VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3445

Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3445_0574 view scan ↗

English

From Macasser The 8th of June 1775. the only one capable of translating it properly, having been placed in the hands of the aforementioned Brugman and the Captain of the Malays, to explain its contents to me; but as they declared that they could not make any proper sense of it, I sent the latter back to the king with it, in order to request a further explanation of its contents and who the writer might actually be, without however in any way letting on that I already had knowledge of what had occurred. A note from the queen of Tanette, addressed to him, was further handed to me by the chief interpreter, as can be found among the enclosures. Saturday the 26th. The young king of Tambora, who arrived here, and the regent of that realm, Ienelie Kankiwie, together with the other grandees who came over with them, having appeared before me this morning after having previously requested an audience, requesting on their behalf as well as that of the other grandees that the election of the said young king and the appointment of the regent be approved, and that both of them be accordingly confirmed in those dignities, I promised the same to them. Sunday 45. 523 From Macasser The 8th of June 1775. Monday the 28th. The writing with which I had sent the Captain of the Malays to the king of Boni on the 15th of this month, to inquire after its contents and the writer, was brought back to me by him, having already been translated into Dutch with the assistance of the chief interpreter Brugman and the resident of Saleyer present here, as the same can be found among the enclosures. While he further reported to me how the king, when he had been with him the day before yesterday, declared that he had heard that everything was already quiet again in Goa, but at the same time had expressed apprehension whether Aroe Branto, brother of the late Adatouang of Sedeenring—the same who on a certain occasion was said to have stated that he saw a way to overpower Tjuirana and Timoerong—might stir up movements and unrest in the interior, upon which he, the Captain, replied that he could not expect such a thing, as he had no power to undertake anything of importance. Sunday the 27th. Nothing of importance occurred. After this, it was also reported to me by the chief interpreter that the dispute between the queen of From Macasser The 8th of June 1755. Tello and the Adatouang of Sedeenring had reportedly been settled and their differences resolved through the mediation of Craeeng Sandrabonij. Tuesday the 29th. Nothing worthy of note occurred. Wednesday the 30th. The king of Boni informed me through his interpreter Moen that the dispute between the queen of Tello and the Adatouang of Sedeenring had been settled, and that everything was peaceful again on Tello and in Goa, for which I conveyed my thanks to His Highness. Furthermore, alongside the Resident of Boelecomba, Monsieur, the southern regents of Bira, Lange Lange, Were, etc., who arrived here yesterday, appeared at my residence to give me notice thereof. Thursday the 1st to Saturday the 3rd of December. Nothing occurred except that on the first-mentioned day the monarch of Boni inquired after my health. Sunday the 4th. Upon receiving the report that several Tanetterese at Sagerij were unwilling to pay their obligatory tithe of rice and paddy, I sent the ordinary messenger Daeeng Mandjareki to the queen of Tanette this morning to complain about it, with a request to make the necessary arrangements for it, which that ruler, according to the messenger's report, promised me, and that she would therefore send someone there to order her people to make full settlement of their debt. 47. 525 From Macasser the 8th of June 1775. The Bonese interpreter Passere came to inform me on behalf of the Makadantana and the Tomilalang that a dispute had arisen again on Maros between the Company's subjects and the Bonese over the paddy fields at Data and Banta-Bantham, to such an extent that they had already come to blows with one another, for which reason they had me requested to issue orders that further consequences be prevented and thus the matters settled, and the fields handed over to those who should be found to be the lawful owners thereof; wherefore, upon that intriguing and deceitful message, I gave them to know in reply that no further investigation was necessary in this matter, nor was I intended to bicker with them over it, that the lawful ownership of the fields belonging to the subjects had been more than sufficiently shown and proven, and I was convinced that none of them would dare to take anything more than was due to them, much less disturb the Bonese in their possessions, so that they had nothing else to do

Dutch transcription

Van Macasser Den 8:' Iunij 1775. los koningin ontfangen borks Jong koning toe„ gezegt eenigste die in staat is, om het zelve behoorlyk te translateeren, gesteld zijnde in handen van Gem: Brugman en den Capitain der Maleijers, om mij dies inhoud te verklaaren dog door deselve betuijgd weesende, dat zij 'er geen regt begrip van konden maaken zoo zond ik den Laastgem: daar meede weder bij den koning, ten Eijnde, zonder nogthans eenigsints te laaten blijken, dat ik van het ge„ passeerde reets kennisse hadden, een onadere ouijtlegging van dies inhoud te versoeken, en wie eijgentlijk den =schrijven mogte weesen Een briefje van Tel„ wijders wierdo mij door den oppertolk zoodanig briefje ter hand gesteld van de koninginne van Tanette en aan hem gerigt als onder de bijlagen te vinden is, Zaturdag den 26. d' alhier gearriveerde Iong koning van Tambora d' approbatie van Tam, in regent van dat rijck Ienelie kankiwie mitsga„ ders verder met deselve overgekomene grooten, na voor af, versogt acces deesen morgen bij mij ver„ scheenen zijnde met versoek uijt haar naam, zo wel als van d'overige grooten dat de verkiezing van gemelde Iongen koning en de benoeming van den regent geapprobeerd, en d'een en ander oversulx: in die waardigheeden mogten worden bevistigt, zo hebbe ik het zelve toegezegt. Zondag 45. 523 Van Macasser Den 8 Junij 175. questi tusschen Tello en sedeenring te rug ontfangen. wederstil. dugt dat sedeenring broeder onlusten Wierd mij door den Capitain der maleijers te rug gebragt, Maandag „ 28 het geschrift waar meede ik den zelven op den 't geschrift wegens de 15:' deeser, naar den koning van Bonij gezonden hebbe om zig naar dies inhoud en den schrijver t' informeeren, zijnde bereets door hulp van den opper„ tolk Brugman en den alhier aanwesende re„ sident van Saleijer, zoodanig in 't nederduijtsch getranslateerd, als 't zelve onder de bijlagen te vinden Terwijl hij mij wijders berichte, hoe den koning alles is in Goa toen hij daar meede eergisteren bij denselven was geweest, betuijgde vernomen te hebben dat alles in Goa reets weder stil was, dog te gelyk zig uijtgelaaten hadde in bedugting te verseeren of niet Bonijs vorst is be„ wel Aroe Branto, broeder van Adatouang zal verweeken van sedeenring, den zelven die bij zeekere gelegentheijd zoude gezegt hebben, dat hij wel kan zag Tjuirana en Timoerong te overmeesteren in de binnen Landen bewegingen en onlusten zoude koomen te verwecken, waar op, door hem Capitain gerepliceerd was, dat hij zulks niet verwagten konde, also denselven geen macht hadde, om iets van belang te onder„ veel niets van Belang voor. . . . . . . . . . . . . . . Zondag den 27: is, neemen Hier ona wierd mij, ook door den oppertoek ge„ rapporteerd, dat de questi tusschen de koningin van Van Macasser Den 8. Junij 1755. Nader Confirmatie dientweegen komst van Eenige zuij„ der Regenten. Zondag den 4 doliantet bij Tanets koningin over onwillige betaald is van thien de van Tello en den Adatouang van Sedeemring door tusschen komst van Craeeng Sandra — bonij zoude weesen bijgeligt, en hunnen geschillen afgedaan: Dingsdag den 29. veel niet sonooteerens waardig voor Woensdag „ 30. Liet de koning van Bonij, mij, door zijn tolk Moen toe weeten dat het geschil tusschen de ko„ ninginne van Tello en den Adatouang van Sedeemring bij getegt, mitsgaders op Tello en in Goa alles weder in ruste was, waar voor ik zijn hoogheijd hebbe laaten bedanken, voorts verscheenen nevens den Boelecombas Resident Monsieur aan mijn wooning de Zuijder regenten van Bira, Lange Lange, were enz: die gisteren alhier opgekomen zijn, om mij daar van kennisse te Geeven, is niets gepasseerd dan dat Bonijs vorst Zaturdag „ 3 december 5 ten Eerstgemelde dage na mijne welstand deed verneemen, Donderdag den 1: tot op het ontfangen bericht dat verscheijdene Tanettereesen op Sagerij, onwillig waaren hunne verpligte tiende rijst en Padij te betaalen, hebbe ik deesen morgen den ordinair sendeling Da„ eeng Mandjareki bij de Koninginne van Tanette gezonden, om daar over te doleeren, met versoek Om 47. 525 Van Macasser den 8:' Iunij 1775. om de nodige ordre daar toe te stellen, 't geen die vorst in, mij, volgens dessendelings rapport, deed toe„ zeggen, en dat zij, dierhalven iemand derwaarts zoude zenden; om de haaren, de Complete voldoening van hun schuld te gelasten De Bonijs tolk Passere, mij uijt naam van den Makadantana /: Ryk :/ en den Tomilalang zijnde koomen bekend maaken, dat 'er tusschen s Comp=s onderdaanen en de Boniers op Maros weeder twist geree„ sen was, over de Padij velden op Data en Banta= Ban„ tham, in zoo verre datz' alreede met den anderen waa„ ren hand gemeen geworden, weshalven zij mij lieten ver„ soeken om ordre te stellen, dat de verdere gevolgen ge„ sluijt en oversulks de zaaken afgedaan mitsgaders de velden aan de zoodanige afgegeeven mogten worden, als =men bevinden zoude, daar van de wettige Eijgenaars te weesen; zo liet ik haar op die intriquante en Leugenag„ tige boodschap in antwoord weeten, dat in deeze zaak geen verder ondersoek nodig, nog ik voorneemenswas, met haare daar over te harrewarren, dat de wettige eijgendom der velden toebehoorende, aan d'onderdaanen, meer dan genoeg aan getoond en beweesen was, en ikonij verseekerd hield, dat geene van deselve, zig zouden onderstaan om iets meer te neemen als haar toe„ kwamoveel min de boniers om hunne possessien t' ontrusten, dat zij dierhalven niet anders te doen hadden

NL-HaNA_1.04.02_3445_0578 view scan ↗

English

From Macasser, the 8th of June 1775 request of the southern regents refused had than to order their people to leave ours unmolested, and that if they refused to listen, I could do nothing about it, since I could not deprive the subjects of the natural right to offer the required resistance to those who might wish to insult them without lawful cause, and to defend themselves. Tuesday the 6th: the southern Regents mentioned sub the 30th ultimo, having appeared before me once again and requested, not only to be exempted from now on from providing vessels for the transport of a portion of the Company's rice and paddy hither, according to ancient custom and as a corvée imposed upon them, which they attempted to deny in a shameless manner, but also not to be obliged to return the passes granted to them from time to time by the Resident, both for those and other vessels of theirs; both were denied by me as utterly absurd and far too insolent, with a sharp recommendation to supply as many vessels each time as should be needed for the transport of the rice and paddy, and to return the passes upon the return of the vessels, albeit in such a manner that the skippers did not necessarily have to come to the post in person if they resided far from there, but that this could then be done by the heads of the villages in which they might be living. Furthermore, by the envoys Daiig Mandjariki and Niga, I had access requested for tomorrow at the courts of Bonij and Goa for the commissioners to present the customary gifts at the end of the fast. This being granted, there departed for this purpose on Wednesday the 7th: for the court of Bonij the merchant Raket and junior merchant Kraane, and for that of Goa the junior merchant Roselet and bookkeeper Bremer, who upon returning brought me the compliments of gratitude. Thursday the 8th: Nothing occurred. Friday the 9th: Saturday the 10th: The young King of Tambora, together with the Regent and grandees of the realm, having appeared this morning in the Council of Policy, the contracts were newly sworn and confirmed, and the act of approval of the former's election and of the latter's appointment was duly sealed and signed, all according to the common custom, and both were congratulated with appropriate wishes. Sunday the 11th until Tuesday the 13th: nothing of importance occurred that deserves recording. Wednesday the 14th: The grandees of the realm of Bone make a further presentation regarding paddy fields on Maros. The toll-collector Brugman having reported to me this morning how the Tomilalang of Bonij, together with Prince Aroe Oedjoeng and the Gearrang of Bontualacq, had just been to him on behalf of the regent of the realm and had made a further request that an inquiry might yet be conducted regarding the dispute between the Company's subjects on Maros and the Matoua of Data, together with the Anarongoeroe Talinko, over the paddy fields on Data in Banta Bantaing, and that although he had brought forward everything possible to convince those grandees of the unreasonableness of their request, pointing out that those fields had lawfully belonged to the subjects from ancient times and that they therefore took futile pains to persuade me to a needless inquiry, they had nevertheless persisted, requesting that the same be presented to me; wherefore I sent that official, together with the Captain of the Malays who was also present, on Thursday the 15th, in the forenoon, to the regent of the realm with orders to dismiss him with a threatening reply, under a clear demonstration regarding the lawful ownership of the fields by the Company's subjects and the frivolous and ridiculous pretensions of the gentlemen of Bone, in the most significant terms: that I, far from letting myself be moved to consent to their unreasonable desires, would be obliged to lodge a complaint at court through commissioners regarding their underhanded practices, since they alone, together with the Boniers, were the cause of the dispute, by leading them to believe, contrary to the truth, that those fields would be ceded to them, and giving them a proof thereof for which the customary fee had been paid, which could have no other consequence than that they must be disheartened, and that it was therefore the duty of him, the regent of the realm, to refund that fee, in which case I was certain they would keep quiet. Whereupon they brought me the report that, in reply, their servant let me know that since I had taken that matter upon myself, he merely asked me to look after the welfare of the Boniers as well as that of the subjects. Friday the 16th until Monday the 19th: nothing occurred. Tuesday the 20th: In view of the news received concerning the uprising of the peoples of Woena against their lawful lord the King of Bouton, and that, as the reports have it, the Wadjoese living there, taking their side, would support them with men and weapons, I sent the Captain of the Malays to the King of Bonij, in order to inquire not only whether and what His Highness might know thereof, but also whether it would not be necessary to dispatch an express messenger thither, and whether he, together with me, would not deem it expedient for that reason that I

Dutch transcription

Van Macasser den 8 Iunij 1775 zoek der zuijder regen„ hof dien st odt zegt hadden dan om de haaren te gelasten, de onse onge„ molesteert te Laaten, en dat zy daar na, niet willen de Luijsteren, ik 'er niets in zoude kunnen doen, vermits ik d'onderdaanen niet berooven konden, van het na„ tuurlijk regt om de geene die haar zonder wettige oor„ saake mogte willen beledigen, de verEijschte resistentie te bieden, en haar zelven te verdedigen. Dingsdag den 6: de zuijder Regenten vermeld sub 30: passato, ander„ zeeker ongerijmt ver„maal bij mij verscheenen en verzogt hebbende, om ten om ontslag van voorthaan niet alleen gelibereert te weesen van de besorging van vaartuijgen tot overvoer van Een gedeelte van sComps Rijst en Padij na herwaarts, na het al oude gebruijk en als een heeren dienst haer opgelegt, t welk zij, op Een onbeschaem de wijze trag„ tede te Loochenen, maar ook om niet verpligt te weesen tot het te rug geeven der passen die haar nu en dan, door den Resident verleend wierden; zo voor die als andere haarer vaartuijgen: wierd het Een en ander door mij als ten uijtersten absurd en veel te vrijpos„ tig ontzegt, met Een scherpe recommandatie om telkens zo veel vaartuijgen te leeveren als 'er tot transport van de rijst en padij zouden noodig weesen en om de passen bij retour der vaartuijgen terug te bezorgen zoodanig nog thans dat de voerders Juijst met Expres aan de post behoefden te koomen als z verre van daar thuijshoorden maar zulks de gra ge 44 527 Van Macasser den 8:' Junij 175: goa gevraagd om de en deselve aangeborden Donderdag den 8 gent van Tambora Dingsdag „ 13=e Woensdag „ 14=e de bongse rijks grooten doen andermaal voor„ dragt over Padij velden opmaros, zulks als dan geschieden konden, door de hoofden van de negorijen waar in t' woonagtig mogten zijn voorts hebbe ik door de sendelingen Daiig Mandjari„ acces bij bonij en ki en Niga acces laaten vraagen tegen morgen bij de hoven spocapsa geschenken van Bonij en Goa voor de gecommitteerdens tot aan„ bieding der gewoone geschenken, bij het eijndigen der vasten. 't welk g'accordeerd weesende zo zijn ten dien eijnde op Naar het hof van Bonij vertrocken de koopman woensdag den 7: Raket en onderkoopman Kraane en na dat van goa d' onderkoopman Roselet en boekhouder Bremer bij mij te rug komst de Comptementen van dankbetuijging bragten, Niets gepasseerd De Iongen koning van Tambora, nevens den Regent en Zaturdag „ 10 ver Rijksgrooten, heden morgen in raade van Zo„ de jong koning en ro„ litie, verscheenen, zo zijn de Contrakten op nieuw beswooren bevestigt, mitsgaders de acte van approbatie van des Eerst gemeldens verkiezing, en van de benoeming van den tweede behoorlijk gezegeld en geteeckend, alles ona het gemeene gebruijk, en zij beijde gecongratuleerd onder toepasselijke wenschen. zondag den 11: tot veel niets van belang voor dat aantekening verdiend vrijdag „9 Doppertoek Brugman mij, deesen voor de middag gerapporteerd hebbende hoe den Tomilalang van Bonij nevens den Prins Aroe oedjoeng en den Gearrang van Van Maccasser den 8: Iunij A„o 1775. met Een bedreijtgende van Bontualacq zo Even uijtnaam van den rijksbe„ stierder bij hem geweest waaren en andermaal versoek gedaan hadden, dat omtrend de quaesti tusschen s Comp=s onderdaanen op Maros en den Matoua van data mits„ gaders den Anarongoeroe Talinko over de padij velden op Data in Banta Bantaing als nog mogte worden ondersoek gedaan en z: en dat schoon hij alles hadde bij„ gebragt otat mogelyk was, om die Rijksgrooten van d' onredelijkheid van haar versoek te overtuijgen, met aantooning dat die velden van oudsher d'onderdaenen wettig hadden toebehoord in zij dierhalven vergeepsche moeij„ te deeden, om mij tot Een nodeloos ondersoek te disponeeren zij egter waaren blyven persisteeren, met versoek om het selve bij mij voor te draagen, zo hebben ik dien bediende nevens den Capitain der maleijers, die ter meede teegenwoor„ dig is geweest, op Donderdag den 15=e des voor demiddags na den rijksbestierder gezonden met Last antwoord affgeweesen om den zelven onder eene duijdelijke demonstratie wegens de =wettige eijgendom der velden aan s Comp:s onderdaanen en de frivoole en belachelyke voorgeevens der heeren boniers in de allersignificanste termen, aan te zeggen: dat ik wel verre van mij te laaten beweegen om in hunne onredelijke begeertens te bewilligen, genoodsaakt zoude weesen, over hunne slinkse pratijcquen door gecommitteerdens aan het hof te laaten doleeren, vermits zij alleen en met de Boniers d'oorsaaken waaden, van het geschil, door dese Pteger de 54 529 Van Maccasser Den 8:' Junij 175. Bonijs Koning gecon„ sumeert over de onlusten te Bouton ontstaan tegen de waarheijd, diets temaaken, dat die velden hun zou„ den worden afgestaan en hun daar van een bewijs te geeven waar voor de gewoone geregtigheijd betaald was, 't welk geen ander gevolg konde hebben, dan dat deselve mismoedig moesten weesen, en dat het over sulks de pligt van hem Rijksbestierder was, om die geregtigheijd weeder uijt te keeren in welken gevalle, ik mij verseekerd hield, dat zij zig wel stil zouden houden. waar op zij mij tot rapport bragten, dat aan staat hun replicq bediende, mij, in antwoord weeten liet, dat vermits ik die zaak aan mij getrocken hadde, hij mij enkel liet versoeken om zoo wel het welweesen der Boniers als dat der onderdaanen te behertigen, vrijdag den 16: tot veel niets voor Maandag „ 19=e Mits d' ontfangene tijding, wegens den opstand der vol„ Dingsdag „ 20: — keren van woena teegens hunnen wettigen Heer de koning van Bouton, en dat zo als de berichten willen, de aldaar woonende wadjoreesen der zelver parthij kiezende, haar met volk en wappenen zouden ondersteunen hebbe ik den Capitain der omaleijers bij den Koning van Bonij gezonden, ten Eijnde te verneemen met alleen of en wat zijn hoogheijd daar van bekend mogte zijn, maar ook of het niet nodig zoude weesen, om daar op Expresser uijt te zenden, en hij met mijn uijt dien hoofde niet dienstig zoude oordeelen: dat ik

NL-HaNA_1.04.02_3445_0582 view scan ↗

English

From Makassar, the 8th of June 1775. To dispatch thither. Approves of my intention without promise. Vessels being prepared. And to dispatch vessels, namely one of the Company's pantjallangs along with a paduakang to Bouton, in which case I requested that His Highness would send along one or two able emissaries with a letter. Whereupon the Captain reported to me that the prince, having heard the message, had summoned the Tomilalang, who, upon the question being asked whether he also had heard anything of this matter, had answered yes, adding that he was told how the Wadjorese were already preparing to occupy the bay of Bouton with a large number of vessels in order to prevent the king from crossing over to Woena, or at least to attack his people upon their sailing out. That His Highness had replied to this that my proposition was entirely to his liking, and he would therefore send along two emissaries with a letter to the king of Bouton, and furthermore would order all his subjects in the interior not only to be on their guard against the undertakings of the Wadjorese, but also those who resided on Woena to come to the aid of the king of Bouton if necessary. Upon which report I immediately gave orders to ready the pantjallang De Oppas, and to the head craftsman to hire a paduakang for a reasonable price, while I appointed the ordinary emissary Daing Mandjareki to depart therewith. 53. 531. From Makassar, the 8th of June 1775. Boni's prince gives notice of a certain dispute between Aroe Pantjana and Aroe Lipoecassie. Wednesday the 21st. The Captain of the Malays, having gone to His Highness this morning in accordance with the request made to him yesterday by the king of Boni, reported to me at midday: How he was told by that prince that Aroe Pantjana had taken the wife of Aroe Lipoecassie to himself, and also detained in Tanette some dancing boys and maids of Aroe Branti, brother of the Adatouang of Sedeenring; that the Queen of Tanette, having been addressed on this matter, had denied the latter, and with respect to the other had said that Aroe Pantjana would send the aforementioned woman to Aroe Lipoecassie himself; that His Highness would gladly converse with that prince about it, but, fearing that such would be in vain, would prefer to see that the same were done by me, since he was otherwise apprehensive that the Puenlipue of Soping and others might easily be incited by the aforementioned conduct of Aroe Pantjana to wage war against Tanette. That he, the Captain, after having replied to the prince's question as to whether the aforesaid might already be known to me, that the Queen had at least, to his knowledge, given me no communication thereof, had represented to His Highness how Her Highness undoubtedly would also not want to listen to my words, but would try to excuse Aroe Pantjana, as had often been evident, and recently still by how much trouble I had had due to his outrageous conduct at Sagerie; that he had therefore suggested to His Highness whether it would not be better that he himself should go speak to Her Highness, as if without my and his prior knowledge, which the prince had fully approved. That he, having thereupon gone to Her Highness, had presented to her the running rumors and how extraordinary difficulties were to be expected therefrom, and that she would therefore do well to inform herself accurately about the state of affairs, as well as to apply all serviceable means to put an end to the evil doings of Aroe Pantjana before the Governor together with the king of Boni should take a step for the preservation of Tanette, which might be as little agreeable to her as to Aroe Pantjana, and he had therefore come to advise her that she should summon him hither as soon as possible, in order to be able to inform the king of Boni himself how matters actually stood. 55. 533. From Makassar, the 21st of June, Anno 1775. She promises to follow his advice, and the order given by Boni's king is withdrawn. Thursday the 22nd. A certain intention withdrawn. That the princess, very upset about this, having thanked him for his advice, had not only promised to follow it, but also immediately had a letter written to Aroe Pantjana and had him summoned. Upon all of which, I, having told the Captain that he had done well, ordered him to inform himself further, as much as ever possible, about the consequences of all this. I sent the aforementioned Captain once more to the king of Boni to communicate that I would have a pantjallang and a paduakang made ready to depart for Bouton with all possible speed, but also to submit to His Highness that giving orders to his people in the interior to hold themselves in readiness was for the present unnecessary, or at least premature, and would only cause much rumor, and it would therefore, in my judgment, be better to wait with that until such time as one should have obtained further news of the state of affairs on Woena. To which the prince, in accordance with the Captain's report, had replied that it was well, and that he would withdraw the order already given to that end to the Tomilalang, at the same time transmitting to me a draft letter to the king of Bouton, with the request to review it and

