VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3418

Japan · 615 pages · 359 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3418_0097 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 5th of February 1774. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. Art. 4. That I likewise, for this very reason, shall not concern myself with trade carried on from outside into the country of Caliwoengo any further than the Company shall order and permit me; but that I, with all loyalty and attentiveness, shall watch, ward off, and oppose all smuggling and everything that might be put into operation to the detriment of the Company's trade or revenues here, whether it be opium, textiles, or other articles of commerce or trade, both from the opposite coast of Java, Bali, and the further islands situated to the east thereof, including Bawean or the island of Lubok, as well as from Borneo or anywhere else from which goods might come or to wherever they might go; and that I, on the contrary, shall maintain the harbor masteries belonging to the Company situated in the country of Caliwoengo according to the old customs, seek to improve them as much as is in my power, and also do and observe regarding them everything that shall be ordered and assigned to me on behalf of the Company. Art. 5. That I, in recognition of the great favor shown to me and as a token of my obligatory loyalty to the Company, shall not only yield annually at Mulud and satisfy at Samarang the amounts established of old for this district: 175 Spanish reals, or 218 rixdollars and 36 Holland stivers for cacah moneys, but also before the end of the month of October procure and deliver to the Company's warehouses: 16, say sixteen piculs of cotton yarn, as much as feasible of the finest sort, etc., alongside 440, say four hundred and forty pieces of beams at Caliwoengo against three hundred and fifty-five Holland rixdollars in buffalo moneys together, to which I solemnly bind myself hereby under forfeiture of the regency entrusted to me. Art. 6. That I, in order the better to fulfill this my promise, shall not only myself constantly urge my subordinates to the cultivation of the lands, and shall lease no negorijen or desas to Chinese or others without the special prior knowledge and permission of the Governor and Director over this Coast, but shall also as strictly as possible oppose and seek to prevent all clandestine purchasing of rice in the district placed under me, and likewise its export to places not under Java and especially to lands not subject to the Company; that I furthermore shall also procure and keep ready daily at Samarang: 27 batons, not counting their lurahs or chiefs, 4 prahu mayangs when ships are lying in cargo, aside from the vessels that are required for cruising against the pirates, alongside the necessary horses in my regency for the transport of letters and other services of the Company, all for nothing. Art. 7. That in case the Company should have rice or also other products of the land purchased in its regency of Caliwoengo at ordinary Company purchase prices or at market prices, I shall by no means oppose it, but on the contrary shall seek as much as possible to facilitate and promote that purchase on my part as permits and befits a faithful regent, binding myself hereto in such a solemn manner that, should I fail in this regard, I shall willingly submit myself to the penalties and punishments that shall be imposed upon me on behalf of the Company. Art. 8. Further, I promise, alongside the patihs and jaksas given to me by the Company, to undertake or do no matters of any importance concerning the subjects except with the communication and consent of the Governor and Director aforesaid; but that I shall henceforth and according to the order of the Company refer all delinquents and criminals to the Landraad at Samarang, and content myself solely with the settlement of small disputes of little importance. Art. 9. Further, I promise seriously that I shall continually endeavor to live in all peace and friendship with everyone, as well as cause my subordinates to maintain all peace and friendship among one another, and that I shall not meddle in the least with the government of the adjoining lands or assume any authority over such lands. Art. 10. Just as I also generally promise to treat the subjects of the Company's regency of Caliwoengo placed under my supervision, both high and low, in all justice and fairness, to impose no new burdens, to cast off, wrong, or change none of my mantris, much less jaksas or patihs; but that if any of them should conduct themselves disloyally or dishonorably toward me, or even much more so toward the Company, I shall first give notice thereof and implore assistance, even if necessary proceeding to a provisional arrest of their person and property, submitting the matter for the rest to the decision of the Governor and Director at Samarang.

Dutch transcription

83 Van Javas oost kust den 5. februarij 1774. van Iavas oostkust den 5. februarij 1774. Dat ik ook eeven daarom mij met negotie die van buiten in het land: Cali„ „woengo gedreeven word niet verder sal bemoeijen als de compagnie mij komt te ordonneeren en toelaten sal dog dat ik met alle trouwe en opsettend„ heijd sal waken weeren en tegen gaan alle sluikerijen en alles wat tot nadeel van sCompagnies negotie of inkomsten alhier mogte werden in het werk gesteld het sij i amfioen kleeden of andere articulen van handel of negotie soo van de overwal van Java balie ende verdere ei„ landen daar beoosten leggende ook de baviaan of het eiland lubock als van borner of elders van waaren waar na toe het soude mogen wesen en dat ik inteegendeel de sabandharijen aan de compagnie in het land van Caliuvengo leggende volgens de oude gebruiken sal manio„ tineeren soo veel in mijn vermogen is soeken te verbeteren en ook daar omtrent te doen en te observeeren alles wat mij s Compagnies wegen sal gelast en opgedragen worden. Dat ik in enkentenisse van de groote gunste mij bewesen en tot een blijk mijner schuldige aan de trouwe aan de compagnie jaarlijks met moeloet niet alleen sal opbrengen en te samarang voldoen de van ouds voor dit district bepaalde 175 realen spans oft rd„s 18: 36. /: segge tweehonderd agten rd„s en Dat ik om deese mijne gelofte te beter gestand te doen niet alleen mijne Art 7. Dat ik ingevalle de compagnie rijst of ook wel andere producten van het land in haar regentschap Calrivoengo tegen ordinaire Compagnies inkoops dan wel markits prijs liet inkopen mij geensints daar tegen aankiomten maar inteegendeel die op koop van mijn kant soo als een getrouw regent toestaat en betaamt soo veel mogelijk sal soeken te faliciteeren en bevorderlijk maken verbinde mij hier toe op een sodanig Solemneele wijse dat ik daar omtrent in gebreeken blij„ vende mij gewillig sal onderwerpen aan de peenaliteijten en straffen die mij van wegen de comp: sullen worden opgelegd Art: 6: sesendertig stuivers hollands voor tjatjas gelden maar ook voor het uitgaan van de maand october i s Compagnies pakhuisen besorgen en leveren. 16. zegge sestien picols cattoen garen soo veel doenelijk van de fijnste soort &:a A: nevens. 44. segge vierhonderd veertig pees balken te Caliwoengo tegen drie honderd vijf en vijftig rijksd„s hollands aan buffel gelden te samen waartoe ik mij bij desen onder verbeurte van het mij toevertrouwde regentschap solemneel verbinde ses onderhoorige Art: 4: F Art: 5. 35 Van Javasoostkust Den 5. febuarij 174. van Iavas oostkust den 5. februarij 1774. onderhoorige selfs steeds tot de bebouwing der landen aansetten en geene negorijen of dessas aan chineesen of andere buiten speciale voorkennisse en permissie van den heer gouverneur en directeur over dese cust ver„ huuren sal maar ook allen clandestienen op koop van rijst in het dis„ trict onder mij gesteld en soo ook dies uitvoer naar plaatsen niet onder Iava en wel insonderheijd naar landen niet onder de compagnie sor„ teerende soo veel mogelijk strengelijk sal tegen gaan en soekonteneeren dat ik voorts almeede dagelijks te samarang besorgen en gereed doen houden sal 27: battoons ongereekend derselver Loeras of hoofden 4. prauwmajangs als er schepen in lading leggen buiten de vaartui„ „gen die ter bekruissing tegen de seerovers worden gerequireerd nevens de benoodigde paarden op mijn regentschap tot transport van brieven en andere sCompagnies diensten alle voorniet. wijders beloove ik nevens de bepattijs en Jacas door de Compagnie mij ge„ geeven geene saken van eenige aangeleegentheid de onderdanen betrof„ sende ofe te doen dan met Communicatie en toestemming van den heer gouver„ neur en directeur voormeld maar dat ik alle delinquanten en misda„ wijders beloove ik serieusselijk dat ik met een ieder geduurig in alle vreede en vriendschap sal tragten te leven mitsgaders mijn onderhorige onder den andere ook alle vreede en vriendschap doen onderhouden en dat ik mij met de regering van de aangaensende landen in het minst niet bemoeijen op over sodanige landschappen eenig gesag aanmatigen gelijk ik ook in het algemeen belove de onderdanen van 'sCompagnies re„ „gentschap Calriwoengo soo wel groote als kleijne onder mijn op tigt gesteld in alle regten billijkheijd te behandelen geene nieuwe lasten op te leggen geene van mijne mantries veel min gaxas of pepattijs te verstoten te verongelijken ofte verwisselen maar dat ik wanneer iemand van deselve sig ontrouw of onroomlijk tegen mij of nog soo veel meer tegende Com„ pagnie gedragen mogte alvoorens daar af kennisse geeven en assistentie imploreeren sal, selfs des noods tot een provisioneele arresteering van desselfs persoon en goederen geevende de saak van de over ter decisie van den heer gouverneur en directeur te sSamarang digers voortaan en na de orare van de compagnie sal renvoijeeren aan den landraad te samarang en mij eenelijk te vreede houden met de afdoe„ „ning van kleine geschillen van weijnig belang. digers maar Art: 8: Aut: 9. Art 11. Ant 10.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0099 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 5th February 1774. From Java's East Coast the 5th February 1774. but on the contrary shall live in all peace, friendship, and good neighborhood with those who are appointed by the Company as regents in those lands and their subordinates, the more so because it is also the Company's orders to the inhabitants of those lands, and this will thus serve to their mutual peace and prosperity. Finally and lastly, that in all extraordinary occurrences whereof no special mention is made herein and which in time might require some further determination, I shall conform to the pleasure of the Company, and shall obey with zeal and diligence the orders that might be given in that regard, whether in case of any change or otherwise, as well as in token and proof that I shall sacredly fulfill and intend to fulfill, as well as maintain and cause to be maintained without the least contradiction, the contents of this act of obligation and the promises and engagements made therein without the slightest deviation, I have signed this act of obligation along with two others of the same content with my hand and sealed it with my seal, upon the oath that was solemnly taken by me upon the Quran on assuming the administration over the Company's land of Calioeng. Below was written: Caliewongo the 30th July 1773. Lower: Thus done, signed, and sealed in my presence. Was signed: J. R. vander Burgh. In the margin stood: To my knowledge. Was signed: C. P. Boltze, sworn clerk. Article 1. I, the undersigned, Pourbo widjoijo, having been nominated and elected through the benevolence of the illustrious General Dutch Chartered East India Company in place of my father, Tommongong Rasa Nagara, to be regent of the lands of Touban under the title and name of honor of Tommongong Pourbo Nogorro, do hereby declare and bind myself, together with all my mantris, great and small, to the fulfillment of the following conditions, which I promise sacredly and faithfully to observe and cause to be observed. Article 2. That I shall be faithful and loyal to the aforementioned illustrious Dutch Company, my supreme lord, in the administration of its district of Touban entrusted to me, and shall perform the service for the best of the same and its subjects with all attentiveness, obedience, and reverence, according to the orders that shall be given to me from time to time, whether from the High Indies Government at Batavia, the Governor and Director of this coast, or in their name by the Resident at Rembang. Article 3. That as often as it shall be required of me, I shall appear in person at Samarang and even at Batavia to show my respect and reverence to the Company, my supreme lord, to whom I owe my entire prosperity and advancement. Article 4. That on the other hand, I shall keep no intercourse or correspondence with foreign or inland regents and chiefs, no more than with others who do not sort under the Company together with me, and above all with no one outside Java, without special permission obtained thereto from the Governor and Director at Samarang. Article 5. That for this very reason I shall not meddle with the trade conducted from abroad into the land of Touban any further than the Company shall order and allow me; but that I shall with all fidelity and attentiveness watch, prevent, and oppose all smuggling and everything that might be put into practice to the prejudice of the Company's trade or revenues here, whether in opium, textiles, or other articles of commerce or trade, both from the opposite shore of Java, Bali, and the further islands lying to the east thereof, as well as from Bawean or the island of Luboek, and from Borneo or wherever it may be from and to; and that on the contrary, I shall maintain as much as is in my power the shahbandarships of the Company situated in the land of Touban according to ancient customs, seek to improve them, and also do and observe in that regard everything that shall be ordered and assigned to me on behalf of the Company. Article 6. That in acknowledgment of the great favor shown to me and in proof of my perpetual dutiful loyalty to the Company, I shall not only pay annually at Mulud and satisfy at Samarang the amounts determined of old for this regency: 260 Spanish reals or 320 rijksdaalders, that is, three hundred twenty Dutch rijksdaalders for cacah moneys, but also by no later than the end of the month of October deliver into the Company's warehouses at Rembang and provide there: 100, that is, one hundred koyans of rice at fifteen Dutch rijksdaalders per koyan; 6, that is, six piculs of cotton yarn, as much as possible of the finest sort or letter A, but above all not coarser than 2nd B, at the valuation according to its quality, together with 1000, that is, one thousand beams or 2000 swalpen for free; to which I bind myself hereby, under forfeit of the regency entrusted to me. Article 12. That in case the Company, over and above the aforementioned one hundred koyans of rice which I am obliged to deliver yearly without fail, as aforesaid, [illegible]

Dutch transcription

Van Iavas oostkcust den 5. febr: 174. Van Javasoost ust den 5.:' Februarij 174. maar in tegendeel met de geene die door de compagnie als regenten in dielan„ „den aangesteld sijn en hare onderhoorige in alle vreede en vriendschap en goede en goede nabuurschap leeven sal te meer dat ook sCompagnies bevelen is aan de inwoonders van die landen en sulks dus tot wedersijdsche rusten welvaard komt te strekken Eindelijken ten laatsten dat ik in alle extra ordinaire voorvallen waarvan in desen me sperial is gesproken en die in der tijd eenige nadere bepaling mogte requireeren mij aan het goedvinden van de compagnie gedragen en de orderes die daar omtrent het sij in cas van Eenige verandering ofte andersints mogte gegeven worden soo wel met iever en vlijt sal obedieenen als tot een teeken en bewijs dat ik den inhoud deser acte ende daarbij gedaane belofte en verbintenissen sonder de minste afwijking heijlig sal nakomen en meene na te komen mitsgaders onderhouden en doen on„ derhouden sonder de minste tegenspraak dese acte van verband nevens nog twee van gelijken inhoud met mijn hand onderteekend en met mijn Zegul versegeld hebbe op den Eed die door mij bij de aanvaarding van het bestir over Compagnes Land Calioeng op den alcoran plegtig is afgelegd /onderstond/ Caliewongo den 30 Julij 173 / lager / Aldus gedaan geteekend en gesegeld ten mijnen overstaan /:was geteekend:/ I: R: vander Burgh /terseijde stond:/ Jk Kennisse van mij /:was geteekend:/ C: P: Boltze gesw: sc: Dat ik soo dikwils als het van mij gerequireerd word mij persoonlijk sal komen vertoonen te samarang en selfs te batavia om mijne Dat ik de voorschreeven doorlugtige neederlandsche Maatschappije mijnen opperheer, in het onder mij gestelde bestier van haar district touban gehouw en getrouw weesen en den dienst ten besten van deselve en haar onderdaanen met alle oplettendheijd gehoorsaamheijd en rever waar„ „neemen sal agtervolgens te beveelen die mij van tijd tot tijd sullen worden gegeven het sij van de hooge indiasche regeering te batavia aen heer gou„ „verneur en directeur deser kuste dan wel uit derselver naam door den resident te rembang Ik ondergeschreeven Pourbo widjoijg door de benevolentie van de doorluch„ tige generaale nederlandsche goetroijeerde oost indtische compagnie insteede van mijnen vader tommongong Rasa Nagara benoemd en g'eligeerd wesende tot regent van de landen van touban onder den titul en eere naam van tommongong Pourbo Nogorro verklaare en verbinde mij bij desen nevens alle mijne mantries grooten kleim tot de nakoming der onder„ volgende voorwaarden welke ik beloove heijlig en getrouwelijk te sullen observeeren en doen observeeren eerbiedigheid Ant 12. Aat 1. Art 2. 89 van Iavas oosthust den 5 februarij 1774: Van Iavas oostkust den 5: Febr 174. eerbiedigheijd te bewijsen aan de compagnie mijnen opperheer aan wien ik mijn geheele welvaard en bevordering te danken hebbe. Dat ik daar en tegen met boven of binnen landsche regenten en hoofden eeven min als met andere die niet nevens mij onder de compagnie sorteeren en voor al met niemand buiten Java geen gemeenschap of Correspondentie houden sal sonden daar toe erlangde speciaale permissie van heere gou„ „verneur en directeur te samarang. Dat ik ook even daarom mij met de negotie die van buiten in het land touban gedreven word niet verder sal bemoeijen als de Compagnie mij komt te ordonneeren en toelaten sal dog dat ik met alle trouwe en oplettendheijd sal waken weren en tegen gaan alle sluikierijen en alles wat tot nacteel van s Compagnies negotie of inkomsten alhier mogte werden in het werk gesteld het sij in amfioen kleden op andere articulen van handel of negotie soo van de overwal van Java balij en de verdere eijlanden daar beoosten leggende ook van de baviaan of het eiland Luboek als van bornes ofelaers van waar en waar na toe het soudemogen wesen en dat ik in tegendeel desabandharijen van de Compagnie in land van touban legende volgens de oude gebruken sal mainctineeren soo veel in mij Art: 6 Dat ik ingevalle de compagnie boven de voorschreeven Eenhonderd Coijangs rijst die ik gelijk voorgesegt verpligt ben jaarlijks sonder fout Dalckin enkentenise van de groote gunste mij bewesen en tot bewijs van mijn altoos duurendt schuldige trouwe aan de compagnie jaarlijks met moe„ „lut niet alleen sal opbrengen en te samarang voldoende van ouds voor dit regentschap bepaalde 260: Spaanse reaalen of rds 320. / zegge drie honderd twintigrijks„s hollands voor Tjatjas gelden maar ook uitterlijk voor het eijnde van de maandoctob„r in 't Compagnies pakhuisen te rembang leveren en daar besorgen sal. 100 zegge Eenhonderd Coijangs rijst tegen vijftien rd„s hollands de Coijingen 6. zegge ses picols cattoene garen soo veel mogelijk van de fijnste soort of L:a A: dog voor al niet grover dan 2:a 8: tegen bepaling na dies qualiteijt nevens 1000 / zegge Eenduisend:/ Balken of 2000 swalpen voor niet waar toe ik mij bij desen onder verbeurte van het mij toevertrouwde regentschap verbinde is soeken te verbeteren en ook daar omtrent te doen en te observeeren alles wat mij s Compagnies wegen sal gelasten opgedragen worden. is Art 3. Art 4. Arts.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0101 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 5th of February 174- From Java's East Coast the 5th of February 174- and to deliver without any contradiction should more rice be needed and should the Company purchase that grain or other products of the country in her regency of Tuban against the ordinary Company purchasing price or market price, I shall in no way oppose this, but on the contrary shall seek to facilitate and promote that purchase on my part as much as possible, as befits and is proper for a faithful regent, binding myself hereto in such a solemn manner that, should I fail therein, I will willingly submit to the penalties and punishments that shall be imposed upon me on behalf of the Company. That in order the better to keep this my obligation and vow, I shall not only strictly counter, as much as possible, all clandestine purchases of rice in the district placed under me, and likewise its export to places not under Java, and in particular to lands not belonging to the Company, and thus also permit to no one, except those permitted on behalf of the Company, the purchase of rice beyond their necessary livelihood, until my stipulated contingent of one hundred koyangs of rice aforesaid shall actually have been delivered and received into the Company's warehouse at Rembang; but that I shall also not allow wood to be felled by private individuals in the forests belonging to Tuban, or vessels to be constructed elsewhere against the orders and stipulations without the special consent of their High Excellencies or the Governor and Director of this Coast, whilst I on the contrary shall continually urge my subordinates to cultivate the lands, and shall not lease any negorijs or dessas to Chinese or others without special prior knowledge and permission as above; yet I shall leave to my father, the aforementioned Tumenggung Raksa Nagara, whom I succeed, unhindered and in peaceful possession during his lifetime the following dessas, namely: Kuti, size 6 chachas Tuwinie, 25 Gabus, 25 Pakel 1, [illegible] Cheru Gulungen, 6 Betis, 5 Together 62 chachas with their inhabitants and rice fields, as they have been granted to him on behalf of the Company for his maintenance and sustenance. Article 7. Article 8. From Java's East Coast the 5th of February 1774. From Java's East Coast the 5th of February 174- That I furthermore shall daily provide and hold ready for the Company's ordinary works at the lodge and the warehouses at Rembang, as well as for fetching water for the garrison: 14 battons, not counting their heads. Two prau mayangs, besides the vessels required for cruising against the pirates. Two horses for dispatching letters overland to Samarang and elsewhere, or for whatever purpose they shall be required by the Resident; as well as, in extraordinary occurrences of unloading and loading the Company's ships, the necessary battons and vessels over and above these, all provided that regarding the latter I request that beyond the aforementioned cases and necessity for the Company's service, they may not be demanded of me. Article 9. That, as the Company is sovereign overlord over the district entrusted to me and the lands placed under my supervision, the matter of judicature shall also remain entirely with her, and that I consequently shall settle no matters of any importance concerning the subjects except with the communication and consent of the Governor and Director aforesaid, but without the least respect of persons of whatever condition they may be, shall send all delinquents, if they come into my power, to Samarang, to be tried and punished according to findings, either by the Landraad or the Court of Justice. Article 10. Furthermore, I solemnly promise that I shall continually endeavor to live in all peace and friendship with everyone, and also cause my subordinates to maintain all peace and friendship among one another; and that I shall not in the least meddle with the government of the adjoining lands, nor assume any authority over such territories, but on the contrary shall live in all peace, friendship, and good neighborliness with those who have been appointed by the Company as regents in those lands and with their subordinates, the more so as these are also the Company's commands to the inhabitants of those lands, and such serves to mutual peace and prosperity. Article 11. That I also in general shall treat all the subjects of the Company's regency of Tuban, both great and small, placed under my supervision, in all equity, impose no new burdens, dismiss none of my present pepatihs and Javanese mantris serving on behalf of the Company without special prior knowledge of the Company, nor appoint any others in their place; but that if they behave slowly, negligently, or disobediently in their duty and service, I shall make known my grievances concerning this to the Governor or whoever may hold the supreme authority on this Coast at the time, who shall then be able to judge thereon in equity, and that in case of death I shall not fill their places except with his special prior knowledge and consent. Tuban Article 12.

