Inventory 3445
Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Ternate, 20 July 1755 Wednesday the 28th, having arrived towards evening, we immediately inquired for news from the resident sergeant Lofman, who, apart from recently hearing some heavy cannon shots to the south and west of his entrusted post, as well as yesterday seeing a sail in the south-east that according to his presumption must have been a Banda sloop which due to contrary winds has been struggling around Obi for some time without being able to advance its voyage to Ternate, knew nothing else to tell us beyond what had been communicated to him by the King of Bacan concerning the recent appearance at Pulau Bating of an English proa commanded by the Haji Umar, adding however that the bringers of that news had wandered around here for a whole day before making it known to him, presumably to communicate the arrival of the British to others before him; for which reason he, Lofman, had deemed it expedient to dispatch the sergeant of the laborers with another from the European garrison by a good and well-manned paddle-proa to inspect all corners and inlets of the islands situated around Bacan; and this being noted by us as a well-done matter, we instructed him, Lofman, to continue therewith, in order to give early notice to the Governor and Council at Ternate in case of any remarkable encounter. Thursday 443 From Ternate, 20 July 1755 Thursday the 29th. The just-mentioned laborer sergeant returned, who reported to us that during his dispatch he had encountered nothing remarkable other than a Misool kora-kora, whose leaders upon his questioning declared their intention to go to Tidore to make known the death of the King of Misool. Friday the 30th. Departed from here for Obi the soldier Cornelis van Beuningen, assigned there, to whom we gave along for delivery to the Postholder there a letter of the following content: Obi To the Corporal Christiaan Bendker, Postholder there. Valiant, pious [friend], On the occasion of the soldier Cornelis van Beuningen, assigned to your post, departing from here for your location, we could not refrain from recommending to you in the name of our Lords and Masters to keep and cause to be kept a good lookout for foreign ships or lesser vessels not belonging to the Dutch Company; seeing that you must immediately give notice of such an appearance from that place via Bacan to the respected Moluccan government, stating what kind of ship or vessel it was, if possible how manned and mounted, and whither they have set their course. While 1. From Ternate, 20 July 1755 While in the meantime, after friendly greetings, I remain /:underneath stood:/ Valiant, pious [friend] /:lower:/ your good friends /:was signed:/ F. B. Semmekam and P. E. Gavanon /:in the margin:/ Bacan, 30 December 1774. Likewise we also put in order a letter to the Ternate Government of this content: Ternate To the Honorable, Respected Paulus Jacob Valckenaer, Governor and Director, together with the Council of the Moluccas. Honorable, Respected Ruling Lord and Lords, After we had left the Ternate roadstead on the 23rd of this month and on the 25th ditto arriving at the island of Bating, finding nothing that resembled the British, we called on the King of Bacan at Kasiruta on the 26th and questioned that prince in the name of Your Honors in a polite yet emphatic manner whether he had no further news of those foreign equipages, since it was not to be thought that they had set their course for Buton, seeing that entirely different reports had arrived from there. Upon this, that prince replied, with a change of countenance and a kind of fright, that everything he had written concerning this to Your Honors equaled the truth; but that from the wife of the Raja of Guleluhu, named Rabe, who was staying at Kasiruta 445 From Ternate, 20 July 1775 Kasiruta, upon her arrival from Tidore on the 21st of this month, he had been informed that the known Haji Umar had also called at Tidore at the village of Marieko, where the sangaji of that village had, in her presence, brought notice thereof by night to the King of Tidore, and that it had also followed thereupon that the Raja Muda of that realm had also immediately sailed with four kora-koras to that village without her knowing with what intention, and who at her departure from Tidore had not yet returned; that furthermore, according to the concurrent reports received from Tidore, he, the King, could not conceal that the intention of the British was not towards Buton, but towards the Papuan islands, in order to establish a fort there on a certain silver-yielding island named Salawati; to which end also already four ships and more or less a hundred proas manned with Englishmen, Sepoys, Moors, [illegible], Chinese, Bugis, those of Bone, and other kinds of peoples besides, had sailed thither under the command of an appointed Governor; as well as that the Tidorese were forbidden by their King to cause any tumult on Halmahera first, but indeed on Tidore, in order to be close at hand whenever their presence was required.
Dutch transcription
Van Ternaten den 20:' Jubij 1755 woensdag den 28. tegen den avond gekomen wesende hebben wij ons direct na tijding ge„ informeert bij aen potthoudent serge ant Lofman, dewelke buijten het koutelings hooren van eenige swaare canonschooten in het zuijden en westen van sijn aan betaouwde post als het op gisteren sien van een zeil in het Z: O:o dat volgens sijn persumptie een Bandase sloep moet sijn geweest die door contranie wind al eenige tijd bij onbij heeft leggen te sukkelen sonder sijn rijsch na Ternaten te kunnen vervor„ deren ons niet anders wist te seggen aan het geen hem Batchians koning wegens het onlangs verschijn te poulo Bating van een En„ gelsche prauw gevoert door den hadje oumar was bedeelt met bij voeging egter dat de brengers van die tijaing bevoorens het hem hadde te weet gedaan een gantschen dog alhier hadden omgeloopen denkelyk om die komst der britten eerst aan andere aan aan hem te communiceeren alwaaromme hij lofman hadde dienstig ge„ „ooraelt den sergeant der laboureesen met nog een uit de Europeese besetting per een goede en wel bemaande scheppaauw ter besigtiging van alle hoeken en in hammen der Eijlanden rondsom Batchian gelegen te depecheeren ende dit door ons voor een welgedaane saak aangemertit sijnde hebben wij hem lofman gelast daar meede te moeten Continueeren om bij eenig remarquabel ontmoeting den heere gouverneur en raad te Ternaaten daar van vroegtijding kennis te kunnen geven Donderdag 443 Van Ternaten den 20' Juli 175. Retourneerde den so even gemelde laboeres sergeant die ons rap„ Donderdag den 29. „porteerde dat gedurende sijne afsending niet vermarquabels had gerencontreert aan een Miolso corra Coura welker voorders op sijne afvraag betuigt hadden de wil na tidor te hebben om de dood van Micouls koning bekent te maken vertrok van hier na oubij den aldaar bescheiden zeggende Col, vrijdag „ 30 „daat Cornelis van Beuningen wien wij ter bestelling aan den Posthouder aldaar meede gaven een krief van deesen inhoud „ oubij Aan den Corporaal Christiaan Bendker Post, houder aldaar Manhafte vröme Bij gelegentheid den ten uwen Post bescheidene kreijgen Cornelis van Beuningen van hier na costij verstreckt, hebben wij niet kunnen afsijn uE uit naam van onse heeren en Meesters 2 recommandeeren goede uitsigt te houden en te doen houden op vreemde schepen of mindere vaartuigen niet onder de hollandsche Comp: sorteerende aangesien uE van sulken verschijn om dien oirt direct over Batchian aan het gerespecteerde Molukikos in„ nisterij sult moeten kennis geven met bekentstelling welk een schip of vaartuig het sij geweest des mogelijk hoedanig bemant en gemonteert en werwaarts hun cours gestel hebben Terwijl 1. Van Ternaten den 20 e Juli 175 Terwijl in middels na vriendelijke groete verblijve /:onderstond/ Manhafte vronie /:lager:/ uE goede vrienden /:was geteekend:/ F:s B:s Semmekam en P: E: gavanon /:in margine:/ Batchian den 30. december 1774. Insgelijks bragten wij omede in ordre een brief aan de Ternaatse Regering van desen content Ternaten „Aan den wel Edelen Agtb: Heer Paulus Iacob valckenaar gouverneur en Directeur Benevens Den Raad den Molukkos. wel Edele Agtbare Gebiedende Heer en Heeren Na dat wij op den 23. deser de Ternaatse rhede hadde verlaten en den 25 dito bij het eijland Bating komende, niets vindende wat na Bretten geleek sijn wij op den 26 bij vatchians koning te kase„ „roeta aangegiert en dien vorst uit naam van uw wel Edele Agtb: op een beleefde dog nadrukkelijke wijse afgevraagt, of geen nadere tijding van die vreemde Equipanten had vermits niet te denken was dat sij hun cours ona Bouton hadden gestelt aangesien daar al te geheele andere berigten van ware ingekomen hier op repliceerde dien vorst onder veranderen van gelaat en een soort van verschrik king dat altgeen hij dientwegen aan uw welEd. Agtb had geschreeven met de waarheid evenaarde Edog van den sig te kasinoeta 445 Van Ternaten den 20 Juli 1775. kasiroeta onthoudende goeleloehoes radjas vrouw in name Rabe bij haar aankomst van Tidor op den 21 deeser was verstendigt ge„ worden dat den bewusten hadje ouman ook te Tidor op de negorij Marieko was aangeweest daar den senghadsie van die negorij in haare presentie snagts van kennis aan Tidors koning hadde gebragt en daar ook opgevolgt was dat den radja Moeda van dat rijk ook direct met vier corra corra na die negorij sonder 907 dat sij wist met wat intentie was gestevent en dewelke bij haar vertrek van Tidor nog niet was geretourneert dat hij koning daar en boven volgens de gelijkelijke van Tidor ingekomene berigten niet konde verswijgen dat der Britten wil met na Bouton maar na de Papoe was om aldaar op seker silver gevend Eijland se wok ge„ „naamt een fort te etabileren ten welken eijnde ook reets vier schopen en min of meer aan hondert prauwen bemant met Engelschen Sipagers Moren vollotikers Chineesen boegineesen die van Bonner en andere Coort van volkeren meer onder Commando van een g' bli„ geert gouverneur derwaarts gestevent waren mitsgaders dat het de Tevoreesen voor haren koning verboden was door eerst tume tuire op halmaheijra te maaken maar wel op Tidor om bij derhand te kunnen sijn wanneer hunne presentie vereijst wierd
English
From Ternate, the 20th of July 1785. wherefore he, the King of Batjan, maintained that one ought to observe the movements of the Tidore court, and most particularly the actions of the aforementioned Raja Muda, adding at the same time that, according to what had been related to him as the truth, the trade in spices at Gorom was not at a standstill, which were brought there both by the inhabitants of Ceram and by faithless Company subjects from the quarters of Ambon and Banda to the Banda traders who sail to that island with padewakangs for commerce; which, he affirmed, had we not appeared here so promptly, he would have written in all its particulars to Your Honorable Worships. And although this prince appears to us as a faithless ally of the Dutch Company, as shown in the accompanying extract journal, we nevertheless politely thanked him in the name of Your Honorable Worships for this disclosure of his, and thereafter parted from him on the most friendly terms, having turned our prow past the island of Marigorango toward Batjan, and having arrived there on the 28th toward evening, we immediately inquired for news from the Postholder, Sergeant Hofman, who, apart from recently hearing some heavy cannon shots to the 447 From Ternate, the 20th of July, in the year 1785. south and west of his entrusted post, as well as seeing on the 27th of this month a sail in the south-southeast that, according to his presumption, must have been a mandated sloop which due to contrary winds had been struggling near Obi for some time without being able to advance its voyage to Ternate, knew nothing else to tell us than what had been imparted to him by the King of Batjan concerning the arrival of Haji Usman; adding, however, that the bearers of that news, before making it known to him, had first walked around here for an entire day, presumably to make the appearance of the fleet known to everyone; wherefore he, Hofman, had deemed it expedient to dispatch the sergeant of the laborers with another man from the European garrison in a good and well-manned scheppraam to inspect all corners and coves of the islands around Batjan; which we, considering it a well-executed measure, ordered him, Hofman, to continue therewith, in order to be able to give timely notice thereof to Your Honorable Worships in case of any remarkable encounter. While it further serves for communication to Your Honorable Worships that the said sergeant of laborers, returning today, reported to us that he encountered nothing else on his journey From Ternate, the 20th of July 1785. than a Misool kora-kora which, due to the decease of the king there, had the intention to go to Tidore. And we present to Your Honorable Worships herewith the handkerchief delivered into our hands for that purpose by the Batjan Raja Muda who accompanied us, mention of which is made in the accompanying extract journal, to all parts of which we respectfully refer to avoid double prolixity; noting further only that we are momentarily to undertake the voyage according to the contents of the instructions and sailing orders; and having commended Your Honorable Worships to God's protection, we remain with due respect. Underneath stood: Honorable, worshipful, commanding Lord and Lords. Lower: Your Honorable Worships' humble and obedient servants. Was signed: F. B. Hammekam and P. L. Gavanon. In the margin: In the Company's pantjalling De Kaneelboom, lying in the roads of Batjan, the 30th of December 1784. Thereunder: P.S. Both due to the weakness of the European garrison and the laborers, we have, to our peace of mind and subject to Your Honorable Worships' approval for conveying this to Ternate, appointed one of the two schoolmasters stationed here, named Mathan Parera, with a hired prahu and rowers provided by the Postholder, Sergeant Hofman, and entrusted the same to him; both due to 449 From Ternate, the 20th of July 1785. the weakness of the European garrison, delivered it to the schoolmaster Mathan Parera, who, with a hired prahu and rowers provided by the Postholder Hofman, undertook the voyage to Ternate this very day; and after we had provided ourselves with water and firewood, we also set sail, and arriving at the latitude of Tapa, seeing nothing remarkable, we continued our journey, and in the evening let go the anchor in the Bay of Gane; we found lying anchored here the Company's pantjalling Het Haasje, whose commander, the mate Niels Pries, upon our express inquiry, made known that during his voyage he had encountered no other vessels than on the 6th of November, just past Saketa, 2 Papuan prahus from the village of Monfoor bringing homage to their sovereign, the King of Tidore, which vessels, because they did not attempt to evade visitation, he also allowed to pursue their voyage unmolested. Saturday the last of December in the year 1785. Wednesday the 4th of January. That due to the overly strong and fierce, storm-force north-west winds as well as high seas, he had not been able to sail into the Bay of Kau, and therefore from the vicinity of that bay along Maba and Weda, between Patani and Gebe, he had been obliged to undertake this return route again. Thursday
Dutch transcription
1„ Van Ternaten den 20 Julij 178. wierd alwaar omme hij Batchians koning sustineerde men de ge„ „dventes van het zuavreese hof en wel voornamentlijk de gangen van den radja Moeda voornoemt diende gade te slaan met bijvoe„ „ging teffens dat volgens het hen voor de waarheijd verhaalde den handel in specerijen te goron niet stil stond dewelke aldaar soo door de inwoonders van cerams als trouwloose Comps onder„ „danen uit de quartieren van Ambonia en Banda aan den Baitte„ handelaars die op dat Eiland met Paduakans ten handel varen aangebragt wierden het geen hij betuigde dat in dien wij niet so schierlijk alhier waren verschenen alles in sijn omstande aan uw wel Ed Agtb soude hebben geschreeven Ende ofschoon ons dien vorst als een trouweloos Bondgenoot van de nederlandse Comp: uitwijsende het dese versellende Extract dagverhaal voor komt hebben wij hem egter voor dese sijne oppenbaring in naam van uw wel Ed: Agtb: beleefdelyk bedankt en daar na op het vriende„ „lijkste van hem geschieden wesende steven langs het Eijland Mari„ gorango na Batchian gevent mitsgaders op den 28. tegen den avond aldaar aangekomen sijnde hebben wij ons airect na tijding g'informeert bij den Posthouderit sergeant hofman die buiten het kontelings horen van Eenige Smare Canon schoter in het zeiden 447 Van Ternaten den 20 Juli Ao 175 zuiden en westen van sijn aan betroude Post als het sien op den 27. deeses van een seil in het 2:o 8 dat volgens sijn presumptie een wandate sloep moet sin geweest die door Contranie wind eenige tijd bij oubij heeft leggen te sukkelen sonder sijn reis na Ternaten te kunnen ver„ vorderen ons niets anders wis te seggen dan het geen hem door wat„ chians koning wegens de komst van hadje ouman was bedeelt, met bijvoeging egter dat de brengers van die tijding bevoorens het hem hebben te wees gedaan eerst een gantschen dag alhier hadden omgeloopen, den „kelijk om het verschijn der vretten te wating aan een ieder bekent te maken alwaaromme hij hofman dienstig hade geoordeelt den sergeant der laboureeren met nog een uit de Europeese besetting per een goede en wel bemaande scheppaamws ter besigtiging van alle hoeken en in hammen der Eijlanden rondsom Batchian te depecheer en het geen wij voor een wel gedaene saak aanmerkende hem Lof„ „man hebben gelast daar mede te moeten continueeren om inge„ „val van eenige ranarquabele ontmoeting uw wel Ed: agtb: daar van vroegtijdig kennis te kunnen geven. Terwijl al verder tot uwel Ed: agtb Communicatie diend dat den gemelden laboureesen sergeant op heden retourneerende ons heeft gerapporteert dat niets anders op sijn reis heeft gerencontreert dan Van Ternaten den 2:' Julij 175. dan een Misoulse Corra corra dewelke door afsterving van den ko„ „ning aldaar de wil na Tidor had. en presenteeren uw wel Ed: agtb nevens dese gelijkelijk aan de neusdoek door den ons versellende Batchians Radja Moeda aan ons ten dien ende ter hand gesteld waar van in het deese versellende Extract aagverhaal is gewag gemaakt en daar wij ons in alle sijne delen ter vermijding van Een dubbelde extensie in eerbied aan„ gedraagen overigens nog maar eenlijk noteeren dat wij momentelijk om reiseca volgens den inhoud der instructie en seijlaas onder van staan te ondernomen en na uw wel Ed: Agtb: in godes beschaning bevolen te hebben met verschuldigt respect verblijven. /:onderstond:/ wel Edele Agtb gebiedende heer en heeren /:lager:/ uw wel Edele Agtb: onderdanige en gehoorsamen dienaaren /:was geteekent:/ F: B: hammekam en P: L Gavanon /:in margine:/ in sComp: Pantjalling de caneelboom leggende ter rheede van Batchian den 30 december 174. /: daar onder:/ P: s: soo door de sw aakheijd der Europees besettlingen als Labonseten hebben wij tot one gerust„ oheid uw wel Ed: Agtb approbatie tot het na Ternaten overbrenge„ deeses benoemt een der twee alhier bescheidene schoolmeesters in name Mathan Parera met een gehuur de praauw en scheppers door den Posthoudent sergeant Losman beschik Engaven deselven soo door Smarkheid 449 Van Ternaten den 20: Juli 175: swakheid der Europeese besetteling aver aan den schoolmeester Mathan Parera die met een gehuurde prauw en scheppers door den Posthouder hofman besorgt op heden nog de reis na Ternaten heeft ondernomen en na dat wij ons van water en brandhout voorsien hadden hebben wij het meede onderseil gelegt mitsgader op de hoogte van Tapa komende Saturdag den Lasten Der: niets remarquabels siende hebben wij onse rees voortgezet mitsg„s Ao 1775. 's avonds in de bogt van gane de d' regt laten toegaan voden alhier woensdag „ 4: Januarij geantrert leggen scomp: Pantjalling het haasje welkers gesagvoerder den stuurman Niels Pries op onse Expresse afvraag te kenne gaf dat gedurende sijne reijs geen andere vaartuigen had gerencontreert dan op den 6 November even verwelken bij saketta 2 papoese prauwen van de negorij Monfoor brengende homagie aan haaren vorst den koning van Tidor welke vaartuigen om reden de visintatie niet hadden tragten te ontgaan ook hunne reis ongemolletteert had laten vervolgen. Dat hij door de al te sterk en felle v'ormagtige N: W: winden als hooge see niet in staat was geweest de bogt van Cauwte bezeijlen en daar om van omstreeks die boglangs Maba en weda tussen Pattanij en gebe door deese te rug ronte weder had moeten on„ dernemen. donderdag o„
English
From Ternate, the 20th of July 1775 Friday Thursday the 5th: In the morning we sent the boat to the village to summon the sangaji to come on board with us, but received report in return that this village chief had gone to Klein Gane for the preparation of a kora-kora in order to undertake the voyage to Ternate with it, which necessitated us to dispatch someone immediately for his summons, whereby the 6th: he, the sangaji, having appeared before us in the morning, upon our inquiry as to what news was present here, made known in full and in such manner that the King of Tidore, so it appeared, was claiming the right to an island providing very much sago as well as birds, named D'Joronga by the natives, in view of the fact that on the 29th of the just passed month of December the Tidorese Bangai from the village of Soloa had arrived here with 4 rowing proas and upward of 40 crewmen with a command from the aforementioned monarch, whereby he, the sangaji, was very explicitly ordered to admit no subjects of Ternate, Burghers, Macassars, or Chinese, except those furnished with a proper pass from him, Tidore's king, but immediately to repel them from there by force, but amicably to compel the Tidorese subjects appearing there without a pass to depart from there; and because he, the sangaji, from parents to ancestors was aware 453. From Ternate, the 20th of July 1775. was aware that the aforesaid island D'Jorongo belonged directly under the crown of Ternate, he had requested the bearer of that pass, which was stamped with the great seal of the Tidorese court, to keep that document under his care as a rule and guide and then be able to send the same to his lord the King of Ternate, which however he did not succeed in doing, since he, Bangai, could not be moved to that surrender, but on the same day had sent 2 proas to the aforementioned island D'Jorongo and he with the other 2 had departed for the Weda Islands. After this notification that village chief departed again with his retinue for the shore, and on the other hand Prince Maete, son of the Prince Sahamoer who had defected from Ternate to Tidore, appeared before us, who, after having been in discourse with us for a while, made known that he had heard from a Maba captain residing at Bachan, named Abdul Djalil, that not long ago some Serammers had been at Pulau Pisang and had removed many spice nuts from there. This having been heard by us as if of no value, we nevertheless asked whether that captain was to be found here, and this having been answered with no, but at Pulau Hassel, we, with the help of the sangaji of this village, put a good and well-manned rowing proa in order and sent it Saturday the 7th. From Ternate, the 20th of July 1775 it with a soldier of the Bachan Raja Muda accompanying us to the mentioned island to summon that captain in the name of the Raja Muda, who also appeared before us, and upon our inquiry as to what the Serammers had recently done at Pulau Pisang, acting very embarrassed, was addressed by the aforementioned Prince Maete to not be afraid to say what you told me about it. Hereupon this captain, proceeding with his account, said that now about 3 months ago the King of Gorontalo with fully 60 Serammers had arrived by a large proa at Pulau Pisang, and from there in one day had plucked and carried off whole loads of spice nuts, both in handkerchiefs and woka leaves, and furthermore that the mentioned king and some of his grandees, upon inquiry from him, Abdul Djalil, as to why they made use of those spices, had answered that because it was Company contraband they were therefore in want of it, which was also confirmed by 3 companions of his, the captain; and because the voyage to Pulau Pisang by this captain residing at Bachan appeared very suspect to us, we questioned him to what end he had been thither, to which he answered briefly, to fish, and to our further question whether he had seen abundant spice nut trees there, he answered with no, pretending that he had never made an investigation there. Wherefore 453 From Ternate, the 20th of July 1775 we, after having well entertained the aforementioned prince, captain, and retinue and they having departed from on board, set sail again, simultaneously placing in the delivery of the mate of the Haasje, Niels Fries, a letter addressed to the respected Moluccan government, reading as follows: Ternate To the Honorable, the Respected Paulus Jacob Valckenaer, Governor and Director Honorable, Respected, Ruling Lord and Lords. In the hope that our humble letters of the date 30th of the just passed month of December, dispatched from Bachan, will have duly reached their address, we hereby take once again the liberty to inform your Honors that, arriving on the 4th of this month in the Bay of Gane, we found anchored there, very leaky, the bearer of this, the pantchiallang the Haasje, and that we there were informed by many as if from one mouth, but especially by a Maba captain residing at Kasiruta with the King of Bachan, named Abdul Djalil, that now, by estimation, 3 months ago the King of Gorontalo with fully 60 Serammers by a large proa had been at Pulau Pisang, and from there in one day had plucked and carried off whole loads of spice nuts, both in handkerchiefs and woka leaves, and furthermore that
Dutch transcription
