VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3445

Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3445_1031 view scan ↗

English

935 2) he has gotten drunk every day from morning till night, and harried me the entire day with abusive words, also scolding me for everything that is vile, so that I had to stand ashamed before all the subjects. 3) he has seized the Company's rations of arrack and at night tapped whole vessels and bowls from the leaguers, and run into the woods with the folk with them, in order to inflict an insult upon me. 4) he has also made away with half a piece of the Company's blue Chinese linen, so that when I asked where it had ended up, he answered me: that it was none of my business. 5) he received on Ternate 60 rixdollars in cash Company funds, and handed over to me only 40 rixdollars of it. When I asked him where the other 20 rixdollars were, he answered me that I had no need to know. 6) he feigned illness, and thus took a proa to row to Ternate. I also sent a burgher with him, namely: Martinus Meelhoop, to take him to Ternate. Thus the said Commissioner departed with the burgher on the 16th of this month, and with a halberdier of the king of Ternate, they rowed as far as Kauw. There, the said Commissioner repeatedly ordered the halberdier to row back to Morotai and not to Ternate, since he needed nothing on Ternate; he thus arrived back on Morotai on the 24th of this month. Having thus returned on the evening of the last-named date, he began anew to look for quarreling and abusive words, and walked around with a drawn weapon, so that I was not assured of my life, and I was forced to seize him and put him in irons, and have him sent to Ternate, for he has tried on all sides to make a rogue of me, though I have never been such a thing, and also never intend to become one. Therefore, my request goes to the Right Honorable Lord Governor and Council, that rather than having the extirpation work ruined with such a Commissioner, I would prefer to extirpate alone, and thus do my utmost toward the continuation of the extirpation. Informing you that I received your Right Honorable Lord and Council's letter, dated the 11th of this month, on the 24th, and saw from it that when the extirpation work on Morotai is done, we must proceed to the island of Pulau Rau to extirpate. Wherewith concluding this, after having recommended your Honors to the protection of the Almighty Lord, I call myself with respect, beneath stood, Right Honorable Lord and Council, your Honors' commanding Lords' very humble and faithful servant, was signed, P: Bartholomeus, in the margin, Morotai the 25th of July 1775. Insertion of the letter in which Krol is accused. Consideration of its contents. Continuation. This letter having already circulated among the members for perusal, and everyone thus already having had the opportunity to examine the matter thoroughly, they were unanimously very disturbed by the contents of such a strange missive, and even more so by the very harsh and unheard-of treatment that Bartholomeus had dealt to his partner Krol, whom he had seen fit, on his own authority and in a violent manner, to put in irons and send up as an evildoer, without having any sworn depositions taken to his charge, or providing the Council with the slightest convincing proof of Krol's misconduct. Moreover, it was noted by the members of this table that all the points of accusation cited against Krol in the letter of Bartholomeus rested solely and exclusively upon the word of the latter, besides the fact that Krol had cleared himself of most of the articles to the satisfaction of the Fiscal van Raasveld, as this officer verbally 937 Insertion of the report containing the Fiscal's conducted inquiries. came to testify to the further members, and which he demonstrated even more clearly in the report regarding the investigation of this affair that he submitted to the meeting, the same being of the following content. To the Right Honorable Lord Paulus Jacob Valckenaar Governor and Director, together with the Council of the Moluccas. Right Honorable Lords. One must rightly wonder how the Ensign and Commissioner of the extirpation on Morotai, Paulus Bartholomeus, could have gone so far out of bounds as to dare to send his fellow Commissioner, the Bookkeeper Jan Christoffel Krol, hither as a murderer in irons, without rations, on drams, when it was after all not unknown to him that Krol, according to the clear instruction of his superiors, was not to be regarded as a subordinate but as a fellow Commissioner, in everything equal to him, Bartholomeus, whatever preference that officer might claim on account of his higher rank. For if one considers the alleged reasons, one will clearly see that they are puerile and completely insufficient, as clearly appears from the answered interrogatories of the Corporal and soldiers, letter B, and that of the Bookkeeper Krol, letter C. The principal accusation consists in this, that the officer believed his life was not safe from the Bookkeeper Krol; but who does not see that his fear cannot make anyone a criminal offender, the more so because he was never threatened, and that, if such, because he was never threatened

Dutch transcription

935 2) heeft hij zig alle dagen van morgen tot avond besoopen, en mijn met schimpwoorden den geheelen dag toegezet, ook mij uitgeschonden voor al wat leelijk is, zoo dat ik voor alle onderdaanen hebbe moe„ ten beschaamt staan. 3. / heeft hij de Comp„s randsoenen van arak aangegreepen en bij der nogt heele boedsels en kommen uit de Leggers getapt, en daar mede met het volk in de boesch geloopen, om mijn een schimp aan te doen. 4) heeft hij ook een half stuk van 't Comp=s blauw Chinees Lij„ „waat absent gebragt, zoo dat ik gebragt hebbe: wos het zelve beland. hij mij tot antwoord gegeven: dat het mijn niet raakte. 5. / heeft hij op sernaten rd=s 60: Contante Comp=s gelden ontfangen, en mijn daar van maar rd: 40: overleeverd Ik hem vragende waar de andere rd=s 20. – wassen ?. hij mijn tot antwoord gaf. dat ik het niet van noden hadde te weten. 6. ) heeft hij zig ziek vertoond, en alzoo eene praauw genomen om daar meer op Ternaten te scheppen. Ik hebbe hem ok eenen borger namentlijk: Martinus Meelhoop mee gegeven op Ternaten te brengen is alzoo ben=d Commissiant met de borger den 16. dezer vertrokken, en met een halverus van den koning van Ternaten, zijn alzoo tot kauw geschept, daar heeft meermaal gen=e Commissiant den Talverus belast, dat hij weer naar Morotaij scheppen laten zouden en niet na Ternaten, dan hij hadde op Ternaten niets van nooden is alzoo den 24. dezer weer op morotaij gearriveerd. Sij alzoo laast benoemten dato het avonds geretourneerd zijnde, heeft van nieuwen weer runge en schimp woorden te zoeken aanvangen, en met scherpomheer gelopen, zoo dat ik mijn leven met ben ver„ zeekerd geweest, en ik gedwongen geweest ben, te vaaten en in de boege te sluiten, en na Ternaten stuuren te laten, dan hij heeft mij gezogt op alle kanten tot een schelm te maken, dan ik dog dat geene nooit geweest ben, en ook nooit denke te werden: Deerenthalven goet mijn verzoek aan den wel Edelen agtb: heer gouverneur en raad dat een ik met zoo een Commissiant het ex„ „tirpatie werk zal laten vernielen liever het geene alleenig extirpeeren, en alzoo mijn best tot voortzetting der extirpatie bijzetten. Bekend makende dat ik uw wel Ed: agtb: heer en Raads brief, ged: den 11. dezer de 24. de ontfangen en daar uit gezien hebbe, dat zoo het extirpatie werk op Morotaij gedaan is, wij ons op het eiland Poelo Raute extirpeeren begeven moeten. waar mede deeze eindigende na uwwelEd: agtb: in de protectie der Allerhoog heer aanbevolen te hebben, noemende mij met agting /:onderstond/ welEd: agtb: heer en Raads uwwel Ed: agtb: gebiedende heeren, zeer onder„ „danige en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ P: Bartholomeus /:in margine:/ morotaij den 25. Juli 1775. Deeze zer Insertie vande briek waar bij krol beschul„ „digt word overweging van dies in„ „houd vervolg Deeze brief reeds ter lectese bij de Leeden zijnde rond geweest, en een ieder dus reeds gelegentheid hebbende gehadt om die zaak ter deegen te onderzoeken, was men eenpariglijk zeer ontstigt over den inhoud van zulk eene wonderlijk missive, en nog meer over de zeer harde en ongehoorden behandeling die Bartho„ lomeus met zijnen makker kroll hadde gehouden, als die hij hadde kunnen goedgvinden op eigen authori„ „teit, en op eene geweldadige wijze, in de boeijen te sluiten, en als een boosdoender op te zenden, zonder eenige verklaaring ten zijnen laste te laten beleegen, of de raad het minste overtuigend bewijs van krol zijn wanbedrijf te suppediteeren. Daar en boven wierd door de Leeden deezer tafel „ van aangemerkt, dat alle de poincten „ beschuldiging die ten laste van krol in de brief van Bartho„ „lomeus wierden aangehaald, en kel en alleen op der Laastgem=e zeggen steunden, buiten en behalven dat Krol zig van de meeste artikelen„ ten genoegen van den Fiscaal van Raasveld hadde gezuiverd, gelijk deeze officier mondeling aan 937 Insertie van het berigt„ behelsende des fiscaals gedaane onquesten aan de verdere Leeden quam te betuigen, en het geen dezelve nog duidelijken aantoonde bij het berigt dat hij wegens het onderzoek deezer affaire in vergadering overgaf, zijnde het „zelve van deezen navolgenden inhoud. Aan den wel Ed:e Agtb: heer Paulus Jacob Valckenaar Gouverneur en Directeur benevens den raad der moluccos. Wel Edele Agtb=e heeren. men moet zig met regt verwonderen, hoe de vaandrig en Commissiant der extirpatie op morotaij Paulus Bartholom=s, zig zoo verre heeft kunnen te buiten gaan, dat hij zijnen mede Commissiant den boekhouder Jan Christoffel Krol als eenen moordenaar in boeijen, zonder kost op drams, herw=ts heeft durve„ op te zenden, daar hem dog niet onbekend was, dat hij terol volgens de duidelijk intructie van zijnen gebreder, niet als tweede maar als mede Commissiant, in alles met hem Bartholomeus egaal, moest aangemerkt worden, wat preferentie ook, die officier, ter zake van zijn hooger Caracter pretendeeren mag want zoo men eens de voorgewendde reedenen overweegt, zal men duidelijk zien dat ze pueril en gansch niet voldoenende zijn, gelijk uit het beantwoorde interrogatoireen van den Corporaal ende soldaaten L=a B: en dat van den boekhouder krol L: C: duidelijk blijkt. De voornaamste beschuldiging bestaat hier in, dat de officier vermeend heeft zijn Leeven voor den boekhouder Krol niet zee„ „ker geweest te zijn, maar wie ziet niet, dat zijne bangheid nie„ „mand tot een Crimineel misdadige maken kan, te meer om dat hij nooit gedreigd is, en dat, zoo zulks om dat hij nooit gedreigt

NL-HaNA_1.04.02_3445_1034 view scan ↗

English

and having been further considered, that even if such had occurred, he could have used other precautions, so that fear cannot excuse him either, nor could it ever have qualified him to send up his fellow commissioner, over whom he had no authority, criminally in irons, for it is known in law: quod nemo sibi ipsi, aut aequalibus, jus dicere possit, that is: That no one may judge himself or his equals, wherefore the humble subscriber most humbly begs that the second commissioner I: C: Krol may be granted proper satisfaction for the insult, pain, and indignity suffered by him, and that the officer be condemned to a fine of 100 rixdollars, three quarters for the offended party and the other quarter for the treasury, and that in addition the second commissioner Krol may again be placed in that same commission, thus restoring him profitably and honorably, but all subject to your Honorable Worships' esteemed correction. While I have the honor to call myself with complete respect. Underneath stood: Your Honorable Worships' bounden faithful servant. Was signed: I: G: van Raasveld. In the margin: Ternate, the 19th of August 1775. Which having been examined, it became even more evident to the Council that Bartholomeus had indeed acted very rashly and passionately in this matter by arrogating to himself a very improper authority over his fellow partner in the commission, inasmuch as the aforementioned Raasveld demonstrates clearly enough that the points of accusation are puerile and have little substance. Taking further into consideration here that even if Krol had indulged in excessive drunkenness, which is after all the principal charge that his opponent brings against him, the first commissioner Bartholomeus should have submitted written complaints about it to this Government, whereupon provision would have been made against it, and Krol would have been summoned or punished in another manner if he had truly made himself guilty of any wicked excesses. For all which considerations, after mature deliberation, it was unanimously resolved by the Council to adopt the proposal of the fiscal van Raasveld, and accordingly to employ and reinstate the aforementioned Krol again as second in the commission, to which end he shall without delay have to return to Morotai, and Bartholomeus on the other hand shall be ordered in the future to live in better unity with his partner, without giving offense or vexation to the subordinate extirpators, much less to the native: wherefore it was decided likewise to recommend peace and harmony to the bookkeeper Krol in the strongest terms, and to order him never to show any difficulty toward the first commissioner over what has passed. This dispute having thus far been settled, the Governor made known to the members of this meeting how His Highness the King of Ternate, first through his shahbandar Mitsaha and subsequently through the junior merchant Hemmekam, had made very earnest representations to His Honor not to appoint any other commissioners, but rather to admonish Bartholomeus and Krol to unity, and to let the commission be further executed under their supervision, since the work was now properly underway, and such a change of the Company's commissioners would only stir up unrest among the Alfur and Ternate chiefs, in addition to the fact that the work, which had been set up under the direction of these two extirpators, in the King's view would not be brought to an end so quickly by others as one hoped would occur through the present commissioners. When this message had been attentively considered, it was agreed to grant the King's request and to let both present extirpators continue in the commission as above, which was the more readily decided because it was generally believed that the conduct pursued by the ensign Bartholomeus in this matter had arisen rather from ignorance than from malice. It being solely out of this consideration that the aforementioned ensign Bartholomeus, pursuant to the proposal of the fiscal van Raasveld, as a mild correction, has been condemned by the Council to a fine of 100 rixdollars, whereof it was decided to allocate 75 rixdollars to the bookkeeper Krol as compensation and satisfaction for his suffered insult and pain, and 25 rixdollars to the aforementioned judicial officer van Raasveld, who investigated this affair. Whereafter it was resolved to send the aforementioned ensign a copy of the fiscal's report with a vessel of the King that was now ready to depart for Morotai, on which occasion a letter would also be written to this commissioner never to send letters to this Government without making known the state of the extirpation and the number of destroyed trees, which the aforementioned servant neglected to mention in his last letter. Underneath stood: Thus done and resolved at Ternate in Fort Orange, on the date aforementioned. Was signed: P: I: Valkenaar, G: C: Meurs, J: F: Wedel, I: G: van Raasveld, G: W: v: Renesse, F: B: Hemmekam, and A: de Champagnet. Below that: Agreed. Was signed: A: de Champagnet, secretary. Read aloud, Johannes Lijnslager, Sworn Clerk. Examined, S. Weinceer, Sworn Clerk. Secret Resolutions of Ternate Beginning the 19th of December 1748 and ending the 12th of July 1754 No. 5

Dutch transcription

en nader overwogen zijnde is, en dat, zoo zulks al geschied wor, hij ondere precauties had kunnen. gebruiken, zoo dat de bangheid hem almede niet excuseeren kan, of ovit heeft kunnen qualificeeren zijnen mede Commissianten, over wien: hij niets te zeggen had Crimineel in de boeijen op te zenden, want in regten is bekend. quod nemo sibi iphi, dut equali bus, Jus dicere possis, dat is: Dat niemand hem zelven af zijne gelijken regten kan waarom de needrige Teekenaar zeer ootmoedig smeekt, dat den tweeden Commissiant I: C: Krol een behoorlijke satisfictie over zijn geleeden hoon, smest en smaad mag werden toegeweesen, en den officier gecondemneerd worde in eene geld „boete van 100: rd=s, drie quart voor den beleedigden en het andere quart pro pisco, en dat daar benevens de tweed^ Commissiant Krol wederom in die zelfde Commissie mag geplaats worden, om hem dus profitabel en honorabel te herstellen, dog alles onder uwe wel Ed: agtb=r geëerde Correctie. Terwijl ik de eere hebbe mij met volkomene agting te noemen. /:onderstond:/ uwelEd: agtb=s trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ I: G: van Raasveld /:in margine:/ Ternaten den 19: aug=s 1775. 't welk geëixamineerd waar uit den Raad nog evidenter quam te Consteeren, dat Bartholomeus Wezent„ „lijk zeer onbedagt, en passieur in deeze affai„ „re was te werk gegaan, door zig eene zeer ongepaste autoriteit over zijne mede makker in de Commissie aan te matigen, door dien gem=e Raasveld, niet onduidelijk aan„ „toond dat de poincten van beschuldiging pueril zijn, en weinig om 't lijk hebben. komende hier bij nog mede in Con„ sideratie, dat bij aldien krol zig in over„ „matige dronkenschap te buiten hadde gegaan, £ 939 spraak gedaan (:'t geen dog het voornaamste is dat zijne partij tegens hem inbrengt:/ de eerste Commissiant Bartholomeus daar over schriftelijke klagten aan deeze Regeering hadde moeten doen, wan„ „neer men daar tegens voorzien, en krol door op ontbod of op eene andere wijze ge„ „straft zoude hebben, indien hij zig weezentlijk aan eenige quaade excessen hadde schuldig ge„ maakt. Om alle welke Consideratie na rijpe over, werd door de raad uit„ „weging unanimiter is beslooten om des fiscaald van Raasvelds propositie te amplecteeren., en meerm=r krol, ingevolge van dien wederom als tweede in de Commissie te emploijeeren en te herstellen, zullende dezelve ten dien einde zonder vertoeven, na Morotaij moeten te rug keeren, en Bartholomeus daar en tegen werden geordonneerd, om in het vervolg in beter ssidnt die b er¬ Continuatie der Com„ „misianten beeter eenigheid met zijnen makker te leven. zonder aanstoot of ergeriis aande onderhoo„ „rige extirpateurs, veel min aan den Jnlan„ „der te geeven: alwaarom verstaan wierd om den boekhouder terol de rust en eendragt van desgelijken op het kragtigste te recom„ „mandeeren, en te gelasten om over het ge„ „passeerde minner eenige moeijelijkheid aan den eersten Commissiant te toonen. Dit verschil dus verre zijnde bijgelegt, gaf de heer Gouverneur aan de Leeden deezer ver„ „gadering te verstaan, hoe zijn hoogheid de des koning verzoek tot koning van Ternaten eerst door zijnen sa„ bandhaar Mitsaha, en naderhand door den onderkoopman Hemmekam zeer krachtige instanties. bij zijn Ed: hadde laten doen om geene andere Commissianten te benoemen, maar Bartholomeur en krol liever tot eenigheid te vermanen, en de Commissie verders onder hunlieder op„ „zigt te laten volvoeren, dewijl het werk nu 941 nu behoorlijk aan de gang was, en dusdanige ver„ „andering van 's Comp=s Commissianten maar opspraak onder de Alfoeren en Ternaatse hoofden zoude verwekken, buiten en behalven dat het werk, het geen onder het bestier van deeze beide extirpateur was aangelegd, nader konings gedagten door andere zoo voor„ „spoedig niet zoude werden ten einde gebragt, als men hoope hadde dat door de tegenswoor„ „dige Commissianten zoude geschieden. Als deeze boodschap met aandagt was overwogen, is verstaan om in des konings geaccordeert verzoek te bewilligen, en de beide tegens„ woordige Extripateurs van als boven in de Commissie te laten Continueeren, waar toe men dies te eerder overging, omdat men zig in 't generaal verbeeldde, dat het gehouden gedrag van den vaandrig Bartho„ „lomeus in deeze affaire, eerder uit on„ „kunde als met opzet was voortgekomen. zijnd an de Commissianten Bar„ „tholomeus gemuli„ „teerd Item een Copia van 's fiscaals berigt toe te zenden zijnde het alleen uit deeze aanmerking dat gem=e vaandrig Bartholomeus, inge„ „volge de propositie van den fiscaael van Raasveld, tot eene zagte Correctie, door den Raad is gecondemneerd in eene geld„ boete van 100: rd=s, waar van verstaan wierd 75. rd=s toe te wijzen aan den boekhouder Krol, tot belooning en satisfactie voor zijne ge„ „leedene hoon en smert, en 25. rd=s aan meerm: Justitieele officier van Raasveld, die deeze affaire heeft onderzogt. waar na gearresteerd wierd om meerm: vaandrig een Copij van der fiscaald berigt toe te zenden met eén vaartuig des koning dat tans vaardig lag om na Morotaij te vertrekken bij welke gelegentheid met deezen Commissiant mede soude schrijven om nimmer brieven te zenden aan deeze Regeering, zonder bekendstelling van den toestand der extirpatie, van het getal der vermielde bomen, waar van gem=e Dienaar verzuimt heeft bij zijne laaste brief 943 brief gewagte maken. /:onderstond:/ Aldus gedaan en geresol„ „veerd tot Ternaten in 't Casteel orange D=o voorsz: /:was geteekend:/ P: I: valkenaar, G: C: Meurs, J: F wedel, J: G: van Raasveld, G: W: v: Renesse, F: B: Hemmekam, en A: de Champagnet /:daar onder:/ Accordeert /:was geteekend:/ A: de Champagnet secretaris. Opgeleezen, Johanne Lijn lager gezwv: Klerk Nagezien. SWeinceer Gez: kl. erd 4 d p . Secreete Resolutien Van E Ternaten Beginnende den 19 December 174 en indigende den f 12 Juli 1754 voor Datriat Coope No5

