee a drie anderen zig hier niet bevonden. Dingsdag den 5: De rijkobestierder en verdere hofe grooten van Bonij neder bij mij om acles gezonden hebbende is het selve door mij geaccordeert tegen morgen voor de middag. Wijders verscheen bij mij Daeeng Manbanij een vertrouweling van den koning van goa my uit sijn meesters naam berigtende Dat de koninginne van Tello voor eenige dagen geweest zijnde bij Aroe Palacca van deese verstaan hadde hoe den koning van bmny zig zoude hebben uijtgelaaten dat de oorsaak waarom er geen antwoord ontfangen was op het versoek uit haar naam door mij aan haar hoog Edelhedens gedaan om het rappel van haar kleen zoon mogelijk be„ „stond in't versuijm van daar onzelfs te hebben gesolliciteert en bij haar als nu zoude hebben belooft zulks te zullen doen mitsg=s mij het selve insgelijx te versoeken dat hy Aode Palacka nevens was zig aan haar hoog Edelhedens t' addresseeren en mogelijk ook het goas hof daar toe zoude tragten te disponeeren. weshalven den vorst mij hier van in vertrouwen hadde willen laeten kennisse geeven met versoek om te weeten hoedanig zig daar in te gedragen. Jk gaf den zendeling last zijnen meester te zeggen dat hij zeer wel hadde gedaan mij over deese zaak te doen onderhouden dat iker nogthans bereets van onderregt zijn meesten op alle trouwe verseekeren konde dat geen de minste apparentie was voor de te rug komst van de verbannen vorst in hij dierhalven gerust alle vreese aan een zijde konde stellen dat hij zig egter maar gelaten zoude niet alleen of hij er onverschillig in was maar al was het zelfs dat den koning van bony hem mogte wil„ „len versoeken om er over te schrijven sulks toe te zeggen en zelfs te doen zonder zig aan dien vorst uit te laeten: met versoek wijders om deese zaak geheim te houden Ja zelfs den koning van bonij daar van niets 't' ontdecken en sig voor het overige op mijn woord van eer te verlaeten De rijke bestirder nevens den krom prins van Bonij mitsgader woensdag den 6: den Timilalang ende meeste van de overige hofsgrooten deesen voormid„ „dag bij mij verscheenen zijnde en te kennen gegeeven hebbende dat zy ge„ „komen waaren uit naam, zo van hun vorst als van hun allen om mij„ ne permissie te versoeken ten eijnde met den zelven en den Jong koning eerlange na de binnen Landen te vertrecken om den laasten na devoorige gebruiken aldaar voorte tellen zo diende ik daar op dat ik niet positie/ antwoorden kunnen op een sodanig diclifaat point, daar over mijne ge„ dagten rijpelijk zoude laeten gaan en hun mijn antwood doen gewoorden. Waar op den Tomitalang gesegt hebbende dat het vertrek van den koning over en komstig niet het orrig gebruik en op de rijkswetten van bruij gelspond was en zij dierhalven verkopten dat ik dezelve niet zoude verbreeken zo bereits repliceerde
English
343. 539 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of August A:o 174. — Friday the 8th Thursday the 7th Nothing occurred. I replied in turn that such was by no means my intention, but that the circumstances of the times caused me to raise difficulties against the departure and that I intended to present them. The regent of the realm took up the word again by making it known that the king had instructed them to add that His Highness's presence in the interior was likewise required for the settling of diverse disputes among the lesser allies. To this I presented to him how he thereby seemed to assume that the king's presence would be sufficient to settle those disputes, but that this was not certain, and circumstances could occur that were of a much more disadvantageous prospect than those disputes. The Tomilalang made himself heard once again, saying that the lesser allies had enough respect for the prince to listen to him when he was present, but I answered that this was not the point I was aiming at, but rather other possible occurrences, and that I would state the same, as mentioned, which brought an end to the discourse, whereupon they subsequently took their leave and departed. The sub-interpreter Blij having been sent by me to the King of Bonij to tell His Highness that I was ready with my answer to the request of the grandees of the realm, but requested to know whether he wished to speak with the Licentmeester Voll before receiving the commissioners, Blij brought report to me that the prince, having asked three times after the tenor of the answer, which he declared not to know, had expressed that the Bonians, returning from the visit made to me, had been very perturbed because they had received no decisive answer and therefore longed for it, but that he nonetheless requested that the Licentmeester Voll be sent to him this afternoon; who, having departed thither, reported to me Saturday the 9th how His Highness had indicated that he did not have much inclination toward the sending of commissioners and would rather see that Voll alone were sent to the Bonians with my answer. And that since he had replied that such could not well take place, as the Bonians could easily show themselves offended thereby, to which I did not gladly wish to expose myself, His Highness had undertaken to speak with them about it beforehand. That he in the meantime had once again made every possible attempt to sound the prince in order to ascertain whether the same might be inclined to depart, and had indeed to conclude to that extent that he was not truly in earnest, but that he nevertheless had not wished to come out positively, having nonetheless instructed him to request of me to present the points of objection 305. 541 From Macasser the 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — against his departure to the Bonians in gentle terms, and especially to make mention of the expected arrival of the Mandharese princes and the upcoming embassy with a letter to Batavia; giving it to be known that upon Voll's arrival with my answer he intended to rail vehemently against him, which he should not take seriously, however; who had replied that he then also requested to be allowed to speak back earnestly against the Bonians, which His Highness had granted him as well as promised to let him know further word whether to receive the commissioners or him alone. Furthermore, His Highness had instructed him to give me notice of how Aroe Palacca alongside Ctaleng Bellasarie had come to him, bringing with them a gold Pinang box and a goglet made of a sea-coconut mounted in gold, with the request to present the same to me in their name, in order thereby to move me to write favorably to Their High Excellencies to recall the former King of Goa from Ceilon. But that he had not accepted those gifts, having told them that he would first inquire with me whether I might be inclined to accept them, now requesting to know whether he had done well or ill in this, and what I further desired him to do in that regard. Still further, the prince had communicated to him how the Queen of Tanette had declared to him that she would gladly depart with him to the interior, since she otherwise did not know where she should stay, being destitute of everything and her realm in such troubled circumstances through the desertion of many subjects and the dissensions among others that she could find no satisfaction there. From this Voll had taken the opportunity to present to the prince that the cause of the latter was to be sought solely in the audacious conduct and acts of violence perpetrated by Aroe Pantjana and Aroe Pao Iao, and not in the actions of Mappa as the king made it appear by the recruiting of the Tanetterese, because they had retired to Soping solely out of fear and dread of mistreatment, and it was in any case better that they betook themselves thither than to other allies; that among them was Aroe Lipoe Casie, who, being unable to bear the evil that was continuously done to the people nor associate with kidnappers of people, had himself also departed to Soping after abandoning his wife and taking the life of one of her servants over the theft of people. Owing to the pending reply from the King of Bonij, Sunday the 10th the
Dutch transcription
343. 539 Van Macasser Den 9: unij 174. — Van Macasser Den 9 Auy A:o 174. — Vrijdag „ 8:' Donderdag den 7:' Is niets gepasseerd repliceerde ik weder dat zulks geensints mijne intentie waare maar dat de omstandigheeden des tijd mij swarigheden deeden maaken tegen het ver„ trek en ik voorneemens was deselve op te geeven 't geen den rijks besterder het wond weder hebbende doen opnamen door een te kennen gave dat den kaning hun gelast hadde er bij te voegen hoe zijn hoogheids presentie in de binnen landen teffens noegstet wierd te verevening van diverse geschellen onder de mindere bondgenooten zo hield ik hem voor hoe hij daar door schien te onderstellen dat skoning presentie genoeg zoude weesen van die twes„ „ten bij te leggen, dog dat dit niet, zeeker ging maar er omstandigheeden konde voorvallen die van veel nadeeliger uijtzegt waaren dan die ge„ „schilden: den tomilalang liet zig nogmaals hooren, zeggende dat de mindere bondgenoten voor den vorst genoeg ontzalf hadden om wan„ neer hij present was na hem te luijsteren dog ik antwoorde er op dat dit 't poinst niet was daar ik op doelde, maar wel op andere gebeur„ „lijke voorvallen: en dat ik deselve als gezegt zoude opgeeven 't welk een eijnde van het discours maakte zo dat zy vervolgens hun afsheid versogten en vertrocken. D' ondertolk Blij door mij naden koning van bonij gezonden zynde om zijn Hoogheid te zeggen dat ik met mijn antword op het versoek der rijksgrooten gereed was dog versogt te mogen weeten of hij alvorens de gecommiterden 't ontfangen, met den lifentmesten vol begerde te spee„ „ken zo bragt Blij mij tot rapport dat den rorst tot drie rijsen naar den te neur van het antwoord gevraagd hebbende 't geen hy betuigd hadde niet te weeten zig uijt gelaeten hadde dat de boniers van de vesite aan my ge„ daan te rug komende seer ontsteld waaren geweest om dat z' geen uijtsluijt„ „sel hadde gekreegen en daar na oversulks verlanden dat hiy my nogthans versoeken tiet den lefentmeester voll deesen middag bij hem te senden dewelke daar op derwaarts vertrocken zijnde my des. Rapporteerde hoe zijn hoogheid te kennen gegeeven hadde in het zaturdag den 9 zenden van gecommitteerden niet veel zin te hebben en liever te zul„ „len zien dat voll alleen met myn antwoord aan de boniers gezonden wierd, en dat wijl hij daar op gediend hadde dat zulks niet welvig„ „lijk konde geschieden vermits de boniers zig daar over ligtelijk ge„ „belgt zoude kunnen toonen waar aan ik mij niet gaarne wilde Exponeeren zijn hoogheid aangenomen hadde met deselve daar over alvoorens te spreeken dat hij inmiddens nogmaals alle moge„ „lijk progingen hadde aangenaend om den vorst te toefsen ten eijnde te verneemen of den selven ook tot vertrek mogte genegen weesen in soo verre wel hadde moeten besluiten dat het hem geen regte ernst waare dog dat hij egter niet positief hadde willen uijtkomen, hem nogthans gelast hebbende mij te versoeken om de poincteer van beswaarnisse - de 305. 541 Van Macasser den 9: Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — beswaarnisse tegen desself vertrek in zagte termen aan de boniers te doen voorhouden en voornaementlijk gewag te maeken van de verwagt worden„ „de komst der Mandhareese vorsten end' aanstaande ambassade met een brief na Batavia onder te kennen gave dat hij voorneemens was bij de komst van voll, met mijn antwoord hevig tegen hem uijt te vaaren 't welk hij egter niet voor ernst moeste opneemen die er op gediend hadde dat hij dan ook versogt ernstig weder om te mogen spree„ „ken tegen de boniers dat hem zijn hoogheid zo wel g'accordeert als toegezegt hadde nader bescheijd te zullen laeten weeten 't zij om de gecommitteerden dan wel hem alleen te ontfangen. overvolgens hadde zijn hoogheid hem gelast mij kennisse te gee„ „ven hoe Atoe Palacca nevens Ctaleng Bellasarie bij hem ge„ „komen waeren meede brengende een goude Pinang doos en een gor„ „gelet gemaakte van een zeeklapper met goud beslag, met versoek het zelve uijt haar naam aan mij te presenteeren ten eijnde mij daar door te beweegen tot een gunstig vorschreeven aan haar hoog„ Edelhedens om den geweese koning van goa van Ceilon te roppol„ „leeren dog dat hij die geschenken met g'accepteert maar haar ge„ zegt hebbende bij my alvoorens te zullen doen verneemen of ik ook wel geneegen mogte weesen deselve aan te neemen, als nu ver„ sogt te mogen weeten of hij daar aan wel o„ qualijk gedaan had„ „de, en wat ik daar omtrend verder begeerde dat hij doen zoude. Al verder hadde den vorst hem gecommuniceerd hoe de koninginne van Tanette him betuijgd hadde gaarne meede na de binnen landen te willen vertrecken vermits zij aandersints niet wiste waar zij zig houden zoude als zijnde van alles ontbloot en haar rijk in zodani„ „ge trouble omstandigheid door t verloop valer onderdaanen en d' oneenighee„ den onder anderen dat zij er geen genoegen vinden konde waar uijt voll gelegentheid genomen hadde den vorst. voor te houden hoe d' oersaake van het laatste alleen moeste gezogt worden in het boldaedig gedrag ende geweldenarijen die Atoe Pantjana en Atoe Pao Iao pleeg„ den en niet aan het bedrijf van Mappa zo als de koning zig leet verluijden door het ronselen van de Tanetteereesen, wijl die alleen uit vreese en bedugting voor mishandelingen zig na soping gede„ „tireert hadden en het in allen gevallen beter waare dat z sig derwaarts dan na andere bondgenooten begaven; dat onder desel„ „ve zig bevond Aroe Lipoe Casie die het quaad niet kunnende zien welke de minschen bij Continuatie wierd aangedaan nog zig met menschen voof ophouden zelfs meede na soping vertrocken was na zijn wijs verlaeten en een haarer bediendens over men„ „schen diverij zelfs het leeven benomen te hebben. Mits het agterblijvend antwoord van den koning van Bonij zondag den 10: de
English
From Macasser, the 9th of June 174. From Macasser, the 9th of June 174. Tuesday whether he wished to receive tomorrow either the delegates or the license-master Voll with my objections against his departure to the inland regions, in order to settle that matter as soon as possible. Having sent the sub-interpreter Blij to his highness to examine him on the same, he reported to me that he would expect the said Voll alone, and that in the afternoon. Monday the 11th. I sent the license-master Voll to his highness with my written reply to the request of the grandees of Bonij to depart with the king to the inland regions, to present the same to them, and further instructed him not only to express to the monarch my pleasure regarding his conduct with respect to the gifts offered to him by Aroe Palacca and Craaling Bellasarie, but even to thank him for it, with the request that, should he deem it proper, to tell them that although I could not nor was permitted to accept these things, I was nonetheless no less inclined to solicit for them with the High Government at Batavia for the release of the banished king. The 12th. The merchant Voll, having carried out his commission at the court of Bonij yesterday, came to report his experiences to me this morning, namely: How he clearly presented to the king all the points given to him as a reply to the request of the grandees, but except for some irrelevant utterances from his Highness, not a single one of them answered anything, despite his having requested it repeatedly; so that subsequently, having had to ask what report he should bring to me, the monarch had finally requested to have all the points in the Bugis script, which he had agreed to propose to me. Having also fulfilled the second part of his commission and thus thanked the monarch for his conduct in the matter of the gifts offered to him by Aroe Palacca, his highness requested him to speak personally with that princess who was with them, an encounter from which he had sought in vain to excuse himself, since she appeared immediately at his highness's command. Asking her whether she had properly received the message delivered on my behalf by the chief interpreter, he informed her how, having been ordered by his Highness some time ago to request of me a favorable recommendation to their High Excellencies for the recall of her grandson, this had indeed been done by me, but no answer had been received to it; and further, how he, likewise on the monarch's orders, had inquired whether I would accept the gifts which his highness had told him had been offered by her for that purpose but had been returned, I had said that I was not inclined to do so, but nonetheless inclined once more to request the return of her grandson, as well as to allow that the same be done directly by her and additionally by the court of Bonij; which seemed to have pleased her particularly, and no less the answer to her question regarding the condition of her grandson on Ceilon, that I had told Voll multiple times that I wished the king of Bonij as well as his grandmother and mother could read Dutch, so that through letters written in the noble Lord Governor of Ceilon's own hand, they could be convinced that on Ceilon he is not only held in such regard as befits a person of his birth, but also enjoys such favors and privileges that he could not have it better, indeed better than many princes and even the king of Goa could have. The king of Bonij having sent word again toward noon to ask to speak with the license-master Voll, the latter proceeded to his highness this afternoon, and reported to me this evening: That his highness had stated he had summoned him to speak about what the realm still owed to the Company, as the continuous reminders for the payment of the same began to vex him, inquiring in this regard how much that debt still amounted to, and further indicating that a collection had already been held three times, but the people of Bonij had used the money proceeding from it for their own interest, amounting to around five thousand rixdollars; and that he had therefore now ordered that a proper accounting be given to him of everything that had been spent from it on his account, which he would then repay from his private purse to put an end to the matter, at least as far as concerned him, in order thereby to prevent his children from being held liable for any payment contrary to fairness after his death. That thereupon, after examining some writings, it was found that the king or the realm ought to have 1500 Spanish rd., which sums remained with the grandees. Wednesday the 13th to Friday the 15th. Nothing occurred. Saturday the 16th. The regent of Bonij requested an audience with me for himself and the other assembled court grandees, which I granted for tomorrow morning. Sunday the 17th. Nothing noteworthy happened. Monday the 18th. The regent and crown prince, together with many other grandees of Bonij, having appeared before me this morning, after paying the customary
Dutch transcription