Van Ternaten den 20. ' Juli 1775 vrijdag „ Donderdag den 5: Smorgen sonden wij de schuit na de Negorij om den senghadje bij ons aan boord te ontbieden, maar kneegen tot keer berigt dat dit Dorps hoofd ter vervaardiging van een Corra corra om de ris daar meede na Ternaten te onderneemen, te klein gane was het geen ons noodsaakten tot dies ontbod immediaat iemand te depecheren waar door. 6: hij senghadje S'morgens bij ons verscheenen sijnde op onse afwage welke nieuws tijding alhier waren aoller en derwijse te kennen gaf dat den koning van Tidor na het leek sig het regt toeeijgende van een seer veel sago als veerleen gevende Eijland passal bij de inlanders D' Joronga genaamt aangesien op den 29 der even verwekene maand december den Tidorees Bangaij van de Negorij soloa met 4 schepprauwen en ruim 40 scheppers met een Las van gem: vorst alhier was aangekomen waar bij hij senghadje wel uitdrukkelijk was gelast geworden gene Ternaatse onderdanen Burgers Mac„ „cassaren of Chineesen, buiten met een behoorlijke Pas van hem Fi„ dors koning geminieert te admitteeren maar illicco met gewelt van daar te weiren dog de aldaar sonder pas verschijnende Tidorede onderdanen in der minne tot het vertrek van daar te weiren dog de aldaar sonder pas verschynende Tidoreese onderdanen in der minne tot het vertrek van daar te noodsaken en dewijl hem senghadji van ouders tot onders becoust 453. Van Ternaten den 20:' Julij 175. bewust was dat voorschreeve Eijland D' Jorongo direct onder de kroon van ternaaten gehoorde had hij den brenger dan die pas welke met het groot segul van het Tidoreese hol gestempelt was versogt om dat pa„ „pier quatie tot een regul en rigtsnoer onder sig te houden en dan in staat te kunnen syn het selve aan sijne heere den koning van Ternaten te senden het geen hem egter niet heeft mogen gelukken vermits hij Bagaij tot die afgave niet was te beweegen geweest maar ten selven dagen 2: prauwen na ack genoemde Eijland de Jorongo has den igesonden en hij met de andere 2. na de wirdise Eijlanden was vertrokken. Na deese te kenne gave vertrok dat dorps hoofd met sijn gevolg weder na land en vorsch een daar en tegen bij ons der Prind Maete soon van den van Ternaten na Tidor overgelopene Prins Sahamper den welke na Tidor overgeloopene Prins sahamoer den welke na een poos met ons in discours geweest sijnde te kennen gaf dat hij van heen en sig te Batchian domicilium houdende Mabas Capitain Abdul D Jalli genaamt hat gehoort dat niet lang geleden eenige Ceram„ „mers te P=lo Pisang waren geweest en van daar veele specerije noten hadden vervoert dit door ons even als van geender waarde aangehoort vraagten wij ogter of sig die Cap: hier bevond en sulks met meen maarte P=lo hassel beantwoord sijn de bragten wij met behulp van den senghadj: deser negorij een goede en wel bemande schepprauw in order en souden die Zaturdag den 7. van Ternaten den 20 Iuli 1775 die met een solaaat van den ons versellende batchians Radja Moeda na gemelde eijland om dien Cap: uit naam van hen Radsa Moeda te ont„ bieden dewelke. ook bij om verscheen en op one afwag wat de Cerammers op P=lo Pisang onbangs gedaan haden sig sier verleegen aanstellende door den voorwaarts gem: prins Maete te gemoed gevoerd wird sig niu sonden bevaert te sijn wat gij daar van aan mij gesegt hebt hier na dan deese Capitain met sijn 19 relaas voortgaande seijde dat nu Circa 3: maanden geleden den koning van gorontalo met wel in de bo cerammers per een groote praauw te P„lo disang was aangeweest en van daar in een dag gantsche wagten do in neusdoeken als bokkie bladden specerij nooten hadden geplakit en vervoert mitsgaders dat gemelden koning en eenige sijner groote op afvrage van hem abdul Djalili waarom sig van di specerij bedienden hadde geantwoord dat vermits het sComp: Conterbande was daarom verleegen waren het geen voor 3: met gesellen van hem Capitain mede wierd geconfirmeert ende om reeden ons de vaart op P=lo pesang van desen sig te Batchian domicilium houden de Capitain seer suspect voor kwam het ben wij hem afgevragt ten welken einde bij derwaarts geweest was daar hij kort op antwoorde om te vissen mitsgaders op onse nadere vraag of rijkelijk specerij note boomen aldaar gesin had met neen beantwoorden door dien voor gaf daar nooit ondersoek gedaan te hebben alwaaromme„ wij 453 Van Ternaten den 20 Julij 1775 wij na gem: Prins Capitain en gevolg wel onthaalt hebbende en van boort vertrokken wesende het weder onder seijl leiden gevende te gelijk in bestelling aan den stuurman van het haasse Niels Fries een brief aan het gerespecteerde Molukis ministerij gerigt, luidende aldus, „Ternaten Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Jacob valckenaer Gouverneur en Directeur Wel Edele Achtb: Gebiedende Heer en Heeren Jn hope dat onse onderdanige letteren de dato 30. der even verwekene maand december uit Batchian afgevaardigt behoorlijk addves sullen hebben enlangt so neeme bij deese alweder de vrijheijd uw wel Ed: agtb: te berigten dat wij den 4: deeser inde bogt van gane komende aldaar seer lek hebben geankert gevonden, brenger deeses de Pantjalling het haasje en dat wij aldaar van vele als uit een mond dog speciaal van eenen sig te Kasiroeta bij Batchians koning domicilium houdende Mabas capitain Abdul DJalilie genaamt sijn verstendigt geworden dat nu na gissing 3. maanden geleeden aen koning van garon met wel in de 60 cerammers per een groote prauw te P„lo Pisang zijn aangeweest en van daar in een dag gantsche vragten so in naus woek en ass wokika bladen specorij noten hadden geplusit en verwoerd mitsg=s dat
English
From Ternate, 20 July 1775 that the said king and some of his grandees, upon inquiry by the said Aul Djalili as to why they made use of spices, had answered that because these were the Company's lands, they were in need thereof; for which reason it was also made known to us by the sangaji of this negorij by way of complaint that the king of Tidore a few days ago had dispatched four cargo prows manned with over 40 men hither, the Tidorese banggai of the negorij Tolda provided with a pass granted to him by Tidore's king and stamped with the outer seal, whereby the sangaji was ordered and admonished to resist with force and oppose all Ternate subjects, Citizens, Macassarese, and Chinese who dared navigate to the island Djoronga Pulo Hatsal without being provided with a pass from Tidore's king, whereas on the other hand he desired that all subjects of Tidore appearing there without a pass should in a friendly manner be sent back; and because he, the sangaji, knew from generation to generation that the said island Djoronga belonged under the crown of Ternate, he had requested the bearer of that stamped paper to deliver the same to him, as it had been his intention then to send it for presentation to the king of Ternate, notwithstanding he was not able to succeed therein, since the banggai could not be persuaded to surrender it, but 455. From Ternate, 20 July 1775 had sent 2 prows to the said Djoronga and had departed with the other two for the islands of Weda. And as we know of no further matter of note to write, we take the liberty of commending Your Right Honourable Worships to God's protection, and at the same time subscribe ourselves with true high esteem, below stood, Right Honourable Worshipful Gentlefolk and Sirs, lower, Your Right Honourable Worships' humble and obedient servants, was signed, C. B. Htemmekam and P. E. Gavanon, in the margin, In the pantchiallang the Caneelboom, sailing in the Bay of Gane, 7 January 1775. There also set sail along with us an orembaai prow, purchased with our foreknowledge by the young king of Bacan who was accompanying us, wherewith the head draughtsman proceeded to Klom Gane to see what was going on there, but returned immediately because he had perceived nothing there except a large prow, an orembaai belonging to the Ternate prince Meeri who had fled to Tidore, whose crew were busy bartering for sago. Monday the 9th, we exhorted the young king of Bacan to strictly admonish his brother Tuesday the 10th Tadjoe Alam and his retinue to remain close to us with the aforesaid prow so as not to become separated from us, From Ternate, 20 July 1775 which that prince also immediately complied with. Thursday the 12th, at daybreak, we missed the aforesaid prow on account of the heavy gale winds that had blown from all directions during the entire night. Friday the 13th, toward evening, came to anchor under the point Kapita at Gebe, from where 14th, moving behind the island Fau, sent the launch well-armed ashore from there to search for fresh water springs or rivers, which, having been gone scarcely an hour, brought report that nearby on the mainland of Gebe a stream flowed out of very excellent drinking water, of which we also made immediate use; found this watering place at least 100 feet long and 50 feet wide, piled from the beach toward the sea with thick palisades and covered crosswise with thick beams, from which one could clearly see that the same had served as a pier for the filling and easy loading of water casks. In the afternoon, a cargo prow with small white flags on its bow and stern posts passed us at a great distance out to sea; fired 2 cannon shots, but seeing that the vessel, instead of heaving to, took to flight, we sent the boat well-armed after it, Saturday, 457. From Ternate, 20 July 1775 which, however, without being able to overtake it, likewise returned in vain. Early in the morning, the 1st draughtsman, together with Bacan's young king, went from on board in the launch, which was well equipped with ammunition, to see if they could get to speak with any natives; who, returning in the afternoon, reported that when, by estimate, they were sailing along the shore some distance from the ship, they were hailed and questioned from the mangrove forest without seeing anyone, as to what people they were and whither they intended to go; whereon they had replied that they were Dutchmen and that their destination was to this island and to enter into conversation with its inhabitants; and because this answer did not seem to be to the liking of these native peoples, seeing that they fell silent, they repeated their words and said they were Englishmen and had come here to seek their countrymen who, according to their contention, were also here; that upon this statement they had immediately seen 2 men jump into the water, who closely questioned them whether it was really true that they were Englishmen, or Frenchmen, or Spaniards; which being answered with English, they had from those 2 men as well
Dutch transcription
Van Ternaten den 20 Juli 1775 dat gem: koning en enige sijner grote op afvrag van gem: Aaul DJalili waarom sig van specerijen bediende hadden geantwoord dat vermits het comp:s conterlanden sijnde daarom verlegen waarom ook is ons van den senghadje deser Negorij dollerender wijs te kennen gegeven dat den koning van Tidor na Eenige weijnige dage leden vier schep„ „prauwen bemant met ruim 40. koppen na herwaarts had afgesonden de Tidorees bangaij van de negorij Tolda voorsien van Een pas door tidons konnig aan hem verland en met het uijtis zegul bestempelt waar bij het songhadsie was gelast en vermaant geworden om alle Ternaatse onderdaanen Burgers Macassaeren en Chineesen die buiten met een pas van tidors koning gemunieert hun verstoute aen het eijland D joronga P=leo hatsal te bevaren met gewest te weiren en tegen te gaan waar en tegen begeerde dat alle de aldaar sonder pat verscheijnende onaerdaanen van Tidor ten goede soude werden te rug gesonden, en dewijl hij senghadje van ouder tot ouders bewust was dat gemelde Eijland D joronga onder de kroon van Ternaaten gehoorde, hadlij aen brenger van dat gestempelt papier versogt om het selve aan hem over te geven aangesien van meening was geweest dat dan ter vertooning aan den koning van Ternaten te senden niet tegen„ staande hem sulks met heeft mogen gelukken vermits hij agaij tot de afgave daar van niet was te persuadeeren geweest, maar 2: 455. Van Ternaten den 20: Julij 175: 2: prauwen na gem: D Joronga had gesonden en bij met de andere twee na de Eilanden van weijda was vertrokken: En dewijl wij geen stoffe van aanmerking meer weetende te schrijven so gebruiken wij de vrijheijd van uw wel Ed: agtb in godes bescherming te bevelen en ons teffens met waare hoog agting te onderschrijven /:onderstont:/ wel Ed: agtb geliedende haer en heeren /:lager:/ uw wel Ed: agtb: onderdanige en gehoorsame dienaaren /:was geteekent:/ C: B: Htemmekam en P: E: gavanon /:in margine:/ Jnde de Pantjalling de Caneelboom seijlende inde bogt van gane den 7. Januarij 1775. ook leide het met ons gelijkelijk onderzeijl en Rorche prauw door aen ons versellende Batchians Jongen koning te batchian met ons voorweeten ingekogt waar meede den beasten tekenaar sig na klom gano begaf om tesien wat Maandag den 9:' aldaar omging dog ten eerste weder te rug keerde om dat aldaar niets ontwaard had dan een groote prauw Rovehe van den na Tidor gevlugten Ternaats pains Meeri welkier voerders besig waren sago in te ruilen vermaanden wij den Jongen Batchians koning om sijn Broeder Dingsdag „ 10. Tadjoe Alam nevens gevolg scherpelijk te vermanen met de voor„ schreve prauw digt bij ons te blijven om niet van op ons af te gerakien het Van Ternaten den 20 Julij 175 het geen dien vorst ook terstond agtervolgde Donderdag den 12. vermiste met het aanbreeken van den dag door de swaare storm winden die de gantsche nagt van alle kante gewaart hebben voorsz: praauw 13. quamen tegen den avond onder de hoek kapita te gebe ten anker vrijdag den waar van 14: agter het eijland fouw verplaatsen stuurde de seluyst van daar wel gewapend na land ter opspeuring van vans water gevende pruijtende of rivieren die nog geen hur uit geweest sijnde of berigt bragten dat hier omtrent aan de vaste wal van gebe een spuiuit afvloeijde van seer kostelijk armkwater waar van wij ons ook immediaat be„ „diende bevonden dese waterplaats wel 100 voet lang en 50. voet breet van het strand na see met dikke palisaden beheit en overdwars be„ „leid met dikitie balken waar uit men duidelijk sien konde het selve tot een hooft gestrekt heeft ter overvolling en gemakkelijke in scheep van water vaten sagtermiddags passeerden ons op een verre distinctie in zee een schepprauw met witte vlaggetjes op dies voor en agter stevens deden 2: Canonschoten dog siende dat, dat vaartuig in steden van bij te draijen sijn spat settele sonden wij de schint wel gewapent daar op Saturdag „ af 457. Van Ternaten den 20:' Julij 175 af die egter sonder hem te kunnen agterhalen mede vrugteloos te rug keerde. begaf sig den 1: teekenaar neven Batchians Jongen koning Smorgens vroeg per de schuit die met ammunitie wel toe gerust wan van boort om te sien of geen inlandens konde te spreeken kuijgen„ dewelke s' agtermiddags te rug komende te kenne gaven dat doen na gitsing een wijl van boort langs de wal varende uit het lalaaij bos sonder remand te sien waren toegeroepen en afgevragt, wat volk sij waren en werwaarts de wil hadden daar sij op hadde gerepliceerd hollanders te sijn en de destinatie na dit eijland was en met dies inwoonders in gesprek te treden ende om reden dit antw: niet na de fin van dese lands volkeren scheen vermits stilwegen sij hun woorden herhaalt en gesegt hadden engelsche te wesen en hier gekomen te sijn om hare landslieden die volgens hun sustenue hier ook waren te soeken dat sij op dit gesegde aanstonds 2: man hadden sien in het water spaingen die haar naukeurig had den afgevraagt of het wel waar was dat sij Engelsche waren of Fransche af spanjaarden het geen met En„ „gelsch te antwoord sijnde hadden sij van die 2. Man sa wel
English
From Ternate, the 20th of July 1775. as well as from some other people staying in the Labarij forest, calling out with a loud voice salamat, which word means salvation, but in this regard should be considered as a welcome. That these two men, having approached the boat up to a distance estimated at 50 paces over the sharp reefs, had furthermore asked whether what was said about being English was true, and whether they could be assured, when the boat approached, that no harm would come to them, and what they desired before approaching any further; after this request of theirs was satisfied by the frequently mentioned Young King, they also entered the water up to their necks by the boat, welcomed the first undersigned with a handshake, and as a token of their goodwill, as they said, presented him with a large fish, who rewarded them in return with a fine handkerchief, and thereafter, before entering into an actual conversation, asked the Radja Moeda who he was, and this having been answered to their satisfaction that he was a prince of Batjan, they answered the following points of inquiry as set down in the margin of each: 450 From Ternate, the 20th of July 1775. namely: Where the English (meaning our countrymen) were staying. At Ompaij, in the chart called Ampale, situated at the west point of Waigeo, but belonging under Gebe. How long ago it was that they arrived there. By estimate, a good month. With what ship or vessels their arrival there was. A single one with a large rowing vessel carrying 3 masts. How manned and armed. According to hearsay, with English and heavy artillery; they do not know for certain, but do know that they are richly laden with all kinds of linens and other sorts of merchandise, which they exchanged for sago flour and other foodstuffs. Whether they have already obtained anything of their desire, namely spice nuts or small plants. They say they do not know this, but do know that all the Gebe people under their chiefs, accompanied by Tidorese, Patani people, and Waigeo people, traded with them. Whether the aforesaid English had not yet been in conversation with the Gebe people to achieve this their objective. The frequently mentioned first undersigned would have gathered further information from these 2 Gebe people, had it not been that four small prahus with 15 paddlers in them had set off from shore; wherefore, under promise of a large reward, he only requested them to appear on board tomorrow morning to serve as pilots and point out the fairways to the nearby village of Oemera, which they, taking polite leave, had also promised and undertaken to follow through. Hereupon also appeared the prahu of the accompanying King of Batjan, which had parted from us on the 12th of this month, on which was missing his eldest brother, the Prince Tajoe Alam mentioned herein, who, according to the testimony of the Batjan Ngoffamanjeera, Madiolij, and the clerk Aliatoin sailing on that prahu, had transferred at Patani together with a man belonging to him into a Patani prahu under the pretext of being able to arrive at Gebe sooner than us; and although they had tried to dissuade him from it, this had been in vain because he, the prince, had stubbornly opposed this dissuasion. Furthermore, we resolved to proceed with the journey tomorrow morning, in case the aforementioned Gebe people might appear on board, past Gebe to the nearby village of Oemera, partly to investigate further the true disposition of these local peoples, 461 From Ternate, the 20th of July 1775. and partly to make careful inquiries about the voyage of the outsiders. Monday the 16th. In the morning at break of day, smoke was seen rising around the point of the island Jouw, which was assumed must be the Gebe people who had promised yesterday to come to us for the service of pilots; wherefore the first undersigned together with the Young King of Batjan went thither by boat and prahu, but found that instead of Gebe people it was a Patani roache prahu, whose crew partly fled at the sight of us; and those who could not flee claimed their arrival here was to sell their dried betel nut and sirih leaves, which they brought with them, to the King of Goron, who according to rumors was at Gebe. And since this pretext appeared somewhat too suspicious to us, their prahu was immediately searched, but finding nothing over which one could detain them, it was nevertheless deemed proper to take one of them on board with us to serve as a pilot to the village of Oemera, so that one might all the better become acquainted with who the crew of this prahu consisted of. These them
Dutch transcription
Van Ternaten den 20 Juli: 1775. wel als van nog eenige hun in het Labarij bos onthoudende volkeren 4 met een hevige stem hooren uitgalmen salamat welk woord heil beteekent dog in deesen opsigte voor verwellekom diend aangemerkt: te worden. Dat deese twee man tot op een distantie van na gitsing, 50 sekreet over de scherpe klippen de schuit genabert sijnde ƒ nog een hadde gevraagt of het gesegde van Engelsche tesijn wel waar was en of sij versekerd konde weesen wanneer de schuit genaakte haar geen kwaad soude was en van en het geen sij begeerde bevorens verder nadersen na dat deese kunne begeerte door den dikmaals gem: Jongen koning was voldaen waren sij ook tot aan den hais in het water bij de schuit gekomen den Eerste teekenaar onder handtasting verwelkomt en tot teeken van haare welgesintheijd so sij seijde ben een groote J VJSe vis present gedaan die hen onder evengelijkte teekena met een fijne neusdoek is gerecompenseert geworden en daar na bevoorens nog in een reeel gesprek te treeden den radja Moeda hadden afgevraagt wie hij was ende sulke tot hun genoegen met een Batchians prins te sijn beantwoord weesende hadden sij op de volgende vraag poincten het in margine van ieder daar bij : 450 Van Ternaten den 20: Juli 175. bij ter nedergesteld geantwoord te weeten. ' waar de Engelsche /:quasi onse lands lieden Te ompaij:/ in de kart ampele gent de west hoek van zig onthielden. waij geeuw geleegen dog onder gete gehoorende. Na gissing een groote maand Een lijk met een groot roeij vaartuig voer ende 3 masten 't hoedanig bemant en gearmeert: volgens horen seggen met 5 of sij al iets hunner begeerte bekomen Engelsche en swaar geschut weten sulks niet maar wel dat sij ryk geladen syn met aller, hebben te weten specerij Noten of plantjes hande soorten van lywaten en andere soorten van koopmanschappen die sij tegen sago meel en andere eet waren trequeerde. Seggen sulks niet te weeten maar wel dat of de Engelsche voornoemd nog niet inge„ 1eg alle de geberesen onder haare hoofden ver„ sprek met de gebereesen geweest sijn zelt van Tidoreese Pattanijers en waijgeu„ om dit hun oogmerk te bereijken. wers bij haar ten handel waren. Houdende meerm: eerst ondergeteekende bij dese 2: geberesen nog wel nader informatie hebben gedaan ware het niet geweest. dat vier prauwtjes met 15 scheppers daar in van land waren afgestoken alwaaromme onder belofte van groote beloning nog Thoelang het nu wel geleden is dat die daar gekomen 3/ Met wat schip of vaartuigen hun aan„ komst aldaar is maar alken ear t e tesijn de tgeen komt na aan daar :1 van Ternaten den 20 Juli 1775 maar eenlijk aan haar versogt had om morgen ogtent aan boort te verscheijnen om als lossen de vaarwaters na de bijgelegene negorij oemera aan te wijsen het gein sij onder beleede afscheijd neming ook hadde beloofd en uangenoomen te sullen agter volgen. hier aan kurm mede op dagen de paauw van den ons ver„ sellende koning van Balchian die op den 12 deeser van ons is afge„ raatit, waar in mankeerde voorsten Broeder den in deesen gem: Prins Tajoe Alam den welker volgens getuygenis van de op die„ Prauw meede vaar ende Batchians Ngoffamanjeera. Madiolij en schrijver aliatoin te Pattanij nevens een manscape /: hn toe behoorende:/ in een pattanijse prauw was overgestapt onder voor wendsel van daar meede eerder dan bij te gebe te kunnen wesen en ofschoon sij hem daar na had den wagten te diverteeren, war„ wel vrugteloos was geweest door dien hij prins hem tegens dese afrading hardnekkig had aangekant. voorts resolveerde wij om morgen ogtent in dien de voorscheeven geberesen aanboort omogte verschijnen de reis beseijden gede nade natt bij gelegene negorij oumera te vervorderen eensaels om de waenlijke gesansteij deser lands volkoren nader nit te vorchen 461 Van Ternaten den 2:' Julij 175 vorschen en ten anderen om naukeurig informatie na de vaart der Buitten te doen. Smorgens met het aanbreeken van den dag sag men rook om de Maandag den 16: hoek van het Eijland jouw opgaan het geen men sustineerden de gebereesen moeste sijn die tot de dienst van losen en gisteren belooft hadden wij ons te sullen komen waarom den berst, ondergetee„ „kende nevens den Jongekoning van Batchian per deschuit en Prauw sig derwaarts begaven dog bevonden dat in steede van gebereesen het een pattanijse roache prauw wat welker voor„ ders op het gesig van ons ten dele vlugte en die niet konde vlugte voorgave hun komst na herwaarts te sijn om hunne mede voerende oude gedroogde pinang en zoeris aan de volgens gerugten te gebe wesende koning van goron te verkopen En dewijl dese voorgave ons wat al te suspect voor kwam visiteerde men haar praauw immediaat, dog niets vindende waar over in en haar soude kunnen op pakken vond men egter goed om een van deselve tot de dienst van Loos na de negorij Oumora bij ons aan 7 boort te neemen op dat men des te beter soude kunne kun„ dig werden in wie en wie de voerders van deese prauw „ bestonde Dese hen
English
From Ternate, the 25th of July 1755 This Patani man, whom we took on board with us, we treated properly according to his station, and moreover presented him with a fine handkerchief, together with the promise of rewarding him richly if he would guide us to the aforementioned settlement of Ounera. This having been promised and agreed to by him, we weighed our kedge and, by means of towing, made our way through the narrows of Gebe and Pulau Fauw. As soon as this was seen by the other Patani prahu, they also came in sight of us, whereupon we perceived that the crew consisted of 7 persons, and the head of them was a son of the Patani Sangaji Tolucco. Having advanced some distance through the narrows with a gentle breeze, a fierce wind arose accompanied by heavy rain, which gave the so-called Patani pilot the opportunity to jump overboard and take flight with his prahu. At this sight, we immediately let the kedge drop to the bottom at the north-north-east point of the repeatedly mentioned island of Fauw in a depth of 4 fathoms of water, and sent the boat with the prahu of the young King of Bacan to bring both the prahu and the crew, either amicably or by force of arms, to us on board. We saw that they fired several shots, and pressed the crew so hard that, abandoning their prahu, they all jumped into the sea and fled towards the forest. This Patani prahu having been brought on board to us shortly afterwards, we had it searched once again, and then, among the other rubbish in it, found 2 small pots with nutmegs, which according to our presumption they must have hidden on the beach during the first inspection. These nuts, weighing 4 lb, we poured over and sewed into a small bag marked No. 1, leaving the remaining old betel nuts and junk, all of which was not worth 5 rixdollars, given that during the pursuit they had thrown almost all their goods overboard, to be taken by our crew and the Bacan prahu rowers. Shortly afterwards, the 2 Gebe men with whom the 1st clerk had been in conversation yesterday came on board to us in 3 small prahus, accompanied by 7 more of their countrymen, who brought as a gift for us a considerable quantity of fresh fish, whom we also richly rewarded according to the circumstances of the time, and made known to them who we were, at the same time requesting that, in pursuance of the promise made, they might now also assist us in pointing out the nearby settlement of Ounera. This being accepted by them, we immediately weighed the kedge and set sail again. In the evening, owing to contrary wind, heavy swell, and high seas from the north, we came to anchor at the eastern point of Gebe, where the aforementioned Gebe men, who had sailed ahead of us up to this point in a small prahu, parted from us under the promise of coming on board to us tomorrow morning, but: Tuesday the 17th, not seeing them appear, we resolved—since by all too contrary conditions we were unable to make progress with the pantchiallang and saw no prospects for it—to prepare the prahu of the young King of Bacan accompanying us, with as many rowers as could possibly be placed on it, taken from the Bacanese and our slaves, who then numbered nineteen in total, and to dispatch with it 4 of our best linguistically skilled subordinates, being 2 soldiers and 2 sailors, all good soldiers and well provided with military ammunition, in order, alongside the Ngoffa Manpiera of Mandioli sailing on it and the clerk Atiatoen, to row some distance along the coast of Gebe to the north, but above all no farther than an estimated 1 or 1½ miles, and that with these instructions: Firstly, to see if they can discover any settlement; and Secondly, whether at that settlement or along the passing beaches, bays, inlets, at sea, or elsewhere, they could catch sight of any ship, ships, sloops, or paduakang, in order to bring notice thereof to us as quickly as possible upon such a sighting. Which rowing vessel, having departed at 8 o'clock in the morning, returned on board at one o'clock in the afternoon with the report from its crew that they had seen no ships or vessels, but on the contrary had encountered a small rowing prahu on which was to be found the kimalaha of the settlement of Ounera, with whom, upon his express invitation, they had steered towards the settlement just mentioned, situated close by here, and after arriving there had learned from him, both upon inquiry and of his own accord: Firstly, that the English three-masted galley was no larger than a paduakang, manned with three Englishmen, being a captain, a mate, and a sailor, likewise the Haji Onnar, and all the remaining natives making up an estimated twenty heads in number.