NL-HaNA_1.04.02_3445_1051 view scan ↗

English

966 secret The king of Ternaten enters the Castle. The Honorable and Esteemed Lord Governor and Director Paulus Iacob Valckenaer, The Titular Merchant and Second Godfried Carel Meurs, The Honorable Captain Military Johan Fredrik Wedel, The Merchant and Fiscal Iohan George van Raesveld, The Junior Merchant and Bookkeeper Gerardus Willem van Renesse, Ditto and Secretary Fredrik Hendrik Beijnon, Ditto and Shopkeeper Francois Bartholomeus Hemmekam. The ordinary matters having been dealt with this morning, the Lord Governor informed the Council members that His Highness the king of Ternaten had yesterday sent his Shahbandar Mestaka to His Honor, requesting to be allowed to appear tomorrow in this meeting, as he had a matter of weight to reveal to the Council, about which he at the same time wished to consult with this Government. That His Honor had thereupon appointed the present day, at ten o'clock in the morning, to await and receive His Highness in full Council. While the Members considered this message communicated and approved it, His Highness appeared shortly thereafter by carriage within this Castle, accompanied only by the Gogoegu Monday the 19. December 1774 In the morning at nine o'clock, Council of Policy meeting Present. Saifroedin, And appears in the council chamber. for which reason goodwill. for the Company. Saifioedin, and by his Shahbandar and confidant Miftata; whereupon the king was received and welcomed by the Lord Governor at the head of the full Council, just inside the gate of the Castle, with such honor and marks of respect as are customary here on such occasions. After the prince and his two grandees of the realm had subsequently each taken their seats according to their rank and enjoyed some refreshment, he made known that the reason for his coming to this meeting was to reveal to the Council that the young king of Batchian, currently residing here, had informed him of the arrival of one or more English vessels at the said Island, which had as their guide the notorious scoundrel Hadje Oemar. The king subsequently expressed his gratitude in particular to the Lord Governor, for the reason that His Honor had already likewise caused him to be informed of the arrival of this nation through the Translator and shopkeeper Hemmekam; to which the prince further added: that The king on account of his good intentions he desired nothing more than to give the Council substantial proof of his firm intention and readiness to sacredly observe the treaties entered into and sworn with the Company, of which a principal point was the promise made to ward off foreign European nations from his lands; and since he had to agree that they usually came here with the pernicious objectives of disrupting the common peace, misleading the Moluccans, and seizing control of spices, he was of the opinion that the English who had landed on Batchian should without delay be warded off from there and forced to depart, by all such means as the Council should deem serviceable thereto; at the same time making known that he deemed it best to keep the intention to ward off the English hidden from the courts of Tidor and Batchian, since the 19 December he 947 Anno 1774 did not trust these two neighbors of his in the least, but suspected them of conspiring with all foreigners, and, as the saying goes, lying under one blanket. The king having been thanked for his well-meaning zeal for the Company's interests, it was resolved, after a brief discussion among the Council members, to reply to his representations that the Council was very willing to agree with His Highness that Answer to his representations the arrival of these foreigners could certainly have none but bad consequences, and their departure could therefore not be brought about soon enough. It was also agreed not to make this arrival known to the king of Tidor, and likewise to keep our intentions for warding off the English hidden for the present from the court of Batchian, in order to give neither of these princes an opportunity to secretly reveal our resolutions to the British. The king subsequently showed himself terribly incensed against the English and Spanish nations, remembering on that occasion with indignation the wrongs and cruelties that his ancestors had suffered from the Spaniards; further proposing by way of inquiry whether he would not be permitted to oppose the English with arms and expel them by force if they should dare to come upon his Lands! Whereupon the prince was reminded that at present there was a general peace between Holland and the other European Powers; that the Europeans were accustomed to maintaining their peace treaties sacredly, and that we therefore most strongly advised him never, without the prior knowledge of this Government, to commit or cause to be committed any hostilities against any European foreigners; that we were therefore of the opinion that in this case, too, one ought to fight solely with pens and not with weapons, by dispatching Protests against the appearance of the British on Batchian, which December Council, Thanked. rank to him already and foreign of to the before seen

Dutch transcription

966 secreet Olt De koning van Ternaten komt binnen het Casteel. Den wel Edele Agtbaren Heer Gouverneur en Directeur Paulus Iacob Valckenaer, Den koopman Titul: en secunde Godfried Carel Meurs, „ Manh: Capitain Militair Johan Fredrik Wedel, „koopman en Ciseal. - . . Iohan George van Raesveld, „ onderkopmen salij Oatboenden Gerardus Willem van CRhenesse, „ dito en Secretaris Fredrik Hendrik Beijnon „ dito „ winkelier Francois Bartholomeus Hemmekam De gemeene zaken heden morgen zijnde afgehandelt, af de Heer Gou„ „verneur aan de Raadsleden te verstaan, dat zijn Hoogheit den ko„ „ning van Ternaten zijnen Sabandhaar Mestaka op gisteren bij zijn Ed: had gezonden, en laten verzoeken op margen in deze vergadering te mogen verschijnen, vermits hij een zaak van gewigt aan den Raad had„ „de te openbaaren, waar over hij teffens gaarne met deze Regeering wenschte raad te plegen. Dat zijn Ed: hier op den dag van heden, 's morgens ten tien uuren, hadde bepaalt, om zijn Hoogheit als dan in vollen Rade af te wagten, en te recipieeren. Terwijl de Leden deze boodschap voor gecommuniceert hielden, en goed keurden, verscheen zijn Hoogheit kort daar op met de koets binnen dit Castee, eenelijk vertelt van den Goegoegoe onstag den 19. December 1774 'S morgens te negen uur vergadering van Politie Maandag. Praesent saifroedin, En verschijnt in de verga¬ „derzaal. om welke reden „menendheid. voor de Compagnie. Saifioedin, en van zijnen Sabandhaar en vertrouweling Miftata; waar na de koning door den Heer Gouverneur aan 't Hoofd van den vollen Raad, even binnen de poort van het Casteel, wiend ontfangen en verwellekoomt, met dusdanig honneur en eerbewijzingen, als alhier bij zulke gelegendheden gebruikelijk zijn. Na dat de vorst en zijne twee Rijksgroten vervolgens ieder na zijn rang zitplaats genomen, en eenige verversching hadden genoten, gaf hij te ver„ „staan hoe de reden van zijne koomst in deze vergadering was om den Raad te openbaren, dat de alhier zijnde jonge koning van Batchian hem kennis hadde gegeven, van de aankomst van een, of meer, Engelsche vaar„ „tuigen aan gemeld Eiland, welke tot geleidsman hadden den berugten schelin Hadje Oemar vervolgens betuigde de koning zijne verpligting in het bijzonder aan den Heer Gouverneur, ter zake dezelve hem mede reedts kennis van de komst dezer natie hadde laten geven, door den Transla„ „teur en winkelier Hemmekam; waar bij de vorst nog voegde; dat Den koning wegens zijne wel, hij miets liever betragtede als den Raad wezentlijke blijken te geven van zijn vast voornemen en berentwilligheit om de aangegaane en be„ „zwoorene Tractaten met de Compagnie heiliglijk na te komen, waar van een voornaam poinct was de gedaane belofte om de vreem„ „de Europeaanse naties van zijne landen te weeren; en dewijl hij moeste toestemmen, dat dezelve hier doorgaans quamen met de verderffelijke oogmerken om de gemeene rust te verstooren de Moluccanen te verleiden, en zig meester te maken van specerijen, was hij van gevoelen, dat de op Batchian aangelande Engelschen zonder iitstel van daar geweert, en tot het vertrek genoodzaakt moesten werden, door alle zulke middelen als de Raad daar toe dienstig zoude oordeelen; teffens te kennen gevende hoe hij het best agte, om het voornemen tot weering der Engelsche voor de hoven van Tidor en Batchian verborgen te houden, aangezien den 19 December hij 947 &./ Ao. 1774 hij deze zijn beide naburen niet het minste vertroude, maar dezelve verdagt hield van met alle vreemdelingen zamen te spannen, en zoo men zegt onder een deken te leggen. De koning wegens zijne welmenende ijver voor 's Compagnies belan„ „gen bedankt zijnde, wierd na een kort gesprek onder de Raadsleden goed gevonden, hem tot antwoort op zijne vertoogen toe te voegen, hoe de Raad zeer gaarne met zijn Hoogheit wilde toestemmen, dat Antwoord op deszelfs vertogende aankomst dezer vreemdelingen zekerlijk niet als quade gevolgen konde hebben in derzelver vertrek daarom niet spoedig genoeg bewerkt kande werden: Ook quam men over een om den koning van Tidor deze koomst niet bekent te maken, en onze voornemens tot weering der Engelschen van disgelijken nog voor eerst verborgen te houden voor het hof van Batchian, ten einde beide deze vorsten geen gele, „gentheit te geven om onze besluiten in 't geheim aan de Britten te openbaaren. De koningbetaande zig vervolgens schrikkelijk gebeten op de Engelsche en spaanse naties, zig bij die gelegentheid met veront„ „waardiging herinerende de verongelykingen en wreedheden die zijne voorvaderen van de spajaarden hadden geleden; wijders vra„ „gender wijze voorstellende, of 't hem niet geoorlooft zoude zijn de Engelschen met de Wapenen te keer te gaan, en met gewelt te verdrijven, indiense zig mogten verstouten op zijne Landen te komen! waar op den vorst wierd voorgehouden, dat'er tegenswoordigen een algemeene vreede was tusschen Holland ende verdere Europe aanse Mogendheden: dat de Europeaanen gewoon waren hunne vredens- Tractaten heiliglijk te onderhouden, en dat wij hem daarom op het kragtigste afrieden om, zonder voorkennis dezer Regeering, in„ „mer eenige vijandlijkheden te plegen of te laten pleegen tegen eenige Europaanse vreemdelingen: Dat wij daarom van gevoelen waren, dat ook in dit geval en kel met dessen, en niet met de wapenen gesteeken moeste werden, door de afzending van Protesten tegens der Britten verschijning op Batchian welke ecember aad, Bedankt. rang n hem m reedts „ en be„ vreem¬ van toe het voor gezien

NL-HaNA_1.04.02_3445_1054 view scan ↗

English

the 19th which writings it was decided on this occasion to dispatch as soon as possible with a suitable vessel to Batchian, in order to have them presented to the English, and if possible thereby induce them to depart, if they might still be found there or thereabouts. The reasonableness of these grounds being recognized by the king, he was fully satisfied therewith, and further requested that this commission might proceed as speedily as possible, and that he might be informed of whatever should be further deliberated in that regard by this Government. When the Governor and Council had consented to this request, the well-meaning prince and his company took their leave and departed with the same ceremony as he had entered, being escorted out again to his carriage by all the Members of this Government. When they had returned to the council chamber after the king's departure, the Lord Governor produced and read two letters by which the first news had been brought to this Government of the arrival of the English at Batchian, the one containing the most detailed account of the Britons being the letter from Batchian's king dated 6 December 1774, in which the said prince informs the Council that in the beginning of this month a large prahu, or kind of galley, had arrived at the island of Bating, situated under the territory of Batchian, on which prahu the notorious Hadji Oemar was said to have been, who according to the king's letter had purported to have come most recently from Bombay, with the intention of sailing further to Bouton, to which Hadji Oemar was also said to have added that the mission to which he belonged consisted of an English ship and three galleys, furnished with passes from the Governor General at Bombay, whereupon the English vessel having been sent, they had reportedly forbidden Hadji Oemar from presuming to enter the strait of Batchian; which prohibition Hadji was said to have complied with, and turned his prow directly to the west. To this account given from the Batchian side regarding the arrival of the Britons, it was thought that full credit should not be given, since the Governor made known that he had understood from the young king of Batchian that Hadji Oemar, far from having been compelled to depart, was on the contrary very amicably received by his uncle the king, and that it was even rumored that the said king had in person been on the English vessel, and had held a friendly conversation with some of that nation. In addition, the young king had managed to relate to the Lord Governor that the English vessel had indeed departed from the island of Bating, but that it had subsequently stayed between Batchian and Tapa, where it might perhaps still linger; so that one was not surprised that Batchian's king had written to us of the Britons' departure solely with the intention of making this Government abandon the plan of sending an expedition to that nation and compelling them to depart. When it was subsequently resolved to answer this letter from Batchian's king at the first opportunity as circumstances required, it was also decided to make known to the prince our displeasure concerning the fact that he had not made the least effort to detain the runaway Hadji Oemar, who had joined the English nation in a punishable and clandestine manner. After this, it was approved to have the pantjallang the Caneelboom fitted out in the greatest haste, and provided with the necessary munitions of war as well as provisions for two months, in order to seek out the English therewith if possible at Batchian, and as said above, to have the necessary and customary English protests against their appearance delivered to the said nation. It being also decided to postpone answering the said Batchian king's letter until after the departure of the Caneelboom, and further to appoint as heads of this commission the junior merchants Hemmekam and Gavanon, whom the Lord Governor undertook to furnish with instructions as soon as possible.

Dutch transcription

den 19 waar mede hij genoegen De koning neemt afscheid en vertrekt. „sende de eerste tijding van de Het verhaal van den koning van Batchian nopens Hadfje Oemar vind meinig geloof: welke geschriften men bij deze gelegentheit besloot ten spoedigten met een bequaam vaartuig na Batchian te verzenden, om ze de Engelschen aan te laten bieden, en des doenlijk daar door tot het vertrek te bewegen, indienze aldaar of daar ontrent nog aan te treffen mogten zyn. De billijkheit dezer redenen door den koning zijnde ingezien, nam hij daar mede volkamen genoegen, en verzogt wijders, dat deze commissie ten spoedig„ „sten voortgang mogt namen, en hem communicatie mogte werden gegeven van het geen daar ontrent verder door deze Regeering zoude werden beraamt. Als de Gouverneur en Raad in dit verzoek hadden bewilligt, nam de wel„ „meenende vorst en zijn gezelschap afscheid, en vertrok met het zelfde ceremonieel als hij was binnen gekomen door alle de Leden dezer Regel, „ring wederom tot aan zijn koets werdende uitgeleidt. Wanneer men na 's konings vertrek weder binnen de vergader zal Lecture van twee brieven, behel, was gekomen, wierden door den Heer Gouverneur geproduceert en gelezen komst der Engelschen op Batchi wee brieven waar mede deze Regeering de eerste tijding was aange„ „bragt, van de aankomst der Engelschen op Batchian, zijnde de eene waar bij het amstandigste narigt van de Britten werd gegeven, de brief van Batchians koning de dato 6: December 1774: waar in gemel„ „de vorst den Raad kennis geeft, dat er in het beg in dezer maand eene groote prauw, of zoort van Galei, was aangekomen aan het eiland Bating, gelegen onder het Land van Batchian, op welke prauw de berug„ „te Htadgi Oemar zig zoude hebben bevonden, die blijkens des ko„ „nings schrijven voorgegeven zoude hebben van nu laast van Bom„ „baij te zijn gekomen, met oogmerk om verder na Bouton te steven en, waar bij Hadje Oemar nog zoude hebben gevoegt, dat de bezen„ „ding daar bij onder behoorde, bestand in een Engelsche schip en in drie geleijen, voorzien met passen van den Gouverneur Generaal te Bombaaij, waar op de Engelsch vaartuig hadde gezonden, aan Hadje Oemar zou„ „den hebben verboden van zig niet te verstoutten binnen de straat Batchian te komen; welk verbod Hadje zoude zijn nagekomen, en den steven direct om de west hebben gewend. Aan dit verhaal van de Batchianse zijnde van der Britten aankomst gedaan, dagt men geen volkomen geloof te moeten defereeren, aangezien de Gouverneur te kennen gaf van den jongen koning van Batchian te hebben verstaan, dat Ha„ „dje Oemar, wel verre van tot het vertrek te zijn genoodzaakt, daar en tegen seer neemt „an. Fo en December 1774 £ 949 't verhaal van den jongen koning van Batchian. „merk „ning Aanleg van de caneelboom. „ten naar Batchian. seer vriendelijk van zynen Oom den koning was ontfangen, en dat zelfs het gerugt ging, dat gemelde koning in persoon op het Engelsche vaar„ „tuig geweest, en een vriendelijk gesprek met eenige van die natie zoude hebben gehouden. Daar benevens hadde de Jonge koning aan den Heer Gouverneur weten te verhalden, dat Engelsche vaartuig wel van het eiland Ba„ „ting was vertrokken, dog dat het zelve zig naderhant tusschen Batchi„ „an en Tapa hadde opgehouden, daar het misschien nog wel zoude vertoeven: soo dat men niet vreemd was, dat Batchians koning „ontdekt enigermate koningsoog, ons der Britten vertrek alleen had geschreven, met oog merk om deze Regeering af te doen zien van het voornemen van een bezending na die natie te doen, en ze tot het vertrek te noodsaken. Wanner vervolgens besloten wierd dezen brief van Batchians koning bij de eerste gelegendheit na vereisch van zaken te beantwoorden, wierd teffens Des Raads misnoegen over den ko„ gearresteert ons misnoegen aan den vorst te kennen te geven, ter za„ „ke, dat hij geen de minste moerte hadde gedaan om den wegloper Hadje Oemar aan te houden, die zig op eene strafbare en Clandestine wijze bij de Engelsche natie heeft begeven. Hier na is goedgevonden om de Pantjallang de Caneelboom in allerg te laten toetuigen, en zoo wel met de nodige oorlogs behoeften, als met pro„ „visien voor twee maanden te laten voorzien, ten einde de Engelschen daar mede des doenlik in Batchian op te zoeken, en zoo als boven gezegt is, de nodige en gewoone Engelse Protesten tegens derzelver verschijning aan gemelde natie te laten overgeven. Werdende teffens beslooten om het beantwoorden der gemelde Batchianse konings brief tot na het „ Tot het vertrek der Commissian„ vertrek der Caneelboom uittestellen, en wijders tot hoofden dezer Com„ „missie te benoemen de onderkooplieden Hemmekam en Gava„ „non, dewelke de Heer Gouverneur aannam ten allerspoedigsten van den 19 na daar treffen daar poedig„ geven . gelezen ang gemel„ de eene ge„ d rug¬ en, n re om gedaan dat tegen. Ha„ eur 9

NL-HaNA_1.04.02_3445_1056 view scan ↗

English

the 19th Offer of this young king to also attend that commission. Accepted. to provide with a suitable Instruction; whereby said Commissioners would among other points be ordered, in case the aforementioned adventurers might have already departed from Batchian, to turn the prow from there towards Gebe to seek out the British, since all the Council members were of the opinion that, however Batchian's king sought to disguise the intention of the English, their sole or principal intention was merely to seek out spices, which they could obtain nowhere better and more easily than on this Gebe, the famous gathering place of European adventurers and smugglers, for which reason it was supposed that the British would be found there sooner than anywhere else. All this being planned, the Governor also gave the Council members to understand that the day before yesterday, shortly after the receipt of the Batchian letters, the Young King of the said Realm had come to his Honor, and had revealed to him, the Governor, various matters concerning this English appearance in a very well-meaning and candid manner. On which occasion he had offered, in case a mission to the British was to take place, to go along as well in order to protest against their arrival in his hereditary lands in the capacity of heir of the Batchian Realm. Which proposal being put to the vote, it was decided to accept it and consequently to let the Young King, at his instance, undertake the voyage on the Caneelboom in company of our Commissioners, in order to deliver the protests jointly, since it was thought that such a solemn protestation would be lent no small weight and emphasis by the presence of the Crown Prince. 951 December 1774 Gratuity granted to him. It being furthermore decided, in consideration of the Prince's small means, to grant him, in hope of Their High Honors' approval, as a gratuity and also for consumption during the voyage: 2 pieces Guineas Common bleached 1500 lb Rice, 110 jugs Arrack 12 lb Wax candles The progress of the Commission determined. Lastly it was also understood to let the mission proceed at the latest within three days, and to let these further resolutions, which were taken in this regard after the departure of Ternate's king from the meeting, be made known at once to the said king according to our promises by the shopkeeper and Translator Hemmekam. Underneath: Thus Done and Resolved at Ternate in the Castle Orange, Date as above. Was signed: Paulus Jacob Valckenaer, Godfried Carel Meurs, Johan Fredrik Wedel, Johan George van Raesveld, Gerardus Willem van Renesse, Fredrik Hendrik Beijnon and Francois Bartholomeus Hemmekam. Friday the 3rd of March 1775: In the morning at nine o'clock, meeting of the Council of Policy. Present: The Right Honorable Lord Governor and Director Paulus Iacob Valckenaer, The merchant, secunde and Chief Administrator Godfried Carel Meurs, The Military Captain Johan Fredrik Wedel, The merchant and fiscal Johan George van Raesveld, The 2nd junior merchant and paymaster Gerardus Willem van Renesse, The junior merchant and Secretary Fredrik Hendrik Beijnon and The same and shopkeeper Francois Bartholomeus Hemmekam. Deliberation concerning the outcome of the Commission that was sent to Batchian. The commissioners Hemmekam and Gavanon having returned on the 15th of February last from their journey to Batchian and Gebe, the arrangement of which was mentioned in the last secret session of the 19th of December of the past year, today came up for resumption the Summary Report, together with the journal and an Account, all submitted by the said Commissioners, the aforementioned Summary Report being of the following content: Summary Report concerning the journey made from Ternate through the Strait of Batchian to Gebe, respectfully submitted To the Right Honorable Lord Paulus Iacob Valckenaer, Governor and Director, together with the Council of the Moluccas

Dutch transcription

den 19 Aanbod deses jongen konings om die commissie meede bij te wonen. Geamplecteerd van eene gepaste Instructie te voorzien; waar bij gemelde Commissianten ander an„ „dere poincten zouden werden gelast om ingevalle meermelde avanturiers reets van Batchian vertrokken mogten zijn, van daar den steven na Gekle te wan„ „den om de Britten op te zoeken, vermits alle de Raadsleden van gevoelen waren, dat hoe Baschians koning der Engelschen oogmerk ook zogt te be„ „winpelen, derzelver eenigtte of voornaamste intentie dog maar was om specerijen op te zoeken, waar aanze nergens beter en gemakkelijker konden geraken als op dit Gebe, de beroemde verzamelplaats Europeaansche avan„ „turiers en smokkelhandelaars, weshalven men veronderstelde de Britten aldaar eerder als ergens anders te zullen aantreffen. Dit alles beraamt zijnde gaf de Heer Gouverneur ook aan de Raads„ „leden te verstaan, dat op eergisteren dort na den ontfang de Bat„ „chianse brieven, de Jonge koning van gemeld Rijks, bij zijn Ed: was geko„ „men, en het een en ander, rakende deze Eingelse verschijning, op eene zeer wel, „menende en gulhortige wijze aan hem Gouverneur hadde geopenbaart. Bij welke gelegentheit hij hadde aangeboden om, ingevalle 'er een bezending na de Britten stond te geschieden, wel mede te willen gaan om in de hoedanigheit van erfgenaam des Batchiansen Rijks te, „gens derzelver aankomst in zijne erflanden te protesteren. Wel„ „ke voorslag in omvraag zijnde gebragt, wierd besloten dezelve te amplecteren en ingevolge van dien den Jongen koning op zijn in„ „stantie, de reize met de Caneelboom in gezelschap van onze Commis¬ „sianten te laten ondernemen, ten einde gezamentlijk de protesten over te leveren, vermits men van gedagten was dat dusdanige pleg„ „tige protestatie door des kroon-Prinssen tegenwoordigheit, geen gering gewigt en nadruk zoude werden bij gezet. zynde D 951 December 1774 Dauceur aan hem toegelegt. Sijnde wijders dit Consideratie van des Prinssen gering vermo„ „gen mede gearresteert, om de denzelven in hoope van Hun Hoog Edelhedens approbatie als een doucur en tefens tot Consumtie geduren„ „de de reize toe te leggen. 2: p:s Guinees Gemeen gebleekt 1500: lb Rijs, 110: kannen Arak 12: lb Waskaarssen De voortgang der Commissie bepart Laastelijk is ook verstaan om de bezending uiterlijk binnen drie dagen voortgang te laten nemen, en deze nadere besluiten, die na het vertrekt van Ternaats koning uit de vergadering, dies wegens zijn genomen, volgens onze beloften terstond aan gemelden koning bekent te laten maken door den winkelier en Translateur Hemmekam. (:onderstnd Aldus Gedaan en Geresol„ „veerd tot Ternaten in't Casteel Orange Dato voorschreeven /:was getekent:/ Paulus Jacob Valckenaer, Godfried Carel Meurs, Jo„ „han Fredrik Wedel, Johan George van Raesveld, Gerardus Willem van Renesse, Fredrik Hendrik Beijnon en Francois Bartholomeus Hemmekam Vrijdag den 3:e Maart 1715: 'Smorgens te negen uren vergadering van Politie Praesent No. 19 iers reets wen„ an„ van, de aart. een en pleg„ geen Praesent Paulus Iacob Valckenaer, Den wel Edelen Agtbaren Heer Gouverneur en Directeur Den koopman, secunde en Hoofd administrateur Besoigne over den uitslag van de Commissie die na Battchian is gedaan. Godfried Carel Meurs Den Capitain Militair Johan Fredrik Wedel, 2:„ onderkoopm: en sldij vatkt Gerardus Willem van Renesse, Johan George van Raesveld, Den onderkopman en Secretaris Fredrik Hendrik Beijnon en Francois Bartholomeus Hemmekam De commissanten Hemmekam en Gavanon op den 15. Fe„ „bruarij jongstleden te rug zijnde gekomen van hunne togt na Batchian en Gebe, van welkers aanleg ter laatse secrete sessie van den 19:e December anni passati is gewag gemaakt, quam op heden ter resumtie het Compendieus Berigt, mitsgaders het journaal en eene Rekening alle door gemelde Commissianten ingediend zijnde het evengemeld Compendieus Berigt van na„ „volgende inhoud: 1.„ „ koopman en fiscaal „ dito en winkelier naart Compendieus Berigt nopens de gedane togt van Ternaten door straat Batchian na Gebe, in eerbied overge¬ „levert Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Iacob Valckenaer, Gouverneur en Directeur, benevens den Raad de Mo„ Wets den 3: „luccos

