VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3445

Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3445_0391 view scan ↗

English

From Ternate, 28 July 1775 Wherefore he requested me, in the presence of the translator Hemmekam, that Prince Ahmat might be placed under arrest in the castle and furthermore sent with the ship Vlissingen to Batavia, at the disposal of Your High Excellencies. Although the spiteful and rebellious nature of the aforementioned Prince was by now not unknown to me either, I nevertheless initially advised the king not to proceed to extremities just yet, but rather to bear with him until this matter had been written about to Batavia and Your High Excellencies' orders regarding this had arrived. But the king gave me to understand in very urgent terms that he knew Ahmat too well to believe that he would stop at the committed misdeeds, so that, in His Highness's opinion, through an all too great leniency one would only give him cause to augment his crimes by committing others, and perhaps even to attempt on his life. Wherefore the king again requested of me that his request be granted and this restless Prince, who daily causes him such great torment, might be banished from the country, at the same time undertaking to send me the persons who, by order of Prince Amat and out of fear of his threats, had put the aforementioned slaves to death; from which people the king said I would be able to learn in more detail about the committed murders alongside other atrocities of Prince Ahmat. This happened a few days later, and the three persons who are said to have carried out the murderous order of the aforementioned Prince were interrogated on the 6th of this month regarding the circumstances of this case, in the presence of myself and the Secunde Meurs, by the translator Hommekam, who drew up a kind of official report thereof, which I have the honor to present to Your High Excellencies in originali under No. 13, over and above two other reports which also both relate to this affair, and which papers are now likewise being sent under numbers 14 and 15. The substance of Hammekam's report, containing the examination of these persons, all three Ternatans by birth, agrees in most points with the account I have given of this case, so that I will only add here that Prince Ahmat continues flatly and firmly to deny having any guilt or being complicit in the committed murder of the king's slaves, while protesting to be equally innocent of the death of a certain slave of the former Captain of the Chinese Ong Djamko, who was killed a few years ago not far from this castle and with which murder the aforementioned Prince has also been charged. However little reason I may now have to doubt the king's words, and however probable, on the other hand, the accusation against Prince Ahmat may be, I nevertheless think that the crime has not been fully proven against him. But since his rebellious conduct is well enough known here, I made no difficulty in granting the king's repeated entreaties and sending the aforementioned Prince Ahmat with the ship Vlissingen to Batavia, very humbly requesting Your High Excellencies in His Highness's name to banish him elsewhere and never let him return to Ternate; the king having furthermore also offered to let the Prince enjoy one hundred rijksdaalders annually for his maintenance from his recognition monies, regarding which I soon look forward to Your High Excellencies' revered decisions, in the hope that my conduct observed in this affair may fully carry Your High Excellencies' highest approval. Meanwhile, I shall have the honor dutifully to report to Your High Excellencies that the extract from the minutes of Your High Excellencies' resolution of 4 November of the past year concerning the arrears of the former Gorontalo Resident Houque has been delivered to the trade employees, with orders to proceed according to Your High Excellencies' resolutions. I need not inform Your High Excellencies that the denial of the requested release from the suretyship pleased the sureties less than Your High Excellencies' gracious decision to have retained both half of the salary of the aforementioned Houque and of his shopkeeping income at Makassar; for which I have been ordered to express the humblest thanks to Your High Excellencies in the name of the aforementioned sureties, which duty I likewise fulfill as being an interested party therein, in the hope that Houque's deficit may soon be settled by this means and the collective sureties may be indemnified through Your High Excellencies' good care. With the collection of these arrears in Gorontalo, matters are, to our regret, not proceeding very favorably, for although we continually urge the king, Mons Arfa, as well as Resident Mol to make the debtors pay over there, nevertheless, since my secret letter of 9 July of the past year, no more has come in than 760.17 rijksdaalders in collected debts from native debtors. In addition, Houque is further credited for two other entries, being firstly for

Dutch transcription

347 Van Ternaten den 28 Juli 1775 59 alwaarom hij mij in presentie van den Translateur hemme„ „kam versogt dat Prins Ahmat in 't casteel in arrest mogte werden geset en wijders met het schip vlissingen na Batavia versonden ter dispositie van uw hoog Edelheeden. hoewel het wrevelig en oproerig naturel van meermelde Prins mij nu meede niet onbekent was hebbe ik egter den vorst in 't Eerst geraden om nog tot geen extrimiteijten over te gaan maar het liever nog to lang met hem in te sien tot dat hier over na Batavia geschreeven en uw hoog Edelheedens beveelen dees wegens souden sijn ingekomen dog de voast gaf mij in seer dringende termes te verstaan hoe hij Almat te wel kande om te gelooven dat hij het bij de gepleegde enveldaden soude laaten steeken, soo dat men hem na sijn hoogheits gevoelen door een al ter groote in kchikkelijkheit maar aanleiding soude geven om sijne misdaden door het pleegen van andere te vergrooten en misschien wel op sijn leven toe te leggen weshalven de vorst als nog aan mij versogt dat sijn versoek ingewilligt en dese onrustige Prins die hem dagelijks zoo groote quelling veroorsaake van het land gebannen mogten werden teffens aanneemende om mij de persoonen toe te senden die bewuste slaaven, op Prins Amats bevel en uit vreese voor desselfs areigemonten der dood hadden gebragt van welke menschen .. - de vorstseijde dat ik de begaane inworden nevens nog andere gauweldaaden van Prins Ahmat omstandiger soude kunnen vernemen Dit is weijnige dagen naderhand geschied en de drie persoonen die het moorddadig bevel van meermelde Prins ten uitvoer souden hebben gebragt sijn op den 6. deeser in preesentie van mij en de secunde Meurs na de omstandigheeden van dit geval door den translateur hommekam ondervragt die daar van een soort van verbaal heeft opgemaakt 't geen ik de Eene hebbe uw hoog Edelheeden sub N 13. in originali aan te bieden buiten en behalven nog twee andere rapporten die ook beide relatie hebben tot deese affaire en welke papieren thans van desglijken werden overgesonden onder de nimmers 1:4. en 15. het sakelijke van hammekams verbaal behelsende de ex am„ „natie deeser persoonen alle drie fullaneesen van geboorte komt in de meeste poincten over een niet het relaas t geen ik van dit geval hebbe gedaan soo dat hier maar sal bijvoege„ dat Prim Ahmat-fort en forme blijft ontkennen van schuld te hebben of medepligtig te sijn aande begaane moord van Mintes slaven met betuiging van even onschuldig te sijn aande dood van seekere slaem: van den geweesen Capitain der Chineesen 2 C ong DJamko die voor Eenige Jaeren niet verre van dit Van Ternaten den 20:' Juli 1775 Casteel „ bt 349 Van Ternaten den 20 Juli 1775 — Casteel is omgebragt en met welke woord meermelde Prins ook is betigt geworden: hoe weinig reden ik nu ook hebbe om 's konings gesegden te vesenken en hoe waarschijnlijk daer en tegen de beschuldiging tegens den Prins Ahmat ook mag sijn denke ik egter dat de misdaad hem niet ten vollen is beweesen dan dewijl zijn opvoerig gedrag hier genoeg bekent is hebbe ik geene swa„ righeid gemaakt om s konings herhaalde instanties in te willigen en meermelden prins Akmat met het schip vlissingen na Batavia te versenden uw hoog Edelheeden uit sijn hoogheits 3 -. naam seer ootmoedigst versoekende om denselven naar elders . te verbannen en oiimmer onaer Ternaten te rug te laten keeren hebbende de vorst wijders ook laaten aanbieden om den Prins tot Jaarlijks onderhoud honderd rijksd„s uit sijne recognitie pen„ „ningen te laten genieten waar over ik uw hoog Edelheedens gevenereerde dispositien eerlang te gemoet sie in hoope sijnde dat mijn gehouden gedaag in deese affaire hoogst denselver 1 goedkeuringe ten vollen mag wegdragen. „ ondertusschen sal ik de Ere hebben uw hoog Edelheeden schuld„ pligtig te melden dat het extract uit de notulen van hoogst derselver resolutie van den 4. November anni passati wegens het agterstal van den geweesen Gorontaals resident houque aan de vernemen van buiten te ld van de eeten de negotie bedienden is afgegeeven met ordre om na uw hoog Eaelheedens besluiten te werk te gaan. Ik behoeve uw hoog Edelheeden niet te verwittigen dat de ontsegging van de versogte ontheffing der borgtogt te borgen 3 minder heeft behaagt als hoogst derselver graticus besluit om soo wel de helft den gagie van gemelden houque als van sijne win„ keliers inkomsten op macasser te laten inhouden waar voor ik gelast ben uw hoog Edelheeden uit naam van boven gemelde borgen op 't needrigtte dank te betuigen welke pligt ik als daar meede bij geinteresseert sijnde van des gelijken aflegge in hoope dat houques te kort komet eerlang door dit middel vereffent en de gesamentlijke borgen door uw hoog Edelhedens goede voorsorg schadeloos gestelt mogen werden. Met de inpalming van dit agterstal gaat ht op gorontalo tot ons leedweesen niet seer voordeelig want hoe wel wij den koning. Mons Arfa soo wel als den resident Mol onophoudelik aanspooren om de Debiteuren ginter te doen betalen is er nogtans sedert mijne secreete missive van den 9 Juli anni passati niet meer in gekomen als rijksdaalders 760. 17 aan ingevorderde schulden van inlandse Debiteuren Daar en boven is houque nog gecrediteert voor twee andere posten als Eerstelijk Van Ternaten den 28 Juli 175. voor

NL-HaNA_1.04.02_3445_0395 view scan ↗

English

From Ternate, the 20th of July 1775. for the wages of some debtors who were indebted to him, since these were debited for this on their pay accounts, and then also for an amount of 655 rixdollars, 21 stuivers, and 8 penningen, with which Houque's pay account was provisionally debited according to the secret council resolution of the 14th of August 1773, but from which he was relieved again pursuant to the secret resolution of the 17th of June, on the grounds that the aforementioned Houque had already been debited in the trade books under the general Gorontalo deficit for the last-mentioned amount arising from the missing funds in his Gorontalo administration. And through these three discharges, the remaining debt of Houque is once again reduced to such an extent that the entire arrears today do not amount to more than 2186 rixdollars and 8 stuivers, which remainder we shall seek to collect by all possible means. Meanwhile, it is my hope that both the annexed description of the Ternate Imperial Points and my reflections concerning the reduction of expenses may give Your Noble Excellencies some satisfaction. Wherewith I have the honor to commend Your Noble Excellencies' illustrious persons to the sole safe keeping of the Almighty, while with the deepest high esteem and veneration I remain, underneath stood: Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed, Valiant, Very Wise, Provident, Discreet, Very Generous Lord and Noble Lords; lower: Your Noble Excellencies' very humble and faithful servant, was signed: P. F. Valckenaer. In margin: Ternate in Fort Orange, the 20th of July 1775. From Ternate, the 20th of July 1775. Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed, High-born Lord and Noble Lords. After I was requested by Your Noble Excellencies' very honored secret letter of the 24th of November of the past year to supply my considerations on both documents containing the means for the reduction of the overhead in this government, which the Noble Councilors Breton and Craan have submitted to the Illustrious High Indian Assembly, with further orders sent to me to specify which posts here, according to my thoughts, could be abolished or abandoned, I immediately applied myself to satisfy Your Noble Excellencies' intention, to which end I have attentively read and considered the above-mentioned writings or advices. Since Your Noble Excellencies grant me permission to express my sentiments on our highly necessary reduction with frankness, I find myself obliged to declare in all sincerity that I have found the points and proposals made by these two high regents to achieve this objective so well-founded that, in my opinion, the substance of their Noble Honors' propositions cannot be improved upon at all, much less refuted by other arguments. In addition, these gentlemen have spared no effort to examine both the main points and the least significant posts for the alleviation of the burdens, to such an extent that, although having served the Company for almost twelve years in the Moluccas, I do not consider myself able to add anything substantial to their labor. May it therefore please Your Noble Excellencies to consider my brief remarks, which I shall set down here in compliance with Your Noble Excellencies' command, as nothing other than an annex to the elaborate advices of the repeatedly mentioned gentlemen, who, as far as I can see, both agree on this point: to reduce the heavy expenditures of this government by abolishing all superfluous overhead and all such posts and fortresses of which the slight utility is clearly enough demonstrated by the gentlemen writers. The sentiments of these two gentlemen differ nevertheless, as it appears to me, regarding one point, since the Noble and Valiant Lord Breton is of the opinion that trade in Gorontalo and Kwandang ought to be continued on the present footing, whereas the Noble and Valiant Lord Craan believes that to achieve the intended objective, trade in these regions must be limited, to which end his Honor proposes to reserve only the trade from Ternate to Manado and vice versa for the account of the Company, but to relinquish all further traffic to the other places and islands of the Moluccas, Gorontalo, and the entire northern coast of Celebes, not even excepted, to private individuals. Hereupon I take the liberty to remark that this manner of conducting trade almost exists here in this manner, for in most places and islands of the Moluccas, private inhabitants trade with linens which they are for the most part accustomed to buy here from the Company, these private traders being only prohibited from sailing to the gold-yielding stations of Gorontalo and Kwandang, as well as to Kaidipang, Bolaang Mongondow, and all other places where gold mines are found, to which the sailing remains interdicted to all private merchants according to a constant custom.

Dutch transcription

be 351 Van Ternaten den 20:e Juli: 175 voor de gagies van sommige debiteuren die aan hem schuldig sijn geweest vermits dese daar voor op hunne soldij reke„ „ningen sijn belast en dan nog voor een bedragen van rd=s 655: 21. 8. waar mede houques solaij reekening volgens secreet raads besluit van den 14. augustus 173 bij provisie was beswaart dog waar van hij ingevolge de secrete resolutie van den 17 Juni weder is ontheft ter saake dat meer melde houque voor het laast genoemd montant spruntendewegens te kort komende penningen op sijn gorontalse adminis„ tratie reets bij de negotie boeken gedebiteert was geworden onder de generaele gorontaalse te kont komst En door deese drie ontheffingen is de restant schult van houque wederom in soo verre vermindert dat het geheele agterstal op heeden niet meerder kromt te bedragen als rd„s 2186: 8:— welk restant wij door alle mogelijke middelen sullen sien in te vorderen. Middelerwijl is mijne hoope dat soo wel de hier nevens gevoegde beschrijvinge van de Ternaatse Rijks Puincen, als mijne bedenkingen wegens de vermindering der Lasten uw hoog Edelheeden Eenig genoegen mogen geven. waar 1 waar meede ik de eere hebbe uw hoog Edelheedens Illustre Persoonen in de alleen veilige heede des Allerhoogsten te be„ veelen terwijl ik mijne Met de diepste hoog agting en ve„ vnieratie noemre /:onderstond:/ hoog Edele gestrenge groot Agtbaare Manhafte welwijse voorsienige Discreete zeer genereuse heer en wel Edele heeren /:lager:/ uw hoog Edelheedens z aer onderdanige en trouwschul„ „dige Dienaar /:was geteekend:/ P: F: valckenaer /:in margine:/ Ternaten in 't Casteel Orange den 20. e Juli 1775. Van Ternaten den 20' Julij 175 — Hoog 65 353 Van Ternaten den 20:' Julij 175. Hoog Edele Gestr: Groot Agtb: wijd geb:t her en Wel Edele Heeren. Na dat wij bij uw hoog Edelheedens seer gevenen eerde set ree„ te letteren van den 24. november anno passati gedemandeert. was hoogst deselve mijne Consideratien te suppeciteeren op de beide schrifturen behelsenden de middelen tot vermindering van den omslag in dit gouvernement die de wel Edele heeren raden Breton en Craan in de Illustre hooge indiase ver„ „gadering hebben ingedient met verdere aan ruij toegesondene ordre om op te geeven welke posten alhier na mijne gedagten ingetrokken of verlaten souden kunnen werden hebbe ik mij direct toegelegt om aan uw hoog Edelheedens intertie te voldoen ten welken einde ik de bovengemelde schriftuuren of advijsen met aandagt hebben gelesen en overwogen. dewijl uw hoog Edelheeden mij vergunnen om mijn ge„ voelen over onse hoog noodige vermindering vrijmoedig te uit ten vinde ik mij verpligt om in opregtheid te verklaeren hoe ik de poincten en voorslagen die tot bereiking van dit schul dit oogmerk door deese twee horge regeriteer sijn gedaan soo wel gefundeert hebbe gevonden dat het hoofdsakelijke van hun wel Edelen stellingen mijns beduinkius geensints verbetert veel min door andere bewijs redenen wederlegt sal kunnen werden. Daaren boven hebben dese heeren sig geen moeijte ontzien om soo wel de hoofd poincten als de geringste posten tot verligting der laesten te ondersoeken en soo verre dat ik hoe wel de Compagnie nu bij kans twaalf Jaren, in de Moluwos hebbende gedient mij niet in staet k enne iets wesentlijks bij hunnen arbeid te voegen. het behaage uw hoog Edelheeden der halven om mijner korte aanmerkingen die ik in op volging van hoogst derselver bevel hier ter neder sal stellen niet anders te considereeren als een Aanangsel op de door wrogte Advijsen van meermelde heeren die voor soo veel ik kan nagaan hier in beide over een komen. om de swaere ongelden deses gouvernements te verminderen door het intrekken van alle den overbodigen omslag en van alle sulke posten en fortres waar van het geringe nit audelijk genoeg door de heeren schrijvens werd aangetoont. De sentementen van deese beide heeren verschillen nog„ tans soo het mij voorkomt omtrent een aan den perinct dewijl de wel Edele gestrenge heer Burton van gedagten is Van Ternaten den 20 Julij 1775 dat 67 355 Van Ternaten den 20' Juli 1775. dat de handel op gorontato en quandang op den preesente„ voet dien te continueeren daar de wel Edele gestrenge heer craan vermeent dat tot bereiking van het bedoelde oogmerk de handel in deese gewesten wanneer bepaald moet werden ten welken eijnde sijn wel Ed:e proponeert om alleen den handel van Ternaten op Manado en vice versa voor reeckening van de compagnie gereserveert te laeten dog de geheele verdere trafiek op de andere oplaatsen en eilanden den Molucos gorontalo en de geheele noord Cust van celebes selfs niet uit gesondert aan particuleeren af te staan. hier op neeme ik de vrijheit aan te merken dat dese manier van handel drijven hier bijkans in diervoegen stant grijpt want op de meeste plaatsen en eilanden der Moluros werd door par„ ticulieren ingesetenen gehandelt met lijwaaten die see meeren, deels gewoon sijn alhier van de compagnie in te kopen sijnde deese particuliere handelaars alleen verboden om te vaaren op de goud gevende Comptoiren gorontalo en quandang soo ƒ meede op Candipang Boelang Mogonds en alle andere plaatsen daar goud mijnen gevonden werden waar op de vaart alle particuliere kooplieden volgens een constante gewoonte gein„ tendiceert blijft. Dus wel ln s selver heeren n door alle

NL-HaNA_1.04.02_3445_0400 view scan ↗

English

From Ternate, the 21st of July 1775 Thus, in my opinion, the principal question is now merely whether it is in the Company's interest to maintain the gold-yielding offices, and especially Gorontalo and Kwandang, or to break up both these residencies and the posts subordinate to them, and to cede the trade there to private individuals. I do not presume to decide this question to Your High Excellencies' satisfaction, yet regarding this point I can testify with confidence that the Right Honourable Mr. Craan has, in my opinion, shown very clearly that the greatest part of the gold harvested there is transported by smugglers, while meanwhile the expenses of Gorontalo and Kwandang have increased considerably, which, added to the danger to which those remote residencies are exposed by the roaming pirates, makes the proposal of that gentleman even more acceptable: namely, to abandon these residencies and to grant the trade there to private individuals upon such conditions as have been proposed by His Right Honourable Excellency. This evacuation could not, however, take place without inconveniences, since in my opinion one would have to fear: First: From Ternate, the 20th of July 1775. First, that the people of Gorontalo and Limbotto, who are both cowardly nations, would run the direct danger of being overrun by the Mandarese and Buginese, as well as by the other roaming peoples of Tomini, in case the Company were to evacuate from there, for the fear of the Company's weapons is the only thing that keeps these roamers from doing so. Secondly, one would then have to count on being deprived of the ownership and claim to the lands and mines of Gorontalo and Kwandang, since the new conquerors of these realms would not concern themselves with any protests, much less with the placing of boundary pillars or other proofs of sovereignty. Thirdly, it seems to me that one could then hardly imagine any considerable advantage from the gold harvested there, even if Your High Excellencies were willing to purchase the same from the private traders considerably more dearly than previously, at rixdollars per real; for if the pirates were not to gain the upper hand at Gorontalo and Kwandang, not only would the gold soon become dispersed everywhere, but one would also get to see very little dust gold, as the first act of the owners would be to melt their gold and adulterate it with other metals in order to manufacture buttons, boxes, and all kinds of trinkets from it, on which they make a much greater profit than by trading the natural dust gold, just as Mon Sufa, who is accustomed to mix two reals of silver with every real of gold, knows very well how to turn a profit by disposing of his gold works thus adulterated. Now, if such adulterated gold trinkets were indeed purchased by private traders, they could nevertheless not be accepted by the Company except at the standard of 19 carats, which would be a very heavy loss for such people and would, in my opinion, soon cause such trade to decline. The consideration of these proposed difficulties has made me decide to suggest a middle course to Your High Excellencies which, if it should not persuade Your High Excellencies to maintain the residencies of Gorontalo and Kwandang further, might nevertheless be attempted for a time to experience whether the gold trade through that channel could not be placed upon such a better footing that Your High Excellencies would be moved to postpone the abandonment of our both residencies at least as long as the annual profits on the gold continue to exceed the expenses of these offices by a reasonable sum. From Ternate, the 20th of July 1775. My proposal to achieve this improvement of the gold trade consists in this: that the kings of Gorontalo and Limbotto should be notified straightforwardly, by letters from Your High Excellencies and at the same time also orally by delegates from this Council, of Your High Excellencies' intention to break up both these residencies on account of the decayed gold supply and the damage caused thereby to the Company by the maintenance of these places; that it was nevertheless still up to the kings to make Your High Excellencies desist from this ultimate measure by a literal observance of the convention concluded in the year 1769, whereby the princes of these two realms undertook together to deliver annually 2250 reals of gold as payment to the Company; with the further notification that in default thereof they must count on Your High Excellencies not letting it remain at mere threats, but having the abandonment of those residencies proceed without delay. I cannot refrain from adding here that in case Your High Excellencies should decide on the Gorontalo

