VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3445

Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3445_0754 view scan ↗

English

From Makassar, the 8th of June 1775. can easily understand that I can give no instruction other than in so far as it will, in my opinion, be best that as soon as the ship Lijerdorp shall have taken in its cargo, you cross over directly to Salemparang and, while delivering the letters addressed to him by His High Excellency and myself, point out to Gusti Wayahan Tega how the said His High Excellency, together with the Honorable Gentlemen Councillors of the Indies, having for four years now caused an offer to be made to him to conclude an alliance of friendship with the High and Mighty Dutch Company, have learned with the utmost pleasure that, while he is indeed well inclined thereto, he nevertheless cannot embrace the same without the king of Great Bali; that the very same, in proof of their inclination to live on good terms with all neighboring princes, have not wished to refuse his request to let you cross over to Great Bali with his son Gusti Made Karangasem, and thus to make that same offer to the prince of that country, in the hope that, showing now the sincerity of his intention, he will on his part cooperate so that such a contract may be concluded with both, requesting therefore From Makassar, the 8th of June 1775. therefore to cause his son now to depart thither with you, and to apply his efforts to the promotion of the same; which then succeeding, and you thus arriving on Great Bali, you shall have to deliver the aforementioned letter to the king and make known to him the purpose of your coming, with the offer of such a gift as is sent to you herewith by the ship Leijerdorp, seeking in fitting terms to persuade him of the advantage that is contained for the land of Bali, and likewise of Salemparang, in embracing the offer of Their High Excellencies, in order to make the same agreeable to him; for the facilitation of which, and to assist you both with respect to the language and the customs of the land, as well as in other respects, I have thought it not unserviceable to attach to you the Company's subject residing here, Carre Tululiusu, who will find you with his own vessel on Sumbawa, and who, being known to the king of Great Bali and well regarded by him, has been instructed by me regarding the purpose of this commission in so far as is serviceable; I say in so far as is serviceable, because for unknown reasons I have not expressed myself to him From Makassar, the 28th of June 1775. expressed myself on the point of the exclusion of foreign Europeans, which nevertheless, as said, is the principal thing that Their High Excellencies would wish to see stipulated, but, being unobtainable, must on no account be treated with indifference, and then only proceed to a proposal of such other points as I send to you herewith, beyond which, for lack of local knowledge, I know of no further articles that ought to be stipulated on the Company's side; yet, should any occur to you (which will therefore require proper attention), they may be added, with a request to state everything that the prince might moreover wish to stipulate for himself, and that in writing, stamped with his seal; just as he, embracing entirely or for the greater part those which are handed to him, will also need to seal them, in order subsequently to be returned to you and thus delivered to me; but since it will furthermore be required that the contract be concluded here, you will need From Makassar, the 8th of June 1775. need to persuade him to send hither envoys of repute, provided with proper credentials, to whom Gusti Wayahan Tega might also add one or two of his principal grandees of the realm, even if it were his son; while you may assure both that they will be well received here, unless they might rather choose to go to Batavia, in which case you will need to deliver copies of the sealed articles to them, in order that Their High Excellencies may make use thereof, then informing the very same of the outcome of your negotiation. This now being all that I can prescribe to you as a rule in this matter, I trust no less that you will take pride in showing in this all possible zeal for the interest of the Company, as I, on my part, dare assure you that, upon a fortunate outcome of matters, which I wish with all my heart, or even if you only show proofs of having proceeded therein with discretion and attention, Their High Excellencies will undoubtedly make him experience their benevolence towards the advancement advancement of his further fortune in the Master's service. Wherewith, after greetings, I remain (underneath was written) your good friend (was signed) P. J. van der Voort (in the margin, Makassar, In Castle Rotterdam, the 17th of April 1775; lower down) Agrees (signed) Godenpijl. From Makassar, the 8th of June 1775. from B.

Dutch transcription

1 Van Maccasser den 8:' Junij 175: ligt begrijpen kiunt dat ik geen instructie greven kan, dan voor so verre het wijns bedunkens best sal weesen dat uE so dra het schip Lijerdorp sijne laading sal hebben inge„ „nomen direct komt over te steken na Salemparang en gust waijentaga onder overgave van de brieven door sijn hoog Edelheijd en omij aan hem gerigt voor te houden hoe gemelde sijn hoog Edelheijd nevens de Edele heeren raeden van Jndia nu zedert vier Jaeren aanbod aanden zelven hebbende laeten doen om met de groot magtige Nederlandsche Comp: een verbond van vriendschap te sluiten met het uiterste genoegen vernomen hebben dat hij daer toe wel geneegen sijnde deselve mnogthans buiten den koning van groot Balij niet amplecteeren kan dat hoogst deselve ten bewijse van hunne inclinatie om met alle nabuurige vorsten in een goed verstand te leeven nniet hebben willen van de hand wijsen sijne instantie om uE met sijn soon gusti„ Mada karrang Assan na groot Balij te laeten oversteeken 4 en aan de vorst van dat land oversulx dat deselve aanbod te doen inhoope dat hij als nu de oprechtheijd sijner intentie be„ toonende van sijne zeijde sal komen meede te werken dat er met beijde sodanig contract geslooten werde met versoek dierhalven - 225. 703 Van Macasser den 8. Junij 1775. — dierhalven om sij soon als nu met uE derwaarts te doen ver„ „trecken, en sijne pogingen tot bevordering van het selve aan te werden 't welk dan rousseerende en dat uE dus op groot balij mogte komen, so sal uE aan den koning de voorengewaegde missi„ „ve moeten overhandigen en hem het oogmerk uwer komste te kennen geeven, onder aanbod van sodanigen geschenk als uE hier nevens met het schip leijerdorp word toegesonden, den selve ingepaste termen tragtende 't overreeden van het voordeel dat er voor het land van Balij en so meede van sa„ „lemparang uit het amplecteeren vande aanbieding hunner hoog Edelheedens legt opgeslooten ten eijnde hem deselve smae„ kelijk te maeken ter faciliteering van t welk en om uE so ten opsigte van de taale als de gebruijkelijkheeden des Lands mitsgaders in anderen opsigten 't assisteeren ik niet ondienstig hebbe g'agt uE toete voegen den alhier thuis hoorende sComp: onderdaan Carre Toeloeloe oesoe die uE met sijn eige„ vaartuig op sumbauwa sal komen vinden en den welken bij den koning van groot Balij bekent, mitsgaders wel gesien weesende door mij van het oogmerk deeser Commissie in so verre dienstig g'instrueerd is ik segge in so verre dienstig wijl ik mij tegen den selven ombekende reedenen niet hebbe uitgelaeten Van Macasser Den 28: Junij 175 uitgelaeten over het poinct der seclusie van vreemde Europee„ „sen het welk nogthans, gelijk gesegt, het voornaemste is dat haar hoog Edelheedens wenschen souden bedon„ „gen te sien dog niet te verkrijgen sijnde voor het ui„ „terslijke niet onverschilligheijd diend getracteerd te worden en als dan maar overgegaan tot een voorslag van so„ „danige andere poincten als ik uE hier nevens laat toekomen, buiten dewelke ik mits ontstentenis van locale kennisse geen articulen meerder weete uit te denken die van sComp: sijde behooren bedongen te worden dog uE voorkomende (:waar toe dierhalven een behoorlijke attentie sal vereijsschen:/ er kunnen worden bij gevoegd onder Een versoek om alle het geene den vorst boven dien voor hem mrogte willen bedingen op te geeven en sulks inscriptis met sijn zegel bestempeld invoegen hij de geene die hem worden overhandigd in het geheel of voor het meerendeel am„ „lecteerende ook wel sal dienen te zegelen om ver„ volgens aan uE: te rug gegeeven en omij sodanig besorgd te worden dan vermits daer en boven sal vereijsschen dat het Contract hier word geklooten sal uE den selven E dienen 227 705 Van Macasser den 8: Iunij 175. — dienen te beweegen om gesanten van naame met behoorlijke credentialen voorsien herwaarts te senden waar bij gusti waijentaga ook een â twee sijner voornaamste Rijks grooten al was het sijn soon soude kunnen voegen terwijl uE den een en ander verseekeren kan dat deselve alhier wel sullen onthaald worden ten waare sij liever omegten verkiesen om na Batavia te gaan in welk geval uE copias van de gesegelde articulen aan haar sal dienen afte geeven ten eijnde haar hoog Edelheedens daar van gebruik kunnen maeken hoog deselve als dan den uitslag uwer onderhandeling bedeelende Dit onu alles sijnde wat ik uE in deesen tot een regel kan voorschrijven, so vertrouwe ik niet minder dat uE: er glorie in stellen sal om in deesen alle mogelijken iever te betoonen voor het belang der Maatschappij als ik uE van omijne sijde verseekeren derf dat haar Hoog Edelheedens bij een geluckigen uitslaeg van sacken die ik van gantscher herten wensche of selfs wanneer uE maar preuves toond van daar toe met beleijd en attentie te werk te zijn gegaan hem haare benevolentie tot be„ vordering bevordering van desselfs verder fortuijn in s'meesters dienst ongetwijffeld sullen doen ondervinden. N Waar meede na groete Blijve /:onderstond/ uE: goeden vriend /:was geteekend:/ P J:s vander voort /:ter zeijde, Macasser In't Casteel Rotterdam den 17: April 1775: /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ Godenpijl Van Macasse den 8:' Junij 175 — van B:

NL-HaNA_1.04.02_3445_0759 view scan ↗

English

707 229 From Macasser the 8. June 1775 75: 1775 To the king of Salemparang Gusti waijantaga After the usual preface Furthermore this serves to inform your highness that having informed his high Excellency the lord Governor-General and the lords Councillors of the Indies of your highness proposal to send your son gusti Mada karang Assan, together with the commandant at bima Lecer, over to groot balij, I have not only been ordered by their honours to fulfill your highness's desire, but also to request your highness that this may proceed, and that your highness please help exert his influence with the king of groot Balij towards the conclusion of a contract with the Company, in which salemparang may be included. In the letter of his aforementioned high Excellency which accompanies this, your highness will undoubtedly find new proofs of the well-meaning and sincere intentions of the high and mighty No: 42. Dutch From Macasser the 8. June 175— Dutch Company and of their special esteem for your highness, which from my side consequently extends no less than to cultivate more and more the already established grounds of friendship and trust, of which I hereby assure your highness, and that it will be pleasant for me to be able to give proofs thereof if I should be in a position to do your highness any service. Written at Maccasser in Castle Rotterdam this 15 April 1775. Lower stood: Agrees. Was signed: B: Dodenpijl E 231. 709 No: 43. From Maccasser the 8: June 1775. Gust Moera carang Asang To the king of Groot Balij After the usual preface Furthermore I inform your highness that the high Noble and Right Honourable lord Governor-General and Right Noble and strict lords Councillors of the Indies at Batavia, who govern the affairs of the high and mighty Dutch Company and have always shown great affection for living in a good understanding as well as peace and friendship with the kings and princes of other realms and lands, in order to be able to assist each other at all times and to better advance mutual advantages, have been pleased to order me to make your highness a proposal for entering into and concluding a contract of friendship and alliance, whereby your highness's subjects shall also be permitted to come freely to all such places where the Company is established and other friends and allies of hers are admitted for trade, and thus From Macasser the 8. June 1775 thus also navigate the seas without receiving any hindrance from the cruisers who are sent out against smugglers, illicit traders, and sea-robbers who show themselves more and more in many fairways, while they on the contrary will then be able to protect them whenever the lawless might wish to harm your highness's subjects. It is for that reason that I now write this to your highness and dispatch the Commandant of the Company's fortress at Bima to make known to your highness the good intention of the aforementioned high Noble lord Governor-General and lords Councillors of the Indies and to request that your highness please take the same into consideration, the aforementioned commandant being able to present to your highness the articles which may serve as a basis for an alliance, in which your highness can still state all that which you would willingly stipulate, in order to subsequently come to an agreement with each other. I flatter myself that your highness will be fully convinced that from the embracing of this proposal nothing 235. 711 From Maccasser the 8. June 1775 but advantage is to be expected for your highness's lands and subjects, the more so because the high and mighty Dutch Company would not make, nor need to make, applications of such a nature for the sake of its own advantage, without that of the party to whom she offers her friendship being also procured and bound up with it, and that in as ample a measure as she herself can expect from it. Wherefore I have full confidence that your highness will please treat and confer with the commandant on this matter, as I hereby both request and ask that you grant him safe conduct in your highness's lands, as well as regard him as a commissioner sent on behalf of the Dutch Company, while he will offer your highness as a proof of its sincerity: Two pieces fine Cassa Four pieces fine Moerisses One piece large Chintz spaeij Two pieces Mirrors One 14 One small chest with sixty bottles of aniseed One case of brandy Six large parasols Four dozen large dishes, blue and white One small chest with Chinese linkensg Written at Macasser In Castle Rotterdam this 15: April 1775. Lower stood: Agrees. Was signed: B: Bodenpijl Draft From Maccasser the 8. June 1795 235. 742 From Maccasser the 8: June 175— Draft Articles for a Contract between the Company and the Realm of Balij namely 1. Both contracting parties promise each other an everlasting friendship. 2. Those of Balij promise to be friends of the Company's friends and enemies of its enemies. 3. In this contract shall also be included the Realm of Sabemparang as being subject to groot Balij, and its inhabitants shall therefore enjoy the same privileges that are granted to those of Balij. 4. On condition that they also come to live as friends with the princes on Sumbauwa. No: 44

Dutch transcription

707 229 Van Macasser den 8. Junij 1775 75: 1775 Aan den koning van Salemparang Justi waijantaga Na gewoone Voorreeden Wijders diend deesen om uw hoogheid bekend te maeken dat ik van uw hoogheids voorstel om desselfs soon gusti Mada karang Assan, nevens den commandant te bima Lecer na groot balij te doen overgaan aan sijn hoog Edelheid den heere gouverneur generaal ende heeren raeden van india kennisse gegeeven hebbende ik door hoog deselve niet alleen gelast ben om aan uw hoogheits begeerte te voldoen omaar uw hoogheit als on ook te versoeken dat sulks voortgang mag neemen mitsg„s dat uw hoogheits sijn vermogen gelieve te helpen aanwenden bij den koning van groot Balij tot het sluiten van een contrac. met de Comp: waar in salemparang sal kunnen worden be„ greepen Bij den brief van welgemelde sijn hoog Edelheid die deesen verseld sal uw hoogheid ongetwijffeld nieuwe blijken vinden van de welmeende en oprechte intentie van de grootmachtige No: 42. Nederlandsche Van Macasser den 8. Junij 175— Nederlandtsche Compagnie en van horg desselfs bijsondere ag„ „ting voor uw hoogheit die van mijne zeijde gevolgelijk sig niet minder uitstrekt dan om de reets: gelegde gronden van vriendschap en vertrouwen meer en meer aan te kweeken waar van ik uw hoogheijd bij deese verseekere en dat het mij aangenaam sal sijn daar van blijken te kunnen geeven als ik in staat mogte sijn uw hoog„ „heijt Eenige dienst te doen /:onderstond:/ geschreeven te Maccasser in 't Casteel Rotterdam deesen 15 April 1775. /:lager.:/ Accordeert /:was geteekend:/ B: Dodenpijl E 231. 709 No: 43. Van Maccasser den 8: Junij 1775. Gust Moera carang Asang Aan den koning van Groot Balij Na gewoone voorreeden Wijders maeke ik uw hoogheits bekend dat den hoog Edelen groot Achtbaeren heer gouverneur generaal ende wel Edele gestrenge heeren raeden van India te Batavia die desaeken van de grootmachtige nederlandsche compagnie bestieren en altoos veel genegentheijd betoont hebben om met de koningen en vorsten van andere rijken en landen in een goede verstand houding mitsgaders vreede en vriendschap te lee„ „ven ten eijnde 't aller tijd elkander behulpsaam te kunnen sijn en weederzijds voordeelen des te beter te bevorderen, mij hebben gelieven te gelasten om uw hoogheijt een voorslag te doen tot het aangaan en sluiten van een contract van vriend en bondgenootschap waar door uw hoogheijts onder„ „daen en op alle sodanige oplaatsen alwaar de comp: geseeten is en andere haerer vrienden en bondgenooten ten handel g'admitteerd worden ook vrijelijk sullen mogen komen en dus 4 Van Macasser den 8. Junij 1775 dus ook de zeen bevaeren sonder door de kroussers die uit„ gesonden worden op de sluikers morshandelaars en zee roo„ overs die sig in veele vaarwaaters meer en meer laeten sijn eenige hinder te worden toegebragt terwijl deselve haer in tegendeel als dan sullen kunnen beschermen wanneer de Justie uw hoogheits onderdaenen mogten willen bena„ deelen. T is uit dien hoofde dat ik uw hoogheit deese thans schrijve en den Commandant van s' Comp: vetting te Bima afsendenr om uw hoogheijd de goede intentie van welgemelde hoog Edelen heer gouverneur generaal en heeren raeden van Jndia te kennen te geeven en te versoeken dat uw hoogheid deselve in overweeging gelieve te neemen sullende de gemelde commandant uw hoogheid de articulen kunnen voorhouden die tot een grondslag kunnen dienen van een verbond waar bij uw hoogheid nog kan opgeeven alle het geene den selven gaerne soude willen bedin„ „gen, om vervolgens met elkander over Een te komen Ik vlije mij dat uw hoogheijd wel sal overreed weesen dat uit het amplecteeren van deesen voorslag noet 235. 711 Van Maccasser Den 8. Junij 1775 met dan voordeel voor uw hoogheits banden en onder„ „daenen te verwagten is te meer de grootmachtige Ne„ „derlandsche Compagnie geen aansoeken van dier„ „gelijken natuur soude doen nog ook behoeft te doen om eijgen voordeels wille sonder dat en dat van de geene aan welke sij haere vriendschap aanbied meede verkoogt en verbonden is en sulks in Eene so ruijme maete als sij er uit verwagten kan. ƒ weshalven ik volkomen vertrouwe dat uw hoog„ „heijt met den commandant over deese saek wel sal gelieven te handelen en hem te hooren gelijk ik bij deese so wel versoeke als om den selven een vrij geleijde te geeven in uw hoogheijts landen mitsgaders hem aen te sien als Een commis„ siant van wegen de nederlandsche comp: geson„ den terwijl hij uw hoogheijd tot een bewijs van haar opregtheid sal aanbieden. Twee p„s Cassa fyne vier „ Moerissen fijne een „ groote Chitse spaeij twee op„s Spiegels Een 14 Een kisje met sestig bottels anijs Een kelder brandewijn Ses groote kipersols vier dousijn groote schotels blauw met wit Een kisje met Chinase linkensg /:onderstond:/ geschreeven te Macasser In 't casteel Rotterdam deesen 15: April 1775. /:onderstond: Accordeert /:was geteekend:/ B: Bodenpijl Consept Van Maccasser den 8. Junij 1795 235. 742 Maccasser Den 0:' Junij 175. — Van Concept Articulen tot Een Contract tusschen DE. Compa„ „gnie en het Rijk van Balij Belooven weeder sijdse contrahenten elk anderen een altoos duurende vriendschap. Die van Balij belooven te sullen sij vrienden van scompagnies vrienden en vijanden van haere vijanden. In dit contract sal ook begreepen weesen het Ryk van Sabemparang als sijnde subject aan groot Balij en sullen dies Jnwoonders oversulx deselve voorregten genieten welke aan die van Balij worden toegestaan Onder voorwaarde datse met de vorsten op Sumbauwa omeede als vrienden komen te leeven 4: No: 44 namentlijk 2: 3.

NL-HaNA_1.04.02_3445_0766 view scan ↗

English

Maccasser, June 6, 1775 From namely with those of Bima, Simbauwa, Dompo, Tambora, Pangar and Papetsat, without disturbing these realms and lands; but whenever any dispute should arise with the same in the future, to make such known to the Company, which accepts and promises to help settle all such discords amicably and according to equity, having been accepted by the princes as protector and defender. Those of Balij promise henceforth not to admit any foreign Europeans into their land, whether at Kalij or on Salemparang, for trade, but to turn away all ships and vessels of the same that might arrive there, even those coming with passes from places where they are settled, although no Europeans might be found aboard them. In return, all vessels of the Company and of its subjects provided with proper passes shall have the freedom to come trade at Kaly and on Salemparang. Likewise in the same manner, all subjects and inhabitants of Balij and Salemparang shall be permitted to trade at all places where the Company is settled and permits navigation to its other friends and allies, and particularly along the entire coast of Java as far as Batavia, furthermore on Sumbauwa and at Macasser, and this not only with the products of their land, but also with all other goods whose importation is not prohibited. And the said traders shall enjoy such protection and assistance, and moreover with respect to the sale of their goods at all the aforementioned places shall enjoy the same freedom as is granted to the Company's own residents and subjects. 8. 9. From Macasser If, on the other hand, the Company should require any products that the land of Balij and also Salemparang produce, the same shall be provided to it at reasonable prices in such manner as shall be agreed upon in due time. Likewise the Company on its part promises to accommodate the king of great Balij with such articles as he might require, and that likewise at reasonable prices. In the event it should happen that any ships or vessels of the Company should accidentally be wrecked on Balij or on Salemparang, the king promises to grant all possible help and assistance, June 6, 1775. 10. 11. From Macasser, June 6, 1775 to grant, in order to return the crew and everything that can be salvaged into the hands of the owner, and to prevent anything thereof from being stolen. It is also promised that no protection shall be granted to any Company servants or subjects who have committed an offense and might flee to Balij or Salemparang to escape their well-deserved punishment, but to hand the same over; likewise also such princes or grandees of the realm who, having fallen into discord with the Honorable Company, leave their lands and thus break the contracts entered into with the Honorable Company. As a consequence of article 2, the kings of Balij and Salemparang promise henceforth not to admit any Ceram merchants with cloves, nutmegs, and other spices into their lands, as all such interlopers in the trade in those articles are the Company's enemies; wherefore it is also promised to seize them with their vessels and deliver them to the Company. Beneath stood: Agrees Was signed: Dodenpijl Translation From Maccasser, June 8, 1775: No. 45. Translation of a Macassar Letter Written by the ordinary emissary Daeng Mandjarehie to the chief interpreter Gerrit Brugman, reading as follows: My humble compliments to Your Honor, and I make known to Your Honor that after eight days of sailing I have arrived here at Bouton, but that the sloop arrived as well only six days after my arrival. And after the lapse of two days, the king first had the letter from the lord governor and the king of Bonij fetched, whereupon we likewise went to the court. Arriving there, the said letter was read, and subsequently I conveyed the verbal commission of the lord governor to His Majesty, to which the king gave no answer, letting us depart to rest ashore; and in the meantime the king became ill. After the lapse of six days, the interpreter of the Boutonese prince appeared before us, who came to show us the lodgings destined for us, on which account we had to wait another six days before the king summoned us to him. From Macasser, June 8, 1775. And after the lapse thereof, the king had us requested to come to him. Upon our arrival there, and having sat with the king for some time, I asked the king how matters now stood, since the lord governor and the king of Bonij have sent us to Woena. Whereupon the king answered that he had deemed it proper not to let us depart for Woena, all the more because the land of Bouton has no dispute with that of Woena, but the Capitain Laut does, so that the Woenarese had committed no wrong against the law of Bouton, and that His Majesty and the combined grandees of the realm had already agreed to send an emissary to Woena to notify both the Woenarese and the Capitain Laut that they would have to cease all hostilities. To which we replied to the king that we had objections concerning that, and gladly wished to comply with the orders of the lord governor and the king of Bonij, adding that the king should not consider it a slight that the lord governor and Bonij had sent us here