307 543 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Dingsdag of hij de gecommitteerden dan wel den licentmeester voll met mijne beden„ kingen tegen desselfs vertrek na de binnen landen op morgen ontvangen wilde /: ten eijnde die zaak zo spoedig mogelijk af te doen :/ den onder tolk Blij aan sijn hoogheid gesonden hebbende om hem het zelve t' exinneeren zo bragt deese mij tot rapport dat hij gemelden voll alleen verwagten zoude en zulks des na de middags Maandag den 11:' Hebbe ik den lifentmeester voll met mijn antwoord in geschrift op het versoek der rijks grooten van bonij, om met den koning naar de binnen lan„ den te vertrecken naar sijn hoogheid gesonden om het zelve aan haar voor te houden en hem wijders gelast den vorst niet alleen mijn genoegen te betuigen over zijn behandeling met opzigt tot de geschenken hem door Aroe Talacka en Craling Bellasarie aangeboden, maar daar voor zelfs te bedanken met versoek om wanneer hij zulks goed mogte oor„ „delen haar bieden te zeggen dat schoon ik het een en ander niet kon„ „de nog mogte accepteeren ik nogthans niet minder genegen was voor haar bij de hooge regeering tot Batavia om het ontslag van den ver„ bannen koning te solticiteeren. „ 12:' De koopman voll gisteren zijnen last aan het hof van bonij velbragt heb„ „bende kwam mij deesen morgen zijn wedervaaren berichten namentlijk Hoe hij alle de hem meede gegeeven poincten tot antwoord op het ver„ „soek der rijksgrooten aan den koning distinct voorgehouden dog behal „ven eenige niets ter zaeke doende uijtingen van zijn Hoogheil door geen van hen allen iets g'antwoord was niet Jegenstaande hy zulks verhaal„ „de reijsen versogt hadde zo dat hij vervolgens hebbende moeten vragen welk rapport hij aan mij zoude brengen den vorst eijndelijk versogt had„ „de om alle de poincten in bouginees geschrift te mogen hebben 't welk hij hadde aangenomen aan my te zullen voordragen. Aan het tweede lid zijner Commissie meede voldaan en dus den vorst bedankt hebbende voor zijne gehouden direct in de hem gedaane aen„ bieding der geschenken door Aroe Palacca hem door zijn hoogheid versogt, zijnde om eens selve met die vorsten welke zig bij hun bevond, te „willen spreeken, waar van hij zig vergeefs hadde getragt te verschoo„ „nen, vermits js aanstonds op zijn hooghits last te voorschijn was ge„ „komen zo hadde hij haar onder afvrage of zij de bodschap haar mijnent wegen door den oppertolk gedaan wel ontfangen hadde te kennen ge„ „geeven hoe bij door zijn Hooghid voor eenigen tijd gelast zijnde mij te versoeken om een favorabel voorschrijven aan haar hoog Edelheedens tot rappel van haar kleen zoo zulkes ook werkelijk oor mij gedaan dog er geen antwoord op ontvangen was en verder hoe hij insgelijks uijt vorsten bevel zig g'informeert hebbende of ik ook de geschenken zoude willen accepteeren welke zijn hoogheid hem gezegt hadde, dat hem ten dien eijnde door haar aangebooden dog te rug gegeven waaren ik gezegt ven hadde 309 545 Van Macasser den 9 Iunij 174. — Van Macasser den 19:' Junij A:o 174. — hadde, daar toe niet g'inclineert dog des niet te min genegen te zijn andermaal om de terug komst van haar kleen zoon /zo wel te zullen versoeken al wel te mogen lijden dat het selve daar haar direct en daar en boven door het hof van bonij wierd gedaan 't welk haar beson„ „der scheen te hebben bevallen en niet minder het antword op haar ge„ daene vrage naar de toestand van haar kleen zoon op Ceilon, dat ik hem „voll meermaelen gesegt hadde wel te wenschen dat de koning van bonij „zo wel als zijne grootmoeder en moeder nederduijtsche leesen konde om „haar door brieven van den Edelen Heer Ceilon gouverneur eygenhan„ „„dig geschreeven, te kunnen overtuigen dat hij op Ceilon niet alleen „in sodanige aansien is als een persoon van zyn geboorte Competeerd, maar „ ook zodanige guinsten en voorregten geniet dat hij het niet beter zoude kun„ „nen Ja veele vorsten en zelfs den koning van goa konde hebben. Den koning van bonij tegen de middag alweder hebbende laeten versoe„ „ken om met den lifentmeester voll eens te mogen spreeken welke sig daar op heden nademiddag bij zijn hoogheid heeft begeeven zo kwam den zelven mij des avonds berigten. Dat zijn hoogheid betuigd hadde hem bij zig te hebben laeten komen om eens te spreeken oer het geene het rijk nog aan de Comp: schuldig is, wijl het Continueele aanmaanen tot aflossing van dezelve hem be„ „gen te verveelen, onder afvrage dierwegens hoe veel dien de bet nog bedroeg en verdere te kennen gave dat er reets driemaal een Cotlecte gedaan dog de boniers de daar uijt geproflueerde penn: voor haar eij„ gen interest gebruikt hadden dat het een m ander Carca vijf duijsent rijxd kwam te bedragen en hij oversulx als nu gelast hadde han behoor„ „lijk aantooning te dan van alle het geene er voor zijn reekening van uit gegeeven was het geen hij als dan uit zijn prive beurs zoude te rug gee„ „ven om een eijnde van de zaak te maeken ten minste voor zo verre hem betoof ten eijnde daar door te prevenieeren dat zijne kinderen na zijn overlijden tegen de billijkheid voor eenige betaeling aanspreekelijk wier„ Dat hier op vervolgens eenige geschriften nagezien zynde bevon„ den was dat de koning of het rijk nogte moeste hebben 1500 rd: spaans welke bedraegen onder de rijkogrooten was berustende. woensdag den 13:' tot Niets voorgevallen Vrijdag „ 15. ' Liet den rijksbesteerder van bonij voor hem ende verdere gesamentlyke Saturdag „ 16:' hofsgrooten acles bij mij vragen dat ik g'accorbeert hebbe tegen vermorgen voor de middag. Passeerde niets merkwaardige zondag „ 17:' De Rijksbestierder en kroon prins nevens veele andere bonijde rijks groo, Maandag „ 18:' „ten heden voor de middag bij my verscheenen zijnde zo gaven de zelve na „den gehouden bebroeg aflegging vlegging
English
34t. 547 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — exchange of mutual compliments, presented for reading to the license master Voll, concerning a writing in the Buginese language, which upon translation was found to be of this content: We, the joint grandees of the realm of Bonij, declare that we are exceedingly pleased that our request made, according to the declaration of the Governor, is well-founded and in accordance with the ancient state laws of Bonij, and that the Governor does not wish to curtail or alter anything thereof for us in the least. Therefore, we now request once more to be allowed to bring the King to the inland areas, in order to observe and carry out the ancient customs which were customary for our former kings to perform; furthermore, we also declare to be very pleased that Their High Nobilities have ordered the Governor to preserve the laws and customs of Bonij and other allies, and to maintain them in their privileges and rights. And regarding the expected Mandarese, we are very willing to wait until their arrival here, in order to submit ourselves to the pleasure of the Honourable Company and Bonij concerning them when they shall be here. And concerning our intention to send an embassy to Batavia to Their High Nobilities, there are indeed several precedents that our King, being in the inland areas, has dispatched envoys to Batavia, and that upon their return the letter was fetched from here by the people of Bonij from the inland areas. Furthermore, please tell the Governor that should it please Heaven to tear His Highness from this world before the Crown Prince shall have been presented, we make no distinction in that regard whether the King comes to pass away here or in the inland areas, before or after the coronation, since our trust is established in none other than solely in the Honourable Company, who will maintain that which our King, with the approval of the people of Bonij, has instituted, which has also been the custom of the Honourable Company ever since we have lived in friendship with the same; and for these reasons we have thought proper to answer the Governor as written above. However, the King of Bonij lets the Governor know that if His Honourable Worship feels troubled to let His Highness go at this present time, His Highness is well-inclined to remain, provided that this may serve as no precedent in the future, when a King wishes to depart for the inland areas, that he will not be hindered and prevented therein by the Governor. Which having subsequently been read out and its contents having been made known to me, 313 From Macasser The 9th of June 174. — From Macasser The 9th of June 174. — Tuesday the 19th I replied to that effect: That since they declared their willingness to postpone the departure at least until such time as the Mandarese rulers should have arrived here, in order to speak with me once more thereafter, and His Highness moreover had informed me that he would remain here, it was therefore not necessary for me to declare myself further for the present, other than solely that this was very pleasing to me; that with respect to the King's remark at the end of the writing, I referred to my previous declaration that I was far from opposing the observance of the state laws of Bonij, as I would always endeavor to maintain the same. Subsequently, the Chancellor of the Realm made known that, the King having ordered him together with the other grandees of the realm to direct their thoughts to the kidnapping of people, which was presently increasing more and more, and to devise a means to check this evil, they had to express their embarrassment on that account and, in the name of the ruler, requested my advice in this matter. I replied to this that they undoubtedly knew just as well as I, but that in my opinion there was no other remedy than to punish the thieves severely, in order thereby also to deter others; but it seemed that this did not satisfy them, as they declared they were unable to find the thieves; wherefore I pointed out to the Chancellor of the Realm that I had repeatedly caused stolen subjects of Bonij brought here for sale to be delivered to him, and had given him the names of the sellers, which I had kept secret from others so as not to expose them publicly to shame, in the hope that they would thereby the sooner be restrained from committing such evil again, but that, it being regrettable to me to have to learn the contrary, I nevertheless could not have acted otherwise, unless His Highness might wish to speak with me in private about the matter, in which case I could express myself somewhat more specifically; of which they said they would make a report, subsequently taking their leave and departing. Through the emissary Nega, I inquired after the health of the Queen of Tanette, who brought me back word in answer that Her Highness was well and sent me her thanks. Nothing occurred. In consequence of the report given to me on the 18th instant by the license master Voll Wednesday the 20th concerning his conversation with the King of Bonij regarding the realm's debt, I sent the assistant interpreter Blij to the Chancellor of the Realm to urge him once more to settle the same, giving to know that its collection had newly and most earnestly been recommended to me by Their High Nobilities in their recently received letters; whereupon he let me know that he had made every possible effort to collect the money together, and that he had also already managed to obtain 800 Spanish rixdollars.
Dutch transcription
34t. 547 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Iunij 174. — aflegging van weder zijds Complimenten ten lecture aan den licentmeester de9ging voll over een geschrift in de bougineese taal 't welke bij vertaling bevonden wier van deesen inhoud „ wij gezamentlijk rijksgooten van bonij betuigen ten hoogsten verblyd „ te weesen, dat onse gedaan versoek volgens betuigjing van den heer „ Gouverneur gegrond en met de oude rijkswetten van bonij over een kom„ „stig is en dat den heer gouverneur ons niet het minste daar inne „ wil verkorten of veranderen. „Dierhalven versoeken wij thans nogmaals den koning na de binnen „ landen te mogen brengen om de oude gebruikelijkheeden welke door „ onse voorige koningen gewoon, zyn te doen na te volgen en ter uit„ „ voer te brengen; verders betuigen wij ook zeer verhuigd te zijn dat „ haar hoog Edelheedens den heer gouverneur heeft aan bevoolen omme „ de wetten en gebruikelijkheeden van bonij en verdere bondgenooten te lae„ „ ten blijven en haar in hunne privilegien en voorregten te handlaven. „ bnd omtrent de verwagte Mandareeren willen wij gaarne zo lange „ vertoeven tot hunne komste alhier ten einde ons aan 't goedvinden van „ dE Comp en bonij omtrent hunlieden wanneerse alhier zullen weesen „ te onderwerpen. En betaffende onse intentie om een gezandschap naar Batavia aan haar hoog Edelhedens te willen afsenden daar van zyn „er wel meer exempel dat onse koning in de binnen land zijnde afge„ „zanten na Batavia heeft gedepesteert in dat met de tezug kompt van „ deselve de breef door de bonijers uit de binnen landen van hier is afge„ „haald geworden Wijders aatden heer gouverneur gelieve te seggen wanneer den hemel „ mogt komen te behagen om zijn hoogheid uit deese wereld te rucken voor „ dat den kooon prin zal zijn voorgesteld, maken wij daar omtrend geen „ onderscheid of van den koning alhier dan wel in de binnen landen voor „ of na de krooning komt aflijvig te worden, vermits onse vertrouwen op „ niemand anders gevestig is dan alleen op dE Comp: die stand zal doen „houden het geen onsen koning met goedvinden der bonijers heeft aange„ „steld 't geen ook het gebruik der E Comp: is zedert dat wij met desel„ „ri in vrindschap hebbe geleeft en om deese redenen hebben wij goedge„ „vonden den heer Gouverneur t' antwonden zodanig als voorshreven „ staat. maar den koning van bonij laat den heer Gouverneur weeten als „ zijn Edele Agtb: zig beswaard vind zijn hoogheid in deese tegenwondige „tijd te laeten gaan dan is zijn hooghid wel geinclineerd te blijven mits „zulks in't vervolg tot geen voorbeed mag strecken, wanneer een koning „na de binnen landen wil vertrecken dat dezelve door den heer Gouver„ „neur daar in niet belet en verhindert word. 'T welk vervolgens opgeleesen en mij dies inhoud te verstaan gegeeven zijnde „ „ 313 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Dingsdag den 19:' zijnde zo diende ik daar op. Dat vermits zij betuigden het vertrek ten minste uit te willen stellen tot tijd en wijle de mandhareese vorsten alhier zoude weesen opgekoo„ men om vervolgens andermaal met mij te spreeken en zijn hoogheid daar en boven mij liet kennisse geven hier te zullen blijven het dierhal„ „ven niet nodig waare mij voor het tegenwoordige verder te verklaaren als eenlijk dat mij zulks zeer leef was Dat ik mij met opsigt tot's konings uitlating aan het eijnde van het geschrift refeteerende was aan mijn voorige betuiging van wel verde te zijn om mij te kanten tegen d' involging der bonijse rijkswetten als deselve steed zullende tragten te maintineeren. Vervolgens gaf den rijke bestirder te kennen hoe den koning hem nevens de overige rijks grooten gelast hebbende hunne gedagten te laaten gaan over de thans meer en meer toeneemende menschen roof en een middel: in't te denken tot stuiting van dit kwaad zy hunne verlegentheid dierwe„ „gens moesten betuigen en uit srosten naam dientwegen mijnen raad versogten. Jk diende daar op dat zij die ongetwijffeld ruim zo wel als ik zoude weten dat er nogthans mijns dunkens niet anders op was dan de dieven streng te straffen, om zo daar door en ook andere af te scherekken dog't schien dat dit haar met voldied wijl z verklaarden de dieven niet te kunnen vinden weshalven ik den rijks bestierder voorhield hoe ik hem meermaalen gestolene en alhier ter verkoop gebragte Bo„ „nijse onderdaanen hadde doen brengen ende verkooper opgeeven wiens naamen ik voor andere stil gehouden hadde om haar daar door riet voor het publicq ten tem te stellen in hoope dat z' daar door te eerder, zouden te rug gehouden wor„ „den diergelijk quaad meer te pleegen dog dat het mij led, zijnde het tegendeel te moeten verneemen ik egter niet anders hadde kunnen handelen ten waare zijn hoogheid mij in't particulier over de zaak mogt willen spreeken in wel„ ken gevalle ik mij wat nader zoude kunnen uitlaeten waar van z zeijden rapport te zullen doen vervolgens hun afscheid nemende en vertocken zijnde. Hebbe ik door den sendeling Nega na de gesondheid van den koningins van Tanette laten vragen welke mij in antwoord berigt bragt dat haar Hoogheid welvaeren was in mij liet bedanken Niets gepasseerd Mits het bericht mij op den 18:' hujus door den licentmeester voll gegeeven Woensdag „ 20 omtrent zijn gesprek met den koning van bonij over de rijksschuld hebbe ik den ondertolk Blij naar den rijksbestierder gezonden om hem ter voldoe„ ning van dezelve nogmaals aan te maenen onder te kennen gave dat mij dies in vordering op nieuw ter aller eenstigfte door haar hoog Edel„ „hedens was gerecommandeert bij hoog derselve Jongst ontfangene brieven: waar op hij mij weeten liet alle mogelijke de voiren aangewend te hebben om het geld bij elkander te versamelen en hij ook berats 800rd: spaans magtig voorhield geworden
English
No. 551 315 From Macasser The 9 June 174. — From Macasser The 9th June 174 — had become, but that he had had to spend the same again on the occasion of the feast at the circumcision of the crown prince, and since then had not yet taken in anything worthy of mention, but was working daily toward that end. Thursday the 21st: Owing to the indisposition of the chief interpreter, I sent the under-interpreter Blij to the king of bonij to inform him, after inquiring about his health, that it had appeared to us with great joy from the translation of the document presented by the grandees of the realm on the 18th of this month how His Highness had been pleased to let us know to desist from the planned journey to the inland regions, and that I therefore conveyed my satisfaction therewith, while, with respect to His Highness's remark hoping that this would not be drawn into any precedent for the future, I was conducting myself in accordance with the answer to the request made on that matter. Upon this, I received a report in the forenoon that His Highness was not at home, but had gone fishing at Tello. Meanwhile, having dispatched the envoy Niga to the king of goa to present some small gifts, he brought me a report that His Highness had him thank me not only for the same, but also in particular for the answer given to his confidant daing Manbanij, about which he declared to be very pleased. The interpreter Blij, having departed again for the king of Bonij in the afternoon, reported to me upon his return that His Highness had sent his thanks for the message, but at the same time requested that no precedent for the future be drawn from his stay; and furthermore, that the license master Voll might come to him tomorrow or the day after tomorrow, as he wished to speak with him, whom I have accordingly ordered to proceed thither. Friday the 22nd nothing occurred. Saturday the 23rd: The license master Voll having gone this morning to the king of bonij, reported to me toward midday: That upon his arrival, the prince had indeed made a prelude as to whether he merely wished to inquire if the writing of the grandees of the realm of bonij mentioned under the date of the 18th of this month had been translated by him and its contents were therefore fully known to me, to which he had replied appropriately; but that the prince had subsequently brought back onto the carpet the chapter of the slave thefts and his complaints frequently made regarding this, that the edicts issued against it were of no effect, even asking whether he had not better send them back. That he had shown His Highness thereupon not only how the meager effect of those edicts was not to be imputed to me, but also how I had told the grandees of the realm that if His Highness would only be pleased to confer about it, I could indeed tell him who were guilty of it, and thus it would be good to do so when the occasion arose; His Highness had solely charged him to request me to let my thoughts dwell upon the means to curb that evil. 553 347. From Macasser The 9th June 174. — From Macasser The 9 June 174. — That His Highness had furthermore told him that he had obtained private news that the English from sollok had once again sent a letter to the wadjoers to invite them to an alliance of friendship, but that they had answered that there was no Matoa and they could therefore not contract with them. That he had subsequently asked the prince whether the regent of the realm had informed him of the message sent to him on my behalf regarding the collection of the state debt, pointing out how Their High Excellencies at Batavia had most earnestly recommended its collection to me; to which the prince replied not with "No", but that this reminder was very dear to him and he requested me to repeat it, as he himself was very eager for the money to be paid off, all the more so because the monies had already been collected for that purpose, but had been used by the Bonijers for their own benefit. Sunday the 24th to Tuesday the 26th nothing happened. Wednesday the 27th: The king of bonij requested me through his interpreter Passeere that the license master Voll might come to him this afternoon or tomorrow, which I promised and accordingly gave orders for. Thursday the 28th: The license master Voll, having been with the king of bonij yesterday afternoon, reported to me this morning: That His Highness had asked him to inform me that a request had been made to him by Craeeng Bellasarie to be allowed to depart with her son Craeeng Sapana to the opposite coast, under the pretext that she could not find a sufficient livelihood here. That he had nevertheless noticed that the aim of that princess was, if possible, to help her aforementioned son onto the Bimanese throne, which he judged in every respect harmful and detrimental to the general peace there. That, wishing not to offend her, however, he had permitted her to request my permission for this, and had even promised to send one of his grandees of the realm or children to me for that purpose. That he had therefore wanted to inform me of this matter, with the request to know whether his sentiment agreed with mine to oppose her departure, and whether I would then expect one of his children to make that request as a mere formality, in order that it might be denied by me.