Dutch transcription

Van Ternaten den 21 Juli 1775 Dus is mijns. bedunkens de voornaame vraagen nu maar af het met sComp: intrest over een komt om de goud gevende Comptoir„ en wel insonderheit gorontale en quandang aan te houden aan wel deese beide residentien en de daar onder gehoorende posten op te breeken, en den handel daar op aan op articulieren aftestaan Ik vermete mij net deese questie ten genoegen van uw hoog Edelheeden te sullen decideeren dog ik kan egter wegens dit poinit met gerustheid betuigen hoe de wel Edele heer Craan mijns bedunkens seer duidelijk heeft aangetoond dat het grootste gedeelte van het aldaar vallende goud door sluikhandelaaas werd vervoert daar ondertusschen de lasten van gorontalo en mandang merkelijk toenamen het welk gevoagt bij het gevaar waar aan, die vergelegene residentien door de tomsewervende roven geexponeert sijn het project van dien heer nog aanneemelijken maakt om namentlijk deese residentien te verlaten en aen handel daar op aan particulieren te vergunnen op sodanige Conditioen 4 als door sijn wel Edele gestrenge sijn voorgeslagen dese op Brake soude egter ook al niet sonder inconvenienten kinneen geschieden aangesien men mijns bedunkens als aan te dugten soude hebben. Eerstelijk 69 357. 1763. Van Ternaten den 20:' Juli 175. Eerstelijk dat de gorontaalders en linbottens die beijde lafhantigi natien sijn direct gevaar souden lopen om door de Mandareesen ƒ Boegineesen Benevens door de verdere Tomminijse vogts volkeren overheent te werden ingevalle de compagne van daar opbrak want de vreese voor 's Compagnies wapenen is het eenigste dat dese swervers daar van werhoud Ten Tweeden soude men als dan vaste moeten staat maken van den eijgendommen en pretendie op de landen en mijnen en van gorontalo en quandang verstooken te sullen sijn vermits de nieuwe conquiranten deeser rijkses sig aan geene protesten veel min aan het stellen van grand pielaeren of andere bewijsen van opperheerschappij souden stoonam Ten derden komt het mij voor dat men sig als dan immer eenig merkelijk voordeel- van het aldaar vallende goud soude kunnen voorstellen al wilden uw hoog Edelheeden het selve ook merkelijk „ duurder als voor heen rd„s het rial van de particuliere handelaars inkopend want de rovens souden op gorontalo en quandang soo daar de overmaagt niet hebben bekomen op het goud soude niet alleen scheelijk alomme verspaeid raaken maar men soude dan ook seer weinig stof goud te sien kuijgen dewijl het eerste werk ƒ „ gens a aas en gevaar novens ndel e en Van Ternaten den 20:' Juli 175 werk van de eigenaars soude sijn om hun goud te smelten en met andere ometalen te vervalschen ten einde daar van knoop jes doosses en allerhande sunsterijen te fabriceeren waar op sij veel grooten profijt hebben als met het verhandelen van het na„ tuurlijke hop goud gelijk Mon Sufa die gewoon is bij ieder reaal goud twee reaalen silver te vermengen sijn voordeel seer wel weet te doen met sijne dies vervalschte goud werken van de hand te setten. Indien nu dusdanige vervals te goude snusteryen van de particuliere handelaars alwierden ingekogt souden deselve nogtans niet van de Compagnie kunnen werden aangenoomen als tegen het gehadte van 19 Caratten dat Een seer swaere schade voor dusdanige menschen sijn en sulk en handels mijns beduu„ „kens schielijk soude doen vervallen. De overweeging. deeser geproponeerde swarigheeden heeft mij doen besluiten uw hoog Edelheeden Een middel weg voor te slaan die soo se hoogst deselve al niet mogt overhaalen om de residentien van gorontalo en quandang verder aan te ƒ handen dog wel eens bij aenhand soude kunnen genomen worden om te ervaren of men den goud handel daar da Canaal niet op ausaanige beteren voet soude kennen brengen dat uw hoog Edel„ heeden beworgen wierden om de op braake onser beide resi„ dertig 359. Van Ternaten den 20 Jul: 175— dentien ten minste nog so lang uittestellen als de Jaarlijkse winste op het goud de lasten deser Comptoiren nog met Eene tamelijke Somma quamen te overtreffen Mijne propositie om dese verbetering van den houd handel te beneiken bestaat hier in dat de koningen van gerontato limbotto bij brieven van uw hoog Edelheeden en teffens ook mondeling door gecommitteerde uit deesen raad sonder bewimpeling kennis diende te werden gegeeven van hoogst derselver voorneemen om deese beide residentien om te breeken wegens de vervallene goud leverantie en de daar door veroorsaakte schade van de Compagnie door het aanhouden deeser plaatsen dat het egter als nog dan de koningen stond om uw hoog Edelheeden van dit ulterese te doen afsien door eene letterlijke op volging van de geslotene conventie in den Caau 1769 waar bij de vorsten deesen beide reijkjes hebben aangenoeme om te saamen jaarlijks 2250 realen goud voor betaling aan de compagnes te sullen op drengen niet vordene te kennen gave dat sij bij onstentenisse van dien vast staat moesten maken dat uw hoog Edelheeden het niet bij enkelde dreigementen zonder laten verblijven maar de opbraatie dier residenten . sonden vander aelaij voortgang laaten neewen. Ik kan niet nalaten van hier nog bij te voegen dat ingevalle uw hoog Edelheeden mogten besluten van de gouontaalse 7 heeft aalen ante de

NL-HaNA_1.04.02_3445_0404 view scan ↗

English

what the garrison has consisted of since the relocation of the year 1765 at Quandang. Of the other expenses that Quandang has caused, I shall not even speak, since the cited points in my opinion demonstrate sufficiently the necessity of forcing the Limbotto people to depart for their old and healthy negorij Limbotto, should Your High Nobilities be inclined to maintain the residency. I likewise need not further demonstrate to Your High Nobilities that the aforementioned two little realms are easily capable of producing the above-mentioned quantity of gold; therefore, on this subject I will only say that if any coercive means will ever induce these petty kings to fulfill their promises, whether willingly or grudgingly, it will certainly be through such a threat of abandoning them, since they are very fearful of this, being assured that they would then be entirely exposed to the vexations of their enemies. If, however, the experience of some years were to teach us that this means was also fruitless, then, notwithstanding the difficulties previously raised by me, I would, with the Right Honorable and Stern Mister Craan, From Ternate, the 20th of July 1775 be of the opinion that it would be most profitable to withdraw the residencies of Gorontalo and Quandang, and to be content with the purchase of gold which, pursuant to His Honor's proposal, could be collected there by private traders, in so far as this metal of the required standard of 19 carats were obtainable for a fixed price. Unless Your High Nobilities, in case of abandonment, might prefer to send yearly from here two sloops or pantjallings to Gorontalo and Quandang to have the royal gold available there traded for linens from the native by a capable clerk or other qualified servant, of whom one could be placed on each trading sloop as supercargo, who would also take care to gradually collect the debts that the Celebes kings might still owe in case of abandonment. Yet, if the inhabitants of this Celebes North coast were not so bloodthirsty and false-hearted, and were as gentle-minded and peaceful as many Western Indians, this trade could be managed even more economically; for then one could, without the expense of fortresses or garrisons, place a single servant with one or two clerks as factor at Gorontalo and Quandang to exchange the gold for the Company's account, and this being practicable, it might yield a fine profit to offset the Moluccan expenses; but since this is a chimera that can be more easily devised than executed, I request that Your High Nobilities please not be displeased by this needless digression. As everything concerning the further reduction of expenses has been treated so circumstantially in the writings of the Right Honorable and Stern Gentlemen Breton and Craan that I know of nothing substantial to add by way of redress, I will only remark concerning the withdrawal of the posts that I agree with Their Honors that the posts of Xullabessie, Pariegie on the coast of Celebes, and Gallila on the land of Halmaheira are of so little service that they could well be spared and withdrawn; notwithstanding that the Honorable Mister Breton, in my opinion, rightly observes that the abolition of Zulla Bessie would not greatly please the King of Ternate. Yet, if Your High Nobilities should nonetheless be pleased to approve this abandonment, the displeasure aroused thereby would have to be overlooked, aside from the fact that the monarch might perhaps be brought back into a good humor by some other mark of favor. At Bintavena there is currently no garrison, and the small posts Voorburg and Tolucco, both situated not far from this castle, could also well be spared, were it not that they serve to salute the passing Moluccan kings with shots, and are stationed there in such a manner that I am certain the abolition of these two small forts will not take place without sensible grief to the King of Ternate; the more so because the said monarch places such great confidence in the service that could be drawn from these two strongholds in the event of an enemy visit, that I, if only for this reason alone, would dare to advise Your High Nobilities to maintain these two small forts on the present footing with the few men garrisoned therein. Just as I, under Your High Nobilities' favorable interpretation, am also of the opinion that the remaining posts and strongholds, of which I make no mention here, cannot be withdrawn without fear of substantial inconveniences. At present, the garrisons of the first-mentioned three posts on Xulla Bessi, Parigi, and Gallilla together consist of

Dutch transcription

waar in het ganrcisoen zedert de verplaatsing van den zaere 1765 quandang heeft bestaan. van de andere ongelden die quandang heeft veroorsaakt sal ik niet eens spreeken vermits het aangehaalde mijn be„ dunkens de noodsakelijkheit genoeg aantoont om de limotten tot het vertrek naar hun oude en gesonde negorij limbotto te noodsaeken indien uw hoog Edelheeden gesint mogten sijn de residentie aan te houden. Ik behoeve uw hoog Edelheeden meede net verder te be„ toogen dat meermelde beide reikjes gemakkelijk instaat sijn om de boven gewaagde quantiteijt goud op te brangen dies„ ik op dit onderwerp nog maar sal seggen dat indien eenig arangmiddel deese koning jes ooit sal permoveeren om hunne beloften dan of mal grete voldaangen het sekkerlijk sal sijn door dusdanig areigement van hen te sullen verlaten vermitsze daar voor seer bedugt sijn door de versekering van als aan aan de veraties hunner vijanden ten eenemaal bloot gestelt te sijn Bij aldien nogtans de ondervinding van eenige Jaeren ons quam te leeren dat ook dit middel vrugteloos was aan soude ik niet tegenstaende de bevoorens door mij geopperde swarigheeden met den wel Edelen gestrengen heer Craan Van Ternaten den 20:' Juli 175 — van 75 363. Van Ternaten den 20:' Juli 1775 van gevoelen sijn dat het onbaarste soude wesen de residentien van gorontalo en quandang in te trekken en sig te ver„ genoegen met den inkoop van het goud't geen ingevolge sijn wel Edeles project aldaar door particuliere handelaars konde werden ingesamelt voor soo verre dit metaal van de vereischte gehalte van 19 Caraten voor een gefereerde paijs waare te bekomen Ten sij dat uw hoog Edelheden ingevalle van op braak mogten verkiesen om sjaarlijk van hier twee loppen of Pantjallings na gorontalo en quandang te senden om het aldaar aan handen sijnde hof goud voor lijwaaten van den inlander te laten aanhadelen door een bequaam Pennist of ander eenlijk dienaar waar van op elke handel sloep een als carga geplaatst konde werden die teffen dorg houden om al„ lengskens de schulden in te palmen die de celebese koningen ingevalle van op braake ten agteren mogten staan. Dog bij aldien de bewoonderen van dese celebise Noord cust soo bloedgierig en vals hertig met bestonden en even zagtzinnig en vraedsaam waaren als veele westerse Indianen soude desen handel nog menagieusen kunnen 9 overlegt werden want als aan soude men sonder omslag van Fontressen of besettingen een enkeld dienaar met een â twee vermisten 2aaij Van Ternaten den 20:' Julij 1775 pennisten als Factoor op gorontalo en quandang kunnen plaatsen om t goud voor compagnies rekening in te ruiling en dit practica„ vlel sijnde soude mogen fraaije winst tot goedmaking der Moluccose lasten kunnen op werppen maar dewijl dit een herssen schin is die gemakkelijker kan ontworpen als uitgevoerd werden. versoeke ik dat uw hoog Edelheeden sig over deese noodeloose uitweiding met gelieven te belgen. Alles dat de verdere verminaering der lasten betreft soo omstandig bij de adrijven van de wel Edele gestrenge heeren Brieten en craan sijnde verhandelt dat ik daar niett wesent„ lijks tot redres weete bij te voegen sal ik eenlijk wegen aen„ trekking der posten aanmerken hoe ik met hun wel Edelen van gevoelen ben dat de Posten van xullabessie Pariegie op de Cust van Celebes en gallila op 't land van Halmaheira van soo weijnig dienst sijn dat deselve wel gemisten ingetrokken konden werden niet tegenstaande de wel Edele heer Breton mijns bedunkens te regt aanmerkt dat de afschaffing van zulla wessie den koning van Ternaten niet seer soude behagen dan soo uw hoog Edelheeden dese opbrakie des niet te min geliefden goed te keuren soude het dies wegens verwekte ongenoegen over het hoofd gesien moeten werden buiten en behalven dat de vorst. misschien 77 365. Van Ternaten den 20 Julij 175. misschien wel door eenig ander gunst bewijs weder in een goeluim soude sijn te brengen op Bintavena leidt thans geen besetting en de postjes voorburg en Iuluao beide niet ver van dit casteel geleegen souden ook wel gemest kunnen werden bij aldien deselve niet dienden om de voor bij passeerende Molukise koningen met eene schooten te begaoten die daar ausdanig opgestelt sijn dat ik versekert ben de afschaffing deeser beide Forties met dan met een sensibel hertsier van den koning van Ternaten sal . geschieden te meer om dat gemelde vorst soo een groot vertrouwe stelt op de dunst die men bij Een vijandelijk besoek van deese beide sterkten soude kennen trekiken dat ik uw hoog Edelheede al was het om deese reden alleen wel soude durven raden van deese beide fortjes met de weinige manschap die daar in beschrij„ „den legt op den tegenswoordigen veet aan te houden. gelijk ik onder uw hoog Edelheedens genstige welduiding mede van advijs ben dat de overige posten en sterkten waar van ik bij deesen geen gewaak maake niet ingetasteken sullen kunnen werden sonder bedugting van wesentlijke in convenienten. Iegens woordig bestaan de besettingen van de Eerst ge„ melde drie posten op xulla Bessi Parigi en gallilla te zamen in laatsen n„ „ „ „

NL-HaNA_1.04.02_3445_0408 view scan ↗

English

From Ternate, 20 July 1775 in a bookkeeper as resident, a sub-surgeon, one sergeant, three corporals, 25 soldiers, and three gunners, of which the common military men, upon the withdrawal of these posts, could also be spared if the garrison were otherwise up to strength, over and above the fact that, through the withdrawal of Xculla Bessie, one bookkeeper would also be economized. When one now adds the total amount of the salaries, board money, and rations of these 25 common soldiers to the value of the artillery and the further war ammunition of the said posts, which could also be shipped away, all this would cause a considerable reduction in the expenses and outstanding balances. Your Right Excellencies will find that these outstanding balances in the recently closed financial year 1773/4 were fully 3,000 guilders less than the previous year, having amounted to no more than f 577618: 17: 11. However, in the coming year, the same will appear notably lower due to the few linens received this year, which will probably have been sold off, for the value of the surplus effects of this government will not contribute very much to this, because the goods now sent 367. From Ternate, 20 July 1775. the goods sent amount only to a total of f 1497: 13, notwithstanding that, in my judgment, nothing unnecessary has been retained. With the craftsmen whose labor is of no use here, I shall proceed in the same manner and send such persons to Batavia, just as this year a turner, a fire-engine maker, and a cooper are crossing over thither, and yet a fourth, being a gunstock maker and a Ternatean by birth, has left the service, since these four workmen can easily be spared here. 1 Since Your Right Excellencies, both in the secret missive addressed to me and through the Honorable Messrs. Breten and Craan in their considerations, demonstrate the urgent necessity not to let the expenses of Gorontalo and Manado rise above the fixed sums, I shall continually watch with the requisite accuracy that no unauthorized disbursements are charged by the residents, in order thus to compel them to manage within the 10,000 and 12,000 guilders that have been fixed for the expenses of these two residencies. For the rest, I take the liberty to submit this my address address regarding the reduction of the expenses to the much more enlightened judgment of Your Right Excellencies, in the hope that my reflections on this matter may not appear entirely objectionable to you, while I have the honor to call myself with the deepest veneration, below stood: Right Honorable, Stern, Highly Respected, Widely-Ruling Sirs and Honorable Sirs! Lower: Your Right Excellencies' very humble and bounden servant, was signed: P. I. Valckenaer. In the margin: Ternate in the Castle Orange, 20 July 1775. From Ternate, 20 July 1775. 369. From Ternate, 20 July 1775. Right Honorable, Stern, Highly Respected, Widely-Ruling Sirs, Honorable Sirs! Having undertaken in my secret letter of last year, dated 15 September 1774, to draw up a description of the currently living princes of the realm of Ternate, I hereby fulfill my promise. I shall, however, mention only the most prominent ones who, either by their high birth or by their good conduct and ability, come into consideration to some degree for the succession to the Ternatean throne, without considering it necessary to speak of any other princes, some of whom are of lower birth and others entirely unknown to us because, on account of their impoverished condition, they support themselves mainly by agriculture, to which their only knowledge extended, so that it is also inconceivable that the ambition of such princes would ever go so far as to dare to formulate a claim to the Ternatean crown. The princes of the realm who distinguish themselves by elevated qualities are, according to the reports received by me, eight in number, all From Ternate, 20 July 1775. all sons or grandchildren of deceased kings, of whom the eldest in years is: Aian Hair, aged about 50 years by estimate, being a grandson of King Amsterdam, and not only an intelligent but, according to common report, also an honest and virtuous gentleman, although somewhat on the proud side, but for the rest a man of such good qualities that he would well deserve to ascend the throne if he were not descended in the direct male line from King Amsterdam, whose descendants, according to an old resolution, are forever barred from succession in the realm on account of the well-known rebellion. Misi, aged 40 years, is the only currently living son of King Oudshoorn, who furthermore never had his equal in friendliness toward the Company and its servants. Misi, the son of whom I now speak, is likewise a well-mannered man and, as it appears to me, a sincere friend of our nation, with whom he has associated much in former times, although under the administration of the former Governor Munnik, in the secret letters of 31 July 1768 and 25 July 1769, he was described as a false, haughty, and ambitious prince; however, the said gentleman treated Misi, if I may speak frankly

Dutch transcription

Van Ternaten den 20 Juli 1775 in een boekhouder als resident een onder chirurgijn ben sergeant drie corporaals 25 soldaaten en drie busschieters waar van de ge„ „meese militairen bij intrekking deeser posten meede gemest souden kunnen werden indien het garnisoen andersints voltallig mogte sijn wuiten en behalven dat er door de intrekking van xculla bessie meede Een boekhouder sonder werden uijtgewon„ nen wanneer men nu het montant van de gagies kostgelden en randsoenen van deese 25 geimeene militairen voegt bij het bedaa„ „gen van het geschut en de verdere oorlogs ammunitie van ge„ melde postges het geen aan meede afgescheept konde werden soude dit een en ander nog al een merkelijke vermindering van de Lasten en restanten veroorsaeken Deese restanten sullen uw hoog Edelheeden, bevinden dat in 't Jongst afgeslooten boekjaer 177/4. ruim 3000 guldens minder sijn geweest als het voorige Jaer als niet meer hebbende bedragen als ƒ 577618: 17: 11. dog aanstande Jaar zullen deselve sig nog merkelijk minder vertoonen door de weijnige lijfwaten die er deesen Jaer sijn ontvangen en dewelke als aan denkelijk gedebiteert sullen sijn want de waarde der overtollige effecten deeses gouvernements sal daar toe niet seer veel Contribueeren door dien de nu versondene 367. van Ternaten den 20 Juli 1775. versondene goederen eenlijk bedraagen en montant van ƒ1497: 13. niet tegenstaande dat er mijns oordeels niets onmits is aangehouden. Met de ambagtslieden wierd hand hier niet te staade koomt sal ik even eens te werk gaan en dusdanige na Batavia versenden, gelijks deesen Jare derwaarts over vaaren een draijer, een brand spuitmaker en een kuijper en nog een vierde sijnde een lademaeker en Tornataan van geboorte is uit dienst gegaan vermits dese vier werklieden hier wel gemist kunnen werden. 1 Aangesien uw hoog Edelheeden soo wel bij de aan mij gerigte secreete missive als de wel Edele heer Breten en craan bij hunne consideratien de hooge noodsakelijk heit aantoonen om de lasten van gouontalo en manado niet boven de be„ paalde sommen te doen stijgen sal ik steeds met de vereishe nauwkeurigheijt toesien dat er niet boven de gepermitteerde ongelden door de residenten werde opgebragt ten eijnde hen dus te noodsaken van rond te schieten met de 10'000 en 12000 guldens die voor de lasten van dese beide residenten sijn bepaald. voor het Overige neemen ik de vrijheit om dit mijn vertoog t vertoog wegens de vermindering der lasten aan het veel verligter oordeel van uw hoogEdelheeden te onderwerpen in hoope dat mijne bedenkingen over dese stoffe hoogst deselve met ten eenemaal verwerpelijk mogen voorkomen terwijl ik de eere hebbe mij met de diepste veneratie te noemen /:onderstond:/ Hoog Edele gestrenge groot Agtbaere weijdgebiedende heere en wel Edele heeren /: lager:/ uw hoog Edelhedens seer ootmoedige en trouw schuldige Dienaar /:was geteekent:/ P: I: valckenaar /:in margine:/ Ternaten in 't Casteel ovange den 20:e Julij 1775 Hoog Van Ternaten den 20:' Iulij 1775. 369. Van Ternaten den 20:e' Iulij 175 Hoog Edele Gest: Groot Agtb: wijd geb:t Hleere Wel Edele Heeren! Bij mijne voorjarige secreete brief van den 15. Septemb=r 1774. aangenomen hebbende om een beschrijving te sullen op maken van de thans levende Ternaatse rijks Prinssen voldoe ik bij desen aan mijn belofte. Ik zal egter maar gewag maken van de voornaamste die door hun hooge geboorte dan wel door hun goed gedrag en bequaamheijt eenigsints tot de Ternaaze troons successie in aanmerking komen sonder dat ik nodig agte te spreeken van Eenige andere Prinssen waar van sommiger van ge„ „ringer geboorte en andere ons ten eenemaal onbekent sijn door dien see sig wegens hunne armoedigen toestand voornamentlijk met de landbouw erneeren waar toe hun eenigste kundigheit strekte soo dat het ook niet te denken is dat de ambitie van sulke Prinssen immer soo ver gaat, om pretensie op de Ternaatse kroon te durven formeeren. De rijks Prinssen die door verhevenen qualiteiten uit„ munten sijn na mijne ingekomene berigten agt in getal alle Van Ternaten den 20 Juli 1775. alle soons of kindskinderen van overledene koningen waar van de ouaste in Jaren is Aian Hair oud naar gissing 50 Jaaren sijnde een kleinzoon van den koning Amsterdam en niet alleen een verstandig maar volgens het algemeen gerugt ook een eerlijk en deugtsaam heer hoewel wat aan de grootshertige kant dog voor het overige een man van sulke goede qualiteiten dat hij wel sonde verdieren de throon te beklunnen soo hij niet in de regt nederdalende linie van den koning Amsterdam afkomstig was wiens nasaten volgens een oud besluit de opvolging in 't rijk voor altoos is verboden ter sake van de bekende rebellie Mixi oud 40 Jaeren is de eenigste thans leevende soon van den koning oudshoorn welke voorts nooit sijn wedergade heeft gehad in vriendelijheijt voor de compagnie en haare die„ „naeren Mins: de soon waar van ik nu spreeke is meede een wel gemanieert man en soo het mij voorkoomt een op rigt vriend van onse natie daar hij in vorige tijden veel meede heeft ver„ keert hoe wel hij onder de regering van den oud gouver„ „neur Munnik bij de secreete brieven van den 31 Juli 1768 en 25 Juli 1769 als een vals opvoerig en ambetieus Prins is beschreeven dog gemelden heer heeft Mini als ik regt uit sal

