Inventory 3529
Japan · 1,230 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
366 Description of the arrest of Mono Arfa and his wife from the second Gorontalo king Wallanadi, dated 19 November of the past year, in which this Regent, among other things, requests the first undersigned to be allowed to maintain the small fort erected at the mouth of the Gorontalo river, since he deemed it very serviceable to prevent ill-disposed vessels arriving there from entering the river; for which reason we granted the king Wallanadi the retention of the said small fortress, although we declined his request to be allowed to break the stone with Mono Arfa's name out of the wall, since this would have been too great a slight to the said king Mono Arfa, which Regent was still at Gorontalo at that time, and who on account of such a step would only have conceived hatred and bitterness toward his colleague. In our respectful secret dispatch of the 13th of this month, we have already written that the said Mono Arfa, together with his wife Nonja Sien, were sent up under arrest by Resident Wentholt during the past month. Everything that the said Resident wrote to us in his secret letters of 10 November of the past year, and in his subsequent dispatches of 18 and 28 January, 8 and 29 March, as well as in that of 9 June, concerning the greed and treachery of this native king, agrees so well with the accounts given of him by the former Residents van de Walle and Mol, that we cannot call Wentholt's representations concerning the culpable conduct of this petty prince into any doubt; indeed, the cited letters of this Resident are frequently filled to the point of disgust with accounts on this subject, as your Right Excellencies, if you please, will find cited in our secret resolution of 13 December of the past year, and of 18 February, 3 April, and 23 June of this year. For this reason, we shall only state how Wentholt, in his latest letter of 9 June, maintains that the decline in the Gorontalo gold trade must be attributed solely to Mono Arfa's usury and insatiable greed, asserting at the same time that no reliance whatsoever can be placed on his oaths and words; in proof of which he forwarded with his letters several declarations to the debit of the said petty king, copies of which, to the number of five, we have the honor to present to your Right Excellencies among the annexes to this dispatch, likewise demonstrating to the same how it appeared to us from the Resident's complaints and representations that any noticeable change for the better would never come with Mono Arfa; for which reason the first undersigned, together with the other Council members, made use of the freedom that your Right Excellencies granted to the said undersigned in the secret dispatch of 28 November 1775 to have the repeatedly mentioned Mono Arfa, together with his wife Nonja Sien, and son Ambohinga, apprehended and brought hither into custody if he should not alter his conduct. Hereupon we resolved, at the session of 13 December of the past year, to grant Resident Wentholt, upon the oath taken to the Company and under the seal of secrecy, notice of this authorization, with orders to proceed according to the permission of your Right Excellencies, and to apprehend Mono Arfa, together with his family, in the most feasible manner, provided that this could take place without exposing our people to danger, which recommendation was all the more necessary because the 60 soldiers whom your Right Excellencies projected for undertaking this apprehension could not be spared from here without too greatly weakening our garrison. After much had been written back and forth concerning this apprehension, and the enterprise appeared to run into jeopardy through various obstacles, such that the same by most Council members
Dutch transcription
366 Beschrijving van de arresteering van Noro Arta en zijn huijsvrouw van den tweeden gorontaalsen koning Wallanadi, de dato 19: November inni praeterite, waar in dese Regent den eersten Tekenaar onder anderen verzoekt om het opgerigte Fortje aan de mond van de Go„ „rontaalse qual te mogen aanhouden, vermits hij het zelve zeer dienstig oordeelde om de aldaar aankomende quaadgeziende, waar„ „tuigen het inloopen in de qual te verhinderen, om welke reeden wij den koning Wallanadi de aanhouding van het gemeld Fortres„ „sie hebben toegestaan, hoewel wij desselfs verzoek om de steen met Mono Arfa 'snaam uij de muur te mogen breken van de hand hebben geweesen, vermits dit een alte groote kleinagtig voor gemelde koning Mono Arfa ge„ „weest zoude zijn, welke Regent te dier tijd nog op Gorontalo was, en die wegens eene dusdanige stap maar haat en ver„ „bittering tegens zijnen amptgenoot zoude hebben op gevat. Bij onse eerbiedige secreete missive van den 13: dezer heb„ „ben wij reeds geschreven dat de gemelde Mono Arfa, bene„ „vens zijn huijsvrouw Nonja sien, in de gepasseerde maand door den Resident Wentholt in arrest zijn opgezonden. Alles dat de gemelde Resident ons bij zijne secreete brieven van den 10: November anni praetexiti, en bij zijne volgende missiven van den 18: en 28: Januarij 8: en 29: Maart mitsgaders bij die van den 9: Junij over de schraapzugt en ontrouw van desen Jnland„ „schen koning geschreven heeft, stemt zoo wel overeen met de verhaalen die de gewesene Residenten van de walle en Mol van denselven gedaan hebben, dat wij wenthols vertogen over het Culpabel gedrag van dit vorstje in geen twijffel kunnen trekken, zelfs zijn de aangehaalde brieven van dezen Resident dikwils tot walgens toe met verhaalen over dit onderwerp vervult, zoo als uw Hoog Edelheden als gelie„ „vende bij onse secreete Resolutie van den 13: December des gepasseerden, en van den 18: Februarij 3: April en 23: Junij deses Jaars aangehaalt zullen vinden weshalven wij er maar al„ „leen van zullen zeggen, hoe wentholt bij zijne laatste van den 9: Junij sustineert tan„ van se zoo sustineert, dat het verval in den Gorontaalsen Goud handel alleen aan Mono Arfa 'swoeker en onversadelijke schraapzugt moet werden toegeschreven, teffens beweerende dat op desselfs eeden en gezegden mede in het minst geen staat is te maken: waar van hij ten bewijse eenige verklaringen ten laste van gemel„ „de koningje met zijne brieven heeft overgesonden, welkers afschrieften ten getale van vijf, wij de eere hebben uw Hoog Edel„ „heden onder de bijlagen deser missive aan te bieden Hoogst, „dezelve van desgelijken vertonende, hoe het ons uyt de Resi„ „dents klagten en vertogen toeschen dat er met Mono Arfa immers eenige merkelijke verandering ten goede zoude komen, weshalven en eerst getekende, benevens de verdere Raadsleden, gebruik gemaakt hebben van de vrijheit die uw Hoog Edelheden den gemelden Tekenaar bij secreete missive van den 28: November 1775: gegeven hebben om meermelden Mono Arfa benevens zijne huis„ „vrouw Nonja Sien, en zoon Ambohinga te laaten ligten, en in verzekering herwaarts brengen, in dien hij niet van gedrag quam te veranderen Hier op besloten wij ter sessie van den 13: December anni praeteriti om den Resident wentholt, op den gedaanen eed aan de Compagnie en onder het zegen van secretesse, opneming van dese qualificatie te geven, met last om na de ver„ „gunning van uw Hoog Edelheden te werk te gaan, en Mo„ „no Anta, benevens zijn huisgezien, op de best doenlijkste wijse te ligten, mits dat zulks geschieden konde zonder de onsen aan gevaarte exponeeren, welke recommanda„ „tie dies te noodzakelijker was, om dat de 60: Militairen, die Hun Hoog Edelheden tot het ondernemen deser ligting ge„ „projecteert hebben, hier niet te missen zijn geweest, zonder ons garnisoen te veel te verzwakken. Na dat 'er veel van dese opligting, over en weder was geschre„ „ven en dat de onderneming door verlerleie hinderpaalen dus„ „danig in het vietscheer te loopen, dat deselve bij de meeste Raadsleden
English
368 Council members was held to be impracticable, the Resident Wentholt nevertheless succeeded on 5 June in getting Mono Arfa and his wife into his power and arresting them, and this in a much easier manner than we had imagined, yes even without our people having run the least danger therein. Wentholt, who in his letter of 9 June gives an account of this venture, also informs us that Mono Arfa, on account of his advanced age, had requested to be exempted from being sent up, and that this petty prince along with his wife Nonjasien had offered him a gift of 800 rixdollars if he would do them this favor, but that he had refused to listen to this offer, reporting at the same time that the King of Limbotto Iskandar Nakki had promised him by handshake that he would ensure that not the least of Mono Arfa's remaining property would be embezzled, which he would sequester immediately after the departure of the sloop de Jaccatra, which he had postponed with the intention of not causing his enterprise to leak out. But in our opinion, neither the King of Limbotto nor Mono Arfa's son Ambohinga had in this case anything at all to say about the property of the abducted petty prince, and the Resident ought to have seized and secured it himself in the presence of witnesses if he had no opportunity to send these goods hither now with the Jaccatra: which will be put to him in the first rescript, with the recommendation: to take over and preserve everything himself without delay, without exception, before credible witnesses, if this has not already been done, after which he must send hither everything that can be transported, with a clear list, at the first opportunity, and if anything should remain behind, Mono Arfa has undertaken to report such embezzled or missing goods to us directly, for Your High Excellencies please be informed that this Regent Inventory of the goods brought with him with his wife arrived here with a retinue of only thirty-five slaves, some chests, and some small coarse baggage, which persons with their accompanying effects were brought off the ship on 18 June, the day after their arrival, and appeared before both of us at the government house, where we found Mono Arfa and his wife in a very weak and sickly condition, just as the king's wife Nonjasien died here a few weeks ago. On the day of their arrival, the chests of goods were opened at the government house, and everything was written down piece by piece on our order by the Trade Transferor Weijdemuller, which was done in the presence of both of us, of the frequently mentioned petty prince and his wife, and of the Translator van Dijk, after which we had the jewels found, though small, as well as the gold and silver work locked up again, and had the chest with those goods sealed with the seal of the said Mono Arfa. Recently, after Mono Arfa had somewhat improved, the gold and silver work was weighed in his presence, and appraised with the rest at the value of Rd:s 3543: 18:—, including two houses situated here and a piece of garden land that belonged to his late wife Nonjasien, as well as some goods that were handed over to the frequently mentioned Mono Arfa for his daily use, at the appraised value of Rd:s 427:30:—, as Your High Excellencies may see from the currently transmitted List or Inventory: also noting on this subject that we have had the tailored clothes that were packed in the chests returned to Mono Arfa and his wife; along with a sum of rixdollars 192:44:- in diverse coin species, which were the only cash funds found, which were handed to these detainees to live on for some time, and at the time of the To