Dutch transcription
No. 551 315 Van Macasser Den 9 Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174 — vrijdag den 22:' geworden was maar dat hij deselve weder hadde moeten uitgeeven ter ge„ legentheid van het festijn bij de besnijdenisse van den kroonpdin en zedert nog niet naam waardigs meer ingekreegen maar daar toe dagelijks ar„ beidsaam was Donderdag den 21: Hebbe ik mits de indispositie van den oppertolk den ondertolk Blij naar den koning van bonij gesonden om denzelven inder informatie naar zijne welsland kennisse te geeven dat wij uit 't translaat van het geschift: den 18 deeser door de rijks grooten overgegeeven met veel blijdschap gebleeken was hoe zijn hoogheid wij hadde gelieven te laeten weeten om van de voor genomene reijse naar de binnen landen af te zien en ik dierhal„ ven daar over mijn genoegen hiel betuigen mitsg:s mij in opsigte van zijn hoogheits uitgelaeting van te hoopen dat zulx voor het vervolg in geen Consequentie zoude getrocken worden was gedragende aan het antwoord op het dientwegen gedaan versoek ik ontfing hier op des voordemiddags rapport„ dat zijn hoogheid niet thuis maar naar Tello i't visschen was. In middens den sendeling Niga naar den koning van goa afgevaar„ „digt hebbende ter aanbieding van eenige klinigheeden bragt denselven mij tot rapport dat zijn hoogheid mij niet alleen voor dezelve maar ook in 't bijsonder liet bedanken voor het antwoord aan zijn vertrouweling daing Manbanij gegeven waar over hiy betuijgde zeer verblid te zijn. Den Tolk Blij des nademiddags weder na den koning van Bonij ver„ trocken zijnde berichte mij bij terug komst dat zijn hooghid vor de boshap hadde doen bedanken dog teffens versoeken dat er u't zijn verblijf geen Consequentie voor den aanstaande mogt worden getrocken: en virts dat den licentmeester voll morgen of over morgen bij hem komen mogte als met aen„ „selven gaarne eens willende spreeken den welken ik over sulx hebbe gelast zig derwaarts te begeeven. viel niets voor De licentmeester voll heden morgen zig begeeven hebbende byj den koning Saturdag „ 28:' van bonij mij tegen den middag tot rapport Dat den oorst bij zijne komste wel een preludium hadde gemaakt of hij zig enkel in formeeren wilde of het geschrift van de bonijse rijks grooten onder dato 18. deeser vermeld door hem vertaald en mij dies inhoud dierhalven volkomen bekend, was daar hij het nodige op gediend hadde, dog dat door den zelven vervolgens weder op 't tapijt gebragt was het Capiter van de slaeven dieverijen en zijne daar omtrend meermaal gedaane klagten dat de daar tegen gemaneerde placcaaten van geen effect waaren zelfs gevraagd hebbende of hij die maar niet liever zoude terug zenden. Dat hij zijn hoogheid hier op vertoond hebbende, niet alleen hoe het ge„ ring effect van die placcaaten mij niet 't imputeeren was, maar ook hoe ik aan de rijksgrooten gezegt hadde dat ingevalle zijn hoogheid maar daar over geliefde t'onderhouden ik hem dan wel zoude kunnen trocken zeggen . 553 347. Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9 Iunij 174. — zondag den 24:' tot Dingsdag „ 26 zeggen wie er aan schuldig waaren, en het dus goed zoude zijn zulks bij gelegentheid te doen zijn hoogheid hem eenlijk gelast hadde mij te versoeken mijne gedagten te laeten gaan over de middelen om dat quaad Dat zijn hoogheid hem voorts gezegt hadde particuliere tijding te hebben erlangd dat d' Engelschen van sollok andermaal een brief aan de wadjo„ reesen hadden gesonden om haar tot een verbond van vriendschap te nodigen dog dat deselve daar op ten antwoord gegeeven hadden dat er geen Mator was en zij dus niet met haar Contracteeren konden. Dat hij vervolgens aan den vorst gevraagd hadde of den rijksbestierder hem hadde kennisse gegeeven van de boodschap aan den zelven mijnent wegen gedaan ter invordering van de rijtschuld, onder voorhouding hoe haar hoog Edelheedens te Batavia mij dies inpalming op het ernstigste hadden ge„ re commandeerd 't geen door den vorst b'antwoord was niet met Neen dog dat hem die aanmaning zeer lief was en hij mij liet versoeken om deselve te herhaelen also hij zelve zeer verlangende was dat het geld afgelegd wierd te meer de penn: daar toe reets gecollecteerd dog door de boniers tot hun eijgen voordeel g' emploeerd waeren. is niets gepasseerd. oensdag „ 37 Liet de koning van bonij mij door zijnen tolk Passeere versoeken dat den lecentmester voll deesen na de middag dan wel morgen eens bij hem mag„ „te komen, 't welk ik toegezegt en over zulx daar toe ordre gegeven hebbe. Den licentmeester voll gesteven na de middag bij den koning van bonij donderdag den 28:' geweest zijnde relateerde mij deesen morgen. Dat zijn hoogheid hem gedemandeerd hadde mij kennisse te geeven. hoe hem door Craeeng Bellasarie versoek was gedaan om nevens haar zoon Cra„ „leng Sapana na d' overwal te mogen vertrecken onder voorwendsel dat z hier geen genoegsaam bestaan vinden konde. Dat hij nogthans hadde bemerkt dat het doelwit van die princes waare om des mogelijk haar gem: zoon op den Bimasen troon te helpen het welk hij alle sints naderlig en schadelijk oordeelde voor d' algemeene ruste aldaar. Dat hij haar egter niet gaarne voor het hoofd willende stooten ge„ permitteerd hadde om daar toe mijne permissie te versoeken en zelfs toe„ gezegt om een zijner rijksgrooten of kinderen ten dien eijnde bij my te zullen senden. Dat hij mij oversulx van 't een en ander hadde willen verwittigen met versoek om te mogen weeten of zijn sentiment met het mijne over een stemmende was, om haar vertrek tegen te gaan en of ik als dan een zyner kinderen verwagten wilde om dat versoek quasie te doen, ten eijnde door mij te kunnen worden ontsegt. licentmeester/ te stuijten
English
From Macasser, 9 June 174. From Macasser, 9 June 174. Saturday the 30th to Sunday 1 May I commissioned the license master Voll to express to the prince not only my satisfaction with his conduct in this matter, but also to inform him that, being of the same mind as him, I would await his commissioners. Friday the 29th Confer the notes of yesterday; everything having been requested of me by the Bonese interpreter Moento on behalf of the prince on behalf of His Highness's son Aroe Ponre, I granted the same for next Monday. Furthermore, I was informed by the license master Voll that the former Pongauwa Lacasie, alias Poeana Latansoe, had been with him and made known how his solitary life was beginning to grieve him more and more, and that he wished he might again perform court service for the king, requesting him therefore to suggest some means or counsel on how to achieve this. Whereupon he had answered him that he would give the matter his thoughts, while pointing out that he troubled himself needlessly since it was well known that the prince's displeasure would bring him no harm as long as he kept quiet. Upon which report I ordered the said Voll to tell him in my name at the first good opportunity that, in my judgment, he would do better to adapt himself to his present condition and await what changes time will bring; that indeed no substantial pleasure could be looked forward to by him, even if he were to regain the prince's favor, as long as the administration of the principal affairs remained in the hands of others, besides which it would be worse if His Highness were to take some new displeasure, toward which his faction would undoubtedly attempt to apply all possible efforts. Monday the 2nd The son of the king of Bony, together with Craeng Sapana and Daeng Sisila, appeared before me this forenoon and made known that they had been sent by his father to inform me that Craeng Bellasarie had requested His Highness for permission to depart again for the opposite coast or indeed to Bima, because she still had some outstanding affairs there, could find no livelihood here, and had even had to incur several debts; but that His Highness had told her he could not give permission for this, and that such had to be requested of me, now sending him, Aroe Ponre, along with Craeng Sapana to submit that request. I immediately gave answer that I could not consent to this; that Craeng Bellasarie had been on the opposite coast for a long time, had been retrieved from there at her own request, and that in any case I could not see how she had found herself in more advantageous circumstances there than she could have here among her family; ordering him, Aroe Ponre, to ask his father to excuse my refusal in this matter. Here nothing occurred. From Macasser, 9 June 174. From Macasser, 9 June 174. After this, it was reported to me by the license master Voll that he had spoken further with the said Pongauwa Lacasie, and having presented to him what had been mandated to him in his regard, the latter had declared himself convinced of the validity of my objections and that he would therefore also conduct himself according to my advice. Tuesday the 3rd to Wednesday 11th Nothing occurred. Thursday the 12th The Captain of the Malays, Abdul Cadier, came to inform me that the former Pongauwa of Bony, Lacasie, having come to him at Sabouton a few days ago, had requested him to submit to me: That having given further thought to the circumstances in which he found himself through the disfavor of his father, the king, although it might not be as great as was thought, it nevertheless seemed very precarious to him with regard to the consequences if His Highness were to pass away before he was reconciled with him again or had obtained a pardon; and that even if such should happen, it could still not put his mind completely at ease because of the known hatred of his brothers, which was somewhat natural since they were from different mothers; that he, however, placing all his hope and trust in the Honorable Company, for which he was always ready to sacrifice everything, even his body and life, not only begged me to let him know whether he would find protection if necessity should compel him to take refuge with them, but also that I would promise him the same under the pledge that he would not abuse it or reveal it untimely. I thereupon ordered the Captain to go and speak with him at the first opportunity and inform him that, just as I did not doubt his loyalty to the Company, the less so as I had experienced proofs of it, he could rest assured of my friendship, and that if he continued in such conduct, the Company's protection would not fail him but would be demonstrated effectively whenever he might need it; that for the rest I would gladly speak with him, but that the suspicion which an interview between us would arouse among others made such inadvisable. Friday the 13th to Sunday 15th Nothing occurred. Monday 16th Having again caused the administrator of the realm of Bony to be dunned by the interpreter Blij for the debt of the realm, he sent to me in reply a request for a postponement until the long-expected return of his son Daing Manackoe, who was said to have departed with three vessels on trade to the north, promising then to pay off as much as possible. Tuesday the 17th to Sunday 22nd Nothing passed.
Dutch transcription
555 Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Van Macasser Den 9 Junij 174. — zaturdag den 30 tot zondag „ 1:' Meij Jk hebbe den licentmeester voll hier op gedemandeert om den vorst niet alleen mijn genoegen over zijne handeling in deesen te betuigen maar ook te doen weeten dat ik met hem in 't zelve gevoelen zijnde zijn ge„ Committeerden verwagten zoude. Vrijdag den 29:' Conferen het genoteerde op gisteren door den bonijse tolk Moento uit svor„ „ten naam bij mij alles gevraagd zijde von zijn hoogheid zoon Atve Pm„ „re, hebbe ik 't zelve g'accordeert tegen aanstaande Maandag. voorts wierd mij door den lefentmeester voll bericht dat den geweesen Pon„ „gauwa Lacasie /: alias:/ Poeana Latansoe bij hem geweest en te ken„ „nen gegeeven hadde hoe het eensaam leeven hem langs hoe meer begin„ „nende te verdrieten hij wel wenschte weder hof dienst bij den koning te mogen doen met versoek dierhalven hem eenig middag of raad aan de hand te geeven om daar toe te kunnen geraeken: waar op hij hem g'antwoord hadde zijne gedagten daar over te zullen laeten gaan onder voorhouding dat hij zig nodeloos ontruste wijl het bekend was dat 's vorsten miswoegen hem tot geen nadeel zoude gedijen zo lang hij zig maar stit hield: op welk besiet ik den gem: voll gelast hebbe hem bij eerste goede ofcase uijt mijn naam te zeggen; dat hij mijnes oordeels beter zoude doen, zig na sijn pre„ „sente toestand te schicken en af te wagten wat verandering den tijd geeven zal, dat er voor hem immers geen weesentlijk genoegen konde worden te gemoet gesien of schoon al weder in froosten gratie mogt komen zo lange het bewind De zoon van den koning van bony nevens Craeeng Sapana en Dang Maandag den 2:' Sisila heden voor middag bij mij verscheenen en te kennen gegeven hebbende door zijn vader gesonden te zijn om mij te bedeelen hoe Craang Bella„ „sarie zijn hoogheid verzogt hadde om weder na de overwal of wel na bima te mogen vertrecken, wijl z aldaar nog eenige uitstaande zaa„ „ken hadde alhier geen bestaan vinden konde en zelfs al verscheijde schulden hadde moeten maeken dog dat zijn hoogheid haar gezegt had„ „de daar toe geen permissie te kunnen geeven maar dat zulks van my moorste worden gevraagd als nu hem Aroe Poure nevens Craceng sa„ „pana kwam te senden ten eijnde dat versoek voor te dragen ik gaf daar inmediaat antwoord dat ik niet in Consenteerend konde, dat Craceng Bellasatie en geruijmen tijd op d verwal gewest op haar eigen vea„ „soek van daar afgehaald was en ik in allen gevalle niet zien konde hoe zig zij daar in voordeeliger omstandigheid hadde bevonden dan zij het hier onder haare famille konde hebben; hem Aroe Ponre gelastende zijn rader te versoeken om mij deese weijgering ten goede te houden. der voornaamste zaeken in handen van anderen was behalven dat het slimmer zoude zijn wanneer zijn hoogheid eenig nieuw misnoegen mogt op vatten waartoe zyne parthij intgetwiffel alle mogelijk pogingen zouden tragten aan te wenden. viel niets voor der Hier 324 557 Van Macasser Den 9. Junij 174. — Van Macasser Den 9:' Junij 174. — Heer na werd mi door den lefontimester voll gesapporteerd dat hij den gen: Pongauwa Lacasie nader gespooken in het hem ten zijnen opzigte inman„ „datis gegeven voorgehouden hebbende den zelven betuijgd hadde van de gegtond„ heid mijner swarigheden overveed te weesen en dat hij zig dierhalven ook na wijn raad gedragen zoude Dingsdag den 3:' tot Is. niets voorgevallen woensdag „ 11:' Donderdag „ 13:' kwam den Capitain der maleijer Abdul Cadier mij berigten, ho den gewee„ „sen Pongauwa van Bmij Lacasie voor weijnig dagen bij hem op sabouton gekomen zijnde hem versogt hadde mij voor te houden. Dat hij zijn gedagden nader hebbende laten gaan voor d'omstandigheid waar in hij zig bevond, door d' ongunst van zijn vader den koning hoe wel die ze goot niet mogte zijn als er wel van gedagte wierd deselve nogthans hem zeer sot gae„ „lijk vorkwam ten aansien van de volgen wanneer zijn hoogheid mogte komen 't overlijden voor en aleer hij met denselven weeder versoend was of pardin verworven hadde en dat schoon sulks ook al geschieden nogt het selve hem nogthans niet volkomen gerust konde stellen ter zaake van de bekende haat zijner broederen die eenigsnts naturlyk was u't hoofde dat z' van ande„ „re moeders waaren, dat hij egter al zijn hoope en vertrouwen stellende op d'E Comp: voor welke hyj sted) beted was alles ja zijn lijf en leeven op te offeren mij niet alleen beed versoeken om te mogen weeten of hij wanneer de nood hem wingen viel niets voor De rijks bistirder van bonij door den tolk Blij alweder hebbende doen aan„ Maandag „ 16:' maanen den Rijksschuld liet denselven mij in antwoord om uitstel versoe„ „ken tot de eelange verwagt wordende te rug komst van zyn zoon Daing Manackoe die met drie vaartuigen met negotie nade noord zoude vertoc„ „ken weesen onder belofte als dan zo veel immers doenlijk te zullen afbe„ taalen vrijdag den 13:' tot 6 Zondag „ 15:' mogte zijn toevlugt tot haar te neemen wel protestie zoude vinden maar ook dat ik hem deselve wilde toezeggen onder belofte dat hij daar van geen misbruik maeken of het zelve ontijdig openbaaren zoude. Ik gef den Capitain hierop last mn hem bi eeste Clasie te gaan preeken en te kennen te geven dat gelijk is aan zijn trouwe von de Comp: niet twijffelde te minder ik daar van blijken mndervonden hadde hij zig verzeekert konde houden van mijne vriendschap en dat wanneer hij bij sodanigen gedrag verder kwam voor te vaaren hem s Comp: protectie niet ontbreeken maar daegelijk betoond worden zoude zo doa hij ze benodigen migte, dat ik voor 't overige gaarne met hem zoude willen spreeken maar dat d' agterdogt welke een abou „chement tusschen ons bij anderen zoude verwecken zulks ongeraaden maakte. niets gepasseerd mogte Mits ingsdag den 17: tot Zondag „ 22:' 4
English