Dutch transcription

Van Javas oostcust den 5. Februarij 174 — van Iawas oostcust den 5. februarij 174. en eenige tegenspraak te leveren nog meerder rijst mogte benoodigt wesen en di korl of ook andere producten van het land in haare regentschap tousen tegens ordinaire sCompagnies Inkoops dan wel markisjprijs liet inkopen mij geensints daar tegen sal aankanten maar in tegendeel dien op koop van mijn kant soo als een getrouw regent toestaat en betaamt soo veel mogelijk sal soeken te faciliteeren en bevorderlijk maken verbindende mij hier toe op een sodanig solemneele wijse dat ik daar omtrent inge„ breken blijvende mij gewillig sal onderwerpen aan de peenaliteijten en straffen die mij van wegen de compagnie sullen worden opgelegd Dat ik om deese mijne verpligting en gelofte te beter gestand te doen niet alleen allen Clandestienen op koop van rijst in het district onder mij gesteld en soo ook dies uit voer naar plaatsen niet onder Iava en wel insonderheijd naar landen niet onder de compagnie sorteerende soo veel mogelijk strengelijk tegengaan en dus ook buiten de geene, die sulks sCompagnies wegen word gepermitteerd aan niemand den inkoop van rijst meer als tot noodarusft telaten sal voor dat mijn bepaalde contin„ „gent van een honderd coijangs rijst voormeld wesentlijk ins Compagnies pakhuis te rembang sal besorgd en ontvangen sijn maar dat ik ook niet toelaten sal dat door particulieren in de onder touban sorteerende bosschen Dat ik voorts almeedetot de compagnies ordinaire werken bij de logie en de pakhui„ oen te rembang item tot het waterhalen voor de besetting dagelijks sal besorgen en gereed doen houden. „ 6 Tesamen 62 Tjatjas met dies jnwoonders en rijst velden also die hem van wegens de compagnie tot sijn onderhoud en bastaan sijn toegelegd: houtgekapt, of lders buiten speciaal consent van hunne hoog Edelheeden dan wel den heer gouverneur en directeur deeser kuste tegen de ondre en bepaa„ „lingen vaartuigen aangetimmerd worden terwijl ik daar en tegen mijne onder„ horige selfs steds tot de belouwing der landen aansetten engene niegorijen ofte dessaas aan Chineesen of andere buiten speciaale voor kennisse en permissie als boven verhuuren dog wel aan mijnen vader voormelde tommongong Raxa Nagarra die ik succedeere ongehinderd en ingeruste possessie geduurende sijn zeeftijd laten sal de ondervolgende dessaas als. koetie groot 6: Tjatjaas Toewinie gaboes Pakel 1 Tjeroe goelongen „ 25 „ Betties hout Aat 7. 5 Ant 8. „ 25 „ . van Iavas oostkust den 5. febr: 1774. Van Iavas oosthust den 5: februarij 174: 14. battoons ongereekend denselver hoofden. Twe prauwmajangs buiten de vaartuigen die ter bekruijssing tegende zeeroovers worden gerequireerd. Twee paarden ter voortsending van brieven over den landweg naar Samarang en eldens of waar toe deselve door den resident sullen worden gerequireerd mitsgaders bij extra ordinair voorvallen ook van ontlossing en belading van s Compagnies scheepen daar en boven de benoodigde battoons en vaartuigen alle vor met dog welkelaatste ik versoeke dat buiten de voorspchuenen gevallen en noodsakelijkheijd tot Ccompagnies dienst van mij niet mogen Dat gelijk de compagnie een souverain opperheer over het aan mij toever„ „trouwt district en de landen onder mijn op sigt gesteld is het poinct van Judicature ook in het geheel aan haar blijven en dat ik oversulks geene saaken van eenige aangeleegentheijd de onderdaanen betreffende dan met Communicatie en toestemmning van den heer gouverneur en directeur voormeld afdoen maar sonder de minste aansien van persoon van wat conditie deselve ook soude mogen weesen alle delinquanten indien deselve inmijn magt komen na samarang besorgen salom na bevinding het sij bij den landraad dan wel den raad van Justitie te worden te regt gesteld en gestraft. Art 10 Datik ook in hetalgemen de onderdaanen van sCompagnies regentschap wijders beloove ik sirensselijk dat ik met een ieder geduurig malle vaaede en vriendschap sal tragten te leven mitsgaders mijne onderhoorige onder den anderen ook all vreeden vriendschap doen onderhouden en dat ik mij met de regeering van de aangeensende landen in het minst niet bemoeien of over sodanige landschappen eenig gesag aanmatigen maar in teegendeel met de geene die door de compagnie als regenten in die landen aangesteld sijn en haare onderhoorige in alle reede en vriendschap en goede naburschap leven sal te meer dat ook s Compagnies beveelen sijn aan de inwoonders van die landen en sulkj aus tot weder zijasche rusten welvaard komt te strekken Souban soo wel groot als kline onder mijn op it geselt al egten billijkheijd behandelen geene nieuwe lasten op te leggen geen mijner teegen woordig van wegen de compagnie hebbende pepattijs en even omen Jacas Iavasen mantries buten speciale voor kennisse van de compagnie afsetten oeenig ander gelijk aandien sal maar dat ik indien deselve sich in haaren pligten dienst trag en ingligent of disobedient komen te gebragen mijn belang daar over aan den heere gouverneur of die het oppergesag te deeser kuste inder tijd mogte hebben doen sal die als dan daar over in billijkheijd sal kunnen jugeeren en dat ik derselver plaatsen in cas van overlijden ook niet dan met desselfs speciaale voorkennisse en toestemming sal vervullen Touban Ant 12 Antg: Art 11.

NL-HaNA_1.04.02_3418_0103 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 5th of February 1774. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. Finally and lastly, that in all extraordinary occurrences of which no special mention is made in this document, and which in time might require any further determination, I shall conduct myself according to the pleasure of the Company, and the orders that might be given in that regard, whether in case of any change or otherwise, I shall obey with as much zeal and diligence as I have, in token and proof that I shall sacredly comply with and intend to comply with the contents of this act and the promises and obligations made therein without the least deviation, as well as maintain and cause to be maintained without the least contradiction, signed this act of bond together with two others of the same content with my own hand and sealed with my seal, as well as solemnly sworn upon the Quran. Below was written: Samarang, the first of November 1773. Lower down: Thus done, signed, and sealed in my presence. Was signed: J: R: van den Burgh. In the margin stood: To my knowledge. Was signed: C: P:s Boltze, sworn scribe. Because I would gladly send an embassy to the Sultan of Bantam, I very kindly request, brother, to inform grandfather the Lord Governor and the Lords Councillors of the Indies of this on my behalf, not doubting that they will be pleased to permit me this. For the rest, brother, you are very cordially greeted by the Pangeran Adipati Anom and the lady of the Ratus. Below was written: Agrees. Was signed: J: R: van den Burgh. Copy of the translation of the Javanese letter written by the Sultan Hamengkubuwana etc. at Djokjakarta to the undersigned, received at Samarang the 22nd of September 1773. Copy Answer: 12. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. Extract from the report of the Lieutenants, Passourouang's Commandant van Rijcke and Ensign Commandant of Adiningo Fisser, given to the Authority Luzac on the 23rd of July 1773, for their commission to survey the island of Noessa etc. While we were at Batoe Oeloe, there came to us the returning patrol that had been sent out by Commandant Fisser on the 25th of the past month along the South Sea beach to Radjac Wessie to search for the known rebel Bappa Endo, who reported to us that, arriving there, they found nothing but a place where one could perceive that there had been a so-called pondok, which according to their estimate had already been abandoned for a month. After having searched in and around Radjac Wessie all corners of mountains and valleys that could in any way be climbed by humans, they turned back homeward, but on the way arriving at Mero and from there wishing to inspect the sea beach to Parmiessan, they unexpectedly encountered there a small fortification situated at a small inlet in the bay of Parmiessan, in which lay hidden 9 small vessels and a prahu mayang, whose joint crew was said to have consisted of a large 50 to 60 heads, all of whom, however, kept themselves concealed in the aforementioned fortification; yet, being discovered by our men and although unexpected, they were furiously attacked and fired upon, whereupon some of the enemy brought the aforementioned vessels into the open bay while the attack lasted. And after having been engaged in combat for some time, our men had to retreat, being outnumbered and being only 37 heads strong, during which retreat the little son of the known Bappa Lanat, who had been provided as a guide, although trussed up, managed to escape into the wilderness. But as chance would have it, a patrol also sent out from Adiningo over the land route to Radjac Wessie for the same purpose appeared there at that very same moment. Our men, having then received assistance, attacked the enemy anew, shot down one of them, whereupon the others immediately took flight in the swiftest manner in their vessels and put out to sea. It being impossible for our men, as they were less familiar with the forest paths, to catch any of the enemy, yet coming to the first-mentioned small fortification, they found there a little girl about two years old, with the presumption that some run-away Balambangers had again stayed there and have now been carried away with the aforementioned Nusa vessels.

Dutch transcription

Van Javas oostkust den 5 febr: 174. Van Iavas oostkust den 5 Febr 174. Eindelijk en ten laatsten dat ik in alle Extra ordinaire voorvallen waar van in deese met speciaal is gesprooken en die in der tijd eenige nadere bepaling mogte requireereeren mij aan het goedvinden van de compagnie gedragen en de ordres die daar omtrent het sijn Cas van eenige verandering ofte am„ dersints mogte gegeven worden soo wel met iever en vlijt salobedieeren als ik tot een teken en bewijs dat ik den inhoud deser acte en de daar bij gedaane beloften en verbintenissen sonder de minste afwijking heijlig sal nakomen en meene na tekomen mitsg„s onderhouden en doen onder„ houden sonder de minste tegenspraak deese acte van verband nevens nog twee van gelijken inhoud met eigen hand onderteekend en met mijn seguld mitsgaders op den alcoran plegtig betwooren hebben /:onderstond/Samarang primo Novemb„r 173. /: lager:/ Alaus gedaan geteekenden geseguld ten mijnen overstaan /was geteekent:/ J: R: van den Burgh /ten seijde stond:/ Inkenniske van mij /was geteekend/ C: P:s Boltze gesw: scriba. Dewijl ik gaarne een besending na den Sulthan van Bantam soude willen laten afgaan versoeke ik broeder seer vriendelijk sulks mijnent wegen aan groot vader den heer gouverneur en de heeren raaden van Jndia te bedeelen niet twijffelende of hoogst deselven sullen mij sulks wel willen permitteeren. werdende broeder voor het overige van den pangerang Adipatty Anom en mevrouw van de ratoes seer hartelijk gegroet /onderstond:/ Accordeert/mat getekend:/ I: R: van den Burgh Copia uit de Transtaat Iavaansche Brief Geschreeven Door den Sulthan Aming hoeboeand etc: te Djocpo Carta aan den ondergetee„ kende, Ontfangen te Samarang den 22 September 1773. Copia Ant: 12. van Iavas oosthust den 5 februarij 1744. Van Iavas oost cust den 5:' Feb:j 174. Extract uijt het berigt van den Lieutenanten Pas„ Sourouangs Commandant van Rijcke en vaandrig commandant de Adincgo Fisser aan den gesaghebber Luzai gegeeven den 23 Julij 173. voor hunne commissie ter opneem van het eijland noessa eet. Terwijl wij tot batoe oeloe waren quam aldaar bij ons den retouneerende patrouilje soo door den commandant fisser den 25' der gepasseerde maand langs de zuider zee strand naar radjac wessie waren uitgesonden om de bewuste rebel bappa endo op te soeken die ons rapporteerde dat deselve aldaar aankomende vonden niets als een plaats waar men konde bespeuren dat een sogenoemde pondok geweest die na haar lieder gitsing wel bereeds een maand verlaten was naar op een om„ „trent radjac watsie alle hoeken van bergen en valeien die maar eenig„ sints door menschen te beklummen waren door gesogt te hebben sijn deselve weder thuiswaarts gekeerd maar onderwerpen komende op mero en van daar den Seertrand tot parmiessan willende gaan visenteeren ontmoeten sij onverhoeds aldaar een kleijne versterking aan een inwateringstje gelegen in de baij van Parmissan waar in verborgen leijden 9. kleijne vaartuiges en eene prauwmagang welke gesamentlijke bewanning soude bestaan hebben uit een grote 50 a 60 koppen die egter alle egter voorm: sterkte sig verdekt hielden dog bij d' onse ontrekt en schoon onverwagt furieusselijk aangevallen en beschooten wierden waar op door eenige van den vijand devoormelde vaartuigjes in de baaijoparbel maten wierden gehaald intusschen dat de attacque duurden en na eenige tijd slaags te sijn geweest moesten de onse reitireeren als over„ maant en maar 37. koppen sterk sijnde bij welke retiradte het tot weg wijser mede gegeven soontje van den bewusten bappa Lanat schoon gevleugeld in de wildernissen het heeft weeten te ontkomen, dog wilde het geval dater een meede uitgesondene pattrouilse van adiogo over den landweg naar radjac wessie ten selfde fine als devorige op dat selfde tijd stip aldaar verscheen d onse als doen hulp bekomen hebbende vielen op nieuw den vijand aan schooten een van deselve ter needer waar op d' andere anstonds op het snelste de vlugt in haare vaartuigen namen en sewaarts instaaken sijnde 't d'onse als minder in de bosch wegen bekend 't onmogelijk geweest eenige van den vijand te bekomen egter aan 'teerst gem: sterktentje komende vonden aldaar een kleijn meijssie omtrent twee Jaaren oud maar presu„ matie dat aldaar weder eenige weggeloopen balemboangers sig onthouden hebben en nu miet de voornoemde Noefsasche vaartuigen Sonde weggevoerd

NL-HaNA_1.04.02_3418_0105 view scan ↗

English

From Java's east coast the 5th February 1774. From Java's east coast the 5th February 1774. carried off, and because of their sudden retreat left this child behind. Furthermore, during this attack two of ours were lightly wounded, namely a Calaeijen from the village Sambrang and a bangers mantri. Extract from the separate letter written by Ensign Fisser at Adirogo to the Administrator Luzac at Sourabaija the 31 October 1773. Herewith I have the honor to inform your Right Honorable that the patrol sent out on the 30 September returned here on the 30 October and stated to me having encountered nothing from here to Raija gusti, returning along the south after four days of traveling arriving at Toenger, discovered there 9 Noessa vessels; according to the observation of our patrol the enemy force, who put up resistance, must have been about 40 guns and 50 pikes, but after an attack of 6 hours by our men the enemy force was defeated, whereby several of the enemy were wounded and killed, the remainder fled to their vessels and put out to sea with 4 vessels, whereas on the other hand our men captured five vessels from the enemy, then divided, half into the 5 captured vessels and the other half along the beach, because all could not be accommodated in the vessels at the same time. Arriving at the height of the Sandberg Wieltie Alit, a violent southeasterly wind arose, whereby the five vessels became separated from each other and remained so, and each did his best to save their lives and came ashore at the aforementioned Wielti Alit, and having gathered together, the next morning there arrived there or at the said place 2 fishing praus and 11 vessels of the Noessa people, whom Lurah Janni, having received tidings from the 4 fled vessels, had sent to recapture the 5 vessels that had been taken, made a landing there, whereupon our patrol being too weak made the retreat, however 4 of the 5 captured vessels have already perished and 1 is until today still missing with a Passourouang grand mantri named Wirocoso, 1 small mantri Wiroprono, 1 lurah Wiropijo with 5 common Passarouang soldiers, of whom it is not yet known for certain whether they remained at sea or the enemy captured them. Below stood: Agrees. Was signed: J: R. van der Burgh. Beach Copy: 99 101. From Java's east coast the 5th February 1774. From Java's east coast the 5th February 1774. Copy of a separate missive written by the undersigned Governor and Director of this coast to the Administrator over the East Hook, Mr. Pieter Luzac, dated Samarang the 3 January 1774. Under escort of this arrives at your place Maas Alit, who has been nominated and appointed by Their High Nobilities as regent of the lands of Balemboangang under the name of Wiero Goeno and the title of Raden Tommongong, as appears from the deed enclosed herewith in a sealed bamboo, which must be handed over to him after the taking of the oath of allegiance to the Company at his introduction into the regency, for which your Honor must accompany him in person, while the enclosed extract from Their High Nobilities' separate missive to me contains what further needs to be done and executed concerning the Balemboang affairs. The Prince of Madura being also about to undertake the journey home, I have permitted the bookkeeper Buze, appointed as translator at Sourabaija, to depart at the same time, which I note here for your Honor's information, while after greetings I remain, below stood: your Honor's good friend, was signed: J: R: van der Burgh. In the margin: date as above. The disposition of Their High Nobilities on the document addressed to Their High Nobilities by your Honor dated 4 August 1773 entitled considerations on Balemboangang with its annexes; on an extract of a separate missive written previously to your Honor by the Oeloepampang Resident Hendrik Schophoff on 30 June concerning the demolition of Oeloepampang and relocation with the entire establishment to a healthier terrain ordered by Their High Nobilities in an earlier missive of 14 May; and on the report of Lieutenant Adriaan van Rijke and Ensign Fredrik Fisser containing the manner in which the island Moessa ought to be attacked, having been shown to your Honor in detail by the extract sent along with my recent separate missive of the 3rd of this month from Their High Nobilities' much respected separate missive to me of 13 December 1773, I refer to that and further note accordingly for your Honor's information: 1. That your Honor, having provided the Administrator of the inner gate with the necessary orders for the observation of ordinary affairs during your Honor's absence from Sourabaija, with Maas Alit, who has assumed the name Wire Goeno and we shall call so henceforth, Another copy of a separate missive written to and as above dated Samarang the 18 January 1774. Yet shall

Dutch transcription

Van Javas oostkust den 5:e' Februarij 174. Van Iavas oostkcust Den 5:' Februarij 174. — weggevoerd en door haar Subitie retinade dit kind laten leggen wijders sijn bij des attacque twee van de onse ligt gekwest namentlijk een Calaeijen uit de negorij Sambrang en een bangers mantrie. Extract uit de aparte brief geschreeven door den vaandrig Fisser t Adirogo aan den gesaghebber Luzacte sourabaija den 31. october 1773. Hier meede hebede e wel Edele Achtbare bij dees te bedeelen als dat de uitgesondene pattrouilje van den 30. september alhier op den 30 8ber terug geretourneerd en mijn verklaard van hier tot Raija gusti niets ontmoet hebbende langs de suiden staand te rug keerende na vier dag reisens op toenger gekomen aldaar 9 noessaase vaartuigen ontdekt na oogmerk van onse patrouilje soude de vijandelijke magt die alletweer gesteld hebben in de 40 geweeren en 50 pieken sijn geweest maeemattacque van 6: uuren door de onse de vijands magt verslagen waar beij verscheijde van de vijand gekweest en gesneuveld d'overge„ bleevene na hunne vaartuigen gevlugt en met 4: vaartuigen in see geraakt daar en tegen de onse vijf vaartuigen van de vijand veroverd heb„ „bende donde verdeeld in de 5 veroverde vaartuigen de helfte en langs de strand d'andere helfte door dien alle tegelijk in de vaartuigen niet hebbe kinnen bergen op de hoogte van de Sandberg wieltie Alitko„ „mende ontstond een geweldige suidooste wint waar door de vijf vaartuigen van malkander geraakt en gebleeven en elk sijn best gedaan om hun leeven te salveeren en op voorsch: wielti Alit aan de wal gekomen en bij malkander geraakt sijnde is des anderen daags smorgens daar op aldaar of op gemelde plaats aan gekomen 2 prauwmajangs en 11: vaartuigen van de Noessaers die Jura„ „gan janni tijding van de 4. gevlugte vaartuigen bekomen heb„ „bende tot weder verovering van de 5. vaartuigen die genomen geworden gesonden aldaar een lading gedaan waar op onse pa„ trouilje te smak sijnde de retirade genomen egter 4. van 5. veroverde vaartuigen reeds vergaan en 1. tot heden nog vermist met passourou„ „angsche groot mantrie met name wirocoso 1. klein mantrie wiro„ prono 1 loera wiropijo met 5 gemeenerlle passarouangsche krijgens het welke nog niet voor vast weet of see gebleeven of de vijand geno„ men hebben /:onderstond / Accordeert /:was geteekend:/ I: R. vander Burgh. Strand Copia : 99 101. van Iavas oost kust den 5: Februarij 1774. Van IavasoostkCust den 5: fbr 74 — Copia aparte missive geschreeven door den onderge„ „teekende gouverneur en directeur deeser kuste aan den gesag„ hebben over denoosthoek mr Pieter Liezac gedateerd sa„ „marang den 3. Janu: 174. — Onder geleide deses komt tot vuel over Maas Ait die door hunne hoog Edel„ heeden benoamd en aangesteld is tot regent den landen van balemboangang onder de naam van wiero goeno en den titul van radeen tommongong, blij„ kens de in een versegelde bamboes hier nevens gaande acte die aan hem na het afleggen van den eed van trouwe aan de Comp: moet overgegeven worden bij sijne introductie in het regentschap waar toe vwE. hem in persoon versellen moet terwijl inleggende extract uit hunnen hoog Edelheeden aparte mitsive aan mij inhoud wat veraer omtrent de balemboangsche saaken diend teworden gedaan en verrigt Den pains van madura ook de te huis reise staande aan te neemen heb ik den tot translateur te sourabaija benoemden boekhouder buze gepermitteerd te gelijk te vertrekken 't geen ik hier tot uwE narigt noteere terwijl naar groete blijve /:onderstond:/ uwE goede vriend /was geteekend:/ J: R: van der Sourgh (in margine/ datum alseven de dispositie huner hoog Edelheeden /:) op het door uwE aan hoog deselven ingerigt schristeur de dato 4. augustus 173. geintituleere consiteratien over balem„ „boangang met dies bijlagen (:) op een extract aparte missive door den oeloepampangs resid: hendrik schophoff den 30 Juni bevoorens aan uw E: geschreeven over de door haar hoog Edelheeden bij vroegere van den 14. meij geordonneerde opbrakie van oeloepampang en verhuising met den geheelen omslag na een gesonder terremn en (3) op het berigt van den Luitenant adriaan van Rijke en vendrig Fredrik Fisser houdende op wat wijse het eijland moessa soude dienen geattacqueerd te worden bij het nevens mijne jongstaparte van den 3. hujus afgesonden Extract uit hunner hoog Edelheeden veel gerespecteaparte missive aan mij van den 13 december 173. uwE omstandig sullen gebleeken weesen refereere ik mij daar aan en noteere wijders dien conform tot uw E narigt 1. Dat uwE den administrateur van den omipoort met de noodige ordres ter waarneeming van de ordinaire saaken geduurende uwE absentie van soutabaija gemunieerd hebbende sig met maas alit die de naam aangenoomen heeft wire goeno en wij voortaan soo noemen Nog een copia aparte missive geschreven aan en alseven gedateerd Samarang den 18. Jann: 1774. Dog sullen

NL-HaNA_1.04.02_3418_0107 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 5th of February 1774. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. shall, whether by sea or by land, which remains deferred to your choice, have to set out on the way to Balemboangang, in order to present, introduce, and install him there as regent of the whole of Balamboangang under the title of Raden Tommongong, according to the prescription of Their High Excellencies and thus also with a public proclamation to the people that they are declared free of all contribution to the Company for three years, which must be counted as having commenced on the 1st of January 1774 and shall end on the last of December 1776, with the addition of the mantris Bawalaxana and Doeroekoentje as bepatis; and alongside those bepatis to have him execute and swear an act of allegiance and fidelity to the Company drawn up in the customary form, in which it must be specially stipulated that after the expiration of the aforementioned three free years, he as regent shall willingly take upon himself and bear such burdens as it shall meanwhile be found that the land and the people can sustain; while it may be left to his choice and election to reside in one of the places named by Their High Excellencies or another place, provided it is not far away, and there must be stationed alongside him some European and native soldiers under a competent sergeant knowledgeable of the country, in order constantly to maintain the necessary communication of everything that occurs to the resident of Oeloepampang or Cotta. If they should take post in the small forts located there, however, a good benting against an unexpected crossing shall be made for them at another place; and Oeloepampang and Cotta, after everything that serves for defense shall have been removed and taken away from them, must be placed under good native subordinate chiefs who have already given proof of loyalty to the Company. 2. That at Cradjagan and over the places to the south thereof named in your writing, likewise the peoples residing there, and also over Catapang, Beniak, and Pakkum, a trusted chief—for which, in my opinion, two of the loyal mantris named by you, Tjaring Gandul, Sindidorono, and Ongo Gipto, could come into consideration—must be placed subordinated under the regent with the title of ngabehi, just as here the ngabehis of Torbaye and Goemolacq stand directly under the adipati; and for the present some native soldiers may be left at Cradjagan to watch against all crossing and correspondence from, to, or with those of Bali and of Nusa, and to attend to whatever further needs to be performed; and in the small fort to be constructed on the point of Pakkum, of which more shall presently be said, there must be stationed a detachment of European and an equal number of native soldiers under a sergeant, alongside a gunner and two gunner's mates for the observation of the strait between Bali and Balemboangang, for which purpose one at Cradjagan, 105. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. one at Cradtjagan, and the two remaining of the four prahu mayangs approved by Their High Excellencies for Balamboangang and already sent to you from Rembang, can be employed and stationed at Banjoewalit for the service of and cruising for those respective places; since two out of the four pantjallangs stationed at Sourabaija can be spared to sail back and forth and provide Balemboangang with what is needed; the aforementioned four prahu mayangs may each be manned with 12 native sailors and 2 to 3, or at the most four European sailors alongside a quartermaster on one of the two prahus for the main post, instead of a quartermaster and six sailors for each prahu, because I consider this a clerical error, as there is also no room on those small vessels for proper accommodation for more than 15 to 16 heads, and you yourself specify no more than two quartermasters and 12 sailors as necessary for four prahus; and the commanders of these and of all other vessels that are henceforth sent out and employed for cruising in that area must constantly be given in mandate and ordered to avoid the Balinese shore as much as possible, so as not to be driven onto it by the currents. 3. That because, according to the instructions of Their High Excellencies and the plan already sent to you, a palisaded pentagon must first be constructed at Banjoewangie for the main post, and at Pakkum, as close to the shore of the projecting point there, a small work of 8 one-pounders according to another plan accompanying this, with only the most necessary and above all no more buildings inside it, all of teak wood and not of stone and lime, not only must the orders for this be given by you during your presence in the Balemboangang region itself to dig a good ditch around each small fort and to use the earth for the ramparts, but also, under the promise of a reasonable payment to the Balemboangese for the teak wood, the necessary arrangements can and should be made to gather together everything that will be needed for the palisading of the two small forts as well as otherwise, in order to be able to set hands to work directly with the favorable season; for which purpose it is also required that you investigate and inform me whether the Balemboangese, being now declared free of all contribution for three years as aforesaid, could not provide the necessary laborers from among themselves for those works, either entirely for free or under the provision of their daily food, or in what other manner they could be gathered and furnished without oppressive burdens from the remaining regencies in the eastern corner; and that the carpenter stationed at Sourabaija, who must indeed be sent thither, be charged with the open supervision over the construction of the