Dutch transcription

Maccasser Den 6. ' Junij 175 Van namentlijk met die van Bima Simbauwa Dompo Tambora Pangar en Papetsat, sonder deese Rijken en landen 't ontrusten, maar wanneer ert eeniger „tijd verschil met deselve mogte komen t ontstaan sulks aan de comp: te kennen te geeven, die aan„ „neemt en beloofd al sulke on eenigheeden inder minne en na de billijkheijd te helpen bijleggen, als door de vorsten tot schut en beschermheer aangeno„ „men sijnde Belooven die van balij om voortaan geen vreemde Eu„ „ropeesen in haar landt sij te kalij of op Salemparang ten handel te sullen admitteeren, maar alle schee„ „open en vaartuigen die van deselve aldaar mogten aankomen aftewijsen selfs de sulke die met Pas„ „sen van plaatsen komendaar sij geseeten sijn schoon daar op geen Europeesen omogten gevon„ den worden. Daer en tegen sullen alle vaartuigen vande Compagnie 237. 715 Van Maccasser den 0:e Junij 175 — compagnie bij haere onderdaenen met behoorlijke Passen voorsien vrijheijd hebben om op kaly en te Salempa„ „rang te komen handelen gelijk in selver vregen alle onderdaenen en inwoonderen van Balij en salemparang ten handel sullen mogen, ver„ „men op alle jalaatsen alwaar de Maatschappije gezeeten .: . . . sijnde den vaart dan andere haeren vrienden en bondgenoo„ „ten toestaat en in het bijsonder langs de geheele kust . ƒ : van Iava tot Batavia voorts: op sumbauwa en op Macasser en sulks met de producten hunnes lands niet alleen maer ook met alle andere goederen welker aanbreng niet verboden is. .. En sullen de gesegde traffiquanten sodanigen protec„ ƒF „tie en bijstand genieten mitsgaders ten opsigte van den verkoop haerer goederen op alle de voorschreeven ƒ . . plaatsen deselve vrijheijd genieten als aan ƒ d' eijgen Jngezetenen en onderdaenen van de comp: 9 word vergunt .. 8. Van Macasser Wanneer daer en tegen de comp: be„ onige oproducten mogte benodigen, die het land. Balij en so meede Salempa„ „rang uitleverd sullen deselve haar tegen redelijke prijsen besorgd worden in„ sodaniger voegen als men in der tijd sal overeenkomen. gelijk ook de compagnie van haere sijde be„ loofd de koning van groot Balij te sullen ge„ rieven met sodanige articulen als den zel„ ven mogte benodigen en sulks meede tegen redelijke prijsen. Bij aldien het mogte gebeuren dat er ee„ „nig scheepen dan wel vaartuijgen van de Compagnie bij ongeluk op Balij dan wel op Salemparang mogten komen te ver„ ongelucken. soo belooven: de koning en alle mmogelijke hulpe en bijstand te sullen Den 0 Junij 1775. verleenen 10. 11: 239 717 Van Macasser den 0: Junij 175 verleenen om d' Equipagie en alle het geene te bergen is weder om handen van den Eijge„ „naer te doen komen en te beletten dat daer van iets ontvreemd worde. ook word beloofd dat geene protectie sal worden verleend aan eenige sComp: dienaren op onderdaenen die iets misdaan hebben en om hunne wel verdiende straffe te ontgaan na Balij of Salemparang mogten vlugten maar deselve over te geeven gelijk meede sodanige Princen of rijksgrooten die met d'E Compagnie in on= eenigheijd geraakt sijnde hunne landen komen te verlaeten en dus de contracten met d E Comp: aangegaan verbreeken. Als Een gevolg van articul 2: belooven de koningen van Balij en Salemparang voor„ „tan geene Cerammers met Nagulen Nooten en andere specerijen om haere landen te zullen admitteeren als weesende alzulke onderkuuipers 12. 13. n 75 Van Macasser den 0. Junij 177 1775 onderkruijpers van den handel in die articulen sComp:s vijanden al waar omme ook be„ loofd word om haar met haere vaertuijge„ in beslag te neemen en aan de compa„ „gnie over te leveren /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekent:/ Dodenpijl 3 Translaat S: 247 719 Van Maccasser Den 8:' Junij 175: No: 45. Translaat Macassers Brief Geschreeven door den ordinaire Zen„ deling Daeng Mandjarehie aan den oppertolk Gerrit Brug„ „ „man luijdende aldus Mijn nedrige Compliment aan uw Ed:e en ik maak uw Ed bekend dat ik na agt dagen zeijlens alhier te Bouton ben g'arriveert dog dat de chaloup eerst ses dagen na mijn arrive meede is aangekomen en na verloop van twee dagen heeft den koning de brief van den heer gouverneur en der koning van Bonij eerst laeten afhaelen waar op wij almeede naden komistg sijn gegaan alaaar komende wierd gemelte brief gelee„ „sen en vervolgens gaf ik de mondeling last van den heer gouverneur aan sijn Majesteijt te kennen daar den ko„ „ning geen antwoord op gaf laetende ons vertrekken om wal uit te rusten en intusschen is den koning siek geworden. Na verloop van ses dagen verscheen den tolk van den woutons en vorst bij ons die ons quam aanwijsen het loge„ „ment voor ons gedestineerd wethalven wij nog ses dagen hebbe moeten wagten eer dat ons de koning bij sig heeft Laeten — Van Macaserden 8 Junij 175. laeten, ontbieden en na verloop van deselve liet ons dekoning versoeken om bij hem te komen bij ons aankomst aldaar en na een wijl tijd bij den koning gezeten te hebben so vroeg ik den koning hoedanig dat 't thans gelegen was also den heer gouverneur en den koning van Bonij ons na boena hebben gesonden waar op den koning antwoorde dat goedgevonden hadde ons niet na woena„ te laten vertrecken te meer om dat 't land van Bou„ ton geen verschil heeft met die van woena maar wel den capitain Laut so dat de woenareesen tegens de wet van bouton niets misdaan hadden en dat sijn majesteijt en de gesamentlijke rijksgrooten reets over een gekomen waaren een sendeling na woena te zenden om so wel de woenareesen als den capitain laut te laeten aanseggen, dat z alle vijandelijkheeden soude hebben te staaken op 't welke wij dere koning ten ant„ woord gaven dat wij daar omtrend swarigheijd maek„ „ten en gaerne wenschten te voldoen aan d' ordres van den heer gouverneur en den koning van bonij onder bijvoeging dat den koning niet voor een kleijn agting moeste aanmerken dat de heer gouverneur en Bonij ons hier

NL-HaNA_1.04.02_3445_0773 view scan ↗

English

243. 721 From Maccasser, the 8th of June 1775 had sent here, having occurred with no other purpose than to support his power and also to serve for the well-being of the land of Bouton, requesting him to take this into serious consideration, since, although I was merely a slave of Bouton, I had to remind his Majesty that it was by no means the intention of the Governor and Bonij to leave our aforementioned order unexecuted. To which reply the King of Poonton declared he was pleased that I presented myself as a Boutonese, and that he would consider the matter further with us. After this, we returned to our lodgings. After the passage of six days, we went to the King again to inquire how matters would proceed with our commission, upon which the King answered us that, since he had made known to us at our first audience that he regarded the affair of Woena as child's play, he would therefore simply keep us here; all the more because, if he allowed us to depart for Woena and the war ended at once, the people of Woena would notoriously have to request pardon, in which case they might say: "We have From Macasser, the 8th of June 1775: not requested any pardon from Bouton, but rather from the Company and Bonij," and they would thus afterwards, instead of humbling themselves, become very obstinate, yea even unto their children's children; and that this was the principal reason why he did not want to let us depart for Woena, but wished to chastise his rebellious subjects himself, unless foreign peoples might come to their aid, in which case the King said he would trust in no one else but the Company and Bonij. So that I have had to remain here still, because the Capitain Laut has sent word to me to wait for him. Below stood: For the translation, signed: E. G. Brugman. Lower stood: Concurs, was signed: Bodenpijl. Translation. 245. 723 From Macasser, the 8th of June 1775: No. 46. Translation of a Bugis letter written by the Bonij emissary sent to Bouton to the King of Bonij, reading as follows: My humble compliments beneath the soles of your Majesty's feet, and I hereby inform your Majesty that, after eight days of sailing, we arrived safely here in Bouton. Three days after our arrival, the chaloup also arrived here. Two days after the arrival of the very same chaloup, the letters were first retrieved, whereupon we likewise went to the King. Upon our arrival there, and after the King had received the letters, his Majesty showed himself to be very pleased, after which we made known to the King our received verbal order, namely that we were sent expressly hither by the Governor and the King of Bonij, in order subsequently to depart for Woena; but to which the King gave us no answer, From Macasser, the 8th of June 1775: but said that for the present we could go hence to rest a while. In the meantime the King fell ill. After the passage of six days, an interpreter appeared before us, who came to show us the dwelling that they had destined for us, as we also took up our lodgings in the aforementioned house for that purpose. Subsequently, after the passage of six days, the King had us summoned to him, as we also went to his Highness. After we had sat with his Majesty for a while, we asked the King what we should now do with regard to the commission entrusted to us by the Company and Bonij. Whereupon the King gave us as an answer that they had jointly resolved not to let us depart for Woena, for the reason that the law of the land of Bouton has no dispute with the King of Woena, but rather that Capitain Laut was in discord with the people of Woena, on which grounds the assembled Council of the Realm of Bouton had seen fit to send an embassy to Woena to admonish the quarreling parties that they must no longer commit hostilities against each other. Hereupon we made known to the King our objections 247. 725 From Macasser, the 8th of June 1775: in that regard, with the further addition that we had not been sent out of slight regard for the land of Bouton, but on the contrary for the maintenance of his Highness and for the well-being of the land, and were therefore afraid not to carry out the commission entrusted to us. Whereupon the King of Bouton gave us as an answer that for the present we could just return to our dwelling, and they would take the matter into further consideration. After six days had passed, we went again to the King of Bouton to ask his Majesty how matters would now proceed with our commission to Woena. Whereupon the King replied that his Majesty regarded the affair at Woena as merely child's play, and he did not want to let us depart for Woena because the people of Woena would certainly have to beg for pardon at once, and they would then afterwards be able to say: "We have requested no pardon from the land of Bouton, but rather from the Company and Bonij," whereby they would then in the course of time From Macasser, the 8th of June 1775: become much more arrogant toward Bouton and have no more respect for the same. Wherefore the Prince of Bouton had further said: "Let us chastise our rebellious subjects; however, if foreign nations should come to their aid, we shall place our hope and trust in no one else but the Company and Bonij." And because the Capitain Laut has requested us to remain here until his return, this is the reason that we have still remained here. Below stood: For the translation, signed: Brugman. Lower stood: Concurs, was signed: B. Bodenpijl. Report.

Dutch transcription

243. 721 Van Maccassr den 8. Junij 1775 hier gesonden hadden als met geen ander oogmerk geschied sijnde dan tot ondersteuning van sijn magt en so meede om te strekken tot welweesen van 't land van Bouton met versoek van sulks in een ernstige overweeging te nee„ „men also ik schoon maar als een slaaf sijnde van Bou„ ton sijn Majesteijt moest her inneeren het geensints de in„ „tentie van den heer gouverneur en bonij te sijn om onsen voorm: last onautgevoerd te laeten op welk antwoord den koning van Poonton betuijgde verblijd te sijn dat ik mij 4 voor een Boutonder uit gaf en dat hij met ons t een en ander nader soude overweegen waar na wij weeder na onse logement sijn vertrocken na verloop van ses dagen sijn wij weeder na den koning gegaan om te verneemen hoedanig dat met onse Commissie soude gaan waar op de koning ons ten antwoord gaf dat vermits hij ons bij onse eerste au„ dientie te kennen hadde gegeeven de saak van woena voor een kinder spel aan te merken hij dierhalven ons maar hier houden soude te meer vermits wanneer hij ons ona woena liet vertrekken en den oorlog ten eersten eijndigde de woenareesen notoir parden souden moeten versoeken in welk geval sij souden kunnen seggen wij hebben ng Van Macasserden 8 Jnij 175: hebben aan bouton om geen opardon versogt maar wel aan de comp: en Bonij en sij sig dus naderhand inplaats van sig te vernederen veel obstimaeten soude worden Ja selos tot hun kindskinder toe en dat dit de voornaemste reden was waerom hij ons niet na woena wilde laeten vertrecken maar sijne weederspannige onderdanen selvs kastijden ten waere en vreemde volkeren tot hunne hulp mogten komen wanneer den koning seijde op niemand anders te vertrouwen als op de comp: en Bonij so dat ik mijn verblijf alhier nog hebben moeten houden houden om dat den Capitain lant mij heeft laeten weeten om na hem te wagten /:onderstond:/ voor de Translatie /:geteekend:/ E G Brugman /:lager:/ Accordeert /:was geteekend. / Bodenpijl Translaat 245. 723 Van Macasser den 8 Junij 175: No: 46. Translaat Boegines Brief geschreeven door den na Bouton gesondene Bonijse zendeling aan den koning van Bonij luijdende aldus. De nedrigen compliment van mijn onder de voet„ zole van uw majesteijt en ik maak uw majesteijt bij deese bekend dat wij na agt dagen sylen ge„ lukkig alhier te Bouten sijn g'arriveert in des dagen na ons arrivement is de chialoup omeede al„ hier aangekomen twee dagen na de aankomst van even gem: Chialoup sijn de brieven eerst afgehaalt ge„ worden waar op wij om eede na den koning sijn gegaan. Bij onse komst aldaar en na dat den koning de brie„ „ven had ontfangen heeft sijn majestijt sig seer ver„ blijd getoont waar na wij den koning onse ontfangene mondelinge laast te konnen geeven namentlijk dat wij door den heer gouverneur en den koning van bonij Espaes na herwaerds gesonden om vervolgens na woena te vertrekken dog waar op den koning ons geen antwoord heeft Van Macasserden 80:' Junij 175. heeft gegeeven maar gesegt dat wij voor eerst konde heere gaan om wat uit te rusten in tusschen is den koning siek geworden na verloop van ses dagen verscheen Een tolk bij ons die ons quam aanwijsen de wooning die sij voor ons hadden gedestineerd so als wij ook ten dien eijnde ons intrek op gen: huis hebben genomen vervol„ „gens na verloop van ses dagen liet ons de koning bij hem ontbieden so als wij ook na sijn hoogheijd sijn gegaan na dat wij bij sijn majestat een wijl tijds gezeten hadden vroegen wij den koning wat of wij nu doen soude ten opsigte der aan ons door de comp: en Brnij op„ „gedragene Commissie waar op den koning ons ten antwoord heeft gegeeven dat dat 'z gesamentlijke besloten hebben ons niet na woena te laten vertrekken om reeden dat de wet van 't land van bouton geen verschil heeft met de koning van woena maar wel dat Capitain lant met die van woena in oneenigheijd was uit welken hoofde de gesamentlijk Rijkstenden van bouton hadden goedgevonden een besending na woena te doen om de twistende parthijen te vernamen dat t geen vyandelijkheeden tegen elkander meer moetten pleegen hier op hebben wij den koning onse beswoennisse 247. 725 Van Macusserden Iunij 175. — E beswaernisse daar omtrent te kennen gegeeven met ver„ dere bijvoeging dat wij niet om de kleijn agting van't land van Bouton maar in tegendeel ter omaintinur van sijn hoogheijd en tot welweesen van 't land gesonden en dierhalven bevreest waaren om de ons opgedragene Commissie niet ter uitvoer te brengen waar na ons den koning van Bouthon ten antwoord gaf dat wij maar voor t teegenswoordige nna onse wooning konde vertrekken en voorts 't een en ander in overweeging sonden neemen Na ses dagen verloopen waaren so sijn wij weeder na den koning van Bouton gegaan om sijn majesteit te vragen hoedanig het met ons Commissie na woena nu gaan soude daar den koning op gerepliceerd dat sijn majesteijt het geval op woena maar voor een kinderspel aanmerkte en hij ons niet na woena wilde laten ver„ „trekken om dat de woenareesen seekerlijk ten Eersten om pandon soude moeten smeeken en sij als dan nader„ hand souden kunnen leggen wij hebben om geen par„ dan aan 't land van Bouton versogt maar wel aan de Comp: en Bonij waar door sij dan in 't vervolg van tyd Macasserdn 8 Junij 1745 Van van tijd veel arroganten tegen Bouthon soude worden en voor deselve geen ontsag meer hebben weshalven hadden Bou„ tonsen vorst verder gesegt laten wij onse weederspannige onderdaanen kastijden dog indien de vreemde natie bij haarlieden tot hulp gedien worden sullen wy op onie„ „mand anders ons hoop en vertrouwen stellen als op d' Comp: en bonij en wijl den Capitain laut ons heeft laten versoeken alhier so lang te verblijven tot sijn te rug komst is dit de reeden, dat wij alhier nog sijn verblijven /:onderstond:/ voor de Translatie /:get: Brugman /:lager/ Accordeert /:was geteekend:/ B: Bodenpijl Relaut

NL-HaNA_1.04.02_3445_0779 view scan ↗

English

From Macasser the 8 June Anno 1775 No. 47 Report made by Daeng Maronginbarre regarding his encounters on the voyage made by him to Bouton with the ordinary envoy of the Company sent thither, Daeng Mandjarekie. The narrator declares that upon their arrival at Bouton they immediately notified the prince that they had brought along a letter from the lord governor at Macasser and one from the king of Bonij for his highness. That six days after their arrival the king had the said letter collected from on board with the proper honors. That the letter having been read, the aforementioned envoy Daeng Mandjarekie had informed the king that he had been expressly sent to inquire into the state of affairs of Woena, and even to proceed thither himself whenever his highness might deem it advisable. That From Macasser the 8 June 1775 That His Majesty had answered thereto that the envoy did not need to proceed to Woena, as His Majesty regarded the matter of Woena merely as child's play, since the capitain laut was the one who had had a dispute with the inhabitants there and had gone thither to bring them to reason. That Daeng Mandjarekie, without the prior knowledge of the prince of Bouton, had secretly sent the narrator with one Casoba, being a companion of the envoy of Bonij who was also to act as interpreter, to Woena to the former capitain laut to obtain some information there regarding the state of affairs; that upon the narrator's arrival at Woena the aforementioned capitain laut showed himself very glad, and upon his notification of having been sent by the ordinary envoy of the Company Daeng Mandjarekie and the envoy of Bonij to learn from him how matters currently stood between him, the capitain laut, and those of Woena, and whether any foreign nations had also arrived to assist the aforesaid Woenarese, because the aforementioned Daeng Mandjarekie and the envoy of Bonij had not been permitted by the king to be able to depart in person for Woena. That the capitain laut had given him in answer thereto that until now no foreign people had come to the assistance of the Woenarese, and the Mandharese and Wadjorese present here could not be regarded as helpers of the same, since they had already settled here to live a long time ago; furthermore, that with regard to the discords he made no further difficulties, since over 40 settlements had already been conquered, and with the loss of few people on his side; but that rumors had reached him that those of Tamboekoe were not only intending to assist those of Woena, but had already actually approached a certain settlement Lohia with 100 vessels, which rumors being found true, he would request Daeng Mandjarekie to come over with the Company's patjallang, on which account he had ordered the narrator to return to Bouton to give notice thereof, who had also performed this and thus returned to Bouton. That ten days after his return a confidant of the capitain laut had come to Daeng Mandjarekie, reporting on his master's behalf that upon his arrival at Lohia no Tamboekoereers were encountered, and thus the rumor was found to be untrue; that Daeng Mandjarekie, nevertheless still feeling uneasy, had sent the narrator again to the capitain laut to learn more substantially the essence of the matter. That he had departed for Lohia to that end, and having presented himself to the capitain laut, the same had told him that there was no further difficulty, since the settlement of Lohia had been conquered and thereby his wish was fulfilled, as also that the grandees of Woena had already been with him to humble themselves, having brought along and surrendered their state regalia, while the king of Woena was also about to do the same in person in two days. That the capitain laut, having subsequently asked the narrator how one acted in Macasser when a subject regent came to humble himself before his lawful lord and king, he had answered thereto that such a person must then come unarmed with his grandees and the retinue must remain standing from afar; whereupon he was requested by the capitain laut to proceed to Lohia on the said day as well, adding that if the king of Woena came to humble himself according to the word of his grandees, one would then take him along to Bouton and leave it to the decision of the king and the envoys of the Company and Bonij to deal with the same according to the custom of the country, but in case that petty prince might be unwilling, he, the Capitain, would then attack the castle of Woena in order thereby to make an end to this affair. That the king of Woena having nevertheless not appeared on the said day, the capitain laut had said to the narrator that this was to be imputed to two grandees who were afraid to come, since he had resolved to have both their heads laid before his feet and then to have the heads hung from the bow and stern of his vessel in order thus to sail subsequently to Bouton; he having therefore