Dutch transcription

Van Macasser Den 8:' Junij 175. derwaarts te versenden keurtomijn voornee„ men goed sonder belofte vaartuijgen doen ge„ reedmaken, en om vaartuijgen sk een van Comp:s Tatjallangs nevens een Paduakang na Bouton kwam te depecheeren, om welcken gevalle, ik versogt dat zijn Hoogheijd een of twee bekwaame sendelin„ gen met Een brief wilde meede geeven, waar op den Capitain omij tot rapport bragt den vorst de boodschapt aangehoord hebbende, den Tomilalang hadde laaten bij zig roeppen den welcken op de gedaane vrage of hij ook iets van deese zaak hadde vernomen, Ja. g'antwoord hadde, met bij voeging dat hem gezegt waare hoe de wadjo„ reesen bereets klaarigheijd maakten om met Een groot getal vaartuijgen de Boutonse baaij, te bezetten ten eijnde de koning te beletten, om na woena over te steeken of ten ominste zijn volk bij 't uijtloopen 't attacqueeren; Dat zijn Hoogheijd hier op hadde gediend; dat mijne propositie volkomen mnaar zijn zin was, en hij dierhalven twee sendelingen zoude meede zenden: met Een briev aan den koning van Bouton, En voorts aan alle zijne onderhoorige in de binnen landen, doen bevee„ len om niet alleen op hunne hoede te zijn, teegen d'onder„ „neemingen der wadjoreesen maar ook aan die geene welke op woena woonagtig waaren, om de koning van Bouton des nodig, te hulpe te komen, Op welke rapport ik aanstonds lastgaf om de Pantjallang de oppas in gereedheijd te brengen en aan de oppertoek om teegens een Cevilien tprijs een paduakang te huuren, terwijl ik de ordinaire Zendeling 53. 531: Van Maccasser den 8:' Iunij 175: kennis van zeekere Pantjang en Arou„ zendeling Daing Mandjareki benoemde om daar meede te verstrecken. De Capitain der maleijers conform 't versoek van d wonsdag den 21=e den koning van bonij, op gisteren aan den zelven gedaan, zig deesen morgen bij zijn Hoogheijd begeeven hebbende, bragt mij op den middag tot rapport. Hoe hem door dien vorst verhaald owas, dat aroe Bonijs vorst geeft Pantjana de vrouw van Aroe Lipoecassie na zig questi tusschen trou„ genomen hadde, en op Tanette ook aanhiel d eenige Lipdecassie, speel Jongens en meijden van Aroe Branti, broeder van den Adatouang van Sedeenring dat de koninginne van Tanette daar over aangesprooken het laatste ontkend, en ten opsigte van het ander gezegt hadde, dat Aroe Pantjana gem: vrouw aan Aroe Lipoecassie zelfs zoude zenden dat zyn Hoogheijd die vorst in daar over, wel wilde onderhouden, dog dat hij vreesende dat zulx te vergeefs zouden zijn, gaar„ ne zoude zien, dat het zelve door mij wierd gedaan vermits hij andersints bedugt was, dat den poenlipoe E: van soping en anderen ligtelijk door het gem: ge„ drag van Aroe Pantjana zoude kunnen worden aangezet om Tanette 't beoorlogen, Dat hij Capitain na op t vorsten vraage of mij het gezegde al reede bekend mogte weesen te hebben gediend: dat de Koninginne omij daar van ten minste zijnes weetens geen Communicatie hadde gegeeven Van Maccasser den 8:' Junij 1775. gegeeven, zijn Hoogheijt hadde voorgehouden, hoe haar hoog„ heijd ongetwijffeld naar mijn zeggen, ook niet willen huijs„ teren maar Aroe Pantjana, zoude tragten te ver„ schoonen gelijk veelmaals gebleeken was, en nog Iongst hoe veel moeijelijkheeden ik gehad hadde, door zijn buijten spoorig gedrag op Sagerie gehouden, dat hij dierhalven zijn hoogheijd hadde voorgesteld, of het niet beter zoude weesen dat hij haar Hoogheijd zelfs, en als waare het buijten omijne en zijne voorkennisse eensging spreeken het geen den vorst volkomen hadde g'approbeerd: Dat hij zig daar op, bij haar Hoogheijd begeeven hebbende, haar hadde voorgehouden de Loopend ge„ rugten en hoe daar uijt ongemeene swaarigheeden te verwagten stonden en zij dierhalven wel zoude doen zig na den toestand der zaaken naauwkeurig te infor„ meeren, mitsgaders alle dienstige middelen aan te wenden om de quaade gedoentens van Aroe Pan„ tjana te sluijten, eer den gouverneur nevens de koning van Bonij en stap kwamen te doen, tot behoud van Tanette, die mogelijk haar so min als Aroe Pantjana aangenaam zoude weesen, en hij dierhalven gekomen was, om haar te raaden: dat zij, hem, tog ten spoedigsten herwaarts mogte ontbieden, ten eijnde den koning van Bony zelfs te kunnen bedeelen, hoe het eijgentlyk met de zaaken gelegen was, Dat 55. 533 Van Maccasser den 21. Junij A„o 175: zij belooft desselvs raad na te koomen en gegeeven last van Bonijs koning in„ Dat de vorsten daar over, seer ontsteld, hem voor zyne raad bedankt hebbende, niet alleen hadde toegezegt deselve te zullen opvolgen maar ook ten eersten een brief aan Aroe Pantjana doen schrijven en den zelven hadde laaten roopen Op alle het welke, ik den Capitain gezegt hebbende dat hij wel gedaan hadde, gelaste ik hem om zig na de gevolgen van het een en ander zo veel immer mogelijk verder te informeeren. zond ik den opgemelde Capitain andermaal naar den Donderdag den 22. ' koning van Bonij ter Communicatie dat ik een pantjallang zeeker voorneemen en een Paduakang zoude doen gereed maaken, om ten getrocken, allerspoedigsten na Bouton te vertrecken dog om zyn Hoogheijd teffens voor te houden, dat het geeven van ordres aan de zijne in de binnen Landen, om zig gereed te houden voor als nog onnodig of ten minsten te vroeg waare, en zulks maar veel gerugter zoude maaken, en het dierhalven mijnes oordeels beter zoude weesen daar meede te wagten, tot tijd een wijlen, omen van de toestand der zaaken op woena nader tijding zoude erlangd hebben, op 't welk den vorst, Conform der capi„ tains rapport, g'antwoord hadde, dat het wel was, en hij de ten dien Eijnde reets gegeeven ordre, aan den Tomilalang weeder zoude intrecken, mij te gelijk doende toekomen, een concesot briefje aan den koning van Bouton, met versoek het selve te resumeeren en g k

NL-HaNA_1.04.02_3445_0586 view scan ↗

English

From Macasser, 8 June 1775, and to make such changes therein as I might judge necessary and useful. Furthermore, the Captain of the Malays informed me how the former Pongouwa of Siang had come up to his place, and had requested him to propose to me that, in view of the expedition to be made to Bouton, I might also send him thither, and make a proposal to that effect to the King, in order to restore him to His Highness's favor through that means. Whereupon I let him know in answer that, since the sending of two vessels to Bouton was not taking place for war, it would cause very much rumor if he departed as well, and I therefore could not consent to his request, but that I still admonished him to keep quiet until the condition of the times would provide a better opportunity for him. Friday the 23rd: I sent the Captain of the Malays again to the King of Bonij to deliver the draft of the letter to the King of Bouton, and to request His Highness to send it off in that manner, and further that his envoys might prepare themselves at the latest by the end of this month to be able to depart, both of which the prince promised me. Saturday the 24th to Tuesday the 27th: Nothing occurred. Wednesday the 28th: I sent the ordinary envoy, Daeeng Mandjareekie, to the King of Bonij, to make known that the vessels destined for Bouton were lying ready to sail, and to request that His Highness's envoys might therefore be dispatched as soon as possible, but at the same time be ordered to come to me, in order to give them, together with the said Daing Mandjareki, the necessary instructions; to which he brought me in answer that His Highness would order them to do so. Thursday the 29th: Nothing occurred. Friday the 30th: The envoys of the court of Bonij, Soero Pajacko and Lasola, appeared before me today before noon with a request for my orders regarding their commission to Bouton. Thus I instructed them, as well as the Company's envoy Daeeng Mandjareki, besides that which is contained regarding them in the instructions for the commander of the Pantjallang D'oppas, Jan Draijer, to confer with the King of Bouton about the affairs of Woena, and to persuade him of the good intentions of the Company and Bonij for the Bouton realm, and, if it met with his approval, to cross over to Woena to notify the Regent or the petty king there that the Company and Bonij, having received news of the taking up of arms against Bouton's prince, had therefore been sent to inquire after the cause of their discontent and to advise them amicably to lay them down, with the promise that one would then seek to satisfy them; but if they were unwilling to listen to this, they should know that the Company and Bonij, having taken the said realm and thus also the King under their protection, would not only assist both with force of arms, but would also punish all rebels in the severest manner. Saturday the 31st to Monday the 2nd January: Nothing occurred. Tuesday the 3rd: The King of Soa let me know that he had appointed the person of Carree Iappe, whom his envoy brought along, as interpreter, with the request that he might be recognized as such and consequently admitted in ordinary matters, which was also granted. Wednesday the 4th: Nothing occurred. Thursday the 5th: The King of Bonij having requested access for himself together with the Young King and all the Grandees of the Realm to pay the customary compliment at the entrance of the New Year, I accordingly granted the same for next Wednesday the 11th of this month in the Company's garden. Friday the 6th to Tuesday the 10th: Nothing occurred. Today, being the appointed day to entertain the court of Bonij at a meal with the customary ceremonial, the King sent to request me to excuse him, as he found himself unwell and was apprehensive that the bleak weather would be harmful to him, which was answered with a fitting compliment. Whereupon the Young King appeared along with the Tomilalang and virtually all the other Grandees of the Realm present here, who, after offering the usual compliments, which were answered by me in fitting terms, were entertained with all friendliness, so that they returned home well satisfied in the afternoon at five o'clock. I endeavored to engage in conversation with the Young King, but without any result, as it seems that he as yet possesses no or very little ability to speak about any matters of importance. Thursday the 12th: The farmer of strong liquors having come to complain to me that the King of Goa had caused one of his vessels, sent out for sagoweer, to be detained in the Goasa River, I immediately sent the envoy Niga thither to give notice thereof to that prince and to submit to him that I could not imagine that, if the farmer's assertion [illegible]

Dutch transcription

Van Macasser Den 8:' Iunij 1775, de Geweesen Bonijs om hem na Bouton te zenden. hem afgeweezen met een recommandatie „kogt om zijn sendeling Cheeren, en daar inne zoodanige veranderingen te maeken als ik nodig en dienstig omogte oordeelen, voorts berichte mij den meerm Capitains hoe den Longauwa versoekt geweesen Pongouwa van Siang opgekomen, in stelte bij hem geweest was, en verzogt hadde, om aan mij, voor te dragen dat ik mits de te doene expeditie naar Bouton, hem meede derwaarts zenden, en daar toe bij den koning een voorslag doen wilde, ten Eijnde hem, door dien weg weder in zijn Hoogheijd gratie te brengen, waar op ik den zel„ ven in antwoord liet weeten, dat de verzending van twee vaartuijgen na Bouton niet geschiedende om 't oorloogen, het zeer veel gerugt zoude baaren, wanneer hij meede ver„ trok en ik dus in zijn instantie niet konde bewilligen dog dat ik, hem, als nog vermaande zig maar stil te houden, tot dat de gesteldheijd van tijden een beter geleegentheijd voor hem aan de hand zoude geeven, Vrijdag den 23: zond ik den Capitain der maleijers weder naar den en 'tonijskoning ver„ koning van Bonij ter overhandiging van het Concept na bouton te depe „ van den Brief aan den koning van Bouton en om zijn hoogheijd te versoeken dezelve zodanig afte zen den en voorts dat zijne zendelingen zig uijtterlijk tee„ gen cultimo deezer mogte gereedmaken om te kunnen vertrekken welk een en ander den vorst mij liet toezeggen Zaturdag den 24 tob 170 veel niets voor Dingsdag „ 27:' Woonsdag, 28 hebbe ik den ordinair sendeling, Daeeng Mandjareekie 57. 535 Van Macasser den 8:' Junij 1775, haar de nodige Last gegeeven en gedepecheert Mandjarekie, naar den koning van Bonij gezonden, ter bekendmaeking dat de vaartuijgen na Bonton gedestineerd, zeijlvaardig lagen en te versoeken dat zijn Hoogheijds zendelingen dierhalven ten spoe„ digsten mogten gedepecheerd, dog teffens gelaest worden, om bij omij aan te komen, ten eijnde haar neevens gemelde daing Mandjareki, de noodige inmandatis te geeven: waar op deese, mij, ten andwoord bragt, dat zijn hoogheijds haar zulks zoude beveelen Niets Gepasseerd Donderdag den 29: De zendelingen van het hof van Bonij Soero Pajacko Vrijdag „ 30 en Lasola heden voor de middag bij mij verscheenen met versoek om mijne ordres omtrend hunne Commissie naar Bouton, zo hebbe ik haar zoo wel als sComp:s sende„ ling Daeeng mandjareki, behalven het geene ten haaren opzigte bij d' Jnstructie voor den gezaghebber van de Pantjallang D'oppas Jan Draijer, is vervat, nog gelast om met den koning van Bouton te raad„ pleegen over de zaaken van woena, en hem te over reden van de goede intentie van de Comp: en Bonij voor 't Boutons rijk, mitsgaders sulks met zijn goedge„ vonden weesende, na Woena over te steeken, den Regent of het koningje aldaar aan te zeggen dat de Comp:s en Bonij Tijding gekreegen hebbende, van het gevatten der wapenen teegens Boutons vorst, zij dierhalven gezonden waaren, om zeggen naal Van Macasser, den 8:' Iunij 1775, Maandag den 2: Janurij Zaturdag den 31: tot naar d'oorsaake van hun misnoegen te verneemen en hun in der minne aan te raaden, deselve neder te leggen met belofte dat men als dan haar genoegen zoude tragten te geeven, dog dat zij daar na niet wil„ lende luijsteren, weeten moesten dat de Compagnie en Bonij het gemelde rijk en dus ook den koning in bescherming genoomen hebbende, deeen en andere met kragt van wapenen niet alleen zoude bijstaan maar ook alle weder spannelingen op 't strengste kastijden niets voorgevallen. Dingsdag den 3: Liet de koning van Soa omij weeten dat hij de persoon van Carree Iappe, den welken zijne zendeling meede bragt, tot tolk hadde aangesteld, met versoek dat den selven als zoodanig erkend en over sulx in de gewoone zaaken geadmitteerd mogte worden 't welk ook toege„ zegt hebbende Donderdag „ 5: de koning van Bonij voor zig zelven nevens den Iong koning en de gesamentlijke Rijksgrooten, acces hebben de Laaten vragen, ter aflegging van het gebruijkelijk Compliment, met den intreede van het nieuwe Jaar, zo hebbe ik het selve geaccordeerd teegens aan„ staande woensdag den 11:' deeser in sComp:s thuijn. woensdag den 4: veel niets voor Vrijdag den 6: tot vermits Gepasseerd Dingsdag „ 10=e Heeden ƒ 537 Van Maccasser den 8:' Iunij 175. de Jongkoning be„ schafeeven doleantie bij goas koning over 't aan„ houden van een vaar„ Heden de bestemde dag zijnde, om het hofd van Bonij onder het gebruijkelijk Ceremonieel ter maaltijd te onthaalen, zo liet den koning mij versoeken, om hem te verschoonen also hij zig onpasselijk bevonden bedugt was; dat het guure weder hem nadeelig zoude zijn, 't geen met een gepaste Complement beantwoord wierd waar na den Jong koning nevens den Tomilalang en genogsaem alle de andere, zig hier bevinden de Ryksgrooten verscheenen, die na aflegging van de gewoone Complementen, welke door mij in gepaste termen, wier„ den beantwoord, met alle vriendelijkheeden zijn gere„ galeerd, des zi des namiddags ten vijf uuren, wel vergenoegd na huijs keerden, Hebbende ik mij met den Iong koning wel in dissours tragten in te laeten, maar zonder Eenige vrugt, wijl 't schijnt dat den zelven voor als nog geen of nog weijnig vermogens bezit om over Eenige zaaken van belang te spreeken, De Pagter van de sterke dranken mij zijnde Donderdag den 12: komen klagtig vallen, dat de koning van Goa een zijne vaartuijgen om saguireer uijt gezonden tuijg„ in de Goasa revier zoude hebben doen aanhouden zoo zond ik opstonds den zendeling Niga derwaerts om dien vorst daar van kennisse te geeven, en voor te houden dat ik niet denken konde, dat zo spagters voorgeeven aan ijden toege de

NL-HaNA_1.04.02_3445_0590 view scan ↗

English

From Makassar the 8th of June 1775, that the prince's excuse in this regard might be the truth, that such had occurred with His Highness's prior knowledge, much less by his order; I therefore expected that the said vessel would be released immediately: with further orders, however, that in case said His Highness showed himself unwilling thereto or should advance any pretexts, to then firmly represent to him that his refusal might very easily have such consequences as would be entirely disagreeable to him. Before the emissary returned, I was informed by the farmer that his vessel had already been released, while the first-mentioned, upon his return, reported to me that the prince, upon receiving my message, had given orders thereto, but testified to having had no other intention with its detention than to dispose the farmer to come to him in person, as custom dictated; namely, that the person who rents the lease comes to give notice thereof to His Highness, which had been done by the farmer as little as paying the customary equivalent to the amount of 10 Spanish rix-dollars, the contrary of which the farmer maintained, but that the prince had sent that amount back to him with a message that fifteen Spanish rix-dollars were due to him; whereupon I ordered him to proceed tomorrow or the day after with one of the emissaries to the king and offer him the equivalent again, with an explicit prohibition, however, against giving him anything more in money than 10 Spanish rix-dollars, however much he might urge it, leaving it to him, however, to add a trifle of a small gift. Friday the 13th. The chief interpreter Brugman, having proceeded this forenoon at the request and with my prior knowledge to the King of Boni, who, according to his report upon return, had requested him to investigate a certain dispute between Company's and His Highness's subjects, or rather between a certain Poeana Tjinrana and the glarang of Tankoeroe over various paddy fields in the marossa villages Lemo Lemo and Bonto Manaij and to help decide the same, I ordered that servant to accommodate the prince in this case. Saturday the 14th. In the afternoon the aforementioned chief interpreter came to report to me that the above-mentioned investigation had taken place and the matter had been settled, and that to each of the two parties had been assigned that which was found to belong to them, except for six fields which were left under Poeana Tjinrana until after the harvest time, since his people had already worked and planted them. Sunday the 15th. Nothing occurred. Monday the 16th. The Young King, together with the Regent and other present dignitaries of Tambora, having appeared before me this forenoon after having previously requested access, testified that they had come merely to congratulate me on the arrival of this New Year (or, in their expression, on the ending of the first month), which I answered with an appropriate compliment; while, upon their further intimation that they intended to undertake the return journey shortly, I promised them to give along a letter to the Bima Commandant, and that I would accordingly expect them subsequently to take their leave as soon as they might be ready. Furthermore, the Queen of Tello sent to inquire after my well-being. Tuesday the 17th. Nothing occurred. Wednesday the 18th. Thursday the 19th. On the occasion of the Regent and the other present dignitaries of Tambora appearing before me again this forenoon together with the Young King, I held before them in earnest terms how they could not be unaware of the manifold revolutions which this realm had undergone in recent years and what detrimental consequences they had had; so much so that in case no care was taken for the preservation of internal peace and the restoration of decayed affairs, a total ruin must be anticipated; that I therefore expected of them, and at the same time came to admonish them, to labor harmoniously with one another and to do everything to prevent that calamity and to train their present king to assume the administration in due time with likelihood of a happy success, and in particular to work against all unlawful intrigues to oust him from the throne, adding that, should such happen against my wish, whoever might attempt to make himself master of the throne would completely fail to achieve his objective. For which admonition they testified to their obligation and gratitude with a promise to fulfill the same; whereupon, handing over a letter to the Commandant Lecerf, I wished them a prosperous journey, and they took leave and departed. Friday the 20th to Wednesday the 25th. Nothing particular occurred.

