VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3445

Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3445_0645 view scan ↗

English

From Maccasser, 8 June 1775. No. 3. Translation of a Bugis document written by the collective grandees of the realm of Soping to the Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this coast of Celebes, together with the Council, reading as follows: After the customary compliments. The greetings of us all beneath the soles of the Governor's feet. We make known that the letter has been duly received by us, and its contents brought us abundant joy, all the more because of the expression conveyed also to our King. This letter is sent by the envoy Latjinrana Padanrangh, together with some princes and the Jennang of Passe. And since the Governor has been pleased to mention in the letter our good sentiments and our refusal to listen to the evil counsel of others to depose our Datu, and added to this such wishes that we may persevere therein, we thank the Governor for being pleased to write to us in such a manner. Day and night we have always prayed to God for the prolongation of our King's years, since we are unspeakably rejoiced at his good rule. Furthermore, From Macasser, 8 June 1775. Furthermore, we also let this principally serve to request the Governor that a confidant may be sent to us, in order to depart with them to Mario, who subsequently may hear our words and proceedings. On that occasion we shall not fail to comply strictly with the Governor's admonition, unless God should wish to dispose otherwise therein, for Soping is a weak land, wherefore we place our trust in no one else but the Honorable Company. We shall later let another envoy depart abroad. Below stood: Written at the house of the Pabitsara Poeanna Boeba on Saturday, 15 October anno 1774. Lower down: For the translation, signed G. Brugman. Lower down stood: Agreed, signed BB. Denpijl. Note: Go. J. 117. 595. From Maccasser, 8 June 1775. No. 4. Record of the proceedings in the meeting held at the house of the Governor on 25 October 1774 with the collective Regents of the northern provinces, in the presence of the Maros Resident Van Rossum, the chief interpreter Brugman, and the Captain of the Malays Abdul Cadier, concerning a certain claim brought by the native woman Rabina against the Regent of Labackang. After the Regents had taken their seats, and all the lesser chiefs of Labackang, alongside Rabina and her two witnesses named Daing Nasatie and Zeo, were also seated, and after the Governor had presented to all of them how the purpose of this assembly could not be unknown to them, with an added declaration that His Honor well knew the Craeeng of Labackang but not Rabina, His Honor put the following questions to her, which she answered in the manner noted next to each of them: Question 1: Who she was. Answer: A daughter of Daing Mangalekana, named Kreba. Question 2: Who her mother was. Answer: To this she could not answer, saying that the name had slipped her mind. Question 3: Whether her father was married to her mother. From Maccasser, 8 June 1775. Answer: After she had remained silent for some time, she said yes. Question 4: How she knew this or could prove it. Answer: She gave to understand that the chiefs present here knew it well, as she had still been very young when her father died. Whereupon the Governor, turning to the Regents and further to the chiefs of Labackang, exhorted them to profess the truth without hesitation or fear, reminding them to bear in mind that they would have to confirm their statements by oath, subsequently asking them: Whether it was known to them and they could thus bear witness that Rabina's father was married to her mother. Yet, far from this being confirmed by any of them, some testified that they did not know, but most stated the contrary, even adding that her father had also been an illegitimate child. This being presented to Rabina, she appealed to Craeeng Malise, who, subsequently also being questioned, declared that he could not say whether her father had been married to her mother or not. Hereupon the Governor asked her what her claim was, ordering her to state it now; but she gave no answer before His Honor had put to her how she indeed maintained that a certain Carre Mangalle was her slave.

Dutch transcription

. 593. Van Maccasser den 8: Junij 1775: No: 3. Translaat Boegineese geschrift geschreeven door de gesamentlijke rijksgrooten van Soping Aan den wel Edele Achtbare Heere Paulus Godofredus van der voort gouverneur en directeur deser custe Celebes, bene„ „vens den Raad Luijdende aldus Na de gewoone complimenten De groetenis van ons alle onder de voet soolen van den heere gouverneur so maake wij bekent dat de brief door ons behoorlijk is ontfangen en den inhoud van dien ons in overvloed tot blijd„ schap verwekte te meer over de uitdrukking meede aan onsen koning so dient dese p„r den sendeling Latjinrana padanrangh mitsgaders Eenige princen en Jennang Passe. En dewijl den heere gouverneur in de brief heeft gelieve te mel„ „den over onse brave sentimenten en niet te willen luisteren na quade raadgevinge van andere om onsen datoe af te setten en daar bij met sodanige wenschinge dat wij daar in mag blijve volkerden bedanke wij den heere gouverneur dat ons soda„ „ring heeft gelieve te schrijven wij hebben altoos dag en nagt god aangebeden om de verlenging van onsen konings Jaren, vermits over sijne brave regeering onuitsprekelijk verheugd zijn. voorts Van Macasser den 8. Junij 175. voorts laat wij deese ook principaal diene om den heere gouverneur te versoeken dat ons een vertrouweling mag werde toegesonden, om daar meede na Mario te vertrekken, die vervolgens onse woor„ „den en behandeling kunne aanhooren wij sullen bij die gele„ gentheid niet manqueeren om de vermanning van den heere gouverneur stiptelijk na te komen ten sij god daar in anders sal wilde schikken want sopng is Een ziwakke land waar omme wij op niemand anders ons vertrou„ „wentheijd stellen al op de Edele Comp: wij sullen nader nog een sendeling na buite laate vertrekken /: onderstond:/ geschreeven op 't huis van den Pabitsara poeanna boeba op Saturdag den 15. october anno 1774. /:lager:/ voor de translatie /:geteekent:/ G:t Brugman /:lager stond:/ Accordeert /:geteekent:/ BB: denpijl Aantekening - - Go„ J: 117. 595 Van Maccasser Den 8: Junij 1775:— Aanteekening van het voorgevallene in de verga„ „dering ten huijse van den heer gouverneur op den 25: october 1774. gehouden met de gesamentlijke Regenten van de noorder provintien ten bijwee„ „sen van de Maros Resident van Rossum, den oppertolk Brugman en den capitain der Maleijers Abdul Cadiea, over zeekere pretensie door d' In„ „landsche vrouw Rabina ingebragt tegen den Regent van Labackang. Na dat de regenten zit plaats genomen hadden en alle de min„ „dere hoofden van labackang nevens Rabina en haere twee getuigen met naemen Danig nasatie en zeo mmeede gezeeten waaren mitsg=s door den heer gouverneur aan alle deselve voorgehouden was hoe haar het oogmerk deeser saemen komst niet onbekent konde weesen onder een bijgevoegde betuijging dat zijn Edele craeeng Labackang wel kende maar niet Rabina, so deed zijn Edele Achtb: aan deese de volgende vragen; dewelke sij indiervoegen be„ „antwoorde als bij ieder derselve genoteert staat. Een dogter van daing Mangalekana genaamd wie zij was. Kreba. hier op konde z o niet antwoorden wie haar moeder was. zeggende dat de naam haar ontschooten waere 3: of neur No: 4. 1: 2. Jan Maccasser Den 8: Junij 175 Na dat z' eenigen tijd stil gesweegen hadde zeijde ze Ja. zij gaf te kennen dat de hier present Hoe of zij dit mist of bewijsen zijnde hoofden zulks wel wisten als zijnde konde zij nog zeer Jong geweest toen haar vader overleeden was. waar na den heer gouverneur sig tot de regenten en voorts tot de hoofden van labackang wendende deselve aanmaande om de waarheijd, sonder schrcom ofe vreese te belijden onder voor„ houding van indagtig te weesen dat sij haar gesegde met Eede zoude moeten bevestigen haar vervolgens vragende. of haar lieden bekend was en zij dus getuijgenisse geeven konde dat de vader van Rabina met haar moeder getrouwd was Dog wel verre dat dit door iemand van deselve wierd beves„ tigd so betuijgden eenigen sulks niet te weeten maar de meesten het tegendeel en zelfs bij voegende dat haar vader ook Een onegt kind was geweest. Dit aan Rabina voorgehouden sijnde so beriep zij sig op craeeng Malise die daar na vervolgens almeede gevraagd ver„ klaarde niet te kunnen seggen of haar vader met haar moeder getrouwd was dan niet. Hier op vroeg den heer gouverneur haar wat haere pretentie was haar gelastende die onu op te geeven dog z gaf geen antwoord voor en al een zijn Edele Achtbaere haar voorgehouden hadde hoe zij immers beweerde dat seekere Carre Mangalle haar slaaf of haar vader met haer moeder getrouwd was. zoude 4:

NL-HaNA_1.04.02_3445_0649 view scan ↗

English

From Maccasser the 8. Junij 1775. should be and that she had to prove this, she merely said that this was true and well known, without however producing any the least reasons or proofs, or even, apart from the two witnesses she brought with her to maros /:who, being common folk, and one of whom, daiig na satie, is known as a slave thief and gambler, are not admissible:/, naming a single person, much less being able to answer what was further put before her: how she, declaring herself to still have a brother and a sister, with whom she would jointly have remained the heirs of her father, could prove that this carre Mangalle had fallen specifically to her share. The Honorable Governor having thereupon asked the same of Craeeng Malisse, the latter said that carre Mangalle was a slave, giving as a reason that he had known him as such with craeing Mangerang, but being further asked how he had come from daing Mangerang to kreba and from kreba to Rabina, he declared, just like Rabina, to be unable to say one thing or the other. After which His Honorable and Respected, having ordered first the regents of Maros, but upon their declared ignorance, the lesser chiefs of Labackang to the number of over thirty heads, among whom four old priests, to serve information on the matter, they all collectively declared not to know that carre Mangalle was a slave, but that they had known him of old as a free person, and that he had already been married five times to free women, which could not have taken place From Maccasser the 8. Junij 1775. taken place if he had also not been free, since this was contrary to both their religion and the laws of the land, declaring further to be ready to confirm all this their deposition together by solemn oath. The Honorable Governor, having subsequently had the four persons of labackang who were heard on maros regarding this called before him, asking each of them separately what they had made known concerning this, they served, one by one, to have said not to know that carre Mangalle was a slave, but that they had always acknowledged him as a free person, or had let him serve as such; to the further question whether they had not merely declared that they did not know whether he was a slave or a free person, they roundly answered no. The same question further being put to each of the Maros regents who sat in the assembly, they all likewise attested, one by one, that what had now been deposed by the aforesaid four persons was the truth, and by no means that they had said they did not know whether Carre mangalle was free or a slave. The Honorable Governor, upon pointing out to the resident how much this conflicted with his given statement, the latter appealed to the interpreter carre marring and the messenger daeeng mandjerekie, who both affirmed that the aforesaid chiefs had said that they did not know whether carre Mangalle was a slave or free, but had also added that they had let him serve as a free person, whereupon the resident objected to them that they had not given him this last part: From Maccasser the 8: Iunij 175:— Upon this, it being subsequently asked of craeeng labackang whether in earlier times a division had not been made of seven slaves between daeeng Madese and daeeng mangerang and kreba, he replied that a division had indeed taken place, but that these had not been slaves, but free persons, and that consequently carre Mangalle, having been among them, was also free, which the lesser chiefs of labackang likewise declared, adding that several of them were still residing in Barro. After the foregoing had thus been dealt with, the Honorable Governor further declared that although it clearly appeared that Rabina herself was entirely ignorant of the grounds of her claim, and it was therefore more than suspected that she must have been instigated by others, His Honorable and Respected, in order not to be too hasty, nevertheless did not wish to decide the case entirely, but in consideration that by the suspension of the meeting at maros Crareng Labackang was given the opportunity to bring other witnesses here in addition to his former ones, he therefore granted Rabina a six weeks' delay, so that His Honorable and Respected had it put to her with the order to prove, within that time by credible persons, overthrowing all that was already stated to the contrary: 1: that her father was married to her mother and that she was therefore a legitimate child. From Maccaser the 8: Iunij 175. 2: that carre Mangalle was truly a slave: 3. how the same had come to her father and subsequently to her, such that he lawfully belongs to her. After which the assembly dissolved, the Honorable Governor permitted the regents and other further persons to return home /:was written underneath:/ Thus passed at the place and date as mentioned at the head of this, in the presence of the undersigned /:was signed:/ M: van Rossum, Gt Brugman, some Arabic characters written by the Malay Captain abdul Cadier, and C:t J:k Blij /:lower stood:/ Agreed /:signed:/ B: Bodenpijl

Dutch transcription

119 597 Van Maccasser den 8. Junij 1775. zoude weesen en dat sij dit moest bewijsen toen sij enkel seijde dat zulks waar en wel bekend was sonder nogthans eenige de minste rede„ „nen of bewijsen bij te brengen of zelfs behalven de twee door haar te maros meede gebragte getuigen /:die als gemeene lieden weesende en waar van den eenen daiig na satie voor een slaven dief en dobbelaer bekend is niet admissibel sijn :/ een enkel persoon op te „noemen veel min te kunnen antwoorden op het haar nader voorgehoudene hoe sij selfs verklaerende nog een broeder en een suster te hebben et wien sij te saemen van haar vader erfgenaam soude sijn gebleeven bewijsen, konde dat deese carre Mangalle fuist haar was te beurt gevallen. Den heer gouverneur hier op het selve aan Craeeng Ma„ lisse gevraagd hebbende zeijde deese dat carre Mangalle slaaf was voor reeden geevende dat hij hem als sodanig bij craeing Mangerang gekend hadde dog hem verder ge„ vraagd weesende hoe hij van daing Mangerang op kreba en van kreba op Rabina gekomen was betuigde hij even als Rabina nog het een of ander te kunnen zeggen. waar na zijn Edele Achtbare Eerst de regenten van Maros dog op hun betuigde ignorantie de mindere hoofden van Labackang ten getalle van ruim dertig koppen en daar onder vier oude priesters gelast hebbende om daar op te dienen so verklaarden z alle gesamentlijk niet te weeten dat carre Mangalle slaap was maar dat z' hem van oudscher als een vrij persoon gekend hadden dat hij ook reets vijf maalen met vrije vrouwen getrouwd was 't geen niet soude hebben kunnen geschieden en tie oord hoe aap Van Maccasser den 8. Junij 1775. geschieden wanneer denselven meede met vrije waare wijl sulks so wel tegen hun gods dienst als de landswetten kwamste strijden betuijgende verder bevreijd te zijn dit hun gede„ poseerde al te saamen met solemneelen Eede te bevestigen De heer gouverneur vervolgens voor sig hebbende laeten komen de vier persoonen van labackang die op maros hier omtrend sijn gehoord onder afvrage aan ieder afsonderlijk wat sij daar omtrend te kennen hadde gegeeven so dienden z'alle een voor een te hebben gesegt niet te weeten dat carre Mangable slaap was omaar dat z' hem altoos als Een vrij persoon erkend of wel hem sodanig dienst hadden laeten doen op de verdere vrage of door hun niet enkel was ver„ klaerd dat sij niet wisten op denselven een slaaff op vrij persoon was rondelijk oneen antwoordende. Deselve vrage wijders aan ieder der Marose regenten die in de vergadering geseten hebben meede gedaan weesende so betuigden z alle insgelijks een voor een het thans door de voorsz: vier persoonen gedeposeerde dewaarheijd te weesen en geensints dat deselve souden hebben gesegt iet te weeten of Carre man„ galle vrij of slaaff was. Den heer gouverneur hier op aan den resident voorhoudende hoe seer dit kwam te swijden met sijne gedaene opgave beriep den„ selven sig op den tolk carre marring en den sendeling daeeng mandjerekie die beijden avoueerden dat de voorsz: hoofden hadden gesegt dat 'z niet wisten of carre Mangalle slaaff of vrij was, dog er teffens bij gevoegd dat 'z hem als een vrij persoon hadde laeten dienst 121. 599 Van Maccasser Den 8:' Iunij 175:— dienst doen waar op hij resident haar te gemoet voerde dat z' hem dit Laaste niet hadden opgegeeven: Hier op vervolgens aan craeeng labackang gevraagd weesende of er voortijds niet een verdeeling was gemaakt van seven slae„ „ven tusschen daeeng. Madese en daeeng mangerang en kreba repliceer„ „de den selven dat er wel een verdeeling hadde plaats gehad dog dat dit geen slaeven maar vrije persoonen geweest waaren en dat gevolgelijk ook carre Mangalle als daar onder geweest sijnde vrij was omvoegen ook de labackangse mindere hoofden decla„ „reerden met bijvoeging dat er van deselve nog verscheijden op Barro woonagtig waaren. Na dat het vooren staande dus afgehandeld was verklaarde den heere gouverneur alverder dat schoon het duidelijk bleek dat Rabina van de gronden haerer pretensie selve geheel onkundig en het oversulks meer dan vermoedelijk was dat sij door anderen moest opgestookt zijn, zijn Edele Achtbaere nogtans om niet te voorbarig te zijn die saak nog niet volkomen decideeren wilde maar uit aanmerking dat door de opschorting van de vergadering op maros aan Crareng zaebackang occasie gegeeven was om behalven sijn doen malige getuigen nog andere meede herwaarts te brengen hij dierhalven aan Rabina ses weeken uitstel vergunde invoegen sijn Edele achtbare haar deed voorhouden met last om binnen dien tijd door geloof„ waardige persoonen met om verre werping van alle het reets contrarie geposeerde te bewijsen. 1: dat haar vader met haer moeder getrouwd en sij dus een egt kind was. en vrij dat man de den„ 9 hadden dog en Van Maccaser Den 8: Iunij 175. 2: dat carre Mangalle werkelijk een slaap was: 8. hoe den selven aan haar vader en vervolgens aan haar gekomen was sodanig dat deselve haar wettig toebehoord. waar ona de vergadering kwam te scheijden den heer gouverneur de regenten en andere verdere persoonen permitteerde na huis te keeren /:onderstond:/ aldus gepasseerd ter plaatse en datum als in den hoofde deeses vermeld in't bijweesen vand ondergeteeken„ „dens /:was geteekend:/ M: van Rossum, Gt Brugman, eenige arabische Caracter door den Capilain omaleijer abdul Cadier geschreeven en C„t J=k Blij /:lagerstond:/ Accordeerd /: geteekend:/ 5 B: Bodenpijl Van

NL-HaNA_1.04.02_3445_0653 view scan ↗

English

123. 1603 From Maccasser the 8th of June 1775. To the Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Celebes Coast. Honorable Sir, This serves to accompany the second administrator of the realm, Turelie Dongo, who comes over to Your Honor in his capacity as regent over the young king of Bima in order to take the oath. This young monarch has not yet been proclaimed to this day, as he must first be circumcised before he can be elevated to that dignity. Crossing over here in the company of the aforementioned Turelie Dongo is a number of 15 prahus with the following dignitaries: Jenelio Monta, the Shahbandar, and Boennie Poentie. The young king of Tambora, together with the representative and some dignitaries, will also depart toward Cottij within a few days. No. 5. Furthermore respectfully serving to inform Your Honor that the commandant has departed for Sumbauwa since the 26th of the previous month to speak with the king, but according to rumors, His Highness is still in Paluwang. Wherewith taking the liberty to subscribe myself with the requisite respect and high esteem. Below was written: Honorable Sir. Lower: Your Honor's faithful servant. Even lower: In the absence of the ensign and commandant, was signed: B. Sleijns. In the margin: Bima, in the Company's fortress, the 28th of October 1774. Lower: Certified, signed: F. B. Godenpijl. From Maccasser the 8th of June 1775. 125. 603 From Maccasser the 8th of June 1775. Translation of a Malay letter addressed by the administrator of the realm, vizier Mualim, together with the dignitaries of Bima, to the Honorable Governor and Director, as well as the Council of the Celebes Coast, reading as follows: After the customary greetings: The administrator of the realm, vizier Mualim, as well as the grandees of the realm of Bima, make known to Your Honor by this that Turelie Dongo, Jenelie Monta, and the Shahbandar Boemie Loema Boeloe, who represent the realm of Bima, are now crossing over to appear before the Honorable Governor and Council in compliance with the respected order of Your Honor contained in His Honor's letter brought over by our previous envoys, in order to come to renew and confirm the contract according to custom upon the appointment of a new king. But because we place our trust in no one else than in Your Honor, the Lord Governor, and the Council, especially since our king is too young and has not yet obtained judgment and understanding, indeed even the previous kings who had full understanding always placed their hope and trust in the Noble Company and the Honorable Lord Governor, No. 6. From Maccasser the 8th of June 1775. who seek the best and the well-being of our land and people. We therefore humbly request the Honorable Lord Governor, if it should happen contrary to expectation that our aforementioned envoys commit any error or encounter any difficulty, that Your Honor may be pleased through your customary renowned mercy to pardon and deliver them, and that they may then be allowed to return to the land of Bima. Below was written: Written in Bima on Saturday the 16th of the month of Sabang in the year 1188, with us the 20th of October 1774. Lower: For the translation, was signed: G. Brugman. Lower down: Certified, signed: J. B. Bodenpijl. 127. 605 From Maccasser the 8th of June 1775. Translation of a Malay letter addressed by the administrator of the realm, vizier Mualim, together with the dignitaries of Bima, to the bookkeeper and chief interpreter Gerrit Brugman, reading as follows: After the customary compliments: We make known to Your Honor by this that Turelie Dongo, Jenelie Monta, and the Shahbandar Boemie Loema Boeloe, who have been appointed as overseers over the royal regalia, along with the subordinate chiefs of Bima, are now crossing over to represent the king before the Honorable Governor and Director as well as the Council, in compliance with the order contained in the highly respected letter of His Honor dispatched with our previous envoys, to renew and confirm the contract according to old custom upon the appointment of a new king. We request Your Honor to kindly assist them with Your Honor's good counsel and deed for the well-being of our land and people, since Your Honor is very well aware that our king is still too young and therefore does not yet have proper sense and understanding. Indeed, even the previous kings who had understanding always placed their trust in the Noble Company and the Honorable Lord Governor, No. 7. Maccasser the 8th of June 1775. who seeks the best and the well-being of our land and subjects. Likewise, if it should happen that the aforementioned envoys commit a mistake therein or should encounter any difficulty contrary to expectation, we hope that the Honorable Lord Governor will pardon them through Your Honor's powerful assistance and good intercession. Below was written: Written in Bima on Saturday the 16th of the month of Sabang in the year 1188, with us the 20th of October 1774. Lower: For the translation, signed: G. Brugman. Lower down: Certified, signed: J. B. Bodenpijl.