Dutch transcription

103 Van Iavas oostkust den 5. Februarij 1774. van Javas oostkust den 5 febr: 1774. sullen t sij over see vam wel over land dat aan uwE keuse gedefereerd blijt sult op weg moeten begeeven naar balemboangang om hem daar na het voorschrift hunner hoog Edelheeden en dus ook onder puplicque bekend, making aan het volk dat sij voor drie Jaaren /: die gereekent moeten worden ingegaan te sijn met prnno Jann: 174. ent sullen eijndigen met ult„o december 1776 van alle contributie aan de compagnie sijn vrij verklaard aan en voortestellen mitsgaders te jntroduceeren als regent van geheel balamboangang onder den titul van radeen Tommongong en beevoeging der mantries bawalaxana en Doeroekoentje als bepattijt en nevens die bepattijs te doen passeeren en b'eedigen eene in de gewoone forme ingerigte acte van verband en trouwe aan de compagnie waar bij wel spicial sal moeten behond gesteld worden dat na verloop van de opgemelde drie vrije Jaaren hij regent gewillig op sig neemen en tortsen sal sulke lasten als men intusschen bevinden sal dat land en volk draagen kunnen terwijl aan sijne keuse en verkiesing van ene der door hunne hoog Edelheeden opgenoemde dan wel eene andere /:mits niet verre afgelegen / plaats tot sijn verblijk mag gelaten en nevens hem daar geplaatst moeten worden eenige Europeesche en jnlandsche militairen onder een bekwaam landkundigt sergeant om van alles wat er voorvalt steeds de nodige communicatie aan den resident oeloepampang of Cotta verkist in de daar sijnde Cortjs postvatten dog op een andere plaats sal voor hun eene goede benting tegen eene onverwagte overwal gemaakt en oeloepan„ pangen cotta na dat alles wat tot defensie diender uit en afgenomen sal weesen moeten worden gesteld onder Subalterine goede Jnlandsche hoofden die reeds blijken van trouwe aan de compagnie gegeven hebben 2. Dat de aadjagan en over de plaatsen daar bezuiden bij uw E: schriftuur opgenoemd item de daar sig op houdende volkieren en soo ook over Catapang Beniak en Pakkum een vertaruwd hoofd, waar toe mijns eragtens twee van de door uwE opgegeven getrouwe mantries Tjaring gandul Sindidorono en ongo gipto in aanmerking kunnen komen om even als hierde ingabeijs van van torbaije en goemolacq onder den adipattidirect staan gesubordonneerd onder den regent met den titul van ingabeij sal moeten gesteld en te Caadjagan voor eerst eenige inlandsche militairen om tegen allen overvaart en conrespondtentievan en na ofo met die van balij en van roessa te waaken en het geen er verder te verrigten valt waartenemen mogen gelaten mitsgaders in het op de hoek van Pakkum aanteleggen Fortje waar van aanstonds nader sal gesprooken worden :/ moeten geplaatst worden een sergeantschap europeesche en even soo veel inlandsche militairen nevens een cannonier en twee bosschieters ter observantie van het namm tusschen Balij en balemboangang waar toe ook daar een te Cradjagan 105. Van Iavasoost kust den 5 februarij 1774. Van Java ost hust den 5. ' Februarij 174 Cradtjagan een end twe overige van de vier door hunne hogEdelheeden voor balamboangang geaccoriteerde en van rembang uwb reeds toegesonden mauuwmajangs te banjoe alit ten dienste van en bekruising voor die plaat„ so respective kunnen gemploijeerd en het daar meede ook moeten worden gesteld wijlvan dete Sourabaija truis komnende twe altosen pantjallang kanmorden gemistomover en weer te vaaren en balemboangang van het noodige te voorsien sullende de opgenoemde vier prauwmajangs bemand mogen worden ider met 12 inlandsche zeevarende en 2: a 3. of uitterlijk vier Eurcpeesche mattroosen neevens en quartiermeester op een der twee prauwen voor de hoofd post insteede van een quartiermeester en ses mattroosen voor ieder paauw om dat ik dit voor een schrijffout houde also er ook op die vaartuigjes geen plaats is tot behoorlijke lijfberging voor meer dan 15: a 16 koppen en uwE selfs voor vier pauwen niet meer als nodig opgeeft dan twee quantiermeestert en 12 mattroosen mitsgaders de gesaghebbers van dese en van alle andere vaartuigen die in het vervolg ter beknuissing om dien oirt worden uitgesonden en g'emploijeerd steeds in mandatis gegeven en gelaast moeten werden de balijsche wal soowvelgeschieden kan te mijden om door de stroomen op deselven niet beset te raaken 9. Dat dewijl na hunne hoog Edelheeden voorschrift en het uwE reeds toegesonden plan te Banjoewangie voor de hooftpost voor eerst moet worden aangelegdt een gepalisadeerde vijfhoek en tepakkum soo na aanstrand van de daar uitsteekende hoek en werkje van 8 een ponders na een ander deesen versellend plan met de allernodigste en voor al niet meer gebouwen daar binnen alle van larie hout en niet van steen en kalk door uwE bij aanweesen in het balemboangsche selfs niet alleen de ordres daar toe en ook moeten worden gesteld om rondsom ider fortje eene goede gragt te graaven en de aarde te gebruiken tot de vallen maar ook dat onder uitloving van een redelijke betaaling aan de balemboanger voor het larie hout de nodige aanstal kan en diend te worden gemaakt om at het gene tot de palisadeering der twee Cortjes alsan„ dersints benoodigdt sal sijn bij een tesamelen ten eijnde met de goede tijd direct handen aan het werk te kunnen slaan waar toe almeede vereischt word dat uwE ondersoeke en mij informeere 3 op de balemboangers nu bij als voor segd van alle contributie drie Jaaren vrij verklaard sijnde nodige battoors uit haar selfs tot die werken niet soude kunnen leveren het sij geheel voor niet of onder verstrekking van haar dagelijks voedsel dan wel op wat wijse die anders sonder drukkende Last uitac overige Regentschappen in den oosthoek soude kunnen worden bij een gebragten gefourneerd (:) op den te sourabaija bescheijden timmerman die dog derwaarts moet gesonden worden het open toe zigtover de Exstructie voor der

NL-HaNA_1.04.02_3418_0109 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 5th of February 1774. From Java's East Coast, the 5th of February 1774. Whether the construction of the small forts according to the drawings can be entrusted to him, or whether someone else is capable of it; 2nd, whether, since one must manage with native laborers, the required workers can be found there, or whether they will have to be supplied from Sourabaija and other places at the customary wages; and whether iron cannon are available in the East Hook for placement in both fortifications, or how many pieces and of what caliber are lacking, so that Your Honour may be provided therewith from here. I say iron cannon because I am of the opinion that it is more in the Company's interest to risk ordnance of that mineral rather than of bronze in such remote places, as well as on small cruising vessels; and therefore I shall also expect from Your Honour a specific list of all the bronze ordnance to be found in the East Hook, and likewise of the iron cannon that will be needed instead for remote posts and the cruising praus majang. 4th, that concerning the servants, their placement, and number, both at Banjoealit and at Pakkum, at Gradjagan, and also at the place where the new regent shall choose to take up his residence, the determination made by Their High Nobilities must take effect as far as possible; yet, that the discharging of any surplus native soldiers shall nevertheless not be proceeded with until it is evident that they can be spared in complete safety, which seems to me will not be earlier than after the people of Noessa (which island Their High Nobilities specially desire to be left untouched for the rest) have been brought to submission, and no more commandos need to be dispatched to track down the chief rebels still roaming about. The servants at the outposts must constantly be provided with what is necessary, dispatched from the main post at Banjoealit, provided that they, together with all the others, continue to be carried on the Sourabaija pay-books, and that the resident submits among the monthly papers the list of names and mortality rolls according to the custom in other places. And since, as far as the western part of Balemboangang is concerned, especially Panaroekan, Gradjagan, Djember, Sabrang, Arennis, and Centong, the order of Their High Nobilities dictates leaving everything on the present footing and thus each of those places left to itself, without proceeding to the proposed construction of a fort at Panaroekan, I deem it a matter of necessity, in order to prevent disputes in the future over the delimitation of borders, and I therefore demand Your Honour to commission, as soon as the monsoon permits and it can be done with prospect of success, the Lieutenant Commandant at Passorouang, Adriaan van Rijke, and the Ensign Fredrik Fisser: 1st, to determine together, with the chiefs of the aforementioned places on the one side and one of the Balemboangang Adipatis assisted by some native persons knowledgeable about the country on the other side, the boundaries between Eastern and Western Balemboangang; 2nd, subsequently, yet with the first-mentioned chiefs alone, to establish also in particular the borders of each one's land, and at the same time to inspect more closely the size, population, location, and extent of those lands, and their distance from Lamadjang and other surrounding districts, what they produce, and what further deserves attention, and to form as good a map thereof as possible; 3rd, to encourage the native population in general to deliver the rice, wax, cotton yarn, cardamom, and pepper that the country yields and they can spare to the Company at the fixed prices, at the place where, according to Your Honour's opinion, this can most conveniently be done; and 4th, to inspect the present fortifications at Panaroekan and at Adirogo, to make drawings thereof as well as possible, and to demonstrate the necessity thereof or lack thereof, especially of the post at Adirogo, in order to keep the communication with Balemboangang open on that side; with orders to submit an accurate report of everything in writing, and subsequently to cause the chiefs of the aforementioned places to depart for Sourabaija, in order to make those who have thus far given satisfaction take and confirm the oath of allegiance and obedience to the Company, under the special notification that they will have to acquiesce whenever it is deemed fit to place them all under a single separate chief or to incorporate them into other regencies. Since the disposition of Their High Nobilities and the arrangements flowing therefrom not only promise the most desirable successes given a proper execution of the orders and a gentle, friendly treatment of the native population (which must above all be earnestly recommended to the officials in the new conquests), but also thereby answer Your Honour's successive separate letters to me, the last of which is dated the 27th of December 1773 insofar as they bear upon Balemboangang affairs on this matter; I shall, conforming myself further thereto, continue to await these matters together with the outcome of the commission entrusted to Your Honour, and at the same time look forward to receiving your considerations, as well as those of Resident Schophof, concerning such points as occur to them and which they shall deem to merit alteration or that could otherwise be arranged; and what further will need to be done in the future to secure for the Company a peaceful possession and profitable residency in those lands, for which purpose the navigation to and from Bali, even under the pretext of petty trade, must strictly remain prohibited.

Dutch transcription

Van Javas ost hust den 5. februarij 174. Jan Javas oost cust Den 5: Feber 174 der fortjes na de Teekeningen is toe te vertrouwen dan wel op iemand anders daar toe in staat is @: of vermits men sig met jnlandsche werk„ lieden moet helpen de benoodigde daar te vinden sijn dan wel van Sourabaijn en andereplaatsen sullen te fourneeren wesen tegen de gewoone betalingen an of in den oothoek ijser canon voor handen is ter plaatsing in beide de sterktens dan wel hoe veel stukkenen van wat caliber en manqueeren om vuE daar meede van hier voorsien Ik segge ijzer Canon omdat ik van gevoelen ben dat het meer met sComp: jnterest over een komt geschut van dat mineraal dan van metaal op sulke afgelegen plaatsen soo meede op kleine kruisvaartuigen te wagen en daarom sal ik ook van uwE: verwagten eene specificque opgave van al het metaal geschut dat in den oothoek tevinden is en soo ok van het ijser Canon dat daar en tegen voor afgelegen posten en de truisprauwmajangs sal nodig weesen. 4:e dat omtrent de dienaaren dies plaatsing en getal soo wel te Ban„ joealit als te Pakkum te Cradjagan ook ter plaatse waar de nieuwe regent verkiesen sal sijn verblijk te houden wel soo verre mogelijk is de de door hunne hoog Edelheeden gemaakte bepaaling effect moet sorteren dog dat egter tot de afdanking der Jnlandsche krijgens die er meerder mogten sijn niet sal mogen worden overgegaan voor dat consteerd dat met volle gerustheijd kunnen worden gemst 't geen mij voorkomt nieteerder te sullen weesen dan na dat die van Noessa /welke Eiland hunne hoog Edelheeden speciaal begeeren dat voorest angeroerd sal gelaten worden tot submissie sijn gebragt en ook geene commandos meer behoeven te worden gedaan ter opspeuring van de nog swervende hoofd rebellen moetende steeds: de dienaaren op de buiten posten bescheiden sijn van de hoofdpost te banpoealit met het benodigde voor sien mitsz:s met alle de overige bij de sourabaijasche soldij boeken blijven voortlopen en door den resident onder de Maandelijksche papieren besorgd worden de ngaimen dood rollen volgens het gebruik op andere plaatsen. En vermits wat het westelijke gedeelte van balemboangangen wel speciaal Sanaroekan Pradjagan Djember, sabran ab rennis en Centong aangaat de ordre hunner hoog Edelheedens dicteert om alles op den presenten voet en dus ider dier plaatsen op sig selve gesteld te laten sonder tot de geproponeerde Extructe van een fort te Panaroekan over te gaan agte ik het om diputen in het vervolg over de grensscheijding te prevenieeren een poinct van noodsakelijkheijd en demandeere vwE: over sulks om soo ara de monsson het toelaat en met verwagting van Succes geschieden kan den Lieutenant Commandant te Passorouang Adriaan van Rijke en den vendrig Fredrik Fisser te committeeren Wom nevens de hoofden der opgemelde plaatsen ter eener en Een niet der 707 Van IavasoostKust den 5: Febr: 174 — Van Javas Oost Cust den 5: Fbr 174 — der balemboangsche Sepattijs geassisteerd met eenige Landkundige Jnlanders ter anderen zijde te samen de limiten tusschen ooster en wester Balem boan„ „giing te bepaalen (:) om vervolgens dog met de eerst genoemde hoofden alleen de grensen van ieders land in het bijsen der ook vast te stellen mitsgaders teffens nader de grootheijd volkrijkheijd legging en strekking dier landen en haare afstand van lamadjang en andere rondsom leggende districten wat voortbrengen en verdere opmerking verdient op teneemen en er so goed moogelijk eene kart van te formeeren (3) om den Jnlander in het gemeen te amineeren de rijst het wax catoengaren de Cardamom en de peper die het land uitleeverd en sij missen kunnen aan de Compagnie teegen devast bepaalde prijsen te leeveren ter plaatse daar sulks naaruwE gedagten hetconvenabelst wesen af geschieden kan en (4, om de tegenwoordige Ssterktens te Panaroekan en te adirogo op teneemen daar van soo goed mogelijk Teekeningen te maaken ende noodsakelijkheijd derselve al of niet aan te toonen insonderheijt van de post te adirogo om aan die zijde de correspondentie met balemboangang open te houden met lastom van alles nauwkeurig verslag in scriptis te doen en vervolgens de hoofden der opgem: plaatsen na Sourabaija te doen vertrekken om die dus verre genoegen gegeeven hebben den Eed van trouwe en gehoorsaamheid aan de Compagne te doen afleggen en te bevestigen onder speiaale aankundiging dat sij het sig sullen moeten laten welgevallen wanneer goedgevonden word hun alle onder eenbisonderhofd t stelen of ij andere regenschappen in te lijven. De dispositie hunner hoog Edelheeden ende daar uit voortvloeijende schikkingen niet alleen bij een goede executie der ordres en eene Jagte vriendelijke behandeling van den Jnlander /(die de bediendens in de nieuwe conquesten boven alles met ernst moet worden aanbevelen:/ dewenschelijkste successen beloovende maar daar meede teffens beant„ woord sijnde uwE successive aparte brieven aan mij waar van de laatste gedateerd is den 27. december 1773 voor soo verre over dese materie op de Balemboangsche saaken rouilleeren sal ik mij nader daar aan gedragende het van het een en ander nevens den uit„ slag der uwE: toevartrouwde Commissie blijven afwagten en teffens te gemoed sien uwe consideratien ook die van den resident schop hoff omtrent sulke poincten die deselven voorkomen en vermenen sullen dat alteratie meriteeren of dat anders souden kunnen wor„ den geschikten wat in het vervolg verder sal dienen te worden gedaan om de maatschappije van eene geruste zeet en voordeelige inwoning in die landen te verseekeren waar toe de ap en aanvaart van en na balij zelfs onder preat van smallen handl te dinen moet blijven geitenditeerd aankundiging 309

NL-HaNA_1.04.02_3418_0111 view scan ↗

English

From Java's North Coast, the 5th of February 1774 From Java's North Coast, the 5th of January 1774 and, among other points occurring as necessary to your Honour during your presence there, you must also instruct Resident Schophoff to have carried out at the first opportunity and suitable season, by persons skilled in land surveying and capable thereof, not only around eastern Balambangan or the districts that are now placed under the Raden Tumenggung Wiro Goen as regent, the same survey and inspection as was previously recommended to your Honour concerning the western part, but also to have the commander of the pantjallang De Bestendigheid chart as accurately as will be feasible for him the coast itself, including the beaches, reefs, rocks, and rivers that empty into it, and whatever else is necessary for the production of a sea chart or the improvement of those that may exist; and whereas it has appeared to me from your Honour's letters that a map of the new conquests is kept at Surabaya, and I am unprovided with it here, I shall expect a copy thereof or indeed the chart itself in order to be copied here. If the remaining family of the former provisional regent Taksanagara is not too extensive, and your Honour finds that no harmful consequences can arise from it, I also see no reason why his relocation from Balambangan to Pasuruan could and should not be granted to him; but I deem it best to decline the request of the turbulent Mas Tumenggung Kesoemo for a pajong lampit, and to leave him at Grisee in his present condition under the strict supervision of the resident, whom your Honour ought to furnish with the necessary orders concerning this Mas Tumenggung Kesoemo. Since the Sumenepers still remaining at Adinogo, according to your Honour's statement and the report of Ensign Tesser, can now indeed be spared there, they may also be permitted to return home. Because no military personnel have arrived from the capital Batavia to date, I am also not in a position to provide any reinforcement to the Eastern Salient, although according to the latest general strength report 10 soldiers are presently lacking there; but since the present scarcity does not permit exceeding the quota in any places that do not need it, I am surprised that at Bangkalan 2 Sergeants 4 Corporals 6 soldiers, as well as at Grisee also 4 common soldiers are serving in excess of the complement, and I therefore order your Honour to remove them from there and employ them elsewhere, unless there are particular reasons for their remaining there, which I shall then expect to be informed of. Meanwhile, after greetings, I remain, was written below: your Honour's good friend, was signed: J. A. van der Burgh. In the margin: dated as above. Below was written: Agreed, was signed: J. R. van der Burgh. Extract 111. 113 From Java's North Coast, the 5th of February 1774. From Java's North Coast, the 5th of January in the year 1774. I have repeatedly, both on the Company's behalf and privately, brought to the serious attention of your Right Honourable the true reasons for the sluggish collection of rice here, which are none other than the disgraceful, careless conduct of the regents, but principally of the first one, who is a vile, filthy, and incompetent creature, entirely unworthy of the Company's favour were it not for the old, upright regent his father; and his bupati is likewise an object just like the regent, unfit for anything; in contrast, the second regent is steady and zealous in conduct, as is also his bupati, whose contingent I also foresee will be settled this month of January, and I perceive in that young man an attentive, ambitious, and docile mind, who, gaining greater knowledge with the increase of years, will also be worthy of the Company's esteem; whereas the first regent, however much urged amicably, supported and aided by my own supervision on the one hand, on the other hand at a sharp reprimand had it placed before his eyes that I would not vouch for his title of Raden Tumenggung, which he bore so unworthily in the service of the Company, if he does not dutifully fulfill his full contingent, whereby he shows... Rice being the principal product that Java delivers to the Company, and upon and from which the poor countryman must subsist, every regent is also bound and obligated to be exceedingly attentive to the cultivation thereof; and for that reason, and because the season is just right for it, I command you to encourage your subordinates and lead by good examples, in order to set into work and execute that which serves and must be done so that, under Heaven's blessing, a rich harvest may be anticipated; while it may serve for everyone's notice that, as there are regents who have now for two years in succession sorely misled me in this regard and given great proofs of negligence, I also intend, if they do not show greater vigilance this year, to make an example of them. Copy of circular missive written to all regents on the 27th of January 1774. ...would give how little he valued the Company's most exceptional favour in remitting so many coyans of rice; witness they themselves, witness every wish, and indeed my conscience, what care, attentiveness, and aid I have employed, and daily still employ, in order to be able to fulfill my bounden duty to my high superiors, yet fruitlessly. Below was written: Agreed, was signed: J. R. van der Burgh. Extract from the missive written by the Commander at Surabaya on the 11th of January 1774 to the undersigned.

Dutch transcription

Van Javasoostust den 5 Febr: 1724 — Van Javas os Custdm 5: Jenurij 174 en uwe den resident schophoff onder andere uw E. daar bij aanweesende no„ dig voorkomende poincten ook moet de mandeeren om bij eerstegleegentheid en goede tijd door landkundige en daar toe bekwame persoonen niet alleen omtrentooster balemboangang of de districten die nu onder den radeen tommongong wiero goen als regentworden gesteld het selve telaten verrigten den opnemen als uwE: voorwaards omtrent het westelijke gedeelte aan bevolen is maar om ook door de gesaghebber van de pantjallang ite bestendigheid soo naarwkeurig hem doendlijk sal weesen te laten opneemen de kust selfs met destranden reeven klippen en rivieren die en uitloopen en wat verder nodig is tot formeering van een seekant of verbetering van die ermogen sijn en dewijl mij bij uwE: brieven voorgekoomen is dat de sourabaija een landkaard van de nieuwe conquesten berust en ik daar van hier onvoorsien ben sal ik daar van een Copia verwagten of wel de kaart selfs om hier gecopieerd teworden. Als de agtergeblevene familie van den geweesen provisineel regent Taxa„ „nagara met te g'estendeerd is en uw E bevind dat er geene nadeelige se„ queelen u'tvoortvloeijen kunnen vind ik ook geen reeden waarom in denselver verhuising ut balamboangang naar Passorouang bij hem niet soude kunnen en mogen bewilligd worden maar het versoek vanden Woelzieklen Maas Mangong besoeme om en paiong lampit agte ik best te de Clineeren en hem te grisse in sijn presente staat onder naauw keurig toesigt telaten van den resident die uwE met de noodige ordres omtrent deese Maas Mangong kesoemo diene te munieeren. Dewijl de te adinogo nog resteerende Sumanappers volgens wE opgave en het berigt van den vendrig Tesser daar tans er wel kunnen worden gemist mag hun ook worden gepermitteerd naar huis te keeren. Door dien en tot heeden toe geen militairen van de hoofd plaats batavia sijn aangeland ben ook met in staat den oosthoek eenige versterking te besorgen afschoon daar actuel volgens de Jongste generaale sterkte 10: selaten manqueeren, maar nadien de pretente schaarheijd niet toelaat op eenige plaatsen die het met nodig hebben de bepaaling te boven te gaan vervondere ik mij dat te bancallang. 2. Sergeants 4. Corporaals 6. soldaaten, mitsgaders te grissee ook 4. gemoene militairen over compleet lopen en gelaste uwE oversul deselve van daar te ligten en elders te emploieeren jndien en geene bisondere redenen voor dies verblijf daar sijn dog welke ik dan verwagten sal te weeten terwijl na groete blijve , onderstond:/ uwE goede vriend / was geteekend:/ I: A. van der Burgh /in margine/ tatumefls vooren /onderstond:/ Acordeerd /:was geteekend: /: I: R: vander Burgh. Extract 111. 113 Van Javas ost Cust den 5:' Febr: 174. Van Java os Cus den 5 fenuarij Ao 174.— Ik heb meermaalen so comp: wegens als particuliere uwel Ed achtb: met ernstige aandrang onder het oog gebragt de ware redenen over den tragen insaam van rijst alhier welke geene aandere sijn dan het Honaigen sorge„ „loos gedrag van de regenten dog wel hoofdsakelijk van den eerste dat een slegt tu vuil en onbekwaam schepsel is en s Compagnies gratie geheel onwaardig so de oude brave regent sijn vader daar niet was en sijn bepattijs. is eeven gelijk eenvoorwerp als de regent onbekwaam tot iets daar en tegen de tweede egent bestendig en ieverig van gedrag is ook sijn bepattij, wiens contingentik ook schien staat matie dat dese maand Ianuarij sal veref„ „fent worden en bespeur ik in dien jongman een oplettend ambilieus en leersaam gemoed die bij aan was van Jaaren meerder kundigheijd krijgende ook de agting van de compagnie sal waardig sijn daar deerste regent hoe seer in der minne aangemaant door meijn eijgen toesigt ondersteunt en geholpen aan de eene kiant aan de andere kant bij scheep hekeling hem hem voor oogen gehouden dat ik voor sijn naam van radeen tommongong welk hijso onvaardig ten dienste van de compagnie droeg niet wilde instaan indien niet zijn volle Contingent na pligt voldoet waar door hij blijken De rijst het voornaamste product sijnde wat Java voor de compagnie uitleeverd en waar van en uit den armen landman moet bestaan is ook ider regent gehouden en verpligt op de culture daar van ten uitterste attent te sijn en daarom en wijl het lans guist de tijd daar toe i ecomman„ deere ik uw desselfs onderhorige aantespooren en met goede voorbeeden voor te gaan om dat geene in het werk te stellen en uittevoeren dat diend en moet worden gedaan om onder Sheemels zeegen een rijken oogst te gemoed te kunnen sien terwijl tot narigt van een ider strekken kan dat dewijl en regenten sijn die mij nu twee Jaaren agter een in desen seer misleid en groote blijken van verloosheijd gegeven hebben ik ook voor„ nemens ber wanneer in dit Jaar geen meer vigelantie toonen hen ten Copia Circulaire missive geschreeven aan alle re„ genten den 27. Januarij 1774. soude geeven hoe wanig bij ds Compagnies bijsonderste gunst bij renis van so veel corangs rijst in waarde hield getuigen sijn sij selve getuige zij ider wonsch en wel mijn gemoed wat reven sorg oplettentheijd en hulpe ik heb aange„ wenden dagelijks nog aanwende om aan mijn hooge gebieders na schul„ digste pligt te moogen voldoen, dog vrugteloos /onderstond:/ Accordeerd /:was geteekend:/ I: R: van den Burgh. Extract uit de missive geschreeven door den gelag„ hebben luzacte Sourabaija den 11. Januarij 174. aan den ondergeteekende soude exfempel

