VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3418

Japan · 615 pages · 359 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3418_0544 view scan ↗

English

From Makassar the 22nd of October A:o 1724. — From Makassar the 22nd of October 1774. —. had been and had also done, although both those negorijs belong to Boni, as they were bequeathed by the late queen, who also possessed the realm of Soping, to the present king, her brother. Concerning Aroe Pantjanna, complaints are made about the violent robbery and plundering of the Soping subjects who come to Tanette. Regarding Arou Pao Pao, concerning the violent abduction of half the inhabitants of Lalolang, a district in Tanette, which was allegedly given to him, Penlipoe E:, by the deceased Arou Tanette, his [illegible] / known in previous papers by the name of the mad duke /. Concerning the Adatouang, it is reported that the Poenliepoe E: had agreed with him to have certain disputes over Mario, which was constantly disturbed by those of Sedenring, investigated and settled by dignitaries from both realms, but that he had since shown himself averse to this and that the robberies and plunderings [illegible] the Gang Gongen. — The complaint against the Queen of Tanette under the name of the former Queen of Loewoe concerns three negorijs which she is said to have seized, but primarily one named Kekelang, situated in the Honorable Company's territory in Sagerij and thus belonging to the Honorable Company / although that princess claims to have a right to it, over which there has already been frequent dispute with her / in which respect the Poenlipoe E: says that the same was ceded to Soping by the late Lord Admiral Speelman / his memory be blessed / and the old Radja Palacca. With all this, accompanied by a request for my assistance, it was declared that their patience was at an end and the Sopingers were disheartened, and furthermore that they made all this known so that, should the Company require Soping's assistance and they were not in a position to provide it, they would not be reproached for not having informed them sooner. What I now answered to all this, Your High Mightinesses may, if it pleases you, see from my letter just mentioned, to which I therefore take the liberty to refer, the more so as I would only weary Your High, much honored attention with more detailed particulars; only adding here that, upon what was communicated to me by the former Pongauwa of Boni, Lacasie, regarding how the Adatouang had asked him for advice concerning the request of the Poenlipoe E: to have the disputes between both of them arisen over negorij Mario investigated and settled by dignitaries of both realms, I requested him to urge the Adatouang most strongly to that end, as appears from the entry in the register under the 16th of last month, from which I hope for as good a success as from what has further been done by me in this matter, and I trust that it may obtain Your High Mightinesses' gracious approval. — And [illegible] the same informed me, among other points about which he later also wrote in his subsequent letters, that he had reliable information that Arou Pantjanna and Aron Pao Pao intended to actively prevent the collection of the tithes in Sagerij, and that the Tanetterese had already been ordered to arm themselves for that purpose; but that a part of them, having sent to him, Poenlipoe E:, to ask for advice on how to conduct themselves in this matter, he had told them that they would do well to obey up to that point, but that in case they were required to undertake anything against the Company or its servants or subordinates, they should then refuse entirely and take to flight: And herewith, for the continuity of the subject in so far as I still have to mention the Poenliepoe E:, passing to the description of the Company's lands and subjects, or rather in particular that which befell me during the last collection of the tithes in the Northern Province, I have the honor respectfully to inform Your High Mightinesses that having been requested by the repeatedly mentioned Poenliepoe E: upon receipt of his first letter / which served as an answer to my earlier one of the 21st of September / to be allowed to speak once with the Captain of the Malays, making it known that he was at Lampoko, a place situated by the sea, I immediately sent that servant thither, who on the 30th of August reported back to me. Over. With. Becees

Dutch transcription

van Maccasser den 22:' October A:o 1724. — Van Maccasser den 22:' October 1774. —. geweest waaren en ook gedaan hadden, of schoon die beijde Negorijen van bonij behooren, als door de laatst overleeden koninginne, die teffens het rijk Soping heeft bezeten, aan de teegenwoordigen koning haaren broederen vermaakt zijnde. Omtrend Aroe Pantjanna word geklaagd over het geweldadig rooven. en berooven, van de sopingse onderdanen die op Tanette koomen en. Ten belange van Arou Pao Pao over het geweldig weghalen van de helft der Inwoonders van Lalolang, een Landschap in het Fanetse, dat hem Pen„ lipoe E: door den Overleeden Arou Tanette zijn bom / bij voorige papieren bij den naam van den dollen hertog bekend /: zoude geschonken weesen. Aangaande den Adatouang word Gemelde dat den Poenliepoe E: met den zelven over ben gekoomen was, om eenige Geschillen over Mario, het welk door die van sedeenring steeds ontrust wierd, door weederzijdse rijksgrooten te doen ondersoeken, en bij te leggen dog dat den zelven sig daar van zeedert afkheerig toon„ „de en de roverijen en plunderden bu den Gang Gongen. — de klagte teegen de koninginne van Tanette onder de naam van geweesene ko„ ninginne van Loewoe is over dlie negorijen die zij zoude na zig genoomen hebben dog voornamentlijk een met name kekelang, in 's E: Comp=s gebied te sagerij geleegen en haar Edele dus toebehoorende /: schoon die vorstin daar op vermeend regt te hebben, waar over al dikmaals met haar Getwis=t is:/ ten welken opsigte den PoenlipoeE: zegt dat deselve door wijlen den heere admiraal Speelman /: Hb: L: g:/ en den ouden Radja Palacca aan sooping zoude weesen afgestaan Bij dit alles onder een versoek om mijne hulpe betuijgd wordende dat hun geduld ten eijnde was en de sopingers kleijnmoedig waaren mits„ „gaders dat zij dit een en en ander bekend maakten, op dat, wanneer de Comp=e sopings assistentie mogte requireeren en zij daar toe dan niet instaat mogte weesen, haar niet zoude worden voorgehouden waerom zij het een en ander niet tijdiger verwittigt hadden, wat ik nu op dit alles g'antwoord hebbe, zullen uw: Hoog Edelheedens uijt mijn eeven gewaagd schrij„ „vens des behaegende kunnen zien waar aan ik dierhalven de vrijheijd nee„ „me mij te gedraegen te meer ik hoog derselver, veel g'eerderttentie met een breedvoeriger detail maar vermoeijen zoude, eenlijk hier nog bij voe„ „gende, dat ik, op het mij bedeelde door den Geweesen Pongauwa van bonij Lacasie hoe den Adatouang hem om raad versogt hadde, over het aansoek van den Poenlipos: om de twisten tusschen haar beijden, Iboe den zelven mij onder andere poincten waar over hij bij zijne volgende brieven nader hand ook geschreeven heeft, deed weeten in 't zee„ „here onder rigt te zijn, dat Arou Pantjanna en Aron Pao Pao voorneemens zoude weesen de vertiening op sagerij feijtelijk te beletten en de Tanettereesen reets gelast waeren, zig ten dien eijnde te wapenen dog dat een gedeelte van dezelve hem poenlipoe E: hebben de doen versoeken om raad hoedanig zig in deesen te gedraegen bij haar Ge„ zegt hadde dat z' in zoo verre wel zouden doen te Gehoorsaamen dog dat ingeval hun mogte worden gevergd om teegen de Comp:e of haere dienaaren of onderhoorige iets te onderneemen zij sulx als dan finaal weijgeren en op de vlugt moesten slaan: over negorij Maria gereesen, door weeder zijdse Rijkes Grooten te doen ondersoeken en bij 't leggen, denselven verzogt hebbe Adatou„ „ang daar toe op het ke:ragtigste aan te zetten blijkens het vermelde bij deng„ register onder den 16: der voorleedene maand, waar van ik soo wel een goed succes verhoope, als van het geene in deesen door mij verder te werk gesteld is, en ik vertrouwe dat uw: hoog Edelheedens goerde goed„ „keuring zal moogen wegdraegen.— En hier meede om den samenhang der stoffe in zo verre ik nog van den poemlie poe E: diene te gewagen Overgaande tot de beschrijving van 'S Comp:s Landen en onderdaanen of wel in 't bijsonder het geene mij in de laatst gedaene vertiening inde noorder provintie bejegend is zoo hebbe ik d'eere uw hoog Edelheedens eerbiedig ter kennisse te bren„ „gen hoe mij door meermelde Poenliepoe E: bij den ontfang van zijnen eersten brief /:gediend hebbende in 't antwoord van mijne vroegere van den 21: September verzogt geworden zijnde om met den Capitain der Maleijers eens te moogen spreeken, onderbekendmaeking dat hij zig op Lampoko, een plaats aan zee geleegen bevond, ik dien bedienden aanstonds derwaards gezonden hebbe, dewelke mij op den 30:e Augustus tot rapport bragt. Over. met. Becees

NL-HaNA_1.04.02_3418_0545 view scan ↗

English

From Maccasser the 22nd October 1724. — From Maccasser the 22nd October 1770. -. with the further addition that he, Poenhipoe, would remain on Lampoko, in order to assist me in case of need and whenever I might desire it, a similar offer also having been made to me by the former Pongauwa, Lacasie, whom I however thanked for it. I had barely received this report when two of the four soldiers standing guard at Sagerij came to me at Siang, the one being very severely wounded in the chest, but the other more lightly, which latter soldier, while handing over a letter from the sergeant at the outpost there, reported to me how they, having been on watch in a vessel manned by five natives in the river of Mahoupa and having been informed of an intended smuggling operation, had also overtaken a vessel manned by three natives. These men, having immediately said that the loaded paddy belonged to Arou Paud sao, had not only appeared willingly to come on board, but upon the demand made to them had at first surrendered their assegais, yet whilst their krises were being demanded, they had drawn them bare and, crying amok, had attacked them. Seeing this, the natives of their vessel, instead of assisting them, took to flight, which example he and his comrade, both being already wounded, had to follow, leaving behind their guns and a cutlass, which the murderers took possession of and subsequently absented themselves, leaving the vessel lying empty. Having immediately made the most serious complaint and demanded satisfaction over this violent deed from the Queen of Tanette, which I have not obtained to this day, I further learned, not only by rumors, that Arou Pantjana and Aron Pao Pao were making various movements at Sagerij, but having sent confidants to ascertain what might actually be going on, I was further told that the first-named had stored a large number of flintlocks, blunderbusses, and fifteen baju rantes at his house in the negorij Mongalong, and likewise a lot of guns at two or three other negorijen. This made me resolve to summon the Queen herself to me, but as she did not seem inclined to do so, I immediately sent for her Captain Daijing Masikie, whom she had promised to assign to me in collecting the tithes, who then also appeared at Labackang on the 6th September, after I had in the meantime, through one of the previously mentioned letters from Soppeng, received further word that the mother of Arou Pao Pao had diverted her son together with Arou Pantjana from their evil intention, and they had thereupon agreed with one another to have their paddy removed from Sagerij, which had already taken place in a large quantity. The said Daing Mazikie, upon my asking what was finally going on, having testified to knowing nothing, having only just arrived at Pantjeina when he received my message, adding that Arou Pantjana had requested him to greet me and to offer on his behalf to collect the tithes with me, I informed him of the attempted murder of the two guards and of the current rumors, requesting him to send an emissary to Pantjana at once and to inform Aroe Pantjana (whom I immediately gathered from his just-mentioned message was himself fearful and possibly feared being seized, as I must still assume) that as far as he was concerned, since he was a son of the Company, I could not believe those rumors, but that in case he had been frightened by such spread rumors and this might be the reason that he had armed himself, I assured him that no harm would come to him, but at the same time that I expected and therefore admonished him to [illegible].

Dutch transcription

van Maccasser den 22:' October 1724. — van Maccasser den 22:' October 1770. -. miet verdere bij voeging dat hij Poenhipoe E: op Lampoko ver„ blijven zoude, ten eijnde des noods en wanneer ik zulx begeeren mogte mij bijstaan, hoedanig een gelijke offerte mij ook door den geweesen Pongauwa, Lacasie wierd gedaan, dan welken ik daar voor be„ dankt hebbe. Ik hadde dit bericht naauwlijks ontfangen op twee van de vier wagt houdende soldaeten op sagerij kwamen bij mij te sianen den eenen zeer swaar in de borst dog den anderen ligter gequest zijnde welke laatste mij onder overgave van een brief van den sergeanten afscheepen aldaar rapporteerden hoe zij in een vaartuijg met vijf in„ landers bemand in de rivier van Mahoupa op de wagt Geleegen hebbende en g'informeerd zijnde van een voorgenomen sluijtewerk ook een vaartuijg agterhaald hadden met drie Inlanders bemand die, aanstonds gezegt hebbende dat d' ingelade Padij Arou Paud sao toebehoorde, niet alleen voor het uijterlijk gewillig aanboord ge„ koomen waaren, maar ook op de hun gedaene afvordering ten eersten kunnen assegaijen overgegeven, dog onder het afeijsschen van de krissen dezelve blood getrocken en onder het geroep van amok op haar aange„ „vallen waaren, 't welk d' Inlanders van haar vaartuijg ziende in„ steede van haar te assisteeren de vlugt hadde doen neemen welk voor„ „beeld hij met zijne maker, als beijde reest gequest hadden moeten volgen, met agterlating van hunne geweeren en een houwer, daar de moordenaars zig meester van gemaakt en zig vervolgens Geab„ „senteerd hadden, laetende het vaartuijg ledig leggen. Over dit geweldig bedrijf aanstonds op het ernstigste hebben, „de doen doleeren en satisfactie vorderen bij de koninginne van Tanette, die ik tot hier toe niet hebbe erlangt, zo vernam ik wij„ „ders niet alleen bij gerugten dat Arou Pantjana en Aron Pao Pao, verscheijden beweegingen op sagerijen maakten, naar daar op door vertrouwelingen hebbende Laeten verneemen wat 'er eygentlijk gaande mogt weesen wierd mij nog verhaal dat den eerstgemelde op zijn huijs in de negorij Mongalong een groot getal snaphaenen donder busschen en vijfftien baatjoe ran„ „tees hadde doen bergen en zo meede nog een parthije geweeren op twee of drie andere Negorijen 't geen mij deed resolveeren om de koning in zelve bij mij t' ontbieden, dog vermits zij daar toe niet geinclineerd scheen, zoud ik aanstonds om haeren Capitain Daijing Masikie die zij mij hadde beloofd in het doen der vertiening te zullen toe„ „voegen, den welken dan ook den 6:' September op Labackang ver„ „scheen, na dat ik intusschen, bij een der hier voorgewaagde So„ pingse brieven, nog bericht erlangd hadde, dat de moeder van arou Pao. Po. haar zoon neevens Arou Pantjana van haar boos voor„ neemen gediverteerd, en zij met elkanderen daar op beslooten hadden hunne padij van sagerij te laeten weghalen, invoegen ook reets in een groote quantiteijt Geschied was. Gemelde Daing Mazikie op mijne vraege wat'er toe eijndelijk gaande was, betuijgd hebbende van niets te weeten, als maar boen op pantjeina zijne aangekoomen toen hij mijne bood„ schap ontfing met bijvoeging dat Arou Pantjana hem gedeman„ „deerd hadde mij te groeten en zijnent weegen aan te bieden om met mij de vertiening te doen, zo gaf ik hem kennisse van de voor„ genomene moord der twee wagthouders en van de Loopende Gerug„ „ten, hem versoekende om ten eersten een heer na Paintjana te doen en Aroe Pantjana /:die ik uijt zijn evengemelde boodschap, ten eersten besloot dat zelfs inbeduchting was en mogelijk vrees de van opligt te zullen worden zo als ik tot nog toe den seen moet:/ aan te zeggen dat ik die gerugten voor zoo verre hem betref, ver„ niets hij een zoor van de Comp=e was, niet gelooven, konde, dog dat bij aldien hij door zoort gelijke uijt strooijsels in vreese gebragt en zulks de reeden mogte weesen dat hij zig gewapend hadde, ik hem deed verzeekeren dat hem niets kwaads wedervaeren zoude, maar teffens dat ik verwagten en hem dierhalven vermaand wat 'er wilde. -

NL-HaNA_1.04.02_3418_0546 view scan ↗

English

55 From Maccasser the 22nd of October Anno 1724. From Maccasser the 22nd of October Anno 1724. wished to have him remove his weapons from the Company's territory, further thanking him for his offer to assist me in the tithe collection, all of which was promised to me by Dain Mabibli, and moreover he promised to do his best to track down the murderers, of whom he testified to know one well by the name of La sarassa, as he was daily with Arou Pao pao, so he departed immediately and returned the next day, bringing along the two muskets of the wounded sentries and a kris with the hilt of the chopper, which he said, according to Arou Pantjana's testimony, were found at the house of Lassarasse, who had fled and could not be caught, further reporting that he had presented what was ordered to Arou Pantjana, but the latter had answered nothing other than that it was well, to which he also added that he had not been able to discover anything about the storing of weapons on the Company's territory, all of which then also reassured me that there was nothing to fear, although out of prudence and to show how little reason there was for the tithe collectors to be concerned, I took along an adequate force of men, nevertheless with strict orders to everyone not to cause the slightest trouble to anyone, on pain of rigorous punishment, which then also resulted in the tithe collection ending without the slightest difficulty, except that at the aforementioned Negorij Manhalong some of our people were wounded by caltrops made of sharpened bamboo placed there undoubtedly by the people of Arou Pantjana, who showed themselves sufficiently throughout the entire district except there and at yet another negorij: it having nevertheless been clearly observed that a large part of the paddy must have been betrayed, considering it had stood there quite as well as elsewhere, yet the collected tithe yielded pro rata the least of all, besides that I have reason to fear the collected tithe far before I step away from this delicate history and. To conclude this chapter, to note further how the late return of the Glarrang of Bontualacq, Mandhaer, added to the paddy cutting now already being started in the south and the tithe collection soon to follow thereupon, prevented sending that grandee of the realm alongside the chief interpreter to Boelecomba and Bontahin, to investigate the complaints brought against the Pennangs of those districts, mentioned in my respectful latest letter, and further to make a division between the subjects on both sides at a certain Negorij Lourong, which latter I would nevertheless gladly wish to manage, because from that, apart from new disputes, nothing but detriment is to be expected for agriculture, considering the Boniers who reside under the Company, upon being surrendered to their own chiefs, usually depart for the interior, whereby the most productive districts are even more depopulated. Wadjo. Knowing nothing more to report than what I had the honor to mention under the chapter of Bonij, I now proceed to the treatment of the outcome of the mission undertaken to Mandhaar, and all that was set in motion by me toward obtaining compensation for the bark De Vrijheijd, noting initially that the Glarrang of Bontualacq, after an absence of six months, without having written a single letter or sent an emissary to the king his master during all that time, at least as far as I have been able to find out, having returned on the 20th of July, on the following day gave me such a report of his experiences as is recorded under that date in the daily register, which, however, apart from an affirmation of having heard nothing whatsoever of any negotiation with the English, contains nothing of importance other than that the collective princes had indeed promised to appear in person, but he, the Glarrang, nevertheless still thought that the one of Binoang alone would keep his word.