Dutch transcription

Van Maccasser den 8:' Iunij 1775, dat gelangeert word s vorsten excus dier„ weegen voorgeeven de waarheid mogte weesen, zulks met zyn Hoogheijts, voorweeten, veel min op zyn ordre geschied waare, ik dierhalven verwagten wilde, dat het gemelde vaartuijg ten eersten gelargeerd wierd: met verdere last nogthans om ingevalle ged: zijn Hoogheijd zig daar toe onwillig toenen of Eenige pretexten mogte komen voor te wenden hem als dan cordaat voor te houden dat zijne weijgering wel tigt zoodanige gevolgen konde hebben, die hem gantsch niet aangenaam zoude weesen voor dat den zendeling te rug kwam, wierd mij door den pagter berigt gegeeven, dat zijn vaartuijg reets gelargeerd was, terwijl den eerst gemelde mij bij zijn retour reverteerde, dat den vorst op het ontfangen van mijne boodschap daar toe last gegeeven, dog betuijgd hadde geen andere intentie met dies aanhouding te hebben bedoeld dan om den pagter te disponee„ ren, zels bij hem te komen, zo als 't gebruijk meede bragt, namentlijk dat de geene die de pagt muijnd daar van aan zijn Hoogheijd komt kennisse gee„ ven, 't geen door den pagter zo min gedaan was als het gebruijkelijk aquivalent betaalt, ten emporte van 10: rd:s spaans, welker Contrarie den pagter be„ weerder, dog dat den vorst, hem, dat bedraagen weeder hadde te rug gezonden met een boodschap dat hem vyjfthien 61: 539 Van Macasser den 8 Iunij 175. soek na zeeker geschil aan den oppertolk vijfthien rijxd:s sp:s competeerde waar op ik hem gelas„ te om zig morgen of overmorgen met een der sendelingen bij den koning te vervoegen en hem het aquivalent, weder aan te bieden, met uijt druckelik verbod nog„ thans, om hem iets in gelde meer te geeven dan 10: sp„s hoe zeer den selven daar op mogte urgeeren Laatende het nogthans aan hem, om daar bij een bagatel van een geschenkje te geeven, D' oppertolk Brugman zig op versoek en met vrijdag den 13 mijne voorkennisse deesen voormiddag bij den koning hem versogte onder„ van Bonij vervoegd hebbende, die hem volgens zyn over padij velder, rapport bij retour hadde versogt ondersoek te doen na zeekere geschil tusschen s Comp:s en zijn Hoogheits onderdaanen, of wel tusschen eenen Poeana Tjinrana en de glarang van Tankoeroe over diverse Padij vel„ den in de marossa negorijen Lemo Lemo in bonto Manaij en het selve te helpen decideeren, soo hebbe opgedraagen, ik dien bediende gelast den vorst in dit geval, te wille te weesen, Des namiddag kwam den opgem: oppertolk Zaturdag den 14' mij berichten, dat het boovengemelde ondersoek voort, en door hen besluijt gang genoomen, en de zaak zijn beslag erlangd hadde mitsgaders aan ieder der beide parthijen toegeweesen was, het geen bevonden waare: hun te behooren excepto van ses velden die tot na de vertiening tyd onder Poeana Tjinrana waaren gelaaten, vermits de zyne deselve de d 2 hem Van Macasser, den 8:' Iunij 175; visite van den Iong koning van Tambora Woensdag „ 18 Donderdag „ 19 de Tamboreese gezan„ ten onderhouden over deselve alreede bewerkt en beplant hadden, zondag den 15: veel niets voor Maandag „ 16 de Iong koning nevens den regent en verdere aanweesende rijksgrooten van Tambora deese voormiddag na voor af, verzogt acces, bij mij verschee„ nen weesende, zoo betuijgden zij Enkel gekomen te zijn om mij met den intreede van dit nieuwe Iaar /:of wel na haare uijtdrucking met het eijndigen van de Eerster maand:/ te vergelucking het welk met een gepast Complement beantwoord hebbe, ter„ wijl ik op haare verdere te kennen gave: van voor„ neemen te zijn eerlange de te rug reijse te ondernee„ men, haar toezeijde een brief aan den Bimas Commandant te zullen meede geeven en ik haar dien volgende nader ter erlanging van afscheijd verwag„ ten zouden, zo dra zij gereed mogten zijn voorts liet de koninginne van Tello na mijne welstand verneemen, Dingsdag den 17: veel niets voor Ter gelegentheyd dat deese voormiddag andermaal nevens de Iongkoning bij mij verscheen, den Regent de toeskand van het rijk en de verdere aanweesende rijksgrooten van Tambora hield ik deselve in ernstige termen voor, hoe haar niet onbewust konde weesen de meenigvuldige omwentelingen, welken dit rijk inkorte Iaaren hadde vlingelandt 63„ 541 Van Macasser den 8. Iunij A:o 175. sen de te betragten. mitsgaders gede„ hadde ondergaan en van wat nadeelige deselve gevolgen geweest waaren; dermaaten dat ingevalle er voor de Conservatie van de inwendige ruste en herstelling van de vervallene zaaken geen zorg gedra„ gen wierde, een totacte auine moeste worden te gemoet gezien. dat ik dierhalven van haar verwag ven haar enstig, ver„ ten wilde, en haar teffens kwam te vermaanen een dragtig met anderen te orbeiden en alles aan te wenden om dat onheijl te verhoeden en hunnen tegenwoordigen koning op te leijden om het bestier in der tijd te aanvaardigen, met apparentie van een geluckig succes en in het bijsonder te werken tigen alle ong'oorloofde onderkruijpingen om den zelven uijt den zetel te bonsen, onder bijvoeging: dat zulks tegen mijnen wensch geschiedende den geene welke zeg van den troon mogte tragten meester te maaken, gantschelijk zijn oogmerk met bereijken zoude voor welke vermaaning zij hunne verpligting en dankbaarheijd betuijgden met belofte deselve te pecheert, zullen nakomen, waar na ik haar onder overgave van Een briev aan den Commandant Lecer f een voorspoedige reijse wenschte en zij afscheyd naamen en vertrocken, is Niets Sonderlings gepasseerd Vrijdag den 20: tot woenddag „ 25:_ Liet e al a e

NL-HaNA_1.04.02_3445_0594 view scan ↗

English

From Maccasser, 8 June 1775. Thursday 26. The King of Goa had access requested with me for himself and his grandees of the realm to pay the customary New Year's compliment, which I granted for Tuesday the 31st of this month. Friday 27 to Monday 30: Nothing occurred. Tuesday 31: I entertained the King and grandees of Goa at the Company's garden for the midday meal with the customary solemnities, after reciprocal compliments had been paid upon their arrival, whereafter they took their leave and departed at half past three with expressions of satisfaction. Wednesday 1 to Monday 16 February: Nothing occurred worthy of noting herein. Tuesday 17: The King of Goa having had access requested with me for the second Shahbandar, I granted the same for the day after tomorrow, before noon; while I instructed the chief interpreter who brought the prince's messenger to me to make inquiries, if possible, into the purpose, who reported to me in the afternoon to have learned that His Highness would have me requested to collate the contracts, which was principally to be done regarding the 11th article of that of Bongaya, speaking of the levying of tolls. Wednesday 18: Nothing occurred. 61 543 From Macasser, 8 June 1775. Thursday 19: The second Shahbandar of Goa, pursuant to the access granted the day before yesterday, appeared before me this morning, and a request having been made by him on behalf of his master to collate the Bongaya Contract, which His Highness had in hand, against the original resting with me, for reasons, as he alleged, that the King would not willingly transgress against its contents through ignorance, I asked him whether perchance the copy in their possession might be corrupt and miswritten, and whether such might be the cause of his request; but he declared not to know this, only that the collation had formerly taken place, though had not been done for many years; whereupon I said to him that it would then be best to have all the contracts re-examined against the originals, and that in case His Highness wished to send the same with one or two of his grandees of the realm into the Castle, I would then also appoint a commission for that purpose; however, after the departure of the Lord Governor of Ambon, Van Pleuren, as I currently still had my hands too full; but he further gave to understand that His Highness's intention was that the original contract might be given to him, the Shahbandar, which I refused, pointing out to him 67 545 From Maccasser, 8 June 1775. pointing out that such was against all custom with us, besides that the same was bound along with others in a book that never left the Castle, which he said he would report to the King, subsequently taking his leave. Friday 10: Saturday 11: Nothing occurred. Sunday 12: The Maros resident Van Rossum having lodged a complaint with me against Craeeng Katena, on account of his having, without his prior knowledge, not only dismissed one of the lesser chiefs and appointed a half-Tanette man named Toeana Lolo in his place, but had also assigned to him certain 31 pieces of paddy fields, which the latter had claimed were derived from his mother (who had been a Company subject), under the condition nevertheless that he should continue to perform court service for the Company, but that this man, very far from fulfilling that condition, let alone contenting himself with the said 31 fields, had moreover taken 56 other fields away from the subjects, against which doings Craeeng Katena (now realizing his mistake too late) fruitlessly opposed himself, since Toeana Lolo refused to restore the aforesaid fields, appealing to Aroe Pantjana, who was allegedly the witness of the surrender 67 545 From Macasser, 8 June 1775. of the same to him, but which prince had pleaded ignorance of this and merely declared that notice had been given to him as such by Toeana Lolo; and orders having been requested of me by the said resident regarding this, as to what to do in this matter, I immediately sent the chief interpreter Brugman to the Queen of Tanette, to earnestly request Her Highness, while clearly setting forth both the case and the exceeding by Craijeeng Katena of his power, which does not permit him to alienate a single field of the Company or its people, to give orders for the restitution of the aforesaid, and in particular to forbid Aroe Pantjana from meddling any further with this affair other than ensuring that her order were obeyed. Whereupon Brugman returned, reporting to me that the said Queen had declared having no grandees of the realm with her at present to be sent to Segeri, but had immediately had a letter drawn up in his presence, whereby Aroe Pantjana was ordered to ensure the restitution; that she had further expressed that Toeana Lolo was a rogue who had already been guilty of offenses on several occasions, for which reason she did not want to maintain him, but that what had happened was to be blamed on no one other than Craijeeng Katena, while he, Brugman,

Dutch transcription

Van Maccasser Den 8:' Iunij 175, vraagd acces voor de Sabandhaar Donderdag den 26. Liet den koning van Ioa voor hem en zyjne rijkes grooten de koninge rijks grooten aces bij mij vragen ter aflegging van het gewoone van goa„ nieuw Jaars Complement, het geen geaccordeerd hebbe tegen Dingsdag den 31: deeser ovrijdag den 27: tot is niets gepasseerd Maandag „ 30: Dingsdag „ 31: hebbe ik den koning en rijksgrooten van Ioa, onder ter maatijd onthaald de gebruijkelijk solemniteijten in sComp:s thuijn ter middagmaal onthaald, na dat bij derselver komste der wederzijas Complementen owaaren afgelegd, waar na deselve onder blijken van genoegen ten half vier uuren afscheijd naamen en vertrocken, Woensdag den 1:' tot is niet voorgevallen waardig om in deesen te noteeren, Maandag, 16. febru. Dingsdag „ 7: Dekoning van Ioa voor den tweeden Siabandhaar dekoning van Goas acces bij omij hebbende laaten vraagen, zoo hebbe ik het zelve g'accordeerd tegen overmorgen voor de middag terwijl ik den opperholk die s vorsten zendeling bij mij kragt, last gaf, om zig des mogelijk te infor„ meeren naar 't oogmerk, den welk mij des nademid„ dags rapporteerde te hebben vernomen, dat zijn hoog„ heijd omij soude laaten versoeken, om de contracten te Confronteeren en het welk principaal te doen waere om het 11: artikul van dat van Bongaij, spreekende van het heffen der tollen woensdag den 8 Niets gepasseerd, 61 543 Van Macasser Den 8 Iunij 1715. die bij mij komt met verzoek om de Contract „vrage, De tweede Sjabandhaar van Goa ingevolge het geaccor, Donderdag den 9: deerde acces op eergisteren, deesen voor de middag bij omij 1 verscheenen en door denselven uijt naam van zijn meester, ten te Confronteeren versoek gedaan weesende, om het Bongaijs Contract, dat zijn Hoogheijts in handen hadde, tegen het origineel onder mij berustende te Collationeeren, om reedenen zo hij voor gaf, den koning niet gaarne door onkun„ de tegens den inhoud van het selve mogte pecceeren, mijn quatie gedane zo vroeg ik hem, of somwijlen het onder haar berus„ ten de afschrift g'infecteerd en verschreeven mitsgaders zulks de oorsaake van zijn versoek mogte zijn! dog hij betuijgde zulks niet te weeten maar wel dat de en zijn antwoord follatie ond tijds meede plaats hadde gehad, dog in veele Iaaren niet geschied was; waar op ik den selven toevoegde: dat het dan best zoude weesen, om alle de Contracten, op nieuw te laaten oversien, tegen de origi„ neelen en dat ingevalle zijn hoogheijd deselve met een of twee zijner Rijksgrooten in 't Casteel wilde zenden, ik daar toe ook als dan een Commissie benoemen zoude; egter na het vertrek, van den heer Ambons gouverneur van Fleuven, alzo ik thans de handen nog te vol hadde: dog den selven gaf nader te kennen: dat zijn Hoogheijts intentie was om het origineele Contract aan hem Sjabandhaer mogte werden meede gegeeven, dat ik afsloeg hem voorhoujdensde ten te 2 .1„ Van Maccasser Den 8: Iunij 1775 klagte over kraijeeng afgeven van Padij belden aan Tanetteree„ sen, voorhoudende dat sulks tegens alle gebruijk bij ons was, behalven dat het zelve nevens andere in een boek gebonden waare, 't welk nimmer uijt 't Casteel kwam 't geen hij zeijde den koning te zullen rapporteeren neemende vervolgens afscheijd, Vrijdag den 10:' Cveel niets voor„ Zaturdag „ 11: zondag „ 12: de Maros resident van Rossum, bij mij klagtig ge„ vallen zijnde, over Craeeng katena, ter zaake den katene wegens het selven, buijten zijne voorkennisse een der mindere hoofden niet alleen afgezet, en een halve Tanetterees met naame Soeana Lolo in zijne plaats aan„ gesteld, maar aan den selven ook toegeweesen hadde zeekere 31: stuks padij velden, die deesen beweerd had„ de, dat, van zijne moeder :/ die Een sComp:s onderdaan was geweest, /:afkomstig waaren, onder voorwaarde nogthans dat hij bij de Compagnie zoude blijven hof dienst doen, dog dat deese wel verre, van die voor„ waarde na te komen, veel om in zig met de gedag„ te 31: velden te vergenoegen, nog daar en boven 56: andere velden van de onderdaanen hadde afgenoomen, tegens welke gedoentens Craeeng katena /:zijn misslag thans te laat ontwaar wordende:) zig vrugteloos kwam aan te kanten, vermits Toeana Lolo de meerm:de velden weijgerde te restitueeren zig beroepen de op Aroe Pantjana, die als getuijge van d' afstand denselve „ 67. 545 Van Macasser Den 8: Junij 1775 van Sanette terug g' eijscht zij belooft daar toe derselver aan hem zoude weesen, dog welken prins daar van ignorantie gepretendeerd en enkel betuijgd hadde, dat hem daar van als zoodanige door Poeana Lolo waare kennisse gegeeven en hier omtrend door gem: resi„ dent aan mij om ordre gevraagd weesende, wat in deesen te doen. zo hebbe ik den oppertolk Brugman deselve bij de koningin, aanstonds na de koningin van Tanette gezonden, om haar Hoogheijd onder Duijdelijke voorhouding zo van het geval als het overschreeden door kraijeeng katena van zijne magt die hem niet toelaat een eenig veld van de Comp: of de haaren te vervreemden, ernstig te ver„ soeken om ordre te stellen tot de terug gave van de voorsz en in 't bijsonder Aroe Pantjana 't interdi„ ceeren om zig met dat historiaal verder te bemoeijen dan te bezorgen, dat haaren last nagekomen wierde Waar op Brugman te rug kwam, mij berichten dat gem: vorst in betuijgd hadde, thans geen rijksgroo„ ordre te stellen ten bij zig te hebben, om na Sagerij gezonden te worden maar daadelijk een briev in zijn teegenwoordigheijd had„ de doen vervaardigen, waar bij Aroe Pantjana gelast wierd;, de restitutie te bezorgen; dat zij verder zig hadde uijtgelaaten, dat Poeana Lolo een deug niet was, die zig al verscheijden reijsen aan misdrijf hadde schuldig gemaakt, weshalven zij, den zelven niet mamtinee„ ren wilde, dog dat het gepasseerde aan niemand dan aan Craijeeng katena te wijten was, terwijl hij Brugman dere Een

NL-HaNA_1.04.02_3445_0598 view scan ↗

English

From Macassar, the 8th of July 1775, which an emissary of Her Highness brought along, with the said letter, which I ordered to be delivered as soon as possible to Aroe Pantjana and to notify him that I would expect the execution of the order contained therein without any delay or excuses. Monday the 13th: The king of Goa sent to request of me to take a walk in the Chinese Street tomorrow afternoon, which I granted. Tuesday the 14th to Saturday the 18th: Nothing remarkable occurred. Sunday the 19th: A subject of the queen of Tanette having accidentally fallen into my hands yesterday afternoon, who had been stolen by one of his companions and, having been sold, had escaped, I sent him back this morning to Her Highness, along with the provisional under-interpreter De Graaff, who upon return brought me the prince's compliment of gratitude. Monday the 20th: The emissaries mentioned under the 12th of this month, dispatched with a letter from the queen of Tanette to Aroe Pantjana, and having returned this morning, reported that that Prince had told them he had learned from Toeanna Lolo or Tokanroe that the 31 known fields had been allocated to him by Craaeng Cattene as an inheritance from his mother's side, who was said to have been a Company subject, and that the remaining 56 pieces had been pledged by the subjects to the Tanetterese. Thus, owing to the inadequacy of this answer, I sent the chief interpreter Brugman once again to Her Highness with the request to dispatch one of her people together with one of the Company's emissaries to Aroe Pantjana, and not only to instruct him not to meddle with that affair, but also to order immediately her subjects, as well as Toeana Lolo, to surrender again all the fields in question, or else I would have to employ means to compel them to do so under threat; to which Brugman brought me the answer that the queen had promised to send along the brother of her Captain, Dain Maziki, with the Company's emissary for the aforementioned purpose, adding that Her Highness intended to depart for Pantjana herself shortly, but could not yet determine the time, as it was unknown whether the king of Boni would permit her to go. Tuesday the 21st: I sent the Company's emissary Nega to the queen of Tanette and had Her Highness requested to pay me a visit before undertaking the journey to Tanette, as I needed to speak with her regarding several matters; but she let me know in reply that she had changed her mind and therefore would not depart; and furthermore said once again that she would send the brother of her Captain down to Aroe Pantjana by the day after tomorrow with a letter, and give orders to restore the contested fields, and that Her Highness would ask for an audience with me after the emissary's return. The king of Goa, while inquiring after my health, sent to request permission to take a walk in the Chinese Street tomorrow alongside his consort and the queen of Tello, which I granted. Wednesday the 22nd: Nothing occurred, except that late in the evening I received a report that the king of Goa, or at least one of the vessels with which he and his company had come hither, had sailed past the Castle on the return trip without striking the pennant from the top according to custom; wherefore on Thursday the 23rd: I sent the under-interpreter Blij directly to His Highness to complain about this and demand reasons for that conduct, as well as to inform him at the same time that he had narrowly escaped being greeted with a cannonball, but that in the trust that this had happened by mistake, I had prevented it, though nevertheless for the future I expected that the customary honors would be paid, or otherwise I would be compelled to maintain the Company's respect in a manner that would be disagreeable to His Highness; to which message Blij brought me the answer that the king had said that possibly no proper report of the incident had been given to me, since he, alongside others who had been with him in the vessel, could testify in good conscience

Dutch transcription

Macasser den 8e: Julij 1775, Van cordteert in de onegorij een onderdaan van Ta„ nette aan de koning in gezonden, de padij velden door Craeeng andermaal te rug gevordert, een sendeling van haar Hoogheijd meede bragt, met den ged: briev welke ik gelast deselve ten spoedigsten aan Aroe Pantjana 't overhandigen en den selven aan te zeggen: dat ik de uijtvoering van het bevel daar bij vervat sonder eenig dilaij of uijtvlugten verwagten zoude, Maandag den 13: Liet den koning ovan Soa mij versoeken om morgen mid„ aan goas koing g'a„ dag een wandeling in de Chineese Straat te doen 't welk te gaan, geaccordeerd hebbe. Dingsdag den 14. tot is niets merkwaardige gepasseerd, Zaturdag „ 18: „ 19: Mij gisteren namiddag toevallig in handen gevallen zondag zijnde, een onderdaan van de koninginne van Tanette die door een zyner maats gestolen en zo als hy verkogt was, ontvlugt is, sond ik den zelven deesen morgen aan haar Hoogheijd te rug, met den provisioneel ondertolk De Graaff, welke mij bij retour 'svorstens Complement van dankbaarheid bragt, Maandag den 20. de zendelingen vermeld onder den 12: deeser, met een briev van de koninginne van Tanette aan Aroe Pantjana vattene weg geven afgevaardigd, en desen morgen gereverteerd, tot berigt gebragt hebbende, dat dien Prins hun gezegt hadde van Ioeanna Lolo. of Tokanroe, te hebben vernomen dat hem de 31: bewuste velden door caareng Cattene waaren toegeweesen, als een eijgendom van zijn moeders zijde, die een sComp:s onderdaane zoude zijn geweest, en dat de overige 56: stuks door d'onderdaanen aan de Janes tereeken ƒ 11 69 547 Van Maccasser den 8: Iunij 1775, Tanels koningen doet „ te wiselen verstrecken vissiert, „reijse te zullen staken de restitutie van de Tanettereesen waaren verpand zo zond ik mits de onvol„ doendheijd van dit antwoord den oppertolk Brugman andermaal aan haar Hoogheijd met versoek om een van de haare met een van 'sComp:s zendelingen aan Aroe Pantjana af te vaardigen en den zelven niet alleen te doen aanzeggen, om zig met dat historiaal niet te bemoeijen maar ook haare onderdaanen, soo wel als Toeana Lolo daadelijk te ordonneeren, alle de velden in questi weeder over te geeven, of dat ik andersints mied„ onder bedreijging delen in het werk zoude moeten stellen, om de een en ander daar toe te noodsaeken, waar op Baugman mij tot antwoord bragt, dat de ko„ ninginne toegesegt hadde, de broeder van haaren Capitain nader toezeging Dain Maziki met Comp:s zendeling ten Eijnde voorsz meede te geeven, met bij voeging, dat haar Hoogheijd van intentie was eerlange zelfs na Pantjana te vertrec, en zegt na pantjanna ken dog de tijd nog niet bepaalen konde als onbewist of de kkoning van Bonij haar wel zoude laeten gaen Hebbe ik sComp:s zendeling Nega naar de Dingsdag den 21: koninginne van Tanette gezonden en Haar dog haar bij mij g'in„ Hoogheijd laeten versoeken, om alvoorens zij de reijse naar Tanette, kwam te onderneemen mij een visite te geeven, vermits ik haar over eenige zaaken Liet zweeten haare diende te spreeken, dog z' liet omij in antwoord weeten dat z' van voorneemen veranderd was, en dus niet vertrec„ ken zoude; en wijders nogmaals zeggen, dat zij de broeder on belooft andermael van haaren Capitain teegen over morgen met een brief velden, aan en a k en e de Van Maccasser den 8: Iunij 1775, steert in de negoreij te kennen goas koning passeert het lijk salut doleantie en bedreijging daar over„ en zijn Excus aan Aroe Pantjana na beneden zenden zoude en ordre stellen, om de quaestieuse velden te restitueeren mitsgaders dat haar hoogheijd na des sendelings te rug komst acces bij mij zoude laaten vraagen, Goas koning gepermit„ Liet de koning van Ioa onder in formatie na mijne welstand permissie versoeken om morgen nevens zijn gemalin en de koningin van Tello een wandeling in de Chineese straat te mogen doen, 't geen ik geaccordeerd hebbe, woensdag den 22: is niets gepasseerd, dan dat ik laat in den avond berigt ontving, dat de koning van Ioa of ten minste een der casteel sonder behoor„ vaartuijgen waar meede hij nevens zijn gezelschap herwaerts gekomen is in het te rug keeren, voor bij het Casteel geschept was, zonder de wimpel van de Top na het gebruijk te strijken weshalven ik op Donderdag „ 23: den ondertolk Blij direct bij zijn Hoogheijd gezonden hebbe om daar over te doleeren en reedenen van dat gedoente „af te vorderen, mitsgaders den zelven teffens te kennen te geeven dat het maar weijnig gescheeld hadde, of hij wae„ „re met Een Cannon koegel begroet, dog dat ik in vertrouwen dat zulks door een abuijs zoude zijn geschied, het zelve belet hadde, maar nogthans voor den aanstaande verwagten wilde, dat het gewoone honeur zoude worden gegeeven, of andersints genoodsaakt zoude zijn, s Comp:s respect op een wijse te maintineeren, die voor zijn Hoogheijd onaan„ genaame zoude weesen, op welke boodschap Blij, omij tot antwoord bragt, dat den koning gezegt hadde; dat mij mogelijk geen behoorlijk be„ rigt van het geval was gegeeven, vermits hij nevens anderen die met hem in't vaartuijg waaren geweest, in gemoede getuijgen A