NL-HaNA_1.04.02_3445_0413 view scan ↗

English

83 371 From Ternate, the 20th of July 1775 will speak, drawn too darkly, and the principal point that was charged against the said Mini at that time, as if he had made the King of Tidore believe that the Company intended to capture him and carry him off, is to this day still held here to be merely an unfounded rumor which could never have been proven true against Mini. At least I, and others who in the time of Mr. van Schoonderwoert were often in the company of this Mini or Amiri, always regarded him in those days as a very good-natured and candid man, against whom, as far as I know, there was nothing to reproach except that he was precisely not the most frugal, in this respect agreeing much with the late King, whom I have not been able to find that Mini bore such ill will toward as Mr. Munnik seems to maintain. Tjaptjika, a gentleman of 38 years, is the grandson of the King Radja Lauwt and, because of his quiet and modest behavior, is reasonably well-liked among the Ternatans, which is the principal thing I can say of him because he lives reservedly and has not much intercourse with Europeans, although he otherwise knows how to maintain his position and character in a very decent manner. From Ternate, the 20th of July 1775 For the rest, both of the most recently deceased kings were, in my opinion, very fond of this Tjaptjika, seeing that during public festivities he was found entirely among their retinue, on which occasions I have always observed that the princes treated Tjaptjika with uncommon distinction. Hassan, aged 35 years, is the natural son of the just-mentioned King Radja Lauwt and younger brother of the currently reigning King Hairun Saha. In outward appearance, he is a friendly man and, so it is said, of no ill nature, but he is inexperienced in worldly affairs, to which it may contribute much that he seldom appeared in company or came forward before his brother assumed the reign. Ahaval, the eldest son of the present King Hairun Saha, is a prince of 25 years, of a quiet and modest disposition, and as is said, of a friendly demeanor; but of his intellect and judgment no certain report can as yet be given, since this prince was previously completely unknown to me and, so to speak, only came forward upon the elevation of his father, having previously always 85 373. From Ternate, the 20th of July 1775. always resided among the Ternatans on his father's estates. Tolucco, now 32 years of age, is the eldest son of the deceased King Swaardekroon. Concerning the personal qualities of this prince, the former Governor Munnik and I have formed almost the same opinions, as can be seen in the description that both of us gave of this prince in our secret letters of the 25th of July 1769 and of the 7th of September 1772. The testimony given of him there is not very favorable, and since he has not changed in nature since then, I can to this day say nothing else of him than that he is a fickle, arrogant, and foolish person, though a great lover of opium, which it seems to me is quite visible in his outward appearance. It is a pity that this prince does not possess a better character, since otherwise, in my humble opinion, he would suit the Ternatan throne best of all, seeing that he was born in lawful wedlock of a princess of the realm, whereas all the other sons of the most recently deceased king were fathered with concubines, just as most other Ternatan princes described here cannot boast of a higher birth on the mother's side, except for Prince Ahaval, who was likewise From Ternate, the 20th of July 1775. born of a lawful marriage and had a princess for his mother. Achmat, the Captain Laut of Ternate and a half-brother of the aforementioned Prince Tolucco, born of another mother, was likewise portrayed according to the truth by the former Governor Munnik in his secret letter of the 25th of July 1769. Otherwise, he is of a livelier mind and even more polite in conduct than his brother Tolucco; but, as Mr. Munnik has rightly noted, he also gives no small indications of a sharp and shrewd nature, and even laboured under the suspicion of having secretly caused some innocent persons to be put to death. Since this Prince Achmat has moreover already reached 31 years of age and is likewise not a little addicted to opium, there seems to me to be little hope that better conduct will in the future commend him to Your High Nobilities. Schoonderwoert, called Iaha in his native tongue, is only thirteen years of age and one of the youngest children of the deceased King, who loved him very tenderly, and not without reason, since he truly seems to be a youth of very

Dutch transcription

83 371 Van Ternaten den 20. Julij 177 75 sal spreeken al te swart gecraijoneert en het voorname poinct 't geen gemelden Mini te dier tijd is te laste gelegt als of hij den koning van Tidor soude hebben wijs gemaakt dat de compagnie gesint soude sijn geweest hem gevangen te neemen en weg te voeren word alhier op heeden nog maar voor een los gerugt gehouden t geen men Miir nimmer hade kunnen waar „maken ten minsten ik en anderen die ten tijde van den heer van sehvoorder woort dikwils in geselschap van desen Mini of Amiri sijn geweest hebben in die dagen altoos voor een seer goedaardig en gulhartig man gehouden op wien voor soo veel ik waete, niets viel te berispen als dat hij Juist de spaansaamste niet was in dit poinct al veel over eenkomende met den overleeden koning die ik minnen hebben kunnen vinde„ dat Mini soo een quaad hert heeft toegedragen als de heer Munnik schijnt te sustineeren. Tjaptjika een hier van 38 Jaren is de kleen soon van de koning radja zauwt en wegens sijn stilen zedig gedrag redelijk beminat bij de Ternatanen het geen het voornaamste is dat ik van hem weet te seggen om dat hij geretineert heeft, en niet veel omgang heeft met Europeanen howwel hij sijn Cattoen en caracters anders op een seer accente wijse weet te mantineeren voor . Van Ternaten den 20: Juli: 1755 maintineeren voor 't overige hebben de beide Jongst overleedene ko„ „ningen desen Tjapatjeka mijns bedunkens seer wel mogen setten aangesien hij sig bij publieke festiriteiten door gans onder hun gevolg heeft bevonden bij welke gelegentheeden ik altoos hebbe opgemerkt dat de vorsten Tjaptgika met op een ongemeene dis„ tincter hebben behandelt. Hassan oud 35. Jaren is de eijgensoon van even gemelde ko„ oring Radja lauwt en Janger Brooder van den thans regeerende koning hairon saha dese is op het uitterlijke een vriendelijk man en soo men segt van geen quaad natureel dog hij is ons„ „dreeven in wereldsche saaken waar toe misschiek veel sal Con„ „tuibueeren dat hij selden in geselschap of te voorschijn is gekoomen voor dat sijn broeder de regeering heeft aanvaardt Ahaval de oubste soon van den tegenswoordig en koning hai„ roen saha is een prins van 25 Jaeren van een stillen en zedigen aard en soo gesegd werd van een vriendelijken omgang dog van sijn verstant en oordeel kan voor als nog geen seeker narigt werden gegeven vermits deese prins bevoorens ten eenemaal bij mij onbe„ kent geweest en nu om soo te spreek en eerst bij de verheffing van sijn vader te voorschijn if gekomen, als hebbende sig bevoorens altoos 85 373. Van Ternaten den 20 Juli 1775. altoos onder de Ternatenen op sijns vaders landerijen op gehouden. Polucco nu 32 Jaeren oud is de oudste soon van den overleden koning swaardekroon omtrent den akdipae hoedanig„ heeden van deesen prins hebben den oud gouverneur Munnrik en ik bij kans deselfde gedagten geformeert soo als te sien is in de beschrijving die bij beijde bij onse secreete brieven van den 25 Julij 1769 en van den 7: september 1712. van deesen Prins hebben gedaan het getuigenis dat aldaar van hem werd gegeven is niet zeer favorabel en dewijl hij zedert niet van natuuel: verandert is kan ik op heden nog niets anders van hem seggen als seg9 dat hij een wispeltuurig hoogmoedig en onverstandigmnensch is dog een groot liefhebber van de amphioen het geen mij dunkit dat hem op het uiterlijke wel is aan te seen sijnde het sammer dat deese Prins geen beeter Caracter heeft dewijl hij anders na mijn gering oordeel 't best van alle op den Ternaatsen, throon soude passen vermits hij in wettig huwelijk uit een rijks princes is geboren daar alle de overige soonen van den Jongst overleeden koning bij bijwijsen sijn verwekt gelijk de meeste andere ternaatse princetsen die hier beschreeven werden van Invageus sijde meede op geen hoogere geboorte hebben te roem uitgesondert de Prins Aharal die meede uit een Van Ternaten den 25 Juli 175. een wettig huwelijk is gesprooten en een Prinees tot moeder heeft gehad. Achmat de capitain Lauwt van Ternaten en een half broeder van den evengemelde Prins Toluco van eene andere moeder gebooren is meede ona waarheit door den oud gouverneur Munnik afgeschels bij secreete brief van den 25 Juli 1769 anders is hij levendiger van geefs en selfs ook wellevander van omgang dls sijne broeder tolusco dog soo als deheer Munnik te regt heft aangemerkt geeft ook geen garinge blijken van een scherpen en spits riningen aard en leedt selfs onder suspotie van eenige onschuldige menschen in 't gehaim te hebben laeten oonbrengen dewijl deese prind Achimat daar en boven reets 31. Jaeren heeft bereijkt en meede niet weinig aan den amphioen is verslaaft chijnt er mijns bedunkens weijnig hoope datien beter gedaag hem in 't vervolg bij uw hoog Edel heeden sal aan„ puijsen. schoonderwoert op sijn inlands Iaha genaamt is nog maar dertien Jaaren oud en een van de jongste kinderen des overleden konings die hem seer te der opleegte beminen en nit souden reeden dewijl lij weesentlijkeen Jangeling schijnt te zijn van zeer

NL-HaNA_1.04.02_3445_0417 view scan ↗

English

From Ternate the 20th of July 1775 very good qualities, wherefore not only the Ternatans in general, but even the present King make much of him, with whose daughter he was married a few months ago. This Prince Schoonderwoert appears to have much affection for our nation, is moreover a youth of a lively disposition and even in these tender years of a very good judgment, so that he far surpasses both his half-brothers Tolucco and Achmat in praiseworthy qualities. Besides these three last-mentioned sons of the late King Swaardeckroon, the same has begotten ten others by various concubines, who are also all still alive, just as the present King, besides the described Prince Aharal, also has seven living sons. These likewise have humble women as mothers, and are therefore brought up to a humble station and occupations, so that I count these so-called Princes among the lesser sort who do not come into consideration for the succession. The described number that has prospects for the Ternatan succession are, according to my humble knowledge, also not all subjects who are worthy to ascend the throne, for the elevation of the Princes Tolucco and Achmat would, From Ternate the 20th of July 1775 in my opinion, completely fail to square with the Company's interests, and Prince Mini, who has had the misfortune of having been brought into suspicion more than once with Your Right Excellencies on account of infidelity and rebellion, and who is now also beginning to become sickly, will in my thoughts likewise not be judged expedient for the throne. Of the remaining five Princes, I would venture to propose Ajan hair with peace of mind to Your Right Excellencies as a person endowed with the requisite qualities for the royal dignity, but his advancing years and his descent from the suspect lineage of King Amsterdam will likely make his elevation impossible. Worthy and expedient subjects whom I can in good conscience recommend to Your Right Excellencies are thus only four in number, namely the Princes Tjaptjika, Hassan, Aharal, and Schoonderwoert, of which four persons such a praiseworthy testimony was unanimously given to me as I have the honor hereby to present to Your Right Excellencies; to which I also add that the young Prince Schoonderwoert is known best of all to me, so that I can speak of his good character even more from personal experience, and I am From Ternate the 20th of July 1775 nevertheless of the opinion that they are all four upright people, wherefore I also make no difficulty in proposing them to Your Right Excellencies as the most expedient of all to succeed the reigning King in the event of his decease; for the youth of the last-mentioned will, after the course of a few years, cease to be an obstacle to his promotion, if the present King, as we all wish, should remain alive for some time yet. All this being what I know to say about the Ternatan princes of the realm, I hope to have fulfilled Your Right Excellencies' intention through what has been set down, and therefore take the liberty to call myself with the deepest respect and veneration, [below was written:] Right Honorable, Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Well-Born Sirs, [lower:] Your Right Excellencies' very humble and dutiful servant, [was signed:] P. J. Valckenaer, [in the margin:] Ternate, in Fort Oranje, the 17th of July 1775. Translation From Ternate the 20th of July 1775 Malay Translation Letter written in Arabic characters by His Highness Mahamad Doniel Masahoed Djamaloedin Saha, King of Tidore, and his grandees of the realm, to the Well-Born, Esteemed Sir Paulus Jacobus Valckenaer, Governor and Director, along with the Council of the Moluccas; being, after the usual preface, of this content: Further, the Sultan and grandees of the realm cannot refrain from informing Your Well-Born Esteemed that we are affected with the utmost regret over the action done unto us by the head of the small pantjallang or the Batchian Penghulu, by the taking away of a stamped paper granted by us to the Chinese Tangan Mattij for visiting the places belonging under our jurisdiction, since we cannot fathom what reasons have induced them thereto, the more so because such is by no means becoming among trusting friends From Ternate the 20th of July 1775 and allies, if one finds nothing written therein that conflicts with the concluded contracts. And since such will also be able to be found or proven, it is thus that we find ourselves not only exceedingly shamed by that taking away, but thereby also see the seal and name of the Sultan very much degraded; and although it is known to us that whether it be Chinese, Burghers, or Company servants, without being provided with proper passes from the Honorable Company, they are nowhere in the Indies permitted to sail or travel, it is nevertheless fitting that such should take place from our side the more to maintain the friendship thereby; and because of these doings, whether by the taking away or rejecting of our stamped paper, it is unlawful, just as if we do not merit using a stamp or exercising our form of government, we therefore desire from the aforesaid head of the small pantjallang information under whom and to what extent our stamp can be understood. We declare that this our demand and notice is presented with a sincere heart to the Lord Governor and Council, and therefore at the same time insist that all the Company's works on our part may be suspended so long until, upon our instance, we receive a

Dutch transcription

379 Van Ternaten den 20:' Juli 175 seer goede hoedanigheeden weshalven niet alleen de Ternatanen in 't generaal maar selfs de tegenswoordige kenns veil werk van hem maken met wiens dogter hij voor Eenige maanden getrouwt is dese Prins schoonder woort schijnt veel genegentheit te hebben voor onse natie is daar eenboven een Jongeling van een levendij naturel en selfs in deese tedere Jaren van een seer goed oordeel, soo dat hij sijn beide half broeder Polucco en Achmat in loffelijki hoedanigheeden seer verrie overtreft. Behalven dese arie last gemelde boonen aan den koning swaardekaoon heeft deselve nog tien andere bij aiverse bijweijsen verwekt die ook alle nog in 't leven sijn gelijk de tegenswoordige koning buiten de beschreeven Punis Aharal mede enog seven levendige soonen heeft aan deese hebben meede geringe varuwen tot moed ees en worden daarom tot een geringe staat en besigheden opgetrokken soo dat ik dese soo genaamde Princen telle onder het mindere soord dat tot de successie niet in aanmer„ king koomt: het beschreeven getal dat apparantie heeft tot de Ternaatse op volging sijn na mijn geringe keenis ook alle geen voor„ JW worpen die waardig sijn den throon te beklunmen want de verheffing van de prinssen Tolucco en Achmat soude wijns Van Ternaten den 20 Juli 1775— mijns bedunkens in het geheel met met sComp: belangen quad raven en de Prin Mini di 't ongeluk heeft gehad van meer als een bij uw hoog Edelheeden wegens ontrouw en rebellie in verdenking te sijn gebragt en die nu ook siekelyjk begint te werden sal na gedagten meede niet dienstig voor de throon werden gevoordeelt. van de overige vijf Puinssen soude ik Aian hair ge„ rust aan uw Hoog Edelheeden duuren voorslaan als een persoon begaart met de vereischte qualiteiten voor de ko„ ning lijke waardigheijt dog sijne klunmende Jaren en sijne afkomst uit de verdagte stam van koning Amsterdam sal sijn verheffing denkelijk onmogelijk maaken. waardige en dienstige voorwerpen die ik uw hoog Edelheeden in gemoede kan recommandeeren sijn er dus maar vier in getal namentlijk de Prinssen Tjaptjika hassan Aharal en schoonderwaert van welke vier persoonen mij eenpaniglijk een dusdanig loffelijk getuigens is gegeven als ik de Eere 39 hebbe uw hoog Edelheeden bij desen te vertoonen, waar bij nog voege dat de Jonge Prins schoonder woert het beste van alle bij mij bekent is soo dat ik van desselfs goed Caracter nog meer uit eijgen ondervinding kan spreek en ik be„ nogtans 381 Van Ternaten den 20 Juli 1755. nogtans van gevoelen dat het alle vir braave lieden sijn weshalven ik ook geen swarigheijt maake om deselve aan uw hoog Edel„ heeden voor te dragen als de dienstigste van alleen om den Regerende koning bij aflijvigheit te succedeeren want des laast gemelden Jonkiheijt sal na verloop van winige Jaaren ophouden een hunderpaal te sijn van sijne promotie indien de tegens woordige koning soo als wij alle wenschen nog maar een tijd lang in't leeven komt te blijven. Dit alles sijnde wat ik van de Ternaatse rijkst prinssen weet te seggen verhoope ik door het ter neder gestelde aan uw hoog Edelheedens oogmerk te hbten voldaan en name daar„ om de vrijheit mij met het diepste respect en veneratie te noemen /:onderstond:/ hoog Edele gestrenge groot Agtbaare wijdgebiedende heere En wel Edele heeren /:lager:/ uw hoog Edelheedens seer ootmoedige en trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ P: I: valckenaar /: in margine:/ Ternaten in 't Casteel Ovange den 17. Juli 1775. Translaat 2 9 ik 4 Van Ternaten den 20 Iuli 1775. Maleijdsche Translaat Brief met Arabische Caracters geschreeven door zijn Hoogheijd Mahamad Doniel Masa„ hoed Djamaloedin Saha koning van Tidor en zijne Rijks„ grooten Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Jacobus valckenaer Gouverneur en directeur, Benevens den Raad der Molucios; zijnde na gewoone voorreeden van dezen inhoud. Wijdens kan den sulthan en rijksgrooten niet afsijn uuw wel Edele agtb: te berigten dat met de uitterste spijt aangedaan sijn over het aeilin welk ons door het hoofd van kriis pantjalling dan wel den Batchians Panghouloe mits het ontremen van Een gestempelt papier door om aan den chinees Tangan Mattij tot het beataac„ der plaatsen onder om resfort gehoorende verleent is aangedaan aangesien wij niet kunnen soedefse wat redenen hun daar toe hebben gepermoveert te meer dewijl sulks geensants onder vertroinedende vrienden gt 383. Van Ternaten den 20 Juli: 1775 vrienden en bondgenooten betaamt indien men niets daar in geschreeven vind wat jegens de aangegaane contracten strijt, Een 9 dewijl sulks ook sal kunnen bevonden of aangetrond werden soo is t dat wij ons niet alleen buiten mato over die ontneming, be„ schaamt vinden maar het zegul en naam van den sulthan hier door ook seer gedeclineert sien en de ofschoon het ons bekent is dat het sij Chineesen Burgers of scomp: dienaaren buiten met behoorlijke passen van dE Comp: gemunneert nergens in indien ver„ „mogen te rijlen of te vaaren soo betaamit het evenwel dat sulks van onse sijde om de vriendschap daar do or des te meer te onderhouden diend te geschieden en dewijl van deese gedoentens het sij door het weg„ „neemen of verwerpen van meerm ons gestempeld papier even als of niet menteeren een stempet te gebauken of onse regeerings form te deffenen ongeoorloofd is soo begeeren wij van voorsz: khuns pan„ t sallangs hooft narigt onder wien en in hoe verwij onse stempel kunnen beguijpen. wij betuigen dat deese onse afvordering en te kenne gan met een opregt hert aanden heer gouverneur en raad werd voor gedragen en daar om tegelijk insteren dat alle scomp: werken van onse sijde soo lang mogen werden gestaakt tot wij op onse instantie een „ d e trouewende WV. V.

NL-HaNA_1.04.02_3445_0422 view scan ↗

English

From Ternate, the 20th of July 1775 — shall have obtained another credible stamp from Their High Excellencies, since the present one renders us untrustworthy to everyone: likewise, the Sultan and grandees of the realm cannot refrain from communicating to the Lord Governor and Council the displeasure that they have also conceived against the Bachian Panghulu, because that chief also did not hesitate to make himself master of our stamp and to attack all the proas of our subjects by firing cannon upon them; which arbitrary and regrettable actions regarding us, it being known that the Tidorese realm is not subordinate to that of Bachian, and therefore we assure that as long as Bachian is Bachian and Tidore is Tidore, we will not fail to avenge ourselves for the insults and indignities suffered, since this duty has been imposed upon us by God. We request in conclusion also that your Right Honorable will [illegible] to us as soon as possible the aforementioned pass, whether it has been taken by the aforementioned pantjallang chief or by the Bachian Panghulu. Subscribed, written in the Palace of Tahouella on the 21st of the month Hadji of the year 1188, being according to our reckoning of time the 22nd of February Anno 1775. Lower down, for translation, was signed: F. B. Hemmekam, sworn translator. Lower down, agrees, signed: H. de Chiampagnet, Secretary. To 5. 385 From Ternate, the 20th of July 1775 To His Highness the King of Tidore Furthermore, the Governor and Council have understood from Your Highness's letter of the 21st day of the month Hadji of the year 1188, how you, together with your grandees of the realm, had conceived much regret and displeasure regarding the fact that the commissioners of the cruising pantjallang De Kaneelboom, or rather the Panghulu of Bachian, took the stamped paper from the Chinese Tangan Mati, which paper or pass Your Highness mentions having granted to the said Chinese in order to sail therewith to places belonging under the Tidorese jurisdiction. After we, Governor and Council, have attentively considered Your Highness's complaints and displeasure over this case, we have seen fit to reply thereto that we are not only sorry that Your Highness is in such manner incensed at the heads of the commissioned party, but that we also would have wished they had allowed this Chinese to sail on out of respect for Your Highness's seal, and had merely reported 9 the encounter with the frequently mentioned Chinese. But to our regret this did not happen, because the commissioners were of the opinion that they did better to bring the Chinese hither with the pass, maintaining that he had made use of another man's name, from Ternate, the 20th of July 1775 man's name, and thus might well have had an intention to deceive Your Highness yourself. This we have also found to be the truth, since not the name of Tan Pan Kian, commonly called Tangan Mati, but rather that of the Chinese Konko is made known therein as the owner or holder of Your Highness's pass; which, if it is not a piece of roguery, is at least a great error that could have brought the said Tangan Mati into great distress had he happened to be encountered by the Ambon or Banda cruisers, which vessels would certainly also have detained and brought in the Chinese. And what thoughts, pray, can one have of a Chinese who sails with another man's pass, other than that such a fellow is up to no good or applies himself to an illicit trade, to which this nation is after all not very averse? Thus it were to be wished that Your Highness never permitted any Chinese to take up their abode on Tidore, both because such is a novelty that previously was never in use and causes damage to the community, and because we are here in a better position to watch the conduct of the Chinese and to prevent their illicit dealings. 387 From Ternate, the 20th of July 1775 As regards now Your Highness's apprehension as if your name and seal should have been degraded by the detention of this pass, we cannot fail to write in reply to this that we would indeed have to agree with this statement if the pass and seal had actually read in Tangan Mati's name; but since it has already been said that the name of [illegible] here changes the matter entirely, it serves considerably to excuse the commissioners, since they must indeed have suspected that this paper had been taken from the Chinese Konko and, without Your Highness's prior knowledge, might have served the frequently mentioned Tangan Mati for the execution and pursuit of a punishable trade. Since we are thus of the opinion that Your Highness's name or seal has by no means diminished in prestige by the detention of this pass, and we much less think that this case should make Your Highness's passes untrustworthy, we also find not the least reason to request from Their High Excellencies a new seal stamp for Your Highness, from which you will please excuse us, on the grounds that we hereby declare to recognize Your Highness's present 1 seal as lawful and originating from our high authorities; which we therefore at all times for the genuine seal of