Dutch transcription
368 Raadsleden voor onuijtvoerlijk wierd gehouden, is het den Resident wentholt op den 5: Junij dog gelukt om Mono Arfa benevens zijne huijsvrouw in zijn magt te krijgen en te arresteeren, ende zulks op eene veel gemakkelijker wijse, als wij ons hadde voorgesteld, Ja zelfs zonder dat de onsen daar bij het minste gevaar hebben gelopen. Wentholt die bij zijn brief van den 9: Junij een verhaal van dese aanslag doet, melt ons teffens dat Mono Arfa wegens zijne hooge Jaaren verzogt hadde van de opzending be„ „vrijd te wesen, en dat vorstje benevens zijn huijsvrouw Nonja„ sien hem een geschenk van 800: rijksdaalders had„ „de aangeboden zoo hij henlieden dese gunst wilde bewijzen dog dat hij aan dese praesentatie geen gehoor hadde willen geven, teffens meldende dat de koning van Limbotto Js„ „kandar Nakki hem (:Resident:/ bij handtasting belooft hadde van te zullen zorgen dat er niet het minste van Mono Arfas agterblevene goederen verduijstert zoude werden dewelke hij direct na het vertrek van de sloep de Jaccatra zoude sequestreeren, het geen hij uijtgesteld hadde met intentie om zijn aanslag met te doen uitlek„ „ken. Dog onzes bedunkens heeft de koning van Limbotto nog Mono Arfas zoon Ambohinga, in dit geval in't geheel niets over de Goederen van het opgeligt vorstje te zeggen ge„ „had, en de Resident hadde dezelve zelfs in praesentie van ge„ „tuigen in beslag behoren te nemen en te bergen zoo hij algee„ „ne gelegentheit heeft gehad om dese goederen nu met de Jac„ „catra herwaarts te zenden: het geen hem bij de eerste res„ „criptie zal werden voorgehouden, met recommandatie : om alles, niets uitgezondert, ten overstaan van geloofwaardige getuigen zonder uitstel zelfs overtenemen en te bewaaren, zoo zulks niets reets geschied is waar na hij alles dat vervoert kan werden, met eene duijdelijk Lijst, bij de eerste gelegentheit zal moeten herwaarts zenden en zoo w iets mogt agterblijven, heeft Mono Arfa aangenomen ons zulke verduijsterde of vermitste goederen direct te zullen opgeven want uw Hoog Edelheden gelieven te weten dat dese Regent met Inventarisatie zijner mede gebragte goederen met zijne huisvrouw hier maar aangekomen zijn met een ge„ „volg van vijf en dertig slaven, eenige kisten, en eenige geringe groove bagagie, welke personen met hun bij hebbende effecten op den 18: Junij daags na hunne koomst van boordt gehaald, en bij ons beide in het gouvernement zijn verschienen, wanneer wij Mono Arfa en zijne huijsvrouw in een zeer zwakke en ziekelijke toestand hebben gevonden gelijke 's konings huijsvrouw Nonja sien hier voor eenige weken is overleeden. op den dag hunner aankomst zijn de kisten met goederen in het gouvernement geopend, en alles is op onse ordre door den Negotie overdrager Weijdemuller, van stuk tot stuk opgeschreven, het geen geschiedt is in tegenwoor„ „digheit van ons beide van het meermelde vorstje en zijn huijsvrouw, en van den Translateur van Dijk waar na wij de gevondene dog geringe Juweelen zoo mede de goud en zilver werken weder hebben laaten opsluijten, en de kist met die goederen na met cachet van gemelden Mono Arta doen verzegulen. Nuonlangs, na dat Mono Arta eenigzints gebetert was, zijn de gouden zilver werken in zijne preesentie gewogen, en met het andere getauxeert op de waarde van Rd:s 3543: 18:— waar on„ „der gerekent zijn twee alhier gelegene huizen en een stuk Tuinland, die aan zijne overledene huijsvrouw Nonja sien hebben toebehoort, zoo mede eenige goederen die aan meer„ „melde Mono Arfa tot zijn dagelijks gebruijk zijn afgegeven, ten getauxeerde waarde van Rd:s 427:30:— zoo als uw Hoog Edelheden, des gelievende bij de thans overgaande Lijst of Inventaris kunnen ontwaaren: teffens op dit onderwarp„ noteerende dat wij de gemaakte kleederen die in de kisten gepakt zijn geweest, weder aan Mono Arfa en zijne huijsvrouw hebben laaten afgeven; met een somma van Rijksdaalders 192:44:- aan diverse geld specien, het geen de eenigste gevondene contanten zijn geweest, dewel„ „ke aan dese arrestanten ter hand zijn gesteld om eenigen tijd daar van te leven, en ten tijde van het Aan
English
370 Quotation of the amount of his debts and goods the death of Mono Arfa's wife Nonja Sien, we have, upon his urgent request, issued to him a sum of 150 Rijksdaalders as a loan from the Company's Treasury in order to pay for the funeral expenses, with which latter amount the account of the said petty king has been duly debited. This account charged to Mono Arfa and for the benefit of the Company amounted, according to Wentholt's aforementioned missive of 9 June, at the time of dispatch to a sum of Rijksdaalders 1001:19:8, and to the estate of the deceased Resident Mol he was indebted in an amount of Rijksdaalders 765:43:—. In addition, a certain Hadje Abdul Samadi in the year 1769, at the kings' request, enjoyed on credit a sum of Rijksdaalders 351:25:— in Batavia from Your High Nobilities, which monies we have not been able to collect to this day, as Mono Arfa and Limboto's king Iskandar Nakke have repeatedly shifted the settlement of that money onto one another. For this reason, we resolved in the secret session of 23 June to take the shortest and readiest path for that recovery by having this debt of rd:s 351:25:— paid out of Mono Arfa's effects, whereby his debit to the Company today comes to amount to the sum of Rijksdaalders 1502:44:8, which monies, added to the amount of rd:s 765:43:— which Mono Arfa still owes to the estate of Mol, jointly make up a sum of rd:s 2268:39:8, all of which may now, with Your High Nobilities' pleasure, be paid out of the appraised effects, since the same are worth more than these debts amount to. For this reason, upon the urgent request of the detainees, we also had the transferred slaves returned to them to serve them, but on the condition of not being allowed to alienate or sell any of those serfs without our prior knowledge, which Nonja Sien, who declared herself to be the owner of those slaves, was also obliged to promise us, all of which arrangements we hope will please Your High Nobilities, at the same time humbly requesting Your High Nobilities to inform the Second Signatory in what manner these effects shall be handled, and how much shall be granted to Mono Arfa for his livelihood, if it be that Your High Nobilities see fit to detain him here. 29. Mention of his weak bodily constitution Is permitted to respond to it in writing Meanwhile noting that after the inventory of these goods was completed, the repeatedly mentioned Mono Arfa was placed under house arrest that very same day in a dwelling within this Castle, where he shall remain until Your High Nobilities have made known Your High Nobilities' intention regarding this former Regent to the Second Signatory, whereby we take the liberty to represent that the repeatedly mentioned Mono Arfa has become so sickly and altered that it is impossible for us to send him to Batavia without exposing him to the danger of dying from the fatigues of the journey and the change of climate, wherefore we hope that the detention of this prisoner, for the reasons adduced, will be approved by Your High Nobilities, to which we have proceeded all the sooner in order, upon the arrival of Mono Arfa's remaining goods, to hear from him directly how matters stand with them and whether any effects have been left behind or embezzled. We likewise serve to inform Your High Nobilities that the first clerk de Chalmot, by our order, has drafted interrogatories from many letters and statements which Resident Wentholt sent hither to incriminate Mono Arfa, on which Mono Arfa was to have been heard in the secret session of the 22nd of this month, but having requested 30: 372 Notice of the detention of the ship West Friesland having requested to have the Malay translations of the points of accusation against him in order to answer them in writing, this was granted to him. However, as we write this, he has not yet finished with them, so that we hope to have the honor of conversing with Your High Nobilities about this defense in a further letter. In the meantime, in continuation of our narrative, we shall note how, in the cited secret meeting of the 22nd of this month, it was also deliberated and considered whether, under these dangerous present circumstances, it would be advisable to let the ship West Friesland depart for Batavia, and whether it would not be more serviceable to retain this vessel in the roadstead to defend the roadstead and even this Castle with its artillery in case of an enemy attack. Whereupon the incoming Governor Thomassen was of the opinion to detain this ship here for defense if news should soon arrive that the enemies have not yet departed and that they are still lingering in these parts, but in case definite reports of the pirates' departure should soon be brought, His Honor is of the opinion to let the ship still undertake the return voyage to Batavia this year, with the same number of crew with which it arrived. However, the other members were of the opinion to retain the ship West Friesland this year, and to send the sloop the Jaccatra to Batavia in its stead, with which arrangements the Second Signatory has been satisfied, who thus is likely to undertake the return voyage to Batavia, with God's help, with the sloop the Jaccatra, since in all probability no certain news of the pirates' departure will arrive for the time being. 31:
Dutch transcription