559 From Makassar, the 9th of June 1774. — Monday the 23rd: Pursuant to the inquiries made in that regard and the instructions given to the license master, I was informed by him that, having questioned the master of a vessel that arrived these days from Mandar regarding the state of affairs there in relation to the embassy sent by the kingdom of Boni to the princes, he was informed: That the Mara'dias of Cenrana and Pamboang had declared themselves entirely willing to appear and come hither, on condition that those of Balanipa and Majene or Banggae were to depart from there together with them, which they considered to be absolutely necessary, being under the impression that they were summoned for no other reason than regarding the demanded restitution for the Company of the bark De Vrijheid, which concerned Balanipa and Banggae alone; adding further that they would much rather wage war against them than come hither alone and expose themselves to demands concerning an affair in which they were not the least to blame. Tuesday, the 24th, until Wednesday, the 10th of June, nothing worthy of note occurred. For the reading: Johannes Guslager, Qualified Clerk For the examination: J. W. Kraans Translation, Malay letter from the residents written to Sultan Heeman. Copy of separate letters from the Residents to Their High Mightinesses dated 7 April, 15 June 1774. — 1. and Register Page: 5. 9. 559 Page 561 To His High Honour, The High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, On behalf of the state of the United Netherlands and the General Chartered East India Company, Governor-General, Together with The Honourable Gentlemen Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, and Honourable, Most Honourable Gentlemen. In respectful reply to Your High Mightinesses' most esteemed letter dated the 4th of November of the past year, the undersigned testify to having found no precedent Incoming Secret Letters and Appendices from Banjarmasin since the 7th of April until the ultimate of September 1774. 563. From Banjarmasin, the 7th of April 1774. From Banjarmasin, the 7th of April 1774. found, of bringing the notification of the smuggling trade in pepper committed by the Banjarese grandees, or any other matters concerning the Court or any courtiers, by separate despatches to the illustrious Table of Your High Mightinesses. Yet, since we are now graciously informed of the very highest intention and desire thereof, Your High Mightinesses' humble servants shall conduct themselves accordingly in the future, and initially have the honour to bring to Your High Mightinesses' attention the vexatious treatments by the Banjarese, as is evident from the incident on the 31st of December of the past year at around half past five in the evening, when two serfs of the Second Signatory, having been sent into the settlement to purchase some necessities, were attacked upon their return by a single Banjarese who had been dispatched expressly for that purpose, and was struck a blow as well as a kris thrust, whereupon a crowd of Banjarese rushed up, already standing prepared with krises and pikes, and thus murdered these two serfs almost in front of the lodge, after they in self-defence had also struck down one Banjarese; likewise in the year 1770, another male slave of the said Second Signatory by the Biajus behind and not far from the fort, though attributing this at the time to an accidental mishap, one did not dare to trouble Your High Mightinesses' attention with it; but on the 16th of February last, when the Moors sailed up to Sungai Tabuk, halfway to Kayu Tangi, to fetch sand for masonry lime, they were attacked by a band of Biajus and one of them had to become the victim of their bloodlust, after which the First Signatory immediately presented himself in person to Ratu Anom at Kayu Tangi, to request from His Highness a satisfactory redress, as well as regarding the first misfortune of the second's slaves, and to probe whether this had been committed out of the arbitrary malice of the commoners or on high orders, but succeeded neither in the one nor in the other, receiving only the answer that they would investigate the matter and, upon the findings, have the wicked or guilty punished, although the First Signatory, in sailing up to Kayu Tangi, through his own investigation and threats to some Biajus encountered there, obtained the first and family name as well as the village in which the perpetrator of the last murder committed on the aforementioned Company's Moor was staying, and also delivered this to Ratu Anom. From all this we are uncertain as to what to attribute these hostilities and actual insults, whether it is against the nation in general, accidental, or
Dutch transcription
559 Van Macasser den 9 Iunij 174. — Maandag den 23: Mits de deend wegen gedaamn informatie en gegeven inmandatis aan den lecent„ „meester voll wierd mij door denselven kennis gegeven hoe hy het hoofd van zee„ „ker deeser daegen van de mandhaar g'arriveerd vaartuig gevragd hebbende na den toestand der zaeken aldaar net betrekking tot de besending door het rijk van bony aan den vorsten hem berielt was. Dat de Marabias van Chinvana en Pamboean zig habden gede cla„ „reert tot opkomst na herwaarts volkomen genegen te weesen onder voorwaer„ „de dat die van Billampa en Massen of Bangaij met hun te gelijk van daar quamen te vertrecken het welke zij habden vermeend volstrekt nodig te weesen als in begrip zijnde dat hun op mntbod om geen ander reden zijn kinde dan over de geijscte velduening voor de Comp: vian de bark de vrijseid 't welk Bellampa en Bangaij allan betof, met verdere bijvoeging dat zij veel liever tegen deselve wilde oorlogen dan alleen herwaarts te komen en zig bloot te stellen voor aanspraeke over een gedoente waar aan zij geen de minste schuld hadden. Dingsdag, 24: tot viel niets noteerens waardig. moensdag 10 Iunij Vor 't oplesen Johannes Guslager Geti Clercq voor 't nazien JWKraans _ o Translaat, malydsche missive van de residenten aan Sultan Heeman geschreeven. .. ... Copie aparte missives van de Residenten aan Hunne Hoog Edelheden ged. 7. april, 15 Iunij 1774. - „ 1. en Register Pag: „ 5. 9. „ 559 Pag 561 Aan zijn Hoog- Edelheid Den Hoog-Edelen, Hoog Agtbaren, Wijdgebiedenden Heer Petrus Albertus van der Parra, Van weegens den staat der vereenigde Neederlan„ „den en de Generaale Geoctroijeerde Oostjndische Compagnie Gouverneur Generaal Neevens De Wel- Edele Heeren Raaden van Nederlands Indië. Hoog- Edelen Hoog. Agtbaren, Wijdgebiedenden Heer, en Wel. Edele Groot. Agtbare Heeren. In Eerbiedige Rescriptie op uwe Hoog. Edel„ „heedens Hoog geëerde Letteren de dato 4. November Anno passato zo betuigen de Ondergeteekenden, geen voorbeelst Aankomende Secreete Brieven en Bijlagen van Banjermassing zeedert den 7 April tot ult„o Septemb: gevonden 1774. 563. Van Banjermassing den 7. April 1774. Van Banjermassing den 7. April 1774. gevonden te hebben, van de bedeeling der sluijkhandel in Peeper, door de Banjersche Grooten gepleegt, ofte eenige andere zaken het Hoff ofte Eenige Hovelingen betreffende, bij apparte Missivens ter Elustere Tafel Uwer Hoog. Edel„ „heedens te brengen. Dan dewijl wij thans van Hoogst derzelver Intentie en begeerte goedgunstig verwittigt zijn, zullen zig uw Hoog. Edelheedens noederige Dienaren in 't vervolg daar na gedragen en aanvangkelijk de eer hebben Uw Hoog- Edelheedens, onder het Oog te brengen devectatieuse behandelingen der Banjareesen, het geene consteert bij het voorgevallene op den 31. Decem„ „ber van het gepasseerde Jaar des Savonds circa half ses uuren, wanneer twee Lijfeigenen van den Tweeden Teekenaar, uitgezonden zijnde in de Negorij om eenige benoodigtheeden in te koopen, op hunne terug komst door een Enkelde Banjarees die Expres daar toe uitgezonden was, wierden geattacqueert, en een slag neevens een Cris steek toegebragt, waar op een meenigte Banjareesen zijn toegeschooten die daar toe reeds klaer stonden met krissen en Tombaks, en zo deze twee Lijfeigenen genoegzaam voor de Logie, hebben vermoord, na dat zij door verweering ook Een Banjarees ter Needer hebben gelegt gehad, zoo mede in 't Jaar 1770 nog een Mans. slaaff van gemelde Tweeden Teekenaar door de Bijadjoes agter en niet ver van het fort, dog dit aan een gevallig ongeluk die ter tijd toeschrijvende, heeft men uwe Hoog-Edelheedens attentie daar meede niet durven Lastig vallen, Edog op den 16. Februari Jongstleden wan„ „neer de Mooren om zandt tot Metzelkalk te halen zijn opgevaren na Songie Tabok halffer weetg Campetangie zijn zij door een troep Bijadjoes geattacqueert geworden en een van hen de victime van hunne Moordzugt moeten zijn, waar na terstond den Eersten Teekenaer in perzoon zig bij Ratoe Annom op Capetangie heeft vervoegt, om zo wel als bij het Eerste ongeluk van des Secundes slaven eene satisfactoire Reparatie van zijn Hoogheid te verzoeken, en te ondertasten, of dit uit willekeurige boosaerdigheid van 't gemeen dan wel op hooge ordre was gepleegt, maar nog in het een, zo min, als in het andere mogen reusseeren, alleenlijk ten antwoord krij„ „gende dat men de zaek zoude onderzoeken, en na bevinding, de quade of schuldigen doen straffen schoon den Eersten Teekenaar in het opvaeren naer Capetangie, door eige onder„ zoek, en bedreijging aan eenige Bijadjoes, aldaar aange„ „troffen De Naem en Toenaem zo wel als het Dorp waar in den Dader van de laest gepleegde moord aan voormelte Comp. e Moor zig ophield, heeft te weeten gekreegen, en ook aan Ratoe Anthom opgegeven. Uit dit alles staen wij in 't onzeekere waar aan deeze Hostilliteiten en dadelijke beleedi„ „ging toe te schrijven of men het jeegens de Natie i't Algemeen, gevallig dan
English
565. From Banjarmassing, the 7th of April 1774. or indeed personally against one of the humble signers, as we have clearly pointed out and demonstrated to the Sultan's First Pepper Weigher, Kjeij Martha Soeta, that if the Court should be displeased with one of the minor signers, the Sultan and the other grandees need only apply to your High Excellencies, whereupon they would receive prompt satisfaction. But since this commissioner wished to persuade us of the contrary, and of the continuance of his and all the Rajas' good intentions toward us, we respectfully defer these matters to the superior wise judgment of your High Excellencies, while we further have the honor to call ourselves with deep submission. (Below was written) High Noble, Highly Honorable, Far-Ruling Lord and Right Noble Grandly Honorable Lords (lower) your High Excellencies' Most Humble Obedient Servants (was signed) W. A. Palm, and D. Ruhde (in the margin) In the Company's Office at Banjarmassing Tatas, the 7th of April 1774. — In our general humble letter of the 7th of April last, we had the honor dutifully to communicate to your High Excellencies the arrival of a private English ship, The Crescent, Master Thomas Mercer from Bengal, and that the said and Right Noble Grandly Honorable Lords. High Noble, Highly Honorable, Far-Ruling Lord. To His High Excellency, The High Noble, Highly Honorable, and Far-Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor General on behalf of the State of the United Netherlands and the General Chartered East India Company. Together with The Right Noble Grandly Honorable Lords Councillors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. To ship 567. From Banjarmassing, the 15th of June 1774. From Banjarmassing, the 15th of June 1774. ship, without having done any business with the natives in the settlement, had returned back on board ship, with the assurance that she would set sail forthwith; but although this promise, being in the nature of traders, could not be taken as genuine, all the more because the greed for money of the Banjarese and their resulting inclination toward smuggling was all too well known to us, we had, as a precaution, placed the small ship d' Orangeboom on guard watch near the Englishman, yet in such a manner that after receiving her papers, and without concerning herself with the stranger, she might proceed on her voyage. The latter then, having received her dispatches on the 9th of April, we received report that d' Orangeboom had set sail on the morning of the 10th, being followed by the Englishman, but the latter dropped anchor again at the latitude of Salatang, near Tabenjouw, after first throwing a good portion of her ballast overboard, which report strengthened us in our harbored opinion that she would not remain lying here in vain, but would indeed take in pepper, as we also learned shortly thereafter that Pangerang Machomet, Kjeij Tommongong Soera Pattij, uncle of the Ratoe Annom, Kjeij Deman, Juragan Moksien, and Juragan Drachman, alongside many others, were at Tabenjouw to negotiate with the aforementioned Englishmen, but also at the same time, if possible, to make their fortune by overpowering that vessel. However, the captain, being too cautious for them by allowing no more than 2 to 3 unarmed men on board at a time and under close search, thereby, to his particular good fortune, foiled their said intentions, for otherwise the entire crew would undoubtedly have experienced this to their detriment, since Kjeij Tommongong, Kjeij Deman, and Juragan Moksien had assured Ratoe Annom that they would capture this ship, as they indeed employed every possible trick to that end, and notwithstanding the most careful bodily search being conducted, they nevertheless found means to get three of their men across, each with a kris without a hilt concealed in front of his chest under an untied garment, intending to carry out a general massacre. But they were unable to execute this, owing to the extraordinary vigilance of the master, whereby the Banjarese, whenever they were on board, found themselves surrounded each time by 6 or more armed men, and thus found no opportunity to attempt anything. We, seeing that the Sultan permitted the stay of the foreign vessel at this roadstead, and knowing that this was favored by His Highness, wrote to His Highness concerning this, as shown by the copy annexed hereto, and received the answer accompanying this in original; and since we had knowledge that as much as 35 koyangs of pepper were still stored at Tabenjouw, but were now being sold to the English, we considered all further protests to the Court unnecessary, seeing that this illicit trade was openly committed by them.
Dutch transcription
565. Van Banjermassing den 7. April 1774. dan wel perzoneel teegens een van de Needrige Teekenaars heeft, gelijk w' zulks aan Sulthans Eerste Peeper weiger, Kjeij Martha Soeta niet onduijdelijk hebben voor gehouden, en vertoond gehad, dat zo het Hoff onvergenoegt over een der geringe Teekenaers mogt weezen, den sulthan en de verdere Grooten zig dan maar bij uwe Hoog-Edelheedens hadden te vervoegen, als wanneer zij eene prompte satisfactie zouden genieten. Maar deezen Gecommitteerden ons van het tegendeel, en d' aanhoudendheid zijner, en alle de Radjas goede jntentien onswaerds. willende persuadeeren, laten wij deeze affairen aan het Hoog wijzer oordeel Uwer Hoog Edelheedens Eerbiedig gediffereert, terwijl de eer hebben ons wijders met diepe submissie te noemen. (onderstond) Hoog- Edelen Hoog. Agtbaren, Wijd gebiedenden Heer en Wel-Edele Groot-Agtbare Heeren (lager) uwe Hoog-Edelheedens Onderdanigst gehoorsame Dienaeren (was getekend) W. A. Palm, en D. Ruhde (in margine) In't N:s Comptoir tot Banjermassing Tatas den 7. April 1774. — Bij onze algemeene onderdanige Letteren van den 7. April Jongsleden hadden w' d' Eer uwe Hoog Edelheedens pligtschuldig te communiceeren de aankomst van een particulier Engelsch schip The crescent schipper Thomas Mercer van Bengalen en dat gem: en Wel-Edele Groot Agtbare Heeren. Hoog Edelen Hoog Agtbaren wijd gebiedenden Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog-Edelen Hoog- Agtbaren en Wijd gebiedenden Heer Petrus Albertis van der Parra, van weegens den staat der vereenigde Neder„ „landen en de Generale Geoctroijeerde Oost- jndische Compagnie Gouverneur Generaal. Neevens De Wel-Edele Groot-Agtbaare Heeren Raaden van Neederlandsch Indie & &:a &. a Aan schip Heer. 567. Van Banjermassing den 15. Iuni 1774. Van Banjermassing den 15. Iuni 1774. schip- Haar zonder in de Negorij met den Inlander iets te hebben verrigt weeder na scheeps boort was vertrokken, in de verzeekering van ten eersten onder zeil te zullen gaan; dan hoewel men deeze promesse, als na den aard der Handelaeren zijnde niet voor egt konde aanneemen, te meer ons de Geld zugt der Banjareesen en hunne daar uit resulteerende genegentheid tot het smokkelen te zeer bekent was, hadden wij n't voorzorg 't scheepje d' Orangeboom bij den Engelsch man op Brand- wagt gelegt, dog zodanig om na 't ontvan„ „gen zijnee pampieren en zonder zig aan den vreemdeling te Htooren zijne reize te vervorderen deeze dan zijne depesches op den 9. April bekomen hebbende ontfingen w' narigt dat d' Orangeboom op den 10. 'smorgens was onder zeijl geraakt gevolgt werdende door den Engelschman dog welke Laeste weeder op de hoogte van Salatang, na bij Tabenjouw ten anker ging na bevorens een goed gedeelte van zijn Ballast over boord geworpen te hebben, welk berigt ons in onze gevoede opienie verstarkte dat hij niet 'te vergeefs hier zoude leggen blijven maar wel peeper in neemen, gelijk w'ook kort daar na vernamen dat Pangerang Machomet, Kjeij Tommongong Soera Pattij, oom van den Katoe Annom, Kjeij Deman, Iuragan, Mok„ „sien en Iuragan Drachman neevens veele anderen zig te Tabenjouw bevonden, om met d' Engelschen voorm. te Negotieeren, maar ook teffens was 't mogelijk hun fortuijn door overwveldiging van dien Bodem te maken, Dog den Capitein hun te voorzigtig zijnde door niet meerder dan 2. â 3. ongewa„ „pende te gelijk en onder scherpe visietatie aan boord te laaten, heeft hunne gesmelde voorneemens daar door tot zijn bijzonder geluk verijdeld, anders zoude de gantsche Equipagie ongetwijffelt zulks tot hun nadeel ondervonden hebben, alzo Kjeij Tommongong Kjeij Deman en Iuragan Moksien aan Ratoe Annom verzeekend hadden dit schip te zullen bemagtigen, gelijk zij ok in der waarheid alle mogelijke List daar toe aangewend hebben en niet teegenstaende de nauwkeurigste visitatie aan den Lijve ge„ „schiede, hebben zij tog middel uitgevonden gehad drie der hunnen jder met een voor aan de borst onder een opgegort kleetje ver„ „borgen kris zonder kop daar aan, over te krijgen; met voorneemen van een generale Masaccre aan te rigten, dog dit hebben zij niet kunnen ter uitvoer brengen, door de Extraordinaire waekzaamheid des schippers, waar door de Banjareesen wanneer zij aan boord waeren telkens wel door z en meerder gewapende Manschap zig om„ ringd vonden en dus geen occasie vonden iets te kunnen beginnen. Wij ziende dat den sulthan 't verblijf van 't vreemde schip te deezer rheede passeerde en weetende dat zulks door zijn Hoogheid wierd begunstigt schreeven aan hoogst dezelve daar over blijkens hier nevens gevoegde copia, en ontfingen 't antwoord deezen in Origineele verzellende, en nadien wa kennis hadden dat te Tabenjouw nog wel 35. Cojangs Peeper opgeslagen lag, maar nu aan de Engelschen verkogt wierd, agten we alle verdere protestatien ten Hove onnodig gemerkt deeze Morshandel openbaar hun gepleegt
English