Dutch transcription

123. 1603 van Maccassr den 8: Iunij 175: — Aan den wel Edelen Achtbaren Heer Paulus Godofredus van der Voort Gouverneur en directeur ter Custe celebes. Wel Edelen Agtbaaren Heer Deese dient ten geleijde van den tweeden rijksbestiender Tu„ „relie Dongo, dewelke in qualiteijt als regent over den Iongen koning van Bima tot uwel Edele Agtb: over„ komd om den Eed te presteeren dien Jonge vorst is tot heeden nog niet gepreclameert alsoo den selven Eerst dient besneden te werden voor en al eer hij tot die waar„ „digheijd kan werden verheeven vaerende hier meede over in geselschap van voornoemde Turelie dongo Een ge„ „tal van 15. prauwen met de ondervolgende grooten als, Jenelio Monta d' Siabandhaar en Boennie Poentie den Jongen koning van Tambora sal meede nevens wackiel en Eenige grooten binnen korten dagen Cottij waards vertrecken. No: 5. erneur te als teeken„ lving 1 wijders uwel Edele Agtb: in Eerbied ter kennisse dienende dat dE commandant 't zedert den 26: der voorige maand na sumbauwa vertrokken is om met den koning te spreeken doch volgens geruchten sal dien hoogheijd nog op Paluwang wee„ waar meede de vrijheijd gebruiken omij met de vereijschte Eerbied en hoog agting te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edelen agtbaren heer /:lager:/ uwel Edelen Agtbaren trouwschuldige Dienaar /onog lager :/ bij absentie van den vaendrig en comman„ dant /:was geteekent:/ B„rn Sleijns /:in margine:/ Bima In scomp: vesting den 28 october 1774.:/:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ F: B: Godenpijl Van Maccasser den 8: Junij 1775. Den „sen 125. 603 Van Maccasser den 8.' Junij 175:— Translaat Maleijdse Brief gerigt door den rijksbastier„ der wassier Mualim nevens de grooten van Bima aan den wel Edele Agtbaeren heer gouverneur en directeur nevens den raad ter custe celebes luidende aldus: Na gewoone begroetingen Den rijks bestierder wassier Mualim mitsgaders de rijksgroo„ „ten van Bima maeken uw wel Edele achtb: bij deesen bekent dat Turelie Dongo D genelie Monta en den sjabandhaer Boemie loema Boeloe die als 't rijk van Bima representeeren thans over„ „komen om voor den wel Edele agtb: heer gouverneur en raad te verschijnen ter nakominge van de g'eerde ordre uwer wel Edele achtb: vervat bij hoogst derselve brief door onsen voorige gesanten overgebragt ten eijnde volgens 't gebruikt bij aanstel„ ling van Een nieuwe koning 't contract te komen renoveeren en bevestigen; maar dewijl onse vertrouwen op niemand anders stellen dan op uw wel Edele Achtb: heer gouverneur en raad voornamentlijk dat onse koning te kleijn is en nog geen verstand en begrip bekomen heeft ja selfs de voorige koningen die volko„ „men verstand gehad hebben, altoos hun hoopen en vertrouwen op d' Edele Comp: ende wel Edele Achtb: heer gouverneur gevestigd hadden dat doch wee„ an„ No: 6. Van Maccasser Den 8:' Junij 172 hadden die 't best en welweesen van ons land en volk betragtende sijn so versoeken wij ootmoediglijk aan de wel Edele Achtbaere heer gouverneur wanneer 't gebeuren omogten dat onse opgem: gesanten tegens verwagting eenig abuis begaan dan wel swaerigheijd ontmoetende deselve door uw wel Edele Achtb: gewoone beroemde barmhertigheijd gelieve te pardermeeren en en uit te redden en sij als dan weeder na t land van Bima mogen laeten te rug keeren /:onderstond:/ geschreeven te Bima op Saturdag den 16: van de maand Sabang in 't Jaar 1180 bij ons den 20:e october 1774: /:lager:/ voor de Translatie /:was geteekend:/ G=t Brugman /:lagerstond:/ /Accordeerd /: geteekend:/ I: B: bodenpijl. Translaat 127. 605 Van Maccasser Den 8:' Junij 175. Translaat Maleijdse Brief gerigt door den Rijksbestierder wassier Mualim nevens de grooten van Bima aan den Boekhouder en oppertolk gerrit Brugman lindende als volgt Na d'ordinaire Compliment. Macken uEd: bij deese bekend dat Iurelie Dongo djenelie monta en den Siabandhaer Boemie loema Booeloe die als opsigters gesteld zijnde over de rijks ornamenten nevens d'onderhoofden van Bi„ „ma thans overkomen om voor den wel Edelen achtbaren heer gouverneur en directeur benevens den raad den koning te repre„ senteeren ter nakoming van d' ordre vervat bij de hoog g'eerde brief van sijn wel Edele achtb: met onse voorige afgesanten gedepecheerd om 't contract volgens oud gebruik bij aanstelling van een nieuwe koning te renoveeren en bevestigen wij versoeken aan uw Ed: om deselve met uw Ed:e goede raad en daad te willen adsisteeren tot wel weesen van ons land en volk vermits uw Ed: zeer wel bewust is dat onsen koning nog te kleijn is en dierhalven onog geen regte bezel en verstand heeft ga zelfs de voorige koningen die verstand gehad hebben hun vertrouwen altoos gesteld hebben op d' Edele comp: en den wel Edele Achtb: heer sijn ten heijd e te den 1774: ttan No: 7 Maccasser den 8: Junij 1715: Jan heer gouverneur die 't best en wel zijn van ons land en onderdaenen bewragtende is insgelijks wanneer t gebeuren mogte dat d'opgem: gesanten een misslag daar inne begaan ofte Eenige swaerigheijd tegens verwagting ontmoeten mogten so hoopen wij dat dewelEdele agtb: heer gouverneur door uw Ed:e vermogende bijstand en goede voor„ spraak haar pardonneeren sal /:onderstond:/ geschreeven te Bima op Saturdag den 16: van demaand Sabang in 't Jaar 1188: bij ons den 20=e october 174. /:lager:/ voor de Translatie /:geteekend/ G=t Brugman /:lagerstond:/ B: Bodenpijl. Accordeert /:geteekend:/ S: Brief

NL-HaNA_1.04.02_3445_0659 view scan ↗

English

From Macassar, 8 June 1775 Letter written by the Governor to the Poenliepoe of Soping After customary and friendly greetings, I further inform my friend that I have duly received his letter from the hands of the envoys La Tjinnana Pangepa Padanrang and further Princes who have arrived here, together with the Matoua. It is extremely pleasing to me that you find satisfaction in the counsel and admonitions contained in my recent writing, and especially with regard to the Adatouang of Sedeenring, who is fully prepared to settle the mutual dispute. For which reason I also did not wish to refuse my friend's request to have a capable person assist there on my behalf, provided that you agree with him to each send your grandees to a neutral place, for which Lampoko seems to me the most suitable, whither I will then dispatch the Captain of the Malays; for I consider it ill-advised to send him to Soping or to Sedeenring, of which the reasons are well known to you. No: 8 From Macassar, 8 June 1775. On the other hand, it has grieved me very much to hear new complaints about violence committed by Aroe Pantjana, or indeed the abduction of 15 heads from Tjinacko, running directly counter to the contents of the agreement sent to me; yet, considering there are some Takalars among them, I will expect that Jennang Takalara Daing Manassa will notify the King of Boni thereof, and His Highness will then take the necessary action regarding it; for to have Aroe Pantjana addressed about this himself would certainly be in vain, and to speak directly with the Queen of Tanette about it I consider even less advisable, not only on account of the alienation that would thereby arise between Her Highness and you, but because the displeasure of the King of Boni toward you would even increase again thereby; and thus it also stands with the matter concerning Zalolang. I do not mean by this, however, that I am not inclined to do everything possible to provide justice for my friend and to help him obtain what is his; on the contrary, I hope that time will afford me an opportunity for this which does not yet exist at present, which I trust you will certainly agree with. From Macassar, 8 June 1775. and on the other hand to be assured that I intend no self-interest and therefore also desire none of the offered serfs, even if you wished to give me all that could be obtained, since I am never concerned with gifts, but rather to cooperate for everyone's best and thus to preserve harmony and peace. This is the principal thing, as I have said repeatedly, in which both rulers and subjects must and will always find themselves most fortunate, and therefore I expect of my friend and all the grandees of Soping together that they will always observe the same in all respects in arising difficulties and insults, always thinking that it is better to suffer somewhat than to gamble on the uncertain outcome of the execution of revenge. For what was communicated regarding Wadjo I express my thanks, the envoy Patsinrana having informed us of everything that was known to him; I nevertheless request, if in time anything further should be learned, to be informed thereof as well, which will do me pleasure. For the rest, I wish my friend everything that is desirable. Underneath stood: written in Macassar in Castle Rotterdam, 10 November 1774. Was signed: P. G. van der Voort. Lower: Agrees. Signed: F. B. Godenpijl. From Macassar, 8 June 1775. From Macassar, 8 June 1775. No: 9 To the collective Grandees of Soping After customary greetings. With the envoys Pasjinrana Padanrang, some Princes, and Jennang Passe who have arrived here, I have received with great joy your letter, as I have learned further therefrom their praiseworthy sentiments with respect to their King, the following of which will redound to the happiness and blessing of you all. As regards the sending of a person to be present at the settlement of the dispute between Soping and Sedeenring over the village of Mario, I am not only prepared to do so, but have already resolved to employ the Malay Captain for it, provided my friends will have the matter settled in a place by the grandees of both sides where I can send the same, and for which Lampoko seems to me the most suitable; thus I shall merely await when the meeting will commence, adding hereto in the meantime From Macassar, 8 June 1775. that the Adatouang is fully prepared to settle the dispute, which I expect no less from you, to whom I meanwhile wish much blessing and health. Underneath stood: written in Macassar in Castle Rotterdam, 10 November 1774. Was signed: P. G. van der Voort. Lower: Agrees. Signed: F. B. Godenpijl.

Dutch transcription

129 1607 Van Macater dn Juij 175 Brief door den gouverneur geschreeven aan den Poenliepoe E: van Soping Na gewoone Eevriendelijke groete wijders maake mijnen vriend bekend dat ik desselfs brief wel ont„ „fangen hebbe uit handen van de zendelingen La Tjinnana Pangepa E: Padanrang E: verdere alhier gekomen Princen nevens den Ma„ „toua Het is mij ten uitersten aangenaam dat uwe genoegen komt te neemen in den raad en vermaeningen bij mijn Jongste schrijvens vervat en insonderheijd ten opsigte van Adatou„ „ang van seveenring die volkomen bereijd is om het onder„ linge geschil te willen aefmaeken. weshalven ik ook niet hebbe willen afslaan mijn vriends versoek om mijnent wegen daar bij een bekwaam persoon te doen assitteeren als uw met denselven omaar wil over eenkomen om ieder zijne rijksgrooten op een onzijdige plaats te zenden waer toe mij Lampoko de gelegenste toeschijnt werwaerds ik als dan den capitain der maleijers depecheeren sal want om hem na soping of nna sedeenring te zenden agte ik ongeraeden waar van uwe de redenen wel bekend sijn. Daar heijd dele 1 a den No: 8 Van Maccasser den 8: Junij 1775. Daar en tegen heeft het mij weder seer leed gedaan nieuwe klagten te verneemen over gepleegd geweld door aroe Pantja„ „na of wel het rooven van 15 koppen van Tjinacko direct aan„ loopende tegen den inhoud van het mij toegesonden accoord; dan gemerkt daar onder eenige Takialars sijn so wil ik verwagten dat Jemnang Takalara Daing Manassa den koning van Bonij daar van kennisse geeven en sijn hoogheijd daar om„ „trend als dan het nodige te werk stellen sal want om aroe Pantjana hier over selfs te doen onderhouden soude seeken„ lijk vergeefs omoete weesen en om er met de koninginne van Tanette direct voor te spreeken agte ik nog alto min geraeden niet alleen ter oorsaake van de verwijdering welke daar uit so tusschen haarhoogheid en uw soude ontstaan maar dat selfs het misnoegen van de koning van Bonij tegen uw alweder soude vermeerderen en diervoege„ is het ook gesteld met desaak betreffende zalolang Jk wil hier meede egter niet geneijgd ben om alles wat mogelijk sij aan te wenden ten eijnde mijnen vriend regt te besorgen en aan het zijne te helpen in tegendeel hoope ik dat den tijd mij daar toe gelegentheijd sal geeven die er voor als nog niet is 't geen ik vertrouwe dat uE wel sal toestammen 131. 609 Van Maccasser den 8:' Junij 1775: toestemmen en aan de andere kant verzekert te zijn dat ik geen eijgen voordeel bedoele en dus ook geene van d' aangebodene Leijfeijgenen begeeve alwaare het dat uE E 1 8 mij alle geeven wilde die er te krijgen mogte weesen vermits het mij nimmer om geschenken te doen is maar wel om tot een ieders beste meede tewerken en dus de eendragt en vreede te conserveeren. Dit is het voornaamste so als ik meermaals gesegt hebbe waar bij en vorsten en onderdaenen sig het geluckigste moeten en ook altoos sullen be„ vinden en dierhalven verwagte ik van mijnen vriend en de gesamentlijke sopingse rijksgrooten dat se het selve steeds in allen opsigte betragten sul„ „len in voorkomende swaerigheeden en beledigin„ „gen altoos denkende dat het beter sij wat te lij„ „den dan sig aan d' onseekere uitkomste van wraak oeffening te hazardeeren. voorhet bedeelde nopens wadjo betuijge ik dank de zendeling Patsinrana, wij g'informeerd hebbende alles wat hem bekend was ik versoeke nogthans so in der tijd iets uwe a aan„ dan van aroe eken„ voegen wat te 3 . iets naders mogt werden vernomen, daar van meede onderrigt te worden waar meede mij plaisier sal geschieden. voor 't overige wensche ik mijn vriend alles wat wenschelijk is /:onderstond:/ geschreeven te Macasser in 't Casteel Rotterdam den 10. November 1774: /was geteekend:/ P: g: van der voort /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ F: B: Godenpijl. Aan Van Maccasser den 8: Iunij 1775:— 135. bee Van Maccasser den 8:' Junij 173:— No: 9 Na gewoone begroetingen. Met d' alhier aangekomene sendelingen Pasjinrana Padanrang E: eenige Princen en Jennang Passe hebbe ik tot mijne groote blijdschap ontvan„ gen uwen brief wijl ik daar uit nader ver„ „nomen hebbe derselver prijsselijke sentimenten ten opsigte van haeren koning welker op volging uw allen tot geluk en zegen sal gedijen. wat betreft het zenden van een persoon om tegenwoordig te weesen bij het afdoen van de quasti tusschen soping en sedeenring over de negorij Mario daar toe ben ik niet alleen bereijd maar hebbe riets voorgenoomen en den capitain Maleijer toe te gebruiken als mijne vrienden de saak maar op een oplaats door weder zijds Rijksgrooten willen laeten afmaeken daar ik den selven senden kan en waar toe mij lampoko als de gelegenste toeschijnt des ik als dan maar verwagten sal wanneer de saemenkomst een aanvang sal neemen hier onder tusschen bijvoegende Aan de gezamentlyjke Roffisgrootens van Soping dat r N Van Macasser den 8. Junij 177. dat Adatouang volkomen bereijd is om het geschil by te leggen dat ik ook niet minder van uw lieden verwagte die ik inmiddens veel zegen en gesondheid wensche /:onderstond:/ geschreeven te Maccas„ „ser om 't Casteel Rotterdam den 10 Novem„ ber 1774. /: was geteekent:/ P: G: van der voort /: lager/ ƒ ƒ Accordeert ƒ ƒ B: B: Godenpijl /:geteekend:/ Aan

NL-HaNA_1.04.02_3445_0665 view scan ↗

English

135. 633 From Maccasser, the 8th of June 1745. No. 10 To the Right Honorable Lord Paulus Godefredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes Right Honorable Lord! With this opportunity I take the liberty to inform Your Right Honor that I have repeatedly pressed His Highness regarding my departure for Maccasser, but have not yet been able to obtain any firm resolution from His Highness. When on the 3rd of this month His Highness came down to inspect some proas which were still to be equipped for war, I requested to speak with His Highness in person. Having come before him, I pressed for my departure, whereupon His Highness gave me to understand that he was in the greatest anxiety in the world, as he constantly kept the Company's letter in his memory, and that he could not let me depart without slaves since he did not yet have enough. For the entire force of Bouton had departed for Woena to bring the Raja there to obedience, but that they had not yet profited anything more than setting some small villages on 2. From Maccasser, the 8th of June 1745. fire, but had not yet reached the main village. But that he hoped, if the matter did not change in the near future, he would go there himself, and if he were fortunate, he would let me depart next year in the month of February with the first fair wind and deliver the full number of slaves at Maccasser, and that I could inform Your Honor of this, and that he would also send a letter along to Your Honor with the bearer of this. Thus, I and my subordinates are in the greatest embarrassment, for we are destitute of money and provisions. Concerning my extirpation, I have been further into the land of Bouton this year than in any year before, for I have been up to the latitude of Copea, but I was not permitted to go to Kalesoesoe because His Highness was afraid that some misfortune might befall me, as they are currently at war with them. I hope that this will be satisfactory to your content. Was signed: Right Honorable Lord, Your Right Honor's obedient and duty-bound servant, was signed: J. C. Steijnbach. In the margin: Bouton, the 11th of November 1744. Lower: Agrees, signed: J. B. Godenpijl. 137. 635 From Maccasser, the 8th of June 1775. To the Right Honorable Lord Paulus Godefredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes Along with the Council Right Honorable Lord and Gentlemen, Whereas the joint regents have informed me that the island of Tanna Masala, which was already visited some years ago by the people of Boneratte to fell the necessary timber there for their dwellings and vessels, is at present not only inhabited by them for a large part, but they possess the same virtually as owners, I find myself obliged most humbly to request Your Right Honors to make such provision therein as Your Honors shall see fit to approve. For the said Boneratte people are not so much concerned with obtaining the timber as, in my humble opinion, to make themselves masters of the other islands lying there in time as well. And should they achieve their aim, they would, as they are accustomed to do on Boneratte and as is sufficiently well known, harbor all smugglers and unauthorized traders, as well as other ill-intentioned persons, No. 11. From Maccasser, the 8th of June 1775. and also detain and attract all vagrants to themselves, and subsequently, conspiring with them, practice further evil, which could in time cause notable damage to the Honorable Company and the Saleijerese subjects, which latter are already being prevented by the Boneratte people from taking anything away from the said island. I have the honor to be with all respect, Right Honorable Lord and Gentlemen, Your Right Honors' humble and obedient servant, was signed: Jan Hendrik Voll Junior. In the margin: Maccasser, the 20th of November 1774. Lower: Agrees, signed: J. B. Godenpijl. 137 617 From Maccasser, the 8th of June 1775. No. 12 Whereas, following the death of the King of Bima, Abdul Kadim Muhammad Syah Zillu'llah fil-Alam, both by lawful succession and unanimous election of the joint grandees of the realm, the deceased's minor son, Abdul Hamid Muhammad Syah Zillu'llah fil-Alam, aged eleven years, has again been elected to that dignity, and on that account also the Tureli Dongo as regent of the realm; and that the said grandees of the realm, both by letters and through a dutiful embassy headed by the said Tureli Dongo, have made a request to this Administration that this election of the King and appointment of a regent by them be ratified and that the one and the other might thus be confirmed; it is therefore that, no reasons having appeared to us to refuse the same, we hereby consent thereto by this our open deed, nevertheless entirely subject to the further respected approval of His High Nobility the Governor-General and the other Lords Councillors of the Netherlands Indies, and on condition that the regent, as well as the other envoys present here, in the name of the King and all the other grandees of the realm, as well as each for himself and in his capacity, shall be bound to keep and maintain the contracts formerly made and concluded with the Netherlands Company by the Kings of Bima, and especially the last one of the 9th of February Anno 1765.

Dutch transcription

135. 633 Van Maccasser Den 8. Junij 1745. No: 10 Aan Den wel Edelen Achtbaren Heer Paulus Sodofredus van der voort Gouverneur en directeur deeser custe Celebes Wel Edelen Achtbaren Heer! met deese oicagie de vrijpostigheijd om uw wel Ed: Agtbare te communiceeren dat ik tot verscheijden reijsen toe bij sijn hoog„ „heijd aangehouden om omijn vertrek na macasser maar nog geen vaste resolutie van seijn hoogheijds kunnen krijgen als op den 3: deser quam sijn hoogheijd om laag om eenige prau„ „wen te bezien welke nog ten oorlog souden uitgerust worden waar op ik versogt om sijn hoogheid selvs temogen spreeken bij hem gekomen sijnde so hebbe om mijn vertrek aangehouden so heeft sijn hoogheijd mij omtrent te verstaan gegeeven dat hij in de grootste ongerustheijd van de waereld was terwijl steeds sComp: brieff in sijn memorie hadde en dat hij mij niet konde vertrekken laeten sonder slaeven terwijl nog niet genoeg hadde want dat de heele magt van Bouton vertrokken was ona woena om t radja aldaar tot gehoorsaamheijd te brengen maar dat zij nog niet omeer geproviteert als eenige kleijne negorijen in den brand 2: Van Macasser den 8. Junij 175. brand gestookken omaar de hoofd negorij nog niet gekomen maar dat hij hoopte bij aldien desaak niet eerstdaags veranderde so soude hij selvs daar na toe gaan en bij aldien hij gelukkig was dat hij mij met aanstaande Jaar in de maand februarij met den Eersten goede„ wind soude laeten vertrekken en 't getael slaeve altemael afteleggen op maccasser en dat ik sulks aan uEd: agtb: konde berigten en dat hij ook met brengen deeses een brief soude meede geeven aan uwEd: Agtb: so dat ik en mijn onderhoorige inde grootste verlegentheid sijn mant sijn ontbloot van geld en levens middelen. Aangaande mijn Estripatie so hebbe dit Jaar so ver op 't land van voutong geweest als nog geen een jaar want ben tot op de hoogte van Copea geweest maar na kalesoesoe hebbe niet mogen gaan terwijl sijn hoogheijd bange dat mij een ongeluk mogte overkomen terwijl thans met haar in oorlog hoop dat daar meede ten genoegen sal contenteeren /:onderstond/ wel Edele agtb: heer /:lager:/ uw Edele agtb: deer gehoorsamen en tro uwschuldigen dienaar /:was geteekend:/ I: C: Steijnbach /:in margine/ onton den 11 November 174 /:lager: accordeert /: geteekend/ :rk B: bodempijk Aan „tot 137. 635 Van Macaser den 8:' Junij 175. Aan den wel Edele Achtbaren Heere Paulus Sodofredus van der voort Gouverneur en Directeur deser Custe celebes Benevens den Raad Wel. Edele Agtb= Heer en Heeren Dewijl de gesamentlijke regenten omij te kennen gegeeven hebben dat het Eijland Tanna masala t welk reets voor eenige Jaaren door het volk van Boneratte is besogt om de nodige houtwerken voor hunne wooningen en vaartuigen aldaar te kappen tegenwoordig door deselve niet alleen voor een groot gedeelte bewoond word maar si t selve als bijge„ „naars genoegsaam besitten so vinde ik mij verpligt uw wel Edele achtb: ootmoedigst versoekende daar in sodanig voorsienmn„ „ge te doen als hoogst deselve sal kome goed te vinden dewijl het gem: Bonerattens miet so seer om het hout„ aan te bekomen te doen is als wel na mijn gering oordeel om sig ook vande andere daar leg„ „gende Eijlanden in der tijd meede meester te maeken en wanneer t' hun oogmerk quamen te verkrijgen als dan alle smotikelaars en ongeparemitteerde handelaars mitsgaders andere quade g'intentioneerde dat mij goede„ teleggen dat uwEd: heid theid van hoogte gen mogte n agtb: dienaar 11 ar 1 No: 11. Van Maccasser Den 8. Junij 1775. g'intentioneerde gelijk ze op moneratte gewoon sijn en ook ge„ noegsaam bekent is so omeede alle swervers op te houden en bij sig te lokken en vervolgens met deselve samen spannende weder anders quaat te practiseeren t welk omerkelijk schade voor de Edele comp: ende saleijereese onderdaanen in der tijd soude kunne veroorsaaken welke laaste door de Bonerattesis reets belet worden van gem: Eijland iets weg teneemen Jk hebbe d'eer met alle Eerbied te sijn /:onderstond:/ wel Edele Agtb: heer en heeren /:lager:/ uw wel Edele agtb: onderdanige en gehoorsame dienaar /:was geteekend:/ Jan Hendrik voll Junior /:in margine /: maccasser den 20 november 1774. /:lager / Accordeert /:geteekend/ I: B: Godenpijl Aan 6 7 137 617 Macassr den 8: Junij 175 Van No: 12 Aangesien mits het overlijden van den koning van Bima Ab„ dul kadiam Moehamma sa Lilloe Lahoe Phel Alam so door wettige Successie als un amime verkiesing van de gesamentlijke rijksgrooten weeder tot die waardigheijd verkooren is des overleedens onmondige zoon Abaul Hamiet Mochamma sa hilloe la hoe Phel Alam oud Elf Jaaren en uit dien hoofde ook tot regent van het rijk den Turelie Dongo en dat de gemelde rijks grooten so bij brieven als door een plig„ „tig gesandschap gedagte Eurelie Dongo aan het hoofd hebbende bij dit Ministerirum versoek komen te doen dat deese hunne verkiesing van den koning en benoeming van een regent bekragtig en d' beden ander oversulks onogten werden bevestigt so is 't dat ons geen reede„ „nen voorgekomen sijnde om het selve te weijgeren daar inne bij deese onse opene acte bewilligen nogthans alles op de nadere g'Eerde goedkeuring van sijn hoog Edelheijd den heer gouverneur general ende verdere heeren raaden van Nederlands Jndia en ondervoorwaarde dat den regent so wel als de verdere hier aanweesende gesanten uit naam so van den koning en alle de verdere rijksgrooten als Een iegelijk voor sig selve en in sijne qualiteit sal gehouden wesen de contracten met de nederlandsche Compagnie wel Eer gemaakt en geslooten met de koningen van Bina en in sonderheijd het laatste van den 9 februarij Anno 1765 op ge„ en en Edele 1774. -