370 Aanhaling van het montant zijner het overlijden van Mono Arfa huijsvrouw Nonja Sien, hebben wij op desselfs kragtig versoek uijt Compagnies Cassa eene som„ „ma van 150: Rijksdaalders ten leen aan hem afgegeven, om de begraffenis onkosten daar mede goed te maken, voor welk laast bedragen de Reekening van gemeld koningje na beho„ „ren belast is. Dese Reekening ten laste van Mono Arfa, en ten behoe „ve van de Compagnie heeft naar luijdt van Wentholts gemel„ „de missive van den 9: Junij, ten tijde van de opzending be„ „dragen eene somma van Rijksdaalders 1001: 19:8: en aan den boedel van den overleden Resident Mol is hij schuldig geweest een montant van Rijksdaalders 765:43: — Daaren boven heeft zekere Hadje Abdul Samadi in den Jaare 1769: op der koningen versoek eene somma van Rijks„ daalders 351: 25:— op Batavia van uw Hoog Edelheden op schult genoten, welke penningen wij tot heden toe niet hebben kunnen in palmen, vermits Mono Arfa, en Limbots koning Jskandar Nakke de voldoening van dat geld telkens van den een op den andere hebben geschoven weshalven wij ter secreete sessie van den 23: Junij goedgevon„ „den hebben om de kortste en gereedste weg met die invorde„ „ring in te slaan, door dese schuld van rd:s 351: 25: — uijt nono Anfa's effecten te doen betaalen, waar door des„ „selfs debet aan de Compagnie op heden de somma van Rijksdaalders 1502: 44: 8: koomt te bedragen, welke penningen gevoegt bij het montant van rd:s 765: 43: — die Mono Anfa nog aan den boedel van Mol ten agte„ „ren staat, gezamentlijk eene somma van rd:s 2268:39:8: uitmaken, het geen nu alles met uw Hoog Edelhedens belie„ „ven uijt de getanxeerde effecten betaalt kan werden, vermits deselve meerder waardig zijn als dese schulden bedragen. om deze reden hebben wij de overgekomene slaven op het aandringend verzoek der arrestanten mede weder aan deselve laaten overgeven om hun te dienen, dog op Conditie van buijten onse voorkennis met een dier lijfeigenen te en enschulden oederen re uk er ien 29. constitutie Is toegestaan om zig schriftelijk daar op te verantwoorden te mogen vervreemden of verkopen, 't geen Nonja sien, die de eigenaares dier slaven verklaarde te wesen, ons mede heeft moeten beloven, alle welke schikkingen wij verho„ „pen dat uw Hoog Edelheden zullen wel gevallen, Hoogst dezelve teffens ootmoedig versoekende om den twee„ „den Teekenaar te verwittigen op wat wijse met dese effecten gehandelt zal moeten werden, en hoe veel Mono Arfa tot levens onderhout zal werden toegelegt, zoo het is dat uw Hoog Edelheden goedvinden om hem al„ „hier aan te houden: Middellerwijl noteerende dat meermelde Mono Arfa na de gedaane inventarisa„ „tie deser goederen, nog dien zelfden dag in huijs ar„ „rest is gezet in een woning binnen dit Casteel, alwaar hij zoo lang verblijven zal tot dat uw Hoog Edelheden Hoogst derselver intentie met dezen gewezen Regent aan den tweeden Teekenaar te verstaan zullen hebben gegeven, waar bij wij de vrijheit nemen te vertoonen, dat meermelde Melding van zijne zwakke lighaame Mono Arfa zoo ziekelijk en verondert is geworden, dat wij hem onmogelijk na Batavia kunnen verzen„ „den, zonder hem aan het gevaar te exponeeren van door de fatigiees de reijse en verandering van het Climaat te sterven, weshalven wij verhoopen dat de aanhouding van desen arrestant, om de bijgebragte redenen, door uw Hoog Edelheden zal werden goedgekeurt, waar toe wij te eerder zijn overgegaan om bij het overkomen van Mo„ „no Arfa's overige goederen van hem zelfs te hooren, hoedanig het daan meede gestelt is, en of er effecten ag„ „ter gebleven of verduijstert zijn geworden. Wij dienen uw Hoog Edelheden van desgelijken te ver„ „wittigen hoe de eerste Clerk de Chalmot, op onze ordre Jnterrogatorien heeft geformeert uijt veele brie„ „ven en verklaringen die de Resident wentholt, tot bezwaring van Mono Arfa heeft herwaarts ge„ zonden, waar op Mono Arfa ter secreete sessie van den 22: deser verhoopt zoude zijn geworden, dog verzogt hebbende 30: ƒ Ciret van 372 verwittiging van het aanhouden van 't schip west Viriesland hebbende om de Maleise Translaten van de bezwaar po„ „icten ten zijnen lasten te mogen hebben, teneende zig daar op ingeschrifte te verantwoorden, zoo is hem zulks toe gestaan: Dog dewijl wij dit schrijven is hij daar meede nog niet klaar geraakt, zoo dat wij de eere Hopen te hebben uw Hoog Edelheden, bij een nader briefje over dese ver„ „antwoording te onderhouden. Intusschen zullen wij ten vervolge onzer verhalen noteeren, hoe in de aangehaalde secreete vergadering van den 22: dezer mede geraadpleegt en overwogen is, of het in dese gevaarlijke tijds omstandigheeden wel raadzaam zoude zijn om het schip West Fries„ „land na Batavia te laten vertrekken, en of het niet dienstiger waare dezen Bodem aan te houden om de reede, en zelfs dit Casteel in cas van een vijandelijke aanval met zijn geschut te verdeedigen. wanneer de aankomende Heer Gouverneur Thomaszen van adwijs is geweest om dit schip alhier tot defensie aan te houden, indien 'er spoedig tijding mogt inkomen dat de vijanden nog niet vertrokken zijn, en dat deselve zig hier nog omstreeks onthouden maar bij aldien 'er eerlang zekere berigten van het vertrek der ro„ „vers gebragt werden, is zijn Ed: van sentiment om het schip nog van dit Jaar te terug reijse naar Batavia te laaten aannemen, met het zelfde getal van manschap daar het meede gekomen is: Dog de verdere leden zijn van gevoelen geweest om het schip West Friesland dezen Ewaarleg van de Jaccatra na Bbatavia Jaare aan te houden, en de sloep de Jaccatra in dies stee„ de na Batavia te zenden, met welke schikkingen de Twee„ „de Teekenaar genoegen heeft genomen die dus den ke„ „lijk de terugreise na Batavia, onder Gods hulp, met de sloep de Jaccatra staat te onderneemen, dewijl 'er na alle waarschijnlijkheit voor eerst geen zekere tij„ ding van der rovers vertrekt zal komen. zoo l„ dat sa Hoogt den waar elde d den, verzen„ van door aa te van ag„ t wij 31:
English
Description of the spice extirpations We have thus gradually advanced to the description of the spice extirpations, having the honor to report to Your Right Noblenesses on this matter that these highly necessary expeditions cannot be continued with that good success we would wish, due to the roaming of the Mangindanauwers. Indeed, what is more, we were even forced to have the extirpators recalled from Obij, in order not to be attacked and mistreated by these sea rovers, so that we shall not be able to fulfill Your Right Noblenesses' desire to undertake the spice destructions with all possible zeal, as long as the Mangindanauw rovers are not driven out of this Government. However, as soon as we experience these blessed times, the suspended work at Cauw shall be resumed as soon as possible, and the districts of Gane and Saketta shall likewise be undertaken without delay. The first draftsman nevertheless succeeded in having the islands of Tafsoero and Meao fully inspected, although on the island of Tappoero no spice trees or fruits at all were found. However, on the island of Meao, from the 11th of April to the 16th of May, and thus in the span of 36 days, a quantity of 513 clove trees was felled and eradicated, namely: 16 fruit-bearing and 497 sapling or young trees. This commission was accomplished under the supervision of the military sergeant Heubelman and the burgher sergeant Thomas Florijn, who delivered to us the measurements of the largest clove trees, from which it was discovered upon remeasurement that the same were 3¾ ells thick in circumference. For this reason the Council members were very pleased to learn that this wild and uninhabited island of Meao was now cleared of the clove fruits growing upon it, since the native is thereby deprived of the opportunity to provide himself with the said fruits in those places. At the special session of the 9th of July, the commissioners, as well as the common extirpators, confirmed the truth of their reports under solemn oath, after which we granted the commissioners, according to custom, the wages of eight hired hands who were employed during the span of 32 days for carrying the baggage and for various other services, which wages, at 6 stuivers a day for each hired hand, come to the sum of 32 Rijksdaalders. Likewise, in the hope of Your Right Noblenesses' approval, we also had the following goods and monies reimbursed to the commissioners, being: Rds 34: 36 in cash 3 pieces of salempores, brown-blue Coast 4 ditto, common bleached, and 33 jugs of arrack. Which these servants demonstrated in their current account to have advanced more than they received. And since in our opinion there was no objection to the other items in their account, the commissioners were, at the aforementioned session of the 9th of July, discharged from all further accountability for the cash, linens, and other goods taken along. Likewise, these servants were, according to old custom, granted the receipt of their retained board money from the beginning of the extirpation until their return, which we are assured will also be approved by Your Right Noblenesses, for the reason that the said extirpators carried out the spice inspection entrusted to them with diligence and zeal. The summoned commissioners of the Obij spice inspection, Rokken and Sluiter, appeared in our meeting at the special session of the 25th of this month to report on their activities, since the assistant and third commissioner, Jan Geel, had died shortly after his arrival and thus before the swearing of this commission. Thus the two first-mentioned commissioners, Roksien and Sluijter, together with the common extirpators and burghers, took the oath to the truth of their report, testifying that on the islands of Obij Major and Obij Latto their subordinate extirpators had felled a number of: 5000 fruit-bearing nutmeg trees, and 26991 saplings ditto, amounting together to a quantity of 31991 nutmeg trees in all, which destruction was begun on the 27th of September of the past year and ended on the 25th of July of this year, when the extirpators were summoned back. In addition, we could find nothing other than that our servants, as well as the burghers, performed their duty properly on this commission, and their expenditures were also not excessive or greater than on other expeditions, on which account we approved these expenses at the special session of the 26th of this month, with the exception of the sum of 30 Rijksdaalders which was entered into this current account for tobacco given away to the natives, for which we validated no more than 18 Rijksdaalders for them, on the grounds that this herb is very cheap here. In addition, the commissioners were also granted the sum of 302 Rijksdaalders for the wages of eight hired hands who carried their baggage and performed other services for just as many days, as well as a sum of 97: 12 Rijksdaalders in cash and 151 jugs of arrack, which these servants demonstrated in their account had been advanced and given away by them in greater amounts than were enjoyed here. On the other hand, the same returned the 2 pieces of Guinea cloth, brown-blue, 1 piece of Guinea cloth, common ditto.