Dutch transcription

55 Van Maccasser den 22:' October A:o 1724. —. van Maccasser den 22:' October A=o 1724. — wilde hebben om zijn wapenen van 's Comp:s territoir te doen wegneemen, hem verder doende bedanken voor zijn aanbieding om mij in de vertiening te assisteeren, al 't welke mij door Dain Ma„ „Bibli toegezegt en daar en booven beloofde zijnde om zijn best te doen tot agterhaling van de moordenaars, waar van hij betuijgde den eenen met naame La sarassa wel te kennen, als dagelijks bij Arou Pao pao zijnde, zo vertrok hij opstonds en kwam des anderen daegs weeder meede brengende de twee geweeren van de Gequeste wagt„ „houders en dekling met de Greep van de houwer, die hij zijde volgens Atrou Pantjanas betuijging gevonden waaren op het huijs van Lassarasse, den welken gevlugt en niet te agterhalen geweest was wijders berichten de dat het hem bevoolene aan Arou Pantjana voorgehouden, dog deese niet anders Geantwoord hadde dan dat het wel was, waar bij hij nog voegde niets te hebben kunnen ont de kkeen„ van het bergen van geweeren op 's Comp:s territoir alhet welke mij dan ook gerust seelde dat er niets te vreesen was, schoon ik om de voor„ sigtigheijd en om te doen zien hoe weijnig here weijnig reeden 'er voor de vertienders was, om bekommert te weesen een toereijkende magt van volk meede nam, onderstrikte order nog thans aan een ieder Om niemand het minste overlast last te doen, op pene van rigou„ reuse straffe, het geen dan ook ten gevolge heeft gehad, dat de ver„ „tiening sonder de minste moeijlijkheeden afgeloopen is, uijtge„ „nomen dat op de voornoemde Negorij manhalong eenige der onse ge„ „quets geraakt zijn door voetangels van scherp gemaakte bamboesen aldaar ongetwijffeld door het volk van Arou Pantjana Gelegt, dat zig genoegsaam in't Geheele district behalven aldaar en op nog een andere nogorij„ heeft laeten zien: hebbende men even wel duijdelijk kunnen ontwaeren dat 'er een groot deel padij verraad moet zijn gemerkt het was daar ruijm zo goed alselders gestaan dog de gehoevene tiende prorato het minste van allen opgeworpen heeft, behalven dat ik met reeden vreese het vertierde in verre nadat ik van dit netelig historiaal afstappen en. Ten besluijte van dit hoofd deel nog noteeren, hoe de laete te rug komst, van den Glarrang van Bontualacq, Mandhaer, ge„ „voegd bij het thans reets begonnen wordende padij suijden, om de zuijd en daar op eerlange te volgene Vertiening, verhindert heef=t om dien rijks groot neevens den oppertolk na Boelecomba en Bontahin te senden, tot ondersoek van de klagten teegen de Pennangs van die districten ingebragt, vermeld bij mijne eer„ „biedige Jongste, en voorts om een verdeeling te maeken tusschen weederzijds onderdanen op zeekere Nagorij Lourong, welk laatste ik egter gaaane wenschte te kunnen menageeren, wijl daar uijt behalven nieuwe dispui„ „ten, niet dan nadeel te wagten is voor den Landbouw, gemerkt de boniers welke zig onder de Compagnie onthouden, bij overgave aan hun eijgen hoofden gemeenlijk na de binnen landen vertrecken, waar door de rijkst„ geevende districten nog meer ontvolket worden. wadjo. niets meer weetende te berigten als het geene d'eere gehad hebbe onder het Hoofd deel van Bonij te melden zo treede ik thans tot de verhandeling van den uijtslag der gedaene bezending na. Mandhaar, en al het geene door mij in 't werk gesteldis, tot er„ „langing van schae vergoeding voor de bark: de vrijheijd, aan vaarckelijke noteerende, dat den Glarrang van Bontualacq, na ses maanden uijt„ „blijvens, zonder in al dien tijd aan den koning zijn meester een enkelde brief geschreeven of een zendeling gezonden te hebben /: ten minste voor uuw zo verre ik hebbe kunnen te weeten komen:/ den 20. Julij gereverteerd zijn„ „de, mij des daags waar aan van zijn weedervaaren zoodanig verslag gedaan heeft als onder dien datum bij dag register staat aangeteekend, dog het welke, behalven eene betuijging van niets, hoegenaamd, te hebben vernomen van eenige onderhandeling met d'Engelschen niets van belang bevat, dan dat de gesamentlijke vorsten wel beroofd hadden in perzoon te zullen opkoomen, maar hij Glarrang nog thans dagt dat die van die Binoang alleen zijn woord ik. zoude.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0547 view scan ↗

English

from Maccasser the 22nd October A:o 1774: from Maccasser the 22: October A:o 1774. —. would hold, as the outcome has also confirmed, seeing that he appeared here a month later, accompanied however by the regents of Bellanipa and Pamboeang, with a number of twenty vessels, of which I, being to the north at the time, had barely received word when the Queen of Tanette informed me that the King of Bonij had ordered her to send all the Tanettereesen to Maccasser, on account of the aforementioned arrival of the Mandhareesen, a message which for various reasons appeared so strange and incomprehensible to me that I did not know what to make of it, nevertheless I deemed it necessary to request and earnestly warn Her Highness not to comply with the monarch in this matter, and since then nothing has followed, whether for that reason or for other reasons that are not yet known to me, but this also has no bearing on the negotiation itself, regarding which I have the honor to report. How, two days after the King's return from Maros, or on the 1st instant, having sent the Captain of the Malays to His Highness to sound him out on the point of the demanded satisfaction, to see if he might perceive any inclination in the prince to do his best for it at this time, I obtained a much more favorable answer than I had myself expected, seeing that the Captain attested that His Highness had himself brought up that subject and said that he intended to urge the Mandhareesen to make payment, adding that it would be best for the Company to send commissioners to the court, from which I, drawing good hopes, immediately put everything possible into work to profit from that good humor of the prince, but to my regret I was not able to succeed. To recount everything, however, that happened to us in this matter, would demand too much of Your Right Excellencies' esteemed attention, the more so as one thing and another is recorded in my daily journal under dates 1. 2. 3. 4. 5. 7. and 8th instant, as well as the declaration of the Mandhareesen that they knew of no negotiation with the English nor would ever deal with them. I shall therefore, under favorable interpretation, merely report how His Highness, having immediately not only made known that the Mandhareesen requested a reduction, but having also continued to insist upon it very strongly himself, boasting that half might well be remitted to them, I understood from this that without granting some reduction, nothing could be done, because he, even if acting sincerely, would certainly at the same time want to show them how great his power and influence with the Company is, this combined with the consideration that he on his part would expect some reward from them for his trouble, made me decide, in the hope of Your Right Excellencies' much-esteemed approval, to let him know that although I feared whether this might not be taken amiss of me, yet for his sake and in the confidence that the matter would then be settled, I would drop three thousand or at most four thousand Spanish, with the result that the same, after having however once more asserted that it was enough, the contrary of which was shown again, had me requested to send the ordinary commissioners to court: so that this took effect immediately, as I sent the Fiscal Raket and License Master Voll thither, together with the Chief Interpreter Brugman, the Captain of the Malays, and the emissary Daing Mandjareekie who had previously been dispatched to Mandhaer, who upon returning reported to me that they had had a most fierce debate with His Highness, and had to conclude from all circumstances that nothing was to be expected from it, the more so as he seemed much rather to favor the party of the Mandhareesen than to be intentioned to urge them to satisfaction, yet after many exchanges of words finally having proposed that, granting a reduction of four thousand Spanish rix-dollars, one should make them promise to pay two thousand like rix-dollars in a year's time, and the remainder in due course, whenever they should be in a position to do so, indicating that he would await my answer to this while the Mandhareesen were still with him. I immediately let His Highness know thereupon, that I could not immediately accept his proposal.

Dutch transcription

5 van Maccasser Den 22:' October A:o 1774: van Maccasser den 22: October A:o 174. —. zoude houden, zo als de uijtkoms=t ook bevestigd heeft, gemerkt den zelven een maand laeter alhier verscheenen is, in Geselschap egter van de rijksbestier„ „ders van Bellanipa en Pamboeang, met een Getal van twintig vaartuijgen waar van ik, doenmaals om de noord zijnde, naauwlijks tijding ontfang ofde koninginne van Tanette liet mij kennisse geeven dat den koning van Bonij haar bevoolen hadde, om alle de Tanettereesen na maccasser te zenden, uijt hoofde van d' even Gemelde komst der mandhareesen, eenbodschap welke mij om verscheijde. reedenen zo vreemd en onbegrijpelijk voorkwam, dat ik niet wis=t wat ik er van maeken zoude, des niet te min oordeelde ik nodig om haar Hoogheijd te ver„ „soeken en ernstig te waarschouwen om den vorst in deesen, niet te wille te zijn en zeedert is daar op niets gevolgd 't zij uijt dien hoofde of om andere reedenen dat mij voor als nog niet bekend is, dog ook niets ter zaake doet tot d'onder„ handeling zelfs, waar omtrend ik d'eere hebbe te melden. Hoe ik twee dagen na 's konings te rug komst van Maros, of wel op den 1:e kujus den Capitain der maleijers bij zijn Hoogheijd gezonden hebbende om den zelven over het poinct der Gevorderde voldoening te polsen of hij ook eenige geneijgheijd in den vorst mogte bespauren om daar toe als nu zijn best te wil„ „len doen, een veel favorabele antwoord erlangde als ik zelfs verwagt hadde, ge„ merkt den Capitain betuijgde dat zijn hoogheijd zelfs dat onderwerp opge„ haald en Gezegd hadde van intentie te zijn om de Mandhareesen tot betaa„ „ling aan te spreeken, onder bij voeging hoe het best zoude weesen dat de Comp:e gecommitteerden aan het hof quam te zenden, waar uijt ik dan Goedehoopen scheppende aanstonds alles in het werk stelde wat mogelijk was om van die goede Luijm van den vorst te profiteeren maar tot mijn Leed weesen hebbe ik niet moogen reusseren. Om alles egter op te haalen, wat wij in deesen bejegend is, zoude uwrhoog„ Edelheedens g'eerde attentie te veel gevergd zijn, te meer het een en ander bij mijne dag verhaal onder dat is 1. 2. 3. 4. 5. z. en 8: kusjus zoo wel staat aangetee„ „beend als der maand haereesen betuijging dat zij van geene onderhandeling met de Engelschen wisten nog immer met deselve zouden aanleggen. Ik zal dan onder Gunstige welduijding maar melden hoe zijn Hoogheijd al aanstonds niet alleen te knnen gegeven hebbende, dat de Mandhareesen om„ afslag versogten, maar ook daar op zelfs zeer sterk zijnde blijven aandringen, zig uijt baetende dat haar de helft wel mogte worden gerelideerd, ik hier uijt begreep dat 'er sonder eenige afslag te accordeeren, niets te doen zoude weesen, ver„ „mits hij, het al oprecht meenende, zeekerlijk te gelijk aan dezelve zoude willen doen zien, hoe groot zijn vermogen en ingang bij de Compagnio zij, dit gevoegd bij de bedenking dat hij allent halven eenige belooning, voor zijn moeijte van haar zoude verwagten, Deed mij in hoope van uw hoog Edelheedens veelG eerde goedkeuring besluijten om hem te doen weeten dat ik schoon berreest of zulks mij niet qualijk zoude worden afgenomen, nog thans om zij nent wille en in vertrouwen dat de zaak als dan zoude worden afgedaan, Drie Duijsend of uijterlijk vier Duijsend spaans zoude laten vallen, met dit gevolg dat denselven, na egter nogmaals betuijgd te hebben dat het genoeg was welker teegen„ „deel weeder aangetoond, wierd; mij liet versoeken om de ordinaire gecommitteer„ „dens ten hove te zenden: invoegen ook ten eersten gevolg nam, alsoo ik den fiscaal Raket en Licent meester voll derwaards zond, neevens den oppertolk brugman Capitain der Maleijers en den bevoorens na mandhaer gedepecheerd geweest zijnde sendeling Daing Mandjareekie, dewelke terug koomende mij rapporteerden een allerheright debat met zijn Hoogheijd te hebben gehad, en uijt alle omstandig heeden te moeten opmaken, dat 'er niets van te verwagten zoude zijn, te meer denselven veel eer der standhareesen parthij scheen te weesen toegedaan dan g' intentioneerd te zijn om haar tot voldoening aan te zetten, na veele woorde wisselingen egter eijndelijk hebbende voorgesteld dat men haar, onder een tegeeren, afslag van vier duijsend rijxdaalders s paans, zoude doen belooven om over een Jaar twee duijsend gelijke rijxds te betaalen, en het overige in der tijd, wan neer zij daartoe instaat zouden weesen, onder te kennen gave dat hij daar op mijn antwoord zoude blijven afwagten, terwijl de Mandhareesen nog bij hem waeren. Ik liet zijn hoogheijd daar op terstond weeten, dat ik zijn voorstel niet aanstonds. konde.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0548 view scan ↗

English

59 from Maccasser the 22nd October Anno 1772. — from Maccasser the 22nd October Anno 1724. — could accept that the sole and ultimate point to which I would agree consisted in this: that the Mandharese should bind themselves to pay eighteen thousand rixdollars within 27 months in three terms of equal installments, and that I therefore only requested that it might be asked of them whether they were prepared for this or not; and that in the latter case I would abandon everything and thank him for what had been accomplished thus far, further adding how I remained assured that the Company would in due time know how to obtain full and better satisfaction. But when the envoys arrived at court, the prince merely promised that he would have the Mandharese hear my demand, and the following day he gave me notice that they had accepted it with a small alteration, sending such a draft as is transmitted among the appendices; whereupon, such an obligatory bond having been drawn up by me as is also respectfully enclosed herewith, I sent the same to His Highness for review, flattering myself at the time that the matter would succeed. The outcome, however, showed the exact opposite in the clearest manner, and no less that the prince colluded with the Mandharese themselves in the most sinister way; for, notwithstanding their frequently made declarations to submit to his pleasure and, moreover, their oral promises to fulfill everything contained in the obligatory bond, he strictly insisted that only the short draft should be signed by them, adding that even if they signed the obligatory bond itself, it would possibly still be of no effect, because they would know how to find enough pretexts to evade payment, just as happened three years ago when the grandees of Bellanipa and Bangay who were here were removed from their offices because they had promised payment. Whereupon I finally had the prince informed that if he had given me notice of this earlier, as I had expected, all the trouble could have been spared, and that, as I would make a full report of everything to Your Right Excellencies, I entirely abandoned the whole matter and intended to do nothing further regarding it; so that it has remained at that. For although His Highness afterwards, namely on the 13th of this month, still ordered the Company's envoy Dayeng Mandjarekie, in the presence of the Mandharese, to inform me how he had warned them to consider well and to weigh the consequences that could arise from what had passed, as well as that they ought to know that the Company and Boni, being like two brothers, could not be separated from each other; I nevertheless judged that this message deserved as little attention as what I have since found noted in the aforementioned draft of the letter to Your Right Excellencies: that the Mandharese had declared that they did not dare to sign the obligatory bond, but would report on the negotiations to their masters. For this undoubtedly originated solely from the prince's contrivance in order to keep a back door open, or perhaps to be approached again in due time; which, however, subject to respectful correction, I judge to be as inadvisable as I trust Your Right Excellencies will please agree from what has passed that no further help is to be expected from the prince if Your Right Excellencies should at any time decide to chastise that harmful nation, and that for this reason it would, in such a case, be best to proceed thither with the Honorable Company's own forces alone; all the more because His Highness would in every respect wish to exempt this or that of the princes of the seven rivers, whereas the one ought to be spared as little as the other, since they all form one body. Regarding the princes on the opposite shore, Commandant Le Eerf has informed me that the young king of Bima is to be proclaimed in this month, and would subsequently come hither together with the regent of the realm for the swearing of the contracts. That instead of the deceased king of Dompo, the eldest son of the deceased, currently Jureli Fboe, was unanimously chosen subject to the approval of Your Right Excellencies, who would also proceed hither this autumn. That.

Dutch transcription

59 van Maccassser den 22:' October A:o 1772. — van Maccasser den 22:' October A=o 1724. — konde aanneemen, dat het eenige en uijterste waar toe ik koomen zoude hier in be„ „stond, dat zig de Mandhareesen kwamen te verbinden binnen 27. maanden in drie ter meijnen Agtien Duijsend rijxdaalders spaarns bij gelijke paijen, te voldoenen ik dierhalven eenelijk verzogt dat hun mogte worden afgevraagd of z daar toe be„ „reijd waaren dan niet dat ik in het laatste geval van alles afzeen hem doen de bedanken, voor het tot hier toe verrigte, onder verdere bij voeging hoe ik mij ver„ „seekerd hield dat de Comp:se in der tijd wel en beter voldoening zollse weeten t' erlangen, maar toen de Gesondene ten hove bewamen van den ze den vorst alleen, die enkeel beloofde van de Mand hareesen op mijn Eijsch te zullen doen hooren, en mij des daags daar aan, deed kennisse geeven, dat dezelve met een kleijne alteratie hadden g'amplecteerd, onder toezending van zoodanige mepet op stel als, onder de bijlagen, overgaat waar op door mij zoodanige Obligatoire ac„ „te ingesteld zijnde als deesen meede in eerbied verseld, zo zond ik deselve zijn Hoogheijd ter resumtie, mij doenmaals vleijende dat de zaak sucken zoude, welker teegendeel de uijtkomst egter ten aller duijdelijksten heeft doen zien en niet minder dat den vors=t op de allersinisteres te wijse met de Man„ „dhareessen selfs geheuld heeft, vermits hij niet teegenstaande hunne dik„ werff gedaane betuijging om zig zijn goed vinden te onderwerpen en daaren boven gedaane mondelinge toezegging van alle het geene in d'acte obligatoir is vervat te zullen nakoomen, volstrekt heeft gewild, dat enkel het korte opstel door haar zoude worden geteekend, er bij voegende dat of schoon zij d' obligatoire acte, zelfs al teekenden, het selve mogelijk nog van geen vrugt zoude weesen, terzaake z' exceptien genoeg zoude weeten te vinden om de be„ taling te ontgaan even als voor drie Jaaren, toen de hier geweest sijnde Rijks„ „grooten van bellanipa en Bangaij van haar bedieningen, waaren afgezet om dat zij de voldoening hadden toegezegt, waar op ik den vorst dan eijnde„ „lijk hebbennda laeten zeggen, dat ingevalle hij mij daar van vroeger hadde kennisse gegeven, zo als ik verwagt hadde, alle moeijte hadde kunnen ge„ spaard worden, en dat ik van alles aan uw: hoog Edelheedens verslag zullende doen van de Geheele zaak volkomen afzag en daar omtrend niets meende te werk te stellen invoegen het dan hier bij ook gebleeven is, want schoon zijn hoog„ „heijd naderhand of wel op den 13:' deser 's Comp:s sendeling Daijeeng Man„ „djarekie, in presentie van de Mandhaereesen, nog Gelas:t heeft wij te be„ „lichten, hoe zij haar gewaarschouwd hadde, zig wel te bedenken, en de gevol„ „gen te overweegen, die uijt het gepasseerde konde ontstaan, mitsgaders hoe zij weeten moesten dat de Compagnie en Bonij, als twee broeders weesen „de zig niet van elkander bonden scheijden, zoo hebbe ik g'oordeeld dat dee„ „se boodschap zo min aanmarking verdiende, als het geene ik zeedert geno„ „teerd gevonden hebbe bij het hier vooren gewaagd opstel van de brief aan uw: hoog Edelheedens dat de Mandhareesen hadde betuijgd d' acte obligatoir niet te derven teekenen, dog van het verhandelde rapport te zullen doen, aan haare meesters dewijl zulx bngetwijffeld alleen uijt s vorsten koosher zallens wor„ „gekomen is, om nog een agter deur open te houden, of wel om in der tijd nader aangezogt te worden, 't geen ik egter onder eerbiedige Correctie zo ongeraden. oordeele, als ik vertrouwe dat uw hoog Edelheedens uijt het gepasseerde wel zullen Gelieven toe te stemmen dat men gen meerder hulpe van den vorst zoude te verwagten hebbe, wanneer uw: hoogEdelheedens t' eeniger tijdeens besluijten mogten die schadelijke natie te kasteijden en het om die reeden in soodanig ge„ „val best zoude weesen daar toe alleen met SE: Comp:s eijgen magt te sreeden, te meer zijn hoogheijd allenthalven deese of geene der vorsten van de seeven ri„ vieren zoude willen uijtsonderen, daar nogthans de een zo min als d'andere behoord verschoond te worden, vermits z' alle een lichaam uijtmaeken. Betreffende de vorsten aan d' overwal heeft mij den Commandant Le„ „Eerf berigt dat den Jongen koning van. Bima in deese maand staat geproclameerd te worden, en vervolgens neevens den regent van het rijk herwaarts zoude koomen ter b'eediging van de Contracten. Dat insteede van den overleedene koning van Dompo unanim op approbatie van uw: hoog Edelheedens was verkoo„ ren des overleedens oudste zoon thans Iureli Fboe, den welke zig in dit na Jaar meede herwaards zoude begeeven; stellen. Dat.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0549 view scan ↗