NL-HaNA_1.04.02_3418_0113 view scan ↗

English

115 From Java's northeast coast, 5 February 1774. — to make an example of others and have them receive such correction as those deserve who act against oath and duty, and neither knowing their own welfare nor that of their subordinates, are also not worthy to command others. Pattij, Joana, Toeban, Sidaijoe, Lamongang, and Passourouang It having come to my attention that with the Dutch New Year Your Honor was still [illegible] Coiangs in arrears and indebted on your contingent, I must express my surprise regarding this, with the recommendation, upon receipt of this, to settle as much as will ever be possible for Your Honor. Sourabaija, Paccalongang, Batang, Wiadasa It having come to my attention with great surprise that Your Honor, contrary to the promise made to myself and Your Honor's oath and duty to settle your contingent before the month of October, was still [illegible] Coiangs in arrears and indebted with the Dutch New Year, I must express my displeasure regarding this, with the recommendation to deliver, upon receipt of this, as much rice as Your Honor owes, and a warning that otherwise I shall make Your Honor feel the correction threatened above. Below stood: Agreed. Was signed: I. R. van der Burgh. Confirming my humble recent letter of 5 February, I shall respectfully use the freedom herewith, further regarding Balemboang affairs, to report that Authority Luzac departed thither on 21 January and, having returned to Sourabaija on 14 February, properly presented and introduced into his regency the new regent, Radeen Tommongong Wiero Goeno, who had been dangerously ill recently, though according to the latest reports was on the mend again; but he recommended and entrusted the remainder of the commission to Resident Schophoff. High Noble, Stern, Highly Respected Gentleman, Honorable, Stern Gentlemen. To His High Honor, The High Noble, Stern, Highly Respected Gentleman, Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable, Stern Gentlemen Councilors of the Netherlands Indies, Highly Respected Gentlemen. From Java's northeast coast, 30 March 1774. As From Java's northeast coast, 30 March 1774. From Java's northeast coast, 30 March 1774 — As is properly established in the copy of the letter from the aforementioned Authority, respectfully enclosed under letter A, along with his report and journal dated 5 and 6 February, and as can be deduced therefrom, affairs in the so-called new conquests are generally on a fairly good footing, and the prospect of complete rest and peace is continually growing. I request Your High Honors to be referred to those documents themselves and to the Authority's later letters of 26 February and 4 March of the current year, and to refer to my answer to all of them of the 11th thereafter, transmitted under [illegible] in copy, in the hope that what I have further required, instructed, and demanded therein will be approved and confirmed by Your High Honors. The Radeen Aijoe, late widow of the Panumbahan of Madura and sister of the aforementioned new Balemboang regent, being very inclined, as she says, to go see her family and cross over from Madura thither, had also already made preparations for this; but having been checked in her intention by Authority Luzac, I deemed it best likewise not to allow that journey to proceed before it is known what turn affairs will further take there and Your High Honors yourselves will have given consent to that crossing; since I am of the opinion that this woman, having enjoyed little pleasure on Madura, intends, under this pretext of trying to get away from there, to remain in Balemboang; and this, for the time being at least, does not yet seem advisable to me, because, owing to the youth of her brother and on account of the influence she had there by virtue of having been married to the well-known Pangerang Pattij Boerang, one might eventually expect her to gain some share in the administration, and this, if not bad, can also have no good consequences. The Lassum regent, Tommongong Soero Diporo, having died here in Samarang, has left behind several sons, of whom the eldest, being also the only one born of a lawful wife, would come into consideration first, had this man, named Kiej Maas Djoijo Coessomo, who is already 44 years old, not always behaved and conducted himself badly and, in vexations, surpassed his father, who leaves behind little reputation and an exhausted regency, and generally given many signs that not much good is to be expected from him, being also feared by the community, but not loved; but on the other hand, better qualities being attributed to the second son, Maas Ongkowidjojo, who is 29 years old and, like all his younger brothers according to the custom of the country, was legitimized at birth, I have also provisionally entrusted the administration to him alongside the Bepattij until I shall be honored with Your High Honors' disposition, whom I most humbly implore, which of these two sons Your Honors please intend to favor with the regency.

Dutch transcription

115 Van Javas osthust Den 5. februarij 174. — exempel van andere te laten gewonden sodanige correctie als de sulke meniteeren die tegeneeden pligt handelen en nog hun eijgen nog hunne onderhoorige welvaardt kennende ok niet waardig sijn over andere te gebieden. Pattij, Joana, Toeban Sidaijoe Lamongang en Passourouang Mij voorgekomen synde dat uwE met hollands nieuwe Jaar nog - . Corangs op desselfs contingent ten agteren en schuldig sijt geweest moet ik mijn verwondering des wegen betuigen met recommandatie, op ontvangst deeses soo veel te voldoen als uwE immers mogelijk sal weesen. Sourabaija Daccalongang, Batang, Wiadasa Met vel vervondering mij voorgekomen sijnde dat uwE in weer wil van de mijselfs gedane belofte en uw Ed Eed en pligt om voor de maand october desself ijt contingent te vereffenen met hollands nieuwe Jaar nog - . Coiangs ten agteren en schuldig sijt geweest, moet ik mijn ongenoegen deswegen betuigen met recommandatie om op ontvangst deses te leveren soo veel rijst als uw E. debet zyt en waarschouwing dat ik bij het Contrarie uw E: de hier boven be„ dreigde Correctie sal laten gevoelen /onderstond:/ Accordeerd /:was geteekend:/ I: R. van der Burgh Mijne onderdanige Jongst apant van den 5. februari confirmeerende sal ik een„ biedigen submis de voijsreijt gebruken bij deesen ten vervolge den balemboangsche saaken te melden dat den gesaghebber Luzac den 21. Januari naderwaarts vertrokken en den 14 februarij te sourabaija terug gekomende sijnde den nieuwen regent radeen tommonging wiero goeno die Rteels gevaarlijk siek geweestis doch volgens de laatste berigten weder aan de beterhand was: behoorlijk voorgestelden in sijn regentschap geintroauceerd maar het verdere der commissie aan den resident schophoff aanbevoolen en toevertrouwd heeft Hoog Edelen Gestrengen Groot Achtbare Deere Del Edele Gestrenge Heeren. Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Gestrengen Groot Achtbaaren Heere Albertus van der Parra Petrus Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands India H: A: HE: van Javas oostkust den 30. Maart 174. gelijk van Iavas oostrust den 30:e' maart 1774. Van Iava'scostCust Den 30:' Maart 174— gelijk bij deonder L: A: deesen in Eerbiedig bij gevoegd wordende copia brief van gemelde gesaghebber en sijn rapport item dag register den 5. en 6 februarij gedateerd soo wel Consteerd als daar uit op te maaken is dat de saaken in de soo genaamde nieuwe conquesten over het algemeen op een tamelijken goed voetstaan en de apparentie tot volkomen rust en vreede steeds grooten word Ik versoeke uwE hoog Edelheeden tot die chartersselfs en des gesaghebbers latene brieven van den 26 februarij en 4. Maart anno courant temogen overweesen en mij te refereeren aan mijn antwoord op alle deselve vanden 11. daar aan onder t - . . in Copia overgaande in hoope dat het geene ik daar bij nader gerequireerd opgedragen en gedemandeerd hebbe door uwE: hoog Edelheeden goedgekeurd en sal worden geapprobeerd. De radeen aijoe laast weduwe van den Panumbahan van Madura en suster van den niene balemboangangs regent voormeld seer inclineerende om sosij segt haare familie te gaan sien en van Madura derwaarts oversteeken had: daar toe ok al aanstal gemaakt maar door den gesaghebber Zuzac in haar voornemen gesluit heb ik getast die reise ook geen voortgang te laaten hebben voor dat men sal weeten wat hieer de saaken daar ver der neemen en uw hoog Edelheeden selfs consent tot die overvaart sullen gegeven hebben overmits ik van gevoelen ben dat deete op Madura niet veel genoegen genooten hebbende vrouw onder dit voorgeeven van daar tragtende tekomen voornemens is in het balemboangsche te blijven en dit mijnvoor eerst ten minsten nog niet raadsaam voorkomt om dat sij mits de jonkheijd van haaren broe„ „der en uthoofde van het credit dat sij als met den bekende pangenang Pattij beorand getrouwd geweest sijn de daar heeft gehad mi sonwijlen soude twagten eenig deel in de directie te krijgen en sulks soo geen kwade dog ook geen goede sequeelen hebben han Den Lassums regent tommongong Soero diporo hier te samarang overleeden sijnde heeft verscheijde soons nagelaaten van dewelke den oudsten als ook de eenigste sijnde die bij eene wettige vrouw is gesteld het eerste in aanmerking soude komen indien deese genaamd kieij maas Djoijo Coessomo die reets 44. jaaren oud is sig niet altoos slegt gedragen en gecomporteerd en in vetatien zijn vader die weijnig reputatie en een uitgeput regentschap nalaat teboven gegaan en over het algemeen veel blijken gegeven hadt dat van hem niet veel goeds te wagten is sijnde ook bij de gemeente gevreest maar niet bemind dog daar en tegen aan de twee son Maasongko widpoij die 29 jaaren oud en even als alle zijne Jongere broeders na slands wijse bij de geboorte geweltigd geworden is beter hoedanigheeden toegeschreeven wordende heb ik ook aan deesen nevens den bepattij het bestier bij provisie opgedragen tot dat ik vereerd sal weesen met uwer hoog Edelheeden dispositie die ik nedrigst Jn„ ploneere wie Hoog deselve van deese twee soons met het regentschap voornemen gelieven -

NL-HaNA_1.04.02_3418_0115 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 30th of March 1774. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. pleased to favor, and for whom I then request a commission as tumenggung under the name that the deceased bore. And while writing this, also receiving the tidings that the adipati Tjitr Soemo passed away at Japara, I have the honor to inform Your High Excellencies thereof and to request that in his place the tumenggung Ropo Prodja may step forward as first Regent of that district, provided that he may be succeeded as second regent by one of the deceased's three surviving sons, of whom the middle one, currently regent of Lamongan, is an alert man who is quite needed in that district to bring it further into good order; or actually by the eldest, named Ingebeij Soemo Dwi Radjo, to whom the right of primogeniture belongs, though he is said not to be the most vigilant; or then by the youngest, named Cromo Widjojo, but born of a secondary wife and, according to reports, more active than his brother. Whichever of these two Your High Excellencies shall be pleased to choose, with the title of tumenggung and the name that their deceased father bore, namely Tjitr Soemo. Lieutenant Jan Jacob Alles, who held command over the infantry at Djocjacarta, having passed away, I request of Your High Excellencies that Ensign Johan Hendrik Nam, having one year of service and currently serving militarily there, may be favored with a commission as lieutenant, and that in his place and to fill other vacancies, Sergeants Coenraad Zimmerman, Carel Christiaan Fredrik van Werner, and August Muller may be advanced to ensigns, as they are all persons who merit Your High Excellencies' benevolence. The Sultan having caused a request to be made to me for 150 pistols of ordinary sort against payment, I respectfully submit that application herewith to Your High Excellencies and solicit to be honored with Your High Excellencies' qualification and approval. I have the honor, with the purest sentiments of respect and esteem, most dutifully to remain, was undersigned: High Honorable, Valiant, Highly Esteemed Lord, and Right Honorable, Valiant Lords, lower: Your High Excellencies' most humble and obedient servant, was signed: J. R. van der Burgh in the margin: Samarang, the 2nd of March, Anno 1774. and Copy 121. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. Copy of a separate letter written by the Senior Merchant and Commander at Sourabaija, Mr. Pieter Lizac, to the Governor at Samarang, dated the 5th of February 1774. After my arrival on the 27th of January, having administered the oath of loyalty to the Company on the 31st of the same month to the regent of Balambangan, Raden Tumenggung Wiro Goeno, together with the two bupatis assigned to him, Suro Kuntjo and Bawalafana, and the subsequent public presentation of the aforementioned regent on the 2nd of this month, while I was engaged in answering Your Right Honorable's revered missive of the 3rd of January with the contents of the highly revered resolution of Your High Excellencies accompanying it, by the extract from the separate letter of the same dated the 10th of December 1773, I had the honor on the 4th of this month to receive Your Right Honorable's further separate missive of the 18th of January, accompanied by a plan for a small work close to the beach in order to form its projecting point at Pakem. For the most dutiful answering of the several received orders under the commission for Balambangan affairs, so far as the same could and might be performed by me here, as well as demanded by mandate of the resident for answer and execution, Masenkong, adopted daughter of Batanagara Fisien, adopted daughter of Javanagarra Mateboog, a mother of the youngest wife of Jafanagarra Sieseboog, a daughter of Maseboog A little daughter named Tjoekie, of Majsang A little son named Sengkong, of the same who, having been questioned by me whether they were also inclined to stay with Javanagarra, replied that they preferred to settle their residence here, and I can find nothing therein that could cause any disadvantageous consequences, having been left, I most obediently offer Your Right Honorable a report in writing, with a kept record and further enclosures relating thereto, which I hope may meet with Your Right Honorable's favorable pleasure and approbation. Regarding the subject of the family of Jasa Nagarra remaining behind here, there are none from his side, but upon inquiry from his wife's side, the following were found to be present here, namely: Ma Jsang, sister of the wife of Jaxanagarra Tjangie, brother of the same, gone to Besoeki for his affairs, left thus

Dutch transcription

Van Iavas oost ust Den 30:' MMagrt 174. Van Iavas oostkust den 30 Maart 174. gelieven te begunstigen en voor den welke ik dan versoeke eene acte als tommon„ ging met de naam die den overleeden heeft gevoend. Endewijl ik onder het schrijven dees ook de tijding ontvange dat tejapara overledenis den adipattij Tjifro Soemo heb ik de eere uw: hoog Edelheeden daar van kennisse te geven en te versoeken dat in sijn plaats tot eerste Regent van dat district mag op treeden den tommongong Ropo Prodja mitsgaders dat deese gesuccedeert mag worden als tweede regent door een van des overledens nagelaten drie soons van dewelke de midaelste actueel regent van La„ moengang een wakker man in dat district om het verder in goede staat te brengen nog wel wat nodig is :/ of eigentlijk door den oudsten die Jngebeij soemo Duiractjo genaamdt sijnde het regt van eerst geboorte competeerd, doch gesegd word de vigilantste niet te wesen dan door den Jongsten die Cromo widjoij genaamd maar bij een bij wijf geteld en volgens de rapporten activer dan sijn broeder is wien van deese beide uwe hoog Edelheeden sullen gelieven te verkiesen met den titul van tommongong endenaam die haaren overleeden vader heeft gevoerd namentlijk Tjitr soemo. — Te Djoodjocarta den over den infanterie het commando gevoerd hebbende luitenant Ian Iacob Alles overleden sijnde versoeke is uwer hoog Edelheeden dat men een acte als buitenant mag begunstigd worden den 1: Jarigen tans daar militairende vendrig Johan hendrik Nam en dat in sijn plaats en ter vervulling van andere vacatures tot vendrigs mogen worden geavanceerd de Sergeants Coenraad Zimmerman, Carel christiaan Fredrik van werner en August Muller als alle persoonen sijnde die uwer hoog Edelheeden benevolentie meniteeren. De Sulthan mij om 150 pistoolen ordinaire soort tegen betaling heb„ „bende laten versoeken draage ik die instantie bij desen uwer hoog Edelheeden Eerbiedig voor en solliciteere met hoog Derselven quali„ ficatie en goedvinden te mogen worden vereerd. Ik hebde eere met de suiverste gevoelens van Eerbied en agting schuldpligtigst te blijven /:onderstond:/ Hoog Edelen gestrengen groot Achtbaaren Heere en wel Edele gestrengen Heeren /:lager:/ uwer hoog Edelheedens gantsch onderdtaanige en ge„ hoorsz: Dienaar /:was geteekend:/ I: R: van der Burgh /:in margine,/ Samarang den 2:e Maart Anno 1774. en Copia 121. Van Iavas oostkust den 30 Maart 174. Van Javas oostCust den 30 ' Maart 174. Copia aparte Brief geschreeven door den opperkoopman en gesaghebber te sourabaija Mr Pieter Lizac aan den gouverneur te Samarang gedateerd 5. febr: 1774. Na mijn arrivement op den 27 Januari den regent van Balembaangang raden tonmongong wiere goene beneffens de hem toegevogde twe bepatijs soeroe koentje en bawalafana den eed van trouwe aan de Compagnie afgenomen heb„ „bende op den 31: derselver maand en de daar opgevolgde publicque voorstel„ „ling van op gem: regent op den 2. deeser terwijl ik besig was te beant„ woorden uwel Ed: achtb: gevenereerde missive van den 3. Ianuarij met den inhoud van de daar bij verseld geweest sijnde hoog geveneerde dis„ positie haarer hoog Edelheeden bij de extract uit de aparte brief van hoogst denselve van dato 10 december 1773. so hadt ik d'eere op den 4. deeser te ontvangen uwelEd„e achtbare nadere apparte missive van den 18 Ja„ nuari verseld van een plan tot een werkje so na aan strand om dies uitsteekende hoek te pakkum de formeeren. Tot schuligste b'antwoording van welke een en ander ontvangen ondres in Commissie tot de balamboangsche saken, so verre als deselve door mij alhier hebben kunnen en mogen verrigt so wel als bij mandatis aan den resident ter b'antwoording en volvoering gedemandeerd agter Masenkong aangenoomen dogter van Batanagara Fisien aangenoomen dogter van Iavanagarra Mateboog is een moeder van de Jongste vrouw van Iafanagarra Sieseboog is een dogter van Maseboog Een dogtertje genaamt Tjoekie van Majsang Een soontje genaamt Sengkong „ „ d:o welke door mij afgevraagd sijnde op sij ook genegen waren bij Iavanagarra te verblijven ter antwoord diende dat sij verkoosen lieft hier te woon hun neer te zetten en kan ik daar bij niets vinden t welk eenige nadeelige sequeelen soude kunnen veroorsaaken gelaten geworden sijn uwel Ed: achtb: gehoorsaamst aanbiede een berigt in scriptis met een gehouden aantekening en verdere bijlagen tot dien eijnde relatie 't welk verhope dat uw Ed: achtb: gunstige genoegen en appro„ batie mag wegdragen Ten Sujette van Jasa nagarra sijn familje alhier agtergebleevene sijn er geen van sijn kant dog bij ondersoek van sijn vrouws kant be„ vonden alhier aanweesig te sijn de navolgende, als Ma Jsang suster van de vrouw van Iaxanagarra Tjangie Broeder „ „ d„o na Besoekie om zijn affaires gelaten alsoo

NL-HaNA_1.04.02_3418_0117 view scan ↗

English

123. From Java's East Coast the 30th of March 1774. From Java's East Coast the 30th of March 1774. as none of them have any relation directly to the old Pasanagara his family, who have all been taken along and are with him, yet although I have written to the resident at Grissee regarding Your Honourable Esteemed's respected intention concerning Manong Cesoemo upon renovation, I would nevertheless be of the opinion that one could well favor this Mas Mannong Cesoemo with a pajong and lampet to encourage him in the faithful service of the Company. The Sumenapers having performed service at Adirogo have already been dismissed homeward on account of their continuous sickness; I have also, with respect to the supernumerary military personnel who might be either at Bancallang or at Grissee, written to the administrator Van der Niepoort to draft the same and to retain them at Sourabaija, in order to be employed elsewhere from there, and as there rests with me no other land- or sea-map of Balemboangang than that of which a copy accompanied my written document concerning that district, but having learned that such a one should be in the possession of the administrator Van der Niepoort, I have discussed this with him and written to him to dispatch it. Herewith then, in so far as I flattered myself to have complied with the performance of duties and left orders for the further completion and fulfillment of the highly respected arrangements and orders, the most obedient reply to Your Honourable Esteemed's [illegible], respectful report regarding the proceedings at Balemboangang in reply to what was instructed by extract from the revered separate letter from Their High Excellencies the High Indies Government at Batavia, dated 13 December Anno 1773, To The Right Honourable Esteemed Sir, Johannes Robbert van den Burgh, Governor and Director on and along Java's North-East Coast. Honourable Esteemed, Valiant, Manly, Prudent, [illegible] of Their High Excellencies over the Balemboangang affairs; so I hope with God's help to undertake the journey homeward by sea this coming Monday, since in the present state of that district as well as the season it is impracticable and not well possible for me to undertake it [overland]; so I have the honour herewith most respectfully to conclude and to sign myself with all obedience. Underneath stood: Your Honourable Esteemed's very humble and obedient servant. Was signed: P: Luzac. of orders 125. From Java's East Coast the 30th of March 1774. From Java's East Coast the 30th of March 1774. orders by separate dispatch of the 3rd of January, I have, together with the regent of the lands of Balemboangang appointed by Their High Excellencies, the Raden Tommongong Wiero Goeno, departed on the journey thither, and upon arrival, after having taken the oath of allegiance to the Company, publicly presented him to the people here, and thereafter had his act handed over to him, just as appears more extensively to Your Honourable Esteemed from the notes annexed hereto; whilst further, regarding the Balemboangang affairs, what served to be done and performed is most humbly offered in respectful proposal to Your Honourable Esteemed according to each article contained in the extract mentioned at the head of this, namely: Article 1. With respect to the elected regent Raden Tommongong Wiero Goeno as well as both the patihs Doeroekoentje and Bawalaxana, the actions taken in conformity with the contents appear from the annexed documents. 2. For the same, the mantri Karrang Gissing at Crajagan was judged by the resident and patihs to be the most faithful and best, who has then also been stationed there, as Katapan, having no lands or negorijen belonging to it and being waste and empty land situated close under the new main post to be constructed, will require none, and thus for Crajagan there are provisionally projected some native military personnel under one ensign, two sergeants, three corporals, and 24 common soldiers; since, to complete the seafaring servants favorably granted by Their High Excellencies for cruising the Balemboangang coasts, there will be lacking a quartermaster and 17 sailors for the 4 cruising mayangs, for which a request is most respectfully made. Article 3. For the dutiful execution of the same, this is entrusted in its entirety to the resident Schophof, who, for the completion and execution of the same, very humbly requests a capable carpenter along with an overseer for the construction and completion of the palisaded fortification work in conformity with the attached plan handed to him, the resident, in originali, and the materials and people required therewith, since the people of Balemboangang are very weak and most are not yet fit for labor; whereas the arrangement regarding garrison and housekeeping will be carried out after the completion of the new main settlement to be established, in conformity with the highly revered order; and regarding the servants stationed in Balemboangang, to be reported monthly by the resident on a regular muster roll, as has always taken place, this will also be observed for the future. Article 4. Which article was also required of the resident, and the highest, exceptional favor of Their High Excellencies regarding the exemption for the period of three years from the least contributions was also properly made known in public to the people at the presentation of their new regent. Excellencies