Dutch transcription
Beschrijving der specerij Extir„ „patien Wij zijn dies allengskens tot de beschrijvinge der specerij extirpatien gevordert, de eere hebbende uw Hoog Edelheden op dit ontwerp te melden, dat deze hoognodige togten door de rondzwervingen der Mangindanauwers, met dat goed succes niet voortgezet kunnen werden als wij wel zouden wenschen: Ia dat meer is wij zijn zelfs genood„ „zaakt geweest om de Extirpateurs van obij te laaten afhaalen, ten einde niet door deze zeeschuijmers over„ vallen en mishandtelt te werden, zoo dat wij uw Hoog Edel„ „hedens begeerte om de specerij, Destructien met alle mo„ „gelijken iever bij der hand nemen, niet zullen kunnen volvoeren, zoo lang de Mangindanauwse rovers niet uit dit Gouvernement verdreven werden, dog zodra wij dese gezegende tijden beleven, zal het gestaakte werk te Cauw ten spoedigsten vervat, en de destricten van Gane en saketta mede zonder toeven bij derhand genomen werden. Het is den eersten Teekenaar nogtans gelukt om de eijlanden Tafsoero en Meao volkomen te doen visiteeren, hoewel op het eiland Tappoero in't geheel geen specerij bomen of vrugten gevonden zijn, dog op het eiland Meao zijn van den 11: April tot den 16: Meij, en dus in den tijd van 36: dagen een quantiteit van 513: Nagelbomen omgevelt en uijtgeroeit, te weten. 16: vrugt. en 497: zelg, of Jonge Boomen. Dese Commissie is volbragt onder het opzigt van den sergeant Militair Heubelman en van den Burger sergeant Thomas Florijn, dewelke de maat der grootste nagelbomen aan ons hebben overgelevert, waar uit bij nameting indekt is dat dezelve 3¾: Ellen in den om„ „trek dik zijn geweest, weshalven het de Raadsleden zeer aangenaam was te vernemen; dat dit woeste en onbewoonde biland Meaonu van de daar op groe iende 32 374 graeiende nagelvrugten was gezuivert, aangezien den inlander daar door de gelegentheit benomen is om zig op die plaatsen van de gemelde vrugten te voorzien. Ter aparte sessie van den 9: Julij hebben de Commissi„ „anten, zoo wel als de gemeene Extirpateurs, de waarheit hunner Rapporten met solemnelen eede bekragtige waar na wij de Commissianten, na gewoonte, het loon hebben toegestaan van agt huurlingen, die geduuren„ „de den tijd van 32: dagen tot het dragen van de baga„ „gie en tot verscheijde andere diensten gebruijkt zijn geweest, welk loon u 6: stuijvers daags voor ieder huur„ „ling de somma van 32: Rijksdaalders koomt te beloopen gelijk wij inhoope van uw Hoog Edelhedens approba„ „tie, de volgende goederen en penningen meede aan de Commissianten hebben laaten restitueeren, als Rd:s 34: 36: aan Contanten 3: P:s salempoerissen bruin blauw Cust _o gemeen gebleekt, en 4: „— - 33: kannen Arak. Het welk dese Dienaaren bij hunne Rekening Cou„ „rant aangetoont hebben meerder door hem uitge„ „schooten als ontfangen te zijn; en dewijl er onses bedunkens op de overige posten hunner Reekening niets te zeggen is gevallen zijn de Commissianten, ter meermelde sessie van den 9: Julij van al„ „le verdre verantwoording der mede genomene Contanten, Lijwa„ „ten, en andere goederen ontheft: Gelijk dese dienaaren, na oude usantie, het genot mede toegestaan is van hun te goed gehouden kostgeld, zedert het begin der Extirpatie tot hun te rugkoomst toe, het geen wij versekert zijn dat mede door uw Hoog Edelheden zal werden goedgekeurt, ter zaake dat de gemelde Exirpateurs de hun aanvertrouwde specerij visite met vlijt en ijver ter uijtvoer hebben gebragt. De opontbodene Commissianten der Oubise specerij visite Rokken en Sluiter, zijn ter aparte sessie van den 25: dezer in cerij den ra werk Gane en te en 33: in onze vergadering verscheenen, om rapport van hunne verrig„ „tingen te doen, vermits de assistent en derde Commissiant Jan Geel, reeds kort na zijn aankomst, en dus voor de beëediging de„ „zer Commissie overleden was: zoo dat de beide eerst gemelde Commissianten Roksien en sluijter, benevens de gemeene Extirpateurs en Burgers, den eed voor de waarheit van hun Berigt hebben afgelegt, met betuiging dat op de eilanden „obij Major, en obij Latto door hunne onderhoorige Extirpa„ „teurs waaren omgevelt een getal van. 5000: Vrugt Noote boomen, en 26991: Telg _o tezamen bedragende een quantiteit van 31991: Noote Mus„ „caat boomen in zoort welke destructie begonnen is op den 27: september van het gepasseerde, en geeindigt op den 25: Julij dezes Jaars, wanneer de Extirpateurs zijn op ontboden. Daar en boven hebben wij niet anders kunnen vinden of onse Dienaa„ „ren, hebben zoo wel als de Burgers, hun pligt na behooren op deese Commissie volbragt, en kunnen uitgaven zijn me„ „de niet Excessief of meerder als op andere togten geweest, wes„ „halven wij dese ongelden ter aparte sessie van den 26: deser hebben geapprobeert uijtgezondert de somma van 30: — Rijksdaalders dewelke voor weg geschonkene Tabak aan de inlanders bij dese Reekening Courant zijn opgebragt, waar voor wij hen niet meer dan 18: Rijksdaalders gevalideert hebben, ter zaake dit kruit hier zeer goed koop is. Daaren„ „boven is de Commissianten mede toegestaan de somma van 302: Rijksdaalders voor huurloon van agt huurlingen die even zoo veele dagen hunne bagagi gedragen en andere diensten hebben gedaan, als ook eene somma van Rijksdaal„ „ders 97: 12:— aan Contanten en 151: kannen arak, dewel„ „ke dese dienaaren bij hunne reeckening aangetoont hebben dat meeder door hen uijtgeschoten en weggeschonken als alhier genoten zij. Daar en tegen hebben dezelve de te rug gebragte 2: stukken guinees bruin blauw 1: stuk guin:s gemeen _o Dan ge
English
Expression of thanks for various approved write-offs [illegible] and 60 musket cartridges were returned to the warehouses, which we hope will all be approved by Your Right Noblenesses. Your Right Noblenesses please also be informed that a number of fourteen Ternate burghers and one corporal were employed on this expedition, which men we were forced to make use of because the King of Batchian sent his people so late to the work that we had already begun to doubt whether he would supply a single man for it, to which he finally resolved; but he left his men at the extirpation work for only six months, and then recalled them. Yet because the prince has now complied with his duty after a fashion, and the promised extirpators have been sent, the first undersigned has, in his letters to the King, refrained from uttering sharp words or threats, which he is certain will meet with the approval of Your Right Noblenesses. Meanwhile, he likewise expresses his obligation to Your Right Noblenesses for the gracious manner in which his High Masters have conveyed their satisfaction with his management of the extirpations; and the second undersigned assures Your Right Noblenesses that he will likewise apply himself with all possible diligence and attention to give Your Right Noblenesses satisfaction in this important matter, by continually pursuing the destruction of the spices as soon as restored peace in this government shall enable him to employ the necessary manpower for that purpose. Before the undersigned now reply to the other unanswered points in Your Right Noblenesses' most honored letters, they also wish not to neglect expressing their thanks for the permitted write-offs of cash, munitions of war, and provisions which were spent and consumed on various expeditions and cruising voyages to the coast of Celebes and to the Sangir Islands, as well as on the Maba extirpation expedition, in furtherance of 376 35: And other transactions Further report regarding the conduct of the Kema garrison at the time of the invasion of the pirates Answer to Your Right Noblenesses' remark regarding the broken-off expedition of the ship Schoonsigt the Company's interests. The first undersigned furthermore has the honor to express to Your Right Noblenesses his obligation also for Your Right Noblenesses' satisfaction with certain others of his arrangements, namely with the approval of the measures taken for the defense of this government on 4 November 1776; with the enlistment of eleven burgher marksmen on the bark De Ida; with the approval regarding the leaving of the artillery on Hullabessie to the lieutenant of the King of Ternate; and regarding Your Right Noblenesses' permission to deliver, without payment, the four-pounder cannon to which the King lays claim to the said prince. Whereupon the first undersigned very humbly thanks Your Right Noblenesses for the confirmation of Sergeant Holliger as Postholder of Kema, and for the permission to name the newly built small fort Utrecht. It is also very pleasing to us that Your Right Noblenesses have been pleased to recognize how impossible it was for the garrison of Kema who fled to escape the numerous enemy through forests and trackless paths and at the same time retain their firearms, wherefore Your Right Noblenesses have had the goodness to permit the write-off of those weapons, which consisted of: 16 muskets and 16 small cartridge pouches, which Postholder Holliger has reported to the first undersigned. The Maguindanaos have this year caused more mischief at sea than on shore, and since the last attack of the past year have undertaken no further assaults against the fortress of Manado; yet should this occur, we hope that the sea-rovers will be received there with equal courage; and in response to Your Right Noblenesses' remark that one ought to have ensured here that the ship Schoonzigt was not, for lack of provisions, 95 36: And away
Dutch transcription