Dutch transcription

Van Ternaten den 20 Iuli 1775 — een andere geloofwvaardige stempel van haar hoog Edelheedens zullen hebben erlangt aangesien de Jegenswoordige ons bij een ijder ongeloof„ baar maakt: van desgelijken kan den Sulthan en rijks grooten hun net onthouden den heere gouverneur en raad te communiceeren het misnoegen dat Jegens den Batchiams Panghoulde ook hebben opgevaat om reden dat hooft sig meede niet ontsien heeft hem meester van onse stempel te maken en alle de prauwen onser onderdaanen door het daar op losbaanden van Canon aanteranden welke willekeurige en spijtige gedoentens omtrent ons bewust is dat het tidoreese rijk niet onder dat van Batchian Corteert en daar om verseekeren dat solang Batchian, Watchian en Tidor, Tidon is met sullen nalaten nopen geledene hoon en smaat ons te revengeeren vermits dit verdistaeurings tot ons door gode is opgelegt. wij versoeken ten besluten ook dat uwel Edele Agtb van ons op het spoedigste de voorschreeven pas hij sij door het voornoemde pan„ tjallangs hoofd dan wel door den Batchians Panghouloe saldoen geworden /:onderstond / geschreven in het Palijs Tahouella den 21. der maand hadje van het Jaar 1188. sijnde na onse tijd reekening den 22: febr: A:o 175 /:lager:/ voor Translaat /:was geteekend:/ F: B: Hemmekam gesw: Translateur /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H=r de Chiampagnet Secretaris. Aan 5. 385 Van Ternaten den 20 Jub: 1745 Aan zijn Hloogheijt den koning van Tider Wijders hebben den gouvernour en raad uit U hoogheijts brief van den 21. dag der maand Hadsi van het Jaar 1188. verstaan, hoe deselve be„ „nevens sijne rijkis grooten veel spijt en genoegen hadden opgeva ter sake dat de commissianten van de kreis Pantjallang de Coneelboom dan wel de Pangweloe van valchian het gestempeld papier van den Chinees Tangan Matti habaen afgenoomen welk Papier of Pas uu hoog„ heit melt aan gemelden chinees te hebben verleent om daar meede te „varen na plaatsen die onder het Tidorese ressort gehoren. Na dat wij gouverneur en raad uw hoogheits klagten en misnoegen over dit geval met aandagt hebben overwogen hebben wij goedgevonden hier op te antwoorden dat het ons niet alleen leed dod uuw hoogheit dusdaniger wijse op de hoofden der commissigeste gebelgt is maar dat wij ook wel gewenscht hadden sij deesen chin ees uit respect voor uw hoogheits „segel hadden laten vaaren maar enkelijk narigt hadden gegeven 9 van de ontmoeting van meermelden Chinees Maar dit is tot ons leetweesen niedt geschiedt uit hoofde de commissianten van gevoelen sijn geweest dat se beter hebben gedaan van den chinees met de Pas herwaarts te brengen staande houdende dat deselve sig van een anders mans ar de te ande rn van„ : C: van Ternaten den 20 Juli 177 maans naam heeft bedient en dus wel een ooijmerk kan hebben ge„ haat om uw hoogheit selfs te bedriegen dit hebben wij ook bevonden de waarheijt te sijn vermits met de naam van ben Pankingsian in de wandeling tangan Matti genaamt maar wel die van . den Chinees konko als eijgenaar of houder van uw hoogheits Pas daar bij bekent is gesteld het geen soo het geen schelmstukten minsten een groot abuis is die gemelden Tangan Matie in groote ongelegent heit hadde kunnen brengen indien bij eens door de Ambonde of Bandase krussers aangetroffen was geworden welke vaartuigen den chinees seekerlijk ook aanghouden en opgebragt souden hebben En wat ge„ en opgebrag dagten kan omen dog hebben van een Chinees die met Een ander mans pasvaart als dat dusdanigen knaap niet veel goeds voor hetft of sig op een ongevorloofden handel toegelegt daar deese natie dog niet seer vies van is dus het wel te wenschen was dat uw hoogheit nimmer aan eenige chineesen toestond sig op Tidon met er woon te vestigen dog soo wel om dat sulks een nieuwigheijt is de bevorens „aan nooit in gebruik is geweest in de schade doet „ onde geemeente, als om dat wij hier beter in staat sijn om op het gedrag der Chineesen te letten en derselven ingeborloofde handelingen voor te ko„ men. want wn 387 Van Ternaten Den 20.' Julij 175 Wat belangt nu hooghits belugting as of deselfs naam en segul door de aanhouding deser pas gedeclineert souden sijn so kunnen wij niet nalaten hier op te rescribeeren dat wij dit gesegde wel souden omoeten toestemmen in dien de pas en segul wesentlijk op Tangan Mattijs naam hadde geluidt, maar dewijl rees gesegt is dat de naam van de alhier de saak geheel van gedaante en dient merkelijk tot verschooning der commissianten vermits deselve wel hebben moeten vermoeden dat dit Papier aen chinees konko ontnamen en buiten voorkennis van uw hoogheijt aan meer„ melden Tangan matti hadde kunnen dienen tot het volvoeren en drijven eener strafbaren handel. dewijl wij dus van gevoelen sij dat uw hoogheits naam of zegul door de aanhouding deesenr opas geensints in aansien is ver„ „mindert en wij veel min denken dat dit geval uw hooghieits passen ongeloofbaar soude mogen makken soo winden wij ook geen demiste reden om hunne hoog Edelheeden nieuw zegul stempel voor uw hoogheijt te versoeken waar van deselve ons sal gelieven te ascuseeren uit hoofde wij bij deen verklaren uw hooghats tegen woordig 1 zegul als wettig en afkomstig van onse hooge gesiedert te erken„ „nen het geene wij daar om ten allen stonde voor thet egt zegul van 1 n

NL-HaNA_1.04.02_3445_0426 view scan ↗

English

Ternate the 25 July 1775 will uphold and respect the Tidore realm, and it is on the basis of this declaration that we are compelled to decline the request Your Highness makes to be permitted to suspend the Company's works on account of the alleged affront done to your seal, which we cannot permit for the above-mentioned reasons, but which intention we, on the contrary, strongly advise Your Highness against, since Their High Excellencies, our masters, would certainly order us to give Your Highness no recognition if the spice extirpation in your lands were to be stopped over so minor a dispute. For the rest, it is unknown to the Governor and Council that the Panghoeloe of Batjan has seized Your Highness's stamp or seal; on the contrary, the commissioners of the said Crown Prince testify that, far from raiding the prahus of Your Highness's subjects, he has rather sought to do these prahu skippers service and favor, as was evident even to the said commissioners when the said young Prince returned an abandoned prahu to the skippers, which vessel the owners had left behind when they fled into the forest at the sight of the Company's boat. However that may be, we at least undertake to recommend most earnestly to the repeatedly mentioned Panghoeloe of Batjan that he apply himself diligently to maintain the good friendship and understanding with Your Highness and the rest of the Tidore realm most sacredly, in order to regain Your Highness's favor as far as possible and to prevent all further discord. To comply with Your Highness's request, the commissioners and junior merchants Kammekkam and Gavanen will in a few days have the honor to deliver in person on Tidore to Your Highness the repeatedly mentioned stamped paper of the Chinese Iagan Mattij, on which occasion we shall order the said commissioners to give Your Highness a verbal report of the encounters they had on the voyage to Gebe. Meanwhile, we can inform Your Highness and your grandees that they encountered no English vessels, but did learn that the well-known Hadji Oeman, with three more Englishmen and a few native crewmen, had shortly before been with a prahu paduakan at the island of Oem Paij, which belongs under Gebe. The commissioners also encountered in those regions convincing evidence of the ill will of the peoples of Gebe and Patani, who apply themselves strongly to gathering spices in order to seek foul profit thereby with the foreign European nations, in proof of which statement the commissioners have even delivered to us some nutmegs that were retrieved by them from certain hiding places where they were concealed in order to trade with them. These and other examples of the treachery of these subjects Your Highness will be able to learn from the commissioners, of which we give Your Highness notice in advance so that you may devise the necessary measures with your grandees to prevent such roguery and to punish the guilty spice thieves according to their deserts, to which we most earnestly exhort Your Highness. Likewise, we cannot omit to make known to Your Highness and your grandees that the Illustrious High Indian Government at Batavia, in their latest letter, expressed to us their extreme displeasure regarding the misdeeds committed by the Weda Sangaji Padji, who, as is known to Your Highness, last year violently robbed the poor Chinese Lim Tjoenko of the few goods he had saved from his shipwreck. We permitted this Chinese to present his complaint regarding the damage suffered to Your Highness in person, but to our sorrow and astonishment, we have learned that this poor man was dismissed with a cold reply, wherefore, by order of our masters, we once more request and admonish Your Highness to bring it about that the repeatedly mentioned Chinese Lim Tjoenko be indemnified by this roguish Sangaji Padji, or that the value of the stolen goods to the amount of at least 250 Rds. be restored to him. Finally, we also bring to Your Highness's notice that the Company's commissioners of the spice extirpation Stephann and Oudt likewise lodge heavy complaints against the said Padji, who detains the prahus and causes the letters of the extirpators not to be delivered to us in due time, which serves as a notable obstruction and hindrance to the weighty extirpation work; wherefore we very earnestly and at the same time amicably request Your Highness to summon and punish this Sangaji, or else deliver him over to us, since he conducts himself more like a robber and rebel than like a Sangaji or village head, to such an extent that Your Highness's honor and good name fall into slight esteem through the misdeeds committed by this Sangaji, wherefore we expect that Your Highness, to prevent further disorders, will give heed to our representations and prevent this rogue from committing further misdeeds. End. Written on the island of Ternate in Castle Orange, the 25 February 1775. Was signed: D. F. Valkenaar Lower: Agrees Signed: A. de Champagnet Memorandum

Dutch transcription

Ternaten den 25 Julij 1775 Jan van het Tidoreese rijk sullen houden en respecteeren en het is op„ fundament van deese verklaring dat wij genoodsaakt sijn van .. de hand te wijsen de instantie die uuw hoogheits doet om wegens het voorgewend en aangedaan affront aan desselfs segul compa„ qnies werken te mogen staken het geen wij om de boven aangehaalde 1 redenen niet kunnen toelaten maar welk voorneemen wij uw hooghei: daar en tegen sterk afnaden dewijl hunne hoog Edel„ heeden onse hoofdgebieders ons seekerlijk souden ordonneeren, om uw hoogheit gene recognitie afte geeven soo de specerij er tiripatie op desselfs landen om soo een gering verschil gestaakt mogte werden. voor het overige is het den gouverneur en raad onbekent dat Batchians Panglweloe sig meester soude hebben gemaakt van uw hoog„ heijts stempel of zegul in het tegendeel getuigen de commissianten van gemelden kroon prins dat wel verre van de prauwen van uw hoogheits onderdanen te radiden hij deese prauw voerders veel eerder dienst en plaisier heeft soeken te doen gelijk sulks, aan gemelde Com„ missianten salfs is gebleeken wanneer gemelde Jonge vorst en vorlatene prauw aan de voorders te rug heeft gegeeven welk vaartuig de eij„ genaars hadden agter gelaten ten tijde sij op het gesigt van Compa„ ginies schuit in heet bosch waren gevlugt. dog hiet sij hier meede hoet wil g7 389 Van Ternaten den 20 Juli 1775 wil wij neemen ten minsten aan om meermelden Panghoeloe van Batohian op het enstigste te recommandeeren van sig vlijtig toe te leggen om de goede vriendschap en verstandhouding met uw hoogheijt en het verdere Tidoreese rijk op he hiligste te onderhouden ten eijnde de gunst van uw hoogheit des doenlijk te herwinnen en alle verdere oneenigheit voor te komen. om aan uw hoogheijts versoek te voldoen sullen de Commissi„ anten en onderkooplieden kammekkam en gavanen over eenige dagen de eere hebben en op Tidor selfs aan uw hoogheit over te leveren het meermelden gestempelde Papier van den Chinees Iagan Mattij wij welke gelegentheijdt wij gemelde Com„ missianten sullen gelasten uw hoogheit een mondeling verslagte doen van de ontmoetingen die sij op de reise naar gebehebben gehad Terwijl wij uw hoogheit en sijne rijks grooten intusschen kunnen bedeelen dat sij geene Engelse vaartuigen hebben aangetroffen maar wel vernomen dat de bekende hadji oeman met nog drie Engelsche en eenige weynige inlandsche manschap kout bevorens met een prauw opaduakan waren geweest op het eiland oem paij het geen onder gebe gehoort d. ook waren de Commissianten en die Contrijen overtuigende blijken voorgekomen van de quaadwilligheit der volkeren van haalde el„ „ tene eij pa„ 1 Van Ternaten den 20 Juli 1775 van gebe en Pattani de sig sterk toeleiden om specerijen te versa„ „melen ten eijnde daar meede vuil gewin te soeken bij de vremde Europe aansche naties ten blijke van welk gesegde de commissianten selfs eenige noote muscaten aan ons hebben overgeleeven die door hen waren agterhaalt uit seeker schuilplaatsen alwaar deselve verborgen waren om er handel mede te drijven Deese meer andere staalties van de valscheit deeser onderdaanen sal uw hoogheyt uit de commissianten kunnen vernemen waar van wij uw hoogheit bij voorraad kennis geven ten eijnde met sijne rijksgrooten de nodige maatregulen te kunnen beramen om dusdanige schelmstukken voor te komen ende schuldige specerij dieven na verdienstige te straffen waar toe wij uw hoogheits op het ernstigste vermanen wij kunnen van des gelijken niet afsijn uw hoogheijt benwars zijne rijksgrooten bekent te maaken dat de Illustie hooge Jndiase regeering te Batavia ons bij hunne laaste brief derselver uiterste misnoegen heeft betuigt wegens de gepleegde euveldaden van de wedase senghadji Padji die soo als het uw hoogheit bekent is den armen Chinees Lim Tjoenko in het gepasseerde Jaar op eene geweldadige wijse heeft beroofd van de weijnige goederen die hij nog van sijn schip breuk 393. Van Ternaten den 20: Juli 175. schip breuk hadde gereet wij hebben desen chinees toegestaan om sijn beklag wegens de geledene schade selfs aan uw hoogheit te mogen voordragen dog tot ons leedweesen en ver „wondering hebben wij vernomen dat dese armen man niet een koel bescheijt van de handt is geweesen alwaarom wij uw hoogheit nogmaals op ordre van onse hooggebieders 17 versoeken en vermannen om te bewerken dat meermelde Chinees Luntjoenkro door dese schelmagtige senghasje Radj„ schadeloos mag werden gestelt of dat de waurde der geroofde goederen ten bedrage van 250 Rd„s ten minsten aan han mag werden gerestitueert. Eindelijk brengen wij uw hoogheit nog ter kennisse dat compagnies Commissianten van de specerij extirpatie stephaan en oudt meede swaare klagten intrengen tegens gemelde Padji die de prauwen gehoudt en oorsaakt is dat de brie„ „ven der exstirpatairs niet ter behoorlijker tijdt aan ons kunnen werden overgebragt het geen strekt tot merkelijke stremming ver verhindering van het gewigtig er stirpatie werk alwaarom wij uw hoogheit seer ernstig en teffens vriendelyk versoeken om desen senghadji op te roepen en te straffen dan wel aan ons over de leveren vermits deselve Van Ternaten den 20:' Juli 1775. deselve sig eerder, als een roover en op roer maker dan als een senghadsi n9 en Jeng ofe negorijs hoofd gedraagt in soo verre dat uuw hoogheits eer en goede aam door de gepleegde eweldaden van desen sen ghadji en kelemn agting koomt te geraaken weshalven wij verwagten dat uw hoogheijt tot voorkoming van verdere des ondres gehoor sal geeven aan ouse vertoogen en deesen schelen verhindiren om verdere euveldaden te plegen. Einde. /onderstond:/ geschree„ ven op het Eiland Ternaten in 't Casteel orange den 25. februarij 1775 /:was geteekend/ D: f: valikenaar /:lager:/ Accordeert /:geteekent:/ A: de Champagnet Memorie

NL-HaNA_1.04.02_3445_0431 view scan ↗

English

From Ternate, the 20th of July 1775. Memorandum for the junior merchants Beynon and Gavanon going on a mission to Tidore. Because I send you especially to the court of Tidore with the intention of giving His Highness a report on the completed mission to Batjan and Gebe, I need not provide you with lengthy instructions for this purpose, since the main matters that occurred on this expedition have come to the knowledge of Secretary Beinon both from the report submitted by the commissioners Hemmekam and Gavanon, and from the letter in which Tidore's king was already informed in advance on the 25th of February of the outcome of this expedition, of which all the details are moreover fully known to junior merchant Gavanon, having served as second commissioner. It is therefore that I only recommend that you inform the king once again in general terms how you have been dispatched by me, pursuant to my given promise, to report to His Highness that the former commissioners Hemmikam and Gavanon found neither on Batjan nor on Gebe any English or other European foreigners, but that they have learned that the well-known Haji Omar, with three more Englishmen and a few native crew, were on the island of Umpai with a prahu paduakang shortly before the commissioners' arrival; That said commissioners in those regions encountered convincing evidence of the ill will and treacherous conduct of the peoples of Patani and Gebe, who apply themselves to nothing other than collecting spices in order to seek foul gain therewith from the foreign European nations; whereunto you must add that I inform His Highness of this so that he may devise the necessary measures with his grandees of the realm to prevent such roguish acts and to punish the guilty spice thieves as appropriate, on which you must urge most strongly and present to the monarch that if the misdeeds of the Patanese and Gebese are not curbed, Their High Excellencies in Batavia will indeed be forced to employ other means to prevent the wantonness and illicit trade of these peoples; And although on the 25th of February I already rebuked the king regarding the rapacious sangaji of Weda, named Padje, it will nevertheless not be unserviceable for you to place the wickedness of this rascal before the monarch's eyes once more, and announce to him how very aggrieved Their High Excellencies are about the robbery committed against the poor Chinese Zim Tjoenko, so that they absolutely desire this man to be indemnified for the loss of 250 rds. in value of which he was robbed by the said Patje; And since this fellow is likewise very detrimental to the extirpation expedition, you shall present to the king that it is in the highest degree necessary to dismiss such a rascal from office and surrender him to the Company, in order to prevent him from committing further misdeeds; Furthermore, you must inform the king that four days ago the postholder at Batjan sent up in arrest a Tidorese man who is accused of having hatched the plan to set fire to the Labuha settlement, which will be further investigated here and the outcome then further communicated to His Highness; Having accomplished the necessary business with the monarch, you shall apply to the qadi Abdul Raauff and urge him to pay without delay the 36 ducatoons which he received in excess for the woodwork, since Their High Excellencies absolutely desire that this debt be discharged; and in case this official should seek to postpone the payment, you shall grant absolutely no extension, and permit him much less to place this debt on the king's account, since His Highness is innocent of this and he, the qadi, alone was the beneficiary of these overpaid 36 ducatoons. I expect a clear and written report of all this, while for the rest, wishing you a prosperous voyage, I remain, was written beneath, your good friend, was signed, P. Jb. Valckenaar, in the margin, Ternate, in Castle Orange, the 9th of March 1775, lower, Agrees, signed, A. de Chiampagnet, Secretary. To

Dutch transcription

107 393 Van Ternaten den 20 Julij 1775. Memorie voor de onderkooplieden :Beijnon en gavanon gaande in Commissie na Tidor. Dewijl ik uE: voornamentlijke, naar het hof van Tidor met intentie om sijn hoogheijt verslag te doen van de gedaane commissie naar Batchian en gebe behoeve ik uE daar toe geene wijdloopige Instructie ter hand te stellen aangesien het hoofsakelijke dat er op desen togt is voorgevallen den secretaris Beinon ter kennis is gekomen soo wel uit het rapport dat de Commissianten hemmekam en gavanon hebben ingediend, als uit de brief waar in tidors koning reets op den 25 februarij preealabel van den uitslag deser togt verwittigt is geworden waar van alle de omstandigheiden bovendien aan den onderkoopman gavanon als tweede Commissiant hebbende gefungeert meede ten vollen bekent sijn: het is daarom dat ik ul maar recommandeere den „koning nogmaals in generale ternies te verwittigen hoe uE door mij afgesonden sijt om sijn hoogheit ingevolge mijne gedaane belofte te rapporteeren dat de geweesene Com„ =missianten hemmikam en gavanon nog op Batchian nop op Gebe Engelschen of andere Europeanse vraemdelingen hebben hed Van Ternaten den 20:' Juli 1775 hebben vernomen dat de bekende hadji oemar met nog drie En„ . . gelschen en eenige weinige Jnlandsche manschap kort voor der 1 .. : commitsianten aankomst met een prauw paduakan op het eiland : oempaij sijn geweest Dat gemelde Commissianten in die contreijen overtuigen de blijken sijn voorgekomen van de quaadwilligtieit en het veraderlijk het verde : gedaag der voekeren van Pattani en gede dig sig nergens anders 99 op toeleiden als om specerijen te versamelen ten einde daar meede „vrul gewin: te soeken bij de vreemde Europeaante naties waar bij uE moeten voegen dat ik sijn hoogheit hier van verwittige ten eijnde met sijne rijksgrooten de noodige on aatregulen te kunnen beramen om dusdanige schelinstukken over te komen en de 98 schuldige specerij dieven na ven dienstige te straffen waar op ƒ .. uE op het kragtigste moeten aandringen en den vorst voor„ houden dat wanneer de ewveldaden der Pattaniers en geberesen niet gestramt werden haar hoog Edelheeden op Batavia wel genoodsaakt sullen sijn: andere middelen bij den hand teneemen om den moet wil en blunkhandel deser volk eren te verhinderen en hoe wel ik den kijning op den 25 febr: ook reet het be onderhouden over den oroorsugtigen senghadsi van weda in name Padje: sas het egter niet ondienstig sijn dat uE den vorst. Tde eet 395. Van Ternaten den 20 Juli 1775 het slegt van eesen schelm nog eens voor geen oogen houden en hem aankundigen hoe hunne hoog Edelheeden so seer geergert sijn over den begaanen roop aan den armen chinees zim Tjoenko dat hoogst deselve absoluit begeeren dat dese man schadeloos sal werden gestelt van het verlies van 250 rd„s aan waardij die hem doorgemelden Patje sijn ontrooft En vermits deese knaap van desgelijken seer schadelijk is op de bettrpatie togt sullen uE den koning voorhouden dat het ten hoogsten noodsakelijk is om dusdanigen schelm in't sim dienst te stellen en aan de compagnie over te leveren ten einde hem te verhinderen om verdere en eldaten te pleegen. voorts moeten uE aen koning bekent maken dat de Posthouder te Batchian voor vier dagen een Tidorees in arrest heeft opgesonden die beschuldigt wert het voorneemen te hebben gesmeedt om de Laboereese negorij in brand te steeken het geen hier nader ondersogt en den uitslag dan wijders ook aan sijn hoogheijt sal werden bedeelt het noodige bij den vorst verrigt hebbende sullen uE sig vervoegen bij den kali abdul Raauff en hem 7 aanmaanen om de 36 ducatons die hij te veel heeft genoten 103 1771 Van Ternaten den 20 Juli 1775. genoten voor de houtwerken sonder uitstel te betalen dewijl hunne hoog Edelheeden absoluit begeeren dat deese schult vol„ daan sal werden en bij alan dese ampteraar te betaalding mogt soeken te verschuuren sullen uE absoluut geen uitstel verleenen en hen nog veel win permitteeren om deese schuld op 's koning reekening te stellen vermits sijn hoogheit hier aan onschuldig en hij kali alleen de genieten is geweest van deese te veel betaalde 36 Ducatons Ik verwagte van het een en ander een duidelijk en schrijf„ telijk raport terwijl ik verders naar toewvensching eener voorspoedige reise verbleijve /:onderstond:/ uwe goede vriend /was geteekent:/: P: J„b valckenaar /in margine:/ Ternaten / in het Casteel orange den 9: Maart 1775 /:lager:/ Accordeert /:geteekent :/ A= de Chiampagnet sec:t Aan 1

NL-HaNA_1.04.02_3445_0435 view scan ↗

English

105 397 From Ternaten, 20 July 1775 To the Right Honorable Gentlemen Governors and Director of the Governments of Amboina, Banda, and Macasser. Right Honorable Gentlemen. Since the mutual correspondence between the four eastern governments primarily serves to inform one another of the appearances and undertakings of foreign European nations, in order to devise the necessary measures to thwart their harmful designs and for the resistance of the Company, I find myself obliged to communicate to Your Right Honors that a few days ago, this government was informed by the King of Ternaten as well as by the King of Batchian, and also by the postholder of the latter place, that a large vessel was discovered near the island of Bating, situated near Batchian, whereupon the King of Batchian sent out one of his head officers or tobatos, who reported that it was a large English vessel or galley, heavily manned with crew, from whose sailors it was learned that their expedition consisted of an English ship and three galleys, pretending that they had been sent out provided with proper passes by the Governor General at Bombay to Bouton, without adding more thereto. And since it seems probable to us that this equipment is the same with which the English, according to the report of our Commissioners Hemmekam From Ternaten, 20 July 1775 Hemmekam and Van Aenstaal who were in Sullok in the past year, intended at that time to head toward the quarters of Ambon, Banda, Ternaten, or Bouton in order to seek out spice plants to cultivate them on the island of Blanbangan, as Your Right Honors were already informed by circular letter of 27 December of the said year; this government, upon receiving the aforementioned news, immediately had the pantjallang the Caneelboom fitted out, which is to depart the day after tomorrow, the 22nd of this month, with Junior Merchants Hammekam and Gavanon for Batchian, in order to conduct a careful investigation into the activities of the aforementioned wanderers and to protest against their appearance in the Moluccos, after which we shall communicate the result of this commission to Your Right Honors on a further occasion. Meanwhile, wishing you the Lord's blessing, I remain with due respect, below stood, Right Honorable Gentlemen, lower, Your Right Honors' willing friend, was signed, P. J. Valckenaar. In margin: Ternaten in Castle Orange, 20 December Anno 1774. Lower: Agrees, signed, A. de Champagnet, Secretary. To 107 399. Amboina To the Right Honorable Gentlemen Johan Abraham van der Voort and Bernardus van Pleuren outgoing and incoming Governors and Directors there. Right Honorable Gentlemen, In due course I duly received Your Right Honors' esteemed secret and separate letters of 23 March and 21 April, from which I in the first place perceived with satisfaction that my secret letters of 18 November of the past year and of 10 March of this year had also been properly delivered to Governor Van der Voort. While with no less pleasure I learned from the first-mentioned secret missive that the dispatch of the little king of Waigeenu had met with Your Right Honors' approval, hoping with Your Honors that this banishment of this robber may strike fear into his companions and promote tranquility in the Ambon districts, to which the Tidorese court, if it meant well with the Company, could certainly contribute much; but one is From Ternaten, 20 July 1775 there there slow in taking resolute decisions and even slower in executing them, so that I do not place much reliance on the help of the King of Tidor, for, apart from the surrender of the Waigeoese robber, I know from experience that in Tidoor they usually endeavor to drag out these equitable representations with fine words and promises without taking in hand anything substantial to redress the disorders. For this reason, it was all the more painful for me to learn from Your Right Honors that the Papuan robbers have not yet abandoned their cruel undertakings, of which the murders committed on several inhabitants of Boano, Sawaij, and Hatilen, along with the abduction mentioned by Your Right Honors of some other persons from the aforementioned places, serve as evidence. These calamities will likely not have ended so soon if the reports of the natives that some 40 to 50 Papuan corracorras were roaming along the north coast of Ceram have agreed with the truth. It is therefore to be wished that the other rumor of the impending appearance of seventy-five corracorras From Ternaten, 20 July 1775 with