NL-HaNA_1.04.02_3445_0670 view scan ↗

English

From Macasser the 8th of June 1775 to solemnly swear anew, and the king shall also be obliged to do so as soon as he shall have reached his majority, and then to come hither for that purpose. Furthermore, that they shall accept all changes which the well-mentioned His High Nobleness the Governor-General and the Councillors of the Indies might in time see fit to make to the contracts, whether by expanding, curtailing, or otherwise altering them, nothing excepted. And whereas the aforementioned swearing of those contracts took place according to the customary practice upon the Quran and with the drinking of kris water by the regent and further dignitaries present, this has in witness thereof been ratified with their customary signatures in the presence of the Governor and Council, who likewise confirm the same with their signatures. Thus renewed and sworn at Maccasser in Fort Rotterdam on the 19th of November Anno 1774. Was signed: P: G: van der Voort, B: v: Pleuren, I: W: Peters, I: Ratet, S: Monsieur, C: Kraane, R: Houguo, I: Rosseleq. In the margin stood: By order of the Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, together with the Council. Signed in the margin: C: Krane, Secretary. #41 619 No. 13. From Maccasser the 8th of June 1775: To the Ensign Alescander Lecerf Commandant there Valiant, Pious, Discreet! The envoys from Bima, the Turelie Dongo and associates, having arrived on the 3rd of this month with accompanying letters from the writer Heins, and now returning home again, this serves to accompany them and to communicate that the young king has been confirmed by us and the appointment of the said Turelie Dongo as Regent of the realm has been approved, and that the latter, together with the other envoys, has sworn to the contracts. The newly elected kings of Dompo and Tambora not having appeared yet, I expect that you will also urge them to come hither, and likewise those of Sumbauwa, in accordance with what has been so earnestly recommended to you, and remain meanwhile after greetings, Below stood: Your good friend. Was signed: P: G: van der Voort. In the margin: Maccasser in Fort Rotterdam the 21st of November 1774. Lower: Agrees. Signed: T: B: Sodenpijl From Maccasser the 8th of June 1775 143. 623 No. 14 To the Honorable Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes. Honorable Sir, In my last humble letters of the 6th of September per Corporal Carel Lecerff, I had the honor among other things to report that the Tamborese realm dignitaries are about to come here to account for the slaves and goods of the deposed king that are still missing. I now take the liberty respectfully to report to Your Honor that the aforementioned realm dignitaries arrived on the 15th of the past month, yet not all of them, but a part of the same. Furthermore, upon their arrival, I also requested the Pabitjara of Bima, Torelie Dongo, and Boemie Sarie Bodjo to come to me, in order to confront the Tamborese with the unreasonable treatment that they currently have inflicted upon the Company and all allies, while at Kamboe in the assembly it was settled that they would bring the slaves of the deposed king to Bima, and that an investigation would be held there, and whatever was due to them would be given. From Maccasser the 8th of June 1775. The collective Tamborese gave no answer to this, except only requesting to be allowed to depart for Macasser in order to answer for and settle their affairs before Your Honor, which I have granted them. Wherefore the undersigned considered himself obliged hereby to submit the aforementioned matter to Your Honor, so that they might not mislead Your Honor by a false account, as they have done, and thereby cause fright among the foreign princes, so that in the future they would no longer dare to cross over to Macasser for fear of being dethroned and having their goods declared forfeit against the laws of these lands; and therefore I have ordered Turelie Kankilo and Boemie Sonko, who has currently become Shahbandar, as the principal persons who daily throw the land of Tambora into confusion, to also have to depart for Maccasser. These two people have also taken the goods and slaves of the former king for themselves and sold the greater part, except for some old slaves to the number of twenty-six heads, whom they cannot dispose of due to old age and have now surrendered upon reclamation; therefore they seek to keep the goods and slaves of the deposed king for themselves. The undersigned humbly requests that they may be ordered to remain obedient to the assembly. I have written to Tambora to ask whether they had anything to say against their king, and received as an answer that they were all satisfied with the king whom the Company had appointed. The king of Sumbauwa arrives here tomorrow; I shall not fail to write to Your Honor at the first opportunity. I also request that Your Honor will be pleased to believe that no one is with more veneration and respect than I. Below stood: Honorable Sir. Lower: Your Honor's very obedient and very humble servant. Was signed: A: Lecerff. In the margin: Sumbauwa the 21st of October 1774. Lower: Agrees. Signed: T: B: Sodenpijl To From Macasser the 8th of June 1775 J:

Dutch transcription

van Macasser den 8: Junij 1775 op nieuu solemneel te b'Eedigen en den koning sulks ook gehouden sal weesen te doen so dra denselven mondig sal sijn geworden en als dan ten dien eijnde herwaerds op te komen. voorts dat sig sullen laten welgevallen alle veranderingen die welmelden sijn hoog Edelheijd den heer gouverneur generaal en de heeren raeden van indien in der tijd mogte goedvinden bij de contracten te maken t zij door deselve uit te bereijden te be„ snoeijen of andersints te veranderen niets uitgesondert. En vermits het Eenst gemelde op de b'Ediging van die Con„ tracten ona het gewoone gebruik op den alkoran en met het Drinken van krissen, water sodanig gevolg genomen heeft door den regent en verdere aanweesende grooten so is deese ten blijke van dien met haare gewoone hand teekeningen bekwagtigt in tegenwoordigheijd van den gouverneur en raad welke sulks met haare Lignatuuren insgelijks bevestigen /:ondert:d/ Aldus gerenoveert en Beswooren te Maccasser In't Casteel Rotterdam den 19 November Anno 1774. /:was geteekend:/ P: G: van der voort, B: v: Pleuren, I: W: Peters, I: Ratet, S: Monsieur, C: Kraane, R: Houguo, I: Rosseleq, /terzide stond:/ ter ondonnantie van den wel Ed: agtb: heer Paulus godofredus vander voort gouverneur en directeur deser Custe Celeber benevens den raad /:ter zijde geteekend:/ C: krane secretaris. - #41 619 N:o 13. Van Maccasser den 0. Junij 1775: Aan Den vendrig Alescander Lecers Commandant aldaar Manhafte vrome Discreete! De gesanten van Bima den Iurelie dongo: C: s: op den 3: hujus onder geleijde letteren van den scriba Heins g'arriveerd, thans weder na huis keerende, zo dient dese ten hunne geleijde en tot com„ „municatie dat den Jong koning door ons bevestigd en de benoeming van gem: Turelie dongo tot Regent van het rijk g'approbeert is mitsgaders den laast gem: nevens de overige gesanten de contracten be„ sworen heeft. De nieuwe g'eligeerde koningen van dompo en Tambora nog niet opgedaegd sijnde verwagte ik dat gehouden en en nraal en bij te be„ Con„ deese en nraad onderst:d/ zijde stond/ erzijd ander a Aan ik dat uE tot overkomst na herwaarts meede sal aanspo„ „ren en so meede die van sumbauwa conform het uE so ernstig aanbevoolen en blijve inmiddens nna groete /:onderstond:/ uE goede vriend /:was geteekent:/ P: G: vander voort /:in marginne / maccasser in 't Casteel Rotterdam den 21. november 1774. /:lager :/ Accordeert /:geteekend. / T: B: Sodenpijl Van Maccasser den 8. Junij 1775 143. 623 No: 14 Aan den wel Edelen Achtbaren Heer Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en directeur deser custe Celebes. Wel Edelen Achtbaren Heer In mijn laaste onderdanige letteren van den 6: September per den corporaal Carel Lecerff heb ik onder anderen d'eer gehad te melden dat de Tamboreese rijksgrooten alhier staan te komen om verantwoording te doen van de nog omankeerende slaeven en goederen van den afgesetten koning thans neem ik de vrijheijd uw wel Ed=e Achtb: in Eerbied te melden dat voorm: rijksgrooten op den 15: der voorleeden maand sijn aangekomen Edog niet alle maar een gedeelte derselve voorts met haer binnen komst heb ik de Pabitjara van Amia Torelie Dongo en voemie Sarie bodjo mee„ de versogt bij mijn te komen ten eijnde de Tamboreisen voor te houden de onreedelijk behandeling dat sijlieden Van Maccasser den 8. Junij 175: tegenwoordig Van Maccasser den 8. Junij 1775. tegenwoordig gedaan had aan de comp: en alle bondgenooten, terwijl op kamboe in de vergadering afgemaakt was dat sijlieden de slaven van den afgesetten koning soude op Bima brengen en dat daar ondersoeken soude en wat haarlieden toequam soude gegeeven worden de gesamentlijke Tamboreesen „gaven hier op geen antwoord als alleenlijk versogten na macasser te mogen vertrekken ten eijnde haare saeken bij uw wel Ed: agtb: te verantwoorden en af„ te maeken t geen ik haarlieden heb toegestaan. waaromme den ondergeteekende sig verpligt agte uw wel Ed:e agtb: voorn: saek bij deesen voor te leggen ten eijnde zijlieden niet door een verkeerde opgave gelijk t' ge„ „daan hebben uw wel Ed:e agtb: mogt komen te omis„ „leijden en hier door een schrik soude geeven voor de overwalse vorsten dat 'z in 't vervolg niet meer na macasser durve overgaan uit vreese van te zullen gedetroneerd worden en sijne goederen tegens de wetten deser landen verbeurd verklaard en dierhalven heb ik Iure„ „lie kankilo en Boemie sonko tegenswoordige Sia„ „bandhaar geworden als de voornaamste die t Land van Tambora dagelijks in verwarring brengt 623 Van Maccasser den 8:' Junij 175. brengt g'ordonneert van ona maccasser meede te moeten vertrekken deese twee lieden hebben ook de goederen en slaeven van den gewee„ „sen koning nna sig genomen en t meesten deelen verkogt als eenige oude slaeven ten getalle van ses en twintig koppen die 2' door ouderdom niet kunnen van de hand zetten en thans bij 't reclamre hebben overgegeeven daarom soekse de goederen en slaven van den afgesetten koning te houden voor haar„ lieden. Den ondergeteekend versoek onderdanig dat sij lieden g'ordonneert mag worden om aan de vergadering gehoorsaam te blijven ik hebbe na Tambora geschreeven om te mogen weeten of sij tegen haar koning iets te zeggen had ten andwoord gekree„ „gen hebbe dat sij alle daar meede te vreeden was met de koning die de comp: aangesteld had den koning van Sumbauwa komt morgen hier ik sal niet omankeeren met de Eerste ocragie uw wel Ed.:e achtb over te schrijven. meede meede versoeke dat uwel Ed: agtb: sal gelief te geloop dat niemand niet meer veneratie en Eerbied is dan ik /:onderstond:/ wel Ed: achtb: heer /:lager:/ uwel Ed:e seer gehoorsame en zeer onderdanige dienaar /:was geteekend:/ A: Lecerff /:om margine:/ Sumbauwa den 21: 8ber: 1774. /:lager.:/ Accordeert /:geteekend. / B: Sodenpijl Aan Van Macasser den 8. Junij 1775 J:

NL-HaNA_1.04.02_3445_0677 view scan ↗

English

From Makassar the 9th of June 1775. To the King and the collective Grandees of the realm of Bima. After the customary greetings: Further, we make known that we have duly received the letter from the Regent and the Grandees of Bima from the hands of the Tureli Dongo and the other envoys mentioned therein, who are now returning, having duly re-sworn the contracts in the name of the realm. Wherefore we congratulate the King on his elevation to that dignity as well as the said Tureli Dongo on his appointment as Regent, with a cordial wish that the one and the other may serve the welfare of the country and the peoples of Bima, and the preservation of concord and peace with all the other allies on the island of Sumbawa, as well as the prosperity and satisfaction of our friends, whom we hereby assure of the Company's sincere affection. Below stood: written in Makassar in the Castle Rotterdam the 21st of November 1774. Lower: was signed: S. P. van der Voort. Lower: Agrees. Signed: B. Bodenpijl. From Makassar the 8th of June 1775. Translation. From Makassar the 8th of June 1775. Number 16. Translation of a Malay letter written by the Seri Sultan of Buton, Cae Moedien, together with his Grandees of the realm, to the Honorable Governor and Council at Makassar, reading as follows: After the ordinary compliments and greetings: Thus the Seri Sultan makes known by this to his father, the Governor, that after the arrival of the Sergeant there, he immediately held council with the Grandees of the realm regarding the delivery of the one hundred and thirteen heads of slaves, which the King would so gladly have delivered this year, but the difficulties in which he currently finds himself, as the Sergeant is also well aware, preventing this; secondly, because the east monsoon is due to end shortly, the Governor may be assured that the King will not be negligent in sending as much as possible, half in reduction of the debt, to Makassar, if not prevented by the west monsoon. Furthermore, we pray the Governor and Council that he may generously pardon us, as well as the Sergeant, whom we will still detain here until the end of the west monsoon, and also that this letter may not be regarded as a slight, because it has not been prepared properly, serving only to make these circumstances known to the Governor in brief. Below stood: written on Buton on Thursday the 5th of the month Jumada al-awwal in the year 1188. Lower: signed for the translation: Brugman. Still lower: Agrees. Signed: B. Bodenpijl. From Makassar the 8th of June 1775. Number 17. To the Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Celebes, etc. Honorable Sir! I have the honor to communicate to your Honor that on the 18th of this month, together with the interpreter Israel Pietersz, I arrived here at the Company's post and found everything within the same to be well. The Sergeant, to whom I communicated your Honor's verbal consent to be allowed to come up, departed from here the following day with his household for Costij, but he told me that he might remain three or four days on the way because of outstanding debt matters with the people of Bone here and there, wherefore he did not take an escort pass with him either. On the 19th of this month, the five chiefs of Maros were here at the post, to whom I—although they were already aware of it—notified the dismissal of Care Marring and Daeng Mandjarekie, as well as the new appointment of Israel as interpreter here, for which they gave thanks and showed themselves satisfied. On the 20th of the same month, I sent the said interpreter to the paddy fields of Lomo Maros and Intje Timor to see how far the Androng Guru Talinko had cultivated the same, who upon his return reported to me that Androng Guru Talinko had marked off fifty-three fields of Intje Timor and twenty-one of Lomo Maros, as if in a circle, all around with the plow, saying he had orders from the King of Bone, the Tomilalang, and the current Ponggawa to plow the same freely and unmolested this year as far as he had encircled them with the plowshare, since the lawsuit regarding it had already been settled and concluded at Makassar, wherefore he also intended to go and pay the Bappa salla or court costs to the Tomilalang at Makassar. To which the interpreter replied to him, Talinko, that he had now come by high orders from your Honor and the King of Bone to prevent him from doing so, and if he did not wish to heed that, he could then simply await and experience the consequences thereof. Hereupon, having reflected a little, the said Androng Guru requested a few days' postponement until such time as he returned again from Makassar, whither he intended to sail within two or three days, which the interpreter approved and permitted because he himself also had to sail to Makassar to fetch his goods, so your Honor can now be told everything verbally by himself and receive your Honor's most revered orders before the actual plowing begins, which will not be before the coming new moon. Today, twenty pieces of posts for the sea pier were transported from here by the Regent of Balotje, which will probably not turn out better than the four pieces recently received from Malawa, but they claim not to be able to procure or find any better ones. Where

Dutch transcription

147. 825 Van Maccasser den 9: Junij 175 Aan den koning en gezamentlijke Rijks groo„ ten van Bima Na gewoone Begroetingen Wijders maken w' bekond dat ons wel geworden is den Brief van den rijksbestierder en de grooten van Bima uit handen van den Tuvelie Dongo en verdere daar bij vermelde gesanten welke thans te rug keeren de contracten behoorlijk op nieuw uit naam van het rijk b'Eedigt hebbende weshalven wij den koning met desselfs verheffing tot die waardigheijd so wel vergelucken als den gem: Tureli Dongo met zijn aanstelling tot regent onder Een her„ telike wensch dat het een en ander sal mmogen strei„ ken tot welweesen van het land en de volkeren van Bima en tot Conser„ ratie van de Eendragt en vreede met alle de overige bondgenooten op het No: 15. Eijland 35 Eijland Sumbauwa, mitsgaders ook tot voor spoed en genoegen van onse vrienden die wij bij deesen van s Comp: zuivere aankleering verseekeren /:onderstond:/ geschreeven te Macasser in t casteel Rotterdam den 21. november 1774. /:lager:/ /:was geteekent:/ S: P: vander voort /:lagjer:/ Accordeert / geteekent:/ : B Bodenpijl Van Maccasser den 8. Junij 1775. Translaat O L 149 635 627 Van Macasser Den 8:' Iunij 172 No: 16 Translaat Maleijtse Brief geschreeven door den Sierie sulthan van Boutong caie Moedien benevens desselfs rijksgrooten Aan den wel Edele Agtbaren Heer gouverneur en Raad tot Macasser Luidende aldus: Na de ordinaire Complimenten en Begroetingen Soo maakt den sierie sulthaen aan zijn vader den heere gouverneur bij deesen bekent dat na de komest van den sergeant aldaar ten eerste met de rijksgrooten raad, hebbe gepleegt omtrent het voldoen van de hondert en dertien koppen slaven die dekoning soo gaarne van dit Jaar wilde voldoen dog de swarigheeden waar in t' thans sijn gelijk den sergeant meede wel bekent is sulks belettende; ten andere vermits de oostmousson binne korte staat te Eijndigen kunnende den heere gouverneur versekert wesen dat de ko„ „ing niet nalatig: sal weesen om soo veel mogelijk de helfte in omindering na Macasser te senden wanneer door de westmousson niet belet worde voorts bidde wij den heere gouverneur en raad dat hij ons dog in overvloed wil pardonneeren gelijk ook den Sergeant Van Maccasser den 8:' Junij 175. — sergeant die wij tot het uit eijnde van de west mousson al„ hier nog sullen aanhouden mitsgaders dat deese Brief niet als een kleijn agting mag aangemerkt worden ver„ mits niet na behooren is toebereijd als eenlijk om den heere gouverneur in 't kort deese omstandighedens vlingelandt bekent te omaeken /: onderstond:/ geschreeven op Bouton op donderdag den 5:e van demand woemalang in 't jaer 1188. genaamt was /:lager:/ voor 't Translatie geteekend Brugman /:nog lager:/ Accordeert J: E E /geteekend:/ B: Bodenpijl Van 9 157 629. Van Maccasser den 8. Junij 1775. No: 17. Aan Den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Sodofredus van der voort Gouverneur en directeur deeser celebes &: A: Wel Edelen Agtbaren Heer! Hebbe de Eer uw wel Edele Agtbare te communiceeren dat op den 18. deeser nevens den tolk Israel Pietersz hier aan scompagnies post g'arriveert ben en binnen de„ „selve alles nog wel bevonden hebbe den sergeant seena dien ik het emondelijk consent van uw wel Ed: agtb: om op te mogen komen communiceerde is daar op des anderen daags nevens huishouding van hier naar Costij vertrokken dog hij seijde mijn dat wel een dag drie, vier onderweegen sou kunnen blijven wegens uitstaande verthienings saaken met de Boniers hier en daar waaromme deselve ook geen geleijde briefje meede heeft genoomen. op den 29 deeser zijn de vijf marotse hoofden hier aan de post gemeest aan dewelke ik /:schoon te het Van Maccasser den 8. Junij 1775. het al bewust waaren:/ de afzetting van carre Mar„ „ring en dam Mandjarekie mitsgaders de nieuwe aan„ stelling van Jsrael tot tolk alhier te kennen gaf waar voor zij bedankite en vergenoegt toonde te wee„ son op den 20. dito sond ik gemelde toek na de padij velden van Sommo Maros en Jntje Timor om te zien hoe verre den andronggoenoe Talinko deselve bepliegt hadde die mijn bij zijne te rug komst rapporteerde dat androng goeroe tabinko drie en vijftig velden van Jntje Timor en Een entwintig van lommo omaros als in een circul met de oploeg in de rondte had afgeteekend, seggende ordre van den koning van Bonij den Tomilalang en tegenswoor„ „digen Pongauwa daar toe hebben om deselve vrij en ge„ „molesteert so verre als hij ze met het ploeg ijser om„ kringt hadde dit Jaar te moeten beploegen also het proves daar over bereets op omacasser was uitgesproo„ „en afgemaakt waarom hij ook teffens van voorne„ „mens was de Bappa salla of proces onkosten aan den Tomilalang op macasser te gaan betaalen waar op de tolk hem Talinko wederom ten antwoord gaf dat hij uit hooge ordre van uw wel Edele agtb: en va 153 631 635 van Macasser den 8. Junij 1775. en den koning van Bonij thans quam om hem sulx te beletten en so hij sig daar aan met wil„ „de stooren dat hij als dan de gevolgen daar van kon afwagten en ondervinden sonder meer hier op na sig wat bedagt te hebben versogt dien androng goeroe ƒ om eenige daagen uitstel tot tijd en wijle dat weeder van macasser quam daar hij binnen den dag 2: a 3: meende na toe te vaeren het geen de tolk goed keurde en toestand om dat tog selvs ook om sijn goederen aftehaalen naar macasser moest varen kunnende nu uw wel Edele agtb: mondelings selvs alles verhaalen en hoogst derselver gevenereerde ordre - ontfangen een het regte ploegen begunt dat niet voor het aanstaande N: ligt sal weesen. heden zijn 20. stux palen voor het zee hoofd hier van daan gevaaren tijde van den Regent van Balotje die denkelijk niet beter sullen uitvallen als de koedaan laast ontfangene 4. stux van malawa dog zij geeven voor geen betere te kunnen besorgen of vinden. waar

NL-HaNA_1.04.02_3445_0684 view scan ↗

English

Therewith, after having commended Your Honorable Worship's and the Company's interests to God's holy protection, I call myself with deeply indebted respect, below stood, Honorable Worshipful Sir, lower, Your Honorable Worship's humble and faithful servant, was signed, M: van Rossum. In the margin: Maros in the Company's fortress Valkenburg, the 20th of November 1774. Lower: Agrees, signed, B: Lodenpijl. From Macasser, the 8th of June 1775. O. N Hoff - E F From 5c 635 633 No. 18 From Macasser, the 8th of June 1775. To the Junior Merchant Matthijs van Rossum, Resident there. Honorable, Pious, Discreet. As it has unexpectedly come to my attention by the letter of the day before yesterday that the androngoeroe Talenko has again presumed to have fifty paddy fields of Intje Tuur and twenty-one ditto of Lomo Maros plowed up under the pretext of having orders thereto from the King of Boni and others, I find it even more strange that this was not immediately prevented by force as soon as he began that work, since I expressly gave Your Honor orders to that effect, the execution of which I still consider the only means to break such Bonian chiefs of their insolence and to counter the underhanded tricks of the grandees of the realm; wherefore, without making further remarks about the non-compliance with my orders, I hereby strictly instruct Your Honor to send at the very earliest the Assistant Interpreter Pietersz, who is now returning, with some of the Maros chiefs and a good retinue to the places where the aforementioned fields are situated, in order strictly to warn the people From Macasser, the 8th of June 1776: — people of the Androngoeroe and all other Bonians who are there that they must beware of sticking a plowshare into those fields again, or making any other attempt to take possession of the same, unless they wish to be treated as open robbers, which must be emphatically impressed upon the subjects, and consequently to drive away all such persons, whoever they may be, or in case of offering resistance or committing violence, to trample them underfoot, to which end chiefs and subjects shall have to lend each other a helping hand; whilst it further goes without saying that Lomo Maros and Intje Timor will do well to have their fields cultivated as quickly as possible, even if it were, in case of need, with weapons in hand; and for the rest Your Honor can also give notice of this order of mine to the Jannang of Maros and likewise to the Androngoeroe Talenko for their information, adding that no one besides myself can pronounce upon the ownership of paddy fields, since all lands belong to the Company, which has only lent to the Bonians what they possess for cultivation out of pure grace. In the expectation that Your Honor will carry out all this without fail, I remain, after greetings, below stood, Your Honor's good friend, was signed, L: G: vander Voort. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 24th of November 1774. Lower: Agrees, signed, S: B: Sodenpijl. Translation 157. 635 From Maccasser, the 8th of June 1775. No. 19 Translation of a Buginese document written by the Queen of Tello to the Chief Interpreter Gerrit Brugman. After friendly greetings. I hereby make known that I have placed my trust in no one other than Your Honor, that if the Tellonese should come to depose me, I may then again, as before, go to and settle down in the Campong Baroe and under the protection of the Honorable Company, and further that everything that lawfully belongs to me which belongs under Bontoala may be left in my free and unhindered possession. Below stood: for the translation, signed, G:t Brugman. Lower: Agrees, was signed, J B: Sodenpijl. Translation From Macasr, the 8th of June 1775. No. 20 Translation of a certain Buginese document written by the Macassar Prince Craing Paganackang in the Macassar language to Datou Baringang, which was presented for inspection to His Highness of Boni and subsequently delivered to the Honorable Worshipful Lord Governor, reading in substance: In the beginning of the affair, as I have seen it when the murder occurred, although the reasons why the Queen of Tello was troubled were not known, wherefore the King of Goa sent to her to inquire about the reasons thereof, to which the Queen gave in answer that she had become troubled over the doings of a certain Latta, being a brother of the Adatoeang of Sedeenring, because he, Latta, dressed in an unusual manner with a badjoerante, had come to her, the Queen, in the house, and had used insolent expressions there, and at the same time had requested of the Queen that he, Latta, might be permitted to enter into a duel against a certain person named Jamie, upon which