569. From Banjarmassing, 15 June 1774. was committed, and even pepper from here was sent to Tabenjouw, where the price, as we have been assured, was set at 9 Reals per picol, the Sultan, after the departure of the aforementioned ship, which took place on the 17th of May past, having nearly 12 cojans delivered from Tabenjouw here to the junk; we are unable to determine the exact quantity of what was smuggled, yet we dare state with great certainty that it must have been at the very least 1000 picols, considering that the Englishman would not have lingered here so long for a trifle, and that he was also in great need of the pepper for China, whither he professed he would direct his prow; furthermore, the public reports also indicate that the traded amount well exceeds the cited quantity. From what has been recounted, it will be abundantly clear to Your High Excellencies that the Banjarese arbitrarily and deliberately violate the contract concluded with the Company by selling the pepper on all occurring occasions to the highest bidder, without showing any consideration for the lesser signatories, just as in this latest instance they merely acted openly and thereby demonstrated slight contempt toward us. Having deemed it necessary to bring this to the attention of Your High Excellencies, we look forward with longing to the arrival of the small vessel De Oranjeboom or another craft to collect the pepper still lying here in arrears, while for the rest we have the honor to be with the deepest submission, (underneath was written) High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen, (lower:) Your High Excellencies' humble, obedient servants, (was signed) W. A. Palm, and D. Ruhde (in the margin) In the Company's trading post at Banjarmassing Tatas, mid-June 1774. — Translation Malayan letter written by the undersigned Residents to the King of Banjer, Sultan Slemman Saijd Dultha. From Banjarmassing, 15 June 1774. After customary compliments, etc., Further, we communicate to Your Highness that as the English ship, which has now been in this roadstead for about a month and sails daily to and fro on it, but commonly drops anchor again before Tabenjouw, we are reliably informed that it also trades pepper there; having laid which before Your Highness, we request to be allowed to learn Your Highness's intention in that regard (underneath was written) Banjarmassing Tatas, 22 April Anno 1774 (was signed) W. A. Palm and D. Rudhe. For reading: Johannes Islag For verification: D. W. Kraane, Senior Clerk 571 Register Page: Copy of secret missive from Governor van der Burgh to Their High Excellencies, dated 5 June 1774. . . . . 1. Separate letter from Luzac to Mr. van der Burgh, dated 15 April 1774. . . . . 15. Report from the said Luzac regarding the proceedings at Balamboangang. . . . . 27. Extract of a separate letter from the Commandant at Passarouang, van Rijke, to the said Luzac, dated 23 March 1774. . . . . 47. Separate letter from and to the same, dated 4 April 1774. . . . . 48. Ditto, ditto, ditto by Luzac to Governor van der Burgh, dated 27 April 1774. . . . . 49. Ditto, ditto, ditto from the Oeloepampang Resident Schophof to Luzac, dated 9 April 1774. . . . . 53. Ditto, ditto written by Governor van der Burgh to the aforementioned Luzac, dated 7 May 1774. . . . . 67. Deed of bond entered into and signed by the new Regent of Japara on 16 May 1774. . . . . 85. Ditto, ditto bond entered into and signed by the new Regent of Lacsum on 19 May 1774. . . . . 77. Separate missive from Governor van der Burgh to Their High Excellencies, dated 2/5 June 1774. . . . . 93. — Annex 571 Register Page: Copy of secret missive from Governor van der Burgh to Their High Excellencies, dated 5 June 1774. . . . . 1. Separate letter from Luzac to Mr. van der Burgh, dated 15 April 1774. . . . . 15. Report from the said Luzac regarding the proceedings at Balamboangang. . . . . 27. Extract of a separate letter from the Commandant at Passarouang, van Rijke, to the said Luzac, dated 23 March 1774. . . . . 47. Separate letter from and to the same, dated 4 April 1774. . . . . 48. Ditto, ditto by Luzac to Governor van der Burgh, dated 27 April 1774. . . . . 49. Ditto, ditto from the Oeloepampang Resident Schophof to Luzac, dated 9 April 1774. . . . . 53. Ditto, ditto, ditto written by Governor van der Burgh to the aforementioned Luzac, dated 7 May 1774. . . . . 67. Deed of bond entered into and signed by the new Regent of Japara on 16 May 1774. . . . . 85. Ditto, ditto bond entered into and signed by the new Regent of Lacsum on 19 May 1774. . . . . 77. Separate missive from Governor van der Burgh to Their High Excellencies, dated 2/5 June 1774. . . . . 93. — Annex Page 1 Incoming Secret Letters and Appendices from Java's East Coast since 5 June until the end of September 1774. 573 To His High Excellency, The High, Noble, Stern, and Highly Esteemed Lord, Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Right Noble, Stern Gentlemen, Councilors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High, Noble, Stern, Highly Esteemed Lord and Right Noble, Stern Gentlemen, Having had the high honor to receive duly Your High Excellencies' much respected separate missives of the 31st of March and 26th of April last, it is my pleasure, while answering the same by this, to offer to Your High Excellencies an authentic copy in two volumes in Low Dutch and Javanese of the registers of the lands belonging to the Emperor
Dutch transcription
569. Van Banjermassing den 15. Iuni 1774. gepleegt wierd, en in zelfs heeper van hier na Tabenjouw gezonden is „alwaar de prijs zo men ons verzeekert heeft op 9. Realen per poicol gestelt was, latende den sulthan na het vertrek van meerm: schip 't welk op den 17 Mai passato geweest is, nog guasie 12. Cosangs van Tabenjouw alhier aan de Ionk Leeveren, de Juste quantiteit van het gesmokkelde te kunnen bepalen zijn w' onvermogend te doen, egter durven we met veel zeekerheid stellen dat 't ten aller minsten 1000. picols zal geweest zijn, gemerkt den Engelsman om een Bagatel hier zo lang niet zoude hebben vertoeft, en hij de Peeper voor China waer heenen hij voor gaf de steeven te zullen wenden ook zeer benodigt was, ten anderen zijn de openbaere berigten ook opgeevende dat het verhandelde wel ruim voor geciteerde quantiteit bedraagt. Uwe Hoog Edelhed:s zal uit het verhaelde ten overvloerde blijken, dat de Banjareesen 't met Voogst dezelve geslotene Contract maar willekkeurig en met op zet verbreeken door de Peeper bij alle voorkomende geleegendheden, aan de meest „biedende te verkoopen zonder eenige consideratien voor de geringe Teekenaren te gebruiken gelijk zij in dit Laeste geval maar in 't openbaar gehandelt en aan ons geringeringe minagting daar door beweezen hebben. Dit nodig geagt hebbende aan uwe Hoog Edelhed:s ter kennisse te moeten brengen, blijven e' schepje de brangeboom of een andere bodem met verlangen te gemoet zien, om de hier nog per restant leggende Peeper aftehaalen, terwijl wij voor het overige de Eer hebben met de diepste submissie te zijn (onderstond) Hoog Edelen Hog Agtb: wijd gebiedenden Heer en WelEdele Groot Agtb:s Heeren (:lager:) uwe Hoog Edelheed s Needrige, Gehoorzaeme Dienaren (was getekend) W. A: Palm, en D. Ruhde (in margine) In' N:s Compoirtot Bangermassing Tatas Medio Iuni 1774. — Wijders Communiceeren w' aan uwe Hoog- Edelheid dat gelijk 't Engelsche schip, 't welk zig nu C. C. een maand te deezer rhede bevind, en dagelijks af en aan dezelve zeijld dog gemeenlijk voor Tabenjouw weder ten anker gaat, w' in 't zekere geinformeert zijn dat dezelve ook Peper Na Gewone Complimenten & a, Translaat Malaijtsche Missive geschreeven door de Ondergeteekende Re„ „sidenten aan den Koning van Banjer Sulthan slemman Saijd Dultha. Van Banjermassing den 15. Iuni 1774. Translaat aldaar voor 't opleezen. Johannes islag Van Banjermassing den 15. Iuni 1774: aldaar Negotieert; 't welk aan Uwe Hoog„ „heid open gelegd hebbende, verzoeken w' uwe Hoogheids Intentie des aangaande te mogen vernemen (onderstond) Banjermassing Tatas den 22. April A. o 1774 (was getekend) W. A. Palm, en D. Rudhe. voor 't nazien DWKraane G: Klerk 571 Register Pag: copie secreete missive van den Heer Gouverneur van der Burgh 1. aan hunne Hoog Edelheden ged: 5 Junij 1774. . - - „ _„o Aparte brief van Luzac, aan de heer van der Burg h ged: 15 april 1724. „ 15. _o „ Berigt van gem: Luzac wegens de verrigting op Balem boangang. . „ 27. _:o Extract aparte brief van de Commandant te passarouang van Rijke 47. aangem: Luzac d d' 23. maart 1774. - - - - - - - - - . „ _„o Aparte brief van en aan als even d d„o 4 april 1774. . . . „ 48. _„o„ _„o _„o door Luzae aande heer Gouvern: van der Burgh d d:o 27. april 1774. _„o _:o _„o vanden oelopampang resident schophof aan Luzac d d' 9 april 1774 _„o _„o geschreeven door den heer Gouvern: van der -„ Burgh aan meerm: Luzae ged: 7 maij 1774. . . . „ 67. _„o acte van verband door den nieuwen regent van Japara aangegaan en geteekend den 16. maij 1774. . . . . „ 85. _„o _:o „ verband door den nieuwen Regent van Lac„ sum aangegaan en geteekend den 19 maij 1774. „ 77. _o Aparte missive vanden heer Gouvern: vander Burgh„ aan Hunne Hoog Edelheeden gedateerd 2: 5. Junij 1774. . . . .. . . . . . . . . „ 93. — annex . - - - - - - „ 49. - - - - - - - - „ 53. 571 Register copie secreete missive van den Heer Gouverneur van der Burgh 1. aan hunne Hoog Edelheden ged:t 5 Junij 1774. . . . . . „ _„o Aparte brief van Luzac, aan de heer van der Burgh ged: 5 april 174. „ 15. _o „ Berigt van gem: Luzac wegens de verrigting op Balem boangang. . . „ 27. _„o Extract aparte brief van de Commandant te passarouang van Rijke aan gem: Luzac d d' 23. maart 1774. - - - - - - - - - - - „ 47. _„o Aparte brief van en aan als even d d„o 4 april 1774. . . . . „ 48. _„o _„o door Luzae aande heer Gouvern: van der _„o Burgh 8 d„o 27. april 1774. .. _. o _„o vanden oelopampangs resident schophof _„o aan Luzac dd' 9' april 1774 - - - - - - - - - - „ 53. _„o _„o _„o geschreeven door den heer Gouvern: van der Burgh aan meerm: Luzae ged: 7 maij 1774. . . . „ 67. _„o Acte van verband door den nieuwen regent van Japara aangegaan en geteekend den 16. maij 1774. . . . . . „ 85. _„o _:o „ verband door den nieuwen Regent van Lac„ sum aangegaan en geteekend den 19 maij 1774. „ 77. _:o Aparte missive vanden heer Gouvern: vander Burgh„ aan Hunne Hoog Edelheeden gedateerd 2:5. Junij 1774. . . . . . . . . . . . . . „ 93. — - Pag: - - - - - „ 49. - annex pag: t Aankomende Secreete Brieven en Bijlagen van Java's oost Cust Zeedert den 5 Juni tot ultimo september Aan zijn Hoog Edelheid Den hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaren Heere Petrus Albertus van der Tarra Gouverneur Generaal, ende wel Edel Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie &E:a &:a &:a Hoog Edel Gestr: Groot Achtbaren Heere En Wel Edele Gestrenge Heeren De hoge eese gehad hebbende wet te ontvangen uwer Hoog Edelheden veel gerespecteerde aparte missives van den 31: Maart en 26:' April Jongst„ „leden zij hiet mi genlifs deselve bij desen vantwordende uwe Hoog Edel„ „heden te offereeren Een authenticq afschrift in Twee boek-deelen in het „ser 1774. 573 Nederduijts en Iavaanse der Registers van de landen die en den kei„
English
575 3. From Java's East Coast, the 1st of June 1774. — From Java's East Coast, the 5th of June 1774. — the Susuhunan and the Sultan actually reside, alongside an act or contract whereby they confirm those registers and promise to guarantee each other's lands, which they thereby also acknowledge as being held in fief from the Company, insofar as they deem it advisable and necessary; to which I also add the copies of the letters exchanged with the princes relative thereto, and also from the resident commanders at Surakarta and Yogyakarta, Van Straalendorff and Van Rhijn, dated the 9th and 6th of May respectively, in evidence of how much to the satisfaction of the Company and the pleasure of the princes, each in particular, the disputes and differences concerning mutual lands and peoples that have persisted for so long have now finally been fully decided and terminated thereby; which I hope, as well as what I have prescribed to them in the aforementioned act in order to prevent disputes and disagreements in the future for mutual security, tranquility, and peace, may obtain the desired approval and confirming sanction of Your Right Noblenesses. If the Sultan insists again on sending emissaries of rank to Bantam with a Company vessel, I shall endeavor to dissuade him therefrom in polite terms, and also allow no repairs to his carriages at the expense of the Company, but immediately upon receipt send him the new chaise coupé intended for him by Your Right Noblenesses. Pursuant to Your Right Noblenesses' favorable concession, the inhabitants of Western Balambangan, just like those of the eastern part, shall for the next three years, calculated up to the last of December 1776, Awaiting the European warriors promised by Your Right Noblenesses to bring the rebel peoples to submission after the arrival of folk from the Netherlands, I have already charged the Pangeran of Madura and the Regent of Sumenep with the preparation and keeping ready, each, of 100 to 150 good soldiers under prominent chiefs, with suitable vessels for their transport, so as to be able to cross over at the first order to wherever they shall be required; besides having also previously informed Commander Luzac that the native warriors who will then be further required must be furnished from the regencies of Pasuruan, Bangil, Banger, Besuki, and Lumajang, as being the most conveniently situated for this purpose, and also for that reason being excused from furnishing coolies for Balambangan. as I have already done with the Persian horse sent by the same as a gift for that prince; but that this otherwise handsome beast does not please him because of its color, or rather is of no use to him, appears from the letter which I have the honor to present to Your Right Noblenesses in copy under letter D. as 29 free 577 From Java's East Coast, the 5th of June 1774. — From Java's East Coast, the 5th of June 1774. — be exempted from rendering any contribution or paying any duty; and likewise, for just as long, the collection or farming out of the birds' nests shall be left to the regent of the last-mentioned district, Wiro Guno, insofar as the boundaries of his territory extend, the revenues of which, as Your Right Noblenesses have favorably been pleased to understand, he will well need in the first years in order to maintain himself in his dignity; but that collection in the districts of Balambangan, Lumajang, Antang, and Malang having been farmed out in the past year 1773 for 1000 Spanish reals, and having been left together again to the Surabaya Captain of the Chinese, Han Bwee Koo, for the same sum until the last of December next because the present year was already so far advanced, I have demanded from the latter a statement of how much, according to his calculation, each of the aforementioned four districts participates in the lease sum, in order thereafter to have the share of Balambangan paid out in cash to the repeatedly mentioned regent for this year. Regarding Balambangan itself and the state of affairs there, I request to refer Your Right Noblenesses to the separate letters annexed hereto in copies from Commander Luzac dated the 15th and 27th of April with their enclosures, alongside a further report containing insofar the more complete account of his proceedings there in compliance with what was demanded of him both by Your Right Noblenesses' respected missive of the 13th of December 1773 and by my letter of the 18th of January grounded thereon, as well as his answer to my later separate letter of the 11th of March; and furthermore to refer to my reply to all those papers by separate letter of the 7th of May last, wherein I substantially prescribed and directed the Honorable Luzac everything that appeared to me necessary and useful for a good and speedy construction of the small forts at Banyuwangi and on the corner of Tagal; to use teak instead of jati wood for this purpose, now that it is said afterward that the former can be obtained with considerably less trouble; to have the woodcutters and others provided with rice, dendeng, fish, and salt, with a small allowance for clothing, provided that all this does not amount to more than six stuivers for the carpenters and five stuivers a day for the coolies, and shall cease as soon as the work is finished; also to issue to the native seamen on the cruising vessels for rations and board money rice, salt, and fish, alongside 25 stuivers in cash per month; and, rejecting the proposal to have an express vessel there again for guard duty for at least 2 to 3 years, to make do with the four cruising praus mayang recently determined by Your Right Noblenesses and now and then one of the two pantjalangs belonging to Surabaya, for the transport of necessities in
Dutch transcription