Dutch transcription

105 397 van Ternaten den 20 Juli 1775 Aan de wel Edele Agtbare heeren gouverneurs en directeur van de gouvernementen Amboina Banda en Macasser. Wel Edele Agtbare heeren. vermits de onderlinge Conrespondientie tusschen de vier oostensche gou„ vernemonten voornamentlijk daar toe is strekkende om elkander van de verscheijningen en onderneemingen der vreemde Europe aansc natien kennisse te geven ten eijnde tot gengang van hunne schadelijke desseinen en tot weestand der maatschappij de nodige maatregulen te kunnen beraamen soo vinde ik wij verpligt uu wel Edele Agtbaarheeden te moeten communiceeren dat deese regeering voor eenige daagen soo wel door den koning van Ternaten als permissive door den koning van Batchian mitsgaders door den potthouder van laastgemelde. plaats is kemitje gegeven hoe bij het eijland Bating geleegen ontrent Batchian ontdekt was een groot vaartuig waar op de koning van Batihian en sijner hoofdienaaren of tobatos hadde afgesonden die gerapporiteert had dat het selve een groot Engels vaartuig of galei is geweest sterk bemant met volk en van welkers schepelingen men vernamen hadde dat hun besending bestond in een Engelsch schip en arie galeien voorgevende dat sij voorsien niet behoorlijk passen door den gouverneur generaal te 7. bombaij naar bouton waren afgesonden sonder daar meer te voegen. En aangesien het ons waarschijnelijk voor komt dat dese Equipa„ opie deselve sal sijn waar meede de Engelschen blijk ens het berrigt van onse in anno passato na sullok geweest sijnde Commissianten hemmekam . Van Ternaten den 20 Juli 1775 hemmekam en van aenstaal te dier tijd voornemens waaren naar de quaartieren van Ambon, Banda, Ternaten of Bouton te stevenen om specerij plaantjes op te soeken ten eijnde deselve op het Eiland blanbangan voort te quaeken gelijk uw wel Edele agtbaar„ heedens bij circulaire brief van den 27. december des gemelden Jaers reeds is bedeeld soo heeft deese regeering op het bekomen van boven gemelde tijding aanstonds de Pantjallang de caneelboom laten uitrusten die op overmorgen/ den 22 deeser / met onderkooplieden hammekain en gavanon na Batchian staat te vertrekken ten eijnde een naauwkeurig ondersoek na de verrigtingen der boven gemelde swervens te doen en tegens denselver verschijning in de Moluccos te protesteeren waar na wij den uitslag deser Commissie uwel Edele Agtbaarheedens bij nadere geleegentheit sullen Communiceeren Terwijl ik na toewensching van sheeren zeegen niet verschuldigde agting ben /:onderstond:/ wel Edele Abftbare heeren /:lager:/ uwel Edele agtbaarheedens bereidwillige vriend /:was geteekend:/ P: J: valckenaar /:in margine:/ Ternaten in 't casteel orange den 20 december A:o 1774. /:lager:/ Acordeert /:geteekent:/ A: de Champagnet secretaris Aan 107 399. Amboina Aan De wel Edele Agtbare Heeren Johan Abraham van der voort en Bernardus van Fleuven afgaande en aankomen gouverneurs en directeurs aldaar Wel Edele Agtbare Heeren Ik hebbe te zijner tijd wel ontfangen uwel Edele Agtb:s ge eerde secreete en aparte letteren van den 23. Maart en 21. April waaruit ik in de eerste plaatseset genoegen hebbe ontwaart dat ook mijne secreete brieven van den 18 november van het gepasseerde en van den 10 maart deeses Jaars behoorlijk aan den heere gouverneur van der voort waren overhandigt Terwijl ik met geen minder vermaak uit de eerstgemelde secreete missive vernam dat de versending van het koningje van waigeenu uwel Edele agtb goedkuning hadde wegge„ „dragen met uwel Edelen verhopende dat die verbanning van deesen rooven een pchaik in sijne makkers brengen ende rust in de Ambonse districten mag bevorderen waar toe het Tidoreese hof soo het selve het wel met de compagnie meende sekkerlijk veel soude kunnen contribueeren maar men is Van Ternaten den 20' Juli 175 daar daar trag in het nemen van cordate besluiten en nog langsa„ „mer in het uitvoeren soo dat ik op de hulp van den koning van Tidor niet veel staat make want de overlevering van den waigeenwsen rover uitgesondert weete ik bij onderoin„ ding dat omen sig op Tidoor. doorgans toelegt om deese billijke vertogen met goede woorden en beloften sleepende te houden sonder iets wesentlijks tot redres der des ondres bij den hand te nemen. om deesen reden is het mij dies te smertelijken geweest van uwel Edele agtbarens te vernemen dat de Papoese rovens nog niet van hunne vreede onderneemingen gesien waar van tot bewijsen strekken de gepleegde moorden dan etlijke in„ woonders van Boanoa sawaij en hatilen benevens de door uwel Ed. Agtbarens vermelde vervoering van eenige andere persoonen uit de evengenoemde plaatsen welke omheilen denkelijk nog soo spoedig geen eijnde sullen hebben genomen indien der inlanderen rapporten dat er nog wel 40 a 50 Papoese Corra Corras langs de noord Cust van ceram om swerfden met de waarhet sijn over een gekomen„ het is daarom te wenschen dat het ander gerugt vande aanstaande verscheijning van vijf en zeventig Corra corras Van Ternaten den 20: Juli: 173. met 2

NL-HaNA_1.04.02_3445_0439 view scan ↗

English

109 403 From Ternate, the 21st of July 1775 may not have been confirmed with this same sort of news, because such a formidable force would certainly have been able to cause much mischief on the Ambonese and Xulla lands, which these rogues, according to the report of the orangkaya of Haliben, intended to invade. However this may be, your Right Honourable Worships may at least rest assured that I shall not fail to make the necessary representations to the king of Tidore against the continuous misdeeds of the Papuans, for which I shall seize the opportunity at the time when the foremost grandees of the realm come to deliver the letter from their prince for their High Mightinesses in our assembly, in the hope that our admonitions will have a good effect and may spur the king to curb his predatory subjects, although, as already stated, I do not have the best expectations of this; for it appears evident from all circumstances that the robbers will not desist from their misdeeds until their power has been thoroughly broken by the Company's arms. For all of which reasons I am still of the opinion, along with your Right Honourable Worships, that the planned military expedition against this rabble becomes more necessary from day to day, as nothing is more certain than that the Halmahera [illegible] of Maba, Weda, and Patani support the Papuans in their evil deeds and act as chiefs and guides among them to make them even more skilled in their hateful trade. Having touched upon the chapter of this expedition, I cannot refrain from expressing how very agreeable it has been to me that your Right Honourable Worships have been pleased to approve my further remarks concerning the conjunction of both little fleets and concerning the recall of the extirpators, so that I now know no better than that we are currently in complete agreement regarding the necessary arrangements for the expedition. Since their High Mightinesses have not yet been able to provide us with the necessary manpower, we must now merely await their very highest further orders; and I shall meanwhile express my gratitude to your Right Honourable Worships for the extract missive of the 2nd of December of the past year sent to me, whereby the postponement of the planned campaign by our high superiors was made known to your Right Honourable Worships. Likewise, I express my obligation for the communication made regarding the French two-masted bark that appeared at Gebe, which news is said to have reached Ambon through the agency of the young raja of Roemasoal. I think it is almost certainly the same vessel of which our Gebe commissioners From Ternate, the 30th of July 1775 Hemmekam and Gavanon made mention upon their return, and about which I wrote the necessary details to your Right Honourable Worships in my secret letter of the 3rd of March; and if this be so, then it would have been an English and not a French vessel, although I do not wish to sell my suspicion regarding the nationality of those foreign mariners as the truth at all. However, the rumour that the young king of Bacan received a gift of one thousand and his [illegible] one hundred pieces of cloth from the said Europeans, I can refute with greater certainty, because the said young king was on the voyage to Gebe in the company of the above-mentioned commissioners at about that time without having absented himself from them at all; thus the Ambonese tale, so far as it concerns the young king of Bacan, cannot possibly be true. Although it now remains somewhat uncertain whether Englishmen or rather Frenchmen called at Gebe, it seems to me, however, that there is no doubt about the appearance of the European strangers at that place, of whatever nation they may have been. In addition, one may also well establish that the aim of the repeatedly mentioned strangers was to provide themselves with spices in this region, From Ternate, the 28th of July 1775 which undermining of the Company's exclusive trade your Right Honourable Worships rightly remark can be prevented with sufficient attention; thus we are certainly obliged to employ all possible means to thwart these harmful designs. Since my last letter of the 10th of March, I have heard nothing else of the roaming about of foreign Europeans except that the extirpators Stephani and Butons wrote to us in a letter of the 30th of May how they had learned from a Weda man that this man had discovered four strange vessels between Pulau Moor and Saiyaffi at about that time, of which two carried two masts and the other two one mast, without his daring to say of what nation these mariners were, and without any further details of these vessels having been reported to me, so that I cannot vouch for the truth of this news, as one often cannot rely much on the accounts of natives. I can, however, make mention with greater certainty of some other news that in my opinion will not be disagreeable to your Right Honourable Worships. The main substance thereof consists in this: that in the past month of May by a [illegible]

Dutch transcription

109 403 Van Ternaten den 21 Duli 1775 met dit selfde soort van novens niet bevestigt mag sijn geworden dewijl soo een gedugte mogt seekerlijk veel quaad soude hebben kunnen stigten op de Ambonse en xullase landen die dese schelmen volgens het rapport van den orangkaij van Haliben gesint sijn geweest te inwvadeeren. Dan het sij hier meede hoe het wil uwel Edele agtb: gelieven sig ten minsten versekert te houden dat ik niet sal versuimen tegens de continueerende euveldaden der Papoen de nodige vertoogen bij den koning van Tidor te doen waar toe ik de geleegentheit sal capteeren ten tijde dat de voornaamste rijks„ grooten de brief van hunne vorst voor hunne hoog Edelheeden in onse vergadering komen overgeven in hope dat onse vermanningen een goede uitwerking doen en der koning tot het beteugelen sijner roofzugtige onderdanen mogen aan spooren hoe wel ik soo als reeds gesegt is daar de boste verwagting niet hebbe want het schijnt dog uit alle de omstandigheden te blijken dat de roovers hunne ewveldaden niet eerder sullen na laten „. voor dat derselver magt eens ter degen door Compagnies wapenen geruirkt sal sijn geworden al waarom ik als nog met uwel Ed:e agtb: van gevoelen ben dat de beraamde krijgs expeditie tegens dit gespuis van dag tot dag noodsakelijker word dewijl er niet zekerder is dan dat de halmaheira nuutelingen van Maba weder 1 1 weder en Pattani de papoeen in hunne ewel daden stijden en als hoofden en lijdslieden bij deselve ageeren om se nog bedrevenen in hun hatelijk ambagt te maken. op het chapiter van dese expeditie geraakt sijnde kan ik met afsijn te betuigen hoe mij seer aangenaam is geweest dat uwel Edele Agtb: mijne verder aanmerkingen over Consunctie der beide vlootjes en over het rappel der Extaripateurs hebben gelieven goed te keuren, soo dat ik nu niet beter weete of wijsen hiet thans omtrent de noodige schikkinge voor de expeditie volkomen eens aan dewijl hunne hoog Edelheeden ons tot nog tol met van de noodige manschap hebben kunnen voorsien sullen wij hoogst den selver nadre ordres nu maar moeten afwagten; en ik sal middelerwijl mijne dankbaarheijt aan uwel Edele Agtb: afleggen voor de mdij toegesondene extract missive van den 2. december anni passati waar bij uwel Edele agtb de uitstel„ „ling van de beraamde krijgs togt door onse hooge gebiedens werd bekent gemaakt van des gelijken betuige ik mijne verpligting voor de gedaane communicatie van de verschene fransche twee maste Bank op gebe welke tijding door toedoen, van de Jonge radja van Roemasoal op de ambon soude sijn gekomen Jk denke bij na dat dit het selfde vaartuig is waar van onse gebete commissianten 1 van Ternaten den 30 Julij 1755 hemmekam dan 109 403 Van Ternaten den 20 Juli 1716. Hemmekam en gavanon bij hun te rug komst gewag hebben ge„ maakt en waar over ik uwel Edele agtb: bij mijne secreete brief van den 3. Maart het nodige hebbe geschureeven en dit soo sijnde dan soude het een Engelsche en geen fransche bodem sijn geweest hoe wel ik mijn vermoeden wegens de landtaart van die vreemde schepelingen in 't geheel niet voorwaarheit wil debiteeren: Dog het gerugt dat de Jongekoning van Batchian een geschank van duizend en sijn smam hondert kleedjes van gemelde Euro„ peanen souden hebben ontfangen kan ik met meer der seker„ heid wederleggen dewijl gemelde Jonge koning omtrent op 9 dier tijd in geselschap van bovengamelde Commissianten op de togt naar gebe is geweest sonder dat hij sig immers van deselve heeft geabsenteert dus het ambons verhaal voor soo verre het den Jonge koning van Batchian betreft onmogelijk waar kan sijn hoe wel het nu eenigsints onseker blijft op in Engeschen dan wel franschen op gebe sijn aangeweest dunkt mij egter dat er van de verschijning van de Europeaansche vreemdelin„ „gen te dier plaatse niet is te twijffelen van wat natie deselve dan ook mogen sijn geweest daar bij mag men ook wel vast stellen dat het oogmerk van meermelde vareandelingen ge„ wenst is om sig op dit sluk rest van specerijen te voorsien welke Van Ternaten den 28 Iuli 1775 welke onderkumping in 's compagnies privalive handel uwel Edele agtb: te reegt aanmerken dat met ijeen genoeg attentie belet konwerden dus wij sekerlijk verpligt sijer tot vereijdeling deser schadelijke desseinren alle mogelijke middelen in het werk te stellen. sedert mijne laaste van den 10 e Maart hebbe ik van de rond„ swerving van vreemde Eurspeanen niet anders vernomen als dat de ex tirpateurs stophaan en but ons bij een brief van den 30 Maij hebben geschreeven noe se van een wedarees hadde ver„ staan dat dese oman ontrent dien tijd tusschen Poelo. Moar en saijaffi vier vraemde vaartuigen hadde ontdekt waar van twee, twee masten en de twee andere een mast voerden sonder dat hij eorste te seggen van wat natie dese schepelingen waren geweest en sonder dat mij verder iets naders van dese bodems is berigt soo dat ik voor de waarheijt deser tijding niet kan instaan dewijl men op de relasen van inlanders dikwils niet veel staat kan maaken. Ik kan egter met meer der seekerheit gewaak maken van eenige andere tijding die uwel Ed: Agtb: na mijn gedagten niet onaangenaam sal sijn het hoofd noodsakelijke daar van bestaat hier in dat in de gepasseerde maand Meij door een Hullokke

NL-HaNA_1.04.02_3445_0443 view scan ↗

English

405. From Ternate, the 20th of July 1775 By a Sulu prahu the important news has been brought here that the English on Balambangan have gotten into a formal war with the Sulu people and have been forced to leave the said island of Balambangan by flight, leaving behind all their merchandise and war supplies. This news was not spread here by the Sulu prahu masters, but was written to us by the Emperor of Sulu himself, which prince testifies in his letter that the Britons gave the first cause for the disturbances that arose, as they had provoked the Sulu people by their outrages and ill-treatment to such an extent that these subjects of his were forced to avenge themselves on the English by running amok, as the prince says, and to drive this nation from Balambangan, in which encounter, according to the Sulu account, many were killed on both sides. Now, whether this excuse on the part of the Sulu people agrees in all respects with the truth I will leave aside, being well pleased that these competitors have been driven out of that quarter, since their establishment on Balambangan would have been in many respects very disadvantageous to the Company. Knowing nothing further of substance to report to Your Honorable Nobilities, 31 From Ternate, the 20th of July 1775 to report, I shall conclude this with wishing Heaven's bountiful blessing upon Your Honorable Nobilities' persons and the Company's precious interests, after which I remain with great respect, Underneath was written: Honorable Noble Lords. Lower: Your Honorable Nobilities' obliged friend. Was signed: P. J. Valckenaer. In the margin: Ternate in Castle Orange, the 19th of June in the year 1775. Lower: Agrees. Was signed: A. de Champagnet, secretary. To 407. From Ternate, the 20th of July 1775. To the Honorable Noble Lord Johan Abraham van der Voort Governor and Director there Honorable Noble Lord, I could not let the Chinese Njo Tjanko depart for Amboina without replying to Your Honorable Nobility's esteemed letter of the 8th of June, how I have learned with regret from the accompanying copy of the separate note of the 8th of February addressed to Your Honorable Nobility that the intended expedition of this year could once again not proceed for lack of the necessary crew for the Ternate armada. When I consider the necessity of this military enterprise, this delay is very painful to me as well as to Your Honorable Nobility; yet, since the extirpation voyage to the Maba and further Tidore districts would have had to be absolutely ceased if the military operations of this year had been continued, I can now at least make use of this interim period From Ternate, the 20th of July 1775 to continue the spice extirpation in the said places, with which good progress continues to be made, although this work will not yet be able to be brought to an end by the month of September of the coming year due to the great extent of the Tidore territory, so that by that time I shall nevertheless be forced to recall the extirpators, unless a lack of manpower should perhaps again force Their Excellencies to postpone the expedition once more, which would truly be lamentable. For the rest, please be assured that I will do my best to ensure that the designated orders are strictly observed by the fleet personnel of the Ternate armada in the manner they have now been laid down by you in the revised Instruction and sailing orders, with which I conform, all the more because these papers have been drawn up in conformity with the latest orders of Their High Excellencies. I will also merely add here that, since Your Honorable Nobility has set the sailing time from Ambon at the 10th or at the latest the 15th of September, I shall let the Ternate squadron sail from here ten or twelve days beforehand, in order, if possible, to join almost at the same time with the Ambon squadron 115 409. 33 From Ternate, the 20th of July 1775. at the designated rendezvous point on the north side of Obi Latoe. Before I end this, I shall have the honor to communicate to Your Honorable Nobility that the King of Tidore, or rather his son the Raja Muda, has come to a resolute decision, as they handed over the petty king of Waigeo to me in the month of May last, whereupon this pirate was sent bound in fetters to Batavia in the month of July on the ship Vlissingen, so the Ambon coasts will henceforth be freed from the hostile enterprises of this villain, whose predatory deeds Your Honorable Nobility will be able to perceive, at least in part, from the copy accompanying this of the report from the members of this Board, Raesveld, Wttewaal, and Hemmekam, and likewise from two extracts from our council meeting of the 30th of May and the 6th of July, which papers are also enclosed herewith for this purpose. Knowing nothing further of interest to write to Your Honorable Nobility, I shall conclude this with wishing the Lord's blessing upon Your Honorable Nobility's person and the Company's important interests entrusted to Your Honorable Nobility's care, while I remain with due respect, wherewith I remain with proper respect, Underneath was written: Honorable Noble Lord. Lower: Your Honorable Nobility's very obliged friend. Was signed: P. J. Valckenaer. In the margin: Ternate in Castle Orange, the 8th of November in the year 1774. Lower stood: Agrees. Was signed: A. de Champagnet, secretary. To [illegible]

Dutch transcription

# 405. Van Ternaten den 20 Juli 175 Naillokse swauw de impontante nieuw maar alhier is aange„ ante. „bragt dat de Engelschen op Blanbangan in een formeelen orlog met zullotikers geraakt en genoodsaakt sijn geweest gemeld eiland Blanbangan door de vlugt te verlaten met agterlating van alle hunne koopmanschappen en oorlogs behoeften. Dit nieuws is hier niet alhier door de zullokse prauw voerders verspreidt maar onsselfs door den keiser van zullok geschreven welke vorst bij sijn brief betuigt dat de vritten de eerste aanlei„ „ding tot de onstane ontlusten hebben gegeven als die de zullok „kers door hunne geweldenarijen en quade bejegeningen der„ „maten hadden getergt dat dese sijne onderdanen genoodsaakt ƒ waren geworden om sig (:boo de vorst zegt /: door am ok op de Engelschen te waecken en deese natie van Blanbangan te ver„ Jagen bij welke renconte na het zulloks verhaal van beide kanten veele waren gesneuvelt. of nu deese verontschuldiging van de kant aer fullokkers in allen deele met de waarheit over eenstemt sal ik daar laaten wel te vreeden sijnde dat mindere competiteuren uit dien oist heeft verjaagt, dewijl derselver etablissement op Blanbangan in veele opsigten seer nabeelig voor de Compagnie soude sijn geweest verders niets sakelijk aan uwel Edele Agtb: wetende temelden 31 Van Ternaten den 20 Juli 1775 te melden sal ik de en besluten met toewensching van Rhemels heilrijken tegen over uwelEd: agtb: persoonen en 's Compagnies dierbare belangen waar na ik met veel agting verblijve /:onderstond:/ wel Edele Agtbare heeren /:lager:/ uwel Edele Agtbarens dienstwillige vriend /:was geteekend P: J: valckenaar /:in marging. /. Ternaten in 't Casteel Orange den 19. Junij Ao 1775 ƒ /:lagen: /. Accordeert /:was geteekend:/ A: de Champagnet secritaars Aan O #3 407. Van Ternaten Den 20:e Julij 175. Aan Den wel Edele Agtbare Heer Abraham van der voort Johan Gouverneur en Directeur aldaar Wel Edele Agtbare Heer Ik hebbe den Chinees Njo Tjanko. met onaar Amboina kunnen laten vertrekken sonder op uwel Edele Agtbares geerde letteren van den 8. Junij te rescribeeren hoe ik uit de daar bij gevoegde copia van het aan uwel Ed: Agtb: gerigt apart briefje van den 8. februarij met leedweesen hebbe verstaan dat de be„ wiste eepeditie van desen Jaare wederom geen voorgang heeft kunnen nemen bij gebrek van de noaige manschap voor de Ternaatse armade. wanneer ik denoodsakelijkheid van dese krijgs onderne„ oming aanmerke vat dit uitstel mij soo wel als uwelEd:e Agtb seer smartelijk dog vermits de extripatie togt op de Mabase, en verdere Tidoreese destricten absolunt gestaakt hadde moeten werden soo de krijgs operatins van dit Jaar voortgeset waren geworden kan ik mij nu ten minsten van Ternaten den den 25 Juli 1775 Van van deese tusschen tijd bedienen om de specerij estripatie opgemelde plaatse voort te setten waar meede bij continuatie een goede voortgang werd gemaakt hoe wel dit werk de maand september van het aanstaande jaar nog niet ten eijnde gebragt sal kun„ „nen werden door de groot uit gebreedheidt van het Tidoreese „teraitin soo dat ik tegens dien tijd dog wel genoodsaakt sal sijn de es turpateurs op te ontbieden ten waare dat gebrek van manschap die hun Edelheeden al wederom mog noodsake„ om de expeditie nog maals uit te stellen dat waarlijk be„ klaaglijk soude sijn voor't overige gelieve uw versekert te sijn dat ik mijn best sal doen om de beraamde orders stiptelijk door de vlotelingen van de Ternaatse armade te doen nakomen in maniere deselve thans door uw sijn ter neder gesteld bij de veranderde Instructie en zeilagie ordre waar meede ik mij Confor„ meere te meer dewijl dese papieren conformde Jongste bevelen van hun hoog Edelheeden sijn ingerigt ook sal hier dus nog maar bijvoegen dat aangezien uwel Ed: Agtb: den zeijl tijd van Ambon op den 10 op uiterlijke den 15: september heeft bepaalt ik het Ternaats Esquader tien of twaalff dagen bevoorens van hier sal laten afzeilen om des doerlijk bij na ter selver tijd met het Ambondse smaldal op 115 409. 33 van Ternaten den 20 Juli 1775. op de bestemde samelplaats aan de Woordkant van oubi Latoe te kunnen conjungeeren. : Eer dat ik desen eindige sal ik de eere hebben uwelEe Agtb: 9 te communiceeren dat de koning van Tiera of liever sijn soon de radja moeda tot een cordate resolutie sijn gekomen als die het koningje van waigeuw in de maand Meij Jongstleeden aan mij hebben overgelevert waar op dese rover in de maand . Juli met het schip vlissingen geboeid na Batavia is versonden dus de Ambonse Custene voortaan van de vijandelijke ondernemin„ ge van desen schelim bevrijd sullen sijn wiens roofsugtige bedrijven uwel Ed:e agtb ten minsten gedeeltelijk sal kunnen ontwaren uit het desen versellend afschrift van het berigt van de leden deeser Tafel Raesveld wttewaal en hemmekam en teffens uit twee Extracten van onse decreete vergadering van den 30 Mei en 6: Juli welke papieren met dit oogmerk hier meede sijn ingesloten. wijders niets in te ressant aan uwel Ed:. agtb wetende te schrijven sal ik deesen besluiten onder toewensching van des heeren zegen over uwel Ed: agtb: persoon en compagnies impontante belangen die uwelEd: Agtb: zorge zijn toe ƒ - 1 1 Van Ternaten den 20 Juli 1775 toe vertrouwt, terwijl ik met schuldige agting verblij„ waar mede ik met behoorlijke agting verblijve /:onderstond:/ wel Edele Agtbare heer /:lager:/ uwel Edele Agtbares seer dienstwillige vriend / was geteekend:/ P: J: valckenaar. /:in margine/ Ternaten in 't Casteel ovringe den 8. November A:o 1774. /:lagerstond:/ Accordeert /:was geteekendt:/ A: De Champagnet secretaars. Aan ve 1 C Van Si G: hebb lil