NL-HaNA_1.04.02_3445_0601 view scan ↗

English

From Macasser, the 8th of June, 1775. could testify that the pennant had indeed been struck when passing the Castle, but could not be hauled completely down due to the entanglement of the halyards, and that His Highness had therefore requested an excuse on that account. Nevertheless, Blij added that the prince, having asked him when this law had come into force, and upon his replying that he did not know the exact time, but that striking had been customary of old, had subsequently said that in the time of Governor Sinkelaar a piece of cannon had even stood on the beach, to which he had been answered that I might easily do the same should it happen again that the colors were not struck. Friday the 24th: nothing occurred. Saturday the 25th: Upon the request made to that end, I granted access to two authorized grandees of the realm from the court of Goa to compare, on the coming Monday in the Castle, the copies of the contracts against the originals concluded with that realm. Sunday the 26th: nothing occurred. Monday the 27th: The second Shahbandar of Goa, alongside the Gallarrang Tjamba and a scribe, appeared before me this forenoon with a copy of the Treaty of Bongaja, the only one they testified they wished to compare. So I referred them to the Castle, where I had convened the committee and assigned the collation to Secretary Kraane and First Sworn Clerk Breemer, alongside the interpreter Blij and the Captain of the Malays. From Macasser, the 8th of June, 1775. Whereupon the collation was completed, and after a report had been made to me both by the mentioned Secretary Kraane and First Clerk Bremer, and by the Goanese deputies, the latter requested a new copy in Dutch and Malay, which I promised to have provided. Tuesday the 28th: nothing occurred. Wednesday the 1st of March: [illegible] Thursday the 2nd: The envoy dispatched on the 22nd ultimo by the Queen of Tanette, along with three persons also sent by me to Pantjana and Sagerij, having returned this morning, brought me word that the disputed paddy fields had been returned, or at least that the necessary orders for this had been given by Aroe Pantjana, as he testified that he himself had not been to Sagerij due to a certain accident that had befallen Aroe Lipoe Kassie during his presence at Pantjana. The latter, having departed with his wife and son, as well as Craeeng Limbang Parang, for the island of Panekiang, and returning from there, was overturned with the vessel, whereby the son and wife, along with five others, were drowned, though he himself and also Craeeng Limbang Parang were fortunately saved. And in order to give immediate notice of this event to the Queen of Tanette, Aroe Pantjana had ordered him to turn his bow directly hither. Through the same person, I had the Queen of Tanette thanked for the communicated surrender of the fields, and expressed my sympathy to Her Highness over the misfortune that had occurred. After this, I had the provisional assistant interpreter De Graaff inquire after the health of the King of Bonij, and received the reply that His Highness, being indisposed, felt weak, and had already had to keep to his room for six days. Friday the 3rd: nothing occurred. Saturday the 4th: Having sent the aforementioned provisional assistant interpreter De Graaf to the King of Bonij to ask after His Highness's well-being, he brought me word that the prince had testified to being still in the same condition. Sunday the 5th: The King of Bonij having asked through a message to be allowed to speak with the License Master Voll, and having sent the latter, alongside the Captain of the Malays, to His Highness, they brought me their report in the evening: How His Highness had testified to having invited Voll to him because he felt very weak, and that, having therefore to think of his end, he wished to make further dispositions regarding his estate; but, unable to rest assured that his wishes would be honored by the people of Boni, even though the succession to the throne had now been provided for, he requested the assistance of the Company, in whom he had always placed his trust, to the end that his children and

Dutch transcription

# 549 Van Macasser Den 8:' Iunij Ao 1775 acces verleend aan door de macassaren tegen het origineel getuijgen konden, dat de wimpel bij't passeeren van het Cas„ teel wel gestreeken was, dog niet geheel om laag hadde kun„ nen gehaald worden, door het waaren, van de valen dat syn Hoogheyd dierhalven, dierweegens excus versogt hadde Nogthans voegde Blij er bij dat den vorst hem gevraagd, mitsgaders nadere hebbende, wanneer die wet in train was geraakt: op zijne te uijtlating kennen gave: van den precisen tyd niet te weeten, maar wel dat het strijken van ouds gebruijkelijk was geweest, vervolgens gezegt hadde, dat er ten tijde van den Heer Gouverneur Sinkelaar selfs aanstrand een stuk Canon hadde gestaan, waar op den hem was gerepliceerd, dat ik zulks ook Ligt zoude kunnen doen, wanneer het nogmaals gebeuren mogte, dat 'er niet gestreeken wierd, veel niets voor vrijdag den 24: Hebbe ik op het te dien eijnde gedaane versoek acces zaturdag „ 25: geaccordeerd aan twee gecommitteerde Rijksgrooten van het hof van Goa om tegen aanstaande maandag gecommitteerdens van Goa. in het Casteel de afschriften der Contracten te Confronteeren teegen de origineele met dat Rijk aangegaan, is niets Gepasseerd zondag den 26: De tweede Sjabandhaar van Goa nevens den Maandag „ 27: Glarrang Tjamba en een schrijver deezen voor de middag bij mij verscheenen met een afschrift van Bongaijs Contract het Bongaijsch Contract het eenigste dat zij betuijgden gaarne te willen Confronteeren zo hebbe ik volbragt, haar naar het Casteel gerenvoijeerd, alwaar ik de Commissie belegt en aan den Secretaris Kraane en eerste Gezewboren Clerk Breemer nevens de tolk Blij en Capitain der maleijers op gedragen hadde decollatie van het waar 5 ats t z n waer dr de n Van Macasser den 8: Iunij 1775. 2 verzoeken een nieuw afschrift Donderdag de velden over Craeeng res, gegeeven geresti„ Waar op de Collatie volbragt en mij zoo door gem: Secretaris Kraane, en Eerste tClerk Bremer, als door de Foase Gecommitteerden rapport gedaan zijnde, verzog„ ten de Laastgem: om een nieuw afschrift in het neder„ duijtsch en Maleijts dat door mij wierd toegezegt, te zul„ len doen bezorgen, Dingsdag den 28 is niets voorgevallen Woensdag „1=te Maart „ 2: Dezendeling door de koninginne van Tanette op den 22: passato, nevens drie door mij meede gegeevene kattene aan de tanette persoonen na Pantjana en Sagerij afgevaardigd, dee„ sen morgen gereverteerd zijnde, bracht mij bericht, dat de questieuse padij velden waaren te rug gegeeven, ten min„ ste dat daar toe door Aroe Pantjana de nodige ordre was gesteld also hij betuijgde zelfs op Sagerij niet te zijn geweest, ter oorsaake van zeeker ongeluk Aroe Lipoe kassie bij zijn aanweezen te Pantjana overgekomen, die nevens zijn vrouw en zoon mitsga„ ders Craeeng Limbang Parang na het Eijland Panekiang vertrocken, en van daar te rug keerende met het vaartuijg ongeslagen was, waar door de zoon en vrouw nevens nog vijf ande„ ren verdronken, dog hij zelfs en zoo meede raeeng Limbang Parang nog geluckig gereed waaren en om van welk geval ten Eersten aan de koninginne van Tanette kennisse te geeven Aroe Pantjana hem gelast hadde direct den steven na herwaarts te wenden, Kliet de Koninginne van Sanette door de zelven voor tueert, 13. 551 Van Maccasser den 8: Junij 1775 bedanken en wel nader disponeeren met den Licentmeester voll, voor de gecommuniceerde overgave der velden bedanken, de koninginne laten en haar Hoogheijd mijn Leedweesen betuijgen over het gebeurde ontgeluk Hier na hebbe ik door den provisioneel ondertolk ziekte van de koning de Graaff na de Gezondheid van den koning van Bonij van Bonij laaten verneemen, en tot bescheijd gekreegen dat zijn Hoogheijd onpasselijk weesende zig swak bevond, mitsgaders reets Ses dagen zijn kamer hadden moeten houden is niets voorgevallen Vrijdag Den 3: Opgemelde provisioneel ondertoek de Graaf bij den Zaturdag „ 4: koning van Bonij gezonden hebbende, om na zyn nader berigt dierweegens Hoogheijts welstand te vragen, zo bragt den zelven mij bericht dat den vorst betuygd hadde, nog in deselve toestand te zijn, De koning van Bonij mij hebbende laaten ver„zondag den 5: soeken om met den Licentmeester voll eens te mogen spreeken en deesse neevens den Capitain der maleijers bij zijn Hoogheyd gezonden hebbende zo bragten zij mij des avonds tot rapport, Hoe zijn Hoogheijd betuygd hadde, hem voll hij geveld zig swaeken te hebben laaten bij zig vragen uijt hoofde hij zig zeer swak gevoelde, en dat hij dierhalven om zyn einde moetende denken, nog wel wenschte nader te disponeeren, over zijne nalatenschap, dog dat hij sig niet kunnende gerusten, dat zijne begeerte door de over zijne bezittinge Boniers zoude worden gestand gedaan, of schoon er in de troons successive thans voorsien was, daar toe zijn gesprek dier weegens de adjude van de Comp:s versogte, op wien hij altoos zijn vertrouwen hadde gesteld, ten eijnde zijne kinderen en s

NL-HaNA_1.04.02_3445_0604 view scan ↗

English

From Macassar, the 8th of June, Anno 1759. he promised his closer relatives and grandchildren could retain or obtain what he had bequeathed or would bequeath to them. The Licentmeester, having served in response to that, stating how His Highness could rest fully assured in the Company, insofar as Their Excellencies would look after and protect his people, he would therefore do well to make a further disposition as soon as possible, in order to be reviewed by me. The prince had thereupon asked whether his previous will, made in Anno 1759, was not deposited with the Company, whereto Voll replied: yes; but that His Highness held the original in his own hands, and would thus find it among his papers, though I would otherwise undoubtedly provide him with a copy. That His Highness had said hereupon that he would look for it and let me have an answer as soon as possible, ordering Voll and the Captain Malay to submit his aforesaid request to me, which they promised to do. Furthermore, they reported to me that the prince seemed very weak, but otherwise still looked reasonably well. Monday the 6th: The King of Boni is still in the same state. Upon inquiry made into the health of the King of Boni by the provisional assistant interpreter De Graaff, I received report that His Highness was still in such condition as the Licentmeester Voll had seen him yesterday. The Captain Malay, having further departed thither upon His Highness's request with my prior knowledge, reported to me that the prince had told him that he had found his will, and that he would send me his further disposition within a few days for review. Hereafter, from the northern province Segeri, two of the three emissaries who had departed thither on the 22nd past with those of this Queen of Tanette returned, likewise reporting to me that the disputed 87 paddy fields had been returned to the subjects, and that their maker Nao had remained there in accordance with my order, to ensure that the same were ploughed and that they might not be disturbed anew by the Tanettees. Tuesday the 7th: Goa's prince requests further a copy of the Bongaais Contract. The King of Goa having further requested from me a Dutch and Malay copy of the Bongaais Contract, I let His Highness know that due to the illness of the head interpreter it had not yet been possible to prepare it, but that I would have it delivered in the next few days. Wednesday the 8th: Boni's King finds himself very weak. Having again made inquiry after the health of the King of Boni through the provisional assistant interpreter De Graaff, His Highness let me know that he was still in the same condition and very weak. Informing of the receipt of a letter for him from Batavia, requests delay until its collection. Furthermore, towards noon, I gave notice to His Highness of the receipt of the letter addressed to him, brought yesterday with the ship Leijerdorp and opened this morning among these papers, and asked at the same time when he would have it collected, whereupon he requested a few days' postponement from me, in order to be able to gather the people required for the ceremonial reception. Thursday the 9th: Demands further delay and asks after its contents. The King of Boni, having requested further postponement for the aforesaid reasons for collecting the letter from Their High Excellencies, had me asked at the same time about its contents, and specifically whether it was severe, or not! Whereupon I let him know in reply that the former was not fully known to me, but that I felt assured that there would be nothing in it about which His Highness needed to be concerned, all the more so since Their High Excellencies were never accustomed to write to him in harsh terms, as he knew from experience, and that Their High Excellencies aimed at nothing other than cultivating the friendship between the Company and the realm of Boni, and promoting the prosperity of the one no less than the other. Hereafter, the King of Goa had inquiry made after my well-being, and at the same time requested that his interpreters might go for the same purpose to the Senior Merchant and second-in-command, the Honorable Reijke, who arrived yesterday, which I granted. Friday the 10th until Sunday the 12th: Nothing happened. Monday the 13th: Boni's King remains weak. Having made inquiry after the health of the King of Boni through the assistant interpreter Blij, I received report that His Highness was feeling a little better, but was very weak and afflicted with heart palpitations and tightness of the chest. Admonition regarding the state debt. Furthermore, I had ordered Blij to go to the Chancellor to admonish that minister in the most earnest manner to settle the state debt, but his answer contained nothing other than

Dutch transcription

Van Maccasser den 8: Iuerir A:o 175 hij belooft zijn nader en kinds kinderen behouden of verkrijgen konden, het geen hij haar hadde vermaakt of zoude vermaaken dat den Licentmeester daar op hebbende gediend hoe zijn Hoog„ heijd zig ten vollen op de Comp:s kunnende gerusten, in zoo verre haar Edele de zijnen zoude tragten en beschermen, hy dierhalven wel zoude doen om ten eersten een nader dispo„ sitie te maaken, ten eijnde door mij geresumeerd te worden den vorst daar op gevraagd hadde of zijn voorig testament in Ao 1759. gemaakt niet bij de Comp:e beruste, waar op door =voll geantwoord was, van Ja: dog dat zijn Hoogheid daar van het origineel inhanden hadde, en het dus onder zijn papieren wel zoude vinden, dog dat ik hem andersints ongetwijfffeld wel een afschrift zoude bezorgen Dat zijn Hoogheijds hier opgezegd hadde er na te zullen zien en mij na ten spoedigsten antwoord te laaten ge„ worden, met last aan hem voll, en Capitain Ma„ leijer om zijn voorsz: versoek bij omij voor te dragen 't geen zij hadden toegezegt, voorts berigten dezelve mij dat den vorst zeer swak scheen, dog 'er andersints nog tamelijk wel uijtzag Maandag den 6: Bij gedaane in formatie naar de gezondheijd van den de koning van BonConing van Bonij door den provisioneel ondertoek is nog in deselve toe, De Graaff, kreeg ik bericht dat zijn hoogheijd zig nog zoodanig bevond, als den Licentmeester voll hem gisteren hadden Gezien De Capilain maleijer voorts op zijn Hoogheijts versoek met mijne voorkennisse meede derwaarts vertrocken wee„ sende, zoo rapporteerde mij denzelven dat den vorst testament te zenden hem 1. stand, 75. 553. Van Macasser Den 8 Iunij 175. door de Tanmettere„ 11 versoeken om afschrift Bonijs Koning bevind zig zeer zwak, van de ontfangsteener missive voor hem van Batavia laten kennisse versoekt uijtstel tot dies afhaal, hem Gezegt hadde, zijn testament te hebben gevonden en dat hij mij zyne nadere dispositie binnen weijnige dagen ter Resumtie zoude laaten toekoomen, Hier na reverteerde van de noorder Provintie de bewuste padij velden Sagerij, twee van de drie sendelingen met die van desen aan d' onderdaan Koninginne van Tanette op den 22: passato der te rug gegeeven, waarts vertrocken mij insgelijks berichtende dat de questieuse 87: padij velden aan de aan d'onderdae„ nen waaren te rug gegeeven, en dat hunnen mae„ ker Nao, Conform mijne ordre aldaar verbleeven was, om te zorgen dat deselve beploeg d wierden en zij niet door de Sanettereesen, op nieuw mogten worden ontrust, de koning van Goa mij nader hebbende laaten ver„Dingsdag den 7:' soeken om een nederduijtsch en Maleijts afschrift van goas vorst laat nader„ het Bongaijs Contract liet ik zijn Hoogheijd weeten dat van't Bongaijs Contract, het niets de ziekte van den oppertoek nog niet in gereed„ heijd hadde kunnen worden gebragt dog dat ik het eerst„ daags zoude doen bezorgen, Alweeder hebbende laaten verneemen na de gezond„ Woensdag den 8. heyd van den koning van Bonij door den p:l ondertolk De Graaff, zoo liet zijn Hoogheijt mij weeten dat hij zig nog in deselve toestand en zeer zwak bevond, Voorts liet ik zijn Hoogheyd tegen de middag kennisse geeven van de ontvangst der opgisteren met het schip Leijerdorp aangebragte en bij de deesen morgen geopende geeven, papieren ontfangene briev, aan hem gerigt en teffens vra„ gen wanneer hij dezelve zoude laaten afhaalen waar op hij mij eenige dagen uijtstel verzogt om het volk, tot de cere„ monieele ontfangst benodigd bij elkanderen te kunnen vorga„ deren, het dat gen voll st Van Maccasser den 8: Iunij Ano 175. aanmaning om de rijks Schuld, Donderdag den 9 Dekoning van Bonij om reedenen voorsz: nader uijtstel heb„ en laat vragen nadies bende doen verzoeken tot het afhaalen van den briev Haarer Hoog Edelheedens liet hij mij teffens vragen, na dies inhoud en wel of deselve ook scherp was, dan niet! waar op ik hem in antwoord weeten Liet, dat het eerste mij niet volkomen bekend was, dog dat ik mij verzeekerd hield, dat daar in niets zou„ de staan, waar over zijn Hoogheijd zig behoefde te bekomme„ ren, te meer Haar Hoog Edelheedens nimmer gewoon waa„ ren hem in bitse termen te schrijven, zo als hij zelfs bij onder„ vinding wiste en dat Hoog deselve niets anders waaren betragtende, dan om de vriendschap tusschen de Comp:s en het bonijs rijk aan te kweeken, en niet minder den wel„ stand van d' Eene als d'andere te bevorderen, Hier na liet de koning van Goa, naar mijne welstand verneemen, en teffens versoeken: dat zijne tolken ten sel„ ven eijnde mogten gaan; bij d'opgisteren gearriveerde opper„ Coopman en secunde den E: Reijke 't welke ik g'accor„ deerd hebbe, Vrijdag den 10: tot Niets Gepasseerd, Zondag „ 12: Maandag „ 13: Door den ondertolk Blij na de gezondheyd van den Bonijs koning blijft koning van Bonij hebbende laaten vraagen ontfing ik tot rapport dat zijn Hoogheijd zig een weijnig beeter bevond, dog zeer swak en behebt was met hart klopping en benauwdheijd op de borst, Voorts hadde ik blij gelast bij den Rijksbestierder te gaan om dien menisters op de aller ernstigste wijse aan te maanen tot voldoening van de rijks„ schuld dog zijn antwoord behelsde niets anders nog swak volgens inhoud

NL-HaNA_1.04.02_3445_0607 view scan ↗

English

From Makassar, the 8th of June, anno 1775. State of Boni. Gowa to him for copies of the Bongaaijs Contract. Troubles in Bankala, according to the report then: what can I do alone? I shall not fail at the first opportunity to have the grandees of the realm assemble together, present the message to them, and make the resolution known to the Governor. Tuesday the 14th: Nothing happened. Wednesday the 15th. Thursday the 16th. The Third Interpreter De Graaf, having been sent to the King of Boni to inquire after His Highness's health, brought me report that the Prince had declared that he was not worse, though he felt exceptionally tight in the chest. Adding further that he had learned that the Administrator of the Realm had been to His Highness to ask pardon for the former Pongauwa, but that the King had become very angry about this, and his chest tightness had worsened as a result. Pardon asked for the former Pongauwa. Friday the 17th. I sent the ordinary messenger Niga to the King of Gowa to deliver a copy of the Bongaaijs Contract in Dutch and Malay, and at the same time to inquire after the Prince's health, as well as that of the Queen of Tello. Which servant brought me word that Their Highnesses were well, and the first-named had him thank me. Sent to Gowa. Furthermore, the Sub-interpreter Brugman reported to me to have learned: That disputes had arisen on Bankala between the Craeeng and one of the Princes, Daijeeng Matiro, who, attempting to set himself up as King and obtain dominion, had hostilely attacked the other with armed men, but with a loss of 15 heads, and after he himself, though slightly wounded in the chest, had to take flight to Leijkang, while the rest of the men were scattered, whereas from the people of the Craijeeng, forty heads had fallen. Saturday the 18th. There arrived here two envoys from Dompo who notified me of their arrival and requested an audience, which I granted for the day after tomorrow. Arrival of envoys from Dompo. Sunday the 19th. Nothing happened. Monday the 20th. There appeared before me the envoys from Dompo, Teneli Dea and Boemie Noeij, who arrived the day before yesterday, handing over to me a letter from the young King and grandees of the realm, which they declared contained their commission. After having sat for a short time and taken an indigenous refreshment, they departed again. Delivered to me the letter brought with them. The King of Boni let me know through his interpreter Moentoe that His Highness was now ready to have the letter received for him from Their Right Noblenesses collected, with the request to be informed of the day when I might desire such, and that I would kindly accommodate the fact that this might not take place with the usual solemnities, as his indisposition did not permit him to leave his room, much less the house. Boni's King will have the letter from Their Right Noblenesses collected. Whereupon I let His Highness know that his indisposition was known to me and he therefore needed to make no excuse, setting the day for the day after tomorrow, to which I received in reply that afternoon that he would then send the grandees of the realm. Tuesday the 21st. Having sent the third interpreter De Graaff to the King of Boni and to the Queen of Tanette to inquire after Their Highnesses' health, he brought me as answer that the first-named had declared he felt unusually weak, but owing to the affairs with which he was occupied he would try to keep moving, and the Queen had said she had contracted a fever some days ago, but was now somewhat better again. His Highness remains weak as yet. The Queen of Tanette is also indisposed. Wednesday the 22nd. The recently received letter from Their Right Noblenesses addressed to the King of Boni was collected from the Castle under the usual ceremonial, on which occasion Prince Aroe Lonvo communicated to me that His Highness had appointed fellow Prince Aroe Oedjong as second Tamilalang. The letter for the King of Boni collected in state. Thursday the 23rd. The King of Boni sent me the original or Dutch version of the letter mentioned yesterday, with the request to be able to compare it with the Malay copy, which was promised by me. The King requests another Malay translation. Friday the 24th. I was informed by a confidant that the Boni Administrator of the Realm, having agreed with some of the court grandees to ask pardon from the King of Boni for the former Pongauwa Lacasie, had had the imprudence to do so in the presence of Aroe Palacka, which had greatly displeased the Prince and caused him to state with irritation that His Highness's sickly condition was the cause thereof. The Administrator of the Realm asks pardon for the former Pongauwa against the wishes of Aroe Palacca.