Dutch transcription

Daar meede na uw wel Edele agtb: en scomp: belan„ „gen in godes heijlige hoede te hebben aanbevoolen mij met diepschuldigen Eerbied noeme /:onderstond:/ wel Edelen agtbaren heere /:lager:/ uw wel Edele Agtb: ootmoedigen en trouwschuldigen Dienaar /: was geteekend:/ M: van Rossum /:in margine:/ Maros Inscomp: vesting val„ kenburg den 20:' november 1774. /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ B: Lodenpijl ƒ Van Macasser den 8. Junij 1775. O. N Hoff - E F Van 5c 635 633 No. 18 Van Macasser den 8. Junij 1775. Aan den onderkoopman Matthijs van Rossum Resident aldaar. Eersame vroome Discreete. Toe onverwagt mij bij den ueven van eer gisteren ook voorgeko„ „men is dat androngoeroe taliiko sig weder heeft dineven onder„ staan om vijftig padij velden van Jntje Tuur en een entwintig dito van lomo maros te doen afsteeken onder voorwendsel daar toe ordre te hebben vanden koning van Bonij en anderen, so vinde ik het nog veel vreemder dat men sulks niet aanstonds met geweld heeft belet so ara denselven dat werk kwam te beginnen vermits ik uE daar toe expresselijk ordre gegeeven hebbe welker uitvoering ik als nog voor het eenige middel houde om diergelijke bonijse hoofden hun brutaliteijt te verleeren ende slinkse streeken vande rijksgrooten tegen te gaan weshalven ik sonder verdere remarque te maken over het niet nakomen omijner beveelen uE bij deesen ernstig gelaaste om ten aller eersten den ondertolk Pietersz die thans weder te rug keert, met eenige de marosse hoofden en een goed gevolg te senden na de plaatsen alwaar de voorm: velden gelegen zij ten eijnde het volk Van Macasser den 8:' Junij 1776: — volk van den Androngoeroe en alle andere Boniers die sig daar be„ vinden ernstig te waarschuwen dat sij sig sullen hebben tewagten weeder een ploegijser in die velden te steeken dan wel eenige andere tentame te doen om sig van deselve meester te maken bij alaiar sij niet als openbare roovers begeeren gehandelt te worden het geen d'onderdaanen met nadruk omoet worden gerecommandeert en om dien volgende alle desulke hij sij wie hij bij weg te Jagen of het bieden resistentie of plegen van geweld onder de voet testoten waar toe hoofden en onderdaan en elkanderen de behulpsaamhand sullen moeten bieden, terwijl het voorts van selve spreekt dat lemo maros en Jntje timor wel sullen doen hunne velden ten spoedigsten te doen bewerken al was het des noods met dewapenen inde hand en voor het overige kan uE den Jamnang van maros en soo meede androngoeroe Talenko ook van deese mijne ordre ter hun„ „ner onarigt kennisse geeven onder bijvoeging dat niemand buiten mij uitsprak over den eijgendom van padij velden doen kan vermits alle landen de comp: toebehooren die wat deboniers besitten maar uit loutene gratie aan deselve ten bewouwing geleend heeft. Jnverwagting dat uE dit een en ander sonder facrt sal nakomen, blijve ik na groete /:onderstond:/: uE: goede vriend / was geteekend:/ L: G: vander voort /:in margine / macasser in't Casteel Rotterdam den 24. 9ber: 1774 : lenger:/ Accordeert /:geteekend:/ S: B: Sodenpijl Translaat 157. 635 Van Maccasser den 8:' Junij 175. No: 19 Translaat Bougineese geschrift geschreeven door den koningin van Tello aan den opper„ tolk Gerrit Brugman. Na vriendelijke begroetingen Zoo maak bij deese bekend dat ik op niemand mijn vertrouwendheijd gesteld hebbe als op uE wanneer de Telloneesen mij mogte komen afte setten dat ik als dan weder als vooren in de campong baroe en onder de pab„ „tectie van dE Compagnie mag begeeven en ten needer te zetten voorts dat alle het geene mij wettelijk toekomt die onder Bontoala gehoord vrij en lieber in besit mogte gelate worden /:onderstond :/ voor de translatie /:geteekend:/ S:t Brugman /:lager :/ Accordeert /: was geteekend:/ I B: Sodenpijl Translant Van Macasr den 8. Iunij 1775: N. 20 Translaat zeeker voeginees geschrift ge„ „schreeven door den macassaars prins Craing Paganackang in de macassaars taale aan Datou Baringang dewelke ter verthooning bij zijn hoogheijd Bonij en vervolgens Aan den wel Edelen agtb: heer gouverneur overgegeeven luijdende van inhoud. In het begin van het geval so als ik gesien hebbe wanneer de moord is geschied daar men egter niet geweeten hebbe de reedenen waar over de koninginne van Tello omoeijelijk was, wethalven de koning van goa bij haar gesonden heeft om na de reedene van dien te informeeren waar op de koninginne ten antwoord heeft gegeeven dat sij moeijelijk was geworden om de gedoentens van seekere latta sijnde een Broeder van den adatoeang van sedeenring dewijl hij Latta op Eene verwagte wijse gekleed met badjoerante bij haar de koningin op het huis was gekomen en daar eene brutaele Expressen gevoerd en teffens van de koningin versogt hadde dat hem latta mogte gepermitteerd werden tot een twee gevegt te begeeven teegen Eenen Jamie gen:t op welk

NL-HaNA_1.04.02_3445_0689 view scan ↗

English

From Macasser, 8 June 1774: To which request the aforementioned king replied to him why, while they were together, they had not done so at once. Whereupon the king, having received the aforementioned reply, at once sent word to the adatouang of Sedeenring to give him notice of the fault committed by the said Latta. To which the adatoeang sent back word that the messenger should only return, since he would subsequently inform the king of Goa of the resolution taken in that regard. Upon receiving that message, the king immediately sent four glarrangs or electors to the queen to guard her highness in the meantime. After sunset, the queen made known to the king through a Craing Pasie that an Arou Barantie, also a brother of the aforementioned adatouang, had come to her to request that the aforementioned four glarrangs sent by the king of Goa for the queen's protection might please be recalled. Whereupon the king replied to the aforementioned Craing Passie that this could not take place, for the reason that the laws of Goa and Tello also required this, the more so because it had happened with the consent of the king and both Tomilalang. The following day after noon, the queen of Tello sent the glarrangs Tombolo and Tjamba to the king of Goa with the fine to which the aforementioned Latta had been condemned in satisfaction for the queen of Tello. Whereupon the king replied that he was very pleased that, having submitted to the country's laws of Goa, she had paid the fine; but in return I request my three children that they please allow the people of Sedeenring to depart, because the people of Paling and Tello had become suspicious of those of Sedeenring. The king of Goa had the aforementioned four glarrangs remain at Taang. Below stood: For the translation, was signed: G. Brugman. Lower: Agrees: S. B. Sodenpijl. To From Macasser, 8 June 1775. To Mr. Paulus Jacobus Valckenaer, Governor and Director there. Honorable, Respected Sir! Having duly received by way of Amboina your Honorable Respected's esteemed letter of 27 December 1773, containing communication of the discovery made of the English intention to establish themselves on the island of Blambangan and to cultivate spice trees there, I convey my friendly thanks for it. I shall strive as much as is within my power to thwart the harmful designs of those competitors to obtain seedlings, although I do not believe they will succeed in that near Bouton, since to my knowledge no genuine fruit trees are found there, at least not in places where they would be able to obtain them. No. 21. I From Macasser, 8 June 1775. I remain meanwhile with all respect, below stood: Honorable, Respected Sir, lower: Your Honorable, Respected's willing friend, was signed: P. G. van der Voort. In the margin: In Castle Rotterdam, Macasser, 30 November 1775. Lower: Agrees, was signed: S. Bodenpijl. To From Macasser, 8 June 1775. No. 22 Whereas the king of Tambora, Rhami Doulla Hidaij Toen Mmialla, passed away here a few days after he was confirmed in that dignity by us, as appears from the deed of 12 May of last year, and at that time the grandees of the realm who signed that deed alongside him and also swore to the contracts, as well as the other glarrangs and grandees who came here with them, have already made a request to be allowed to elect provisionally in his father's place his late highness's son, named Abdul Rasiet Tajoel Ariphien, as king, as being the next legitimate heir thereto, and because the custom of the country also dictates that no deceased king may be committed to the earth before another has been nominated, and likewise, on account of his minority, as he had at that time reached only ten years of age, to appoint at the same time as regent of the realm the Jenelie Kiewie; and which request was condescended to on condition that the same should be brought before the other grandees of the realm at Tambora for further inquiry according to custom; and this latter having subsequently taken place, they collectively not only persisted in that election, but the said Prince Abdul Rasiet Tajoel Ariphien has also come over here in person these days in the company of the said regent Jenelie Kiewie and the Jenelie Keloe, Jenelie Baramboe, and Jenelie Liekan, expressly dispatched here by the administrator of the realm and other grandees of the realm in order to give notice thereof, as well as to request that the aforementioned election and the appointment of the Jenelie Kiewie as regent might now be approved and the one and the other accordingly confirmed in their dignities; thus it is that by the Governor and Director of these Celebes and their jurisdiction, together with the Council

Dutch transcription

159 637 Van Macasser den 8. Junij 1774: welk versoek welmelde koning in hem had gereplieerd waar omme hij zulx terwijl sij bij elkander waaren als doen het duel: niet ten Eersten hadden gedaan. waar na den koning na het ontfangen der voorsz: ant„ woord ten Eersten ona den adatouang van sedeenring had gesonden om den selven hier van kennis te geeven van het begaane faut van gen: latta op t welke den adatoeang tot keer berigt heeft gegeeven dat hij gesondene maar te rug keert dewijl hij naderhand van desselfs dientwegen genoomen besluit den koning van goa kennisse soude laa„ „ten geeven hebbende den koning op dat ontfangene berigt ter„ „stond vier glarrangs of kies heeren na de koningin gesonden om haar hoogheijd intusschen te bewaaken. Na sons ondergang liet de koningin door eenen Craing, pasie den koning bekend maeken dat eenen arou barantie meede eenen vroeder van meerm: adatouang bij haar was gekomen om te versoeken dat de voorm: vier door den koning van gou tot den koningins beschermings gesondene glarrangs weder geliefde te rug te roepen waar op de koning aan voormelde Craing Passie ten antwoord heeft gegeeven dat sulx niet geschieden mag om reede volgens de wet van goa en testo zulx meede bragte te meer Macasser Den 0. Junij 175 Van meer om dat het met toestemming van den koning en beijde Tomilalang te zijn geschied. Sanderen dags na de middag sond de koningin van Tello de glarvangs Tombolo en Tjamba na den koning van goa met boete waar in voorm: latta tot satisfactie voor de koningen van tello was gecondemneert geworden waar op de koning tot antwoord heeft gegeeven seer verblijd te zijn dat sij aan de lands wetten van goa onderworpen de boete betaalt heeft dog daar en tegen versoek ik aan omijne drie kinderen dat zij de volkeren van dideenring geliefde te laaten vertrecken wijl de volkeren van Paling en Tello op die van sedeenring wan„ trouwend waaren geworden hebbende den koning van gaa de voorn: vier glaraangs nog op Taang doen verblijven /:onderstond:/ voor de Translatie : was geteekend:/ G:t Brugman /:lager:/ Accordeert:/ S: B: Sodenpijl Aan 161. 639 Van Macasser Den 80. Junij 175.— Aan de Heer Paulus Jacobus valckenaar Gouverneur en directeur aldaar Wel Edele Agtbare Deer! Over Amboina wel ontfangen hebbende uw wel Edele Agtb: g'eerde van den 27. december 1773 houdende Communicatie van de gedaene ontdecking van het voor„ „neemen der Engelschen om sig op het Eijland Blamban„ „gan 't etablisseeren en aldaar specerij boomen aan te kweeken so betuijge ik daar voor vriendelijk dank soo veel mij doenlijk sij sullende tragten te verijde„ „len de schadelijke desseijnen van die competiteuren ter bekoming van plantjes schoon ik niet geloove dat 't daar inne omstreeks Bouton zullen slagen ver„ „mits aldaar mijnes weetens geen egte vrugtboomen gevonden worden, ten minste niet opplaetsen daar sij deselve zouden kunnen magtig worden. - No: 21. Ik Van Macasser den 8. ' Junij 175. Ik blijve intusschen met alle agting /:onderstond:/ wel Edele Agtbare Heer /:lager:/ uw wel Edele Agtbare beraedwillige vriend /:was geteekend:/ P:s g:s van der voort /:in margine:/ Macasser Den 30. No„ In 't casteel Rotterdam A177 G 1775. /:lager:/ Accordeert /:was „vember geteekend./ Aan S: Bodenpijl. 163. 641 Van Macasser den 8:' Junij 175 No: 22 Nademaal den koning van Tambora Rhami Doulla Hidaij Toen Mmialla korte dagen na dat denselven door ons in die waardigheijd was bevestigd blijkens acte van den 12. meij des voorleeden Iaars, alhier is komen te ontslapen en doenmaels door de rijksgrooten welke die acte nevens denselven geteekend en ook de contracten beswooren heb„ „ben mitsgaders de verdere met haarlieden herwaerds gekomene glarrangs en grooten reeds versoek is gedaan om wijlen sijn hoogheid soon met name Abdul Rasiet Tajoel Ariphien en sijns vaders plaatse weder bij provisie tot koning te mogen verkiesen als daar toe de naast gewettigde sijnde en om reedenen s' lands gebruik meede brengt dat geen overleeden koning mag worden ter harden besteld voor en al een er een ander benoemt sij en so meede, mits desselfs minderjaarigheijd als te dier tijd nog maar thien jaaren bereijkt hebbende teffens tot regent van het rijk den senelie kiewie en welk versoek mon gecondescendeert heeft onder voorwaarde dat het selve te Tambona na den gebruikie in nadere omvrage soude worden ge„ bragt bij d'overige rijks grooten en dat dit laatste vervolgens geschied weesende sij gesamentlijk bij die verkiesing niet alleen sijn blijven per„ sisteeren maar den gem: prins Abdul Rasiet Tajoel Arip hien deser dage alhier ook in persoon overgekomen is in geselschap van even gedagte regent genelie kinie en den Jenelie keloe Jenelie Baram boe en senelie Liekan Expresselijk door den rijksbestierder en verdere rijks„ grooten dit heen gedepecheert ten eijnde daar van kennisse te geeven mitsgaders te versoeken dat meerm: verkiesing en de aanstelling van den Jenelie kiewie tot regent als nu mogte worden g'approbeert en d'een en ander oversulks in de waardigheeden bevestigt soo is 't dat bij den gouverneur en directeur deeser Celedes en dies ressort neevens den raad

NL-HaNA_1.04.02_3445_0694 view scan ↗

English

From Macasser, 8 June 1775. the Council, having considered the fairness of that proposal, the legitimacy of the persons proposed as king and regent, and the necessity to fill again the vacant throne of Tambora, has resolved this day to consent to those requests and consequently to confirm the aforementioned prince Abdul Rasiet Fajoel Ariphien as king, as well as Jenelie Kivie as regent of the realm during His Highness's minority; all this, however, under the esteemed approval of His High Nobility the Governor-General and the Councillors of the Netherlands Indies, and on the condition that the regent, together with the other grandees of the realm currently present here, shall not only have to swear anew to the contracts entered into with the Dutch East India Company, and in particular the last one of 9 February 1765, but also to submit themselves to all such alterations, modifications, expansions, or reductions, etc., as His aforementioned High Nobility and the Councillors of the Indies might see fit to make therein; furthermore, they shall be bound, as they undertake and promise, to come hither when the king shall have reached his majority to assume the government of the realm himself, for His Highness also to take the oath to the aforementioned contract. And since that swearing-in has now properly proceeded on the Quran and by the drinking of kris water, after the cited contract was read aloud in the Malay language to the regent and the grandees of the realm, this document has, in witness thereof, been stamped by them with the seal of the realm and signed with their customary signatures in the presence of the Governor and Council. Below stood: Thus done, signed, and sworn at Macasser in Castle Rotterdam on 10 December in the year 1770. Was signed: P. G. van der Voort, B. van Pleuren, I. W. Peters, I. Rakiet, C. Krane, R. Houque, A. Rosseleg. Lower stood: By order of the Right Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, together with the Council. Signed in the margin: C. Krane. To 165. 643 From Macasser, 8 June 1775 — No. 23. To the King and Grandees of Bouton. After customary compliments. Furthermore, I make known that the letter from Your Highness and the grandees of the realm has duly reached me, in which they promise to do their best regarding the delivery of at least half of the slaves still in arrears, which I therefore also hope will take place shortly. Meanwhile, it appeared strange to me that Your Highness and the grandees of the realm have detained the sergeant there for so long beyond the appointed time; for even if the embassy could not have departed, in my opinion transport might well have been granted to him and his retinue, even if only as far as Boelecomba, whereas I have now been placed in an awkward position on that account. I therefore wish to request and admonish Your Highness and the grandees of the realm once again to have him conveyed to Boelecomba as soon as possible. As for the difficulties in which Your Highness and the grandees of the realm find themselves, I would have wished that they had been communicated to me, since as yet I know nothing certain thereof, save that rumors are circulating here that the people of Moena have supposedly become rebellious. If true, this could indeed have evil consequences; to prevent such, however, I have judged it best to inform myself thereof through From Macasser, 8 June 1775— Your Highness and the grandees of the realm, and therefore to send a pancalang and a padewakang to Bouton, which, while I await the answer to this, can cruise the strait where I understand pirates are also lingering. Your Highness and the grandees of the realm will therefore do well to inform me of the state of affairs as soon as possible, and likewise the King of Bonij, who, alongside an envoy of the Company, is sending two of his own to admonish the people of Moena or others, if necessary, to keep quiet and abandon their evil designs if they do not wish to be compelled thereto, since the Company and Bonij will support the realm of Bouton in proof of the inclination of both to promote its welfare, of which I assure Your Highness and the grandees of the realm by this letter; while for the rest, I refer to the instructions further given to the now-crossing envoys of the Company and Bonij to do, for the best of the land of Bouton with the approval of Your Highness and the grandees of the realm, whatever shall be deemed advisable according to the circumstances of the time. Below stood: Written at Macasser in Castle Rotterdam on 26 December 1774. Was signed: P. G. van der Voort. Lower stood: Signed: I. B. Sodenpijl. To 107 645 From Macasser, 8 June 1775. No. 24. Honorable, pious. To Sergeant Jan Christoffel Sleijnbach. Referring to our recent letter of the 26th of this month, a copy of which is enclosed herewith, I let this serve to communicate that the pancalang D'Oppas, together with a padewakang, is departing for Bouton, on the latter of which are the Company's envoy Danig Mandjaretie along with two ditto from the King of Bonij, to inform themselves with the Bouton monarch and grandees of the realm, just as the commander of D'Oppas is likewise instructed to do, as to what truth there is in the rumors circulating here concerning the uprising of the peoples of Moena against the realm and the assistance that is supposedly being rendered to them by the Wadjorese; as well as, when the situation is also deemed advisable, to cross over with the padewakang to Moena in order, if possible, to appease the discontented more closely and bring them to submission, while the pancalang shall cruise in the strait until news is obtained regarding both matters as to how affairs stand. Yet, since you will likely be able to give the best explanation of this, we not only expect such in answer to this letter, but also that you will furthermore do your best to ensure that

Dutch transcription

Van Macaserden 8. Junij 175. raad gelet sijnde op de billijkheijd van dien voordragt de wettigheijd van van de voorgedraagene persoonen tot koning en regent en de noodsakelijkheid om de openstaande Troon van Tambora weder te vervullen op heeden besloten is in die versoeken te bewilligen en mitsdien den meermelden prinds Abdul Rasiet Fajoel Ariphien als koning mitsgaders Jenelie kivie als regent van het rijk geduurende svorsten minderjarigheijd te bevestigen alles nogthans onder d'g'beerde goedkeuringe van sijn hoog Edelheijd den heere gouverneur generaal en de heeren raeden van neederlands Jndia en ondervoorwaerde dat den regent nevens de overige thans sig hier bevindende rijks grooten niet alleen op nieuw sullen hebben te besweeren de contracten met de Neder„ landsche oost indische maatschappij aangegaan en insonderheid het laaste van den 9 februarij 1765 maar sig ook 't onderwerpen aan alle sodanige alteratien verschickingen uitbreijdingen of besnoeijingen enz: als hoog gem: sijn hoog Edelheid en heeren raeden van Jndia goedvinden mogte in deselve te maken mitsg„s sij voorts gehouden sullen wesen gelijk sij aanneemen en beloven om wanneer den koning meerderjarig sal sijn geworden om de regering van het rijk selve aanvaarden sijn hoogheid mede her b'Eediging van voorm: Contract herwaards te komen. En vermits die b'eediging thans na behooren op den alcoran en met drinken van krissen water voortgang genomen heeft nadat het geciteerde Contract in de maleijdse tale aan den regent en rijks grooten voorgeleesen was so is deese ten blijke vandien door deselve met het rijks zegel bestempeld en met hare gewoone handteekeningen onderteekend ten bij weesen vanden gouverneur en raad /onderstond/ Aldus gedaan geteekend en Beswooren te Macasser in 't Casteel Rotterdam den 10 december Anno 1710. /:was geteekend:/ P: G: van der voort, B: van Pleuren, I: W. Peters, I: Rakiet, C: krane, R: Houque, A: Rosseleg, /:lagerstond:/ Ter ordonnantie vanden wel Edelen agtbaeren heer Paulus godofredus vander voort gouverneur en directeur deser Custe Celebes benevens den Raed /:ter zijde geteekend/ C: krane. Aan 165. 643 Van Macasser Den 8. Junij 1775 — No: 23. Aan den koning en rijksgrooten van Bouton Na gewoone Complimenten wijders mackie bekend dat mij den brief van uw hoogheijd en rijksgrooten wel geworden is waar bij sij belooven om dat de vol„ „doening ten minste de helft van de nog agterstallige slaeven haar best tesullen doen 't geen ik dan ook eerlange hoope dat geschieden sal intusschen is het mij vriend voorgekomen dat uw hoogheijd en rijks„ grooten den sergeant aldaar so lange boven de tijd hebben aangehouden want ingevalle het gesandschap al niet hadde kunnen vertrecken konde mijns bedunkens aan denselven en sijn gevolg wel transport worden verleend al was het maar tot Boelecombr terwijl ik daardoor thans in verleegentheijd ben gebragt en dierhalven wil ik uw hoogheijd en rijksgrooten als nog versogt en vermaant hebben om hem ten spoedigsten na voelecomba te doen overbrengen. wat deswarigheeden betreft waer in uw hoogheijd en rijksgrooten sig bevinden hadde ik wel gewenscht dat deselve mij waaren be„ „deeld wijl daar van voor als nog niets teekens weete dat hier ge„ ruchten loopen dat die van woena oproerig soude sijn geworden 't geen waar sijnde wel van quade gevolgen kondesijn om sulk egter te voorkomen hebbe ik best g'ordeeld mij daar na bij uw Van Macasser den 8. Junij 175— uw hoogheijd en rijksgrooten 't informeeren en dierhalven een Pantjal„ lang en een Paduakang ona wouton te zenden welke terwijl ik op deese antwoord afwagte destraat kunnen bekruissen alwaar ik verneeme dat sig ook roovens ophouden uw hoogheid en rijksgrooten sullen dan wel doen mij ten spoedigsten van den toestand dersaeken te verwittigen en so meede aan den koning van Bonij die nevens eensendeling van de Comp: twee van sijne zend om des nodig die van woena of andere te vermaanen om sig stille te houden en haer kwaede desseijnen te laeten vaeren bij aldien sij daar toe niet willen gedwongen worden wijl de comp: en wonij het Boutons rijk sullen ondersteunen ten bewoeijse vande geneijgdheid van d'een ƒ en ander tot bevordering van desselfs welstand waar van ik uw hoogheijd en rijksgrooten bij deese verseekene terwijl mij voor het overige gedrage aanden last welke de thans overvaarende sende„ „lingen vande comp: en Bonij verder is gegeeven om ten beste van het land van Bouton met uw hoogheijd en rijks grooten goedvinden te doen het geen natijds gelegentheijd raadsaam sal g'oordeeld wor„ „den /:onderstond:/ geschreeven te Maccasser in 't Casteel Rotten„ „dam den 26: December 1774. /:was geteekend:/ P: G: vander voort /laijer /: scordeet /:geteekend/ I: B: Sodenpijl Aan 107 645 Van Macasser den 8 Junij 175. No: 24 Eersame vroome. Aan den Sergeamnt Jan Christoffel Sleijnbach Ons gedragende aan ons Jongste schrijvens vanden 26 deeser welker wedergade hier nevens legt laete ik deesen dien en tot Communi„ catie dat de Pantjallang d' oppas nevens een Paduakang na Routon vertrekt op welke laatsten sig bevinden den scomp: sendeling danig Mandjaretie nevens twee dito van den koning van konij om sig bij den Boutonsen vorst en rijks grooten 't informeeren gelijk de gesaghebber van d'oppas insgelijks gelast is te doen wat er zij vande hier loopende gerugten wegens den opstand der volkeren van moena tegen het rijk ende assistentie die haar soude worden beweesen door de wadjoreesen mitsgaders om wanneer de toe„ stand het selve meede geraeden vind met de paduakang na woena over te steeken om waare het mogelijk de misnoegelen te nader te zelden en tot onderwerping te brengen terwijl de pat„ jallang in destraat sal kruissen tot dat men omtrent het een en ander tijding erlangd hoe desaeken gesteld zijn Dan vermits. uw hier van wel de beste elucidatie sal kunnen geeven so willen wij sulks in antwoord van deesen niet alleen verwagten maar dat uw voorts sijn best sal doen te besorgen dat