575 3. Van Iavas oostkust den 1 Iunij 174. — Van Iavas oost kus den 5:' Junij 174. — ser en den sulthan actuel pesideeren nevens een acte of Contract waar bij zij die regsters bekragtigd in beloven elkanders landen die zij daar bij ook „bekennen als in seen van de Maatschappij te besetten te gavandeeren, voor zo verse die het raadsaam en nedsakelijk oordeelen, zal waar bij ik nog voege de Copias der met de vorsten daar toe betrekkelijk gewisselde brieven en ook van d' opperhoofden te soura Carta en te Djocpo Carta van Stralendorsen van Rhijn de dato 9:' en 6: maij respective ten blijke met hoe vel satifactie van de Maatschappije en genoegen der vorsten ider in het bijsonder de zo lang gesubsisteerd hebbende differenten en verschillen over wederzijdsche landen, en volkeren nu eijndelijk daar door eens ten vollen zijn beslist en getermineerd, 't geen hope ik zo wel als wat ik bij de afte voormeld hen voorgeschreven hebbe om tot onder„ „linge zekerheid rust en vreede, ook van het vervolg disputen en meenighe„ den voor te komen de gewenschte goedkeuring en bekragtigende approbatie uwer hoog Edelheden erlangen mag. Als den sulthan weder aandringde om zendelingen van aanzien met een Comp: vaartuig naar Bantam te zinden, zal ik hem daar van in beleefde termen tragten te diverteeren en ook geene reparatien aan zijne rijtuigen ten lasten der Comp: laten doen, maar na ontvangst ten eersten toe sinden de door uwe Hoog Edelheden hem toegedagte nieuwe Cards Coupe, Ingevolge uwer hoog Edelheden gunstige verquining zullen de Jnwoonders van wester Balemboangang eeven als die van het oostelij „ke gedeelte de eerst volgende drie Jaaren gerekend tot ult:o decemb:r 176. De door uwe Hoog Edelheden om de Hoessasche volkeren tot mn„ derwerping te brengen beloofde Europeesche krijgers na aankomst van volk uit Nederland inwagtende, heb ik reets den pangerang van Madura en den regent van Sumanap opgedragen de in gereedheid brenging en hou„ ding ider van 100 â 150 goede soldaten onder voorname hoofden met bekwame vaartuigen tot derselver transport, om op d' eerste ordre te kunnen overstee„ ken werwaards zij zullen worden gerequireerd mitsg„s voor af ook den gezaghebber Cuzae te kennen gegeven dat de Jnlandsche krijgers die dan verder nodig zullen weesen, moeten worden gecourneerd uit de regentschap„ pen Passourouang, Bangil Banger Besoekie en Lamadjang als daar toe het best gelegen en ook om die reeden g'Excuseerd zijnde battoors voor Balemboangang te fourneeren. gelijk ik reets gedaan hebbe het door hoog deselven voor dien vorst ook in geschink gesonden persiaanse paard maar dat dat anders fraaije bust, hem om dies Couleur niet bevalt of liever voor hem van geen ge„ „bruik is blijkt bij de breef die ik onder L:d D: in Copia de eere heb uwe hoog Edelheden aan te bieden. gelijk 29 rrij 577 Van Iavas oostkust de 5:' Junij 174. — Van Iavas oostkcust Den 5 Junij 174 — vrij gelaten worden van eenige Contributie op te brengen of geregtigheid te betalen en zal ook eeven zo lange aan den regent van laastgen: di„ trict wiero Goenoe gelaten worden de Jnsaam of verpagting der vogelnes„ „sies, voor zo verre zijn gebieds grensen strekken waar van hij de Jn„ „komsten zoo als uwer Hoog Edelheden dat gunstig hebben gelieven te begrijpen in de eerste Jaaren wel nodig hebben zal, om zig zelfs in zijne waardigheid te kunnen mainctineeren maar dien Jnsaam in de districten van Balemboangang, Lamadjang Antang en Malang, in het voorleden Jaar 173 voor 1000 spaanse realen verpagt geweest en zo te samen, om dat het presente Jaar reets zo verde ingeschooten was voor gelijke somme tot ult:o december aanstaande, weder gelaten zijnde aan den sourabaijas Capitain der Chineesen Hang Boeiko heb ik van deeze gevorderd eene opgave hoe veel na zijne reekening ider van opge„ „noemde vier districten in de pagtschat participeerd om daar na de portie van Balemboangang aan den regent meermeld voor dit Jaar in Con„ „tanten te laten uitkeeren. Omtrent Balemboangang zelfs ende toestand der zaeken daar versoeke ik uwe Hoog Edelheden te mogen overwijsen tot de deesen in Copias by gevoegde aparte brieven van den gezaghebber Luzac de datis 15:' 8 en 27: April derselver bijlagen, nevens een nader berigt behelsende in zoo verre den vollidiger verslag zijner verrigtingen aldaar in voldoe„ „ninge aan het hem gedemandeerde zo bij uwer hoog Edelheden gerespecteer„ „de missive van den 13:' december 173. als bij mijn daar op gegrond schrijven van den 18: Januarij zo ook zijn antwoord op mijn latere aparte van den 11:' maart, en mij voorts te dragen aan mijn weder antwoord op alle die Char„ „ters bij aparte letteren van den 7: meij Jongstleden waar bij ik den E: Luzac in substantie voor en aangeschreeven hebbe, al wat mij nodig en dienstig voorgekomen is, tot een goede en spoedige Extructie der fontjes te Ban„ Joewangie en op de koek van Tackum; om daar toe Jati in steede van Sati- hout te gebruiken, nu men ^ agteren zegt dat het eerste met vrij min„ „der moeite te bekomen is; — om aan de kappers en andere rijst dingding vist en zout met een geringleid tot kleeding te laten verstoekken mits dat alles aan de timmerlieden niet boven deses en aan de battoors boven de vijf stuivers sdaags kome te bedragen en Cesseere zo dra het werk klaar weesen sal; om ook aan d' Jnlandsche zeevarende op de kruisvaar„ tuigen tot randsomn en kestgeld aftegeven rijst zout en vijft neoens 25: stuij „vers in Contant p:r maand om /: met rejecteering van den voorstel om ten minsten nog voor 2 a3 jaaren daar weder Expres een vaartuig ter wagt„ „houding te hebben:/ het daar te stellen met de vier Jongst door uwE Hoog„ Edelheden bepaalde kruisprauwmajangs en nu en dan een der twee te sourabaija thuishoorende pantjallangs, bij transport van benodigdhee„ in den
English
579 From Java's East Coast, June 1742 From Java's East Coast, 5 June 1774 in case of necessity between the two to also let them be employed to cruise against the pirates, in order to thus save the great costs of an express guard ship; and, since thus far none have appeared, also no longer to send natives on missions to Nusa, but indeed by prahu mayangs continuously to keep an eye to the windward near that island; to allow the commission recommended in my separate letter of 18 January for the determination of the borders between eastern and western Balambangan and the accurate surveying of the lands to proceed at the first good opportunity; to have the regent of the first-mentioned part, Wira Guna, and his two patihs pass an act of bond with the Company at the first good occasion; and to place the kota under the patih Bawalayana, provided he, however, remains daily with and around the regent; all of which, for the reasons and motives appearing in my aforementioned separate letter of 7 May, transmitted in copy under letter H, will, I hope, carry Your High Nobilities' high approval. The Raden Ayu, sister of the aforementioned regent Wira Guna, I have caused to be diverted by the Pangeran of Madura himself from her intention to cross over to Balambangan; but meanwhile, as appears from the resident's separate letter of 27 April, permission having been granted to his mother to depart thither, and she having arrived there safely, I have silently let this pass as a settled matter. The regents everywhere, having been further urged to settle their previous years' arrears and rice contingents for the present year out of the harvest, which thus far still promises much, and on the contrary having been threatened according to Your High Nobilities' intention, I expect the desired effect thereof. Those of Demak, having made favorable promises, already seem to apply themselves thereto, and those of Surabaya also having fully delivered their contingent for 1773 since then, in the hope of favorable interpretation I have not yet made use of Your High Nobilities' authorization, in the event of continued negligent conduct by the first regent of Surabaya, to strip him of the administration of affairs. The Pangeran of Madura, pursuant to Your High Nobilities' requisition, will settle his previous year's arrears of green katjang with cash payment; and while the Surabaya officials have been instructed to send one hundred koyangs to the main station at the first opportunity, I have declined a similar request for payment from Pamekasan's regent until it is known how the katjang crop will turn out this year. 581 From Java's East Coast, 1 June 1774 From Java's East Coast, 3 June 1774 first regent of Surabaya, to strip him of the administration of affairs and place the same back into the hands of his father, the former regent Tjondronegoro, which shall nevertheless happen if he again gives evidence of far-reaching indolence and uselessness and fails to properly fulfill his obligations. That Your High Nobilities have been pleased to confirm with approval the acts of bond passed in the past year by the regents of the Company's districts to the west of here requires from me no less thanks and gratitude than I owe and profess for the favorable reflection that you have been pleased to take regarding the election, upon my nomination, of the regents of Japara and Lasem; and similar bond documents having also been passed by them, I have the honor of presenting them to Your High Nobilities herewith. Since the conquest of Malang and Antang in 1767 for the Company, the European garrison there has been provided by the regents of Pasuruan, Bangil, and Banger with rice, cattle, oil, and salt for rations; and according to their statement to Lieutenant Commandant Van Rijcke, pursuant to his letters of 23 March and 4 April last, transmitted successively in extract under letter T, there has been furnished thereto: By Pasuruan: 22 koyangs 7 piculs of rice, of which, however, 13 koyangs were credited from the contingent in 1769; 64 head of cattle or young buffaloes. By Banger: 6 koyangs and 12 piculs of rice; 20 head of cattle or buffaloes. By Bangil: 3 koyangs and 16 piculs of rice, and 10 head of buffaloes or cattle, besides lamp oil and salt, of which the quantity is not stated. Those regents have now recently made a request for restitution or payment thereof, and to be excused from that supply in the future. But since the security that the possession of Malang and Antang now gives to the other districts there, compared to previously, is worth quite as much to them as the previously supplied rice and livestock amounts to, I have instructed Resident Luzac in a separate letter of 7 May to simply leave the request for compensation unanswered. Yet, because it would become too oppressive a burden if continued, I request Your High Nobilities' authorization to allow the aforementioned supplies at Malang at the expense of the aforementioned regents to be discontinued, and henceforth to be done on the Company's account, while
Dutch transcription
579 Van Javas oostkustden Junij 1742 Van Iavas oostkust den 5: Junij 174. — den in kas van nodsakelijkheid tuschen bij de eens meede te laten emploi„ „eeren ter bekruissing tegen de zeerovers ten einde zo de grote kosten van een Expresse uitlegger te meenageeren, om als dog dus verre niet g'appereerd hebbende ook geen Jnlanders in besending meer na Hoessa te zenden maar wel door prauwmaijangs bij Continuatie een oog in het zijl omtrent dat eiland te doen houden; om de bij mijne aparte van den 18: Januarij aanbevolen Commissie ter bepaling der grensen tusschen ooster en wester Balemboangang en accuratie opneem der landen bij eerste goe„ „de occagie voortgang te doen hebben; om door den regent van het eerst„ „genoemde gebeelte wiero Goende en zijne bij de pepattijs als nog bij goede gelegentheid te doen passeeren eene acte van verband met de Compagnie en om de Cotta onder den bepattij Bawalaijana te stellen mits hij zig egter dagelijks bij en omtrent den regent ophoude dat ook alles om de redenen en motiven. die daar toe bij mijn meergem:e onder L: Ht in Copia overgaande aparte van den 7:' meij voorkomen de hoge goedkeuringe uwer Hoog Edelheden zo ik hope wegdragen, zal De raden aijde suster van den meerm:r regent wierde Goenoe heb ik door den pangetang van Madura zelfs laten diverteeren van haar voorneemen om naar Balemboangang over te gaan, maar in tus„ „schen aan zijn moeder blijkens des gezaghebbers schrijven bij aparto De regenten alomme tot de voldoening uit het dus: verre nog veel bebovende gewasse hunner voorjarige agterstallen en rijst Contingen„ „ten voor het teegenwoordige Jaar nader aangenaamd en bij het tegendeel na uwer Hoog Edelheden intentie bedreigt zijnde verwagte ik daar van het ge„ wenschte effect. die van damak favorabele beloften gedaan hebbende schei„ nen zig daar toe reets te beijveren, en door die van sourabaija ook Je„ dert hun Contingent von 1773 ten villen geleverd zijnde heb ik in hope van welduiding nog geen gebruik gemaakt van uwer Hoog Edelhee„ „den qualificatie om bij een aanhoudend negligent gedrag van den De pangerang van Madura zal ingevolge uwer Hoog Edelhe„ „den verguiring zijn voorjarig agterstal van Groene Cadjang met Contante betaling voldoen, en terwijl de sourabaijasche bedienden aan„ geschreeven is om bij de eerste oclagie Een honderd Coiangs naar de„ hoofdplaats af te senden, heb ik van de hand gewesen een gelijk ver„ „soek tot betaling van Pamacassangs regent toat dat men wete hoe in dit Jaar het Cadjang gewast slagen zal. van den 27:' april gepermitteerd geworden zijnde derwaarts te vertrek„ „ken en zij daar wel g'arriveerd weesende, heb ik zulks als een geda„ „ne zaak ook stilfwijgende gepasseerd. van eersten Cerpen 581 g Van Iavas oostkust den 1:' Junij 174. — Van Iavas oostkust en 3„ Junij 174. — eersten sourabaijas regent het bewind van zaken hem te ontremen en het zelve weder te stellen in handen van zijnen rader den vorigen regent Tjondronogoro gelijk egter geschieden zal als hij weder blijken van verre gaande traag. en werloosheid geeft en aan zijn verpligting niet behoorlijk komt te voldoen. Dat uwe Hoog Edelheden met goedkeuring hebben gelieven te bekragtigen de actes van verband, door de regenten van sCompagnies districten om de west van hier in het nadige Jaar gepasseerd vordert van mij geene mindere dank en erkentenisse als ik schuldig ben en belinge voor de gunstig reflectie die hoog deselven hebben gelieven te slaan in de verkiesingop mijn voordragt van regentente Japara en Lassum en door dese ook soortgelijke verband schriften gepasseerd zijnde, heb ik de eere die uwer hoog Edelheden nievens dese aan te bieden. Sedert de ververing van Malang en Antang in 1767 vor de Compagnie de Europeesche besetting daar door de regenten van Passourouang Ban„ „ger en Bangil van rijst ree olie en zout tot randsoen voorsien en na hunne opgave aan den luitenant Commandant van Rijcke volgens zijn schrijven van den 23:' maart en 4:' april Jongstl: in Extract inder L:a T overgaande successive daar toe gefourneerd zijnde Eemn Passourouang 22 Coiangs 7. picols rijst, dog waar op in 1769 uit het Contingent gevali„ deert is 13 Coiangs 64. p:s krbeesten of Jonge buffels voor Banger 6 Coiangs en 12. picols rijst 20 p„s koebeesten of bufsels. door Bangil 3. Coiangs en 16. picols rijst, en 10: p„s buffels of korbesten, nevens Lampolie en zout waar van de quanti„ „teit niet opgegeven is hebben die regenten nu onlangs versoek gedaan, om restitutie ofte betaling daar voor en om voortaan van die verstriekking te blijven ge Excuseerd maar vermits de vieligheid die de possessie van malang en Antang d' andere districten daar tans, in vergelijk van bevorens geeft, haar ruim zon veel waardig is als de vees verstrekte rijt en beesten bedraagd heb ik den gezaghebber Luzac bij aparte van den 7: meij in mandatis gegeven om de instantie tot vergoeding daar van maar onbeantwoord te laten dog dewijl het bij Continuatie een te drukkende last zoude wor„ „den versoeke ik uwer hoog Edelheden qualificatie om de voorschree„ „ven verstrekkingen te Malang ten beswaar der opgemelde regenten te mogen laten Cosseeren en voortaan s Comp: wegens te doen ter door wijl J N
English
583 # From Java's northeast coast, the 5th of June 1774. — From Java's northeast coast, the 6th of June 1774. — as I likewise deem it my duty to submit to Your High Excellencies the petition of Pasoeroean's regent, Tumenggung Nitinagara, requesting that the small district of Torong, which was placed under him by Your High Excellencies' secret resolution of the 27th of September 1771, just like Malang by Your Excellencies' separate dispatch of the 2nd of March 1773, might also for the present remain excused for 1773, 1774, and 1775 from the imposed contingent, being annually ten koyang of rice and thirty-nine Spanish reals, and thus also for the remission of the 20 koyang of rice that he is still in arrears for that district for 1772 and 1773; and this in consideration of Torong still being just as depopulated as Malang, so that he, Nitinagara, thus far can derive no benefits of any importance from it, while this always worthy regent, who spares nothing of his own simply to comply, also genuinely needs this modest accommodation and doubly merits it. In accordance with Your High Excellencies' authorization, the farmers of revenue will be permitted to mix as many duiten into their lease moneys as shall be advisable, up to 5 percent, of which no more than at most one-third may be disbursed in monthly wages and board money of what each individual is to receive. By general letter from here dated the 30th of May last, Your High Excellencies' much-esteemed requisition has been fulfilled to report how the means of subsistence on this coast is divided and was also divided in the recently concluded financial year; but since a second resident has again arrived at Djocjocarta, and the Captain Commandant of the military—who, because he is not named in Your High Excellencies' general regulation of the year 1755 concerning the provisions for the servants, has also not participated in the means of subsistence thus far—is indeed in need of some increase in income, I take the liberty respectfully to propose to Your High Excellencies to distribute henceforth the five percent that was allocated in general to the pen-servants by the aforementioned regulation, title VI, articles 1 and 2, in that currency which currently circulates in the eastern corner at par with silver money, but actually here in Soerakarta and Djocjocarta at 3, 4, up to 5 percent below it. But since it is very apparent that if the rice harvest turns out as abundantly as favorably expected, the circulation of duiten will also increase again, and the balance of copper money here amounts to no more than circa 1000, I request Your High Excellencies to be provided with twenty to thirty thousand rixdollars of that currency when opportunity permits. the following 585 13. From Java's northeast coast, the 5th of June 1774. — From Java's northeast coast, the 5th of June 1774. — manner as follows: To the senior merchant and head administrator, just as before . . . of the hundred 10 To the Captain Commandant here and head of the military on Java - - - ditto 5 To the junior merchants, namely the first storekeeper and the fiscal, instead of 5, 4 each, or both - - - - - ditto 8 To the four under-merchants, namely the secretary of policy, the second storekeeper, the collector of the domains, and the pay bookkeeper, just as before, 2 each, or together - - - ditto 8 To the translator in the Javanese language, on account of his meager income, instead of 2 . . . . . . . . . . . . . . . ditto 3 To the senior merchant and authority, just as before - . . . . . . ditto 10 To the under-merchant and administrator, just as before . . ditto 5 To the pay bookkeeper and clerk, because he holds two offices, instead of 2 . ditto 3 To the Javanese translator - - - - - - - - ditto 2 At Soerakarta The chief, as he has enjoyed thus far - - - . . . . ditto 7 The second resident, as he is now also pay bookkeeper and clerk, as much as was previously allocated to him, or - - - - - - - - - . ditto 6 At Soerabaija At Samarang At Djocjocarta The chief, just as at Soerakarta - - - - of the hundred 7 The second resident, as he is also pay bookkeeper and clerk, ditto 6 or together . . . . of the hundred 80 whereby, if Your High Excellencies deign to allow the distribution to take effect in this manner, for the Governor, instead of the 30 allocated to him and enjoyed thus far, there will remain ditto 20 Total . . . 100. Your High Excellencies' much-respected order by extract resolution of the 15th of April last to sell the state carriage that was supposed to be found here cannot be carried out, because such a vehicle is no longer here; the last Company carriage, purchased in 1765 for 250 rixdollars, was written off in the books of 1764/5 and continued to be listed under unappraised goods until, being entirely unserviceable, rotten, and decayed, it was also included among the goods that, upon Your High Excellencies' authorization by respected dispatch of the 3rd of December 1772—in order to balance the trade books, to discard the old balance of the unappraised goods, and to re-enter those that were existing and good—were dismantled, destroyed, and omitted from the books on the last of August 1772. And as it is very well possible here to without . . . . . .