English

61 from Maccasser the 22nd October A=o 1774. from Maccasser the 22nd October 1774. — That on the contrary, the ruler of Tambora, instead of being confirmed, ran the danger of being unseated again, as some grandees wished to have the former king restored again. That the dispute over the boundary demarcations between Dompo and Sanger, which had been dragged out for so long, having finally been settled, everything was properly regulated and confirmed in a combined meeting by a sealed deed, transmitted in copy among the annexes. Having in my appropriate answer instructed the Commander to urge most earnestly the new king of Dompo and the king of Biema, alongside the nominated Regent of this realm and also in particular the Sumbawan prince, to depart for here, I ordered him in particular with respect to Tambora to oppose with all deliberation the plot to restore the former king, since nothing but new calamities are to be expected from it, all the more so, as I also remarked at the same time, because it previously appeared that no one took his side, much less placed themselves in the breach, when the Company tried to prevent his downfall by all possible means. Regarding. Salemparang, Lecerf says that he had the letters sent to him for Gustij Waijantaga delivered to the same, while offering the articles for a contract, as has also appeared to me from the journal of the corporal employed for that purpose; yet far from the practically certain inclination of that prince to enter into an alliance being borne out by the outcome, even in some degree, it now appears that he will not be moved to it; at least his answer consisted solely in this, that he, not being master of Salemparang himself, could do nothing without the king of Great Balij, with the request that Lecerf might come over again to go thither alongside his son Gusti Madekarang Assan, in such manner that he also proposed to me in a letter to send someone to him for that purpose, which however I turned down and prohibited Lecerf from doing, nevertheless with the recommendation to excuse himself from that request to the same and, in the meantime leaving the matter to take its course, to maintain external friendship through correspondence or envoys, if only to be able to obtain news of the state of affairs there. Although nothing more can be done in this matter to my regret, I nevertheless take the liberty to request Your Right Honourables to be further provided with Your Right Honourables' much-esteemed orders concerning this, adding the letter also received for His Right Honourable, noting here furthermore that Gusti Waijantaga, for the rest, abides by his repeatedly made profession to wish to live in friendship with the Honourable Company and has also made a promise, as far as his capacity extends, not only to accommodate Your Honours with rice at 23 rixdollars or somewhat less per last, but also, in case any of their ships or vessels should suffer maritime distress there, to assist the same and have what is salvaged restored, against which he nevertheless says he cannot keep the English and Cerammers away from there, with this remarkable addition, that such would be a proof of the negotiation he intended with the Company; at least such are the words in the aforementioned journal. Having thus dealt with everything again, I flatter myself that Your Right Honourables will again be pleased to agree to my actions with the stamp of their supreme approval, or, insofar as I might have erred anywhere, favorably excuse the same, and be persuaded that I have acted in everything to the best of my knowledge, wherefore, also hoping for such, I respectfully refer myself, while presenting the attached letter from the king of Bonij, regarding the minor events, to the journal and the further annexes accompanying this: and after praying for Heaven's most precious blessings upon Your Right Honourables' illustrious persons and the weighty interests of the Company, I take the liberty to style myself with all due high esteem and respect. was signed From Right

Dutch transcription

61 van Maccasser den 22:' October A=o 1774. van Maccasser den 22:' October 1774. — Dat daar en teegen die van Tambora insteede van bevestigt gevaar liep van weder ontzeteld te worden, wijl sommige grooten den gewersen keoning weeder wilden hersteld hebben. Dat het zo lang getrokeerd hebbende geschil over de limiet scheijdingen tusschen dompeo en sanger eijndelijk finaal afgedaan zijnde alles behoor„ „lijk gereguleerd en in een gecombineerde vergadering bij een gezegelde acte, in Copia onder de bijlagen overgaande bevestigd was. Bij mijn daar op gepast antwoord denr Commandant gelast hebben„ „de om de nieuwe koning van Dompo en die van Biema neevens de genomi„ „neerde Regent van dit Eijk en ook in 't bijsonder den sum bauwareesen vors:t op 't Ernstigste tot 't vertrek na herwaards aan te spooren, hebbe ik hem ter opzigte van Tambora in 't bijsonder g'ordonneerd zig met alle beragt teegen den toeleg tot herstelling van den Geweesen koning te verzetten wijl daar uijt niet dan nieuwe onheijlen te verwagten zijn te meer, gelijk teffens geremarqueerd hebbe, bevoorens gebleeken is, dat niemand zig voor den selven g'emporteerd, veel min in de bresse gesteld heeft toen de Comp:e door alle mogelijke middelen zijn val heeft tragten te voorkomen. Aangaande. Salemparang zegt secerf dat hij de hem toegesondene brieven voor Gustij waijantaga aan denselven hadde doen bestellen onder aanbieding van de articulen tot een Contract, zo als mij uijt het dag verhaal van den daar toe gebruijk ten Corporaal ook gebleeven is; dog wel verre dat de genseg„ „saam als zeeker opgegeven Geneijgdheijd van dien vorst, om een verband aan te gaan; door de uijtkomst, ten minsten eeniger maaten zoude zijn beantwoord blijkt thans dat hij daar toe niet te beweegen zal zijn, ten minste zijn ant„ woord heeft, alleen hier in bestaan dat hij zelfs geen meester van Salempanang zijnde buijten den koning van Groot balij mists doen konde, met versoek dat Lecerf weeder mogt overkoomen om neevens zijn zoon Gusti madekarang Assan derwaards te gaen, invoegen hij mij bij een brief ook voorgeslagen heeft hem ten dien eijnde iemand toe te senden, dog 't welk ik zo wel van de hand geweesen als Lecerf g'interdiceert hebbe, onder recommandatie nog„ „thans om zig van dat aansoek bij denselven te verschoonen en ondertusschen de zaak„ op zijn beloop laetende, de uijtterlijke vriendschap door brief wisselingen of zende„ „lingen te onderhouden, al waare het maar om van den toestand der zaaken aldaar tijding te kunnen erlangen. Schoon nu in deeze zaak dierhalven tot mijn beedweesen niet meer te doen is, neem ik egter de vrijheijd uw hoog Edelheedens te versoeken daar om„ „trend nader met uwe hoog Edelheedens veel g'eerde ordre genunieerd te werden, onderbij voeging van de almeede Ontfangene missive voor zijn hoog Edelheijd hier nog noteerende dat Gusti waijantaga, voor het overige, bij zijne meermaals gedaene betuijging blijft; om met 8E: Comp: in vriendschap te willen beeven en ook belofte gedaan heeft om haar Edele voor zoo verre sijn bestek aangaat niet alleen met rijst teegens 23. rijxd:s of iets minder het last te zullen gerieven, maar ook ingevalle aldaar eenige haerer scheepen of vaar„ „tuijgen mogten zee nood lijden, de zelve te sullen assisteeren en het gesauveer„ „de te doen restitueeren, waar en teegen hij nog thans zegt de Engelschen en Ceram„ „mers van daar niet te kunnen weeren onder deese remarcable bij voeging dat zulks een blijk zoude weesen van d' onderhandeling die hij met de Comp:e voorneemens was ten minsten zoodanig luijden de woorden, in het voormelde dag verhaal. Hier meede dus alles weeder afgehandeld hebbende vlije ik mij dat uwe hoog Edelheedens mijne verrigtingen weeder zullen gelieven t' aggreeren, met het Stempel van hoog derselver goedkeuring of in zo verre ik ergens in mogte hebbe misgetast het zelve Gunstig te verschoonen en gepersuadeerd te weesen dat ik in alles na mijne beste weeten gehandelt hebbe, weshalven ik zulks ook ver„ hoopende, mij, onder aanbieding van de bij geevegde brief van den koning van Bonij ten belange van de mindere Gebeurtenissen aan het Dag verhaal en deesen verder verzellende bijlaegen eerbiedig refereere: en naar toebidding van 's hemels dierbaars te zeegeningen over uw: hoog Edelheedens illustre persoonen en de Gewigtige belangen der Maatschappij de vrijheijd gebruijke mij met alle verschuldigde hoog agting, en Eerbied te noemen. /:onderstond:/ van. Hooog.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0550 view scan ↗

English

53 Secret Daily Register Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord and Well-Born, Severe Lords! Your Right Honors' humble, obedient and faithful servant, was signed, P. G. van der Voort, in the margin was written, Makassar in Fort Rotterdam on the 22nd of October 1774. Secret daily register How the king secretly caused him to appear before him to speak about the State Debt to the Company, exhibiting several accounts, made it known that, despite all admonitions, he could not persuade the grandees of the realm to satisfy the Company, notwithstanding that it appeared from the said accounts that they actually still held 1558: 45: Spanish rixdollars among themselves, since they never gave him a proper answer, that he felt his strength diminishing more and more, and therefore, having to think of his end, he would dearly wish to see this matter settled before his death, and therefore he had let Voll come to him to address the Tomilalang himself, who was present there, just as he requested, and that His Highness himself undertook, whenever they should pay the aforementioned monies, to supplement the rest to the full sum that was due to the Company, and even beyond, nothing noteworthy occurred. The Bonian Tomilalang having requested me through the interpreter Hoentoe to have the document that was handed over on the 18th of April last by the combined grandees of the realm, I caused the same to be delivered to that minister, on condition that it had to be returned to me again. Furthermore, the king of Gowa gave me notice of the appointment of his subject named Hdollo as interpreter with the request that a record be kept thereof and that the same might thus be admitted to oversee the passing of secretarial deeds by the Makassarese, which all I promised His Highness. The king of Boni requested me that the License Master Voll might come to him tomorrow, Saturday the 11th, as he would gladly wish to speak with him, to whom I gave instructions for that purpose. In the afternoon the License Master Voll proceeded to the king of Boni, accompanied by the Captain and the Lieutenant of the Malays, whom His Highness had requested him to bring along. Today before noon the License Master Voll reported his experiences to me. Thursday the 9th of June in the year 1724. at

Dutch transcription

53 Secreet Dag Register Hoog Edele Groot Achtbare Gestrenge, wijd gebieden, „de Heer en wel Edele Gestrengen Heeren! uw: hoog Edelheedens onderdanige. Gehoorsdeme en getrouwen Dienaar /:was Geteekend:/ P: G: van der voort /:ter zijde stond:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 22:' October 1774: —. Secreet dagregister Hoe den koning hemeenlijk hebbende doen bij zig koomen om te spreeken Over de Rijksschuld, aan de Comp=e onder vertooning van verscheijde reekeninge„ te kennen gegeeven hadde, dat zij in weerwil van alle aanmaningen de rijks„ grooten niet konde beweegen om de Comp:e te voldoen, niet Ieegens trande uijt de gemelde reekeningen bleek dat zij nog werkelijk 1558: 45: rd=s spaans, onder zig hadden, vermits zij hem nimmer behoorlijk antwoord geven, dat hij zij ne keragten meer en meer voelender verminderen en dierhalven, om zijn eijnde moe„ „tende den ken deese zaak voor zijn dood gaarne wenschte uijt de wereld te zien, en dierhalven hem voll bij zig hadde laeten koomen om den Tomilalang die daar present was, zelfs aan te spreeken, zoo als hij versogt, dat zijn Hoogheijd zelfs aan nam, om wanneer zij de voorschreeven penningen kewamen op te brengen, de rest te willen suppleeren, tot de volle som, die de Comp:s Compateerde en zelfs buij„ viel niets noteerende waardig voor De Bonies Tomilalang mij door den tolk Hoentoe hebbende laeten versoe„ „ken om het geschrift eens te moogen hebben, dat op den 18: april laast verweeken door de gezamentlijke rijksgrooten, is overhandigt, hebbe ik het selve aan dien mi„ „nister doen geworden, onder voorwaarde dat het mij weeder moeste worden terug bezorgd. voorts liet de koning van Goa mij kennisse geeven van de benoeming van zijn onderdaan genaamd Hdollo tot solk met versoek dat daar van aanteekening gehouden en den zelven dus g'admitteerd mog te worden, om te staan over het passee„ „ren van secretariaale actens, door de maccassaeren, welk een en ander ik zijn hoogheijd, hebbe doen toezeggen. liet de koning van bonij wij versoeken dat den licentmeester voll morgen zatuurdag den 11: eens mogte bij hem koomen als met denselven gaarne willende spreeken den wel„ „ken ik daar toe inmandatis hebbe geeven.. 's nademiddags heeft zig den Licentmeester voll naar den koning van bonij begeeven verseld van den Capitain en den Lieutenant der Maleijers, welke zijn hoogheijd hem hadde laaten versoeken, meede te brengen. I beeden voor de middag rapporteerde mij den licentmeester voll voor zijn wee„ „dervaaren. donderdag den 9:' Junij A:o 1724. ten

NL-HaNA_1.04.02_3418_0551 view scan ↗

English

From Makassar the 22nd of October Anno 1724. From Makassar the 22nd of October 1724. Wednesday the 15th Saturday the 18th and that he was still prepared to satisfy the value of the kris of Staie Timoerang the crown prince considered as a state insignia. That in fulfillment of the prince's desire he had put it to the Tomilalang in the most emphatic terms how the people of Boni ought to have arranged for payment long ago, all the more so because they had been exhorted so often, not only in my name but even by express order of their High Excellencies; that he had indeed acknowledged to him that the aforementioned sum of 1558 Spanish rixdollars and 48 stivers had to be accounted for by the grandees of the realm, but had at the same time added that a portion of it had been lent out to various princes from whom they had not yet been able to obtain payment, and that such was the reason they had until now been incapable of making satisfaction. That he had subsequently asked for a statement of the amounts lent out in this manner, and having received the answer that it amounted to 532 Spanish dollars, he had said that in case the Tomilalang or grandees of the realm should immediately pay off the remaining 1026 rixdollars, he would certainly try to obtain some respite for them, even if it were for six months or a little longer, to make up for the remainder. Whereupon the Tomilalang had requested the king to speak with the other grandees of the realm and to hold a meeting about it, which was not only granted to him, but he was also ordered to do so as soon as possible and even tomorrow. All of which his Highness had charged him to communicate to me, and that he would give further notice of the outcome. After this I sent the chief interpreter to His Highness, to request, upon presenting a certain account from the Chinese Tankienko concerning the murder committed by one Arjio Sinko in Luwu upon his brother Iandeimkoeij, that His Highness, by sending an envoy to Luwu with a letter to the Datu, would please do his best to deliver that murderer into my hands, along with whatever of the plundered goods might be recovered, and that furthermore the witnesses mentioned in the account might also be ordered to come hither; all of which the prince had told to me, while making it known that he wished to speak with the relator himself once, whom I sent thither in the afternoon with the under-interpreter Blij; who subsequently returning, already brought me two letters in Buginese sealed with the king's signet, in order that they might be dispatched as such if I should approve them. After having taken a copy of the two letters mentioned yesterday, written by the king of Boni to the Datu and Poeana Potto in Luwu, I sent the originals back to His Highness with a friendly compliment of gratitude, requesting that they might be dispatched accordingly. The chief interpreter Brugman has departed for Glissong and Poelembankeeng to conduct the census. I sent the under-interpreter Blij to the Queen of Tanete to inquire after Her Highness's health and at the same time to let her know that it surprised me no longer to see her with me, indeed even that she no longer seemed to think of me; and furthermore to the regent of Boni to exhort him once again to pay off the state debt, with the addition that, having given notice to Their High Excellencies of his promise and intending to write again soon, I would gladly wish to be able to report the success thereof. From the Queen I received the report that Her Highness was well, but that currently no longer living in the quarter of the Malays but around the Djong Tana, she had not been able to send to me as often to inquire after my health as before, due to the great distance, for fear that her people would be stabbed, as she hardly dared trust two together and had to send out as many as four together to be at all safe. Nothing occurred. ordered. While.

Dutch transcription

van Maccasser Den 22:' October A:o 1724: Van Maccasser Den 22:' october 1724. —. woensdag den 15: Zatuurdag „ 18: „ten des nog beroijd was, te voldoende waarde van de kerie„ van Staie Timoerang /:de kroon prins:/ als Een rijkes in signia aan gemerkt. dat hij woll ter voldoening van 's vorsten begeerte den Tomilalang hier op in de nadruckelijkste termen voorgehouden hebben, hoe de boniers lang voor de betaling hadden behooren te zorgen, te meer zij daaromme zo dikwils waaren aan gemaand niet alleen uijt mijn naam maar zelfs op expres bevel van haar hoog Edelheedens denselven wel g'auvoieerd hadde, dat de voor gemelde somma van rd=s 1558: 48: spaans door de rijks grooten moesten worden verant„ woord, dog 'er teffens bij gevoegd, dat 'er eengedeelte van, was uijtgeleend aan deese en Geene princen, van dewelke zij nog geen betaling hadden kunnen krijgen en zulks de reeden was geweest dat zij tot hier toe, tot de voldoening onvermogens Dat hij vervolgens opgave van het indier voegen uijtgeleende gevraagd en antwoord bekoomen hebbende dat het selve beliep spaens 532: –. daar opgezegt hadde, dat ingevalle den Tomilalang of Rijks grooten d'overige rd:s 1026:—- ter Eersten kwaemen afteleggen, hij wel eenig respijt al was het voor ses maanden of iets langer voor haar soude tragten te obtineeren ter vergoeding van het waar op Tomilalang der koning hadde versogt met d'overige Rijks groo„ „ten te spreeken, en daar over vergadering te houden, dat hem niet alleen ge„ accordeerd, maar ook gelast was ten spoedigsten en zelfs morgen te doen. welk een en ander zijn hoogheijd hem voll gelast hadde, mij te commu„ „niceeren en dat hij van den uijtslag wel nader zoude kennisse geeven. Hier na heb ik den oppertolk aan zijn Hoogheijd gezonden, om onder„ vertooning van zeekere Relaas van den Chinees Tankienko, betrefende de begaane moord, door eenen Arjio Sinko in Loe woe aan zijn broeder Ian deimkoeij, te versoeken, dat zijn hoogheijd door een zendeling na Loewoe te zenden met een brief aan den Datou zijn, bes=t geliefde te doen, dat mij dien moordenaar in handen wierd gesteld, met het geene 'er van de geroofde goederen t' agterhalen mogte weesen en dat voorts de Getuijgen bij het relaas vermeld, meede mogte waaren, restant. gelast worden her waards te koomen; al het welke mij den vorst deed te zeggen onder te kennen Gave: dat hij den Relatant gaarne zelfde eens wenschte te spreeken, den welken ik des namiddags met den ondertolk blij derwaards gezanden hebbe, die vervolgens te rug koomende mij, reets meede bragt twee brieven in het bouginees met 's konings sig net gezegeld, om wanneer ik dezelve goedkeuren mogte, zodanig af te gaan. Na genomen afschrift van de opgisteren vermelde twee brieven door den koning van bonij aan den Datoe en Poeana Potto te Loewoe geschreeven hebbe ik de origineelen aan zijn hoogheijd onder een vriendelijk Compli„ „ment van dank betuijging te rug gezonden, met versoek dat deselve zoodanig mogten worden afgezonden. Is den oppertolk brugman na Glissong en Poelembankeeng vertrocken, tot het doen der ziel beschrijving. Hebbe ik den ondertolk blij na de koninginne van Tenette gesonden, om na haar isboogheijts welstand te verneemen en teffens te kennen, geven dat het mij verwonderde haar niet meer bij mij te zien, Ia selfs dat z: niet meer scheen om mij te denken, en voorts na den rijkesbestierder van bonij om den zelven alweeder aan te mannen tot aflegging van de rijkeschuld miet bij voeging dat ik aan hear hoog Edelens kennisse gegeven hebbende, van zijne belofte en eerlange weeder meenende te schrijven, Ggaane wenschte het succes van dien te moogen bedeelen. van de koninginne heigik tot Capport dat haar Hoogheijd zig wel bevond, dog dat zij thans niet meer in de lampong der maleijers, naar omtrend dedjong Iana woonende, door de verre afgelegentheijd niet zo vel bij mij hadde kunnen zenden om na mij ne welstand te verneemen, gelijk bevoorens, uijt vreese dat hun volk gestooken zoude worden, wijl z'er naauwlijks twee te gelijk derfde vertrouwen en wel vier te saamen, moest uijtzenden, om eenig zints te weezen. Is niets voorgevallen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - gelast. Terwijl.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0552 view scan ↗