NL-HaNA_1.04.02_3445_0449 view scan ↗

English

From Ternate, the 20th of July 1775. To the Honorable Sir Johan Abraham van der Voort, Governor and Director there. Honorable Sir, In the last secret letter of the 20th of December of the past year, I informed your Honor of the appearance of an English vessel near Batchian, as well as the dispatch sent thither consisting of the junior merchants Hemmekam and Gavanon with the Canneelboom, alongside the promise to give your Honor further notice of the outcome of this mission. I have the occasion now, following upon this communication, to inform your Honor that the aforementioned commissioners, upon their return, reported that they had found no Englishmen anywhere, but that the King of Batchian had recounted that the British intention was by no means to sail to Bouton, but rather to the Papuas, with the objective of erecting a fort there on a certain silver-producing island, Hlowok, situated close off the coast of Nova Guinea, for which purpose four ships and about 100 prahus had already departed thither, manned with Englishmen, sepoys, Moors, Xullans, Chinese, Bugis, and other sorts of people. This journey of the English to the Papuas with such a large number of vessels does not appear very probable to me, and as very little reliance can be placed on these reports from the King of Batchian, I rather think that the British are merely intent on obtaining spices or the saplings thereof. I am all the more confirmed in this suspicion because the aforementioned commissioners informed us that they had learned from natives that the previously mentioned English vessel had been on Gebe, at the island of Oempaij close to the aforementioned Gebe, about a month before the commissioners' arrival, adding that they had encountered several convincing proofs of the disloyalty of the peoples of Gebe and Pattani, who were now making great efforts to sell spices to foreign European nations, of which they, the commissioners, brought along several nutmegs as proof, which they had found in places where the natives had hidden those nuts in order to carry on an illicit trade with them later. I find myself furthermore obliged to inform your Honor that the commissioners also reported to us that at the end of the past year, a large vessel on which, according to the natives, the King of Goram was present with upwards of sixty Ceram people, had been at Poelo Piesang, from whence the said natives had carried off a great quantity of nutmegs. It was probably with this same objective that this same nation also appeared at the rear of Dodingo at the beginning of the month of January, according to the report we received regarding this at that time from the sergeant and postholder Groos, so that the English or other European foreigners currently do not lack the opportunity to acquire spices, as plenty of treacherous natives present themselves to provide them therewith. Moreover, we have been informed by Hemmekam and Gavanon that the English constantly sail to and fro at Goram to purchase the spices that are brought thither surreptitiously from elsewhere, both from the Moluccos and from the quarters of Ambon and Banda. A clear proof, therefore, that the English smugglers apply themselves to nothing else than making themselves masters of the spice trade. For this reason, I deemed it expedient to inform your Honor of these matters in order to serve for your guidance, and to provide against it by all such means as your Honor shall judge most advantageous for the service of our Lords and Masters. Meanwhile, after wishing you the Lord's blessing, I remain with great respect, underneath stood: Honorable Sir, lower stood: your Honor's dutiful friend, was signed: P. J. Valckenaer. In the margin: Ternate, in Castle Orange, the 10th of March 1775. Lower stood: Agrees, signed: A. de Champagnet, Secretary. From Ternate, the 20th of July 1775. From Ternate, the 20th of July 1775. To the Honorable Sir Jacob Veltens, Governor and Director there. Honorable Sir, The reasons set down by your Honor in the missive of the 15th of April to demonstrate the slight probability that the English would go specifically to Banda to seek spices or the saplings thereof, I find well-founded, and I am likewise of the opinion with your Honor that they can obtain these fruits just as easily at Passir and elsewhere from Ceram people and other smugglers. However, since the arrival of the British at or near the Banda Islands cannot be considered an absolute impossibility, I could not refrain from informing your Honor of what came to the ears of our former commissioners Hemmekam and Van der Stal at Xulla from these competitors themselves regarding their intended expedition to trade in the spice produce, to which I felt all the more obliged on account of their High Excellencies' standing orders to the servants in the East to maintain strict mutual correspondence in order to inform one another of such remarkable occurrences. In compliance with these orders, I have the honor to inform your Honor that this year not the least has been heard here of any foreign European nations or expeditions; wherefore I shall conclude this, while I remain at the same time with due respect, underneath stood: Honorable Sir, lower stood: your Honor's humble servant, was signed: P. J. Valckenaer. In the margin: Ternate, in Castle Orange, the 8th of November of the year 1774. Lower stood: Agrees, signed: Champagnet, Secretary.

Dutch transcription

117 411 133 Van Ternaten den 20 Julij 1775 — Aan de wel Edele Agtbare Heer vmn Johan Abraham van der voort No Gouverneur en directeur aldaar. E Wel Edele Agtbare Heer Bij de laatste secreete brief van den 20 december ann: passati hebbe ik uwel Edele Agtb: verwittigt de verschijning van een Engels vaartuig omtrent Batchian mitsgaders de derwaards gedane depeche van de onderkooplieden hemmekam en gava„ „non met de canneel boom onder belofte tevens om uwel Edele Agtb: van den uitslag deser Commissie nader kennis te sullen geven ik hebbe gelegentheit uwel Edele agtb: thans ten ver„ „volge deser Communicatie te berigten dat de gemelde Com„ „missianten bij hun te rug komst hebben gerapporteert dat sij nergens Engelschen hadden aangetroffen maar dat Batchians „koning en verhaalt hadde dat den britten voornemen geen„ „sints was geweest om naar Bouton te stevenen maar wel naar de Papoe met oogmerk aldaar op seker silver gevend Eiland Hlowok digt onder de cust van Nova quena gelegen een .. . : een fort op te rigten tot welk ein de reeds vier schepen en circa 100 Praauwen derwaards souden sijn vertrokken bemant met Engelschen cipaijers moren fullokkens Chineesen Boeginieeten en meer andersoort van volk. Dese reise der Engelschen naar de Papoe met soo een groot getal van vaartuigen koomt mij niet saer waarschijnlijk voor en dewijl op deese berigten van Batchians koning seer weijnig staat is te maaken denke ik veel eer dat het de puitten alleen te doen is om specarijen of derselver planties te bekomen in welk vermoeden ik te meer bevestigt ben door dien de voormelde commissianten ons berigt hebben hoe sij van inlanders hadden vernomen dat het bevorens gemeld Engelsch vaartuig Cinca een maand voor der Commissianten aankomst op gebe op het Eiland oempaij digt bij genwemnt gebe was aangeweest met bij voeging dat hen verscheide overtuigende blijken waren voorgekomen van de ontrouw der volkeren van gebe en Pattani die thans sterk hun werk makten om de specerijen aan vreemde Europeaanse Naties te verkopen waar van sij Commissianten tot bewijs Eenige Muscaat noten hebben Van Ternaten den 20 Juli 175. meede 179 433 Van Ternaten den 20:' Iulij 1775 meede gebragt die sij hadden gevonden op plaatsen daar de inlanders die nooten hadden verborgen omer naderhandt een ongeoorloofden handel mede te drijven Ik vinde mij voorts verpligt om uwel Edele agtb nogte bede„ „len dat de commissianten ons ook berigt hebben dat in't laatst van 't gepasseerde Jaar een groot vaartuig waar op naar het seggen der inlanders te koning van goram met ruum sestig cerammens sig hadde bevonden, op Poelo Piesang was aangeweest van waar gemelde inlanders een grote menigte Noten muscaten hadden vervoert met welk oogmerk dese selfde Natie in 't begin van de maand Januarij denkelijk ook aan de agter kant van Dodingo is verscheenen ingevolge het berigt dat wij te dier tijd van den sergeant en Posthouder groos dies we„ „gens hebben ontvangen soo dat het de Eengelschen of andere Euro„ „peaanse vreemdelingen thans niet ontbreek aan geleegenheid om specerijen te komen dewijl en sig trouwlose Jnlanders genoeg op doen om hen daar van te voorsien daar en boven sijn wij door hemnekam en gavanon onderrigt dat de Engelschen op goram gedurig af en aan varen om de specerijen die aldaar van elders soo uit de moluckos als uit de quartieren van Ambon en Banda ter sluik werden aangebragt op te kopen. Een Een klaar bewijs derhalven de Engelsche lourendraijers sig nergens anders op toeleggen dan om sig meester te maken van den specerije„ 99 handel waarom ik dienstig heb geagt uwel Edele agtb: dit een en ander te verwittigen ten eijnde te strekken tot desselfs narigt en daar tegens te voorsien door alle sulke middelen als uwel Edele Agtb: ten dienste onser heeren en meesters de oirbaanste sal oordeelen Inmiddels blijve ik na toewensching van des heeren segen met veel agting /:onderstond:/ wel Edele agtb: heer :lager / uwel Edele agtb: dienstwilligen vriend /:was geteekend:/ P: J: valckenaar /:in margine :/ Ternaten in 'T Casteel orange den 10 maart 175. /:lagerstond/ Accordeert /:geteekend:/ A: de Champagnet secretaris Van Ternaten den 20 Julij 1775 Aan Slu 121 435. Van Ternaten den 20. ' Juli 1775. Aan den wel Edele Agtbaren Heer Jacob Velters Gouverneur en Directeur aldaar Wel Edele Agtbaare Heer De redenen die door uwel Edele Agtbare bij missive van den 15 April ter neder sijn gesteld om de geringe waarschijnlijk aante toomen dat de Engelschen sig Juist na Banda souden begeven om specerijen of denselver planties op te soeken vinde ik dier gefundeert en ik ben van des gelijken met uw Ed: Agtb: van gevoelen datse dese vrugten wel soo gemaakkelijk op Passier en elders van cerammers en andere sluithandelaars kunnen bekomen dog dewijl men der Britten aankomst op of ontrent de Bandase eilanden egter als geen volstrekt ommogelijke saak kan stellen hebbe ik niet kunnen afsijn uwE: Agtb kennisse te geeven van het geene onse gewesene commissian„ „ten hemmekam en van der stal op xullok van dese Competiteuren selfs ten ooren is gekomen rakende hunne voorgenoomene togt om specerij gewas aan te handelen waar toe ik mij dies te verder verpligt hebbe gevonden wegens hun hoog Edelheedens permanente ordres Van Ternaten den 20: Juli 1775 ordres aan de dienaaren om de oost om de onderlinge correspondentie stipt te onderhouden om dusdanige merkwaardige voor vallen aan elkanderen te verwittigen In opvolging deser beveelen hebbe ik de eere uw Ed: Agtb te be„ „rigten dat men hier deesen Jaare niet het minste van eenige vreemde Europeaanse naties of uit rustingen heeft vernomen alwaarom ik deesen sal afbreeken terwijl in teffens met verschuldigde agting verblijve /:onderstond:/ wel Edele Agtbare heer /:lager:/ uw Agtbares ootmoedige dienaar /:was geteekend:/ P: J: valcke„ naer /:in margine :/ Ternaten in 't casteel orange den 8. November Ao 174 /(lagerstond/ Accordeert /:geteekend:/ Champagnet secretaris. De Aan

NL-HaNA_1.04.02_3445_0455 view scan ↗

English

From Ternate, the 20th of July 1775. To the Honorable, Respectable Lord Jacob Velters Governor and Director there Honorable, Respectable Lord Having informed your Honor by the last secret letter of the 28th of December of the past year about the appearance of an English vessel near Batchian, as well as the dispatch sent thither of the junior merchants Hemmekam and Gavanon with the Caneelboom, while also promising to give your Honor further notice of the outcome of this commission, I now have the honor to report to your Honor that the said commissioners reported upon their return that they had not encountered any Englishmen anywhere, but that the King of Batchian had recounted that the Britons' intention had by no means been to sail toward Bouton, but rather to Papua with the purpose of erecting a fort there on a certain silver-yielding island, also situated close under the coast of Nova Guinea, for which purpose four ships and ships and about 100 prahus had departed thither, manned by Englishmen, sepoys, Moors, Tallokkers, Chinese, Bugis, as well as those from Borneo and also another sort of people. Now, as very little reliance can be placed on these reports from the King of Batchian, I rather think that the Englishmen are only concerned with obtaining spices or their plants, in which suspicion I am all the more confirmed as they had learned from natives that the above-mentioned English vessel had been at the island of Oempaij, close to the aforementioned Gebe, about a month before the commissioners' arrival at Gebe, with the addition that they had encountered several convincing proofs of the faithlessness of the peoples of Gebe and Pattani, who were now making a great effort to sell spices to foreign European nations, of which they have brought along some nutmegs as proof, which they had found in places where the natives had hidden those nuts in order to carry on an illicit trade with them later. I furthermore find myself obliged to inform your Honor that the commissioners also reported to us that late in the past year a large vessel, on which according to the natives the King of Goram had been present with over sixty Ceramers, had visited Poelo Piesang, from whence they had transported a large quantity of nutmegs, with which purpose this nation was probably also at the back of Dodingo in the beginning of the month of January, according to the report we received in this regard at that time from Sergeant and Postholder Groos; so that the English or other foreign Europeans currently do not lack the opportunity to obtain spices, as enough faithless natives present themselves to supply them therewith. Moreover, we are informed by Hemmekam and Gavanon that the English sail continually to and fro in Goram to buy up the spices that are brought there illicitly from elsewhere, both from the Moluccas and from the districts of Ambon and Banda. Clear proof, therefore, that the English are aiming at nothing else than to make themselves masters of the spice trade, for which reason I have deemed it useful to inform your Honor of these matters, in order to serve for your information and to provide against it provide against it by all such means as your Honor shall deem most expedient for the service of our Lords and Masters. Meanwhile, after wishing the Lord's blessing, I remain with great respect, underneath stood, Honorable, Respectable Lord, lower, your Honor's obedient friend, was signed, P. C. Valckenaar, in the margin, Ternate in Castle Orange, the 3rd of March 1775, lower, Agrees, signed, A. de Champagnet, secretary. From Ternate, the 20th of July 1775 To the Honorable, Respectable Lord Jacob Velters Governor and Director there Honorable, Respectable Lord Regarding the outcome of the commission undertaken to Batchian and Gebe, I refer to my last secret letter of the 3rd of March of this year, a copy of which I enclose herewith; furthermore, for the maintenance of the recommended correspondence and for your Honor's information, noting that concerning the roaming of foreign Europeans since my said last missive I have learned nothing other than that our extirpators Stephaan and Out wrote in a letter of the 30th of May how they had heard from a certain person that this man, around that time, between Poelo Moear and Saij, had discovered two foreign two-masted as well as two one-masted vessels, without his being able to say of what nation these crew members had been, and without anything further concerning these vessels having been reported to me, so that I cannot vouch for the truth of this news, as one on the accounts of

Dutch transcription

457. Van Ternaten Den 20:' Iuli 175. Aan den Wel Edelen Agtbaren Heer Jacob Velters Gouverneur en directeur aldaar Agtbaren Heer Wel Edele Bij de laatste secrete brief van den 2s december ann: passat„ uwel Edele agtb: verwittigt hebbende de verschijning van een Engels vaartuig omtrent batchian mitsgaders de derwaarts gedane depoche van de onderkooplieden hemmekam en gavanon met de caneel boom onder belofte tevens om uw wel Edele agtb van den uitslag de „ser Commissie nader kennis te geeven soo hebbe thans de Eere uwel Edele agtb: te berigten, dat de gemelde Commissianten bij te rug komst hebben gerapporteert dat sij nergens Engelschen hab den aangetroffen omaar dat watchians koning en verhaalt hadde dat der vritten voorneemen geensints was geweest om naar bouton te stevenen maar wel naar de Papoe met oogmerk om aldaar op seker silver gevend biland so wokk digt onder de Cust van Novr„ guna gelegen een fort op te rigten tot welk ei de vier schepen en Van Ternaten den 20:' Juli: 175. schepen en circa 100 Prauwen waaren derwaarts vertrokken be„ mant met Eengeschen sipaijens Moren Tallokkens Chineesen Boegineesen mitsgaders die van Borneo en om eer ander soort van volk. Dewijl nu op dese berigten van batchians koning seer weinig staat staat is te maken denke ik veel een dat het de Engelschen alleen te aven is om specerijen of derselver oplanties te bekomen in welk vermoeden ik te meer bevestigt ben hoe sij van inlanders hadden vernomen dat het boven gemelde besed Engelsche vaartuig Circa een maand voor der commissieanten aankomst op gebe op het eiland oempaij dig bij genoemt gebe was aangeweest met bijvoeging, dat hen verscheide overtuigende blijken waren voorgekomen van de ontrouw der volkeren van gebe en Pattani die thans sterk hun werk maakten om de specerijen aan vreemde Europe aanse Naties te verkoopen waar van sij tot bewijs Eenige muscaat noten hebben mede gebragt die sij hadden gevonden opplaatsen daar de in„ landen die nooten hadden verborgen om er naderkant een onge„ oorloofden handel mede te drijven. Ik vinde mij voorts verpligt om uwel Edele Agtb: nog te bedelen dat de commissianten ons ook berigt hebben dat in 't laast van 't gepasseerde Jaar een groot vaartuig waar op naar het seggen der Jnlanders aen koning van goram met ruim sestig Chaammers 1 125 419 Van Ternaten den 20:e Juli 175. Cerammers sig hadde bevonden op Poelo Piesang was aan„ geweest, van waar sij een grote menigte Noten muscaten hadden vervoert met welk ookmerk dese Natie in 't begin van de maand Januarij denkelijk ook aan de agter kant van Dodingo is geweest ingevolge het berigt dat wij te dier tijd van den sergeant en Posthouder groos dieswe„ „gens hebben ontfangen soo dat het de Engelschen of an„ „dere Europeaanse vreemdelingen thans niet ontbreekt aangelegentheid op specerijen te bekomen dewijl en sig trouwloose Jnlanders genoeg op doen om hen daar van te voorsien, daar en boven sijn wij door hemmekam en ga„ „vanon onderrigt dat de Engelschen is goram gedurig af en aan vaaren om de specerijen die aldaar van elders so uit de Moluccos als uit de quartieren van Ambon en Banrda ter sluik werden aangebragt op te kopen. Een klaar bewijs derhalven dat de Engelse Correnaraijens sig nergens anders op toeleggen dan om sig meester te ma„ . ken van den specerij handel waarom ik dienstig heb geagt uwel Edele Agtb: dit een en ander te verwittigen ten einde te strekken tot desselfs narigt en daar tegens te voorsien Van Ternaten den 28 Juli: 1775 voorzien door alle sulke middelen als uwel Edele Agtb: ten dienste onser heeren en Meesters de oirbaarste sal oodeelen. Inmiddels blijve ik na toewensching van des heeren zegen met veel agting /:onderstond:/ wel Edele Ag:t baren heer /:lager:/ uwel Edele dienstwilligen vaiend /:was geteekend:/ P: C: valckenaar /imargine:/ Ternaten in 't Casteel orange den 3: maart 1775 /:lager:/ Accordeert /: geteekend/ 9 A. de Chrampagnet secretaris Van 127 421. Ternaten den 20. ' Juli 1775 Van Aan Den wel Edelen Agtb: Heer Petters Jacob gouverneur en Directeur aldaar wel Edele Agtb: Heer Wegens den uitslag van de gedaane Commissie naar Batchian en gebe gedraage ik mij aan mijne laatste secreete brief van den 3 maart deeses Jaars waar van ik het afschrift hier nevens voege wijders tot onderhouding der aanbevoolemn Correspondentie tot uwel E:e agtb narigt noteerende hoe ik van het rondswerven van vreemde Europeanen sedert gemelde mijne laatste missive niets anders hebbe vernomen als dat onse extrapateurs stephaan en out bij een brief van den 30 Meij hebben geschreeven hoe see van een weed owees hadden verstaan dat deese man ontrent dien tijdt tusschen Poelo Moear en saij aff twee vraemde twee mast benevens twee een mast vaartuigen hadae ondekit sonder dat hij wiste te seggen 999 van wat natie dese schepelingen waren geweest en sonder dat mij verder iets naders van dese bodems is berigt soo dat ik voor de waarheit deser tijding niet kan mittan dewijl men op de relaasen van