Dutch transcription
„d Van Ternaten den 25 Julij 175 Dese bij ons aan boord meede genomen pattanijer hebben wij na mate van sijn staat aeftig gereguleert en daar en boven beschonken met een fraije neusdoek onder beloften teffend van hem rijkelijk te sullen beloonen indien ons tot voorschreeve Negorij ounera begelaiden die door hem belooft en aangenoomen sijnde ligten wij onse areg en hielden het door hulp van boegseren door het nauws van gebe en P=lo souw soo ara als dit door de andere Pat „tanijse prauw voenden geseen wierd kwamen sij ook op zie van ons als wanneer wij ontwaarde dat de voirders in 7. persoonen bestonden en het hoofd daar van was een soon van het Pattanijs senghadje Tolucco Een eind weegs met een labber lugtse door het nauw geraakt sijn de kwam en een felle wind op verselt van sware regen, het geen den sogenaamde pattanijse loos gelegentheijd gaf over hoor. te spaingen en met sijn prauw de vlugt te neemen op dit gesigt lieten wij immediaat aan de N: N: O: hoek van het meermelde Eijland Jauw op de diepte van 4. vaam water de Dreg in de grond vallen en souden de schuit met de prauw van den Jongen patchians koning beijde wel prauw als voerders het sij in der minne dan wel door middel van wapenen bij ons aan soort 463 Van Ternaten den 20 Juli 175. te brengen, die wij sagen dat verscheijde schooten deeden, en het de voer„ ders so waren maakte dat onder nalating van haar prauw alle insee sprongen en de vlugt boswaarts namen. Dese Pattanijse prauw kort daar op bij oms aan boont gebragt sijnde hebben wij die andermaal doen visiteeren, en als doen onder de andere daar in sijnde prullen gevonden 2. kleijne protjes met nooten mushaten die sij volgens onse presumptie bij de eerste visitatie aan strant moeten hebben verborgen welke noten swaar 4. lb wij in een sakje No 1: overgestort en ingenaait hebben latende de overige oude pienang en rommeling dat alles geen 5. rd„s waardig was aangesien onder het najagen meest alle hunnen goederen over boort geworpen hadden ter wegneming van ons volk en de Bat„ chianse Prauw scheppers kort daar na kwamen met 3. prauwtjes bij ons aan boort de 2. geberesen waar meede den 1=te Feekenaar gisteren in ge„ sprek was geweest vergeselschapt van nog 7. hunner landslieden de welke voor ons ingeschenk een aansienlijke quantiteit verse vissche meede bragen die wij haar na tijds omstandigheids ook rijkelijk beloonde en onder te kenne gavan die wij waren teffens versogten dat sij ons in gevolg gedane belofte nu ook mogte lijk illair g 11 melde gen in der Van Ternaten den 28 Julij 1755 mogte adsisteeren in het aanwijsen van de naast bij gelegene 9 negorij ounena dit door haar aangenoomen sijn de ligten wij immediaat de dreg en leiden het weder onderseijl kwamen ei savonds door contrarie wind swaare deijning en hoope see uijt de Noorde aan de oosthoek van gebe ten anker alwaar de voorm: gebereesen die ons met een prauwtjes tot dus verre voor uit geseijlt waren van onsscheide onder belofte van mogen ogtent bij ons aanboort te sullen komen dog: Dingsdag den 17. deselve niet siende op dagen resolveerde wij vermits door alte contrarie gelegentheid met de Pantjalling niet kunnende en daar meede ook geen voortuijtsigten toe saggen de prauw van de ons versellende Jongen Batihiand koning met soo veel scheppers als maar mimors mogelijk daar op konde geplaats worden genoomen uit de Batchiangers en onse slaven die doen te samen negentien ingetal uitmaakten in order te brengen en daar meede te depecheeren 4. van onse beste spraak kundige onderhoorige als 2. militairen en 2. zeevarende alle goede soldaaten en wel voorsien van krijges ammunitie ten eijnde nevens de daar op vaarende Ngoffamanpiera Mandiolij en schrijver Atiatoen een eind weegs langs de 20 al van 465 75 Van Ternaten Den 20:' Juli 175. van gebe om de Noord te scheppen dog voor al niet verder dan na gissing 1. of 1½ mijl ende sulks met dese onder Eerstelijk om te sien of geen Negorij krnnen ontdekken en Te Tweden of het sij bij die negorij dan wel aan de voor bij vaarende stranden bogten in hammen in see ofte elders, eenige schip schepen sloepen of Padnakan konde te sien krijgen om daar van op soo een gesigt ten spoedigsten aan ons kennis te brengen welk schep vaartuig smorgen om 8 uuren vertrokken wesende smiddags ten Een uur weder aan boort kwam met rapport van dies voerders dat geen scheepen of vaartuigen gesien maar daer en tegen een klain schepprauwtje ontmoet hadden waar op sig had laten vinden den quimalaha van de negorij ounera„ met wien sij ook op desselfs expresse nodiging nade so evengem: hier digt bij gelege negorij waren gestevent mitsgaders na al daar gekomen sijnde van hem so op ofvrage als uit eijgen motiek hadden verstaan. Eerstelijk dat de Engelsche drie maste galeij niet groter is geweest als een paduakan bemant met drie Engelschen als een Capitan, Een stuurman Een mattroos item den hadje onnar mitsgaders alle de overige inlanders na gissing twintig koppen in getal uitmakende. Ten ent te w 0
English
No. 11. From Serdaen, the 20th of July 1755. Secondly, that the galley now ten days ago continued its journey from Oumpaij, an island belonging under Gebe and situated five miles southwest of the west corner of Waigeo, to Papua. Thirdly, that all the chiefs of Gebe, various persons from Pattanij and Micoul, also Tidoresians, and likewise a prahu sent by the King of Batchian, had been with the English at the aforementioned Island of Oempaij, where those of Gebe were still to be found. Fourthly, that departed with the English galley to Papua was the Tidoresian Bassara, beside the Pattanij Captain Manieko, and some Micoulians. Fifthly, that the Gebe Quimelaha Saffanij and the Tidore soldier who brought a letter to the village chiefs situated around here on behalf of Tidore's king—containing mainly not to have any intercourse with the English—received presents for the mentioned prince from those Britons, which consisted of flintlocks and fine linens. Sixthly, that the Britons' proposal had been to erect a stronghold on Ompaij, which was however not granted to them, on the one part on account of Tidore's king's prohibition to hold no intercourse 467 From Ternate, the 20th of July 1755. intercourse with that nation, and on the other part because such could not well happen without the prior knowledge, approval, and consent of all three of the Moluccan head kings. Seventhly, that the cargo of the aforementioned galley was very rich, but the armament completely meager. All this being accepted by us as communicated, we resolved to remain here two more days to see if one could obtain further information concerning the English as well as other important news, which also succeeded for us, since at night came aboard to us the aforementioned Batchian Young King's Brother, Prince Tadjoe Alam, who had undertaken the journey to here and also to the island of Oempaij from Pattanij by a prahu and crew obtained there for that purpose. We initially reproached this Prince about this clandestine departure of his and interrogated him at the same time what reasons had moved him thereto, who thereupon very readily gave to know to have intended nothing else thereby than to become knowledgeable of the Britons' designs from up close, to the end of being able to give a true report thereof to us beside his Brother, the Young King of Batchian. That he pretended that with his 13-rower prahu it could have been of no success, on the one hand because all the Batchianese sailing on it had no knowledge of Gebe or Oempaij, and on the other hand because this prahu was also not manned strongly enough to promptly fulfill his aforementioned aim, giving further to know that although he had not succeeded in meeting the English at Oempaij, it was nevertheless thoroughly known to him through the notification of trustworthy persons: 1. That an English three-masted galley as large as one of the largest paduakans, now ten days ago, in company of two more rowing prahus—one from Micoul and the other bought at Oumpaij by the Hadje Oumar from a certain Pattanij man named Kajama for 2 rentakas and one piece of bleached Guinea cloth—departed from the island of Oempaij to Papua, under assurance that upon returning they would call there again, and therefore had exhorted the Gebese to just prepare plentiful tudongs, straw hats, and kembelangs, in order then to barter against their wares. From Ternate, the 20th of July 1755. 2. That 469 From Ternate, the 20th of July 1775. That on that galley upon its arrival at Oempaij had solely been 3 Englishmen, as a captain, an engineer, and a gunner, as also the Hadji Oemar beside 2 slaves belonging to him, by name Maroenda and Sabahan, four Cerammers from Hatoei having stayed at Batchian, by name Roepa and his son, and Tome and Mela, item 2 Javanese, beside still some Moluccans, but now were reinforced by the Tidoresian Bassura, whom the Britons had hired for the service of cook, as well as the Pattanij Captain Mariko having stayed at Oempaij beside two more of his slaves and a slave being with him named Saboer, belonging to the King of Batchian, notwithstanding the mentioned Captain Mariko had proceeded to this by order of the mentioned King of Batchian, and this on account of threat that he would then have to pay a slave for every sedak that he was still indebted to the king, which notice was given to him by 2 envoys of the aforementioned prince, by name Assahan and Boback, who also at the same time had brought to the Britons, by order of their principal, a prahu load with baked sago consisting of 180 bobakkos or sekouwas, From Ternate, the 20th of July 1775. brought, which the aforementioned Britons, during their presence at Taling, had requested of the king under pretext that shortly the fleet of their countrymen was to appear in these waters, and indeed predominantly at Batchian. 3. That these Batchianese envoys upon their return had received a letter and gifts of linens for their lord, the King, from the English. 4. As also the Gebe Quimelaha Saffanij and a Tidore soldier a letter and gifts consisting of flintlocks and linens, both for the Old and Young King of Tidore, item the Old Queen of that realm. 5. That upon the Gebese's inquiry to the Britons how they dared venture to navigate these seas with such a minor force, being provided with only 6 iron half-pound swivel guns, they were said to have received as answer that this mission of theirs was destined solely to Batchian, to inquire with the king whether Hadje Oemar's sayings at Blambangan matched the truth, and furthermore were also not fearful of the Dutch Company, seeing that the Governor residing at Ternate, according to the terms of their sea letter, was obligated in case of need to accommodate them with whatever was necessary. Sixthly
Dutch transcription
o. 11. Van Serdaen den 20:e Julij 175. Den Tweden dat die galij nu tien dagen geleden van oumpaij een eijland onder gebehorende en vijf mijt 2: w: ten zuije van waijgeuwer westhoek gelegen sijn reis na de Papor had vervondert. Ten derden dat alle de hoofden van gebe diverse van Patta„ wij en Micoul item Tidoreesen en ook een Prauw door Balchians koning gesonden bij de Engelschen ten voorschreve Eijland oempaij waren geweest alwaar die van geke sig nog lieten vinden. Ten vierden dat met de Engelsche galei na de papoe vertrokken is den Tidorees Bassara nevens den pattanijs Capitain Ma„ nieko en Eenige Mix ouldens. Ten vijfden dan den geber geumelaha saffanij en den sidorees soldaat die een brief aan de hier omstreekt geleegene, Doopshoofden van wegen Tidors koning gebragt heeft behelsende voornamentlijk om geen gemeenschap met de Engelsche te maken presenten voor gem: vorst van die Britten ontfangen heeft dewelke bestonden in snaphanen en fijne lijwaten Ten desden dat der Buitten voorslag was geweest om een vastigheid te ompaij op te rigten het geen hun egter niet was geaccordeert geworden eensaels uit hoofd van Tidons konings verbod om geen ommegang . 467 Van Ternaten den 2:' Julij 1755 ommegang met die natie te houden en ten anderen om dat sulks buiten voorkennis toestemming en bewilliging van alle drie de Molutise hoofd koningen niet wel konde geschieden. Ten sevenden dat de laaing der maerm: galeij seer rijk, dog de armade gantsch sober is geweest Dit alles door ons voor gecommuniceert aangenoomen sijnde resolveerde wij alhier nog twee dagen te vertoeven, om te sien of men nog nader informatie soo omtrent de Engelschen als andere gewigtige tijdingen konde bekomen, het geen ons ook geltukte aan „gesien snagts bij ons aan boort kwam den ons vorse ende Bat„ chians Jongen konings Broeder Prins Tadjoe Alam die te Pat„ „tanij per een daar toe aldaar bekomene prauw en scheppers de reis na herwaarts en ook na het eijland oempaij had ondernomene deesen Prins reprocheerde wij aanvanckelijk over dit sijn Clan„ destin vertrek en ondervragden hem teffens welke redenen han daar toe hadden gepernioveert die daar op seer present te kennen gaf daar meede niets anders te hebben bevoelt dan om den Britten ooginenke van na bij kundig te worden ten fine ons nevens sijnen Broeder linard teken Tidorees lik tigheid geen Broeder aen Jongen koning van Batchian daar van een waar verslag te kunnen doen het hij voorgaf dat met sijn 13 woeders prauw van geen succes soude hebben kunnen sijn eens deels om dat alle de daar op varende Batchianders geen kundigheijt van gebe of oempaij hadden en ten anderen om dat deese prauw ook niet sterk genoeg bemant was oms aan voorschreeven sijn ook merk spoedig te voldoen onder alverdere te kenne gave dat ofschoon het hem niet heeft mogen gelukken de Engelsche te oen„ paij aan te treffen hem evenwel door de kanne gave van vase wenschen gaondig bekent was. / dat Een engelsche drie maste galeij soo groot als een der geooste paduakans nu tien dagen geleden in geselschap van nog twee rooche prauwen de eene van Micoul en de andere door den hadje oumar voor 2: rantakken en een guinaes gebl: van van seekere pattenijer kajama genaamt te oumpaij ingekogt van het eijland oemnpaij„ e papoe vertrokken sijn onder verseekening dat bij te rug koming aldaar weder te sullen aangieren en daar om de gebereesen vermaant hadden om maar rijkelijk toedengs strochoeden en Cambilangs klaar te maaken, om als aan tegen hare waren te roqueeren. Van Ternaten den 20 Julij 175 2/ dat 469 Van Ternaten den 20 Julij 1775 / Dat op die galij bij sijn aankomst te dempaij eenlijk geweest 71 3: bergelschen als een capitein En jnsinieur en ben constabel, als meede den adjio oemar neven 2. hem toebehoorende slave in name Maroenda en sabahan vier sig te batihian onthouden hebbende Ce„ rammers van hatoei met name roepa en soon een en Tome en Mela item 2: Javanen, nevens nog eenige vullokkens dog nu verstrekt waren door den Tidorees Bassura die de Bristen tot de dienst van Toek hadden gehuurt mitsgaders den sig te dempaij onthoudende hebbende Pattanyjs Capitain Mariko nevens nog twee sijner slaven en een bij hem wesende staaf geraamt saboer den ko„ „ning van Batchian toebehoorende niet tegenstaande den gem: capitain Mariko hier tot op bevel van gem: Batchians koning was overgegaan en sulkis uithoofde van bedreiging als dan voor ieder zedak die hij nog aan hem koning debet sijnde een slaaf soude moeten betalen welk aankundiging hem gedaan was door 2. sendelingen van meerm: vorst in name Assahan en boback wien ook tegelijk aan de Britten op bevel hunner principaal een prauw lading met gebakke sago vestaande ut 18. bobakkos tot secouas hadde gebragt te Van Ternaten den 20 Juli 1775. gebragt waar meerm: vritten bij hun aanweesen te taling den koning om hadden versoek gedaan onder voorwendsel dat binnen korten de vloot hunner landsgenooten in deese veran„ waters en wel voornamentlijk te Batchian stond te verschijnen. 3/ Dat dese Batchianse gesanten bij hun retour een Brief en geschenken van lijwaten voor hunnen Eere den koning van de Engelsche hadden ontfangen. of gelijk meede den gebes quimelaha saffanij en een Tidorees soldaat Een brief en geschenken bestaande uit snaphaanen en lijwaten soo voor den ouden als jongen koning van Tibor item de oude koningin van dat rijk 7 Dat op der geberesen afvraag aan de Britten hoe sij hun durfden verstouten met soo een geringe magt dese se ente bevaeren als sijnde maar met 6: yjsere half ponden draij bassen voorsien souden hebben ten antwoord gekreegen dat deese hunne besending eenlijk na Batchian gedistineert was om bij den ko„ „ning te informeeren of hadje ouwaar is gesegdens te Blambangan met de waarheijt levenaarde en buiten dien voor de Nederlandse Comp: ook niet bedugt waren aangesien aen te Ternaten Reside„ „rende gouverneur na luid hunner see brief gehouden was in Cas van noodt haar met het waige te moeten gerieven. Ten Jessen
English
471 From Ternate, the 20th of July 1775 Wednesday the 18th: That the people of Gebe, together with those of Misool, had been truly minded to capture that galley, but the presence of Hadji Oumar as well as the sending of letters and presents by the British to the kings of Tidore and Bacan had restrained them from doing so. This being communicated to us and accepted, we thanked that prince for this information of his and ordered the masters of the proa that had brought him to Oumpaij to remain with us for towing, under the promise that we would reward them for it in proportion to their assistance. During this night, there was also brought to us in tow by the boat and proa of the young king a Maba proa manned by 26 hands, on which the head was the Maba captain of the village of Gotowassij named Boeramoe, coming from Misool and wishing to go to Maba, which vessel, having inspected it, we allowed to continue its voyage. At nine o'clock we saw another large Orembaai proa, which we caused to come alongside, the heads of which we found to be the Chinese Njo Tamko, Thethamko, and Nietamlong, all three provided with proper Ternate passes to search for tripang near Gebe, who upon our interrogation made known From Ternate, the 20th of July 1775 that they came from Oempaij and wished to go to their dwelling on this island. We examined these Chinese sharply and obtained from them such elucidation as the answers to the points of inquiry following below come to show, namely: Firstly Answers: In the southwest of Waigeo's west corner, where the island of Oempaij lies, it is governed by a sangaji and falls under Gebe. Who governs that island and under which district it falls. Yes, a three-masted galley, of the size of a large padewakang, mounted with 6 iron ½-pounder cannons and some small arms. English, accompanied by Hadji Deman, together with some Ceram slaves, Javanese, and Xulloccons, estimated at 25 hands together. An English captain who, besides 2 other Englishmen, was aboard it, one being an engineer and the other a gunner. Who commanded the galley as head. What nation that was. Whether any foreign ships or vessels had been there recently; if so, how it was mounted. 2: 4: 473 From Ternate, the 20th of July 1775 They heard him called nothing other than captain, but saw with them a white young female person whom he called Nona, without knowing where she was born. Brought their vessel ashore and repaired it. What the English did at Oempaij. Yes, Gebese, Tidorese, Pataniers, Misoolers, and Bacanese. Do not know with what purpose. 10. Did not see such, but do know that the English had a great lack of provisions. And whether they did not compensate such richly with gifts of linen. Cannot say for the truth either, although the English, but especially Hadji Oumar, distributed gifts of linen to the natives. Above all, as far as they know, some pinang sirih and a few provisions. What they received in recompense for those gifts. Whether those Bacanese brought a quantity of baked sago to the British. With what purpose the gathering of these natives with those foreign Europeans occurred. Whether they were in conversation with any natives there; if so, who they were. Whether this captain was not called Captain Bartels or Captain Bugis, and whether he carried a Maguindanao female person with him. 6: 7. 7. 8. 10. 11: 12. 12. 11. 6: Have not seen or heard such. Testify to knowing nothing of this. Yes, that the Tidorese Bassara as interpreter, along with the Patani Captain Marieko, also departed in this galley, without however knowing of the mentioned slaves. According to hearsay, to Papua or actually the mainland coast of New Guinea, whither they also set their course upon leaving the island of Oempaij. No, not alone, but with 2 other proas, of which one belonged to Hadji Oumar, which he bought at Oempaij from a Patanier, and the other unknown to them, notwithstanding he maintained it must have been a Papuan proa. Whether that galley departed from Oempaij alone, or under convoy of more other proas. 17. Where the English have gone now. Whether they are also not aware that with the mentioned foreign trader departed the Tidorese Bassara and the Patani Captain Marieko, together with a slave of Bacan's king and another 2 female slaves of the mentioned Marieko. For what reason the British sent letters and gifts to the king of Tidore and Bacan, likewise to the young king and old kings of Tidore. Whether any trade was carried on in spices. From Ternate, the 20th of July 1775. 13. 14. 15. 15. 14. 13: 16. 16. 17.