Dutch transcription
583 # Van JIavas oostkust den 5:' Junij 174. — Van Iavas oostkust den 6:' Junij 174. — wijl ik mij in zelvder voegen repligt agte uwE Hoog Edelhe„ „den voor te dragen de instantie van Passourouangs regent tom„ „mongong Hitinagara, dat het kline district Torong 't geen bij uwer hoog Edelheden secrete resolutie van den 27:' Septemb=r 1771 onder hem is gesteld, even als Malang bij hoogt derselver apar„ te missive van den 2: maart 1773, voor 1773, 174 en 1775 ook nog vooreefst mogt blijven g' Excuseerd van het opgelegd Contingent zijnde Jaarlijks tien Coiang rijst en Negen en dertig spaanse realen en dus mede om remise van de 20 Corangs rijst die hij voor 1772 en 1773 ook nog voor dat distrect ten agteren staat en dat wel uit Consideratie Torong nog eeven zo ontvolkt als malang zijnde hij Nitinagara daar uit dus verde ook geene voordeelen van eenig be„ „lang trekken kan, mitsg„s dese altoos brave regent die om maar te voldoen het zijne niet ontsiet of spaard ook dese geringe te geattinge te gemoedkoming wel nodig heeft en dubbeld mititeerd Over een komende met uwer Hoog Edelheden qualificatie zal de pagters gepermitteerd worden, onder hare pagtpenn: zoo veel duiten te mogen mengen als raadsaam wesen zal tot 5 prC:t toe, en daar van niet meer dan ten hoogsten een derde aan maand en kostgelden van het geene een ider ontvangen kan worden verstoekt. Bij gemeene letteren van hier de dato 30 maij passato is vol„ daan aan uwer hoog Edelheden veel g'eerd requisit om op te geeven hoe het middel van bestaan te deser kust word en ook in het Jongst gepasseerd boekjaar is verdeeld, maar sedert weder een tweede resident te djoojo Carta gekomen zijnde en den Capitain Commandant der militie die om dat hij bij het generaal reglement uwer Hoog Edelheden van den Jare 1755 wegens de provisien voor de dienaaren niet genoemd word ook in het middel van bestaan dus verre niet heeft geparticipeerd wel eenige accressement van Jnkomsten nodig hebbende gebruik ik de vrijheid uw Hoog Edelheden eerbiedig voor te stellen om de vrijf ten hondert die bij opgemeld reglement til: V1. 11. en 2. aan de diena„ „ren van depen in het gemeen zijn toegelegd, voortaan te verdeelen in die munt roulleerd tans in den oosthoek tegen silver geld om geld oog actueel hier te soura Carta en te djoipcarta 3, 4. tot 5. perc:t daar beneden, dan nadien het zeer apparent is, dat als den rijst oogst zo „pulent reusseert als de verwagting Cavorabel is den debiet der duiten ook weder accesseeren zal en het restant aan kooper geld hier niet meer dan Circar: 1000 bedraagd versoek ik uwe hoog Edelheden bij ge„ „leegentheid met Twintig a dertig duijsent rd:s van die munt voor, sien te mogen worden. die volgender 585 13. Van Iavas oost kust den 5:' Junij 174. — Van Iavas oostkust den 5: Junij 174. — volgender voegen. den opperkoopman en hoofd administrateur, even als bevorens. . . van de hond:t 10: den Capitain Commandant hier en hoofd der militie op Java - - - „ - „ _ 5. de tweede kooplieden, nam:t den eerste pakhuismeester en den fiscaal in stede van 5 ider 4. of beide - - - - - „ „ — 8 de vier onderkooplieden te weeten den secretaris van politien de tweede pakhuism:s den ontr: der domeinen en den soldij boekhouder even als bevorens ider E: ofte zamen - - - „ „ 5 8 den Translateur in Javaansche taal, om zijn sober inkomen in stede van 2. . . . . . . . . . . . . . . . „ „ _ 3: den opperkoopman en gezaghebber eeven als bevorens. - . . . . . . „ „ —: 10 den onderkoopman en admistrateur even als _ . . „ „ — 5 den soldij boekhouder en scriba om dat tweediensten . „ „ —:3: bekleed in steede van 2 den Javansch translateur - - - - - - - - „ „ — 2. te SouraCarta Het opperhoofd. . . zoo als dus verre genoten heeft - - - . . . . „ „ — 7 de twede resident als tans teffens soldij boekhouder en scriba zynde zo veel als hem bevorens is toegelegt ge„ . „ „ _ 6 „weest of - - - - - - - - - te sourabaija te Samarang te Djoojo Carta Het opperhoofd even als te sturacarta - - - - van de hondert 7. de twede resident als ook soldij boekhouder en scriba zijnde „ „ d:o 6 of te zamen. . . . . van de hondert 80. wanneer er als uwe Hoog Edelheden de verdeling in diervoegen gevolg gelieven te laten nemen, voor den gouverneur in stede van de hem toegelegde en dus verre genoten 30. of blijven zal „ „ do 20 Teld. . . 100. Aan uwer hoog Edelheden veel gerespecteerde ordre bij Extract resolutie van den 15 April Jongstleden tot verkoop van de statie wagen die hier zoude te vinden zijn kan niet worden voldaan om dat zodanig rijtung hier niet meer is zijnde de laast of in 1765 voor rd:s 250: inge„ „kogt s Comp: wagen bij de boeken van 1761/5 afgescreeven en onder onge„ „taxeerde goederen blijven voortlopen tot dat geheel onbekwam verrot en vergaan zijnde mede begreepen is geworden, onder de goederen die op uwer Hoog Edelheden qualificatie bij gerespecteerde missive van den 3:' december 1772 om ter vereffening der Negotie boeken den ouden de bet der ongetasceerde goederen te verwerpen en die in Wesen en goed waren weder in tenemen gesloopt vernietigd en ultimo aug:o 172. uit de boeken gelaten zyn, En dewijl het hier zeer wel te zonder . . . . . .
English
587 15. From Java's northeast coast, the 5th of June 1774. From Java's northeast coast, the 1st of June 1774. without charging any ceremonial carriage to the Company, nor has any other been purchased since. I have the honour to call myself with the utmost submission and respect, High Noble, Severe, and Most Honorable Lords, and Noble, Severe Lords, your High Nobles' most obedient and ever faithfully bound servant, was signed: J. R. van der Burgh. In the margin: Semarang, the 5th of June 1774. Comprising the contents of your Noble and Honorable esteemed dispatch of the 11th of March on the subject of the Balambangan affairs, I have the honour, in dutiful reply to the more complete and punctual report required of me, to present herewith such paper as, in respectful response both to the extract from the High Noble Lords' esteemed dispatch of the 13th of December and your Noble and Honorable letter of the 18th of January, I hope may obtain your Noble and Honorable favorable consideration and be satisfactory, to which I have attached no enclosures since they were already dispatched with my first report. Under highly favorable interpretation, I have considered the commission in those conquests assigned to me by the esteemed extract of the High Noble Lords and your Noble and Honorable dispatch as principally intending my personal accompaniment and installation of the new Regent, Raden Tumenggung Wiro Guno, and further precisely to resume the orders prescribed therein and to ensure that they are answered in the fullest sense, just as they have all, together with the Resident, been repeatedly examined and considered, and could also safely be mandated to him, the Resident, for execution and compliance, for which my presence would have been unnecessary, since the same can be monitored by me from here. And I would not have returned from there so soon had not a foundation of illness already affected me, as on my return on board the vessel I began to grow very ill and thus would have had to remain there without any help, unable to perform anything, so that having been there 11 full days for the execution of the weightiest and most necessary matters requiring my person, I hope thereby to merit your Noble and Honorable favorable consideration and approbation. Copy of a separate dispatch written by the Senior Merchant and Commander over the Eastern Salient, Jonkheer Pieter Uzac, to the undersigned Governor and Director of this coast. This paper regarding the taking of the oath by Juru Kunci and Bawalaksana as Patih, as well as the provisional proof of assumed obligation by Raden Tumenggung Wiro Guno and his Patih, were properly recited to them in the Javanese language, but it escaped me to attach the Javanese text thereto. 589 From Java's northeast coast, the 6th of June 1774. From Java's northeast coast, the 5th of June 1774. I would be of the opinion that where two regents of a district are together, each of their patihs, according to the custom of the country, is always near and about their regent; yet where one regent and two patihs are placed over a district, according to the custom of the country one is with him and the second besides, the placement of Bawalaksana to attach to which enclosed with the Javanese writings to serve with those papers I take the liberty to present, and since I had administered the oath of loyalty to them two days before the receipt of your Noble and Honorable highly esteemed dispatch of the 18th of January, I flattered myself that such provisional proof of obligation without oath might be sufficient. For, on an upcoming and desirable occasion, when those districts shall one day be put in a condition to conclude with the Company some bond or contract, it can always be converted into a formal deed of engagement according to the contents of those executed with the Company by the former regents of Balambangan and, not two years ago, the regents of Surabaya, for which minor oversight, under favorable interpretation, if I may call it so, I most humbly request your Noble and Honorable favorable indulgence.
Dutch transcription
587 15. Van Iavas oostkust den 5:' Junij 174. — Van Iavas oost Cust den 1. Junij 174. zonder een statie waagen ten lasten der Compagnie te stellen is, is ook zedert geen andere ingekogt. Ik heb de eere mij met de meeste onderdanigheid in eerbied te noemen /:onderstond:/ Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaren Heeren en wel Edel Gestrenge Heeren. /:lager / uwer Hoog Edelheeden gehoorsaamste en alter trouwschuldigste dienaar /was geteekend:/ I: R: van der Burgh /:In margine:/ Samarang den 5:' Junij 1774. — Vervattende den inhoud uwel Edel: Achtb: gevenerendeerde missi„ „ve van den 11: maart ten sujelte van de Balemboangsche zaeken, zoo hebbe de Eere in schuloptigtige beantwoording aan het van mij gevor„ „derde volbediger en punctueeler berigt op denzelve bij deeze aante„ bieden zodanig papier als ter Eerbiediger beantwoording zoo van het Extract uit hunner hoog Edelherens gevenereerde missive van den 13:' december als uwel Ed: Achtb: breef van den 18:' Januarij verhoope dat uwel Ed: Achtb: gunstige Considerati mag wegdragen en voldoe„ „nend zijn tot dewelke geen bijlagen gevoegd heb alzoo deselve be„ „reeds bij mijn eerste berigt zijn afgegaan. Onder Hoog gunstige welduiding, heb ik de Commissie in die conquesten mij bij gevenereerde Extract hunner Hoog Edelhedens en uwel Ed: Achtb: missive opgedragen als hoofdzakelijk te bedoe„ „len mijne perzoneele begelieding en Jnstallatie van den nieuwe Regent Radeen Tommongong Wiero Goeno en verders de daar Copia Sparte Missive geschreven door den opperkoopman en gezaghebber over den oosthoek Ikr Pieter Uzac aan den onder„ getekende Gouverneur en directeur dezer Coper bij kuste 589 # Van Iavas oost kust den 6:' Junij 174. — Van Iavas oostkust den 5:' Iunij 174. — bij aangeschreven ordoes punctuelijk te resumeeren en te zorgen, dat dezelve in den volfte zin beantwoord worden aangemerkt gelijk de„ zelve ook alle dupair met de Resident een en andermaal onder het oog genomen zijnde en overwage ook Hem Resident ter vol„ voering en nakoming gerustelijk konde de mandeeren tot het welke mijn aanweezen onnodig geweest zoude zijn vermits van hier het zelve door mij kan nagegaan worden En zoude ik nog zoo spoedig van daar niet geretourneerd zijn Jndien niet bereets de bodem van ziekte mij aangelast had, gelijk ik in mijn retour op het vaartuig al heel stegt begon te worden en dus zonder eenige hulpe aldaar zoude hebben moeten verblijven zonder instoot te zijn ietwes uitteroeren zoo dat ik 11: volle dagen daar geweest zijnde ter verrigtinge van het gewigtigste en noodzakelijkste: mijn persoon ver„ „eisschende verhoope daar meede uwel Edele Achtb gunstige Conside„ „ratien en approbatie te mogen meriteeren. Dit papier specteerende de afneming der Eed aan Joeroe koon„ „tje en Bawalaxana tot Bepattijs zoo wel als provisioneel bewijs van aangenome verpligting bij den Radeen Tommong:s Wiero Goeno en zijne bepattijt zijn hun in de Javasche tale na de„ „zelve wel voorgehouden dog mij ontgaan om het Javaans daar aan Ik zoude van gevoelen zijn dat daar twee regente van een district bij malkander zijn een ider ook hun bepattij na slands wij„ „ze altoos bij en om haaren regent zijn nogtans over een distrect een Regent en twee bepattijs geposecteerd na slands wijse ook de eene bij hem is en de Tweede buiten dat de plaatsing van Bawalaxana te hechten tot dewelke inclose bij de Javaanse gescheriften om bij die papiere te dienen de vrijheid nemen aan te beiden en daar ik twee dagen von de ontfangst uwelEd: Aehb: hoog g'erde missive van den 18: Januarij. hun den Eed: van Trouwe had afgenomen heb ik mij geslateerd dat zodanig provisioneel bewijs van verplichting zonder bee„ diging voldoende mogte zijn: Want op het zelve bij voorkomende en te wenschen gelegentheid wan„ neer die districten eens in staat zullen gesteld zijn aan de Comp: of met de Compagnie eenig verband is Contract te sluiten tot een formeele afte van verband na de Jnhouden die der voorige regenten van Balem„ boangang en nog geen twee Jaaren geleeden de regenten van soura„ baija met de Comp: hebbe gepasseert altoos kan gebragt worden om welke geringe mislag onder welduiding /: zoo ik het zoo noemen mag/ uwel Ed: Achtb: gunstige inschikking ootmoedigst ver„ „bidden te
English
From Java's East Coast, the 2nd of June 1774. From Java's East Coast, the 2nd of June 1774. could be agreed upon at the Cotta: for the Cotta is by no means so far distant from Banjoewangie that it cannot always be kept closely in view, whereas moreover the change of location regarding Bawalaxana might easily arouse some displeasure or murmuring concerning him and his people, seeing that the Cotta Latting has adhered to him from generation to generation, and now also restores it with double zeal, since he, Bawalaxana, appears to me in his person to be industrious, virtuous, and faithful to the Company, just as the testimony of the Resident there also confirms; nevertheless, regarding which I still await the further sentiment of the Resident Schophof, and why, subject to favorable interpretation, I have not yet proceeded to that arrangement. With regard to the presently appointed Ingebij Karang Gessino as chief at Cradjagan and Tjaringandul over Ketapan, Bancak, and Pakkum, to be considered as subordinate chiefs, likewise subordinated under the Regent Wiero Goeno, just as the Ingebijs of Torbaija and Goemoelacq, this is more an improper expression than having misunderstood Your Right Honorable's intention, which is why I have corrected and clearly expressed the same upon granting their certificates. That, besides the master carpenter Dexter, whom I now expect daily, if it must be overseen and completed with the same and the soldiers already there for the construction according to the aforesaid plan of both strongholds in those districts, the engineer, and with which fixed number of 150 heads added to the 80 heads of Balemboangers actually employed there, I believe it will indeed be possible to bring to completion, provided the usual desertion of those people does not occur again, and why certainly some 50 heads may always be taken above the quota. I still remain in expectation of the Resident's requisition of the people assigned to the work from these districts: for I do not consider it advisable to dispatch them thither before the proper time, to whom also, according to the day of their wages, rice and salt will be provided for sustenance. Regarding the Company's servants in general, and the placement of the European and Native military personnel, as well as the seafaring folk for the cruising vessels, the latest determination of Their High Mightinesses and Your Right Honorable's orders will be observed as closely as possible. From Java's East Coast, the 5th of June 1774. From Java's East Coast, the 5th of June 1774. would be of the highest utility and indeed necessary in that commission, during the survey of those districts both in eastern and western Balembrangang regarding the situation and extent, as well as the division of those lands, to draw up an exact map, as well as with respect to Tanaroekan and Adirogo, I cannot fail, however, to submit to Your Right Honorable's far wiser judgment. The point concerning Gustij Moera at Djembrana regarding the extradition and surrender of the Balemboangers, I have written to the Resident to communicate the outcome of that matter or the answer of the aforementioned Gustij immediately upon receipt. As soon as the commission for the designated survey of the Balemboang borders to the west can be carried out with good success, I shall not fail, according to my best knowledge, to furnish the commissioners with a complete instruction on how they shall have to conduct themselves in the execution and what they must further observe, of which I shall then have the honor to offer a copy to Your Right Honorable. In how far the proportionality in the division over the list of the negorijs under the regent and his subordinates can best be arranged, I have requested the Resident to consider and make the necessary redress therein, in order then to draw up another list thereof to present to Your Right Honorable for inspection. To the question of what the Regent of Passorouang and others have supplied from time to time without payment as rations for the garrison at Malang, Antang, and Lamadjang, etc., I have not been able to obtain any further elucidation from the Commander Van Rijcke other than by his extract letter, and now, having been dispatched with my separate letter of the 2nd of this month, and now by extract of his letter dated the 4th of April, I may have the honor herewith to bring this to Your Right Honorable's attention. On the subject of the apprehended persons, the worthy mantri Dermo Joedo departed thither last Saturday under his safe-conduct; a man of fidelity and virtue whom I may and can well recommend, on the good foundation of his faithful service both formerly in the Balemboang region and now at Adirogo, to Your Right Honorable's high attention and favor, and indeed also in the sense of being the only person who appears to me qualified as chief of the western districts of Balemboangang, as through his long presence there, proven fidelity, and service in all occurrences he has known how to make himself respected by his commander as well as beloved among those peoples.