NL-HaNA_1.04.02_3445_1059 view scan ↗

English

Right Honourable Commanding Lords, March 1775 Upon incoming reports of the appearance of an English galley near the island of Bating, with the necessary orders and protests according to the instruction handed to us, dated 23 December of the past year, having departed from here in the company of the young King of Batchian on the pantjallang De Caneelboom, we arrived on the 25th of the same month at the said island of Bating (situated to the northwest of Marigorango), and finding nothing there resembling British, we turned the prow according to the sailing orders through the Strait of Batchian toward Gebe. Having dropped anchor there on 14 January of this year, we learned through all practicable inquiries that a three-masted English galley of the size of a small pantjallang, very lightly armed and equipped but richly laden, under the supervision of three Englishmen, namely a captain, an engineer, and a gunner, as well as the Hadji Oemar mentioned in our instruction, had arrived at the island of Oempaij (an island situated to the southwest of the western point of Waaijgeeuw and belonging under Gebe). These commanders, after having entered into intercourse there with those of Gebe, Batchian, Miscoul, Pattani, and the Tidorese, continued their voyage from there to the Papuas ten days before our arrival, alongside a Miscoul vessel and another proa purchased at the aforesaid island by Hadji Oemar, under the pretext of searching for the English fleet, which consisted of many ships and vessels. We maintain that the voyage is not so much to the Papuas as to Nova Guinea, a place richly planted with spices, since the British not only departed from Oempaij, but joined with those of Miscoul, under whom [illegible] belongs, and accompanied as interpreter by the Tidorese Bossera, along with a Patanese Captain Marieko and a slave of the King of Batchian named Saboer, the latter by order of the said Batchian prince. Because of the departure of the aforesaid English adventurers from Oempaij before our arrival at Gebe, being unable to achieve the purpose of our mission, we have solely applied our efforts to thoroughly investigate the disposition and intention of the Gebians, whom, together with the Maba and the Pattaniese, we found to be very disloyal to the Company, but well-disposed to the English, as can be seen from the conversation between the first draftsman and the Gebians, and the transport and pursuit of vile profit in spices by those of Pattanij and Maba. We have the honour of presenting two small bags, No. 1 and 2, filled with mace and nutmegs together weighing 10 pounds, to Your Right Honours for inspection, which we discovered and found both from a Pattaniese proa and from holes and crevices along the beaches where two Mabarese proas had sheltered. That the kings of Tidor and Batchian would be ignorant of the voyage of the aforesaid adventurers in the Moluccan seas does not appear likely to us, since the King of Batchian, instead of behaving according to the treaties, did not hesitate to admit the aforesaid galley to the island of Bating and enter into conversation with the commanders, to provide them with provisions consisting of baked sago, of which they had a great shortage, but even to accommodate them at Oempaij with 10 bobaculs of that food, which he sent after them by two of his confidants. The prince's fickleness and improper inclination against the Dutch Company is furthermore clearly evident from the report given by Prince Tajoe Alam, cited on pages 23 and 24 of our journal, as well as the notification made in secret by the Batchian Princesses Toenjoen, Amaral, and Sarbanoen to the young King of Batchian who accompanied us, which is set down at large on pages 5, 6, and 7 in the said journal. Likewise, on pages 2, 3, and 4, the deceitfulness of the Tidorese Court was also demonstrated by what was revealed by the King of Batchian, to which we respectfully refer to avoid double prolixity. Therefore, we only briefly note that both aforesaid princes will not be able to clear themselves of having maintained correspondence with the British and having received gifts from them. As proof of this, we have already had the honour of sending a silk handkerchief from Batchian to Your Right Honours, and for that reason we maintain that in this juncture of time it would be a desirable matter if the King of Batchian were constrained to settle his residence again on Laboea and to leave Kaseroeta, where he currently resides and which is a nest of intrigue. According to the third article of the instruction handed to us, we have March

Dutch transcription

Wel Edele Agtbare Gebiedende Heer en Heorm Maart 1775 Op de ingekamene Berigten van het verschijn eener Engelsche Ga¬ „lei bij het eiland Bating, met de nodige order en Protesten, na luid de Instructie ons ter hand gesteld, de dato 23:' December anno passato, ons in geselschap van den Batchians jongen koning met de Pantjallang De Caneel„ „boom van hier op reis begeven hebbende, zijn wij den 25:e dito bij gemelde eiland Bating (:gelegen in 't Noord west van Marigorango :/ gekomen, en al„ „daar niets vindende: wat na Britten geliek, de steven volgens do Zeilaas ordre door straat Batchian na Gebe gewendt, mitsgaders den 14: Januarij dezes jaars, aldaar ten anker gekomen zijnde, hebben wij door alle practicable uit vorsschingen te kennen gekregen, dat een Engelsche drie moste galei ter groote van een kleine Pantjallang zeer gering gearmeerd en ge-equipeerd dog rijk geladen onder op zigt van drie Engelschen, als een Capitain, een Ingenieur en een Canstabel, item den bij onze Instructie vermelden Ha„ „dji oemar ten eilanden Oempaij /: een eiland in het zuid west van waaij geeuws west hoek gelegen en onder Gebe gehorende:) was aange„ „komen, welken voerders na met die van Gebe, Aatohian, Miscoul Pattani en Tidoresen aldaar in ommegang geraakt wezende tien dagen voor onze komst hun reis van daar nevens een Miscoulse en een andere prauw door den Hadje Oemar ten voorschreven Eilande ingekogt, na de Papoe hadden voortgezet, onder voorgave van de Engelsche vloot, die uit veele scheepen en vaartuigen bestond, op te zoeken. Wij sustineeren dat de vaart niet zoo zeer na de Papoe is, als wel na Nova Guinea, ter rijk met specerij beslant zijnde plaats onie aangezien de Britten niet alleen van Oempaij zijn vertrok„ „ken, maar geconjungeerd met die van Mistoub, onder wien onie gehoort en vergeselschapt als tolk door den Tidorees Bos„ „sera, nevens een Patanies Capitain Marieko en een slaaf van den koning van Batchian in name saboer, bij de laaste op bevel bij van gemelde Batchianse vorst. Door het vertrek van der voorschreven Engelsche avantu„ „riers van Oempaij, bevorens onze aankomst te Gebe ter oogmerk onzer bezending niet kunnende bereiken, hebben wij eenelijk onze kragten in gespannen om naau„ „keuriglijk den 3: 953 ens verge„ not Mo„ dan 3: nauikeuriglijk te onderzoeken, de gezintheit en het oogmerk der Geberesen, die wij nevens de Maba en Pattaniers bevonden hebben zeer ontrouw tot de Compagnie maar de Engelschen genegen te zyn, te zien uit het gesprek tusschen den eersten Tekenaar met de Geberesen het vervoeren en be„ „tragten van vuil gewin in specerijen door die van Pattanij en Naba„ waar van wij de eere hebben twee zakjes, N:o 1: en 2: gevult met foelie en Note musschaten te zamen ter zwaarte van 10: ponden uwelEdele Agtb: tot speculatie aan te bieden, die wij zoo uit een Pattanise prauw als uit hollan en gaten aan de stranden, waar twee Mabareese Prauwen hun hadden onthouden, hebben ontdekt en gevonden. Dat de koningen van Tidor en Batchian van de vaart der voorschreven avanturiers in de Molukse zeën zoude onkundig wezen, komt ons niet waarschynlijk te voren, aangezien den ko„ „ning van Batchian in stede van hem na luid de contracten te gedragen zig niet heeft ontzien, de voorschreven galei ten eiland Bating te admitteeren met de voerders ingesprek te treden, haar met provisie bestaande uit gebakke sagoe, waar aan groot gebrek hadden te voorzien, maar ook zelfs nog met 10: bobaculs van dat voedzel die hij door twee zijner vertrouwelingen heeft nagezonden te dempaij te gerieven, zijnde 's vorsten wespelturigheid en verkeerde neiging tot de Nederlandse Compagnie nog nader daar en boven klaarblijkelijk te zien, uit het Berigt door den Prins Tajoe Alam gegeven, aangehaalt pag 28: en 24 van ons dagverhaal, item de te kenne gave der Batchianse Prin„ „cessen Toenjoen, Amaral en Sarbanoen aan den ons verzelt hebben„ „de Batchiansen jongen koning in secretesse gedaan, het geen in gemel„ „de Dagverhaal Pag: 5: 6: en 7: in 't brede is ter neder gesteld. Gelijk Pag: 2: 3: en 4: door het geopenbaarde van Batchians koning de sluikheit van het Tidorese Hof ook werd aangetoont, daar wij ter vermijding van een dubbelde extentie ons in eerbied aan zijn gedragende, overzulks nog maar kortelijk noteeren dat voorschreven beide vorsten hun niet zullen kunnen purgeeren van brieve wisseling met de Britten gehou„ „den en geschenken van dezelve ontfangen te hebben, tot blijk daar van, wij reets de eere hebben gehad uwel Ed: Agtb: een zijde neusdoek uit Batchian toe te zenden, en daar om sustineren dat het in deze tijds conjuncture eene gewenschte zaak zoude zijn, den koning van Batchian wierde geconstrin„ „geert, zig weder met 'er woon op Laboea ter neder te zetten en kaseroeta, waar zig thans anthoudt en een konkelnest is, te verlaten. Naluid van het derde articul der ons ter hand gestelde Instructie hebben wij Maart

NL-HaNA_1.04.02_3445_1061 view scan ↗

English

955 March 1775 we gave chase to all native vessels in order to examine the reasons for their voyage, and accordingly were fortunate enough to obtain a portion of the aforementioned nutmegs, as well as to bring in here, having encountered him on our return voyage near the island of Mortier, the Chinese Tankinghiang, commonly called Tangan Mati, because he was sailing without a pass from the Company and pretended to be bound for Gebe, showing us only a pass from the King of Tidor, which was not even made out to him, but to another Chinese named Konko, authorizing him to sail with it to trade to Papua, which stamped paper we have the honor to present herewith to Your Honors. And before we conclude, we consider ourselves obliged to report that the accompanying young King of Batchian conducted himself during this voyage as a loyal and becoming prince. As well as that the aforementioned English Captain, according to the indications of the Chinese Njo Tamko and Nitamlong, was the same Bartels mentioned by the first undersigned in his report on the Hullok expedition, who at that time already intended to visit the spice-producing islands. And as we believe we have presented here as briefly as possible the principal occurrences and observations made during this our mission, for the rest we refer to the contents of our detailed daily journal annexed hereto, and request that, in addition to what was provided for further accounting, see the annexed current account, the following may be validated to us: Rds 21: 42:— in cash 75: jugs of Arak Apij 8: pounds of wax candles 2: quires of large format paper 2: ditto small ditto 1: bundle of quill pens and the usual porcelain provided to Commissioners, since the same was procured, consumed, and distributed by us in the most indispensable and frugal manner; while, in the hope of the approval of these requests as well as our further proceedings during this commission, we take the liberty to subscribe ourselves with the requisite respect and true high esteem. undersigned: Honorable, Worshipful, Commanding Lord and Lords lower: Your Honors' very humble servants signed: [illegible] English not encountered conduct of the King of Batchian. signed: F: B: Dimmekam, and P: P: L:s Gavanon in the margin: Ternate, the last day of February 1775: continuation Since the above-mentioned papers had already been circulated among the members for perusal, they were fully convinced from them that it had been impossible for the Commissioners to encounter or overtake the English, although the outcome had now shown that the intention of the British had knowingly been to proceed to Gebe and its vicinity, just as this conjecture of ours was already mentioned in the previous Resolution of 19: December. Thereupon the discussion turned to the account appearing in the Commissioners' journal regarding the treacherous conduct of the King of Batchian, who first wished to make this Government believe that the English galley in question had directed its course toward Boeton, whereas he has now again pretended to the Commissioners that the British intended to proceed to the silver-producing Papuan island of Howok in order to erect a fort there. Both clearly evident lies, likely devised by the prince to throw our people off the track, as they say, and to prevent them from seeking out or overtaking the said Europeans, since from the continuation of the journal it clearly appears that the so-called English galley by no means intended to go to either of those places, but steered directly through Batchian toward the island of Oempaij, belonging under Gebe, and situated to the southwest of the Papuan island of Waigeeuw: thus there was reason to maintain that the king's tale of the four ships and one hundred prahus which, carrying various kinds of people under the English flag, were supposedly steering toward the said island of Howok, must likewise have been fabricated by him, since nothing was heard of them [illegible] the 3

Dutch transcription

# # 955 Maart 1775 wij jagt gemaakt op alle inlandse vaartuigen, om de redenen hunner vaart te onderzoeken en de overzulks gelukkelijk een deelder voorwaards gemelde Nooten musschaten bekomen, mitsgaders alhier aangebragt, den op onze te rug reis, onder het Eiland Mortier gerencontreerden Chinees Tankinghiang, door de waandeling Tangan Mati genaamt om reden zonder met een pas van de Compagnie vaarde en voor„ „gaf zijn wil na Gede te hebben, eenelijk aan ons vertoonende een pas van den koning van Tidor, welke niet eens op hem, maar op een andere Chinees konko genaamt om daar mede ten handel naar de Papoe te varen was landende, welk gestempelt Papier wij de eere hebben uwel Edele Agtb: hier nevens aan te bieden. En bevorens wij ten besluite overgaan, agtien wij ons verpligt te melden dat din verzelt hebbende jongen koning van Batchian gedurende deze voijagie zig heeft gedragen als een Prins van trouw en een betaamt. Mitsgaders dat den voorwaarts gemelden Engelschen Capitain volgens beduidenis der Chinesen Njo Tamko en Nitamlong de zel„ „re Bartels zoude zijn geweest, waar van den eerst andergetekende in zijn Rapport der Hullokse expeditie gewag heeft gemaakt, die te dier tijd al van voornemen was de specerij gevende eilanden te bezoeken. en dewijl de voornaamste ootmoedingen en remarques, ge„ „durende deze onze afzending onzes eragtens zo kort doenlyk hier inne aangetaand hebben, gedragen wij ons voor het overige aan den inhoud van het door ons gehoudene om„ „standig beschreven Dagverhaal dezen annex, en verzoe„ „ken dat ons boven het ter nader verantwoording mede gegevene vide geannesteerde rekening Courant mag wer„ „den gevalideert. Rd:s 21: 42:— aan Contanten 75: kannen Arak Apij 8: Ponden Waxkaarssen 2: boeken Groot formaat papier 2: _o klein _o e 1: bos penne schagten en de gewoone aan Commissianten verstrekt wordende porcelijne, aangezien het zelve door ons op het onvermijdelijkst en menagieuste is bekostigt, verbruikt en uitgereikt; Terwijl wij in hope van approbatie dezer in„ „stantien als onze verdere verriglingen gedurende deze Cau„ „missie de vrijheit nemen, ons met de vereischte eerbied en waare hoog agting te anderschrijven. /:onderstond :/ Wel Edele Agtbare Gebiedende Heer en Heeren /:lager:/ uwel Edele Agtbares zeer onderdanige Dienaren /:was getekent:/ 3: k en be„ Naba, foelie en Edele prauw bareese vonden. der kundig den ko„ eiland edzel die paij tot de te zien, pag 28: Prin„ hebben, el ag luikheit myding verzulks gehou„ wij reets toe te eene strin„ eta, waar tie hebben niet brek te Engelschen niet aangetroffen gedrag van den koning van Batchian. /:was getekent:) F: B: Dimmekam, en P: P: L:s Gavanon (:in margine:) Ternaten Adij ultimo Februarij 1775: vervol Vermits de bovengemelde Papieren reets ter lecture bij de Leden waren rond gezonden, was men daar uit ten vollen overtuigt dat De Commissianten hebben de het de Commissianten ommogelijk was geweest de Engelsen aan te treffen, of te agterhalen: niettegenstaande de uitkomst nu hadde doen zien, dat der Britten intentie wetentlijk was ge„ „weest om zig naar Gebe daar amstreeks te begeeven, invoegen van deze onze gissing reets bij de vorige Resolutie van den 19: December gewag is gemaakt. Hier op quam het gesprek te vallen op het relaas het geen bij der Commissianten Journaal voorkomt wegens het trouwloos gedrag Gesprek over het trouwloos van den koning van Batchian, die deze Regeering eerst diets heeft willen maken dat de bewuste Engelsche Galei den Steven naar Boeton zoude hebben gewendt, daar hij nu wederom bij de Commissian„ „ten heeft voorgeven dat de Britten voorhadden om zig naar het zilver gevend Papoes eiland Howok te begeven, om aldaar een fort op te rigten. Beide klaar blijkelijke leugens, denkelijk door den vorst bedagt om de onzen het spoor, zoo men zegt, bij, „ster te maken, en te beletten om gemelden Europeanen op te zoeken of in te halen, aangezien uit het vervolg van het Journaal dindelijk komt te blijken, dat de zoo genaamde En„ „gelse Galei geenzins de wil heeft gehad na een van die plaatzen, maar direct in't Batchian is gesterend naar het eiland oem„ „paij, sorterende onder Gebe, en gelegen in het zuidwesten van het Papoese eiland waigeeuw: Dus men reden had te moeten sustineeren, dat des konings verhaal van de vier schepen en hondert Prauwen, die met verscheide zoort van welk, onder de Engelse vlag, naar gemeld eiland Howok zouden zijn gestevend, enen eens door hem moest zijn verzonnen, vermits men daar van niet den 3

NL-HaNA_1.04.02_3445_1063 view scan ↗

English

13 957 continuation of these deliberations. March 1775 had not heard the slightest thing. If one could give credence to the reports of the Batchian writer Sahidiman, the Members thought that the perjury of Batchian's king shone through just as strongly in the question he put to his courtiers, What was better to choose, old or new Rice? Truly rebellious expressions, with which the Batchian could have meant nothing other than his false inclination rather to attach himself to the recently appeared English than to the Dutch Company, his old and lawful Liege Lord and ally. Due to the above-cited deceitfulness of the Batchian king, the Council Members judged that not much reliance could be placed on the warning he gave to the Commissioners regarding the necessity of carefully observing the conduct of the Tidore Court, by which he wished to give it to be understood that it was making efforts to join forces with foreign Europeans. Which account seems rather to have been brought forth from such a false mouth with the intention, if possible, of clearing himself from the suspicion of ill intent, than with a sincere purpose to favor the Company's interests. Yet because the king's saying did not tally poorly with the testimony of the Batchian Princesses, who secretly revealed to their brother the crown Prince how the old king kept secret correspondence with the Court of Tidor, in order, if possible, to entice foreign Europeans to the Moluccas, notwithstanding that Batchian's king did his best to conceal his evil intentions from the Company; [illegible] concerning the stay of the king at Kasiroeta. To inform their High Mightinesses. Further evidence of the king's unfaithfulness. All which discoveries caused the Council to decide to deal cautiously with both these Moluccan kings and to spy closely upon their actions, in order to be all the better able to frustrate their harmful enterprises at all times by all such means as prudence coupled with good management shall suggest to us. And since the Commissioners Hemmekam and Gavanon are of the opinion that, in order to prevent the evil intentions of the Batchian king, it would be a desirable matter if he were constrained to leave Kasiroeta and betake himself again to reside on Laboea, it was agreed to urge the necessity of this relocation once more to Their High Mightinesses, since the Council Members also clearly foresaw that Batchian's prince, upon a further stay on Kasiroeta, would only apply himself to prejudice the Company in its authority and interests. The above-mentioned Princesses having further related that the repeatedly mentioned king had gone in a small Prahu to the English Galley, assisted the same with provisions, and held a conversation with the few English who were on that vessel, such conduct, which the king kept concealed from us, was again regarded as a further confirmation of his unfaithfulness, and it was also resolved, as proof of his dealings with the English, to send to Her High Mightinesses the Bengal silk Handkerchiefs which the king received among several other gifts from that nation, and which have been sent hither by the Commissioners of Batchian; there shall also be presented to Her High Mightinesses the two small bags with 10 Pounds of mace and Nutmegs, which spices the Commissioners partly found in a Pattani Prahu, and partly also from some holes and pits on the beach, close to the place where two Mobas Prahus had kept themselves. [illegible]