Dutch transcription
471 Van Ternaten den 20. ' Julij 175 woensdag den 18: Dat de gebereesen, met die van Miscoul regt gesint waren geweest om die galeij af te loopen dog de presentie van hadje oumar als brieven en presenten sending der Bwitten aan de ko„ „ningen van Tidor en Balchian hun daar van had werderhouden. Dit door ons gecommuniceert aangenomen sijnde bedankte wij dien pans voor deese sijne te kenne gewe ongelastede de voer„ ders der prauw welke han na oummpaij hadden gebragt bij ons ter boegsering te moeten blijven onder belofte dat wij haar na mate hunner assistentie daar voor soude beloonen: In deesen nagt wierd door de schuit en praauw van den Jongen koning ook bij ons op de sleper gebragt een Mabarese prauw bemant met 26 koppen waar op als hoofd was den Mabas Capitain van de negorij gotowassij in name Boeramoe komende van Micoel en hebbende de wil na Mala welk vaartuig wij. gevisiteert hebbende sijn reis lieten vervorderen om negen uuren sagen wij weder een grote Rorehe prauw die wij aan boord dede komen welken hoofden wij bevonden te sijn de Chineesen Njo Tamko Thethamko en Nietamlong alle drie met behoorlyke Ternaatse passen ter soeking van Taripang na gebe guiuneert, de welke op onse afvrage te kennen gaven Van Ternaten den 20 Julij 1775 gaven van oempaij te komen en de wil na hun woning op dit Eijland te hebben Dese chineesen hebben wij scherpelijk on„ dervraagt in daar van sodanige Elucidatie bekomen als de hier onder volgende antwoorden op de vraag poincten komen aan te wijsen als. Eerstelijk Resp: In het ziid west van waijgeuws w: soek waar het Eijland Oempaij gelegen werd bestierd door een senghadji en sorteert wie dat Eijland bestiert en onder onder gebe. welk district het selve sorteert. Ja een drie maste galeij, van groote als een groote Paduakan gemonteert met 6: ijzere ½ lb: Canons en Eenig hand geweir Engelsche vergeselschap va hadje deman nevens eenige Cenammers slaven Javanen en xullokkons na gissing 25. koppen te samen Eenen Engelschen Capitain dewelke nevens nog 2. andere Engels en daar op geweest is sijnde den eenen een ingenieur en den anderen en constabel. wie de galij als hoofd gecommandeert heeft. welke natie dat geweest is. af aldaar onlangs geen vreemde schepen of vaartuijgen geweest sijn s=o Ja hoedanig gemonteert legt 2: 4: 473 Van Ternaten den 20e' Julij 1775 hebben hem niet anders haren noemen als capitain dog bij hen gesien een Blank Jong vrouws persoon die hij Nonja noemde sonder te weeten van waar geboortig hun vaartuijg „ d wal gehaalt en vertimmert wat de Engelsche te Oempaij ge„ daan hebben. Iagebereesen, Tidoreesen, Pattanijers Miroul„ ders en Batchiangers weten met met wat oogmerk. 10. hebben zulks niet gesien maar weten wel wat dat de Engelschen groot gebrek aan levens middelen gehad hebben. En of zulks niet met geschenken van kunnen ook niet voor de waarheyt seggen ofschoon de Engelschen dog speciaal den hadje oumar rijkelijk Lijwaeten vergoeden hebben. geschenken van lijwaten aan de Inlanders heeft uitgedeelt boo van als haar bevust is wat pienang sieri en wat in recompens van die geschenken eenige wainige levens middelen. hebben genoten of die Batchianders met Een quantiteijt gebakke sagge aan de Britten gebragt hebben. Met wat oogmerk de verzume„ „ling deser inlanders bij die vreemde Europ een geschiet of aldaar met geen inlanders ingesprek sijn geweest so Ja wie die al sijn of desen capitain niet genoemt is ge„ worden capitain Bartels of capitain Boegis en of met Een magindanaous vrouws Persoon met sig voerde. 6: 7. 7. 8. 10. 11: 12. 12. 11. 6: „ hebben sulks niet gesien of gehoort Betuigen hier van niets te weeten. Ja dat de Tidorees Bafsara als Tolk nevens den Pattanijs Capitein Marieko mede in deese galeij vertrokken is, sonder egter van de ge„ mentioneerde slaven te weeten. volgens hooren seggen na de papoe of te Eijgent„ lijk de vaste Cust van Nova gunea werwaarts sij bij verlating van het Eijland oem paij ook hun cours gestelt hebben. Neen niet alleen maar met nog 2. prauwen, waar van een den hadje oumar toebehoorende, die hij te bempay van Een pattanijver gekogt heft ende andere hun on bewust niet teegenstaande hij sustineerde het een papoese paauw moet geweest of die galij alleen van oempaij is ver„ trokken dan wel onder Convooij van meer andere prauwen 17. waar de Engelsche nu na toe sijn of hun dan ook niet bewust is, dat met de gem: vreemde trafiquantie ver„ trokken sijn den Tidorees Bassara en den Pattanijs Capitein Marieko neevens Een slaaf van Batchians koning en nog 2. slavin van gem: wat reden de Buitten brieven en geschenken aan den koning van Tidor en Batchian item aan den Jongen koning en oude koningen van Tidor of er niet in specerijen genegoti„ eert is Van Ternaten den 20 Juli 1775. 13. 14. 15. hebben gesonden. 15. 14. 13: Marieko 16. 16. 17. sijn.
English
475 From Ternate, the 20th of July 1775 Answered. 18. How long the stay of the English at Oempaij was. Now about 11 days and nights ago. Full half a month. 19. How long ago that departure was. 20. Whether the cargo of the British was rich, and of what kind of merchandise it consisted. Yes, very rich, and it consisted of various kinds of fine and coarse linens, iron, porcelain, etc. 21. Whether they do not know where the island of Howok lies. According to hearsay, deep in the Papuas, close under the coast of Nova Guinea. 22. For what reason the British wish to establish a stronghold on the island of Oempaij. They do not know such, and have also not heard that the Bengalis would be inclined to construct a stronghold on such an unhealthy island as Oempaij is. 23. If that island is so unhealthy, what then motivated the British to remain there and not at Gebe. They maintain that that stay took place there solely to have a safe place for the repair of their vessel, which was not so well to be found at Gebe. 24. Whether the English have not promised, upon their return from the Papuas, to arrive again at Oempaij or at Gebe. Yes, and that with the whole fleet, ships, and smaller vessels of their countrymen, without however specifying Gebe or Oempaij. 25. Whether they do not know if the English wish to erect, or have already erected, a fort in the Papuas or Gebe, or else elsewhere. They have heard nothing of this construction, but on the contrary are well aware that those of Gebe, Captain Papoewa, would often have attacked this aforementioned galley, had it not been that the Haji Ouwar was present on it. 26. If yes, to what end. They do not know to what end. 27. Whether Gebe, Oempaij, or the islands lying thereabouts produce no spices. Never heard that spices grow on these islands. 28. Whether they still know nothing remarkable to say. No, since they have spoken everything according to the truth. Having received communication of this, we resolved to delay no longer here, but to undertake the return voyage to Ternate, for which reason we also immediately weighed anchor and, by help of towing, set the lower sail so that we, Thursday the 19th in the evening, came to a grapnel anchor between the Cape Capita and the island of Jauw, and Friday the 20th at noon, the wind being serviceable, we weighed the same. We had From Ternate, the 20th of July 1775 477 From Ternate, the 20th of July 1776 the Cape of Patani north by east of us; but Saturday the 21st, Tuesday the 24th, on account of the heavy storm winds and high seas from the deep west and west by north, such that in nearly two days and nights, so to speak, we could carry no sail, we resolved to turn the bow once again towards Gebe, where towards evening behind the aforementioned island of Jauw we let go the howitzer anchor again. Wednesday the 25th, the first signatory went ashore to the aforementioned Chinese residing at these islands, from where he brought along a quantity of 6 lb of nutmegs sewn into the small sack No. 2, which had been handed over to him by the said Chinese as well as the navigators of the young King of Bacan's prahu accompanying us (which latter had also ended up here due to the violent winds), with the notification that the day before yesterday they had found them buried in a hole on the beach at the place where two large Maba korakora prahus, manned according to estimation with 40 persons, had stayed, the heads of these having been the Maba Quimalaha Galilla and the writer Bagus, who having arrived here on the 20th of this month (without it being known with what intention), had returned back to their dwelling place on the 21st of the same. Thursday the 26th, we gave chase to a prahu whose crew all took flight ashore. We inspected that vessel thoroughly, but finding nothing for which we should seize the same, we requested the young King of Bacan to have that vessel brought ashore again by his subordinates and returned to the owners, which also promptly took place without the alienation of the least of the goods that had been therein, principally to take away all complaints of the Tidore court regarding that matter. Wednesday the first of February, the wind from the north, we weighed anchor and went under sail, passed Polo Moar in the evening, and came Sunday the 5th, towards evening, to anchor in the bay of Gane, from where we Tuesday the 7th, weighed anchor again. Wednesday the 15th, in the morning, let go the same in the Ternate roadstead. Below stood: Kept and concluded by us. Was signed: F: B. Temmekam, P: L: Iavanon; lower: A: De Champagnet, Secretary. At the top stood: For reading: J: Renesse. At the side stood: For inspection: von Hestenen, I: I: Geidel. W: Veijerman Collated. G: F: Vermeer Sworn Clerk Received Secret Letters and Enclosures from Makassar Since 1 May to [illegible] 479 the 16th of June per the Chinese N: Jekong peranakan Chinese Intje Oresoee received. Register of the secret Letters and Enclosures received from Makassar 1775. Separate Letter from the Governor Vander Voort to Their High Nobilities, dated 1 June 1775 . . . . . . . . . . . page 1. Secret Daily Register from 20 October 1774 to 31 May of this year . . . page 29. Secret Enclosures, together with the register for the aforementioned page . . . page 103. the 20th of June per the proa. Separate Letter from the Governor aforementioned, dated 8 June 1775 to as above . . . page 25.
Dutch transcription
475 Van Ternaten den 20 Iulij 1715 nu Efp„ Etmaal geleden Ruijm Een halve maand 19 20 Ja heel rijk en heeft bestaan in verscheijde soorten van fijne en grove lijwaten ijzer, porcelijen enz: volgens hooren seggen diep in de papoe digt onder de Cust van Nova gunea. weeten sulks niet en hebben ook niet gehoort dat de wat reden de Britten Een vastig„ bengelsen op soo een ongesont Eijland als oempaij is heijd op het Eijland Oempaij willen gesint soude sijn een vastigheijd te extrueeren maaken sustineeren dat die onthouding aldaar eenlijk Indien dat Eijland soo ongesont geschied is, om een veilige plaats te hebben, ter ver is wat of de Buitten dan gepermo„ timmering van hun vaarting het geen te gele so veert heeft hun aldaar en niette gede wel niet te vinden. te onthouden. Jan en dat met de gantsche vlootscheepen en mindere vaartuigen hunn en landslieden sonder egter gebe of oempaij te speceficeeren Op de Engelschen niet belooft heb„ ben bij hun retour uit de Papoe te oempaij of te gebe weder te zullen aankoomen. 24. of hun niet bekent is waar het eijland Howok legt of der Britten lading rijk ge„ weest is en in welke soort van Ne„ gotie die bestaan heeft. hoelang dat vertrek nu wel geleden 19. hoe lang het verblijf der Engelsen te oempaij geweest is 18 21. 23 23. 24. 25 23. 22. 21. 20. 18. beantwoord. weten niet te welken einde hebben van deese Extrueering niets gehoort maar of sij dan ook niet weeten dat de daar en tegen wel bewist sijn dat die van gebe Engelsen een fort in de Papoe ofte C: P: de dikmaals in deese gem: galeij soude hebben gebe dan wel elders anders willen „ afgelopen ware het niet geweest dat de hadje ouwar oprigten of reets opgeregt heb„ sig daar op had bevonden. „ben. Nooijd gehoord dat op dese Eijland en specerijen groeijen Neen vermits alles na waarheijd hebben Hier van communicatie erlangt hebbende resolv eerde ons niet langer alhier op te houden maar te rug reis na Ternaten te onderneemen alwaar omme ook immediaat anker ligten en door hulp van boegseren het onderzeil leiden so dat wij- Donderdag den 19 s'avonds tussen de hoek Capita en het Eijland Jauw voor Dreg kwamen, en vrijdag „ 20 Smiddags de wind wesen dienlijk wesende het selve ligten had den of nog niets remarquabels weten te seggen. of gebe oempaij dan wel de daar om streeks zeggende eijlanden geen specerijen voort brengen so Ja ten welken einde. Van Ternaten den 20 Julij 175 25 26. 27 28. 28. 27. 26: 25 477 Van Ternaten den 20 Juli 176 de hoek van Pattanij in het noorden te osten van ons dog Saturdag den 21. moeste uit hoofde der swaare storm winden en horgesee uit den teer westen dingsdag „ 24. en westen te noorden soodanig dat in geen twee Etmaal soo te seggen hadden kunnen seijl voeren resolveerde de steven ander „maal na gebe te wenden waar wij tegen den avond agter het meerm: Eijland Jauw het houwijzer weder lieten toegaan. begaf sig den Eersten teekenaar na land bij de sig ten desen woensdag „ 25. Eijlanden onthoudende voorwaarts gemelte Chineesen van waar hij meede bragt een quantiteijt van 6: lb Noten mu„ schaten genaait in het saakje N. 2. die hem door gemelde Chieneesen so wel als de voerders van den ons versellende jongen Batchians konings prauw /:welke laaste door de hevige winden alhier ook vervallen sijnde / waren over„ gegeven onder te kenne gave dat die opgisteren aan het Strant in een gatgegraaven gevonden hadden ter plaatse . waar twee groote Mabase Rorche prauwen bemant na gissing met 40 koppen hun haaden onthouden sijnde de hoofden van dese geweest den Mabas quimalaha galilla en schrijven Bagus dewelke op den 20 deeser sonder te weten met wat intentie/ alhier aangekomen sijnde den 21. d:o waser na hun woonplaats waar en terug gekeert. donderdag Van Ternaten den 20: Julij 175. Donderdag den 26:' maakten Jagt op een prauw welker voerders hun alle aanland op de vlugt begaven visiteerde Exxactelijk dat vaartuijg dog niets vindende waarom met het selve soude aanhalen versogten bij de Jongen Batchians koning om dat vaartuijg door sijn onderhorige weder aan land te doen bren„ „gen aan de Eigenaars over te geven ook peromptelijken Sonder ontvreming van het geringste der daar in geweest Sijnde goederen is geschiet voornamentlijk om alle klaij„ „ten van het Tidorese hoff daar omtrent te benemen. Woensdag den Eersten Februarij de wind uit den Noorden ligten anker en gingen onder zeijl passeerde s'avonds Polo Moar en kwamen. Zondag „ 5. tegen den avont in de bogt van gane ten ankier van waar wij Dingsdag 7: het anker weder ligtede woensdag „ 15 'Smorgens het zelve de Ternaadse rhede lieten toegaan /:onderstond:/ Door ons gehouden en geslooten /:was get:t F: B. Temmekam, P: L: Iavanon: lager:/ A: De Champagnet Sec:t /(logstond:/ voor top Eezen J: Renesse /:ter zeijde stond:/ voor 't nazien /terzegget:/ von hest onen I: I: Geidel. W: Veijerman Gecollat. G:F: Vermeer Gezw: HC „ 1 1 Ontvangen Secreete Brieven en Bijlagen van Maccassar Sed. pm. Mai tot Magen don en 9e heoemen kleek den Elwijk A. 479 den 16. Juny per den Chinees N: Jekong parnakan Chinees Jntje oresoee onte. Register der secreete Brieven en Bijlagen ontvangen van Maccasser „1775. Aparte Brief van den Heer Gom. vander voort aan Henne HoogEdelenden d' do: 1. Juny 1775. . . . . . . . . . . . „ 1. „o Secreet Dagregister van den 20. 8ber: 1774 tot den 31. Mai h. a „ 29 Secreete Bijlagen; Nevens 't reijisten daar voor gem:t p. . „ 103. den 20 Junij p:r den Aparte Brief van den heer G. voorn. d' d=o 8. r Iunij 1725 aan als boven. . . „ 25. Pig. -
English
483. Secret Incoming Letters and Enclosures received Macassar in 1775. — To His Right Excellency The High Noble, Highly Esteemed, Severe, High-Born Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General together with The Right Noble, Severe Lords Councillors of the Netherlands East Indies High Noble, Highly Esteemed, Severe, High-Born Lords and Right Noble, Severe Lords! Having duly received the duplicates of Your High Excellencies' always highly revered reply of 31 December last to my humble advices of the past year, I take the liberty to let this serve in answer thereto and also to treat of the events since my last obedient letter, making a beginning with the article of Boni, and thus I initially note that the King, who for some time now had already begun to ail somewhat, became very seriously ill at the end of February, so much so that his recovery was generally despaired of, so that he himself also seems to have imagined nothing other than that his end was approaching. However, since the middle of April, things have begun slowly to improve, so that he is now judged to be out of danger; yet he remains so weak that he has declared himself still unable to wait upon me, as was my intention, in order to converse with him both about the ever-increasing outrages of his children in the interior and about other points that Your High Excellencies have been pleased to command me; which, however, I shall seek to put into effect as soon as possible, praying Your High Excellencies in the meantime to rest assured that I shall spare no means to fulfill Your High Excellencies' desire. Meanwhile, I render very humble thanks for the favorable approval of my arrangements concerning the dispute that arose between the court of Boni and the toll-farmer, and that Your High Excellencies have been pleased to excuse me from demanding once again the return of the Ternate slaves, unless the King should bring it up himself; in which case I shall not fail to point out to him repeatedly the unreasonableness of sending an embassy to that region, just as I shall no less take care to oppose all infringements upon the Company's rights; and to keep the former Boni Ponggawa Eacasie in his good disposition toward the Company, and on the other hand to divert him from any application for reconciliation with his father, toward which he nevertheless seems to yearn to the utmost, and for which virtually all the grandees of the realm together made very pressing solicitations during the prince's illness, although with a fruitless outcome, as His Highness had become annoyed over it; which, however, is imputed more to the indiscretion of the Regent, who presented the request in the presence of Arung Palakka, who is held to be the cause of his falling into disgrace, than that His Highness would not be inclined to pardon him; so that I, for my part, can also well believe it, the more so as His Highness undoubtedly experiences all too much that he misses him, having even declared many times that he has no one to consult with, and as recently noted in the daily register under 29 March, that the Regent was without memory and the Tomilalang was out of his mind; as well as how he had found out afterwards that the guardians appointed by him over the young King, being the despised Regent Arung Pore together with his brother the present Ponggawa, were quite as childish as the young Prince himself, who, I must testify to my regret, apart from a very friendly appearance, shows not the slightest sign of any ability ever to govern the realm, not to mention in a state of affairs such as the present, which in my humble opinion would require a completely different arrangement in order to prevent its total downfall, whereby at the same time the balance would be broken and the Company's security would be lost. For indeed, that Prince, as little as his just-mentioned guardians and those who might still adhere to their party, would be capable of keeping in check the King's children, who, being mutually divided, form separate factions, as well as countering the outrages of the other princes of the blood in the interior, and causing the subjects to return, who already, as the former Ponggawa recounted according to the entry under date 11 April, have fled by thousands to Wajo and Soppeng. I consider it as certain as it appears probable to me that the grandees of the realm do not regard him as the prince's future successor, but that upon His Highness's decease other contenders would also come forward, so that discussions about this have already been held at court; Datu Baringang and the King's daughter, married to the son of the Queen of Tanete, having expressed that they were also entitled to the crown, while Arung Palakka had alleged that no one should become King except the one who would first promise to bring about the release of her grandson, the King of Gowa banished to Ceylon, according to what is reported in the daily register under date 14 April. However, since His Highness is now better again, and it is not well possible to foresee what shape affairs will take if he should unexpectedly come to pass away, according to which the measures must nevertheless be arranged, it would be superfluous to present any delicate considerations in that regard for the present, so that I shall rather proceed to the further dutiful communication of the occurrences.