NL-HaNA_1.04.02_3445_0698 view scan ↗

English

From Macasser the 8th of June 1775. that we may obtain both as soon as possible and no less for himself to come here even if only provisionally to Bonthai, urging this upon the king most earnestly and to provide him with transport thither. Furthermore, you shall have to assist the commander Draijer with counsel and deed to achieve the purpose of his mission, and concerning all that you might judge, according to his acquired experience, ought further to be done or left undone, since we, being in uncertainty about the state of affairs, have not been able to give him any fuller instruction that has been handed to him, and concerning which I expect that you will act in every respect with deliberation and prudence, but above all with the required loyalty, while in the meantime I remain, below was written, your friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Macasser in the castle Rotterdam the 27th of December in the year 1774, lower, Agrees, was signed, S. B. Sodenpijl. Instruction. 169 647 From Macasser the 8th of June 1775. No. 25. Instruction for the second mate Jan Draijer departing with the pantjallang d'Oppas to Bouton in the company of a native paduakang carrying the envoy of the Honorable Company, Danig Mandjarekie, and two from the king of Bonij. Since we have already for a considerable time received report here of some internal troubles having arisen in the realm of Bouton through an uprising of the peoples of Calesoesoe situated on the east side of that island, and now recently it is also said that those of Woena on the east side of Pangesana have followed their example, which latter must be considered of a serious nature if it be true that the Wadjoese residing there in great numbers not only adhere to the party of the rebels, but might also be supported by others of their countrymen with people and vessels with which they can easily arrive at Woena, seeing that it would then not be impossible that the English, who have already for a long time From Macasser the 4th of June 1775 maintained contact with the Wadjoese at Passier, might come to interfere therein in order to gain a footing and possession in that region, either at Woena or elsewhere, to the notable detriment of the Company's exclusive residence and trade on Celebes; thus, unable to view these reports with an indifferent eye, we have not only deemed it necessary to employ means to bring the rebels to submission if possible, but especially to counter and foil the aim of the Wadjoese and the entrance of the Company's just mentioned competitors, and have therefore resolved to dispatch you with the pantjallang d'Oppas under your command and a native paduakang to the straits of Bouton, wherefore we shall hereby instruct you as far as practicable in all that you will have to perform. We say as far as practicable because it is certain that we cannot prescribe orders to you in an enterprise such as this to serve for compliance in all respects, since the same will depend on the condition in which affairs shall be found upon your arrival there, of which we have had no complete knowledge up to now, and the investigation of which will consequently be the first thing that you will have to do, to which end 171 649 From Macasser the 8th of June 1775 end you will have to turn the prow directly from here to Bouton, in order, while delivering the letter that is given to you herewith, to represent to the king that, upon the reports concerning the discords arisen on Woena, we are sending you to inquire into the circumstances thereof and to inform us of it as soon as possible, as will also be done by the envoys of the king of Bonij crossing over with you, carrying a letter for Bouton's monarch, whom you must subsequently inform that you have been ordered to cruise in the straits of Bouton until such time as an answer to our message shall have been received, while the paduakang, if the king should approve thereof, shall cross over to Woena, and the Company's envoy Danig Mandjarekie along with those of the king of Bonij may go ashore there in order to learn from the grandees of the land the cause of their dissatisfaction and to bring them to reason by showing them that otherwise both the Company and the king of Bonij will certainly force them thereto, against which you with your European crew may go ashore nowhere else than only on Bouton itself, but must remain on board, being constantly on your guard From Macasser the 8th of June 1775 lest you be unexpectedly attacked or betrayed by enemies or apparent friends, just as you shall also not express yourself about the English, either to the king of Bouton or to anyone else, but in case it should happen that you encounter any of their ships or vessels, deliver such a protest to them as is given to you herewith, while you will otherwise have to continue cruising the straits until the monsoon permits turning the prow back hither, which we calculate will be at the latest until the end of April, when you can call in passing at Koelecomba to collect the rice that might still be on hand there, unless we should in the meantime give you contrary orders concerning either matter, but the paduakang with the envoys can turn the prow hither earlier, even immediately, which is left to their discretion, though they must give you prior notice thereof, as that small vessel otherwise remains under your command. And since you will undoubtedly find Sergeant Steijnbach upon your arrival at Bouton, you may disclose your instruction to him so far as necessary and with him

Dutch transcription

Van Macasser den 8. Junij 1775 — dat wij de een en andere ten spoedigsten komen 't erlangen en niet minder om selfs dit heen te koomen al was het maar bij par„ visie na Bonthai daar toe bij den koning op 't ernstigste aandrin„ „gende en om hem transport derwaarts te besorgen. voorts sal uE: den gesaghebber Draijer met raad en daad moeten assisteeren ter bereiking van het oogmerk sijner afsending en omtrend al het geene wat uw na sijn verkreegen envarentheijd mogt oordeelen dat er verder gelaeten of gelaeten diend vermits wij omtrent de toestand van zaeken in 't onseekere sijnde hem geen ampeler jnstructie hebben kunnen geeven aandenselven inhandigt is en waar omtrend ik verwagt dat uw allesints met overleg en voorsigtigheijd door voor al met de vereijschte trouwe sult te werk gaan terwijl intusschen blijve /:onderstond:/ uw en vriend /:was geteekend:/ P: g: vandervoort /:inmargine:/ Macasser in 't casteel Rotterdam den 27. december Ao 1774. /:lager :/ Accordeert /:was geteekend:/ S: B3: Sodenpijl Instructie 169 647 Van Macasser den 8. Junij 1775. No: 25. Instructie voor den onder sturman Jan Draijer vertreckende met de Pantjallang d'oppas naar Bou„ „ton in geselschap van een Inlandsche Padua„ kang op hebbende den sendeling van d E comp: Danig Mandjarekie en Twee van de koning van Bonij. E Dewijl men alhier bereeds voor een geruijmen tijd bericht heeft erlangd van eenige ontstaane binnen landsche beroer„ „tens in het rijk van Bouton door een opstand der volkeren van calesoesoe gelegen aan d' oost kant van dat eijland, en nu kortelijk so men wil ook die van woena aan d'oost kant van Pangesana hun voorbeeld souden hebben gevolgd. welk laatste van een bedenkelijken aanschouw diend te worden geconsidereerd soo waar sij dat de aldaar in grooten getalte woonagtige wadjoreesen de parthij der oproerigen niet alleen aankleeven, maar ook door andere van hunne landslieden ondersteund mogten worden met volk een vaartuigen waar meede z'op woena ge„ mackelijk kunnen aankomen gemerkt het als dan niet onmogelijk soude sijn dat d' Engelschen die al voor lange niet Van Macaser den 4 Junij 175 met de wadjoreesen op Passier gemeenschap gehouden hebben sig daar meede kwamen te melleeren ten eijnde om dien oird 't zij te woena of elders voet en possessie te krijgen tot merkielijk na„ „deel van scomp: privative inwooning en handel op celebes, so hebben wij deese berichten met geen onverschillig ook kunnende beschouwen niet alleen g'oordeeld middelen in 't werk te moeten stellen om des omogelijk de wederspannelingen tot onderwer„ „ping te brengen maer bijsonderlijk om het doelwit der wadjo„ reesen en de indaang van sComp: soo eeven gewaagde Competi„ „teuren tegen te gaan en te vereijdelen en dierhalven beslooten uE met desselfs onderhebbende Patjalling d'oppas en een Jnlandse Paduakang na de straat kouton te depecheeren des wij uE bij deesen so verre doenlijk sullen instrueeren van alle het geene den selven sal te verrigten hebben wij seggen so verre doenlijk om dat het seekere sij dat wij uE geene beveelen in een onderneeming als deese kunnen voorschrijven om in alle opsigte tot opvolging te dienen vermits het selve sal afhangen van den toestand in welke desaeken bij uE: komst aldaar bevonden sullen worden waar van wij tot hier toe geen volledige kennisse hebben en welker ondersoek mitsdien het eerste sal weesen dat uE sal te doen staan tenwelken eijnde 171. 649 Van Macasser den 8. Junij 1775 eijnde uE: den steeven van hier direct sal hebben te wenden naar Bouton ten eijnde onder overgave van den brief die uE hier nevens word meede gegeeven den koning aan te leggen dat 11 wij op de berichten wegens d'oneenigheeden op woena ontstaan uE: komen te senden om na den toedragt van dien te ver„ „neemen en ons daar van ten spoedigsten te adverteeren invoegen ook sal gedaan worden door de met uE: overvaerende sendelingen van den koning van Bonij meede neemende een brief voor Boutons vorst die uE vervolgens sal moeten voor„ houden dat men uE: gelast heeft om in de straat wouton te kruissen tot tijd en wijle er antwoord opt ons te bedeelene sal weesen ontfangen terwijl de paduakang als dekoning sulks goedvinden mogte na woena sal oversteeken en sComp: sendeling Danig Mandjarekie nevens vande koning van bonij sig aldaar 10 aan de wal kunnen begeeven ten eijnde vande grooten derlands de oorsaake van haer misnoegen te verneemen en haar tot reeden te brengen door deselve te vertoonen dat andersints ende Comp: ende koning van bonij haar daar toe wel zullen awingen waar en tegen uE met zijne Europeesche scheepe„ lingen nergens anders dan alleen op Bonton belvs aande wal gaan maar aanboord moeten blijven steeds op sijn hoede zijnde Van Macasserden 8. Junij 1775 sijnde om niet onvoorsiens door vijanden afschijn vrienden, over„ vallen of verraeden te worden invoegen uE sig ook nog bij den koning van Bouton nog iemand anders sal moeten uitlae„ „ten over de Engelschen dog ingevalle het mogte gebeuren dat uE: eenige van derselver schepen of vaartuigen mogte ontmoeten aan deselve sodanig protest ter hand stellen, als uE hier nevens word meede gegeeven terwijl uE: voor het overige destraat sal moeten blijven bekuissen tot dat de mousson permitteerd om den steven weder herwaards tewenden t geen wij tellen uiterlijk tot het laatst van april salsijn wanneer uE enpatsant koelecomba kan aangieren om van daer de rijst aftehaalen die er nog mogte aanhanden weesen ten waere wij han intusschen omtrend het een en andere Contrarie ordres mogten geeven dog de Paduakang sal met de sendelingen den steven vroeger alwas het ten eersten kunnen herwaarts wenden dat aan haar gedefereerd blijft schoon sij uE daar van alvoorens moeten kennisse geeven wijl dat kieltje voor 't overige onder desselvs Commando staat. En aangesien uE ongetwijffeld bij zijne komst op Bouton den sergeant steijnbach sal aantreffen kan uE denselven. 1 so verre onodig opening van sijne Jnstructie geeven en met hem te

NL-HaNA_1.04.02_3445_0703 view scan ↗

English

173. 653 Jan Maccasser the 8. Junij 1715. consult him on what should best be done in occurring matters that we cannot foresee, it speaking nevertheless for itself that our intention is by no means to undertake anything for the present, much less that we would send you out to wage war, wherefore you shall not be permitted to grant any request thereto from the king, should the monarch intend to make any expedition, whether to Woena or elsewhere, but you shall dissuade and discourage him from the same, showing him that whenever he might need such, he ought to make a request thereto to us; nevertheless, if you experience that the game on Woena has gotten underway, you may indeed spread some rumors as if the vessels under your command have only been sent ahead and that they are to be followed by more other and larger vessels, in order hereby to deter the Wadjoreesen from supporting the rebels, since they will then well understand that the Company and the king of Bonij could easily meddle in that matter, the more so as our emissary as well as Bonij's have orders to do their part thereto, all of which then taking effect will certainly make our fear of the encroachment of foreign nations upon the same disappear. — What G From Macasser the 8th Junij 1775:— Now further regarding the vessels that you shall meet in the Strait of Bouton, we want to have most seriously recommended to you to beware not only of all acts of violence and extortion under penalty of a severe punishment, nevertheless you shall, as far as opportunity permits, have to ascertain of what nation they are, what they have loaded, where they come from, and whither destined, and if you should find any of them with prohibited merchandise, the crew must be ordered to depart from there, but Ceram vessels encountered with spices may safely be attacked and sunk, since they are not permitted to appear there at all. Besides our expectation that the king of Bouton will promptly write both to us and to the monarch of Bonij and thus give notice of the state of affairs, to which you must earnestly exhort him, you shall also have to give us report of your findings at the earliest opportunity, for which we think opportunity enough can be found if the letters are only conveyed to Bira, and 55. 653 From Macasser the 8 Junij 175 — on to Boelecomba to be delivered to us by the Resident. However, it would be very pleasing to us that Sergeant Steijnbach with his men should undertake the journey hitherward as soon as possible in the company of the ordinary embassy, in order that the commission for the extirpation of spice trees in the coming year may proceed properly, which would otherwise be difficult, wherefore you shall have to continue to urge the king thereon most forcefully in our name, just as we do in our aforementioned letter, and also order the same to Steijnbag himself. We trust that this, set down briefly in addition, will be sufficient for a full understanding of the intention and purpose of your dispatch, and we flatter ourselves that you will make it a point of honor to carry out what has been commanded of you with all zeal and promptness in order to pave your way to further fortune, and on the other hand carefully to avoid everything whereby you would expose yourself to a severe reprimand; furthermore, we still recommend you to maintain good and proper order on board, and above all to see to it that none of the European crew From Macasser the 8th Junij 175 crew go ashore at unknown places, and in general as little as possible without necessity, to prevent the misfortunes that could arise therefrom, as experience has only too often taught, from which we wish that heaven may be pleased to protect you and your men together, and on the other hand to crown you with its precious blessing and a desired outcome of this undertaking, remaining for the rest underwritten your friends was signed P: G: Vandervoort, B.s van Pleuren. in the margin Macasser in Castle Rotterdam the 29: December 174. lower Agreed signed D: B: Sodenpijl Protest 177. 655 From Macasser the 8th Junij 175 annex No: 25. Protest in the name of the General Dutch East India Company and by order of the Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director over its Honorable interests on the island of Celebes and its dependencies, made by us, the undersigned commanding officers on the to the gentlemen commanders of the ship Whereas it is known to the world that the General Dutch East India Company has entered into contracts with the monarchs on Celebes, and in particular also with the king and grandees of Bouton, for more than a century ago, which are still in full vigor, whereby the said Dutch East India Company has stipulated, and the king and grandees of Bouton have bound themselves, to admit no ships of any European nation other than only those of the aforementioned Company into any bays or harbors under their territory, much less to allow the seafarers to come ashore, and above all not to enter into any negotiations with them, so it is that we, having seen that Your Honors have dropped anchor here in the roadstead, do to Your Honors in the name of

Dutch transcription

173. 653 Jan Maccasser den 8. Junij 1715. hem raadpleegen wat er in voorkomende saeken die wij niet kun„ „nen voorsien best behoorde gedaan te worden spreekende het mog„ tans van selve dat onse intentie geensints is om voor als nog iets te onderneemen veel omin dat wij uE souden uitsenden om 't oorlogen weshalven uE geen aansoek daar toe van de koning sal omogen inwilligen soo den vorst van intentie mogte sijn eenige expeditie te doen 't zij na woena of elders maer het selve be„ heeft sult dien en 't ontleggen hem vertoonende dat wanneer 1 hij sulx benoodigen mogte daer toe aen ons versoek behoorde te doen des niet te min kan uE bij ervaering dat het spel op woena aan de gang geraakt zij wel Eenige geruchten doen versprijden als of uE onderhebbende bodems maar voor uitgesonden sijn en deselve van meer andere en grootere vaar„ „tingen staan gevolgt te worden om hier door de wadjo„ reesen van het ondersteunen der wederspannelingen af te schricken dewijl sij als dan wel sullen begrijpen dat de comp: en de koning van Bonij sig met die saak ligt sou„ „den kunnen bemoeijen te meer onse so wel als Bonijs zende„ „ling in last hebben om daar toe het haere te doen al het welk dan van effect zijnde onse beduchting voor den indrang van vreem„ „de natien van deselve wel sal doen verdwijnen. — wat G Van Macasser den 8:' Junij 1775:— wat nu voorts betreft de vaartuigen die uE in destraat Bouton sal ontmoeten so willen wul ten ernstigsten hebben gererom„ „mandeert sig te wagten niet alleen voor alle geweld pleegingen en knevelarijen op poene van Een gestrenge kastijding nogtans sal uE: so verre de gelegentheid permitteert moeten verneemen van wat natie deselve sijn wat z' ingeladen hebben waar van daan komen en werwaarts gedestineert en so uE eenige van deselve met verboden handel wharen mogte aantreffen, de opvaerende dienen aan te seggen om van daar te vertrecken, dog cerammers met specerijen be jegenende kunnen gerustelijk aangelast en in de grond worden geboort, wijl die aldaar in 't geheel niet mogen verschijnen. Behalven nu dat wij verwagten willen dat de koning van Bouton ten eersten soo aan om als Bonijs vorst schrijven en dus van den toestand der saeken kennisse geeven sal waar toe uE denselven ernstig diend aan te maa„ „nen sal uE ons ook van sijn bevinding ten Eersten bericht dienen te geeven waar toe wij denken dat geleegentheid genoeg gevonden kan worden als de brieven maer na Bira op 55. 653 Van Macasser den 0 Junij 175 — op na Boelecomba worden overgebragt om door den Resi„ „dent aan ons te worden besteld Egter soude het ons seer lief weesen dat den sergeant steijnbach met de zijne ten spoedigsten in geselschap van 't gewoone gesandschap de reijse na herwaarts kwame 't onderneemen ten eijnde de commissie tot extrpatie van Specerij boomen in 't aanstaande Jaar na behooren voortgang kan hebben dat andersints beswaarlijk soude vallen alwaar omme uE: ii't onsen naame daar op bij den koning op 't kragtigste sal moeten blijven urgeeren invoegen w' zulks komen te doen bij onse voorgewagde brief en het selve aan Steijnbag selfs ook beveelen. Dit kortelijk ter meeder gestelde vertrouwen wij dat genweg sal weesen tot een volleedig begrip van d' intentie en 't doetwit uwer afsending en wij vlijen om dat uw er een eere instellen en wij vlijen ons dat uw er een eere in stellen sult, om het hem bevoolene met alle ijver en promptitude ter uitvoer te bren„ „gen ten eijnde sig selve den wegte baanen tot verder fortuijn en daar en tegen alles sorgvuldig te vermijden waar door hij sig soude bloot stellen aan een gestrenge correctie des mij uE nog recommandeeren om goede en geschikte ordre aan boord te houden, en voor al te sorgen dat geene van d'Europeesche Scheepelingen Van Macasser den 0:' Junij 175 scheepelingen op onbekende plaatsen en in 't generaal so min mo„ „gelijk op buiten noodsaeke aan de wal gaan ter voorkoming van de ongeluiken die daar uit souden kunnen ontstaan so als d'ondervinding maar al te dikwils geleerd heeft waar voor wij wenschen dat den hemel uw en de zijne gesamentlijke sal gelieven te behoeden en daar en tegen te bekroonen met zijn dier„ baeren tegen en een gewenschte uitslag van deese onderneeming blijvende wij voor het overige /:onderstond:/ uwe vrienden /:was geteekend:/ P: g: vandervoort, B„s van Pleuren. /:in margine:/ Macasser in't Casteel Rottendam den 29: december 174. /:lager:/ Accorded /: geteekend:/ D: B: Sodenpijl Protest 177. 655 Van Macasser den 8:' Junij 175 annex No: 25. Protest uit naam van de generale nederlandsche oost Jndische compagnie en ter ordre van den Heer Paulus Godofredus van der voort. „gouverneur en directeur over haar Edele belangen ten eijlande celebes en dies aanhoorigheeden gedaan door ons onder geschreevene Commandeerende officieren op de aande heeren overheeden van het - - - - Schip - Nademaal het wereld kundig sij dat de generaale nederlandsche oost Indische Compagnie met de vorsten op celebes en insonderheijd ook met den koning en rijksgrooten van Bouton voor meer dan een eruw geleden contracten heeft aangegaan die als nog in volle vi„ geur sijn waar bij gemelde Nederlandsche oostindische maatschappije voor bedongen en der koning en rijksgrooten van Bouton sig verbonden hebben geene scheepen van eenige Europishe natie dan alleen die vande meermelde Compagnie 't admitteeren in eenige baaijen of havenen onder hun gebied veel min toe te staan dat de gevaerende aan land komen en voor al om met deselve in geen onderhandeling te treeden, do is het dat wij geseien hebbende dat uw wel Edelens alhier te rheede het anken hebben laeten vallen uw wel Edelheedens uit naam . 5

NL-HaNA_1.04.02_3445_0708 view scan ↗

English

From Macasser the 8. June 1775— name and on behalf of the frequently mentioned Dutch East India Company and by order of the honorable governor and council at Macas„ „ser, not only in the most polite and friendly manner to admonish and warn not to send any of your honors' vessels ashore, but also to leave this place at once and nowhere further around this region to call, since we in the contrary case, in the name and by order as above, very expressly and most strongly protest against all damage and accidents that might arise from your honors' longer stay, the sailing to the shore or other undertakings, leaving the same, with the consequences thereof, entirely for your honors' account and responsibility. Underneath was written: Done in the Patjallang de oppas lying this Anno 1775 Translation - No 77 179 657 From Macasser the 8. June 1775— Translation of a Malay Letter No. 26. — Written by the king of Bonij to the one of Bouton and his grandees of the realm, reading as follows. After manifold compliments and greetings We hereby make known to my son that we have understood here by rumor that my son is presently in great sorrow, therefore we now come to inquire what the reason thereof is and wherein that sorrow consists, for which reasons now the envoys of the Honorable Company and Bonij cross over in order to learn such; let us then know as soon as possible that which serves to be done for the best of the country Bouton, to be done, for the friendship between Bonij and Bouton is unbreakable. Underneath was written: The 26. December Anno. Lower: For the translation. Was signed: J: Brug„ „man. Lower was written: Agrees. Was signed: Van From Macasser the 8. June 1775— B Bodenpijl 181 659. 15 From Macasser the 8. June 1775 No: 27. To the ensign Alescander Lecerf Commandant there The king of Bima, together with the regent and other grandees of the realm, dispatched home accompanied by letters on the 21. November past, had not yet departed when on the same day I received your letter of the 21. October prior; and thus I still had the opportunity to speak with them about the pre„ „tension that the former king of Tambora still makes upon some slaves and other goods, regarding which they declared that everything that he could rightfully claim, as far as was known to them, had been surrendered, which the Tamborese likewise continue to maintain; I have 18 therefore not been able to proceed to force them to anything else, the less so because your honor has not specified to me wherein the missing items were to consist, nor have I received the resolution concerning what was resolved thereupon on Camboe, except that the former prince in the first Valiant, Pious, Discreet. instance From Macasser The 8. June 1775: instance indeed made much fuss of his pretension, but since appears to have esteemed the same little. Nevertheless I can well approve that your honor, being requested thereto, undertake a closer investigation into this matter and thus help that prince to what is his, if he has not received all that belongs to him, but others have enriched themselves therewith; provided that your honor in any case keeps in view that the preservation of the peace of the realm is of the utmost importance, which I hope, through the confirmation of the Young king and the appointment of a regent, will be of long duration, to which it will much contribute that your honor continually points out to the combined grandees of the realm how the revolutions that have already occurred several times in short succession have been of so much detriment to the same, that they ought to join hands with one another to restore the ruined affairs, and the mutual divisions therefore ought once to cease, if they do not wish to ruin themselves forever; so that I have also given them clearly to understand, not obscurely, 183 661 665 From Macasser the 8. June 1775— that the dethroning anew of a prince without legitimate cause, or indeed of the present one, for all those who out of self-interest would wish to cooperate therein, could very well be followed by repentance. The Young king of Tambora, together with the said regent and other grandees who came over, now returning again, this serves further for their safe conduct, while I, having hitherto looked out in vain for the arrival of those of Dompo and those of sumbauwa, expect that your honor shall urge them with all possible emphasis still to proceed hither this spring. Furthermore it serves for your information that the ship Leijendorp, which is expected here shortly to collect a cargo of sappanwood, is due to arrive at your place, which I trust will be in ample supply, and regarding which your honor will have to be mindful to give those of dompo and sumbauwa so much share that their debts become completely settled, while for the payment of the remainder money shall be sent, for which reason that which is required can be demanded, demanded, being mindful that for that which by the Sumbawarese is reckoned in deduction of slaves, the forty picols are to be calculated against one slave, according to what was previously ordered. Wherewith, after greetings, I remain. Underneath was written: Your good friend. Was signed: P: S: van der voort. In the margin: Macasser in the castle Rotterdam the 19. January Anno 1775. Lower: Agrees. Signed: B: Bodenpijl. From Macasser the 8. June 1775. To