English

37 From Maccasser the 22: October A:o 1724. —. From Maccasser The 22: October A.o 1724. — Wednesday 22: Wednesday the 29: nothing occurred lacq Returned from Saturday 23. to Craeeng barombang While the administrator of the realm let me know that he himself was grieved that he had not yet been able to fulfill his promise, because his son had not yet returned, that he would nevertheless let me know whenever he might turn up, and although there might then possibly be no opportunity to dispose of his trade of sea cucumbers, he would nevertheless do his best to have some monies paid either here or at Batavia, if I should be satisfied with the latter. Tuesday the 21: and 22: nothing worthy of note occurred. There was brought back to me by the Bonian interpreter Noentoe in the name of the grandees of the realm, with expressions of thanks, the writing delivered by them on the 18: April past in a conference held with them, for the reading of which they had requested my permission on the 10: instant. Nothing occurred except that the king of Boni on the 25: went fishing toward Maros The queen of Tello had my permission requested to be allowed to pay a visit to the Captain of the Chinese, which I granted. Furthermore I received from the Maros resident van Cossum, reporting that the Corporal and overseer of shipping at Siang Casper Diets had been treacherously murdered by a Bonian named Dauwt, his widow having arrived here with the Company's emissary Carre barrissie. Thursday the 30: There arrived from Maros the Lomo of the province of Siang besides a letter from the Resident of Siang besides a letter from the Resident van Bossum, bringing into custody the Bonian Dauwt mentioned the day before yesterday. I sent the Lomo of Siang back to Maros with the soldiers who had come up and another Corporal, with orders to thank the former Pongauwa for the efforts made to capture the murderer in question. Saturday The 2: nothing occurred. Sunday The 3: the king of Boni returned from his pleasure trip to Maros. Monday The 4: the king of Boni had me requested that certain Company's subjects residing at the village Belang Belang in the province of Maros, being of His Highness's kinship, might be permitted, whenever he sent for them, to come to him along with their children, which I granted, The king let me know through his interpreter Moentoe that the Glarrang of Bontualacq had returned from Mandhar, and also asked when it would be convenient for me to receive him, in order to make a report of his experiences, which I scheduled for tomorrow before noon. The Glarrang of Bontualacq returned from Mandhar. The Glarrang of Bontualacq accompanied by the Tomilalang, today before Monday the 25: Nothing Occurred Because of the complaint lodged with me by Craeeng Glissong that two of his subjects, namely a male and a female person who had committed adultery with each other, had fled to Barombong, I sent the sub-interpreter Pieters to Craeeng Barombong to demand those two persons, but the latter let me know in reply that they were not at Barombong, but indeed, as he had learned, at the village of Patoekangang belonging under the queen of Tello, where on that account he had no authority. Sent for two Glissongers Nothing of importance occurred - - - - - - - - - - - - -- - - Sunday the 10: and The king of Boni departed for Goa, to pay a visit Tuesday the 12: he pays a visit to to the king and in the afternoon, Returned again, Goa. The Head Interpreter Brugman returned from Poelem bankeeng, having conducted the usual annual census there and at Glissong. Head interpreter Arrived. - Nothing occurred - _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ Monday 11: – – – – – – – – – – Thursday the 14. Monday the 18: Friday - - - - 8: The king of Boni had his interpreter request me for three house beams of 24 feet, which I had delivered to His Highness. Nothing Occurred - - - - _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ Tuesday the 5: and as well as the collection of three hundred bundles of old paddy for His Highness and sixty baskets of old rice for the Administrator of the realm, having given notice of both to the Maros Resident van Bassum by a note. granted the. experiences. that report of his experiences went. - -- - – - – – – Wednesday 20. – – - - - - -

Dutch transcription

37 van Maccasser den 22: October A:o 1724. —. van Maccasser Den 22:' October A.o 1724. — woensdag „ 22: woensdag den 29:' viel niets voor lacq Gereverteerd van Zatuurdag 23. ' bij een Craleng borombang Terwijl den rijkesbestierder mij liet weeten zelfs bedroeft te zijn, dat hij aan zijn belofte nog niet hadde kunnen voldoen, verniets zijn zoon, nog niet te rug ge„ „koomen was, dat hij mij egter zoude laaten weeten wanneer hij mog=t opdaegen, en hoe wel 'er dan mogelijk geen occassie zoude weesen, zijn negotie van Trippangs vande hand te zetten, hij nog thans zijn best zoude doen om eenige penningen, t zij hier op batavia te doen afleggen, als ik met het laatste mogte te vreeden weezen. dinsdag den 21: en 2 veel niets te noteerens waardig voor„ wierd mij door den bonijs tolk Noentoe uijt naam van de rijksgrooten, onder danksegging, te rug gebragt, het geschrift door deselve den 18:' april passato in een met haar gehoudene conferentie overgegeven, dm welkers lecture zij mij den 10: kusus hebben laeten versoeken. Niets gepasseerd als dat den koning van bonij den 25: na Maros uijt vissen Liet de koninginne van Tello mijne permissie versoeken om een visite te moogen doen bij den Capitain der Chineesen, 't welk ik g'accordeert hebbe. voorts ontfing ik van de maros resident van cossum, bedeelende dat den Corpo„ „raal en afscheepen te siang Casper diets verraderlijk verwoord was, door een bo„ „nier met naamen Dauwt, zijnde desselfs weduwe met den 's Comp:s sendeling Carre barrissie, hier Gearriveerd. Donderdag den 30: Arriveerde van Maros de Lomo van de provintie Siang behalven een brief van den Resident Siang behelven een brieff van den Resident van Bossum, in verzeeke„ „ring meede brengende, den op eergisteren vermelden bonier Dauwt. Hebbe ik den Lomo van Siang met de opgekoomene militairen en nog een Corporaal na Maros te rug gezonden, met last om den geweesen Pongauwa te bedanken voor de aangewende moeijte ter bemagtiging van de bewuste moordenaar. zatuurdag Den 2:' viel niets voor. Sondag Den 3:' deverteerde den koning van bonij van zijn plaisier togtje na maros. Maandag Den 4:' dist den koning van bonij mij versoeken, dat zeekere 's Comp:s onderdaanen op de Ne„ „Gorij belang belang in de provintie maros woonagtig als van zijn hoogheijds maagschap zijnde, mogt worden gepermitteerd wanneer hij haar liet hoepen nevens haere kinderen bij hem te moogen komen, het welk ik zo wel g'accor„ Liet de koning mij door zijn tolk Moen toe weeten dat den Glarrang van de Glarrang van bontua„ bantualacq, van mandhaer was gereverteerd, en teffens vragen wanneer het mandhaer. mij geleegen zoude koomen den selven te ontfangen, ten eijnde van zijn weeder„ „vaaren verslag te kunnen doen, 't geen ik teegen morgen voor de middag hebbe vast gesteld De Glarrang van bontualacq verseld van den Tomilalang, heeden voor maandag den 25:' Niets Gepasseerd Mits de bij mij ingebragte klagte door Craeeng Glissong dat twee zijner onder, om twee glisfongers gesonden „daenen namentlijk een mans en een vrouws persoon die met elkanderen over„ „spel bedreeven hadden, naar Barombong overgelopen waeren, hebbe ik den onder„ tolk pieters:) na Craeeng barombong gesonden om die beijde persoonen op te Eijsschen, dog den zelven liet mij in antwoord weeten datz' zig niet op barombong bevonden maar wel, zo zij hadde vernomen, op de Negorij patoekangang gehoo„ lende onder de koninginne van Tello alwaar hij uijt dien hoofde niets te zeggen hadde. Niets van belang voorgevallen - - - - - - - - - - - - -- - - Zondag den 10: en Is den koning van bonij na Goa vertrocken, ter aflegging van een visite Dinsdag den 12:' hij legt een visite liff bij bij den koning en des namiddags, weeder Geretourneerd, goa. Reverteerde den Oppertolk Brugman van Poelem bankeeng, hebbende aldaan opertolk Gearriveerd. en op Glissong de Gewoone Jaarlijkse ziel beschrijving gedaan. - Niets voorgevallen - _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ maandag „ 11: – – – – – – – – – – ƒ donderdag den 14. Maandag den 18: vrijdag - - - - 8:' Liet de koning van bonij door desselfs olk mij versoeken om drie huijsbal„ „keen van 24. voet, dewelke ik aan zijn hoogheijd hebbe doen afgeeven. Niets Gepasseerd - - - - _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ Dinsdag den 5:' en „deerd hebbe, als den afhaal van drie Honderd bossen oude padij aan zijn hoogheijd en sestig blasjes oude rijst aan den Rijksbestierder, hebbende, van het een en ander aan Maros Resident van Bassum bij een briefje kennisse gegeven. „deerd de. dervaaren. dat verslag van zijn wee„ gegaan is. - -- - – - – – – woensdag 20. ' – – - - - - -

NL-HaNA_1.04.02_3418_0553 view scan ↗

English

from Maccasser the 22:' October 1774. — from Maccasser The 22:' October A:o 1724. of the princes. appeared before me in the afternoon and, having exchanged mutual compliments and entered my writing chamber with the same, he gave in substance the following account of his experiences. That having arrived in binong, the southernmost of the Mandharese principalities, he had made known his arrival to the maradia of bellanipa and ordered him to gather the collective princes together, as he had a message for them from the realm of bonij; That after more than a month had passed, having received word that they had partly appeared in person and partly sent their grandees to bellanipa, he went thither and delivered his message amidst the customary greetings, and furthermore ordered them to come to maccasser or indeed to the court of bonij. That the Maradia of ballanipa thereupon asked in the name of all about the purpose and objective of their summons, declaring that they well knew that if it were to go to war or to attend a feast, they were bound to do so and in that case also prepared, upon which he had answered twice that he was not aware of the objective. That they subsequently declared that they could think of nothing else than that it must be on account of the compensation demanded by the Comp:e for the bark de vrijheijd, and that for this reason they were very fearful to appear. That he, having said thereupon that he did not think so, but rather maintained that the dissensions that had arisen among the allies had moved the court of bonij to reconcile the differing parties, they had promised to depart with him, requesting however to wait until they had made themselves ready, which was agreed to by him, as was also their request made some time later for a further delay on the grounds that they had been prevented by the death of a child of the Maradia of ballanipa, regarding which various formalities were observed. That these having passed, however, and the day of departure being set, a request was made to him once again to wait, under the pretext that the brother of the Maradia had also passed away, but that although this was the truth, he had not been permitted to consent to it, but had informed them that he could remain away no longer. That they thereupon requested him to simply depart under the assurance that they would follow as soon as possible. That he therefore returned from Bellanipa to binoang and having arrived there, having informed the Maradia of Binaang of his experiences at Bellanipa, the latter told him that he wished to make a journey to Bellanipa himself in order to inquire further whether the maradia along with the other princes were indeed intentioned to appear, likelihood of appearance, and that this having taken place, the same declared upon his return that those of Bellanipa as well as the others continued to persist in their promises and pledges; that he, the maradia of binong, had nevertheless added thereto that even if all the others wished to remain behind he would appear, as he was not inclined to separate himself from Bonij, declaring to his subjects that he would much rather be deposed from his maradiaship, with the further addition that the dispute with the Comp:e concerning the bark de vrijheijd did not concern him, as his people were not guilty of the overpowering of that vessel, upon which assurance the Glarrang had then undertaken the return journey and had returned here yesterday. Furthermore he related to me how he had been told by the Maradia of ballanipa that the people of Madjene or bangaij had wanted to depose their prince, but that this had been omitted upon his advice, as he had represented to them that in case the Comp:e should press in earnest for the settlement of the value of the bark de vrijheijd, no one would be willing to pay his share for the deposed prince, but his successor would excuse himself under the pretext that what had happened was before his time. Finally the often-mentioned Glarrang declared, upon my question asked for that purpose, nothing of the English was to have heard not the least of any negotiation with the English, heard nothing. although he had not only made all possible inquiries into that on mandhaer, but had even called at Courto, where the Bonij Prince Josa cassa, who had previously been the first to give report thereof, had told him that he had heard nothing more of it since then. With which, having ended his story, I charged him, together with the Tomilalang, to thank the king for what had been communicated, which was done. to.

Dutch transcription

van Maccasser den 22:' October 1774. — van Maccasser Den 22:' October A:o 1724. van de vorsten. de middag bij wij verscheenen en na aflegging van weeder zijds Complimen„ „ten met deselve in mijn schrijffkhamer getreeden zijnde, deed den selven in„ substantie het volgende relaas van zijn weedervaeren. Dat hij te binong het zuijderlijkste van de Mandhareese vorsten dom„ men Gearriveerd zijnde, aan den maradia, van bellanipa zijne koms:t hadde doen bekend maaken en aanzeggen, om de Gesamentlijke vorsten bij den anderen te versamelen, als aan deselve een boodschap hebbende van het rijk van bonij; Dat hij na ruijm een maand tijds verloop, tijding erlangd hebbende, dat desel„ „ve deels in persoon verscheenen, deels hunne rijksGrooten te bellanipa gezon„ den hadden, zig derwaards begeeven en zijne boodschap onder de gebruijkelijke begroetingen gedaan, mitsgaders haar over sulks aangezegt hadde, om op maccas„ „ser of wel aan het bonijs hof te moeten koomen. Dat de Maradia van ballanipa daar op uijt aller naam gevraagd hebben de naar het eijnde en bogmerk van hun op ontbod, onder betuijging van wel te wer„ „ten, dat ingevalle zulks mogte zijn om ten oorloge te trecken, of een festijn bij te woonen, zij daar toe gehouden en als dan ook bereijd waaren, hij daar op tot twee maalen gediend hadde, van het oogmerk aankundig te zijn Dat zij vervolgens betuijgd hadden niets te kunnen bedenken dan dat het weesen zoude, ter oorsaake van de door de Comp:e gevorderde voldoening voor de bark de vrijheijd en dat zij uijt dien hoofde zeer bevraest waeren om op te koomen. dat hij daar op gezeegt hebbende, zulks niet te denken maar hij veel eer subtineerde dat de on- eenigheeden onder de bondgnooten gereesen, het bonijs hof hadde bewoogen om de verschillende parthijen te bevreedigen, zij toegezegt hadden met hem te zullen vertrecken, onder versoek van, dierhalven zo lange te vertoeven, tot dat zij zig zouden hebben gereed gemaakt, 't geen door hem was toegezegt, gelijk meede hun eenigen tijd na dato gedaan versoek, om nader uijt„ „stel op fundament dat zij belet waaren geworden, door het afsterven van een kind van den Maradia van ballanipa, waar omtrend diverse formaliteijten woe„ „ren G'observeerd. Dat deese egter gepasseerd, en den dag van het vertrek bepaald zijnde, hem alweeder was versoek gedaan om te wagten, onder voorgeeven dat ook de broeder van den Maradia was aflijvig geworden, dog dat hij schoon sulks de waarheijd was, daar in niet hadde moogen bewilligen maar haar doen aanzeggen, dat hij niet langer konde uijt blijxven. dat zij hem daar op versogt hadden om dan maar te vertrecken onder versee„ „kering kenri ten spoedigstend zullen volgen. dat hij over sulx van Bellanipa na binoang te rug gekeerd en aldaar aan„ gekoomen zijnde aan den Maradia van Binaang van zijn weedervaaren op Bellani pa kennisse gegeven hebbende, deesen hem gezegt hadde zelfs een keer na Bellanipa te willen doen, ten eijnde nader te infirmeeren of den maradia neevens de overige vorsten en der daad g'intentioneerd waaren om op te koomen apparentie tot opkomst en dat sulks geschied zijnde denselven bij terug komst betuijgd hedde dat die van Bellanipa zoo wel als d'overige bleeven persisteeren bij hunne toezegging en beloften, dat hij maradia binong nogthans daar bij gevoegd hadde dat of schoon alle d' andere wilden agter blijven hij zoude opkoomen, als niet gezind zijnde, zig van Bonij te separeeren, onder betuijging aan zijn onderdaanen veel liever van zijn maradiaschap te willen weesen afgezet, met verdere bijvoeging dat hem de quasti met de Comp:e over de bark de vrijheijd niet aanging alzoo de zijne aan de over rompeling van dien kiel niet schuldig waaren, op welke verseekering den Glarrang dan ook de te rug reijse ondernomen hadde en Gisteren alhier was Gereverteerd. voorts verhaalde bij mij nog hoe hem door den Maradia van bal„ „lanipa gezegt was, dat de volkeren van Madjene of bangaij kunnen vorst hadden willen afzetten, dog zulks op zij ne aanraeding was agterweegen Geblee„ „ven als hebbende haar doen voorhouden, dat ingevalle de Comp:e met ernst moogte aandringen op de voldoening van de waarde van de bark de vrijheijd niemand zijn aandeel voor den afgezetten willen voldaan maar zijn vervanger zig Excuseeren zoude onder voorwendsel dat het gepasseerde voor zijn tijd was Eijndelijk verklaarde meermelde Glarrang op mijne ten dien eijnde van d'Engelschen is gedaane vrage niets 't minste vernomen te hebben, van eenige onderhan niets vernomen. „deling met d' Engelschen, schoon hij daar na niet alleen op mand haer alle mogelijk ondersoek gedaan hadde maar zelfs op Courto was aangeweest alwaar hem den Bonijk Prins Josa cassa die wel eer d' eerste geweest is welke daar van bericht gegeven heeft hem hadde gezegt, daar van zeedert niets meer gehoord te hebben. waar meede zijn verhaal g'eijndigt hebbende gaf ik hem neevens der Tomilalang last den koning voor het meede Ggedeelte te bedanken geschied. aan.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0554 view scan ↗

English

From Makassar the 22nd October 1724. From Makassar the 22nd October 1724. Tuesday the 26th and Wednesday the 27th: Nothing occurred. Thursday the 28th: The Captain of the Malays, Abdul Cadier, related to me how, in accordance with my order, he had paid a visit a few days ago at Siang to the former Bonese Pongauwa Sacasie, in order to thank him for his good offices employed in capturing the Bugis Dauwt, murderer of the Corporal. That he had spoken with him regarding several paddy fields belonging to the subjects, but pawned among Bonese, which had now been taken over by him, Lacasie; and that he had declared he was well aware that they were fields of the subjects, and he was therefore prepared to return them for the money loaned upon them as soon as this should be requested of him. Friday the 29th: Nothing passed. Saturday the 30th: I sent the Chief Interpreter Brugman to the King of Goa to make known the flight of the two Glissongers to the Negorij Patoekangang, mentioned under the 19th of this month, and to demand their return. Whereupon the Prince let me know that he would immediately send an emissary to the said Negorij to fetch the fugitives from there if they might be found, and that he would then deliver them to us. Sunday the 31st: Nothing unusual passed. Monday the 1st of August: The Captain of the Malays came to report to me that the former Pongauwa Sacasie had let him know through an emissary that he had received news from Mandhaer: That the Maradia of Madjene or Bangaij was urged by his grandees of the realm to procure for the Company the demanded satisfaction for the bark De Vrijheijd, in order to prevent the harmful consequences that were otherwise to be feared for their country. Pointing out that each of the more than 2,000 households found in Madjenie would not even have to contribute ten rixdollars of sapanwood, and that this would therefore be better than exposing the entire country to the devastation of war. To which he had answered that he could not resolve to do so, because it would then appear as if his people were at fault, which could not be proven. That the grandees of the realm had therefore requested him, Lacasie, to come over in person to firmly dispose him toward the said satisfaction, or otherwise send someone thither for that purpose. To which he had answered likewise that, since he now found himself out of all governance, it was not feasible for him to grant their request. That he nevertheless requested the Captain to give full notice of this to the Licentmeester, so that, if deemed necessary, he might communicate it to me. Having given notice through the Chief Interpreter Brugman to the King of Boni that I intend to depart for Maros eight days from today to carry out the tithe collection, with the request to be assisted, according to custom, by two commissioned grandees of the realm, and to earnestly recommend to them to prevent the smuggling of the Bonese as well as all hostilities, the Prince let me know that he would assign to me the Tomilalang alongside the Aroe Tanette Malaloe and the interpreter Moentoe, and order them to do what was requested, which latter had immediately been done to the Tomilalang. Furthermore, His Highness let me know that the King of Goa had asked to visit him by next Sunday, as he presumed for no other purpose than to come and give thanks for the preparation of the tomb of his sister, His Highness's consort Craeeng Taro. Whereupon the aforementioned Brugman further reported to me that the Tomilalang had again brought up the dispute, or rather the claim made by the Bonese, on the paddy fields of Data and Intje Timar, but that this was left unanswered by the Prince. Tuesday the 2nd: Nothing occurred. Wednesday the 3rd: Having finished his account, I charged him, along with the Tomilalang, to thank the King for the communication and to make known that I hoped to speak to His Highness in person very soon. Having said this to each other, they took their leave and departed.