Dutch transcription

249:0 727 Van Macasser den 8 Iunij A„o 175 75 No. 47 Relaas Dedaan door Daeng Maronginbarre wegens zijn ontimoe„ tingen op de Reijse door hem gedaan maar Boulon met den derwaerds gesondene Ordinaire zendeling van van dE Compagnie Daeng Mandjarekie Den relatant verklaard dat 't bij hun komst te Bouton ten eersten aan den vorst hadden laeten kennisse geeven een brief van den heer gouverneur te macasser en een van den koning van Bonij voor sijn hoofgheijd te hebben meede gebragt. Dat den koning ses dagen na hun aankomst gemelde brief met de behoorlijke honneur van Boord hadde laeten af„ haelen Dat de brief geleesen sijnde den voorn: zendeling Daeng Mandja„ rekie aan den koning te kennen hadde gegeeven expres gesonden te sijn om na den toestand dersaeken van woena te verneemen en selfs sig ook na derwaerts te moeten begeeven wanneer sijn hooghoogheijd sulks geraeden mogte vinden Dat . Van Macasser den 8 Junij 1775 Dat sijn Majesteit hier op had g'antwoord dat hij zende„ ling niet na woena behoeft te trekken, wijl sijn majesteit het geval van woena maar als een kinderspel aanmerkte also den capitain laut die geene was die met d' Jnwoonders aldaar verschil hadden gekreegen en derwaarts was gegaan om haarlieden tot reeden te brengen. dat daeng Mandjarekie sonder voorweeten van den bou„ tonsen vorst den relatant in stilte met eenen Casoba sijnde een meede maker van den bonijse sendeling die teffens voor tolk moest ageeren na woena bij den voormalie Capitain laut hadde gesonden om aldaar eenig narigt wegens den toestand van saeken 't erlangen dat bij as rietatauls aan„ komt te woena de voorn: Capitain laut sig seer verblijd getoond en op sijne te kennen gave van door den ordinaire sendeling van dE Compagnie Daeng Mandserekie en den sendeling van bonij te sijn gesonden om van hem te verneemen hoedanig dat de saeken tusschen hem Capitain laut en die van woena thans gesteld waaren en op er ook eenige vreemde volkeren tot hulp vande voorschraeven woe„ nareesen waeren aengekomen ter oorsake van gem: daem„ Mandjarekie en Bonijse zendeling door den koning niet was 251 729 Van Macasser den 8. Junij 175 was toegelaten om in persoon na woena te konnen vertrekken. dat de capitain lant hem hier op tet antwoord had gegeeven dat en tot nog toe geen vreemd volk tot hulp der woenareesen waaren ende hier sijnde mandhareesen en wad joreesen voor geen helpers van deselve konde aangesien worden also de sulken sig albereets voor langen tyd hier met er woon hadden ter needer geset mitsgaders dat hij ten opsigte van d' oneenigheeden geen swaerigheijd meer was maekende also er bereets over de 40. negorijen overwonnen waaren en met verlres van weijnig volk an sijne zijde dog dat hen - gerugten waaren voor gekomen dat die van Tamboekoe niet alleen voorneemens souden sijn die van woena 't assitteeren maar reets werkelijk met 100 vaartuigen waaren genadert aan seekere neiorij lohia welke gerugten waar bevonden wordende so soude hij daeng Mandjarekie doen versoeken om met s Comp: Patjallang over te komen wethalven hij den relatant gelast hadde om nna bouton te rug te keeren om deese daar van kennisse te geeven die sulks ook hadde verrigt endus na Bouton te rug gekeerd was. Dat en tien dagen nna sijn retour een vertrouwde van Capitain laut bij Daeng Mandjarekie was gekomen uijt 1 Van Macasser den 8: Junij 175. uit sijn meesters naam berigtende dat bij sijn aankomst te lohia geene Tamboekoereers waaren aangetroffen en dus het gerugt onwaar was bevonden dat daeeng Mandjarckie des niet te min sig nog onrust bevindende den Rela„ tant weeder na capitain laut had gesonden om nader het weesentlijkste der sacke te verneemen. Dat hij ten dien eijnde na lohia vertrocken en sig bij den capitain laut vervoegt hebbende den selven hem had gesegt dat er geen swaerigheijd meerder was vermits de negorij lohia overwonnen en daar door sijn wenscht vervult was gelijk ook dat de rijksgrooten van woena bereeds bij hem waeren geweest om sig te verootmoedigen hebbende hunne rijks ornament mee„ de gebragt en overgegeeven terwijl den koning van woena sulks over twee dagen in persoon meede stond te doen Dat capitain taut vervolgens aan den relatant hebbende gevraagd hoedanig te Macasser gehandeld wierd wan„ „neer een onderhoorig regent sig bij sijn wettigen heer en koning quaame te verootmoedigen hij daar op hadde g'antwoord dat de sodanige als dan met sijn rijks grooten ongewapend 213 738 Van Maccasser den 8:' Iunij 175 moesten komen en het gevolg van verre staan blijven, waar op hem door capitain laut was vertogt om ten ge„ segde dage sig meede na lohia te begeeven onder bijvoe„ „ging dat in dien den koning van woena sig volgens het seggen van sijne rijksgrooten kwam te verootmoedigen men hem als dan omeede na Bouton soude neemen en aan de decisie van den koning en sendelingen van „de Compagnie en Bonij overlaten om met den selven te handelen na slands gebruik dog ingevalle dat vorstje onwillig mogte sijn hij Capitain als dan het Casteel van woena soude attacqueeren om daar door een eijnde van dit historiaal te maeken. Dat nogtans de koning van woena ten gemelde dag niet verscheenen weesende den Capitain laut tegens den relatant gesegt hadde sulks 't imputeeren was aan twee rijksgrooten die bevreest waeren om te komen ver„ mits hij voorgenoomen hadde hun beijde de kop voor de voe„ ten te laaten leggen ende hoofden als dan aan de vooren agter steven van sijn vaartuijg te doen ophangen om so vervolgens na Bouton te zaelen hebbende hij dierhalve ben e

NL-HaNA_1.04.02_3445_0784 view scan ↗

English

Macasser, the 8th of June 1755. therefore ordered the King of Woena that he absolutely had to have the two missing grandees of the realm sought out and brought forward, which had resulted in one of those two coming forward, but not the other, while the grandees of the realm subsequently handed over the regalia ornaments to the Capitain Laut, giving to understand that the King of Woena very gladly, over and above the customary tribute, would wish to give 400 head of slaves as a contribution for his person, if only he were left alive, but that the Capitain Laut had said thereupon with a smile, we shall see whether he will fulfill that or not; that the Capitain Laut had furthermore told him, the informant, to return again to Bouton to request Daeng Mandjarekie to be pleased to remain there until his return, as he was likewise to depart for Bouton within three to four days; furthermore, the informant declares that the Capitain Laut had asked him, among other things, whether the King of Bouton had already had vessels prepared to transport both the slaves who must serve to satisfy the debt to the Company and the sergeant to Macasser, and upon his informing him that neither had yet occurred, he had added that already over 100 heads were ready, who, upon longer detention, would only come to die or run away, while no one else would bear the burden of procuring what was missing but he, the Capitain Laut; the informant also declares that the Capitain Laut had said that everything he was currently doing was not done with the intention of obtaining the crown of Bouton, as he could testify to the contrary in his conscience, and that he was striving for nothing else than to bring to reason those who came to sin against the Company, the law of the land, and the King of Bouton, while he would never deviate from the Company. Furthermore, the informant still declares that he had heard the Capitain Laut repeatedly state that he had captured two vessels that had been loaded with ammunition goods coming from Passier, of which one had been a Mandharese and the other had belonged to the King of Woena, but that he had not been able to obtain the guns because they had already been transported to the shore beforehand. The informant also relates that upon his arrival at Bouthon he had learned by rumor there that when the Capitain Laut was about to depart for the war of Woena, the King of Bouton had expressed to one of his grandees of the realm that if the Capitain Laut should return again in good health from his expedition and had obtained his wish, the King of Bouton would give him the crown as a reward and he would continue as the old king; but on the other hand, he had again learned by rumor that the King of Bouton was said to have stated that he would rather have the royal parasol burned than hand it over to Capitain Laut, upon which sayings of the king the assembled grandees of the realm had fallen into disagreement, fearing that with the arrival of the Capitain Laut some unrest might be stirred up in the land, for which reasons the assembled grandees of the realm had requested Daeng Mandjarekie and the envoy of Bonij to be pleased to remain until the return of Capitain Laut, in order to act as an arbiter regarding that matter if anything should happen to occur. And after having remained there for some days, the informant was sent hither by the aforementioned Daeng Mandjarekie, as the same suspected that the Governor was longing very much for news from Bouton, having to that end received two native letters, namely one from the envoy Daeng Mandjarekie to the chief interpreter and one from the Bonian envoy to the Pomilalang of Bonij. Lastly, that the informant had heard from Daeng Mandjarekie that the same also thought to come hither with the upcoming full moon, and that upon his departure from Bouton the Company's patjallang had departed to cruise there in the bay; further, that already three vessels were being made ready to bring the sergeant and the aforementioned slaves hither, of which one of those vessels had already been launched into the water. Underneath stood: Macasser, the 21st of April 1775. Was signed: with Macassar characters, beside which was written: this is the signature of Daeng Manngmibarrie; in the middle, for the translation, signed: T. Bruijman. Lower: Agrees, signed: Rodenpijl. The 8th of June 1775. From Maccasser. To the Honorable, Respected Sir, Paulus Godofredus van der Voort, No. 48, Governor and Director of the Coast of Celebes. Honorable, Respected Sir, Herewith respectfully serving to communicate to Your Honorable that it was reported to me by the Malay residing here, Intje Manko, who arrived here some days ago from Sumbawa, of an abominable deed perpetrated in a murderous manner by some of the Wadjorese there, namely Sidenoeang as chief, the son-in-law of the Nachoda Tosoga, Latie Toa, Dolla, Lamaga, and one of Mappa his retainers named Litjang, against some Malays of Tanjong Karang who were there with a prahu to trade. That the Wadjorese friendly invited the Nachoda of the aforementioned vessel ashore to shoot together with a gun at a mark, whereupon the aforementioned Nachoda named Poerong

Dutch transcription

Macasser den 8:' Junij 175 Jan dierhalven aan den koning van woena g'ordonneerd dat hij die beijde manqueerende rijksgrooten absolut moeste laten opsoeken en te voorscheijn brengen 't geen van dat gevolg ge„ weest was dat er een van die twee te voorschijn was geko„ „men dog de anderen niet terwijl de rijkisgrooten vervolgens de rijks gratier: ornamenten aan den capitain laut hadden overgegeeven onder te kennen gave dat den koning van woena seer gaarne buiten en behalven de gewonelijke brandschatting 400 koppen slaeven tot een contributie voor voor sijn persoon soude willen geeven indien hij maar in 't leeven wierd gelaeten dog dat den capitain Lant daar op met een gannlach had gesegt men sal een sien op hij dat sal nakomen ofte niet dat den Capitain taut wijders hem relatant hadde gesegt maer weeder na bouton te retourneeren om aan Daeng mandjarekie te versoeken so lang aldaar te willen verblijven tot sijn te rug komst wijl hij meede binnen drie â vier dagen na bonten stond vertrecken; voorts verklaard den relatant dat den Capitain laut hem onder anderen had gevraagd of den koning van Bouton al vaartuigen hadde laeten klaar omaeken om so wel 27X. 733 Van Maccasser den 8. Junij 175. wel de slaeven die tot voldoening van schuld van de comp: moeten strecken als den sergeant na Macasser over te kunnen voeren en op sijne te kennen gave dat het een en ander nog niet ge„ „schied waare en hadde bij gevoegd dat er bereeds over de 100 koppen gereed waeren die bij langer aanhouding maar soude komen te sterven of weggeloopen terwijl niemand anders de last tot besorging van 't omanqueerende soude draegen als hij Capitain laut Als meede verklaard den relatant dat capitain laut had gesegt als het geene dat hij thans deed niet geschiede met oogmerk om de kroon van bouton te verkrijgen vermits„ hij het Contrarie ingemoede betuigen konde en dat hij niets was betragtende dan de sulke tot reeden te brengen die sig tegens Comp: de wet van het land en den koning van bouton quam te sondigen terwijl hij minmer van de Comp: soude afwijken. Wijders verklaard den relatant nog dat hij van Capitain lant meermeld had gehoord dat hij twee vaartuigen had overmeestert die geladen waaren geweest met ammunitie goederen: komende van passier waar van d' eene een mandharees „geweest was en d' andere den koning van woena gehoord hadde willen Van Maccasser den 8:' Junij 1755 hadde dog dat hij de geweeren niet hadde kunnen krijgen wijlde bereeds voor af na de wal waeren vervoerd ge„ worden Nog relateerd den relatant dat hij bij sijn aankomst te bouthon aldaar oper gereigt had vernomen dat wanneer den capitain lant na den oorlog van woena stond te vertrecken den koning van bouton sig tegen een van sijne rijksgrooten hadde g'uit dat indien de capi„ tain baut ingesondheijd van sijne togt weeder mogte retourneeren en sijn wensch had gekreegen den koning van bouton hem de kroon tot een vergelding soude geeven en hij als oude koning soude continueeren maar daar en tegen had hij weeder pergerugt vernomen dat den koning van Bouton soude gesegt hebben dat hij lieven de koniglijke sonme scherm wilde laeten verbranden als aan Capitain Laut overtegeeven op welke gesegdens vanden koning de gesamentlijke Rijksgrooten in oneenig heijd. . waeren geraekt als vreesende dat met de komst van den Capitain Laut eenige onlusten op 't Land soude konnen verwekt worden, om welke redenen de gesamentlijke 257 735 Van Maccasser Den 18. ' Junij 175 gesamentlijke rijksgrooten aan daeeng Mandjarekie en de sendeling van Bonij hadden versogt so lang te willen verblijven tot de te rug kom„ ste van capitain laut om indien en iets omogte komen voor te vallen daar omtrend als scheijds„ „man te ageeren. En na eenige dagen aldaer te sijn verbleeven was den relatant door voorm: Daeng Mandjare„ kie na herwaerds gesonden dewijl den selven in vermoeden sijnde dat den heer gouverneur seer na Boutons narigt was verlangende heb„ „bende ten dien eijnde twee Jnlandse brieven ont„ fangen als een van den sendeling Daeng Mand„ jarekie aan den oppertolk en een van den bo„ wijse zendeling aan den Pomilalang van Bonij Laastelyk dat den relatant vand' daeng Mandja„ rekie had gekoord dat den zelven ook met de aanstaande volleman dagt na herwaarts te ko„ „men en dat met sijn vertrek van Bouton sCom„ pagnies Patjallang ter bekruissing aldaar in de eer „7 Van Maccasser den 8:' Junij 1775. de bogt vertrocken was voorts dat al bereeds drie vaar„ „tuigen gereed gemaakt wierden om den sergeant ende voorschreeven slaeven na herwaerds over te brengen waar van een dier vaartuigen al in 't water was geset /:onderstond:/ Macasser den 21 April 1775 /:was geteekend:/ met maccassaarse Caracters waar bij ge„ schreeven stond dit is de handteekening van daen g Man ngmibarrie in 't widden voor de vertaaling /:getee„ kond:/ T Bruijman. /:lager:/ Accordeert /:geteekend./ Bodenpijl. Aan E. 259 737 Den 8: Junij 1775. Van Maccasser Aan Den wel Edelen, Agtbaaren heer Paulus Sodofredus van der Voort N:o 48 Gouverneur en directeur ter custe Celebes Wel Edelen Agtbaaren Deer. Bij deesen in eerbied uwel Edele Agtb: ter communicatie dienende dat mij door den alhier woonagtigen Maleijer Intje Manko welke voor Eenige daagen van sumbawa alhier is aangekoo„ „men gerapporteerd eene vervoeijelijke dat door Eenige der wad„ poreesen aldaar te weeten Sidenoeang als hoofd de schoon schoon soon van den Nachoda Tosoga latie Toa Dolla lamaga en een van Mappa sijn Lijff volk genaamt litjang op een moordaadige wijse gepleegd aan Eenige maleijers van Tanjong karang die aldaar met Een praauw . geweest sijn om handel te drijven. Dat de wadjoreesen den Nachoda van voorn: vaar„ thuig in vriendelijk aan de wal genoodigt hebben om met den anderen uit Een geweer na een teeken te schieten gelijk den meerm: Nachoda genaamt Poerong op

NL-HaNA_1.04.02_3445_0790 view scan ↗

English

From Maccasser the 8th of June 1775. at their request went ashore to join them with his musket, along with his helmsman and four others of the vessel's crew. While they were enjoying themselves together and the Nakhoda was aiming with his musket at a tree, he was stabbed from behind with a kris by the Wajoese, so that he fell dead to the ground, after which the five others were likewise killed; while the rest of his crew, who had remained on the vessel, seeing their Nakhoda and his men murdered, immediately weighed anchor and sailed to Tanjong karang. Furthermore, the aforementioned murderers presented the kris and its belt belonging to the murdered Nakhoda, all of which was inlaid with gold, to the King of Sumbawa, but His Highness refused to accept them, saying he wished to have nothing to do with this since His Highness wishes to remain free of responsibility for the consequences that might arise from this. I have no doubt that Gusti Wajantaga will be extremely affected by this and will make his complaints to Your Honorable Sir and demand satisfaction. 261 From Maccasser the 8th of June 1775 satisfaction, wherefore, subject to the correction of Your Honorable Sir's wiser judgment, I am of the opinion that it would be good if complaints from Gusti Wajangtaga should arrive, to demand of the King of Sumbawa in the strongest terms that he deliver the aforementioned murderers into the hands of the Honorable Company, since it occurred on his land; and I flatter myself that this course of action will cause an improvement between the Sumbawanese and the Wajoese and will thus provide a good opportunity to dislodge the Wajoese from there, as several of them are already beginning greatly to fear that the Honorable Company might take an interest in this matter. In this matter I considered it necessary to provide Your Honorable Sir at once with the requisite information, with a humble request to provide me with such orders as Your Honorable Sir shall see fit for me to conduct myself herein. Furthermore, concerning the prahu of Gusti Wajantaga in question, mentioned in my previous writing to Your Honorable Sir, the condition of which is fully known to the envoys currently present at Carty, I shall have it compensated upon my arrival at Sumbawa. With which concluding this, I have the honor with all respect to subscribe myself. Below stood: Honorable Sir. Lower down: Your Honorable Sir's dutiful servant. Was signed: A: Leverff: In the margin: Bnina in the Company's fortress the 9th of May 1775. Lower down: P: S: The aforementioned murder occurred at Oetang. This evening the ship Heijerdorp arrived here. Lower down stood: Agrees. Signed: B: Sodenpijl. To 283 741 From Maccasser the 8th of June 1775 To The Honorable Sir The Honorable Sir Paulus Godofredus van der Voort No 49 Governor and Director of this Coast of Celebes Honorable Sir! Your Honorable Sir's humble servant, I take the liberty to inform Your Honor that owing to the damages I suffered, I did not arrive at the roadstead of Boutong until the 18th of January 1775, and the emissaries came on board to me and said that they had arrived only 4 days before me, and on the 19th ditto we were brought together before the King, and after the letters were read, I had an interpreter tell the King of Boutong that the Honorable Governor had received report of the uprising of the peoples of Woena and had therefore sent me together with the emissaries to inquire into the cause thereof and to give information thereof as soon as possible to His Honor. I also requested in the name of His Honor to let Sergeant Steijnbach depart as quickly as possible with the customary embassy back to Macasser, or else the commission to extirpate spice trees could not possibly proceed this year; which Sergeant Steijnbach likewise requested, saying at the same time that he had already requested His Highness so many times for this, but seeing that nothing came of it. Whereupon the King sent word to us that for this time he could not answer us on that matter and therefore first had to hold an assembly and would then have us called; whereupon I, along with Sergeant Stijnbach, constantly had him requested through the interpreters to obtain an answer, but we were continually put off, being told that the King as well as his clerk were ill, and then again that it required much time to assemble all the grandees of the country. Whereupon I decided to dispatch the paduakang of the emissaries with a letter either to Biera or Boelecomba to inform Your Honorable Sir of all that had occurred; whereupon on the 8th of February I took the emissary Daeng Mandsereeke on board with me

Dutch transcription

Van Maccasser den 8. Junij 175. — op hunne versoek sig met sijn geweer aan de wal bij haarlieden vervoegt heeft beneevens sijn Toeroemoedie met nog vier andere van 't vaarthuigs volkeren Terwijl sij te saamen in plaizier waaren dat den Nachoda met sijn geweer aan een boom omikte wierd den selven door de wad joreesen van agteren met Een kwits doorstooken, dat hij doot ter aarde viel vervolgens de vijf andere meede om het leeven gebragt terwijl 't overige van sijn volk welke in het vaarthuig gebleeven sijn hunne Nachoda met de sijne vermoord siende, ten Eersten 't Anker ligte, en na Tanjong karang geseijld: voorts hebben de voorn: moordenaars 't kris en dies band van den vermoorden Nachoda welke alles met goud geslagen was aan den koning van sumbawa gepresenteerd doch sijn hoogheijd heeft geweigerd deselve aan te neemen seggende hier meede niet wiellende te doen hebben vermits sijn hoogheijd voor de gevolgen die hier van soude kunne koomen buiten verantwoording wille sijn, Ik twijffelende niet off gusti wajantaga sal hier over ten hoogsten aangedaan weesen en sijne klagten wel aan uwel Edele Agtb: sal doen en Satisfactie 261 Van Maccasser Den 8. Junij 175 satisfactie begeeren waaromme ik onder correctie van uwel Edele Agtb: wijser gevoelen van gedagten ben dat 't goed soude weesen indien erklagten quam van gusti wajangtaga den koning van Sumbawa op t kragtigste „te reclameeren dat hij de voorn: moordenaars in han„ „den van d'E Comp: overleeveren vermits het op sijn land geschied is en ik vlije mij dat door deesen weg Eene verbeetering sal veroorsaaken tusschen de Sumbawareesen en wadsoreesen en dus Een goede occasie sal geeven om de wad sooreesen en dus een goede occasie sal geeven om de wadsoreesen van daar te doen delogeeren also er al verscheijde van deselve grootelijks beginnen vreesen dat d' E Comp: hier inne mogte geleegen laaten. Ik heb in deesen noodigt g'agt uwel Edele agtb: hier van ten eersten de vereijschte kennisse te geeven met oot„ moedig versoek mij sodanige ordre te geeven als uw el Edele agtb: sal gelieven goed te vinden dat ik mij indeesen sal gedragen wijders omtrend de bewuste prauw van gusti wajan„ taga bij mijn voorige schrijvens aan uwelEdele Agtb: gemeld welken hoedanigheid bij den thans a Carty present zijnde Van Macasser den 8 Junij 1775 sijnde gesanten ten vollen bekent sijnde sal ik met mijn aankomst op sumbawa deselve laete vergoeden. waar meede dese sluite heb ik de Eer mij met alle Eerbied te onderschrijven. /:onderstond:/ wel Edelen agtbaren heer /:lager uwel Edelen agtbaaren trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ A: Leverff: /: ter zeijde Bnina in s'Comp„s vesting den 9 Meij 1775 /:lager :/ P: S: voornoemde moord is geschied op oetang heeden avond is het schip heijer„ dorp alhier g'arriveerd /:lager stond:/ Accordeert /:geteek:t/ B: Sodenpijl Aan 283 741 Van Maccasser den 8:' Iunij 175 Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Soort N:o 49 Gouverneur en Directeur deser custe Celebes Del Edelen Agtbaaren Heer! uw wel Edele Needrige dienaar, neeme de vrijheijd om haar Edelen agtbaaren bekend te maaken als dat ik door mijn geleeden schaade eerst op den 18. Januarij 1775 op de reede van boutong ben voordreggekoomen en de sendelin„ „gen bij mij aan boord kwamen en sijden als dat sij maar 4: daagen voor mijn aangekomen waaren en op den 19 do gesamentlijk voor den koning gebragt wierden en na dat de brieven geleesen waaren liet ik door een tolk aan den koning van boutong seggen als dat den wel Edelen agtbaaren heer gouverneur berigt ontfangen had van den opstandt der volkeren van woena en derhalven mijn bneevens de sendelingen kwam te senden om nade oor„ saak daar van te verneemen en daar van ten spoedigsten kennisse omp: „ „. Van Maccasser den 8. ' Junij 175. — kennisse aan sijn agtbaaren te geeven ook versogt ik uit naam van sijn agtbaere om den sergeant Steijnbach met het gewoone gesandschap soo spoedig als moogelijk waarom na Macasser te laate vertrekken of dat anders de commissie van specerij boomen uit te roeijen in dit Jaar onmogelijk sijn voortgang soude konne hebben, het welk den sergeant Steijnbach insgelijks versogt met een seggende dat hij sijn hoogheijd daar al so meenigmaal om versogt had dog siende dat er niets van kwam waar op den koning ons liet seggen dat hij voor ditmaal ons daar op niet konde antwoorden en derhalven eerst vergadering over moeste houden en ons als dan soude laate roepen, waar op ik benevens den sergeant stijnbach hem gestadig door de tolken lieten versoeken om antwoord te erlangen dog wierden al uitgestelt miet te seggen als dat den koning benevens sijn schrijver siek waar en dan weer als dat het veel tijd vereijschte om alle de grooten van het landt bij een te doen komen waar op ik besloot om de paduakang van de sendelingen met een brief het sij na Biera off Boe„ lecomba afftevaardigen om aan sijn wel Edele Agtbaare van al het voorgevallen kennis te geven waar op ik op den 8 februarij den sendeling Danig Mandsereeke bij mijn aan boordt

NL-HaNA_1.04.02_3445_0795 view scan ↗

English

From Macasser, 8 June 1775. ordered to come on board and said that I could wait no longer without giving any notice to His Honour of all that had occurred thus far on Bouthonij, and said to the said envoy that he should send his paduakang outside toward the 10th of this month in order subsequently to be sent with a letter to Boelecomba, but the envoy Daeng Mandjereekie meanwhile sent the prahu to Woena, whereupon I sent two sailors to ask him why he sent the paduakang to Woena, since I had already instructed him three days ago to depart with the prahu for Boelecomba; but he sent word back to me that he did not want to send his prahu to Macasser, for he did not yet have anything to send there, and I subsequently had no further opportunity, as on the 13th of this month I departed for the Strait of Boutong. Furthermore, I take the liberty once again to inform Your Honour that on 30 April I sent two interpreters to the king to inform him that I requested an audience with His Highness, since my time had expired, in order to take leave of His Highness, which I first obtained on 2 May, and subsequently announced that I had resolved to depart on the 3rd of this month. I therefore requested the king whether he would give me a letter to take along again, whereupon he sent word in answer that I, along with the envoy Daing Mandjereki, had arrived here with a letter, and would also depart again in the same manner, and that while the Honourable Company had sent me here, he also considered he had the right to detain me along with the others until the country was at peace; whereupon I sent word to ask him again whether he could justify that to His Honour, which he answered with "saa", and stated that he would write about it to His Honour. Wherewith I conclude this, and take the liberty dutifully to sign myself, Honourable Sir, Your Honour's humble and faithful servant, signed, J. Dreijer. In the margin: On board the pantjallang D'Oppas, 15 May in the year 1775. Lower down: Agrees, signed, Dodenpijl. To the Honourable Sir, The Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. Honourable Sir and Sirs, On this occasion I take the liberty to inform Your Honour once again that to this day I do not yet truly know of my departure from here, for I am put off by His Highness from month to month, and a few days ago I still sent 2 interpreters to him, but received no other answer than that it was currently a great feast day, and when that was over, I would then receive a resolution, for Captain Zouw is not yet here, but is still on Tiworo to install a new king and then come hither, so that peace on the island of Woena is completely restored; but I hope to depart from here in the coming month, as I have learned privately, as has the steersman as well. P.S. There are arriving this year a radja, 1 mandrie, and 6 pangelassangs with 3 to 4 prahus, and the king persists in his intention to hand over all the slaves. Lower down: Your Honour's Lower: very obedient and faithful servant, signed, I. C. Sternbach. In the margin: Bouthong, 15 May 1775. Lower down: Agrees, signed, F. B. Dodenpijl. Translation of a Malay letter written by Sirij Sulthan, King of Sumbauwa, together with his councillors of state and lesser chiefs, to the Honourable Governor and Council at Castle Rotterdam in Macasser, reading as follows: After preceding compliments, the king and his grandees of state hereby make known to the Governor that we are now sending Machal Samadde, Dammang Poeloet, Daeng Poengauwa Dammang Samang, Radeng Mackal Ranga Intal, and the interpreter Intje Abdul Rang to Macasser to represent the person of the king and to appear before the Governor, since the king himself cannot depart in person for Macasser, the reason thereof being the treatment by my subjects which I have had to endure since I was appointed King of Sumbauwa, and that this is also the primary reason that I have not been able to travel to Macasser until now to appear before the Governor in person; so that I could not burden the land of Sumbauwa with any taxes without the will of the Governor, for it seems as if there are others and more moderate ones than the Honourable Company who do not wish to show themselves, of which the Commander of Bira is also aware and has seen himself, even though the land of Sumbauwa is subject to none other than the Honourable Company alone. Furthermore, I request my brother, the Governor, to assist me with three thousand rixdollars. Lower down: Written in the land of Sumbauwa on Wednesday the 14th of the month of Saphar in the year 1189. Lower down: For the translation, signed, J. Brugman. Lower: Agrees, signed, B. Dodenpijl.