Dankbetuiging voor diverse „ge approbeerde afschrijvingen gemeen gebleekt, en 60: snaphaan Patroonen weder in de Pakhui„ „sen afgegeven, het welk wij verhoopen dat alle door uw Hoog Edel„ „den zal werden goedgekeurt. uw Hoog Edelheden gelieven meede te weten dat er een ge„ „tal van veertien Ternaatse burgers en een Corporaal op deze togt gebruijkt zijn geweest, van welke manschap wij ons wel hebben moe„ „ten bedienen, om dat Batchians koning zijn volk zoo laat bij het werk heeft gestuurt dat wij al gewaar hoopt hadden of hij daar toe wel een man zoude leveren, waartoe hij eindelijk besloten heeft maar hij heeft zijne manschap maar ses maanden bij het Extirpatie werk gelaten, en deselve als toen terug ontboden dog doordien de vorst nu taliter qualiter zijn pligt heeft betragt, en de beloofde Extirpateurs gezonden zijn, heeft de eerste Tekenaar zig in zijne brieven aan den koning van het uiten van scherpe woorden of drijgenmenten onthouden, het geen hij verzekert is dat uw Hoog Edelheden zal wel geval„ „len: terwijl hij Hoogst dezelve van desgelijken zijne verpligting betuigt over de gratieuse wijse waar mede zijne Hooge gebie„ „ders Hun welgevallen over desselfs behandeling met de Er„ „tirpatien te verstaan geven, en de Tweede Teekenaar verzekert uw Hoog Edelheden, dat hij zig mede met alle mogelijke vlijten attentie zal toeleggen om Hoogst dezelve in dit gewigtig arti„ „kel genoegen te geven, door de specerij destructien geduurig voorttezetten, zoo draa de herstelde rust in dit gouverne„ ment hem instaat zal stellen, om de daar toenodig manschap te kunnen emploijeeren. Voor dat de Teekenaars nu op de verdere onbeantwoorde po„ „incten van uw Hoog Edelhedens zeer geëerde letteren res„ cribeeren, willen dezelve mede niet verzuimen hunne dankbe„ „tuigingen af te leggen voor de toegestaane afschrijvingen van Contanten, oorlogs Ammunitien, en mand behoeften, de„ „welke op diverse expeditien en bekruijssingen na de Cust van celebes, en na de sangirse eilanden, zoo mede op de Mabase Extirpatie togt zijn uitgegeven en verbruikt, tot bevordering van pa„ 376 35: En andere verrigtingen Nader berigt wegens het gedrag der kenrasse bezettelingen ten tijde van de invasie der rovers Antwoord op H: H: E: aanmerking wegens de afgebrokene Expeditie van 't schip Schoonsigt van Compagnies belangen. De eerste Teekenaar heeft wijders de eere uw Hoog Edelheden zijne verpligting ook te betuigen wegens Hoogst derselver wel gevallen met zommige andere zijner schikkingen, namentlijk met de approbatie van de genomene maatregelen tot de „fensie van dit gouvernement op den 4: November 1776: met de aanneming van elf burger schutters op de Bark de Jda, met de approbatie wegens het overlaten van 't geschut op Hullabessie aan den steede houder des konings van Ternaten, en wegens Uw Hoog Edelhedens toestemming om het vier ponder Canon, waar op de koning preetensie maakt, zonder betaling aan gemelden vorst aftegeven. waar bij de eerste heekenaar uw Hoog Edelheden zeer nedrig dankbetuijgt wegens de bevestiging van den sergeant Holli„Ma „ger tot Posthouder van Kema, en over de vergunning om het nieuw opgebouwd Fortje utrecht te noemen. Het is ons meede zeer aangenaam dat uw Hoog Edelheden hebben gelieven in te zien hoe het onmolijk is geweest voor de ontvlugte kemase bezettilingen, om den talrijken vijand doorbosschen en ongebaande wegen te ontsnappen, en teffens hun geweer te behouden, weshalven Hoogst dezelve de goedheijd hebben gehad van de afschrijving dier wapenen toe te staan, dewelke bestaan hebben, in: 16: snaphaanen en 16: kleine Patroontassen het welk de Posthouder Holliger aan den eerst getekende heeft opgegeven. De Mangindanauwers hebben dese Jaare op zee meer on„ „heils als aan de wal verwekt, en zedert de laatste atteque van het gepasseerde Jaar geen verdere aanslagen tegens het Fortres van Manado ondernomen, dog dit geschie„ „dende hoopen wij dat de zeeschuijmers aldaar evenmoedig intfangen zullen werden, en op uw Hoog Edelhedens aan„ „merking dat men alhier hadde dienen te zorgen het schip schoon zigt niet door manquement van randsoen hadde 95 36: En weg
English
378 And concerning that which Your High Excellencies had written regarding the conduct of helmsman Meijer and whether he ought to have returned, the first signatory will solely reply that he consulted with maritime experts regarding the provisioning period, who were of the opinion that the crew, with provisions for four months, could well have cruised the Sangir islands and the entire north-west coast of Celebes, over and above the fact that we were not able at that time to furnish them with more rations. However, the leakage of the ship Schoonsigt was a real obstacle, and therefore this vessel, upon its return from the cruising expedition, was repaired here of this and other defects, which was certainly the reason that the said vessel was able to winter very well at Maccassar without leakage. Concerning the conduct maintained by the helmsman Meijer on the cruise carried out along the coast of Celebes, we form the same thoughts as Your High Excellencies, and all the circumstances cause us to lean toward giving more credence to the statements of the four commissioners of that expedition, who acquit Meijer of dereliction of duty, than to the premature and improbable testimonies of the two native Christians to his detriment. The first signatory has nevertheless learned with pleasure that Your High Excellencies approved that the investigation of helmsman Meijer's conduct at the time of the surprise capture of the pantjallang de Dolphijn was assigned to the Council of Justice, which investigation subsequently took place, whereupon the sailors of the said vessel were acquitted by verdict of 18 December 1777 of all further accountability regarding the loss of that vessel, not being found guilty of any dereliction of duty, and thereupon their wages resumed their course. However, with the helmsman Meijer, alongside the quartermaster Cornelis de Admiraal, it did not turn out in conformity with Your High Excellencies' opinion, for the Council of Justice did not hold these two seamen free from suspicion of malicious, deliberate neglect of duty upon the capture of their vessel, for which reason they were condemned to be sent to Batavia with forfeit wages, with further condemnation in the costs of justice. However, the often-mentioned helmsman Meijer died here in the month of June of dropsy, and the quartermaster den Admiraal is currently mortally ill, so that this one will likely also not be able to undertake the journey to Batavia. Your High Excellencies will, if you please, be able to perceive from the transmitted legal documents upon what grounds this judicial sentence was based, to which we also add that to this day it remains undecided whether the Jullokkers go out on raids together with the Mangindanauwers, although it is very probable that the Mangindanauwers, and not the Jullokkers, took away the pantjallang de Dolphijn; and this being so, then the Boelang Jtam deponents would have missed the mark, as indeed often happens with statements from natives. And if the first signatory may say so, it is likewise the case with the Ternatean grievances that these natives on the cruise of the year 1776 were supposedly left in want of money and provisions; but the natives are covetous and indiscreet, and demanded more from the commissioners on that expedition than the latter could spare, although we shall heed Your High Excellencies' recommendation and in the future take care not to let the natives suffer any lack of necessary provisions, to the end that Your High Excellencies may not be troubled with complaints about it. We have here and there already made some reflections upon the conduct of Tidor's king which might add much glory to His Highness, but since he, in his letter to Your High Excellencies, made many fine-seeming representations and arguments, and promised how his interests obligated him to live in friendship with the Company and the king of Ternate.
Dutch transcription
378 En op het gene Hoogst dezelven wegens het gedrag van stuurman Meijer hadden geschreven hadde behoeven terug te keeren zal de eerstgetekende eenlijk repli„ „ceren dat hij over den randsoen tijd met zeekundigen heeft te raade gegaan, die van gevoelen zijn geweest dat de scheepelingen met mond behoeften voor vier maanden de sangirsse eilanden ende geheele Noord west Cust van Celebes wel hebben kunnen be„ „kruissen, buijten en behalven dat wij niet in staat zijn geweest hen te dier tijd meerder randsoen te verstrekken dog de lekkagie van het schip Schoonsigt, is een wezentlijke hinderpaal ge„ „weest, en daarom is desen bodem bij zijn terug koomst van de kruijstogt alhier van dit en andere gebreeken hersteld, 't geen zeker de reeden is geweest dat gemelde bodem zeer welzonder lekkagie op Maccassar heeft kunnen overwinteren. wegens het gehouden gedrag van den stuurman Meijer, op de gedaane bekruissing langs de Cust van Celebes formeeren wij dezelfde gedagten als uw Hoog Edelheden, en alle de omstan„ „digheeden doen ons overhellen om meer geloofte slaan aan de betuijgingen van de vier Commissianten dier Expeditie, dewelke Meijer van wan devoir vrij spreeken, als aan de preematuure en onwaarschijnelijke getuigenissen van de tweede Jnlandse Christenen ten zijnen nadeele= De eerste Teekenaar heeft nogtans met genoegen vernomen dat uw Hoog Edelheden goedgekeurt hebben het ondersoek van des stuurman Meijer gedrag, ten tijde der overompeling van de Pantjallang de Dolphijn, aan den Raad van Justitie was opgedragen, welk onderzoek vervolgens is geschiet, wan„ „neer de matroosen van het gemelde vaartuig bij vonnis van den 18: December 1777. geabsolveert zijn van alle verdere verant„ „woording wegens het verlies van dien bodem, als niet schuldig bevon„ „den zijnde aan eenige wandevoir, en daar op heeft derzelver gagie weder Cours genomen: dog met de stuurman Meijer, benevens de quartiermeester Cornelis de Admiraal, is het met conform uw Hoog Edelhedens gevoelen uitgeval„ „len want de Raad van Justitie heeft deze beide zeelieden niet buiten vernoeden gehouden van quaad overlegen pligt verzuim bij „ „ven De schrijvenen gevoelen van de gezindheit der konings van Tidor ten opzigte van de Compagnie bij de verovering hunner bodem, alwaar omme dezelve gecondem¬ „neert zijn om met afgeschreven gagie na Batavia verzonden te wer„ „den, met verdere Condemnatie in de kosten van Justitie: Dog meer„ „melde stuurman Meijer is hier in de maand Junij aan de water zugt overleden, en de quartiermeester den Admiraal is te geswoordig dood krank, zoo dat dese dranklijk ook niet in staat zal zijn om de reijse na Batavia te ondernemen. uw Hoog Edelheden zullen des gelievende, uijt de overkoo„ „kende proces stukken kunnen ontwaaren, op welke gron„ „den dit Justieele vonnis gefundeert is geweest, waar bij wij nog voegen, hoe het tot heden nog onbeslist is of de Jullokkers met de Mangindanauwers ten roof vaaren, hoewel het zeer waarschijnlijk is dat de Mangindanauwers, en met de zul„ „lokkers de Pantjallang de Dolphijn hebben weggeno„ „men, en dit zoo zijnde dan zouden de Boelang Jtamse Deposanten de bal hebben misgeslagen, zoo als tetal dikwils met verklaringen van Inlanders gaat: En als Inhaligheit der Ternaten beschie, den Eersten Teekenaar het mag zeggen, dan is het meede in diervoegen gelegen met de Ternaatse doleantien, dat dese inlanders op de kruijstogt van den Jaare 1776: in verlegent„ „heit om geld en mond behoeften gelaaten zouden zijn: dog de Jnlanders zijn begeering en indiscreet, en hebben op dien togt meerder van de Commissianten gevordert, als deze hebben kunnen missen, hoewel wij uw Hoog Edelhedens recommandatie in agt nemen en in het vervolg bedagt zullen zijn om de Jnlanders geen gebrek van noodwendige be„ „hoeften te laten lijden ten einde Hoogst dezelve daar over met geen klagten vermoeilijkt werden. Wij hebben hier en daar al eenige reflecties over het ge„ „drag van Tidors koning gemaakt die zijn Hoogheit met veel roem kunnen bijzetten, dog dewijl hij in zijn brief aan uw Hoog Edelheden veele Schoon scheijnende vertogen en re„ „deneringen gedaan, en belooft heeft hoe zijn belangen hem verpligteden om met de Compagnie en den koning van De Ternaten vorst dien