Dutch transcription

van Maccasser den 22:' October 1724. — van Maccasser den 22:' October 1724. — woensdag den 27: pongauwa omtrend padij vrijdag den 29:' „gers Gereclameerd. Zondag den 31:' Maandag „ 1:' berigt van meindhaer koning van Goa hem zal kebomen besoeken. nader ondersoek over tot assistentie in de ver„ Dinsdag den 26. en viel niets voor. donderdag den 28: verhaalde mij den Capitain der maleijers abdul Cadier, hoe hij conform mijne ordre belofte van de Gen: bonijs voor Eenige dragen een visite op siang bij den geweesen Bonijs Pongauwa Sacasie velden onder hem verpan: ofgelegt vobbende; om den zelven te bedanken voor zijne goede officien aangewend tot bemagtiging van den boeginees Dauwt, moordenaar van den Corporaal ziets denzelven Gesprookeen hadde over verscheijde padij velden d'onderdanen toe„ „behoorende, dog onder boniers in pand gegeven, welke thans door hem Lacasie waaren over genoomen, en dat hij betuijgd hadde wel te weeten dat het velden der onderdaenen waaren, mitsgaders hij dierhalven bereijd was deselve weeder over te geeven, voor het daar op geleende geld, zo dra hem zulks mogte worden gevergd is niets Gepasseerd. Zatuurdag den 30:' hebbe ik den Oppertolk brugman naden koning van Goa gesonden om onder van Goa twee Glisson, tee kenaen Jaare: van de genome vlugt van de twee Glissongers na de Negorij Patoekangang vermeld onder den 19:' deser deselve te doen reclammeeren, waar op den vorst mij liet weeten ten eersten een sandeling na de Gemelde Negorij te zullen zenden, om de gevlugte van daar te haalen zo z' mogten gevonden worden, en z' wij als dan te zullen doen geworden. — passeerde niets sonderlings. —. Augustus, kwam den Capitain der maleijers mij rapporteeren hoe den geweesen roekende de gevordere dingauwa Sacasie hem door en zendeling hadde doen weeten van Mandhaer voldoening voor de banks tijding te hebben. gekreegen. Dat De Maradia van Madjene of Bangaij door zijne Rijkesgrooten aan gemaand om de Comp:e de g'eijschte voldoening te bezorgen voor de bark De vrijheijd ter preventie van de nadeelige gevolgen die er andersints voor haare Door den oppertolk Brugman aan den koning van bonij hebbende door bonijs vors:t verkogt kennisse geeven dat ik voornoemens ben heeden over agt daagen tot het doen der om zijn gecommitteerde vertiening na maros te vertrecken met versoek om na Gewoonte met twee gecommitteerde Rijkesgroten geassisteerd te worden, mitsgaders dezelve ernstig te recommandeeren, om zo wel de sluijkerijen van de Boniers als alle hostilie„ „teijten te beletten, liet den vors=t mij zeggen, mij den Tomilalang neevens den Aroe Tanette Malaloe en den tolk moentoe te zullen toevoegen en haar het ver„ „sogte te gelasten, invoegen het laaste opstonds aan den Tomilalang Geschied was. — voorts liet zijn Hoogheijd mij weeten dat de koning van Goa bij hem belt: hij lat weten dat de hadde laeten vraegen, teegen aanstaande zondag, zo hij vermoede tot geen ander eijnde dan om te komen bedanken voor het doen ingereedheijd brengen der Graf„ „tombe van desselfs suster zijn Hoogheijds Gemalin Craeeng Taro. waar en booven voornoemde Baugman mij nog berichte dat den Tomilalang heeft de tentame tot een weeder opgehaald hadde van de queste of eijgentlijk de pretensie door de boniers padij velden onbeamt„ gemaakt op de padij velden van Data en Intje Timar, dog dat zulks door den woord gelaten. tiening. Niets voorgevallen. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Dinsdag den 2. ' avraeke te weesen was; onder vertooning det ieder van de 2000 huijsgesinnen die ier ruijm, te Madjenie te vinden waaren daar ter nog geen thien rd=s sepaans be„ hoefden te Contribueeren en zulks dierhalven beeter zoude zijn dan het geheel land aan de verwaesting des oorlogs te exponeeren, hij daar op gediend hadde toe niet te kunnen resolveeren wijl het dan zoude schijnen of de zijne schuld hadden dat men niet bewijsen konden. Dat de rijkes grooten hem Lacasie dierhalven hebbende laeten versoeken om zelfs in persoon over te keoomen amn hun vast tot de gerepte voldoening te dispo„ „neeren of andersints ten dien Eijnde iemand dewaards te zenden, hij daar op een Ge„ „lijk gediend hadde dat vermits hij zig thans buijten alle bewind gesteld vond het hem niet doelijk was in hun versoek te bewilligen. —. Dat hij nogthans hem Cappitain versogte van 't een en ander aan denlicent„ „meester voll kennisse te geeven, ten eijnde zulks des nodig oordeelende aan mij te communiceeren. waar meede zijn verhaal g'eijndigt hebbende, gaf ik hem neevens den Bmila„ „lang last den koning voor het meede gedeelte te bedanken en te kennen te geeven dat ik zijn hoogheijd zo sepoedig zelfs hoopte te spreeken, 't een zig tegezeyd hebbende, zo namense hun afscheijd en vertrocken wraeke. vorst. de vrijheijt woensdag den 3:' 61

NL-HaNA_1.04.02_3418_0555 view scan ↗

English

From Makassar, 22 October Anno 1774. Friday the 5th. The monarch left it unremarked, having acted as if he did not hear it. Saturday the 6th. Nothing happened. Sunday the 7th. In accordance with the private request of the King of Boni, the assistant interpreter Blij inquired about his highness's well-being and, under that pretext, asked on his behalf to be allowed to have his rowing vessel on occasion, which he feared that the people of Goa might easily attempt to wrest from him. I received a report that the said ruler of Goa, along with the Queen of Tallo and her regent Karaeng Manjawai, were present there. Furthermore, it was also reported to me that the wife of Magoesiela, son of the Queen of Tanete, had given birth to a prince. Monday the 8th. The King of Boni had his interpreter Soerto request an audience with me, both for himself and for the King of Goa and the Queen of Tallo. However, in view of my imminent departure for Maros the day after tomorrow in the evening, I replied that if the matter was urgent, I would receive them, but otherwise requested a postponement until after my return, which I set at three weeks. His highness then let me know that the matter could not only brook delay, since it concerned their intended joint petition for the recall of the former exiled King of Goa, but his highness himself would even be pleased to see that I first complete the journey to the north. Furthermore, the chief interpreter Baugman reported to me that he had learned indirectly that the King of Goa and the Queen of Tallo intended to depart directly from the Boni court for the island of Balang, and that the queen would proceed from there to Parepare with the Goan prince Karaeng Bontolangkasa, whom she subsequently wanted to dispatch to Sidenreng to retrieve her daughter, the wife of the Addatuang, who, it was alleged, had fallen into discord with her husband because he was accused of having committed incest with his own sister. From Makassar, 22 October Anno 1774. That the said queen, in case they should refuse to surrender her daughter, intended to go to Sidenreng in person, and that the King of Goa would meanwhile remain on Balang to await the outcome; but in the event that the aforementioned queen could not bring her daughter with her, his highness then intended to proceed with a large force to Sidenreng to compel the Addatuang by force to let his wife depart. In the afternoon, I informed the Queen of Tanete, through the envoy Aiga, along with inquiries about her well-being, of my intention to depart tomorrow evening for the northern province to conduct the election, with the request that she urge the Tanetese at Segeri to refrain from all hostile actions as well as from the alienation of the Honorable Company's rights; which she promised me, with expressions of thanks for the communication and wishes for a prosperous journey. Having also sent the interpreter Blij to the courts of Goa and Tallo for the aforementioned purpose, even though the king and queen were still with the King of Boni, with the additional message that the management of affairs during my absence was entrusted to the Honorable Senior Merchant and Second-in-Command, the said Blij brought me a report that he had duly delivered his message to the Shahbandar of Goa and the interpreter at Tallo. Subsequently, the Queen of Tanete directly informed me, through an envoy, of the delivery of her daughter-in-law, the wife of Magoesiela, named Datu Ritjetta, of a prince, for which I conveyed my thanks to her highness. In the evening, around half past seven, I held a private verbal conference at the house of the License Master Voll with the former Ponggawa of Boni, Laccassie, for which purpose he had come up from Siang. After he had given me an account, consistent with the report already given to me by the Captain of the Malays, concerning the reception of an envoy sent in the name of several grandees of the realm at Majene, with request...

Dutch transcription

63 van Maccasser Den 22:' October Ao 1774. — vrijdag Den 5:' Zatuurdag Den 6:' Zondag Den 7:' particuliere boodschap vorst Laat voor sig en koningin van Goe „neemens haar dogter ook aande hooven van ik voorneemens ben ter te vertrecken. vorst ongeremarqueerd gelaeten was, zig gelaeten hebbende of hij het niet hoorde. 9 Niets Gepasseerd. Conform het particuliere versoek van den koning van bonij den ondertolk bij bonij over een schep blij ander in formatie na zijn hoogheijds welstand quasi hebbende baeten versde„ „been om desselfs scheppraauw bij occasie ens te moogen hebben /: den welken hij vrees. „de dat die van Goa hemnlichtelijk zoude tragten afte peesen:/ Ontfing ik bericht dat gemelde Gaasen vorst, neevens de koningin van Tello en haar rijksbestierder Craeeng Manjewooij zig aldaar bevonden. Geboorte van een Tanets voorts wierd mij ook gerapporteerd dat de vrouw van Magoesiela zoon van den koningin van Tanette van een prins bevallen was. Maandag den 8:' Liet dekoning van bonij door zijnen tolk Soerto belet bij mij vraegen permotusausuen Bonijs zo voor zig zelfs als voor de koning van Goa en de koninginne van Tello zelfs neevens de koningdog mits mijn aanstaande vertrek, na maros teegen over morgen avond, daar en Tello belet vragen. opgediend hebbende, dat ingevalle de zaake haast verEijschte, ik haar ontfan„ „gen zoude, dog ander sin ts uijtstel versogt, tot na mijn terug komst, 't welk ik stelde op drie weeken, zo liet mij zijn hoogheijd weeder weeten, dat de zaak niet alleen uijtstel veelen konde, wijl deselve het voorgenomen versoek tot voor„ hef tilever aung daarted zin se rijvens om het Rappel van den geweesen verbannen koning van Goa betaofmaar zijn hoogheijd zelfs gaarne zoude zien, dat ik alvoorens de reijse naar de noord kwam te volbrengen. Tellos koningin is ver, voorts berichte mij den oppertolk Baugman van ter zijden vernoomen van sedeenring tehalen te hebben, dat de koning van Goa en koninginne van Tello voorneemens zoude weesen van het bonijs hof direct na het Eijland balang te vertrecken en de koninginne van daar vervolgens na parre Parre met den Goas prins Chaeeng Bontolancas. die zij wijders na seedeen z eeng wilde depecheeren om haar dogter de vrouw van den Adatouang van daar te halen, dewelke men wilde, dat men haeren man in bn- eenigheijd geraakt was, ter zaake men hem be„ „schuldigde met zijn eijgen zuster bloedschande te hebben bedreeven. van Maccasser, den 22:' October A:o 1724. dat Gemelde vorstin, ingevalle men d' overgave van haar dogter, mogte weijgeren zelfs in persoon na sedeering stond te gaan, en dat Goas vorst in„ tusschen op balang verblijven zoude om den uijtslag afte wagten, dog inge„ „valle meermelde vorst in haar dogter niet mogte meede brengen, zijn hoog„ heijd zig dan met een groote magt na sedeeuring meende te begeeven om Adai„ „touang door magt te dwingen, zijn vrouw te laeten vertrecken. des nademiddags hebbe ik aan de koninginne van Tanetta door den asan Tanets koninginne sendeling Aiga, onder informatie na haar welstand, doen kennisse geven gecomminiceerd dat van mijn voorneemen om morgen avond na de woorder provintie te vertrec„ vertiening na de noord „keen tot het doen der verkesting met versoek de Tannattereesen op sagerij te doen recommandeeren, om zig, van zig voor alle hostilie bedrijven zo wel als voor het ontvroemden van sE: Comp:s geregtigheijd te wagten, 't welk zij mij onder danke betuijging vaar de Communicatie en toe wensching van een Geluckige reijse deed toe zeggen. Ten eijende voorsz: ook den Tolk Blij na de hoven van Goa en Ielloge„ „zonden hebbende schoon de vorst en vorstin nog bij boniskoning zijn, onder„ goa en Tello. Een bijgevoegde boodschap, dat de maneance der zaaken geduurende mijn absen„ „tie was opgedragen aan den E: opperkoopman en secunde, bragt gemelde blij mij rapport dat hij zijn boodschap aan den sjabandhaar, van Goa, en den Tolk ante Iello behoorlijke afgelegd hadde. vervolgens liet mij de koninginne van Tamette door Een zendering direct Communicatie ken nisse geeven, van de bevalling van haar schoordagter de vrouw van Man„ erlangd van de Goboor„ „goesiela, in Name Datoe Ritjetta, van een prins waar voor ik haar te van een Taneto pains hoogheijd deed bedanken. 's' avonds omtrend half agt uuren, hebbe ik met den Geweesen Pngauwa dinsdag den 9:' van Bonij Laccassie, ten huijse van den licentmeester voll, in stilte een mond gesprek gehouden, ten welken eijnde hij van Siang was opgekoomen. Na dat denselven wij over Eenkomstig het mij reets gegeeven bericht, Geconforeerd met den door den Capitain der maleijers een verhaal gedaan hadde, noopens den ont„ gew: bonijs Pongauwa fang van een sendeling uijt naam van eenige rijkes Grooten te madjene, met over de zaken van man„ Dat. versoek. prauw. prins. „dhaer.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0556 view scan ↗

English

63 From Maccasser the 22nd October Anno 1724. From Maccasser the 22nd October 1770. His request regarding some missing snaphaunces belonging to the Company. Order to the Honorable Second. Departure of Tello's Queen. Queen regarding the childbirth. Request to cross over there, and to dispose their maradia to satisfy the Company for the bark the freedom, and how he had responded thereto that, being currently excluded from all administration, he could not satisfy that request. He asked me what I thought of this, to which I replied that since the displeasure of his lord father would undoubtedly increase if he were to depart thither without his knowledge, I would not require such of him, but that if he might have an occasion to employ his good offices through a trusted person, in order to help the Company to obtain what belongs to it either in whole or in part, he could be assured that Their High Excellencies at Batavia would show their satisfaction over this and that such in time would by no means be disadvantageous to him; wherefore he promised to do his best, as well as to inform himself of what in the meantime might occur regarding this matter between the Maradia and his grandees of the realm. Furthermore, he also said he had been reliably informed that the retinue of the Glaarang of Bontoealace had killed a Mandharese by birth, which was taken very ill, and that this had to be regarded as the essential reason that he had remained only a few days in Baleniepa, had found little trust, and had thus returned with the greatest speed to Binoang and remained there a considerable time without accomplishing anything, while it was not yet known whether any of the princes would appear, unless it might be the one of Binoang alone, who until now had always kept himself closely attached to the Bonij court. He also informed me how his brother, the present Pongauwa, had demanded of him all the firearms formerly received on loan by the court of Bonij from the Company that he might still have in his possession. He had replied thereto that he was ready to surrender them if one came to demand them from him in the prince's name, adding weeping that, however, ten to twelve pieces would be missing, which on the occasion of an expedition to Mandhar, undertaken by one of his sons in the prince's name, had gone missing, and concerning which he requested that I would be of assistance to him in case of difficulties; which I said I would do for him, whenever such could take place. After having spoken for a while about various matters not necessary to note down here, he took his leave and departed, having thanked me most heartily for the promised protection of the Company in case he might be forced to take refuge thereto, with the assurance that he would ever gratefully acknowledge the same and persevere in his loyalty shown up to now. Wednesday the 10th. Congratulations to the Queen of Tanette on the childbirth of her daughter. I had the Queen of Tanette congratulated by the assistant interpreter, Affaels, on the childbirth of her daughter-in-law Datoe Ritjesta of a prince. Furthermore, given the illness of the Honorable Senior Merchant and Second, I paid a visit to him and gave his honor, among other orders, mandates regarding the management of affairs during my absence, to inform me as soon as possible whenever the Queen of Tello, whether alone or with her brother the King of Goa, might wish to depart from here to Ballang or elsewhere, in order to take my measures accordingly. Departed for Maros. Arrived there. Thereafter I departed in the evening at ten o'clock for Maros, and having arrived there in the afternoon at one o'clock, the young King of Bonij, together with his uncle Aroe Poure, who were at Marampesoe, sent to ask an audience with me for tomorrow before noon, which I granted. Thus they Friday the 12th. Visit of Bonij's Crown Prince. Appeared before me in the forenoon around nine o'clock, and after the consumption of some refreshments, having sat for half an hour amid an indifferent conversation, departed again with the intention to head for Maccasser. Subsequently, I settled with the collective chiefs of the aforesaid realm the requested accounts.

Dutch transcription

63 van Maccasser den 22:' October A:o 1724. van Maccasser den 22„' October 1770. zijn versoek om eenige absent geraakte sna„ „phanen van de Comp:e bevel aan den E: secunde vertrek van Iellos ko„ koningin over de bevalling versoek om aldaar over te koomen, en hunne maradia te disponeeren, tot voldoening van de Comp:e voor de bark de vrijheijd en hoe hij daar op ge„ „diend hadde, dat hij als thans buijten alle bewind zijnde, aan dat versoek niet voldoen beon de vroeg hij mij, wat ik daar van dagte, waar op ik ge„ „diend hebbende, dat vermits d'ongunst van zijn heer vader ontwijfel„ „baar, vermeerderen zouden wanneer hij buijken zijn, weeten derwaardsbenen te vertrecken, ik hem zulks niet vergen wilde, dog dat wanneer hij occa„ „sie mogte hebben, door een vertrouwde zijne goede officien te wenden, ten eijnde de Comp:e het zij in het geel of voor een gedeelte aan het haare te hel„ „pen, hij verzeekert beonde zijn, dat haar hoog Ed=s te batavia daar over hun genoegen betoonen en hem zulks in der tijd gantsch niet nadeelig zoude zijn, waar soe hij zo wel beloofde zijn best te zullen doen als om zig te informeeren, wat'er intusschen over deeze zaak tusschen den Marida en zijne rijks grooten mogte voorvallen: voorts zijde hij nog meede in 't zeekere onderrigt te zijn, dat het gevolg van den Glaarang van bontoealace, en Mandharees van Geborte hadden omgebragt, het geen zeer euvel was opgenomen en dat dit voor de wensendlijk reeden moest worden gehouden, dat den selven maar keorte daegen te balle„ „niepa geweest, weijnig vertrouwen, hadde gevonden, en dusten spoedigsten te rug gekeerd was, na Binoang en aldaar een Geruijmen tijd gebleeven zon„ „der iets uijt te vooren, terwijl men als nog niet wist of er wel iemand vande vorsten zoude opkomen ten waare het die van bienong alleen mogte weesen, welke tot hier toe zig altoos zeer geattacheerd hadde gehouden aan het bonijs„ ook gaf hij mij nog kennisse, hoe zijn broeder den presenten Pongauwa, hem hebben de doen afvraegen alle de geweeren, wel eer door het hof van bonij van de Comp:s ter leen ontfangen die hij nog onder zig mogte hebben, hij daar op brend hadde, dat hij tot de overgave bereijd was, als men hem dezelve uijt 's vorsten naam, kwam afte Eijsschen 'er bij geweende voegende dat er egter sien a twaalf stuks aan zouden ontbreeken, die ter geelegendheijd van een togt na man„ voorts hebbe ik niets de ziekte van den E: opperkoopman en secundo een visite bij denselven afgelegt, en zijn E: onder andere beveelen, omtrent de mane nopens het voorgenomen „ance der zaaken, geduurende mijn absentie, in madatis gegeeven, om mij ten „mingin. eersten te berichten, wanneer de koninginne van Tllo, het zij alleen, of met haar broeder de koning van Goa, van hier na ballang of na elders mogte willen ver„ „trecken, ten eijnde daar na mijne maatregulen te neemen. vervolgens ben ik des avonds ten tien uuuren na Maros vertrocken en Na maros vertrocken. des middags ten een uuren aldaar g'arriveerd zijnde, zo liet de Jonge aldaar g'arriveerd. koning van bonij neevens zijn bom Aroe Poure, welke zig op Marampe„ soe bevonden, belet bij mij vraegen teegens morgen voor de middag, dat ik actor„ „deerde, des zij 's voormiddags teegen neegen uuren bij mij versheenen en na't gebruijk vrijdag den 12. ' van eenige versnaperingen, onder een onverschillige discours na Een halff visite van bonijs kroon„ uur beseeten te hebben, weeder vertrocken met Intentie om namaccasser Prins O: S: —. te steevenen, vervolgens reguleerde ik met de Gezamentlijke hoofden van de voor, degetening gerequi„ „dhaer, door een zijner zoonen uijt 's vorsten naam gedaan, waaren besent ge„ „daakt, en waar omtrent hij versogt dat ik hem ingevalle van moeijlijk heeden be„ hulpsaam zoude weesen, het geen ham, soezeijde te zullen doen, wanneer zulx geschieden konde. Na„ volgens nog een poos over verschillende saaken in deesen niet nodig te noteeren, gesprooken te hebben, nam hij zijn afscheijd en vertrok mij op 't hertelijkste bedankt hebbende, voor de hem toegezeegde protextie van de Comp:e ingevalle hij genoodsaakt mogte weesen toevlugt daar toe te neemen met ver„ seekeering het zelve steeds dan kebaar te zullen er kennen, en bij zijn tot hier toe betoonde trouwe, te volhalden: Inbebbe ik de koninginne van Tanette over de bevalling van haar schoon woensdag den 10:' dogter Datoe Ritjesta van een prins, door den ondertolks, affaels doen vergelic folictatie aan Jamets „ken. — „dhaer „der Rijk: - „reerd. — ƒ van haar dogter.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0557 view scan ↗