Dutch transcription
591 19 Van Iavas oost kust den 2: Junij 174. — Van Iavas oostkcus en Iunij 174. — te Cotta konde werde geaggreert: want de Cotta geensints van Ban„ Joewangie zoo verre afgelegen is of kan altoos na bij in het oog gehouden worden daar boven dien de verandering van plaats om„ „trent Bawalaxana ligt eenige misnoege of murmeering omtrent hem en de zijne mogte verwekken vermits de Cotta Latting hem van ouders tot ouders is aankleevende en ook nu met dubbelde ieder weeder in staat brengt daar hij Bawalaxana in zijn perzoon mij voorkomt werkzaam deugzaam trouw voor de Comp: te zijn, gelijk de getuigenisse van de Resicent aldaar zulks ook bevestigt; Egter over het welk ik nog nader het gevoele van den resident schophof blijve inwachten en waarom ik onder welduiding nog tot die schik„ „king niet ben overgegaan. Den opzigte van de tans aangesteld Ingebij karang Gessino als hoofd te Cradjagan en Tjaringandul over ketapan Bancak en Pakkum om te werden geconsidereerd als subalterene hoofden even zoo onder den regent wiero Goeno gesubordonneerd als de Jngebijs van Torbaija en Goemoelacq, is meer een abusive uitdrukking dan kwalijk begreepen te hebben vwel Edele Achtb: intentie waarom het zelve bij verleening van hun bewijsje gecorregeert en duide„ „lijk uitgedrukt hebb. Dat buiten den baas Timmerman Dexter welke dagelijk nu blijve te gemoed zien indien het met denzelve ende bereets daar zijnde soldaat zal moeten afgezien en voltooit worden tot Extructie na het voorgesz: plan van bijde sterktens in die districten de Jngenieur En met welk bepaald getal van 150: koppen gevoegd bij de 80. kop„ „pen Balemboangers werkelijk daar geemploieerd ik meen het wel afgesien zal kunnen werden, Jndien de gewoone verloop dier volkere niet weder plaats vindt en waarom en wel een 50 koppen altoos boven de bepaaling mogen genomen worden. Des Residents op Eisschen van de tot het werk bepaalde volkere uit deeze districten blijve ik als nog verwagtende: want dezelve ook niet voor den tyd derwaarts af te schikking goed oordeele welke dan ook na den dag hunner werkloon rijst rist en zout tot mondkoft zal verstrekt worden. Omtrent sComp: dienaaren int gemeen, en de plaatzing der Europeese en Jnlandsche militairen item de zeevarende voor de kruisvaer„ „tuigen zal zoo na mogelijk de Jongste bepaaling Hunner Hoog Edel„ „hedens en uwel Ed: Achtb: aanschrijven g'observeerd worden. omtrent van 593 31: Van Iavas oostkust den 5:' Junij 1774. — Van Iavas oostcus en 5: Junij 174. — van hoogste nut zoude zijn en wel noodzakelijk in die Commissie bij het opneemen dier districten zoo in het oostersche als westersche Ba„ „lembrangang omtrent de legging en strekking zoo wel als scheiding dierlanden een Juiste kaant te formeeren als ten opzigte van Tana„ „roekan en Adirogo kan ik niet voor bij nogtans uwel Ed: Achtb: Hoog wijser oordeel voor te draagen. Het pointt omtrent Guistij Moera te djembrana ter uitlevering en overgaave der Balemboangers, heb ik den Resident aangeschree„ ven om den uitslag dier affaire ofte antwoord van opgemelde Gustij, bij ontfangst ten eerste te bedeelen. Zoo dra de Commissie ter bepaalde opneem der Balemboangsche gren„ „sen om de west met goed succes kan werden gedaan zal ik niet in gebreeke zijn na mijn beste kennisse de gecommitteerdens te munieeren met eene volledige Jnstructie, hoe zij in de uitvoering zig zullen te gedraagen hebben en wat zij wijders observeeren moeten waar van de eere zal hebben uwel Ed: Achtb: dan derselver Copia aan te bieden. In hoe resre de evenredigheid in de verdeeling over de lijst der Ne„ gorijen onder den regent en zijn onderhoorige het beste te schikken Op de vraage wat Tassorouangs regent en andere van tijd tot tijd hebben gefourneert, zonder betaeling tot randsoen voor de bezetting te Malang, Antang en Lamadjang &:a heb ik van de Commandant van Rijcke geen nadere Elucidatie kunnen bekomen als bij zijn Extract brief en nu bij mijn aparte van den 2: deezer afgegaan en nu bij Extract zijner breef dato 4: April de Eere kan hebben by de„ ze uwel Ed: Achtb: onder het oog te brengen. Ten sujette der op gelikte perzoonen is de braave mantrie dermo Joedo gepasseerd saturdag onder zijn geleide pas derwaarts vertrokken Een man van trouw en deugd welke ik wel op goed fun„ „dament zijner getrouwe dienste zoo in het Balemboangsche voor heen als nu te Adirogo wel aan vwel Ed: Achtb: hoge attentie en gunste kan en mag opdragen en wel ook in dien zin als de eenigste mij voorgekome bekwaan tot hoofd van de westersche dis„ tricte van Balemboangang alzoo door zijn lange aanweesen aldaer beproefde trouw en dienst bij alle toevallen zig zoo bij zijn Comman„ „dant gezien als onder die volkeren bemind heeft weeten te maeken, zal zijn heb ik den Resident ter betragting en nodig redres daar in gedemandeerd om als dan daar van een ander tijst te formeeren om Uwel Ed: Achtb: ter visie aan te bieden zal dat oor -
English
23. From Java's East Coast, June 174. — From Java's East Coast, 3 June 174. — that he is recommended to me by everyone, particularly by Ensign Fisser, as a person who could give the Company the greatest satisfaction as head over those districts, if he were in time to be nominated or appointed as a head. Kromo Widjoijo, patih dalem of the second regent, has now returned home from there for five days, without however any proof of permission for the same, and Dermo Widjoijo recently crossed over thither per the Petronella; but regarding Tisto Kesoemo, I can discover nothing of his whereabouts in these districts, although he is still being searched for daily, while it is stated for certain that he has taken flight into the Sultan's lands, Japan, or hereabouts in the same. Regarding the illness of the new Balemboang regent, I have heard nothing to date; nevertheless, oral reports give me assurance of his complete recovery, but I have as yet received no further communication from there or regarding that regent from the Resident, to whom I have also granted authorization for the provision of board money and rations to the native seafaring men of the cruising vessels there according to the manner and custom here, namely above Raden Aijte, widow of the late Panembahan and sister of the newly appointed Balemboang regent Raden Wiero Goeno, I have most kindly informed of Your Honorable Worships' revered orders regarding her intended journey thither. Most humbly submitting to Your Honorable Worships' revered remarks, both in the highly esteemed dispatch of 11 March and that of the 2nd of this month regarding the state of the treasury in my pressing request for a speedy remittance of ready doit currency, arrack, gunpowder, and iron, as well as the further favorable allocations and plans to satisfy our demand, I respectfully refer in that regard to my separate and our joint letters; so I further have the honor, in dutiful reply to Your Honorable Worships' most revered dispatch of the 2nd of this month, to serve you that, with humble gratitude for the sent 2000 rd. Holland in copper coin, some leagers of arrack, and some of the required equipment goods, the quartermaster with 6 sailors brought them here, which will then also be employed here in the Eastern Salient; the usual rations of rice, salt, and fish, the allowance of 36 stivers a month per head. About 597 25: From Java's East Coast, 5 June 174. — From Java's East Coast, 5 June 174. — Concerning the misfortune inflicted by the sea pirates upon a vessel dispatched by us to Oeloepampang, which was merely a private native paduakan, we have presented to Your Honorable Worships' favorable consideration in our joint letter the sworn reports regarding it, together with the unsworn statements from Oeloepampang, which presentation I support with this, my most humble instance, as far as I am able. Boatswain Helmkamp, who had been requisitioned thither by Your Honorable Worships, I have—because the Panembahan and also the Pangeran herewith are always keen that he be employed on his cruising vessels—under favorable interpretation also projected again onto the Prince's vessels and crew for cruising; and he has already departed on the first of this month with the same and the regents' vessels as prescribed above, as in the previous year, on a cruise against the sea pirates to the west; but upon his return, I will nevertheless immediately let him pass to Your Honorable Worships' esteemed disposal, while in like manner to the east the usual cruising vessels, well-equipped, have also departed thither. The persistent lingering illness and increasingly worsening condition of Ensign Fisser has obliged me, under Your Honorable Worships' further highly favorable indulgence, to allow him to come hither for his recovery, and in his place have the little encampment of Adirogo taken over for the time being by the no less vigilant sergeant and postholder at Lamadjang, Steenbergen, in whose place I have again commanded one of the most capable and suitable sergeants from here to Gittem. I am now daily expecting the report from Resident Schophof as to how far progress has now been made both with the preparation for clearing the newly projected site of its brushwood and wilderness, and with the collection of the larie wood and teak trees and further necessary preparations; likewise, I also anticipate Master Desetes in the hope of being able to make a start on it in the coming month, and I shall apply all possible diligence and attention to complete everything, if possible before the onset of the west monsoon of this year, according to the most revered orders and intentions of Their High Excellencies and Your Honorable Worships and to fulfill the arrangements; of which I may and can assure Your Honorable Worships in respect and obedience, just as in that capacity I have the honor to remain.
Dutch transcription
23. Van Iavas oostkust den Junij 174. — Van Iavasoostkust den 3 Iunij 174. — dat hij mij van ieder inzonderheid den vendrig Fisser zodanig word aan„ „gepoesen als een person die de Comp. als hoofd over die districte het meeste Contentement zoude kunen geeven indien dezelve eens in der tyd tot een hoofd Eligibel wierden gesteld of gebragt. Kromo widjoijo pattijdalm van de 2:e regent is nu sedert vijf dagen van daar weder thuis geretourneerd zonder echter eenig bewijs van licen„ tie tot het zelve en Dermowidjoijo is Jongst per de Petronella derwaarts overgegaan dog omtrent Tisto kesoemo kan ik van zijn op onthoud in deeze districten niets ontdekken al hoe wel er nog dagelijks na hun gezogt wordt schoon men voor zeeker wil opgeven, dat hij zig. in sulthans landen Japan of hier omstreeks in dezelve zijn vlugt zou„ „de genome hebben. Omtrent de ziekte van den nieuwen Balemboangse regent verna„ „me ik tot heeden niets nogtans de mondelingse raporten mij van desselfs volkome herstelling van zeekeren zoo heb ik egter nog geen nadere bedeeling van daar of ten opzigte dien regent van wegen den Resident, aan wien ik ook qualificatie heb verleent tot het verstoekken van koftgeld en randsoen aan de Jnlandse zeevatende van de kruisvaar„ „tuigen aldaar na de wijze en usantie als hier, namentlijk boven Den Radeen Aijte, weduwe van wijlen den Panumbahan, en suster van de nieuw aangestelde Balemboangse regent radeen wiero Goe„ „no heb ik uwel Ed: Achtb: gevenereerde ordres omtrent haar voor geno„ „men reijse derwaards op het vrundelijkst laaten aan zeggen. Mij ootmoedigst onder werpende uwel Ed: Achtb: gerenereer„ de remarques, zoo bij hoog g'eerde missive van den 11:' maart als dien van den 2: deezer ten opzigte den staat der Cassa in mijn pressante verzoek om een spoedige toezending van Contante duiten Arak kruist en ijzer als verder het ons gunstig toegelegde en projecteerde ter voldoening van onsen Eisch zoo refereer mijn Eerbiedigst ten dien reguarde aan mijne Aparte en onse gemeene brieven zoo hebben de Eere verder in schulopligtig antwoord uwel Ed: Achtb: hoogst gevenereerde missive van den 2:' deser ten dienen, dat onder nedrige dank betui„ ging van de toegezonde 2000 rd: hollands aan koper munt Eenige leg„ „gers Araks en wat van de gevorderde Equipagie goederen de quarticr„ „meester met 6: mattroosen dezelve hier aangebragt hebben welke dan ook alhier in den oosthoek zullen werden g'emploieert de gewoone randsoen van rijst zout en vist, de toelaag van 36 stuy„ „vers smaands ieder kop. de Over 597 25: Van Iavas oostkust den 5:' Iunij 174. —. Van Iavas oostkust en 5:' Junij 174. — Over het onheel door de zee Roovers Een na oeloepampang door ons af„ gezonde vaartuig welke alleen een particulier Jnlandsche Paduakan geweest is toegebragt hebben mij bij onze gemeene de daar omtrent be„ „ledigde Relaasen, beneffens van oeloepampang dog nog onbeledig„ „de verklaaringe ontfangen uwel Ed:e Achtb: gunstige Consideratie voor gedragen welke voordragt bij deeze mijn ootmoedigste Instantie zoo ik vermag apuieere: De Bootsman Helmkamp die derwaarts door uwel Ed: Achtb: gerequireerd was heb ik om de wille de Panunbaham /:z/ en ook de Pangerang bij deeze altos daar op gesteld is dat op zijn kruisvaartuigen g'emploieerd word, onder goed gunstige welduiding ook weder op sprincen vaartuigen en volk ter kruissinge gepro„ „fecteerd en is bereeds den eersten deezer met dezelve en der regen„ „ten vaartuigen invoege voorschreeven als voorleeden Jaar ter kruis„ togt tegen de zee- Roovers om de west vertrokken doch zal hem eg„ ter bij zijn retouir terstond tot g'eerde dispositie van uwel Ed: Achtb: laten overgaan ter wijl ingelijker voege om de oost ook de gewoone kruisvaartuigen wel toegerust derwaarts zijn vertrocken. De aanhoudende zukkelende ziekte en meer en meer verslim„ merende staat van den vaandrig Fisser heeft mij genoodzaakt on„ Ik ben nu dagelijks te verwachten de bedeeling van den resi„ dent schophof hoe verre nu gevordert is zoo met de aanstal ter sui„ „vering van de nieuw geprojecteerde plaatse van haar bosschadje en wilder missen als met de versameling van het Larie hout en kajatie boomen en verdere noodzakelyk preparatien, gelijk ik ook den baas Desetes ook te gemoed zie in hoope van de aanstaande maand daar aan een begin te kunnen maaken en zal ik alle mogelijke vlijt en attentie aanwenden om was het mogelijk voor de doorbrake van de west. mousson deezes Jaars alles na de hoogst g'eerde ordres en intentie van haar hoog Edelhedens en uwel Ed: Achtb: te vol„ tooijen en aan de schikking te beantwoorden waar van ik onder Eer„ „bied en gehoorsaamheid vwel Ed: Achtbaere mag en kan ver„ zeekeren, gelijk dat ik in die hoedanigheid de Eere heb te ver„ „der hoog gunstige welduiding van vwel Ed: Achtb: denzelve tot her„ stelling herwaarts te laten komen en in desselfs plaats zoo lange daar het Campementje van Adirogo door den niet minder wakkeren zergeant en Posthouder te Lamadjang, Steenbergen laten overneemen inwiens plaats ik weder te Gittem een der bekwaamste en hebbelijkste zer geants van hier gecommandeert heb der blijven
English
597 25. From Java's east coast, the 5th of June 1774. From Java's east coast, the 6th of June 1774. Regarding the misfortune inflicted by the sea pirates on a vessel dispatched by us to Oeloepampang, which was merely a private native paduakan, we have, in our general letter, submitted the sworn accounts concerning it, along with the as yet unsworn declarations received from Oeloepampang, to your Right Honourable's favourable consideration; which representation I support with this, my most humble pleading, as best I can: The Boatswain Helmkamp, who was requisitioned for that destination by your Right Honourable, because the Panembahan and also the Pangeran have always insisted that he be employed on their cruising vessels, has, subject to your kind and favourable interpretation, also been assigned to the vessels and crew destined for cruising, and departed on the first of this month with the same and the regents' vessels, in the manner prescribed as in the previous year, on a cruise against the sea pirates to the west. However, upon his return, he shall immediately be placed at the honoured disposal of your Right Honourable, while in like manner, the usual cruising vessels, well equipped, have also departed to the east. The continuous, lingering illness and increasingly worsening condition of Ensign Fisser has compelled me, subject to the further highly favourable interpretation of your Right Honourable, to allow him to come here for his recovery, and to have the small encampment of Adirogo taken over in his stead for the time being by the no less vigilant sergeant and Postholder at Lamadjang, Steenbergen; in whose place at Gittem I have in turn commanded one of the most capable and suitable sergeants from here. I am now daily expecting the report from Resident Schophof as to how far progress has been made, both with the preparations for clearing the newly projected site of its brushwood and wilderness, and with the collection of the teak wood and timber trees and further necessary preparations, just as I am also looking forward to Master Deseter in the hope of being able to make a beginning with it in the coming month; and I shall apply all possible diligence and attention, if it were possible before the break of the west monsoon of this year, to complete everything in accordance with the most honoured orders and intention of their High Mightinesses and your Right Honourable, and to comply with the arrangement, of which I, with respect and obedience, may and can assure your Right Honourable, as I in that capacity have the honour to remain. 37 599 From Java's east coast, the 5th of June 1774. From Java's east coast, the 5th of June 1774. Remain, below, Title, lower, your Right Honourable's most obedient and humble servant, was signed, P: Luzac. In the margin: Sourabaija, the 15th of April 1774. Below stood, Agrees, was signed, J: R: van der Burgh. Noble, Honourable, Valiant, Manly, Prudent, Most Discreet Sir! Article 1, 2, 3: both with respect to the elected Regent Raden Tommongong Wiro Goeno and the respective bupatis, respectfully and fully bends regarding the performance at Balamboangan, in response to what was most obediently instructed, both by extract from the revered separate missive of their High Mightinesses the High Indian Government at Batavia dated 13th of December 1773, and subsequently received respected orders at that place by separate missive dated Samarang the 18th of January 1774, to the Right Honourable Sir Johannes Robbert van der Burgh, Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, etc. etc. etc. Firstly, to have him come over from Madura to Sourabaija without any further delay, and to have Commander Luzac convey him in person to Balamboangan.
Dutch transcription
597 25. Van Iavas oostkust den 5:' Iunij 174. —. Van Iavas oost cust en 6:' Junij 174.— Over het onhiel door de zee Roovers Een na oeloepampang door ons af„ gezonde vaartuig welke alleen een particulier Jnlandsche Paduakan geweest is toegebragt hebben wij bij onze gemeene de daar omtrent be„ „ledigde Relaasen, beneffens van oeloepampang dog nog onbeledig„ „de verklaaringe ontfangen uwel Ed:e Achtb: gunstige Consideratie voor gedragen welke voordragt bij deeze mijn ootmoedigste Instantie zoo ik vermag apuieere: De Bootsman Helmkamp die derwaarts door u'wel Ed: Achtb: gerequireerd was heb ik om de wille de Panunbaham /:z:/ en ook de Pangerang bij deeze altoos daar op gesteld is dat op zijn kruisvaartuigen g'emploieerd word, onder goed gunstige welduiding ook meder op sprincen vaartuigen en volk ter kruissinge gepro„ „fecteerd en is betedf) den eersten dezer met dezelve en der regen„ „ten vaartuigen invoege voorschreeven als voorleeden Jaar ter kruis„ togt tegen de zee Roovers om de west vertrokken doet zal hem eg„ ter bij zijn retouir terstond tot g'eerde dispositie van uwel Ed: Elchr laten overgaan ter wijl ingelijker woege om de oost ook de genoone kruisvaartuigen wel toegerust derwaarts zijn vertrocken. De aanhoudende zukkelende ziekte en meer en meer verslim„ merende staat van den vaandrig Fisser heeft mij genoodzaakt on Ik ben nu dagelijks te verwachten de bedeeling van den resi„ dent schophof hoe verre nu gevordert is zoo met de aanstal ter sui„ „vering van de nieuw geprojecteerde plaatse van haar bosschadje en „ wilder missen als met de versameling van het Larie hout en kajatie boomen en verdere noodzakelyk preparatien, gelijk ik ook den baas Deseter ook te gemoed zie in hoope van de aanstaande maand daar aan een begin te kunnen maaken en zal ik alle mogelijke vlijt en attentie aanwenden om was het mogelijk voor de doorbrake van de west. mousson deezes Jaars alles na de hoogst g'eerde ordres en intentie van haar hoog Edelhedens en uwel Ed: Achtb: te vol„ tooijen en aan de schikking te beantwoorden waar van ik onder Eer„ „bied en gehoorsaamheid vwel Ed: Achtbaere mag En kan ver„ zeekeren, gelijk dat ik in die hoedanigheid de Eere heb te ver„ „der hoog gunstige welduiding van vwel Ed: Achtb: denzelve tot her„ stelling herwaarts te laten komen en in desselfs plaats zoo lange daar het Campementje van Adirogo door den niet minder wakkeren zergeant en Posthouder te Lamadjang, Steenbergen laten overnemen inwiens plaats ik weder te Gittem een der bekwaamste en hebbelijkste zer geants van hier gecommandeert heb der blijven 37 599 Van Iavas oost kust den 5:' Junij 174. — Van Iavas oostkust, den 5:' Junij 174. — blijven /:inderstend:/ Titul/(lager:/ uwel Ed: Achtb: gantsch ge„ hoorsaame en mder danige dienaar /:was getekend/ P: Luzac /:in margine:/ Sourabaija den 15:' April 1774. /:onderstond/ Ac„ „cordeert /was getekend:/ J: R: van der Burgh. — Edele, Achtbare, Erntfeste, Manhafte, voorzue„ „nige zeer Discreten Heer! Articul 1: 2: 3: is zoo ten opzigte Eerselijk mn Maar sit zonder enig lan„ „ger vertoen van Madura naar sourabaija te van den g' Eligeert Regent Radeen Tom„ laten overkomen en hem door den gezaghebber monging wiro Goeno als de bij bepattijs Luzac in perzoon naar Balemboang:s te doen Eerbiedig en voledigt beugt wegens de versigtinge te Balemboangang ter be„ „antwoording van het zoo bij Extract uit de gevenereerde Aparte Missive van haar Hoog Edelheedens de hoog Indiaste Regering te Batavia gedateerd 13. ' December 173. als na„ „der daar ter plaats ontfangen g' Eerbiedigde beveelen bij asparte Missive gedagteekend sa„ „marang den 18:' Januarij 174. gehoorsaamst op gedraagen Aan den wel Ed: Agtb: Heer Johannes Robbert van der Burgh Gouverneur en Directur op en Langs Jaras noord oost kust &c:a &:a &:a Eerbiedig oversbrengen overte