Dutch transcription
483. Secreete Aankomende Brieven en Bijlagen ontvangen Maccassar in 1775. — Aan zijn Hoog Edelheijt Den Hoog Edelen, groot Achtbaaren gestr: wijd geb:s heer Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raa„ den van Nederlands Jndia Hoog Edele Grot Agtb: Gest: id get:s eere en Wel Edele Gestrenge Heeren! Mij weder ter eeren wel geworden sijnde de duplos uwer Hoog Edelheedens altoos hoog gevenereerde rescriptie van den 31: de„ cember opassato op mijne nedrige advisen van het voorleeden Iaar neeme iks' vryheijd deesen thans te laeten dienen ter derselver b'antwoording van +. O Van Macasserden Junij 175. b'antwoording en so meede ter verhandeling van de gebeurtenissen sedert mijne gehoorsame laatste; een begin maekende met het articul van Bonij en noteere dus aanvanckelijk dat den koning die zedert mi en dan al wat heeft begonnen te krucken in het laatst van februarij seer swaek siek geworden is dermaten dat aan sijne op komst in 't algemeen wierd gewan hoopt invoegen hij sig ook niet anders schijnt te hebben voorgesteld dan dat sijn eijnde na„ „kende was, dog zedert het midden van april heeft het sig lang„ „saam tot beterschap beginnen te schicken so dat hij nu buiten gevaar word g'oordeelt, egter blijft denselven nog so swak dat hij betuigd heeft mij nog niet te kunnen opwagten, so als mijn betragting in geweest om denselven 't onderhouden so wel over de meer en meer toeneemende gewelden arijen sijner kinderen in de binnen landen als andere poincten die uuw hoog Edelheijdens mij hebben gelieven in omandatis te geeven 't geen ik mnogthand sodra mogelijk sal soeken werkstellig te maeken uw hoog Edelheedens inmiddens biddende verseekert te zijn dat ik geene middelen onge„ ofpaard sal laeten om aan uw hoog Edelheedens begeerte te voldoen ondertusschen betuige ik seer needrig dank voor de gunstige appro„ „batie mijner schickingen omtrend het gereesen differen tusschen het - 483 Van Macasser den 1. Junij 175 het hof van Bonij en den boomspagter, mitsgaders dat uw hoog ƒ Edelheedens mij hebben gelieven te excuseeren van de andermalige te rug vordering der ternaese slaeven, ten maere den koning daar van selfs op haelen mogte in welk geval ik niet nalaeten sal hem bij herhaeling de onbilligheijd van het dsen alle be„ sending om dien oird voor te houden gelijk ik minder alle in„ breuken omtrend s Comp:s geregtigheeden sal twagten tegen te gaan en om den geweesen bonijs Pongauwa Eacasie in sijnen goeden luijm tot de comp: te conserveeren, mitsgaders daar en tegen te diverteeren van alse aansoek tot versoening met sijnen vader waer na hij onogthans ten uitersten schijnt te rijk halven en waar toe genoegsaem alle de gesamentlijke rijks grooten ge„ duurende voorsten siekite seer stenkie instantie hebben gedaen hoe wel met een vrugteloosen uitslag wijl sijn hoogheijt daar over moeijelyk was geworden, het geen egter meer word g'imputeerd aan d'onversigtigheijd van den rijksbestiender die het versoek voordroeg in de presentie van arre Palacha welke voor d' oorsaak word gehouden dat hij in disgratie is geraakt, als dat sijn hoogheijd niet geneijgd soude weesen hem te pardonneeren invoegen ik voor mijn andeel ook wel gelooven kan te meer sijn hoogheijd ongetwijffeld maak al te seer ondervind dat hij denselven 3 Van Macassrden1 Junij 175 den selven komt te missen als selfs veelmaelen betuigd hebbende met niemand te kunnen raadpleegen en nog Jongst na het vermelde bij dagre gister onder den 29: omaart dat den rijkisbestierder me„ amorieloos mitsgaders den Tomilalang niet bij sijn sinnen was gelijk meede hoehij van agteren hadde ondervonden dat de door hem gestelde voogden over den Jongen koning meesende den gedispicieerde regent Arou Poure nevens sijn broeder den Pre„ senten pongauwa ruijm so kinderagtig waaren als dan Jongen Prins selfs die ik tot mijn leedweesen betuigen moet dat behalven een seer vriendelijk voorkomen geen de minste blijkken toond van eenige veragtering om het rijk immer te sullen kunnen bestieren geswijge in een tijds gesteldheijd als de tegenwoordige welke mijnes gevingen er agtens een gehale andere schilking soude vorderen om den totaelen ondergang van het selve voor te komen, waar door te gelijk de Balande gebroken in scomp: veijligheijd verlooren soude worden oimers dat dien Prins so min als sijne so even„ „genoemde voogden en die haar parthij nog mogten aankleeven instaat soude sijn des koning kinderen die onderling verdeelt sijnde bij sonderie factien maeken in teugel te houden mitsgaders de geweldenarijen van d' andere printen van den Bloede inde binnen landen tegen te gaan ende onderdaanen die bereets zo 485 E E Van Macasser Den 1: Iunij 175. so als den geweesen pongauwa na het aangeteekende onder dato 11: april verhaald heeft hij duisenden na wadso en soping ge„ „vlugt sijn te doen weeder keeren stelle ik so seeker als het mij waarschijnlijk voorkomt dat de rijks grooten den selven niet aanmerken als vvorsten aanstaande successeur maar dat sig bij sijn hoogheijts overlijden ook andere meede dingers souden op doen invoegen daar over al discoursen aan het hof gehouden zijn datoe baringang en skonings dogter gehuurd met de soon van de koninginne van Tanette sig uitgelaeten hebbende dat sij tot de kroon meede geregtigt waaren terwijl aroe Palacka voorgegeeven hadde dat er niemand koning soude worden dan die alvoorens belooven wilde het ontslag van haere kleen soon den na ceijlon gerelegeerde koning van goa te sullen bewerken na het vermelde bij dagregister onder dato 14. april. Dan vermits sijn hoogheijt thans weeder beter en het niet wel mogelijk is te voorsien wat gedaente de saeken sullen krijgen wan„ „neer hij onverhoopt het hoofd eens mogte komen meeder te leggen waar na de maat regulen nogthans dienen te worden geschikt soude het overbodig weesen daar omtrend voor het tegenwoordige eenige Ceticaeten Consideratien bij te brengen des ik liever sal overgaan ter verdere verschuldige Communicatie van de voorge„ vallen
English
From Makassar the 1st of June 1775. matters and thus have the honor to note how his highness already in the beginning of his illness having informed me that he intended to make a further Will with the promise of sending it to me for review and approval, nothing however came of it until it seems he was afraid that this disposition would as little as the previous one drawn up in the year 1759 at the time of the governor Blok be fully confirmed without remarks concerning the lands that he has managed to illegitimately appropriate successively. However, he has since made the pseudo-excuse of having no opportunity for it due to the arrival of your Right Honourables' letter for him with the ship Leijendorp, which, notwithstanding that I immediately gave him notice of its receipt on the 8th of March, was not collected until the 22nd following, after he had beforehand asked me about its contents and whether it was harsh, which I answered with a mere compliment, while he has since requested from me a translation of it in Malay and furthermore sent the original for review with Prince Arou Oedjong, whom he appointed as second Tomilalang, whom I engaged at length on that occasion about the confused state of the realm along with an encouraging and admonishing exhortation to take care according to his ability, upon the monarch's death alongside the other grandees of the realm, for the welfare of the realm, which he also promised; while the monarch has on two various occasions informed me through the licensing master Voll that he itself no longer felt capable of doing so, and therefore in this respect, as well as that his children might be maintained in whatever would fall to them upon his death, continued to place his trust solely in the Company. For the rest, I had nothing of importance to discuss with his highness, a certain report from the Queen of Tanette mentioned under 31 October last that he allegedly declared his intention to go to the inland whether the Company might permit it or not having had no consequence, the rest consisting of matters of too little consideration to earn a place here, just as I also do not consider it necessary, besides what still remains to be cited hereafter, to give detailed notice of such sinister messages of the grandees of the realm about various paddy fields on Maros as are recorded with my answers in the daily register under the dates 5, 14, and 15 December. But on the other hand, I must not fail to inform your Right Honourables that I have again without the least fruit caused the regent of the realm to be spoken to three various times about the payment of the state debt, because he offers now one thing, then another as an excuse, while the monarch does not urge him on either, having only on a certain occasion asked the licensing master Voll whether anything had been paid off yet, who informed him of the contrary. Finally, it remains for me to note that the marriage of the crown prince to the daughter of his uncle and guardian Arou Poure having been completed on the 3rd of November last, I on that occasion, in conformity with custom, had a gift presented to the value of 93 guilders, 9 stuivers, 8 penningen, which I request that your Right Honourables may pass for write-off, as well as the customary Puasa gifts to the value of 101 guilders, 12 stuivers to this court and of 182 guilders, 6 stuivers, 8 penningen to that of Gowa, where I have had protests made concerning the detention of a vessel sent out by the liquor excise farmer to collect sago flour in the Gowa river, as well as the passing by the Castle of another vessel on which the monarch was present without saluting by the proper striking of the flag; however, with respect to this, his highness excused himself and asked pardon, though I nevertheless made known to him my sensitivity regarding both matters according to what is noted in the daily register under the 12th of January and 22nd and 23rd of February last, with a threat that if the latter happened again, such a vessel would be fired upon. Meanwhile his highness on the 7th of February asked for an audience with me for his second Shahbandar, who came to request me in his name to be allowed to collate the Bungaya Contract against the original, pretending that the King did not gladly wish to commit an error by undertaking something contrary to it; however, I discovered that it concerned the 11th article speaking of the tolls, but keeping myself ignorant thereof I allowed the collation to proceed without anything else following except a second instance for a copy of it in Dutch and Malay, although I have been informed that his highness himself was allegedly intending to come and speak to me about that chapter, in which case I shall convince him of all misconceptions, as if the Makassarese would be entitled to the levying of tolls, as has repeatedly been maintained by them on the foundation of the aforesaid defective Contract, as well as counter the first step they might undertake in that regard. The dispute arisen between the Queen of Tallo and her son-in-law the Addatuang of Sidenreng whereof
Dutch transcription
Van Macasser den 1: Junij 175. vallene saaken en hebbe dus d'eere te noteeren hoe sijn hoogheijd mij reets in 't begin sijner siekte hebbende doen weeten dat voorneemens was een nader Testament te „ maeken ondertoesegging van mij het selve ter resumtie en approbatie te laeten toekomen, daar van egter niets geworden is tot schijnt be„ „dugt geweest sijnde dat die diepositie so min als de voorige in Ao 1759 ten teijde van den heer gouverneur Blok in gesteld volko„ „men soude worden bevestigt sonder aanmerkingen omtrend de landerijen die hij sig successiev onwettigt heeft weeten te eijgenen 11. egter heeft hij sig sedert quasie verschoond daar toe geen gelegentheid te hebben mits de aanbreng van uw hoog Edelheedens brief voor hem met het schip leijendorp die niet tegenstaande ik hom van dies ontfangst ten eersten of wel op den 8. maart hebbe laeten kennisse geeven niet voor den 22. daar aan afgehaald is na dat hij mij 7: alvoorens hadde doen vragen na dies inhoud en of deselve ook scherp was, t welk ik met een enkel compliment hebbe b'antwoord terwijl hij mij sedert om een translaat van aven in 't maaleijts heeft doen versoeken en voorts het origineel ter resumtie gesonden met den door hem tot tweede Tomilalang benoemden Prins Arou oedjong welke ik bij die gelegentheijd in't breede hebbe onderhouden over de verwaerden toestand van het rijk onder een opweck ende vermaenig : . . . . 487. Van Macasserden1. Junij 175 vermaening om bij 's vorsten overlijden nevens de overige rijks groo„ „ten voor den welstand van het rijk na vermogen te sorgen 't welk hij ook toeseijde: terwijl den vorst mij tot tweede diverse reysen door den licentmeester voll heeft laeten weeten dat hij sig daar toe selfs niet omeer omstaat vonden hij dierhalven in deesen opsigte so wel als dat sijne kinderen mogten worden gemaintineerd in het geene haar bij sijn overlijden soude te beurt van alleen sijn vertrouwen op dE Compagnie bleef stellen. voor het overige hebbe ik met sijn hoogheijts niet van belang te verhandelen gehad seeker bericht van de koninginne van Tanette vermeld sub 31. october passato dat hij sig uitgelaeten soude heb„ „ben na de binnen landen te willen gaan of de comp: het toestaan mogte of niet van geen gevolg geweest sijnde het overige bestaan hebbende in saeken van te weijnig aanmerking om in deese plaats te verdienen gelijk ik ook niet noodig oordeele buiten het geene om 't vervolg nog staat te worden aangehaalt omstandig vermaan te doen van sodanige sinister boodschappen der rijks grooten over diverse padij velden op maros als met mijne antwoorden aangeteekend staan bij dag register onder dato 5: 14. en 15 december Dog daer en tegen mag ik niet af uw hoog Edelheedens ter kennisse te brengen dat ik al weeder sonder de minste vrugt den en Van Macasserden 1: Junij 175. den rijks bestierder tot drie diverse reijsen hebbe doen aanspreeken te om de afbetaeling van de rijksschuld wijl hij dan het eene dan weeder het andere tot verschooning bij brengt terwijl den vorst hem daar toe ook niet komt op te weeken eenlijk bij seekere gelegentheijd aan den licentmeester voll gevraagd hebbende op er al iets afbetaald was die hem het tegendeel te kennen gaf Eijndelijk valt mmij nog te noteeren dat het huwelijk vande krvon Prins met de dogter van sijn oom en voogd arou Poure op den 3: November passato voltrocken sijnde ik bij die geleegentheijd Conform het gebruik een geschenkse hebbe laeten aanbieden ter waarde van ƒ93: 9: 8: 't geen ik so wel versoeke dat door uw hoog Edelheidens ter afschrijving mag worden gepasseerd als de gewoone poassa geschen„ „ken ter waerde van ƒ 101: 12 aan dit hof en van 182: 6:8 aan dat van. Goa alwaar ik so wel hebben laeten woleeren over d' aanhouding van een vaartuig door den pagter van de sterke dranken uitgesonden om saguw oer te haelen in de goade rivier als het passeeren voor bij het Castel van een andervaartuig waar op den vorst sig bevond sonder door het behoorlijk stuijken der vlag, te salueeren dog ten welken optigte sijn horgheit sig verschoond en excus vorsogt heeft choon ik hem des niet te min mijne gevoeligheijd voor het een en ander hebbe te kennen doen geeven ona het aangeteekende bij dag register onder den 12.:' Januarij - g 489 Van Macasser den 1. Junij 1775. mitsgaders 22. en 23. februarij passato met een bedreijging dat het laatste weeder gebeurende er op sodanigen vaartuig soude worden los gebrand onderwijlen dat sijn hoogheijd op den 7. februarij belet bij mij liet vragen voor sijnen tweeden sjahbandhaer die mij uit desselfs naam kwaam versoeken om het bongarijs Contract te mogen Con„ „fronteeren tegen het origineel voorgeevende dat den koning niet gaarno een misslag wilde begaan met iets daar tegen strijdig 't onderneemen egter ontdekte ik dat het te doen was om het 11: artikul spreekende van de tollen dog mij daar van ignorant houdende hebbe ik de collatie laeten voortgaan sonder dat er iets anders opgevolgd is als een tweede instantie om een afschrift van dien in't nederduitsch en Maleijts hoe wel wel men mij g'informeert heeft dat sijn hoogheijd selfs voorneemens soude sijn mij over dat Chapiter te komen onderhouden in welke geval ik hem van alle wanbegrijpen als op de Macassaeren tot het heffen van tollen souden gerechtigt weesen gelijk op fondament van het voorsz: gebreckige Contract meermaelen door haar gesustineert is so wel sal overtuigen als de eerste stap tegen gaan die sij daar omtrend onderneemen mogten. De gereesen Ewist tusschen de koninginne van Tello en haar schoonsoon den adatouang van sedeenring waar tn
English
From Macasser the 1st of June 175- whereof I made mention in my last, and which he declared had arisen over trivialities and had also already been settled, was afterwards followed by another dispute that seemed likely to have more dangerous prospects, considering that those of Geasig were meddling in it, and she herself sent a note to the chief, requesting the Company's protection. But after I had quietly informed him, Adatouang, that he would do best to depart as quickly as possible for his own country, everything subsided once more, while he also undertook the journey shortly thereafter; so that I shall not trouble Your High Noblenesses' esteemed attention with this history, but respectfully refer myself in that regard to the aforementioned note and the daily register under the 2nd, 24th, 25th, 28th, and 30th of November, as well as a writing among the appendices sent over by one of the Macassar notables to the King of Bonij, who conveyed it to me, making known that he had learned that the aforementioned Adatouang was supposedly intending to attack Tanette, just as he had previously let me know his apprehension on the 20th of November that his brother Aroe Brantie would stir up unrest in the inland regions, whereof however since that time just as little has been heard as the former appears to have been of the truth, as I let the Prince know in reply. Meanwhile, I have hitherto applied in vain to the Queen to pay me a visit in order to speak with her about the extravagant conduct of her son and darling, Aroe Pantjana, and the daily increasing confusion of the realm caused thereby, as that Princess excuses herself now under one pretext and then another, and even departed for Pantjana on the 10th of May past, only giving me notice of her intention a few hours beforehand, notwithstanding she had promised me to come to me prior to that. Nevertheless, upon my complaint about the unauthorized giving away by a certain Craeng Cattene of some paddy fields on Sagerij belonging to the Company's subjects, she has arranged that they have all been restored, according to the entry in the daily register under the dates of the 2nd and 6th of March, where, as well as under the 12th, 20th, and 21st of January preceding, the entire history stands treated. From the Poenlipoe E of Soping and his notables of the realm, I received letters two days after the dispatch of my respectful last of the 18th of October, containing among other things repeated complaints about the frequently mentioned Adatouang of Sedenring, on account of robberies newly committed at Mario, and that although he had promised to settle the dispute concerning this, nothing came of it; with a request, therefore, to admonish him to do so and to join a trusted person on my behalf to the conference they were about to hold with one another on the matter, which was granted by me. Meanwhile, I have indeed had the Adatouang exhorted to settle that dispute as soon as possible, as he also promised, so that I am now awaiting a further reply, in order to be able to send someone thither as soon as they or their mutual notables are to assemble at a neutral place for the aforementioned purpose, as I have stipulated. But on the other hand, to the repeated complaints about Arou Pantjana regarding acts of violence likewise committed by the same, I replied that I would have to discuss the matter with both the Queen of Tanette and the King of Bonij, and that this might give cause for further alienation from them, and especially from the latter; therefore advising him, Poenlipoe E, not to entangle himself in any difficulties, but to exercise patience, also expressing thanks for some offered serfs among those belonging to him from Aroe Pantjana and Aroe Pao Pas, if I could procure their restitution. Furthermore, aside from a friendly expression of thanks for the admonition to peace and harmony previously given by me, those letters contain nothing extraordinary, except that the Poenlipoe, with regard to Wadjo and the disputes that have arisen between this nation and that of Bonij, refers to the verbal account of his envoys; who, when questioned by me in that regard, as far as the substance is concerned, confirmed the previous reports concerning the embassy sent by the Bonij administrator of the realm, with that which has since followed and has already been cited in my last humble letter; and furthermore made known that they had learned that the Wadjorese had not only appointed a new Matoua in place of Arou Paneki, who had already died in the year 1768, but also that they were about to dispatch an embassy to Passier to fetch the latter's son from there, together with a certain Englishman whom, however, they could neither name nor describe, nor tell what the purpose of that embassy might be; whereafter I have since made further inquiry, but have discovered nothing that contains any certainty. Nevertheless, in order to comply as far as possible with Your High Noblenesses' honored orders to counteract the encroachment of the aforementioned competitors, I have, upon the reports received concerning the discords newly arisen at Bouton,
Dutch transcription
Van Macaser den 1:' Junij 175 waar van ik bij mijne laatste hebben vermaan gebaan en die hij betuigd heeft over kleenigheeden ontstaan en ook reets bijgelegt te weesen is naderhand gevolgd van een andere quisti die van ge„ „vaarlijker uitsigten scheen te sullen sijn gemerkt die van geasig daar meede lemoeijen en sij selfs een briefje aan den oppertoek sond versoekende om sComp:s protectie dog na dat ik hem Aaatouang in stilte hadde doen weeten dat hij best soude doen ten spoedigsten na sijn eigen land te vertrecken, is alles weder tot stilstand ge„ „raakt terwijl hij ook kort daar aan de reijse ondernomen heeft so dat ik uw hoog Edelheedens veel g'eerde attentie met dit histo„ niaal niet sal vermoeijelijken maar mij ten dien opsigte eerbie„ „dig refereeren aan voorsz: briefje en dagregister sub 2: 24: 25: 28. en 30. november mitsgaders een geschrift onder de bijlagen overgaande door een der omacassaersse grooten aan den koning van bonij gesonden die mij het selve liet toekomen met te kennen gave hoe hij hadde vernomen dat voorm: Adatouang voorneemens soude weesen. Danette t attacqueeren even gelijk hij mij bevoorens op wel den 20. november sijn bedugting liet te kennen geeven dat desselfs broeder Aroe Brantie onlusten in de binnen landen soude verweeken daar „men nogthand zedert so min nogthans zedert sa omin iets van ƒ vernomen # 491 Van Macasser den 1: Junij 175— vernomen heeft als het eerste schijnt van waarheijd hadde so als ik den vorst in antwoord weeten liet ondertusschen hebbe ik tot nu toe te vergeefs aansoek bij de koninginne gedaan om mij een visite te geeven ten eijnde haar t onderhouden over het buitensporrig gedrag van haer soon en lieveling Aroe Pantjana en daar door dagelijks toeneemende verwarring van het rijk wijl die vorsten haar dan onder het eene dan onder het andere voorwendsel ver„ schoond en selfs den 10: meij passato na Pantjana vertrocken is mij eenlijk van haar voorneemen weijnig uuren vroeger bae„ „tende kennitse geeven niet teegenstaande se mij hadden belooft om alvoorens bij mij te komen mogthans haft sij op mijne dole„ antie over het ongequalificeerd weg gegeeven van eenige pabij velden op sagerij d'onderdaanen van de comp: toekomende door zeekeren Cuaceng Cattene besorgd dat deselve alle sijn gerestitueerd geworden na het aangeteekende bij dagregister onder datis 2: en 6: Maart alwaar so wel als onder den 12. 20 en 21. Januarij bevoo„ „nend het geheele historiaal verhandeld staat. van den Poenlipoe E van Soping en desselfs rijksgrooten hebbe ik twee dagen na den afsending mijner eerbiedige laatste van den 18. Aactober brieven ontfangeen vervattende onder anderen alwerde klagten over meermelde Nodatouang van sedeemring wegens nde er Macasse den 1 Junij 175 Van wegens op nieuw gepleegde roverijen te Mario en dat schoon hij hadde toegesegd het different dien weegens af te maeken daer van niets kwam met versoek dierhalven om hem daer toe aentemaenen en een vertrouwd persoon mijnent wegen bij de conferentie te voegen die sij daar over met den anderen stonden te houden het geen door mij is toegesegd: tenwijl ik den adatouang werkelijk hebbe doen adhorteeren om dat geschil ten spoedigsten bij te leggen gelijk hij ook beloofd heefd so dat ik thans nader antwoord verwagte om: so dra sij of haare wed erzeijdse grooten ten voorschreeven eijnde op een onzeijdige plaats so als ik geconditioneerd hebbe bij elk anderen staan te komen iemand derwaarts te kunnen senden dog daaren tegen hebbe ik op d'andermalige klagten over Arou Pantjana 9. wegens insgelijks gepleegde geweldenarijen door den selven, gere„ opliceerd dat ik daar over so wel de koninginne van Tanette als den koning van bonij soude dienen te onderhouden en sulks oorsaeke soude kunnen geeven tot verdere verwijdering met deselve en insonderheid met aen laats gemelde hem Poenlipoe poe E: dierhalven raedende om sig in geene onweijelijkheeden te wickellen maar gedult te oeffenen onder dank betuiging teffens voor eenige aan„ gebodene lijfeijgenen vande geene die hem Competeerden van Aroe Pantjana en aroe Pao Pas wanneer ik dies restitutie besorgen konde 6 Voor't 1 13 493 Macasser den 1. Junij 175 — Van voorts behelsen die brieven buiten een vriendelijke danksegging voor de eertijds door mij gedaene vermaening tot vreede en een dragt niets sonderlings dan dat den Poenlipoel sig ten opsigte van. wadso en de geschillen tusschen deese natie en die van Bonij gereesen refereert aan het mondeling verhael sijne zendelingen dewelke dierwegens door omij ondervraagd voor so verre het saekelijke betreft de voorige berichten Confirmeerden weegens de besending door den bonijs rijks be„ vrtierden gedaan met het geen daar op zedert gevolg en reets bij mijne laatste onderdaanige aangehaald is en voorts te konnen gaven vernomen te hebben dat de wadsoreesen niet alleen een nieuwen Matoua hadden benoemd in steede van den reets in A:o 1768 overleeden Arou Pancki maar ook dat sij een gesantschap na Passier stondenafte „vaardigen om des laastgemeldens soon van daar aftehaalen nevens seekeren en gelschman die sij nogthans so man noemen of beschrijven konde als wat het oogmerk van die besending sijn mogte waar na ik zedert wel nadere informatie gedaan dog niets ontwaard hebbe dat eenige seekerheid behelst Nogthans hebbe ik om in over een stemming uw hoog Edelhee„ „dens g'eerde beveelen so veel mogelijk den indrang van voorm: Competiteuren tegen te gaan op de ontfangene berigten wegens op nieuw ontstaene Oneenigheeden te Bonton
English