NL-HaNA_1.04.02_3445_0460 view scan ↗

English

From Ternate, the 20th of July 1775 one often cannot rely much on natives. However, I can report with greater certainty another piece of news which, in my view, will not be displeasing to Your Right Honourable Honour. The main point thereof is that in the past month of May, the important tidings were brought here by a Sulu proa that the English on Balambangan engaged in a formal war with the Sulu people and were compelled to abandon the said island of Balambangan by flight, leaving behind all their merchandise and war supplies. This news was not only spread here by the Sulu proa crewmen, but was even written to us by the Emperor of Sulu, which prince in his letter affirms that the Britons gave the first cause for the disturbances that arose, as they had provoked the Sulu people to such an extent by their acts of violence and bad governance that these his subjects were forced, as the prince says, to avenge themselves upon the English by running amok and to drive the said nation from Balambangan, in which encounter, according to the Sulu account, many were killed on both sides. Whether this excuse from the side of the Sulu people corresponds in all respects with the truth, I shall leave aside, being well pleased that these competitors have been driven out of that region, considering their establishment on Balambangan would have been very detrimental to the Company in many respects. Furthermore, knowing nothing of substance to report to Your Right Honourable Honour, I shall conclude this with wishing Heaven's bountiful blessings upon Your Right Honourable Honour's person and the Company's precious interests, after which I remain, with due respect, underneath stood: Right Honourable Sir, lower: Your Right Honourable Honour's willing friend, was signed: P. J. Valckenaer, in the margin: Ternate, in Castle Orange, the 19th of June Anno 1775, lower stood: Agrees, signed: A. De Champagnet, secretary. To From Ternate, the 25th of July 1775 To the Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director there. Right Honourable Sir, Just recently, in the past month of May, I duly received via Amboina Your Right Honourable Honour's esteemed letter of the 30th of November of the past year, from which I learned with pleasure of Your Right Honourable Honour's intention to foil the harmful designs of the English should they come to search for spice plantations on Buton, although it is not likely that they will betake themselves thither for that purpose, since Your Right Honourable Honour writes that no genuine spice trees are found around Buton, which I consider to be a very desirable circumstance, as this will presumably relieve Your Right Honourable Honour of the trouble of preventing the transport and smuggling of these fruits as strictly as we are compelled to do here. Regarding the roaming about of strange Europeans, I have not heard anything recently other than that our extirpators Stephaan and Out wrote in a letter of the 30th of May how they had heard from a Weda man that this man, around that time, between Pulau Moor and Sayafi, had discovered two strange two-masted and two one-masted vessels, without him being able to tell of what nation these crew members were, and without any further details of these hulls having been reported to me, so that I cannot vouch for the truth of this news, since one often cannot rely much on the accounts of natives. However, I can report with greater certainty another piece of news which, in my view, will not be displeasing to Your Right Honourable Honour. The main point thereof is that in the past month of May, the important tidings were brought here by a Sulu proa that the English on Balambangan engaged in a formal war with the Sulu people and were compelled to abandon the said island of Balambangan by flight, leaving behind all their merchandise and war supplies. This news was not only spread here by the Sulu proa crewmen, but was even written to us by the Emperor of Sulu, which prince in his letter affirms that the Britons gave the first cause for the disturbances that arose, as they had provoked the Sulu people to such an extent by their acts of violence and bad governance that these his subjects were forced, as the prince says, to avenge themselves upon the English by running amok and to drive the said nation from Balambangan, in which encounter, according to the Sulu account, many were killed on both sides. Whether this excuse from the side of the Sulu people corresponds in all respects with the truth, I shall leave aside, being well pleased that these competitors have been driven out of that region, considering their establishment on Balambangan would have been very detrimental to the Company in many respects. Furthermore, I cannot omit informing Your Right Honourable Honour that Their High Honours have sent me this year, alongside their most secret letter of the 24th of November of the past year, an extract from the minutes of the resolution of the 4th of November prior, whereby these our high rulers have decided to retain both half of the salary of the junior merchant Hougue and of his shopkeeper income at Makassar, for the payment of his arrears. It is therefore that I most kindly request Your Right Honourable Honour, in the name of Hougue's joint guarantors, to stand up for their interests and please take care that the proceeds of this half-salary and income, in accordance with Their High Honours' requisition, without

Dutch transcription

Van Ternaten den 20 ' Juli 175 van inlanders aikwils niet veel staat kan maken. Ik kan egter met meerder sekerheit gewag maken van Eene an de tijding die uw elEd: agtb na mijne gedagten niet onaange„ naam sal sijn het hoofsakelijk daar van bestaat hier in dat in de gepasseerde maand meij door een tullokse prauw de impor„ tante nieuwmare alhier is aangebragt dat de Engelschen op Blan„ bangan in een formeeren oorlog met de vollotekens geraakt en genoodsaakt sijn geweest gemeld eiland Blanbangan door de vlugt te verlaten met agterlating van alle hunne koopmanschappen en oorlogs behoeften. Dit nieuws is hier niet alleen door de tollokse prauw voersers verspreedt, maar onsselfs door den keeser van tollok geschreeven welke vorst bij sijn brief betuigt dat de Bretten de Eerste aanleding tot de onstaane onlusten hebben gegeven als die de Lollokkers door hunne geweldenarijen en quaade tesegeringen dermaten hadaen getergt dat dese sijne onderdanen genoodsaakt waren geworden om sig soo de vorst seg: / door amok op de Engelschen te waeken en gemelde natie van Blanlangan te verjagen bij wel rencontre na het sollok verhaal aan beide kanten veele waren gesneuvelt of nu deese verontschuldiging van de kant der Lollokkers in alleen deese met de waarheit over Een stamt sal ik daar laten wel 129 423. Van Ternaten den 20: Julij 175 wel te vreeden sijnde dat men dese competiteuren uit dien oordt heeft verjaagt aan gesien derselven etablissement op Clanbangan in veele opsigten seer nadalig voor de compagnie soude sijn gewest verders niets sakelijks aan uw elEd:s wetende te melden sal ik desen besluiten met toewvensching van S'hemels heijlrijken segen over uwelEd: Agtb: persoon en scompagnies aierbare belangen waar na ik met schuldige agting verblijve /:onderstond: wel Edele Agtbare heer /:lager:/ uwel Edeles Agtbares dienstwilli„ „ge vriend /:was geteekend:/ P: J: valckenaar /:in margine : Ternaten in 't Casteel orange den 19 Junij Anno 1775. /:lagerstond:/ Accordeert /: geteekent:/ A: De Champaqnet secretaris. Aan Van Ternaten den 25 Juli 175 Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en Directeur aldaar wel Edele Agtbare Heer Nu jongst in de gepasseerde maand meij hebbe ik over Amboina wel ontvangen uwel Edele Agtb geerde missive van den 30 novemb=r anni passati waar uit ik met genoegen hebbe verstaan uwel Ed: Agtb voorneemen om de schadelyke aetseinen der Engelschen te ver„ ijdelen in dien deselve specerij polantsies op Bouton mogten komen opsoeken hoewel het niet waarschijnlijk is dat se sigten dien einde derwaarts sullen begeven dewijl uw elEd: agtb schrijft dat er om streeks Boutongeene egte specerij boomen gevonden worden het geen ik eene seer gewenschte saak oordeele te sijn nadien sulks uwel Ed: Agtb: denkelijk van de moeite sal ontheffen om den vervoer en sluikhandel dies vrugten soo songelijkie te verhindering als wij alhier genoodsaakt sijn van het rondswereven van vraam de Eunopeanen hebbe ik in zedent eenigen tijd niet anders vernomen als dat onse exturpateurs stephaan en 131 425. Van Ternaten den 20:' Juli 175 en out bij een brief van den 30. Meij hebben geschreeven hoe ze van een wedarces hadden verstaan dat dese man ontrent dien tijdt tusschen Poelo Mour en saij affi twee vreemde twee mast benevens twee een mast vaartuigen hadde ontaekt sonder dat hij wiste te seggen van wat natie dese schepelingen waren geweest en sonder dat mij verder iets naders van dese bodams is berigt soo dat ik voor de waarheit deeser tijaing niet kan instaan dewijl men op de relaten van inlandens dibiwils niet veel staat kan maken Ik kan egter met meerder sekerheit gewak maken van een andere tijding die uwel Ed: Agtb na mijne gedagten niet onaangenaam sal sijn het hoofdsakelijke daar van bestaat hier in dat in de gepasseerde maand meij voor een vollokse prauw de importante nieuwmare alhier is aangebragt dat de Engelschen op Blanbangan in een formeelen vo log met de vollokkers geraakt en genoodsaakt sijn geweest gemeld eiland Blanbangen door de vlugt te verlaten met agterlating van alle hunne koopmanschappen en oorlogs behoeften. Dit nieuws is hier niet alleen door de zullokse prauw voerders ver spreet maar ons selfs door den keeser van zollok geschreeven, welke voort bij sijn brief betiugt dat de kutten de Eerste aanleiding tot de ontslaane onlusten hebben gegeven als die de xullokikiers door hunne geweldenarijen en quaade de egeningen dermaten hadden getergt tot Van Ternaten den 20: Julij 175 dat dese sijne onderdaanen genoodsaakt waren geworden om sig soo de voost sigt door Amok op de Engelschen te wreeken en gemelde natie van tlanbangan te verjagen bij welke rencontie na het =xollotis verhaal aan beide kanten veele waren gesneuveult of nu deese verontschuldiging van de kant der vollatikers in allen deele met de waarheit over een stamt sal ik aaan laaten wel te vreden sijnde dat men dese Competetiteuren uit dien oordt heeft verjaagt aangesien aerselver etablissement op Blanbangan in vel op sigten seer nadeelig voor de compagnie soude sijn geweest. wijders kan ik niet afsijn uwel Ed: agtb te verwittigen dat hunne hoog Edelheeden mij desen Jare nevens hoogst denselver secreete brief van den 24 november ann: passati hebben toegesonden een Extract uit de notulen van de resolutie van den 4. november bevoorens waar bij deese onse hooge gebieders hebben beslooten om soo wel de „van helft den gagie „ den onderkoopman hougue als van sijne win„ keliers inkomsten op macrasser te laten inhouden tot betaling van sijn agterstal het is daarom dat ik uwel Ed Agtb: ui't naam van Hougue gesamentlijke borgen op het vriendelijkste versoeke om voor derselver belangen op te komen en des gelie „vende Corge te dragen dat het provenu van dese halve gagie en inkomsten in opvolging van hun hoog Edelheedens requsit sonder

NL-HaNA_1.04.02_3445_0465 view scan ↗

English

133 427. From Ternaten the 20 July 1775 may remain standing without anyone's opposition, in order to protect me and my further guarantors in time from damage, expecting from your Honourable and Respected known requisition that he will be pleased to employ his aid and service for our benefit out of consideration for the good trust that we had placed here in the said shopkeeper Houque without any view to personal interest. Wherewith I remain with due respect, underneath stood: Honourable Respected Sir, lower: Your Honourable Respected's willing friend, was signed: P: J: Valckenaar, in margin: Ternaten in Castle Orange the 19 June Ao 1755, lower stood: Agrees, was signed: A: de Champagnet Secretary. Report From Ternaten the 20 July 1775 Record of the accusation to the charge of the Ternate Captain Laut Prince Ahmat made by three Xullanese in the presence of The Honourable Respected Sir Paulus Jacob Valckenaar, Governor and Director of the Moluccos, Merchant and Secunde of this Government Godfried Carel Meurs, Ternate Shahbandar Mistafa and Courtier Djamalie recorded from the mouths of the deponents and written down by the undersigned translator and shopkeeper. In the presence of the Ternate Captain Laut Prince Ahmat, who was sent into arrest within this castle the day before yesterday by His Highness the King of Ternaten on the accusation of a committed murder of a certain slave woman of the former Ternate Captain of the Chinese nation Ong Jamko, as well as further committed outrages and offenses against Majesty, I, the undersigned translator, being qualified thereto by His Honourable Respected named at the head of this, have this morning in the upper hall of this Government meticulously questioned the Sangaji named Ahmat together with the Quimalaha Koma and another common subject named Garabole, all born of the island Sulla Bessij, as to what they had to say to the charge of the present 135 429 From Ternaten the 20 July 1775 present Prince Captain Laut, who thereupon answered as I have the honour to set down below, to wit: That quite some time ago, three slaves belonging to their masters, being two boys and one girl named Fortuijn, Seba, and Dagalili, were brought over from Ternaten to the coast of Halmahera to a certain place named Atikij Conij, where the first two deponents held their domicile, by the half-brother of the said Prince Captain Laut named Randjeboe, all three of whom were put to death at the said coast and place on the orders of the aforementioned Prince Captain Laut, as estimated by the deponents two years ago, by both the first two deponents and the Toborese Alfurs. And because all of this was firmly and flatly denied by him, Prince Captain Laut, the deponents declared, to corroborate their statement, furthermore that the said Fortuijn had been a turner by trade and that for the continuation of this his craft a bamboo shed or lean-to had been erected on the orders of the Captain in Halmaheira at the place aforesaid, where he had made, among other things, for the Captain Laut: 20 chairs, 2 couches, 1 chest, and 1 large wardrobe, all of which could still be found at the house of the Captain Laut and his brother Randjiboe. That From Ternaten the 20 July 1775 That Captain Laut, for the purpose of carrying out the aforementioned murder, had sent to Halmaheira the third deponent Garabole, who was at that time staying with Captain Laut as a servant according to the custom of the country, accompanied by three more slaves of Captain Laut named Garaisi, Kaedo, and Mandjoelij, with orders to the first and second deponents to first put to death the aforementioned three fugitive slaves, and then to burn the workshop together with the lathe and workbench, accompanied by the threat that if they did not comply with this order as speedily as possible, he, Captain Laut, would not only put them to death with his cleaver sent over with Garabole, but moreover sell their entire family into slavery elsewhere; which is why the deponents, by virtue of this order and fear for their own safety in the event of the contrary, proceeded to execute this evil deed, the boy Fortuin and the girl Dagaleli being put to death by them, the deponents, and the third, named Seba, by the Alfurs of Tabora, the workshop and the lathe and workbench standing under it furthermore being razed to the ground, the tools delivered to Captain Laut, and at the same time a report of this made to Captain Laut to his particular satisfaction. And upon my inquiry as to why the deponents, knowing full well that such actions are punishable in the highest degree, only now brought this to light, they answered that no investigation had ever been made into this before and that they had carried this out on the order of their prominent grandee of the realm, indeed the son of a reigning king; but that, an investigation now being made by the present king, they considered it their bounden duty to reveal the truth concerning this. Underneath stood: Ternaten in Castle Orange the 6 July 1775, signed: F: B: Hemmekam, below that: this examination was thus taken and answered according to the declaration of the translator Hemmekam in the presence of the undersigned, was signed: P: J: Valckenaar, G: C: Meurs. To

Dutch transcription

133 427. Van Ternaten den 20 Juli 1775 sonder iemants oppositie mag blijven staan ten eijnde mij onde verdere borgen in der tyd voor schade te behoeden van uwel Ed: agtb bekende requitit verwagtende dat deselve sijne hulp en dienst welten onsen behoeve sal gelieven in het werk te stellen uit consideratie van het goed vertrouwen dat wij alhier van zouden eenig insigt van eilsen belang op gemelden winkelier houque hebben gestelt. waar meede ik met behoorlijke agting blijve / onderstond:/ wel Edele Agtbare heer /:lager:/ uwel Edele agtbares Dienstwillige vriendt /:was getekend:/ P: J: valckenaar /:in margine:/ Ternaten. in 't Casteel orange den 19 Junij Ao 175 /:lagerstond:/ Acordeert :was geteekend:/ A: de Champagnet secretaris Verhaal Van Ternaten den 20 Juli 175 Verbaal van de beschuldiging ten Laste van den Ternaats Capitain Lauwt Prins Ahmat gedaan door drie xculanesen ten bijwesen van Den wel Edelen Achtbaren Heer Paulus Jacob valckenaar Gouverneur en directeur der Moluccos koopman en secunde deses gouvernements Goefried Cavel Maurs Ternaats Sabandhar Mistata en hoveling Djamalie _o uit de mond der deposanten aangeteekend en oppergeschreeven door den ondergeteekenden Translateur en winkelier In tegenwoordigheit van den door sijn hoogheid den koning van Ternaten over betigting van gepleegde woord aan seekere lavin van den gewesen Ternaats capitain der Chineese natie ong Jamko als vordere gepleegde geweldenarijen en questen van Majesteit op eergisteren binnen dit Casteel in arrest gesondene Ternaatsen Capitain lauwt Prins Ahmat heb ik ondergeteekende Translateur als daar toe door in hoofde deeses gemelde sijn wel Edele agtb qualificeert heden morgen op de bovensal van dit gouvernement den houko em Ahinat nevens den quimalaha koma en nog een gemeene onderdaan in name garabole alle van hiet Eijland sulla bessij geboortig naukeurig ondervraagt wat sij ten lasten van den presenten „ „ 135 429 Van Ternaten den 20:' Juli: 1775 presenten prins capitain Lauwt te seggen hadden die daar op sodanig hebben geantwoord als ik de Eere heb hier onder ter neder te stellen teweeten Dat nu een geruimen tyt geleeden door de halve broeder van ge„ „melden prins Capitain Lauwt in name Randjeboe na de cust hal mahara op seekere plaats genaamt Atikij Conij alwaar de tweeEerste deposanten hun domicilium hielden van Ternaten waren overgewoent drie van hunne lijftheeren getrofte slaven als twee Jongens en Ean Meid genaamd fortuijn, seba en Dagalili dewelk alle arie soo door de twee Eerste deposanten als Tobarese alfoeren nu na den deposanten gessing twee Jaren geleeden op bevel van meermelden prins Capitain lauwt ter gemelde cust en plaats waren op het leven gebragt. Ende om reeden dit alles door hem prins capitain Lauwt fort en feam wierd genigeert verklaarden sij deposanten tot bekragtiging van hun gesegde alverder dat den gemelden fortuijn een araijer van 103 sijn ambagt geweest en tot voortsetting van dit sijn hantwerk ter order van den capitain een chiamboe af loots te halmaheira ter plaatse voorm: was op gerigt alwaar hij onder anderen voor den Capitain Lauwt hadde gemaakt 20 stoelen 2: rustbanken 1 kist en 1 groote schuijla welk een en ander als nog ten huise van hen Capitein Lauwt en sijn broeder Randjiboe te vinden was dat Van Ternaten den 20 Juli 175 Dat den capitain Lauwt tot het aoen ten uite den brengen van de voorschave moord den derden deposant garabole wien sich in die tijd als bediende na slands Costine bij den capitain Pauwt bevond verselt van nog drie des Capertan fauwt beve slaven in name garaisi kaedo en hand Joelij na halmaheijna had gesonden met ordre aan den Eersten en tweeden deposant om eerst de voorwaarts gemelde g'uifugeerde drie slaven van het leeven te behooren, en dan de werk laats te gelijk met araaij en schaafbank te verbranden onder te gelijke bedraging dat soo bij aldien sij niet op het spoedigste aan deese ordre voldeden hij Capitain lauwt haar niet alleen met sijne per garabole overgesonden houwer soude om het leven brengen maar daar en boven hunne gantsche familie in blavernij na elders verkoopen waarom sij de „posanten uit kragte van deese ondre en bedugting van Eijgen gevaar bij het tegendeel tot het uit voeren van dit quaad waren overgedaan als sijnde den Jongen fortuin en Meid Dagaleli door hun deposanten mitsg=s de derde in name seba door de alfooren van Tabora om het leven gebragt voorts dewerk laats ende daar onderstaande draijen schaafbank matsche gelegt de gereedschappen aan den capitain Lauwt afgegeeven en teffens tot sCapitain: Lauwts bijsonden genoegen hier van aan hem rapport gedaan. Ende op mijne afvrage waarom sij deposanten als wel wetende dat dier„ gelijke gedoentens ten hoogsten strafbaan sijn daar in eerst meede aan het dagligt kwamen antwoorden sij dat hier noort ondersoek nagedaan was en dat hij sulks op bevel van humn voornamen rijks grot ja heen soon van een regerant koning hadden ten uitvoer gebragt dog Jegens woordig door den presenten koning hier na ondersoek gedaen wordende van hun verschuldigde peligt hadden g'agt de waarheid dien aangaande te openbaeren /:onderstond:/ Ternaten In't Casteel orange den 6: Juli 1o 75 /:geteekend:/ F: B: hammakam /:daar onder / dese exami„ natie is dus naar luist der verklaring van den Translateur hemmekam gedaan en beantwoord in tegenwoordigheit den ondergeteekenden /wat geteekent:/ P: J: valckenaar, P: C: meurs Aan

NL-HaNA_1.04.02_3445_0469 view scan ↗

English

137 From Ternaten, the 20th of July 1775 To the Honorable Paulus Jacob Valckenaar, Governor and Director of the Moluccos. In order to report on yesterday morning's proceedings regarding the arrested Ternatean Captain Laut, Prince Ahmat, and the witnesses brought forward against him, the Quimalaha Koma Houtwam and subject Garabole, I went, pursuant to Your Honor's esteemed order, to His Highness the King of Ternaaten. After the customary prior compliments and duties, I informed that monarch of the matter in the presence of his attendants. The monarch replied to me very calmly that it had never been his aim to arrest the innocent in place of the guilty, or to let the guilty pass for innocent, but on the contrary he was inclined, as a pious monarch during his reign, to uphold law and justice for everyone without respect of persons. He stated that Your Honor could fully perceive this from the handing over of the said prince, his full nephew, and he therefore requested that no regard should be paid to the prince's denial, since he could be convicted of a great deal of other wickedness, but that he, the King, should on the contrary be maintained in his dignity, since he declared that otherwise it was impossible for him to prevent Honorable Commanding Lord and counter the evil in his kingdom. And on that account he insisted that the aforementioned Prince Ahmat, without the formality of a judicial trial, on account of his manifold committed evils, might be sent on the ship Vlissingen lying in the roads to Batavia, and from there to a place from where he could never return, so as not to cause His Highness any further displeasure and distress through his illicit actions, as he has already done so frequently, and this primarily by inciting all the Makian village headmen not to recognize him, the King, in that dignity, but on the contrary to honor and obey him, the Captain Laut, or his brother Solucio in such a manner; which conduct His Highness maintained to be reason enough to rid himself of such a prince and banish him elsewhere. Finally, the monarch requested that Your Honor would be pleased not to hand over the aforementioned three Sulanese, Koma, Ahmat, and Garabole, into the hands of Justice, but on the contrary send them back to His Highness, since he had to declare in good conscience that according to the laws of the land those men did not merit any punishment concerning that murder. Having taken leave of His Highness after receiving compliments for Your Honor, I offer this report of my proceedings and experiences to Your Honor with respect, and remain at the same time with due submission, below, Honorable Commanding Lord, lower, Your Honor's fully obedient servant, signed, F. B. Hemmekam, in the margin, Ternaten Orange, the 7th of July Anno 1775. To 139 431 From Ternaten, the 28th of July 1775 To the Honorable Paulus Jacob Valckenaar, Governor and Director of the Moluccos, together with the Council. Honorable Commanding Lords, In fulfillment of Your Honors' respected order, we the undersigned, as express commissioners, went this afternoon to the court and to His Highness the King of Ternaaten, and after exchanging mutual compliments, communicated to that monarch that the Moluccan government, upon His Highness's persistent insistence, had today proceeded to the resolution to send the imprisoned Ternatean Captain Laut, Prince Ahmat, on the ship Vlissingen lying in the roads to Batavia, in order that he may be dealt with further from there according to His Highness's wishes. This communication, as it appeared to us, being very pleasing to His Highness, From Ternaaten, the 20th of July 1775 he expressed his gratitude for it and agreed that during the banishment of the said prince, one hundred rixdollars should be paid annually to him for maintenance from His Highness's recognition money. Likewise, the monarch promised therewith that he would also not fail to provide the aforementioned prince with provisions as well as other necessities for his voyage to be undertaken. And as we hope that we have hereby complied with Your Honors' intentions, we call ourselves with due respect and reverence, below, Honorable Commanding Lord and Lords, lower, Your Honors' humble and loyal servants, was signed, J. Renetje, F. B. Hemmekam, in the margin, Ternaten, the 12th of July Anno 1775. 433 From Ternaten, the 20th of July Anno 1775 Journal or Daily Register Kept by the undersigned junior merchants, Francois Bartholomeus Hemmekam and Paul Pierre Lemaisre Javanon, during their voyage from Ternaten through the Strait of Batchian to Gebo, and submitted with respect to the Honorable Paulus Jacob Valckenaar, Governor and Director, together with the Council of the Moluccos, beginning After we had been furnished with the necessary instructions and relevant orders by His Honor mentioned in the heading of this document, we immediately proceeded, together with the young king of the Batchian realm, Muhamat Aimrr Iscan der Alam Baha hoedinsa, and several of his retinue, on board our transport vessel, the pantjalling de Canneelboom, and finding our subordinates complete, got under sail with the standard at the top for distinction, after having welcomed the said prince upon coming on board with five cannon shots and saluted the roads with five similar shots. Friday the 23rd of December Anno 1774 under sail