Dutch transcription

77. 555. 175 Van Macasser Den 8:' Junij A„o 175. toestand van Bonijs gauwa bij hem om afschriften van het Bongaijs Contract ontlusten op ban„ kala, volgens het rapport dan: wat kan ik alleen doen: ik zal niet manqueeren bij Eerste geleegentheyd de Rijksgrooten bij elkanderen te laaten koomen, haar de boodschap voor houden en het besluijt aan den heer Gouverneur laeten bekend maaken, Dingsdag den 14: veel Niets voor Woensdag „ 15: Dondertoek De Graaf na den koning van Bonij Donderdag „ 16 gezonden om na zijn Hoogheijds welstand te vragen, bragt mij bericht dat den vorst betuijgd hadde, zig wel niet slimmer, dog egter ongemeen benaamwd op de borst te bevinden: er verder bij voegende hoe hij vernomen hadde voor de geweesen Pon„ dat den Rijksbestierder bij zijn hoogheijd was geweest pardon gevraagd„ om pardon te versoeken voor den geweesen Pongauwa, dog dat den zelven daar over zeer moeijelijk zoude zijn geworden en zijne benaauwdheijd hier door was verslim„ Koning Sond ik den ordinairen sendeling Niga na den koning Vrijdag den 17 van Goa ter overhandiging van een afschrift van het Bongaijs Contract in het nederduijtsch en maleijtsch en nagoa gesonden, om 'teffens na s'vorsten welstand en zo meede na die van de Koninginne van Tello te verneemen: welke bediende mij bericht bragt, dat haar hoogheedens zig wel bevonden en den Eerstgemelde mij liet bedanken Voorts Rapporteerende mij den ondertoek Brugman vernomen te hebben. Dat op Bankala oneenigheeden waaren ont„ staan tusschen den Craeeng en een der Princen Daijeeng Matiro, die zig als koning tragtende mert 3 ccor op Van Maccasser Den 8:' Iunij 1775, Bonijs koning sal de briev van haar hoog Edelheedens laten af„ haalen op te werpen en de heer schappije te verkrijgen, den anderen met gewapend volk vijandelijk g'attacqueerd, dog met verlies van 15: koppen en na dat hij selfs, hoe wel ligt in de borst gequest was de vlugt hadde moeten neemen na Leijkang, terwijl het overige volk, was verstrooijt geraakt, waar en tegen van het volk van den Craijeeng met veertig koppen waaren gesnenveld Zaturdag Den 18 Arriveerden alhier twee gesanten van Dompo die mij komst van Tezanten van hun komst deeden kennisse geeven en om acces ver„ van Dompo, zoeken, 't welk teegen overmorgen geaccordeerd hebbe Zondag Den 19 is niets gepasseerd Maandag „ 20: verscheenen bij omij de op eergisteren gearriveerde gezanten van Dompo Teneli Dea en Boemie Noeij mij over„ gaven mij d'aangebrag„ handigende een brief van den Iongen koning en rijksgrooten te briev over dewelke ze betuijgden hunnen last te vervatten, waar na zij nog een weijnig tijds gezeten en een inlands regaaltje gebruijkt hebbende weder vertrocken, ziet de koning van Bonij omij door zijn tolk Moentoe weeten, dat zijn Hoogheijd nu gereed was, om de voor hem ontfangen briev hunner Hoog Edelheedens te laeten afhaalen, met versoek om den dag te moogen weeten, wanneer ik zulx begeeren mogt, en dat ik teffens gunstig wilde inschikken dat zulx niet met de gewoone plegtigheeden kwam te geschieden, alzoo zij indispositie niet permitteerde uijt zijn kamer veel min van het huijs te komen. Waar op ik zijn hoogheijd weeten liet dat mij zijn indispositie bekend was, en hij dierhalven geen excus behoefde te maeken, bepaalende de dag op overmorgen, daar 79 557 Van Macasser den 8.:' Junij A=o 175: nette is meede onpas„ van Bonij in Statie soek pardon voor de Palacca; daar ik des nademiddags weeder ten antwoord op ont„ fing, dat hij als dan de Rijksgrooten zenden zoude, De derde Tolk De Graaff na den koning van Bonij Dingsdag den 21: en nna de koninginne van Tanette gezonden hebbende, om na zijn hoogheijd blijft Haar Hoogheedens welstand te verneemen, zo bragt den zelven als nog zwak, mij tot antwoord dat den Eerstgemelde betuijgd hadde, zig onge„ meen swak te bevinden dog mits de beezigheeden waar meede hij g'occupeerd was zig in beweeging zoude tragten te houden, en de koninginne hadde gezegt voor eenige da„ de koningen van Ta„ gen de koorts gekreegen te hebben, dog thans weder wat selijk, beter te zijn Is den Iongst ontfangen briev Hunner Hoog Edelheedens Woensdag den 22: aan den koning van Bonij gericht onder het gebruijkelijk de briev voor de koning Ceremonieel uijt het Casteel afgehaald bij welke geleegent „af gehaald, heijd den Prins Aroe Lonvo mij Communiceerde dat zijn Hoogheijd den meede Prins Aroe oedjong tot tweede Tamilalang hadde aangesteld, Lond den koning van Bonij omij het origineel of neder„ Donderdag den 23 duijtsch van d'opgisteren vermelde briev met versoek om de koning versoekt een ander maleijts translaat dezelve in't maleytsch afschrift te kunnen Confronteeren, het geene door mij wierd toegezegd wierd mij door een vertrouwde bericht, dat den Bonijs Vrijdag den 24: Rijkbestierder, met Eenige van de hofsgrooten hebbende derijksbestierder ver„ afgesproken, om voor den Pongduwa Lacasie gewese pongauwa bij den koning van Bon pardon te verzoeken de onvoorzig„ tigheyd hadde gehad van zulks te doen in presentie, tegen de zin van Aroe„ van Aroe Palacka, hetgeen den vorst zeer mishaagd en moeijelijk hadde doen weeten: dat zyn Hoogheijds ziekelijke toestand oorsaak daar van waare 2 ten ten na altje 9

NL-HaNA_1.04.02_3445_0610 view scan ↗

English

From Macasser the 8th June 1775. Of the letter sent to the king, His Highness's condition, and of the queen of Tannette, Their High Noblenesses' collection had taken place, and it served the regent to observe a better time. Saturday the 25th: Through the Malay Captain Abdul Cadier, I had the original letter from Their High Noblenesses addressed to His Highness delivered to the king, along with the Malay translation prepared here, for the delivery of which the prince sent me his thanks, requesting at the same time access for commissioners the day after tomorrow to present me the letters for review. Sunday the 26th: I sent the third interpreter De Graaf to inquire after the condition of the king of Boni, who brought me word in reply that His Highness was uncommonly weak, and that a prayer had already been said for him by the priest. I had also ordered him to go for the same purpose to the queen of Tanette, who let me know she was considerably better, though she still suffered from internal fevers. Monday the 27th: There was handed to me, by the prince Aroe Oedjong, recently appointed second Tomilalang, the letter of Their High Noblenesses to the king of Boni, who through him once again requested excuse if any mistake had been made in its collection from the Castle; to which I replied that I had noticed nothing of the kind, and if the customary practices had not quite been fulfilled, I was well assured that this had not happened intentionally, but was to be imputed to the prince's illness. I then asked about His Highness's condition, upon which he declared that he had been ill several times before, but never so severely as now, and that his recovery was therefore already despaired of. Whereupon I took the opportunity, after a preceding congratulation on his appointment as second Tomilalang, to speak to him at length about the confused condition of the realm, especially in the interior lands, and the uncommon division among virtually all the princes of the blood, as well as the detrimental consequences that would inevitably arise from both should it please Heaven to dispose of His Highness's life in these days, to such an extent that the ruin of the realm might even be expected from it, unless the realm's grandees were to join hands together to restore affairs with united forces and through the help of the Company, or indeed to take such a noble disposition as would be judged useful and serviceable to prevent all further calamities; while I further brought to his attention how he ought to be one of the closest to this, and I therefore wished to expect that he, along with all other well-intentioned grandees of Boni, would fix his thoughts and attention upon it. To all of which he simply replied that what I said was true, expressing gratitude for the advice given to him, and making a promise that he would take it to heart. Thereafter, the Captain of the Malays, who in the meantime had gone with my prior knowledge to the king of Boni, came to report to me that His Highness requested to be allowed to speak with the Shahbandar Voll the day after tomorrow, which I immediately granted. The Captain added that he had found the prince uncommonly weak. Tuesday the 28th: The third interpreter De Graaff, sent by me to the king of Boni to inquire after His Highness's condition, brought me the report that the prince had declared himself somewhat better than yesterday, and that he found some relief regarding his breathing. Wednesday the 29th: The License Master Voll, having gone this morning together with the Captain of the Malays to the king of Boni to inquire what might be at his service, came around noon to report: That the prince had declared that he had summoned the License Master to him because he was currently in a very weak condition and placed no trust in anyone outside the Company regarding the care for the welfare of the realm, should Heaven call him away, as well as with respect to his children and grandchildren; in order to request me to care for both according to my ability, just as he and his ancestors had done until now. That the Bonians seemed no longer willing to concern themselves with anything, but left all matters to rest upon him.

Dutch transcription

Van Macasser den 8:' Iunij 175 van de brief aan de koning gezonden hoogheijts toestand, en van de koninginne van Tannette, haar hoog Edelheedens afhaling waare geweest en den rijksbestierder een beter tijd dien de waar te neemen. Zaturdag den 25: Hebb: ik door den capitain Maleijer Abdul het maleijts translaat cadier aan den koning doen overhandigen de origineele brief van haar hoog Edelheedens aan zijn Hoogheyt gericht met het hier vervaardig de maleijts afschrift voor welker bezorging den vorst mij liet bedanken doende teffens acces versoeken tegen overmorgen voor gecom„ mitteerdens, om mij de brieven ter resumtie aan te bieden zondag den 26: zond ik den derde tolk De IraaC om na de dispositie bericht weegens zijn van den koning van Bonij te verneemen, den welken mij tot antwoord bragt, dat zijn Hoogheijd ongemeen swak was, en dat bereeds door de Priester, een gebeed voor hem gedaan was, Ook hadde ik hem gelast ten zelven eijnde te gaan bij de koninginne van Tanette, die mij liet weeten zig merkelijk beter te bevinden dog dat zij nog aan binnen koortsen laboreerde, Maandag den 27: wierd mij door den Iongst tot tweede Tomilalang de koning zende mij benoemden prins Aroe oedjong inhandigd, de brief Hunner Hoog Edelheedens aan den koning van Bonij, den welken daar bij nogmaals excus liet verzoeken, zo'er bij dies afhaaling uijt 't Casteel eenig abuijs mogte zijn Excus over dies weesen begaan, op 't welk door mij geantwoord zijn„ de dat ik daar van mits hadde ontdekt en zo 'er al aan de gebruijkelijkheeden niet mogte weesen voldaan ik wel verzeekerd was, dat zulks niet met op zit geschied: maar aan s' vorsten ziekte t' imputeeren was, zo vroeg brieve # 559 Van Macasser Den 8 Iunij A:o 1775. zijn opkomst, over den toestand van 't rijk onderhouden komen, ik na zijn Hoogheijds dispositie, waar op hij betuijgde dat den selven meermaalen ziek was geweest, dog nimmer zo omen wanhoopt aan swaar als thans en dat 'er dierhalven aan zijn opkomst alreede wierd gewanhoopt, waar uijt ik gelegentheijd onam hem, na een voor afgaen„ de felicitatie, over zijn benoeming tot tweede Tomilalang de tweede tomilalang in't breede te onderhouden over den verwarden toestand van het Rijk, insonderheijd in de binnen Landen en d' ongemeene verdeeldheijd van genoegsaam alle de princen van de bloede, mitsgaders de nadeelige gevolgen, die uijt het een en ander noodwendig zouden onstaan, wan„ neer het den Hemel behoegen mogte, in deese daagen zijn Hoogheijts leven te disponeeren, dermaten dat den ondergang van het rijk daar uijt zelfs zoude dienen te worden verwagt, in gevalle de Rijksgrooten gesament„ lijke de handen niet kwamen in elkander te slaan om met vereende kragten, en door de hulpe van de Compagnie de zaaken te herstellen of wel soodanigen edelmoedige dispositie te neemen als tot voorkoming van alle verdere onheijlen nuttig en dienstig zoude werden onder recommandatie geoordeeld: terwijl ik hem verder onder het oog bragt, hoe hij daar tot eene van de naaste zoude moeten weesen, en ik dierhalven verwagten wilde: dat hij daar op zijne gedagten en attentie nevens alle verdere voor Bonij wel wel geintentioneerde Rijksgrooten vestigen zoude, Op alle 't welke hij eenlijk diende: dat mijn gezegde diehij belooft na te waar was; onder dank betuijging voor de hem gegeeven raad toezegging doende: dat hij dezelve ter herte zoude neemen, Hier 9 0 Van Macasser den 8 Iunij 1775. de koning liet den Sa„ zig vraagen de koning van Bonij beveelt het rijk en zijn kinderen aan de grooten, Dier na kwan den Capitain der maleijers die met band haar voll bij mijne voorkennisse zig intusschen bij den Koning van Bonij hadde begeeven, mij berichten dat zijn Hoogheijd versoeken liet overmorgen met den Sjabandhaar voll eens te moogen spreeken. dat ik aanstonds geaccordeerd hij is chweer Swak hebbe, den Capitain voegde 'er bij dat hij den vorst onge„ meen swak hadde gevonden, Dingsdag den 28 den derden toek De Graaff, door mij na den koning dog wort iets beter van Bonij gezonden om naar zin Hoogheijts diespo„ sitie te verneemen, bragt mij tot rapport dat den vorst betuijgd hadde, zig eenigsints beeter dan op gisteren en wat verligting te bevinden, omtrend de ademhaeling Woens dag den 29: de Licentmeester voll nevens den Capitain der maleijers zig deesen morgen hebbende begeeven, bij den koning van Bonij om te verneemen wat 'er van zijnen dienst mogten zijn, zo kwamen zij teegen den middag rapporteeren, Dat den vorst betuijgd hadde, hem licentmeester bij zig te hebben laaten koomen, ter oorsaake hij zig thans in een zeer swacke toestand bevond en op niemand buyten de Compagnie eenig betrouwen kwam stellen omtrend 6 de behertiging zoo wel van de welstand des rijks in dien den Hemel hem mogte oproepen, als ten op„ zigte zijner kinderen en kinds-kinderen, ten Eijnde mij te versoeken, voor het een en andere na vermogen te zor„ gen, zo als hij even als zijne voorouderen tot nu toe hadden gedaan klaag dover de Rijks„ Dat de Boniers zig nergens meer meede scheenen te willen bemoeijen, omaar alle zaaken op hem Lieten aankomen p Comp:s

NL-HaNA_1.04.02_3445_0613 view scan ↗

English

From Macasser, the 8th of June Anno 1775. The latter, he himself even being blamed for the mistakes that were committed, just as the latest fetching of the letter of their High Noblenesses from the Castle could serve as evidence of the first-mentioned, which had proceeded very confusedly, because neither the Regent nor the Tomilalang and also many others had assisted therein, so that there was virtually no one with whom he could consult, the Regent being devoid of memory and the aforementioned Tomilalang having been completely mad since the arrival of the ship, while he, moreover, subsequently came to experience that those whom he had appointed as guardians over the young king, namely Aroe Ponno and Datoe Baringang, were quite as childish as that prince himself. Meanwhile, with respect to the monarch's remark that the grandees of the realm seemed to concern themselves with nothing anymore, but shifted everything onto him, the Captain of the Malays was able to report to me that this referred to what had occurred at court on the occasion when their High Noblenesses' letter to the king was read. In this manner the former Pongauwa had related to him that, observing that the grandees of the realm had expressed themselves regarding the affairs of Mandhaar to the effect that it now appeared that the Company desired to have satisfaction, and that they, having been well able to think so during the presence of the grandees who had come hither, had also insisted so strongly not to let them depart before they had accepted the satisfaction, but that His Highness, having permitted this against their wishes, they left the matter for his accountability, the more so as it had depended on him alone whether the Mandharese had submitted to his discretion. Furthermore, His Highness had asked how matters now stood with the Bonij debt of the realm, making it known that he could become none the wiser in that regard either from the word of the Regent or from that of the Tomilalang; wherefore the License Master had pointed out to him that nothing of it had yet been paid off, but that the ministers continuously resorted to all sorts of evasions whenever they were addressed by me. Furthermore, upon inquiring what news His Highness might have regarding the state of affairs in the inland regions, in order thus to draw him further into the discourse, nothing was answered by the monarch other than that Aroe Tanette Malolo and his son Aroe Mampoe were there, adding further that he had nothing more to say than the foregoing, and still requested the Company's assistance if he should happen to pass away, placing no trust in anyone. Furthermore, I had the present envoys of Dompo summoned to me through the under-t解读 Blij for tomorrow before noon, or Thursday the 30th, when they also appeared, and they were informed by me that the young king would be confirmed as such as soon as he had crossed over in person to swear to the contracts, which I recommended them to ensure would take place as speedily as possible, as this was in the highest degree serviceable and necessary for the welfare of the realm itself, and, on the contrary, the delay could not be other than disadvantageous, as was observed all too well with respect to other realms on the opposite shore. This they acknowledged, with the added promise to do their best to bring the young king hither as soon as possible. Having further asked them how much sappanwood lay in readiness at Dompo to be loaded into the ship Leijerdorp, they declared that last year about three hundred picols had lain cut, and according to estimate as much had been added since, likewise making a promise that upon their return they would make every possible endeavor to have whatever could be obtained brought into readiness, which I recommended to them, and thus to take care of the settlement of the debt, which still amounted to 1250 picols, adding that I would give them their dispatch shortly. Friday the 31st to Sunday the 2nd of April: Nothing occurred. Monday the 3rd: I dispatched home the envoys of Dompo, last mentioned under the 30th ultimo, with a letter.

Dutch transcription

83. 561 Van Macasser den 8: Iunij A:o 1775: het laaste, aankomen zelfs hem de schuld geevende, van de misslagen dier 'er wierden begaan, gelijk ten blijke van heteerstgemelde konde strecken, de Iongste afhaaling uijt het Casteel van den Briev Haaren hoog Edelheedens het geen zeer verwand was toegegaan, wijl daar bij nog den rijksbestierder nog de Tomilalang en ook veele andere niet geassisteerd hadden invoegen er ook genoegsaam niemand was waar meede hij konde raadpleegen den rijksbestierder memorieloos en de gem: Tomilalang zeedert de komste van het schip gantsch gek weesende, terwijl hij daar en booven van agte„ ren kwam te ondervinden dan dat de geene, die hij, als voogden over den Iongen koning hadde aangesteld de cnoteerende Aroe Ponno en Datoe Baringang ruijm zoo kinderagtig waaren als dien prins zelfs, Ondertusschen wistomij den Capitain der maleijers aanmercking over met betrecking tot s vorsten uijtlaating dat de Rijks„ grooten, zig mnergens meerder meede scheenen te bemoeijen maar alles op hem kwamen te schuijven nog te berigten dat zulks doelde op het gepasseerde ten hove ter geleegent„ heijd dat Haar hoog Edelheedens briev aan den koning was geleesen, invoege den geweesen Pongauwa, hem verhaald hadde gemerkt de Rijksgrooten doenmaals omtrend mand haer omtrend de zaaken van Mandhaar, zig zouden hebben uijtgelaaten dat het onu bleek dat de Compagnie voldoening begeerde te hebben, en dat zij zulks wel heb„ bende kunnen denken bij aanweesen van de herwaarts gekoomene grooten 'er ook zo sterk op hadden gestaan, om deselve niet te laaten vertrecken voor en al eer, Van Maccasser den 8:' Iunij 1775 zijn uijtlaating over de rijks schuld zaken in de binnen Lande zij de voldoening hadden aangenoomen dog dat zyn Hoogheijts zulks tegen hunne zin hebbende toegelaaten zij de zaak om voor zijn verandwoording overlieten, te meer het alleen aan hem gestaan of wel de Mandhareesen zig aan zijn goed duncken onderworpen hadden verder hadde zijn Hoogheijd gevraagd hoe het thans geleegen was, met de Bonijse Rijk schuld onder te kennen gade daar omtrend nog uyt het zeggen van de rijks„ bestierder nog uijt dat van de Tomilalang te kunnen wijs worden weshalven den Licentmeester hem hadde voor gehouden dat 'er nog niets van was afbetaald maar dat de ministers zig bij Continuatie met allerleij uijt„ vlugten kwamen te behelpen wanneer zij door mij wier„ en stilwijgen over de den genaamd: onder afvraage wijders wat tijding zijn Hoogheijd mogte hebben omtrend de toestand der zaa„ ken in de binnen landen, ten eijnde hem dus verder op het discours te brengen, dag op waar op door den vorst niet anders geantwoord was, dan dat Aroe Tanette Malolo, en zijn zoon Aroe Mam„ poe zig aldaar bevonden, voegende 'er wijders bij dat hij niets meerder dan het voorenstaande te zeggen hadde en als nog sComp:s hulpe was ver„ soeken, zo hij omogte komen aflijvig te worden als betijten haar op niemand eenig vertrouwen stellende den gezanten van dompo voorts hebbe ik de aanweesende gezanten van Dompo door den ondertoek Blij, doen bij mij apporincteeren tegen morgen voor de middag of Donderdag den 30: wanneer deselve ook verscheenen in haar door mij weerd vlnean 85. 563 Van Maccasser den 8 Iunij A:o 1775 de bevestiging van den Iongen koming toegezegt onder recommandatie evening van de rijksschuld vrijdag den 31 tot wierd te kennen gegeeven dat den Iongen koning als zoodanig zoude worden bevestigt, zoo dra den selven in persoon zal weezen overgekoomen om de contracten te besweeren, het geen ik haar recommandeerde te bezorgen dat ten allerspoedigsten kwam te geschieden alzo zulks voor den welstand van het Rijk zelfs ten hoogsten dienstig en noodsakelijk en daar en teegen het uijtstel niet dan nadeelig konde weesen gelijk ten opzigte van andere rijken aan d' overwal maar al te wel ontwaard was, 't geen zij advoueerde, onder bij gevoeg„ de belofte om hun best te doen den Iongen koning zoo spoedig mogelijk herwaarts te brengen;— Hun verder gevraagd hebbende: hoe veel Sappanhout hin belofte tot ver„ er te Dompo wel in gereedheijd lag, om in 't schip Leijerdorp te worden afgelaaden, zoo betuijgden z' dat 'er voorleeden Jaar Circa drie honderd picols hadden gekapt geleegen en 'er na Iissing zedert zoo veel zoude weezen by gekomen, almeede toezegging doende om by hun retour alles, mogelijke devoiren te zullen aanwenden om het geene er te krijgen was in gereedheijd te doen brengen het geen ik haar recommandeerde en om dus te zorgen voor de verevening van de schuld nog 1250 picols bedragende met bijvoeging dat ik eerstdaags hun depeche zoude geeven, Niet s voorgevallen Hebbe ik de gezanten van Dompo laasts vermeld Maandag „ 3: sub 30: passato nahuijs gedepecheert, met Een haar gedepecteert, Zondag den 2:' april brief

NL-HaNA_1.04.02_3445_0616 view scan ↗

English

From Macassar, 8 June Anno 1775. Under renewed admonition. A pass to Bima. Poor condition of the King of Boni. The Lomo of Maros deceased. Letter to the king and the grandees of the realm, and a ditto to the Bima Commandant Lecerf, together with recommending to them once more both to bring their monarch hither as soon as possible for the swearing of the contracts, in order to be able to confirm him as such, and to ensure the settlement of the state debt through the delivery of sappanwood; to all of which they declared they would do their best. Furthermore, in conformity with the request made to that end, I granted a pass for a small vessel to Bima to the King of Goa. And subsequently had inquiries made after the health of the King of Boni, through the third interpreter De Graaf, who reported to me that His Highness had declared that he grew weaker from day to day and therefore no longer had any hope of being able to serve the Company any longer, imagining that his end was approaching, with the addition that he had already spoken with the License Master Voll. Tuesday the 4th: nothing of note occurred. Wednesday 5th: Having again made inquiries regarding the disposition of the King of Boni through the third interpreter De Graaf, I received the report that His Highness was indeed not worse than the day before yesterday, but was uncommonly tight in the chest. Further, there appeared before me the governor of the province of Maros, to announce that the Lomo had passed away last Friday, the 31st ultimo, with the request that the deceased's surviving second son might succeed in his father's place, as the eldest was of the mother's share and therefore not eligible for it; whereupon I ordered him to come to me in the next few days together with all the Gallarrangs and to bring the said younger son along, in order to give him a definitive answer. 87. 565. From Macassar, 8 June Anno 1775. The appointment of a successor postponed. Remains weak. Thursday the 6th: The King of Boni. Upon the report received this afternoon that the King of Boni was uncommonly ill, I immediately sent the assistant interpreter De Graaf to inquire after his condition, who reported to me that His Highness had suffered a fainting fit, but had now come to again, yet found himself uncommonly weak, such that he had barely been able to speak. Friday the 7th: Upon request of the chiefs of Maros. Having summoned the present Sulewatang of Maros to appear before me tomorrow before noon, together with all the Gallarrangs of that province, Saturday the 8th: A son of the deceased appointed as Lomo. They having appeared, I appointed the second son of the deceased Lomo to Lomo in his father's place upon their unanimous request, with an earnest recommendation both to all of them and in particular to the Sulewatang to govern the regency with all fidelity during his minority, and likewise to care for his upbringing together with the [illegible] as his guardians. From Macassar, 8 June Anno 1775. Permitted to resist the violence of the Boniers, provided that care is taken for our own people. Is somewhat better. While I, on the one hand and on top of that, upon their complaints about various outrages recently committed again by the well-known ill-disposed Bonese princes Aru Nanka and Daeng Patjalling, gave orders that whenever those fellows or others of their kind might presume to do the same, to admonish and warn them amicably to refrain from committing violence, but if they refused to listen to that, to resist them with force and even trample them down; yet on the other hand to watch carefully that the subjects give no cause for disputes, nor engage themselves too much with the Boniers, whether through marriages, the pawning of rice fields to the same, or otherwise. All of which they promised to fulfill as far as might be possible, at the same time thanking me for the authority to be permitted to defend themselves against the Boniers. Sunday the 9th: The King of Boni. Toward evening I received a report that the Caliph, the high priest of Bontoala etc., while sitting with the King of Boni today before noon, had suffered a seizure, such that he had to be carried home as dead, by which the monarch was uncommonly upset, although he otherwise found himself somewhat better than before, and especially with relief in his breathing. Monday