Dutch transcription

265 743 Van Macasser Den 8: Junij 1775 boordt liet komen en sijde als dat ik niet langer konde wag„ „ten sonder eenige kennis aan sijn wel Edele te geven van al het geen sig tot dus ver op Bouthonij had toegedraagen en teegens gemelde sendeling sij als dat hij sijn Paduakang tee„ gens den 10:e d„o naar buite soude senden om vervolgens met een brief na boelecomba te senden dog den sendeling Danig mandje„ „reekie sond intusschen de praauw na woena waar op ik hem liet vraagen door twee mattroosen waarom hij de Paduakang naar woena toesondt daar ik hem al over drie daagen belast had om met de prouw na boelecomba te vertrecken dog hij liet mij weerom weeten als dat hij sijn Prauw niet na ma„ casser wilde senden want dat hij nog niets had om daar na toe te stuuren en ik naderhandt geen occasie heb gehad terwijl ik op den 13: d„o na de straat boutong ben vertrocken. wijders neeme nogmaals de vrijheijdt uw wel Edele te berigten als dat ik op den 30 e april twee tolken naden koning sond om hem te laate weeten als dat ik aan sijn hoogheijdt om audientie versogt terwijl mijn tijdt verscheenen waar, om van sijn hoog„ heijdt affscheijdt te neemen 't welk ik op den 2: maij eerst ver„ kreeg en vervolgens bekend maakie als dat ik op den 3 d„o beslooten had om te vertrecken ik derhalven aan den ko„ ning versogt of hij mij Een brief weer wilde mee geeven daar „ Van Macasser den 0. Junij 175 — daar op hij weer liet antwoorden dat ik benevens den sende„ ling daing mandjereki met een brief hier gekomen waar„ en ook op deselfde wijs weeder vertrecken soude en dat ter„ wijl mij de E Comp: hier gesonden had hij ook meende mogt te hebben om mij benevens de andere soo lang aan te houden tot het landt in vreede waar op ik hem weer liet vraagen of hij dat wel bij sijn wel Edele agtb aaren konde verandwoorden het welk hij met saa beantwoorde en daar over aan den wel Edelen agtbaeren soude schrijven. waar meede deese sluite en mneeme de vrijmoedigheijd hier meede schuldpligtig te onderschrijven /:onderstond/ wel Edelen agtbaeren heer /layer:/ uwel Edele agtbaare onderdanige en Trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ J: Dreijer /:terzeijde:/ Jnde pantjallang d'oppas den 15. maij Ao 1775. /:lagerstond:/ Accordeert /:geteekend:/ Dodenpijl E3. E Aan 267. „ 745 Van Macasser den 8 Junij 1775— No: 50 Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Den wel Edel en Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort Gouverneur en Directeur Deser Custe Celebes Wel Edelen Agtb:re Heer en Heeren Met deese occasie neeme de vrijpottigheijd om uil en agtb: nogmaals te berigten dat ik tot heeden toe nog niet regt weet van mijn vertrek van hier want ik word van sijn hoogheijdt met maand in en maand uitgetroost, en voor eenige daagen nog hebbe 2: tolcken bij hem gesonden, maar hebbe geen antwoord bekomen als dat thans een groote feestdag was en als die soude over sijn dan soude ik resolutie krijgen want den capitain Zouw is nog niet hier maar nog op Tiworo om een nieuwen koning te maaken en dan herwaards komen so dat de rust op 't Eijlandt woena ten Eenemaal Herstelt is. maar Van Macasser den 38. Junij 175 maar hope in aanstaande maand van hier te vertrekken, so als ik onder de hand gehoort hebbe so wel den stuurman Meede. P: S: daar komt dit Jaar een Raadja 1: mandrie en 6: pangelassangs met 3. a 4. prauwen en den koning blijft bij sijn voorneemen om de slaaven altemaal afteleggen. /:onderstond:/ uw Edelen Agtb: /:lager :/ zeer gehoorsaamen en trouwschuldigen dienaar /:was geteekend:/ I: C: Stembach / ter zeijde; Bouthong den 15 maij 1775 /:lager stond:/ Accordeert /:geteekend:/ F: B: Dodenpijl Translaat n n 269 747 Van Maccasser den 8:' Iunij 1775 Translaat Maleijtsche Brief ge„ schreeven door sirij sulthan koning van Sum„ bauwa benevens desselfs rijksraden en mindere hoofden Aan den wel Edelen agtbaeren heer gou„ „verneur en raad ten casteele Rotterdam tot Macas„ ser luijdende aldus. Na voor afgaande Compliment zo maakt den koning en zijne rijksgrooten bij deesen aan den heer gouverneur bekent dat wij thans Machal Samadde, Dam„ „mang Poeloet, Daeng Poengauwa Dammang samang Ra„ deng mackal Ranga Intal en den tolk Intje Abdul Rang na macasser senden om de persoon van den koning repreesenteeren en voor den heer gouverneur te verscheijnen terwijl den koning selfs in persoon niet na Macasser kan vertrekken sijnde daar van de reeden door de behandeling van mijne onderdaanen die ik zedert dat ik tot koning van sumbauwa ben aange„ steld geworden heb moeten ondervinden en dat dit ook de voornaame oorsaak sij dat ik mij tot nog toe niet na ma„ casser heb kunnen begeeven om in persoon bij den heer gouverneur te verscheijnen so dat ik het land van sumbauwa No. 51 zonder Van Macasser den 8.' Junij 175 zonder de wille van den heer gouverneur met geene belasting konde verswaren want scheijnende of er andere en matiger sijn dan d'E Comp: die sig niet willen verthoonen 't geen den Bira Commandant meede van bewust is en selfs gesien heeft schoon dat 't land van sumbauwa onder geene andere staan dan onder dE Comp: alleen voorts versoek ik aan mijn broeder den heer gouverneur omij met drie duisend Rijksdaalders te adsisteeren /:onderstond:/ geschreeven op 't land van sumbauwa op woensdag den 14. vande maand Saphar in 't Jaar 1189 /:onderstond:/ voor de Transtatie Brugman /lager:/ Accordeert / geteekend:/ B: Boderpijl E /:geteekend:/ J: Rapport E

NL-HaNA_1.04.02_3445_0801 view scan ↗

English

271. 749 Makassar, the 8th of June 1775. No. 52 Report to the Bookkeeper, Mr. Jan Hendrik Voll Junior, Resident on behalf of the Honorable Company here, of the mission undertaken by the undersigned. Honorable, In compliance with your esteemed order, I, the undersigned, crossed over in a padewakang, accompanied by four others from this fortress, departing on the 2nd of this month for Tana Malala, where no more Bonerate people or sea cucumber fishers were found, but an old man who has lived there for many years reported that well over a month ago everyone broke camp, the reason for which is unknown to him. Furthermore, that in the early part of this year he saw no Cerammers, but that in the past year, in the month of September, they stayed there for a few days with 13 vessels laden with cloves, and that in the aforementioned month and October it is the custom for those nations to frequent these islands. Pious. Furthermore, From Makassar, the 8th of June 1775. Furthermore, on my return journey to the island of Bawoeloeang, I inspected the teak trees, and as the island is so densely overgrown with the said trees, I was not able to take a count of them. Wherewith I hope to have complied with your intention, meanwhile subscribing myself with due respect, underneath stood, Honorable, pious, lower, your dutiful servant, was signed, H. Lasuur. In the margin: Saleyer, the 15th of February Anno 1775. Lower stood: Agrees, was signed, B. Sodenpijl. 753 From Makassar, the 8th of June 1775. No. 53 Translation of a Makassarese letter written by the ordinary Company emissary at Buton, Daeng Mandjareki, to the First Sworn Translator Gerrit Brugman, reading as follows: My humble compliments to you, and I hereby make known that the people of Wonreli and Tinvore have completely submitted themselves to the Kapitan Laut, the king of the former having had to give 400 and of the latter 200 slaves, each for their head as their ransom, to the said Kapitan. Therefore, the king and the other grandees of the land of Buton and the court have requested me to remain a little longer until the return of the said Kapitan Laut, because according to the word of the king nothing can be done or accomplished in his absence, the same being expected here by the twentieth day of the month of Maulud, and the repeatedly mentioned Kapitan Laut has also requested me to wait for his return. Furthermore, this serves to inform you that, owing to our long stay here and our provisions running out, I and the emissary of the king of Bone were obliged to borrow thirty rijksdaalders From Makassar, the 8th of June 1775. from the Butonese monarch in order to buy maize therewith, as no rice is to be obtained here for any money. And lastly, I communicate to you herewith that I have heard that the land of Buton intended to completely settle and pay its debt to the Honorable Company, for which reason the sergeant has still remained here, who will depart with us at the same time for Makassar, it being already two months ago that the vessel with which he was to depart for Makassar was launched into the water. Underneath stood: For the translation, signed, G. Brugman. Lower: Agrees, was signed, F. B. Sodenpijl. Translation. 275. 753 From Makassar, the 8th of June 1775. No. 54 Translation of a Bugis letter written by the Bone emissary at Buton to the king of Bone. My humble compliments under the soles of your Majesty's feet, and I make known to your Highness herewith that the people of Wonreli and Tinvore have completely submitted themselves to the Kapitan Laut, the first-named having had to give four hundred and the second two hundred slaves, each for their head as a ransom, to the said Kapitan. Therefore, the king and grandees of Buton have requested us to remain here a little longer until the return of the aforementioned Kapitan Laut, because according to their word nothing could be done or accomplished in his absence, the From Makassar, the 8th of June 1775. same being expected here by the 20th day of the month of Maulud, just as he himself has also requested us to wait for his return. Underneath stood: For the translation, signed, G. Brugman. Lower stood: Agrees, signed, I. B. Sodenpijl. To 277. 755 From Makassar, the 8th of June 1775. No. 55. To the Right Honorable, Venerable Sir, Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. Right Honorable, Venerable Sir, This serves to communicate to your Right Honorable, Venerable that today a Bugis arrived here from Salemparing who brought me the news that the king of Great Bali, Gusti Ngurah Karangasem, has passed away. I considered it necessary in this matter to give your Right Honorable, Venerable the earliest notice thereof, at the same time awaiting orders from your Right Honorable, Venerable as to how I shall conduct myself in this matter. Furthermore, I have sent an emissary with a letter to Gusti Wayahan Tegeh in order From Makassar, the 8th of June 1775. to inquire after the truth and how matters might be situated there. While for the rest I await your Right Honorable, Venerable's speedy order hereupon, I have the honor to subscribe myself with all high esteem, underneath stood, Right Honorable, Venerable Sir, lower, your Right Honorable, Venerable's faithful, dutiful servant, was signed, A. Lecerf. In the margin: Ampenan, the 21st of May 1775. Lower: Agrees, signed, F. B. Sodenpijl. For the reading: G. J. Vermeer For the collation: J. Winckel Incoming Secret Letter from Banjarmasin, dated 1st of August 1775. Read by the sworn clerk De Elivisz. A

Dutch transcription

271. 749 Macasser den 8. van Junij 1775. No: 52 Rapport Aan den Boekhouder D Jan Hendrik voll Junior Resident s E d' compagnie weegen alhier van de door den ondergeteekende gedane verrigting Eersame In Naarkoming van uw Ed: gerespecteerde ordre ben ik ondergeteekende in een Paduwakkang overgegaan verselt van nog vier andere van deese vesting op den 2. deeser natana malala vertrokken alwaar geen boneratters of trijpangs van„ gers meer bevonden omaar door een oude oman die overlange Jaren heeft gewoond berigt dat ruim een omaand geleede alle opgebroken sijn waar van de reede hem onbekend is voorts dat in deese vroeg Jaar geen Cherammers heeft gesien maar in anno passato in de maand september met 13 vaartuigen geladen met nagels aldaar eenige daagen aangeweest en dat in voorsz: maand en october de gewoonte is dat die natien sig onder dese Eijlanden quam te sterven. Vroome voorts l Van Macasser den 8 Junij 1775. Voorts met mijn te rug cheijse op het bijland bawoeloeang de satie boomen gevisiteert en ona dien het Eijland so digt van gem: boomen sijn begroeijt waere ik met in staat geweest de getaal op te neemen. waar omeede verhoope aan uw Ed: intentie te sullen hebbe voldaan intusschen mij met schuldig respect onderteekene te zijn /:onderstond/ Eersama vrome /:lager:/ uw Ed: Dienstwilligen Dienaar /:was geteek:d/ H Lasuur /ter seijde Saleijer den 15 februarij Ao 175. /:lagerstond:/ Accordeert /:was getek:/ B: Sodenpijl. 753 Van Macasser den 8:' Junij 175. — Translaat Macassaars Brief geschreeven door den te Bouthon zijnde ordinaire Comp: zendeling Diang Mand Jarekie aan den Eerste gesw: tolk Gerrit Brugman Luijdende aldus Mijn nedrig compliment aan uw en ik maak nu bij deese bekend dat de woenareesen en Tnvoreesen sig ten eenemaal aan den capitain laut hebben onderworpen hebbende den koning van de eerstgem 400 en van de twee gen: 200 stuks slaven ider voor hun hoofd tot hun brandschatting aan gem: capitain moeten geeven 4. oversulks heeft mij den koning en de verdere rijksgrooten van aen t land van Bouthon en de criovo versogt om nog wat te verblijven tot de te rug komst van de ged„e Capitain lant wijl volgens het seggen van den koning niets in sijn absentie kan gedaan of verrigt 9 worden werdende denselven met de twintigste dag der maoedoes maand alhier verwagt hebbende meer gen: Capitain kant mij ook meede laeten versoeken om na sijn te rug komst te waijten wijders diont tot uw kannis dat, mits ons lang verblijf alhier en 't ten eijnde raeken van ons leevens middelen ik ende zendeling van den koning van bonij genoodsaakt ben geweest dertig rijkesd' No: 53 van „ Van Macasser den 0. Junij 1775 van den boutonsen vorst ter leen op te neemen om Jagons daar voor in te kopen also er alhier voor geen geld rijst te bekomen sijn en laastelijk Communiceere ik uw bij deesen dat ik gehoord hebbe dat 't land van Bouthon van sints waaren haren debet aan dE Comp: ten eenemaal te willen vereffe„ „nen en betaelen om welke reedenen den sergeant hier nog verbleeven is die met ons te gelijk na Macasser sul ver„ „trekken sijnde nu bereeds twee maanden geleeden dat het vaarthuig waar omeede hij na macasser omoeste vertrekken in 't water is geset. /:onderstond:/ voor de Translatie /:geteekend/ G: Bungman /: lager /: Accordeert /was geteekend:/ F: B: Godenpijl. Translaat 275. 753 Van Macasser den 8:' Junij 175. No. 54 Translaat Boegineese Brief geschreeven door den te Bouthon zijnde Bonijse zendeling Aan den koning van Bonij Mijn needrige compliment onder de voetzolen van uw majesteijt en ik maak u hoogheijdt bij deese bekend dat de woenareesen en Trivoreesen sig ten eenemaal aan den capitain Laut heb„ ben onderworpen hebbende den Eerstgen: vier hondert en van den tweede Twee honderd stuks slaven ieder voor heen hoofd tot een brandschatting aan gem: Capitain omoeten geeven oversulks heeft den koning en rijksgrooten van Bouthon ons laeten versoeken om hier nog wat te verblijven tot de te rug komst van voorm: Capitain lant wijl volgens hun zeggen 19 niets in zijne absentie konde gedaan af verrigt worden werdende den Van Macasser den 8. Junij 1775 den selven met de 20 dag der maoedas maand alhier verwagt gelijk hij selfs ons almeede heeft baten verzoeken om ona sijn te ouig komst te wagten /:onderstond:/ voor de Translatie geteekend :/ G:t Brugman, /lagerstond/ Accordeert /geteekend/ I: B: Sodenpijl Aan 277. 755 Van Macasser den 0. Junij 175 No: 55. Aan Den wel Edelen Agtbaaren heer Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en directeur ter Custe Celebes Wel Edelen Agtbaaren Deer Deese dient uwel Edele Agtb: ter Communicatie dat op heeden Een boeginees alhier van salemparing g'arriveerd mij de tijding gebragt dat aen koning van groot Balij Gusti moera karang Assang overleeden is ik heb in deesen noodig ƒ g'agt uwel Edele Agtb: hier van ten Eersten kennisse te geeven teffens van uwel Edele Agtb: ordre verwagten hoedanig ik mij in deesen sal gedraagen voorts heb ik Een sendeling met Een brief aan gusti wajangtaga gesonden om van Macasser den 8 Junij 1775 om na de waarheijd te verneemen en hoedanig de saaken aldaar mogte gesteld weesen. Terwijl ik voor t overige uwel Edele agtb ordre spoedig hier op afwagte heb ik de Eer mij met alle hoog agting te onderschrijven /:onderstond/ wel Edelen agtbaeren heer /lager/ uwel Edelen agtb Troeuw schuldeijen dienaar /was geteekend/ A: Lecerp /ter zeijde / Ania den 21 meij 1775 /: lager / Accordeert / geteekend/ F B Co„ derpijl voor 't opleezen G:J: vermeer Voorl kaier J Winnel Aankomende Secreete Brief van Banjermassing ged: p=o Aug:s 1775 Mayzin door den gezee. klerk de Elivisz A

NL-HaNA_1.04.02_3445_0811 view scan ↗

English

757 Secret Incoming Letter Banjarmassing. To His High Nobility The High Noble, Highly Respected and Wide Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra on behalf of the State of the United Netherlands and the General Chartered East India Company Governor General Together with The Right Honorable Highly Respected Lords Councilors of the Dutch Indies etc. etc. etc. High Noble, Highly Respected, Wide Ruling Lord And Right Honorable Highly Respected Lords Since our last submissive letter of the 10th ultimo per the Sultan's envoy Kjeij Demansoera diwangsa, we received on the 17th thereafter a letter from the Sultan whereby His Highness requests us to make known to Your High Nobilities that the realm of Banjer was shortly to be visited by the unpleasant visit of Raadja Hadji and Pangerang Said Sariep. Therefore, in fulfillment of this instance and in observance of our duty, we have the honor to respectfully inform Your High Nobilities that all reports coming from outside unanimously report that the just-mentioned Pangerangs intend to come to wage war against the Banjarese, likely in the forthcoming West Monsoon, and that Pangerang Said Sariep to that end has already requested the Buginese, Mandharese, and other grandees to come attack the Banjarese jointly with him, as it is understood that this was written and presented to the Sultan by some of his subjects abroad, which news has caused no small consternation both at the Court and in the entire realm, and makes the Banjarese think of their defense, to which end they are also actually busy making the necessary preparations to put themselves in a posture of defense. To what extent this current rumor is well-founded, we cannot determine with any certainty; however, from the conduct of Said Sariep it is sufficiently clear that, if it is in his power to harm the Banjarese 759 and strike them once, he will possibly not omit doing so. In proof thereof one may cite the incident with 6 of his vessels, which arrived here in the month of May and in the beginning of June sailed outwards again, taking with them a small quantity of pepper. But instead of departing, they roamed for some time off and on the mouth of this river, and on the 14th of the last-mentioned month seized a small vessel which the day before had been laden by us with 400 pieces of pepper for one of the junks that had been here, and on which we had placed in command the Moorish tindal Anthonij van Bingalen, whereby we lost this servant, together with a musket and a cartridge pouch, both weapons costing a small sum of ƒ 10: 3: 8, the write-off of which we request Your High Nobilities to kindly approve. Likewise, we most respectfully insist upon obtaining Your High Nobilities' revered orders as to how we shall have to conduct ourselves in case the Banjarese are attacked from outside, it being certain that the Sultan will desire our assistance, for which we, with our weak garrison and the factory situated too deep inland, are almost incapacitated. Meanwhile, one can sufficiently gather from the discourses of the Banjarese that in time of need they place their greatest trust in the factory, expect the most help therefrom, and upon refusal thereof might well easily compel us thereto by force. However much the Banjarese in these circumstances consider themselves allies of the Honorable Company and on that account also expect the presumed help, their recently maintained conduct regarding the latest expired pepper harvest has been completely contrary, since this so highly desired grain, without having the least regard for us and our factory, was openly sold to the highest bidder and transported to Passir as well as elsewhere, where an English ship that was there loaded well over three thousand picols. We also dare to estimate the pepper sold illicitly, without being too expansive in our guesses, at fully one thousand picols of pepper, since a considerable number of vessels have departed from them fully laden, and it is no longer news to hear as a daily tale that a vessel laden with pepper has drifted outwards. Furthermore, we request of Your High Nobilities the dispatch of One thousand pounds of gunpowder and another six small pieces of cannon with their carriages, instead of the 6 carriages for 6 four-pounder pieces supplicated in our latest demand, 761 since we find that this cannon is too large and unmanageable to be used with haste inside the palisade. Also, with Your High Nobilities' favorable pleasure, we would still need a gunner and two assistants, at least for as long until the feared difficulty has passed. In the meantime we have the honor to be with the deepest respect, beneath was written, High Noble, Highly Respected and Wide Ruling Lord and Right Honorable Highly Respected Lords, lower, Your High Nobilities' Humble Obedient Servants, was signed, W: A: Palm, and D: Ruhde. In the margin, In the Netherlands Factory at Banjermassing Tatas primo August Anno 1775. Translation