English
The writers judge that the requested muskets should be refused to that prince. to draw a line against the Mangindanauwers at Ternate, we are indeed compelled to remark from here that His Highness has since shown by his actions to have quickly abandoned this beneficial system, for as it appears to us, this prince now thinks of nothing less than putting himself in a posture of defense and acting in unison with us; in short, His Highness of Tidor concerns himself as little with attending to the Company's interests as with the governance of his kingdom, regarding which Your High Nobilities rightly remark that he simply allows his deceitful and false-hearted courtiers to have their way, which reflection will guide us to proceed according to Your High Nobilities' recommendations, placing no trust in the protestations of the Tidorese, and especially not in those of the deceitful and false-hearted crown prince, but principally relying on our own bravery, power, and fortifications. Furthermore, we hope that Your High Nobilities, upon reading our letters, will find that the thoughts we hold regarding the conduct of the Tidorese are kept sufficiently concealed without our showing him any distrust: which statement Your High Nobilities will see confirmed by our composed attitude and answer at the time His Highness presumably sought to test us with the message that 190 enemy vessels had appeared at Maba, of which incident mention was made in our missive of the 13th of this month. Furthermore, we take the liberty to inform Your High Nobilities that the King of Tidor has not yet spoken to us about the 40 muskets for which he made a request to Your High Nobilities, but should he demand these weapons, we shall, with Your High Nobilities' pleasure, turn the King away under the pretext of our own need, because we cannot imagine that the Tidorese intend to make an honest and useful employment of this weaponry; for which same reason Ill suspicion regarding the conduct of Batchian's King. Further writing concerning Daing Masona. Intention of the second signatory regarding the post Parigi. reason we also frequently refuse with politeness the King's requests for cannon, cannonballs, and gunpowder. With Batchian's King, matters are situated almost the same, and all the reports received from there strengthen us in the suspicion that that prince is colluding with the Mangindanauwers, for which reason he will not obtain the two cannon-less vessels from us, and should he request this artillery, we shall refuse it on the grounds that we require it on the vessels. Meanwhile, we express our thanks to Your High Nobilities for the communication that Your High Nobilities desire to pay no heed to Daing Masona's proposals to re-establish the post at Bwool, which is certainly also for the best, and moreover we believe that said Daing was never truly in earnest to undertake this reconstruction with good intentions; at least the reports from the King of Limbotto and from Quandang's Resident Duur are not very favorable toward this rover, as he is accused of having very bad folk in his retinue, who, upon their departure from Quandang, ruined some plantations and abducted three to four people, wherefore said Resident has been ordered to avoid all intercourse with this adventurer as much as possible. For the rest, the second signatory will not lose sight of Your High Nobilities' given orders to dismantle the post of Parigi as soon as the danger from the Mangindanauwers has passed and these sea-rovers are curbed, for as the necessary men and vessels can be spared, this expedition will soon be undertaken. But since one will have to proceed with the utmost circumspection in order to succeed felicitously in the intended withdrawal, the first signatory, in his left-behind memorandum for the instruction of his successor, Mr. Thomassen, has specified the strength of men and vessels that, in his opinion, are required in this commission.
Dutch transcription
380 De schrijvers oordeelen dat dien vorst de verzogte snaphanen dienen geweegert te worden Ternaten een lijn tegens de Mangindanauwers te trekken, zoo zijn wij wel genoodzaakt van hier op aan te merken, dat zijn Hoogheit zedert door zijn daden getoont heeft van dit heilsaam Sijstema spoedig verlaaten te hebben, want zoo het ons voorkoomt denkt dese vorst nu nergens minder om als om zig in postuur van depensie te stellen, en eensgezint met ons te ageeren, in t kort gezegt, zijn Hoogheit van Tidor bemoeit zig even weijnig met de behartiging van Compagnies belangen, als met het bestier van zijn rijk, waar mede uw Hoog Edelheden te regt aanmerken, dat hij zijne be„ driegelijke en valsherige Hovelingen maar laat omspringen, welke bedenking ons zal opleiden om na Hoogstderzelver recommandatien te werk te gaan, geen betrouwen op de be„ „tuigingen der Tidoresen en inzonderheit op die van den be„ „drieglijken en vals hertigen kroon Prins te stellen maar voor„ „namentlijk op onse eigene dapperheit, magt, en vestingen te steu„ „nen. Daarenboven hopen wij dat uw Hoog Edelheden bij de lectuure onzer brieven bevinden zullen dat onse gedag„ „ten, die wij van het gedrag der Tidoreesen hebben, bedekt genoeg werden gehouden, zonder dat wij hem eenig wantrou„ „wen laten blijken: welk gezegde uw Hoog Edelheden bevestigt zullen zien door ons bezadigde houding en antwoord, ten tijde zijn Hoogheijt ons denkelijk zogt te beproeven door de boodschaap, dat 'er 190: vijandelijke vaartuigen op ma„ „ba waaren verschenen, van welk geval bij onse missive van den 13: deser gewag is gemaakt. Wijders neemen wij de vrijheit uw Hoog Edelheden te communiceeren, dat de koning van Tidor ons tot nog toe niet heeft aangesproken om de 40: snaphanen waarom hij Hoogst dezelve versoek heeft gedaan, dog zoo hij dese geweren mogte vorderen, zullen wij den koning met uw Hoog Edelhedens believen, onder praetext van eigen beno„ „digtheit van de hand wijzen, om dat wij ons niet verbeelden kunnen dat de Tidoreesen voor hebben een eerlijk en diens„ „tig gebruijk van dit wapentuig te maken: om welke zelfde reeden 39: be„ kwaad vermoeden wegens het ge„ „drag van Batchians koning Nader schrijvens wegens Daiig Masona voornemen van den tweeden Teke¬ de Post Parigi reeden wij 's konings versoeken om Canon, kogels, en Buskruit mede dikwils met beleefheijt weigeren. Met Batchians koning is het bijna even eens gestelt, en alle de daar van ingekomene berigten versterken ons in het vermoe„ „den dat die vorst met de Mangindanauwers heult, om welke reden hij de beide twee sonder Canons niet van ons zal krijgen, en zoo hij dit geschut versoeken mogt, zullen wij het refusee„ „ren, op fundament dat wij het op de vaartuigen van doen hebben. Jntusschen betuijgen wij uw Hoog Edelheden dank voor de Communicatie dat Hoogst dezelve geen reflectie begeeren te slaan op Daing Masonas voorslagen om de Post te Bwool weder te herstellen, het geen zeekerlijk ook het best is, en daar„ en boven geloven wij dat het gemelden Dain nooit regt ernst is geweest om desen op bouw met een goede intentie te beher„ „tigen, ten minsten zijn de rapporten van den koning van Limbotto en van Quandangs Resident Duur dezen zwerver niet zeer gunstig, als die beschuldigt werd van zeer slegt volk in zijn gevolg te hebben, dewelke bij hun ver„ „trek van Quandang eenige plantagien geruineert, en drie à vier menschen hebben opgeligt, weshalven gemelden Re„ „sident gelast is geworden, om alle verkeering met dezen avanturier zoo veel doenlijk te vermijden. Voor het overige zal de tweede Teekenaar uw Hoog Edel„ „naar wegens de opbrake van „ hedens gegevene ordres om de Post van Parigi op te breeken, niet uijt het oog verliesen zoo draa het gevaar voor de Man„ „gindanauwers gepasseert, en dese zee schuijmers beten„ „gelt zullen zijn, want de nodige manschap en vaartuij„ „gen als aan te missen zijnde zal deese Expeditie spoedig ondernomen werden: Dog dewijl men met de uijterste om zigtigheit te werk zal moeten gaan, om gelukkig in de voorgenomene ligting te slagen, zoo heeft de eerst geteken, bind „de, bij zijne nagelatene memorie, tot narigt van zijnen opvolgen, den Heer Thomassen de magt van manschap en vaartuijgen opgegeven, die zijnes vragtens in deze Commessie Ber Ceij
English