Dutch transcription

13 957 vervolg dier besoigne. Maart 1775 niet het minste hadde vernomen. Indien men aan de berigten van de Batchianse schrijver Sahidi„ „man geloof konde deferceren, dan dagten de Leden dat de meinee„ „digheit van Batchians koning even kragtig doorstraalde bij des, „zelfs gedane vrage aan zijne hovelingen, Wat beter was te ver„ „kiezen oude of nieuwe Rijs s Waarlijk oproerige iitdrukkin¬ „gen, waar mede de Batchiander niet anders heeft kunnen bedoelen, als zijne valsse neiging om de jongst verschenene Engelschen liever aan te kleeren als de Hollandsche Compagnie, zijnen ouden en wettigen Leen heer en hondgenoot. Termys zake van de boven aangehaalde valshertigheit des Batchi, „ansen konings, oordeelden de Raadsleden, dat 'er ook niet veel staat waste maken op de door hem geda„ „ne waarschouwing aan de Commissianten, wegens de noodzakelijkheit om het gedrag van het Tidorese Hof zorg„ „vuldig gode te slaan, waar mede hij te verstaan wil„ „de geven dat het zelve zijn werk maakte om met vreemde Europeanen aan te spannen, welk verhaal, eerder uit dusdanige valsse mond schijnt voortgebragt te zoetiteen vals schapten tgebragt te zijn met intentie om zig, des doenlyk, van het vermoeden van quaadmenendheit te zuiveren, als met een opregt oogmerk om Campagnies belangen te favoriseeren: Dan dewyl 's konings gezegde niet qualijk strookte met het getuigenis der Batchian„ „se Princessen, die hunnen broeder den kroon Prins in 't geheim hebben geopenboart hoe de oude koning geheine cor„ „respondentie hield met het Hof van Tidor, om waare het mogelijk vreemde Europeanen in de Molukkos te lokken, niettegenstaande Batchians koning zijn best deed om zijne quade insluties voor de Compagnie te verbergen; Alle den 3 avanon 75: den dat n tkomst was ge„ van cember bijder ag t issian„ het n, van ende 2 l dan 3: nopens het verblijf van den koning te kasiroeta. verwittigen. „trouw Alle welke ontdekkingen den Raad de den besluiten om voorzigtig met werder ant deze beide Moluckse koningen om te gaan, en hunne handelingen nauwkeurig te bespieden, ten einde dies te beter in staat te zijn om hunne schadelijke ondernemingen ten allen tyde te verydelen door alle zulke middelen, als voorzigtigheit gepaart met een goed beleid ons aan de hand zullen geven. Der Commissianten gevoelen En dewijl de Commissianten Hemmekam en Gavanon van gevoelen zijn dat het tot voorkoming der quade voornemens van den Batchiansen koning een gewenschte zaak zoude zijn, zoo dezelve geconstringeert wierd om kasitoeta te verlaten, en zig wederom met 'er woon op Laboea te begeken, zoo is verstaan om de noodzakelykheit dezer verhuizing nog eens aan Hun Hoog Aan hunne Hoog Edelheden te Edelheden voor te houden, dewijl de Raadsleden mede wel voor zagen dat Batchians vorst, zig bij verder verblijf op kasiroeta, maar zou„ „de toe leggen om de Compagnie in zijn gezag en belangen te benadeelen. De bovengemelde Princessen wijders hebbende gerelateert dat Nadere blijk van 'skonings on „ meermelde koning zig met een Prauwtje na de Engelse Galei hadde begeven, dezelve met levensmiddelen geassisteert, en een gesprek gehouden met de weinige Engelschen die zig op dat vaartuig bevonden, wierd dusdanig gedrag, 't geen de koning voor ons verborgen hield, we„ „derom als een nadere bevestiging van zijn ontrouw aangemerkt, en teffens besloten om tot bewijs van zijne handeling met de Engelsch; Haar Hoog Edelheden toe te zenden, de Bengaalse zijde Neusdoeken, die de koning onder meer andere geschenken van die natie heeft gekregen, en dewelke, door de Commissianten van Batchian herwaarts is gezonden: zullende teffens ook aan Haar Hoog Edelheden wer„ „den aangebaden de twee zakjes met 10: Ponden foelie en Noote muscaaten, welke specerijen de Commissianten gedeeltelijk heb„ „ben gevonden in een Pattanise Prauw, en ten deele ook uit ee„ „nige hoolen en gaaten aan strand, digt bij de plaats daar zig twee Mobase Prauwen hadden onthouden. Maar Voorts vor rela

NL-HaNA_1.04.02_3445_1065 view scan ↗

English

959 March 1775 Further note from the Commissioners' report in this Resolution. Comparison of this account with another. The truth of this latter news called into question. Improbability of another account. Furthermore, it was accepted for communication and resolved to record in this Resolution how the so-called English three-masted galley was no larger than a small pantjallang and, according to further testimony of the Commissioners, very lightly armed and equipped; with the further notification that it was dispatched under the supervision of three national English leaders, over whom in all probability the Englishman Bartels held command as Captain, who according to the journal of the former Hullok Commissioners Hemmekam and van der Staal, dated 26 October 1773, was supposedly intending to search for spice plants in the eastern quarters in the following year 1774; which account, compared with the report given by the Ternate Chinese Njo Tamko, Thethamko, and Nitambang regarding the English vessel and its Captain, further confirms this supposition, as appears from the Commissioners' journal of 18 January; from which daily register it likewise appears how they learned on Batchian that the ship which the notorious Hadje oemar had claimed would convoy him was supposedly named the Britannia, and thus the very same one encountered by our people on Hullok: for the truth of which latter news the Council members, however, did not wish to vouch, because it seems improbable that the Batchian Princesses, who reported this, would be able to signify the name of this English ship so well; to which is added that up to the present nothing has been heard of an English ship, so that the rumor of this convoy rests solely on the statements of Hadje oemar, who likely spread the upcoming appearance of such a large ship in order to make his mission appear more important. The Commissioners' account, following in the notes of 27 December, seemed even far more improbable to the Council members, wherein it was said that Hadje Oemar of Blambangan had written a letter to the King of England, but which was not accepted by His Majesty. Whereupon it was not only remarked that this vagabond had departed from Batchian barely a year ago, so that it was nearly impossible for him to have written to England in that short time and to have received news of the fate of his letter, the Council members likewise being unable to comprehend that such a base vagabond would dare presume to write to the English Monarch and give the letter to another scoundrel of a native, by name Abdul Rahsid, to deliver: wherefore it was resolved to impart these two points to Their High Excellencies merely as loose rumors, without presenting them as certain truths. Subsequently, it was resolved to note here also the Commissioners' opinion that the intention of the English was not so much to proceed to the island of Oempaij or the other Papuan islands, but rather to Onin to fetch spices, from which thought the Council members were likewise not averse, the more so when one considered how ready the Commissioners found the natives of the surrounding lands to show friendship to the English Nation and to provide them with spices. And whereas in the Commissioners' journal of 7 January there appears the account of a Mabase Captain, by name Abdul Djalila, containing that the King of Goron (presumably Goram) about three months ago, with a prahu manned with Cerammers, had transported a large quantity of nutmegs from Poelo Pisang, it is understood to keep a record thereof hereby, while it was further remarked on this account that the same was made very probable by its agreement with the Ternate account mentioned in the general Resolution of 14 January, so that one did not doubt whether the Goram prahu, which the aforementioned Mabase Captain says was at Poelo Pisang, is the same one that disappeared near the Cauwerise Babanij in the beginning of January: wherefore it was resolved to give notice of this at the first opportunity to the Ambon and Banda Ministers, as well as of the outcome of the voyage to Gebe, and of the continuing expeditions of the Britons with the intention of making themselves masters of spices, so that the said Ministers may provide therein by all such means as they shall judge most expedient for the service of our Lords and Masters. All these remarks on the completed expedition having been made, the submitted current account of the expenditures during this commission was examined, which read as follows: Current Account of what has been distributed and funded by the Undersigned Francois Javanon on their voyage made to Gebe, as follows: Guinees bleached ordinary pieces 2: Genee brown pieces 8: Karikams large Surat pieces: Cantan rotang bundles: Rd=s: 40: —: — HC: 1774: 20 December received-- thus advanced more than received.. Debet 3 March 17 2. 2. Sum: 8: 61: 42: — underwritten: Ternaten the last day of February Anno 1775: 21: 42: —

Dutch transcription

# 959 Maart 1775 verdere aanteekening uit der Commissi„ „anten berigt in deze Resolutie dorgelijk van dit verhaal met een ander De waarheid dezer laatster tijding in twyffel getrokken. on waarschynlijkheid van een ander relaas Voorts wierd voor Communicatie aangenomen en besloten in deze Resolutie aan te tekenen, hoe de zoogenaemde Engelsche drie mast Galei niet grooter als een kleine Pantjallang en nader Commis„ „sianten getuigenis, zeer gering gearmeert en toe gerust is geweest met verdere bekentstelling, hoe dezelve is afgezonden onder opzigt van drie Nationaale Engelse hoofden, waar over na alle waarschijnlijk„ „hert als Capitain het gebied heeft gevoerd de Engelsman Bartels, die blijkens het Dagverhaal van de gewezene Hullokse Commis„ „sianten Hemmekam en van der Staal, sub dato 26: October 1773. voornemens zoude zijn geweest om in 't volgende jaar 1774: spece„ „rij plantjes in de oosterse quartieren op te zoeken; welk verhaal„ vergeleken met het Relaas dat de Ternaatse Chineesen Njo Tamko, Thethamko, en Nitambang wegens het Engels vaartuig, en dies Capitain, hebben gegeven, deze gissing nog meer bevestigt, zoo als kan blijken bij der commissianten Journaal van den 18:e Ja„ „nuarij : uitwelk Dagregister van desgelijken consteert hoe henlie„ „den op Batchian ter ooren is gekomen dat het schip, het geen de be„ „rugte Hadje oemar hadde voorgegeven hem te zullen convoijeeren, genaamt zoude zijn de Britannia, en dus het zelve dat door de on„ „zen op Hullok is aangetroffen: voor de waarheit van wel„ hebben „ke laaste tyding de Raadsleden agter niet wilden instaan, ver„ „mits het onwaarschijnlijk voorkomt tot de Batchianse Princessen, die zulks hebben gerelateert, de naam van dit Engel„ „sche schip zoo wel zouden kunnen beduiden; Waar bij nog koomt dat er tot heden toe niets van een Engelsch schip is verno„ „men, zoo dat het gerugt van dit Convooij eenelyk steunt op de gezegden van Hadje oemar, die de aanstaande verschijning van dusdanig groot schip denkelijk zal hebben uitgestrooit, om zijne bezending gewigtiger te doen schijnen, Nog veel onwaarschynlijker quam de Roodsleden te varen der Commissianten relaas, naarkomende in de aantekenin„ „gen van den 27:e December, alwaar gezegt werd dat Hadje dan 3: zigtig met lingen zin om delen een van van uelaas. gen zou„ te Ga dat k , we„ en ch , ts zig 16 voornemender Engelschen. over een kamst van twee ander verhalen. Hadje Oemar van Blambangan een brief hadde geschreven aan den koning van Engeland, dog die niet door zyn Majesteit was geaccepteert. waar op niet alleen wierd aangemerkt, dat dezel landloper zig pas een jaar geleden van Batchian hadde geabsenteert, dus het bij na ommogelijk was dat hij in die korte tijd naar Engeland geschreven, en tyding konde hebben van het wedervaren zyner brief, kunnende de Raadsleden van des gelijken niet begrijpen dat zoo eene gemeene vagebond zoude durven onderstaan aan den Engelschen Monarch te schrijven, en den brief aan eenen anderen schobbejack van een inlander, in naame Abdul Rahsid, ter bestellinge mede te geven: alwaarom besloten wierd deze twee poincten eenelyk als lasse gerugten aan Haar Hoog Edelheden te bedeelen, zonder dezelve als zekere waarheden voor te dragen. Vervolgens wierd besloten alhier mede te noteeren der Com„ netl „missianten gevoelen dat der Engelschen intentie zoo zeer is geweestom zig na het eiland Oempaij, of de andere Papoese eilan„ „den, maar veel eerder naar onin te begeven, om specerijen te halen, van welke gedagten de Raadsleden mede niet vreemd waren, te meer als men naging hoe gereet de Commissi„ „anten de inlanders van de om gelegene landen hebben gevonden om de Engelsche Natie vriendschap te bewijzen, en hun van specerijen te voorzien. En dewijl bij der Commissianten Journaal van den 7:e Ja„ „nuarij / voorkoomt het verhaal van een Mabase Capitain, in naame Abdul Djalila, behelzende dat de koning van Goron (:denkelijk Goram) voor circa drie maanden, met een Prauw bemant met Cerammers een groote partij Note muscaaten van Poelo Pisang hadde vervoert, zoo is verstaan daar van bij dezen aantekening te houden, terwijl op dit verhaal nog wierd aangemerkt, dat het zelve zeer waar„ „schijnlijk wierd gemaakt door de over eenkomst met tiel den 3: Math Ostami tie #Z. 961 Maart 1775 Ermminatie van twee ingedeende rekeningen het Ternaatse relaas, waar van gewag is ge„ „maakt bij de gemeene Resolutie van den 14:e Januarij, dus men niet twijffelde of de Go„ „ramse Prauw, die bovengemelde Mabase Capitain zegt op Poelo Pisang te zijn gemeest, is dezelve die in 't begin van Januarij on„ „trent de Cauwerise Babanij is verheenen: alwarom besloten wierd hier van zoo wel bij der eerste gelegentheit kennisse te geven aan de Ambonse en Bandase Ministers, als van den uitslag der reize naar Ge„ „be, en van de continueerende togten der Britten met intentie om zig meester te maken van specerijen, ten einde gemel„ „de Ministers daar in mogen verzien door al zulke middelen, als zij ten dienste an„ „zer Heeren en Meester de oirbaarste zullen oordeelen. Alle deze aanmerkingen over de volbragte togt zijnde gemaakt, wierd geëxamineert de ingediende Rekening Courant van het verbruikte gedurende deze Commissie, welke aldus luide: Reekening en zoo van de ede lasse 1 n vijzen, Ja„ vaar„ et Rekening Courant van het geene door de Ondergetekenden Fran=cois Javanon op hunne gedane sogt na Gebe is uitgereikt en bekostigt als: Guines gew: Geenee Karikams Cantan. gebleekt br bl: groot rott „ ten p:s p:s Sourots g:s Rd=s HC: 2: 8: 1774: 20:e December over ontfangen-- 40: —: — 2: dus meerder verstrekt dan ontfangen.. . . . . . Debet den 3 Maart 17 „ „ „ „ „ „ 2. 2. Somma 8: 61: 42:— /onderstond:/ Ternaten adij ult:o Februarij A:o 1775: /:watg - .. .. 21: 42:— „

NL-HaNA_1.04.02_3445_1069 view scan ↗

English

Francois Bartholomeus Hemmekam and Paul Pierre Le Maistre Credit Rd.s st. 1774 21 December for the purchase of provisions 8: 24. paid upon the appearance on board of some Batchian envoys 1: -. to some natives who were helpful in fetching water and firewood -: -. 1775 1 January on New Year's Day for entertaining the Radja Moeda and company 1: 15. for the hire of a prahu and rowers who fetched a certain Maba Captain Abdul Jalili from Poelo Hassel and brought him on board with us for interrogation 7: -. to various natives who were helpful to us in fetching firewood and water -: 24. for the purchase of fish both for ourselves and for subordinates 1: 12. for the reception of the Gane grandees, also the Tidore Prince Maete and the aforementioned Maba Captain Jalili 2: 24. paid to the prahu rowers upon the landing of the first surveyor at Little Gane -: 24: - to the Gebe people in counter-gift, a fine Paliacat handkerchief costing 2: -. to a Patani pilot one piece of checkered rumals 1: -. to the steersmen of three small Gebe prahus in recompense for a large quantity of fresh fish 1: 10. to nineteen prahu rowers on their journey to the village of Onnera 15: -. to the steersmen of a Patani prahu for assistance rendered in towing and helping to fetch drinking water 2: -. 5 February to the Gane people for helping to fetch drinking water and chopping firewood -: 8. in exchange for 2 turtles for the refreshment of the crew 2: -. to the prahu steersmen of the young king upon their complaints of lack of provisions 2: -. during our commission for entertaining the young king to uphold the Company's honor 20: -. Sum 61. 42: - the 3rd of March 1775 to reimburse the commissioners for the small expenses incurred by them On which occasion it was noted that the commissioners had caused so few expenses that no objection was found to validating the expenditures of the small amount of cash and linens given to them, as well as the 21 Rds. and 42 stivers which they additionally had to spend to maintain the Company's prestige; for which consideration it was likewise agreed to let the repeatedly mentioned commissioners be reimbursed for: 75 jugs of Arrack-Api 8 pounds of wax candles 1 quire of large format paper 1 ditto small ditto 1 bundle of quill pens, with denial of the other requested writing materials and porcelain, without which it was believed they could manage well on this short expedition. Below stood: Thus done and resolved at Ternate in Castle Orange, date as above. Was signed: P: J: Valckenaer, G: C: Meurs, J: F: Wedel, J: G: van Raesveld, G: W: van Renesse, F: H: Beijnon, and F: B:s Hemmekam. Secret Saturday the 18th of March 1775, in the afternoon at [illegible] o'clock, combined meeting. Present: The Honorable Governor and Director Paulus Jacob Valckenaer, Military Captain Johan Fredrik Wedel, Merchant and Fiscal Johan George van Raesveld, Merchant and Bookkeeper Gerardus Willem van Renesse, Ditto and Secretary Fredrik Hendrik Beijnon, and Ditto Shopkeeper Francois Bartholomeus Hemmekam. Absent: Senior Merchant and Second Godfried Carel Meurs, due to indisposition. Together with: His Highness the King of Ternate, Paduka Siri Maha Tuwan Sulthan Amiri Dul karnain Iskandar Alimoedin Sijah Kitjeli Hairoen Saha, as well as the other imperial grandees, namely: Secretary Abrahim, and some imperial grandees of lesser rank, Safjoedien, Sangaji Samaija, Ahapal, Meftaha. After what was necessary regarding the upcoming extirpation expedition in the Bay of Cauw was deliberated this afternoon with His Highness the King of Ternate, the Prince showed the Council how he found himself obliged to lodge a complaint against the people of Tidore and Maba, which peoples some days ago with [illegible].

Dutch transcription

1q an=cois Bartholomeus Hemmekam en Paul PierreLe Maistre 26: Gunes gum Genniet br han kams gu„ Contans„ gebleekt blauw te rode souast„ ten Rd„s st: bij verschijn aanboort van enige Batchianse zendelingen bekostigt. . - - - - - - -- . . . - - - -- D aan eenige inlanders die behulpsaam zijn geweest tot het halen van water en brandhout - - - - - ƒ 1: Januarij op nieuw jaars dog tot tracteeren van den Radja Moe„ 1 „da C: S: - -- - – - – — - wegens huur van Prauw en scheppers die zekeren Mabas Capitain Abdul Jalili van Poelo Hassel ge„ „haalt en ter ondervraging van dezelve bij ons aan„ „boord hebben gebragt. ------ aan diverse inlanders die ons behulpsaam zijn geweest in 't halen van branthout en water over in koop van visch zo voor ons als onderhorigen.. Bij onthaal der Gamse grooten item den Tidoors Prins Maete en voorschreven Mabaas Capitain Jalili. - bij het aanland gaan van den eersten Tekenaar te klein Gane bekostigt aan de Prauw scheppers - - - - - -- aan de Geberesen in contra present; een palia cotse fijne Neusdoek kostende. - - - - - - - - - - - - — aan een Pattanise loots een p. s roemals geruite - - - - - - — aan de voerders aan drie gebese Prauwtjes en recom„ „pens van een groote quantiteit versse visch aan negentien prauw Scheppers op hun reis na de Negorij Onnera. - - - – – – – – – – – -- aan de voerders van een Pattanise prauw wegens be„ „wezen assistentie in 't boegseren en helpen halen van drinkwater - - - - - - - - - - - 5: Febbuarij (aan de Ganiresen over het helpe halen van drink¬ water en 't kappen van brand hout.. .. - „ in ruiling van 2: schildpadden tot verversching van te volk - - - - - - - - - - - -- - - - aan de prauw voerders van den jongen koning op hunne klagten van gebrek aan mond spijs - - - - - - Gedurende onze commissie tot het tracteeren van den jongen koning ter ophouding van sCompag„ „nies honeur - - - - - - - - - - - - - - 7: d:o 1774: 21: December tot inkoop van provisien Somma G D: Timmekam en P:P L: Gavanon. /:was getekent/ I: 9 dito „ „ 15: dito 8: dito Credit 8: 24. —. —. den 3 Maart 1785 an d 21. 42:— „ „ 29 1775 „ „ „ „ „ „ „ „ „ 16 dito „ „ „ 17: „ „ 19 „ „ „ „ 15 7 e 9 6 —½ 1: —. 1„ 1: 1: 2: 24. 2:. —. - - — —. - — — —. 1: 2. 432. 2:36 . —: 24. 1:12 — 24: — :—. 5: —. 20:— 61. 42: — 8 2. 2. —½ - O - —. —: 1. 1. 1: 10. 15: p:s p:s —: 963 D: den 3: Maart 1775 de weingekoten door de Commissanten gemaakt, aan hekt te vergoeden Bij welke gelegentheid wierd aangemerkt dat de Com„ „missianten zoo weinige kosten hadden veroorzaakt, dat men geen zwarigheit vond zoo wel te valideeren de uitgaven van de geringe Contanten en Lywaten die hen waren mede gegeven, als van de 21: Rd„s en 42. stuivers, die zij boven dien hebben moeten bekostigen om 's Compagnies aan„ „zien op te houden: om welke Consideratie van des gelyken is verstaan aan meermelde Commissianten te laten restitu„ „eeren. 75: kannen Arak- Apij 8: Ponden waskaarsen, 1: Boek Groot formaat Papier 1: _o klein _o_ 1: Bos Penne schagten, met ontzegging van de meerdere verzogte schrijfgereedschappen en porce„ „lemen, zonder dewelke men van gedagten was dat zij het op deze korten togt wel hebben kunnen stellen. /:onderstond:/ Aldus Gedaan ende Geresolveert tot Ternaten in't Casteel Orange dato voor„ „schreven. /:was geteekent:/ P: J: Valckenaer, G: C: Meurs, / J: F: Wedel, J: G: van Raes„ „veld, G: W: van Renesse, F: H: Beijnon en F: B:s Hemmekam Saturdag 20 e _o 965. Secreet dele Agtbare, Heer Jou„ Hoogheid den koning ing van Teranaten over die van en Directeur - - - - - - Paulus Jacob Valckenaer, pitain Militair Johan Fredrik Wedel, 1man en fiscaal Johan George van Raesveld, „opman en Sodij: Toekh: Gerardus Willem van Renesse, Fredrik Hendrik Beijnon en to en Secretaris to „ Winkelier Francois Bartholomeus Hemmekam, Dempto m en Secunte. - - Godfried Carel Meurs, door in dispositie Benevens Ternaten. - - - - - - Paduka Siri Maha Iuwan Sulthan Amiri Dul karnain Iskandar Alimoe„ „din Sijah Kitjeli Hairoen Saha. mitsgadrs de verdere Rijksgroten Namentlijk taris. . . . . . . . . . . Abrahim, en eenige Rijksgroten van minderrang. egoe. . . . . . . . . . . . . . Safjoedien, „ Senghadje - - - - - - - Samaija, - - - - - - - . . . . . Ahapal, ndhar. . . . . . . . _. Meftaha Na dat het noodzakelijke wegens de aanstaande expesitie extirpatie „togt in de bogt van Cauw, heden nademiddag met zijn Hoogheit den ko„ „ning van Ternaten was beraamt, vertoonde de Vorst den Raad hoe hij zig genoodzaakt vond klagtig te moeten vallen over die van Tidor en Moba, welke volkeren voor eenige dagen met Saterdag den 18:e Maart 1775 Sagter„ „middags te fuuren gecombineerde Iverga„ „dering Seventien 1775 test titu„ g Present den de weinige kosten door de Commissianten gemaakt, aan hekt te bergoeden Bij welke gelegentheid wierd aangemerkt „missianten zoo weinige kosten hadden veroor men geen zwarigheit vond zoo wel te valideeren van de geringe Contanten en Lywaten die hen wa„ gegeven, als van de 21: Rd„s en 42: stuivers, die dien hebben moeten bekostigen om 's Compa „zien op te houden: om welke Consideratie is verstaan aan meermelde Commissianten te „eeren. 75: kannen Arak. Apij 8: Ponden waskaarsen, 1: Boek Groot formaat Papier 1: _o klein _o 1: Bos Penne schagten, met ontzeggin„ meerdere verzogte schrijfgereed.schappen „lemnen, zonder dewelke men van gedagten het op deze korten togt wel hebben kunnen /:onderstond:/ Aldurs Gedaan en de Gek: tot Ternaten in't Casteel Orange dat „schreven. /:was geteekent:/ P: J: Vall G: C: Meurel, J: F: Wedel, J: G: van „veld, G: W: van Renesse, F: H: en J: B:s Hemmekan Saturda 20 klagte Tida