Dutch transcription

123. Van Iavas oostkust den 30 Maart 1774. Van Javas Oostkust den 30:' Maart 174. also geen van deselve direct tot den ouden Pasanagara sijn famillie eenige be„ trekking hebben welke alle mede genomen en bij hem sijn dog alhoewel ik uweld. agtb: geerde mntentie omtrent Manong Cesoemo bij renvatie den resident te quissee aangeschreeven heb soude ikogter van gevoelen sijn dat men deese maas Mannong Cesoemo wel met een pajong en lampet konde begunstigen om hem tot de trouwendienst voor de comp: aantemoedigen. De Sumanappers te adirogo dienst gepresteerd hebbende syn bereets om hun aanhoudende diekte thuis waarts gelicentieerd ook heb ik ten opsigte der over compleete militairen so te bancallang als te grissee soer mogten zijn den administrateur van der niepoort aangeschreeven deselve teligten en te sourabaija aan te houden, om van daar elders g'emploieert te worden en dewijl bij mij geen andere land of seekaart van balemboangang is berustende dan waar van bij mijn schriftuur over dat district een copia verseld is geweest dog vernomen dat sodanig een onder den administrateur van der Niepoort sig soude bevinden soo heb ik hem daar over onderhouden en aangeschreeven te versenden. Hier meede dan in so verre mij flatteerde voldoen te hebben bij het verrigtende en agtergelaten ordres ter verdere voltooijing en b'antwoording aan de hoog g'eerde schikkinge en beveelen Der gehoorsaamste bantwoording aan uwel Edeles Achtbare geenende Eerbiedig Berigt wegens de verrigtinge te Balemboangang ter beantwoording van het bij extract uit degevenereerde aparte missive van haar hoog Edelheedens de hooge Indiasche regeering te Bata„ via gedateerd 13. December A„o 173 opgedragen Aan Den wel Edele Achtb: Heer Johannes Robbert van den Burgh Gouverneur en directeur op en langs Iavas Noord oostkust Edele Achtb:s Erentfeste Manhafte voorsienige sen sis velenher van haar hoog Edelheedens over de balembrangse saken so verhope ik met god de voorste op aanstaande maandag de reise thuis waards over see aanteneemen vermits het selve in de preesente staat van dat district sowel als saisoen voor mij ondoenlijk en niet wel te onderneemen is so hebbe ik dan de eere hier meede eerbiedigst te besluiten en mij met alle gehoor„ „saamheijd t onderschrijven /:onderstond:/ uw Ed: Achtb: seer needrige en gehoorsame dienaar /:was geteekend:/ P: Luzac van ordres 125 Van Javas oost ust den 38: Maart 174. Van Iavasoostcust den 30 Maart 174. odders bij aparte misie van den 3. Januarij heb ik mij benevens den door hun hoog Edelens benoemde regent der landen van balemboangang den radeen tommongong wiero goeno op reise derwaarts begeeven den selven bij arrivement naden Eed van trouwe aan de compagnie afgelegt tehebben den volke alhier publicq voorgesteld en daar na desselfs acte van denselve laten ter hand stellen gelijk sulks u't hierneevens g'annexeerd gehoudene aantekeningen uwelEd.:e achtb: breeden al tevoren koomen terwijl verder omtrent de balemboangse saken t geen gedaan en verrigt diende te worden in eerbiedigst voordragt uwel Ed achtb needrigst aanbiede navolgens ider anticut uit het Extraact in hoofde deses gemeld begreepen, als Art: 1 o tenop sigte van den g'eligeerd regent radeen tommongong wiero goene als de beijde pepattijs Doeroekoentje en bawalaxana conform den inhoud bantworden verigtblijken hier bij g'annes eende bijlaagen. „ 2 tot den selven is de getrouwste en beste door den resident en bepattijs g'oor„ deeld den mantaie karrang gissing te crajagan die dan daar ook geplaatst is daar katapan daar bij geen landen of niegorijen gehoorende ook woesten ledig land kortonder de nieuw te extrueeren hooftpost geen sal benodigd sijn en dus voor Crajagan voor eerst sijn geprojecteerd eenige inlandsche militairen onder een vendrig twee sergeants drie Corporaals en 24: gemen mtitanen daar tot accompletering de door haar hoog Edelheedens gunstig toegelegde seevarende dienaren ter bekrussing van de balemboangse stranden sullen komen te manqueeren quantiermeester 17 mattroosen voor de 4 kruisprauwmagjangs om dewelke eerbiedigst versogt wordt Art: totschuldigte bantwording van het selve is sulx in sijn geheel opgedragen aan den residen schop hofdie van tot voltoijing en volvoering van het selve ser needrig is versoekende om een oekwaam timmerman beneevens een opsigter ter ex„ trustie en volloojing van het gepalisacteerd fortificatie werk conform het bij gevoegde plan hem resident in originali ter hand gesteld en daarbij g'eijschte materialen en volkeren vermits de balembrangers seer swaak en de meeste nog niet geschikt tot den aarbeid zeijn daar deschikiking omtrent guarnisoen en huishouding na voltooijing van de nieuw testellene hoofdplaats conform hoog gevenereerde ordre sal werden b'antwoord, en omtrent din balemboangang geplaatst sijnde dienaren bij een gewoone rolle Smaandelijks door den resident op te geeven altoos plaats gehad hebbende voor het vervolg ook sal gobserveerd worden Aat 4. welk artikul meede den resident is gedemandeerd en de hoogst besondere gunste van haar hoog Edelheedens bij bevrijding voor de tijd van drie Jaren van de minste Contributien den volke bij de voorstelling van haren nieuwe regent in't publicq ook behoorlijk is kond gemaakt Edelheedens

NL-HaNA_1.04.02_3418_0119 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 30th of March 1774. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. Article 5. is likewise assigned and recommended by the undersigned to the resident for completion and observance. Article 6. Upon questioning the new regent, the raden tommongong wiero goeno, where he would choose his place of residence, whether at cotta, oeloepampang, or Sakihilinain, he answered that he chose to remain closest under the Honourable Company's lodge and protection; wherefore he was then also given to know that as soon as one had moved from here to banjoewangie, where the main post was now to be placed, he could then choose a place according to his inclination, whereupon, according to the highly esteemed intention of their High Mightinesses, some European and native soldiers under a sergeant well acquainted with the country shall take up post, while then also the cotta under the faithful bepattij bawalaxana and oeloepampang under one of the most faithful mantries, named singo grinsing, shall be placed. Article 7. Which article has also been communicated for the information of the resident, as well as the regent and bepattijs, in order to regulate themselves accordingly in the future. Article 8. As well as this point concerning rice, wax, cotton yarn, and pepper. Article 9. So also the resident, regent, and bepattijs were recommended by the undersigned in the most urgent manner to encourage the balembrangers to cut the required timber, who also thereupon promised to do everything possible towards a speedy progress and completion of the work, just as a beginning has already been made therewith. Article 10. To suspend the discharge of the natives for one or two months until the breaking of the east monsoon, for reasons of the outposts of Banjowangie, katapan, and kalieboremoo still being most urgently needed at present for guarding against the machinations and intrigues still to be feared from those of gusti Moera at Dsembrana against the balambvangers now first subdued here, and also to serve as support for our Europeans, who are mostly weak and sickly and are decreasing monthly through mortality; wherefore it will also be most urgently necessary for the next three years to maintain a complete company of natives of 120 heads of prioppan under an active captain of such as one has the best expectations of, which would then be judged best in the valiant and active native lieutenant Smail with his people. This having been proposed by the resident schophoff, I have judged it necessary to leave this article as such to your Honourable Respects' further revered disposition, as also the proposal of the aforementioned resident to let the pantjallang De bestendigheijd return home again at the breaking of the east monsoon, as being able to be of no further service or utility; as also further regarding the matters brought to the knowledge of resident schophoff by From Java's East Coast, the 30th of March 1774. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. the resident schophoff concerning the actions of gusti Moera at Djembrana regarding the detention of the balembrangens who fled thither since the conquest of Pagpe, who with women and children would make up a number of at least 300 heads, who have made known through several of their comrades that, in case they might obtain pardon and forgiveness, they would indeed wish to come over for submission, but requested the helping hand of the Company thereto; how the resident is to conduct himself in the future towards the aforementioned gusti if, upon the friendly invitation and warning of the resident, who now for the first time has the opportunity at hand to write to the same according to what was demanded of him by separate missive of the 9th of May 1773, the aforementioned gusti should persist in refusing to surrender and deliver them up. Furthermore, in conclusion of this, the resident is also most seriously admonished to maintain a gentle and friendly treatment and intercourse with the newly appointed regent and his people, as well as, during the cruising along the balemboang shores, to strictly instruct the pilots by mandate to beware of the Balinese coast and to avoid it constantly as much as possible, in order not to become embayed upon it by the violent currents running along the same. During the preparation of this writing in the form of a report concerning: 2. To place a trusted head over Catapan, baniak, and Pakkum under the title of Ingabeij, standing directly under the bepattij and subordinated under the regent, Tjarang andul was found and judged to be the most faithful and capable for this purpose, under the title of Ingabei, who then should also be placed at sakiku, seeing that catapan and bancak are waste and empty land; where the established regulation for the cruising prahus, now brought to three European sailors and 12 native sailors, besides 2 quartermasters, will also be sufficient, so that what is lacking therein would consist of 5 sailors. The commission in the balemboang affairs had the honour to receive your Honourable Respects' revered further orders by separate missive of the 10th of January, received by me on the 4th of February; which points I proceed to answer dutifully in so far as they have remained unfulfilled herebefore. Article 1. Annexed hereto is a deed of engagement drawn up in the customary form, conforming to their oath of fidelity rendered to the Company on the 2nd of this month, by which the regent raden tommongong wiero goeno binds himself, besides his bepattijs Doeroekoentje and bawalaxana, that after the expiration of the aforementioned three free years he will willingly take upon himself and bear all such burdens as one shall meanwhile find that the land and people can carry.

Dutch transcription

127. Van Javas osthust Den 30:' Maart 174. Van Javas oost cust den 30' Maart 1774 — Art 5. s almeede doon den ondergeteekende ter voltoijing en obsencantie den re„ sident opgedragen en aanbevoolen. „ 6. op de afvrage aan den nieuwen regent den radeen tommongong wiero goeno waar op hij sijn verblijft plaats soude verkiesen op cotta oeloepampang of Sakihilinain se gaf daarop ten antwoord dat hij het naaste bij onder E Compa„ ginies logie en beschutting verkieske te lijven waarom hem dan ook te konnen geeven is, dat hij sodra men van hier na banjoewangie verhuist was alwaar nu de hooft post stond geplaats te worden dan na sijn inclinatie een plaats konde uitkiesen wanneer als dan na de hoog g'eerde in„ „tentie van haar hoog Edelheeden eenige europeesen en Jnlandse militairen onder een goedland kundig sergeant sullen laten postvallen terwijl dan ook de cotta onder den getrouwe bepattij batvalaxana en oeloepampang onder een der getrouwste mantries met name singo grinsing sullen gesteld worden. Aat 7 welkanticul tot narig van den resident ook den regent en bepattijs om hun daar na in 't vervolg te kunnen reguleeren ook is mede gedeeld. Art8 soo wel als dit poinct omtrent de rijst was cattoen garen en peper „ 9. soo ook den resident als regent en bepattijs de aanmoeding van de balembrangers tot het happen van de benodigde houtwerken door den ondergetekende op het munelijkste gerecommandeerd die ook daar op hebben beloofd alles aantewenden tot een spoedige voortgang en voltoijing van het werk gelijk ook daar meede al een begin gemaakt is. Art 10: om de afdanking der Jnlanders nog tot de doorbrake der oostmoutsen voor eena twee maanden op te schorten, om reedenen van wegende voor als nog hoogst benoodigde uitgeselte posten Banjowangie katapan en kalieboremoo ter bewacking voor de nog te vreesene aansoeken konkelarijen door die van gusti Moera te Dsembrana op de eerst nu hier onderworpen ba„ lambvangers en ook om te dienen tot ondersteuning van onse euuopesen welke meest al swaak en sichlijk sijn smaandelijks door sterfte vermin„ „deren waarom ook hoogst benoordigst sal sijn voor de eerst volgende drie Jaaren een Compleete Compagnie Jnlanders van 120 koppen prio plan onder een wakker capitein van de sodanige aantehouden waar van men de beste verwagting heeft welke dan in den manhafte en wakkeren jnlands luitenant Smail met sijn volkeren soude het best g'oondeeld worden het een en ander door den resident schophoff voor„ gedragen sijnde so hebbe g'oordeeld dit articul bet sodanig te moeten over„ laten aan uwel Ed: achtb: nadere gevenereerde dispositie gelijk meede de propositie van eevengem: resident om de pantjallang De bestendigheijd als van geen de ministeruit of dienst meer kunnende sijn bij doorbaake van de oostmousson weder te huis te laten keeren; gelyk al veraer om de door hebben O 129. Van Iavas oostkCust den 30 Maart 174. van Iavas oostkust den 30 Maart 1774. den resident schop hoffenij ter kennisse gebragte gedoentens van gusti Moera te Djembrana omtrent het aanhouden van de aldaar zedert de verovering van Pagpe ontrlugte balembrangens, welke met vrouw en kinderen nog wel eengetal van 300 koppen soude uitmaken die door deese en geene hunner makkies wel hebben te kennen gegeven,„ sij in gevalle quatie en pardon mogte obtineeren. wel soude willen overkomen ter onderwerping dog daar toe de behulp„ same hand van de compagnie versogten, hoedanig de resident sig so omtrent eeven gem: gusti voor het vervolg sal te verhouden hebben indien hij op gem: gusti op de vriendelijkste uitnodiging en waarschouwing van den resident die tans nu eerst geleegentheijd voor handen gekoomen is om aan denselven volgens het aan hem bij apparte missive van den 9. Mei 173 gedemandeerde te schrijven, mogte wijgering blijven deselve over te geven en uittekeeren. wijders tot slot deeses ook den resident op het serieuste is aangemaand een sagtmoedige en vriendelijke behandelijk en ommegang met de nieuw aangestelde regent en sijne volkeren soo wel als bij bekruijssing der balem boangse stranden de piloten bij mandatis scherpelijk terecom„ „mandeeren hun te wagten voor de balijse wal en deselve altoos soo veldoenlyk is steeds te meiden ten einde door de langs deselve lopende vehemente stroomen daar op niet beset te raaken onder het vervaardrogen van dit schriftuur in forma van berigt over „2 om over Catapan baniak en Pakkum een vertrouwt een vertrouwt hoofd onder den titul van Jngabeij onder den bepattij direct staande en ge„ subordonneerd onder den regent te plaatsen, werd daar toe de getrouwste en kundigste bevonden en g'oordeeld te sijn Tjarang andul onder den titul van Jngabei welke dan ook te sakiku soude dienen geplaatst te worden ver„ mitscatapan ook bancak woest en ledig land is daar de gestelde bepaling voor de kruisprauwenajangs nu gebragt op drie Europeesen mattroosen en 12: jnlandse mattroosen benevens 2. quantiermeesten ook toerijkende sal sijn dus het daar aan manqueerende in 5. mattroosen soude bestaan de commissie in de balemboangse saaken had ik de er te ontvangen uwel E=:s achtb: gevenereerde nadere beveelen bij aparte missive van den 10: Janu„ ari bij mij ontvangen den 4. febr: welkie poincten ter schuldigste beantwoor„ „ding vervolge in so verre die hier vooren nog onvoldaan gebleeven sijn Art1: hier bij over legt eene in de gewoone formaingerigte acte van ver„ band conform hunne op den 2. deeser gepresteerde eed van trouwe aan de compagnie bij dewelke den regent radeen tomm: wiero goene sig verbind benevens sijne bepattijs Doeroekoentje en bawalaxana dat naverkoop van de opgem: drie vrije jaaren gewillig op sig neemen en tortsen sal al„ sulke last als men intusschen bevinden sal dat landen volk dragen kun„ do daar „nen

NL-HaNA_1.04.02_3418_0121 view scan ↗

English

131. From Java's East Coast, 30 March 1774. From Java's East Coast, 2 March 1774. Since the native seafaring men here can very well be recruited from the Blambangan people, and these cruising vessels have also been advanced for service in accordance with the highly revered intention. No. 3. Concerning the construction of the main post Banjoewangie according to the plans received thereof, at Pakem a small work of 8 one-pounders according to the plan received today by separate letter, handed over to the resident in the original for his information, and everything else in its entirety by copy of Your Honorable Worships' mentioned separate letter in extract relating thereto, demanding strict compliance and completion, as also the promise of payment for the delivery of the Jati wood has been agreed upon and accepted with the regent and bupatis to deliver the same on the footing as Resident Schophoff has now set it in train, and to be willingly carried out by them, as the Blambangan people, as shown in the beginning, will be too weak for the completion of that work, and it is judged by the resident that for the period of two months for digging a ditch around the fortress and using the soil therefrom to heighten the batteries, some 200 coolies would be required, the undersigned had made the following division concerning the same: Sourabaija 25 coolies Grissee 20 ditto Sidaijoe 20 ditto Lamongang 10 ditto Sumanap 30 ditto Pamaccassang 30 ditto [Total] 200 ditto, all under their well-qualified chiefs, two to be sent along from each regency. Regarding the iron and brass ordnance here in the Blambangan region, the resident was demanded to draw up an exact account thereof with their calibers, where employed, and what further will be required for the new arrangement, as is respectfully shown here in the annexed enclosures; also already judging that Passourouang, Banger, Bangil, Malang, and Boesoehie, on account of the heavy burden encumbering them with Adinogo and Noessa Gatrie, may reasonably remain excused therefrom; and who then, for the period of two months to be counted from the day they perform service, under favorable provision of their daily food, namely rice, salt, and fish, should in my judgment be maintained, at least the Blambangan people. The carpenter stationed at Sourabaija, being a ship's carpenter, was moreover bedridden upon my departure and also unfit for the purpose; there being another of the common soldiers and a cabinetmaker by trade, the only one who has also already been ordered hither by the undersigned, but further found upon investigation, as here in Sourabaija, that there is no competent overseer for the construction of the little forts according to the drawing; for which reason it was most humbly requested, since it will still be manageable with the native carpenters found here according to the information given to me thereof by the resident, who then might also be favored for that time with the payment of the Company's allowance. At ditto 35 ditto. 133. From Java's East Coast, 30 March 1774. From Java's East Coast, 30 March 1774. At Sourabaija orders have been given to draw up such an account with a specific list of all the brass ordnance to be found in the eastern salient, and likewise of the iron cannon. Article 4. Regarding the western portion, upon the opening of the good monsoon here, it has already been assigned to the resident of Passourouang and Adinogo by extract of the said letter for observance and execution; likewise, especially concerning the easternmost portion of Blambangan, it has been most earnestly referred and left in its entirety to Resident Schophoff, in order to answer thereto by submitting his considerations on points that might require some alteration, as well as under the commander of the pantjallang De Bestendigheijd, assisted by skillful persons, to survey as accurately as possible the coast itself with the beaches, reefs, cliffs, and rivers flowing out of it, and whatever further may be necessary for forming a sea chart or improving the same; with which, submitting herewith a general strength return and a cacah list of the present Blambangan villages furnished by the bupatis, I have the honor to subscribe myself with deep dutiful obedience and respect. Below stood: Title. Lower: Your Honorable Worships' submissive and faithful servant. Was signed: P. Luzac. In the margin: Oeloepampang, 6 February 1774. Below stood: Agrees. Was signed: J. R. van der Burgh. Daily Register kept by the undersigned. Anno 1774. Tuesday, 18 January. In the morning at circa half past seven o'clock, the newly elected Raden Tumenggung Wiro Guno arrived, bringing with him a letter from His Highness the Prince of Madura to the Honorable Commander of this Eastern Salient. Wednesday, 19 ditto. On this day readiness was maintained to depart on the march tomorrow. Thursday, 20 ditto. In the evening at the stroke of half past four o'clock, the Honorable Commander departs with the newly elected Raden Tumenggung Wiro Guno for Blambangan in order to introduce him there, having in His Honor's company the translator Buze. Before coming on board, the Honorable Commander receives a letter from the Prince of Madura, and also an unopened ditto to the said Prince from Raden Tumenggung Sosro Winoto of Kertosono, having under His Honor's command a bodyguard consisting of 1 sergeant, 1 corporal, 12 privates; also the Honorable Commander takes along 7 mantris each from both the first and the second regent, and he was saluted at departure with 19 rounds. At circa half past five o'clock, by God's goodness, we arrive on board, and shortly 3 minutes before 6 o'clock we stepped onto the yacht De Lijdsaamheijd, wherewith we shall also undertake our voyage. Having lingered a little under the favor of a glass of wine, the newly elected Raden Tumenggung took leave of the Honorable Commander and set his course toward his own vessel; at that same moment the standard was raised and he was saluted with a cannon shot, following which day we

Dutch transcription

131. van Iavat oost Cust den 30 Maart 1774. Van Java vostCus dn 2:en Maart 174 daar de inlandsche seevarende hier heel wel uit de balemboangers tewinden sal sijn en welke kuuis vaartuigen dan ook sodanig na de hoog geve„ nereerde intentie bevordend sijn ter emploi„ N:o 3 tot opbouwing van de hoofd post Banjoewangie volgens daar van ontvangen planen te pakkum een werkije van 8 een ponders na het plan op huiden bij aparte missive ontfangen den resident bij de in origi„ „neet ter sijner narigt ter hand gesteld en het verdere alles in sijn geheel bij copia van opgemelde apparte uwel Ed achtb missive in Extract daartoe Specterende enstipte nakomingen vollooijing gedemandeerd gelijk almeede de uitloving van betaling voor de leverantie van het Lariehout met den regen en bepattijs over een gekomen en aangenoomen is om het selve televeren op die voet als tans de resident schophoff het selve in train gebragt heeft en door hun gewvillig volvoerd worden gelijk de balembangens gelijk in den beginne aantgetoond is, tot voltoijing van dat werk te swak sullen sijn en door den resident g'oordeelt word dater voor de tijd van twee maanden tot het graven van een gragt om het fontres en de grond daar uit tot het oehoogen der batterijen wel 20o battoors soude benodigdt sijn, do hadt de ongergetee„ kende de navolgende verdeeling omtrent deselve gemaakt is. Sourabaija 25. battoors grissee & 20: Sidaijoe 2/0 d„o Lamongang 10 d„o Sumanap 30 d„o Pamaccassang 30 ds 239/00 d=o alle onder hunne welgeschikte van ider regent „schap twee meede te geven hoofden. over het ijser en metaal geschut alhier in het balamboangse den resident gedemandeerd een juiste aantooning te formeeren met denselver Caliber waar g'emploijeert en wat verder tot de nieuwe schikking benodigd sal sijn gelijk dan alhier bij anmese bijlagen Eenbiedigtword aangetoont gelijk ook bereets oordeelende dat Passourouang, Banger Bangil Malang Boesoehie om de sware last hun incumberende met admrogo en noessa gatrieuselijk daar van mogen blijven g'excuseert en welke dan voor de tijd van twee maanden te rekenen van den dag dat sij dienst doen onder gunstige verstrekking van haar dagelijks voedsel te weten rijst sout en vis, soude oordeelen onderhouden te moeten worden ten minsten de balemboangens. De te sourabaija bescheiden timmerman eenscheeps timmerman sijnde daar bij mijn vertrek plat siek ook daar toe onbekwaam is daar nogeen der gemene sol„ „daten en schrem werkier van sijn ambagt deenigste die door den ondergetekende ook berelsherwaarts gecommandeerd is dog wijders bevonden na ondersoek so als hier te sourabaija geen bequam opsigter tot de extructie den fortjes na de teekening om het welk dan ootmoedigst versogt werd daar het met de hun alhier bevindende inlandse timmerlieden nog wel te sellen sal sijn vol„ gens het mij door den resident daar van gegeeven onderrigt welke dan ook voor die tid met de betaling wa sCompagnies benalig wel wogen begunstigde worden te d„o 35 d. o 133. Van Java's oost cust den 30:' Maart 174. Van Iavas oost ust den 30 Maart 174. te sourabaija is ondres gesteld tot formeering van soodanige aantooning bij spe„ cifique opgave van al het metaal geschult dat in den oostoek te vinden is en soo ook van het ijzer Canon. Ant 4 omtrent het wetelijke gedeelte bij opening van de goede moussonds alhier den resident ls Passourouang en adinogo bij extract derselve missive ter obser„ „vantie en uitvoering bereets op gedragen gelijk ook insonderheijd omtrent teloostelijkte gedeelte van balemboangang in sijn geheel op het ernstigste gedefereerd elaten aan den resident schophoff om bij overlegging sijner Consi„ „tiratie over poincten die eenige alteratie soude benodigd sijn daar aan te beant„ woorden soo wel als onder den gesaghebber van de pantjallang de bestendigheijd door hem toegevoegde kuntige lieden so nauwkeurig als doenlijk is de kenst selfs met destranden reeven klijppen, en rivieren die er uit lopen en wat verder nodig is tot formeering van een Seckantof verbotering van dier mogen sijn optenemen waar meede bij overlegging hier nevenstan een generaale sterkte en een tjatjaas lijst den presente ba„ balemboangse negorijen door de bepattijs gesuppoditeerd mij de Eene geeve met diepte verschuldigde gehoorsaamheid en eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ Titul /lager:/ uwelEd: achtbare submisse en getrouwe dienaar /:was geteekend:/ P: Luzac /:inmargine /oeloepampang den 6: febr: 1774. /onderstond:/ Accordeerd /:was geteekend:/. I. R. vander Burgh Dag Register gehouden door den ondergetekende Ao 1724. Desmorgens crca ½28. uuren ariveerden den Jong geligeerde radeen Dingsdag den 18 Januarij tommongong wiero goeno mede brengende een missive van sijn hoogheids den prins van madura aan den heer gesaghebben ter deeser oosthoek op dien dag wierd klaarheijd gehouden om morgen op mansch tebegeen woensdag „ 19: savonds de klokke hal 5 uuren verstrekt den heer gesaghebber met donderdag. „ 20. „ den Jong geligeerden rad een toumm: wiero goene naar balem boangang om hem aldaar voortestellen onder zijn E geselschap den translateur buze eer men aan boord komende ontvang den heer gesaghebber een briefe van den prins van Ma„ dura teffens een ongeopend d„o aan den gem: prins van radeen tonmongong Sosao vomoto van cantasana onder sijn E: hebbende Lijfwagt bestaande 1: Sergeant 1: Corporaal 12. gemene teffens nemende den heer gesaghebber maer so van den eerste als tweede regent ieder 7. mantries en wierd denselve bij t vertrek met ig schooten begaot crca ½26. uuren komen wij door gods goedheijd aanboord en kort 3. minuten voor 6. uuren traden wij op 't Jagt der lijdsaamheijd daar wij meede onse reise sal aanneemen een weijnig vertoerd onder het gunst van een glaasse wijn naam den Jong g'eligeerden radeen tommongong van den heer gesaghebber afscheid en zettede sijn Cours naar sijn eijgen vaartuig, heifden op dien selvde„ stond de standart op en wierd met een Canon schoot gesalueerd verolgand Day wij