Dutch transcription

Van Macasser Den 8 Iunij A:o 175 onder nogmalige vermakning een pasna Bima slegte toestand van de koning van Bonij De Lomo van Maros overleeden. briev aan den koning en Rijksgroten, en een dito aan den Bimas Commandant Lecer C, mitsgaders haar nogmaals gerecommandeert om, zo wel hunnen vorst ten spoedigsten. ten b'eediging der contracten herwaarts te brengen, ten Eijnde den selven als zoodanig te kunnen bevestigen als om te zorgen voor de verEevening van de rijksschuld door de Leverantie van Sappanhout, tot al 't welke zij betuijgden hun best te zullen doen, voorts hebbe ik Conform tot daar toe gedaane ver„ aan Poas koning soek een pas voor een kleen vaartuijg na Bima geaccordeerd aan den koning van Ioa, En vervolgens na de welstand van den koning van Bonij doen verneemen, door den deeden tolk De Graaf die mij tot rapport bragt, dat zijn hoogheijd betuijgd hadde, van dag tot dag swacker te werden en hij dus niet langer hoope hadde de compagnie meer te zullen kun„ nen dienen, zig voorstellende dat zijn Eijnde naderen„ de was met bijvoeging dat bereets met den Licent„ meester voll, hadde gesprooken woensdag „ 5: weeder hebbende laaten verneememen na de dispo„ nader berigt dientregesitie van den Koning van Bonij door den Derden toek De Graaf zoo ontfing ik tot bescheijd dat zijn Hoogheijd, zig wel niet erger bevond: als eergis„ teren dog ongemeen benaumwd was, op de borst, voorts verscheen bij mij de steedehouder van de provintie Maros, ter bekendmaking dat den Lomo voorleeden vrijdag, den 31: passato was komen te Dingsdag den 4: veel niet voor overlijden 87. 565 Van Macasser den 8: Iuny anno 1775 blijft Swak en zoon van de over„ leedene tot lomo. aangesteld overlijden, met versoek dat des overleedens nagelaaten Tweede zoon in zijn vaders plaatse mogte succedeeren de benoeming van een alzoo den oudsten van het aandeel van de moeder sucesseur uijtgesteld en daar toe gevolgelijk niet eligibel waare, waar op ik hem aanseijde om eerstdaags nevens de gesament„ lijke Hlarrangs bij mij te koomen in gemelde Jongs„ „te zoon meede te brengen, ten Eijnde hem positie f ant„ woord te geeven op het deesen middag ontfangen bericht dat den Donderdag den 6 Koning van Bonij ongemeen slegt was, sond ik de koning van Bonij aanstonds den ondertolk De Graaf om na desselvs toestand te verneemen die mij tot bericht bragt dat zijn hoogheijt een slaauwtje hadde gehad, dog thans weder bij gekomen was, maar zig ongemeen swak bevond, zoodanig dat nieuwlijks hadde kunnen spreeken, D'aanwesende Soelewattang van Maros vrijdag den 7: tegen morgen voor de middag, bij mij hebbende doen, op versoek der hoofden van maros appoincteeren, en nevens de gezamentlijke Harrangs van die provintie des„ Verscheenen weesende, hebbe ik op hun een paercg Zaturdag den 8 versoek de tweede zoon van den overleeden Lomo in zyn vaders plaatse, tot Lomo aangesteld met een ernstige recommandatie zo aan hun allen als inzonderheijt aan den Soelewattang om geduurende desselvs minderjaerigheijt het regtentschap met alle trouwe te bestieren en zo meede om nevens den fatico/ ester als zijne voogden voor desselvs opvoerig te zorgen Terwijl 1 Van Maccasser den 8. Iunij A„o 175 haar vergund zig tegen te verzetten mits zorge dragende voor de onse is iets beter Terwijl ik d' Een en ander nog en daar en booven op het geweld der bonier hunne klagten over deese en geene brutaliteijten door de bekende kwaad gezende bonijse Princen Aroe Nanka en Daing Patjoeling Iongst weeder geploegd last gaf, om wanneer die knapen of anderen diergelijken tweeder mogten onderstaan, haar in der minne te vermaanen en te waarschuwen zig van het pleegen van geweld te onthouden dog daar na niet luijsteren willende, haar met geweld te keer te gaan, en zelfs onder de voet te stooten dog om de andere zijde zorgvuldige te waaken, dat de onderdaanen geen aanleijding tot oneenigheeden komen te geeven, nog haar met de boniers te veel te engageeren 't zij door huwelijken, het verpanden van paaij velden aan de selve ofte anderzints, Alle het welke zij beloofden te zullen nakomen zo verre zulks maar mogelijk zoude zijn mij voor de qualificatie, om zig teegen de Boniers te moogen defendeeren teffens bedankende, Zondag den 9: ontfing ik teegen den avond bericht dat de calief de koningo van Bonij /:opperpriester:/ van Bontuala cq, heeden voor de middag zittende bij den koning van Bonij een overval hadde gekreegen, zoodanig dat voor dood na huijs hadde moeten worden gedragen, waar door den vorst ongemeen ontsteld was, hoe wel zig anders Eenigesints beter bevond, dan bevoorens en in sonderheijdt verligting in d'adem„ „haaling Maandag

NL-HaNA_1.04.02_3445_0619 view scan ↗

English

89 567 From Makassar, 8 June 175. Monday the 10th. Further news of the state of affairs in the inland of Bone. Advice to the former Pongauwa not to interfere, but to refer the Boniers to me. Upon the inquiry made into the condition of the king of Bone by the third interpreter De Graaf, I received word that his highness was no worse than yesterday. Tuesday the 11th. State of affairs. The License Master Voll came to report to me that the former Pongauwa, having come to him yesterday evening, had made known that he had been requested by several Boniers in the inland to come to them because the violent acts of Daeng Palingorang and other princes of the blood, being all children and grandchildren of the king, went so far that the common people were fleeing by thousands to Wadjo, Soping, and Pagoessie, while the Wadjorese not only granted them stay and designated places for them to settle, but even came to help in erecting houses in order to encourage them to do so, which he had requested not only to report to me, but also to know what he should do in this matter. Whereupon I instructed the License Master, either himself or through a confidant, to tell him that he would do best not to interfere further in these matters other than merely to let those who had requested him know that, being still in disgrace with the king his father, he could not help them, but to advise them to address themselves directly to me and present their grievances, with the further caution that in case he should be reckless enough to go to the inland, everything would be blamed on him, whereby his father's displeasure would undoubtedly increase and the consequences thereof would be extremely dangerous for him. Wednesday the 12th. The illness of the king of Bone decreases. The third interpreter De Graaf, sent by me to inquire after the condition of the king of Bone, brought me a report that his highness had testified to finding himself somewhat better again. Thursday the 13th. Disagreements between Sawitoe, Sedeenring, and Soupa, and of the king's children at the court of Bone; the former Pongauwa to keep out of it and also not to interfere with the affairs in the inland. The former Pongauwa of Bone, having today made a visit with my prior knowledge to the chief interpreter Brugman, had, according to the report made to me thereof, related to him that disagreements had arisen between those of Sawitoe and Sedeenring on the one hand and those of Soupa on the other, on account of a certain murder committed upon a common subject of those of Sawitoe, whose regents, instead of taking proportionate revenge for it, had caused the Soelewattang of Soupa to be killed, wherefore those of Soupa, wishing to take revenge for this, were said to have resolved to attack Sawitoe; of which he, the Pongauwa, had requested to inform me, as well as how it had been reported to him that his brothers at court were now divided into three factions and were at such variance with one another that each was strengthening himself with his followers out of fear of being attacked by the others as soon as the king might pass away, of which: 1. Aroe Ponre sided with the young king. 2. Datoe Baringang with the anrong goeroe of the king's children, Aroe Madjang, and 3. Aroe Amaling with all his brothers of one mother, as well as his brother-in-law Magoesila and Aroe Patjero. That also already five Panghoeloe Djoas or heads of the king's bodyguards had gone to the northern provinces so as not to be forced to choose a faction, who would undoubtedly join him, in which case he had requested to assure me that, far from any intention that could tend to the Company's displeasure, he on the contrary would assist no one other than whoever would be recognized as king by the Company. Friday the 14th. Cause of the dispute between the children of the king of Bone. The License Master Voll reported to me that the former Pongauwa Lacasie, having been with him yesterday evening, had presented to him my answer to his message mentioned under the 11th instant, whereupon he had said that he would faithfully comply with my advice, with the declaration that he placed trust in no one except only the Company. Furthermore, he had related some matters concerning the state of the kingdom of Bone, and among others, besides what was also told by me to the chief interpreter Brugman mentioned under yesterday's date, that

Dutch transcription

89 567 Van Macasser Den 8' Junij 175. in de bonijse binnen landen weesen Iongauwa niet te bemoeijen. mij over te wijsen, op de gedaane informatie na de toestant van den k0„ Maandag den 10 „ning van Bonij door den derde tolk De Graaf ont„ nader tijding van sing ik bericht dat zijn hoogheijt niet erger was als ges„ zijn toestand teren kwam den Licentmeester voll mij rapporteeren dat Dingsdag „ 11. ' den geweesen Pongauwa gisteren avond bij hem ge„ toestant der zaken komen zijnde, te kennen gegeeven hadde: door verscheijde Boniers in de binnen landen te zijn aangezogt om bij hun te komen ter oorsaeke de geweldenarijen van Danig Paling orang en andere princen van de bloede /:zijnde alle konings Kinderen en kinds kinderen :/ zo verre gin„ gen dat het gemeen bij duijsenden de vlugt namen naar wadjo, soping en Pagoessie, terwijl de wadjo„ reesen hun niet alleen verblijf vergunnende plaat„ zen aanwees om haar te stabileeren maar zelfs kwa„ men te helpen in het opregten van huijsen om hun des doen de 't animeeren, het geen hij hadde verzogt mij niet alleen te berigten, maar ook te moogen weeten wat hij in deezen doen zoude Waar op ik den Licentmeester immandatis gaf raad aan den ge„ om hem t' zij zelfs dan wel door een vertrouwde te doen om zig daar meede zeggen, dat hij best zoude doen, zig met de zaaken niet verder te bemoeijen dan met eenlijk aan de zulk die hem hadden aangezogt te doen weeten, dat zij bij den koning zijner vader nog in disgratie weesende, hem maar de boniers aan niet helpen konde, dog hem te raaden zig direct aan mij te addresseeren en hunne beswaarnisse voor te draagen, onder verdere voorhouding dat ingevalle hy - 7 1 zo e e Van Macasser den 8:' Iunij A:o 175. oneenigheeden tusschen en soupad deren aan't bonijs hoff; hij onvoorsigtig genoeg mogte weesen, om zig na de binnen Landen te begeeven alles aan hem geweeten zou„ de worden waar door zijn vaders misnoegen onge„ twijffeld vermeerderen ende gevolgen daar van voor hem ten uijtersten gevaarlijk zoude zijn woensdag Den 12: De derde tolk De Praaf door mij gezonden om de koning van bonij naar de toestand van den koning van Bonij te ver„ ziekte nemt af neemen bragt mij tot rapport dat zyn hoogheyd betuygd hadde zig weeder iets beter te bevinden, Donderdage „ 13: De Geweezen Pongauwa van Bonij, heden met mijne voorkennisse een visite hebbende afgelegt, bij den oppertolk Brugman hadde /:volgens het sedeemring Sabritoe mij daar van gedaane rapport:/ aan den zelven ver„ haald dat er oneenigheeden waaren gereezen tusschen die van Tawitoe en Sedeenring ter eenre en die van Soupa ter andere zijde, ter oorsaake van zeekere gepleegde moord aan een gemeen onderdaan van die van Sawitoe, welker Regenten in steede van daar over een Evenreedige wraak te neemen, de Soelewattang van soupa hadde doen ombrengen welhalven die van soupa daar over revenge wil„ lende neemen, voorgenoomen souden hebben Sawitoe te attacqueeren; waar van hij Pongauwa verzogt hadde, omij kennisse te geeven in zo meede hoe hem en van 's konings kin„ berigt was, dat zijne broeders ten hove thans in drie parthijen verdeeld en dermaten met den anderen oneenig waaren, dat z' zig een ieder met de hunnen verstrekten uijt bedugting van door anderen te zullen g1 569 Van Maccasser Den 8 Iunij Ao 175. op en hij ook niet te bemoeij„ en met de zaken in de binnen Landen, oorsaake van de twist konings kinderen. zullen oworden aangelast, zo dra den koning mogt komen aflijvig te worden, waar van 1: Arou Ponve 't hield met den Iongen koning 2: Datoe Baringang met den anrong Goerde van 'S konings kinderen Aroe Maadjang en, 3: AroeAmaling met alle zijne broeders van eene Moeder mitsgaders zijn swager Magoesila en Arou Patjero Dat ook reets vijf Panghoeloe Djoas of hoofden van de geweese Pongauwa 's konings lijf volkeren zig na de noorder provintien hadden er buijten te houden begeeven om niet genoodsaakt te zijn parthij te kiesen welke zig ongetwijffeld bij hem zouden vervoegen in welk geval hij hadde verzogt mij te verzeekeren, dat hij wel verre van eenig voorneemen dat tot sComp:s ongenoegen konde strecken, hij inteegendeel niemand asssisteeren zoude dan die door de Comp:e als koning zoude worden erkend, Rapporteerde mij den Licentmeester voll, dat de gewee „ vrijdag den 14: sen Pongauwa Lacasie gisteren avond bij hem geweest zijnde, hij den zelven mijn antwoord op zijn boodschap vermeld sub 11: Pujus voorgehouden hadde, waar op door hem gezegt was, dat hij mijn raad getroukwlijk zoude nakoomen, met betuijging dat hij op niemand vertrouwen stelde, dan alleen de Comp:s voor hadde hij eenige zaaken verhaald, betreckelijk tot de toestand van het Bonijs rijck en onder anderen tusschen de bonijse buijten het door mij almeede gezegde aan den oppertolk Brugman vermeld onder dato gisteren 3 dat

NL-HaNA_1.04.02_3445_0622 view scan ↗

English

From Makassar, the 8th of June 1775. Apparent design of Aroe Pallacca concerning the crown. Banished king of Goa. Would like to see Craeng Sopadang as king of Bima. That the disagreements between Arou Toura and Datou Baringang, the former being the guardian of the young king and the latter the Pongauwa, had arisen and been caused because the latter had expressed that the deceased queen had intended the crown of Boni for him, or rather had said that he had to become king, even if it were only for a single day, from which it was thought one ought to deduce that he would strive to press for the same. While the dispute between Aroe Amaling and Datoe Baringang had arisen over the detention by the latter of some retinue of the other, who was also displeased with Aroe Ponre because he would not order the latter to return them. The same had further said that Aroe Pallacca would also try to assert herself in case the king of Boni should happen to pass away, or at least would undoubtedly do her best to stipulate that whoever might become king would first have to promise to effect the release of her grandson, the former king of Goa who had been banished to Ceylon; as well as that the said princess had asked him whether he could not arrange for her other grandson Totimo (alias Craing Sapanang) to be appointed king of Bima, for which, in his opinion, he was the closest in line; to which, however, he had answered "No," adding that the Bimangese would also not be persuaded to choose him for that. From Makassar, the 8th of June 1775. The son of Lakasie informs him of the state of affairs at Bouthon. Married in Wadjo. The king is improving. Saturday the 15th: nothing much occurred. Sunday the 16th. Further news in that regard. Monday the 17th. Tuesday the 18th: nothing happened. Wednesday the 19th. Thursday the 20th: confirmed once more. Friday the 21st: nothing occurred. Saturday the 22nd. Finally, he had also made known that his son Arou Rappang, sent by the king of Boni to Wadjo to settle some disputes between the people of Rappang, had married there without his prior knowledge a daughter of Aroe Betting, one of the Wadjoese head kings. Having sent the under-interpreter De Graaf again to the king of Boni to inquire after His Highness's condition, he brought me a report that the ruler had declared he felt somewhat better again. Upon the inquiry made into the condition of the king of Boni by the third interpreter De Graaf, I received word that His Highness was beginning to improve. Upon the questions asked after his well-being, the king of Boni again let me know that he was on the mending hand. The brother of the Company's emissary Daing Mandjarekie, named Daig Manginbaare, was sent by me with the under-interpreter Bly, after access had been requested beforehand, to the king of Boni to inform His Highness of the state of affairs at Bouton and at Moena, from where he returned these past days; which he also accomplished. Whereupon His Highness had me thanked for it and further sent me, via the glarrang of Bontualacq, for perusal, the letter received in that regard from his emissaries, for which I reciprocal had my thanks expressed, while the said Glarrang informed me that the ruler was noticeably beginning to improve. From Makassar, the 8th of June in the year 1775. Sends me the letter received in that regard. He begins to recover. Sunday the 23rd: The chief interpreter Brugman, in conformity with the request of the king of Boni, having betaken himself to His Highness this forenoon, came to inform me towards midday that the ruler had only had him summoned to see for himself how his illness stood, and that he had found His Highness uncommonly emaciated and still very weak, yet nevertheless in a tolerable disposition. The chief interpreter finds him still weak, however. Admonished to pay the debt. The regent makes good promises. I had also on that occasion ordered him to admonish the regent once again in the most earnest manner to settle the state debt, and among other things to present to him that in case of further delay I would be forced to send express commissioners to court for that purpose. Whereupon the same let me know that he had already sent an emissary to Datou Pamana in the interior to notify him to come and redeem the tatrapang, or gold kris, pawned among the Boners for 2000 rixdollars, who had promised to do so, and that as

Dutch transcription

Van Maccasser den 8. ' Junij 1775— apparenten toeleg van Aroe Pallacca om„ trend de kroon relegeerde koning van 90a onang gaaren 'tkoning van Binia zien dat de oneenigheeden tusschen Arou Toura, en Datou Baringang zijnde d' Eerste voogd van den Iongen ko„ ning en den anderen de Pongauwa ontstaan veroor„ saakt was, door dien den laastgenoemde zig zouden g'uijt dat de overleeden koningin hem de kroon van Bonij toegedagt, of wel gezegt zoude hebben: dat hij ko„ ning moeste worden, als wat het maar, voor Een enkelen dag, waar uijt men meende te moeten op in de„ ken dat hij na deselve zoude tragten te dringen Terwijl het geschil tusschen Aroe Amaling en Datoe Baringang was ontstaan over het aanhouden door den laastgem: van eenig lijf volk van den anderen, die ook op Aroe Ponre misnoegd was, om dat deeze den anderen niet wilde ordonneeren, dewelke weeder over te geeven Den zelven hadde wijders gezegt dat Aroe Pallacca zig meede zoude tragten te doen gelden, ingevalle den koning van Bonij mogte komen te overlijden ten minste ongetwijffeld, haar best zoude doen om te bedingen, dat met opzigt tot de ge„ de geene die koning mogte worden alvoorens zoude moeten belooven het ontslag te bewerken, van haar haar kleen zoon de geweesen en na Ceilon gerelegeerde koning van Goa, zo meede dat die Princes hem hadde ge„ zij zoude Craijeen g sopo„ vraagd of hij niet konde maaken dat haar andere kleen zoon Totimo /:alias Craing Sapanang:/ tot koning van Bima wierd benoemd waar toe hij van weegen zijn gevoelen, de naaste waare dog waar op door hem Neen. g'antwoord was met bij voeging: dat de Bimaneesen ook niet zoude weesen over te haalen zoo d 573 571 Van Macasser Den 8: IJunij 175 de zoon van Lakasie hem doen kennis ge„ ven van de toestand„ der zaaken te Bou„ thon, om hem daar toe te verkiesen, Eijndelijk hadde hij nog te kennen gegeeven, dat zyn zoon Arou Rappang door den koning van Bonij in wadjo getrouwdt na wadjo gezonden, om Eenige oneenigheeden tusschen de volkeren van Rappang te beslissen aldaar buijten zijne voorkennisse getrouwd was, met een dogter van Aroe Betting een der wadjoreesen hoofd koningen, D'ondertoek De Graaf weeder by den koning van Bduijs koning betert Bonij hebbende gezonden, om na zijn Hoogheyd toestand te verneemen, bragt mij rapport, dat de vorst betuijgd hadde zig weeder wat beter te gevoelen, Zaturdag den 15 veel niets voor 1 Zondag „ 16 op de gedaane informatie ona den toestand van de koning Maandag „ 17. nog nadertijding van Bonij, door den derde toek De Graa dient weegen, ontfing ik berigt, dat zijn Hoogheijd beginte beteren Dingsdag „ 18 is niets gepasseerd woensdag „ 19 Liet de koning van Bonij mij op de gedaane vragen Donderdag „ 20 na desselvs welstand al weeder weeten dat zig aan andermaal bevestigt de beter hand bevond. niets voorgevallen vrijdag „ 21: De broeder van den sComp:s zendeling Daing Man„ Zaturdag „ 22: djarekie in naame Daig Manginbaare met den ondertoek Bly, na voor af verzogt ac„ ces door mij na den koning van Bonij gezonden om zijn Hoogheijd van den toestand der zaaken te Bouton en te woena, van waar hy deser dagen, 3 Van Maccasser den 8. Iunij Ao 1775. zend mij den briev dier„ weegens ontfangen de oppertolk vind hem egter nog swak den rijks bestierder goet weeden goede be„ loften, is geretourneerd, kennisse te geeven, 't geen den zelven ook volbragt heeft, zo liet zijn hoogheijd my daar voor bedanken en zond mij wijders door den g'larrang van Bontualacq ter lectuure den briev dierweegens van zijn zendelingen ontfangen, waar voor ik reciprocque mijne dankzegging hebbe laeten betuijgen terwijl gem: hij begint tot herstel Glarrang omij berichte: dat den vorst merkelyk be„ te komen gen te beteeren, zondag den 23: D'oppertolk BBrugman Conform 't verzoek van den koning van Bonyj zig deezen voordemiddagh bij zijn hoogheyd begeeven hebbende, kwam mij tegen den middagh berigten: dat den vorst hem eenlijk bij zig hadde laaten vragen, om zelvs te zien, hoe het met zijne ziekte gesteld was en dat hij zijn hoogheijd ongemeen vermagerd nog zeer swak: dog egter in een tamelijke dispositie hadde gevonden, ook hadde ik hem bij die geleegentheijd gelast den aangemaand om de Rijksbestierder nogmaals op het aller enstigste aan te maanen, tot voldoening van de rijkschuld en hem onder anderen voorte houden, dat ik bij langer delaij genoodsaakt zoude zijn, door expresse gecommitteerdens ten dien Eijnde ten hove te zenden, waar op den zelven mij liet weeten dat hij bereets een zendeling na Datou Pamana in de binnen landen hadde gezonden, om den zelven te doen aan„ „zeggen zijnde onder de Bomers voor rd:s 2000 verpande tatrapang, of goude kris te komen uijt lossen die zulx belooft hadde, te zullen doen en dat zo Schuld. Zo

NL-HaNA_1.04.02_3445_0625 view scan ↗

English

95 573 From Makassar the 8th of June Anno 1775: Message from Dato regarding the competitor who will vie for the crown of Boni, and for whom he declared himself. Monday the 24th: as soon as that money was received, the debt would be satisfied immediately, as he in the meantime would also endeavor to gather the remainder. Brugman also reported to me that the Pongouwa Dato Baringang had sent the Matoria of the Wadjorese in the Kampong Baringang of the Bugis to him, with the request that should any unfavorable reports concerning him come to his attention, not to give them any credence, while communicating having heard that the wife of the Tanette Prince Magoesiela, upon the demise of the King of Boni, also intended to vie for the crown, having alleged being as well entitled thereto as the young King Arou Timoerong, and that her three brothers Arou Nanka, Arou Palingourang, along with Arou Pantjana would choose her side; but that he, Dato Baringang, along with Arou Ponre, Arou Madjang, Arou Patjiero, and Arou Toura had declared upon this that they would recognize no one else as King upon the sovereign's demise than the one who had been designated thereto by the collective Bonians and the King still living, with the foreknowledge of the Company, and furthermore that they would regard all those who might wish to oppose this as disturbers of the public peace, and immediately take action against them. Tuesday 25th: nothing occurred. Wednesday 26th: I sent the interpreter De Graaff to the King From Makassar the 8th of June Anno 1775: Report that Wadjo and Soping wished to renew the threefold alliance with Boni. The condition of Boni's King is again somewhat better, the Queen of Tanette is well. The letter from His Highness's emissaries to Bouton returned. State of the King of Boni. King of Boni and the Queen of Tanette to inquire after Their Highnesses' well-being, who brought me report that the King had testified to being somewhat better again, and the Queen was doing well. Thursday the 27th: I had the assistant interpreter Blij hand over to the King of Boni the letter sent to me for perusal from his emissaries who had departed for Bouton, for which His Highness had his thanks conveyed to me. Friday the 28th to Monday 1 May: nothing occurred. Tuesday 2nd: Having sent the assistant interpreter De Graaf to the King of Boni to inquire after His Highness's well-being, I received report that he found himself reasonably well considering the circumstances, though still very weak, and also that he requested me to send the chief interpreter to him the day after tomorrow. Wednesday the 3rd: Nothing unusual passed. Thursday 4th: The chief interpreter Brugman having been with the King of Boni this forenoon, he came to report to me that His Highness had testified having summoned him because of the circulating news that the Wadjorese and Sopingers had allegedly deliberated with each other to propose to Boni the renewal of the Lamoen Patoea Ritiemoerong, adding nevertheless that he could not give it any credence at all, whilst he further said to the Tomilalang in Brugman's presence that the Wadjorese had broken that contract themselves first, by choosing the side of the Macassars and waging war against Boni, which realm had regained its freedom through the help of the Company. 575 From Makassar the 8th of June 1775: Friday the 5th to Tuesday 9th: Nothing of any particular note occurred to be recorded in this. Wednesday 10th: The Queen of Tanette having informed me this forenoon through one of her emissaries that she intended to depart for Pantjana toward the evening, where she must be, I conveyed to Her Highness my astonishment at this message and informed her that I could by no means have expected to be notified of her intention so late, much less that she would depart without paying me a visit beforehand according to her promise; but that, being unable to hinder her, I wished her a speedy journey, in the hope that she would return shortly to be able to speak with her about matters that could brook no longer delay. Her Highness subsequently undertook the journey in the evening. Thursday the 11th to Wednesday 17th: Nothing occurred. Thursday 18th: The Queen of Tanette made her arrival at Pantjana known to me through an emissary, for which I thanked Her Highness, the emissary having testified upon my question that he was not able to say when his mistress was expected to return here.