NL-HaNA_1.04.02_3445_1073 view scan ↗

English

965 Secret Saturday the 18th of March 1775, in the afternoon at 4 o'clock, combined meeting. Present: The Honorable and Worshipful Governor and Director Paulus Jacob Valckenaer, The Military Captain Johan Fredrik Wedel, Merchant and Fiscal Johan George van Raesveld, Junior Merchant and Head Bookkeeper Gerardus Willem van Renesse, Fredrik Hendrik Beijnon, ditto and Secretary, Francois Bartholomeus Hemmekam, ditto, Shopkeeper, Except for Merchant and Second Godfried Carel Meurs, due to indisposition, Together with His Highness the King of Ternaten, Paduka Siri Maha Tuwan Sulthan Amiri Dul Karnain Iskandar Alimoedin Sijah Kitjeli Hairoen Saha, along with the other Grandees of the Realm, namely: The Goegoegoe Safjoedien, Prince Ahafral, Hoekum Senghadje Samaija, Sabandhar Miftaha, Secretary Abrahim, and several Grandees of lower rank. Complaints of the King of Ternaten about those of Tidor and Maba, over which the King of Tidor will be addressed. After the necessary matters regarding the upcoming extirpation expedition into the bay of Cauw were arranged this afternoon with His Highness the King of Ternaten, the Prince showed the Council how he found himself obliged to lodge a complaint about the people of Tidor and Maba, which peoples a few days ago had come with seventeen prows and over 300 men to his lands of Cauw, with the intention of trading there. In this they had succeeded so far that they had persuaded some of his subjects to purchase linen from them. This went very much against the Prince's wishes, since he believed he foresaw that this traffic would give rise to new discords, apart from the fact that this navigation of the Tidorese to his said lands of Halmaheira was contrary to mutual obligations, and especially contrary to the contents of the Peace Treaty between the Kings of Ternaten and Tidor, which was renewed within this Castle on the 9th of May of the year 1772, wherein it was expressly stipulated that no subjects shall be permitted to sail to the lands of another King except with a pass from the Lord of the land to which they intend to go. Wherefore the Prince requested that the Government might write to the King of Tidor regarding this matter, and warn him to forbid his subjects from sailing to Cauw, in order to prevent the mischief that was to be feared from it. Since the Council members were of the opinion that the King's complaints were grounded in fairness, this was made known to him, and it was furthermore promised that his neighbor, the King of Tidor, would be addressed on this matter by letter tomorrow or the day after tomorrow, and admonished not to allow his subjects to come to Cauw, so that the good harmony between the two realms would not be harmed by such violation of the Peace Treaty. For which promises the King of Ternaten expressed his thanks, further stating that he relied completely upon this. March 18, 1775 The King's discourse on the manifest infidelity of the King of Batchian. Is convinced that the English will also visit this island at some time. Wherefore he advocates having a ravelin built. Hereupon the King began to make mention of the manifest and extreme infidelity of the King of Batchian, of whom he said he was certain that he was merely longing for the moment to enter into an alliance with foreign Europeans. In support of his statement, he handed over to the Governor a red silk handkerchief, originating from the gifts that Batchian's King had received from the English about three months ago, and which His Highness had now happened to obtain through the agency of the young King of Batchian. To this the King added that he could not refrain from advising the Government to be on our guard against the deceitfulness of the Batchianese. For this new proof of goodwill, the King was thanked by the Council members, and it was also approved to send the delivered Bengali handkerchief to Their High Mightinesses, alongside the others that came into our hands through the agency of the former Commissioners Hemmekam and Gavanon, of which mention was made in the secret meeting of the 3rd of this month. On the occasion of the conversation just held regarding the inclination of Batchian's King toward the English and other foreign nations, the King of Ternaten also gave it to be understood that the continuous voyages of these Europeans to the Moluccan Islands often caused him anxiety, since nothing else could be anticipated from this than that they would at some time also visit this island. And because he thought that the English, as well as other foreigners, ought in such a case to be absolutely kept away from here, he proposed to the Council whether they might approve the erection of a ravelin or battery, close to the seashore between the Castle and the Macassar settlement, which kind of fortification His Highness considered very necessary. 967

Dutch transcription

965 Secreet zijn Hoogheid den koning „ Hoekum Senghadje - - - - - - - - Samaija, „ Sabandhar. - - - - - - - - . Miftaha Tidor en Maba klagten van den koning van Ternaten over die van Den wel Edele Agtbare Heer Gou„ „verneur en Directeur- - - - - Paulus Jacob Valckenaer, Den Capitain Militair Johan Fredrik Wedel, „ koopman en fiscaal Johan George van Raesveld, „ onderkoopman en Grdp: Boek: Gerardus Willem van Renesse, Fredrik Hendrik Beijnon en „dito en Secretaris dito „ Winkelier Francois Bartholomeus Hemmekam, Dempto „ koopman en Secunde. . - - Godfried Carel Meurs, door in dispositie Benevens an Ternaten. - - - - - - Paduka Siri Maha Iuwan Sulthan Amiri Dul Karnain Iskandar Alimoe„ „din Sijah Kitjeli Hairoen Saha. mitsgds/ de verdere Rijksgroten. Namentlyk Secretaris. - - - - - - - - - - Abrahim, en eenige Rijksgroten van minder rang. Den Goegoegoe. . . . . . . . . . . . . . Safjoedien, „ Prins. . . . . . . . . . . . . Ahafral, Na dat het noodzakelijke wegens de aanstaande expecitie extirpatie „togt in de bogt van cauw, heden nademiddag met zijn Hoogheit den ko„ „ning van Ternaten was beraamt, vertoonde de Vorst den Raad hoe hij zig genoodzaakt vond klagtig te moeten vallen over die van Tidor en Moba, welke volkeren voor eenige dagen met Saterdag den 18:e Maart 1775: Sagter„ „middags te Cuuren gecombineerde Iverga„ „dering Seventien Present „ waar over den koning van Tidor zal worden onderhouden Seventien prauwen en ruim 300: mannen op zijne landen van cauw evaren gekomen, met intentie om aldaar te negotieeren, het geen hen ook in zoo ver„ „re was gelukt, dat te zommige van zijne onderdanen hadden verleidt am lywaat van hen aan te handelen: Het geen de vorst zeer tegens de borst was, vermits hij meende te voorzien dat deeze verkeering waar aanleiding zoude geven tot nieuwe oneenigheeden, buiten en be„ „halven dat deeze vaart der Tidoresen op genoemde zijne lan„ „den van Halmaheira, strijdig was tegens de onderlinge ver„ „bintenissen, en wel voornamentlijk tegens den inhoud van het vredens Tractaat, tusschen de koningen van Ternaten en bi„ „dor, 't geen op den 9: Meij van het jaar 1772: binnen dit Casteel is gerenoveert, waar bij wel uitdrukkelijk is bedongen dat geene onderdanen de landen van een ander koning zul¬ „len mogen bevaren, dan met een pas van den Heer des landts waar zij de wil natoe hebben, alwaarom de vorst verzogt dat de Regeering hier over aan den koning van Tidor mogt schrijven, en denzelven waarschouwen om zijne on„ „derdanen den vaart op Cauw te verbieden, tot voor„ „koming der anheilen die daar uit waren te durgten. Vermits na de Raadsleden van gevoelen waren dat 's konings klagten in billykheit bestanden, wierd hem zulks te kennen gegeeven, en wijders toegezegd dat men zijnen nabuur den koning van Tidor, op mor„ „gen of overmorgen hier over bij een brief zoude onder„ „houden, en vermanen om zijne onderdanen met op Cauw te laten komen, ten einde de goede harmonie tusschen de beide rijken door dusdanige overtreding van het vredens Tractaat niet gekrenkt werde: voor welke beloften Ternaats ko„ „ning dank betuigde, zig verder uittende van zig daar op volkomen te verlaten. Maart den 18 van Hier 25 Maart 1775 skeninge aeprekoverde gpenbaren ontrouwr van den koning van Batchian. Is bestuigt dat de Engelschen dit biland ook nog eens zullen tezoeken. waarom voorstaat om een zavelijker te laten bouwen. Hier op begon de koning gewagte maken ^ van de blijkbaare en verregaande ontrouw des konings van Batchian, die hij zei„ „de verzekert te zijn dat maar reikhalsde naar het ogenblik om met vreemde Europeaanen in verbond te treeden. tot staving van zijn gezegde aan den Heer Gouverneur over„ „leverende een roode zijde neusdoek, herkomstig uit de geschenken die Batchians koning nu circa drie maan„ „den geleden van de Engelschen hadde ontfangen, en die zijn Hoogheit nu gevalliglijk door toedoen van den jan„ „gen koning van Batchian in handen hadde gekreegen; waar bij de koning nog voegde dat hij niet konde nalaten de Regee„ „ring te raden om voor de valshertigheit van den Batchiander op ons hoede te zyn: voor welke nieuw blyk van welmenentheit de koning door de Raadsleden wierd bedankt, en teffens goed, „gevonden om de overgeleverde Bengaalse Neusdoek aan Haar Hoog Edelheden te zenden; nevens de andere, die ons door toedoen van de gewesene Commissianten Hem„ „mekam en Gavanon in handen gekomen en waar van ter secreete vergadering van den 3: dezer gewag is gemaakt. Bij geleegentheit van het zoo even gehouden gesprek wegens de neiging van Batchians koning voor de Engelschen en andere vreemde naties, gaf de koning van Ternaten ook te ver„ „staan, dat de geduurige togten van deeze Europeaanen na de Mo„ „likse Eilanden hem dikwils zwaarhoofdig maakten, vermits daar uit niet anders te voorzien waare, als dat ze dit eiland nog t' eenigertijd wel eens zoude bezoeken, en dewijl hij dagt dat de Engelschen, zoo wel als andere vreemdelingen, in zoo een geval volstrekt van hier geweerdt dienden te werden stel„ „de hij den Raad voor of ze niet konden goedvinden om op te laten rigten een ravelijen of waterpas, diegt aan den oeverder zee, tusschen het Casteel en de Macassaarsse Negorij, welk zoort van versterking zijn Hoogheid zeer noodzakelijk oordeelde te 18 aren ver„ an „ „ dat uw de 967

NL-HaNA_1.04.02_3445_1076 view scan ↗

English

24 the 18th The King's proposal rejected. to serve for the defense of the villages in case of a hostile attack, for which reason he offered to deliver the necessary building materials for such a fortification free of charge and also to have it erected at his own expense, provided that the artillery suitable for this purpose were supplied by this Government; upon which the ruler furthermore insisted very strongly, requesting that the Council might agree to his proposition as soon as possible, in order to give him the opportunity to make a beginning with this construction without long delay. Which unexpected proposal having been considered with the necessary attention, it was in the first place resolved to praise the King for the zeal shown for the preservation and security of this land, but at the same time decided to decline His Highness's proposal for the present, as it was not possible to grant, given that this was a work of such great weight and importance; that we by no means considered ourselves authorized to give our consent to it just like that; nevertheless offering the ruler to submit his proposition to Their High Excellencies; to which he replied that, although he would have liked to have seen the proposed construction proceed immediately, he was nonetheless content with the decision of this Government, with the further request that this might be written to the High Indian Government at the first opportunity; which having been promised to him, he subsequently prepared to take his leave; whereupon the Lord Governor requested the ruler to stay a moment longer, as he had news to announce to him which it was thought would not be disagreeable to His Highness. 25 969. March 1775 having approved his elevation to King, which is very agreeable to him. The King's proposal for the construction of a ravelin further considered. The ruler having sat down again upon this, he was informed by the Lord Governor that we had received letters from our supreme rulers, the High Indian Government at Batavia, wherein we were notified that Their High Excellencies, in consideration of His Highness's praiseworthy qualities, had fully approved and further confirmed his elevation to King of Ternate; with which joyful news the Council members subsequently congratulated His Highness in a solemn manner. About which the ruler, as well as the grandees of the realm accompanying him, all showed themselves exceedingly glad and pleased, the first-mentioned further intimating with a very friendly countenance how he could not better demonstrate his satisfaction and gratitude than by a sincere declaration that he would fulfill the repeatedly made promises of loyalty and goodwill until his end, as an honorable man and a faithful ruler; just as the King, together with those of his court, displayed their joy even further while drinking a few glasses to the health of His High Excellency, the Lord Governor-General, as well as the other Gentlemen Members of the Noble High Indian Government; after which the King, together with his courtiers, returned again to his dalam, being escorted with the same ceremonial as was observed on such occasions. After the ruler had departed, they began again to bring up the proposed construction of the water battery, the establishment of which was judged to be truly very useful, since the points of the Castle were so high that one could not be very certain of the good effect of the artillery if an enemy were to attempt a landing on the north side of the Castle towards the Makassarese and Ternatan villages. But besides the fact that such an establishment of fortifications might not be undertaken without the authorization of our High Rulers, the Members were moreover also of the opinion that such construction could also impossibly be performed here without the supervision of a capable Engineer, as there was no one here who had the requisite knowledge of fortification building for it; for which reason it was resolved to propose to Their High Excellencies that, if Their High Excellencies might see fit to allow the proposed construction to proceed, it might please them to send a fortification builder hither for that purpose, in order to also be able to remedy the other defects in the fortifications on that occasion. Commissioners sent to Tidore. Subsequently, the Lord Governor informed the Members of this Board how he had sent the junior merchants Beijnon and Gavanon on the 9th of this month, provided with a fitting Instruction, to the King of Tidore, both to give that ruler notice of the outcome of the completed expedition to Gebe, and also that during that journey the former Commissioners Hemmekam and Gavanon had encountered convincing evidence of the disloyal and treacherous conduct of the peoples of Patani and Gebe, who applied themselves to nothing other than gathering spices in order to seek filthy lucre therewith from the foreign European nations; on which account the said junior merchants were also ordered to admonish the King to devise the necessary means with his grandees to prevent such villainous acts, and to [illegible] the guilty spice thieves the 18th March

Dutch transcription

24 den 18 's konings voorslag van de hand gewe„ „zen te zijn tot defensie der negorijen, in cas van vijandelijken aanval, alwaarom hij aanboord de nodige bouwmaterialen voor dusda„ „nig vesting werk voor niet te willen leveren en het zelve mee„ „de op zijne kosten te laten oprigten, mits het daar toe dienstige geschut door deeze Regiering wierde gelevert: waar op de vorst wijders zeer sterk aandrong, met verzoek dat den Raad ten spoedigsten in zijne propositie mogt bewilligen, ten einde hem geleegentheit te geven om zonder lang toeven een begin met de„ „zen op bouw te maken. Welke onverwagte voorslag met de nodige aandagt zijnde overwogen, is voor eerst verstaan den koning te prijzen we„ „gens de betoonde ijver tot behoud en veiligheit van dit land, dog teffens gearresteerd om zijn Hoogheits voorslag voor eerst van de hand te wijzen, niet te kunnen gave hoe dit een werk van zoo een groot gewigt en importan„ „tie was; dat wij ons geenzints bevoegt agteden om daar toe zoo maar eens klaps onze toestemming te geven; den vorst nogtans aanbiedende, om zijne propositie aan Hun Hoog Edelheden voor te dragen; waar op hij re„ „pliceerde, dat hoewel hij gaarne gezien hadde dat de voor„ „geslagene op bouw direct voortgang hadde kunnen ne„ „men hij egter met het besluit deser Regeering wel te vree„ „den was, met verder verzoek dat hier over bij de eerste ge„ „leegentheid aan de Hooge Indiase Regeering mogte wer„ „den geschreven het welk hem zijnde toegezegt, maakte hij zig vervolgens gereed om afscheidt te neemen; wan„ „neer de Heer Gouverneur den vorst verzogt nog een oogen„ „blick te vertreven, vermits hij hem een tyding hadde te boodschappen die men dagt dat zijn Hoogheit niet on„ „aangenaam zouden zijn. De Ma desl t 25 969. Maart 1775 deszelfs verhefsing tot koning hebben geappro„ „beerd. 't geen hem zier aangenaam is 's koning voorlag ter exstructie van een ra„ „relijn nader overwogen. De vorst hier op wederom ter neder zynde gezeten, wierd hem door den Heer Gouverneur geboodschapt hoe wij brieven had„ „den ontfangen van onze oppergebieders, de Hooge India„ woord verwestigde dat Hinne Hoog Edelheden „ se Regeering te Batavia, waar in ons kennis was gege„ „ven dat Hoogst dezelver uit aanmerking van zijn Hoog„ „heids lotselyke hoedanigheden, desselfs verhetsing tot koning van Ternaten volkomen hadden goedgekeurt, en nader be„ „vestigt; met welke heugelijke tijding de Raadsleden zijn Hoogheit vervolgens op eene plegtige wijze geluk wenschten. Waar over de vorst, benevens zijne bij hebbende Rijksgroten, zig alle uittermaten verblijdt en vergenoegt betoonden, gevende de eerstgemelde wijders met een zeer vriendelijke gelaat te verstaan, hoe hij zijne vergenoeging en dankbaarheit niet beter aan den dag konde leggen als door eene zuivere betuiging dat hij de meer„ „malen gedaane beloften van trouw en welmenendheit tot zijn uijteinde utende toe, als een eerlyk man en een getrouw vorst zoude nakamen; Gelyk de koning benevens die van zynen hof„ „staet, hunne blijdschap nog nader aan den dag lagen, onder het drin„ „ken van eenige glaasjes op de gezondheit van zijn Hoog Edelheit, den Heere Gouverneur Generaal, benevens der verdere Heeren Leeden van de Edele Hooge Indiase Regeering; waar na de koning be„ „neevens zijne hoovelingen zig wederom na zijnen dallam begaven, uitgeteide werdende gedaan met het zelve Ceremonieel, als bij dusdanige geleegendheden in agt werd genomen. Na dat de vorst was vertrokken begon men wederom op te haalen van de geproponeerde op bouw van het water„ „pas, waar van de aanleg wezentlijk zeer dienstig wierd geoordeelt, vermits de Casteels punten zoo hoog waren, dat men van de goede uitwerking van het geschut niet zier 18 anval,. dusda„ selve de 1 ad hem de„ ten vorst stige mee¬ zijnde a„ aan gen„ te on„ Commissianten na Tidor gezanden zeer verzekert konde zijn, wanneer een vijand aan de Noord zijde van het Casteel na de kant van de Maccassaarse en Ternaatse negorijen eene landing mogt ondernemen. Dog behalven dat dusdanige aanleg van vesting werken niet zonder qualifi„ „catie onzer Hooge Gebieders onder nomen mogte werden, wa„ „ren de Leden daaren boven ook van gedagten, dat zodanige extructie hier ook ommogelijk konde verrigt werden zonder de toezigt van een bequaam Ingenieur, daar hier niemand was die daar toe de vereischte kennis had van de vesting bouw; alwaarom besloten wierd Haar Hoog Edelheden voor te hou„ „den, dat indien Hoogst dezelve magten goedvinden den ge„ „proponeerden op bouw voortgang te laten nemen, het hen mogte behogen ten dien einde een vesting bouwer herwaarts te zenden, om daar bij die geleegentheid de verdere gebreken aan de fortificatien meede te kunnen verhelpen. Vervolgens verwittigde de Heer Gouverneur de Leden de„ „zer Tafel, hoe hij de onderkooplieden Beijnon en Gavanon, op den 9: deser, met een gepaste Instructie voorzien, naar den koning van Tidor hadde gezonden, zoo wel om dien vorst kennisse te geven van den uitslag der volbragte togt naar Gebe, als teffens ook, dat de gewesene Commissianten Hem„ „mekam en Gavanon, gedurende die reize overtuigende blij„ „ken zijn voorgekomen van het ontrouw en verradelijk ge„ „drag der volkeren van Pattain en Gebe, die zig nergens op toeleiden als om specerijen te verzamelen, ten einde daar mede vuil gewin te zoeken bij de vreemde Europe„ „aanse naties weshalven gemelde onderkooplieden mede gelast waren om den koning te moeten ver„ „manen, van met zijne Rijksgroten de nodige mid„ „delen te beromen, om dusdanige schelm stukken voor te komen, en de schuldige speceryj dieven na den 18. Maar Wie

NL-HaNA_1.04.02_3445_1079 view scan ↗

English

27 971 Whose report was now produced. March 1775. to punish thieves according to their deserts: the Commissioners having, moreover, also had in their mandate to present once again to the king the bad conduct of the Sangaji of Paji, the robber of the Chinese Lim Tjoenko, and to notify him that Their High Mightinesses absolutely demand that the said Chinese shall be indemnified for the suffered loss to the value of 250 Rijksdaalders. The Lord Governor being thereupon thanked for his diligence, and his actions being approved, His Honor further produced the Report of the repeatedly mentioned Commissioners delivered to him, which was found to be of the following content: To the Right Honorable Lord Paulus Jacob Valckenaer Governor and Director of these Moluccos. Right Honorable Lord! The undersigned, immediately after receiving the instructions handed to them by Your Right Honorable, set out by country boat for Tidore, where upon arrival they presented all the points to the king, in the presence of several grandees of the realm, and beforehand gave a brief report of what occurred on the recent expedition to Batchian and Gebe undertaken by the Under-Merchant Hemmekam and the last-signed, as well as informed His Highness that on that voyage no English or other foreign Europeans were encountered, but that they had only learned that the notorious Haji Omar, with three other Englishmen and a few natives, had been on the island of Umpai with a paduakang prow, just as Your Right Honorable had already amicably communicated all this to the king by missive of the 25th of February last. The prince, answering to this, thanked very kindly for this communication given, but made it known in no other way that it seemed to him as if the Ternate Government currently placed little trust in the Tidore Court, since it had not been given notice of the receipt of the first news of the appearance of the English near Batchian, alleging that if he had had news of the arrival of the said rovers, he might very easily have succeeded in catching the paduakang with the roguish Haji Omar in the trap, for which he would gladly have spent Five Hundred Rijksdaalders, which sum he had also set as a reward for the one who would deliver this unfaithful fellow to him in order to be handed over to the Company. Although we were now fully informed as to how far one could rely on the outwardly fair-seeming Tidore court, we nevertheless had to thank the king for the sake of propriety for his well-meaning intentions and bring him to another mindset regarding the alleged mistrust; wherefore we replied to His Highness on this matter that the Ternate Government had judged the appearance of the aforementioned English smugglers with a single paduakang of so little importance that it had not considered it worth the trouble to disturb His Highness over it, because it went without saying that one would have had to give His Highness notice if one or more ships with foreign European nations had appeared in the Moluccan waters, in order to repel them in accordance with the mutual alliances. The prince being satisfied with this, he subsequently replied to the second point, namely to the representations made regarding the unfaithful conduct of the Patani and Gebe people in carrying on illicit spice trade with foreign European nations, that he was extremely angry with his just-mentioned subjects on this account and would do everything in his power to make them desist from the harmful trade in spices; His Highness also declared himself ready to punish the guilty according to their deserts and exemplarily, but the prince added at the same time that punishing, indeed even destroying, a large crowd of his unfaithful subjects would be of little avail to make the foreigners desist thereby from that illicit trade, because they would nevertheless return later on and seek new opportunities to incite the remaining natives.