NL-HaNA_1.04.02_3418_0123 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 30th of March 174. From Java's East Coast, the 30th of March 174. When we had the current around the west and the wind from the east, we lay becalmed until 10 minutes past 11 o'clock at night. We then weighed our anchor and crossed over with it, got the current around the east and the wind from the south with heavy squalls, and set sail under it. Friday the 21st ditto. In the morning at sunrise, when we were abreast of Koewvand Jar, we caught the wind from the west with a light breeze, and at night around 11:30 o'clock we were becalmed from all sides and winds and brailed up our sails, and with heavy squalls and rain we let ourselves drift until the wind shifted to the west, when we unfurled our sails again and set our course eastward. Saturday the 22nd ditto. In the morning we were abreast of Banger. Before noon, around 10 o'clock, we were becalmed. With the wind from the east we tacked back and forth until around one o'clock in the afternoon. We got the wind from the north-northeast and set our course east-northeast. Sunday the 23rd ditto. In the morning we were abreast of the village Paiton and caught the wind from the west with heavy squalls and rain. At 6 o'clock we made sail and set our course eastward, and before noon we caught the wind from the south-west and continued our aforesaid course until noon. We were becalmed until 1 o'clock; the wind shifted to the east and we tacked along the shore. At 2 o'clock in the afternoon we were becalmed again until nearly 1 o'clock at night, during which time a fishing proa from Besoekie came alongside our vessel bringing some provisions. Around 2 o'clock in the morning we caught the wind from the south and continued our aforesaid course. Monday the 24th ditto. In the morning we were abreast of Panaroekan and still had the wind from the south; we set our course to the east and around 9 o'clock in the evening the Honorable Commander received a letter from Bangil, with some provisions brought on board. In the afternoon we caught the wind from the west and set our course to the east. In the evening at the 7th hour we caught the wind from the south with squalls and rain, and continued our course east-southeast until 12 o'clock at night, when we were becalmed, brailed our sails, and let ourselves drift. Tuesday the 25th ditto. In the morning we were abreast of Caab Sedaan; we had the wind from the south-east and tacked back and forth between Mijnens Klip and Caab Sedaan, and around 10 o'clock we caught the wind from the south-west. We set our course close-hauled over toward Balij, and around 12 o'clock noon we caught the wind from the north-west. We set our course close-hauled west-southwest toward Strait Balij, and in the evening we were becalmed. At 10 o'clock at night the wind came from the east; we set our course west-southwest toward the aforementioned strait. From Java's East Coast, the 30th of March 174. From Java's East Coast, the 30th of March 174. Wednesday the 26th ditto. In the morning at sunrise we were between Harten Eijland and the Balinese shore, and the wind was from the west-southwest until before noon. We were becalmed and brailed our sails, brought our small boat before the bow, and had ourselves towed until 2 o'clock in the afternoon. We caught the wind from the north-west and the current around the east; we set our course into the Strait of Balij. As soon as we were in that strait, we caught the wind from the south and tacked back and forth toward Oeloepampang. In the evening around 7 o'clock we passed the post of Banjoewangie, and then we caught the current against us; we kept our intended course southward toward the roadstead of Oeloepampang, and we had the wind from the west. At 8 o'clock in the evening we met a pantjallang that had departed from Sourabaija at the same time as us, being abreast of Pakkeuren. At 10 o'clock at night we had ourselves towed again. Thursday the 27th ditto. In the morning we were abreast of Banjoealit and Oeloepampang; we kept the mountain to the south of us, and getting the wind from the west, we set our course toward the roadstead of Oeloepampang. In the morning around 7 o'clock we were becalmed; we had ourselves towed again, and at 11 o'clock before noon Resident Schophof came on board with two commissioners, being Ensign Jacob Guttenberger and Bookkeeper Francois van Hoeve, along with 4 mantris of Balembrangang, to welcome the Honorable Commander. They stayed until around 11:30 o'clock, after which the aforementioned Resident Schophof returned to shore, while the two commissioners remained with us until the Honorable Commander departed. Upon the departure of the aforementioned Resident, he was saluted with 11 shots from our vessel, as well as from all other vessels lying here at the roadstead. Around 12 o'clock the Commander gave orders to the quartermaster to drop anchor, and shortly thereafter the Commander departed for the shore with the commissioners and the translator Buze, and was likewise saluted from our vessel with 17 shots. After walking for another quarter of an hour, Resident Schophof came with the Balembrangan friends to meet the Commander. Approaching closer, they found European and native soldiers drawn up in ranks before the lodge, and all honors were shown as they passed by. Upon entering the Resident's dwelling around 1 o'clock in the afternoon, all the artillery around the ramparts was fired, being 17 shots, three of which fell during the volleys, and they were welcomed with all politeness. Furthermore, all the gentlemen and friends remained that afternoon and held a midday meal there, staying until 4:30 o'clock in the evening, when the gentlemen took their leave and returned to their respective dwellings.

Dutch transcription

135 Van Javas oostkust den 30:' Maart 174. — Van Javas oost Cust den 38:' Maart 174. wij de stroom om de westendewind uit het osten kreegen blijven wij steljes leggen tot w minuten over 11. uuren 'snagts ligten wij dan onsen anker op en setten wij daar meede over kreegen de stroom om de oost en dewind uit het suiden met sware bien en gingen daar meede ondersijl vijdag den 21. dito des morgens met den son opgang namen wij op de hoogte van koewvand Jar de wind uit het westen met een labber coelte en des nagts omtrent ½ 12 uuren. krijgen wij stilleties van alle kanten en winden en gijlen onse zeijlen op en met sware buien en reegen en laten ons voortdrijven tot dat dewind op westliep maken wij onse seijlen weder los en setten onse cours Zaturdag „ 22. d„o Smorgens waren wij op de hoogte van banger kuwijgen wij silletse voor den middag omtrent de 10 uuren de wind van t oosten in saveren wij over en weder tot smiddags omtrend een uur krijgen wij dewind No: en setten onse cours O:o L: O. Sondag „ 23 d„o Smorgens waren wij op de hoogte van de negorij Paiton en krijgen wij de wind aan de west met sware buien en reegen om 26. uuren maken onse zeijlen op en setten onse cours oostwaards en voor de middag krijgen wij de wind uit het suid westen en setten onse gem: cours nog al voort tot smiddags hadden wij stilletties tot 1: uur liep de wind tot de oostgingen wij over staags langs de wal tot 2. uuren na de middags gingen wij weder steltje tot bij na 1 uuren so meede komende een prauwmaijang van Besoekie bij ons aan boord brengende eenige verversing omtrent te 2uuren des morgens krijgen wij de wind uit het zuiden setten wij onsen gem: Cours nog al voort Smorgens waren wij op de hoogte van Panaroekan hadden wij de wind Maandag den 24. dito nog van het suiden setten onse cours naar den oost en omtrent des avonds te guuren ontvangst den heergeaghebben een brief van bangil met eenige verversing aan boord Smiddags krijgen wij de wind uit het westen setten ons en cours na de oosten des avonds de klokke 7. uuren krijgen wij de wind uit het suiden met buien en regen en setten voorts onse cours o:o 2: 8:. tot snagts om 12. uuren kwrijgen wijsteljes en guijen onse seilen en lieten ons drijven. Smorgens waren wij op de hoogte van Caab sedaan hadden wij de Dingsdag „ 25. d„o wind uitt Z: O: en laveren wij over en weder tusschen Mijnens klip en caab sedaan en omtrend te 10 uuren krijgen wij de rind uit het Z: w: zetten onse cours bij dewind over na balij en omtrent te 12. uuren Smidags krijgen wij de wind uit 't N:. W. setten onse Cours bij de wierd W: E: westen naar straat balij toe en savonds krijgen wij stiltjes en om 10. . uuren snagts kwam de wind uit t'E zetten ons al meede w: Z. weesten naar eeven gem: straat weder Smorgens oostwaards Van JavasoestCust den 30: Mat 174. Van Javas oosthust den 30 Maart 174 Woensdag den 26: de Smergen met desen opgang waren wij tusschen den harten eijland en de balijsche wal en de windt uit het w: Z: w: tot 's voormiddags kwijgen wijsiltjes en gijen wij onse zeilen kurijgen onsen schuitje voor de borg en latenon boegeeren tot 2. uuren 'sagtermidags krijgen wij aan de wind uit t noord westen en de stroom om de oost setten wij onsen Cours destraat balij in so als wij in die straat waaren krijgen wij de wind uit het zuiden en laveeren wij deeder over en weer naar oeloepampang toe savonds om„ toont7 uren passeeren bij depost bampoewangie voor bij en korijgen wij toen de stroom tegen setten wij onsen gewelde cours nog alnaar het zuiden naar de rheede van oeloepampang en de wind hadden wij uit het westen en om 8. uuren des avonds ontmoeten wij de een pantjal„ lang die met ons te gelijk van Sourabaija vertrokken sijnde op de hoogte van Pakkeuren snagts om 10 uuren laten wij weder boegeeren Donderdag „ 27. dito Smorgens waren wij op de hoogte van Banjoealit en oeloepam„ pang laten wij egter de goenong uit zuiden van ons leggen ende wind krijgen wij uit het westen setten onsen cours al naar rhee van oeloepampang smorgens omtrent de 7. uuren krijgen wij stilletjes lieten wij weeder boegeeren en te 11. uuren voor de middag quam den resident schop hof met twee gecommitteerdens aan boord sijnde den vaandrig Jacob guttenberger enden boek houder Trancois van hoeve met 4: mantries van balembrangang bij ons aan boord om aan den E heer gesaghebber te verwellekommen en bleeven toen tot omtrent ½ 12. uuren so is den gem: resident schophof weder na de wal vertrokken en bleeven de twee gecommitteerdens bij ons tot dat den E heer gesaghebber vertrokken en wierd bij het vertrek van den gem: resident met 1. schooten van onsen vaartuijg begroet, so meede van alle andere vaartuigen die alhier ter rheede leggen en omtrent de 12 uuren gaf den heer gesaghebber onares aan den quartier„ meesten de ankers laten vallen, en kort daar op is den heer gesag hebber met den gecommitteerdens en den translateur buze naar de wal vertrokken en wierd daar meede van onsen vaartuig gesalueert met 17. schooten nog ¼ uur gaande quam den resident schophof met de balembrangse vrien„ „den den heer gesaghebber in gemoeden al nader komende vinden voor de logie gerancheert staan van europeese als inlandse militairen en wierden met het voor bij gaan met alle honeur beweesen en daar meede met het intreeden van Presidents wonig omtrent smiddags ten 1 uur wierden alle de ge„ schut rondom de wallen Los gebrand sijnde 17 schooten waar van drie die„ onder de chargies is gevallen en met alle beleefdheijd verwelkomt verders is op dien middag alle deheeren en vrienden gebleeven en wierden daar middag mal gehouden en bleeven toen s avonds half 5. uuren tot dat de heeren afscheid hebben genomen en naar hunne wooningen eder gaan doen neemen. van savonds 13

NL-HaNA_1.04.02_3418_0125 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 30 March Anno 1744. In the evening around 7 o'clock the gentlemen and friends came to dine at the table and remained until night around 12 o'clock, spent with much merriment. Friday the 28th ditto in the evening around 5 o'clock the Lord Commander received a letter written by Pagoe goste Moerak Djambe head of the island of Badong Karang district Bali to the resident Mr. Schophoff containing that the resident would please procure for him 1 wooden kris with a hilt of kayoe pellet. In the afternoon and evening the gentlemen were likewise invited to the table. Saturday 29 ditto in the morning around 9 o'clock the Lord Commander ordered the translator Buze and the bookkeeper Van Hoeve to fetch the regent Wier Goeno. Coming outside it was said that it was a mistake, not that the mentioned elected tomongong has arrived, but rather one of the pantjallangs of the aforementioned tommongong, investigated by the security of the delegates and found that the two mantris were left behind by him and have arrived up to here, not knowing where and when he will come to arrive. Thus the delegates brought those two mantris into the lodge to the Lord Commander, who declared that since the radeen tommongong departed from Sourabaija he has not come into sight again or been able to be seen. Sunday the 30 ditto in the morning at half past 7 o'clock the Lord Commander had the translator Buze and the bookkeeper Van Hoeve called to meet the newly elected regent. In the morning at half past 8 o'clock the newly elected regent Wiero Goeno and other chiefs arrived at the resident's dwelling, and around 8 o'clock the Lord Commander, the resident Mr. Schophof, and translator Buze went as delegates to fetch radeen tommongong Wiero Goeno, and around 7 o'clock we brought the mentioned radeen tommongong Wiero Goeno into the lodge, whom we found at the river, and he was brought by the mentioned delegates into his dalem, situated half a walk from here. Monday the 31 ditto in the morning around 7 o'clock the radeen tommongong Wiero Goeno entered with his two bepattijs, the one named D'Joenoe hoentje and the other Bawalaxana, and at half past 8 o'clock the mentioned tommongong together with the two bepattijs was administered the oath of allegiance in their manner in the presence of the Lord Commander and two delegates, being the resident Mr. Schophoff and translator Buze, having done which they were congratulated by the Lord Commander and the delegates, and then departed again to his dalem. Tuesday the 1 February in the morning at 7 o'clock the Lord Commander wrote a letter to the Prince of Madura to notify His Honour's arrival in Balemboangang under the convoy of the radeen tommongong Wierogoeno, as also the wrecked vessel belonging to the aforementioned prince of Madura on her land. From Java's East Coast the 30 March 1744. and further gentlemen, as well as the officers of the soldiers and chiefs to the paseban to attend the solemn presentation there; having sat for a little while we drank a glass of morning drink among one another, then the Lord Commander ordered to make a passage for us to pass through to read the act of fidelity, which was read by the translator Buze in Dutch as well as in Javanese, and near the end of the reading 21 shots were saluted with the mortars by all chiefs and mentioned Javanese with the word shouting hoese. So we then went to congratulate him with that obtained office, and drank some glasses of wine together. The Lord Commander took the appointed radeen tommongong by the hand and guided him back into the lodge from morning until afternoon at 3 o'clock, and at table many kinds of toasts were proposed and drunk, namely: 1. For Their High Excellencies was saluted 21 shots 2. For the Honorable Lord Governor of Java 19 ditto 3. The Commander of the East Coast 17 ditto 4. The prosperity of Java 11 ditto 5. The fortunate appointment of this regent 11 ditto 6. The prosperity of Balemboangang and of resident Schophof 11 ditto 7. For the officers and bepattijs their well-being 11 ditto Together 101 shots, and after the table the regent requested to be allowed to go home, and was brought by the mentioned delegates to his dalem, and this day of all merriment was brought to the greatest end; and near 4 o'clock in the evening the bookkeeper Van Hoeve had a will executed between him and his wife. Thursday the 3 February in the morning at half past 8 o'clock the regent Wiero Goeno came to the usual assembly inside with the Lord Commander. Friday 4 ditto in the afternoon at 1 o'clock the bookkeeper Van Hoeve passed away from an illness of a few days. Saturday 5 ditto in the morning around 7 o'clock the regent radeen Wiero Goeno entered with his two bepattijs, and by the Lord Commander the declaration of today's date, of the oath of fidelity rendered by them to the Honorable Company, by which the mentioned regent Wiero Goeno binds himself alongside his two bepattijs, was signed, reading that after the expiration of 3 free years he will willingly take upon himself and bear all such burdens as shall then be found that the land and people can carry; concerning Katapan, Banta, and Pakhim, a trusted head was chosen by the Lord Commander and resident Schophof to be placed as regent, who was found and judged to be the most faithful and capable inhabitant here, whose name was Kiai Tjarang Andul under the title and honorific name of Ngabehi.

Dutch transcription

van ardos ut den 30: Mat 7: 17 Van Javasoosthust den 30 Maart Anno 174. samas on 1/ 7. uren quamen dehern n mienden waarm aantafse en be„ „ven tot snagt /a 12 uren met veele vrolijkheeden door gebragt vrijdag den 28. dito savonds cinca 5. uuren ontvang den heer gesaghebber een brief geschreeven door Pagoe goste Moerak Djambe hoofd van'teijland badong karang kas„ „atricte balij aan den heer resident schophoff/in houdende:/ dat de heer resident voor hem gelieve op te doen 1: houte krissche met dus greep van hajoe pellet smiddags en 's avonds wierd almeede deheeren aan tafel versogt Saturdag „ 29 d„o des smorgens cinca guuren Liet den heer gesaghebber den translateur buze en den boekhouder van hoere Commandeeren om den regent wier goeno aftehaalen buiten komende wierd geseit dat oen abus es niet dat den gem: g'eligeerde tomm: is g'arriveerd maar wel een van de pantjallang van den meerm: tommongong door de securiteijt van de gecommitteerdens ondersogt en gevonden dat de twee mantries van derselver is verlaaten geworden en tot hier aan toe is gekoomen, niet weetende waren wanneer sal komen te arriveeren so hebbe dan de gecommitteerdens die bij de mantres inde lage bij den heer gesaghebber gebragt verklaarde sijlieden sedent dat den radeen tommongong van sourabaija is vertrokken niet meer onder de oogen is gekomen ofte sien kunnen krijgen sondag den 30 dito des smorgens om ½ 7. uuren liet aen heer gesaghebber den translateur buze en den boekehouder van hoeve roepen om den Jongeligeerde regent des morgens ½ 8. uuren quam den jong g'eligeerden regent wiero goens en verdere hoofden in de residents woning en bij 8. uuren gaat den heer gesag„ hebben de heer resident schophof en translateur buze als gecommitteerdens radeen tommongong wiero goen aftehalen en omtrente 7 uren bragten wij den gemelde radeen tomm: wiero geens binnen in de loge die wij hem aan t rivren hebben gevenden en wierd door den gem: gecommitteerdens in sijn dalm gebragt leggende ½ gaande van hier des morgens omtrent te 7 uuren quam den radeen tomm: wiero goent Maandag den 31. dito met sijn twee bepattijs binnen de eene genaamt D' Joenoe hoentje en't andere bawalaxana en te 28 uuren wierd de gem: tomm: teffens twee bepattijs den bed van trouwe op hunner maniere in preesentie van den heer gesag„ „hebber en twee gecommitteerdens sijnde den heer resident schophoffen trans„ „lateur buze gevengt gedaan hebbende wierd door den heer gesaghebber als de gecommitteerdens haar te vergelukken en vertrekken dan weder in sijn dalm des morgens ten 7. uren schreef den heer gesaghebber een brief aan den Dingsdag den 1. febr: prins van Madua ter bekendmaking van sijn E: arrivement te balembo„ „angang onder den convooij van den radeen tomm: wierogoeno so mede de pr:o verongelukite vaartuig op har teneland tebehoorende van den gemelde jans van madura. radeen 141 Van Iavas oostCust den 35:' Maert 1714 Van Javas oostcust den 30 Maart 1744 en verdere heeren als ook meede de officieren van de vilanders en hoofden naar de passebaan om aldaar de plegtige vorstelling bi t woonen; een weijnig geseten hebbende dronken wij onder malkanderen onder een glasje morgen drank soo ordineerde den heer gesaghebber om een plaats temaken die wij hebben door passeeren om de acte der getrouwigheijd op te leesen wierden die selve door den transtateur buze se als in 't hollands als in 't Javaans voorgeleesen en onder t eindigende van het leesen wierden door allehofden als gem: Javaanen met t woord onder t roepen van hoese 21. schooten met de mortiens gesalueert sogingen wij dan hem met dien verkreegene ampt te vergelukken en dronken aan weder eenige glaasses mijn Coneant den heer gesaghebber den aangestelden rad een tomm: bij der hand en geloid hen weder in de logie geduurende van smorgens tot snamiddag /: 3: uuren en wierden aan tafel veeler hande Condities gesteld en gedronken namentlijk 1. voor haar hoog Edelheedens werd gesalueerd 21. schoten 2. „ d'achtb: heer gouverneur van Java „ „ 19. d„o 17. d„o 3. de gesaghebber over den oosthoek „ „ „ 11 d„o 4. t. welvaaren van Java 5. de gelukkige aanstelling van dese regent „ „ 11. d. o E: het welvaren van balemboangang van den residentschophofp „ 11. 8. 7: voor de officieren en bepattijs hunner wel weesen 11. do te samen 11. schooten en naar detafel versogt den regent tehuis temogen gaan en wierd door den gem: gecommitteerdens naar sijn dalm gebragt en was deese dag van alle vrolijkheeden tot grootste ten eijnde gebragt en bij na 4. uuren des avonds liet den boekhouder van hoeven een testament passeere tusschen hem en sijn vrouw des morgen /28. uren quam den regent wiero goeno naar de gewoonlijke Donderdag den 3. febr: vergadering binnen bij den heer gesaghebber Smiddags om 1. uur quam den boekhouder van hoere te overleiden van vrijdag - „ 4: _„ een siekite van konte daagen. Smorgens circa 7. uuren quam den regent radeen wiero goeno met sijne Zaturdag „ 5 d„o twe bepattijs binnen en wierd door den heer gesaghebber de verklaring op he „digen datum die door hun gepresteerden Eed van tuouw aan d'E Comp: bij de„ „welke den gemelde regent wiero goeno sig verbind benevens sijne twee be„ pattijs hebben laten teekenen en der selver luidende dat na verloop van 3. vrije Jaaren gewillig op sig neemen en torssen sal alle sulke last als men tans bevindende sal dat land en volk aragen kan aangaande over ka„ „tapan banta en pakhimm een vertrouwd hoofd door den heer gesaghebber en resident schop hof is uitgekoosen en tot regent te plaatsen die alhier een getrouwste en kundigste inwoonder is bevonden en g'oordeeld tesijn wiens naam was kierij Tjarang andul onder den titul en eernaam van Jngabeij g