Dutch transcription

757 Secrete Aankomende Brief anjermassing. Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Hoog Agtbaren en Wijd gebiedenden Heer Petrus Albertus van der Parra van weegens den staet der vereenigde Nederlanden en de Generale Geoctroij eerde oost indische Compagnie Gou Verneur Generaal Neevens De wel Edele Groot Agtb:s Heeren Raeden van Neerlandsch india &: &: &c: Hoog Edelen Hoog Agtbaeren wijd gebieden den Heer En wel Edele Groot-Agtbaere Heeren zedert onse laetst onderdaenige van den 10 passato per sul„ thans zendeling kjeij De man soera diwangsa ont 9 1775. fingen Van fingen w' op den 17 daer na een brief van den sulthan waer bij zijn Hoogheijd ons verzoekt aen uwe hoog Edel„ heedens bekend temaken, dat het rijk van Banjer binnen korten door de onaangename visite van Raadja Hadji en pangerang said Sariep stond be„ zogt te werden des w' ter voldoening dezer instantie en ter betragting van onsen pligt onse d' Eere geven uwe hoog Edelheedens eerbiedig te bedeelen dat alle de van buijten komende berigten een parig melden, dat zo even gemelte pangerangs van voorneemens zyn de Banjareesen denkelijk in d' aenstaende weest Moesjon t komen beoorlogen, en dat Tangerang said Sariep ten dien fine reets bij de Bonguineesche, mandharee„ „sche, en andere grooten, soude verzogt hebben gezament „lijk met hem de Banjareesen te koomen attacqueeren gelijk men vermemt dat zulks den sulthan door Eenige zijner uijtlandige onderdanen zoude geschree„ ven en aengedient zyn, welke tijding zo wel aen het sloff, als in het gantsche rijk geen geringe ontstel„ tenis heeft veroorzaekt en de banjareesen op hunne defensie doet denken ten welken Eynde zy ook werke„ lijk bezig zijn de nodige toebereijdselen te maken om zig in postmi van tegeneveer te stellen. In hoe verre nu dit lopende gerugt gegrond zij kun„ nen w' met geen zeekerheijd bepalen egter is uijt het gedrag van said Sariep genoeg aff te noemen, dat is het in zyne magt de banjareesen te benadeelen en 759 en hun Eens te kloppen hy het mogelijk niet onderlaten sal ten bewijs daer van kan men allegueeren 't voor gevallene met 6 zyner vaertuijgen dewelke in de maend Meij alhier arriveerden, en in den beginne van Junij wederom naer buijten liepen, mede nemende Eene geringe quantiteit peeper dog in steede van te vertrekken hebben zy Eenige tijd aff en aen de Mond dezer Revier gesworven, en op den 14 der laest gemelte Moend Een kleen vaertuijg weg genomen dan sdaegs be„ vorens door ons met 400 p:s peeper voor Een der hier geweest sijnde Jonken was belaeden, en waer op w: de Moorsche tandel Anthonij van Bingalen in Commando hadden gesteld, waer door w: deezen dienaer verlooren hebben, nevens Een snaphan en Een pattroontas kostende die beijde wapenen Een sommetie van ƒ10: 3: 8: weekers aff boeking w: verzoeken uwe hoog Edelheedens gelie„ „ven te passeeren Gelijk w' ook aller Eerbiedigst insteeren de erlanging uwer hoog Edelheedens gevenereerd beveelen, hoedanig w' ons zullen te gedragen hebben in cas dat de Banjaree„ sen van buijten worden aengetast, zynde het zeeker dat de sulthan onze assistentie sal begeren en waer toe w' met onze swakke bezetting en de te diep landwaerts in geleegen logie bij na onvermoogend zijn ondertus„ „schen kan men uijt de discoursen der Banjareesen ge„ noeg opmacken, dat zij in tijd van Noodt hun groot„ ste vertrouwen op de logie bouwen de meeste hulp daer daer van verwagten en bij wijgering van dien ons veel ligt door gewelt daer toe noodsaeken zouden Hoe zeer de panjareesen zig in deeze omstan„ digheden als bondgenoten van dEd Compagnie aenmer„ de ken, en uijt dien hoofde ook de gesupponeerde hulp verwagten, is hun onlangs gehouden gedrag om„ trend de Jongst verlopene peeper oogst gantsch Con„ trarie geweest, nadien deze zo zeer gewilde korl souder de minste regaerd voor ons en onze logie te hebben maer aen de meest biedende openbaer ver„ kogt en na passir als Elders vervoerd is alwaer Een aldaer geweest zynde engels schip wel ruijm drie duijzent picols gelaeden heeft ook durven w' het ter sluijk verkogte sonder te ruijm in onze gissingen te zyn, wel op duijzent picols peeper bepalen nadien en considerable veel vaertuijgen vollaeden van hun vertrokken zijn, en het geen nieuws meer is voor Eene dagelijkse vertelling te hooren dat en Een vaertuijg met peeper belaeden na buijten is affgedreeven overigens verzoeken w' uwe hoog Edelhedens de toezending van Een duizend ponden buskruijt en nog zes klee„ ne stukjes met hunne affuyten, in steede van de bij 761 bij onse Jongsten Eijsch gesuppliceerde 6 affuijten tot 6: vier ponder stukken na dien we vinden dat dir kanon te groot en onhandelbaer is om met spoed binnen de pallis sadeering gebruijkt de werden ook zouden w' met uwe hoog Edelheedens gunstig welbehagen nog benodigt zijn, Een Canonier en twee Hand langers, ten minsten voor zo lange dat de verhoop de swarigheijd over is Inmiddens hebben W:' de Eer met het diep„ ste ontzag te zijn /onderstond/ Hoog Edelen Hoog agtbaren en wydgebieden den Heer en wel Edele Groot agtbare Heeren /lager/ uwe Hoog Edel„ „hedens Nederige Gehoorsame Dienaren, (was getee„ „kend /: W: A: Palm, en D: Ruhde, /in Marginne/ In 't N:s Comptoir tot Banjermas„ „sing Tatas p=mo augustus A„o 1775:— Translaat

NL-HaNA_1.04.02_3445_0816 view scan ↗

English

Translation of a Malay Letter Written according to contents by Sultan Sleman at Bandjar, received at Batavia by the Resident Palm there on the 18th of August, Anno 1775. After preliminary compliments, this reads as follows: Further, I communicate to my friend that I hereby request, if feasible, to send a letter to Batavia to the Company and therein to insist on a ship for the security of this roadstead, because Radja Hadjie and the Pangerang Sjariep wish to come and attack the district of Bandjar this year at the same time as the arrival of the Chinese junks here. Wherefore I make an appeal to the contracts, which contain that whenever enemies present themselves by sea, the Company will oppose them. In case no ship or sloop is now sent hither as a guard ship, then the same is not my friend. However, I am also sending a letter to Batavia with the sloop of Ke Tommongong. Below stood: End of my pen. Translated by was signed: L: Goossen; Before the reading out: G: Vermeer, J. E. Mansker, Vrot Mezier. Sumatra's West Coast Copy of Secret Letter of 25 February 1775 and Resolutions of 4 January 1775. A. 763 Batavia, the 25th of November 1774. Assembled. One shall generally obey the considerations of the Lord writer. The special arrangement of the servants. The Residents of Chinco and Adjerhadja request a recommendation to be allowed to continue. Copy Dispatched secret Letter To His High Nobility, the High Noble, Right Honorable, Widely-Ruling Lord Petrus Albertus van der Perra, Governor-General, together with the Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable and Widely-Ruling Lord, and Honorable Lords! Just as we had decided in our general transaction on the 25th of November of the past year, according to the resolution, to postpone our work regarding Your High Nobilities' much-honored Resolution on the considerations of the Honorable Lord writer of this Coast to a further opportunity and to deal with it separately, we have for that purpose assembled on the 4th of January last in the presence of the members, the Residents of the outer trading posts. And after we had understood and considered the decision of Your High Nobilities on the abovementioned considerations with all due attention, we have in the first place unanimously resolved, as in duty bound, generally to obey the decision of Your High Nobilities with regard to the reduction of servants and outstanding debts on this Coast; and the first-signed Commander, at the request of the members, has taken it upon himself to carry into effect the special arrangement regarding the reduction of servants to be made. We then encountered, in our deliberations on the arrangements which it has pleased Your High Nobilities to deem serviceable to be put into effect for the trading posts of Chinco and Adjerhadja, a request from both the currently present Residents of those trading posts, Challier and Nicolai, for our respectful recommendation to Your High Nobilities, to the end that they might continue in their present capacity and office in the administration of the trading posts entrusted to them during their stay on this Coast or until a more favorable change in the service. And as the said Residents (apart from accidental occurrences, and whenever they may be provided with the required trade wares) took upon their own account that the expenses at their trading posts would not only not exceed the limits thereof, but also stood surety for making good the same; So we, as much in consideration thereof as in view of the demonstrated zeal of the Chinco servants in the recently passed financial year and the annual progress of the trading post of Adjarhadja during the administration of the Resident Nicolai there, could not refrain from granting that request, and most humbly beseeching Your High Nobilities that Your High Nobilities may graciously deign to condescend to the request of the aforementioned Chinco and Adjerhadja Residents; to which we have found ourselves the more encouraged because we believe we have reason to trust their zeal, that they will indeed contribute their share in bearing the general expenses and increasing the profits on this Coast, all the more so since we shall now be relieved of those two heavy burdens of Baros and Ayerbangies that have lasted so long; And as the Chinco chief Challier gave us to know that instead of twelve he could manage well with eight of the Company's slaves there, and the Adjerhadja Resident likewise certified that he had two slaves too many at that post, we have, in hope of Your High Nobilities' approval, henceforth fixed the number of the Company's slaves at Pulau Chinco at eight and at Adjarhadja at four; Furthermore, we have also discharged from the service, with cessation of salary, the Assistant Coenraad Daniel Joosten stationed at the last-named post, and summoned hither the Sergeant serving there; and subsequently the first-signed Commander, during our consideration regarding Your High Nobilities' order to reduce the general outstanding balances to half, has here shown us [...]

Dutch transcription

Translaat Malaijse Brieff Gesz: volgens inhouwd:/ door zulthaan Sleman te Bandjar, Aan den Resi= „dent Palm aldaer ont„ „fangen Batavia den 18=de Augustus Anno 1775 — Na voorgaende Complimenten luijd deesen als volgt Wijders Communiceere aen mijn vriendt dat bij deesen versoeke om so het doenlij is Een brieff naer Batavia aen de Comp„e te zenden en daer bij te insteeren om een schip, ter beveijliging deeser Rheede, uijt hoofde het Radja Hadjie en den Pangerang Sjariep, de Negorij Bandjar, in dit Jaer gelij met de aankomst der Chineese Jonken alhier, wil komen attaqueeren alwaerom aamanig doe op de Contrac„ „ten, behelsende dat wanneer zig vijanden ter zee opdoen de Comp„s hen zal teegengaen, in gevalle er nu geen schip off chialoup ter brandtwagt herwaerds werd gezonden so is deselve mijn vriendt niet dog ik sende ook Een brieff naer Batavia met de Chialoup van ke tommongong /onderstond/ Eijnde mijner penne vertaeldt door was getee„ „kendt / L: Goossen; — voor 't opleezen G: vermeer. J. e Mansker Vrot Mezier de Sumatras Wist Cust Copii Sicredto Brief de: 25. Februarij 1775. en Resolutien van den 4: Januari 1775. A. besch „i C t 763 Batavia den 25e 9br: 1774 vergadert men sal in 't algemeen ratien van den Heer beschrijver obedieeren de bijsonder e schikking der Dienaaren de Residenten van Chinco en Adjerhadja „sing om te moogen continueeren Copia Afgegane secrette Brieff Aan sin Hoog Edelheijd den Hoog Edelen Groot Agtbaeren wijd gebiedende Heere Petrus Albertus van der Perra Gouverneur Generaal Beneevens de welEdele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Hoog Edele Groot Agtbaere & wyd Gebiedende Heer. en WelEdele Heeren! soo als wij in onse Gemeene verhandelinge op den 25e volgens besluijt van 9b=r A„o Passato besloten hadde, onse besoigne nopens uw Hoog Edelheedens veel geEerd Resolutie op de consideratien van den weledelen Heer beschrijver deeser Custe tot eene met de leeden der buijnadere gelegentheijt uijt te stellen en appart te verhan¬ „ten comptoiren appart „ delen sijn wij ten dien Eijnde op den 4=e Iann: Jongstleeden met bij weesen der leeden Residenten der buijten Comptn t saem gekomen En naer dat wij 't besluijt van uw Hoog Edelens op aen haer Hoog Edelens oovengemelde Consideratien met alle verschuldigde besluijt op de Consideattentie hadden verstaen en overwoogen, hebben wij in de eerste plaets unaniem Geresolveerd, pligt schuldig in 't algemeen aen 't besluijt van uw Hoog Edelens ten aensien der vermindering van Dinaaren en Restanten ter desen custe, te obedieeren, en heefft den Eerst getekende Gesagheb¬ „ber bij versoek der leeden op sig genomen de bijsondere schik aen de Heer Gesaghsbber„ Kinge wegens de te doene verminderinge der Dienaeren ter uijtvoer te doen brengen wij ontmoetede vervolgens bij onse deliberatien over de schikkingen welke 't uw Hoog Edelens behaegt heefft diens¬ versoeken voorschrij„tig te oordeelen dat voor de comptoiren Chinco en Adjan„ „hadja moesten worden werkstellig Gemaekt /een:s veersoek der bijde tegenswoordig sijnde residenten dier comptoiren No: 4. Schallier - : 9 Neemen aen de Lasten alneevens uijt aanmerking daer van en hun betoonde aller ootmoedigste derselver, vigilantie vertrouwt op die beijde Comptoiren vermindert den Assistend Joosten uijt den Dienst met stil staand van Gagae de challier & Nicolaionse Eerbiedige voorschrijving aen uw Hoog na Edelens, ten Eijnde sij in de Administratie hunner aenbevoolen comptoiren, gedurende hun verblijff ter deeser Custe offte eene gunstiger changement in den Dienst hunne presente Qua¬ „liteijd en bedieninge mogten continueeren En alsoo gemelde Residenten /:buijten accidentieele toeva„ „len, en wanneer sij met de benodigde handel waerin mogen werden voorsien:/ voor hunne Reekeninge Namen de gemeld goed te marken laste op derselver Comptoiren de bepalinge daer van niet excedeeren zoude alleen, maer ook als dan voor derselver Goedmakinge in stonden soo hebben wij soo uijt aenmerkinge daer van als beschou¬ winge van den betoon den ijver der Chincose bediendens in het Jongst Gepasseerte Boekjaer in 't Iaerlijks voorwaerds No komen van 't comptoir Adjarhadja gedurende de Admini¬ voor „stratie van den Resident Nicolai aldaer, niet kunnen nie doet men sulks op 't aff zijn in dat versoek te bewilligen, en uw Hoog Edelens op 't allerootmoedigste te smeeken Hoogst deselve Gratieuselijk in 't versoek van meergenoemde Chincose en Adjerhadjase Residenten gelieven te Condeslendeeren, zen waertoe Vermeenen om dat men verder op wij ons maer aengespord hebben gevonden, door dien Reedenen te hebben van derselver ijver te moeten vertrouwen sij voor de derselver aendeelen wel sullen toebrengen int dragen der algemeene lasten, en 't angmenteeren der winsten op dese cust te meer daer men nu van die Twee soo lang geweest zijnde swaere Lastpesten Baros & Aijerbangies ontheyt zal weesen; en alsoo 't chincoos opperhooffd Challier ons te kennen de Lijff Eygenen worden gaff hij in plaets van Twaelff 't met agt Comp=s Leijff Eijgenen aldaer wel kende stellen, en den Adjerhadjase Resident insgelijks betuijgde hij op dat comptoir Twee stuks Leiffeijgenen te veel hadde, soo hebben wij in hoope van uw Hoog Edelens goedkeuringe 't getulder comp=s slaven voorthaen bepaeld Te Poulo Chinco op agt en te Adjarhadja op vier stuks wijders hebben wij ook den op 't laastgemelde comptoir beschijdene Adsistent Coenraad Daniel Joosten met stilstand van gagie uijt den Dienst ontslagen en den aldaer dienst doende sergeant herwaerds ontbooden en vervolgens heefft den Eerstgetekende Gesaghebber bij onse overweging Nopens uW Hoog Edelens bevel omme de Generaele Restanten tot op de helfft te verminderen hier ons ijvers Jn om

NL-HaNA_1.04.02_3445_0827 view scan ↗

English

785 nearly halved under ultimo August 1772/3 reduced one shall do everything fully to meet their herein further concerning the trade Natives such obstacles occur which cause fear to achieve that end can reach on this for reasons The remainders shall be partitioned by us, the same could be brought this year (both through returns and the dispatch of surplus goods to the main station and the remainders of the evacuated factory of Baros included therein) to nearly half of its amount under ultimo August 1772/3, which we hope will give your Right Excellencies some satisfaction in the following year, while in the meantime we shall leave nothing untried to comply fully in the coming year with the esteemed intention of your Right Excellencies in relation to this point. Thirdly, we have maturely considered with due attentiveness your Right Excellencies' esteemed intention, both to have trade conducted henceforth in cash gold and to let the Native nation settle all their disputes and affairs entirely by themselves without the Company's interference, as well as letting them dismiss and appoint their regents themselves. However clear as day the wholesome intentions of your Right Excellencies appear to us from this, and however gladly we also wished dutifully to give effect to your Right Excellencies' esteemed will herein, on the other hand such obstacles present themselves to us which reasonably make us fear that one could not easily achieve the end of such a desired objective for the present; wherefore we find ourselves obliged in the most respectful manner to bring to your Right Excellencies' attention that it would be an impossible thing, and especially at a juncture such as the present, in which trade is somewhat about to revive again, to make a nation so enslaved to their customs as the beach and mountain peoples here and hereabouts accept a different manner of trading than that which has subsisted between us and them for so long. The mountaineer, never being accustomed to come to trade with his cash products directly to the Company's factors, but rather to their so-called merchants residing here, would regard a direct trade with the administrators as a novelty and would very likely not even take the trouble to come from the Batar within the fortress for that purpose; and moreover, not being served in their customary manner, would return with their brought-down gold, which to our sorrow one already often sees happening in the absence of their sought-after wares. thus High ordered an too bad access and may the not making regard in Admini- nen lins on tiously adjase whereunto reasons before and the been head know body hadjase Two in the on eight factory with and the the by in order to reduce 5 herewith

Dutch transcription

785 na op de helfft onder ult„o Aug 177½ verminderen men sal alles aenwen„ volkoomen aen Haer hier inne te voldoen voorwaerds Noopens den Handeld Jnlanders koomen soodanige hin„ dernissen voor; die doen vreesen dat Eynde te op dese Kunnen bereijken om Reedenen de restanten sullen bij ons bedeeld de selve dit Jaer (soo door de Reteuren als versen„ ding der overtallige Goederen Naer de HooffdPlaets en de restanten van 't G'Evacueerde comptoir Baros daer onder begreepen (op wijnig naer tot op de helffte van dies bedragen onder ult=o Augustus: 177 2/3 soude kunnen werden gebragt 't gundwij verhoopen uw Hoog Edelens eenig genoegen sal den op een volgend jaar mogen geven, inmiddels wij niets onbeproeft zullen laten, omme op Een volgend Jaar volkoomen aen de Hoog Edelens Jntentie toog G'Eerde Intentie van uw Hoog Edelens met Relatie tot dit Point te mogen voldoen derder hebben wij met schuldige meutie Rijpelijk over¬ „woogen uw Hoog Edelens Gd herde Intentie, soo om den Handel voorthaan voor contant Goud telaten geschieden als de Inlandse Natie op sig selve alle haere voor contant en het verschillen en saeken sonder bemoeijenisse der Comp=e niet bemoeijen met de te laten affdoen soo wel als hun derselver Regenten selve te laten aff en aenstellen Hoe Middag klaar ons ook hier uijt de heilsaame oogmerken van uw Hoog Edelheedens voorscheijnen, en hoe garne wij ook wenste hier inne pligt schuldig uw Hoog Edelhee¬ dens geEerde wille stand te doen grijpen, koomen ons aen de aendere sijde soodanige obstaculen voor welke ons met reden doen vreesen, men voor Eerst niet ligt, 't Eijnde van sulks gewenscht doelwit soude kunnen bereijken, weshalve wij op de Aller Eerbiedigste wijset ons verpligt vinde onder 't Oog van uw Hoog Edelheedens te brengen dat 't eene ondeelijke saak soude zijn en wel insonderheid in Een Tijd stip als Iegenswoordig, waer in den handel wederom wat staat te verleevendigen, Eene aan derselver gewoont is sodanig verslaofde Natie als de hier en omstreeks, synde, strand en Berg volkeren, Eene andere weijse van verhandelen te doen aanvaarden, dan die welke tuschen ons en hun Lieden soo lange heefft Gesubsisteerte Den Bergman nooijt gewoon sijnde direct met sijne con„ „tante productin bij 's Comp=s Factoors, maer wel bij haere soo Genaemde hier geseetene Cooplieden ter handel te koomen, zouden Eenen Directen Handel met de Administrateurs als een nieuwigheijd beschouwen en veel ligt de moeijte niet Eens neemen om van de Batar ten dien Eijnde binnen de fortres te koomen niet alleen, maer ook op hunne gestoone weijse niet geholpen wordende, met hun afgebragte Goud weder te rugge gaan, 't guntmen tot leet sijn al veel maalen bij manquement van hunne gesogte waren siet gebeuren, dus Hoog bevoolas te eene te Qua¬ toeva¬ en mogen de niet makinge beschou„ dens in Admini¬ nen lins op tieuselijk adjase waertoe reedenen voor en der geweest sonthooft kennen Leijff hadjase Twee in der op agt ptoir met en den den bij omme minderen 5:„ hierneevens

NL-HaNA_1.04.02_3445_0828 view scan ↗

English

without which action no possibility of carrying on trade in the old manner can exist. Padang on Sumatra's West Coast, the 25th of February Anno 1775. Thus, if one wishes to keep trade alive, one must adequately supply the shops of the aforementioned merchants, who in fact can be considered no more than commission agents or brokers, with what is available, for the convenience of the highlanders. Since those merchants are unable to pay directly for all that they receive from the administrators for trading, these goods must be credited to them until they have exchanged them for cash gold with the said highlanders, at which time they will first settle their payment to the administrators for it. Without such a manner of negotiating, we very obediently believe we see no possibility of carrying on trade here. We therefore most humbly beseech Your High Excellencies that Your High Excellencies will graciously be pleased to allow us to continue trade here on the old footing, while all possible prudence will always be exercised to prevent damages. And proceeding from this to the other point concerning Your High Excellencies' desire not to interfere with the native Regents or their affairs, we most favorably beseech that it will also be considered that it is solely the authority of the Company over the Regents that restrains the worst among the natives hereabouts, not only from rebelling against their own Regents, but also keeps in check other acts of violence that could never result in benefit to the Company. And Your High Excellencies, both in consideration of that, and because it is known with certainty that as soon as that step is taken to leave the Regents everywhere to themselves, they will immediately proceed to the mountains, each to the village of their parents or ancestors, to protect themselves from the acts of violence otherwise to be expected from their ill-disposed subordinates. As well as for the fear we have that such a withdrawal would put us entirely unable to carry on any trade with benefit for the Company, may Your High Excellencies favorably consent that the native Regents here everywhere may remain bound under the obedience of the Company as of old. Meanwhile, on our part, unless the Company's interest were at stake, we will not readily seek to interfere in their particular disputes, but act as sparingly in all of this as will be in any way feasible. We have the honor to be allowed to call ourselves with the deepest respect, High Noble, Grand, Respectable and Far-Ruling Gentlemen, Noble Sirs. In the margin stood: Your High Excellencies' humble and obedient servants. Was signed: Roeland Palm, A. F. Adami, Jesaias Ehrentraut, Thomas van Kempen Jansz, and Jan Marthin Scheffer. Agrees, J. V. Kempen Jansz, Secretary. Examined: JV. Copy Secret Resolutions of what was resolved in the Council of Policy at Padang on Sumatra's West Coast on the date of 4th January Anno 1775. Present: The Honorable Roeland Palm, Senior Merchant and Commander The Worthy Adam Fredrik Adami, Merchant and First Administrator Joseph Challier, Junior Merchant and Head at Poulo Chinco Jan Fredrik Willem Nicolai, Junior Merchant and Resident at Adjerhadja Jesaias Ehrentraut, Junior Merchant and Fiscal Thomas van Kempen Jansz, Secretary of Policy Jan Marthin Scheffer, Ensign and Head of the Militia Pursuant to the resolution of this meeting during the examination of Her High Excellencies' respected letters of the 29th of September 1774, to postpone the discussion on the considerations of the Honorable Writer of this coast and the decision taken thereon by Her High Excellencies until a date to be further determined, the Commander proposed to the members to proceed with it now. To that end, he produced the aforementioned highly respected Considerations and Advice from Her High Excellencies, together with an extract from Her High Excellencies' resolution taken thereon on the 18th of April. And after the reading thereof had been read to the members by the Secretary, it was, after attentive deliberation on this weighty subject, first unanimously resolved to comply dutifully in all respects in general with the contents of the frequently mentioned highly respected Considerations and Resolutions regarding the reduction of servants and arrears on this Coast.