English

67 From Maccasser the 22nd October Anno 1774. From Maccasser The 22nd October 1774. Towards the evening, having received information by letters from the Honorable Senior Merchant and Secunde that the Queen of Tello had indeed departed for Balang, intending to sail from there to Sedeenring, I immediately dispatched the envoy Soero Patjelang to Balang to announce to that queen: How I had learned that she had gone thither with the intention of sailing to Parre Pare, and subsequently to Sedeenring, which appeared extremely strange to me, as custom dictated that notice should always be given to a Governor whenever one of the rulers residing near the Castle wished to go out. That I therefore wished to admonish her and also expect that she would not continue her planned journey any further, but would halt and turn back, and otherwise left to her account and responsibility the detrimental consequences that might result from her departure for Sedeenring. Saturday the 13th. The envoy Soero Patjelang returned from the Island of Balang, reporting to me: that he had found the Queen of Tello there and delivered his message to her, but had received the answer that the matter for which she had departed from Maccasser, intending primarily to go to Parre Parre, being private, she did not know that she needed to give notice thereof to me, having only intended to fetch her daughter from Sedeenring, nothing more, which the King of Boni had granted her, while for the rest she would attempt nothing from which difficulties could result. Furthermore, the said envoy declared to have learned that she was to continue her journey this night or tomorrow morning, and that the King of Gowa was also on Balang, although he had not seen that prince himself. Sunday the 14th to Thursday the 18th. Nothing extraordinary occurred, except for the performance of the tithes. Friday the 19th. The Bonian Tomilalang, after having asked permission in advance, having come to pay me a visit, related to me that an envoy had come from Tjinrana Boni to the King with a report, which he however declared not to know whether it was in writing or solely verbal, that the Wadjorese were intending to make war on Tjinrana and Timoeroeng, and that the governor Aroe Tanette Natua had requested His Highness for assistance. He further declared that the King might possibly come to Maros himself to speak with me, but that, although not yet ordered to do so, he had provisionally had to give me notice of this; but for the rest I could learn nothing more of any importance from him, so I thanked him for the shared report. Saturday the 20th. The Queen of Tanette inquired after my health through an envoy and at the same time let me know that she intended to come to Maros tomorrow with the King of Boni. In the evening I received, by a letter from the Honorable Senior Merchant and Secunde, a report that a Mandharese vessel, coming from Ende and laden with oil etc., had broken bulk at Capiria, and His Honor had therefore given orders to seize the same if possible. Sunday the 21st. The King of Boni arrived at Maros around eight o'clock in the company of the Queen of Tanette. His Highness having notified me thereof around ten o'clock, and at the same time requested an audience, I granted the same for this afternoon, intimating that, on account of the planned tithing, I would have no time tomorrow; which being accepted, he appeared with the queen at four o'clock, in the company of the Tomilalang alongside the Aroes and grandees of the realm Poure, Patjiro, Belawa, Raadja, Tasiada, and Madjang. After they were seated and had drunk a cup of tea, His Highness handed me two letters to have them read out, declaring upon my inquiry whether he would not rather prefer that we went into a separate room for that purpose, that everyone might well know the contents thereof.

Dutch transcription

67 van Maccasser den 22:' October A=o 1774. Van Maccasser Den 22:' October 1774. Een sendeling aan Tellos„ haar het vertrek na Gedeenring te verbieden. te willen doen. weegens het voorneemen. arrive van den koning van bonij en koningin van Tannettij Een mandhareese sluijk berigt erlangd van 's tanets koningin. selfs bij mij stond te bonijs Tomilalang bedeelt, mij de tijding dat de wadjo „der provintie de vertiening. Teegen Den avond bij schrijvens van den E: opper Coopman en Secunde koningin gezonden em ondereigting bekoomen hebbende, dat de koning inne van Tello werkelijk na ballang vertrocken was, bin van daar na sedeenring te steevenen, hebbe ik opstonds den zendeling Soeroe Patjelang na belang afgevaardigd, om die vorstin aan te zeggen. Hoe ik vernoomen hadde dat zij zig derwaards hadde begeeven niet in„ „tentie om ma Parre Paarae te steevenen, en vervolgens na serdeenring dat mij sulk ten uijttersten vreemd voorkwam wijl het gebruijk meede bragt, dat altoos aan een Gouverneur word kennisse gegeven, wanneer een der vorsten bij het Casteel woonende, wil uijtgaan. Dat ik haar dierhalven vermaanen en ook verwagten wilde, dat zij haare voorgenome rijse niet verder vervolgen, maar staeken en te rug keeren zoude, en andersints voor haar reekening en verantwoording overliet de nadee„ „bige gevolgen, die er uijt haar vertrek na sedeenring, mogte resulteeren satuurdag den 13:' Reverteerde den zendeling soero Patjelang van het Eijland Balang zij schijnt even wel mij berichtende: dat hij de koninginne van Tello aldaar aangetrofen en aan haar zijne boodschap gedaan, dog ten antwoord bekomen hadde, dat die zaak waar„ om zij van maccasser vertrocken was, met voornamen na Parree Parree te gaan particuliere zijnde, zij niet wiste dat zij daar van aan mij behoefde kennisse te geeven, als eenlijk voogenomen hebbende, haar dogter van sedeen„ „ring te haalen, sonder meer, het geen haar den koning van bonij g'accordeert. hadde, terwijl zij voor het overige niets onderstaan zoude, waar uijt moeij„ „lijkheeden resulteeren. konde: voorts betuijgde Gemelde zendeling vernomen te hebben, dat zij deesen nagt of morgen ochtend haare reijse stond te vervolgen, en dat de koning van Goed zig meede op Balaing bevond schoon hij dien vors=t zelfs niet gesien hadde, zondag Den 14. tot behalven het doen der vertiening niets sonderling voor„ Donderdag Den 18: „ J„ gevallen. —. De Bonijs Tomilalang na voor af belet te hebben, laeten vra„ vrijdag den 19:' „gen een visite bij mijn zijnde koomen afleggen verhaalde mij dat 'er een zendeling uijt Tjinrana Bonij gekoomen was, bij den koning „ leesen Tjinrana willen boorlogen. met bericht, het welk hij egter betuijgde niet te weeten of 't schriftelijk dan en keel mondelijk was, dat de wedjoreesen voorneemens zoude zijn Tjinrana en Timoeroeng te b'oorlogen en den steede houder Aroe Tanette Natua zijn hoogheijd om assistentie hadde doen versoeken. Bij betuijgde verder dat de koning mogelijk zelfs wel op Maros en zegt dat den koning zoude koomen om mij te spreeken, dog dat hij schoon, nog niet gelast, mij bij hooveen. —. provisie hier van hadde moeten kennisse geeven, dog voor het overige keon ik uijt hem niets meer van eenig belang verneemen, des ik hem voor het mee„ „de gedeelte bericht bedankte. Liet de koninginne van Tanette door een sendeling na mijne welstand Zatuurdag den 20: verneemen en mij teffens weeten, dat z' voorneemens was, met de koning vorsten komste en van van Bonijs tegens morgen op Maras te komen. Des avonds ontfing ik bij een brief van den E: opperkoopman en secun„ „de bericht, dat een Mandharees vaartuijg, koomende van Ende en be„vaartuijg op sapila „loeden met olij etc=a op Capiria zijn lading gebroken en zijn E: dier, ingeloopen. „halven Ordre gesteld hadde om het zelve des mogelijk in beslag te neemen. Arriveerde de koning van bonij dn Geselschap van de koninginne Zondag den 21. ' van Tanette teegens agt uuren op maroes. - zijn hoogheijds mij daar van, teegen Thien uuren hebbende laaten kennisse geeven, en teffens om acces doen vragen accordeerde ik het selve tee„ „gens deesen na middag, onder te kennen gave, dat ik, mits de voorgenomen vertiening, morgen geen tijd zoude hebben, 't welk g'accepteerd zijnde, zo verscheen hij, met de vorstinne, ten vier uuren, ingeselschap van den die mij een visit geeven. Tomilalang neevens d' Arous in rijks Grooten Poure, Patjiro belawa, Raadja, Tasiada en Madjang. Na dat maan gezeeten was, en een kopje Thee gedronken hadde, het zijn hoogheijd mij inhandigen twee brieven, om deselve te doen, voorleesen den vorst bedeelt de tijding op mijne vraege of hij niet liever zoude, zien, dat men ten dien eijnde in een der wadjoreesen. apart vertrek ging betuijgende dat een ieder dies inhoud wel weeten mogte De des. —.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0558 view scan ↗

English

69 from Maccasser the 22nd October A:o 1720. — from Maccasser the 22nd October 1774. intention to speak with me having thus proceeded with the reading, I found one to be from Aroe Tanette Mattoua, the head of the Bonians in Tjinrana, and containing: how he, Arou Tanette, had learned from the Jennang of Tiemoerong that the Wadjorese were intending to make war on Tjinrana and Tiemoerong and to take possession of them; that he had placed himself as much as possible in a posture of defense, and had also ordered the aforementioned Jennang to do so, but requested that the King would send him one of his sons, whom the Bonians would obey more than him. The second letter was from the aforementioned Jennang and contained nothing other than learning of the intention of the Wadjorese, and that he had given notice thereof to Arroe Tanette and requested his orders. The said letters having been read: I submitted to His Highness that, although I could not think that the Wadjorese would attack his people so unexpectedly, I nevertheless judged that it was utmost necessary to send a couple of his most capable grandees of the realm inland to put affairs in order and to inform themselves thoroughly about everything, without however revealing that the aforementioned reports were the reason for their coming, as it could be presented that he himself, having intended to come there in person, had been forced to abandon it due to obstacles that had arisen. The Tomilalang shall depart for the inland His Highness having declared this to be a good course, he also testified that he had already resolved to assign to his Tomilalang, to whom he said he would add another grandee of the realm, to commission them for this purpose, who was immediately ordered by him to comply with my words, further adding that although Arau Tanette Matua requested one of his sons, he preferred the aforementioned Tomilalang, because his children are still young and might, through too much impetuosity, easily harm rather than benefit the affairs with the necessary instructions. Furthermore, I requested His Highness also to order the Tomilalang to give him notice of his findings as quickly as possible, which was immediately done by him, further promising me to send the same to me before he should depart. Thereafter, entering into casual conversation, His Highness declared that the Queen of Tanette, who in the meantime had gone indoors to my wife, had something to request. From this, noticing that he wished to be present thereat, I sent her Guasi to ask if she would be pleased to come to us; but that princess, wishing to evade this, as I had indeed thought, gave as an answer that it had now become too late, and that she would do so on another occasion, whereby His Highness's intention was disappointed, who thereupon took his leave alongside the Queen, and departed. After which, I sent off a note already prepared yesterday, to be found among the enclosures, to the Poenlipoe E: of Soping. A note to Soping dispatched. Monday the 22nd. Further instruction given to the Tomilalang. The Tomilalang of Boni, having previously requested access, appeared this forenoon at my house to inquire, on behalf of the King his master, whether, in view of his upcoming departure for the inland, I might have anything further to command besides the points already given for instruction mentioned under yesterday's date, also communicating to me that Datou Beengo would accompany him. I replied thereto that I had nothing else to say to him than the aforementioned, but that I had to recommend to him most strongly to proceed with all moderation and prudence, for the avoidance or rather prevention of mischief and bad consequences, and that I had learned that the discords that have arisen with the Wadjorese were largely to be attributed to the boldness of the King's children who are in the inland. Whereby also a large number of Bonians had fled elsewhere, I wished to hope that he, in accordance with his oath and duty to care for the welfare of the Bonian realm, would investigate this and give his master a detailed and faithful report of everything, and that as soon as possible, so that I, being informed thereof, could consult with His Highness on this matter; all of which he promised to fulfill, whereupon he took his leave and departed, indicating that he would make one more trip to Maccasser to prepare himself in order to undertake the journey by tomorrow or the day after tomorrow. Subsequently.

Dutch transcription

69 van Maccasser den 22:' October A:o 1720. — van Maccasser den 22:' October 1774. voorneemen uijt om mij te spree„ des met d' opleesing voortgegaan zijnde zoo bevond ik d'eene te weesen van Aroe Tanette Mattoua het hoofd der boniers in Tjinrana en behelsende: hoe hij Arou Tanette van de Tennang van Tiemoerong vernomen hadde dat de wadjoereesen zouden voorneemens weesen, Ps in rana en Ti„ moerong te b'oorlogen en in besit te neemen, dat hij zig zo veel mogelijk in postuur van defensie gesteld, en zulks te doen aan den voormelde Jemang ook belast hadde, dog versogt dat de koning hem een zijner zoonen wilde doe„ „senden die de boniers meer dan hem zouden gehoorsamen De tweede brief was van meermelte Temang en hield niets anders in: dan het verneemen van der wadjoereesen intentie en dat hij daar van aan Arroe Tanette kennisse gegeeven en zijne ordre gevraagd hadde. De Gemelde brieven geleesen zijnde: hieldik zijn Hoogheijd voor, dat, schoon ik niet denken konde, dat de radjoreesen de zijne zo onverhoeds zouden op het lijff vallen, ik nogtans oordelde, dat het ten uijttersten nodig was, een paar van zijn bequaamste RijksGrooten na binnen te senden, om ordre op de zaaken te stellen, en sig omstandig na alles te informeeren, sonder nog„ „thans t' ontdecken, dat de voormeelden berichten de oorseeke waaren van hunne komst, als kunnende voor werden, dat hij zelfs g'intentioneerd geweest: zijnde, aldaar in persoon, te koomen daar van door opgekoomen beletselen hadde De Tomilalang sal na moeten afsien, 't welk zijn hoogheijd verklaard hebbende, voor een goeden te de binnen landen vertrc, houden, zoo betuijgde hij ook reets voorgenomen te hebben, zijner Tomilalang die hij zijde, nog een ander rijks Groot te zullen toevoegen, daar toe te Commit„ met de noodige Instructicteeren, den welken aanstonds door hem bevoolen wierd, om mijn zeggen na te koomen, 'er verder bij voegende, dat schoon Arau Tanette Matua, om een zijner zoonen versogt, hij den voormelden Tomilalang prefereerde, vermits zijne beinderen als nog Jong zijn, mogelijk door te veel dreftigheijd de zaaken ligtelijk eerder, benadeelen dan bevoordeelen zoude, wijders vorsogt ik zijn hoogheijd nog om den Tomilalang oor te ge„ lasten hem ten spoedigsten van zijne bevinding kennisse te geeven, dat op„ stond door hem gedaan wierd mij verders beloovende om den zelven alvoorens hij kwam te vertrecken, nader bij mij te zullen zenden. vervolgens op een onverschillig praatje geraakt, betuijgde zijn hoogheijd Janets koning in steld haar dat de koninginne van Tanette, die intusschen binnens huijs, bij mijn vrouw„ ken. —. was Gegaan, iets te versoe ken hadde, waar uijt ik bemerkende dat hij daar bij gaarne present wilde weesen, zoo iet ik haar Guasi vragen of zij maar Ge„ „liefde bij ons te koomen, maar die vorstin zulks willende uijtwijken, zo als ik wel gedagt hadde gaf ten amtwoord dat het nu te laat geworden was, en zij zulks bij een andere geleegentheijd wel zoude doen, waar door zijn hoogheijds intentie te leur wierd gesteld, die vervolgens neevens de koninginne afscheijd nam, en vertrok. waar na ik een reets gisteren in gereedheijd gebragt briefje onder de bij, een briefje naar Coping „lagen te vinden, aan den Poenlipoe E: van soping: afsond. De Tomilalang van bowij na voor af versogt acces deesen, voordemiddag Maandag den 22:' ten mijnen huijse verscheenen, om uijt naams, van den koning zijnen meester Nader Instructie te verneemen, of ik mits zijn aanstaande vertrek na de binnen landen, aan den Tomilalang gegeeven. behalven de reets gegeevene poincten, tot Instructie onder dato Gisteren vermeld, nog iets te beveelen, mog te hebben, mij teffens Communiceerende, dat Datou Beengo hem zoude versellen, soo diende ik daar op ik hem niets anders dan 't voormelde te zeggen hadde, dog hem op 't aller kragtigste re„ „commandeeren moeste, om met alle moderatie en beleijd te week te gaan ter vermijding af liever voorkoming van onheijl en knaede gevolgen, en dat ik gedroomt hebbende, dat de oneenigheeden met de wad joreesen ont„ „staan, grotelijks te abtribueeren waeren, aan de stoutheijd van 's konings kinderen, die zig in de binnen landen bevinden. waar door oik een Groot getal boniers, na elders gevlugt waaren, ik hoo„ „pen wilde dat hij conform zijn eed en pligt voor den welstand van het Bonijs rijk willende zorgen, daar na onderzoek en zijn meester van alles omstandig en Getrouw rapport zoude doen, en zulx so spoedig doen„ „lijk, ten eijnde ik daar meede onderrigt met zijn hoogheijd over deese zaak zoude kunnen raadpleegen, alle het welke hij beloofde te zullen nakoomen, waar op hij zijn afscheijd nam, en vertrook, onder te kennen „gave nog een heeer na Maccasser te zullen doen, om zig gereed te maeken ten eijnde de reijse teegens morgen of overmorgen aan te neemen. Gedepecheert. vervolgens. Liet „ken. —. -.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0559 view scan ↗

English

From Maccasser the 22nd October Anno 1724. From Maccasser the 22nd October 1724. Kings concerning disputes. Tuesday the 23rd. The inland areas. The royal children. She confirms certain news regarding what occurred at Mandhar, and says that everything at court... With addition. The Queen of Tanette asked for an audience, which was granted, and she appearing around nine o'clock, Her Highness stated that she had come to request that some disputes over paddy fields between her subjects and the Company's subjects (over which sessions have already been held repeatedly, such that all her claims were found to be unlawful) might be settled, but having excused myself from that, by pretexting that I could not inspect anything here, time did not permit it, and I therefore requested that they have patience until my return to Maccasser, she seemed to be content with this. She informs me of the flight of many Boniers from the inland. After which, having asked her if she knew of any news, especially with regard to the Wadjoese, she said she had heard that about one thousand Boniers residing in Tsjinrana and Toemorong, having become dispirited through dissatisfaction over the outrages and extortions of the King's children, had fled to Wadjo, but had been driven away again by the Wadjoese, and that the news of the latter's intention to seize those two places, if possible, seemed all too true, offering at the same time gladly to send a trusted person to Pamana to obtain further information concerning the state of affairs, which she declared could be done in all secrecy, as I requested, in order to impart the report to me. Furthermore, Her Highness asked how matters now stood with the affairs of Mandhaer, on which, having served her in so far as it was necessary, she also said she had learned that the people of the Glarang of Bontoalacq had murdered a Mandharese by birth, over which this nation had become very divided, and that this was possibly a principal reason why he had returned from there without having accomplished anything. Postponed. Having touched upon some other discourses after this, she expressed that at the Bone court, as far as she was aware, nothing was stirring, that of Lacasie, the former Pongauwe, nothing more was spoken of at all since they had had a dispute with him over the tree lease, regarding which he had expressed his sentiment, and that matter was thus concluded. Bone court was quiet. Complaint to the King because of the outrages committed by the people of Data. The Queen having subsequently taken an amiable leave and departed, I sent the Captain of the Malays to Marampesse, to the King of Bone, in order to bring to His Highness's notice, in accordance with the account given to me this morning by the License Master Voll, how his wife, with a baptized child with her, wishing to sail out of the river from here yesterday evening in a sampan boat, had not only been stopped in a violent manner by the people of the three Negorijs of Data, but that the vessel had even been shot at twice with blunderbusses, in which two bullets were also found, which I at the same time had presented to the King, so that she had been obliged to turn back. And request for satisfaction. That I could not fail to show my utmost indignation over so unheard of and insolent an act and therefore earnestly requested a prominent satisfaction, adding that although the perpetrators, being known, would pretend to have been agitated by the stealing of an inhabitant of one of those Negorijs, this could not be valid, because the same had been kidnapped by his own neighbors or inhabitants and brought for sale to our people, but had immediately been offered back again, as the interpreter of Bone could testify, who had also already received the said stolen person and was now crossing over with him alongside the Captain. Which is promised under a certain remark. The Captain returning, brought as an answer that the King, after having obtained accurate information concerning the stolen subject and having avowed that this could not be the cause of the violence committed by the people of Data, had indeed promised to make an investigation into it and give satisfaction, but that he had at the same time added to remind me that in former times a similar incident had happened to himself by our people, who had shot at a vessel in which Datoe Baringang, at that time still being very young, was present, without any satisfaction, as far as he remembered, having been given over it, but upon which saying the Captain...