Dutch transcription

95 573 Van Macasser Den 8:' Iunij A:o 175: opp boodschap van datoe dinger na d' Bonijse emporteeren zal Maandag den 24: zo dra die penningen ontfangen, zoude hebben de Schuld ten eersten stond voldaan te worden, alsoo hij het resteerende inmiddens meede zoude tragten bij een te krijgen, ook rapporteerde mij Brugman dat den Pongouwa Datoe Baringang den Matoria der wadjoreesen in de Campong Baringang der bougineesen bij hem gezonden hadde, met versoek om wanneer hem eenige nadeelige berigten ten zijne opzegten mogte voorkomen, daar aan geen geloof te geeven, onder Communicatie van te hebben gekoort dat de vrouw van den weegens een meede Janets Prins Magoesiela bij overleeden van den koning van kroon, Bonij, meede na de kroon meen de te dingen, als voorgegeeven hebbende, daar toe alzoo wel geregtigt te zijn als den Iongen koning Arou Timoerong en dat haare drie broeders Arou Nanka Arou Palingourang nevens Arou Pantjana haar parthij zouden kiezen, dog dat hij Daton en voor wien hij zig Baringang nevens Arou Ponre, Arou Madjang, Arou Patjiero en Arou Toura daar op hadden gede„ clareerd niemand anders bij s' vorsten overlijden voor koning te zullen erkennen, dan die door de gezamentlijke Bo„ niers en den nog in weezen zijnde koning met voorwee„ ten van de Compagnie, daar toe was gedispicieert mits„ gaders over zulx alle de sulke, welke zig daar teegen mogten willen aankanten, als verstoorders van de gemeene ruste zouden aanmerken: en dezelve daadelik te keer te gaan, niets voorgevallen Dingsdag „ 25 Debbe ik den tolk de Graaff gezonden na den woensdag „ 26: Koning Van Macasser den 8: Iunij anno 1775: berigt dat wad jo en verbond met bonij koning van Bonij en de koninginne van Tanette om na van Bonijs Koning is weeder iets beter den haar hoogheedens welstand te verneemen, die mij berigt bragt de koungune van dat de koning botuijge had den weeder, iets beter te zijn ende Tanette dwil Koninginne welvaarende was Donderdag den 27: Liet ik door den ondertolk Blij aan den koning van bonij overhandigen de mij ter lecture toegezonden briev van de briev van zijn hoog„ heijts sendelingen te Bouton te drug ge„ o zijne na Bouton vertrockene zendelingen, waar voor zonden zijn hoogheijd wij heeft laeten bedanken, vrijdag den 28 tot niets voorgevallen Maandag „ 1. Meij. Dingsdag „ 2: den ondertolk de Graaf bij den koning van Bonij ge„ toestand van den ko„ zonden hebbende, om na zijn Hoogheijdts welstands ning van Bonij te verneemen ontfing ik bericht dat den zelven zig na den tijd redelijk bevond, dog nog zeer swak als meede dat hij mij liet versoeken om teegen overmorgen den oppertolk bij hem te zenden, woensdag den 3: Passeerde niets sonderlings Donderdag „ 4:' d'oppertolk Brugman heeden voor de middag bij den 18 sopingt drie voudig koning van Bonij geweest zijnde kwam den selven mij wilden vernieuwen rapporteeren hoe zijn Hoogheijds betuijgd hadde, hem bij zig te hebben laeten roepen ter oorsaeke van de onder de handerlangde tijding dat de wadjoreesen en sopin„ gers met elkanderen zoude hebben beraadslaagd om aan Bonij te proponeeren de vernieuwing van de Lamoen Patoea Ritiemoerong met bijvoeging nog thans dat hij daar aan geen sints geloof konde geeven, terwijl hij in Brugmans presentie verder tegen den tomilalang hadde gezegt, hoe de wadjoreesen dat Contract zelfs tiel dee Eerst van om h gen Pa dat bel m in om la de d te 575 Van Macasser den 8: Iunij 1775: vrijdag den 5: tot Dingsdag, 9 Tanette Subit na eerst verbrooken hadden, door de zijde der maccassaeren te kiesen en Bonij te b'oorlogen, welk rijk door de hulpe van de Comp:s haar vrijheijd weeder gekreegen hadde veel niets van Eenige bijsonder aanmerking voor om in deesen genoteerd te worden, De koninginne van Tanette, mij deezen voormiddag woensdag „ 10 hebbende laaten weeten, door een haerer zendelin„ de koninginne van gen, dat zij voorneemens was, tegen den avond na Pantjana vertrokken Pantjana te vertrecken alwaar z' weesen moet zo liet ik haar hoogheyd mijne verwondering over deese boodschap betuijgen en haar aanzeggen, dat ik geensints hadde kunnen verwagten van haar voornee„ men, zo laat te zullen worden gewaarschuwd, veel min, dat zij vertrecken zoude, zonder mij volgens haare belofte alvoorens een visite te geeven, dog dat ik haar niet mogende beletten, haar een spoedige reijse wenschte in hoope dat zij binnen korten zoude terug gekomen, om haar te kunnen, spreeken, over zaaken die geen langer uijtstel konde lijden Hebbende haar hoogheijd vervolgens des avonds de reijse ondernomen, veel Niets voor woensdag „ 17: Liet de koninginne van Tanette, mij door Een zende Donderdag „ 18. ling haar arrivement op Pantjana bekend maaken, om aldaar gearriveerd waar voor ik haar Hoogheijd hebbe doen bedanken den zendeling op mijne vraage! betuijgd hebbende, met te kunnen zeggen wanneer zijne meesteresse alhier stond Donderdagden 11 tot te

NL-HaNA_1.04.02_3445_0628 view scan ↗

English

From Makassar, the 8th of June 1735. Friday the 19th: Seven envoys from Sumbawa arrived here in four vessels, who notified me of their arrival, and I promised to receive them next Monday. Saturday the 20th and Sunday the 21st: Nothing occurred. Monday the 22nd: I sent the under-interpreter De Graaf to inquire after the condition of the King of Boni, who reported back to me that His Highness declared he felt reasonably well, though still very weak, especially in the legs, which still prevented him from walking. Furthermore, towards noon, the envoys from Sumbawa who arrived on the 19th of this month appeared before me. After delivering the letter they brought from the King and grandees of the realm, as well as one from the Bima Commander Lecerf dated the 13th of November last, they declared upon my express inquiry that they had no other commission than what was contained in the aforementioned letter, except that they requested that the Bima Commander Lecerf might always remain there as such. To this I replied that I would gladly endeavor to arrange that, so far as it depended on me. Tuesday the 23rd to Thursday the 25th: Nothing occurred. Friday the 26th: Having sent the under-interpreter Blij to inquire after the health of the King of Boni, I received report that His Highness was still in the same condition as he had last informed me. Saturday the 27th: The King of Boni sent me for perusal a letter he had received these past days from his envoys who are in Buton, for which I had His Highness thanked. Meanwhile, I made known to the bearer thereof, being the Marrang of Bontualaq, how I had already repeatedly and fruitlessly urged the Regent for the discharge of the state debt, without anything coming of it thus far; whereupon he promised to confer with that minister about the matter, as I requested of him. Sunday the 28th: The Captain of the Malays came to inform me that yesterday three grandees of the realm of Soppeng had arrived and had already departed again in the evening. They had related to him, with the request to communicate this to me, that the Regent of Boni, together with Aru Palakka and the princes Aru Louve and Aru Patjiro, had written a letter to their master, the Punlipue of Soppeng, to inform him that the King of Boni had asked after him, with an added urge to come over hither; and that they had therefore been sent by him to ascertain whether reliance could be placed on that writing. The aforementioned Regent and his associates had assured them that, having conferred further with the King on the matter, he was expecting him; wherefore they would at once undertake the return journey to bring an answer to the Punlipue, who had already proceeded to Lamuru, where he presently was awaiting word in order to be able to cross over all the more speedily. Furthermore, I ordered the envoys from Sumbawa present here to appear before me tomorrow before noon. Monday the 29th: The Sumbawa envoys having appeared before me this morning, I conferred with them regarding the letter received from the King and grandees of the realm, and what might be the substance of the King's complaints about his subjects, through which he was said to be prevented from coming hither. But they declared to know nothing of this, and also could not comprehend how that passage came to be in the letter, considering that no discord resided between him and the grandees of the realm, and that it was very far from the truth that they were the cause of his staying behind. This was rather to be imputed to himself, as he went at times to Taliwang and then elsewhere, although it was true that recently they had not been able to obtain a vessel for his transport, and had therefore asked the Bima Commander for his vessel, who had said he could not spare it. Whereupon, having earnestly admonished them that upon their return they should still urge the King and grandees of the realm to bring him hither, informing them that I would [illegible] the Bima Commander [illegible]

Dutch transcription

Van Maccasser Den 8:' Iunij 1735 receptie der sumbau„ terug te koomen vrijdag den 19: arriveerden alhier, met vier vaartuijgen van Sum gezanten van sum „bauwa seven gezanten die mij van hunne aankomst bauwa g'arriveert lieten kennisse geeven, en ik toesegging deed om hun aanstaande omaandag te zullen recipieeren Zaturdag den 20 }is niets gepasseerd Zondag „ 21 Maandag „ 22: hebbe ik door den ondertolk De Graaf, na de toestand toestand van bonijs van den koning van Bonij laaten verneemen, die omij bij te rug komst rapporteerde dat zijn hoogheijd betuijgd had„ de, zig tamelijk wel, dog egter nog seer swak te bevinden voor al in de beenen waar door hij nog niet gaan konde, Voorts verscheenen tegen den middag bij mij de op den wareese gezanten 29: deeser van sumbauwa g'arriveerde gezanten wel„ ke na d' overhandiging van de door hun meede gebragten briev van den koning en Rijksgrooten mitsgaders een van den binas Commandant Lecerf, de dato 13: November passato, op mijn expresse afvraage betuijg„ den geen andere Commissie te hebben, dan bij gem: briev vervat stond, behalven nogtans dat zij versogten, dat den Bimas Commandant Lecerf altoos ginter sooda„ rug blijven mogte, daar ik op diende: dat ik zulx gaarne zoude tragten te bezorgen, voor zoo verre het van mij dependeerde, Dingsdag den 23 tot veel niets voor Donderdag „ 25 vrijdag „ 26 Door den ondertolk Blij hebbende laaten verneemen na koning terur ont van be van 3 in halv of m zij gg. 577 Van Macasser Den 8:' Iunij 1775. van boutton ontfangen. rijkschuld pingse rijksgrooten verwagt den Poen„ lipoE, na de welstand van Den koning van Bonij ontfingik toestand van Donys koning berigt, dat zijn hoogheid nog in deselve staat was als hij my Laatst hadde doen weeten Zond den koning van Bonij omij ter tecture een briefje Zaturdag den 27: van zijne te Bouton zijnde zendelingen deeser daagen zend mij een briefje ontfangen, waar voor ik zijn Hoogheijd leet bedanken terwijl ik den brenger van dien, zijnde den Hlarrang van Bontualacq te kennen gaf, hoe ik nu al verscheijde aanmaning om de reijsen vrugteloos bij den rijksbesteerder hadde doen aan„ houden, om d'aflegging van de rijksschuld, zonder dat daar van, tot hier toe, iets geworden was, waar op hij beloofde dien minister daar over te zullen onderhouden zoo als ik hem verzogt, kwam den Capitain Maleijers mij boodschappen, hoe er giste,„ zondag den 28 ren drie rijksgrooten van soping owaaren gekoomen en ook komst van drie Lo„ reets des avonds weeder vertrocken, die hem hadden ver„ haald, met versoek om 'er mij Communicatie van te geeven Dat de Bonijs Rijksbestier der nevens Aroe Palacka en de princen Aroe Louve en Aroe Patjiro een briefje geschreeven hadde, aan hun meester den poenliepoe E: de koning van Bonij van Soping, ter bekendmaaking dat den koning van Bonij naar hem gevraagd hadde, niet bijgevoegde instantie om herwaarts over te komen; en dat zij dier„ halven door den zelven gezonden waaren, om te verneemen of er op dat schrijvens gerust staat te maaken was de ge„ melde rijksbestierder C: S: hun hadden verseekert: dat zij den koning daar over nader onderhouden zijnde hem was verwagtende, weshalven zij ten Eersten de te drapparant salopomen rug Van Macasser den 8: Iunij Ao 1735: Lanten onderhouden van den koning en haar gerecomman„ deert denselven hor„ rug reijse zouden onderneemen, om den Poenliepo E:' antwoord te brengen, die zig reets na Lamporo begeeven hadde, al„ waar hij zig thans bevond om bescheijd af te wagten, ten eijnde des te spoediger te kunnen overkoomen, voorts hebbe ik de aanweesende gezanten van Sum„ bauwa, teegen morgen voor de middag bij mij doen oppo„ nicteeren Maandag den 29 de sumbawase gezanten, deesen voor de middag bij mij de sumbduwase ge„verscheenen zijnde, onderhield ik haar over den ontfan„ over het agterblijven gen briev door den koning en Rijksgrooten en wat 'er zijn mogte van s' konings klagten over zijne onderdaenen, waar door hij zoude worden belet herwaarts te komen dog zij betuijgden daar van niets te weeten, en ook niet te kun„ nen begrijpen, hoe de periode in de brief was gesteld ge„ merkt 'er tusschen hem, en de rijksgrooten geene oneenig„ heeden resideerden, en het welverre daar van daan was, dat zij oorsaeke zoude weezen, van zijn agterblijven, 't welk veel seer aan hem zelfs omoeste worden g'imputeerd wijl hij zig teffens dan na Taluwang en dan na elders begaf schoon het waarwas, dat zij Iongst geen vaar„ tuijg tot zijn transport hadden kunnen magtig worden en daarom binas Commandant om zijn vaartuijg hadden verzogt, den welke gezegt hadde, het zelve niet te kunnen missen, waar op ik hun lieden ernstig vermaand hebbende waarts te brengen om by derzelver te rug komst den koning en rijksgroo„ ten als nog op te weeken om den selven herwaarts te brengen, onder Communicatie dat ik den biias Comman„ te over Sum draa met na mer te m Rijk niet 2000 mit te ant dant wij Rijx ein koop d o bin

NL-HaNA_1.04.02_3445_0631 view scan ↗

English

107 579 From Maccasser, the 1st of June 1775. of their request, therefore denied they had given authorization to lend the necessary Company cargo prahu to them, they furthermore most urgently requested, concerning the three thousand rix-dollars borrowed by the king by the letter, in order to be able to purchase various necessities here which the same had ordered them to procure; to which I replied that I privately was not provided with cash and the Company's treasury did not permit accommodating the prince; nevertheless, they persisted in it, even if it were only 2000 rd:s, with the promise to settle the same with sappanwood. Chief Interpreter Brugman reported to me that on Tuesday the 30th by them further the Sumbawa envoys had requested him up to two times most emphatically to submit to me once again their urgent instance for money, and specifically, if I could not accommodate them with three thousand rix-dollars, at least with two thousand, or else fifteen hundred rd:s, under promise of ensuring repayment in due time, being prepared to solemnly bind themselves thereto, and further indicated that they would otherwise have to return with the utmost shame, the more so as to their knowledge such a request had never before been refused, and the king and other grandees of the realm would therefore suspect them of misconduct. I gave him instructions on this, to point out to them that I was not unwilling, but unable yet turned down again to help them, and that they need have no fear, since I would mention this in the letter. Wednesday the 31st. Nothing occurred, except that the chief interpreter informed me and their request for how the envoys of Sumbawa had requested him to ask once more for audience with me in order to renew their solicitation to borrow money, whereupon I ordered him to tell them that, being currently busy with the dispatch of papers to Batavia, audience postponed From Macasser, the 8th of June 1775: I had no time to receive them. 3 103 583 Register of Annexes belonging to the separate letter and the daily register of Castle Rotterdam, dispatched the 1st of June 1775. No. 1: Translation of a Bugis letter written by Ponlipoe E of Soping to the Governor and Council here, dated 14 October Ao 1774. No. 2: Bugis copy of a certain agreement made between Boni and Samette. No. 3: Letter by the collective grandees of the realm of Soping to the aforementioned, dated 15 October Ao po. No. 4: Note of what occurred in the meeting held at the house of the Governor on the 25th of October 1774 concerning a dispute between Craeng Labaccang and a certain woman. No. 5: Letter from the bookkeeper and clerk at Bima, Bastiaan Steijns, to the Governor, dated 23 October Ao po. No. 6: Translation of a Malay letter sent by the regent, vizier Mualim, together with the grandees of Bima, to the Right Honorable Governor and Council, dated 20 October 1774. No. 7: Letter sent by the regent, vizier Mualim, together with the grandees of Bima, to Chief Interpreter Gerrit Brugman, dated as above. No. 8: Letter from the Governor to the Poenhiepoe E: of Soping, dated 10 November Ao po. No. 9: To the collective grandees of the realm of Soping, dated as above. No. 10: Written by the sergeant and commissioner for extirpation at Bouton, Jan Christoffel Steijnbach, to the Governor, dated 11 Nov:r 1774. No. 11: Report from the bookkeeper and Saleyer resident, Ian Hendrik Voll Junior, to the Governor regarding the island of Tanna Malawa, dated 20 Nov:r 1774. No. 12: An original copy of the deed of oath on the contracts upon the confirmation of the newly elected King of Bima, dated 19 November 1774. No. 13: Letter from the Governor to the ensign and commander at Bima, Alexander Eecerff, dated 21 November 1774. No. 14: Written by the ensign commander at Bima, Alexander Eecorff, to the Governor, dated 21 October 1774. No. 15: From the Governor to the King and collective grandees of the realm at Bima, dated 21 9ber Ao pr. No. 16: Translation of a Malay letter written by the King and grandees of the realm of Bouton to the Governor, dated the 5th of the month Romal:s, year 1188. No. 17: Letter written by the Maros resident, Matthijs van Rossum, to the aforementioned, dated 22 9ber 74. No. 18: From the Governor to the aforementioned Van Rossum, of the 24th of November 1774. No. 19: Translation of a Bugis note written by the Queen of Telle to Chief Interpreter Gerrit Brugman, without date. No. 20: Translation of a note written by the Makassarese Prince Craing Paganackang to Datoua Baringang, without date. No. 21: Letter from the Governor to the Governor of Ternate, Paulus Jacobus Valckenaer, dated 30 November 1774. No. 22: An original copy of the deed of oath on the contracts upon the confirmation of the newly elected King of Tambora, dated 10 December 1774.