Dutch transcription

sonder welk doen geen mo¬ „gelijkheijd van handel op den ouden voet mag drijven is zal maken — met de Inlanders of haere wert aengemerkt het beschikt der Comp=s hun alleen beteugelt lijke heeden begeeven om niet aen twisten niet legt sal en la„ „saem zijn - Padang op ƒ Sumat=s westcust den 25e Februarij A„o 1775; gemeld dus wil men den Handel tragten leevendig te houden, diend men die voorn: cooplieden, welke inderdaad niet meer als Commissioneurs of Maakelaars kunnen aengemerkt worden / hunne winkels doorgaans met 't aanhanden sijnde Rijkelijk te stofferen, tot gerijff van den Bergman, welke goederen dan ook vermits die kooplieden buijten staat sijn, al 'T gunt sijn van de Adminis¬ strateurs ter verhandeling ontfangen, direct te kunnen betaelen, aen hun moeten werden Gecrediteert, ter tijd sijlieden deselve voor contant Goud aen de gesegde Berglieden hebben getrocqueert, als wanneer sij Eerst hunne betalinge aen de Administrateurs daer voor affleggen, en zonder sodaenige wijse vante Negotieeren, vermeenen wij seer obedient geen mogelijkheijd te sien hier handel te waerom men smeekt kunnen doen, wij smeeken der halve uw Hoog Edelheedens werden voortgtganterwijl eer ootmoedig Hoogst deselve uijt Gratieuse Consideratien men teegens schaedens ons gelieven toe te staen den Handel alhier op den ouden voet, mag werden Gecontinueerd, Terwijl men alle mogelijke behoedsaem„ Noopens 't niet bemoeijsheijd ter voorkominge van schadens altoos sal werkstellig maken En hier van overgaende tot 't andere Poinct betreffende uw Hoog Edelheeens, begeerte om sig niet met de Inlandse Regenten ofte derselver saaken te bemoeijen, smeeken wij Hoogst deselve meede gunstig gelieve te beschouwen dat 't alleen het beschik der Compe over de Regenten is welke de slegste onder de hier omstreeks sijnde Inlanderen beteugeld, selfs tegen hunne Eijgene Regenten te rebelleeren niet alleen, maer ook Teegens andere Feijtelijk Heeden, welke Nooijt tot voordeel der maat¬ schappij konde uijtvallen in Toom houd, en uw Hoog Edelhedens zoo uijt aenmerking daer van, als om dat men met seekerheijd weet soodraa tot die stap om de Regenten al omme op hun selve teegens Rebeltie en feijte te laten werd overgegaen sij sig aanstonds, naer 't Gebergte Een De Regenten sullen ie ijgelijk naar de Negorie hunner ouders, ofte voor ouders, sullen ter verlating van hun begeeven; ter behouding van hun andersintste wagtene Balda¬ aanstonds bergwaarts„ digheijden van hunne qualijk gesinde onderhoorige, soo wel baldadigheden blootgesttels wegens de vreese welke wij hebben sodaenige Retracte ons geheel buijten staat soude stellen eenige de minste Handel met vrugt in welk geval men hier voor de Comp=e te kennen drijven goed gunstig gelieve te Consenteeren niets met vrugt voor de de Inlandse Regenten hier al omme onder de Gehoorsaemheijd der verrigten versoekt als Comp=s als van ouds moogen verbonden blijven, Intussen men van ouds mag blijven van onse sijde, sonder dat Compe Jntrest, daer aengeleegen sou¬ Terwij men sig in hunne den sijn, sig ook niet ligt in hunne bijsondere Kristen sul¬ ten maer daar in spaar„ len tragten in te laaten, maer in allen deesen soo spaarsaem te werk gaan als eenigsints doenlijk sal sijne wij hebben d' Eer ons met de Diepste Eerbied te moogen noemen Hoog Edele Groovt Agtbaere & wijd Gebiedende Heeren welEdele Heere /:ter zijde stond:/ Uw Hoog Edelheedens onderdanige en ootmoedige Dienaers /:was Geetek:n/ Roeland Palm. A: F: Adami Jeserias Eventraut Thomas van Kempen Jansz: en Jan Marthin Scheffer Comp=e souden kunnen te sijn- Secretaris Accordeert J: V: Kempen en vervolgens Regenten 6 slot Nagesien JV eh - Jansz Copia soigneeren over de den Heer beschrijver ceerde den Heer ge¬ bber de consideratien ijs Beneevens 1 besluijt van 18=e zig beslooten houd te voldoen er Hoog Edelens Secreete Resolutien van het Geresolveerde in Raade van Politie te Padang op Sumatras westcust in Dato den 4e Januarij Ao 1775; Present De Heer Roeland Palm Oppercoopman en Gesaghebber DE: Adam Fredrik Adami Koopman en Eerste Administrateur Ioseph Challier onderkoopman en opperhooft te Poulo Chinco „ Ian Fredrik willem Nicolai onderkoopman en Resident op Adjerhadja „ Jesaijas Chrentraut onderkoopman en Fiscaal Thomas van Kempen Jansz: Secretaris van Politie Jan Marthin Scheffer Vaandrig en Hoofd der Militie ens besluijt van Ingevolge besluijt deeser vergadering bij besoigne over 5e october 1774 tot Haer Hoog Edelhs: gevenereerde Letteren van den 29e. sep¬ eratien van den „tember 1774: omme de verhandeling over de Consideratien van den welEdelen Heer beschrijver deeser custe en 't door Haer Hoog Edelens, daer op genomene besluijt, uijt te stellen tot eene nadere te bepalene Dag — Proponeerde den Heer Gesaghebber de leeden om Thans daer toe over te gaan, ten dien Eijnde Produceerende vooren tuijt Haer Hooggemelde Hoog Gerespecteerde Consideratien en Advijs Beneevens, Extract uijt Haer Hoog Edelens besluijt van den 18„e April op deselve genomen, en naar dat deselve voorlesing wiert door den Secretaris de Lieden waren voorgeleesen, wiert naer Attente overweeging op dit gewigtig sujet, voor Eerst lgemeen aen een paerig beslooten, omme in het algemeen aen den In„ „houd van de meergemelde Hoog G'agte Consideratien & Resolutien, ten aensien der vermindering van Dienaaren en Restanten op deese Cust, in allen opsigten schuldpligtig aan men die nrs kels tot iss die minis¬ betaelen, lve voor als er voor. meanen del te dens tien mag saem„ igmaken ende andse Hoogst het onder de hunne Teegens Maart„ hedens erheijd hun selve Een sullen Balda„ soo wel geheel vrugt senteeren der men gen sou¬ en sul¬ em te gen noemen WelEdele moedige ias Marthin t te obedieeren 8 6 7

NL-HaNA_1.04.02_3445_0830 view scan ↗

English

without which doing no possibility of trading exists. May proceed on the old footing. Will make with the natives or their. It is noted the authority of the Company alone restrains them. Acts of violence. Immediately toward the mountains. Will not settle disputes and will be slow. Padang on Sumatra's west coast, the 25th of February Anno 1775. Further. Thus, if one wishes to endeavor to keep the trade alive, the aforementioned merchants, who indeed can be regarded as no more than commission agents or brokers, ought generally to stock their shops richly with what is on hand for the convenience of the mountaineer, which goods then also, because the merchants are unable directly to pay for all that they receive for trade from the administrators, must be credited to them until the time they have exchanged the same for cash gold to the said mountaineers, when they first render their payment for it to the administrators; and without such manner of negotiating, we very obediently believe to see no possibility of being able to trade here. Wherefore we humbly beseech Your High Nobilities, humbly asking that Your same High Nobilities, out of gracious consideration, may please allow us to continue the trade here on the old footing, while against debts we shall always put into effect all possible prudence for the prevention of damages. And passing from this to the other point concerning Your High Nobilities' desire not to meddle with the native regents or their affairs, we pray that Your same may also favorably please consider that it is only the authority of the Company over the regents which restrains the worst of the natives residing around here, not only from rebelling against their own regents, but also keeps in check all other acts of violence which could never turn out to the advantage of the Company. And Your High Nobilities, both out of consideration of that, and because one knows with certainty as soon as that step is taken to leave the regents everywhere on their own against rebellion and violent acts, the regents will at once, abandoning their posts, betake themselves toward the mountains, each to the negorij of their parents or ancestors, for the preservation of their persons from the outrages otherwise to be expected from their ill-disposed subordinates; and also because of the fear which we have that such a retreat would put us entirely out of state to carry on any the least trade with profit here for the Company, in which case one would be able to accomplish nothing with profit for the Company here, requests that it may remain as of old, kindly please consent that the native regents here everywhere may remain bound under the obedience of the Company as of old. Meanwhile, on our side, without the Company's interest being concerned therein, one shall also not easily endeavor to interfere in their particular disputes, but in all this shall proceed as sparingly as shall be in any way feasible. We have the honor to be with the deepest respect, High Noble, Right Honorable and Wide-Commanding Sirs, Noble Sirs. In the margin stood: Your High Nobilities' humble and obedient servants. Was signed: Roeland Palm, A. F. Adami, Jesaijas Ehrentraut, Thomas van Kempen Jansz., and Jan Martin Scheffer. Agrees: J. V. Kempen, Secretary. And subsequently mentioned regents. Conclusion. Examined. Jansz. In the one resolution. 2. Copy. 767. The deliberation on the same. The Commander produced the considerations and advice, together with Their High Nobilities' resolution of 18 April. After reading, it was unanimously resolved to comply with the contents of Their High Nobilities' secret resolutions of what was resolved in the Council of Policy at Padang on Sumatra's west coast, dated the 4th of January Anno 1775. Present: The Honorable Roeland Palm, Senior Merchant and Commander; The Honorable Adam Fredrik Adami, Merchant and First Administrator; Joseph Challier, Junior Merchant and Head at Poulo Chinco; Jan Fredrik Willem Nicolai, Junior Merchant and Resident at Adjerhadja; Jesaijas Ehrentraut, Junior Merchant and Fiscal; Thomas van Kempen Jansz., Secretary of Policy; Jan Marthin Scheffer, Ensign and Head of the Militia. Pursuant to the resolution of this assembly during the deliberation of the 25th of October 1774 on Their High Nobilities' venerated letters of the 29th of September 1774, to postpone the discussion on the considerations of the Honorable writer of this coast and the resolution taken thereon by Their High Nobilities to a further day to be determined, the Commander proposed to the members to proceed thereto now, producing for that purpose an extract from Their aforementioned Highly Respected Considerations and Advice, together with an extract from Their High Nobilities' resolution of the 18th of April taken on the same. And after the same were read to the members by the Secretary, it was, after attentive consideration of this weighty subject, first unanimously resolved in general to obediently comply in all respects with the contents of the frequently mentioned Highly Esteemed Considerations and Resolutions regarding the reduction of servants and balances on this coast. Resolution to obey. Present. To

Dutch transcription

sonder welk doen geen mo¬ „gelijkheijd van handel drijven is op den ouden voet mag zal maken met de Inlanders of haere wert aengemerkt het beschikt der Comp=s hun alleen beteugelt lijke heeden aanstonds bergwaarts twisten niet legt sal en la„ „saem zijn -— Padang op Sumat=s westcust den 25e Februarij A„o 1775; JeRder dus wil men den Handel tragten leevendig te houden, dienden voorn: Cooplieden, welke inderdaad niet meer als Commissione of Maakelaars kunnen aengemerkt worden/ hunne winke doorgaans met 't aanhanden sijnde Rijkelijk te stofferen gerijff van den Bergman, welke goederen dan ook vermits kooplieden buijten staat sijn, al 'T gunt Sijn van de Admi strateurs ter verhandeling ontfangen, direct te kunnen beta aen hun moeten werden Gecrediteert, ter tijd sijlieden deselve contant Goud aen de gesegde Berglieden hebben getrocqueert, wanneer sij Eerst hunne betalinge aen de Administrateurs daer affleggen, en zonder sodaenige wijse vant Negotieeren, verm wij seer obedient geen mogelijkheijd te sien hier handel waerom men smeekt kunnen doen, wij smeeken der halve uw Hoog Edelheede werden voortgagamter wijleer ootmoedig Hoogst deselve uijt Gratieuse Consideratie men teegens schuldens ons gelieven toe te staen den Handel alhier op den ouden voet, werden Gecontinueerd, Terwijl men alle mogelijke behoedsa Noopens 't niet bemoeijscheijd ter voorkominge van schadens altoos sal werkstellig En hier van overgaende tot 't andere Poinct betreffen uw Hoog Edelheens, begeerte om sig niet met de sulen Regenten ofte derselver saaken te bemoeijen, smeeken wij B deselve meede gunstig gelieve te beschouwen dat 't alleen he beschik der Compe over de Regenten is welke de slegste onde hier omstreeks sijnde Inlanderen beteugeld, selfs tegen Eijgene Regenten te rebelleeren niet alleen, maer ook Teen andere Feijtelijk Heeden, welke Nooijt tot voordeel der schappij konde uijtvallen, in Toom houd, en uw Hoog Edel zoo uijt aenmerking daer van, als om dat men met seeker E weet soodraa tot die stap om de RRegenten al omme op hun teegens Rebellie en feijte te laten werd overgegaen sij sig aanstonds, naer 't Gebergte 't De Regenten sullen ie ijgelijk naar de Negorie hunner ouders, ofte voor ouders, ter verlating van hun begeeven; ter behouding van hun andersintste wagtene Ba¬ begeeven om niet aen digheijden van hunne qualijk gelinde onderhoorige, soo baldadigheden blootgesels wegens de vreese welke wij hebben sodaenige Retraite ons ge buijten staat soude stellen eenige de minste Handel met vru in welk geval men hier voor de Comp=e te kennen drijven goed gunstig gelieve te consen¬ niets met vrugt voor de de Inlandse Regenten hier al omme onder de Gehoorsaemheijd Comp=e souden kunnen verrigten versoekt als Comp=e als van ouds moogen verbonden blijven, Intussen i van ouds mag blijven van onse sijde, sonder dat compe. Intrest, daer aengeleegen Terwij men sig in hunne den sijn, sig ook niet ligt in hunne bijsondere Khristen ten maet daar in spaar„ len tragten in te laaten, maer in allen deesen soo spaarsaer werk gaan als eenigsints doenlijk sal sijne wij hebben d' Eer ons met de Diepste Eerbied te moogen Hoog Edele Groort Agtbaere & wijd Gebiedende Heeren Wele Heere /:ter zijde stond:/ Uw Hoog Edelheedens onderdanige en ootm: Dienaers /:was Geetek:t/ Roeland Palm. A: F: Adami feserici Eventraut Thomas van Kampen Jansz: en Jan Ma¬ Scheffer te sijn- Secretaris Accordeert J:V: Kempen en vervolgens gemeld Regenten — slot Nagesien ƒ Jansz in den een beslu c 2 Copia 767 het besoigneeren over de gaende Produceerde den Heer ge¬ „saghebber de consideratien en Advijs Beneevens Edelens besluijt van 18=e April eenparig beslooten den Inhoud te voldoen een Haer Hoog Edelens Secreete Resolutien van het Geresolveerde in Raade van Polita te Padang op Sumatras westcust in Dato den 4e Januarij A„o 1775; De Heer Roeland Palm Oppercoopman en Gesaghebber DE: Adam Fredrik Adami Koopman en Eerste Administrateur „ Ioseph Challier onderkoopman en opperhooft te Poulo Chinco „ Ian Fredrik willem Nicolai onderkoopman en Resident op Adjerhadja „ Jesaijas Chrentraut onderkoopman en Fiscaal Thomas van Kempen Jansz: Secretaris van Politie Jan Marthin Scheffer vaandrig en Hoofd der Militie volgens besluijt van Ingevolge besluijt deeser vergadering bij besoigne over den 25e october 1774 tot Haer Hoog Edelh: gevenereerde Letteren van den 29e sep¬ consideratien van den „tember 1774: omme de verhandeling over de Consideratien welEdelen Heer beschrijven van den weledelen Heer beschrijver deeser custe en 't door Haer Hoog Edelens, daer op genomene besluijt, uijt te stellen tot eene nadere te bepalene Dag — Proponeerde den Heer Gesaghebber de leeden om Thans daer toe over te gaan, ten dien Eijnde Produceerende vooren extract uijt Haer Hooggemelde Hoog Gerespecteerde Consideratien en Advijs Beneevens, Extract uijt Haer Hoog Edelens besluijt van den 18„e April op deselve genomen, en naar dat deselve Naar voorlesing wiert door den Secretaris de Lieden waren voorgeleesen, wiert naer Attente overweeging op dit gewigtig sujet, voor Eerst in t algemeen aen een paerig beslooten, omme in het algemeen aen den In¬ houd van de meergemelde Hoog G'agte Consideratien & Resolutien, ten aensien der vermindering van Dienaaren en Restanten op deese Cust, in allen opsigten schuldpligtig besluijt te obedieeren Present aan

NL-HaNA_1.04.02_3445_0832 view scan ↗

English

To obey the venerated resolution of Their High Nobilities mentioned above, and at the same time, the Lord Commander was requested by the members of the council to take upon himself the special arrangement regarding the reduction of the servants to be carried out. This having been accepted by His Honour, they proceeded to the review of the resolution of Their High Nobilities to assign a bookkeeper to the factory Poulo Chinco and an assistant as Resident to the factory Adjerhadja. However, before proceeding further on this matter, the Residents of the two mentioned factories and attending members, the Honourable Challier and the Honourable Nicolai, requested the recommendation of this meeting to Their High Nobilities, so that during their stay on this Coast or until their favourable promotion in office, they may be permitted to continue at their factories in their present capacity and service. They take upon their own account that the set expenses, accidental casualties excepted, shall not exceed the order given to them, as well as the compensation for the same whenever they may be provided with the required trade merchandise. The members present here deliberating on this, and taking into consideration the responsibility assumed by the said Residents with regard to the set expenses for their factories, joined with the zeal demonstrated by the Chinco servants in the most recently concluded fiscal year, and that of the Resident of Adjerhadja during his presence there through the annual progress of that factory, all of which give hope for further success, have unanimously resolved to agree to the request of the aforementioned Residents. And in the first letter to Their High Nobilities, to beseech most humbly that They may be pleased to cast a favourable reflection upon the requests of the aforementioned Residents, as one flatters oneself that through the evidence of their zeal they will indeed contribute for their part, both in bearing the general burdens and in augmenting the profits on this Coast; the more so as one will now be relieved of those two burdensome posts, Aijerbangies and Baros, which nevertheless for years past have contributed much to the heavy burdens that the Company has borne. And since the head of Chinco communicated that he could well spare four of the Company's slaves there, and the Resident of Adjerhadja likewise two, the number of slaves was also henceforth determined.