Dutch transcription

van Maccasser den 22:' October A:o 1724. — van Maccasser den 22:' October 1724. koningen om Questien dingsdag den 23:' de binnen Landen. vorsten kinderen. zij Confirmeerd zeekeere tijding weegens het voorgevallen te man„ en zegt dat alles aan't que bijvoeging Liet de beoninginne van Tanette om acces vragen 't geen G'ac„ 't aansoek van fanets bordeerd en zij teegen neegen uuren verscheenen weesende, zo betuijgde over padij velden te besligen aar hoogheijd gekoomen te zijn, om te versoeken dat eenige questien over padij velden tusschen de haare en sE: Comp:s onder daanen /:waar over al meermaalen gezeeten is, zoodanig dat alle haare pretensien ontwettig bevonden zijn:/ mogte worden afgemaakt, dog mij daar omtrend verschoond hebbende, met voor te wenden dat ik hier niets konde nasien, de tijd het niet toeliet en ik dierhalven versogt dat z' geduld hebben, tot mij ne te rug komst op maccasser, zo scheen zij zig te vreede houden z bedeelt mij de vlugt waar na ik haar gevraagd hebbende afz' niets nieuws wis te voor„ van veele boniers uijt namentlijk ten opzigte van de wadjoreesen, zo zeijde zij te hebben gehoord dat en wel Duijsend Boniers op Tsjin rana en Toemorong woonagtig door uijt misnoegen over's de geweldenarijen en extorsien van 's konings kinderen mismoedig Ge„ „worden na wadjo gevlugt, dog door de wad preesen weeder weg gejaagd waaren en dat de tijding van der laastgemelde voorneemen om die twee plaatsen des mogelijk te over meesteren maar alte waar scheen, onder aan„ bod teffens Gaarne door een vertrouwde om nader kundschap nopens den toestand der zaaken, te willen zenden na pamana, 't welk zij betuijgde in alle stilte, zoo als ik versogt te keunnen geschieden, ten eijnde mij het bericht te bedeelen. wijders vroeg haar hoogheijd hoe het thans stond met de zaaken van mandhaer daar ik in zoo verre sulks noodig was, op gediend heb„ „bende, zoo zij de zij meede te hebben vernomen tat het volk van den Gla„ „rang van bontoalacq, een mandharees van Geboorte hadden vermoond daar dit natie zeer over te omtweede was geworden, en sulks mogelijk een voornaeme reeden was, dat hij sonder iets te hebben uijtgevoerd, van daar was te rug gekeerd. Hier na nog op eenige andere discoursen geraakt zijnde liet zij bonijs hof stil was. zig uijt dat 'er aan het bonijs hof voor zoo verre haar bekeend niets optil was, dat van Lacasie de geweesen Pongauwe in 't geheel niet meer„ „der geseprocken wierd, zeedert dat men met het zelve een geschil had gehad, over de boomspagt, waar optrend hij zijn sentiment gezegt hadde, en die zaak dus afgedaan was. De koninginne vervolgens en minsaam afscheijd genomen hebbende; en Doliantie bij den koning vertrocken zijnde, zond ik den Capitain der maleijers na marampesse, bij weld door de volkeren van den koning van bonij, om zijn Hoogheijd, Conform het mij deesen morgen Data. gedaan verhaal, door den Licentmeester voll, ter kennisse te brengen hoe zijn huijsvrouw met een doop beind bij haar gisteren avond van hier de rivier willende uijtveeren met een schep praauw, niet alleen door volk van de drie Negorijen Data, op een geweldadige wijse teegen gehouden, maar er selfs tot twee maalen met Donder busschen op het vaartuijg geschooten was, waar in ook twee kogels, die ik den vorst teffens liet presenteeren, gevonden waaren, zo dat zij had„ „de moeten te rug keeren. —. Dat ik niet nalaeten konde, over een zo ongehoord als brutaale bestaan mijn uijtterste indignatie te betoonen en dierhalven op het ernstige deed versoeken om een eclatante satisfacatie, onder bij voeging dat schoon de daaders desbe„ en versoek om satisfactie „kend zijnde, soude voorwenden in beweeging te zijn gebragt; door het steelen van een inwoonder van een dier Negorijen, zulx niet gelden konde, vermits denselven door zijn eijgen buuren of inwoonders opgeligt en ter verkoop aan de onse gebragt, dog opstonds weeder aan Gebooden was, zo als den tolk van bonij getuijgen konde, die den gemelden gestoolene ook reets ontfangen hadde en thans met den zelven neevens den Capitain overging. de Capitain te rug komende, bragt tot antwoord dat den vorst na gedaane die beloofd word. naauwkeurige informatie nootens de gestolene onderdaan g'avoueerd hebben„ „de, dat dit de oorsaak van het gepleegde geweld van het volk van Data niet konde zijn, wel toegezegt hadde, ondersoek daar na te zullen doen en Sa„ tisfactie te geeven, dog dat hij er teffens bij gevoegd hadde mij te kerinneeren onderzeekere remar„ dat hem selfs in voorige tijden een diergelijk geval door d' onsen was bejegend die op een vaartuijg, waar in zig Datoe Baringang, doenmaals nog zeer jong zijnde bevond, geschooten hadden, zonder dat 'er eenige satisfactie, voor zo verre hem voorstond overgegeeven was, dog op welk zeggen den „der Capitain. uijtgesteld. „dhaer. .

NL-HaNA_1.04.02_3418_0560 view scan ↗

English

From Makassar, the 22nd of October Anno 1724. From Makassar, the 22nd of October Anno 1724. interrogated Malay. The Captain of the Malays testified that he still remembered the cited incident very well, but that the matter was of an entirely different nature, such that the Company's people were completely innocent of any wrongdoing, because it had occurred at a time when the rivers were, as usual, closed, and those sailing upriver had given no answer when hailed, but had instead tried to row past the guards, who in such circumstances were even obliged to use force. As soon as I had received this answer, His Highness sent an emissary to request that he might speak with the under-interpreter Blij, who was sent thither, and upon his return reported to me that His Highness had asked him about all the circumstances of what had occurred, but he had answered that he was as ignorant of the one as of the other, having only yesterday accompanied me in performing the collection of tithes. As a result of this, the prince had instructed him to ask me to send the Captain of the Malays back to him this afternoon. I immediately gave orders to the Captain of the Malays to present himself to His Highness at the appointed time, instructing him at the same time on what he should take into account regarding whatever the prince might ask him. He accordingly went thither, and after having stayed with His Highness for a considerable time, he reported to me toward seven o'clock how His Highness had asked him how I was conducting myself regarding the questionable incident, namely whether I was also very offended by it and would insist on a serious satisfaction, and that he, the Captain, had replied thereto that since it was fully evident that the incident regarding the stolen subjects of Datu could not be held as the cause of the violence committed, His Highness could well understand that I must be exasperated by it in the extreme, as was indeed the case, and that I, taking this matter very seriously, would expect a resounding satisfaction, since it went too far that a defenseless wife of one of the first members of the Council, who had come hither in the service of the Company to assist me with the tithes, had been attacked in so violent a manner and placed in danger of being deprived of her life, besides the fact that it was an utter miracle that none of the people on the vessel had lost their lives in it. That he even had to put to His Highness's consideration how his own mind would feel if such a thing had happened to one of his grandees or their wives or children, but that he could at the same time assure him that, since I intended nothing other than to preserve and increasingly foster unity and good harmony between the subjects of both sides, I therefore had no doubt that His Highness would, as far as was feasible, seek to prevent in the future such hostile actions as his people had displayed in this matter. To all of which His Highness replied again that he had already conducted an investigation into the matter, but all the people of Datu had pretended ignorance of what had occurred, except that they had heard that a single shot had been fired; that he would nevertheless investigate further into it and impose a heavy fine upon the settlements in order to discover the perpetrator or perpetrators, so that they might be handed over to me in order to be punished according to their merits, or otherwise to discipline the inhabitants in such a way that they would have no further desire in the future to commit similar outrages, of which he had instructed the Captain to give me notice. In the afternoon, I paid a visit to the King of Bone at Madam Pesoe, during which nothing of business was treated, other than that I gave him notice of my intention to depart for Siang next Saturday, wishing him a good stay and much pleasure with the deer hunt, for which he had requested my permission during his visit on the 21st of this month, which I could not refuse him. Having arrived home in the evening, I received report from a confidant that the dispute between the Bonians and the Wajoese was caused by the former's own doing, because the latter had been notified by an emissary of the realm that they, concerning the Bonians in certain seven settlements, violent.

Dutch transcription

van Maccasser den 22:' October A:o 1724. — Van Maccasser den 22:' October A:o 1724. ondervraagd maleijer. Capitain der Maleijers betuijgde gediend te hebben, dat hem het aange„ „haalde geval nog zeer wel geheugde, maar die zaak van een geheel andere natuur was, zo dat 's Comp:s volkeren geheel aan misdrijf onschuldig waaren, wijl het gebeurde was in een tijd dat de rivieren na Gewoonte gesloo„ „ten waeren, en de opvaarende, op het aanroepen, geen antwoord gegeeven, maar de wagthouders hadden willen voor bij scheppen die in zulken geleegentheijd zelfs verpligt waaren, geweld te gebruijken. zo als ik dit antwoord ontfangen hadde, liet zijn Hoogheijd mij door een sendeling versoeken om den ondertolk Blij, eens te moogen spreeken dewelke het door deva dng na derwaards gezonden, mij bij te rug komst bericht bragt, dat zijn Hoogheijd hem na alle d' omstandigheeden van het voorgevallen gevraagd, dog hij er opgediend hadde, van het een so weel als van het ander onkundig te weesen, als Giste„ „ren met mij de vertiening gedaan hebbende, met dit gevolg, dat den vorst hem hadde gelast mij te versoeken, om den Capitain maleijers deesen namiddag wee„ der bij hem te zenden, die ik aanstonds selfs bevel gaf, zig ter bestem der tijd bij zijn hoogheijd te laaten vinden, hem te gelijk instrueerende wat hij zoude en ook den Capitain de dienen inagt te neemen, om het geene den vorst hem vragen mogte densel„ „ven dien volgende derwaards gegaan en bij zijn hoogheijd een gerrijmen tijd vertoefd hebbende, beagt hij mij teegen zeeven uuren bericht, hoe zijn Hoog„ „heijd hem gevraagd hadde, hoe ik mij over het questieuse geval betoonde namentlijk of ik er ook zeer gevoelig over was, en op een ernstige satis„ des laatst gem antwoordg ctie staen zoude en dat hij Capitain daar op gediend hebbende dat vermits het ten vollen bleek, dat het geval weegens de gestolen onderdanen van Data, voor de oorsaak niet konde worden Gehouden, van het gepleegde geweld, zijn hoogheijd wel den keen honde, dat ik daar over ten uijtkasten moeste weesen g'ergerd, gelijk het ook in der daad was, en ik mij dier halven daar daar Grootelijks loetende geleegen leggen, eene eclatante satisfac„ „tie zoude verwagten, alsoo het te verre ging dat een weerloose vrouw van een der eerte leeden, van den Raad, die ter mijner hulpe in de vertieningen dus in den diens=t van de Compagnie herwaards was Gekomen, op een zo ge„ „weldadige wijze g'attacqueerd, als in gevaar was Gebragt, om van 't leeven beroofd te worden, behalven dat het ten uijtterste wonder was, dat geen van het volk op het vaartuijg, het hunne daar bij ingeschooten hadde, Dat hij zijn Hoogheijds zelfs in Consideratie moeste geeven hoedanig hij gemoed zoude zijn wanneer een zijner Grooten of haare vrouwen of kin„ „deren zulks was overgekoomen, dog dat hij hem te gelijk verseekeren konde dat ik niet anders betragtende dan om d'eenigheijd en Goede harmonie tusschen weederzijds onderdaanen te conserveeren en meer en meer aan te teweeken, ik over sulks niet twijffelde of zijn Hboogheijd zoude zoo veel im„ „mer doenlijk zodanige vijandelijke actien als de zijnen in deesen betoond hadden, voor het vervolg tragten te verhoeden. Op alle het welke door zijn hoogheijd weeder was gerepliceerd, dat hij nade zaak bereeds ondersoek gedaan dog al het volk van Data, van het gepasseerdeig„ den vorst zegt nader „norantie gepretendeerd hadden, behalven dat ze gehoord hadden dater een En, ondersoeke te zullen doen. „keelde reijse geschooten was, dat hij egter nog maals recherge daar na doen ende Negorijen een swaare boete opleggen zoude, ten eijnde de dader of daders uijt te vinden, om aan mij overgeeven te worden, ten eijnde dezelve na verdienste; ende daders te straffen. te straffen of andersints d' inwoonders zoodanig te borrigeeren dat z' voor het vervolg geen bust meer zouden hebben diergelijke feijtelijkheeden te bedrijven, van het welk hij den Capitain hadde Gelast mij kennisse te geeven. ss nademiddags hebbe ik een visite afgelegt bij den koning van bong op ma, woensdag den 24:' „dam pesoe, waar in niets zaekelijks verhandeld is, dan dat ik den zelve kennisse een visite afgelegd bij gaef van mijn voorneemen om aanstaan de zatuurdag nasiang te vertrecken zijn hoogheijd. hem een Goed verblijf en veel vermaak met de harte Jagt toe wenschande, waar toe hij bij zijne visite op den 21. bujus mijne permissie hoeft versogt, die ik hem niet hebbe moogen weijgeren. Des avonds thuijs gekoomen zijnde, ontfing ik door een vertrouwde berigt ontfangen weegens, bericht, dat de questi tusschen de boniers en de wandjoreesen ontstaan door den tusschen borij en wadjo. eerstgemelde eijgen toe doen, veroorsaakt was, vermits de laatstgemelde door een sendeling van het rijk was aangezegt, dat z' over de boniers op zeekere seeven weldadige. Negorijen

NL-HaNA_1.04.02_3418_0561 view scan ↗

English

from Maccasser the 22nd October A:o 1724. — from Maccasser the 22nd October 1724. —. living in negorijen, known under the name of Pitoe Panoa, had nothing to say nor court services to demand of the same, notwithstanding the Wadjoreesen were entitled thereto, as being their own lands, and that they had therefore spoken with one another to make war upon Tjinrana and Tiemoerong. Furthermore, I was informed by letter from the Honorable Senior Merchant and Secunde that the Mandharese vessel which had broken its mooring at Capiria had escaped. Thursday the 25th. With the returned emissary I received a letter from the Penlipoe E: of Soping, who conveyed a verbal request to me to be allowed to speak with the Captain of the Malays, to which end he also made known that he had arrived at Lampoko, a negorij situated by the sea, as he had something of importance to report to him that he dared not entrust to the pen. Furthermore, by a letter to the Honorable Senior Merchant and Secunde, I gave authorization, in conformity with the request made to that end, to grant the King of Goa a pass for a small prahu to Biema. Friday the 26th. I received a visit from the Macassar Princes residing at the Bone court, Arou Mampoe, former King of Goe, and Craleng Sapanaang, who had been ordered by the King of Bone to come and wait upon me, and who, after partaking of some native refreshments, took their leave amid casual conversation and departed with the intention to return to Maccasser. Furthermore, I sent the Malay Captain to the aforementioned King of Bone at Marempesoe to notify His Highness that I, now being on the point of departing for Siang, was very anxious for the promised satisfaction regarding the known violence committed by the people of Data, and did not wish to hope that His Highness would make no work of it, as the matter was of too much weight to be treated with indifference. The Captain, returning, reported to me that the Prince, having excused himself for not yet being able to get at the real truth, assured me that he would give satisfaction, but at the same time requested that I send the chief interpreter to him this afternoon to interrogate the collective chiefs of Data. He having then been sent to the Prince in the afternoon, brought me report that the chiefs who had been there, being questioned in his presence, had feigned ignorance of what had occurred, and at the same time had alleged that Matua Data, on the very night that the incident had happened, was not in his negorij but elsewhere; and that the Prince had subsequently requested that the subjects of the Honorable Company residing at Lata might be ordered to come to him tomorrow before noon so as to hear them as well. To which end I therefore made the necessary arrangements, at the same time ordering the interpreter Carre Marring to accompany them, and to recommend caution so that, in case the perpetrators might be known to them, the contrary of which they had already testified to me, they would not place themselves in danger, by giving testimony against the Boniers, of being murderously killed or otherwise mistreated at some other time, and thus to disclose nothing before the Prince might earnestly insist upon knowing the truth. In the afternoon I sent the emissary Soeroe Baroe to the Queen of Tanette to greet Her Highness and to wish her a pleasant stay, which she reciprocated upon his return through one of hers. Saturday the 27th. Having departed for Siang in the early morning, I arrived there in the evening at 7 o'clock, and immediately dispatched the Malay Captain to Lampoko, under a complimentary greeting on my behalf, to confer with the Poenliepoe E: of Soping, and at the same time to thank him for what had been communicated in his letter, and to say that I would deal with its contents as soon as possible, as there was presently neither time nor opportunity for it.

Dutch transcription

73 van Maccasser den 22:' October A:o 1724. — van Maccasser den 22:' October 1724. —. „pen mandharees vaar„ „thuijg ontsnapet. „delinge boodschap. „leenen van een pas na vrijdag Den 26. ' princen. naderlaeten versoeken onsatisfactie overhet volk van data. Negorijen woonende, bekend onder de naam van Pitoe Panoa E: niets te zeggen nog hof diensten van deselven 't eijsschen hadde, niet Jeegens taande de wadjoreesen daar toe geregtigt waaren, als hun eijgen landen zijnde, en dat zij dierhalven met elkander gesprooken hadden, om Tjinrana en Fie„ „moerong te b'oorlogen. het op Capiria ingeteen voorts wierd mij bij brieve van den E: opperkoopman en secunde bedeeld, dat het mandharees vaartuijg 't welk op Capiria zijn bading gebrooke„ hadde, ontsnapt was, Donderdag den 25:' Ontfing ik met de geretourneerde sendeling een brief van den Penli„ Een brief uijt soping, poe.- E: van spping den welken mij mondeling liet versoeken om met den ontfangen met een mon„ Capitain der maleijers eens te moogen spreeken, ten welken eijnde, hij teffens liet weeten op Lampoko, een negorij aan zee geleegen, gekoomen te zijn, als hem iets van belang te berichten hebbende, dat hij aan de penne niet derfde vertrouwen. Qualificatie tot het ver, voorts gaf ik bij een brief aan den E: opperkoopman en secunde qualifica„ bima aan Goas vorst„ tie om Conform het daar toe gedaane versoek aan den koning van Goaseen pas voor een kleene praauw na biema te verleenen. Ontfing ik een visite van de maccassaarse dog aan het bonijs hoff visite van twee Golse verblijf houdende Princen Arou Mampoe geweesen koning van Goe en Craleng Sapanaang, die door den koning van bonij waaren Gelast mij te koomen overwagten, en dewelke na het nuttigen van een Inlands regaaltjes Onder een onverschillig discours afscheijd naamen en vertrocken met in„ „tentie om na Maccasser te rug te keeren. de koning van bonij voorts zond ik den Capitain maleijer na den voormelden koning van bonij op marempesoe, om zijn hoogheijd aan te zeggen dat ik thans op mijn vertrek staande nasiang zeer verlangende was, na de toegezeegde satisfactie over de bewuste geweldpleeging van de volkeeren van Data en niet hoopen wilde, dat zijn hoogheijd daar van geen werk zoude maa„ „sien wijl de zaak van te veel gewigt was, om on verschillig behandeld te worden de Capitain te rug koomende rapporteerde mij dat den vorst zig verschoond hebbende, voor als nog niet agter de regte waarheijd te kun„ „nen koomen, mij liet verseekeren satisfactie te zullen geeven, dog tefens word nogmaals toege„ versogt dat ik den oppertolk deesen middag bij hem wilde zenden om de Ge„ „zamentlijke hoofden van Data te ondervraegen. Den welken dan des namiddags na den vorst gesonden zijnde, mij bericht het volk tragt dig te „bragt dat de daar geweest zijnde hoofden, in zijn teegenwoordigheijd onder„ „vraagd zig van het gepasseerde ignorant gehouden en teffens voorgegeeven hadden, dat matua Data dien zelven nagt Dat het voorval was Geschied zig niet op zijn Negorij maavelders hadde bevonden: en dat den vorst ver„ „volgens versogt hadde, dat d' onderdaanen van dE: Comp:e op Lata woon„ agtig mogte weerdar gelast morgen voor de middag bij hem te koomen om die almeede te hooren. waar toe ik dierhalven de noodige ordere stelde den tolk Carre mar„ nader te doen ondersoek. „ring teffens gelastende, om haar te begeleijden, ende voorsigtigheijd te re„ Commandeeren, om ingevalle hun de daders mogte bekend weesen, welkers teegendeel zij mij reets hadde doen betuijgen, zig zelve niet in gevaar te stellen van door het geeven van getuijgenisse teegen de boniers, d' eer offan„ „dere tijd, moordadig om het leeven Gebragt, of andersints mishandeld te worden, en dus niets vroeger te ontdekken, dan na dat 'er den vorst met ernst mogte op aanraedingen, om de waarheijd te weeten. des namiddags zond ik den sendeling soeroe Baroe naar de koninginne Compliment aan Tanets van Tamette om haar hoogheijd te begroeten en aen goed verblijf te owenschere, koningsien. Gelijk zij wij reciproque met desselfs te rug komst door eender haaren b'antwoord. Jn den vroegen morgen nasiang vertrocken arriveerde ik aldaar zatuurdag den 27:' „des avonds ten 7. uuren en depecheerde opstond den Capitain Maleijer arriveerde ik op siang. na Lampoko, om onder een Compliment van begroeting mijnent weegen, den Capitain maleijer met den Poenliepoe E: van Soping t' aboucheeren en denzelven teffens te be„ aan den sopings poen„ hipoe E: afgesonden. danken voor het meede gedeelde bij zijnen brief, mitsgaders te zeggen dat ik dies inhoud zo spoedig immers doenlijk, als daartoe thans geen tijd; nog liet doen. zegt. —. verschomnen. 2ig. geleegendheijd