Dutch transcription

Van Macasser den 8. Junij 1775— naam en van wegen de meer gemelde nederlandsche oostjndische compagnie en uit last van den heer gouverneur en raad te Macas„ „ser, niet alleen op de beleeffte en vriendelijkste wijse vermaenen en waerschouwen om geene van uw wel Edelhed=s vaartuigen aan land te senden omaar ook om ten eersten deese plaats te verlaeten en mergens verder om deesen ooird aan te loopen dewijl wij bij het tegendeel uit naam en last als boven wel expresselijk en op het kragtigste protesteeren van alle schaede en ongelucken die so uit uw wel Edelheedens langer verblijk het vaaren maar de wal of andere onderneemingen soude mogen voorbloeijen laetende deselve met de gevolgen van dien geheelijk voor uw wel Edelheed=s reekening en verandwoording /:onderstond:/ Actum inde Patjallang de oppas leggende deesen Ao 777 Translaat - No 77 179 657 Van Macasser den 8:' Junij 175 — Translaat Maleijdsche Brief No. 26. — Geschreeven door den koning van Bonij aan die van Bouton en zijne Rijksgrooten Luijdende als volgt. Na veelvuldige Complimenten en begroetingen Do maake wij bij deesen aan mijn zoon bekend dat alhier bij gerugte verstaan hebben dat mijn zoon sog thans in groote droefheijd is bevindende derhalven kome wij thans te verneemen wat de reede daar van is en waar die droefheijd in be„ staat om welke reeden thans de sendelingen van d E Comp: en Bonij overgaan ten eijnde zulx te verneemen laat ons dan ten spoedigsten weeten t geen tot bestwille van 't land Bouton dient gedaan gedaan te werden want de vriendschap tusschen Bonij en Bouton is onverbrekelijk /:onderstond:/ Den 26: december Anno /:lager :/ voor de Translatie /:was geteekend:/ J: Brug„ „man, /:Lager stond:/ Accordeert /:was geteekend:/ Van Van Macasser Den 8. Junij 175 — B Bodenpijl 181 659. 15 Van Macasser den 8. Junij 175 No: 27. Aan den vendrig Alescander Lecerf Commandant aldaar De koning van Bima nevens den regent en verdere rijks„ „grooten, onder geleede letteren den 21. november passato na huis gedepecheert waaren nog niet vertrocken toen ik ten selven dage ontving uE: schrijvens van den 21: october bevoerens; en dus hadde ik nog gelegentheijd deselve te onderhouden over de pre„ „tensie die den gew: koning van Tambora nog komt te ma„ „ken op eenige slaeven en andere goederen waar omtrend sij verklaarden dat alle alle het geene denselven met regt eijs„ schen konde so verre hun bekend waere overgegeeven was het geen de Tamboreesen insgelijks blijven beweeren ik hebbe 18 dierhalven niet kunnen overgaan om haar tot iets anders te dwingen te minder uE: mij niet speciaal heeft opgegeven waar in het manqueerende soude hebben bestaan nog mij ook geworden is de resolutie wegens het dientwegen geresolveerde op Camboe behalven dat de gewesen vorst van sijne pretensie ten Eerster Manhafte, Droomie Discreete. inttantie Jan Macasser Den 8e. Junij 1775: instantie wel groote op hep gemaakt dog deselve sedert weijnig schijnt g'acht te hebben. Nogthans mag ik wel lijden dat uE: daar toe aan„ gesogt een nader ondersoek in deesen komt te doen en dus dien vorst aan het sijne helpt so hij niet abbes wat hem toebehoort gekreegen heeft maar an„ „deren sig daar meede verrijkt hebben mits uE: in allen gevalle in 't oog kome te houden dat aan de conservatie van de ruste van het rijk het meeste geleegen legt welke ik hoope dat door de bevestiging van den Jong koning en benoeming van Een regent van duur sal sijn waar toe veel Contribu„ eeren sal dat uE de gesamentlijke rijksgrooten bij Continuatie komt voor te houden hoe de ommen„ „telingen die om bereets verscheijden omalen kort na den anderen sijn g'esteert voor het selve van so veel nadeel sijn geweest dat sij de handen behooren in elkan„ „deren te slaan om de vervallen saken te herstellen en de onderlinge verdeeltheeden dierhalven eens dienen te cesseeren willen zij sig selven niet voor altoos ruineeren invoegen ik haar ook niet ondrusten te verstaan gegeven hebbe „ 183 661 665 Van Macasser den 8. Junij 175— hebbe dat het andermaal aetroneeren buiten wettige oorsaake van een vorst of wel van den presenten voor alle de sulke die daar toe om eijgen belangs wille souden willen meede werken wel van brouw soude kunnen worden gevolgd. De Jong koning van Tambora onevens gem: re„ „gent en verdere overgekomen groten thans weder te rug keerende soo dient deesen verder ten kunnen geleide terwijl ik als nog vrugteloos na de komst van die van Dompo en die van sumbauwa uit gesien hebbende verwagte dat uE desebekuet alle mogelijke nadruk sal aanspooren om sig als nog in dit voor„ Jaar na herwaarts te begeeven. voorts dient ter uwer narigt aat „ schip Leijendorp 't geen eerlange hier verwagt word ter afhaal van een lading sappanhout bij uE staat aan te komen die ik vertrouwe dat rum in voorraad sal weesen en waar omtrend uE: ver„ dagt sal moeten sijn om die van dompo en sumbauwa soveel aandeel te geeven dat denselver schulden volkomen verwend raaken terwijl ter betaling van het overige geld sal gesonden worden weshalven het benodigde kan worden g'eijscht g'eijscht verdagt sijnde om het geen door de sumbawa„ reesen in mindering van slaeven gereekend word de veertig picols tegen een slaaff te bereekenen na het geene voormaals g'ordonneert is. waar om eede na groete blijve /:onderstond:/ uE: goede vriend /:was geteekend:/ P: S: van der voort, /in margine:/ Macasser in 't casteel Rotterdam den 19:' Januarij Accordeert /:geteekend:/ A=o 1775 /:lager:/ B: Bodenpijl. Van Macasser den 8: Junij 175. Aan

NL-HaNA_1.04.02_3445_0715 view scan ↗

English

185. 663 665 From Macasser the 8th of June 1775 — No: 28 To The Right Honorable Sir Paulus Dedefredus van der voort Governor and Director of the Coast of Celebes In my last humble letters of the 21st of the previous month, I had the honor to report to your Right Honorable concerning the King of Sumbawa. His Highness arrived there on the 23rd, and on the 28th I visited His Highness and reminded him of the promises made to me in the past year to depart for Macasser provided that his grandees of the realm would convey him, and which have nevertheless not been fulfilled to this day, expressing the utmost displeasure for which your Right Honorable has had to exercise patience regarding his conduct, under the assurance that His Highness will yet come to regret the consequences of this. His Highness declared that he knew very well that he had done wrong in this regard, saying that the Captain of the Malays at Macasser had also written to him about this in a letter, therefore requesting me to be allowed three days' postponement until the Right Honorable Sir! arrival From Macasser the 8th of June 1775— arrival of the regent of the Indepaties to give an answer. The assembled grandees of the realm were all with me on the third day, declaring that they cannot persuade the King to depart for Macasser, undertaking and promising that if the King should remain obstinate therein, they together will not abandon the Honorable Company, but as upright allies will obey the same in everything, and that one of the grandees of the realm, namely Neene Ranga, will then cross over to Macasser to request a pardon for the King from your Right Honorable so that he may be excused for this year, since His Highness had firmly promised to depart with me in the coming year, and in case the contrary should happen, they will nominate another as their King. Furthermore, the assembled grandees complained about the bad behavior of that ruler, whose aim extends to nothing else than building and carousing with women, and who wanted to take by force the daughters of various people, as happened with the daughter of Radeeng Nangan, such that the father had to hide his daughter with Datoe Boesing, whom His Highness wanted to have removed from there by force, but Datoe Boesing absolutely refused to hand her over, saying she was married to another; so that ruler, - 187. 665 From Macasser the 8th of June 1775 seeing that he could not achieve his aim, condemned his grandees of the realm who had opposed him, namely Nene Ranga to a fine, and dismissed Radeeng Nangan from his office, and thus this matter remained resting as such, a treatment that is entirely contrary to the laws. He presently refuses to listen to any reasoning from his court dignitaries, associating with no one other than a Bugis prince, Aroe Sarassa Daeng Alla, alias Mappa, and Craeng Bielajie, with whom he daily interacted and listened to their counsel; however, the last-named Craeng Bilajie advised him well in every respect and declared frankly to the King that if he will not be obedient to the Honorable Company, he will abandon him entirely. Furthermore, that ruler presently supports the Wadjoese in every respect; on the other hand, the Sumbawanese, who are his lawful subjects and wanted to speak out against him regarding his bad treatment, he threatened to drive away with weapons if they do not let him have his way. Wherefore the assembled grandees feared that if the Honorable Company did not come to assist them in making the Wadjoese depart from the country, Sumbawa will yet fall into foreign hands at some time; for to remove this ruler from the throne and put another in his place, he will certainly seek to regain it by force of arms with the help of the Wadjoese, and thus it could not be brought about without bloodshed. The aforementioned Neene Ranga, who is the bearer of this, will upon arrival there provide further elucidation to your Right Honorable, to which I respectfully refer. Furthermore, I have made an investigation regarding the claim of Gusti Wajantaga concerning the vessel that the Sumbawanese supposedly purchased at that time for gafo from Care Mangoen Joengie and Intje Mankio; it is entirely beside the truth, declaring that they let the vessel sink in the river. Wherewith having the honor to subscribe myself with the greatest respect, beneath stood: Right Honorable Sir, lower: your Right Honorable's faithful, devoted servant, was signed: A: Elcerps. In the margin: Bima In the Company's fortress, the 18th of November Anno 1774. Lower: Agrees, signed: J: BB: Dodenpijl. To 189 667 From Macasser The 8th of June 1775 To the Right Honorable Sir Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of the Coast of Celebes Your Right Honorable's esteemed letters of the 20th of September of the past year I have duly received, this serving in humble answer that in the month of November I granted a proper dispatch for the letter for Gusti Waantaga, with one of mine to that ruler, thereby making known that due to many duties in the service on Sumbawa, as well as caused by the demise of several rulers here, I cannot cross over in person myself, which however is to take place at a further good opportunity. Up to this day I have received no answer; the reason and cause of this I am unable to report to your Right Honorable, since I have obtained not the slightest news from there, nor has the deliverer of those letters returned yet, while I shall neglect no opportunity upon his appearance to inform your Right Honorable Right Honorable Sir! concerning No: 29

Dutch transcription

185. 663 665 Van Macasser den 8:' Junij 1775 — No: 28 Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Dedefredus van der voort Gouverneur en directeur ter Custe celebes In mijn laaste onderdaanige letteren van den 21: der voorige maand, heb ik de ber gehad uwel Edele agtb: te melden omtrend den koning van Sumbawa sijn hoogheijd is op den 23: aldaar g'arriveerd, en den 28: ben ik bij sijn hoogheijd geweest, en den selven voorgehouden sijnde beloften in den voorleeden Jaar aan mij gedaan om ona Macasser te vertrecken mits dat zijne rijksgrooten hem wilde overbrengen, en egter tot heeden niet nagekomen, met betuiging van de uitterste ongenoegen die uwel Edele agtb: omtrend sijn handelwijse heeft moeten gedult oeffenen onder verseekering dat sijn hoogheid de gevolgen hier van nog na berouw sal hebben sijn hoogheid betuigd seer wel te weeten hier omtrend misdaan te hebben seggende dat den Capitein der ma„ leijers op macasser hem hier over bij Een brief ook had aan geschreeven mij dierhalven vertogte arie daagen uitstel te mogen hebben tot de Wel Edele Agtbaaren Heer! komst Van Macasser den 8:' Junij 1775— komst van den rijksbetier der Jndepatie om antwoord te geeven. De gezamentlijk rijksgrooten sijn op den derden dag alle bij mijn geweest met betuiging datse den koning niet kan overreeden om na macasser te vertrecken aanneemende en beloove dat wanneer den koning daar in halstarig mogte blijven sijlieden gesaamentlijk deE Comp: niet sal verlaaten maar als opregte Bondgenooten desselve in alles sal gehoorsaamen sullende als dan Een denr rijkis grooten na matasser overgegaan namentlijk Neene Ranga om pardon voor den koning bij uwelEd:e agtb: te versoeken ten eijnde in deese Jaare te moogen werden g'excusseerd, also sijn hoogheijd vast beloofd hadde in 't aanstaande Jaar met mijn te sullen vertrekken en ingevall 't teegendeel mogte gebeuren sijlieden Een ander tot haaren koning sal voordragen wijders hebbende gesamentlijke grooten geklaagd over het slegt gedrag van dien vorst die sijn doelwit niet anders strekken als om te bouwen en met vrouwen te overkropen en dogters van deese en geene met geweld na sig wilde neemen gelijk gebeurd is met de dogter van Radeeng. vangan sodanig dat de vader sijn dogter bij datoe Booeding heeft moete verbergen 't geen sijn hoogheijd met gemeld van daar heid heeft wille laaten afhaalen doch datoe Boesing heeft absvolut geweij„ „gend overtegeven seggende met Een ander getrouwd te zijn soo heeft dien vorst - 187. 665 Van Macasser den 8:' Junij 1775 vorst /: ziende aan sijn oogmerk niet komende bereijken /: des„ selvs rijks grooten welke hem tegen geweest waaren namentlijk Nene ranga in een boete gecondemneerd Radeeng Nangan van sijn bediening afgeset en dus is deese saak sodanig blijven berusten, Eene behandelingen die gantsch teegen dewetten strij„ „dende willende thans na geen reedenen van desselfs hofsgrooten meer luisteren houdende met niemand anders op als met aen Boego„ „neese prins Aroe Sarassa Daeng Alla /:alias / Mappa en Craeng Bielajie met dewelke bij dagelijks verkeerde en hunne raad't aan„ „ hoorde doch den laast gen: Cr: Bilajie hem in allen opsigten ten goede raaden en rondelijk tegen den koning heeft gederlareerd dat wanneer hij aandE Comp: niet wil gehoorsaam sijn, bij hem ten Eenemaal sal verlaaten. Wijders to ondersteunt dien vorst de wadporeesen tegenswoordig in allen deele daar en teegen de sumbawareesen dat sijn wettige onderdaanen sijn welke hem in sijn slegte behandelingen wilde teegenspreeken deselve dreijgden met de wapenen te sullen verjaagen so se hem niet in sijn wille laate bequan, waar omme de gesament„ „lijk grooten vreesden dat wanneer dE Comp: haarlieden niet quam te adsisteeren om de wadjoreesen van het land te doen vertrerken Sumbawa nog te Eeniger tijd onder vreemde hande„ sal Van Macasser den 0. Junij 175— sal vervallen, want om deesen vorst van den troon ofte setten en Een ander in sijn plaats te stellen sal hij zeekerlijk met dewaa„ „penen, onder behulp der wadjoreesen weder sien te verkrijgen en dus sonder vloed storting niet soude kunnen te weege gebragt werden voor en genoemde neene Ranga welke aen brunger deeses is sal bij aankomst â costij uwel Edele agtb: nader Ellucidatie geeven waar aan ik Eerbiedig revereeren. wijders heb ik ondersoek gedaan omtrend de pretentie van gusti wajantaga weegens het vaartuig die de sumbawareesen te dier tijd voor gafo van care Mangoen Joengie en Intje Mankio, soude gekogt hebben is ten Eenemaal bezeijden de waarheijd verklaa„ „rende datse het vaartuig in de revier hebben laeten sinken. waar meede d'Eer hebbende mij met de meeste Eerbied te onder„ schrijven /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare heer /:lager:/ uwel Edele agtbaare Trouw schuldige Dienaar /:was geteekend:/ A: Elcerps ter zeijde Bima Ins Comp: vesting den 18 November A:o 1774: /lagen:/ Accordeert /:getekend:/ J: BB: Dodenpijl Aan 189 667 Van Macasser Den 8:' Junij 175 Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort gouverneur en directeur ter custe Celcles uwel Edele Agtbaare hoog g'uyte letteren van den 20 sep„ tember a„o p„o heb ik behoorlijk ontfangen deese in needrig antwoord dienende dat ik in de maand November Een behoor„ lijk depeche heb verleend den brief voor gusti waantaga, met Een van de mijne aan dien vorst daar bij te kennen gegeven dat ik door veele beesigheeden in den dienst op sumbawa, als als door 't afsterven van verscheijde vorsten alhier veroorsaakt niet selfs in persoon kan overkomen 't geen Egter bij Een naader goede geleegentheid staat te geschieden hebben tot heeden geen ant„ „woord ontfangen, reeden en oorsaak hier van weet ik uwel Edele agtb. niet te melden also er geen de minste tijding van daar heb bekoomen ook den bestelder dier brieven nog niet geretourneerd is, Terwijl ik geene geleegentheijd sal versuijmen bij opdaaging van den selven uwelEd: Agtb: Wel Edele Agtbaare Heer! omtrend No: 29

NL-HaNA_1.04.02_3445_0720 view scan ↗

English

From Macasser the 8. June 1775:— concerning the state of these matters will give notice at the earliest. The Bima Regent Turelie Dongo, who under the accompanying letters of your Right Honourable of 21. November arrived here safely on 14: December, appeared before me alongside the king and other grandees of the realm, in order to express to your Right Honourable their humble gratitude for the confirmation of that young prince as well as for the approval of the aforementioned Turelie Dongo as regent. But the king of Dompo, who by failing in that which was his duty in the past year had indicated that he was unable to depart thither, and therefore made a request to be permitted to send envoys thither on his behalf in order to request of your Right Honourable to be allowed to come up only this year, I have not been able to refuse this request; on which account, under a letter of escort on 20 November departed from here, yet after long struggling in continual rain on the 8. of this month had to return here again. The king of Tambora who departed from here on 2: November, I hope that he will already have arrived thither, having also given a letter for his escort, to whose contents I humbly refer. Furthermore I have not failed, during my presence on Sumbawa, to urge the king with all possible diligence upon his departure; who also made me such promises as I reported to your Right Honourable by letter of 13: November of the past year, of which duplicate goes herewith. But meanwhile having received such contrary reports that I was forced to send the soldier Groothuisen thither in order to inquire why the grandees of the realm, who had undertaken to go over as envoys to your Right Honourable, had not departed; so the aforementioned soldier reported to me upon his return that the king and his grandees of the realm had fallen into disagreements, because that prince had urged them in the strongest terms to depart for Maccasser, declaring that he was ready to fulfill his duty to the Company; where was now the vessel in which he and his people could embark with ease? Further declaring plainly to his grandees that in case they do not let him depart, or send envoys on his behalf, he will desire to go back to Taliwana. The combined grandees of the realm, acknowledging their mistakes, firmly promising to depart with the full moon on the 16 of this month, namely Neen Ranga and Calli Balla as envoys. From all this your Right Honourable can sufficiently see how the grandees of the realm confronted me on Sumbawa with lies, and interpreted everything falsely regarding the king's will; wherefore the delaying of his departure must be imputed to them alone, and not to the prince, just as they have repeatedly affirmed to me that they cannot persuade the king, whereas here that prince showed his willingness to carry out what was his duty, they having always employed means to dissuade him from it, subsequently reporting the contrary to me in that regard. The further reports that I have obtained from Sumbawa have delighted me in the highest degree, that that prince indeed urged his grandees of the realm in the strongest terms, yes, even sent them to the seaport to depart without the least delay by the full moon. Furthermore, I have received through an emissary of that highness a letter, the translation of which goes herewith, whereby he came to request to have the Company's pantjallangs which are here. Outside the authority of your Right Honourable I did not dare to deliver them, but only gave as an answer that in case he wishes to use the same for his transport to Macasser, he could indeed obtain them, but not otherwise; wherefore requesting your Right Honourable's authorisation in case his highness came to request again whether I may deliver the mentioned pantjallang immediately for the valuation of 200: — rixdollars. Finally, with respect to the other princes here nothing is to be noted, everything still being in good rest and peace; so I end this, hoping that my actions may receive a favourable approval from your Right Honourable. I have the honour, before having commended your Right Honourable, together with the Company's weighty interests, to the all-safe protection of God, to subscribe myself with with the requisite respect. Below stood: Your Right Honourable's bounden faithful servant. Was signed: Lecerff. In the margin: Bima, in the Company's fortress, the 20:th February, in the year 1775. Lower stood: Agrees. Signed: B: Bodenpijl. Translation. From Macasser the 8 June 1775. From Macasser the 8: June 1775. Translation of a Malay letter written by the king of Sumbawa to the commandant of Bima. After the ordinary compliments. I send this letter to my brother the commandant of Bima under escort of my emissary Intje Moehamma, who comes over to request the prahu pantjallang of you, my brother; for at the time that your Honour was here on Sumbawa, I sent my servant Sitolle to my brother to purchase the aforementioned pantjallang, but your Honour gave as an answer that the mentioned prahu was not good. I request that your Honour please have the goodness to send me the aforementioned prahu pantjallang with my emissary, but in case the above-mentioned Intje Moehamma cannot take it along, please send it to your Honour afterwards. No: 30. Further

Dutch transcription

Van Macasser den 8. Junij 175:— omtrend den toestand deeser saaken ten Eersten kennisse zal geeven Den Bimas Regent Iurelie Dongo, welke ondergeleijde letteren van uwel Ed: Agtb: van den 21. November op den 14: december al„ hier behouden g'arriveerd is, is nevens den koning en verdere rijks„ grooten bij mijn verscheenen ten eijnde uwel Ed: agtb: hunne ootmoedige dankbaarheid te betuigen voor de bevestiging van dien Jonge vorst als wel voor de Approbatie van voorn: Turelie dongo tot regent dog den koning van dompo dewelke mits, door ontstentenis van 't geen sijn pligt behoord in d„ p„o tekennen had gegeeven sig in staat bevind om Costij waards te kunnen vertrecken 8 en dierhalven versoek gedaan om gesanten sijnentwegen derwaards te moogen senden ten eijnde bij uwel Edele agtb: te versoeken om in deesen Jaare Eerst te mogen op komen heb ik deese versoek niet van de hand kunnen wijsen weshalven onder Een geleijde brief op den 20 november van hier vertrocken is nog na lang sukkelen in Continueele reegen op den 8. deeser alhier weeder heeft moeten te rug keeren den koning van Tambora die op den 2: november van hier vertrocken is hoop dat den selven reeds a costij sal sijn g'arriveerd hebbende ten zijnen geleijde Een brief meede gegeeven aan welkers inhoud ik ootmoedig refereeren wyders heb ik niet 1y1 669 G Van Macasser den 8 Junij 1775— niet gemankeerd met mijn aanweesen op sumbawa den koning met alle mogelijke Empressement op desselfs vertrek aengedron„ „gen mij ook soodanige toesegginge gedaan als ik bij brieve van den 13: november A„o p„o aan uwel Ed:e agtb: heb gemeld, welken duplicaat hier neevens overgaan dog intusschen sodanige Con„ „trarieerende berigten ontfangen dat ik genoodsaacket ben gewaast aen soldaat groothuisen na derwaarts te senden ten eijnde te verneemen waar om de rijksgrooten welke sig aangenoomen ƒ hadde om als gesanten tot: uw elEd: agtb: te sullen overgaan niet sijn vertrokken so heeft rt voorn: soldaat mijn sijn: te e „ ouig komst gerapporteerd dat den koning met sijn rijksgrooten 4. 2 in ons eenigheeden geraakt waaren aldoo dien vorst haarlieden op 't kragtigste heeft aangespoord om na maccasser te vertrec„ ker met betuiging: dat hij kaar was om sijn pligt aan dE Comp: te voldoen waar of nu het vaartuijg was daar hij ende zijne met gemaak kan inscheepen wijders rondelijk aan sijn ƒ : grooten gedeclareerd dat ingevalle sij hem met laat vertrekken ƒ of gesanten sijn ent wegen senden hij daar weder na Tali„ wana sal begeeren de gesamentlijke rijks grooten hunne mis„ slaeg erkennende beloovende vastelijk met de volle man op den 16 deeser te sullen vertrekken namentlijk Neen Ranga Van Maccasser den 8: Junij 1775 — Ranga en Calli Balla als gesanten uit dit alles kan uwel Edele agtb: genoegsaam sien hoedanig de rijksgrooten mijn op sumbawa met leugens sijn voorgekomen en alles verkeerdelijk met de wille des konings g'interpreteerd waarop 't Tarceeren van sijn vertrek haarlieden all een moet werden g'jimputeert en niet der vorst gelijkse mijn ge meermalen betuigd hebben datse den koning niet kan onverreeden hoe hier dien vorst: ook sijne bereidwilligheijd getoond heeft te wil„ hei lig F: 2 „lein volbrengen 't geen sijn opligt behoord hebbende altoos middelan in 't werk gesteld om hem daar van te doen afzien vervolgens mij 't contrarie daar omtrend Rapport gedaan de naakere berigten dien ik van Sumbawa heb bekoomen heeft mijn ten hoogsten verheugd dat dien vorst sijn rijks„ grooten werkelijk op t kragtigste aanspooren, Ia solfs hun lieden na de seehaven gesonden hadde om sonder de minste dolaij teegens de volbe maan te vertrecken: wijders heb ik door Een zendeling van dien hoogheijd Een brief ontfangen welker translaat hier neevens overgaat waar bij denselven quam te versoeken om de alhier sijnde sComp: Pantjallangs te moogen hebben, heb ik sulks buiten qualificatie van uwel 143. 671 Van Macasser den 8:' Junij 175. uwel Edele Agtb: niet durve afgeeven maar Eene„ „lijk ten antwoord gegeeven, dat ingevalle hij de„ selve tot sijn transport na Macasser wil ge„ bruiken deselve wel soude kunne krijgen, dog „ anders niet weshalven uwel Edele Agtb: qua„ lificatie versoeken ingevalle sijn hoogheijd wee„ „der quam te versoeken of ik gem: Pantjallang voor de tacatie van rijksdaalders 200: — ter reen mag afgeeven. Eijndelijk ten opsigte van de verdere vorsten alhier niets te onoteeren vallende, sijnde alles nog in Een goede Rust en vreede so fineere deese inhoope dat omij„ „ne behandelingen Eene gunstige Approbatie bij uwel Edele Agtb: mag Erlangen heb ik de Eer alvorens uwel Edele Agtb: neevens 's Comp: swaarwigtige belangens in de allen veijlige hoede Go„ „ des aanbevoolen hebbende, omij met met de verEijschte Eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ uwel Edele Agtbaare Trouw schuldige Dienaar /: was geteekend:/ Lecerff /:ter zeijde :/ Bima M: In 's comp:s vesting den 20:e Februarij Ao 1775 75. /:lagerestond:/ Accordeert /:geteekend:/ Translaat Van Macasser den 8 Junij 1775 O B: Bodenpijl 195 673 Van Macasser den 8: Junij 1775 Translaat Maleijdse Brief geschreeven door den koning van Sumbawa aan den com„ „mandant van Bima Na de ordinaire Complimenten Ik sende deese brieff aan mijn broeder den Com„ „mandant van Kima onder geleijde van mijn sendeling Intje Moehamma dewelke overkomt om de prauw pant „jallang van uw mijn broeder te versoeken want te dier teijd dat uwel Ed:e alhier op sumbawa geweest is, heb ik mijn Jonge sitolle bij mijn broeder gesonden om de voorn: pantjallang te koopen dog uw Ed:se heeft tot antwoord gege„ „ven dat gen: prauw niet goed waas: Ik versoeke dat uw Ed:. de goedheijd gelieve te hebben mij de meerm: prauw pantjallang met mijn sendeling too te zenden, dog ingevalle boven gen: Intje Moehamma niet kan meede neemen so gelieft uw Ed: maar na te stuuren. No: 30. wijders