Dutch transcription

den Heer Gesarghebber versogt tot de bijsondere schikkinge Resumptie over het besluijt om chinco een ^vergaderinge op hunne Comptoiren voor hunne Reek: nee„ surpasseeren in het Laaste boekjaar goed succes geeven hoop tot te Accordeeren— En Haar Hoog Edelens gunstige Reflectie versoek te meer om dat men van Baros en Aijer„ Adjerradja Twee aan Hoogst gemelde Haer Hoog Edelens gevenereerd besluijt te Obedieeren, en teffens den Heer Gesaghebber door de tot 8 ^djer Leeden versogt, de bijsondere schikkinge in de te doene Reductie e meer den der bediendens op sig te willen neemen. Dit door sijn Edele Geaccepteert sijnde gong men over Coenra Boekhouder en Adjerhatjar Resumptie van Haer Hoog Edelens, besluijt omme het met s Gagie Een Assistont tot Comptoir Poulo Chinco, Een Boekhouder, en't comptoir Resident toe te voegen Adjerhadja Een Assistant tot Residents toe te voegen dan ver der in al eer men verder hier over handelde, versogten de Rresiden de helft ten der Twee gemelde Comptoiren en Presente leeden de overst de Residenten versoeken E: Challier en de E Nicolai de voorschrijving deeser verga, aenge de voorschrijving deeses „ dering aen Haer Hoog Edelens, omme gedurende hun verblijff ter deeser Custe ofte derselver gunstige verbeetering van kunne bedieninge, op hunne comptoiren in derselver presente qua tran gebr te mogen continueeren „ liteijd en bedieninge te mogen continueeren, voor hunne Reekeninge neemende soo wel dat de bepaalde lasten (buijten „mende de lastent be „ accidenteele toevallen / de ordre bij hun niet zullen te „paelde niet zullen booven gaen, als de goedmakinge derselver wanneer sij met als met de benoodigde de benoodigde Handelwaeren sullen mogen werden voorsien waeren voorsien worden: De leeden in Loco hier over Delibereerende, en in opmer¬ opmerkingen Delibe„ping neemende der gemelde Residenten op sig Genomene han best verantwoording ten aensien der bepaalde Lasten voor hunne en over den betoonden Comptoiren, gevoeg bij de betoonde ijver der Chincose Resi„ enhe ijver der Chincose bedienden „ den ten in 't Jongste gepasseerde Boekjaar, ende die vande met J en die van Adjerhadja Adjerhadjase Resident gedurende sijn aenwesen aldaer door maer fena gedurende sijn aenweezeen Iaerlijkse voorwaerts brenginge van dat comptoir, welke genten alle hoope geeven tot een verder succes, hebben Eenparig met besluijten 't versoek beslooten in het versoek der bovengemelde Residenten „ toe te stemmen En bij Eerste schrijvens Haer Hoog Edelens op 't aller Oot¬ „moedigste te smeeken, Hoogst deselve Een gunstige Re„ op die beede der Resident en flectie op de beeden der meergem: Residenten gelieven te slaan, alsoo men sig flatteert, sij door de bewijsen hunne ijver voor hun aendeel wel sullen contribueeren, soo in het draagen de vre der algemene lasten als Augmenteeren der winsten tet deese daer plu custe, te meer daar men nu van die 2 Lastjoosten Aijerbangies deede „bangies ontheft sal en Baros onthoft sal sijn, welke dog ka't seedert Iaaren ker, Haer stie „waerts veel tot de swaere lasten welke de comp=ie gedragen van chinco kan vier Leijf heeft, hebben toegebragt, en vermits het Chincos opperhooft Eijgenen minen & bedeelde hij aldaer wel vier Comp=s Leijff Eijgenen konde missen dat saa en den Adjerhadjase Resident insgelijks Twee stuks, soo een ver wiert ook het getal der Leijff Eijgenen voortaen bepaelt bepa op „ratie hier over— zijn la van

NL-HaNA_1.04.02_3445_0833 view scan ↗

English

769 it, with suspension of salary, dismissed. of Adjerhadja considering the reduction to about half be brought. shall leave nothing unattempted year to this article proposed cash trade depositions and appointments of Regents with native affairs considered wished to be able to fulfill this that this will not favorable consideration to caused the members to decide matter is limited to chinco at the first office to eight, and the other to four pieces. Bodyguards through the to 8 pieces, and at Adjerhadja to four the sergeant also their own, the remaining excess having to be sent hither residents half stay shown. of unanimous to where also the Assistant stationed there, Coenraad Daniel Joosten, with suspension of salary, from the service was dismissed. Passing from this to the consideration of reducing the remaining balances to half, pursuant to Their High Excellencies' order, it was understood to employ all possible means for this purpose as well; and by a small estimate thereof shown by the Lord Commander, that the same could this year, both through the returns and the dispatch of the surplus goods to the main station, and the remaining balances of Baros, be brought down to about half of the general remaining balances of this Coast as of the last of August 177 2/3, to about f 100473. 2-., it was further thought proper to leave nothing unattempted, so that in a following year one may fully comply with the highly esteemed intention of Their High Excellencies with regard to this article. Next, proceeding in particular to the consideration of Their High Excellencies' intention regarding the trade, to bring the same neatly on a cash basis here, and this Administration not meddling in native affairs of whatever nature, but allowing that nation to settle their own affairs among themselves, to let their own Regents act, and to depose and appoint their own Regents; which two points having been considered with the utmost attention by the assembly, and the very salutary aim of Their High Excellencies, also in particular on these two points, having appeared to them as clear as noonday, wished for nothing more than to dutifully carry this out at once in accordance with the highly esteemed will of Their High Excellencies, if only the possibility to obtain the desired effect thereof were present; but the fear that one would initially not pluck the fruits of so desirable an objective caused the members to decide to request the aforementioned Their High Excellencies in the most respectful manner at the first writing, that They might favorably be pleased to consider that it would be a practically impossible matter to introduce another mode of trading to a nation so enslaved to customs as the coastal and mountain peoples living here and hereabouts, reduction to send the surplus over, as also the sergeant of the last office, to trade over office their outside to they with provide notice for their residents to fulfill 6 humble Regents give zeal to to pluck and to request and to bear chief so limited enslaved nation in kerbangies

Dutch transcription

769 e het met stilstond van gagie ontslagen van Adjerhadja overweegen de vermin¬ te qua trent tot op de helft gebragt worden. zullen niets onbesogt Jaer aen dit Articul nomene handel voor contant sen aensetten van Re„ vanden met Inlandse zaeken overwoogen erenschte daer aen te kunnen voldoen ter deese daer van niet sal stige consideratie te deede de leeden besluijten saak is bepaalt op chinco op het Eerste Comptoir op Agt en 't ander op vier stuks. Leijf door de tot 8 stuks, en op Adjerhadja op vier den ook den sergeant eijgenen, moetende de overige meerder sijnde herwaerts geson¬ residen de helft Verblijff verga, aengetoont. van parig ten alwaer ook den aldaer bescheijdene Assistent Coenraad Da„ Coenraad Daniel Jooste, niel Joosten met stilstand van Gagie uijt den Dienst wiert ontslagen Hier van overtreedende ter overweeging omme volgens dan dering der Restanten op haar Hoog Edelens bevelde Restanten tot op de helft te verminderen, soo wiert verstaen ook hier toe alle mogelijke eden de overslag daer van middelen te werkstellige, en bij eene kleijne overslag daer van door den Heer gesaghebber Aangetoont 't selve dit Jaer soo door de Retouren, als de versending der overtollige kunnen dit Jaar om Goederen naer de Hoofdplaets, ende Restanten van Baros op omtrent ƒ 100473. 2-. naar tot op de helft van de Generaele Restanten deeser Custe onder ult=o Augustus 177 2/3 soude kunnen werden gebragt, soo is verder goed gevonden, niets laaten een volgend, onbesogt te laten, om op Een volgend Jaer volkomen aen de Hoog G'Eerde Intentie van Haer Hoog Edelens, ten aensien van dit Articul te moogen voldoen beschouwing over den vervolgens in 't bijsonder ter beschouwinge overstappende nopens Haer Hoog Edelens Intentie ten aensien van den Handel, om deselve voor contant alhier in 't rijn te en het niet bemoeijen brengen, en het niet bemoeijen van dit Ministerie met Inlandse zaeken van wat natuur ook, maer om die daer door maer hun eigen saeken natie op haer selve hunne Eijgene saeken te laten afdoen, ir, welke genten selfs te laten doen en derselver Eijgen Regenten aff en aensettenen met de uijtterste Attentie welke Twee poincten met de uijtterste Attentie bij de vergadering overwoogen werdende, en het seer Heijlsaem oogmerk van Haer Hoog Edelens, ook in het bijsonder in deese Twee poincten, middag klaer deselve voorgekoomen sijnde, wenschte niet meer als ook hier in schuldpligtigt aenstonds ingevolge de Hoog G'Eerde wille van Haer Hoog Edelens, zulks stand te doen grijpen, soo maer de draagen de vrees men de vrugte mogelijkheid, om het Gewenschte Effect daer van te kunnen Erlangen, daer waere, dan de vreese dat men de vrugten van soo een Gewenscht Doelwit voor Eerst niet souden Haer Hoog Edelens gumslukken, deeden de Leeden besluijten bij Eerste schrijvens Hooge gemelde Haer Hoog Edelens op het aller Eerbiedigst te versoe¬ ken, Hoogst deselve gunstig geliefde te considereeren, dat de missen dat het Eene ondoenlijkhet eene genoegsame ondoenelijke saeke soude zijn, eene een aen haere gewoontens Natie soo verslaefst aen gewoontens als de hier en omstreeks zijnde stranden Bergvolkeren, eene andere wijse van Reductie e meerder over te sen„ „ den worden soo als ook den zergeant, van 't laeste comptoir, verhandelen reerd over ptoir hunne buijten te sij met voorsien opmer¬ voor hunne Resi„ te voldoen 6 er Oot¬ gRe„ ven ijver te plukken e versoeken en dragen opperhooft KS, soo bepaelt verslaeffde Nortie in ker„ bangies

NL-HaNA_1.04.02_3445_0834 view scan ↗

English

to adopt a different method of trading than that which has existed between them and the servants of the Honorable Company here for so many years, wherein the Highlander was never accustomed to come trade directly with his cash and products with the Honorable Company's factors, but rather with their so-called merchants settled here; that these latter, who in truth can be regarded as no more than commissionaires or brokers, do not have sufficient wealth to pay directly for all that they receive from the administrators for trade with the Highlander, and therefore the Honorable Company's trade goods must necessarily be credited to them until such time as they have bartered the same for cash gold with the said Highlanders, at which point they can first make their payments for it to the administrators; and that without such a method of trading it is impossible to carry on any trade of note, and it may therefore graciously please Their High Right Excellencies to allow trade to continue here on the old footing. Just as also with respect to the other point concerning interference with the native Regents and their affairs, it was resolved very humbly to request Their High Right Excellencies that they may remain bound under the obedience of the Honorable Company, without one interfering with them or with their private disputes that have no relation to the Honorable Company's interests, since it is solely the authority of the Company over the Regents that curbs the worst of the natives living in these parts, not only restraining them from rebelling against their Regents, but also against other acts of violence that can never turn out to the benefit of the Society; and it is also known with great certainty that as soon as the step must be taken of leaving the Regents everywhere to themselves, they will immediately retreat to the mountains, each to the village of their parents or ancestors, in order thereby to prevent finding themselves exposed to the outrages of their ill-disposed subordinates; and this retreat, it is also thought under Their High Right Excellencies' very respectful correction, would render this administration incapable of carrying on even the slightest trade with any profit for the Company. Thus resolved and decided at Padang on Sumatra's West Coast on the day, month, and year as above. Was signed: Roeland Palm, Adam Fredrik Adami, Joseph Clallier, Jan Fredrik Willem Nicolai, Pesaijas Erentraut, Thomas van Kempen Jansz. Agrees: J. V. Kempen Jansz, Secretary. Jan Marthin Scheffer folio 22 Received secret letters and enclosures from Java's Northeast Coast from the first of May to the last of September 1775. 773 Received here on the 5th of May per the ship De Snoek. Register of secret letters and enclosures received from Java's Northeast Coast from the first of May to the last of September 1775: Dispatch from the Governor to Their High Right Excellencies, dated 17 April 1775, page 1. Translation of a letter from Pangeran Adipati Mangkunegara addressed to His High Right Excellency, dated 11 April 1775; also one to Their High Right Excellencies of that date, pages 16 to 17. General strength of the Company's militia on Java's East Coast as of the last of March 1775, page 73. Account given by the youth Pagga of Balambangan from the village of Poana, given at Surakarta on 30 March 1775, page 23. Separate letter from Luzac to the Governor, under date of 30 October 1774, page 24. Translation of a Javanese letter from Pangeran Adipati Mangkunegara addressed to the Governor, dated 11 April 1775, page 19. Separate letter from the said Luzac to the same as above, dated 11 February 1775, page 28. Ditto from Schophoff to Luzac, dated 26 January 1775, page 32. Ditto from the aforementioned Luzac to the Governor, dated 4 March 1775, page 34. Account given by Bappa Rendak at Surabaya on 25 February 1775, page 37.

Dutch transcription

dan die soolang heefft G'Exteert den Bergman komt Factoors ten handel voor te schrijven gecrediteertn tot dat hun waeren wanneer sij de Admi„ handelen is ommogelij te Negotieeren dus op den ouden voet Edelens, de Inlandse ken„ det E: Comp=e verbonden te daten laten en de Regenten beteugelt de deselve te Rebelleeren e hun selve laate gaan sij Een Eijder naer en houd andere figjtelijk„ hunne Negorij hunner kwalijk gesiende „gesteld te zijne 'T welk het Ministerie besluijt een andere handelwijse verhandelen te doen aengrijpen, dan die welke Tusschen hun ende Dienaeren der Comp=e alhier soo veele Iaeren heeft G'Ex„ teert, alwaer de Bergman noijt Direct met sijne contanten niet direct bij s'comp=s Producten gewoon is geweest bij sComp=s Factoors, maer wel bij maet bij de kooplieden haere soo genaemde hier geseeten sijnde cooplieden ter handel te koomen, dat deese Laaste nu (:die men waerlyk niet meer als Com„ die niet direct kunnen missionairs off makelaers kan aenmerken :/ geen genoegsaem vermogen hebbende om al het gunt sij van de Administra¬ „teurs ter verhandeling met den Bergman ontfangen Direct maer moeten werden te kunnen betaelen, en derhalve nootsakelijk 's Comp=s handel waeren moeten werden gecrediteert ter tijd sij deselve voor contant met de Berglieden hebb oud aen de gesegde Berglieden hebben getrocqueert, als wan¬ getrocqueert voor Goud neer sij Eerst hunne betaelinge daer voor aen de Administrateur „nistrateurs betalen e kunnen afleggen, en dat sonder sodaenige wijse van verhande„ Een ander weijse van „linge geen mogelijkheijd is, eenige naemwaerdige Negotie te om iets naemwaerdigs doen, en het derhalve Haer Hoog Edelens goedgunstig behagen mag, men alhier met den Handel op den ouden voet mag continueeren — zoo als ook ten aensien van 't andere Poinct Raakende de versoek aen Haer Hoog bemoeijenisse met de Inlandse Regenten en derselver saa„ Regenten en saken is Geresolveert, Haer Hoog Edelens ook seer ootmoedig te onder de gehoorsaemheijd versoeken deselve onder de gehoorsaimheijd der Comp=e moogen verbonden blijven, sonder dat men sig met deselve of met hunne bijsondere verschillen in teijsondere verschillen, welke geen Relatie tot s' Comp=s belan„ „gens hebben, sal inlaeten, alsoo het alleen het beschikken het beschik der comp=s overder Comp=e over de Regenten is, welke de slegste onder de hier Inlanders niet teegens omstreeks, zijnde Inlanders beteugeld, selfs niet teegen hunne Regenten te Rebelleren alleen, maer ook tegens andere „heeden in Zoom en Feijtelijkheeden, welke noijt tot voordeel der Maatschappij kunnen als men de Regenten op uijt vallen, in Toom houd, en men ook met veel seekerheijd weet soo draar tot die stap moet worden getreeden, van de Regenten al omme op hun selve te laten, zij sig aenstonds naer het om aen de baldadig hoede gebergte, den Eijgelijk naer de Negorij hunner ouders offte „onderhoorige niet bloot „ voor ouders, sullen begeeven, om daer door voor te koomen, zig Blootgesteld te vinden, aen de buldadigheeden van hunne kwalijk gesiende onderhoorige, en welke retraite buijten staet sou stel„ men dan onder Haer Hoog Edelheedens seer Eerbiedige correctie, ook vermeend, dit ministerie buijten staat souden stellen, eenige den minsten handel met vrugt voor de Comp=e te kunnen drijven — Aldus betalen te laten— „len tot den Handel 77 „ Nagesie Aldus Geresolveert & T' arresteert te Padang op Sumatras westcust ten daegen Maand en Iaere als vooren /:was Geteekent Roeland Palm, Adam Fredrik Adami, Joseph Clallier, Jan Fredrik willem Nicolai Pesaijas Erentraut, Thomas van Kempen Iansz: Accordeert J: V: Kempen E Jansz Secrteris n hun G' Ex„ Contanten wel bij handel te Com¬ saem stra„ Direct handel tant ls wan¬ nistrateur hande„ Negotie te behagen ag de de ver saa„ te gen hunne belan„ 1 andere kunnen dweet enton het offte men, ud te en ge te HHOikagsr ig Jan Marthin Scheffer fo: 22 voor den G2 do 2 Ontvangen secreete Brieven en Bijlagen van Java's Noord OostCust Aed. p=l Mai tot Ult. 7ber. 1775 N. 773 den 5: Mai pert Schip De Snoek alhier ontvangen Register der Secrete Brieven en Bijlagen ontvangen van Iava's Noord oostcust zedert P=mo Maij tot ult=mo September 1775: Missive van den heer Gouverneur aan hunne Hoog Edel„ heeden ged: 17: april 1775: - - - - - - - - - - - „ Translaat briev van Pangerang Adepattij Mancoenaga aan zijn Hoog Edelheijd gerigt ged: 11: april 1775 ook een aan hunnen Hoog Edelheeden van dien datum „ 16- 17. Generaale sterkte van Comp:s mititie op Iava's oost Cust onder ult:o Maart 175. - - - - - - - - - - - „ 73 Relaas door den Jongeling Pagga van Balemboangang uijt de Negorijse Poana gegeeven te Sopura carta den 30: Maart 1775. - - - - - - - - - - „ 23. Aparte brief van Lurac aan den Gouverneur, sub dato Translaat Iavaanse brief van Pangerang Adipattij, Manooenagara, aan den gouuverneur ge„ rigt ged: 11:' april 1775 - - - - - - - - - - - „ Luzat 28 Aparte brief van d aan als even ged: 11: febr: 1775. . . .„ _:o _„o schophoff aan Luzac, ged: 26: Januarij 1775 - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 32 _o van Evengem: Lurac aan den gouverneur _:o ged: 4:' Maart 1775 . - - - - - - - „ „ 34 Relaas gegeeven door Bappa Rendak te sourabaija, den 25: 30: 8ber: 1774. - - - - - - - - - - - febr: 1775. - - - - 24 - - „ 37. Pag 19

NL-HaNA_1.04.02_3445_0842 view scan ↗

English

pan. Translation letter from the King of 900. to the tumenggung at Sumenep - - 39 Ditto ditto from ditto from Sandrabonij to as above - - - - - - - - 40 Separate Missive from the Commander Luzac to the Governor dated 14 March 1775 - - - - - - - - - 42 Ditto ditto from Schophof to the Commander Luzac dated 16 February 1775 - - - - - - - - - - - - - - - - - - 44. Separate missive from Luzac to the Governor dated 25 March 1775 - - - 46. Ditto ditto from Schophoff to Luzac dated 12 March 1775 - - - 51. Ditto ditto from the Governor to Commander Luzac, dated 20 January 1775 - - - 53. Ditto ditto from one as above dated 7 April 1775 - - - - - - 63 Ditto ditto ditto ditto ditto 4 February 1775 - - - - 57. Ditto ditto ditto ditto ditto 13 March 1775 - - - - - - - Extract from a letter from the Surabayan servants to the Governor and Council at Samarang dated 6 April 1775 - - - - - - - - 67 Letter from Donies to as above written likewise on the 1st of April 1775 - - - - - - - - 68 Circular letter to various regents dated likewise April 1775 - - - 69 Letter from the Lord Governor to Their High Nobilities dated 3 June 1775 - - - - - - - - - - 61 13. -- 1775 Batavia To His High Nobility The High Noble Rigorous Venerable Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General, and The Right Noble Rigorous Lords Councillors Of The Netherlands Indies, etc. etc. etc. High Noble Rigorous Highly Venerable Lord, And Right Noble Rigorous Lords. In order the better to comply with Your High Nobilities' much respected orders and commands, delivered by separate missive to me of the 20th of January of this year, with relation both to the Susuhunan's intention to give his eldest son the title of Crown Prince and to implore the succession for him, as well as to the requests of Pangeran Aria Mangkunegara for the Company's affection and protection for his children, more broadly reported in my previous submission of the end of December 1774: I have in the past month, as soon as the roads were somewhat passable, were 53. 61 13. From Java's North-East Coast, the 17th of April 1775 were, caused the Surakarta Chief of Post Van Stralendorf to come hither in person, given him to understand Your High Nobilities' honored intention, and, with the instructing of what he had to observe and to do, charged him with the delivery of Your High Nobilities' missive to the Pangeran and its copy to the Emperor, and also to sound out the Pangeran as to whom he would most prefer to marry off two of his daughters. And this having subsequently occurred, I now have the honor to present Your High Nobilities with a letter of thanks from the Pangeran, and thereby to communicate to Your High Nobilities that, he having left the providing of two of his daughters to me, I have betrothed the eldest, or Raden Ayu Soblam, to the second regent of Japara, Tjitro Soema, and the second, named Ayu Sarondal, to the Raden Ngabehi Mangku Kusumo, eldest son of the patih and second regent Tjitro diwirjo, and these are now shortly to depart for Surakarta, each to fetch his bride and subsequently to marry them here in Samarang; but the Pangeran, who is accustomed to persist with his requests, and when something is granted to him to desire more, pressing further upon His High Nobility the Lord Governor-General to also favor one of his sons, and to place Raden Mas Slamat in the Emperor's district of Patjitan, and to marry him to one of the ruler's daughters, I have had him informed through the Chief of Post Van Stralendorff that he ought to acquiesce in the assurance which he has most recently received in favor of his sons, and 777 From Java's North-East Coast, the 17th of April 1775 and that what he desires specifically for Raden Mas Slamat, he must endeavor to obtain directly from the Emperor through a friendly and submissive conduct. I hope that Your High Nobilities will be pleased to be satisfied with this, and likewise that the Pangeran was assisted with the four hundred Spanish rixdollars requested of me in the accompanying translated copy of the missive, and also that I, upon his insistence, consented to have his two daughters accompanied hither by three of his sons, who are still children, to see Samarang once, provided that I had him informed through Chief of Post Stralendorff that, the Emperor being notified beforehand, he has no objection thereto, and that they come without a large retinue, and that the Pangeran understands that I shall treat those sons here no differently than children, send them back directly after the marriage of their sisters, and absolutely not permit them to go anywhere further than Samarang. The Emperor is meanwhile very pleased with Your High Nobilities' response to the requests of Pangeran Aria Mangkunegara, who out of his own motives has also shown his letter to the ruler, and is particularly content with the deference that Your Nobilities have been pleased to show by having a copy thereof sent to him; but having already, before the receipt thereof, made public the intention to appoint his eldest son, Raden Mas Gusti Sembodjo, currently reaching seven years of age, as Pangeran Adipati Anom, that is, Crown Prince, he was not to be dissuaded therefrom, apparently because he it ditto son copy honor from and has 3.