NL-HaNA_1.04.02_3418_0562 view scan ↗

English

From Maccasser, 22 October 1724. From Maccasser, 22 October A:o 1774. Between Bonij and Wadjo. The King's children no less. Give notice. Lipoe of Soping and the Captain Moor, Pantjana against the Company. Monday the 29th. Receiving reports, he would reply when opportunity allowed. Sunday the 28th. The former Bonij Pongauwa Lacasie had requested an audience with me, which was granted, and he subsequently appeared. He declared that he had come expressly to welcome me, for which I thanked him. Conference with the former Bonij Pongauwa. I asked whether he knew any news, and entering into a conversation, he related to me: Cause of the dispute. That the son of Aroe Boetting Poela, one of the Wadjorese principal kings, was severely mistreating the Bonij residents in the Wadjorese villages of Pito Panoea etc., committing all kinds of extortions. For this reason, the ruler of the realm, Maaka Dantana, had sent an envoy there to order the Wadjorese to leave those people in peace, which those of Wadjo had taken very ill. That, on the other hand, the King's children at Tjinrana, Bonij, harassed the Wadjorese no less. Aroe Palingarang, instead of a proper toll, had extorted, or rather robbed, from the people of two liplippen two hundred rijksdaalders in specie, after he had first asked the nakhodas for a loan of money, but they had declared they were not provided with it. Moreover, they also inflicted all kinds of nuisance upon the Bonij residents, because of which a large part, and in particular practically all the inhabitants of three villages, had fled from there to Wadjo, where they were admitted, although the Wadjorese, in contrast, had driven away many other Bonij residents. And none of them dared inform the Prince thereof. Having told him on this matter that the Tomilalang, together with Datoe Beengeraden, were on the point of departing for the interior, and what I had instructed the first-named regarding the King's children, he said that all of this was very well, but that he was certain that the Tomilalang would follow my order just as little as anyone at the Bonij court dared to speak to his father, the King, about the evil conduct of his children. Serious bad consequences to be feared. And that if these were not recalled from the interior, he feared bad consequences, although he could not believe it would come to the ultimate extremity as long as His Highness remained alive. But should he come to die, everything would turn upside down, because the confusion on all sides was already so great that he could see no way through to reconcile matters again. To which I replied again that I wished to hope for the best in all things, and that he should inform me of any reports he might receive. He promised this, and furthermore that he would be at my service in everything I desired. He promises me further reports. I gave him to understand that his loyalty shown thus far would be held in grateful remembrance by the Company, and I therefore would not doubt that he would persevere therein and adapt to the times in his present situation. He assured me of this, saying he would show himself a slave of the Company, aiming for nothing more than to respond to its favors. Nothing unusual occurred. Tuesday the 30th. This morning the Captain of the Malays returned from Lampocho, where he had held a conversation with the Poenliepoe of Soping, reporting to me. Conversation between Poenliepoe of Soping and the Captain Malay. How the Poenliepoe had requested him to come to him, in order to make it known to me that Aroe Pantjana intended, as far as it concerned him and his people, forcefully to prevent the impending tithing of the paddy crop on Segerie. Evil intention of Aroe Pantjana against the Company. That he had therefore ordered the Tanetterese to arm themselves and to depart with him to Segerie for that purpose. However, some had addressed themselves to him, the Poenliepoe, to bring this to his knowledge and to ask how they ought to behave. He had advised them to obey Aroe Pantjana and to follow him, but when it came down to it and he should demand that they attack the Company's forces, to refuse absolutely at that moment and take to flight. The Poenliepoe offers his help against this. That he, the Poenliepoe, upon this report, had come to Lampocho in order to await the outcome thereof, in case it might perhaps be necessary to assist our people, to which he had declared to be completely ready should this be requested of him by me. His disputes with Datoe Sedeenring. Furthermore, he had also related how, on account of some mutual disputes with the Adatouang of Sedeenring, he had agreed to settle the matters, but from [illegible].

Dutch transcription

van Maccasser Den 22: October 1724. —. van Maccasser den 22:' october A:o 1774. — tusschen bonij en wadjo. 's konings kinderen niet minder. kennisse Geeven. „lipoe E: van Soping en den Capitain maleijer pantjana teegen de Comp:e Maandag den 29:' rigten krijgende z' te geleegendheijd hebbende zoude beantwoorden. Liet de geweesen Bonijs Pongauwa Lacasie belet bij mij vraegen 't welk Zondag den 28:' g'accordeerd en den selven vervolgens verscheenen weesende betuijgde hij ex„ presselijk gekomen te zijn, om mij te verwelle komen, waarvoor ik hem be„ conferentie met den dankt hebbende, vroeg ik of hij niet iets nieuws wiste en daar door op een gew: bonijs Pongauwe, praatjen geraakt zijnde verhaalde hij mij Dat de zoon van Aroe Boetting Poela, een van de wadjoreese hoofdkoo„ Oorsaak van de twist ningen, op de wadjoreese negorijen Pito Panoea E: de aldaar woonende bo„ „niers zegr mishandelde en allerheij extorsien pleegde en dat de rijkes bestier„ „der /maaka dantana:/ dierhalven een sendeling derwaards Gesonden hadde om de wadjoreesen aan te zeggen die menschen ongemoeijt te laeten 't welk die van wadjo zeer euvel hadden opgenomen Dat daar en teegen 's konings kinderen op Tjinrana, bonij de wadjo„ „leesen niet minder vexeerden als hebbende Aroe Palingarang het volk van twee liplippen insteede van een behoorlijke tol Twee honderd eijkes daalders sp:s afgeperst of liever de zelve geroofd, na dat hij van de annachodas a voorens geld ter leer gevraagd dog deese betuijgd hadden daar van niet te voorsien weesende dat zij daar en booven de boniers meede allerleij over last aan deeden, waar vexeerden de bonijers door een groot gedeelte en insonderheijd genoegsham alle d' Inwoonders van drie Negorijen van daar de vlugt na wadjo genoomen hadden, die aldaar g'admit„ „teert waaren, schoon de wadjoreesen, daar en teegen veele andere boniers hadden verjaagd. en niemand der fde. Ibem hier op gezegt hebbende, dat den Touijlang neevens datoe Beenge„ den vorst daar van raden binnen landen stonden te vertrecken, en wat ik den eerst gemelde ten opzigte van 's konings beinderen aanbevoolen hadde, zijd hij, dat zulx alles zeer wel was, dog dat hij zig verseekerd hield, dat den Tomilalang mijn bevel zo min zoude na koomen als 'er een eenige aan het bonijs hoff schooijer suaade gevol, was die zijn vader, den koning, over de quade gedoentens zijner kinderen „gen uijt te dugten zijn derfde onderhouden, en dat zo deese niet uijt de binnen landen wierden op ont„ „boden hij voor quaede gevolgen vreesde, schoon hij niet gelooven konde, dat het tot het uijtterste koomen zoude, zoo lange zijn hoogheijd in leeven blijff maar dat die komende te sterven alles 't onderste booven zoude raaken, wijl de verwaaring aan alle kanten reets zoo groot was, dat hij 'er geen door sigt in vinden konde, om de zaaken weeder te verboenen. waar op ik weeder dien de, dat ik van alles het beste hoopen wilde, en dat hij rij van de berichten die hij krijgen mogte, zoude informeeren 't welk hij beloofde hebbende, en daar en booven dat hij mij in alles wat ik begeerde, ten dienste zoude staan; gaef ik hem te kennen: dat zijne tot hier toe betoonde trouwe, voor de Compagnie in erkentenisse gehouden zoude worden, en ik hij beloofd mij nader be„ dierhalven niet twiffelen wilde, of hij zoude daar bij volharden, en zig in zijn bedeelen. presentie toestand, na den tijd schikken 't geen hij mij verseekerde seggende, zig een slaaff van de Compagnie te toonen, die niets meerder betragt, dan haar goedheeden te b'antwoorden. —. viel niets zonderling voor Heeden morgen reverteerde den Capitain der maleijers van Lampocho al„ Dinsdag den 30: waar hij met den Poenliepos: van Soping een Gesprek gehouden heeft mij berichtende. Hboe den EoenliepoeE: hem hadde doen versoeken bij zig te koomen, ten eijnde Gesprek tusschen boen„ verij te doen, weeten dat Aroe Pantjana voorneemens was, de op handen zijnde vertiening, van het padij gewasch, op sagerie, in zoo verre hem en de zijne be„boos voorneemen van arve„ „troffeijtelijk dte beletten. Dat hij dier halven de Tanettereesen gelast hadde, zig te wappenen en ten dien eijnde, met hem na Segerie te vertrecken, dog dat sommige zig bij hem poen„ „liepob: hadden g'addresseerd, om hem zulks ter kennisse te brengen en te vraa„ „gen hoedanig zij zig zauren te gedraegen hebben, mitsgaders dat hij haar geraeden hadde Aroe Pantjana te gehoorsaemen en hem te volgen dog dat wanneer het 'er op aan koomen en hij haar vergen wilde 's Comp:s volke„ „ren t'attacqueeren zulks als dan volstrekt te weijgeren en op vlugt te slaan. Dat hij Penliepo E: op dit bericht op Lamposeo gekoomen was, ten den poenlicoos. bied zijn eijnde den uijtslag daar van afte wagten, of het somtijds nodig mogte weesen hulpe daar teegen aan d'onzen bij te springen, waar toe hij hadde verklaard, sulks van mij bageerd wordende volkoomen bereijd te weesen. voorts hadde hij meede verhaald hoe hij weegens eenige onderlinge verschillen met den sijn Geschillen met datoe Adatouang van sedeenring, over een gekoomen was, om de zaaken sedeenring. maar. van. /

NL-HaNA_1.04.02_3418_0563 view scan ↗

English

From Maccasser the 22nd of October 1774. From Maccasser the 22nd of October 1774. and whether he would assist the same against the Boniers, also complains about Arou Pantjana. Sagerij wounded. to depart for Samposio. yet thanked him for the offer of advice. to have an investigation conducted by dignitaries from both sides, but that the latter, instead of keeping his promise, had not only let everything run as it was, but that his subjects continually came to disturb those of Arou Mario belonging under Soping, inflicting many extortions upon them, robbing the inhabitants as well as their belongings, so that he, Poenlipoe E., however, did not wish to take revenge for it, as all of Mario would then be lost; but that he nevertheless requested of me to know what he should do to prevent this. And also what he ought to do if he should be requested to wage war against Datou Sedeenring, to which the King of Boni had already sent several princes thither multiple times, although he would not acknowledge it, but pretended to be ignorant of it. Furthermore, he had complained about various atrocities committed by Aarou Pantjana against the Sopingese, both in general and against some of his emissaries who had been to Tanette in particular, having abducted a good hundred souls and plundered many, concerning which he requested to be maintained by us in order to recover what had been stolen. Two watch-keepers on Sagerij. Toward noon, two of the four soldiers standing watch on Sagerij arrived here, both wounded, yet one so slightly that, while delivering a letter from Sergeant Ranisch stationed there, he related to me: How yesterday, while he and his aforementioned comrade were standing guard on a vessel manned by 5 subjects, having brought alongside a liplip with paddy which was suspected of being smuggled, the three natives aboard showed themselves compliant to be inspected, claiming that they were men of Arou Pao Pao, and that upon demand they also immediately surrendered their assegais, but instead of likewise handing over their sidearms, they immediately stepped over onto the vessel and, shouting amok, drew them and leaped upon them; which caused the five natives, instead of helping them, immediately to take flight by jumping overboard, which both of them, being no match and already wounded, also had to do, leaving behind two muskets and a cutlass, which the murderers subsequently took with them. I immediately sent for the Captain of the Malays and ordered him to give notice at once of that fatal incident in a short letter to the Queen of Tanette, and in my name to demand satisfactory redress, with the surrender of the murderers, of whom one is very well known, named La Sarassa, who constantly stays with Arou Pao Pao. In the afternoon, offering a small gift, I sent a message to inquire about the well-being of the former Pongauwa Lacasie and his wife, for which he sent me his thanks. Arrival of a Mandharese dignitary. Furthermore, I received report that several Mandharese vessels to the number of about twenty, having on board some of the princes or their realm's dignitaries, had arrived at the island of Balang to direct their course to Maccasser. Nothing noteworthy occurred. Wednesday the 31st. Thursday the 1st of September: The former Pongauwa having requested of me to be allowed to speak with the Captain of the Malays, to which I gave leave, the latter brought me the following report: Laccassie granted permission for his wife. That Lacasie requested of me to know whether I would have any objection to his wife paying a visit to her brother, the Poenliepoe E. of Soping, who was presently at Lampoko, for which he had already sent requests three times, and that this could now happen without attracting attention, provided that he would then escort her part of the way under the pretense of going out fishing. That in addition, being informed from other quarters that Aroe Pantjana and Aroe Pao Pao were harboring evil intentions regarding the tithing to be conducted by me on Sagerij, he offered me all possible assistance, even in person, and to that end to hold himself ready with a sufficient armed force on vessels along the coast. Offer of help against Aroe Pantjana. I immediately sent the Captain back to tell him that I gladly consented to the departure of his wife, the more so as I saw no difficulty in it given her brother's presence at Lampoko, with the request, however, that she would not linger with him too long; but I had him thanked for his offered assistance, conveying to him that I felt assured of his loyalty, but was as little afraid of Aroe Pantjana and his followers as I was.

Dutch transcription

van Maccasser den 22:' October 1774. van Maccasser den 22:' October 1774. — en of hij de boniers teegen klaagd ook over aroe Pantjana. sagerij Gequest. na Samposio te vertrecken. dog hem bedankt voor de Aan„ van weeder zijden door rijksgrooten te doen ondersoeken, dog dat deesen, in steede van zijn belofte na te koomen, alles zoodanig niet alleen hadde laeten loopen zoo als het was, maar dat zijne onderdaanen telkens die van Arou Mario, onder Soping Gehoorende kwamen t' ontrusten haar veelex tor„ sien aan doende met d' Jnwoonders, zoo wel als het geen haar toebehoorende t' ontrooven, dat hij Poenlipoe E: egter daar over Geen wrraeke neemen voisdek om den raad. wilde, alzou de geheel Mario verlooren Gaan; dog dat hij mij egter liet ver„ „soeken, te weeten wat hij doen zoude om zulx te prevenieeren. En zoo meede wat hem te doen stond, wanneer hij mogte worden aan„ denselven assisteeren zad, gezogt om teegen Datou sedeenring t'oorlogen, waar toe Bonijs vorst verscheijde princen reets meermalen derwaards gesonden hadde, schoon den„ zelven zulks niet weeten wilde, maar sig gelet daar van onkundig te zijn wijders hadde hij geklaagd over diverse geweldenarijen door Aarou Pantjana teegen de Copingbes, zo wel in 't gemeen als eenige van zijne sende„ „lingen die op Ianette waaren geweest, in 't bijsonder gepleegd, als hebben de welhonderd koppen geroofd en veele geplunderd: waar omtrend hij versogt Om daar wij gemaintineerd te worden, ten Eijnde het Geroofde weeder te twee wagthouders op Teegen de middag kwamen twee van de vier wagthoudende soldaaten op sagerij hier aan, beijde dog den eenen mogthans zo weijnig Gequest dat hij mij onder overgave van een brief van den aldaar leggende zergeant Ranisch, verhaalde Hoe hij op gisteren neevens Gemelde zijnen macker de wagt houdende op een vaartuijg bemand met 5. onderdaanen een liplip met padij, die men meende te sluijken, bij haar aanboord hebbende doen keoomen, de daar op zijnde drie Inlanders zig gelaeten getoond hadden, zig gewillig te doen visiteeren, voorgeevende dat zij volk waaren van Arou Pao Pao, en dat zij ook aanstonds op de gedaene afvordering hunne assagaijen overgeeven, dog insteede van hun heup geweeren insgelijks te overhandigen ten eersten op het vaartuijg overgestapt en deselve onder het roepen van amook uijtgehaald en haar besprongen hadden 't geen de vijf inlanders, insteede van hun te helpen aanstonds de vlugt hadde, doen neemen door overboord te springen, dat zij beijde als niet bestand, en reets ge„ quetst zijnde, meede hadden moeten doen, met agter lating van twee snapha„ „nen en een houwer die de moordenaars vervolgens meede genoomen hadde. — krijgen Ik deed opstonds den Capitain Maleijer bij mij komen en gelaste hem ten eersten bij een briefje aan de koninginne van Tanette, van dat fataal geval, kennisse geeven en uijt mijn naam eene voldoende satisfactie 't eijsschen, met overgave van de mmoordenaars, waar van den een en seer wel bekend is met name La sarassa die zig steeds bij Arou Pao pao onthoud. des nademiddags liet ik onder aanbieding van een geschenkje maar de welstand boodschap aan Sacassie verneemen van den Geweesen Pongauwa Lacasie en zijn vrouw waar voor hij mij deed bedanken, wijders ontfing ik bericht, dat verscheijde mandhareese vaartuijgen ten getalle koms=t van eene man„ van bmtrand twintig stuks, op hebbende eenige van de vorsten of hunne Rijksgroo„d hareese Groten. „ten aan het Eijland Balang waaren geariveerd om den steven na maccasser te ver„ viel niets noteerens waardig voor - - - - - - - - - - - - - - - - - woensdag den 31:' 1: September:/ De Geweesene Pongauwa mij hebbende laaten versoeken om Donderdag „ 1:' eens te moogen spreeken met den Capitain der maleijers die ik daar toe laat Gaf, Laccassie g'acordeerd zijn vrouw zo bragt deese mij voor rapport. Dat Lacasie mij liet versoeken om te mogen weeten of ik 'er ook iets tegen zoude hebben dat zijn vrouw, ter geleegentheijd dat haar Broeder den Poenliepoe E. van Coping zig thans op Lampoko bevond, hem een visite ging geeven, waarom den zelven nu al drie reijsen aanzoek hadde laeten doen, en zulks nu geschieden konde zonder dat het in het oog liep, mitsgaders dat hij haar dan een stuks weegs zoude geleijden, oude naam van uijt visschen te gaan. dat hij daar en booven van ter zijden geinformeerd zijnde dat aroe Pantjana en Aroe Pao pao met kwaede voorneemens swanger gingen, omtrend de door mij te doene vertiening op sagerie, hij mij hiet aanbieden alle mogelijke assistentie, al was het ook in persoon en om zig ten dien eijnde met een genoegsaam Gewapende magt op vaartuijgen aan de zeekant gereed te houden. Ik zond aanstonds den Capitain weeder derwaards om hem te zeggen dat ik in het vertrek van zijn vrouw Gaarne wilde consenteeren, te meer ik daar inne, mitshaar broeders aan weesen te Lampoko, geen swarigheijd zag, met versoek nogthans dat zij haar bij denselven niet te lang wilde ophouden, dog voor zijn aan „ bieding van hulpe teegen aroe geboodene assistentie liet ik hem bedanken, onder te kennen Gave dat ik mij pantjana. van zijne trouwe verseekeerd hield, dog voor Aroe Pantjana end zijne zo min Ik. bevreest. — geg „den

← previousnext →