NL-HaNA_1.04.02_3445_0726 view scan ↗

English

From Macasser the 8th of June 1775: Furthermore, I request that my brother please purchase for my account and send hither 12 pieces of flintlocks with cartridges and cartridge boxes. There are also two brass flintlocks with the clerk; please send those to me as well. Herewith I send a slave as a present. Written on Sumbawa the 26th of the month of Dhu al-Qadah in the year 1188, or the 29th of January 1775. Was below: For the translation, signed: J. Brugman. Lower: Agrees, signed: B. Bodenpijl, Clerk. 197. 675 From Macasser the 8th of June 1775 To the King of Sumbawa After the ordinary compliments. I have duly received Your Highness's letter via the envoy Intje Moehamma and gathered from it that Your Highness desired to have the prau pantchiallang from me. I assure Your Highness that I would send the same with all pleasure if I were certain that Your Highness intends to depart with it to Maccasser, but to use the same on Sumbawa I cannot give it, as I need it myself and it belongs to the Honourable Company. Furthermore, regarding the requested 12 flintlocks with their accessories, I consider that Your Highness's envoy, who is after all to depart for Macasser, can request them there from the Honourable Company, and the Honourable Company will not refuse if Your Highness has urgent need of them. And regarding the brass flintlocks of the clerk, I have no say over that, as they do not belong to me, and he does not wish to part with them either, since he himself has need of them for his use. Herewith 3 goblets as a counter-present. Was below: Written on Bima on the 18th of February Anno 1775. Was signed: A. Lecerff. Lower: Agrees, was signed: B. Bodenpijl. From Macasser the 8th of June 1775 To 677 4 From Macasser the 8th of June No. 32 To the Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. Right Honourable Sir, The envoys of Dompo, Jenelie Dea and Boemie Noei, who returned here on the 8th of this month from a fruitless journey, are now departing again to Your Right Honourable in order to request permission for the king to be allowed to appear only in the coming month of October, as that monarch, due to a lack of what his duty requires and his present sickly condition, finds himself unable to depart thither. Wherewith I take the liberty to subscribe myself with the requisite respect. Was below: Right Honourable Sir. Lower: Your Right Honourable's faithful servant, was signed: A. Lecerff. Aside: Bima, in our Company's fortress, the 22nd of February 1775. Lower: Agrees, signed: B. Bodenpijl. From Macasser the 8th of June 1775 Translation 207 679 From Macasser the 8th of June 1775 Translation of a Malay letter written by Paduka Sri Sultan Abdul Rachman, newly elected King of the Realm of Dompo, and the assembled grandees of the realm, to the Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes, together with the Council at Macasser. After the customary greetings. Herewith we make known in all submission to the Right Honourable Sir Governor and the Council at Castle Rotterdam in Macasser, who represent the Honourable Company there, that our king named Abdul Cadier passed away in the Lord on the nineteenth day of the month of Muharram, being on a Thursday. Consequently, the assembled grandees of the realm have approved by unanimous vote to choose in the place of the deceased as king his surviving son named Boemie Nakatauw alias Abdul Rachman, mentioned at the head of this document, being according to our law the nearest and most legitimate to the crown of Dompo. And for that reason, according to the ancient customs, in the presence of the Bima Commander who represents the Honourable Company, we have also provisionally presented him to the people, though all subject to the esteemed approval and confirmation of the Right Honourable Sir Governor, for which we herewith most humbly make request, as we are certain that we have proceeded in that regard according to the country's laws and customs, since next to God we have placed our trust and support in no one other than the Honourable Company, which has always taken to heart the welfare of the realm and peoples of Dompo. On which account we have also simultaneously seen fit, in accordance with our duty, to dispatch as envoys to Macasser the Djenelie Dea and Boemie Noei, in order to appear according to custom before the Right Honourable Sir Governor and Council, and to represent there both the king's person and that of the grandees of the realm, as well as to report on everything in all respect and to await Their Right Honourables' orders concerning it. Furthermore

Dutch transcription

Van Macasser den 8. Junij 1775: — wijders versoeke dat mijn broeder voor mijn reecq: ge„ lieft in te koopen; en herwaards senden 12: pees sna„ phaanen met patroonen en patroontassen daar sijn ook twee kopere snaphaanen bij de schrijver gelieft mijn deselve ook toe te zenden hier neevens sende tot Een prasent Een slaaff geschreeven op sumbawer den 26 van de maand Dul-Caida in 't Jaar 1188: of den 29 Januarij 1775: /:onderstond:/ voor de Frans „latie /:geteekend:/ J: Brugman /:Lager:/ Accordeert /:geteekend./ B: Sodenpijl Cair 197. 675 Van Macasser den 8 Junij 175 — Aan den koning van Sumbawa Na de ordinaire Complimenten I heb uw hoogheijds brief per den sendeling Intje Moehamma wel ontfangen en daar uitgezien dat uw hoogheid de prauw Pantjallang van mijn begeerde te hebben ik verseekere, uw hoogheijd dat ik deselve met alle pleijsier wil toesenden indien ik verseekerd was dat uw hoogheijd van intentie fijt om daar meede na Maccasser te vertrecken maar om deselve op sumbawa te gebruiken kan ik niet geeven dewijl ik selfs nodig heb en d'E Comp: toebehoord wijders omtrend het versogte 12: snaphaenen met haar toebehooren oordeele ik dat uw hoogheids zendeling die tog na Macasser staat te vertrecken aldaar van d'E Comp: kan versoeken end E Comp: sal niet weijgeren indien uw hoogheid No: 31 noodsakelijk ƒ 8 noodsakelijk van nooden heeft. en Aangaande de koopere snap„ phaanen van de schrijven heb ik niets over te seggen also 99 't mijn niet toe en behoord, en den selven wil ook niet afgeeven, dewijl hij zelfs tot zijn gebruik van nooden hoeft hier nevens 3: bookaalen tot Contra present /:onderstond:/ geschreeven op Bima op den 18 Februarij A=o 1775. /:was geteekend /: A:s Lecerff. /:lager:/ Accordeert /:was geteekend:/ BB: Dodenpijl Van Macasser den 8 Junij 175 Aan #g 677 4 Van Macasser den 8: Junij No: 32 Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Dodofredus van der voort Gouverneur en Directeur ter Custe Cetebes Wel Edelen Agtbaaren Heer De gezanten van Dompo Jenelie Dea en Boemie Noei dewelke op den 8. deeser van Een vrugteloose rheijse alhier weeder te rug gekeerd is vertrek thans weeder tot uwel Edele Agtb over om pormissie voor den koning te versoeken ten eijnde in de maand october aanstaande Eerst te moogen opkomen vermits dien vorst door ontstenifenis van 't geen zijn pligt behoord en en zijn tegenswoordige siekelijke toestant niet in staat bevind om Costij waards te kunnen ver„ trecken waar meede de vrijheijd neemen mij met de vereijschte Eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edelen agtbaeren heer /lager/ uwel Edele Agtbaere trouwschuldige dienaar /:was getee„ „kent:/ A: Lecerff /:ter zeijde:/ Bnna Ons Comp: vesting den 22: februarij 1775 /:lager / acc ordeert /:geteekend. / B: Bodenpijl Van Macasser den 8. Junij 175 Translaat D .. 207 679 Van Macasser den 8. Junij 175 Translaat Maleijtsche Brief geschree„ „ven door Paduca Sierie Sulthan Abdul Rachman Nieuw verkooren kooning over 't Rijk van Dompo en de gezament„ lijke Rijks grooten Aan den wel Edelen Agtb: heer Paulus Dodofredus van der voort Gouverneur en directeur ter custe celebes benevens den Raad tot Macasser, Na de gewoone Begroetingen Bij deesen maeken w' in alle onderdaanigheijd aanden wel Edelen agtbaeren heer gouverneur en den raad ten Casteele Rotterdam tot Macasser die dE Compagnie aldaer representeerd bekend, dat onsen koning genaamt Abaul Cadier op den negenthienden dag der maand Moehar„ ram sijnde op Eenen donderdag inden heere is ontslagden oversulx hebbende gesamentlijke Rijkstenden met alge„ „meene stemmen goedgevonden inde plaats vanden over„ „leedene tot koning meeden te verkiesen desselfs nagelatene zoon genaamt Boemie Nakatauw alias Abaul Rachman /:inden hoofde deeses gemeld:/ als zijnde volgens No: 33 Van Macasser den 8 Junij 1775 volgens onse wet de naaste en gewettigste tot de kroon van dompo en uit dien hoofde hebben wij hem ook na volgens de oude gewoontens ten overstaan van den Bimas Commandant die d'Ed Comp: representeerd aanden volke bij provisie voorgesteld dog alles op de g'Eerde goedkeuring en approbatie van den wel Edelen agtbaeren heer gou„ verneur om 't welke wij bij deesen ootmoedigst sijn ver„ soekende terwijl bij verseekert sijn dat daar omtrent na slandswetten en gebruikelijkheeden sijn te werk gegaen vermits wij naast god ons vertrouwen en steun op niemand anders hebben gesteld dan op dE Comp: die het welzijn vantrijk en volkeren van dompo steeds be„ hertig heeft weshalven wij ook teffens goedgevonden hebben na volgens onse gehoudenisse als gesanten na macasser te depe„ „heeren den DJenelie dea en Boemie Noei ten eijnde na den gebruike bij den wel Edelen agtb: heer gouverneur en raad te verscheijnen omitsgaders so wel des konings per„ zoon als die van de rijksgrooten aldaar te represen„ teeren als meede van het Een en ander in alle Eer„ bied verslag te doen en haar wel Edele agtbaerens ordres dientweegen aftewagten. - Dijders

NL-HaNA_1.04.02_3445_0733 view scan ↗

English

203 683 From Macasser the 8th of June 1775 Furthermore the newly elected king and the other grandees of the realm request that the Governor and Council be pleased to pardon us for the present that the king in that year had not been able to come hither even in person in order, according to his obligation, to give notice of this his election and to obtain approbation thereof, so we assure his Honorable Worship and the Council that such will take place in the coming year, if it should please Almighty God and no lawful impediment should happen to occur, to the end of presenting his person to his Honorable Worship, as well as to request his approbation according to custom and to swear anew and to renew according to the contracts. Likewise we most humbly insist to the Honorable Worshipful Governor and the Council, if it should happen to occur that our aforementioned envoys in their simplicity might commit any mistake in one thing or another in their commission, to be pleased to pardon the same and to regard them as a slave who knows nothing, and to which end From Macasser the 8 June 1775 end we most humbly praying the Governor be pleased to assist the aforementioned envoys with wise counsel and deed, while we fix our hope and trust on the Honorable Company who can arrange everything for the best of our country and people. Written in the country of Dompo on the ninth day of the month of Roemallang in the year 1188 named Ha, being according to our style the year 1774. Below stood: for the translation signed: J: Brugman Lower: Agreed was signed: B. Sodenpijl E Translation 2 205. 683 From Macasser the 8th of June 1775 3 Translation of a Malay letter written by Paduca Sierij Sulthan Radja Dompo and the grandees of the same realm to the Honorable Worshipful Governor and Council at Fort Rotterdam at Macasser, reading as follows. Compliments as usual Make known hereby to the Honorable Worshipful Governor and Council at Fort Rotterdam at Macasser that we have already dispatched our envoys to Macasser, being the Jeneli Dea and Boomi Voor, to the end of appearing there on our behalf before the Governor, having departed from here on a Friday and the twentieth day of the month of Roemallang. We had thought nothing else but that the aforementioned envoys had already arrived at Macasser, but to our regret the contrary thereof has appeared, because they have not been able to accomplish their voyage, but have had to turn back on two diverse journeys, although they have done their best and have employed all possible means, because their vessel was driven by the strong current as far as near the Goenong Spij, from where they turned back again and came to anchor near the corner of the settlement of Catoepa, and from 5. that place set sail for the second time, and likewise No: 34. their 4 From Macasser the 8th of June 1775. did their utmost best to advance the journey to Macasser, which however also ended in vain and arrived to hold at the island of Padapor, where they had the misfortune of being overtaken by a severe storm, whereby the vessel parted from its anchor and they were forced, leaving behind five of their companions, to set sail, whereupon they happened to fall off onto the coast of Mangeraij, having furthermore, for the preservation of their vessel which became nearly full of water and ran the danger of being lost, had to throw some of their goods overboard and into the sea, so that the aforementioned envoys were forced to return to Bima, where they made a report of their unlucky voyage to the Resident there, about all of which are the reasons that our envoys have not been able to be at Macasser sooner, in order to appear before his Honorable Worship and the Council, to which end, for the reasons alleged above, we hereby most humbly beseeching the Honorable Worshipful Governor and the Council for excuse, that you will be pleased not to take the long staying behind of the aforementioned envoys ill of us, because we have placed our trust in no one else than in the Honorable Worshipful Governor and the Council, who represented your Company and who have constantly looked after the prosperity of our small piece of land and poor peoples. Written in the country of Dompo on the 22nd day of the month of Adjie on Thursday in the year 1188 named Ha, being according to our style the year 1775. Below stood: for the translation signed: J: Brugman Lower: Agreed was signed: J: B: Sodenpijl To 207 685. From Macasser the 8th of June 1775. — Valiant, Pious, Discreet. No: 35 To The Ensign Alexcander Lecerf Commandant there The envoys of Dompo, Jeneli Dea and Boemie Noeij, having arrived here on the 19th of the past month under your accompanying letters of the 22nd of February prior, I now let return home with a letter to the young king and grandees of the realm, wherein I have most emphatically admonished the same to come hither as soon as possible for the swearing of the contracts to the end of to 1 being able to confirm that monarch, which I charge you to urge most emphatically, while in the meantime after greetings I remain Below stood: your good friend was signed: F: P: van der Voort In the margin Macasser In Fort Rotterdam the 2nd of April the year 1775. Lower stood: Agreed signed: B: Sodenpijl from From Macasser the 8. June 1775 —

Dutch transcription

203 683 Van Macasser den 8.:' Junij 1775 Wijders versoekt den nieuwen verkooren koning en de verdere Rijksgrooten dat den Heer gouverneur en raad ons voor 't teegenswoordigen gelieven te opardonneeren dat den koning in dat Jaar selfs in persoon niet had kunnen meede herwaards koo„ „men om na volgens sijne gehoudenisse van deese sijne verkiesing kennisse te geeven en dies approbatie daar op te Erlangen des wij sijn wel Edele agtb: en den raed verseekeren dat sulx in 't aanstaande Jaar so het god Almagtig mogte behagen en er geen wettelijke verhindering mogte koomen voor te vallen sal geschieden ten eijnde desselfs persoon sijn Ed:e agtb: te verthoonen, als meede om na den gebruike sijne approbatie te versoeken en volgens de contracten op nieuw te b'edigen en te orenoveeren. Insgelijks Jnsteeren wij den wel Edelen Agtbaeren heer gouverneur enden raad ootmoedigst, indien het mogte komen te gebeuren dat onse opgem: gesanten in haare onnooscheijd in 't Een ofte ander Eenige abuis in hunne Commissie mogte begaan deselve ge„ lieven te pardonneeren en haarlieden aan te merken als Een slaaff die niets weeten enten welken eijnde Van Macasser den 8 Junij 1775 eijnde wij den heer gouverneur ootmoedigst biddende gem: gesanten met wijse raad en daad gelieven aan de haand te gaan terwijl wij onse hoope en ver„ trouwen op dE Comp: vestigen die 't alles ten besten van onse land en volk kan schicken. Geschreeven op 't Land van dompo op den negenden dag der maand Roemallang in 't Jaar 1188 gen:t Ha sijnde na onse stijl den A=o 1774. /onderstond:/ voor de Transtatie /:get::/ J: Brugman /:Lager:/ Accordeerd /:was geteekend:/ B. Sodenpijl E Translaat 2 205. 683 Van Macasser den 8:' Junij 1775 3 Translaat Maleijtse Brief geschreeven door Padu„ ca Sierij Sulthan Radja Dompo en derzelver Rijs„ „grooten Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer gou„ verneur en Raad ten Casteele Rotterdam tot Ma„ casser luidende aldus. Complimenten na Dewoonte Maake bij deesen aan den wel Edelen agtbaeren heer gouverneur en raad ten Casteele Rottendam tot Macassen bekent dat wij onse gesanten bereets na Macasser hebben gedepecheerd sijnde de Jeneli Dea en Boomi voor ten eijnde aldaar onsentweegen voor den heer gouverneur te ver„ scheijnen sijnde op eenen vuijdag en de twintigsten dag den maand Roemal„ „bang van hier vertrocken wij hadden niet anders gedagt of gem: gesanten waren reeds te macasser g'arriveerd dog tot onse leedweesen is het teegendeel daar van gebleeken vermits sij hunne rheijse niet hebben kunnen volbrengen maar tot twee diverse reijsen te rug hebben moeten keenen schoon sij hun best hebben gedaan en alle mogelijke middelen in't werk hebben gesteld vermits hun vaartuig door de sterke stroom tot bij de goenong spij verdreeven is van waar zijl weeder te rug sijn ge„ keerd en bij de hoek vande negorij Catoepa ten anker gekomen en van 5. die plaats voor de tweede maal onderzeijl sijn gegaan en insgelijks No: 34. hunne 4 Van Macasser den 0:' Junij 1775. hunne uiterste best gedaan om de reijse na Macasser te vorderen dogt geen almeede vrugteloos is afgeloopen en op 't Eijland Padapor ter houw gekomen alwaar sij t ongeluk hadden getroffen van overvallen te worden van een swaare storm, waar door het vaartung van sijn anker is afslagen en sij genootsaakt geworden met agterlating van vijf hunner mackers on„ derzeijl te gaan als wanneer sij op te band van Mangeraij sijn te vervallen gekomen hebbende daar en boven tot behoud van hun vaartuug die bij na volwater is geraakt en gevaar liep van te verongelukken Eenige van hun goederen buiten boord en in zee moeten werpen soo dat de gem: gesanten genootsaakt sijn geweest na Bima te rug te keeren alwaar sij aan den Ro„ sident aldaar hunne ongeluckige voijagie verslag deeden, omtrent alle 't welke de reedenen sij dat onse gesanten niet eerder te Macasser hebben kunnen weesen, om voor sijn wel Edele agtbaere enden raed te verscheij„ „nen ten welken eijnde wij om voorwaards g'allegeerde den wel Edelen agtbaeren heer gouverneur enden raad bij deesen op 't oodmoedigste om ver„ schooning smeekende dat het lang agterblijven der voorn: gesanten ons oniet ten quaaden gelieven te duijden vermits wij op niemand anders onse vertrou„ „even gesteld hebben dan op den wel Edelen agtb: heer gouverneur enden Raad die VEd: maatshappij representeerde en die den welvaard van onskleen sterldje land en anne volkoren steeds behertigt hebben. gescheeven op 't Land van Dompo op den 22:e dag den maand adjie op donderdag in't Iaar 1188 gen:t ta zijnde na onse steijl den Ao 175 /:onderstond:/ voor det randlatie/ get:t/ F: Brugman /lager/ Acordeert/:was getekend:/ J: B: Godenpijl Aan 207 685. Van Macasser den 8:' Junij 1775. — Manhafte, Droome, Discreete. No: 35 Aan Den vaandrig Alexcander Lecerf Commandant aldaar De gesanten van Dompo Tenebie Dea en Boe„ „mie Noeij, op den 19: der gepasseerde maand. onder uE geleide letteren van den 22: Februarij bevoorens alhier g'arriveert, laat ik thans naar huijs keeren met Een brief aan den Jongen koning en Rijksgrooten waar ik deselve op het kragtigste ver„ „maand hebbe om ten spoedigsten herwaards te komen ter b'eediging van de contracten ten Eijnde dien vorst te 1 te kunnen bevestigen, het geen ik uE gelaste ten nadruckelijkste aante dringen terwijl inmiddens na groete blijve /:onderstond:/ uE goede vriend /:was geteekend:/ F: P: van der voort /:ter zeijde Macasser In't Casteel Rotterdam den 2: April Ao 1775. /:lager stond:/ Accordeert /:geteekend:/ B: Sodinpijl van Van Macasser den 8. Junij 175 —

NL-HaNA_1.04.02_3445_0739 view scan ↗

English

From Macasser the 8th of June 1775. To the King and Grandees of Dompo. After the customary compliments. First, we make known to your highness and grandees that we have safely received both of your letters from the hands of the envoys Djenelie Dea and Boenie Noeij, in which your highness and grandees give us notice of the passing of their king Abdul Cadier, and the appointment of his highness's son Boemie Natratouw as his successor under the name of Abdul Rachman, whom we, congratulating him herewith on his provisional election, will gladly confirm as such when he shall come over to confirm the contracts, which we expect without fail in this autumn, not doubting that your highness and grandees will themselves strive toward this, since the same can tend to nothing other than the welfare of the land of Dompo, which the Company considers no less than do your highness and grandees. Furthermore, we were sorry to learn of the unfortunate voyage of the envoys and the disasters that befell them, and we wish that they will find favorable wind and weather for the future, to which an earlier departure can greatly contribute than recently occurred, when the winds blew far too strongly to manage with small vessels. We must furthermore add here that the envoys have conducted themselves here properly, as befits persons of their character, so that they are now returning again under escort of this letter. Kindly thanking you for the gifts sent, we add hereunto two pieces of therindams. Written at Macasser in Castle Rotterdam, this 2nd of April 1775. Was signed: P. P. van der Voort. Lower: Agrees. Was signed: B. Sodenpijl. To From Macasser the 8th of June 1775. Right Honorable Sir and Sirs! To the Right Honorable Sir, the Right Honorable Sir Paulus Jodofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. Taking the opportunity with a Bonthain prau to take the liberty to communicate to your Honor and Worships that, after many requests, also threats made to his highness, I can now obtain no audience at all with him, because he is ashamed of the many lies and as yet can give no certain tidings of my departure for Macasser, for the praus are still high and dry on the shore, and when I send toll-gatherers upstairs to his highness, I am put off from one week to the next; but I have learned privately that within 8 to 10 days Captain Louw of Woena would return, and that my departure depended thereon, and that the war was supposedly settled, because the people of Woena out of sheer hunger were supposedly deserted to Captain Louw, and the Radja there finding himself alone with Mandarese, Wadjorese, and Bugis who reside there. Regarding the writing of your Honor and Worships that Wadjorese had supposedly come to the aid of the Radja of Woena, your Honor and Worships have been falsely informed, for if such had been the truth, I would have reported such to your Honor and Worships, but many of the aforementioned nations reside there and sail up and down and conduct the greatest smuggling trade, which is also the reason why the Bouthoners have not been able to overcome their bay, for the inhabitants of Woena themselves do not know the use of firearms. For the helmsman Draijer went cruising for some days, but saw not a single strange prau, only the Bouthoners' own praus. To the Honorable Company's emissary Dain Mandjarekie the king has given a house in the village and has not allowed him to leave for Woena. The helmsman and I persuaded him to send a prau to Macasser or just to Bonthain, since nothing at all could be obtained from the king, but he has also refused this, so that I have been in the greatest anxiety, for I and my subordinates have now been lying sick with fever, almost all of us, for over three months and without medicine. Below stood: Your Honor and Worships', lower: Very obedient and faithful servant. Was signed: P. C. Steijnbach. In the margin: Bouthong the 31st of March 1775. Lower stood: Agrees. Signed: B. Sodenpijl. To From Macasser the 8th of June 1775. No. 38. To the Right Honorable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. Right Honorable Sir. The King of Tambora and his grandees having arrived here safely, I had the honor to receive your Right Honorable's highly esteemed letters of the 19th of January last. The undersigned will in this matter keep careful watch to bring the realm into tranquility. Having made no mention in my last humble letter of the 20th of February regarding the state of affairs of Calemparang, this serves respectfully to inform your Right Honorable that Gusti Wajantaga has made known to me by a letter that, regarding the negotiations which the Honorable Company was to conduct with him, owing to the long delay of the same, they had set aside all good expectations and therefore anticipate a fruitless outcome, as your Right Honorable will perceive from the accompanying Malay letter, there being also sent herewith a letter from that prince addressed to your Right Honorable, if the Noble High Indies Government should see fit to send the undersigned thither again to, besides