Dutch transcription

pan. Taanslaat briev van den koning van 900. aand' tommogong: te Sumanap - - „ 39 40 _o _o „ „ _o „ Sandrabonij aan als Even - - - - - - - - „ Aparte Missive van den gezagh: Luzac aan den gouverneur _o _o van schophof aan den gezagh: Luzac ged 16: d: d:o 14: maart 175. . . . . . . - - - - - - - - - „ 42 febr 175: - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 44. Sparte Baaj van Luzac aan den gouv: en d: 25: Maert 175. - - - „ 46. _o _o van Schophoff aan Luzac d: d: 12: omaart 1775. . „ 51. _o _o van den gouv: aan gen Luzas, ged: 20. Januarij 175. - . „ 53. _o _o van Een als avon ged: 7: april 1775. - - - - - - „ 63 _o _o „ „ „ _o „ 4: febr: 1775 - - - - „ 57. _o _o „ „ „ _o „ 13: Maart 1775 - - - - - - - Extract uijt Een briev van de Sorabaijasche bed:t aan den gouv: en raad te Samarang get: d: d:o 6: april 1775 - - - - - - - - „ 67 „briev van Donies aan als even gest almeede in d:o E: „ 68 april 1775 - - - - - - - - „ C:r brievje aan diverse regenten ged: med:e april 1775. . . . - „ 69 Briev van den heer Gouverneur aan Hunne hoog Edelheeden d: d:o „ 61 3: Junij 1775 - - - - - - - - - - 13. -- 1o + 775 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edel Gestrenge Achtbr Heere Petrus Albertus van der Tarra Gouverneur Generaal, en De Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden Van Ne„ „derlandsch Jndie, en z: enz: en z: Hoog Edel Gestrenge Groot Achtb: Heere, En Wel Edele Gestrenge Heeren. Om te beter tevoldoen aan uwer Hoog Edelheden veel gerespecteerde ordres en beveelen, bij aparte Missive aan mij van den 20: janua„ rij deeses Jaars, met relatie zoo tot des soesoehoenangs voor„ nomen om zyn oudste zoon te geven den titul van Kroon Prins en voor Hem de suscessive te imploneeren, als tot de verzoeken Van Pangerang Aria Mancoenagara om sCompagnies toegene„ „genbheijde en protectie voor zyne kinderen breeder vermeld bij mijn submissie vorige van ultimo december 1774: heb ik in de ge„ passeerde maand zo dra de wegen eenigsints bruikbaar Waren 53. 61 13. Van Iavas oostkust den 17:e April 1775 Waren, het soura Cantas opperhoofat van Stralendorf in perzoon herwaarts laten komen Hem uwer Hoog Edelheeden g'eerder intentie te verstaan gegeven, en met demandeering van het geene slij te observeeren en te doen hadt opgedragen de bezorging van uwer Hoog Edelheeden missive aan den pangerang en dies Copie aan den keijzer en om toffens den pangirang te soudeeren, aan Wien Hlij het Lievst twee zijner Dogters hadt uyjtgetrouwt En dit een en ander vervolgens geschord zijnde, heb ik tans de Eere uwe Hoog Edelheeden te offeren, een brief van dankzegging van den Pangerang, en daar bij uwe Hoog Edelheeden te communiceeren dat blij de bezorging van twee zijner dogters aan mij overgela„ ten hebbende ik de oudste of Radeen Aijoe Soblam aan de twee„ „de regent van Japara Tjitro Soema en de tweede genaamt Aijoe Sarondal aan de Radeen ingabij Mangko Coessoemo oudste zoon van pattijt tweede regent Tjilro de wirp uijtgelooft heb, en dese nu Eerstdaags naar soura Carta staan te verstrekken, een ieder om zyn Bruind afte haalen in daar meede vervolgens hier te Ca„ marang te trouwen maar de pangorang die gewoon is met zijn verzoeken aan te houden, en als hem iets ingewilligd word meer te begeeren, byj zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal, nader aandringende n ook Een zyner zoons te favoriseeren, en om Radeen Maas Clamat, inskeijzers dis„ tuit Patjelaan te stellen, en aan Een van des vorstens dogters nit tetrouwen, heb ik Jlem door het opperhoofd van stralen„ „dorp laten voorstellen, dat wij behoorde te berusten in de verze„ kering die wij nu Jongst in faveur zynen zoons ontfangen heeft, E„ 777 Van Iavas Oostkust den 17:e April 1775 En het geen Hij speciral voor Radeen Maas slamat begeerd, di„ reit van den keizerw, door een vriendelijk en submis gedrag moeste tragten te obtineeren, ik hoop dat uwe Hoog Edelheeden hier inne genoegen zullen gelieven te nemen en zoo ook, dat de pangerang geassisteerd is geworden met de van mij bij nevensgaande Copia translaat missive verzogte vier hondert rd=s spaans en dan meede dat ik op zyn aanhouden bewilligd heb om zyne twee dogters, door drie zyner zoons, dat nog kinderen zijn, herwaarts te laten versellen, om samarang Eens te zien, mits dat ik Ilem door het opperhoofd stralen dorf heb laten aan zeg„ „gen, de keijzer alvoorens gekond wordende, aaar niets teegen heeft en zij met geen groot gevolg komen, mitsgaders de pangerang zig voorsteed, aat ik die zoons hier niet anders dan kinderen behandelen direit na het trouwen Haarer susters te rug zen„ den, en absolut niet permitteeren zal ergens verder dan Samarang te gaan. De keijzer is ondertusschen zeer voldaan met uwer Hoog Edelheeden antwoord op de verzoeken van pangerang Aria Manioena gara, die uijt eijgen motiven ook zijn brief aan de vorst heeft vertoond, en bezonder Content over de de france, die uwe Edelheeden hebben gelieven te toonen met Hem daar van een Copia te laten toekomen, maar al voor dies ontvangst, het voornee„ men, om zyn ondste zoon Radan Maas Gusti Sembodjo, thans seven Jaaren bereikende aan te stellen tot Pangerang Aai pattij Anom datis kroon prins, publig gemaakt hebbende, is sty daar van niet te diverteeren geweest, apparent om dat Hlij het o zoon Capie Eere van n hft 3.

NL-HaNA_1.04.02_3445_0846 view scan ↗

English

From Java's East Coast, 17 April 1775 will have given the Empress, whose influence over him still seems to be increasing, the word to that effect, and thus I was obliged to consent to his desire to forward the enclosed letter from him in order to obtain Your High Excellencies' consent. And since the monarch speaks solely of the name and title, but makes no mention at all of the succession itself, and appeals to the custom that the eldest son occupies the dignity of Pangerang Adipattij Anom, and furthermore the resident Von Stralendorff has testified to me that Mangkunegara, who no longer uses the title of Pangerang Adipati, had expressed to him his surprise that the Emperor waited so long to elevate his eldest son to Pangerang Adipattij Anom, I can at present foresee no unpleasant consequences from this, and I therefore insist that Your High Excellencies may also be pleased to grant the requested permission now; to which I am obliged to add the Emperor's request to be allowed to obtain, against payment, as many long ship's cutlasses, or so-called klewangs, which are not available here, as Your High Excellencies are pleased to spare, in order further to arm his regular foot soldiers, who are one thousand men strong and of whom only 300 heads are yet provided with such cutlasses. In my humble letter of 5 June 1774, I took the liberty to inform Your High Excellencies that the Persian horse, sent as a gift to the Sultan not long before that, being a chestnut which the monarchs may not ride on account of their ancestors, was of no use, and since then I have constantly tried amicably to decline his petition for a Persian horse of a different color; but now recently, a more earnest request having been made by the resident Van Rhijn for this, for a pair of fine pistols as a pusaka or remembrance of His High Excellency the Governor-General, and for a pair of young foreign slave women, I find myself obliged to submit this matter, whether it might please Your High Excellencies to present the Sultan, in order to keep him in a good humor, with a Persian horse and a pair of pistols, while I look around here for one or two slave women to send to him, just as I already did with three of them earlier this year, of which he kept one and sent back two that did not please him. The persons who last year had delivered a letter from Pangerang Bintoro at Banda to Pangerang Aria Mangkunegara at Solo, having all three died here while in the custody of the Adipati of Semarang, under whom they were placed in detention, I cannot comply with Your High Excellencies' honored order to send them over for banishment to Ceylon. With relation to the conquest of Balambangan, I have the honor to inform Your High Excellencies that the small forts at Banyuwangi and at Kali Bunto near the corner of Packum are now completed and garrisoned, and those at Ulu Pampang and at Catta have been completely demolished; that the situation of Banyuwangi, as resident Schophoff writes to me by letter of 22 March, answers expectations, and the servants who had arrived there sick became healthy; and that I have granted authority to discharge some officers of the native troops who could now be spared, and instead to retain for the present: 1 Captain Commandant 2 Lieutenants 3 Ensigns 8 Sergeants 10 Corporals, and 132 Soldiers 156 heads in total, until the European soldiers there can be reinforced, for the garrisoning and guard duty at Banyuwangi, Kali Bunto, Ketapang, and Cadjagang, and to be employed when the planned expedition against Nusa takes place, for which the entire eastern corner longs, and for which some Madurese, Sumenep, and Javanese auxiliary troops from the districts of Pasuruan, Bangil, and Bangel, with the necessary native vessels for their transport, are held in readiness; and thus we are only waiting for the European soldiers promised by Your High Excellencies, for whom, as well as for some sailors, I again take the liberty to request most urgently and respectfully, because, as appears from the accompanying general strength return as of the end of March, 198 common soldiers were lacking from the fixed establishment, and one remains constantly under the necessity of bearing many burdens in the new conquests that could otherwise be spared, and especially of keeping the native troops in service until those of Nusa have submitted and one knows what outcome

Dutch transcription

Van Iavas Oostkust den: 17:' April: 1775 het woord daar toe aan de keijzerinne, welkers vermoogen op slem nog al scheijnt toeteneemen, zal gegeven hebben, en dus heb ik wel moeten bewilligen in zynen begeeren, om de inleggende brief van slem, ter optenue van uwer Hoog Edelheeden toe„ stemming over te zenden En vermits de vorst Eenelyk van de naam en titul spreekt dog van de smnessie zelfs geen gewag maakt en zig be„ roept op de gewoonte, dat de oudste zoon de waardigheijd van Pangerang Adipattij Anom bekleed mitsgs het opperhooft van stralendorf mij betuijgd heeft, dat Maas said, die niet meer aan den titul van Pangerang Adipattij voerd, zijn ver„ wordering tegens Hem te kennen had gegeven, dat de kei„ ser zoo lange wagten, met desselfs oudste zoon tot pange„ „rang Adipattij Anom te verheffen kan ik daar int hans geene onaangenaame gevolgen voorzien, en insteere overzulks dat uwe Hoog Edelheden, de verzogte toestemming daar toe ook nu gelieven te geven waar by ik verpligt ben nog te voe„ „gen des keijzers verzoek om tegen betaaling te moogen er„ „langen, zoo veele lange scheeps reegens, of zoo genaamde Flampers die hier niet voor handen zyn, als uwe Hoog Edelheeden Gelieven af te staan, om daar mede zijn vaste voetknegten die Een duyzend man sterk zijn, en waar van nog maar 300: koppen met zulke deegens zyn voorzien, ver„ der te wapenen Ik heb by mijn onderdanige van den 5 Juny 1714: de vrij heijd gebruikt uwe Hoog Edelheden kennisse te geven dat het toen niet lang bevoorens, aan den sulthan in geschenk gezonden, persiaons Iaard, Een vos zijnde die de vorsten van weegen Haare. 779 Van Iavas. Oostkust den: 17: April 1775- Haare voor ouders niet bereiden mogen, van geen ge„ bruijk was, en seedert steeds in het vrindelijke ge„ tragt van de hand te wijzen, zijne instantie, om een persiaans paard van een andere Couleur maar nw onlangs met een ernstiger verzoek door het opper hoofd van Rhijn daar om, om een paar fraaijk pistoolen tot Een poessakka ofr gedagtenisse van zijn Hoog Edelheijd den Heere Gouverneur Generaal, en om Een paar Jonge overwalsche slavinnen opgekomen zijn„ de, vinde ik mij verpligt het Een en ander voor te„ dragen, of het uwe Hoog Edelheeden mogte behaagen den snethan, om shum in Een goeden luim te houden met Een persiaans paard, En Een paar pistoolen te beschenk en latende ik hier om zien na Een of twee sla„ „vinnen, om Hlem die toe te zenden, gelijk ik in het voorleeden in dit Jaare, rieds drie stuks gedaan hebbe van de welke slij en Een aangehouden, en twee die Hum niet beveilen terug gezonden heeft De perzoonen die in het voorleden Jaar Een brief van pangerang Bintoro te Banda, aan Pangerang Aria Mancoenagara te solo, hadden besteld, hier alle drie bij den Adipattij van Samarang, onder wien dezelve F: 178 og ver„ v het Van Iavas oostkust den 17: April 1775 dezelve in bewaaring waaren gesteld, overleden zijnde, kan ik niet voldoen aan uwer Hoog Edelheeden g'eerde ordre om slem ter verbanning naar Cailon over te zenden Met relatie tot het Conquest Balem boangang, heb ik de eere uwe Hoog Edelheeden te bedeelen, dat de for„ tjes te Banjoewangie en te Calie Boentoa bij de hoek van Packum, tans voltroijd en bezet en die te oeloe„ Pampang en te Catta geheel zyn gedemolieerd, dat de situatie van Banjoemangie schrijft den resident schophoff mij bij missive van den 22: Maart aan de verwagting beantwoorde, en de dienaaren die 'er zeek gekoomen waaren, gezond wierden en dat ik qualifi„ catie verleend hebbe, om Eenige offecieren van de oos„ tersche militairen die nu te missen waaren af te dan„ ken, en daar en teegen. 1: Capiteijn Lemtaiand 2: Leuijtenandst 3 Vendrigs 8 sergeant 10: Corporaals, en 132: soldaaten 156: koppen te zamen nog voor Eerst, of dat dat men de Europeesche krijgers 781 Van Iavas Oostkust den 17: April 1775. krijgers daar kan versterken aan te houden, ter meede bezet„ ting en wagthonding te Banjoewangie Calie Roventoe, keta„ pang en Cadjagang, en om geemploieerd te worden, als de voorgenomen expeditie tegen Noessa voortgang hebben zal waar na den gantschen oosthoek verlangd, en waar toe Eenige Madureesche Sumanapsche en Javasche hulplroupen uit de dis tricten van passourouang Banger en Bangel, met de nodige inlandsche vaartuijgen tot shun transport gereed gehouden wor den en dus het wagten maar is, na de door uwe Hoog Edelhee„ den beloofde Europeshe Coldaaten om dewelke, en Eenige zee„ vaarende ik alweeder de vrijheijd neeme met de meeste na„ druk Eerbiedigst te verzoeken, wijl blykens de nevens „gaande Generaale sterk te onder ultimo Maart 198 Ge„ meene soldaaten aan de vaste bepaaling hebben giman„ gueerd, en men by aanhoudentheijd in de noodzakelijkheijd blyft, in de nieuwe conquesten veele Lasten te dragen, die anders te monageeren zullen weesen en insonderheijd om de oostersche militairen in dienst te houden, tot dat die van Noessa zullen weesen gesubmitteerd, en men weest wat uijtslag 7: „

NL-HaNA_1.04.02_3445_0850 view scan ↗

English

From Java's East Coast: 17 April 1775. outcome the affairs on that island will have, all the more now that, according to the statement of a Balemboang youth, whose account accompanies this under E: E: in copy, the chief rebel Bappa Endo is said still to be roaming around in the wilderness thereabouts, and this man, for whose tracking down I have given further orders, will certainly appear again if he sees the opportunity favorable for him to gain a following once more among his superstitious countrymen and to join forces with those of Noessa. Meanwhile, the detachment of European and native warriors determined by Your Right Honourables' highly esteemed missive of 13 December 1773 as a guard for the Regent Wiero Goeno remains excused, and the borders between eastern and western Balemboang have been established according to the arrangement approved by Your Right Honourables; and the chiefs of Djimber, Pradjek, Contong, and Sabrang having all been issued their deeds as such with the title of Mantrie, each of them has also individually further promised to deliver the produce of the land to which they had bound themselves. 783 From Java's East Coast: 17 April 1775 In accordance with Your Right Honourables' orders, I charged the officials in the Eastern Salient with the public auction and leasing of the harvesting of birds' nests in the districts of Balembouang, Lamadjang, and Malang. However, according to a separate letter from Commander Luzac dated 14 March (annexed hereto under Z: P:), because of the reasons cited therein, no interested parties came forward or could be found. I therefore knew no better course than, by my reply of 7 April (vide under Z: G), to authorize the aforementioned Commander to leave that harvest to the respective Regents, each as far as his territory extends, until such time as it is deemed otherwise, provided he ensures that others do not avail themselves of it, have the harvest done, and take for themselves the profits of something that is ceded to the Regents in order to encourage them and accommodate them; which I hope will meet with Your Right Honourables' approval. Regarding the provisions of rice and cattle supplied by the Regents of Passourouang, Bangil, and Banger since 1767 to the Company's garrison at Malang and Antang, which according to the statement of Commander Luzac amounts to six hundred and five rixdollars in money, authorization has been granted to pay that amount and charge it to the account of the expedition; and likewise to supply directly on behalf of the Company henceforward the regular rations to the garrison at Malang—that of Antang having already been withdrawn for some time—consisting of 1 sergeant, 1 corporal, and twenty privates, being for one month: 840 lb rice, 31½ kannen arrack, and 9 kannen lamp oil. Through God's goodness, the rice crop here in the east up to and including Joana is still standing very flourishing, and thus far still promises a rich harvest, being moistened daily by fertile rains; but in the west, and particularly in the districts of Tegal, Pamalang, and Brebes, they are beginning to complain heavily of a lack of rain and water to irrigate the fields. And in the Eastern Salient, according to the Sourabaija missive of the 6th of this month (an extract of which is annexed hereto under Z: H:), there was not only the direst anxiety for the crop, but they also feared the field mice, which were said to have appeared in the Grissee and Passourouang districts From Java's East Coast: 17 April 1775 and other districts around there; but with whose extermination, Resident Domis writes to me in a letter of that same date, matters went according to wish. Upon these reports, I immediately deemed it necessary, by a circular letter respectfully enclosed herewith in copy under E: I:, to recommend to all the Regents in the Company's rice-producing districts all possible precautions against these voracious vermin, and to eradicate them where they already are, along with a recommendation to take timely care for the fulfillment of their arrears and contingents. Meanwhile, the Sourabaija officials had already been written to by letter of 24 March that the interdiction against the export of rice and paddy to places other than Batavia, Amboina, and Banda was still maintained. And as Your Right Honourables also wish to persist in this, according to general letters of 31 March passed, received here only on 15 April, that prohibition was also renewed everywhere in the strictest manner by a circular of that same day; and beforehand the order was renewed to report specifically from time to time the state of the rice crop, as well as from month to month how much of that grain has been transported by private individuals to Batavia. The Captain of the Dragoons and First Resident at the court of the Emperor at Soura Carta, Fredrik Christoffel van Straalendorff, having requested of me the forwarding of his petition in which he solicits Your Right Honourables that, in consideration of his long service and [illegible], his salary may be increased to ƒ 100 per month under a new contract of three years, I find myself obliged to support that request in the strongest terms and humbly to request of Your Right Honourables that 785

Dutch transcription

Van Iava's oostCust: den 17 April 1775. uijtslag de zaaken op dat Eiland hebben zullen te meer nu volgens de opgave van een Balemboangsche jongeling Wiens relaas in Copia desen onder E: E: verzeld de hoofd „rebel Bappa Endo daar om streeks in de wie dernissen nog zoude rond swerven en dezen om welke opte speuren ik nadere ordre gegeven heb zeker weder te voorschein komen zal als blij de gelegentheijd voor Hem gunstig ziet, onder zyne bygelrovige Landslieden, weder aan„ hang te maken en met die van Noessa te zamen te scammen Het bij uwer Hoog Edelheeden veel geagte mis„ sive van den 13 december 1773. bepaalde Commando Euro „peesche en inlandsche krijgers tot Eene wagt by den Regent Wiero Goens blijft ondertusschen g'excu„ seerd, en de grenssen tusschen ooster in Wester Balem boangang na de door uwe Hoog Edelheeden goedkeurde schitking dast ge„ „steld, en aan de Hoofden van Djimben pradjak an Contong en sabrang, Haare actob alle zodanig met de titul van Mantrie afgegeven zynde hebben zy ook ieder voor zig nader beloofd te zullen opbrengen de Lands produiten waar toe zij zig ver„ „bonden hadden. r et C ƒ „ 8 „ 783 Van Iavas Oostkust den 17: April 1775 Het publicq opveilen en verpagten van den inzaam den vogel„ nesses in de districten van Balem boungang Lamadjang en Malang heb ik ingevolge uwer Hoog Edelheden ordre daar toe de Bediendens in den oosthoek opgedragen, maar vol„ gens apart schryven van den gezaghebber Luzac de dato 14 Maart (onder Z: P: hier nevens om de daarbij aange„ „haalde redenen, gaen Liefhebbers daar toe opgekomen of te vinden geweest zynde, heb ik er met beter op ge„ weeten, dan bij mijn antwoord van den 7: april vide onder Z: G den gezaghebber voormeld te qualificeeren om dien inzaam aan de Regenten respective, ider voor zoo verre zijn territoir sterkt, overtelaten, tot tijd en wijle anders goed gevonden word, mits wel toeziende dat andere sig daar van niet bedienende, den inzaam la„ ten doen en na zig nemen de voordeelen van iets dat aan de Regenten om shem op te beuren en te gemoed te komen word afgestaan 't geen hoop ik de goedkeuring uwer Hoog Edelheeden weg dragen zal De verstrekkingen van rijst en vee door de Regenten van Passourouang, wangil in Banger sedert vi67 an 'sCompag„ nies mis bezetting te Malang, en Antang gedaan, volgens op„ „gave van den gezaghebber zuzac ryksdaalders ses Hondert vijf, in gelde bedragende heeft men qualiffica„ tee gegeven, om dat bedragen afte betaalen en ten Las„ ten der Expeditie te brengen, en zoo meede om aan de bezitting te chalang zynde die van Antang al Eenige tijd ingetrokken geweest bestaande in t sergeant 1 Corporaal en twintig gemeene voortaan direit van weegen de Compag„ „nie te verstrekken de ord„re randsoenen zynde voor Een maand 840: lb rijst 31½ Kannen Arak , en 9. kannen Lamp olij: Het rijst gewasch staat door Geds goedheijd, hier in om de oost tot Joana inclusive, nog zeer florisant, en beloofd dus verre nog een rijken oogst wordende dagelijks door groegj zaame regens bevagtigd, maar om de west en in sonder„ „haid, in de aistricten van tagae Pamalang en Brebes bee„ gunt men sterk te klagen over gebrek aan regens en wa„ ter om de velden te besproeijen, en in den oosthoek, baarde volgens sourabaijasche missive van den 6: deser maend genag trait onder Z: st hier neevens niet alleen bedroigste mede bekommening voor het Gewasch maar vreesde men ook voor de Velduusen, die waar in 't Grisseesche en passourouangsche Van Javas oost kust den 17: April 1775 En 14 Van Iavas oostkust Den 17: April 1775 en andere districten daar om heen zouden hebben vertoond, dan met welkers introeijing schrijft de resident Domis mij byj brief van dien zelfden datum, het na wensch ging ik heb op dese berigten direct nodig geagt, bij Cerculaire brieff onder E: I: desen in Copia Eerbie„ dig bygevoegd, alle de regenten in sCompagnies ryst gevende distrc ten, alle mogelyke voor behoedsels tegen dit verslindende ongediente aan te beveelen, en om waarze reeds zyn utterdeijen, met recom„ mandatie teffens om in tijds zorge te draagen voor de voldoening Hunner agterstallen en Contingenten, terwijl de sourabaijashe bedien„ dens al by brief van den 24 Maart aangeschreeven is geworden, dat de intenductie tegen den intvoer van ryst en paaij naar andere plaetsen dan Batavia amboina en banda nog stand hield, en wijl uwe Hoog Edelheed en daar ook bij gelieven te presisteeren bij gemeene Letteren, van den 31 Maart passato den 15 april hier Eerst ontfangen heeft men ook nog bij circulaire van dien zelfden dag, dat verbod alomme op het scherfoste vernieuwd, en albevoorens de ordre vernieuwd om van tijd tot tijd den staat van hat rijst gewasch, mitsg„s dan maend totmaend specificq op te geven hoe veel van dien korl door particuliere naar Batavia is vervoerdt. Den Cipitein den dragonders en Eersten resident aan het hoff van den keijzer te souna Canta Fredrik Christo / fel, van Staalendor f, mij voort„ „zending verzogt hebbende van zijn request waar bij Mij uwe Hoog Edelheeden solliciteerd, om in't Consideratie van lange tijds en piralie in gagie temogen worden verhoogd tot ƒ 100: ter maand onder Een nieuw verband van drie Jaaren, zoo vinde ik mij verpligt die instantie op het kragtigste te appureeren en uwe Hoog Edelheeden onderdanig te verzoeke dat H 785.

← previousnext →