Dutch transcription

137 Van Ternaten den 20: Juli 175: Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Jacob valckenaar Gouverneur en directeur der moluccos oms verslag te doen van het verhandelde op gisteren morgen omtrent den gearresteerden Ternaats capitain Lauwt prins Ahmat en de tegen hem opgekomene getuigen den quimalaha koma houtwam en onderdaan garabole heb ik mij op uu wel Ed: Acht: geerde bevel bij sijn hoogheid den koning van Ternaaten begeven en dien vorst na voorafgaande gewoone Complimenten en pligtpligingen het selve in sijn omstaande te kenne gegeeven daar dien vorst mij seer bedaart op heeft geantwoord dat nooijt sijn doelwit was geweest om onschuldige voor schuldige op te pakken of schuldige voor onschuldige te laten passeeren maar daar en tegen genegen was, om als een vroom vorst geduurende sijn regering aan een ieder en dat sonder aansien van persoon regt en geregtigheid te hanthaven en het geen hij seide dat uw wel Ed: Achtb: uit het overleveren van gemelden prinds soorsten volle neeff volko„ „men konde b'oogen en dierhalve was versoekende dat op sprincen negering vermits van nog seer veel ander quaat konde overtuigt werden geen reflectie mogt geslagen maar hij koning daar en tegen in sijn waardigheijd g'mamictineert werden aangesien hij betuigde het buiten dien voor hem niet mogelijk was het quaad in sijn Rijk te Wel Edele Achtbare Gebiedende Heer beletten : Van Ternaten den 2 Juli 1775. beletten en tegen te gaan Ende uit dien hoofde insteende dat meerm: Prins Ahmat buiten forma van Justitiel Proces over sijn m eenigvul„ dig gepleegd quaad met het ter rheede leggende schip vlissingen na Batavia en van daar na een plaats mogt versonden werden van waar hij immer komen kan ten sijn hoogheijt door desselfs onge„ hoorloofde bedrijven geen meerder ongenoegen en dreefheijd te verwekken als reets soo meenigvuldig gedaan haft einde sulkes wel voornamentlijk met het op hutsen van alle de manquianse dorps hoofden on hem koning niet in die waarheid te erkennen maar daar en tegen hem capitain lauwt of sijnen broeder solucio sodanig te eeren en te gehoorsamen welk een gedoente sijn hoogheid sustineerde genoeg te sijn om hem van soo een prins te ontdoen en na elders te verbannen. Laastelijk versogt den vorst aat uwelEd achtb: de in deese gem: drie xullaneesen koma Ahmat en garabole niet in handen van de Justitie geliefde over tegeeven maar daar en tegen aan sijn hoogheid terug sonden vermits in gemoede moest betuigen dat die menschen na slands wetten geen straaf aangaande die moord meri eerde „hier na erlangde Compliment: aan uwel Ed: achtb: van sijn hoogheid afscheid genomen hebbende biede ik van mijne verrigting en wedervaren uw wel Edele achtb dese in Eerbied en blijve teffens met de verschuldigde onderdanigheid / onderstond / wel Edele ac:tb: gebiedende heer/:lager/ uw wel Edele achtb: gantsche gehoorsamen dienaar /:geteekent: f: B. hemrmekam /: inmargine / Ternaten orange den 7. Juli A:o 175 Aan 139 431: Van Ternaten den 28 Julij 175 Aan Den wel Edelen Achtb: Heer Paulus Iacob Valckenaar Gouverneur en Directeur der moluccos O benevens den raad. Wel Edele Agtb: Gebiedende Heeren Heeren Involdoening van uwel Edele agtb: gerespecteerde bevel hebben wij ondergeteekende als Expresse gecommitteerden ons hebben agtermiddag na het hoff en bij sijn hoogheijd den koning van Ternaaten begeven en dien vorst na aflegging der weder sijdse Complimenten gecommuni„ 10 ceert dat de Molukse regering op sijn hoogheijts aan„ houdende instantie op heden tot het besluit was overge„ gaan om aen in arrest sijnde Ternaatsen Capitain Lauwt Prins Ahmat met het ter rheede leggende schip vlissingen na Batavia te versenden ter Einde van daar alverder na sijn hoogheits begeerte niet hem te kunnen worden gehandelt Deese Communicatie soo het ons toepcheen sijn hoogheid Van Ternaaten den 20 Juli 1775 hoogheid seer aangenaam sijnde betuigde daar voor sijn aank„ baarheijd en accordeerde dat geduurende de versending van den gemelden prins sjaarlijk Een hondert rd„s uit sijn hoogheits recognitie penn: aan hem tot alimentatie wierden afgegeeven. 49 Iegelijk beloofde den vorst daar bij dat ook niet soude nalaten om meermelden prins soo van provisie als andere benodigheden tot sijne te doene rysch te sullen gerieven. Endewijl wij verhoope dat hier meede aan de intententie van uw wel Ed: Achtb sullen hebben voldaan, noemen wij ons met het verschuldigt respect en Eerbied/onderstond/ wel Edele Achtb: gebiedende heer en heeren /:lager:/ uw wel Ed: achtb onderdanige en trouwschuldige dien aren /:was geteekend:/ I: Renetje, f: B hammekam /inmarginae/ Terriaten den 12 Juli Ao 175. tht 433 Van Ternaten den 20' ulij A:o 175 Journaal of Dagregister Gehouden door de ondergeteekende onder„ kooplieden Francois Bartholomeus Hemmekam en Paul Pierre Lo„ „maistre Iavanon, geduurende hun„ „ne voijagie van Ternaten door straat Batchian na Gebo, en Eerbied overgelevert Aan Den wel Edelen Achtbaaren Heer Paulus Iacob valchenaar Gouverneur en Directeur Benevens Den Raad der Moluccos beginnende Na dat wij met de nedige instutie en vijsagen dar te ren vrijdag den 23: dec: „latief door in hoofde deeses gemelde sijn wel Edele achtb waren ge„ munieert hebben wij ons nevens den jongen koning van 't Bat„ chianse rijk Muhamat Aimrr Iscan der Alam Baha hoedinsa ƒ. : en diverse van sijn gevolg immediaat aan boort van onse transport Bodem de pantjalling de Canneelboom begeeven en : na compleet vinding onser onderhrorige het met de standant op de top tot distrinctie onderzeil geleed na bij aan boord ko„ „ming den gemelden prins met vijff canonschooten hadden ver„ „weskomt en de rhede met vijff gelijke shooten had den besalueert. Anno 1774: onderzeil e/

NL-HaNA_1.04.02_3445_0474 view scan ↗

English

From Ternate, the 20th of July 175 Sunday the 25th: Being under sail, we had our guns loaded with shot and put everything in such order as to be able to make proper use of them in time of need. Having the island of Bating, situated to the north-west of Marngo Rango, on our board, we discovered nothing that appeared to be British, wherefore we deemed it necessary to pay a visit to the King of Batchian at Kasiruta, in order to make further inquiry into the arrival and departure of those strangers. Arriving there on Monday the 26th, and having been admitted very ceremoniously to an audience at four o'clock in the afternoon alongside the young king accompanying us, under the firing of three cannon shots, we made known to that prince, after the customary compliments and formalities, the reason for our dispatch in the name of Your Right Honourable, simultaneously asking in a polite but emphatic manner whether His Highness had no further news of those foreign crews, since it was unthinkable that they had set their course for Bouton, as completely different reports had been received from there. Whereupon that prince replied, with a change of countenance and a kind of fright, that everything he had written regarding this to Your Right Honourable was completely true. However, after the four of us, namely the king, ourselves, and the young king, had stepped aside to a separate place, he made known, as if with the greatest astonishment, that he had been informed by the wife of the Guilletoehoe Raja staying at Kasiruta, named Rabe, upon her arrival from Tidore on the 21st of this month, that Haji Beman, of whom mention is made in our instructions, had also been in Tidore at the settlement of Maniko, of which the sangaji of that settlement had informed Tidore's king at night in her presence, and that it had also followed upon this that the young king of that place had departed immediately with four kora-koras for the said settlement of Maniko, without them knowing, however, for what purpose, and who had not yet returned upon her departure from Tidore. That he, the king, according to the concurrent reports received from Tidore, also could not conceal that the British intention was not to go to Bouton, but to the Papuan lands, in order to establish a fort there on a certain silver-bearing island named Zowok, for which purpose four ships and about one hundred proas, manned with English, sepoys, Moors, Galelas, Chinese, Bugis, those from Borneo, and other kinds of people, had already been sent hither under the command of a chosen governor. Furthermore, that the Tidorese were forbidden for the time being to make plantations on Halmahera, but were permitted to do so on Tidore, so as to be at hand whenever their presence was required; wherefore he maintained that one ought to keep an eye on the doings of the Tidorese court, and especially on the movements of the aforementioned Tidore young king. The said King of Batchian also declared that, according to what he had been told for the truth, the trade in spices at Goron was not stagnant, which spices were brought there by both the inhabitants of Ceram and disloyal Company subjects from the quarters of Amboina and Banda to the British traders who sailed to that island with perahu padewakang to trade; which, he testified, had we not appeared here so quickly, he would have written in all its circumstances to the Moluccan government, from which he now absolved himself and left it to us. The prince's disclosures being ended herewith, we thanked him for this on behalf of the Honourable Company and at the same time assured him that faithful allies could always place their trust in the Dutch Company according to the terms of the contracts, whereas all treaty-breakers ought to taste nothing but rightful displeasure, and that we thus undoubtedly expected that His Highness, following the virtuous examples of his respective ancestors, might sacredly observe the contracts entered into with the Dutch Company; which having been assured by that prince with a clasp of the hand, we entertained ourselves with him and the young king while holding casual conversations and watching the dancing and singing of the maidens, who were dressed up as finely as possible and numbered 65, until eight o'clock in the evening, when we were invited to dine at a table well prepared with food, and having been satisfied therewith to our pleasure, we thereupon took our leave of that prince in the best manner, and amidst the reverberation of 5 cannon shots, returned on board again at half past ten o'clock. As soon as we had returned on board, the Raja Muda, in order to achieve his aim in investigating the necessities concerning this commission, requested us to depart again for the shore in silence and disguised, with a small boat we had with us, which we granted him, and Tuesday

Dutch transcription

Van Ternaten den 20 Juli 175 Zondag den 25:' onderseil sijnde lieten wij ons geschut scherp laden en bragten alles is soedanige order om ter noodiger tijd daar van behoorlijk ge„ bruik te kunnen maken het eijland Bating in't woord west van marngo rango geleegen aanboord hebbende ontackten mij niet wat na Britten gebleek waarom wij noodig oordeelde den koning van Batchian te kasi„ roeta een visite te geeven ten fine na de komst en vertrek van die vreemdelingen nader ondersoek te doen alwaar Maandag „ 26. gekoomen en s' agtermiddags om vier uuren nevens den ons ver„ sellende jongen koning onder het lossen van drie Canonschaten seer statieus ter audientie geadmitteerd sijnde gaven wij dien vorst na voor afgaande de gewoone complimenten en pligt plegingen uit naam van uwel Ed: agtb de reeden onser afsending te konnen onder afvrage op een belafde dog nadrukkelijke wijse teffens of zijn hoogheijd geen nadere tijding had van die vreemde Equipanten vermits het niet te denken was dat bij hun cours na Bonton hadden gesteld aangesien daar al te geheele andere berichten van waren ingekomen. steen op repliceerde dien verst. ander verandering van gelaat en een soort van verschrikking dat al het geen hij dientweegen aan uwel 4a9 435 Van Ternaten den 20:' Juli 175 uwel Ed:e achtb had geschreeven met de waarheijd even aarde. Edog na dat met ons vieren te weeten den koning wij en den son„ gen koning op een aparte plaats getreesen waaren; Even als met de grootste verwondering te kennen gaf van den sig te kasimoeta onthoudende guilletoehoes radjas vrouw in name rabe bij haar ankomst van Tidor op den 21. deeser was verstendigt geworden dat den hadje beman waar van bij onse Instructie is mentie gemaakt ook te sidor op de negorij Maniko was aangeweest daar den seng„ hadje van die negonij snagts in haare presentie kennis van aan Tidors koning hubden gebragt en daar op ook gevolgt was gevolgt was dat den Jongen koning van dat direct met vier Coura corra na gemelde negorij maniko sonder dat sij egter wisten welken einde was vertrokken en die bij haar vertrek van tidor nog niet was getetourneert Dat hij koning volgens de gelijkelijke van Tidor ingekomene berigten ook niet konde verswijgen dat der kuitten wil niet na Bouton maar na de papoe was om aldaar op seeker silver gee„ vende Eijland zowok genaamd een fort te etabileeren ten welken einde ook reets vier scheepen en min of meer aan hondert prau„ „wen bemant met Engelsche sipaijers moren dollotekers Chinee„ „sen Boegineesen: die van Borneo en andere soort van volkeren ver„ 2 volkeren meer dan commande van een g'eligeerde gouverneur herwaarts gesterent waren. Mitsgaders dat het de Tidoreesen verboden was voor eerst Thuijnen op halmaheira te maken maar wel op Tidor om bij der hand te kun„ „nen sijn wanneer hunne presentie vereischt wierd alwaar omme hij sustineerde dat men de gedoentens van het Tidoreese hoffen wel voornamentlijk degangen van den voorm: sibons Jongen koning dienden gade te slaan. Nog verklaarden gemelden Batchians koning dat volgens het hem voor de waarheid gesegde handel in specerijen te goron niet stil stond dewelke aldaar soo door de inwoonders van Ceram als trouwloose Comp: onderdaanen uit de quartieren van Amboina en Banda aan der Britten handelaars die op dat Eijland met Paauakans ten handel vaaren aangebragt wierden het geen hij betuigde dat maien wij miet so schielijk alhier waren ver scheenen alles in sijn omstande aan molukse regering soude hebben geschreeven daar hij sig nu van absolveerden en aan ons overliet hier meede s vorsten gekemnen te kennen gaven g'eindigt we„ „sende bedankte wij hem daar voor uit naar der E Comp: en verseekende hem teffens dat trouwe bontgenoote altoos hun Van Ternaten den 20:' Juli 175. vertrouw 437 Van Ternaten den 20 Juli 1775. vertrouwe op de hollandse Comp: na luid der Contracten konde„ stellen waar en teegen alle verbond breekers niet anders dan het regt maatig ongenoegen behoorden te smaken en wij dus onge „twijffelt verwagten dat sijn hoogheit de deugdsaame voorbeelden sijner respective voorsaken navolgende de contracten met de hol„ „landsche comp: aangegaan heiliglijk mogte nakomen, het geen dien vorst onder handlasting verseekert hebbende diver„ „teerde wij ons met hem en den Jongen koning onder het houden „van onverschillige discourssen en aansien van dansen en singen der meijdens die om ter fraaijst aangekiteet en 65 uitmaakten tot s'avonds agt uuren wanneer wij aan een met spijs wel toebenaide tafel ten eeten genoodigt wierden en daar van na genoegen versadigt wierdende hoor daar op het hum betste van dien vorst afscheid naamen en onder het nagal men van 5 Canon schooten om halff Elff uuren weeder na boort keerden. Soo dra wij aan boort te rug gekomen waren versogt ons den Radja moeda ter bereiking van sijn oogmerk in het ondersoeken van het noodige deese Commissie concerneerende weder in stilte en verkliet met een klein schepprauwse welke bij wij ons hadden na land te vertrekken het geen wij hem accordeerde, en Dingsdag

NL-HaNA_1.04.02_3445_0478 view scan ↗

English

Ternate the 20 July 175 From Tuesday the 17th in the morning, returning on board, informed us Firstly, that he was notified by the Bachian clerk named Sahidiman that the king of Bachian yesterday evening, as soon as we had departed from land to board, had asked all his grandees of the realm: what say you, grandees of the realm, what is better to choose, old or new rice? whereto the said grandees of the realm, however, had not answered. Secondly, that he, Raja Muda, was informed by his three sisters, the Princesses Tuntjang, Amaral, and Sarbanun, who are kept indoors by the king, while the king was engaged with the dancing of his dancing girls, upon his powerful, persistent insistence and solemn promises of secrecy of their names, that the king of Bachian was acting in secret communication with the king of Tidore to entice foreign Europeans into the Moluccas, if possible; which, even though he, the king of Bachian, disguised it ever so much before the Company, was nevertheless the truth, since the Tidore court undertook nothing without notice from him, which was also the reason why the said monarch associated most with the Tidorese without in any way caring for the Ternatans or bearing affection for the Company, considering he daily grumbled about the petty treatment by the Company, and that principally with this expression: that his ancestors 439 From Ternate the 20 July 1775 ancestors, when they were in alliance with other Europeans, possessed many subjects and treasures, whereas he, on the contrary, was now a king of very few, poor subjects. Thirdly, that Bachian's king, having gone from the English galley thither in a small prahu and in conversation with four Englishmen alongside Haji Umar, had brought with him some silk handkerchiefs, which he had distributed among the principal of his court ladies and the three of them; whereof they, as proof, had presented one to him, Raja Muda, upon his powerful insistence, which he handed over to us again for presentation to the respected Moluccan ministry. Fourthly, that Haji Umar in the evening had arrived overland at Kasiruta at his house, and, not finding his wife at home, had presented a silk patola to his son, and thereupon had gone away again without making himself known to anyone else. Fifthly, that the king, according to his own words to them, was shown two seals by the Englishmen, namely one of the Dutch Company and one English, and, during that presentation, was asked which one of the two he considered to be the heaviest; but, not knowing what he should answer to that, the Englishmen had resumed speaking and . 1 Ternate the 20 July 175 From and said that the one of the Company was indeed the heaviest. Sixthly, that the English were said to have stated that they would indeed wish to enter into an alliance with the three Moluccan kings, but not with one alone, for the reason that they judged that such would not be useful and serviceable to them; whereto he, the king of Bachian, had nevertheless answered: once I have first agreed with you, there is no need to worry about the other two. Seventhly, that the ship that Haji Umar convoyed was allegedly named the Britannia. Eighthly, that Haji Umar had written a letter from Blambangan to the King of England and had given it along with an English ship into the hands of a Loloda man named Abdul Rasid for delivery, which, however, was not accepted by the King of England but sent back again by the bearer; yet that he, Haji Umar, had presumed to have a second letter sent off to the said English Majesty, of which no report had yet returned. Ninthly and lastly, that the king of Bachian, finding himself embarrassed by the non-acceptance of the said letter, now sought to shift everything onto the court of Tidore alone. After the said young prince had given us report of all the aforesaid, 441 From Ternate the 20 July 175 report, we asked him most earnestly whether all this was indeed the upright truth, and whether we could securely write the same to the Right Honorable Governor and Council at Ternate; whereto he replied that nothing was feigned, and that he was at all times prepared to confirm these statements of his under oath; but he most humbly begged that the names of his three aforementioned sisters and the clerk Sahidiman might be kept in secrecy, since the king of Bachian was not above depriving them of their lives if he should catch wind that this was brought to light by them. Hereupon we answered the said Prince that he would not only see to the keeping secret of the names of both his sisters and the clerk, but also thanked him for his good inclination toward the Company, with the simultaneous assurance that, if he continued to persevere therein, he would experience his own prosperity more and more thereby. And because one could place no reliance on Bachian's king's statements, through what was related by the said Raja Muda, that the intention of the aforementioned Britons would be toward Papua, we deemed it necessary, in order not to frustrate the orders demanded of us by instruction, to advance our voyage to Gebe, and thus immediately directed our course past the island of Marigorango toward Bachian, where on Wednesday

Dutch transcription

Ternaten den 20 Juli 175 Van Dingsdag den 17. in de morgenstond weeder aan boort koomende ons te kennen gaf Eerstelijk dat hij van de Batchianse schrijver in name Sahidiman berigt was dat den koning Batchian gisteren avond soo dra wij van land na boort vertrokken waren an alle sijne rijks grote had ge„ „vraagt wat segt oijlieden rijks grooten wat is beter te kiesen oude off nieuwe ryst daar gemelde rijks grooten egter niet op hadden geantword. Ten Tweeden dat hij radja Moeda van sijne drie bij den koning binnens kamers gehouden werdende susters de Princessen Toentjaeng Amaral en sarbanoen in tijd den koning sig bij het dansen sijner dansmeidens bevond op sijn kragtige aanhoudende instantie en dierbane beloften van secretesse hunner naam was kund gedaan dat patchians koning met den koning van Tidor in het geheumn Commu„ nicatief te werk ging om ware het mogelijk vremde Europeen inde Molukkos te bokken het geen of schoon hij Batchiand koning het selve nog soo voor de Comp: verbloemde en evenwel dewaarheid dewas aangesien het Tidoreese hoff niets aan met beted van hem ondernom waar door het ook was dat gemelden vorst sig het meeste met de Fi„ drreesen op hielt sonder hem op eenige lijwijs aan de Ternaatanen te kreunen off dE Comp: genegentheid toedragen aangepein bij dagelijks over de geanige behandeling van de comp: murmureerde ende sulks met deese uit drukkinge voornamentlijk dat sijne voorade ren 439 Van Ternaten den 20 Juli 1775 „ren doen met andere Europe aanen in alleantie waaren veele onder „daan en schatten besaten daar hij integengeel nu een koning was van seer weijnige Arme onderdaanen. Ten derden dat Batchians koning doen van de Engelschen galeij werwaarts met een kleijn prauwtje en in gesprek met vier Engel„ schen, neevens den hadje ouman geweest was had meede gebragt eenige seijde neusdoeken dewelke hij onder de voornaamste van sijn 29 hofdanes en haar drien had verdeelt waar van sij tot bewijs aan han radja moeda op syn kragtige instantie een hadden vereert, die hij ons ter vertooning aan het gerespecteerde moluks minsterij weder overrijkte Ten vierden dat hadje oumar in den avond overland te kasi„ roeta in sijn huis was gekomen en syn huisvrouw ne te huis vindende aan sijn soon een zeijde Pathola had verbert voorts weeder was heenen gegaan sonder sig aan eemand anders kenbaar te maaken Ten vijfden dat den koning volgens eijgen seggen aan haar door de Engelschen was vertoont twee zeguls als een van de hol„ landse Comp: en Een Engelsas mitsgaders onder die vertooning afgevraagt was geworden welk een van beide hij Justineerde het swaarste te sijn dog niet weetende wat hij daar op antwoorde soude de Engelschen het woord weeder hadden gevat en rade .„1 Ternaten den 20 Juli: 175. Van en gesegt dat, dat van de comp: wel het swaarste was Den sesden dat de Engelsche soude gesegt hebben wel met de drie molukise koningen in alliantie te willen treeden dog niet met Een alleen om reeden oordeelde dat sulks niet nuttig en dienstig voor haar soude sijn daar hij Batchians koning egter op had geantwoord Aols ik eerst met ulieden ben overeengekomen is voor de andere twee niet te sorgen. Ten seven den dat het schip welke hadje ounar Convoijeerde soude genaamt sijn de Bretanje. Ten agtsten dat hadje ouman een brieff van Blambangan aan den koning van Engeland had afgeschreeven en die met een Engelsch schip in handen van eenen Lollokkers in naame abdul Rasid ter bestelling meede gegeeven die egter door den koning van Engeland niet was geaccepteerd maar per den brenger weeder te rug gesonden dog dat hij hadje oumar sig hadde onsterstaan een tweede brieff aangemelde Eengelsche Majesteit te laaten afgaan daar nog geen berigt van was te rug gekomen Ten Negenden en ten laatsten dat den koning van Batchian over het niet accepteeren der gemelde brieff sig verleegen vindende nu alles alleen op het hoff van Tidor zogt te schuijven Nadat gemelden Jongen voort ons van al tet gentrere verslag 441 Van Ternaten Den 20:' Juli 175 — verslag had gedaan vraagde wij hem op het eenstigtte af of sulks alles wel de op regte waarheijd was en of wij gerustelijk het selve aan den wel Edelen achtb: heer gouverneur en raad te ternaaten konde schrijven daar hij op repliceerde dat niets gefingeer, en ten aller tijden bereid was dese sijne gesegdens met eede gestant te doen dog op het demoedigst smeekte dat de naam van sijne drie susters voormeld en de schrijver Sahidiman mogte in decretesse ge„ houden worden aangesien den koning van Batchian niet te goed was haar van het leven te beroven indien de reuk mogte krijgen dat dit door haar aan het dagligt was gebragte hier op hebben wij gemelden Prins geantwoord dat hij niet alleen soude sorgen voor het geheim houden der namen so van sijn susters als schrijver maar hem teffens ook bedankte voor sijne goede neij„ ging tot dE Comp: onder verseekering teffens dat indien hij daar in bleef volherden sijn eijgen welvaart daar door meer en meer soude ondervinden. Ende om reden men door het gerelateerde van den gem: radja moeda geen staat konde maaken op Batchians konings gesegdens dat de wil der voorschreve Britten na de papoe soude sijn hebben wij om de ordres ons bij instructie gedemandeert niet te verijsel„ nodig geagt ons reis na gebe te vervorderen en dus inmediaat langs het Eijland Marigorango ons Cours na Batchan gewent alwaar woonsdag tioneerde.

← previousnext →