NL-HaNA_1.04.02_3418_0127 view scan ↗

English

143 From Java's East Coast, the 30th of March 1774. Today, the 5th of February 1774. From Java's East Coast, the 20th of March 1774. ingabeij at those places assigned to him by the Honorable Company, and where a plot of land called banjouangie will be located for a fort, for him to become regent until further orders. Subsequently, the Honorable Commander handed over to the Resident, Mr. Schophof, a plan received from Samarang, which was sent by the Noble Governor, as well as the terms of payment for the supply of timber presented, which was agreed upon with the Raden Tommongong and accepted by the aforementioned Regent to deliver the aforementioned supplies for the forthcoming fortress banjoewangie; likewise the bupatis Bawalatana and Joeroekoentje were stationed by the Honorable Commander, of whom the first-mentioned shall remain at Cotta Latting and the last-mentioned here with the Raden Tommongong. The Honorable Commander also tasked the translator Buze with drawing up a list of the present peoples and villages, which list was submitted, approved, and signed by the bupatis. Around 9 o'clock, the body of the deceased bookkeeper Van Hoeven was committed to the earth according to his rank. Below stood: Oeloepampang, the 5th of February 1774. Was signed: J. F. Buze. Appeared before me, Pieter Luzac, senior merchant and Commander of the Eastern Salient, in the presence of the delegates nominated for this purpose, the junior merchant and Resident Hendrik Schophoff and the sworn translator Jan Frederik Buze, the Raden Tommongong Wierogoeno, Regent of the entire district of Balamboangang, together with his adjunct bupatis Boeroekoentje and Bawalaxana, who declared, in accordance with the oath taken to the Company in their service upon their appointment on the 2nd of this month, that after the expiration of the aforementioned three free years, which are calculated to have commenced on the first of January 1774 and to end on the last of December 1776, the Regent will willingly take upon himself and bear such burdens as the Company shall in the meantime find that the country and people can bear; for the fulfillment of which they bind each and every one their persons, offices, and property to the Company pursuant to the oath taken for that purpose; wherefore they have confirmed the same with their customary seal and signature. Thus done and passed at the office of Oeloepampang on the date aforesaid. Below stood: a Javanese seal in red wax, and a Javanese notation; likewise a mark set by Kiyai Bawalajana. Lower: In my presence. Was signed: P. Luzac. In the margin stood: As delegates. Was signed: H. Schophoffen, Jan Fredrik Buze. Below stood: Agrees. Today. Copy. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. Copy of a separate letter written by the Commander at Sourabaija, Luzac, to the Governor at Samarang, the 26th of February 1774. Since, through God's never sufficiently praised mercy, I have recovered from my indisposition and am thus once again able to assume the Company's affairs, I take the liberty most humbly to further respectfully inform Your Right Honorable, since my submitted report by letter of the 5th of this month, that upon my return I visited the place Banjoe Wangie, where the main post is now to be situated, which place appeared to me so convenient and well-situated, both on the one hand to observe everything inside and outside the strait as well as across Bali, and on the other hand the location itself for the health and preservation of the servants, that in my opinion no more favorable could be conceived; but since it appears to Their High Mightinesses to be the same that was previously made known under the name of Banjoe Aliet, I have the honor to elucidate to Your Right Honorable on this matter that the first-named Banjpoewangie, which place from of old has borne that name among the Balemboangers, is situated fully 4 to 5 miles from the formerly named Banjpoecalit, thus differing from the first. The second stronghold, of which the plan was later received by me, will have to fall just above Kaliboento, as close by as feasible, and thus also from Java's East Coast, the 30th of March 1774. in accordance with Their High Mightinesses' highly esteemed intention, situated closest to keep everything in view from the point of Pakhem, which will then fall fully 6 to 7 miles from the main post Bampewangie. The aforementioned Banjowangie will still take some time to clear all around from the bush and wildernesses; it has a valuable river that will also need to be cleared, for all around it is overgrown with wilderness and trees. The south-east wind blows directly upon the aforementioned place, but since this place is situated deep, as in a basin, I believe that it will not cause so much hindrance but that the necessaries for that post will be able to be unloaded there. They are already busily engaged there in bringing up the timber for the palisade, and everything that can be brought up in stock, in order to make a beginning with it with the utmost speed in the spring; and I have provisionally sent thither as overseer of the construction a soldier from here who is a joiner and also a carpenter by his trade, who can serve there as a help in need, and whom, upon evidence of good conduct and ability, I would most humbly propose to Your Right Honorable for a favorable promotion as a craftsman. But in my humble judgment this will not be enough, but I deem that it will be necessary that an engineer be sent thither for a time to take a view of the terrain of those two forts, stake them out, align, and arrange in accordance 145

Dutch transcription

143 van Iavasoost kust den 30: Maart 174. Heeden Den 5: Februarij Ar7 Van Iavas oostcust den 20: Maart 174. ingabeij op die plaatsen door den E: Compagnie hem toegeweesen en welk een laanderij genaamt banjouangie tot een fort sal geplaats worden hem tot naden ondres als regent teworden. vervolgens heeft denheer gesaghebber een ontvangen plan van Samarang die door den Edelen heere gouverneur is gesonden worden aan den heer resident schophof overgegeven gelijk mede de uittoring van betaling voor de leverantie van houtwerken voorgehouden 't welk met den radeen tomm: over een is gekoomen en door de gem: regent van eeven gem: leveran„ ties voor d'aanstaande fortres banjoewangie aangenomen is om te lee„ „veren do mede de bepattijs bawalatana en Joeroekoentje door den heer gesaghebber sijn geplaats waar van d' eerst gem: op de cotta latting en 't laast gem: alhier bij den radeen tommongong te sullen blijven. ook betast den heer gesaghebber aan den translateur buze een lijst op te maaken van de preesente volkeren en negorijen welke lijst door aen bepattijs is opgegeven goedgekeurt en getekend. circa guuren wierd het lijk van den overleeden boekhouder van hoeven naar sijn staat ter aande besteld /onderstond / oeloepampang den 5. februarij 174 /:was geteekend:/: I: F: Buze Compareerde voorstij M:r Pieter luzac opperkoopman en gesaghebben over den oosthoek ter presente van de daar toe genomineerde gecommitteerdens den onder„ koopman en resident hendrik schop hoffen den gesnwo ran tranlateur Jan Frederik Buze de radeen tommongong wierogoens regent van het geheele landschap balamboangang beneffens desls tegevoegde bepattijs Boeroekoentje en bawa„ laxana dewelke verklaarde conform den eed aan de Compagnie in hunne dienst afgelegt bij hunne aanstelling op den 2. deeser dat na verloop van de op gemelde drie vrije Jaaren du gereekend worden ingegaan te sijn met primo Januarij 1774 en te sullen eijndigen met ultimo december 1776. bij regent gewillig op sig neemen en tortsen sal sulke lasten als de compagnie intusschen bevinden sal dat landen volk dragen kunnen tot nakoming van het welke sij e ieder voor het haar hun person ampet en goederen verbinden aan de compagnie navol„ gens den Eedl daar voorgedaan oversulkis het selve bij hun gewoone segul en onderteekening bekragtige Alaus gedaan en gepasseerd ten comptoire oeloepampang dato voorsz: /onderstond/ een Javaans zegul in rood lacq een een Javaanse aanteekening item een merk omgeschreeven gesteld van Kiaij bawalajana /:lager/ in kennisse van mij /was geteekend:/ P: Luzac /in margine stond/ als gecommitteerdens /wa getekend:/ A„t Schophoffen Jan fredrik buze /ondersond:/ Accordeert. Heeden Copia Van Iavasoost Cust Den 30 Maart 174. ƒ Copia aparte brief geschreeven door den gesag hebber te sourabaija Luzac aan den heer gouverneur te Samarang den 26 februarij 174. Dear ik door gods nooit volpreesen goedertierentheijd van mijn dispositie her„ steld en dus weder instaat s Compagnies sakelijkheeden te aanvaarden so neeme ik de vrijheid ootmoedigst uwel Ed: Achtb: sedert mijne submissie gesuppediteerde berigt bij brief van den 5. deeser nader eerbiedigst te bedeelen dat ik bij mijn retour op de plaats banjoe wangie alwaar nu de hoofd voost staat gestueerd teworden ben aangeweest welke plaats mij so Conve„ nabel en wel geleegen is voorgekomen so aan de eene kant om in en buiten straat als over balij alles te observeeren als aan de andere kant de situatie selfs tot gesondheijd en conservatie van de dienaren dat mijn bedunkens geen Cavorabelaer soude knnen uitgedakit woorden dog wijt het selve als bij haar hoog Edelens scheijnt voortekomen het selve te sijn dat onder denaam van banjoe aliet voor heen bekend gesteld is so hebbe de Eene uwel Ed: achtb: daar over te elucideeren dat eerst genoemd banpoewangie welke plaats van onds of onder de balemboangers dien naam gedraagen heeft wel ruim 4 a 5. mijl van het eertijds genoemde Banpoecalit gelegen is dus verschullende van het eerst detwee sterkte waar van nader tplan mij is geworden sal eeven booven kaliboento so na aan staand als doenlijk is moeten vallen en dus ook van Java ot ut amn de Maart 174 conform haar hoog Ed„s hoog g'eerde intentie 't naast bij geleegen om van de hoek van Pakhinm alles in het oog te kunnen houden twelk dan wel 6 a 7: mijl van de hoofetpost bampewangie sal komen te vallen voormeld banjowangie dan sal wel nog eenige tijd wegneemen om het selve rondom te suwveren van de boschagie en wildennissen het heeft een kostbaare rivier die ook gesuiverd sal dienen te worden wanthet rondom nog niet wilder nissen en boomen begroeit is de zuid ooste wind staat vlak op gem: plaats dog alsoo deese plaats diep als in eenkom geleegen is meen ik dat deselve soo veel hinden niet sal kunnen toetrengen of het benoodigde voor die post sal wel daar kunnen ontladen worden menis daar berels sterk besig om het hout voor de pallisade bij en te brengen el qat in voorraad kan bijgebragt worden om met de meeste spoed in 't voorjaar daar aan een begin te maken en ik heb provisioneel als op sigter over den aanbouw derwaarts gesonden een soldaat van hier die een schrijmwerker ook een timmerman van sijn ambagts daar als een noodhulp kan dienen en welkie wij blijken van een goed gedragen bekwaamheijd uwel Ed: achtb: ootmoedigst soude voordragen tot een gunstige bevordering van ambagtsman, dog mijns geringe oordeel sal sulks niet genoeg sijn maar oordeele dat noodsakelijk wesen sal dat voor een tijd aldaar gesonden word een ingemeur om visie van 't terrein dier beijde forten tenemen deselve afsteeken, pinten en schik„ Conform kinge 145

NL-HaNA_1.04.02_3418_0129 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 30th of March 1774. order concerning that, it will be completed in an orderly manner, for neither in the Balambangan region nor here is anyone found capable of executing it according to the plans and art. I have not yet granted certificates to the elected chiefs of Oeloepampang and Cradjagan under the title of Ngabehi, because I believe that this will be better done when, during the good monsoon, those districts both to the east and to the west are inspected, and the chiefs are then also to appear here to take the oath, and at the same time to grant them their certificates. Furthermore, I take the liberty most humbly to submit to Your Honorable Worships' favorable disposition, by copy of his letter and extract of the letter from Passourouang, the humble and earnest request of the regent there for a favorable proposal to relieve the imposed contingent for Porong, the necessity of which I had already presented to the Honorable Gentleman without effect in earlier times, because the same was formerly reported to Their High Honors as being as large and murdered as Malang, about which that regent has found himself aggrieved from the very beginning. Yet now, in favorable interpretation and consideration that this brave regent in these three years has sacrificed everything he had in order to be able to fulfill his oath and duty to Your Honorable Worships in the oppressive burden of the expedition to Balambangan, and still continues to contribute his share for Adinogo, by which that regency will come to suffer not a little, though he nevertheless fully satisfied his contingent for the year 1773, I believe that his request must be granted on reasonable grounds, and I most submissively submit my earlier proposal to deliberate on exempting Porong from that contingent for some time yet to Your Honorable Worships as highly necessary for your favorable consideration. And finally, it serves as my duty to report that in the absence of Wiro Kromo at Cangang, at the request of the Raden Tumenggung at Sumanap, I have sent in his place thither Raden Jayengrono, formerly the old chief of Cangiang, while I am still having investigations made both into the accomplices of Wiro Kromo and into his remaining property, all of which I shall properly submit to Your Honorable Worships' highly esteemed disposition at the first break of the east monsoon. Herewith most obediently enclosing a small list of the deceased for the month of January, I have the honor with deep respect and obedience to subscribe myself, below stood: Title, lower: Your Honorable Worships' entirely obedient and humble servant, was signed: P: Luzac, below stood: Agrees, was signed: J: R: van der Burgh. Separate 147 149 From Java's East Coast, the 30th of March 1774. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. Respecting my submissive following report on the Balambangan affairs by separate letter of the 26th of February, I received yesterday from that district the resident's separate writing of the 25th of that same month, a copy of which I have the honor to present herewith to Your Honorable Worships. Whereby it must appear not without emotion to Your Honorable Worships the almost continuous misfortunes over those districts, as now again exists with the newly appointed regent Raden Tumenggung Wiro Goeno, who lies beyond hope of recovery. With respect to the European seafaring men serving on the cruising praus and mayangs, I shall send resident Schophof from here a list according to the regulations and orders regarding their box money and rations, so that he may regulate himself accordingly. Yet with regard to the native seafaring men, I shall have the honor to await Your Honorable Worships' esteemed authorization as to whether I shall have them provided with box money and rations in the manner previously provided here to the native seafaring men of the Pabean, as the necessity thereof is demonstrated in the resident's letter, to grant them, at least for the first two years, above their ration of rice, salt, and dried fish, or similar provisions, in order thereby to retain and encourage those peoples, who are of the highest utility in those districts and are not all skilled sailors. On the other hand, it will again satisfactorily appear to Your Honorable Worships from that letter that he is continuously busy gathering everything together so as to be able to make a formal beginning by the start of May, and I have already sent to that resident the carpenter in question, regarding whose requisition I respectfully refer to my requisition in the separate letter of the 26th of February. Separate missive written by the Authority Luzac at Surabaya on the 4th of March 1774 to the Governor at Semarang By the general letter now departing, Your Honorable Worships will be most humbly petitioned for a favorable and prompt dispatch of over fifteen thousand guilders in whole and half doits for the distribution of the monthly pay and account moneys, as well as for a prompt fulfillment of the requisitioned arrack, of which two items, above the other requisitions, the first will be urgently needed, and therefore I most respectfully implore Your Honorable Worships' most favorable disposition concerning this as soon as possible. Wherewith I have the honor to subscribe myself with deep respect and obedience, below stood: Title, lower: Your Honorable Worships' entirely obedient and humble servant, was signed: P: Luzac, still lower: P: S: also that the item on our requisition concerning the iron may kindly be fulfilled, below stood: Agrees, was signed: J: R: van der Burgh. districts Copy

Dutch transcription

Van Iavasoost kust den 30: Maart 174. kinge daar omtrent te stellen sal het selve in een geshrekte ondre volbragt worde want in het balemboeangsche nog hier sig niemand daar toe bekwaam bevind om navolgens deplans en kunst het selve te extrueeren. Ik hebde geligeerde hoofdan van oeloepampang en Cradjagan onder de naam van Jngabei nog geen bewijs verleend, om dat ik meen dat sulks beter plaats sal vinden wanneer in de goede mousson die districten se om de oost als west eens opgenoomen wordende en de hoofden als dan ook hier ter aflegging van den eed staan te compareeren als dan ook met een deselve hun bewijs te verleenen. verders neme ik de vrijheid uwel Edele achtbaren gunstige dispositie ot„ moedigst voortedragen bij copia sijner brief en Extract van Passourouangs brief het nedrig en instandig versoek van den regent aldaar toteengustige voordragt ter ontheffing van het opgelegde Contingent voor Porong wlkers modsakelijkheijd ikal in vroegen tijd Ed: heer oas rugtelos vorgedragen want hetselve eeren als Malang soo bred en moortoen ter tijd haar hoog Ed:s is opgegeeven worden daar die regent al van den beginne telkens over sig beswaart gevonden heeft dog nu in gunstige welduiding en Consideratie dat die brave regent in dese drie Jaaren al het sijne heeft opgeofferd om volgens eed en pligt aan uwel Ed: achtb: temoogen voldoen in de drukkende laast der expeditie van balemboangang en nog Continueerd het sijn te Contribueeren voor adinogo waar bij dat regentschap net van Iavas oostkust den 30. ' Maart 1774. weinig sal komen te lijden niet te min egter aan sijn Contingent voor den Jare 173 ten vollen voldaan so meen ik sijn versoek op billijke gronden te moeten plaats geeven en mijn voor heen gedaane voordragt om Perong„ nog voor een tijd van dat Contingent te delibereeren uwel Ed: agtb: aller submist als hoogst noodsaakelijk ter begunstiging voortedragen. en ten laaste diene tot schuldpligste bedeeling dat bij absentie van wird Creomo to Cangang op versoek van den radeen tommongong te sumanap in desselfs plaats derwaarts heb laten vertrekken radien Jaijengront voor heen het oude hoofd van Cangiang terwijl ik nog ondersoek laet doe„ so na de nog mede complicen van wier Crom als na desselfs nog agtergelatene goederen welk een en ander bij deerste doorbratie van de oostmoussen alles behoorlijk aan de hoog g'eerde dispositie van uwel Ed:e achtb sal oversenden Hier bij dan nog gehoorsaamst insluittende een lijstje der overlee„ dene voor de maand Januarij so geeve mij d'eere met diepe agting en gehoor„ „saamheijd te onderschrijven / onderstond:/ Titul/(lager/ uwel Ed:e achtb: gantsch gehoorsaame en onderdanige dienaar /was geteekend:/ P: Luzac /onderstond/ Acordeerd :/ was geteekend:/ I: R: vander Burgh. weinig v Aparte 147 149 Van Javas oot Cust den 30 Maart 174. Van Javas oostkust den 30 Maart 1774. Rndijpecke mijnen submisie naten bedaling over de balemboangs saken bij aparte letteren van den 26 februarij ontvang ik op gisteren van dat district de residents apart schrijven van den 25 derselver maand welkers Copia uwel Ed: achtb: bij dese deere heb aantebieden. waar bij uwel Ed: achtb: niet sonder aandoening moet te vooren komende negal aanhoudende totgevallen over die districten gelijk nu bij de buiten hoop van herstelling leggende nieuw aangestelde regent radeen tonmiongong wiero goeno weeder exteert ten adspecte van deuropeesche seevarende en dienst doende op de Kiruisprauwmajangs sal ik den resident schophof van hier een lijst naar de bepaaling en ordre omtrent humn kist gelden randsoenen laten toekomen, om sig daar na te kunnen reguleeren op dog ten opsigte der inlandsche seevarende sal ik de eere hebben intewagten uwe lEd: agtb: g'eende qualificatie of ik deselve nade wijse als hier voor heen kastgeld en randsoen is verstrekt geworden aan de ovan Pablaan op Jnlandse zee„ „arende sal laten verstrekken gelijk bij de brief van den resident derselver noodsakelijkheid word aangetoond om ten minsten voor d'eerste twee Jaaren sultis hun toeteleggen boven hun randsoen rijst sont op gedroogde vis of diigding ten eijnde om daar door die volkeren welke indie Apparte missie doordn gesaghebber Euzac te Sourabaija geschreeven den 4. Maart 174. an den Gouverneur te Samarang diestricten van het hoogste mit sijn en ook meet alle bekhurne seijlieden aantchoud„ en aantemoedigen gelijk aan de andere kant uwelEd agtb: wederom bij dien brief ten genoegen blijken sal dat n phoudelijk besig is alles bij een te te brengen om het begin van mei een formeel begin te kunnen maken en heb ik die resident berels ok al te toegesonden den bewuste schrijnwerker op tim„ „merman over welkens requisit mij erbiedigst gedraage aan mij requisit bij aparnt van den 26 februarij bij de tans afgaande gemeene brief sal uwel Ed: achtb: otmoedigst worde voorgedragen een so gunstige als spoedige toesending van ruijm vijftien duisend d„s holld„: aan heels en halve duiten ter utrijking van de goede maanden en reekening gelden so wel als om een spoedige voldoening van de g'eijschte arak om welkietuee articulen boven het ander g'eijschte het eerste verleegen sullen sijn en dus daar over uwel Ed: achtbare aller „gunstigste dispositie so spoedig als mogelijk is eerbiedigst imploreere. waar meede mij de eere gever met die agting en gehoorsaamheijd te onderschrijven /:onderstond:/ titul /:lager:/ uwel Ed: achtb gansch gehoorsame en onderdanige dienaar. /:was geteekend:/ P: Luzac /:nog Lager:/ P: S: ook dat het articul op onsen Eijsch omtrent het Eiser goedgunstelijk mag werden voldaan /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ I: B: van der Burgh districten Copia

NL-HaNA_1.04.02_3418_0131 view scan ↗

English

151 From Java's East Coast, the 30th of March 1774. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. Copy of a copy of a separate letter written by the junior merchant and resident at Oeloepampang Hendrik Schophof to the administrator Luzac at Sourabaija, dated 25 February 1774. Most respectfully, I take the liberty to remind Your Right Honourable regarding the provisions to be made in cash board money as well as other rations, both to the European and native seafarers serving on the four assigned prau mayangs, according to your favourable promise upon your honour while present here, to send me a specific list thereof. At the same time, I dutifully give notice that several native seafarers are successively deserting, for no other reason that can be conceived than that these men cannot subsist on their ration of rice, salt, and dried fish or dengdeng to perform continuous service, which has already lasted for more than 10 months. Furthermore, they must ultimately walk about naked because no relief could be granted to them from the impoverished land and they are still destitute. It is to be feared that in the end, in their poverty, all these people will run away, whereby one would become utterly embarrassed if no favourable provision is made therein to grant them a monthly salary so that they may subsist. Furthermore, I have the honour to inform Your Right Honourable that the regent Raden Wiro Goeno lies seriously ill, and his recovery is doubted. I likewise respectfully insist that the promised carpenter or joiner be sent to me at the first opportunity, since the timber felling on the Goenoeng Ikan is still making desirable progress. Continuing with this good dry weather, with the necessary palisades for the fortress as well as building timber, I think that, by means of the 86 heads now steadily working on it, we shall have finished the work for Banjoewangie within at least a month and a half. In the meantime, I am having the finished palisades successively transported thither, so that by calculation we can make a start with setting the palisades around the first of May, about which I shall take the liberty to give Your Right Honourable further communication, depending on the continuation of the good weather, or if otherwise incoming rains should much delay the work for us at that time. Wherewith I have the honour to call myself with most dutiful respect, underneath stood: was signed: H:k Schophof lower: Agrees was signed: P: Luzac underneath stood: Agrees. Likewise Copy 153 From Java's East Coast, the 30th of March 1774. From Java's East Coast, the 30th of March 1774. Copy of a separate missive written by the undersigned to the administrator over the East Hook, Mr. Pieter Luzac, dated Samarang, the 11th of March 1774. Only a few days after one another I received Your Honour's separate letters of the 5th and 26th of February last, with the news of Your Honour's arrival at Oeloepampang, departure from there, and return to Sourabaija, together with a report and daily journal of your journey to Balemboangang, completed much more swiftly than I had expected. Your Honour's short stay of only 3 to 4 full days in that conquest not having well permitted performing much more than appears to have happened, and only to have consisted in the introduction of the new regent Raden Tommongong Wiro Goeno, and with Your Honour charging the resident Schophof with the execution of the remainder, as demanded both by Their High Excellencies' respected missive of the 2nd of December 1773 and my letter founded thereon of the 18th of January. I now indeed look forward to a prompt execution of the orders by that servant, and that with no less desirable success than I had promised myself from Your Honour's efforts; but in the meantime, nevertheless, I also expect from you a more complete and punctual answer both to the extract from Their High Excellencies' venerated missive of the 15th of December and my letter of the 18th of January above mentioned, than that made haste also seems to have permitted. The declaration executed before Your Honour by the regent Wiro Goeno and his patihs Poeroekoentjo and Bawalaksana, wherein it has only been prescribed to them in the Dutch language that after the expiration of the aforementioned three free years, which are calculated to have commenced on the 1st of January 1774 and to end on the last of December 1776, he, the regent, will willingly take upon himself and bear such burdens as the Company in the meantime shall find that land and people can bear, is so little drafted in the customary form that it can hardly be called an act of engagement, because apart from this point specially prescribed to Your Honour, and even too literally followed, it contains nothing that an act of engagement must contain and include, such as the previous regents of Balemboangang and, not two years ago, the regents of Sourabaija executed with the Company, and which Your Honour, with the necessary changes according to the circumstances of time and place, should have followed to satisfy the ancient custom and the requisite, as will still have to be done upon an occurring occasion. That the aforementioned regent has been left to choose later a place for his residence is well, but since the patihs, according to the custom of the land, must always reside with and around their regent, I cannot approve the intended placement of Bawalaksana at Cotta, as being situated too far for that purpose from Banjowangie, and therefore another faithful and vigilant person must be appointed thereto, such as from the mantri Singo Goensing at Oeloepampang, to be