Report concerning the return of the English to Hullok should be used on commission, both to secure the retreat of the garrison and to keep the Parigians in check if they should not willingly allow our people, together with the Company's ammunition and goods, to depart. To achieve this objective, the first signatory is still of the opinion that at least one bank and one large sloop ought to be deployed and manned with 150 men, while the remaining arrangements must be made and adjusted according to the circumstances of affairs and the times in which this expedition will be undertaken, which, with Your High Nobilities' approval, should be left to the governor who will hold authority during the undertaking of this evacuation. In our secret letter of 20 May, we already had the honor of informing Your High Nobilities of a certain declaration by two natives, in which mention was made of the appearance of two English ships at Hullok, whose crews, however, had not been permitted to come ashore there. However this may be, we think at least that the spread rumors of advantages gained by the British at Jullok are untrue and fabricated, and the Second Signatory will directly inform Your High Nobilities of all the reports he shall obtain concerning this nation or other remarkable occurrences. But since we have already entertained Your High Nobilities at sufficient length concerning everything that has occurred in this Government up to this day that ought to be described in secret, we shall now conclude this letter, and commend Your High Nobilities' illustrious persons to the only safe protection of the Almighty, taking at the same time the liberty of calling ourselves with the deepest respect and veneration, Your High Nobilities' most humble and dutiful servants, Signed: P. J. Valckenaer, and J. R. Thomaszen. In the margin: Ternate in Castle Orange, 28 August 1778. Agrees: W. Roines Batavia To His High Nobility The High Noble, Rigorous, Highly Esteemed, Far-Commanding Lord Reijnier de Klerk Governor-General together with The Right Honorable, Rigorous Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Rigorous, Highly Esteemed, Valiant, Most Wise, Prudent, Discreet, Most Generous Lord and Right Honorable, Rigorous Lords In our respectful secret missive of 28 August last, we had the honor to inform Your High Nobilities that the six Tidorese corracorras, which were dispatched in the past month of July to drive the Magindanaos away from Maba, had been recalled by the king, and we have since learned that their intention was not to harm the enemy. But the Ternatans have done their utmost to encounter the enemy, though upon their arrival at Maba the rovers had already departed from that place; and these Moluccans, thus seeing no chance of engaging with the Magindanaos, thereupon undertook the return voyage, so that the small Ternatan fleet is expected here in the coming days. But the burgher Thomas Florijn, whom we had placed on board to give us an accurate account of this expedition, has already been sent ahead by the Ternatans and has delivered a written journal, which we take the liberty of presenting to Your High Nobilities herewith. From this paper Your High Nobilities will observe that the Ternatan fleet was received very hostilely by the Mabaese and repulsed with live cannon fire, although the Ternatan Alfurs did not remain indebted to them in this regard, but offered a courageous resistance to these apostate rascals. For, transported with rage on account of the shooting to death of one of their chiefs, they put those of Maba to flight, slaughtered twenty of them, and burned all the houses on Maba; which misfortunes, in our opinion, the Mabaese brought upon themselves, because they were the first attackers and treated the Ternatans as enemies, whereas the latter had come to assist them against the Magindanaos and to drive these sea rovers from Maba. The said Thomas Florijn further reports in his journal that the rumor that the Magindanaos had burned Maba was found to be untrue, since upon their arrival there everything was still in good order; whereby the news of the ruin of this place, which certain Mabaese chiefs spread here some weeks ago and which the king himself had communicated to us, entirely lapses. Although, as shown by our secret letters of 13 August, we already had this suspicion from the written account that these chiefs gave thereof, as Your High Nobilities will be able to recall from the passage we cited concerning it in the said letter. To which we further add that the said emissary Florijn, with the assistance of the Ternatans, overpowered a small vessel, from which two crew members
Dutch transcription
382 Berigt wegens der Engelschen terugkoomst op Hullok Commissie gebruijkt dienden te werden, zoo wel om den aftogt der bezettelingen te beveiligen, als om de Parigiers in bedwang te houden, zoo ze de onzen, beneven Compagnies ammunitie goe„ „deren niet goedwillig lieten vertrekken, Ten bereijking van welk oogmerk de eerst getekende als nog van gevoelen is, dat 'er ten minsten een Bank en een groote sloep, aange„ „legt, en dezelve met 150: koppen bemant dien den te we„ zen, terwijl de overige schikkingen gemaakt en ingerigt moeten zijn na de omstandigheeden van zaken van tijden waar in deese expeditie bij derhand genomen zal werden, het geen met uw Hoog Edelhedens goedvinden dient overge„ „laaten te werden aan den gouverneur die bij de onderne„ „ming dezer ligting het gezag zal voeren. Bij onze secreete brief van den 20: Meij hebben wij de eere reeds gehad uw Hoog Edelheden kennisse te gevon van zekere verklaring, van twee Jnlanders, waar in van de verschijning van twee Engelse scheepen op Hullok werd gewaggemaakt, dog welkers scheepelin„ „gen aldaar niet aan de wal hadden mogen komen, dog hoe het hier ook meede gelegen zij, wij denken ten minsten dat de verspreide gerugten van der Britter behaalde voordeelen op Jullok onwaar en ver„ „cierd zijn en de Tweede Teekenaar zal uw Hoog Edelhee„ „den direct kennis geven van alle de berigten die hij van dese natie of andere merkwaardige voorvallen te weten zal krijgen: Dan dewijl wij Hoogst dezelve reeds breedvoerig genoeg onderhouden hebben over alles dat 'er op heden toe in dit Gouvernement voor„ „gevallen is, en secreete beschreeven dient te werden, zoo zullen wij dezen brief thans besluijten, en uw Hoog Edelhedens Illustre persoonen in de al„ „leen veilige bescherming des Allerhoogsten re„ „commandeeren, teffens de vrijheit nemende van ons met 't diepste respect en veneratie te bben voor binde te noemen. /:onderstond:/ Hoog Edele, Gestrenge Groot Agtbaare, Manhafte, welwijze, voor„ „zienige, Discreete zeer Genereuse Heer en Wel Edele Gestrenge Heeren /:lager:/ uw Hoog Edel„ „hedens zeer onderdanige en Trouwschuldige Dienaaren /:was geteekent:/ P: J: Valckenaer, en J: R: Thomaszen, /:in margine:/ Ternaten in't Casteel Orange den 28: Augustus 1778:— Accordeert W. Roines p Suret en D 384 Batavia Aan zijn Hoog Edelheit Den Hoog Edelen Gestrengen Groot Agtbaren Wijdgebiedenden Heere Reijnier de Klerk Gouverneur Generaal benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raden van Nederlands India Hoog Edele Gestrenge Groot Agt„ „bare, Manhafte, wel wijse voor„ zienige, Discrete zeer Gene„ „reuse Heer Wel Edele Gestrenge Heeren en Bij onze eerbiedige secreete Missive van den 28: Augustus jongstlededen hadden wij de eere UW Hoog Edelheden te verwitti„ „gen dat de zes Tidonese Corra corras, die in de gepasseerde maand Julij afgezonden zijn om de Mangindanauwers van Maba te verjagen, door den koning waren terug ont„ „boden, en zedert hebben wij vernomen dat derzelver intentie niet geweest is om den vijand te beschadigen: Dan de Ternatanen hebben hun best genoeg gedaan om den vijand aante treffen, dog de zwerwers waren bij derzelver aankomst op Maba, reedts van die plaats vertrokken en deze Moluccanen dus geen kans ziende om met de Mangindanauwers aan den gang tera ken raken, hebben daar op de terug reise aangenomen, zoo dat het Ter„ „naatse vlootje hier eerstdaags werd verwagt, dog de Burger Thomas Florijn, die wij op geplaatst hadden om ons een nan„ „keurig verslag van dese Togt te doen, is reedts van de Ternaten voor uitgezonden, en heeft een schrieftelijk Dagverhaal over„ „gelevert, het geen wij de vrijheit nemen uw Hoog Edelheden men dezen aante bieden. uit dit Papier zullen Hoogst dezelve ontwaren dat de Ternaat„ „se vloot zeer vijandelijk door de Mabaresen ontfangen, en met scherpe Canon schoten afgewezen is geworden, hoewel de Ternaatse Alfoeren hen daar in niet schuldig zijn gebleven, maar deze afvallige schelmen eene moedige toegestaand hebben geboden, want door toorn vervoert wegens het dood schieten van een hunner opperhoofden, hebben zij die van Maba op de vlugt gedreven, twintig van dezelve in de pan gehakt, en alle de huizen op Maba verbrand, welke onheilen de Mabaresen zig onses bedunkens, zelfs op den hals hebben gehaalt, doordien zij de eerste aanvallers zijn geweest en de Ternatenen als vijanden hebben behandelt, daar dezelve gekomen waren om hen tegens de Mangindanauwers te assisteren, en deze zeeschuijmers van Maba te verdrijven. De gemelde Thomas Florijn melt wijders bij zijn Dagverhaal dat het gerugt, als of de Mangindanauwers Maba verbrand zou„ „den hebben, onwaar is bevonden dewijl alles bij hun koomst daar nog in goede kleur was, waar door de tijding van het ruineeren dezer plaats, die zommige Mabaresen opperhoofden hier voor eenige weken verspreid hebben, en die de koning ons zelfs heeft laten communiceeren, geheel komt te vervallen, hoewel wij blijkens onze secreete letteren van den 13: Augustus dit vermoeden reedts gehad hebben van het schrieftelijk Relaas t' geen dese opper„ „hoofden daar van gegeven hebben, zoo als uw Hoog Edelheden zig zullen kunnen herinneren uit de periode, die wij daar over in de gemelde brief hebben aangehaalt. waar bij wij nog voegen dat de gedagde zendeling Florijn, met behulp der Ternatanen een klein vaartuigje heeft overmeestert, waar van twee schepe„ lingen
English