Dutch transcription

27 971 Wier berigt thans geproduceerd werd Maart 1775 dieven na verdienste te straffen: Hebbende Commissian„ „ten daar en boven ook in mandatis gehadt, om deen koning het slegt gedrag, van den Senghadje Padje den bezoover van den Chinees Lim Tjoenko, nog eens voor oogen te houden, en hem aantekundigen, hoe Hun Hoog Edelheeden absolunt begeeren dat ge„ „melde Chinees schadeloos zal werden gestelt we„ „gens het geledene verlies van de waardij van 250: Rijksdaalders. De Heer Gouverneur hier op voor zijne zorg vul„ „digheit bedankt, en desselfs verrigtingen goedgekeurt zynde; produceerde zijn Ed wijders het aan hem over„ „geleverd Berigt van meermelde Commissianten, het geen van navolgenden in houd wierd bevonden. Aan den wel Edele Agtbare Heer Paulus Jacob Valckenaer Gouverneur en Directeur deser Moluccos Wel Edele Agtbare Heer! De ondergeteekend en hebben zig aanstonds na den ontfangst van der door uwel Edele Agtb: aan hen ter hand gestelde Instruc„ „tie, met de landschuijt na Tidor begieven, alwaar zij bij aankomst alle de poincten den koning, in praesentie van eenige Ryksgroten hebben voorgehouden. en voor af een kort verslag gedaan, van het voorgevallen op de jongst door den ander Gecopman Hemmekam en den laastgeteekende gedane til na Bat„ „chian en Gebe, mitsgaders aan zijn Hoogheit berigt, dat op die reise geene Engelschen of andere vreemde Europeanen waren 18. „ zyde halven se ƒ der aarts b en vorst den 18: waren aangetroffen maar dat men eenelijk vernamen had, dat de bekende Ha„ „dje Oemar, met nog drie Engelschen, en eenige weinige inlanders, met een praauw Paduakan, op het Eiland Oempaij waren aangeweest zo als uwelEd: Agtb: dit alles reeds den koning proacabel hadde ge„ „communiceert bij missive van den 25: Februarij jongstleden. De vorst hier op antwoordende, bedankte zeer vriendelijk voor deze gegevene communicatie, dog niet andenster te kennen gevende, dat het hem toescheen, als of de Ternaatse Re„ „geering tegenwoordig weinig vertrouwen op het Tidorese Hoff stel„ „de, vermits het zelve geene kamisse was gegeeven, van den ontfangst der eerste tijding van het verschijn der Engelschen omtrent Batchian, voor ge„ „vende dat indien hij van de aankomst der gemelde zwervers berigt hadde gehad, het hem misschien zeer gemakkelijk zoude gelukt zijn, de Paduakan met den schelmsen Hadji Oemar in de knip te krijgen, waar toe hij gaarne Vijfhondert Rijksdaalders hadde willen spendeeren, welke som hij ook gesteld had tot een beloning voor de geene die hem desen ontrou„ „wen knaap zoude overleveren om aan de Compagnie inhandigt te wor„ Op schoon wij nu wel ten vollen onderrigt waren, in hoe verre men op het insterlijk scoonschijnende Tidoreese stof konde staat maken zoo moesten wij egter welstaans halven den koning voor zijne welmenendheit bedanken en hem omtrent het voorgevende mistrouwen in een anderdenkbeeld brengen; waarom wij hier omtrent zijn Hoogheit te gemoet voerden dat de Ternaatse Regeering de ver„ „schijning van de bovengemelde Engelsche Lorrendraaijers met een enkelde Padu„ „akan, van zoo weinig belang hadde geoordeelt, dat zij het de moeite niet waordig had geschaat om zijn Hoogheit daar over te ontrusten, want het van zelfs sprak, dat mijn zijn Hoogheit had moeten kennis geeven als zig een of meer scheepen met vreemde Europeaanse Natien in de Moluk„ „se vaarwaters hadden vertoont, ten einde ingevolge de wederzydse verbon„ „den dezelve te weeren. Hier meede de vorst te vreede gesteld zynde, repliceerde hij vervolgens op het weede poinct, namentlijk op de gedane vertogen nopens het ontrouw gedrag der Pattaniers en Gebereesen, in het drijven van strafbaren specerij handel met vreemde Europeaanse Naties dat hij op evengemelde zijne onderdanen dieswe„ „gens ten uitterste verstoord was en alles zoude in 't werkstellen, om hen van den schadelijken handel in specerijen te doen afzien: ook betuigde zijn Hoogheit bereit te zijn om de schuldige na verdienste en extemplaar te straffen, dog de vorst voegde hier tevens bij, dat het straffen Ja zelfs verdelgen van een grooten hoop zijner ontrouwe onderdanen, weinig zoude kunnen baten, om de vreemdelingen daar door van dien ongroorloofde handel te doen afzien, dewijl zij dog naderhand wede„ „rom zouden komen en op nieuw geleegenheid zoeken, om de verdere „den. Maart inlanders 2

NL-HaNA_1.04.02_3445_1081 view scan ↗

English

natives by spending money and goods to seduce and entice them. Regarding the third point of our commission, concerning the complaints about the roguish conduct of the sangaji of Weda, named Padje, the king's answer was that he would shortly write back in detail in response to the aforementioned letter of the 25th of February, in which Your Right Honourable had already conferred with His Highness concerning the said sangaji. His Highness declared himself very surprised that the complaints about this village chief were brought up again, since a careful investigation had been conducted on Tidor by His Highness to determine to what extent he had been guilty of robbing the Chinese Lun Tjoenko, with the result finding that the entire accusation by the Chinese came down solely to loose rumours and the saying of the postholder of Oubi, on which account the said sangaji, together with all those who had accompanied him on his journey, had according to the laws of the land, in the presence of the Chinese and Tidor's postholder, cleared themselves of the accusation by solemn oaths; the king further saying that the aforementioned sangaji was one of his most loyal subjects, who for some years now had helped carry out several extirpation expeditions with great zeal, for which reason he could not proceed to dismiss him from his service, seeing that the complaints made about him by the Commissioners Stephaan and Oudt only had their origin in the refusal of a vessel for the transport of letters and private trade goods, which according to ancient custom could be brought over the land route of Pajohe within the span of two days, whereas the vessels, besides the long voyage, ran the risk of being wrecked. After we had completed our commission with the king, we went to the qadi Abdul Rauff, whom we seriously exhorted in the name of Your Right Honourable to settle the 26 Ducatons he had received in excess for the delivered timbers. This official promised to redress that error (as he called it) after the arrival of the expected ship, at which time all the village chiefs together, to whom these monies had been distributed in advance for the purchase of necessities, were due to come to Tidor to receive the gifts from Their High Mightinesses, from whom he would then reclaim the money they had enjoyed. But the said court servant also gave to understand that the Tidorese still had a counter-claim [illegible] the 18th of March 1775 counter-claim against the Company on account of 40 pieces of beams which they delivered in the year 1770, and which timbers were sent to Batavia in that same year on the ship Noord Nieuwland, but for which they had received no payment to this day. Herewith we have the honour to call ourselves with deep respect, Honourable Respected Sir, Your Right Honourable's loyal and dutiful servants, Signed: F. H. Beijnan and P. P. L. Gavanon. In the margin: Ternate in Castle Orange, the 15th of March 1775. Whereupon it was decided to accept the fair-seeming promises of the Tidorese Court appearing therein for communication, without giving much credence to them, but with relation to the king's answer to the complaints made concerning the sangaji Padje, to note that everything the king had brought forward to clear this rogue consisted mostly of untruths, since his accusation was in no way based on the word of the postholder of Oubi, but rather primarily on the better and well-founded complaints of the poor robbed Chinese, who with the permission of the Governor made his complaints in person to the king of Tidor, but by whom he was dismissed with a scornful reproach without obtaining any justice or satisfaction; but since the king made no mention of this to the Commissioners, one could easily conclude therefrom that all our further representations for the benefit of the often-mentioned Chinese would be in vain, on which account it was decided to let this matter rest here for the present and to report the incident to our High Masters when the opportunity arises. Thus done and resolved at Ternate in Castle Orange, date as above. Signed: P. J. Valckenaer, J. F. Wedel, J. G. v. Raesveld, G. W. van Renesse, Fred. Hend. Beynon, and F. B. Hemmekam. [illegible]

Dutch transcription

29 973 Maart 1775 inlanders door het spendeeren van geld en goederen te verbokken en te verlijden. Omtrent het derde poinct onser commissie, rakende de klagten over het schel, „magtig gedrag van het senghadje van weda in name Padje, was het ant; „woord des konings, dat hij eersdaags breedvoerig zoude rescribeeren op voormelde missive van den 25:e februarij, waar bij zijn Hoogheid reeds door uwelEd: Agtb: over gemelde senghadje onderhouden was; zijn Hoogheit be„ „tuigde zeer verwondert te zijn, dat de klagten over dit dorpshoofd weder opgehaald wierden, dewijl er op Tidor door zyn Hoogheit een nauwkeurig onderzoek was gedaan, in hoe verre denzelven zig schuldig hadde gemaakt aan het beroven van den Chinees Lun Tjoenko zijnde bij de uitkomst be„ „vonden dat de geheele beschuldeging van den Chinees eenelyk losse gerugten, en het zeggen van oubijs Posthouden uitkwamen, waa„ „rom het gemeld senghadje, nevens alle de geene die hem op zijn reis ver„ „zeld hadden, zig na de Lands-wetten, in praesentie van den Chinees, en Tidors Posthouder, met solemneele eede van de beschuldiging had„ „den gezuivert: zeggende de koning verder dat voornoemden Senghadje een zijner trouwste onderdanen was, die nu zedert eenige jaren verschei„ „de Exterpatie togten met veel ijver had helpen verrigten, waarom hij niet konde overgaan om hem uit zijn dienst te stellen, nadien de over hem gedane klagten door de Commissianten Stephaan en oudt, eenelijk hun oorsprong hadden, uit het weigeren van een vaartuig ter over„ „brenging van brieven en particuliere Negotie goederen, die volgens het oude gebruik binnen den tijd van twee dagen over den landweg van Pajohe konden gebruik overgebragt worden, daar de vaartuigen behalven de lange reise gevaar liepen van de verongelukken. Na dat wij onze Commissie bij den koning verrigt hadden, begaven wij ons na den kali Abdul Rauff die wij uit naam van uwel Ed: Agtb: ernste„ „lijk hebben aangemaand, om de voldoening van de door hem te veel ge„ „notene 26 Ducatons voorgeleverde homotwerken: Deeze amptenaar beloofde dat abuis (:zo hij het noemde :) te zullen redresseeren, na de aankomst van het verwagt wordende schip als wanneer de gezament„ „like dorps hoofden aan welke deeze penningen, bij de voorit ver„ „strekking, tot het inkopen van benodigtheden waren uitgedeelt, alle op Tidor stonden te komen, om de geschenken van hunne Hoog Edelheden te ontfangen, van dewelke hij dan het geld dat zij genoten hadden weder zoude afvorderen; Dog gemelde Hof dienaar gaf tevens te kennen, dat de sidoreesen nog een Cantra praetentie 18: ede Ha¬ ders zo de ge„ den. delijk ter te Re„ Hof Htel„ angst der voorge„ hadde drakan toe hij elke trou„ te wor„ op moesten en hem m wij de ver„ Padu„ het als Moluk„ verbon„ et hen tuide emplaar. en Ja n verdere som met den 18. Maart 1775 „dje Padje te verschonen. praetentie op de Compagnie hadden wegens 40. stuks zwalpen, die zij in anno 1770: geleverd, en welke houtwerken in dat zelfde jaar met het schip Noord Nieuwland na Batavia waren gezonden, dog waar voor zij tot heden geen betaling erlangt hadden. Hier mede hebbe wij de eere ons met diepen eerbied te noemen. /:onderstond:/ Wel Edele Agtbare Heer /:lager:/ uwel Edele Agtbaare trouwschuldige Dienaren /:was getekent:/ F: H: Beijnan en P: P: L: Gavanon /:in margine:/ Ternaten in 't Casteel Orange den 15: Maart 1775. Waar na besloten wierd om de daar bij voorkomende schoonschij„ „nende beloften van het Tidoreese Hof voor communicatie aan te neemen, zonder daar aan veel geloof te defereeren dog met rela„ „tie van 's konings antwoort op de gedaane klagten wegens de de koning van Tidor paagt de Sengha „ senghadje Padje te noteeren, dat alles het geen de koning tot zuivering van desen schelm hadde voortgebragt, meerendels in onwaarheden bestond, dewijl desselfs beschuldiging geenzints steun„ „de op het zeggen van den Posthouder van Oubi, maar wel voor„ „namentlyk op de bettere en wel gefundeerde klagten van den ar„ „men beroofden Chinees, die met toestemming van den Heer gouverneur zijne klagten in persoon bij den koning van Tidor heeft gedaan, dog van wien hij met een schamper verwijt is afge„ „weesen, zonder eenig regt of voldoening te verkrijgen; Dan dewijl de koning hier van bij de Commissianten geen gewag heeft gemaakt, kon„ „de men daar int ligt besluiten dat alle onze verdere vertoogen, ten voor„ „deele van meermelden Chinees vergiefs zouden zijn, weshalven be„ „sloten wierd deeze zaak hier bij voor eerst te laten berusten en het voorgevallene bij geleegentheit aan onze Hooge Gebieders te mel„ „den. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Geresolveert tot Ternaten in 't Casteel Orange Dato voorschreeven /:was getekent:/ P: J: Valc„ „kenaer, - - - - - - - . . J: F: Wedel, J: G: v: Raesveld, G: W: van Renesse, Fred: Hend: Beynon en F: B: Hemme¬ „kam. Dingsdag Tijding Blan Nader van Hul

NL-HaNA_1.04.02_3445_1083 view scan ↗

English

985 Blambangan. Further confirmed by a letter from the Emperor of Hullok. Tuesday, the 16th of May 1775, in the morning at 9 o'clock, meeting of the Council of Policy. Present: The Right Honorable Lord Governor and Director Paulus Jacob Valckenaer, The Merchant and Second Godfried Carel Meurs, The Honorable Military Captain Johan Fredrik Wedes, The Merchant and Fiscal Johan George van Raesveld, The Junior Merchant and Cashier Gerrardus Willem van Renesse, The ditto Fredrik Hendrik Beynon, The ditto and Shopkeeper Francois Bartholomeus Hemmekam, and The ditto and Secretary Alexander De Champagnet. The deliberations on general affairs having concluded this morning, the Lord Governor communicated to the further Council members how, four days ago, a Hullok prahu had arrived here, manned mostly by Chinese together with a few Hullokese; which prahu had furthermore brought the important news here that the English on Blambangan had engaged in a formal war with those of Hullok, and having fallen short, had been forced to abandon the said Island of Blambangan, leaving behind all their trade goods and war supplies. Subsequently, His Honor made known that this news had been further confirmed by a letter that the Emperor of Hullok had written to this Government on the said vessel, which letter His Honor had already caused to be translated, whereupon the same was read on this occasion and found to be of the following content: Translation of a Malay letter written in Arabic characters by the Emperor of Hullok, Muchamad Israel, and his Grandees of the Realm, To the Right Honorable Lord Paulus Jacob Valckenaer, Governor and Director, together with the Council of the Moluccas, being, after the customary preamble, of this content: Furthermore, this serves to communicate that through the arrival of the brave servants of the Dutch Company, namely Francois Bartholomeus Hemmekam and Leendert van der Staal, the friendliness and affection of the Dutch Nation toward us has clearly appeared to us; wherefore we also cannot refrain from receiving the said commissioners, dispatched by Your Honor our sincere friends, in the most humble manner with the greatest honor and esteem, in the presence of all lesser kings and grandees of the land, in our assembly. Wherein we also had the honor to perceive the loving and agreeable content of the letter with very great emotion of satisfaction, so much so that we could not contain our special joy thereat, but, while testifying our true gratitude in that regard, revealed the same to the named friendly commissioners Hemmekam and Staal, with the simultaneous request to them to retire quietly to their lodging for one or two days, so that we, having deliberated upon the content of the said letter with all the other grandees, might proceed to the answering thereof and the determination of the return gifts; which resulted in their going thereupon to the governor of the English Company, John Herbert, and after having diverted themselves there for one or two days without making any stay here, they undertook the return journey without our knowledge or that of any of the grandees. We have nevertheless not failed to send our letter and presents after them with a small vessel, but this proved fruitless at that time due to the stiffly blowing wind (by which the vessel of the commissioners could not be overtaken). Yet we declare that we cannot comprehend what reason the commissioners had for undertaking their journey again in such a clandestine manner without giving us notice thereof; notwithstanding we are indeed of the opinion that they will certainly have given a report to Your Honor, our sincere friends, of the treachery or other reasons that moved them thereto. Following upon this, we cannot refrain from reporting that the Hullokese traveling back and forth to Blambangan on the part of the princes and grandees' children, in order to trade with the English Governor residing there, were, without the slightest reason, in an improper manner not only treated by the English with abusive words, but moreover seized, their legs clapped in iron chains, and furthermore confronted with weapons, which caused the Hullokese to resolve to avenge themselves upon the English by running amok, so that many fell on the side of both the Hullokese and the English, and from that

Dutch transcription

985 Blanbangan. Nader geconfirmeerd bij een brief van den keizer van Hullok Den wel Edelen Agtbaren Heer Gou„ „verneur en Directeur Paulus Iacob Vackenaer, Den Koopman en Secunde Godfried Carel Meurs, 1 „ Manh: Capitain Militair Johan Fredrik Wedes, de „ Koopman en fiscaal Johan George van Raesveld, „ onderkoopma en oldij ochb Gerrardus Willem van Renesse, „ dito . . . . . . . . . . . . Fredrik Hendrik Beijnon„ „ dito en Winkelier - - - - Francois Bartholomeus Hemmekam en „ dito „ Secretaris Alexxander De Champagnet, De besoigne over de gemeene zaken heden morgen zijnde afgelopen, com„ „municeerde de Heer Gouverneur de verdere Raatsleden, hoe hier voor vier dagen een Hullokse prauw was gearriveert, inerendeels bemant Tijding wergens de op brake der Engelshen van met Chineesen benevens eenige weinige Hullakkers; welke prauw voer, „ders alhier de importante tijding hadden aangebragt, dat de Engelschen op Blambangan in een formeelen oorlog met die van Hullok ge„ „raakt, en te kort geschoten zijnde genoodzaakt waren geweest om gemeld Eiland Blambangan te verlaten, met agterlating van alle hun„ „ne negotie waren een oorlogs behoeften. Vervolgens gaf zijn Ed te kennen dat dit nieuws nader benestigt was geworden door een brief die de keizer van Hullok, met op gemeld vaartuig aan deze Regeering hadde geschreven, welke Dingsdag den 16: Meij 1775: smor„ „gens te 9: /uuren vergaderring van Politie brief 1775 diezi se tot den ziin aare P: S. art 1775. schij„ aante trela„ t in„ steun„ voor„ ar„ Heer voor, be„ het te mel„ aten Valc„ Present brief zijn Ed: reeds hadde laten translateren, waar op dezelve bij deze gelegentheit wierd gelezen en bevonden van navolgenden inhoudt Translaat Maleische brieff met ara„ „bische Caracters geschreven door den keizer van Hullok Muchamad Israel en zyne Rijsgroten, Aan den Wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Jacob Valc„ „kenaer Gouverneur en Directeur benevens den Raad der Moluccos, zijnde nagewone voorreden van dezen inhoud. Alwijders dient tot communicatie, dat ons door de komst van de brave Dienaren der Hol„ „landse Comp: in name Francois Bartholomeus Hemmekam en Leendert van der Staal duidelijk is gebleken, de vriendelikheid en genegentheit van de Hollandse Natie het onswaarts; waarom wij ook niet kunnen afzijn, gemelde Commissianten, door uwel Edele onze opregte vrienden gedepecheert, op het humbelste met de meeste eene en agting, ten bij wezen van alle mindere koningen en landsgroten, in onse vergadering te recipieeren. Waar in wij ook de Eere hebben gehad, de liefdelijke en aangenamen inhoud van de brieff met zeer groote aandoening van vergenoeging te antwaren, sodanig dat wij onse bijsonder vreugde daar over niet hebben kunnen inhouden, maar onder betuiging van onze ware dankbaar„ „heid dientwegen, het zelve aan de meem: vriendelijk Commissianten Hammekam en staal hebben g'openbaart, met te gelijkelijk verzoek aan dezelve, van zich een â twee dagen gerust te huijs te begeven, op dat wij over den inhoud van gemelde brieff met alle de verde„ „re groote gebesoigneert hebbende, tot de beantwoording van dien en het bepalen der Con„ „tra presenteert konde overgaan, het geen van gevolg is geweest, dat zij zich daar op bij den gouverneur der Engelse Comp: Jean Herbert Schoewer hebben begeven, en na hun daar meede een â twee dagen te hebben gediverteert zonder hun alhier met 'er woon te onthouden, de reijsch buiten ons, of iement van der grooten weten, weder heb„ „ben ondernomen. wij zijn Evenwel niet in gebreke gebleven, onse brief en presenten met een klein vaartuig na te zenden, dog is zulks niets te dier tijd= stijf waijende wind /: waar door het vaartuig der Commissianten niet was te agter, „halen / vrugteloos geweest, Egter betuigen wij ons niet te kunnen betaffen, wat reden de Commissianten hebben gehad, van zich op zoo een Clandistane wijs zon„ „der ons daar van kennis te geven, hun rijsch weder te ondernemen; niet tegenstaande wij wel van gevoelen zijn, dat zij van het verraat of andere redenen die hun daar toe hebben gepermoneert wel verslaag aan uwel Ed onze opregte vrienden zullen hebben gedaan. Hier aan volgende kunnen wij niet af zijn te welden, dat de van de zijde der prinzen en rijksgrooten kinderen, over en weder op Blanbangan vorende „stullokkers, om met den zich aldaar onthoudenden Engelschen Gouverneur han„ver „del te drijven, zonder eenige de minste redenen op een onbetamelijke wijze niet alleen door de Engelsen met scheldwoorden zijn bejegent, maar daar en boven nog opgepakt, de beenen in ijzere ketenen geklanken, en voorts met de wapenen te gemoet gegaan zijn, het geen de Hullokkers heeft doen resolveren hun weder door Amok op de Engelsen te wreeken, zodanig dat van de zijde der Hullokkers als Engelsen veele zijn gesneuveld, en daar uit den 16 Me Hul

NL-HaNA_1.04.02_3445_1085 view scan ↗

English

33. 977 caused by the bad treatment of the Hullokkers May 1775 having arisen from a real war, it resulted in the English fleeing while leaving behind all their trade and artillery goods, and having abandoned Blambangan, because of which we now await what decision the English Company will take regarding this dispute that has arisen, which occurred without the knowledge of the sultan and the notables, thus leaving it deferred to your Honors, our sincere friends, if it pleases you, to investigate who gave cause for the origin of this murder that arose between the Hullakkers and the English. If your Honors, our sincere friends, find pleasure in complying with this, then we expect that, either with this vessel or another, trusted persons may be sent, considering that the Hullokkers live and associate with the Dutch nation in constant brotherly friendship. We also trust that your Honors, our sincere friends, will give no credence to the slanderous rumors, as if our subordinate Hullokkers would sail the lands of your Honors, our sincere friends, since your Honors will be able to obtain other reports from Saha and Mahamoer through the fate of robbery that befell them. In conclusion, having nothing to offer as a token of life except this small gift, consisting of: 4 pieces of wax dammar torches 4 large parasols 2 dozen porcelain drinking cups 2 [illegible] Tano Tanos 4 susungs of large tano tanos, which we trust will be regarded and accepted as a token of faithful friendship and sincere devotion. Underneath stood: Written the 7th of the month Safar of the year 1189, being according to our reckoning of time the 8th of April 1775. Lower: For translation, was signed: Francois Bartholomeus Hammekam, sworn Translator. From this it appeared in the first place that this letter was arranged as an answer to both our dispatched missives of the 26th of July and 27th of August of the year 1773, to which the prince pretends that the reply had remained behind because of the sudden departure from Hullok of the former Commissioners Hammekam and van der Staal. This letter being further written with the intention to show that the English had given the first occasion for the unrest that arose, as they had provoked the Hullakkers through their outrages and bad treatment to such a degree that they had taken the resolution to avenge themselves, as the prince says, by running amok against the Britons, on which occasion many had been killed on both sides. It further appearing from this letter that the aforementioned Europeans had been put to flight by those of Hullok, leaving behind all their effects. When the discussion about this breach of peace was continued hereupon, the Council members gave each other to understand that they were in doubt whether the Britons had truly brought this disaster upon themselves through their insolence, or whether the massacre committed by the Hullokkers had been with the aim of settling their considerable debts all at once with the English by this means. The truth of which it was decided to investigate further from the Chinese letter-bearers, if there was any possibility of holding a conversation with these people. Meanwhile, people were unanimously of the opinion that in the pretended innocence of the Hullok Emperor was clearly enclosed the anxiety and fear in which the Hullokkers were regarding the retaliation of the English nation, which became even clearer from their request to send trusted persons from here to Hullok, in order to investigate who had given reason for the murder that had arisen. From all this, it was thought that it must be inferred that our Nation was now again being courted by the Hullokkers, as the friendship with the English had come to an end, in which opinion the Council members were further strengthened by the friendly terms with which the emperor's letter was composed.