Dutch transcription

151 Van Javas oost cust den 30 Maart 1774. van Iavas oodtkust den 30 Maart 1774. Copia a Copia aparte brief geschreeven door den onderkoop„ „man en resident te oeloepampang Hendrik Schop hoff aan den gesaghebber Luzae te sourabaija in dat 25 feb: 174. Eerbiedigst neme de vrijheijd uwel Ed agtb: te hernineeren wegens de te doene verstrekkingen in contante kost penningen als andere randsoenen soo aan d' europees en Jnlandsche seevarende op de vier toegesane prauwmajangs dienst doende volgens desselfs gunstige toesegging bij g'eerd aan sijn alhier mij daar van een bepaalde lijst te willen laten toekomen geve teffens meede schuldpligtig kennis dat er eenige Jnlandsche zeevarende hun successiev komen te absenteeren, om geen anderen redenen te denken als dat dien enschen met hun randsoen rijst sout en gedroogde vis of dinigding niet subsisteeren kunnen om geduurende dienst tepresteeren dat mal ruim 10. maanden geduurd daar bij eijndelijk moeten naakt loopen wijl hun van het veraamde land geen soulaas heeft kunnen toe„ gevoegt werden en als nog onvermogend sijn staat te dugten die lieden ten eijndein hun armoede alle sullen verloopen men daar door eens in't geheel sou verleegen raaken als daar in geen gunstige voorsiening geschied, om aan haar een maandelijkste salaries toetevoegen te kunnen bestaan. wijders heb ik de Eere uwel Ed: agtb: te bedeelen dat den regent rad een wiero goen s swaar sek legt an sijn op komst getwijffeld werd Almeede isteere reverentelijk om den beloofde timmerman ofte chijnwerken dog bij aeste gelegentheijd mij te tesenden vermits de houthapperij op de goe„ „noeng Than als nog een gewenschte voortgang neemt so tot het fortres de benoodigde paalen als bouw houten bij dit goed droog weer Continueerende denke ik door de 86 daar aan nu gestadig werkende koppen binnen ander halve maand ten minsten voor Banjoewangie gedan werk sullen hebben en laate intusschen de gereed sijnde paalen successiev naar der„ „waarts overbrengen, so dat calculatie tegens primo Meij een begin met het paalen setten kunnen maken, waar over de vrijheijd sal gebruiken uwel Ed: achtb: nader Communicatie tegeeven na de aanhoudendheijd van het goede weer of anders invallende reegens ons indien tijd den ar„ „bed vel soude vertragen. waar meede mij de eere geve met verschuldigst ontsag te noemen /:onderstond:/: was geteekend:/ H:k schophof /:lager:/ Accordeerd /:was geteekend:/ P: Luzac /:onderstond:/ Accor„ Almede Copia „deerd. 153 Van Iavas oostkust den 30:' Maart 174. Van Javas ostcust den 30 Maart 174. Copia apart Missiv gschreeven door den ondergeteekende aan den gesag hebber over den oostroek m:r Pieter Luzac gedateerd Samarang den 11 maart 1774. Maar wenig dagen na den anderen heb ik onterangen uw Ed apatelhienegn van den 5: en 26. febr: Jongstl: met de tijding van uw Ed: arrivement te oe„ „loopampang vertrek van daar en te rugkomst te sourabaija neevenseen berigt en dag register van desselfs velspoediger dan ik hadt verwagt vol„ bragte ruse naar balemboangang uw E: kort verblijk van maar J: a d volle dagen in dat Conquest niet wel toegelaten hebbende veel meer te verrigten aan schijn te weesen geschied en alleen te hebben bestaan in devoorstelling van den nieuwen regent radeen tommongong wiro goeno en met de uitvoe„ „ring van het verdere uw Ed: so bij hunner hoog Edelheeden gerespec„ „teerde missive van den 2. december 173 als mijn daar op gegrond schrijven van den 18. Januarij daar aan gedemandeerde den resident schop hof op te dragen blijve ik nu wel eene prompte executie der ordres doordien bediende en dat met geene mindere wenschelijke sulcessen als ik wij van uwE pogingen hadt belooft te gemoete sien maar intusschen des niet te mim nook van uwl eene volleedigen en punctuele beantwoording soo van het Extract uit hunnen hoog Edelheeden gevenereerde missive van den 15 December als mijn briev van den 18. Januarij boven gemeld dan die gemaakte spoed almide schijnt te hebben toegelaten. De door den regent wirno geend en sijne bepattijs poeroekoentje en Bawalas„ ana voor uwE gepasseerde verklaaring waar bij hen alleen in het neederdutsh voorgeschreeven is dat na verloop van de opgemelde drie vrije Jaaren die gereekent worden ingegaan te sijn met p:r Januarij 174 ente sullen eijn„ „digen met ult:o december 1776 hij regent gewillig op sich neemen en tontsen sal sulke laasten als de compagnie intusschen bevinden sal dat land en volk dragen kunnen is soo mn in de gewoone forme ingerigt als deselve eene acte van verband kan genaamd worden wijl deselve buiten dit uwE: Speciaal voorgeschreeven : en selvs te letterlijk gevolgde :/ pomnt niets inhoud dat een acte van verband behelden moet en inhouden die de voorige regenten van balemboangang en nog geen twee Jaaren geleeden de regentan van sourabaija met de compagnie hebben gepasseerd en dewelke uwE: met de nodige veranderingen na de omstandigheijd van tijd en plaats haal behooren te volgen om aan de ondre gewoonte en het requiset te voldoen gelijk nog bij voorkomende geleegenheid sal moeten geschieden. Dat aanden aneermelde regent gelaten is nader eene plaats tot zijn ver„ blijk te verkiesen is wel maar dewijl de bepattijs onaslands wijs altoos bij en om haren egentaieiente sin kan ik niet goedk euren de voorge„ „noomen plaatsing van bawalafana te Cotta als te verre daar toe van banjowangie afgelegen en des sal daar toe een ander trouw en vigilant persoon benoemden een als van den mantie singo gunsing te eloepampang moeten De worden

NL-HaNA_1.04.02_3418_0133 view scan ↗

English

155 From Java's East Coast, 30 March 1774. From Java's East Coast, 30 March 1774. are appointed, while on the other hand I approve the appointment of Demang Karang Gissing as chief of Radjagan and Tjaang Andul as chief of Atapang, Bancak and Pakkim, to settle at the last-mentioned place, both with the title of Ingebeij. However, since I must deduce from your statement that they stand directly under the Bupatis that you have not properly understood my writing on this subject by letter of 18 January last, I repeat that these Ingebeijs must be considered subordinate chiefs, just as subordinated under the regent Wiero Goeno as the Ingebeijs of Toabaija and Goemoelacq here stand under the Adipati or head regent of Samarang. On that footing they may indeed be brought under the oath and a certificate of their appointment issued to them. Regarding the Company's servants in general and the placement of the European and native military personnel, along with the retention of the latter, item the sailors for the local craft in particular, the latest determination of their High Excellencies and my orders must be observed as much as possible, necessity otherwise taken into account, and further consulted with possibility, as I am not able to provide any supplies even for obtaining relief, except that after the construction of the forts at Banjoe Wangie and at Pakkum and the complete restoration of peace and quiet, one will be able to judge on better grounds than now what changes will be necessary for a permanent establishment. 157 From Java's East Coast, 30 March 1774. From Java's East Coast, 30 March 1774. will be permanently necessary, for which I shall then await a further proper report from Resident Schophoff. The utmost haste must be made with the construction of those two forts, and reported to me, according to which arrangement put into motion by Resident Schophoff the Balambangans will supply the necessary timber for it. The 200 battoors required for that work by Resident Schophoff seeming to me somewhat high, and the distribution proposed by you appearing burdensome for Sourabaija, the quota must therefore, and because I not only have reasons not to allow Madurese and Sumanappers to be used for this, but also deem it necessary with you to excuse Passerouang, Banger, Aangil, Malang and Besoekie, be set at one fourth less and the distribution for provisioning be made: Sourabaija: 50 heads Grissee: 25 heads Sidaijoe: 20 heads Lauoengang: 15 heads Pamacassang: 40 heads Together: 150 Battoors who must be provided with good chiefs, and to whom, as well as to the Balambangans who, as I must deduce from your request for food for them, are also to be employed, rice, fish and salt may be issued and provided for provisions. In order to have the open supervision over the layout and construction of the aforementioned two small forts according to the transmitted plans, the master carpenter Klaas Dester will proceed from here to you at the first opportunity. And with that workman and the soldier ordered thither by you, who is said to be a joiner, together with the native carpenters to be hired for a reasonable wage, one must manage to get by, since I can assist you with not a single European craftsman, and I cannot pass over unremarked your writing that the carpenter stationed at Sourabaija is unqualified for that work and is said to be a ship's carpenter. For if that is so, I must ask why and on what foundation, not so long ago, or in the general letter from Sourabaija dated 8 November 1773, this same Andries Lendstroom was proposed for promotion to master journeyman of the house carpenters, which petition was nevertheless rejected here. The pantjallang De Bestendigheijd being, according to the report, of no further service or use in the Balambangan region, and one of the two belonging at Sourabaija always being able to be dispatched to transport what is needed thither, De Bestendigheijd must be recalled from there and, being loaded with oil at Passuruan, sent back to the capital. Before I know what result the writing of Resident Schophoff to Gusti Moerate Dsembrana for the extradition and surrender of the Balambangans who have successively gone thither and would now gladly return has had or will have, I cannot express myself on your question regarding that matter, expecting that we shall be informed of the outcome of that affair or the reply of the aforementioned Gusti at the earliest opportunity. The promised further statement in compliance with my requisition regarding the iron and brass cannon, as well as the map of the Balambangan lands which is said to be in the possession of the administrator of the sea port, I still look forward to receiving. And I expect not only that the supernumerary military personnel at Grissee and Bancallang will have been relocated, since it merits no question or doubt whether they are here, if the general strength of the Eastern Salient was well drawn up from the month of December; but also that you will not leave it at merely handing over to the commissioners for the determination of the Balambangan borders on the west and surveying the other districts an extract from my letter of 10 January containing the order thereto, but that you will furnish them with full instructions on how they must conduct themselves in the execution and what they must further observe, and send me a copy thereof. The list of villages drawn up during your presence at Toeloepampang makes a poor showing, and the distribution among the regent and his subordinate chiefs not appearing equitable to me, thought must also be given in due time and opportunity to the necessary redress therein. Upon the equitable petition of the Passuruan regent Niti Nagarra that the small district of Porong, like Malang, may for the present remain excused regarding

Dutch transcription

155 Van Iavas oostcust den 30. ' Maart 1774. — Van Javas oostkust den 30' Maart 1774 worden gesteld, terwijl ik daar en tegenapprobeere de anstelling van demantie karang gissing ads hoofdte radjagan en T jaang an dul alshoofd ver atapang bancak en pakkim om ten laast gemelde plaets siceh mee t setten beide met den titul van ingebeij doch wijl ik niet uwE seggen onder de bepattijs direct staande moetopmaeken dat uwE: mijn schrijven op dit supet bij briev van den 18. Januarij Jongstl: met wel begreepen hebt herhaale ik dat dese Jngebijs moeten worden geconsideceerd als subalterne hoofden eeven soo onder den regent wiero goeno gesubordonneerd als de ingelijs van toabaija en goe„ moelacq hier staan onder den adipattij op hoofd regent van Samarang op „en mag, dien voet kunnen sij wel onder den zed gebragt an hun wel een bewijsje prode afgegeven worden. Omtrent scompagnies dienaaren in het gemeen en deplaatsing den Eu„ ropeesche en jnlandse militairen met de aanhouding der laatste item de sevarende voor de huis vaartuigen in het beijsonder moet soo velgesheden kan de Jongste bepaaling hunner hoog Edelheeden en mijn aanschrijvens geobserveerd overigens de noodsakkelijkheid m agt genomen en wijders met de mogelijkheijd geraad pleegd worden also ik voor de erlanging zelfs van ontset niet vermogens ben eenig fournissement te besorgen behalven dat mon nade Estructie aen sterktend te banjoe wangie ente Pakkum en volkomen herstel van rust en vreede met beeter grond dan tans sal kunnen oordeelen welke veranderingen tot eene vaste bepaaling - v„n 50. koppen „ 25 „ - „ 20. „ Tesamen 150. Batt:s de voorsien sullen moeten weesen van goede hoofden en aan dewelke so wel als aan de balembangers die gelijk ik uit uw E: versoek om voedsel voor hen opmaken moet meede staan te worden g'emploijeerd sal mogen worden afgegeven en verstrekt rijst vis en sout tot mond kost. om het open toesigt over den aanlegenopbouwaer voormelde twee Cortjes na „ 15. „ 40. voor altoos noodsakelijk sullen sijn en waar toe ik dan eene nadere behoorlijke opgave van den resident schop hoff verwagten sal. met de extructie van die beijde sterktens moet de meeste spoed gemaakten mij opgegeeven worden na de welke door den residentschophoffin train ge„ bragt schikking de balembangers het daartoe benodigde larihout sullen leveren De tot dat werk door den resentent schophoff gerequireerde 20o battoors mij wat hoog genoomen en de door uwE voorgestelde verdeeling voor sourabaija drukkende voorkomende sal het daar om en om dat ik niet alleen eeden hebbe geene madureesen en sumanappers daar toe te laaten ge„ „bruiken maar ook met uwE: nodig oordeele Passerouang Banger, Aan„ gil Malang en besoekie te excuseeren met een vierde minder gesteld ende verdeeling tot fournissement moeten gemaakt worden. Sourabaija Grissee Sidaijoe Lauoengang Pamacassang voor de - - 157 Van Javasost ust den 30 Maart 174. Van Iavas oost cust den 30 Maart 1774. de overgesonden plans tehebben sal bij eerste geleegentheid van hier tot uw E: overkomen den bas tinmmerman klaas dester en met dien werksaam en en den door uw E derwaarts gecommandeerden soldaat dat een schwijnmwerken soude weesen mitsgaders de tegen eene redelijke betaaling in te huuren Jnlandsche timmerlieden sal men het moeten sien te stellen wijl ik uwE so min meteen enkel europees ambagtsman anders assisteeren als ongeremarqueerd pas„ „seeren kan uuh schrijven dat den te te sourabaija bescheiden timmerman tot dat werk onbekwaam en een schips timmerman soudeweesen want. dat soo is moet ik vragen waarom op op wat fundament men nog tekort geleeden of bij gemeene brief van sourabaija de dato 8. november 1723. dee„ sen selfden andries lendstroom voorgedragen heeft ter bevordering ten Meeter„ knegt, der hus timmerlieden dog welke instantie hier is gerepecteerd Depantjallang de bestendigheijd in het balembaangsche na de opgave van geen dienst of nut meer sijnde en een van de twee die te souralaija tehuis hooren ook altos wel kunnende worden geweist om het nodige derwaarts te vervoeren moet de bestendigheijd van daar opgeroepen en tequsser met olij beladen sinde naar de hoofdplaats te rug gesonden worden voor dat ik weet wat gevolg gehad heeft of sal hebben het schrijven van den resident schop hof aan gusti moerate Dsembrana ter uitleevering en overgave der balemboangers die sich successive derwaarts begeeven hebben en tand gaarn te rug komen soudekkan ik mij op vu E: vrage daar omtrent niet verklaaren verwagtende dat wij den uitslag dien affaie of het antwoord van opgenoemden gusti ten eersten sal worden bedeeld. De beloofde nadere opgave in voldoening aan mijn requisit omtrent hetijser en metaal canon ook de kaart van de balemboangsche landen die onder den administrateur van der seepoort soude berusten sig ik nog ten gemnoete en ik verwagte niet alleen dat de over compleete militairen te grissee en bancallang sullen weesen verplaats also het geen vrage nog twijffel meriteerd of hijer sijn als de generale sterkte uit den oosthoek vande maand December wel is ingerigt geweest maar ook dat vwE het niet sult laaten berusten met de gecommitteerden tot de bepaaling den balambaangsche grensen op de west en op neem den andere districten eenlijk een Extract uit mijn schrijven van den 10 Januarij houdende de ordre daar toe terhand tesellen maar dat uit hen met eene volleedige Instructie hoe sij indenitvoering sich sullen te gedragen hebben en wat sij wijders observeeren moeten munieeren en mij daar van Copia toesenden zult. De wij uwE aanweesen toeloepampang geformeerde lijt aen negorijen maakt eene Cobere vertooning ende verdeeling onder den regent en sijne onderhoorige hofden mij miet gevenreedig voorkomende moet ook bij tijd en gelegendeerd op het noodige redres daar in worden gedagt. op de billijke instantie van den Passerouangse regent Niti nagarra dat het kleene district Porongeven als Malany nog voor eerst mag blijven omtrent g'excuseerd ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3418_0135 view scan ↗

English

159 From Java's East Coast, 30 March 1774. From Java's East Coast, 30 March 1774. — Regarding exemption from the imposed contingent, I shall express my position once Nusa has been submitted and you have reported to me what this regent and others have supplied from time to time without payment for rations for the garrison at Malang, Antang, and Lumajang, and who imposed that charge. The goods of the former head of Kangean, now detained here, named Kromo, which are known according to the inventory in my possession and may furthermore be recovered, I shall expect at the first opportunity addressed here to the Landraad, as well as the persons who must testify in his case and were recently required. Needing some skilled gong and bell founders here, orders must be given that they come over here from Banger, being also required here. Dermoyudo, mantri of the 2nd Regent Kromowidjojo, Patih Dalam Dermowidjojo, who has quietly departed from here and, as I am well informed, is currently staying in Surabaya with his father and brother, the first-mentioned persons; as well as Raden Tirto Kusumo, who must also have returned there from his flight; I request you to send the first two under good supervision and the latter two in custody as soon as possible overland here, and to refer them to the Landraad. Having progressed thus far with this, your further separate letter of the 4th instant was delivered to me today. In addition, I very much hope that the hopeless condition in which the new Balambangan regent, Wiro Gundo, found himself due to illness, according to the letter from Resident Schophoff dated 25 February last, will have turned for the better, and I trust that you will have provided the said resident in time with the necessary orders on how to conduct himself in the opposite case or if that regent should happen to pass away. In which unexpected event I shall expect from you to know whether, during your presence at Ulu Pampang, any of the lesser chiefs appeared to you suitable and capable of being put forward as regent. In order to prevent the desertion of the native sailors from the cruising vessels, I authorize you provisionally, for the encouragement and relief of those poor people, to allow them to be provided with as much subsistence money and rations as you say was distributed in Surabaya to the Orang Pablang or native sailors, provided that by the next opportunity I am informed of what that consisted. The general letter to which you refer not yet having been received here, I can also not judge to what extent the embarrassment for doits for the good months and arrack is well-founded, besides the fact that I am also not provided with any vessels to assist you therewith so quickly. With for From Java's East Coast, 30 March 1774. — Before reading WKaape F For you have no ship or ships to expect from here for the present, as three vessels that must return from the Great East via Surabaya have been earmarked for the transport of products from the East Hook, as will be written more in detail by general letters; and the sloop Samarang being laid up in the river, it cannot be brought out in the present rough weather, nor can it be rigged as quickly as your request is urgent. But as for the doits, I imagine this to be without reason, since the Surabaya treasury at the end of January was again well augmented to over 17000 rix-dollars, among which was the five thousand rix-dollars in copper coin brought from here a few days earlier with the [illegible], which amount, with the addition of half or two-thirds silver money, can easily suffice to pay the good months. After greetings, I remain, underneath was written, your good friend, was signed, J. R. van der Burgh. In the margin: Date as above. Underneath was written: Agrees, was signed, J. R. van der Burgh. 2 Secret In-letters. Checked Sworn Clerk 1774 Amboina Reply to the letters received Batavia To His High Nobility, The High Noble, Valiant, Right Honorable Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Honorable Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Valiant, Right Honorable Lord, and Honorable, Valiant Lords, By the ships Velsen and Leeckerlust I have again had the honor to receive in original and duplicate Your High Nobilities' very respected Secret Missive of 23 November of the past year, together with the annexes cited therein, and by the last-mentioned vessel His High Nobility's further short letter of 2 December last, as well as on 23 April via Ternate another further letter of 8 February, to which I shall now reply with the required respect, and at the same time to Your High Nobilities as briefly as possible dutifully report

Dutch transcription

159 Van Iavas oostkust den 30 Maart 1714. Van Javas oostkust den 30 Maart 174. — geexcuseerd van het opgelegde contingent sal ik mij verklaaren als nosa sal weesen gesubmitteerd en uwE mij opgegeeven hebt wat deese regent en andere van tijd te tid hebben geformeerd sonder betaaling tot randsoe voor ebesetting te Malang en Antang en lamadsang en wie en dien last heeft opgelegt. de goederen van het geweesen hier tans gedetineerde hoofd van Cangiang wierd Cromo bij de onder mij berustende Jnventaris bekendt staan en nog bovendien mogen worden agterhald sal ik bij eerste geleegentheijd hier geadresseert aan den landraad verwagten en soo ook tepersoonen die in sijn saak ge„ tuigen moeten en jongst sijn gerequireerd. Eenige bekuwame gongen kloken geters hier nedig hebbende diendre beordertistelen dat sijvangusse herwaards overkomen en hierook gerequireerd wordende. Dermojoedo mantrie vanden 2. Reutsent kromowidjoijo Pattij dalm „ „ _„o Dermorvid joijo, die zich in stilte van hier heeft geabsenteerd entans so ik wel geinformeerd ben hem te sourabaija bij sijn vader en broeder de eerst genoemde persoonen ophoud; zoo meede Radeen Tirto Coesoemo die ook daar van sijn vlugt moet sijn te rug gekomen demandeere ik uwE: omde beijde eerste ondergoed toesigt ende beijde laatste in verseekering hoe eerder so beeter over den landwen herwaarts te senden en aanden landraad te renvoieeren. Met deesen dus verre gevonderd sijnde toen op heeden bij mij wierd besteld vrE: nadtere aparte van den 4. huurs is daar op ook nog dat ik seer wensche dat de hoopeloosen toestant waar in den nieuwen balemboangangs regent wiero goend volgens schrijven van den resident schophoff de dato 25 februarij bevoorens door sickte sich bevond ten besten sal sijn gekeerd en dat ik ver „trouwe dat uw E: gemelden resident tijdig sult hebben voorsien met de noodige ordres ho sich bij het contrarie of als dien regent mogt komen te over„ lijden te gedragen in welk onverhoopt geval ik van uwE: verwagten sal, te weeten of bij aanweesen te oeloepampang geene der mindere hoofden uwE: convenabel en bekwaam voorgekoomen is om tot regent op te brengen weeden om het verloopen der jnlandsche seevarende van de krusspaantuigen daar voor te komen qualificeere ik uw bij provisie em ter opbeuring en te gemoete koming dier armelieden aan hen te laaten versterken eeren soo veel kostgeld en randsoen als voor hemn te sourabaija segt uw E: aan de orang Pablang of Jnlandsch zeevanende rs oergedeld geworden mits mij bij naaste opgegeeven worde waar inne dat heeft bestaan. De gemeene brief waar op uwE: sich benoept hier nog niet ontvangen sijnde kan ik ook niet oordeelen in hoe verre de verleegentheijd om duite„ tot de goede maanden en arak gefundeerd is behalven dat ik ook van geen vaartuigen voorsien ben om uwE soo illio daar meede te adsisteeren Met want Van Javas oost Cust den 353:' Maart 174. — Voor 't op Leezen WKaape F want schip of scheepen heeft u E nog voor eerst van hier niet te magten sijnde driekielen die uit de groote oost over sourabaija reverteeren moeten geprope„ teerd tot tramport der producten uit den oosthoek gelijk nader bij ge„ „meene letteren sal worden aangeschreeven ende sloep Samarang inde ri„ vier opgelegd sijnde kan in het preesente ruwe weer niet uitgehaald soo nog spoedig toegetuigd worden als uwE: versoek pressant is doch dat omduiten soo ik mij verbeelde sonder reeden wijl de sourabaijasche kas ultimo Januarij weeder tot rijksdaalders 17000- ruim is g'aicresseerd geweest daar onder de wenig dagen bevoorens met teekenlust van hier aangebragte Rijxdaaldens vijff duisend aan kopere munt welk montant met bij voeging van de helft of twee Derde silver geld uijn toerijken kan om de goodemaanden te betaalen Ik blijve naar groete /:onderstond:/ uw E: goede vriend /:was geteekend:/ I: R: van der Burgh /:in margine:/ Datum als vooren /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend :/ S: R: van den Burgh. 2 Secreet Inkbbs. Nagezien Gezw: Clercq 1774 ter Amboina resoriptie op de ontfangene brieven Batavia Aan zijne Hoog Edelheijd den Hoog Edelen Gestrengen Groot Agtbaren Heere Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal De Wel Edele Heeren Raden van Nederlands. India. neevens. Hoog Edelen Gestrenge Groot. Agtbaren Heere, en Wel Edele Gestringe Heeren Per de scheepen velsen en Leeckerlust hebbe ik weeder de eere gehad in Originali in duplo te moogen recipieeren. uw Hoog Edelens. Seer gerespecteerde Secreete Missive van den 23:e Novem„ „ber des verweeken Iaars, neevens de Bijlagen daar bij geciteert en met laatst gem:e bodem Hoog dezzelver nader briefje van den 2:e xber pass:o midsg:s op den 23. ' april over Ternaten nog een, na„ „der van den 8:e februarij waar op tans met de vereijschte eerbied zal rescribeeren en uw Hoog Edelens teffens zo kort doenlijk Schut pligtig

← previousnext →