Dutch transcription

107 579 Van Maccasser Den 1:' Junij 175. van hun Veersoek daer om verzegt „dant qualificatie hadden gegeeven om de noods sComp:s schepprauw aan deselve te leenen zoo verzogten zij met ontlegging wijders op het aller in stagtigste om de Drie Duijzend omgeld Rijxd:s door den koning bij den briev ter leen gevraagd, ten eijnde deese en geene benodigtheeden alhier te kunnen koopen, welke den zelve hun gelast hadde te bezorgen door waar op ik diende dat ik in mijn particulier van Contante met voorsien was en s Comp.:s Cassa met per„ mitteeren om den vorst te gerieven, egter bleeven zij des niets te min daar op staan, alwaare het dan ook maer 2000 rd:s onder toezegging van het zelve met Sappanhout te zullen voldoen Rapporteerden mij den oppertolk brugman aat de Dinsdag den 30 sumbauwase gezanten, hem tot twee maalen op het door deselve nader nadruckelijks te verzogt hadden mij nogmaals voorte draagen hunne gedaane instantie ongeld en wel als ik haar niet met drie Duijzend ryxd: ten minste met twee Duijzend, dan wel vijfthien honderd rd:s gerieven mogte onder belofte van voor de voldoening in der tijd te zullen zorgen, als bereid zeijnde, zig daar toe plegtig te ver„ binden, en verdere te kennen gave dat zij ander sints met de uijtterste schaamte zouden moeten te rug keeren te meer hunner weetens dier gelijk versoek bevoorens min„ mer geweijgerd was geworden, en de koning en verdere Rijksgrooten hun dierhalven van wangedrag zouden overdenken Ik gaf den selven hier op inman datis, om hun voor dog weder afgeslagen te houden, dat ik niet onwillen s maar onvermoogens tra w F wwas om hun te helpen en dat zij geen beduchting behoef„ den te hebben, Wijl ik zulx bij den brief zoude aanhaelen woensdag den 31 Niets voorgevallen, dan dat den oppertolk mij te ken„ en hun versoek om nen gaf hoe de gezanten van Sumbauwa hem hadden versogt om nogmaals acces bij omy te verzoeken ten eijnde hunne Sollicitatie om geld ter leen te vernieuwen waer op ik hem last gaf hun te zeggen dat ik thans bezig zijnde met de depeche der papieren na Batavia acces uijtgesteld Van Macasser den 8: Iunij 1775: geen tyd hadde om hun afte wagten, 3 103 583 N„o 1: Translaat boeginees brief geschreeven door Ponlipoe E van soping aan den heer gouverneur en raad alhier de dato 14: october A:o 1774. _„o boeginees afschrift van seekere over benkomst tusschen bonij en Samette gemaakt„ „ brief door de gesamentlijke rijksgroten van soping aan als boven gem: de dato 15. october A„o p„o „ 3: _„o „ d Aanteekening van het vorgevallene in de vergadering ten huise van den heer gouverneur op den 25 october 1774 gehouden over een different tusschen Craeng Labac„ kang een seekere vrouw - „ 5 brief van den boekhouder en scriba te Bima Bastiaan Steijns aan den heer gouverneur de dato 23: october A„o p„o „ 6: Translaat maleijdse brief gerigt door den rijksbestierder wassier Mualim nevens de grooten van bima aan den wel Edele agtb: heer gouverneur en raad de dato 20. october 1774. - _„„brief gerigt door den rijks bestierder was hier Mualim nevens de grooten van Bima aan den oppertolk gerrit Brugman de dato als even —. „ 8: brief van den heer gouverneur aan den Poenhiepoe E: van Soping ge:t 10: november a:o p „ _:o aan de gesamentlijke rijks grooten van Soping de dat alseven„ 10. „ geschreeven door den sergeant en Commissiant tot de Extuipatie te Bouton Jan Christoffel Steijnbach aan den heer gouverneur de dato 11: Nov:r 1774„ „ 7. _ 9 gehoorende tot d'apparte Brief en het Dag Register des Casteels Rotter„ „dam afgesonden den 1: Junij 1775. Register der Bijlaegen Berigt „ 2: - .„ - . — N„o 11: berigt van den boekhouder en Saleijers resident Ian hendrik voll Junior aan den heer gouverneur wegens het eijland Tanna malawa de dato 20. Nov„r 174. Aeg: „ 12. Een Origineel afschrift van d'acte van b' Eediging der contracten bij de bevestiging van den nieuw verkoren koning van Bima in dato 19 november 1774. „ 13: brief van den heer gouverneur aan den vaandrig en Commandant te Bima Alexander Ee„ „cerff de dato 21. November 1774. „ 14. „ geschreeven door den vaendrig Commandant te bima Alexander Eecorff an den heer gouverneur de dato 21. october 1774. „ 15. „ van den heer gouverneur aan den koning en gesamentlijke rijksgrooten te Bima de dato 21. 9ber: 8:o p„r „ 16: Translaat maleijdse brief geschreeven door den koning en rijksgrooten van Bouton aan den heer gouverneur ged:t 5. vande maand romal:s ang 1188. „ 7. bris geshaaven door den maros verden Matij van Rossum an als boven edato 2 ber 74. 18. „ van den heer gouverneur aan gem: van rossum van den 24. November 1774. - - „ „ 19. Translaat bouginees briefje geschreeven door de koninginne van Telle aan den oppertolk gerrit Brugman sonder datum „ 20. „ „ 21. brief van den heer gouverneur aan den gouverneur van Ternaten Paulus Jacobus valcken aar de dato 30. e november 1774. - - „ 22. Een origineel afschrift van d'acte van b'eediging der Contracten bij de bevettiging van den nieuw verkoren koning van Tambora in dato 10: December 1774. briefje geschreeven door den maccassaars prins Craing Paganackang aan datoua Baringang sonder datum Jn brief .. . . - „ „ „ „ 30 „ . . - „ „ „ „

NL-HaNA_1.04.02_3445_0635 view scan ↗

English

185. 583 Ditto to the sergeant at Bouton Jan Christoffel Steijnbach dated 27 December 1774. No. 23 Letter from the lord governor to the king and grandees of Bouton dated 30 December 1774. No. 24. Ditto. No. 25. Instructions for the second mate Jan Draijer departing with the pantjallang De Oppas for Bouton dated 29 December 1774; annexed a Protest. No. 26. Translation of a Malay letter written by the king of Bonij to those of Bouton and his grandees dated 26 December 1774. No. 27. Letter from the lord governor to the Bima Commandant Lecerps dated 14 January 1775. No. 28. Letter written by the Bima Commandant Lecerps to the lord governor dated 13 December 1774. No. 29. Letter from the Bima Commandant Lecerps to the same as above dated 20 February 1775. No. 30. Translation of a Malay letter written by the king of Sumbawa to the Commandant of Bima dated 26 of the month Dhu al-Qadah 1188. No. 31. Letter to the Commandant at Bima Alexander Lecerps from the king of Sumbawa dated 10 February 1775. No. 32. Letter to the lord governor dated 2 February 1775. No. 33. Translation of a Malay letter written by the king and grandees of Dompo to the lord governor and council dated 9 of the month Jemadilawal 1188. No. 34. Letter written by the same to the same on the 2nd day of the month Saji 1188. No. 35. Letter from the lord governor to the ensign Commandant at Bima Lecerps dated 2 April 1775. No. 36. Ditto from the same to the king and grandees of Dompo dated 2 April 1775. No. 37. Ditto from the sergeant at Bouton Jan Christoffel Steijnbach to the lord governor dated [illegible]. No. 38. Letter from the Bima Commandant Lecerps to the lord governor dated 5 April of the current year. No. 39. Translation of a Malay letter written by Gusti Waijentagan at Selaparang to the lord governor dated 20 of the month Dhu al-Qadah. No. 40. Translation of a Malay letter written by the same as above to the Commandant at Bima without date. No. 41. Letter from the lord governor to the Commandant at Bima Lecerps dated 17 April 1775. No. 42. Ditto from the same to the king of Selaparang dated 15 April 1775. No. 43. Ditto from the same to the king of Great Bali dated as above. No. 44. Draft articles for a contract between the Company and the kingdom of Bali. No. 45. Translation of a Macassarese letter written by the ordinary envoy at Bouton Daeng Mandjarekie to the chief interpreter Gerrit Brugman without date. No. 46. Translation of a Buginese letter written by the Boninese envoy sent to Bouton to the king of Boni without date. No. 47. Account given by Daeng Marnginbarri concerning his encounters on the journey made by him to Bouton dated 21 April 1775. No. 48. Letter from the Commandant at Bima written to the lord governor dated 9 May 1775. No. 49. Letter written by the mate Jan Godlieb Dreijer from Bouton to the same as abovementioned dated 15 May 1775. No. 50. Letter from the sergeant at Bouton Jan Christoffel Steijnbach to the same as above. No. 51. Translation of a Malay letter written by the king of Sumbawa to the lord governor dated 14 of the month Safar 1189. No. 52. Report addressed to the bookkeeper and Saleyer resident Jan Hendrik Voll Junior concerning what befell the interpreter there in his commission to Tana Malawa dated 15 February 1775. No. 53. Translation of a Macassarese letter written by ordinary envoy Daeng Mandjarekie to the first sworn interpreter Gerrit Brugman without date. No. 54. Translation of a Buginese letter written by the Boninese envoy who is at Bouton to the king of Boni without date. No. 55. Letter written by the Bima Commandant Alexander Lecerps to the lord governor dated 21 May 1775. 17 385 From Makassar, 1 June 1775. No. 1. Translation of a Buginese document written by Ponlipoe of Soppeng, to the Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this coast of Celebes, together with the Council, reading as follows: After the ordinary compliments and greeting, I make known that the letter from the lord governor was received very well, and that I have well understood the contents thereof. Thus this serves to accompany the envoys Latjinrana, Panggepa, Padanrang and several princes, together with the matowa, which first-mentioned was sent by Soppeng after the end of the expedition against Aroe Pantjana at the settlement of Akkapengan to Sidenreng in order to speak with the Addatuang there concerning the persons whom he took as booty for himself. Furthermore, I declare to be very glad that the lord governor was pleased to approve the matter in such a way, and recommends us for the good, as is stated in the latest letter. From Makassar, 1 June 1775. As it is stated, I therefore request that the lord governor be pleased to send us a confidant in order to hear the restitution of both sides, or else the unwillingness of the one or the other, because it tires us sufficiently that, in continuation, those of Sidenreng seek to drag out the matter with sweet words and other evasions concerning the evil conduct of Aroe Pantjana; which we also saw with much joy in the letter that the lord governor, whenever we are wronged, would gladly support us. So I cannot refrain from making known to the lord governor again by this that the person appointed as matowa at the settlement of Tjinakko recently hosted a feast there, upon which occasion two got into a fight and died afterwards, while the household where the quarrel arose was plundered by Aroe Pantjana, who took away 15 head of people, which is contrary to the agreement concluded with our friends in the presence of our mother, that the one may not take anything away from the other without first notifying the owner; the copy is also going herewith for inspection.

Dutch transcription

185. 583 _„o aan den sergeant te Bouton Jan Christoffel Steijnbach de dato 27. dec:r 1774„ N„o 23 brief van den her gouvernur aan den koningen aijsgoten van onton de dato 0 ember 7 „ 24. „ „ „ 25. Instructie voor den onderstuurman Jan Draijer vertrekkende met de pantjallang de oppas naar Bouton ged„t 29 december 1774: annex een Protest - - - -- „ 26. Translaat maleijdse brief geschreeven door den koning van Bonij aan die van wonten en zijne„ rijk grooten de dato 26 december 1774 ƒ - „ „ 27. brief van den heer gouverneur aan den bimas Commandant Lecerps de dato 14 Januarij 1775. „ 28. „ geschreven door den binas Commandamt : heers an den he gouvrneur de dato 13 tber: 174.„ „ 29 „ van den binas Commandant ler erps an als boven de dato: 20 febr 175. „ 30 Translaat maleijdse brief geschreeven door den koning van sumbawa aan den Commandant van bima de dato 26 van de maand dul Caida 1188: „ 31: brief aan den Commandant te bina A„ Eecers an den koning van Sumbauwa de dato 10. febr 1752 „ 32. „ aan den heer gouverneur de dato 2. febr: 175 „ 33. Translaat maleijde brief geschreeven door den koning en rijksgooten van dompo aan den heer gouverneur en raed ges„t 9 vande mand wemallang 1108. .„ „ brief geschreeven door en als een den 2 . dag den maand sadjie 108 gend ha„ „ 34. „ „ 25 brije van den heer gouvaneur aan den vandrig Commandam te Venma Lece d dato2 April 175. „ 36 „ „ „ „ Do aan den koning en rijksgrooten van Dompo de dato 2. april „ 37 „ „ „ „ sergiant te bouton Jan Chrstofl Reijnbach aan en hargnd:r e at at „ 30. brief van aen binas Commandant zeerps an den heer gouverneur de dato 5: april J:o E: „ 39 Translaet malagde barif gescheeven door gusti waijentagan te salm parang aan en heer gouvernaar de „ „ .„ - - de dato 20 van de maand aulka Edda N„o 40. Traenstaet maleijdse brief geschreeven door als boven aan den Commandant te bina sonder datum- - „ „ 41. brief van den heer gouverneur aan den Commandant te bima Eecerps de dato 17 April 1775 - - „ „ 42. „ „ „ „ _ o aan den koning van salempavang de dato 15. april - - - „ „ 43 „ „ „ „ _„o aan den koning van groot balij de dato als boven - - - - „ „ 44 Concept Articulen tot een contract tusschen dE Compagnie en het rijk van Balij - - - „ „ 45. Translaat macassaars brief geschreeven door den ordinaire sendeling te bouton Daeng Mandjarekie aan den oppertolk gerrit Brugman sonder datum - - - -„ „ 46: „ bouginees brief geschreeven door den na bouton gesondene bonijse sendeling aan den 5.. koning van bonij sonder datum . „ 48 relaas gedaan door daeng Marnginbarri wegens sijne ontmoetingen op de rheijse door hem gedaan na bouton ged:t 21 april 1775 „ 48. brief van den Commandant te bima geschreeven aan den heer gouverneur de dato 9: meij 1775„ „ 49 „ geschreeven door den stuurman Jan godlieb Dreijer van bouton als boven gem: dedate 15. maij 1775 „ zergeant te bouton Jan christoffel Steijnbach aan als even - „ 51. Translaet maleijdsche brief geschreeven door den koning van sumbauwa aan den heer gouver„ „neur de dato 14. van de maand Saphan 1189. - - „ 52. rapport gerigt aan den boekhouder en Saleijers resident Jan hendrik voll Junior nopens het geene den tolk aldaar weder vaeren is in sijne Commissie na Fanna Malawa de dato 15. februarij 1775. „ 53. Translaat maccassaars brief geschreeven door ordinaire sendeling daen9 mandjarekie aan den Eerste gesw: tolk gerrit Brugman sonder datum - „ 54. „ bougineese brief geschreeven door den te bouton sijnde bonijse sendeling Aanden . koning van Boutj sonder datum - „ 55. brief geschreeven door den binas Commandant Alexander lecerp anden heer gouverneur de dato 21. meij 1775. „ „ „ 50 „ „ „ - „ - 17 385 Van Maccasser den 1: Iunij 175: N„o 1 Translaat boegineese geschrift geschree„ „ven door Ponlipoe E van Soping, aan Den wel Edele Agtbaren Heere Paulus Sodofredus van der voort gouver„ „neur en directeur deser custe celebes be„ „nevens den Raad Luijdende aldus Na de Ordinaire Complimenten en begroeting So maak ik bekent dat de brief van den heere gouver„ „neur seer wel ontfangen, en den inhoud van dien wel verstaan hebbe so dient deese ten geleijde van de sendelingen latjinrana panngepa E: Padanrang E en Eenige prinsen mitsgaders den matowa welk Eerst gem: door soping na 't eijnde van den optogt tegens aroea Pantjana op de negorij akkapengan na sid eenring is gesonden ten eijnde den Adatoeang aldaar wegens de persoonen die denselven als Een buit na sig heeft genomen te spreeken. voorts betuige ik seer verblijd te zijn dat ten heere gou„ „neur de saak sodanig heeft gelieve goed te vinden en ons in 't goede recommandeere als bij de Jongste brieff vermelt Van Maccasser den 1: Junij 1775: vermelt staat dierhalven versoeke dat den heere gouverneur een vertrouweling oms gelieve toe te sonden om de restitutie van weder zijds dan wel de onwilligheijd van de bene off andere aan te hooren vermits het ons genoegsaam ver„ veeld dat bij Continuatie die van sedeenring met soete woorden en andere uitvlugten de saak soek slepende te houden omtrend het quade bedrijf van Aroe pantjana 't geen bij de brief meede met veel blijdschap gesien dat den heere gouverneur wanneer w' verongelijk worde gaarne wilde onderstemnen so kan ik niet af sijn den heere gouver„ „neur bij deesen weder bekent te maeken dat den persoon op de negorij tjinakko als matowa aangesteld jongst aldaar een feest heeft aangelegt bij welk geleegentheid twee in gevegt geraakt daar na gestorven sijn terwijl de huishouding alwaar de rusie ontstaan is door aroe pantjana geplundert is die 15. koppen menschen weg ge„ „nomen heeft 't geen strijdig is tegens het gemaakte accoort met onse vrienden gesloten ten bijweesen van onse moeder dat de Eene van den ander niets vermag wegneemen sonder alvoorens den Eijgenaar kennis te geven gaande de Copia hier nevens meede ter vertooning aan

NL-HaNA_1.04.02_3445_0639 view scan ↗

English

From Makassar, the 1st of June, Anno 1775. To the Lord Governor: I have therefore ordered the matowa of Tgmakko to make this known there to Jennang Takalara, named Daeeng Manassu, as some Takalars are subject to him, which can then subsequently be made known to the King of Bonij. Concerning the land Salolang, about which the Lord Governor desired to have some clarification, I can inform the Lord Governor nothing other than that the said settlement, when Matinroea Rimoesoena attacked the settlement Barnoe, was given as a gift to my uncle, named Vata or Arve La Olang, for his demonstrated bravery, which he subsequently bestowed upon me in turn, when my mother was received into grace by the King of Bonie, which is all too well known to the Captain Malay. I have also learned from my mother that on that occasion the King of Bonie supposedly said that she needed not be fearful about everything that Matinroea Rimoesoena had committed at the Bonij court, since everything established by him, as well as by Matinroea Ritiepoesoe, must remain in effect, which is now entirely overthrown by his own children, such as Aroe Pantjana and Aroe Pao Pas; for which reasons I pray the Lord Governor to investigate this matter and favor my rights. And should this be violated, I shall furthermore extend my claim first of all to seventy household slaves of Aroe Patodjo taken by Matinroea Rimoesoena for himself, from which number the Lord Governor may select twenty to thirty heads. We are also unspeakably glad that the Lord Governor pleases to assure that he will support our rights and welfare in all respects, as well as for the further recommendations; and in token of my sincerity I further testify that if any burden should be imposed that we are impossible to bear, and the Lord Governor were to order us to do so, we would take it upon our shoulders with great pleasure, in evidence that the Honorable Company has placed our country and people in freedom. And should the Lord Governor desire to know any matters concerning Wadjo, the Lord Governor may learn from this emissary Patjinrana. It stood below: Written at the King's house on Saturday the 14th of October, Anno 1774. Lower: For the translation, was signed: G: Brugman. It stood below: Agrees. Signed: I: B: Godenpijl. Translation. From Makassar, the 1st of June, 1775. Number 2. Translation of a Bugis document sent by the Ponlipoe of Soping to the Honorable, Right Venerable Lord Paulus Dodofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, for presentation; containing certain laws drawn up at Pantjana in the presence of the Queen, to be observed by the King's children. Firstly: No one is permitted to dispose of another person's property without first giving notice thereof to the owner or to the person whom he shall appoint in his place, with all offenders being punished in the following manner: Those who are caught at a fish pond must be ransomed at 8 rixdollars per head, and if found at a fish trap, 2 rixdollars; likewise also for trees on other plantations. Second: [omitted] Third: Also, no one, even if they were the King's own bondmen, may take on any matters, except for the Jowas and soldiers to whom alone this is permitted, who must nevertheless bring the matter before the grandees of the realm for investigation. Fourth: All those who have outstanding monies are permitted to demand payment from their debtors; but if the latter should deny the debt and desire to bring the matter before the King or grandees of the realm, and the creditors prevent this by force, all such persons may be put to death. Yet if they go free on that occasion, they must be handed over to the grandees of the realm, who, after investigation, shall make known the imposed punishment to the master under whom he may fall, without it being permitted to be contradicted by anyone, whosoever it might be. Fifth: A thief being caught must immediately be handed over to the owner and his committed offenses made known, though in his absence to the persons who may be found at the house. Sixth: If one brother comes to punish his slave and the same thereupon takes flight to the other brother, he is not permitted to retain that slave, but they shall jointly impose a punishment according to merit. Seventh: If one brother desires a slave from the other, notice must be given to the owner, without using force in any way. Eighth: If anyone has a just claim and goes to the grandees of the realm and is not heard there, he may submit his case directly to the King. Ninth: The King alone is permitted to press vessels into service when he wishes to travel elsewhere. It stood below: Translated by me into the Dutch language. Was signed: Brugman. Lower: Agrees. Signed: I: B: Godenpijl.

Dutch transcription

wi 587 Van Maccasser Den 1: Junij A„o 177 1775 aan den heere gouverneur ik heb dierhalven den matowa van Tgmakko g'ordonneert om aldaar Jennang takalara gen:t daeeng manassu sulks bekent te maeken terwijl en Eenige takalars onder sijn die als dan vervolgens den koning van Bonij kan bekent maken. Het land salolang 't geen den heere gouverneur be„ geerde daar omtrent Eenige opheldering te hebben kan ik den heere gouverneur niets anders dienen dat gem: negorij wanneer matmaca rimoesoena de negorij Barnoe attaqueerde mijn oom gen:t vata of Arve La. olang om zijn betoonde dapperheijd tot een present was gegeven die ver„ „volgens aan mij weder vereerde, wanneer mijn moeder door de koning van konie in genade aangewomen wierd dat den capitein maleijer al te wel bekent is. ook heb ik van mijn moeder vernomen dat bij die gele„ „gentheid den koning van bonie soude gesegt hebben dat zij niet behoefde bevreest te wesen over al 't geene Matinroea Ri„ „moesoena aan 't bonijse hoff gepleegt hebbe terwijl al't geene door hem is ingesteld so wel als door Matinroa Ritie poesoeE: sal moete blijven stant grijpen het welk thans door sijn eijge kinderen als aroe Pantjana en aroe pao pas alles om verre geworpen om welk reedenen ik den heere gouverneur wilde heid Van Maccaser den 1: Junij 1775. gouverneur bidde om deese saak te ondersoeken en mijn regt te be„ „gunstigen en indien sulks verbrooken word so sal ik verders mij„ „ne pretensie uitbrijden voor Eerst over seventig stuks huislaven van aroe patodjo door matimaoa Rimoesoena na sig genoomen van welk getal den heere gouverneur twintig â dertig koppen kan uitkiesen. wij sijn ook onuitspreekelijk verblijd dat den heere gouverneur gelieve te verseekeren van ons regt en welvaart in alle opzigte te wilde ondersteuren, gelijk ook over de verdere recommandatien en in teekenen van mijn opregtigheid betuige ik verders indien en Eenige last die wij onmogelijk kunnen dragen en den heere gouverneur ordonneere sulks te omoete doen soude wij met veel oplaisier op onse schouders onemen tenblijke dat d d'Edele Comp: ons land en volk in vrijdom heeft gesteld en indien den heere gouverneur eenige saaken van wadjo begeerde teweten kan den heere gouverneur van dese sendeling Patjinrana vernemen /:onderstond:/ geschreeven op skonings huis op Saturdag den 14. october A:o 174. /lager:/ voor de Translatie /:was geteekent:/ G: Brugman /:onderstond:/ accordeert /:geteekend:/ I: B: Godenpijl. Translaat # 589 Van Maccaser Den 1: Junij 175. — No: 2 Translaat Boegineese geschrift door den ponlipoe E: van soping aan den wel Edele Agtb: Heere Paulus Dodofredus van der voort gouverneur en directeur deser Custe Celebes ter vertooning gesonden; behelsende be„ „nige wetten opgemaakt tot Pantjana ten bij wesen van de koningin om door door 's Konings kinderen onderhouden te werden Eerstelijk Niemand vermag over een andermans goederen te dispo„ „neeren sonder alvorens den eijgenaar dan wel die geene die hij in sijn plaats sal kome te benoemen daar van kennisse te geeven, werdende alle overtredres op deese na„ „volgende wijse gestraft. Die bij Een visvijver g'attrapeert worden moeten weder uitgelost worden de kop tegen rijxd„s 8: en bij Een viskuijl gevonden wordende rijd:s 2: desgelijks ook bij boomen op andere plantagien. Twede derde ena tie t 50. van Maccasser den 1: Junij 1775: Derde ook vermag niemand alwaar het zelfs lijfeijgenen van den koning Eenig saken aanneemen uitgesondert de Jowas en soldaaten aan welke sulks alleen is toegestaan die de saak egter bij de rijksgroten tot ondersoek moeten brengen. vierde werd aan alle die geene die uitstaande penn: heeft geper„ „mitteert haar debiteurs aan te maanen dog indien deselve deschuld komen te onegeeren en bij de saak bij den ko„ „ring of rijksgrooten begeerende aantebrengen ende crediteuren sulks met geweld tegen houden mogen alle de sulke om het leven gebragt werden dog bij die gelegentheijd vrij komende moeten 'z aande rijks„ grooten worden overgegeven die na ondersoek de „meester op onder wie hij mag kome te staan de op„ „gelegde straff. bekent maakt sonder dat door ijmand wie het ook soude mogen weesen mag werde tegen gesprooken. Een dief betrapt wordende moet ten Eerste aan den eijgenaar overgegeven en teffens zijne begaene vijfde fauten 9 113. 591 Van Maccasser Den 1: Junij 175: fauten bekent gemaakt dog bij absentie de persoo„ „nen die op het huijs mogen gevonden worden. Sesde Indien de Eene Broeder zijn slaaff kome te straffen en den selven daar op na de ande„ „re Broeder de vlugt neemt vermag hij die slaaff niet aanhouden maar te samen na verdienst Een straff opleggen. sevende De Eene Broeder van den anderen een slaaff begeerende moet den Eijgenaar be„ kent gemaekt worden sonder Eenigsints geweld te gebruijken Achtste Indien ijmand Een Regtvaar„ „dige pretensie heeft die sig bij de rijxgrooten begeeft en aldaar niet verhoort werden kan hij sijn saek direct aan den ko„ ning opgeven Negende saak „ aan van Maccasser den 1. Junij 1775. Negende Den koning is alleen gepermitteert wan„ „neer hij elders heen wilde vaartuijgen te pressen /:onderstond:/ door mij In 't nederduijtsche taale overgeset /:was geteekent:/ Brugman /:lager:/ Accordeert . /:geteekent:/ Bodenpijl Translaat E D 9. B:

← previousnext →