Dutch transcription

33. 977 eur han„ veroorzaakt door de quade behandeling aan de Hullokkers Meij 1775 uit een reelen oorlog ontstaan zijnde van gevolg geweest is de Engelsen onder ag„ „terlating van al haar Negotie en Arthillerij goederen zijn gevlugt en Blamban„ „gan hebben verlaten, waar door wij nu blijven afwagten wat besluit of de Engelse Comp: over dit ontstaan geschil, het geen buiten weten van den sulthan en grooten geschiet is zullen koomen te nemen, latende overzulks aan uwelEd: onze opregte vrienden gedefereert, om des gelie„ „vende te anderzoeken, wie reden tot de oorspronk van deze tusschen de Hullakkers en Engelsen onstane moord heeft gegeven zoo nu uwel Edeles onze opregte vrienden, behagen vinden hier aan te voldoen, dan verwag„ „ten wij, dat het zij met dit vaartuig, of een ander vertrouwelingen mogen afge„ „sonden werden, uit aanmerking, dat de Hullokkers met de Hollandse natie in broederlijke vriendschap bestondig met elkander leven en ommegaan. Ook vertrouwen wij dat uwel Ed: onse opregte vrienden geen geloof zullen defereeren, aan de agterklappige gerugten, Even als off ons onderhorige Hul„ „lokkers de landen van uwel Ed. ons opregte vrienden zoude bevaren, aan„ „gezien uwelEd: van Saha en Mahamoer door hun overgekomen roof„ „lot, andere berigt zullen kunnen bekomen. Ten besluten hebben wij niets tot levens teeken aan biedende, dan dit geringe, bestaande in, 4: p:s was dammers 4 „ Groote sombereels 2 „ dousijn porselennen drink Coppen 2 „ _o Tano Tanosen 4 „ sousoengs groote tano tanos het geen wij vertrouwe dat als een blijk van trouwe vriendschap, en opregte toegedaanheit zal aangemerkt en ge„ „acepteert werden. /:onderstond:/ Geschreven den 7:e der Maant Iafar van het Jaar 1189 zijnde na onze tyd rekening den 8: April 1775: /:lager:/ voor Translaat /:was getekent:/ Francois Bartholomeus Han„ „mekam. geswoore Translateur Hier uit consteerde in de eerste plaats dat deze brief was in„ „gorigt tot antwoord op anze beide afgegaane missives van den 26: Julij en 27: Augustus van t jaar 1773: waar op de vorst voorgeeft dat de rescrip„ „tie was agtergebleeven door het schielijk vertrek van Hullok van de gewezene Commissianten Hammekam en van der Staal: zijn„ „de deze brief wijders geschreven met intentie om aan te tonen, dat de Engelschen de eerste aanleiding hadde ge„ „geven tot de ontstaane onlusten, als die de Hullak„ „kers door hunne geweldenarijen en quade bejegeningen der den 16 bij deze met ara„ van groten, bVale„ den Raad van der Hol„ staal swaarts; opregte zen van in wij ook rgroote de daar ankbaar„ men â twee dagen de verde„ len der Con„ op bij den na hun er woon weder heb„ briefen dier tijd te agter, ffen, wat wijs zon„ genstaande daar zullen zijde der varende wijze daar nvoorts doen dat daar den 16: Aanmerking daar over vreze de tullokkers voor de wederwzaak der Engelschen van de Compagnie der maten hadden getergt, dat dezelve het besluit had.„ „den genomen om zig (zoo de vorst zegt) door Amok op de Britten te wreeken, bij welke gelegentheit van beide kanten veele waren gesneuvelt: Blijkende wij„ „ders ook bij deze brief, dat de gemelde Europeanen door die van Hullok op te vlugt waren gedreven, met agterlating van alle hunne effecten. Wanneer het gesprek over deze vreede brenk hier op wierd vervolgt, gaven de Raadsleden ander el„ „kanderen te verstaan, dat zij in twijffel waren, of de Britten zig dit anheil wezentlijk door hun„ „ne wrevelmoed op den hals hadden gehaalt, dan of de massacre door de Hullokkers begaan waa„ „re met oogmerk om hunne importante schulden, door dit middel, eensklaps met de Engelschen te vereffe„ „nen! Waar van men de waarheit, nader besloot iitte vorsschen uit de Chineese brieve brengers, in dien 'er eenige mogelykheit was een gesprek met deze menschen te houden. Intusschen was men eenpariglijk van gevoelen, hoe in de voorgevende onschuld, van den Hulloksen Keizer„ niet ondiidelijk opgeslooten lag de ongerustheits en vree„ „ze, waar in de Hullokkers waren van de wederwraak der Engelsche natie, het geen nog klarder quam te blij„ „ken uit derzelver verzoek om van hier vertrouwelin„ f ten einde te ondervezoeken wie reden tot de opstaane moord hadde gegeven. „gen te zenden naar Hullok, frwierde aangezagt, nuwe uit dit alles dagt, men te moeten opmaken dat onze Natie thans wederom van de Hullokkers wierde aangezoogt, om de Aanzoek der Hullokkers om de vriendschap vriendschap met de Engelschen een einde hadde genomen, in welk gevoelen de Raadsleden nog versterkt wierden uit de vriendelijke bewoordingen, waar mede des keizers brief was ingerigt Aangezien Me onder oor „weest Hoewel een dag merk Hoewe

NL-HaNA_1.04.02_3445_1087 view scan ↗

English

May 1775 35 979 to resume with this nation. Under the pretext of investigating what the cause of the arisen breach of peace had been. Purpose of that negotiation will be. Whereas the members moreover unanimously maintained that now, due to the absence of the English, a fitting opportunity presented itself to enter into the alliance with the Hullokkers once again; it was thus resolved to make use of the friendly invitation of the emperor, and toward the middle of the forthcoming month of September to send thither again on a mission the translator and shopkeeper Hemmekam, together with the chief mate of this state, since these two servants are now known on Hullok, and bore themselves very well there on the last voyage. With regard to this mission, it is further understood that the pretext would be, pursuant to the emperor's request and proposal, to come and investigate the causes or ringleaders of the disturbance that arose between the British and Hullok nations: while the Lord Governor undertook to expressly impress upon the commissioners in the instructions that the entering into an exclusive treaty of alliance and commerce would be the principal purpose of their departure; which they therefore will have to promote above all else, just as they will also be ordered to inquire closely into the condition and further occurrences of the British, since their flight from Blambangan. Furthermore, because by far most of the Company's vessels were currently absent and on expeditions, it was thought fit to deliberate further concerning the preparation of a vessel, and concerning the crew required for it. While it is additionally resolved to stipulate by the treaty for Hullok: To communicate that news promptly to Their High Mightinesses. Elucidation of an obscure passage in the emperor's letter. To stipulate the private trade in all the products for the Company and its servants, the private trade in the further products that the island of Hullok yields, besides the wax and the mother-of-pearl shells: and upon drawing up the treaty, it shall also be taken into consideration by the Lord Governor to bar other European nations from the land of Hullok and also their participation in its trade: in the hope that the emperor will now show himself more willing than before to enter into an alliance with the Company. The Lord Governor likewise took it upon himself to answer the emperor's letter on the next occasion as the requirements of the matter demand: and it was unanimously agreed that this important and entirely not unwelcome news of the departure of the English from Blambangan would be communicated without delay to Their High Mightinesses by one of the private vessels currently lying ready to sail. At the conclusion of this conference, it was thought fit, for the elucidation of a certain obscure passage in the emperor's letter, to note that it would have been difficult to understand what the aforementioned prince wished to convey with the testimony of Sahe and Mahamoer; had not the Resident Wentholt helped us untangle this confusing ball of yarn by his letter of the 2nd of this month, giving to understand that two Limbotters had remained behind at Manado, who were rescued by the emperor of Hullok from the hands of the Magindanaoans, and were sent over to the disposal of this government with the vessel that arrived here: which both Limbotters it was thought that, in all likelihood, May 1775 37 981 Further discussion about the mission to be undertaken to Hullok. likelihood, upon their arrival would testify that the Hullok nation did not engage in piracy, since one could otherwise not imagine what the emperor wished to convey with his appeal to the said Limbotters, and further with what was cited regarding the voyage to Company lands. underneath stood: Thus done and resolved at Ternate in Castle Orange on the date written above was signed: P. J. Valckenaer, G. C. Meurs, J. F. Wedel, J. G. V. Raesveld, G. W. V. Renesse, F. H. Beijnon, F. B. Hemmekam, and A. De Champagnet. Saturday the 17th of June 1775, in the morning at nine o'clock, Meeting of the Council of Policy. Present all: The Honorable Lord Governor and Director Paulus Jacob Valckenaer, merchant and Second Godfried Carel Meurs, captain, military Johan Fredrik Wedel, under-merchant and pay-bookkeeper Gerrardus Willem van Renesse, Fredrik Hendrik Beijnon, ditto and shopkeeper Francois Bartholomeus Hemmekam, and ditto and Secretary Alexander de Champagnet. Except: the merchant and fiscal Johan George van Raesveld, being indisposed. The ordinary matters having been dealt with this morning, the Lord Governor brought the conversation back to the forthcoming mission to Hullok, of which the principal matters relating to it have already been deliberated in the secret session of the 16th of May, except the preparation of a vessel.

Dutch transcription

Meij 1775 35 979 met deze Natie te hervatten. # ander vorwendsel van te anderzoeken me de oorzaak van de ontstane vrede breuk is ge„ „weest aagmerk dier Negotiatie zal zijn. Aangezien de Leden daar en boven eenpariglijk sustineerden, dat zig nu wegens de absentie der Engelschen, eene bequame ge„ Dat de Rhaad lesluiten om de anderhandeling „legentheit op diede om de alliantie met de Hullokkers wederom te entameeren; zoo wierd gearresteert, om van de vriendelijke uitnodiging van de keizer gebruik te ma„ „ken, en tegens het midden van de aanstaande maand september derwaarts weder in Commissie te zenden den Translateur en winkelier Hemmekam, benevens den opperstuurman van deze Staal, vermits deze beide Dienaren nu op Hullak bekent zijn, en zig aldaar op de laatste togt zeer wel hebben gedragen. Met betrekking dezer Commissie is wijders verstaan, dat het praetext zoude zijn om, ingevolge des keizers ver„ „zoek en voorslag, te komen onderzoeken na de oorzaken of bel„ „hamels van de ontstaane beroerte tusschen de Britse en Hul„ „lokse natien: terwijl de Heer Gouverneur aannam, om de Commissianten wel uitdrukkelijk bij de Instructie in te Hoewel en exclusief verbond het voorname prenten, dat het aangaan van een Extclusief Alliantie een Commercie-Tractaat het voornaame oogmerk zoude zijn hunner afreize; het geen zij daarom boven al zullen moeten bevorderen, gelijk hen ook gelast zal worden vant naukeu„ „rig te vernemen na den toestand en verdere tot gevallen der Britten, zedert derzelver ontvlugting van Blanban„ „gan. Dan dewijl verre de meeste Compagnies vaartuigen thans afwezig en op togten waren, wierd goedgevonden om over den aanleg eener bodem, en over de daar toe nodige Equipagie, nader te besoigneeren. Terwijl nog is besloten om bij het Tractaat, voor 16: den te om de men, n keizers den 16 van Hullok te bedingen: Dat nieuws ten eersten aan Hunne Hoog Edelheden te bedeelen. bliedatie ener densten periode in des keizers brief Den prercteven handelinalle de productien voor de Compagnie en haare Dienaaren te bedingen den priva„ „tiven handel in de verdere producten, die het Eiland Hullok, behalven het wasch en de paerlemoerschelpen, voortbrengt: zullende bij het formeren van het verband, mede door den Heer gouverneur in agt werden genomen, om andere Europe aan„ van „sche naties van het land van Hullok en teffens ook de deelne„ „ming in dieshandel te Weeren: in hoope dat de keizer zig nu bereidwilliger als bevorens zal laten vinden, om met de Comp: in alliantie te treeden. Den Heer Gouverneur nam van desgelijken op zig om des kei¬ „zers brief, bij de eerste volgende gelegentheit, na vereisch van zaken te beantwoorden: en men quam een pariglijk over een„ dat deze importante en gansch geen onaangename tijding van der Engelschen opbraake van Blanbangan, zonder iitstel aan Haar Hoog Edelheden zoude werden bedeelt met een der thans zeil-ree leggende particuliere vaartuigen door het eindigen dezer Canferentie, wierd goedgevonden om tot opheldering van zekere duistere periade int s'keizers brief, aan te tekenen, dat men bezwaarlijk zoude hebben verstaan wat gem: vorst met het getuigenis van Sahe en Mahamoer te ken„ „nen wilgeven; ten ware de Resident Wentholt ons dit ver„ „wande kleuwen niet bij zijne brief van den 2: dezer hadde helpen ontwinden, te verstaan gevenden dat op Mana„ „do twee Limbotters waren agtergebleeven, dewelke door den keizer van Hullok uit de banden der Magin„ „dan auwers geredt, en ter dispositie dezer Regeering waren overgezonden, met het herwaarts gekomen vaar„ „tuig: welke beide Limbotters men dagt dat, na alle waarschijnlykheit 36 Mey .. Meij 1775 37 981 Nadergesprek over de te doene be„ „zending naar Atrillak waarschijnlijkheit, bij hunne overkoomst zouden getuigen dat de Htullakse Natie zig met de roostogten niet ophielde, vermits men an„ „ders niet konde bedenken wat de keizer met zijne beroeping op gemelde Lumbotters, en wijders met het aangehaalde wegens de vaart op Compagnies landen, te kennen zoude geven. /:onderstond:/ Aldus gedaan ende Geresolveert tot Ternaten in 't Casteel Orange Dato voorschreeven /:was getekent:/ P: J: Valckenaer, G: C: Meurs, J: F: Wedel, J: G: V: Raesveld, G: W: V: Renesse, F: H: Beijnon, F: B: Hemmekam en A: De. Champagnet. Saturdag den 17:' Junij 1775. smorgens te negen uren vergadering van Politie Present alle De gemeene zaken heden morgen zijnde afgehandelt, bragt de Heer Gouverneur het gesprek wederom op de aanstaan„ „de bezending naar Hullok, waar van het voornaamste dat dater toe eenige betrekking heeft, reets ter secreete sessie van den 16: Meij is bezaamt beholven den aanlig, eener Johan George Van Raesveld den koopman en fiscaal mits in dispositie. Den wel Edele Agtbaren Heer Gouverneur en Directuir Paulus Jacob Valckenaer, „ koopman en Secunde - - . Godfried Carel Meurs, „ kapitain, Militair. - Johan Fredrik Wedel, „ anderkoopm: in soldij boekh: Gerrardus Willem van Renesse, Fredrik Hendrik Beijnon, „ _o en winkelier Francois Bartholomeus Hemmekana en Alestander de Champagnet _o „ Secretaris Dempto bodem 16 prira„ 4 Heer aan deelne„ zig nu C p: van een, tijding uitstel der am tot ef, aan wat ken„ _o - - - - - ove k, g aar„ hit

NL-HaNA_1.04.02_3445_1090 view scan ↗

English

vessel that had not yet been laid down at that time. Wherefore the Lord Governor now submitted for the consideration of the Council members how the British, according to the Journal of the former commissioners Hemmekam and van der Staal, had made a very great parade of power and prestige with a multitude of vessels and other imposing displays, for which reason he was of the opinion that the Commissioners ought to be transported thither with the best and most spacious vessel, in order to add weight to our embassy and to give the Hullok Nation a favorable impression of the Company's power and prestige. As soon as this intention had been approved by the other Members of this Board, it was resolved to choose the sloop the Jaccatra, as the most agile and largest vessel, for this expedition, and moreover to have the same accompanied by one of our smaller Pantjallangs, the said sloop the Jaccatra, besides the Commissioners, to be manned with another officer, eight soldiers, and 24 sailors, alongside their chiefs, and the second vessel proportionally, but without soldiers, since on account of the small number not a single man more could be spared from the garrison. Likewise it was understood to victual both these vessels with provisions for four and a half months, just as in the year 1773, and to provide them with the necessary munitions of war, in order to be able to defend themselves like brave men in Case of danger. And in order the better to win over the Emperor of Hullok to the interests of the Company, and at the same time with the purpose of confirming the mutual friendship between the Company and the Hullok Nation the more strongly, it was deemed proper to offer to the said monarch as a present in the name of Their High Excellencies: 8 pounds of spices in assortment 4 pieces of Guinees fine bleached Coast 4 pieces of Bethilles Cangam Bengal Together with some fine piece of silk fabric, which, owing to a lack of suitable linens, it was thought fit to have purchased from private individuals. It being moreover also resolved to have delivered from the Warehouses to the Commissioners, for their further accounting: 2000 pounds of iron in bars 100 ditto steel 500 ditto nails 10 pieces of Guinees fine bleached Coast 20 pieces of Bethilles fine narrow 10 pieces ditto Cangam Bengal and 100 pieces of spreads or palempores Surat In order, if possible, to barter these goods in return for profitable products, and to investigate whether there is an opportunity to establish a profitable trade with this Nation. Notwithstanding this resolution, the Lord Governor showed how he was of the sentiment that the Commissioners ought for this voyage primarily to apply themselves to bringing the intended Exclusive Treaty of alliance and commerce with those of Hullok to a successful conclusion, in order to be able in the course of time, and after the receipt of the consent of Their High Excellencies, to continue the trade all the more securely, after the friendship between the two nations should have become somewhat better established; which consideration appeared so well-founded to the Members that for that reason the specified Linens were judged to be fully sufficient to test provisionally what profit might be obtained in the matter of trade at Hullok. Furthermore, the Lord Governor communicated to the Council members that the two Limbottos Sahisu and Mahamoer, who were rescued by the Emperor of Hullok from the predatory claws of the Magindanaos, and of whom mention was made in the secret session of the 16th of May, had now arrived here from Manado, wherefore His Honour had ordered the Translator Hemmekam to interview these people concerning their experiences, and to report the substance of their story in writing, which having been done, this Account was now read aloud in the meeting, and found to be of the following content: Account in the Form of a Report respectfully submitted. To the Right Honorable Lord Paulus Iacob Valckenaer Governor and Director of the Moluccas