Dutch transcription

20o 687 Van Macasser Den 80:' Junij 175. Rijks grooten van Dompo Aan den koning en Na gewoone Complimenten Aijaers maeken wij uw hoogheid en rijksgrooten bekend, dat wij derzelver beide brieven uit handen van de gesanten Djenelie Dea en Boenie Noeij wel ontfangen hebben waar bij uw hoogheijd en rijksgrooten ons kennisse geeven van het ontslapen van haeren koning Abdul Cadier ende benoe„ „ming van sijn hoogheids soon Boemie Natratouw tot desselfs opvolger met de naam van abdul Rachman die wij oits deesen met desselfs provisioneele verkiesing ver„ kiesing vergebuikende als sodanig gaarne sullen bevestigen wanneer denselven ter b'laiging vande contracten sal overko„ „men het geen wij in dit na Jaar zonder faut verwagten, niet twijffelende of uw hoogheijd en rijksgrooten sullen selvs daar na tragten also het selve niet anders streckende kan dan tot welweesen van het land van dompoo t welk decompagnie niet minder dan uw hoogheijd en rijksgrooten komt te behertigen. voorts is de ongeluckige reijse vande gesanten en de desastres No. 36 hun Van Macasser den 8 Iunij 1775 hun overkomen ons leed geweest te verneemen en wij wenschen dat sij voor het vervolg gunstig wind en weeder sullen aan„ treffen: waar toe veel contribueeren kan dat 't vroeger ver„ trecken aan Jongst geschied is toen de winden al te sterk door kwamen om hiet met kleene vaartuigen goed te maeken. wij moeten voorts nog hier bij voegen dat de gesanten sig alhier na behooren gedraagen hebben als het persoon van hun caracter betaamt invoegen sij thans weeder te rug keeren, onder geleide deeses voor de gesondene geschenken vriendelijk bedanken voe„ „gen wij hier neevens twee stucken therindams geschreeven te macasser in 't Casteel Rotterdam deesen 2: April 1775: /:was geteekend:/ P: P: van der voort /lager:/ Accordeert /:was geteekend:/ B: Sodenpijl Aan 21 689 Van Macasser den 8:' Junij 175— Wel Edelen Agtbaaren Heer en Heeren! Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer, Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Jodofredus van der Voort Gouverneur en directeur deeser Custe Celebes Der occagie met eenen bonthaiwer prouw se neme de vrijpostighijd om uw E: en agtb: te communiceeren en dat ik veele versoeken, ook wrijgementen bij sijn hoogheidt gedaan thans in't geheel geen audientie meer krijgen kan 49 bij hem terwijlen hij beschamt is over de veele beugens en thans nog geen seekere tijding kan geeven van mijn vertrek na macasser want de prouwen staan thans nog hoog endroog op den wall en als ik tolequen na boven sende bij sijn hoogheidt so word ik getroost van een weeke tot de andere maar hebbe onder de hand vernomen als dat in tijdt van 8: â 10 dagen den capitain louw van woena soude te rug komen en dat daar op mijn vertrek beruste en dat den oorlog soude bijgelegt sijn want dat 't volk van woena uit hongens mod soude overgeloopen sijn tot den Capitein louw en 't Radja aldaar hem alleen bevindende met mandareesen wadjoreesen en Boegineesen welke aldaar woonagtig sijn. aangaande t schrijven van uw Een agtb: als dat den raadja van No: 37. woena „ Van Maccasser den 8:' Junij 1775— woena souden wadjoreesen te hulp gekomen sijn sulks is uwE en agtb: met den onwaarheijdt berigt want bij aldien sulks waarheijdt was berigt want bij aldien sulkis waarheijdt was sonde sulks uwE en agtb: gemelt hebben, maar dat veele van de voornoemde naties aldaar woonagtig sijn en op en afvaaren en den grootsten Slukhandel arij„ „ven 't geen ook de schuld is dat de bouthonders haar bo tigt niet hebben kunnen overwinnen want de Jnwoonders selvs van woena weeten geen gebruik van geweeren. want den stuurman Draijer is eenige daagen gaan knussen maar heeft geen eenen vreemden oprauw gesien als den 1oonthonders haare prouwen„ den sE Comp: sendeling Dain mandjarekie heeft de koning een huis gegeven in de negorij en heeft, hem niet laeten vertrekken na woena den stuurman en ik hebben hem gepersuadeert om een prouw na „macasser te senden of maar na Bonthain terwijlen van den koning in 't geheel miet verkrijgen konde maar heeft sulks meede geweijgent bo dat ik in de grootse ongeustheijd ben geweest want ik en mijn onderhooigen leggen thans over de drie omaenden omtrent altamaal aan de koorts 4 en sonder medisijnen /:onderstond:/ uo en agtbaaren /lager:/ zeer gehoor„ saamen en trouwschuldigen dienaar /:was geteekend:/ P: C: Steijnbach /ter zeijde:/: Bouthong den 31. maart 175 /:lagerstond:/ Accordeert /:geteekend:/ B: Sodenpijl Aan 213. 691 Van Macasser Den 8: Junij 175. No: 38. Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Doort Gouverneur en Directeur ter Custe Celebes Wel Edelen Agtbaaren Heer. Den kioning van tambora en desselfs rijks grooten alhier behouden g'arriveerd sijnde heb ik de ben gehad te ontfangen uwel Edele agtb: hoog g'agte letteren van den 19 Januarij:J: E: den ondergeteekende sal in desen vorgvuldige waaken om het rijk in rust te brengen. Jn mijn laatste onderdanige van den 20 febr: geen mentie gemaakt heb„ „bende omtrend den toestand der saken van Calemparang so diont deese in eerbied uwel Edele agtb: ter kennisse dat gusti wajantaga mij bij een bief heft te kennen gegeeven, dat omtrend de onderhandelingen welke d'E Comp: met hem stond te doen, mits het lang tardeeren denselve hij alle goede verwagting aan Een zeijde gesteld hadden en dierhalven eene vrugteloose uitwerking te ge„ „moed sien gelijk uwel Edele agtb: uit het onevens gaande Maleijdse brief sal Consteeren gaande hier neevens meede Een brief van dien vorst aan uwelEdele agtb: gerigt als de Edele hooge indrasch regeering mogte goed„ „vinden om den ondergeteekende weeder na derwaards te zenden om nevens

NL-HaNA_1.04.02_3445_0744 view scan ↗

English

From Macassar, the 8th of June 1775 In order to cross over to Great Bali alongside the King's son, Gusti Made Karang Asang, I shall apply all possible diligence to bring the matters to a desired end. To which end I deem it necessary and proper to ask Gusti Made Karang Asang resolutely whether His Highness is not inclined, through the assistance of the Honorable Company, to secure the sovereignty of Selaparang. To that end I shall neglect no opportunity to sound him out, and in the event that this should be the case, I shall assure the prince that the Honorable Company will assist him therein. Even if Gusti Wayan Taga were willing to enter into a firm alliance with the Honorable Company on such a footing, I also think it necessary to cross over beforehand with his son to Great Bali in order to lull the king to sleep. However, if both Gustis persist in their statements, namely that they can do nothing without the consent of the Balinese prince, I shall continue the negotiations with the King of Great Bali. Furthermore, regarding the claim of Gusti Wayan Taga concerning the aforementioned prahu, I shall, with the approval of Your Right Honorable, have the Sumbawanese pay for the compensation thereof, as it falls upon them. Wherewith I take the liberty to subscribe myself with all submission. Underneath stood: Right Honorable Lord. Lower: Your Right Honorable's dutiful servant. Was signed: H. Eecorps. In the margin: Bima, the 5th of April 1775. Lower stood: Agrees. Signed: E. B. Sodenpijl. Translation 25. 693 From Macassar, the 8th of June 1775 No. 39 Translation of a Malay letter written by Gusti Wayan Taga to the Governor at Macassar I hereby inform you by this express messenger that your letter has been duly received by me, wherein you mention the vessel. I deem that it is not worth the trouble to speak of it further, as this has already slipped from my mind, for the reason, as I have understood, that you people are not permitted to govern there for longer than 3 years, and are then relieved by another. And I have already written twice to Batavia about that vessel, but until this day have received no definite reply concerning it, and also, so it appears to me, you only seek to mislead me. Therefore I say to you that if only those of Selaparang From Macassar, the 8th of June 1775. are not the first to begin such impermissible proceedings. Written in the Land of Selaparang on Monday, the 20th of the month Dhu al-Qadah. Underneath stood: For the translation, signed: Brugman. Lower: Agrees. Was signed: J. B. Sodenpijl. Translation 277 695. From Macassar, the 8th of June 1775. No. 40 Translation of a Malay letter written by Gusti Wayan Taga to the Commandant at Bima. I hereby inform you by this express messenger that the letter which was brought here by the corporal was very well received by me, and I understood from it that you have forwarded my letter, in which I mentioned the vessel to you, to the Governor at Macassar. Which reply from the Governor I have also already received. However, concerning that matter, I deem that it is no longer worth speaking of, since I have already written to Batavia about the affair and also received a reply from the Governor of Macassar, though until this day no satisfactory answer has been given to me regarding it, but consists solely of simple words and nothing else. And therefore I say that if only those of Selaparang are not the first to begin such impermissible proceedings. That you sent me a catty of bird's nests and in return wished to have some bundles of paddy as recompense, I would have sent you 200 bundles as a counter-gift, but From Macassar, the 8th of June 1775 the crew of your vessel dared not take in more than one hundred bundles, which I have also sent to you. And regarding your cash to the amount of 200 dubbeltjes, the same are said here not to be current; I therefore send them back into the hands of your skipper named Jagger. But if you would send me other current coins, I shall then not fail to send you their value. And as for the matter of the grandson of Bapa Tima, I now understand whether you would like to purchase the same; if yes, I shall be very glad, and if not, write about it at the earliest opportunity. Lower: Agrees. Was signed: B. Sodenpijl. To 219 697. From Macassar, the 20th of June 1775 Valiant, Pious, Discreet. No. 41. To the Ensign Alexander Lecert, Commandant there. Since my last of the 19th of January past, I have, besides a short letter of the 22nd of February accompanying the Dompu envoys, duly received your letters of the 13th of November prior, or rather only the duplicate thereof as the original did not reach me, and of the 20th of February aforesaid. To which replying now, I must in the first place express my astonishment once again over the variable reports with regard to the so long-expected arrival here of the King of Sumbawa, whose remaining behind you attribute in your first-mentioned letter to himself, but in the other to his state dignitaries, though the one rests as little on solid grounds as the other. For if it were true that this was really the fault of the state dignitaries, and that they, as you

Dutch transcription

Van Macase den 8:' Junij 175 om nevens aes konings doon gusti maede kavan sang na grot salij ver te gaan sal ik alle mogelijke vlijt aanwenden om desaaken aan Een gewenscte eijnde te brengen waar toe ik noodsaakelijk oordel datgoed soude weeden om gusti madek aran Assang resolut te vragen of sijn hoogheid niet van sius sijnde om door behulp van d E Comp: de souveraniteijd van Salimpa„ „rang te vertuijgen ten dien eijnde sal ik geene geleegentheijd verzuijmen om denselven te ondertasten en ingevalle dat sulks maar mogte weesen so sal ik den vorst verseekeren dat dE Comp: hem daar toe adsiteeren sal alwaare het dat gusti wajantagr of sodanigen voet Een vatte verbond met dE Comp: willen aangaan, denke ik mede dat het nodsakelik sij al„ voorens met sijn soon na groot Balij over te gaan ten Eijnde den koning in slaap te wiegen doch wanneer de beijde gusties aan hunne gesegdens persisteeren namentlijk datse sonder toestemming van den Balijsen vorst niets doen kunnen so sal ike de onderhandelingen vervolgen met aen ko„ „ning van groot balij wijders nopens depretentie van guste wajantaga omtrend de bewuste prauw sal ik miet goedkeuring van uwel Edele agtb: de sumbawareesen als de vergoeding daar van Intumbeerende deselve „laate betaalen waar meede de vrijheijd namen mij met alle onderdanig„ heijd te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edelen agtb: heer /lager/ uwel Edelen agtb: taouw schuldigen dienaer /:was geteekend:/ H: Eecorps /rterzeijde / Bima den 5:' April 1775: /:lagerstond:/ Accordeert /:geteekend:/ EE: Dodenpijl Translaat - 25. 693 Van Macasser Den 8:' Junij 175 — No: 39 Translaat Maleijder Brief geschreeven door Justi waijan„ taga Aan Den Gouverneur te Maccasser Soo maakie bij deese Expres bekend dat uE brief mij O 5 O wel ter hand is gekomen waar bij uE omtrent 't vaartuig komt te omelden; oordeele ik dat het niet de pijne waard daar over meer te spreeken, wijl sulx albereets uit mijn gedagte geschoten is, om reeden so als ik verstaan heb dat gijlieden aldaar niet langer mogen gouverneeren dan 3: Jaa„ „ren, als dan weder door een ander worden afgelost. En ik heb ook reets twee malen over dat vaar„ „tuig naar Batavia geschreeven, dog tot heeden nog geen vaste bescheijt dient wege ontfange en ook so 't mij toeschijnt gij mij maar soeke te misleijden, dierhalve segge ik u dat als die van Salemparang Van Macasser den 8: Junij 175. Salemparang maar niet deselve eerste is die sulke ongepermitteerde gedoentens kome te beginnen geschreeven op 't Land Salemparang op Maandag den 20. e van de Maand dulka Edda /:onderstond:/ voor de Translatie /geteekend:/ Brugman /:lager:/ S . Accordeert /:was geteekend:/ I: B: Sodenpijl Translaat 277 695. Macasser den 8. Junij 1775. Van No: 40 Tramlaat Maleijd Brief Geschreeven door gusti waijan„ taga Aan den Commandant te Bima. Zo omaake bij deese expres bekent dat de brief dewelke door den Corporaal alhier was aangebragt mij seer wel geworden is, en daar uit verstaan dat mijne brief waar in ik omtrent 't vaartuig aan uE gemeld had aan den gouverneur te macasser heeft overgemaakt welke antwoord ik vanden gou„ „verneur ook al ontfangen hebt dog dientwege oordeele ik dat 't niet meer waard is van te spreeken wijl ik over saak alberets na batavia geschreeven enden gouverneur van macasser ook antwoord ontfangen doy mij tot heeden daar omtrend geen voldoende antwoord gegeven dan eenlijk bestaat in simpel woorde en niets anders en dierhalven segge dat, als die van salemparang maar niet de Eerste is die sulke onge„ permitteerde gedoentens komt te beginnen. Dat uE mij een katje vogelvesse heb toegesonden en uE daar en tegen eenige bossen Padij tot recompens wilde hebben ik soude uE 200 bossen tot een Contra present gesonden hadde maar Van Macasserden 8:' Junij 175— maar de schepelingen van uE vaartuig niet so veel dure inneemen dan Een hondert bossen die ik uE ook heb toe„ „gesonden, en betreffende de Contanten van uE ten be„ dragen van 200 dubb„s worde deselve alhier getegt niet gangbaar sijn sende dierhalven weeder te oug in handen ƒ van uE schipper gen:t Jagger dog do uE mij andere gangbare munten wilde senden ik als dan niet manqueeren sal dies waarde uE toetesenden. En wat desaake van de kleijnsoon van bapa tima betreft ik thans komt te verneemen of uE deselve wilde kopen so Ja sal ik seer verblijd weesen en so niet schrijf uijten eersten daar over /:lager:/ Accordeert :/ was geteekent/ B: Sodenpijl Aan 219 697. Van Macaser den 20. Junij 175 Manhafte, Vroome, Discreete No. 41. Aaan den vendrig Alexander Lecert Commandant Aldaar Sedert mijne laatste van den 19, Januarij Passato hebbe ik behalven een briefje van den 22. Februarij daar aan ten geleijde van de dompose gesanten wel ontfangen uE letteren van den 13. november bevoorens, of wel eenlijk dus duplicaat also het origineel mij niet ge„ „worden is en van den 20:e februarij voormeld, op dewelke ik thans antwoordende ind' eerste plaats alweeder mijne verwondering betuigen, omoet over de variabbe berigten met opsigt tot de so lang verwagte herwaerds komst van den koning van Sumbawa welker agter blijven uE: bij zijn eerstgemelde aan hem selfs komt te wijten dog bij d'an„ 2 „dere aan sijne rijksgrooten schoon het Een so min als het andere opgegronde redenen steunt want was het waar dat sulks werkelijk de schuld der rijksgrooten was en dat die gelijk uE

NL-HaNA_1.04.02_3445_0750 view scan ↗

English

Macassar, the 8th of June 1775. To Your Honour says that they had always employed means to make their monarch desist from it, and if he had nevertheless wanted to, he would undoubtedly have mentioned it much earlier on the many occasions that have occurred since his accession to the throne to exhort both him and them to fulfill their obligation. In my opinion, it is far more likely to be believed that he is not in earnest, while his supposed question as to where the vessel was to depart with his people, as well as his request for that of the Company, provides just as little proof of his good intention, as it is, in my judgment, certain that ample opportunity must be found to obtain other vessels. However the matter may stand, I wish to recommend that Your Honour, upon your arrival at Sumbawa for the shipment of sappanwood—regarding which article I refer to the outgoing general letter—seriously put before the king and also the grandees of the realm that they may be assured that the Company will not overlook the neglect of their duty as easily as they seem to imagine, in case they should delay any longer in fulfilling it, offering them, if it is indeed necessary, the Company's vessel at a moderate freight, if this can be done without inconvenience, as I consider not impossible when Your Honour shall have returned from the commission which will be assigned to Your Honour in the continuation of this letter, in order thus to employ everything that can ever be deemed serviceable to make the aforementioned monarch depart hence, which I also hope will happen. Yet assuming that he was not inclined to do so, and that, as I said just now, it is far more to be thought to attach not to the grandees of the realm but to himself, I am still of the opinion that it would be no less beneficial for the Company than for the prosperity of the realm not to divert the grandees of the realm from the intention which they seem to have forged for a long time to rid themselves of him, whenever and wherever care is taken that he is deprived of the means to attempt anything afterwards that would be of harmful consequences, a point that must always be kept in view in such occurrences. By this, the authority of the Wadjoese will also likely be somewhat curbed, whom I formerly intended to persuade by envoys from the Company and from the king of Boni to amicably remove from there, but from which I have since, for reasons, had to desist, at least for the present; although Your Honour shall nonetheless continuously contribute your share thereto, in accordance with the previous orders given to Your Honour on this matter, which Your Honour, as well as all others, ought to read over now and then to make use of them on occurring occasions. Regarding the vessel in question of Gusti Wayan Taga, or the king of Selaparang, it appeared no less strange to me that Your Honour only now says to have discovered that it was allegedly sunken in the river; but who declared this Your Honour forgets to mention, and it also seems entirely not so certain when one considers what purpose the Sumbawanese could have had with it, since it could serve them no advantage. It will therefore be necessary that Your Honour inform yourself further on this once more, and upon discovering that the matter really stands so, take care to obtain compensation for it and have it delivered to Gusti Wayan Taga. Your Honour's proceedings concerning that monarch being in accordance with my order and thus well done, it serves now for your information that Their High Mightinesses have ordered me to send Your Honour thither again in order to cross over from there with his son to Great Bali, to conclude, if possible, with the king, by the help of the other, a contract whereby all other European nations are excluded, or, in case that should not be obtainable, then merely one of friendship and free trade, as Your Honour can further see from the extract missive enclosed herewith, which is accompanied by a letter from His High Mightiness to Gusti Wayan Taga, and likewise one from me to the same, and another to the said king of Great Bali, to be handed over to those monarchs upon Your Honour's arrival, while the copies also accompany this for your information. How this matter, which is of the utmost importance and toward the attainment of which objective no serviceable means ought to be spared, will have to be arranged, Your Honour will have to consider properly for yourself, and be no less attentive to take advantage of the favorable opportunities that arise, regarding which Your Honour can easily

Dutch transcription

Macasser den 8: Junij 175. Aan uE: segt, altoos middelen in het werk hadden gesteld om hunnen vorst daar van te doen afsien en hij sulks nogthans hadde gewild dan soude denselven ontwijffelbaar daar van wel eerder gerept hebben bij so veele geleegentheeden als en zedert sijne komste tot den troon sijn voorgekomen om en hem en haar tot de nakoming van hun gehoudenisse 't adhorteeren veel eerder diend men mijns bedunkens als nnog te gelooven dat het hem geen ernst is, terwijl zijne quasie gedaene vrage waar nu het vaartuig was om met de zijne te vertrecken so wel als sijn versoek om dat van de Comp: ter been immers so win een bewijs van sijne goede intentie uitleverd als het mijnes oordeels seeker sij dat er geleegentheijd genoeg te vinden omoet weesen om andere vaar„ tuigen te krijgen dan hoe het hier meede ook geleegen mogte sijn so wil ik uE gerecommandeerd hebben om bij uE komst te sumbawa ter afscheep van sappanhout omtrend welk articul ik mij aan de afgaande gemeene briefs refereere den koning en ook rijksgrooten in ernstige termen voor te houden, dat sij verseekerd kunnen weesen dat de Compagnie het versuim van hunnen pligt niet so gemarkelijk passeeren sal als sij sig wel schijnen voor te stellen oingevalle sij nog langer tardeeren „nogten 271 22. 699 Van Macasser Den 9 Junij 175. mogten om daar aan te vobdren haar so het immers nedig sij on„ „der een matige huur sComp: vaartuig aanbiedende, indien dait geschieden kan sonder ongerief gelijk ik niet onmogelijk houde wanneer uE sult weesen gereverteerd van de commissie die uE in 't vervolg deeses sal worden aanbevoolen ten eijnde dus alles aan te wenden wat maar immer dienstig kan wor„ „den g'acht om den meermelden vorst dit heen te doen ver„ trecken, 't welk ik ook hoopen wil dat geschieden sal. Dan gesteld dat hij daar toe niet inclineerde en het dus so als ik daar even seijde veel eer te moeten denken niet aan de rijksgrooten maar aan hem selfs kaperen mogte so ben ik als nog van begrip dat het voor de maatschappij niet minder als voor den welstand van het rijk dienstig soude sijn om de rijksgrooten niet te diverteeren van het voornee„ „men dat sij lange schijnen te hebben gesmeed om sig van hem 't ontdoen wanneer en waar getogt worde dat hem de middelen benomen worden om naderhand iets 't onderstaan dat van schadelijke gevolgen soude weesen een porinct dat bij sodanige voorvallen altoos in 't oog diend te worden gehouden. Hier door sal dan ook denkelijk het gesag wel wat werden gefnuijkt van de wadjoreesen die ik eertijds voorneemens ben geweest om door sendelingen van de comp: en vande koning Van Macasser den 8 Junij 1775— koning van bonij in der minne tot de logement vandaar te doen overreeden dog waar van ik zedert om reedenen, ten minsten voor als nog hebbe moeten afsien, schoon uE daf niet te min daar toe bij Continuatie het sijne sal dienen te Contribueeren conform de voorige ordres uE op dit respect. gegeeven die uE so wel als alle andere nu en aan wel eens behoorde na te leesen om sig bij voorkomende geleegentheeden van deselve te kunnen bedienen Ten aansien van het quastieuse vaartuig van gusti waijen taga of aen koning van salemparang is omij niet minder vreemd te vooren gekomen dat uE onu eerst segt ontrekt te hebben dat het in de rivier soude gezontien sijn maar wie sulks verklaard vergeet uE te melden en het scheijnt ook gantsch so seeker niet als omen overweegd wat oogmerk de sumbau„ wareesen daar meede soude gehad hebben, daar het haar tot geen voordeel konde gedijen, het sal dierhalven onodig weesen dat uE sig daar op nogmaals nader informeert en bij ont„ decking dat het daer meede waerlijk sodanig mogte geleegen sijn moeten bewagten om daar voor vergoeding te krijgen en 2 gusti waijentaga dienen te doen geworden. uE: verrigting. omtrend dien vorst Conform sijnde met mijne ordre 223. 703 Van Maccasser den 8:' Junij 177 1775. ordre en dus wel gedaan so diend thans ter uwer na„ „rigt, dat haar hoog Edelheedens mij hebben gelast om uE weder derwaarts te senden ten eijnde met desselfs soon van daar over te steeken na groot Balij om waare het mogelijk met den koning, door hulpe van den anderen een contract te sluiten waar bij alle an„ „dere Europeesche natien g'excludeert worden of ingevalle dat niet mogte te verkrijgen weesen als dan maar enkel van vriendschap en vrijen handel invoegen uE nader blijken kan uit het deesen bijgevoegde extract mitsive die verseld is van een brief van sijn hoog Edelheijd aan gusti waijentaga en soo meede een van mij aan den selven en een ander aan gedagte koning van groot balij om bij uE komst aan die vorsten overhandigt te werden, terwijl de copijen ter uwer narigt deese almeede versellen. hoedanig nu deese saak die van het uiterste gewigt is en ter bereiking van welk ookmerk geene gedienstige midelen behooren gespaard te worden sal dienen teworden aangelegt sal uE bij sig selfs behoorlijk dienen t overleggen en niet minder attent moeten sijn om vande voorkomende favo„ „able geleegentheeden te profiteeren waar omtrend uE ligt

← previousnext →