From Makassar, 1 June 1775 Because of the uprising of the peoples of Woena, situated on the east side of the island of Pangesana, and the reports and rumors spread therewith that the Wadjorese residing there adhered to the party of the rebels and were to be supported by others of their countrymen, as well as the reflection that arose in me from this that in case the English might hatch some design to take post hereabouts, or that the Wadjorese might wish to engage with them, they could easily avail themselves of this opportunity, it was deemed expedient, after having consulted the King of Boni beforehand on this matter, to dispatch the pantjallang D'Oppas together with a native paduakang to Bouton in order, according to the instruction drafted for that purpose, a copy of which accompanies this, to have the straits cruised for some time by the first-mentioned keel, and having sent to the king with the paduakang the Company's first envoy Daeng Mandjareki together with two others from the King of Boni to inquire into the true state of affairs and if possible to halt the consequences of the dispute, as well as therefore to propose to Bouton's prince to cross over to Woena to achieve that objective, while communicating in a letter dispatched to the same, to which Boni's prince also added one, that this mission was undertaken on account of the affection of the Company and of the court of Boni for the Bouton realm, whose welfare the one as well as the other would continually seek to advance. Whereupon I received news from there on 18 April past by a letter written by Daeng Mandjareki to the chief interpreter and another written by the king's envoys to the Tomilalang, from which, as well as from the account given by the returned brother of the aforementioned Daeng Mandjareki, alongside the copies of the letters accompanying this, it appears that those of Woena have submitted and requested pardon, and thus the disunity was reportedly settled without anything having been heard concerning the English; while Sergeant Steijnbach, sent thither in the past year for the extirpation work, but whom the Bouton prince has seen fit, as well as the pantjallang and paduakang, to detain up to now, writes to me that the reports as if the Wadjorese were to come to the aid of those of Woena were not founded in truth, so that at present there seems to be nothing to fear from the British on that side, while I only wait for an occasion to propose to the King of Boni, in accordance with Your Right Excellencies' esteemed order, to plant upon Soreang, besides a sign of his sovereignty, also the flag of the Company, in order, if that nation might appear there, to prevent them all entrance or at least from taking possession, so as to divert them from that place by protests if possible. Through the lingering behind of the said Steijnbach, the commission for the spice extirpation, of whose latest outcome I have as yet no other report than that the commissioners had been much further than before according to the statement in a letter from him, Steijnbach, dated 11 November past, could make no progress this year; regarding which I have already expressed my displeasure to the Bouton prince and no less admonished the same to satisfy the debt, of which nevertheless nothing has come up to now either, although the so-called Captain Laut, who quelled the unrest on Woena, declared to the aforementioned returned envoy that one hundred heads had already been procured by him for that purpose, who were being detained needlessly and at risk of dying, and Sergeant Steijnbach informed me by letter of 15 May past that an embassy was about to come hither and the king was reportedly intending to discharge the entire debt. With regard to Mandhar, I shall, in conformity with Your Right Excellencies' esteemed desire, not fail to keep continually alive the claim or the demanded satisfaction for the captured bark De Vrijheid, and at the first opportunity that I meet the King of Boni, emphatically admonish His Highness to still do his best for that purpose; meanwhile noting here further how I have been informed that when Your Right Excellencies' missive addressed to the prince was read at court, the regent of the realm and other grandees reportedly not only answered His Highness that, they having well been able to think that the Company would insist upon that compensation, they had declared at the time of the presence of the envoys who had come over here as their opinion that His Highness should not have let them depart before they had paid, but that he having nevertheless done so, and thus against their wish and counsel, they therefore now left that entire matter to his account, according to what is reported in the daily register under 29 March past. From Bima, some prominent grandees of the realm arrived here in November past with the young king, who on the 19th of the said month was confirmed in that dignity as well as the regent of the realm, after this latter together with the remaining grandees had sworn anew to the contracts, having expressed their particular joy over these arrangements, because hereby all fear
Dutch transcription
Van Maccasser Den 1:' Junij A:o 1775 Bouton door de opstand der volkeren van woena gelegen aand' oostkant van het eijland Pangesana en de daar bij verspreijde tijdingen en gerugten dat de aldaar woonagtige wadsoreesen de parthij der oproerigen aankleefden en door andere haarer landslieden souden onderstunt worden mitsgaders hier uit bij mij gereesen besenkking dat ingevalle de Engelschen eenige toeleg„ mogten smeeden om hier omstreeks post, te vatten dan wel dat de wadforeesen sig met deselve mogte willen en gageeren sij sig 1389 ligtelijk van deese geleegentheijd soude kunnen bedienen dienstig geacht om na daar over alvoorens den koning van bonij te hebben geconsuleerd de Patjallang d' oppas cnevens een Jnlands Padiakang na Bouton te depecheeren ten eijnde na luid vande dientweegen ont„ worpen Jnstructie welken afschrift dees en verseld de straat door eerstgemelde kiel eenige tijd te doen bekrussen en met de Paduakang aan den koning afgevaardigt s Comp: eerste sendeling Danig Mandja„ rekie nevens twee andere van den koning van bonij om nna den waeren toestand van saeken 't informeeren en des mogelijk te gevolgen van den twist te stuiten mitsgaders dierhalven Boutons vorst te proponeeren om ter bereiking van dat oogmerk na woena over te steeken onder aanschrijvens bij eene aan den selven afgeaardigde brief waar nevens Bonijs vorst en ook een gevoegd heeft, dat deese # 495 Van Macasser den 1. Junij 1775 deese besonding geschiede uit hoofde van de genegentheijd vande Comp: en van het hofs van bonij voor het boutons rijk, welker weestand d'eene so wel als de andere steeds souden tragten te bevorderen waar op ik den 18. april passato tijding van daar ontfangen hebbe bij een brief door Danig Mandjareckie aan den oppertolk en een andere door s' konigs sendelingen aan den Tomilalang geschrven uit dewelke gelijk meede ut het gedaene relaes door de van daar ge„ reventeerde broeder van voornoemde Danig mandjonekie nevens de afschriften der brieven deesen versellende blijkt dat die van woena sig onderworpen en pardon versogt hebben mitsgaders don eenig„ hiedon oversulx bij gelegt soude weesen sonder dat er iets nopens d' Eengelschen vernomen is terwijl den sergeant steijnbach in Ad„o opassato derwaarts gesonden tot het ex tirpatie werk dog die den Boutonse vorst heeft kunnen goedvinden so wel als de Pantjallang en Paduakang tot hier toe aan te houden mij schuijft dat de berigten als of de wadjoreesen die van woena souden te hulpe komen niet in waarheijd bestonden so dat er thans voor de britten aandie kant niets te vreesen schijnt terwijl ik maar na occasie wagte om den koning van bonij ingevolge uw hoog Edelheedens g'eerde ordre te proponeeren op soreang behalven een taeken sijn en heer„ Schappij ook de vlag vande Comp: te planten ten eijnde wanneer die „. „ „ ng Macasser den 1. Junij 1775 Van die natie daar verschijnen mogten haar alle entrance te beletten of ten minste van het neemen van possessie om dien oird door protesten des mogelijk daar van te diverteeren Door het agterblijven van gemelden Steijnbach heeft de commissie tot de specerij ex tirpatie van welker Jongste uitslag ik nog geen ander berigt hebbe dan dat de Commissianten veel verder waaren geweest dan bevoorens na het vermelde bij een brief van hem Hteijnbach de dato 11: november passato dit Jaar geen voortgang kunnen neemen waar over ik reets. mijn ongenoegen aan de boutonse vorst betuigd en denselven niet minder aangemaand hebbe tot voldoening van de schuld waar van nogthans tot hier toe almeede niets geworden is schoon den so genaemden Capitain Lauwt die d' onlusten op woena gesteld heeft aan voorm: te rug gekomen zen„ „deling betuigd heeft dat er reets honderd koppen door hem ten dien eijnde besorgt waaren, die noodeloos en met gevaar van sterven aangehouden wierden en den sergeant Steijnbach mij bij brieve van den 15. Meij passato bedeelt heeft dat er een gesantschap stond herwaards te komen mitsgaders den koning voorneemens zoude zijn de geheele schuld af te leggen. Ten aanzien van Mandhaer sal ik Conform uw hoog Edelheed=s g'eerde begeerte niet ingebreeke blijven om de pretentie of wel de gevorderde # 497. Van Macasser den 1: Jnij 175— gevonderde voldoening voor de afgeloopene bark de vrijheijd bij conti„ „nuatie leevendig te houden en bij d'eerste geleegentheid dat ik den koning van Bonij ontmoete sijn hoogheit op het nadruckelijkste aanmaanen om daar toe als nog sijn best te doen, inmiddens hier nog noteerende hoe mij berigt is dat de rijks bestierder en verdere grooten ter geleegentheid uw hoog Edelheedens missive aan den vorst gericht ten hove geleesen wierd sijn hoogheid niet alleen souden hebben te gemoet gevoerd hij sij wel hebbende kunnen denken dat de Comp: op die vergoeding soude staan blijven ten tijde van het aanweesen der alhier overgekomene afgesanten voor hun gevoelen hadden verklaard dat sijn hoogheit haar niet moeste laeten vertrec„ „ken voor datse betaald hadden dog dat hij sulks egter en dus tegen hun zin en raad gedaan hebbende sij oversulks als nu die ge„ heele saak voor sijn reekening lieten na het vermelde bij dag Register onder 29 Maart passato. van Bina fijn alhier in onovomber passate eenige voorname rijksgrooten opgekomen met den Jongen koning die op den 19 der ge„ „melde maand in die waardigheid so wel bevestigt is als den regent van het rijk na dat deesen laetste nevens d'overige grooten de con„ tracten op nieuwd b'eedigd hadden k unne bijsondere vreugde betuigd hebbende over deese schickingen wijl hier door alle vreese :
English
From Macasser, 1 June 1775 fear had vanished concerning the well-known pretender Craaneng Japana, whose grandmother Aroe Palacka later nevertheless declared her wish that the same might be chosen for it, while he himself made known to me no less his desire for it, though to which I replied only that the Binnanese had a free election, although it had to be approved by the Company. The recently elected King of Tambora has also arrived, together with the regent of that realm, and after the proper swearing of the contracts by the latter and by certain other grandees of the realm, the same were also confirmed in their dignities at our session of 10 December, as appears from the copy of the deed executed in that regard, which I have the honor to present herewith to Your Right Excellencies together with that of the Binnanese. On the other hand, the recently appointed King of Dompo has not appeared, but regarding this has requested pardon by a letter delivered here with two grandees of the realm, promising to come up at the first opportunity, as I have also recommended in my reply to him and the grandees of the realm, and furthermore to take care that the remaining debt of this realm will be cleared with the arrival of the ship Leijerdorp, to which the said envoys have promised to do their best. In like manner From Macasser, 1 June 1775 In like manner the King of Sumbauwa has also stayed away, but on the other hand an embassy appeared here on 20 May past, bringing along a letter from him and the grandees of the realm, in which it is made known that he could not come on account of the evil conduct of his subjects, as the Bima Commandant was well aware, who also seems to support that in what is mentioned in his writing of 20 February last, though in my judgment it is not to be deemed credible, considering that he has mentioned nothing of it previously, besides that the envoys claimed ignorance of it and seriously declared that it had depended solely on the prince, although it was true that they recently had not been able to obtain a vessel to bring him over. For which reason I shall once more urge him in the strongest terms to come hither, just as I have also recommended this to Le Cerff, with authorization to offer the same, in view of the recently alleged lack of a vessel for his transport, in conformity with his request, the Company's ship-prow on hire or on loan once he, Le Cerff, will have returned from Balij, whither I have ordered him to proceed with the son of Gusti Waijantaga at Salemparang, in order to conclude, if possible, such a contract with the prince of this realm, whether with or without the exclusion of foreign nations, as shall best be negotiated; and in which regard I have not only, as far as From Macasser, 1 June 1775 I have been capable, instructed him in the most suitable means and ways to attain that objective, but have also deemed it not unserviceable to employ another native residing here, named Caere Tololo Oesoe, being a subject of the Company who is known to and even very well-regarded by the King of Balij, who is then to depart from here for Sumbauwa in the next few days to go and meet the said Le Cerff, who will apparently already be there for the shipment of sappanwood in the ship Leijendorp, and subsequently to cross over together to Salemparang, in order, upon delivering the letter addressed by Your Right Excellencies to Gusti Waijantaga alongside another which I have written to him, to request him now to fulfill his promise and therefore to send his son with them to Great Balij, as well as subsequently to undertake the journey thither as soon as possible and, while offering the King the gift projected by me to the value of and delivering a letter addressed to His Highness, to put before him the purpose of their arrival and to employ everything that may indeed be useful to make Your Right Excellencies' proposal agreeable to him, of which I am wishing a fortunate success; noting further hereby how, just before the dispatch of these orders, I received a missive from Gusti Waijantaga containing only a bitter reproach about the vessel in question, which was captured by our cruisers, but From Macasser, 1 June 1775 delivered by them for restitution into the hands of the Sumbawanese, who, as the Bima Commandant now writes, actually withheld it and are said to have let it sink in the river, which seems very contrary to the previous reports and their serious assurance that the same had been handed over to Gusti Waijantaga's envoys, mentioned by name; for which reason I have ordered him, taking everything into consideration, to inquire further into this, and if it should be found that the matter stands thus, to demand compensation therefor, as well as to offer the same to Gusti Waijantaga, the further punishment for such bad conduct then remaining reserved until a further opportunity; while in the meantime I also add hereto a further letter received during the drafting of this from the frequently mentioned Bima Commandant, dated 9 past, concerning a certain murder committed on Oetang or Wet in Sumbauwa by some Wadjoese residing there upon the captain and crew of a vessel from Tanjong Karang that had arrived there, being all Malays residing at that place, regarding which Le Cerff believes that Gusti Waijantaga, being exceedingly affected, would indeed lodge his complaint, while he in the meantime asks me for orders in this regard, which I shall send him in the next few days. Regarding the Company's lands and subjects, it only falls to me to report that the lomo of the northern province Maros
Dutch transcription
Van Macasser den 1:' Junij 1775 75 vaeese was verdweeren omtrend den bekenden pretendeerd Craering Japana wiens grootmoeder Aroe Palacka naderhand nog betuigd heeft wel te wenschen dat den selven daar toe mogte verkoren worden terwijl hij mij selfs niet minder sijn verlangen daar na deed te kennen geeven dog waar op ik eenlijk gediend hebbe dat de Bnna„ „neesen een vrije verkiesing hadden schoon z door de Comp: moeste g'approbeert worden. De Jongst verkooren koning van Tambora is nevens den regent van dat rijk almeede opgekomen en na de behoorlijke b'eediging der Contracten door den laast gem: en door Eenige andere rijks grooten sijn deselve almeede in hunne waardigheeden bevestigt ter onser set„ „ting van den 10 december blijkens het afschrift van de dierwegens vervaerdigde acte welke ik de Eere hebbe uw hoog Edelheedens hier neevens te gelyk met die van die 3 imaneesen aantebieden Daer en tegen is de Iongst benoemde koning van Dompo niet opgedaegd dog heeft dierwegens bij een brief met twee rijks grooten alhier aangebragt verschooning versogt met belofte van bij eerste geleegent„ heid te sullen op komen so als ik hem en de rijksgrooten in antwoord ook gerecommandeert hebbe en voorts om te sorgen dat de restant schuld van dit rijk met de komst van het schip Leijerdorp verwend worde waar toe de gem: gesanten belooft hebben huns best te zullen doen In selvervoegen 19 499 Van Macasser den 5:' Junij 175 Inselvervoegen is de koning van Sumbauwa nog agterwegen gebleeven dog daar en tegen op den 20 Meij passato een gesantschap alhier verscheenen meede brengende een brief van hem en de rijks grooten waar bij te kennen gegeeven word dat hij niet komen konde uit hoofde van de kwade handel wijse seijder onderdaenen so als den bimas Commandant wel bewust was den welken daar aan ook schijnt te defenderen on 't vermelde bij desself schrij„ vens van den 20 febr: laast verweeken dog mijnes oordeels niet voor aannee„ „rielijk te houden sij gemerket hij daar van bevoorens niets gerept heeft behalven dat de gesanten daar van ignorantie pretendeerden en serieus betuigden dat'talleen aan den vorst gehaperd hadde schoon het waar was dat sij Jongst geen vaantuig hadden kunnen magtig worden om ham over te brengen weshalven ik hem andermaal alweder op het kragtigste sal aanspooren om herwaards te komen gelijk ik sulks aan lecerps mede hebben gerecommandeert, met qualificatie om den selven uit aanmerking van het zedert bij gebragte gebrek aan een vaartuig tot sijn transport Conform sijn versoek sComp: schep prauw in huur of ter leen aan te bieden als hij zecorp sal weesen gereverteerd van Balij werwaarts is hem gelast hebbe sig te begeeven met de soon van gusti waijantaga te salemparang ten eijnde met den vorst van dit rijk des mogelijk sodanig contract te sluiten 't sij met of sonder exclusie van vreemde natien als best te be„ „dingen sal weesen en ten welken opsigte ik hem niet alleen voor zo verre schuld Van Macasser den 1. Junij 1775— verre ik daar toe instaat ben geweest hebbe g'instrueerd van de bequaemste middelen en wegen om dat oogmerk te bereiken maar ook g'oordeeld niet ondienstig te weesen nog een alhier woonagtige Jnlander 't emploijeeren in naeme caere Tololo oesoe sijnde een onderdaan van de Comp: die bij den koning van balij bekend en selfs seer gesien is den welken dan eerstdaegs van hier na Sumbauwa staat te vertrecken om gemelde lecerfe di aldaar apparent reets sijn sal ter afscheep van sappanhout in 't schip Leijendorp te gaan vinden en vervolgens te saamen over testeeken na salemparang ten eijnde onder overgave vanden brief door uw hoog Edelheedens aan gusti waij„ antaga gerigt nevens eene andere die ik hem geschreeven hebbe te ver„ soeken als nu als sijn belofte te voldoen en dierhalven sijn soon met hun na groot Balij te zenden mitsgaders vervolgens ten spoedigsten de reijse na derwaarts 't ondernoomen en den koning onder aanbieding van het door mij geprofecteerde geschenk ter waarde van / en overgave van eene aan sijn hoogheid gerigten brief het oogmerk van hunne komst voor te houden en alles wat immers dienstig weesen kan aan te wenden om hem uwer hoog Edelheedens voorslag smaekelijk te maeken waar van ik een geluckig succes ben wenschende hier bij nog noteerende hoe ik even voor de depeche van deese ordres een missive van gusti waijantaga ontfangen hebbe onkel een bitse verwijting behelsende over het bewuste vaartuig wel een door onse kruissens ver ovend, dog door deselve z 21. 501 Van Macasser den 1. Junij 1775 deselve ter restitutie inhandigd aan de sumbauwareesen die den bimas commandant als nu schrijft dat het selve werkelijk agter gehouden en in de revier souden hebben laeten sinken 't geen seer strijdig voor komt met de voorige berichten en hunne sireuse verseekering dat het selve aan gusti waijentagas sendelingen met naemen genoemd was overgegeven, wes„ halven ik hem onder aanmerking over het een en ander gelast hebbe daar na nader 't inquiteeren en bij bevinding dat het met de saak soda„ nig mogte geleegen weesen vergoeding daar voor't eysschen mitsgaders deselve guste waijantaga aan te bieden de verdere correctie oversodaning slegt bestaan als dan gereserveerd blijven de tot nader gelegentheijd, ter„ F „wog wijl ik hier ondertusschen almeede bij voege een onder het condipieeren deeses ontfangene naedere brief van dan meergemelde. Primcis Commandant in dato 9. passato betreffende seekers op oetang of wet te sumbauwa . . gepleegde moord door eenige aldaar woonagtige wadjoreesen aan de Nachoda„ en equipagie van een vaartuig van Tan jong karang aldaar aangeko„ „men sijnde altemaal maleijers te dier platse woonagtig waar over becerft „meend dat gusti waijamtaga ten hrogsten aangedaan sullende weesen sijne klagte wel soude inbrengen terwijl hij mij intusschen om ordre ten dien opsigte versoekt die ik hem eerstdaags: senden sal: Betreffende s Compagnies landen en onderdaanen valt mij alleen te melden dat den lomo van de Noorder provintie 9. Maros :
English
From Macasser the 1st of June 1775. Maros having passed away on the 30th of March, I, at the urgent request of the deputy and the collective gallarrangs, appointed as the closest and most legitimate successor his second son, the eldest not being eligible for it as being of the mother's side; the aforementioned deputy and another gallarrang shall manage affairs during the chosen one's minority, while I earnestly encouraged both the one and the other as well as all of them together not only to a faithful devotion to the common welfare of the subjects and of the lands, but also, upon their complaints about the still persistent outrages of certain Bone and other princes and their request to be maintained therein, authorized them to resist them with force, after having previously warned them to beware of the consequences, which remedy experience has taught me to have a much better effect than all complaints and protests to the court, both to the king and the grandees of the realm, as was recently demonstrated anew when the Bone people attempted to take possession by force of various fields belonging to the subjects, which they claimed without any grounds belonged to them, because I instructed the interpreter residing there earnestly to admonish them to surrender those fields to the subjects and to beware of putting an iron plow into them again if they did not wish to be treated as open robbers, with the result that ours, after having had some further heated debates and exchanges of words, were left in possession and have remained at peace until now. In the Southern Province, since my last humble report, nothing of any note has occurred, but the regents of Sanrabone, having arrived here according to custom, requested me to be exempted for the future from a certain court service, namely the furnishing of vessels for the transport of rice and paddy, which I rejected as absurd since it has been customary from of old, and moreover earnestly enjoined them to comply with it without fail. With regard to Saleijer, a letter of complaint was delivered to me on the 20th of November by the resident Voll, stating that the Bone people residing on Bonerate, who formerly visited the island Tanama Malauwa only to fell timber for vessels and houses, now not only came to settle there, but also were apparently attempting to seize possession of that and all other surrounding islands; upon which I ordered him, as well as the regents who arrived here, immediately to dispatch some of their people to Tanama Malauwa and admonish the Bone people to move away, under threat that the Company, in case of unwillingness, would know the means to compel them thereto; whereupon I have since received word that they had departed from there without anyone being able to ascertain the reasons for it. These having been prepared this far, I received report on the 28th ultimo that the Bone regent, together with Aroe Palacca and the princes Aroe Ponre and Aroe Pattiro, having written a letter a few days earlier to the Datu of Soppeng to announce that the king was said to have asked for him, requesting him therefore to come hither as soon as possible, had sent three of his realm's grandees hither in order to learn whether he could safely rely on that letter, while he in the meantime had proceeded to Lamuru to await a reply; which having been announced to the monarch, with the question whether he pleased to let the said person come, he answered yes; with which message the emissaries returned at once, after having previously informed the captain of the Malays of the matter so that he might notify me, who nevertheless could not tell me what the monarch's intention in this might be, so that I must await the outcome thereof. Furthermore, upon the closing of this letter, there also came to hand a letter from the Bima commander Leclerq, containing that the king of Garassi, being very old, has passed away, with a request for orders as to how to conduct himself now, to which I shall reply as soon as possible. With which, having settled everything once again that I judged worthy of your High Excellencies' much-esteemed attention, while I respectfully refer with regard to further occurrences to the accompanying daily register and enclosures, I conclude this under a heartfelt wish for heaven's most propitious blessings upon your High Excellencies' illustrious persons and the weighty interests of the Company, taking the liberty to call myself with the utmost high esteem and all due veneration: Highly Honorable, Respected, Severe, Far-Ruling Lord and Well-Born, Severe Lords, your High Excellencies' humble, obedient and faithful servant, signed: P. J. van der Voort. In the margin: Macassar in Castle Rotterdam the 1st of June 1775. To
Dutch transcription