Dutch transcription

bodem die te dier tijd nog niet is aangetegt. Alwaarom de Heer Gouverneur de Raadsleden nu in consideratie gaf, hoe de Britten, volgens het Dagverhaal van de gewe„ „zine commissianten Hemmekam en van der staal, met een menigte van vaartuigen, en andere imponerende vertoningen, eene zeer groote parada van magt en aan„ „zien hadden gemaakt, weshalven hij van gevoelen was dat de Commissianten met het beste en ruimste vaartuig derwaarts getransporteert behooren te werden, om onze bezending gewigt bij te zetten en de Hullokse Natie een gunstig denkbeelt te geven van 's Compagnies mogt en aanzien. zo dra dit voornemen door de verdere Leden dezer Ta„ „bel was goedgekeurt, wierd besloten om de sloep de Jacca, „tra, als het draaijste en grootste vaartuig, tot dezen togt te verkiezen, en het zelve boven dien door een onzer min„ „dere Pantjallangs te laten verzellen, zullende gemelde sloep de jaccatra, behalven de Commissianten werden bemant met een ander officier, agt soldaten; en 24: mat„ „trosen, benevens derzelver hoofden en het twede vaar„ „tuig na rato, dog zonder soldaten, vermits 'er we„ „gens het klein getal geen een man meer iit het garnisoen gemist konde werden. Van desgelijken is verstaan om deze beide badems, evens als in den jare 1773. voor vier en een halve maand niet mond behoeften te victualieren, en te voorzien van de nodige ammunitie van oorlog, om in staat te zijn zig in Cas van onraad als dap„ „pere lieden te verdedigen En ten einde den keizer van Hullok des te beter in den 17. Junij 17 7 983 Junij 1775 in de belangen der Compagnie over te halen, en teffens met oogmerk om de weder zijdsche vriendschap tusschen de Com„ „pagnies en de Htullakse Natie te kragtiger te bevestigen, is goed gevonden om gemelden vorst uit naam van hun Hoog Edelheden tot een geschenk aan te bieden: 8: Panden specerijen in zoort 4: pies Guinees fijne gebleekte custen 4: „ Betthilles Cangam Bengaals. Benevens nog het een of andere fraai stuk zijde stof, het geen men, wegens gebrek aan dienstige lywaten, goed„ „vond van particulieren te laten inkopen. Werdende boven dien ook besloten om de Commissian„ „ten tot hunne nadere verantwoording uit de Pak„ „huizen te laten afgeven. 2000: Ponden yzer in staven 100: _o staat 500: _: spijkers 10: pees Guinees fijne Gebl: Cust 20: „ Bethilles fijne smalle„ 10: „ _:o Cangam Bengaals en 100: „ sprijen of palemposen sourats Om des doenlijk voor deze goederen wederom protij„ „telijke producten in te ruilen, en te onderzoe„ „ken of er mogelijkheit zij om een en voordee„ „ligen handel met deze Natie op te rugten. Niettegenstaande dit besluit, vertoonde de Heer Gouverneur hoe hij van sentiment was, dat de Commissianten zig voor deze reis maar voor„ „namentlyk behoorden tot te leggen om het voorgenomene Exclusief Tractaat van alliantie en 17. ls eter in den 17: alliantie en Commercie met die van Hullok, gelukkig te doen uitvallen, ten einde den handel in 't vervolg van tijd, en na de ingekomene bewilliging van Hun Hoog Edelheden, dies te geruster te kunnen voortzetten, na dat de vriendschap tusschen de beide natien, wat beter bevestigt zoude zijn geworden: welke bedenking de Le„ „den zoo gefundeert toescheen dat daarom de bekent ge„ „stelde Lijwaten geoordeelt wierden volkomen te kunnen toereiken, om bij provisie te beproeven wat voodeel dat er in 't stuk van den handel op Hullok te behaalen waa„ „re Wijders communiceerde de Heer Gouverneur aan de Raadsleden, dat de beide Limbotten Sahisu en Ma„ „hamoer die door den keizer van Hullok uit de roof„ „klauwen der Magindanauwers zyn geredt, en waar van ter secreete sessie van den 16: Meij gewag is ge„ „maakt alhier thans van Manado waren opgedaagt, alwarom zyn Ed: den Translateur Hemmekam hadde gelast deze menschen eens over hun wederva„ „ren te anderhouden, en het zakelyke van hun verhaal bij geschrifte te rapporteeren, het welk ge„ „schied zijnde, wierd dit Relaas nu in de vergadering op gelezen, en bevonden van den navolgende inhoudt Relaas bij Forma van Rapport In Eerbied overgelevert. Aan den Wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Iacob Valckenaer Gouverneur en Directeur der Moluccos Wel Juny

NL-HaNA_1.04.02_3445_1093 view scan ↗

English

June 1775 No. 985 Honorable, Respected, Commanding Lord! The two Limbotto men named Sahihi and Mahamoer, abducted in the past year from along the northwest coast of Celebes by the Magindanaos, transported to Magindano and elsewhere, and who now arrived here on the 7th of this month aboard the pantjallang De Brack from Manado, having been interrogated by me on Your Honorable Esteemed order concerning their experiences during this misfortune, have related all that which I have the honor to set down below with the deepest reverence, namely: That they, the deponents, together with ten more of their countrymen, eight months ago now, were dispatched by Kwandang's Resident De Wolff with a small paduakan to fetch rice to Manado; and arriving around the bay of Amurang, had encountered a very large paduakan, manned by estimate with one hundred and fifty Magindanaos, and mounted with an iron two-pounder cannon, alongside six brass swivel guns, as well as provided with a chase vessel that, coming at them with fifty rowers, caused a heavy skirmish between them; which fight, though fierce, nevertheless did not last long before, after sustaining many wounds—of which they showed me the fresh scar marks—together with four more of their companions (who, through being sold off, do not rightly know where they ended up), they saw themselves overpowered and, shackled in chains, transferred to the enemy's large vessel. Of the other six of their shipmates, four had escaped by fleeing to land, and two remained dead at the scene of the fight. Furthermore, the deponents declared that, after being detained in this state on the vessel of the Magindanaos for twelve days and nights, who intended to play their plundering role even further on the peoples of Celebes, and had gone to lie behind the island near the Tomolas gold mine, they had seen that enemy attacked very unexpectedly in the morning by two Company pantjallangs and engaged so effectively by cannonade that, besides the numerous wounded, thirty-three Magindanaos lost their lives on the spot; and they thereby lost their aforementioned chase vessel, as well as the paduakan of the deponents previously taken as booty. And the large paduakan of the Magindanaos, on which the deponents were present, would also not have escaped were it not that the wind had died down, whereby, with the aid of rowing, they crept away from the Company's arms and continued the journey to Tolitoli, along which route they had also taken as booty four Tontoli people and a small prahu paduakan, from which the masters, being Bugis, had fled. Further, the deponents testified that the aforementioned Magindanaos, on account of the many wounded sustained during the aforesaid attack with the Company's pantjallangs, were forced to leave the Celebes coast and undertake their return journey from Tolitoli to Magindano, on which they spent one and a half months before arriving at Sarangani, near the settlements of Batotakki and Coeja, and furthermore another eight days before they arrived at the royal residence in Magindano. The first deponent, Sahihi, declaring that upon arrival at Magindano he was sold, or bartered, for merchandise to the value of one hundred and fifty rixdollars, and this to a Magindanao woman named Sinjoe, with whom he also stayed at the aforementioned place for two and a half months; and then observed that the departure and arrival of the Magindanao pirate vessels does not cease for a single day, whereby very many people, but especially Sangirese and Talaud people, are brought into slavery; as also that the king of Magindano (who is blind from old age) receives twenty percent of all that is brought in as plunder. As well as that he then saw being prepared there for deployment thirty paduakans, both large and small, which were to set sail five days after the deponent's departure from Magindano under the command of the Magindanao Raja Muda Kibat and the princes Sopang and Mamajoet, with the intention to overwhelm Manado and Kwandang with that force. The deponent further testifying that after having stayed, as stated, for two and a half months on Magindano, he was permitted by his mistress to sail to Jolo in the company of three Magindanaos and twelve Chinese to conduct petty trade; but having arrived at Jolo, was set at liberty de facto by the reigning emperor Citchil Israeil; indeed, at which prince's court he had also found the second deponent, Mahamoer, who, along with two more Manado people and four Sangirese, shortly after their arrival at Magindano, had been transported by the Magindanaos to Jolo for sale, but had succeeded in being offered as a present to the Emperor of Jolo, who had also immediately granted him his freedom: seeing that that prince, according to his own words, found himself obliged to do this out of respect for the Dutch Company, with whom he affirmed that the Empire of Jolo lived in peace and friendship. Following this, both deponents declared upon my explicit inquiry: That the Emperor of Jolo, as well as the inhabitants of the 17th of June 17

Dutch transcription

Juny 1775 #t 985 Wel Edele Agtbare Gebiedende Heer! De door de Magindanauers in den gepasseerd en jaar van onder de Noord west cust van celebes gerooft, na Magindano en elders ver„ „roerd, en nu op den 7: dezer per de Pantjallang De Brack van Manado alhier aangekomene twee Limbotters in name sahihi en Mahamoer, door mij op uw uwel Ed: Agtb: geëerde bevel no„ „pens hun wedervaren in dit nootloot ondervraagt zijnde, heb„ „ben gerelateert, al het geen ik met de verschuldigste reverentie de Eere heb, hier onder ten neder te stellen, te weten. Dat zij Relatanten nevens nog thien hunner landslieden nu agt maanden geleden, door quandangs Resident de Wolff, met een kleine Paduakan ter afhaal van CRijs na Manado gedepecheert in omtrent de bogt van Amoerang komende hadden gerencan„ „treert een zeer Groote Paduwakan, bemant na gissing met Eenhondert en vyftig Magindanoers, en gemonteert met een ijzere twee ponder Canon, nevens zes metale draij bassen, mot mitsgaders voorsien van een jagt vaartuig, dat met vyftig reijers op haar afkomende een sware sekermutseling tus„ „schen henlieden hadde veroorsaakt, welk geregt ofschoon henig Evenwel niet lang heeft geduurt, of hadden hun, na bokoming van veele Blesseuren, daar zij mij de verse lik teekenen van ver„e „thoonden, nevens nog vier hunner met gesellen, die door verko„ „ping niet regt weten waar belant zijn, overwonnen, en in ke„ „tenen gekluijstert op 's vijands groot vaartuig overgebragt ge„ „sien. zijnde van de andere zes hunner meede schepelingen, het vier met de vlugt na land ontkoomen, en twee op de plaats van het geregt doodt gebleven. Voorts verklaarde de Relatanten, dat na hun in dezen staat twaalf Etmaat op het vaartuig der Magindanoers te hebben ont„ „houden die amtruit roll alverder op de celebese volkeren te spee„ „len, daar mede agter het Eijland bij de Gaud mijn Tomolas waren gaan leggen, 's morgens zeer onverwagts door twee scomp:s Pant„ „jallangs dien vijand hadden zien overvallen, en door Cannonnade zodanig handhavenen, dat buiten de menigvuldige geblesseerde drie en dertig Magindanoers, op stant het leven daar bij hebben ingeschoo„ „ten, en daar bij verlooren hun voorwaarts gemelde jagt vaartuijg, ne„ „vens de Paduakan van de relatienten bevorens tot buit gemaakt, En zou„ „de de groote Paduakan der Magindanoers, daar zich de relatanten op bevonden het ook niet zijn ontkoomen, ware het niet geweest dat wind was gaan leggen, waar door zij mits hulp van Roeijen, 's Comp: wapenen waren ontkroopen, en de rijsch na Tontolij voortgezet, ander weegs na werwaards zijn ook in rooff hadden bekoomen vier Vier Pontoliresen en een kleine pramw Paduwakan, daar de voerders zijn„ „de Boeginesen van waren gevlugt. Alwijder betuigde de Relatanten dat de gem: Magindanoers uit hoofde der veele geblesseerde bij voorschreve attacq met 's comp: Pantjallings bekomen genootsaakt zijn geweest de celebese cust te verlaten, en hun te rug Eijsch van Tontolij na Magindano te andernemen, waar mede zij hebben toegebragt Een en een halve maant eer te saringanij bij de negorijen Batotakkij en coeja zijn aangekomen, en voorts nog agt dagen eer ter koninklijke Residen„ „tie plaats te Magindano zijn aangehant. Verklarende den Eersten Reelatant Sahihi dat hij bij aankomst te Magui„ „dano was verkogt, of geruilt, tegens, negotie voor de waarde van Een hondert en vijftigh Rijksdaalders, ende zulks aan een Magindanose vrouw genaamt Sinjoe, daar hij zich ter gem: plaats ook twee en een halve maand bij heeft onthouden, en als doen ontwaart, dat het uijtlopen en binnen komen der Magindanose rootvaartuigen geen eenen dagstil staat, waar door zeer veel menschen, dog voor„ „namentlijk sangiresen en salauwers in stavernij aangebragt weerden gelijk meede dat den koning van Magindano /wien van ouderdom bluit is / van alle het in roof aangebragt werdende ge„ „niet, twintig ten hondert. Mitsgaders dat aldaar tot klaar leg„ „gens toen heeft zien vervaardigen dertig zoo groote als kleine Paduakans, dewelke vijf dagen na des Relatants vertrek van Magindano, onder Commanda van den Magindano 's Radja Moeda Kibat en de Princen Sopangen mamajoet standen uijt te loopen net intentie om door die magt Manado en Quandang te overzampelen. Betuijgende het relatant alwijder, dat na als gesegt, twee en een halve maant op Magindano zich te hebben onthou„ „den, door zijn lyfmeesteres was vergunt, om in Compagnie van drie Magindanoers en Twaalf chinesen tot het drijven van smallen handel na Hullok te waren, dog te rullok ge„ „komen zijnde, door den regerenden keiser Citchil Israeil de foc„ „to. was in vrijdam gestelt, ja bij welken vorst hij ook hadde ge„ „vonden den tweeden Relatant Mahamoer, die nevens nog twee Manadoresen en vier sangiresen kort na hun aankomst te Magindano, door de Magindanoers ter verkoop na Hullok was vervoert, dog hem gelukt was, van tot geschenk den Jullok„ „sen keiser Geoffereert te werden wien hem ook opstont van zijn vrydom had laten ganderen: aangesien dien vorst volgens Eijgen zeggen, zich uit agting voor de Hollandsche Comp:, met wien hij betuigde dat het Jullakse Rijk in vreede en vreendschap leefde, hier toe was genoodsaakt vindende. Hier aan volgende verklaarde de beide Relatanten op myne Expresse afvrage Dat den keiser van Hullok, zoo wel als de inwoonders van den 17. Junij17

NL-HaNA_1.04.02_3445_1095 view scan ↗

English

June 1771 42 of that kingdom seemed to be greatly devoted to the Dutch Company. And, on the contrary, to be very embittered against the English, which nation, according to general report, not long before their arrival in Hullok, were forced by the distant Hullokkers to leave the Island of Blambangan, where they had already established themselves, and this with the abandonment of almost all their goods, which they had seen brought abundantly to Hullok by the Hullokkers, consisting mainly of opium and linens, besides two female persons, without knowing, however, whether they were slaves or free persons. That Hullok is a trading place, and is frequented by all kinds of native nations, as well as with small and common vessels by the Spaniards residing in Samboanga, of which the narrators also twice saw a military captain arrive by rowing vessel, manned with national Spaniards, on an embassy to the Hullok emperor, and who was still residing there at their departure from Hullok. That the Hullokkers do not go out on piracy, and also maintain no dealings with the Magindanoers, but when meeting each other at sea, attack each other as enemies. That during their presence in Magindano, they heard of no envoys or traders on behalf of the Spaniards, but on the contrary had seen several Tedongers, who go out on piracy with the Magindanoers. And lastly, that the Magindanoers or Hullokkers do not know how to use muskets or pistols. This all being what I have been able to ascertain from these people on diverse occasions, I hope herewith to have complied with your Honorable's intention, and call myself with due respect, below stood: Honorable, worshipful commanding Lord, lower: your Honorable's entirely humble and obedient servant, was signed: F. B. Hemmekam, in the margin: Ternate in Fort Orange the 5 June 1775. With this report the defeat of the British on Blambangan was further confirmed by the mentioned Limbotters, who moreover declare that the emperor of Hullok, as well as his subjects, [illegible] 44 were greatly devoted to the Dutch Company, but seemed to be very embittered against the English; which was regarded as very good news, if only one could be assured that the tale of these people corresponded with the truth; for this being so, one might reasonably hope at this juncture of time that the conclusion of an exclusive treaty with the Hullok nation would turn out successfully on this voyage; toward which the Governor undertook to employ his utmost ability in drawing up the alliance treaty. Hereupon it was further made known by His Honor that both of these Limbotters had been robbed of everything by the enemy, and had appeared here in the utmost destitution and poverty, and therefore requested to be favored with a small traveling allowance in order to be able to journey back to their native land. Having discussed this, it was judged that fairness required not leaving these people helpless, since they had been sent to Manado by Resident de Wolff to fetch rice for the garrison of Quandang at the time they fell into the hands of the pirates, so that this misfortune had befallen them in some measure in the Company's service, wherefore it was resolved to grant them together for their intended return journey twelve rix-dollars in cash, and half a piece of dark blue Coast Guinea cloth, this benefit to be written off to the account of extraordinary expenses. Subsequently, the conversation in this session fell upon the necessity of the territory of Onin, 17 June 1775 989 where a multitude of nutmeg trees grew, to be deprived of these fruits, at least in part, whether by extirpating the trees there, or else by some other suitable means preventing the sale of these fruits to foreigners; on which subject the Lord Governor made known that Their High Mightinesses had informed him this year by secret dispatch how exceedingly much they would like to see this region visited for that reason, and cleared of the spice plants; wherefore His Honor, in furtherance of such an expedition, had ordered the translator Hemmekam to question the Chinese Limsianko, who had returned from the Papuan islands some time ago, regarding how matters stood in this Onin, and what had been accomplished there by the Tidorese envoy, whom the King of Tidore had sent thither with the vessel of the said Chinese; whereupon the said translator had delivered the narrative of the often-mentioned Chinese in writing to His Honor, just as this native had furthermore also given a declaration of what was known to him with regard to the Tidorese mission; both of which papers were thereupon read aloud to the members and ran as follows. Account in the form of a report, submitted with respect To the Honorable and Worshipful Lord Paulus Jacob Valckenaer Governor and Director of the Moluccas

Dutch transcription

Junij 1771 42 van dat koningrijke de Hollandsche Comp grootelyks scheenen toegedaan te zijn. En daar en tegen op de Engelsen zeer verbittert te wezen, welke natie volgens het algemeen zeggen, niet lang bevo„ „rens haar aankomst te Hullok, door de afgelegene Hullokkers waren genootzaakt om het Eijland Blambangan alwaar hun reets G'Ehabileert hadden te verlaten, ende zulks onder ag„ „ter lating van meest alle hare goederen, die door de Hullokkers rijkelijk te Hullok hadden zien aanbrengen, voornamentlyk bestaande in Amphion en Lywaten, waar bij nog twee vrouws „perzoonen, zonder egter te weten slaven of vrije menschen te zijn De rullok een handel plaats is, en bevaren wort, door al„ „lerhande soort van Inlandse natie, gelijk mede met kleine en ge„ „meene vaartuigen door de zich te samboanga onthoudende span „jaarden, waar van daar zij Relatanten ook tot twee keeren eenen Capitain militair per roeij vaartuig, bemant met nationale span„ „jaarden in gesantschap bij den Julloksen keiser hebben zien ko„ „men, en wien bij hun vertrek van Cullok zich aldaar nog heeft onthouden. Dat de Hullakkers niet ter rooffvaren, en ook geen anderhan„ „deling houden met de Magindanoers maar op zee ontmoetende elkanderen als vijanden attacqueeren. Dat gedurende hun aanwezen te Magindano, geen besendui„ „gen af handelaars van wegen de spanjaarden vernomen, maar daar en tegen gesien te hebben verscheide Tedongers, die met de Magindanoers in 't root varen keulen. En laastelijk dat de Magindanoers of Htullokkers geen snaphanen of Pistolen weten te gebruiken. Dit alle het geene zijnde, wat ik in diverse keeren van de menschen heb kunnen uitvorschen, zoo verhope ik van hier mede aan uw Wel Ed Agtb: Intentie te zullen hebben voldaan, en noeme mij met verschuldigde Eerbied /:onderstond:/ Wel Edele Agtbare Gebiedende Heer /:lager:/ uw Wel Edele Agtb: gantsch onderdanige en gehoorzamen Dienaer /:was getekent:/ F: B: Hemmekam /:in margine/ Ternaten in 't Casteel Orange den 5: Junij 1775. Werdende bij dit Berigt de naderlaag der Brit„ „ten op Blanbangan door de gemelde Limbotters nader bevestigt, die daar en boven verklaren dat de keizer na Hullok, zoo wel als zijne onderdanen 987 de 17. en ch van gt ijen Residen„ 1 dat tuigen voor„ bragt van de leg, e ge„ te g ge„ foc„ komst ok lok 7 ll nog et hap yne s en se Een qu„ 44 de Hollandsche Compagnie grotelijks waren toegestaan, dog tegens de Engelschen zeer verbittert scheenen te zijn; het geen als een zeer goede tijdting wierd aangemerkt, bij aldien men maar verzekert konde zijn dat het ver„ „haal dezer menschen met de waarheit over eenstemde; want dit zoo zijnde, zoude men in dit tijds gewrigt met reden kunnen hopen dat het sluiten van een Exclusief Tractaat met de Htullokse Natie deze reis gelukkig zou„ „de reusseren; waar toe de Gouverneur aannam, bij het inrigten van het alliantie Tractaat, zijn uitterste vermogen te zullen aanwenden. Hier op wierd wijders door zijn wel Edele te ken„ „nen gegeven, dat deze beide Limbotters door den vijand van alles berooft, en alhier in het uitterste ge„ „brek en armoede waren verscheenen, en daarom ver„ „zogt hadden begunstigt te werden met een geringe reispenning om weder naar hun geboorte land te kunnen trekken. Waar over gesproken zijnde, wierd geoordeelt dat de billlijkheit verlischte deze menschen niet hulpeloos te laten vermits dezelve door den Resi„ „dent de wolff naar Manado waren gezonden om Rijt voor de bezetting van Quandang te halen, ten tijde dat ze in de handen der rovers waren gevallen, zoo dat hen dit ongeluk eenigermaten in Campagnies dienst was overgekomen, alwarom besloten wierd hen te zamen tot hunne te doene te rug reize te begifti„ „gen met twaalf Rijksd„,s aan contanten, en een half stuk Gui„ „nees bruin blauw cust, zullende dit genot op Rekening van Extraordinaire ongelden werden afgeschreven Vervolgens is het gesprek te dezer sessie komen te 9 vallen op de noodzakelijkheit om het gebied van onin„ daar den 17: JJuny 1775 l5 989 daar een menigte van Note muscaat bomen groeiders, ten minsten voor een gedeelte van drie vrugten te bro„ „ven, het zij door het geboomte aldaar te exstirperen, dan wel door eenig ander dienstig middel dene verkoop dier vrug„ „ten aan vreemdelingen te verhinderen: op welk ander„ „werp de Heer Gouverneur te kennen gaf dat Hun„ „ne Hoog Edelheden hem dezen jare bij de secreete mis„ „sive verwittigt hadden, hoe Hoogst dezelve zeer gaaane zouden zien dat dit gewest daarom eens bezogt, en van het specerij gewas gezuivert wierde; alwarom zijn Ed tot bevordering van dusdanige togt den Chinees Lim„ „sianko, die voor eenige tijd uit de Papoese eilanden was te rug gekeert, door den Translateur Hemmekam hadde laten ondervragen, hoe het op dit onin gestelt was, en wat aldaar verrigt was geworden door de si„ „doreese zendeling, die Tidors koning met het vaartuig van gemelden Chinees derwaarts hadde gezonden waar op gemelde Translateur het gerelateerde van meergemelden Chinees, bij geschrifte aan zijn Ede„ „le hadde overgegeven, gelijk deze inlandse daar en boven ook nog een verklaring hadde gegeven van het geen hem, met betrekking der Tidoreese be„ „zending, bewust was; welke beide papieren hier op de leden wierden voorgelezen en aldus hidden. Relaas bij Forma van Rapport, In Eerbied overgeleevert Aan den wel Edelen Agtbare Heer Paulus jacob Valckenaer Gouverneur en Directeur der Moluccos wel schen

← previousnext →