Van Macaserden 1 Jaij 175. Maros op den 30 maart overleeden sijnde ik op 'instantie van den Hteede houder en gesamentlijke glawrangs daar toe als de naaste en gewettigste hebbe beneemd desselfs tweede zoon den oudste als van het aandeel der Meeder sijnde daar toe niet eligibel weesende sullende den voormelde steedehouder en nog een eer glarrangs geduurende des g'eligeerdens minderjarigheid de sacken bestieren, terwijl ik d'een en andere mitsgaders haar alle te sae„ „men niet alleen tot een getrouwe beverting van het algemeen wel sijn der onderdaenen en van de landen ernstig op gewekt maar ook op hunne klagten over de nog al aanhoudende geweldenarijen van deese en geene Bonijse en andere princen mitsgaders der selver versoek om daar omtrend gemaintineerd te worden gequalificeerd hebbe om haar daar tegen met geweld te versetten na de zodanige alvoorens te hebben gewaarschouwt om sog voor de gevolgen te wagten welk middel d'on„ dervinding mij geleerd heeft van veel beter uitwerking te sijn dan alle dolcantien en protestatien aan het hofs o wel bij den koning en rijhe„ „grooten gelijk sulks Jongst weeder op nieuw gebleeken is, wanneer de Boniens sig met geweld hebben wragten meester te maeken van verscheijde velden d'onderdaairen toehoorende die sij sondere eenige grond beweerden hun toe te behooren vermits ik den aldaar sijnde tolk gaf„d om hun wrinstig te vermaanen die velden aan d' onderdaanen over te geeven en sig te wagten om en weeser een pleg eijser in te steeken bij aldien sij mietaels openbaere 23. 503. Van Macasser den 1: Iunij 175. openbaere roovers begeerden gehandeld te worden met dat gevolg dat d' onse na nog eenige hevige debatten en woorden wisselingen gehad te hebben in de possessie gelaeten en tot hier toe vreedig gebleeven sijn: In de Zuider Provintie is zedert mijne laatste onderdanigse riets van eenige aanmerking gepasseerd dog de regenten van Saria hier na gewoonte opgeko„ mij versogt hebbende om van seekere hofdienst namentlijk het beveren van vaantuigen tot transport van rijst en padij voor het vervolg te mogen ƒ blijven bevrijd hebbe ik sulks als ongeruimt van de hand geweesen wijl het van ouds her gebruikelijk is geweest en haar daar en boven evnstig gerecommandeert om daar aan sonder fant te voldoen. Den aansien van Saleijer wierd mij op den 20: november door den resident voll een klagtschrift overgeleverd houdende dat de boniens op boneratte woonagtig, die wel eer het Eijland Tanma malauwa besogten eenlijk om hout voor vaartuigen en huisen te kappen sig daar thans niet alleen kwamen neder te zetten maar dat zij sig ook apparent van dat en alle andere daar omstreeks leggende bij landen souden tragten meester te maeken waar op ik denselven en so meede de alhier overgekomene regenten gelast hebbe om ten eersten eenige uit de haaren na Sanna Malauwa afte vaardigen ende Bouiwes tot verhuising aan te maanen ondreijging dat de compagnie bij onwilligheid wel middel soude weeten om haar daar toe te noodsaeken waer op ik zedert tijding ontfangen hebbe dat sij van daar waaren opgebrooken sonder dat men de reedenen van dien konde nagaan. Deese „ 5 ls Van Macasserden1: Jnij 175. Deese en dus verre in gereedheid gebragt sijnde ontfing ik den 28. passato berigt dat den bonijs rijks bestierder nevens Aroe Palacca mitsg„s de Princen Aroe Ponre en Aroe Patfiro korte dagen bevoorens een briefje aan Datoea van soping hebbende geschreeven ter bekendmaeking dat den koning na han gevraagd soude hebben met versoek dierhalven om ten spoedigsten herwaarts over te komen hij drie sijner rijks grooten herwaards hadde gesonden ten einde te verneemen of hij sig op dat schrijven geuust konde verlaeten terwijl bij sig intusschen na Lampoko begeeven hadde om antwoord te wagten 't welk den vorst sijnde aangediend onder afvrage onder afvrage of hij den soenlipoe E: geliefde te laeten komen so hadde den selven g'antwoord. sa met welke boodschap de sandelingen ten eersten waeren te rug gekeerd na alvoorens van het een en ander aan den capitain den Maleijers kennisse gegeeven te hebben om er mij van te verwittigen den welken mij mogthans niet wiste te seggen wat het oogmerk van den vorst in deesen sijn mogte so dat ik het gevolg daar van diene afte wagten voorts is mij ook nog op het sluiten deeses ter hand gekomen een brief van den binas Commandant lecerps behelsende dat den koning van garot walij oud overleden weesen met versoek om ordre hoedanig sig nu te gedragen waar op ik ten spoedigsten antwoorden sal. waar meede dan weeder alles afgehandeld hebbende 't welk ik oordeelde uw hoog Edelheedens veel geerde aanmaaking te verdienen terwijl ik mij ten opsigte van het verder gepasseerde aan het overgaand dag register en bijlagen eerbiedige ge„ „drage so fineere ik deese onder een hertgrondige wonsch van s'hemels dien baanste zegeningen over uw hoog Edelheedens Jllustre persoonen ende gewigtige belan„ „gens van de maatschappij, de vrijheijd neemende mij met d' uitterste hoog agting en alle verschuldigde veneratie tenoemen /:onderstond:/ hoog Edele achtb: gestr: wijdgebiedende heere en wel Edele gestrenge heeren /:lager /uw hoog Edelh=s onderdanige gehoorsaeme en getrouwen dienaar /was geteekend:/ P: I: vander voort /:in margine:/ Maccassar in't Castal Rotterdam den 1. Junij 1775 — Aan
English
25. 50.3. 6. From Macasser the 8th of June 1775 To His High Honour The High Noble Great Honourable Strict Far-commanding Lord Petrus Albertus van der Parra Governor General Along with The Noble Strict Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble Great Honourable Strict Far-commanding Lord Noble Strict Lords With the enclosure of the duplicate of my most recent humble letter of the first of this month, I find myself obliged to inform Your High Honours with heartfelt sorrow that the King of Boni, having suffered a new seizure on the same day, passed away very suddenly in the night between the 4th and 5th of this month at about two o'clock, of which communication was given to me at six o'clock in the morning by one of the electors named Aroe Patjuvo on behalf of the young king, the regent and Tomilabang, with the accompanying notice that the assembled nobles of the realm had resolved to elect the said crown prince as king, whereupon I 4 - 1 . 4 June 1775 From Macasser the 8th I immediately, according to custom, had a mourning gift presented, the amount of which, being the sum of ƒ 201. 19 -, I most humbly request may be written off. The King of Goa and the Queen of Tello were with His Highness on the 3rd before that, on which occasion he declared to them, as well as to his children and nobles of the realm, his desire that the aforementioned Crown Prince Aroe Timorong should succeed him, and subsequently, only after his death, appeared here, besides the Queen of Tanette, the Poenlipoe E of Soppeng along with his wife, concerning whom His Highness had ordered to permit her to touch his dead body, or rather his feet, as a sign of reconciliation, just as was also done by the former Pongawa Lacasie, who had also come hither that same morning, who in the meantime had sent a certain letter to the Shahbandar Voll of a very remarkable content, since according to the same, the late ruler was said to have recommended the young king, along with his children and children's children, to the protection of the King of Goa, and regarding which, in a very long conference held yesterday with him concerning the confused state of affairs, both with respect to the conduct of his brothers here and especially in the interior, he said to me that he could never believe such thoughts could have entered the deceased ruler's mind, considering His Highness had always declared to trust no one other than the Company alone, but that it was nevertheless recorded in that manner in the book kept at court regarding occurring matters, and indeed by order of the regent Aroe Poure and his brother the Pongawa Datu Baringang, while a copy thereof had also been granted to the ruler of Goa, wherefore he maintained, as is also well understood, that 9 27 505. From Macasser the 8th of June 1775 that no good intention could be involved here, though he could not yet fully fathom it. Nevertheless, he has positively assured me, in this as in all other respects, to continually show his fidelity to the Company and to inform me of everything of importance that might occur to him, with a further request for the Company's protection, which I also promised him, while in order to give no occasion for troubles, he would depart again to the northern province of Siang, where he has resided for a considerable time with my permission. In the evening, at the house of the license master, I also spoke very at length and extensively with the Poenlipoe E of Soppeng, who again gave me not only the strongest assurance of his steadfast inclination toward the Company, but also to help promote peace and tranquility as far as ever possible, as well as to employ all his abilities for the well-being of the alliance and even for the realm of Boni. Furthermore, I have already most emphatically exhorted the Queen of Tanette to care for the well-being of her lands and subjects, and vigorously to counter the excesses of her favourite Aroe Pantjana and remove the dissensions between him and the Poenlipoe E, presenting to her the dangerous consequences that were otherwise to be expected therefrom, which did not seem to please her at all, although upon what was declared by me in that regard, she testified to be assured that with these my admonitions and exhortations I was aiming at nothing other than her welfare, and thereupon promised to comply with them. In the meantime, the declaration of the deceased ruler regarding the appointment of the aforementioned crown prince as successor, just before his death, appears likely to have such an effect that competitors will not easily
Dutch transcription
25. 50.3. 6. Van Macasser den 8: Junij 175 Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Gestrengen wijdgebiedende Heer Pebrus Albertus van der Sarra Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrengen Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele Groot Achtb:r Gestr wijd geb:t Heere Wel Edele Destr:e Heeren Onder bij voeging van het duplicaat mijner Jongste onderdanige van primo deeser vinde ik mij gehouden uw hoog Edelheedens met simentelijk leedweesen te moeten bedeelen dat den koning van bonij ten selven dage op nieuw een over val gekreegen hebbende des nagts tusschen den 4: en 5 deeser circa ten twee uuren seer subit is komen t overlijdden waar van mij ten ses uuren des mor„ gens door eene der kiesheeren met onaeme Aroe Patjuv: Communicatie gegeeven sijn uit onaam van den jong koning rijkis bestender en Tomilabang onder den bijgevoegde te kennen gave dat de gesamentlijke rijksgrooten hadaen beslooten den gem: kaoon prins tot koning verkieten so hebbe ik 4 - 1 . 4 Junij 1775 Van Macasser den 8. ik ten eersten na het gebruik een rouw geschenk doen aanbieden welker bedragen ter somma van ƒ 201. 19 - ik ootmoedigst versoeke dat ter af„ schrijving mag werden gepasseerd. de koning van goa en koninginne van Tello zijn den 3. bevoorens bij zijn den 3: bevoorens bij sijn hoogheid geweest bij welke gelegentheijd hij aan deselve se wel als aan sijne kinderen en rijktgrooten verklaard heeft te begeeren dat meerm: keroonprins Aroe Timverong hem soude succedeeren en ver„ volgens sijn eerst na desselfs overlijden hier verscheenen behalven de konin„ „ginne van Tanette den poenlipoe E van soping nevens sijn vrouw omtrend welke sijn hoogheid belast hadde haar te permitteeren om sijn doog lighaam te mogen aaraaken of wel sijne voeten ten belasten ten blijke van versoe„ „ning invoegen sulks ook is gedaan door den almeede dien selven morgen her„ waarts gekomen geweesen pongauwa lacasie die intusschen aan den sjaban„ dhaar voll een seeker briefje hade gesonden van een seer merkwaerdigen inhoud vermits na luid van het selve wijlen den vorst den Jongen koning nevens sijne kinderen en kind' kinderen der bescherming aan den koning van goa soude hebben aan bevoolen en waar omtrend bij mij op gisteren in een seer lang met denselven gehoudene Conferentie over den verwaerden toes„ „tand der saeken so met opsigt tot het gedaag sijner broederen hier als wel voornamontlijk in de binnen landen gesegt heeft niet te kunnen gelooven dat nimer sodanige gedagten inden overleeden vorst soude weesen opgekomen geconsidereerd sijn hoogheijd altoos betuigd hadde op niemand anders te vertrouwen als op de comp: alleen dog dat het nogthens indiervoegen was aan„ geteekend in het boek dat ten hove wierd gehouden nopens de voorgevallende soeken en wel op last van den regent Arou Poure en sijnen broeder den Pon„ gauwa Datou Baringang terwijl daar van meede een afschrift aangoas vorst was verleend mwethalven hij sustineerde gelijk ook wel te begrijpen is, dat 9 27 505. Van Maccasser den 8:' Junij 175. dat hier omtrend geen goed inzigt konde plaats hebben sonder dat hij het selve voor als nog openetreeren konde egter heeft hij mij opositief verseekert so in deesen als in allen anderen opsigte steeds sijne getrouwheijd voor de comp te sullen betoonen en mij alles bekend te maeken wat hem van aanbelang mogte te vooren komen onder nader: versoek om sComp: protectie die ik hem ook hebbe toe gesegt terwijl hij om geen aanleijding tot moeijelijkheeden te geeven weeder vertrecken soude na de noorder oprovintie Siang, alwaar hij sig zedert een „geruimen tijd met mijne toestemming heeft opgehouden. ook hebbe ik des avonds ten huise van den licentmeester seer lange en breedvoerig gesproken met den Poenlipoe E van Coping die mij op nieuw niet alleen de allerstaekste verseekening heeft gedaan van sijne volstandige geneijgdheid tot de Compagnie maar ook om de vreede en ruste so verre numer doenlijk was te helpen bevorderen mitsgaders alle sijne vermogens te sullen aanwenden tot wel sijn van het bondgenoosschap en selfs voor het rijk van Bonij waar en boven ik reets de koninginne van Tanette op het nadrucke„ lykste hebbe aangemaand om te sorgen voor den welstand van haar landen en onderhoorigen en om de buitenspoorigheeden van haer en lieveling Aroe Pantjana kragtdadig tegen te gaan en d'oneenigheeden tusschenhem en den Poenbrepoe E: uit den weg te ruimen onder voorhouding vande gevaarlijke gevolgen die daar uit andersints te verwagten waeren het welk haar maar gantsch niet scheen aan te staan schoon z op het diendweegen door mij gedeclareerde, betrugde haar verseekert te houden dat ik met deese mijne vermaeningen en adhortatien niet anders dan haar welweesen was betragtende en daar bij beloofde deselve te zullen nakomen. Ondertusschen schijnt de verklaering van den overleeden vorst omtrend de benoeming van den oealeeden voedt kroon prins tot successeur even voor sijn overlijden van dat effect te sullen sijn dat sig niet ligtelijk meede dingers
English
From Macasser the 8th of June 1775. claimants will rise up, people maintaining that His Highness had pronounced a curse upon anyone who might attempt to exclude him from the government; nevertheless the remaining princes are divided into three parties and continually keep themselves armed with large troops, whereby in the campong of the Bugis it looks very much as though a formal war were at hand, while none of all of them has properly performed the obligatory mourning ceremonies over the corpse of the deceased monarch. But for the present I have been able to do or perform as little in this regard as in other respects, since the usual forty days of mourning must pass before direct negotiations can be held with the court or the grandees of the realm, at which time I shall endeavor to put into effect everything that is necessary, useful, and serviceable for the promotion of the Company's interests according to my utmost ability. Having deemed it necessary to inform Your High Nobilities of the foregoing at the earliest opportunity, without delaying the vessels lying ready by further elaboration. I have in the meantime the happiness to call myself with the very utmost respect and high esteem, stood underneath, Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord and Well-Born, Severe Sirs, lower, Your High Nobilities' humble and obedient servant, was signed, P: G: van dervoort, in the margin: Macasser in the Castle Rotterdam the 8th of June 1775. 29 507 From Maccasser the 8th of June in the year 1775. Daily register October 1774: Thursday the 20th. Delivery of the bride price for the young King of Boni's marriage. Access having been requested in advance, the treasurer of the Boni court, Aroe Patjiro, and Andron Goeroe Lasalewa appeared before me, who made known that they had been sent by the King to inform me that the bride price for the marriage between the Crown Prince Arou Timoerong and the daughter of the Prince Arou Pouro was to be delivered the day after tomorrow; for which notification I had His Highness thanked with a suitable compliment. Friday the 21st. Nothing occurred. Saturday the 22nd. Emissaries out of Soping with letters. Some emissaries arrived here from Soping, who, while handing over three letters, communicated to me in the name of the Poensipoe E how the people of Sedeuring had once again committed robberies in the Negorij Mario and elsewhere; that the Adatouang had made it known that he was inclined to settle their disputes, but that he, Poenlipoe E, seeing nothing come of it, therefore requested me to send a trusted person to him, not only to urge him thereto, but also to be present at the settlement From Maccasser the 8th of June in the year 1775. and to be able to take cognizance thereof; furthermore, that Aroe Pantjana had also committed robberies in the Negorij Tjinacko, against which he, Poeliepoe E, was imploring my assistance; while they further informed me that the Wadjoese were inclined to send an embassy to Passier to fetch from there the son of the Peweezen Matoua Arou Daneki named Datjo Paneki, along with a certain Englishman whom they professed not to know, nor to know whither they intended to bring him. I gave them only for an answer that, as soon as the letters are translated, I would read them and subsequently speak with them further. Sunday the 23rd. Nothing occurred. Monday the 24th. Tuesday the 25th. A certain dispute between Craijden of Labackang and a woman investigated. I have, with the assembled chiefs of the northern plain districts and those of Labackang, investigated such dispute as has arisen between the Regent or Craeeng of the last-mentioned district and a certain native woman, Rabina, over a person whom the first-named asserts to be free and she comes to claim as her slave, with such outcome as appears from the separate notes kept thereof. 31. 509 From Maccasser the 8th of June 1775. Wednesday the 26th. Nothing occurred. Thursday the 27th. Friday the 28th. Saturday the 29th. Access granted to Joas's emissaries on behalf of the King. In accordance with the request made to that end by the Joas Interpreter Jonda in the name of the King, I have granted access for the coming Monday to the Tomilalang and other grandees of the realm. Sunday the 30th. Nothing worthy of note occurred. Monday the 31st. Account of Soping's emissaries regarding the disputes between Boni and Wadjo. Having had the Soping emissaries who arrived here on the 22nd of this month come before me this morning in order to make some inquiry regarding the disputes between Boni and Wadjo, in regard to which the Poeulipoe E refers to their report, I was told by the first, by name Soero Patjinrana, and this through the interpretation of the Captain of the Malays: How, about three months ago, having been sent on a certain message by his master the Poehlipoe E to Wadjo, during his presence there an emissary from the Boni realm had appeared to announce to the Wadjoese that they were not to meddle with the seven negorijs or so-called Rivers Pitoe Panoa E, and in particular with the
Dutch transcription
Van Macasser den 8: Junij 1775. dingers sullen op aven, willende men dat sijn hoogheijd een vloek soude hebben uitgesproken over de geene die tenteeren mogte den selven uit de regeering te slooten egter sijn d' overige princen in drie parthijen verdeeld en houden sig bij Continuatie met groote troupen gewapend waar door door het in de Campong der Bougineesen wel gelijken of 'er een formeelen oorlog ophanden was, terwijl geen van alle de verpligte rouw plegtigheeden aan het lijk van den overleeden vorst na behooren heeft volbragt dog voor als nog hebbe ik hier omtrend so min als in anderen opsigte iets kunnen doen of verrigten also de gewoone veertig rouw dagen dienen te verloopen alvoorens er Met het hof ofde de rijksgrooten direct kan worden gehandeld in anneer ik alles wat noodig nuttig en dienstig sij ter bevordering van Smatschappijs be„ belangens na intereste vermogen sal tragten in het werk te stellen het voorenstaande noodig g'oordeeld hebbende uw hoog Edelheedens met den eersten te bedeelen sonderde gereed leggende vaarthuigen door een breedere uitbreijding op te houden. Ik hebbe inmiddens het geluk mij met de aller uitterste Eerbied en hoog agting te noemen /:onderstond:/ hoog Edele groot Agtb aare gestrengen wijd gebiedende heere en wel Edele gestrenge heeren /:lager/ uw hoog Edelheedens onderdaenige gehoorsaeme dien aar /:was geteekend/ P: G: van dervoort /in margine:/ Maccasser in 't Casteel Rotterdam den 8. Junij 1775. 29 507 Van Maccasser Den 8. ' Iunij Ao 175. baeef Sechttt aag register Doctober 1774: overbreng van de bruijdschhat tot het Jong Koning vrijdag den 21: sendelingen ouit Na voor af verzogt acces, bij omij verscheenen Donderdag ten 20. ' zijnde, de keisheer van 't Bonijs hof Aroe Patjiro en Andron Goeroe Lasalewa, zo ga„ huwelijk van Bonijs ven deselve te kennen door den koning gezonden te weesen om mij te Communiceeren dat de bruijaschat tot het huwelijk tusschen den kroon prins Arou Timoerong en de dogter van den prins Arou Pouro, tegens overmorgen stond te worden overgebragt, voor welke bekend„ maaking ik zijn Hoogheijd onder Een gepast Complement hebbe doen bedanken, Niets gepasseerd Arriveerde alhier Eenige zendelingen uijt soping Zaturdag den 22: welke mij, onder overgave van drie brieven, uijt naam Soping met brieven van den Poensipoe E: Communiceerden, hoe: de volkeren van Sedeuring andermaal in de Negorij Mario en Elders roverijen gepleegd hebben de, den Adatouang zig wel liet overluijden g' intentioneerd te zyn om hunne geschillen bij te leggen, dog dat hij Poenlipoe E: daar van niets ziende komen, mij dierhalven versogt om Een overtrouwd persoon aan hem te zenden ten eynde den zelven niet alleen daar toe aan te spooren maar ook als dan bij de afdoening tegen„ woordig Van Maccasser den 8:' Iunij A:o 175 craijden 9 Labackang woordig te weesen en daar van Kennisse te kun„ nen dragen, voorts dat Aroe Pantjana al meede roverijen hadde aangeregt op de Negorij Tjinacko waar tegen hij Poeliepoe E: mijne hulpe, was emploreerende Terwijl zij my verder bedeelden, dat de wadjo„ reesen g'intentioneerd zouden weesen, een bezending na Passier te doen om van daar af te haelen de zoon van den Peweezen Matoua Arou Daneki genaamd Datjo Paneki nevens zeekeren Engelsman, die zij betuijgden niet te kennen, nog ook te weeten werwaartsomen den zelven brengen wilde Jk gaf haer Eenlijk ten andwoord, dat ik de brieven, zo dra ze getranslateerd zijn, leeven en met haar vervolgens nnader spreeken zoude Zondag den 23 niets voorgevallen Maandag den 24 Dingsdag den 25 hebbe ik niet de gesamentlijke hoofden aan de zeeker geschil tussen noorder vlacke districten en die van Labackang en een verouw onder „ ondersogt zoodanigen geschil als 'er ontstaan is tusschen den Regent of Craeeng van het laast gem: Landschap en zeekere Inlandsche vrouw Rabina, over een persoon die den eerstgem: beweerd dat vrij zoude zijn en zij als haar slaaf komt te pretendeeren, met zoodanigen uijtslag als bij zogt 31. 509 Van Maccasser den 8: Iunij 1775. acces g'accordeerd aan Poas gecom„ sendelingen wegens als bij de daar van gehoudene aparte aan„ teekening komt te blijken 5woensdag den 26 veel niets voor vrijdag „ 28 „ 29: Con form het ten dien Eijnde gedaane versoek door Zaturdag de Ioas Tolk Ionda, uijt naam van den koning, hebbe ik acces geaccordeerd tegen aanstaen iteer den de omaandag aan den Tomilalang en verdere RijksGroten, Passeerde niets norteeren swaardig Sondag den 30:' de op den 22: deeser alhier gearriveerde sopingse Maandag den 31: sendelingen dezen morgen bij omij hebbende laeten relaas van sopings komen ten Eijnde eenige informatie te doen nopens de geschillen, de geschillen tusschen Bonij en Wadjo waar om„ trend den Poeulipoe E zig aan der zelver relaas refereerd, zo wierd mij door den eersten met naame Soero Patjinrana verhaald, en zulks bij vertolking van den Capitain der Maleijers Hoe hij voor omtrend drie maanden om tusschen borijen wadjo„ zeekere boodschap door zyn meester den Poehlipoe Ena wadjo gezonden zijnde bij zijn aanweesen, aldaar een zendeling van het Bonijs rijk was verscheenen, om den cwa„ ajoreesen aante zeggen, dat zij zig met de seven negorijen of zo genaamde Revieren Pitoe Panoa E: en - in sonderheijd met de
English
From Macasser, the 8th of June 1775 should not meddle with the river of Tjinrana, nor rule over the Boniers living there, since those districts fell under the Kingdom of Boni. That the Wadjorese had answered this emissary that this message seemed very strange to them, or rather that the Lord of Boni wished to dispute the ownership of those lands, since they not only lawfully belonged to Wadjo, but even Timoerong and Sjinrana, although presently in the hands of Boni, were both places which they could therefore claim with much more right. That this emissary having been dispatched with this answer, the Wadjorese had sent someone to Aroe Tanette Matoua, residing in Tjinrana, to inform him of what had happened and, as it were, to present to him their right and lawful claim to Tjinrana and Timoerong; who had answered thereto that he could give no reply, but that he would immediately write to the King, his master. That he had furthermore learned how the emissary dispatched by the Wadjorese to Aroe Tanette Matoua, having stopped in passing by Datoe Pamana, to inform him of the message with which he was charged, Datoe Pamana had expressed himself in these words: Wadjo need not fear, but can rest easy, for I see a chance not only to conquer the aforementioned places, but even Macasser itself if I am commanded to do so. Whereupon his wife, who had been present, had said: if you mean that, then it is better that I return to Soping to my father rather than endure the fear that I feel about it. That furthermore it was indeed murmured among the common people as if the Wadjorese indeed intended to attack Tjinrana and Timoerong, and it was even already claimed by some that orders had been obtained to proceed with the utmost haste to cut and store the paddy crop in barns, but that in his opinion this was not to be relied upon. Having subsequently asked about other circumstances, he declared that he knew nothing more of any importance, except only that about two months ago a new Matoua had been appointed by the Wadjorese, named Aroe Banrang, whom he testified not to have seen nor to know. Having thereupon dispatched the said emissaries, with the promise to let them return as soon as possible with an answer to the letters they had brought, the Captain of the Malays, Abdul Cadier, informed me: that the Queen of Tanette had let him know how she had received a certain message from the King of Boni, in substance containing that His Highness intended, whether the Company might permit it or not, shortly to depart for Pattro in order to have the Datoe of that place circumcised, he being a son of the Soping Poeuliepoe Mappa, begotten with His Highness's daughter, and that this prince had invited Her Highness to accompany him, which she, however, had not promised. After this, upon the complaints brought before me concerning the unlawful detention of a subject of Craijeeng Labackang by Craijeeng Malisse, I immediately dispatched the emissary Nega to Craijeeng Malisse to demand the immediate return of that subject. Subsequently I received news of the arrival of several Biman grandees of the realm, who, having approached as far as Glissong, made this known to me. Finally, according to the granted access, at around half past ten o'clock, there appeared at my residence the Second Tomlalang and the most prominent of all the remaining Goan grandees of the realm, to the number of seventeen persons, for the communication of the impending fast; concerning which the customary formalities were observed, and having treated them to a small gift, they took friendly leave and subsequently departed. Tuesday the 1st. The King of Boni let me know through his interpreter Moen that the marriage of the Crown Prince, Aroe Timoerong, was to be solemnized on the 3rd of this month, for which communication I caused His Highness to be thanked. Wednesday the 2nd. Through the sub-interpreter Blij, I requested access to the King of Boni for the ordinary commissioners for tomorrow afternoon, in order to present a small gift on the occasion of the solemnization of the marriage of the Crown Prince, which was granted. Furthermore, the emissary Nega returned from Labackang.
Dutch transcription
Van Macasser den 8:' Iunij 175 de revier van Tjinrana niet zouden hebben te bemoeijen, nog over de Boniers aldaar woonagtig te heerschen, vermits die districten onder het Bonijs Rijk sorteerden Dat de wadjoreesen aan dien sendeling ten andwoord hadden gegeeven dat hun die boodschap zeer vreemd voorkwam of wel dat Bonij heer den Eijgendom over die Laenden, wilde betwisten ver„ mits deselve niet alleen wadjo wettig toe kwamen maar zelfs Timoerong en Sjinrana Schoon thans in handen van Bonij, welke beij de plaatsen zij dierhalven veel eerder met regt zouden kunnen eijsschen Dat dien zendeling met dit antwoord afgevaer„ digdeweesende, de wadjoreesen iemand hadden gesonden aan Aroe Tanette Matoua verblijf houdende in Tjinrana om den zelven van het gepasseerde kennisse te geeven en hem als 't waare hun regt en wettige pretensie op Tjiniana en Timoerong voor te houden, den welke er opgediend hadde, niets te kunnen antwoorden, maar dat hij ten Eersten den Koning zijnen meester zoude schrijven Dat hij daar en booven, vernomen hadde, hoe de sendeling door de wadjoreesen aan Aroe Fa„ nette Matoua afgevaardigd en passant bij Datoe Pamana 33 513. Van Macasser den 8:' Iunij A:o 175: en dat er een matoua van wadjo was aange„ steld. Samana geweest zijnde, om den zelven kennisse te geeven van de Boodschap waar meede hij belast was Datoe Pamana zig daar op in deese woor„ den hadde uijtgelaaten wadjo behoeft niet te vreesen maar kan gerust stil zetten want ik zie niet alleen kans om de voorm: plaatsen te over„ winnen maar zelfs wel Maccasser wanneer ik daar toe gecommandeerd worde: waar op zyn vrouw die er tegenwoordig was geweest hadde gezegt, indien gij zulks meend dan is het beter dat ik, maar weder na soping keere bij mijn va„ der als de vreese uijt te staan die ik daar over gevoele Dat voorts onder het gemeen wel gemompeld wierd als of de wadjoreesen in der daad Tjurana en Timoerang meenden te attacqueeren en zelfs door sommige reets voorgegeeven wierd, ordre te hebben eerlangd, om ten aller spoedigsten, voor't te vaaren met het snijden en in schuuren van het Padij gewasch dog dat zijnes oordeels daar op geen staat te maaken waare, vervolgens nog na andere omstandigheeden gevraagd hebbende, betuijgde hij, niet so meer van Eenig belang te weeten dan nog alleen dat er voor omtrend twee omaan den een nieuwen Matoua door de wadjoreesen zoude weesen benoemd toe Van Macasser den 8: Junij 1775 reclaire van zeeker benoemd, in naame Aroe Banrang E: den welke hij betuijgde, niet te hebben gezien nog ook te kennen, De gemelde sendelingen hier op gedepecheerd heb„ bende, met toesegging van haar ten spoedigsten te zullen laaten te rug keeren, met antwoord op haere meede gebragte brieven zo gaf den Capitain der „maleijers Addul Cadier mij kennisse: dat de „koningen van Tanette hem hadde laaten wee„ „ten; hoe zij zeekere boodschap ontfangen hadde, „van den koning van Bonij, in Substantie be„ „helsende dat zijn Hoogheijd voorneemens waare „'t zij de Comp:e zulx al of niet mogte toestaan, om „eerlange te vertrecken na Pattro, ten eijnde „den datoea van die plaats, zijnde een zoon „van den Sopings Poeuliepoe E: Mappa, bij zijn „hoogheijts dogter verwekt, te laaten besnijden, en dat „dien vorst haar Hoogheijd hadde laaten nodigen „om hem te versellen, 't geen zij egter niet had„ „de toegezegd Heer na hebbe ik op de bijr mij ingebragte klag„ labackang 'sonderdaeneten over het onwettig aanhouden van Een onderdaen van Craijeeng Labackang door Craeeng Malisse ten Eersten den zendeling Nega aan Craijeeng Malisee afgevaardigd, om die onderdaane opstond te reclameeren; vervolgens 25 533 Van Maccasser den 8: Iunij A„o 175, Novemb:r 1774. sien 't huwelijk van Bonijs Iong Koning aand„ daar over een ge„ schenk gepresenteerd vervolgens ontfing ik berigt van d' aankomst van verscheijde Bimase Rijksgrooten, die tot aan Glissong genaderd mij zulks deeden bekend maa„ Eijndelijk verscheenen volgens g'accordeerd acces, te„ gen halff elf uuren, aan mijne wooning de Tweede Tomlalang en de voornaamste van alle de overige goase ryjksgrooten, ten getalle van seeventien per„ soonen ter Communicatie van de ophanden zynde vasten; waar omtrend het gebruijkelijke in agt geno„ men en haar op Een regaaltje onthaald hebbende, zo namen z: vriendelijk afscheyd, en zijn vervolgens vertrocken. Liet de koning van DDonij omij door zijn tolk dingsdag den 1=ten Moen toe weeten, dat het huwelijk van den kroonprins Aroo Timoerong den 3: hurjus, stond veltrocken staande te worden, voor welke Communicatie ik zyn Hoogheijd hebbe doen bedanken, Hebbe ik door den ondertolk Blij acces laeten woensdag den 2: versoeken bij den koning van Bonij voor de ordinaire gecommitteerdens tegens morgen na de middag, om Een geschenkje aan te bieden ter gelegentheijd van de voltrecking van het huwelijk van de kroonprins, 't welk geaccor„ deerd is, voorts reverteerde den sendeling Niga van Labackang ken: om
English
From Macasser the 8th of June 1775. Thursday the 3rd. The Labackang subjects mentioned as of the end of last month brought the subjects of the craijeeng. The magnates of Bima, mentioned as of the end of last month, arrived here as envoys. At their request, I promised them access for the day after tomorrow. In the afternoon I sent the merchant Raket and junior merchant Kraane to the court of Bonij with the customary ceremony to pay compliments on the solemnized marriage of the crown prince and to present some gifts. Friday the 4th. Nothing occurred. Saturday the 5th. The present envoys of Bima, having appeared before me this morning in accordance with the granted access, and having handed over the letter from the collective magnates of the realm as well as communicating the election of their new King and of Tureli Dongo, the first among them, as regent of the realm, requested the approval and confirmation thereof. I promised them that I would have the letter translated and would await them further thereafter, after which they took their leave and departed. The chief interpreter Brugman and Captain of the Malays Abdul Cadier were ordered by me to seek an opportunity to speak with the Adatouang of Sedeenring, who appeared here a few days ago and went to his mother-in-law, the Queen of Tello, and if possible to learn from him both the cause of the dispute that arose between the two of them and whether it has been fully reconciled again, as well as especially to advise him and in every possible way urge him to settle his dispute with Soping concerning the negorij Mario or otherwise. These servants came to report to me this afternoon that they had executed my orders. That, as regards the cause of the dispute that arose between the Adatouang and his mother-in-law, he had declared that it consisted of trifles and that they were fully reconciled with each other, which was the reason he had come hither to fetch his wife; that he was furthermore prepared to settle the difference over Mario with the Poenliepoe etc. and would endeavor to put this into effect as soon as he returned to Sedeenring, and also that it would be very agreeable to him if someone on behalf of the Company assisted therein. Sunday the 6th. Nothing happened. Monday the 7th. Nothing happened. Tuesday the 8th. The present envoys of Bima having appeared before me this morning, I notified them that the election of their new King and the appointment of Tureli Dongo as regent of the realm during the Prince's minority were approved, and that the customary ceremony was shortly to be performed, for which they jointly expressed their due gratitude, adding that all their hope and trust remained fixed solely upon the Company, whereupon they subsequently took their leave and departed. Wednesday the 9th. Nothing occurred. Thursday the 10th. Nothing occurred. Friday the 11th. I dispatched the present Soping delegates home with two letters for the Poenlipoe etc. and the collective magnates of the realm. Saturday the 12th to Wednesday the 16th. Nothing noteworthy occurred that deserves mention. Thursday the 17th. I had the present magnates of Bima notified to appear at the Castle next Saturday morning to swear to the contracts, in order subsequently to confirm the new King and regent of the realm as such. And furthermore the present Saleijer regents for the following Monday morning to receive their dismissal. Friday the 18th. Nothing occurred. Saturday the 19th. In full assembly, the confirmation took place of the young King of Bima and of the regent of the realm, as appears from the resolution, and I permitted them along with the collective magnates of the realm to return home by next Wednesday. Furthermore, I received by a vessel from Bouton, from the hands of its nachoda Sompa, a letter from the King and one ditto from Sergeant Steijnbach. Sunday the 20th. Nothing happened. Monday the 21st. This morning there arrived here the young King of Tambora along with the regent of the realm and some other grandees, who immediately gave me notice of their arrival, handing over a letter from the Commandant at Bima, Lecerf, principally serving for their escort. After which, the regent of the realm of Bima along with the other present envoys having appeared before me to take leave, I conversed with them about the passage appearing in the aforementioned letter concerning the claim that the deposed ruler of Tambora still makes on some slaves and other goods, regarding which they testified to know no better than that he had received everything he could claim by right, and that all the remainder belonged to the realm; whereupon I gave them their dispatch, wishing them a happy and prosperous journey, causing them
Dutch transcription
Van Maccasser den 8: Iunij 1775. daan gekreegen Donderdag den 3:' accos toegezigt aan de het geschenk naar 't hof van Bonijgelonden vrijdag den 4:' Zaturdag „ 5: soekende bevestiging. van hun nieuwen verko„ ning en 2: oorsaak van d' tist. tusschen Tello 's konin„ gin en Tedeeuring de Labackang onder Labackang omeede brengende de onderdaane van den craijeeng vermeld sub ultimo passato Arriveerde alhier als gezanten de rijksgrooten van Bimase, rijks grooten Bima vermeld sub ultimo passato, dewelke ik op hun versoek acces, hebbe toegezegt tegen overmorgen, S'onademiddags hebbe ik de koopman Raket en onderkoopman Kraane, onder het gebruijkelijk Cere„ monieel ona 't hof van Bonij gezonden ter aflegging van het Complement over het voltrocken huwelijk van de kroon prins en aanbieding van Eenige geschenken is niets gepasseerd de aanweesende Gezanten van Bima ingevolge ge„ Bimas gezanten ver„ acordeerd acces, deesen voor de middag bij mij verschee„ nen en onder overhandiginge van de brief der geza„ mentlijke rijksgrooten mitsgaders Communicatie der verkiezing van hunnen nieuwen Koning en van Iureli Dongo, d' Eerste onder hun tot regent van het rijk de goedkeuring en bevestiging van dien ver„ sogt hebbende, is haar door mij toegezegt, dat ik den briev zoude Laeten translateeren en hun vervolgens nader verwagten, waar na 't afscheijd naam en en vertrocken D'oppertolk Brugman en Capitain der maleijers Abdul Cadier door uij Gelast, om geleegentheijd te zoeken, ten Eijnde met den Adatouang van sedeenring die voor weijnige dagen al hier verscheenen 515 Van Macasser Den 8:' Junij A:o 175. het different met Soping dook af te doen overscheenen, zig bij zijn schoon m oesder de koninginne van Tello begeeven heeft eens te spreeken en des mogelijk van den zelven te verneemen zo owel na de Oorsaake van de twist tusschen haar beijde gereesen, en of die weeder volkomen is bij gelegt, als insonderheijd om hem te raaden en op allerleij mogelijke wijse, aan te zet„ ten zijn geschil met soping over de negoreij Mario als andersints bij te leggen, kwamen mij die be„ diendens deesen nademiddags rapporteeren dat zij mijne ordres volbragt hadden, Dat wat de oorsaeke der gereesene twist tusschen 't is bij gelegt den Adatouang en zijn schoonmoeder betref den zelven betuijgd hadde, deselve in kleenigheeden hadden bestaan, en zij met den anderen volkomen bevree„ digd Mharen, het geen de reden was, dat hij herwaerts was gekomen om zijn vrouw af te haalen dat hij gedeenring belooft voorts bereijd was om het different over Mario met den Poenliepoe E: af te doen en sulx zoude tragten werkstelling te maeken, zo dra hij te sedeenring zoude weesen te rug gekomen mitsgaders het hem zeer aangenaam zoude weesen, wanneer er ieman d van wegen de Comp:e bij assisteerde, zondag den 6:' veel niets voor Maandag „ 7: D'aanweesende Bimase Gezanten deesen voor „ Dingsdag „ 8 middag doerder bij mij verscheenen weesen de, hebbe ik haar Van Maccasser Den 8: Iunij 1775: de approbatie van hun Saleijer de bimase gezanten haar aangezigt, dat de verkiesing van hunnen meu„ Jong koning toegezegt wen koning en de benoeming van Turelie Dongo tot regent van 't rijk geduurende P Princen min der Ia„ righeid geapprobeerd, en daar van eerlange het gebruij„ kelijk Ceremonieel stond volbragt te worden, waar voor ze gezamentlijk hun verschuldige dank betuijgden onder bijvoeging dat al hun hoope en vertrouwen alleen op de Comp:s gevestigt bleef. terwijl t' vervolgens hun afscheijd naamen en vertrocken, Woensdag den 9. ' niets voorgevallen Donderdag „ 10 Vrijdag „ W1 hebbe ik de aanweesende sopingse sendelingen, na soping, zendelingen huijs gedepecheerd, met twee brieven voor de Poenlipoe gedepecheert E: en de gezamentlijke Rijksgrooten, Zaturdag den 12 tot veel niets bijsonder voor dat aanteekening Woensdag „ 16 verdiend Donderdag „ 17: Febbe ik de aanweesende rijksgrooten van Bima Bimas gezanten tegen aanstaande zatur dag morgen in 't Casteel doen g'unrteert appoincteeren, om de contracten te besweeren, ten Eynde de nieuwe koning en regent van 't rijk, vervolgens als zodanig te bevestigen ook de regenten van Ens voorts d' aanwesende saleijereese regenten, tegen maandagh daar aan, in de voormiddagh om haar afscheijd te erlangen, vrijdag den 18 is niets Gepasseerd Zaturdag „ 19. Js in volle vergadering de bevestiging geschied van de Cay „ . 39 517 Van Macasser Den 8 Juny Ao 175: regent van 8bima reese rijksgrooten gedepecheert over de pretensie van de Geweese koning van Tambora, de Iong Koning van Bima en van de regent van het de jonge koning en rijk, blijkens resolutie, en hebbe ik haar nevens de bevestigt, gezamentlijke Rijksgrooten gepermitteerd tegens aanstaande Woensdag na huijs te keeren Wijders ontfing ik met een ovaartuijg van bouton berigten van bouton uijt handen van dies nachoda Sompa, een brieff van den koning en Een dito van den sergeant steijn„ bach veel niets voor. Zondag den 20: Deeden morgen arriveerde alhier, den Iongekoning Maandag „ 21: van Tambora nevens den regent van 't rijk en Eenige komst van tambo„ andere Grooten, die omij ten Eersten van hun komst deeden kennisse geeven, onder overgave: van Een briev van den Commandant te Bima Lecerf voorna„ mentlijk dienende ten hunnen geleijde Waar na de regent van 't Bimas Rijknevens de binasegezanten de verdere aanweesende gezanten, bij mij verscheenen weesende om afscheid te komen neemen, zoo onderhield ik haar over de pariode by opgemelden brief voorko„ mende, wegens de pretensie die den afgezetten Tamboras gesprek met deselve vorst als nog komt te maaken, op Eenige slaaven en andere goederen, dog waar omtrend ze betuijg aen niet beeter te weeten: of den zelven hadde alles ge„ kreegen wat hij met grond van regt eijsschen konde en dat alle het overige aan 't rijk toebehoorde waar op ik deselve hun depeche gaff onder toewensching van een Geluckige en voor spoedige reijse doende haar
English
From Macasser the 8th of June, the year 1775. A regent of Boekit appointed and dispatched. The queens of Tello and Sedeenring. then hand over to them a letter for their escort to the aforementioned Commandant, also serving as an answer to his. Subsequently, I gave leave to the regents of Saleijer who had appeared before me, after I had confirmed the provisional regent of Boekit, Pongong the Saleijer regent, also known as Daeeng Pitoedjoe, in his new dignity according to the customary ceremonial and with an appropriate admonition, and wished him a successful administration. Tuesday the 22nd. The chief interpreter Brugman reported to me how he had learned by rumor that a violent dispute had arisen between the Queen of Tello and her son-in-law, the Adatouang of Sedeenring. Some of their respective people had not only come into dispute but had even engaged in combat with each other, whereby one of those belonging to the Adatouang had been struck down. Having demanded satisfaction for this, but not having received it, his brother Ardu Branti had thereupon not only treated the Queen in a very immodest and even brutal manner, but had dared to demand of Her Highness to engage in a duel with her Anrongoeroe TEtming, whom he alleged to be the murderer of his brother's subject. Her Highness, unwilling to grant this, had sent to request assistance from the King of Goa, who had immediately given orders Page 519 From Maccasser the 8th of July, the year 1775. To inform. Sedeenring ordered to depart and to settle with Sopping. to call all his subjects to arms and to attack the Adatouang and his people. However, no consequence of this was heard of as yet. Hereupon I ordered that servant to inquire further into the state of affairs, and also to keep himself ready to depart for Goa with some men upon the first news of any action. Nothing of note on Wednesday the 23rd. Thursday the 24th. The chief interpreter Brugman came to report to me that the account given to me the day before yesterday regarding the dispute that arose between the Queen of Tello and the Adatouang of Sedeenring was further confirmed, and likewise that the King of Goa, in order to fall upon the latter, had already summoned the Craaengs Barombong and Sandra Bonij to his presence, and that the former was said to have already appeared at court, though the other was still being awaited. Whereupon I ordered him to dispatch a trusted emissary to Goa without delay, not only to learn how matters stood, but also to tell the Adatouang that it would be best for him to leave there as soon as possible and return to Sedeenring, while also reminding him of his promise made to settle the disputes that had arisen between him From Macasser the 8th of June 1775. Who promises this. The chief interpreter conferred with the prince of Bonij over the dispute between Tello and Sideenring, and sending a certain document. and those of Soping, both over Mario and otherwise. Brugman having complied with this order, he brought me further word toward evening that it was still quiet in Goa and at Tello, and that the Adatouang, having thanked him for the advice and admonition given, had promised to comply with it, and had also already prepared for departure, though he still lacked vessels for the transport of his people. Regarding this, I ordered Brugman to assist him as much as possible. Friday the 25th. The chief interpreter, having been summoned by the King of Bonij, proceeded thither with my permission and brought me a report before noon that His Highness had told him that he had heard by rumor how dissensions had arisen between the Queen of Tello and her son-in-law, the Adatouang of Sedeenring, and that the King of Goa was also interfering therein. For which reason, being fearful of harmful consequences, he came to give me communication thereof, sending along a document in the Macassarese language received from Goa, which Brugman also brought with him, from which the cause thereof Page 521 From Macasser the 8th of June, the year 1775. That I am not worried about it. Sedeenring, Tanette. Having him asked for further clarification regarding that dispute. Having him told that I could neither expect nor believe that he would attack. would be shown. Meanwhile, the prince moreover made known to me that he had likewise learned that the frequently mentioned Adatouang of Sedeenring reportedly intended, on his return journey, to put in at Tanette in order to attack the Tanetterese with arms. He therefore requested to know what I thought of the one and the other. To that end, upon the proposal of Brugman, he sent his interpreter Moentoe with him to me, whom I ordered to thank His Highness for the communicated news and the sent document, and furthermore to say that for the present I made no difficulty over the dispute between the Adatouang and Tello and Goa, because they were related to each other, and at least nothing could be done in the matter as yet; but that with regard to the Adatouang, I could expect no evil design against Tanette, since I did not know whether I had ever heard of any disputes between him and the Queen, and that therefore what had been spread might merely be an unfounded rumor, without substance; yet I would nevertheless endeavor to be on my guard concerning both matters in order to prevent all evil consequences. The aforementioned document having meanwhile been [illegible] by me, on account of the indisposition of the shahbandar Voll, the only
Dutch transcription
Van Macasser Den 8: Iunij A:o 175. Een regent van Boe„ kiet aangesteld gedepecheert, Tellos koningen, en sedeening haar vervolgens ter hand stellen een brief ten hunnen geleijde, aan voorm: Commandant en teffens dienende in antwoord van de zijne„ vervolgens gaf ik aan de bij mij verscheenen regen„ ten van Saleijer alsmeede hun afscheijd, na dat ik den provisioneel regent van Boekit in onaame Pongong de Saleijrees regent, alias Daeeng Pitoe djoe, onder het gebruijkelijk Ceremo„ onieel en een gepaste vermaaning in zyn nieuwe waar„ digheyd bevestigt, en Een geluckig. bestier toegewenscht hadde. Dingsdag den 22:' Rapporteerde mij den oppertolk Brugman, hoe nieuwe twist tusschen hij bij Gerugte vernomen hadde, dat 'er een heevig geschil was gereesen tusschen de Koninginne van Telld en haar schoon zoon den Adatouang van Sedeenring, en Eeni„ ge van ieders volkeren niet alleen inquesti maar zelfs met Elkanderen in gevoegt geraakt zijnde, er een van die van Adatouang owas ter neder gelegt, den welken daar over satisfactie g'Eischt, dog niet gekreegen hebben„ de, zoo hadde zijn broeder Ardu Branti de koningen daar over niet alleen op een zeer onkeusche en zelfs brutale wijse bejegend, maar zig onderstaan haar Hoogheijd te vergen, om met haaren Anrongoeroe TEtming (:die hij voorgaf den moorder van zyn broeders onderdaan te zijn:) in een twee gevegt te treeden, 't geen haar hoogheijd niet hebben de willen inwilligen de koning van goa, om hulpe hadde doen versoeken; den welken opstond ordre gegeeven hadde #: 519 Van Maccasser Den 8. Julij A:o 175. informeeren sedeenring doen aan„ zeggen om te vertrekken met sopping af te doen hadde, om alle zijne onderdaanen in de wapenen te brengen en Adatouang met de zijne te attacquee„ ren; waar voor Egter nog geen gevolg vernomen wierd; Ik gaf dien bediende hier op last, om sig na dien daarna nader doen od toestand der zaake, nader 't informeeren, en zig teffens gereed te houden, om op d' Eerste tijding van Eenige actie met Eenige volk ona Gda te vertrecken; veel niets voor woensdag den 23 Kwam den oppertolk Brugman, mij rapport„ Donderdag „ 24: teeren, dat het bericht, mij eergisteeren Gedaan, no„ word geconfirmeert pens de ontstaane tuist tusschen de koninginne van Tello en den Adatouang van Sedeenring, na„ der was geconfirmeerd, en zo meede dat de koning van Ioa, om den Laastgem: op 't lijf te vallen bereets de Craaengs Barombong en Sandra Bonij hadde doen bij zig ontbieden, mitsgaders den Eerstgem: ook al ten hove verscheenen zoude weesen, dog op den anderen nog gewagt werd, waer op ik hem gelaste, om ten Eersten een vertrouwe zendeling na Goa af te vaardigen, om niet alleen te verneemen, hoe de zaaken gesteld waaren maar ook om Adatouang aan te zeggen, dat het best zoude weesen, zig, hoe Eerder hoe liever, van daar te begeeven en na sedeenring te rug en om zijn different te keeren; onder herrinneering tevens van zijn gedaane belofte, ten Eynde de geschillen tusschen hem 1 Van Macasser den 8. Junij 1775, die zulks belooft e den doppertolk over het en Sideenring schrift hem en die van soping zoo over mario als anderzints gereesen af te maaken, aan welk bevel Brugman voldaan hebbende, zo bragt hij mij teegen den avond nader bericht dat het tot nog toe in Goa en op Tello stil was, en dat den Adatouang hem voor de gegeevene raad in vermaaning doen de bedanken beloofd hadde om dezelve na te komen mitsgaders ook reets klaarigheijd hadde gemaakt, tot vertrek dog hem nog vaartuijgen manqueerden tot tran„ port van zijn volk, waar omtrend ik hem Brug„ man beval denzelven zoo veel mogelijk te as„ sisteeren, Vrijdag den 25 Doppertolk bij den Koning van Bonij ontboden Bonij svorst onderhouden zig met mijne permissie derwaarts begeeven geschikt tusschen Tello hebbende, bragt omij voor den middagh tot rap„ port dat zijn Hoogheijd hem gezegd hadde, bij ge„ rugte gehoord te hebben hoe 'er oneenigheeden waeren gereesen tusschen de Koninginne van Tello en haar schoon zoon den Adatouang van sedeeuring en dat de koning van Ioa zig door 8 meede kwam te malleeren, uijt welken hoofde hij voor nadeelige gevolgen beducht zijnde, mij en zending zeeker ge„ daar van Communicatie kwam te geeven, onder toezending van Een geschrift in de Maccassaar se taale, mitt Goa ontfangen, 'twelk brugman meede bragt, waar buijt mij de oorsaake van dien 1. d ƒ 43 521 Van Macasser den 8:' Junij A:o 1775. ik daar opser niet ongerust ben sedeenning Tanette hem laten versoeken om nader opening wegens dien twist zoude geblijken: Terwijl den vorst mij daar en booven deed wee„ ten al meede te hebben vernomen, dat den meerm: Ada„ touang van sedeenring voorneemens zoude weesen in zijn te rug reijze op Tanette aan te Gieren, ten eijnde de Tanettereesen met de wapenen aan te tasten ver„ soekende dierhalven te moogen weeten, wat ik van het een en ander quam te denken, ten welken eijn„ de: hij zijn Tolk Moentoe op den voordragt van Brugman met den zelven bij mij zond, den welken ik gelaste om zijn Hoogheijd voor de meede hem doen zeggen dat gedeelde tijding en het toegesonden geschrift te bedanken, en voorts- te zeggen dat ik over het verschil tusschen den Adatouang en tetto en goa voor als nog geen swaarigheijd maakte, om dat 2: ' met Elkan„ deren vermaagdschapt waaren, ten minste daar inne nog niets doen konde, dog dat ik ten aan„ sien van Adatouang niet verwagten konde, Eenig kwae de nog gelooven dat desseijn tegen Tanette, ter zaake ik niet wist of im „ zoude attacqueeren mer gehoord hadde van Eenige differenten tusschen hem en de koninginne en dat dierhalven het gespargeer„ de mogelijkemaar Een louter uijtstrooijwel zoude weezen, sonder grond, dog dat ik nogthans omtrend het een en ander op omijn hoede zoude tragten te zyn om alle kwaade gevolgen te sluijten, Het opgemeld geschrift in tusschen door mij mits d' indispositie van den sjabandhaer voll, den het mijglsoden gate krieft. Eenigste