386 cut to pieces, three have fled into the woods, and two others with three women were taken prisoner by the Ternatans. One of these youths is a Tidorese by birth, who likely sailed with the Mangindanauwers, and the other is a native Mangindanauwer, and a so-called Hatibie, who however left his country at a young age and wandered everywhere; he even lived here on Ternate, and also on Batchian and Tidor for some years, where his wife and daughter still reside, and further testifies that having gone from Tidor to Salwatti to trade, a fleet of Mangindanauwers arrived there, whereupon, wanting to return from those Papuan islands to his place of residence Tidor, he encountered the Ternatan fleet, whose crew brought him hither as a prisoner. But since the account of this Hatibi is in many respects so confused and obscure that we have not yet been able to gain much clarity from it, we shall in time try to learn some further details from him. Meanwhile, we shall take the liberty to communicate to Your High Nobilities that the members of this Table, Meurs and Johnson, at the beginning of this month delivered to us the report concerning their accomplished commission to the Court of Tidor, of which mention was made in our last letter of 28 August, from which it appears that the King of Tidor was extraordinarily offended and angered by the complaints made on behalf of the King of Ternate regarding the hostilities of the Tidorese, although the King on the other hand sought to convince the commissioners of his goodwill toward the Company, with whose servants he claimed to want to seek out and destroy the Mangindanauwers. Whereupon the King strongly complained to the commissioners about a certain affront that one of his sons had suffered here on Ternate from the confidant of the King of Ternate, named Jamali, who His Highness claimed had insulted this son of his in the public street, and thus had highly insulted him, the King, regarding which he hoped that we would provide him with satisfaction. Likewise, the King, in the presence of the commissioners, had a certain Tidorese lieutenant give an account of the experiences of the six corracorras that went to seek out the Mangindanauwers in the past month of July, as is described more extensively in our missive of 13 August. This person, who was assigned to this small fleet, declared that the Mangindanauwers first devastated Maba, but that the Ternatan Alfurs afterwards made it even worse in that place with burning and plundering, which was also affirmed by the King to the commissioners, who therefore requested that the Company employ all possible means to prevent the Ternatans from committing any further hostilities, just as Your High Nobilities will discern all this in much greater detail from the copy of the commissioners' extensive report, which we have the honor to send herewith. However, Your High Nobilities may also know that we have reason to give little credence to the relations and accounts that thus come to our ears from the Tidorese side, as Your High Nobilities may also deduce from everything that has been written in both the last letters regarding this nation. Meanwhile we have the honor to show Your High Nobilities, on the subject of the Tidorese complaints, that we have spoken with the King, as well as his favorite Jamali, about the displeasure that Tidor's King had conceived against the said Jamali regarding the affront done to his son; but Jamali testifies not to have seen or spoken to any son of Tidor's King, but indeed that he had words with another Tidorese whom he had addressed concerning debts, without him 388 having had in his thoughts to insult the King of Tidor or his sons. And so it generally goes here with both these nations, whose deeds and words one can never truly decipher, which gives us even more work and trouble to settle all such disputes or to arrange them in the best manner. We also maintain that the Tidorese lieutenant misled the commissioners with his account of the devastations that the Mangindanauwers allegedly caused on Maba, and the misdeeds that the Ternatan Alfurs allegedly committed in that region afterwards were extraordinarily exaggerated by the lieutenant. At least, the Burgher Sergeant Tilorijn, who is a credible person, only made mention of the hostilities committed by the Alfurs on Manado, and not on other Tidorese districts, which hostilities the Mabarese moreover brought upon themselves, as has already been shown herebefore. Furthermore, everything that the lieutenant recounted of the devastations by the Mangindanauwers on Maba is untrue, since we are reliably informed that everything in that settlement was in good order and undamaged at the time the Ternatans appeared there, so that the pretended devastation by the Mangindanauwers was certainly invented by those of Tidor to make us believe that they maintain no contact with these sea rovers, notwithstanding that we are only too well assured of the contrary. Yet whatever reason we may have to complain about the conduct of the Tidorese, we shall
Dutch transcription
386 lingen in de pangehakt, drie in de bosschen zijn ontvlugt, en twee andere met drie vrouwspersonen door de Ternatanen zijn gevangen genomen. Een dezer knapen is een Tidorees van geboorte, die denkelijk met de Mangindanauwers zal hebben gevaren en de andere is een geboren Mangindanauwer, en zoo genaamde Hatibie, dog die zijn land reets jong verlaten en overal heeft rondgesworwen, zelfs heeft hij hier op Ternaten, en ook op Batchian en Tidor eenige Jaren gewoont; alwaar zijn vrouw en dogter zig nog onthouden, en betuigt wijders dat hij van Tidor na salwatti zijnde gegaan om te negotieeren aldaar een vloot van Mangineanauwers was aange„ „komen, wanneer hij zig van dat Papoes eilanden na zijn woon„ „plaats Tidor te rug willende begeven, de Ternaatse vloot ontmoet hadde, welkers schepelingen hem gevankelijk hadde herwaarts gebragt: Dog dewijl het verhaal van dese Hatibi in veele opzigten zoo verward en duister is; dat wij daar uit tot nog toe met veel ligt hebben kunnen krijgen, zullen wij met er tijd eenige nadere ontdekkingen van hem zien te vernemen. Intusschen zullen wij de vrijheit neemen uw Hoog Edelheden te communiceeren dat de Leden dezer Tafel Meurs en Johnson het berigt wegens hunne volbragte Commissie na het Hof van Tidor, waar van in onze laaste brief van den 28: Augustus gewag is gemaakt, in't begin dezer maand aan ons hebben overgelevert, waar uitkoomt te blijken dat de ko„ „ning van Tidor ongemeen gebelgt en verstoort is geweest over de klagten die van wegens den koning van Ternaten over de vijandelijkheden der Tidoreesen zijn gedaan, hoewel de ko„ „ning de Commissianten daarentegen van zijne welmenent„ „heit voor de Compagnie heeft zoeken te overtuijgen, met welkers Dienaaren hij voorgegeven heeft de Mangindanauwers te wil„ „len opzoeken en verdelgen: waar bij de koning zig sterk bij de Commissianten beklaagt heeft over zeker affront dat een zij„ „ner zoonen hier op Ternaten ondergaan hadde van den vertrok„ „weling des konings van Ternaten, in naame Jamali, die zijn Hoogheit voorgegeven heeft dat dezen zijnen zoon op de pu blieke aat„ met blev ven, nd eten de alle van bbieke straat uitgescholden, en hem (koning) dus ten hoogsten beledigt hadde, waar over hij verhoopte dat wij hem satisfac„ „tie zouden bezorgen. van desgelijken heeft de koning in praesentie van de Commis„ „sianten door zekere Tidorese Luitenant een verhaal laten doen van het wedervaren der ses Corra Carras, dewelke de Mangindanauwers in de gepasseerde maand Julij hebben gaan opzoeken, zoo als breedvoeriger in onze Missive van den 13: Augustus beschreven staat: Dese Persoon die op dit vlootje bescheiden is geweest, heeft verklaart dat de Manquida„ „nauwers Maba eerst hebben verwoest maar dat de her„ „naatse Alfoeren het naderhand op die plaats met bran„ „den en plunderen nog slimmer hadden gemaakt, het geen mede door den koning aan de Commissianten wierd betuigt, die daarom verzogt dat de Compagnie alle mo„ „gelijke middelen in het werk wilde stellen om de Terna„ „tanen het plegen van alle verdere vijandelijkheden te beletten, zoo als uw Hoog Edelheden dit alles veel omstan„ „diger zullen ontwaren uit het afschrift van der Commis„ „sianten breedvoerig Rapport het geen wij de eere heb„ „bens hier nevens te zenden. Dog uw: Hoog Edelheden gelieven daar bij te weten dat wij reden hebben om weinig geloof te defereeren aan de relaa„ „sen en verhaalen die dus van de Tidoreesen kant ter ooren koomen zoo als Hoogstedezelve mede wel kunnen opma„ „ken uit alles dat er in de beide laaste brieven van dese natie geschre„ „ven is: terwijl wij de eere hebben uw Hoog Edelheden op het onderwerp der Tidoreese klagten te vertoonen dat wij den koning, benevens des„ „selfs gunsteling Jamalie onderhouden hebben over het misnoe„ „gen dat Tidors koning tegens gemelden Jamali hadde opgevat over het affrant dat zijnen zoon was aangedaan maar Jamalie betuigt van geen zoon van Tidors koning gezien of gesproken te hebben, maar wel dat hij woorde hadde gehad met een andere Tidarees die hij over schulden hadde aangesproken, zonder dat hij 388 hij in zijne gedagten heeft gehad om den koning van Tidor of deszelfs zoonen te beledigen: en zoo gaat het hier door gaans met dese beide naties, welkers daaden en gezegden men nooit regt kan ontdokken, 't geen ons nog meer werk en moeite geeft om alle zulke quaestien te beslis„ „sen of in de beste plooi te schikken. Wij sustineeren mede dat de Gidoreesen Luitenant de Commissianten misleidt heeft met zijn verhaal van de verwoestingen die de Mangindanauwers op Naba zouden hebben aangerigt ende euveldaaden die de Ternaats Alfoeren naderhand in die land„ „streek gepleegt zouden hebben, zijn ongemeen door den Luitenant vergroot: ten minsten heeft de Burger sergeant Tilorijn die een geloofwaardig persoon is, alleen gewag gemaakt van de gepleegde vijandelijkheeden der Altoeren op Manado, en met op andere Gidoreese destricten, welke vijandelijkheeden de Mabareesen zig boven dien nog zelfs op den hals hebben gehaalt, zoo als hier bevorens reeds is aangetoont: Daarenboven is alles onwaar dat de Luitenant van de verwoestingen der Magin„ „danauwers op Maba heeft verhaalt, dewijl wij in het zekere onderrigt zijn dat alles wel in die Ne„ „gorij gestelt en onbeschadigt was ten tijde de Ternatanen aldaar verscheenen, zoo dat de voorgewende verwoes„ „ting door de Mangindanauwers zekerlijk door die van Tidor verzonnen is om ons te doen geloven dat zij geen gemenschap met deze zeeschuimers hou„ „den, niettegenstaande wij maar al te wel van het tegen„ „deel verzekert zijn: dog welke reden wij ook mogen hebben om over het gedrag der Tidoreesen te klagen zullen
English
we will nevertheless apply ourselves with all our power to restrain both our Moluccan nations from waging open war against one another, since this would be one of the greatest misfortunes that could befall us in these dangerous circumstances of the times, although the bitterness of the Tidorese has already gone so far that they have fired with live ammunition at the Ternatean corra corras that have now recently returned from their military expedition to Batchian, notwithstanding that these coura corras flew the Company's flag, and Ensign Vegele, who served on this little fleet, restrained the Ternateans from firing back or avenging themselves in any other manner. Whereby may it please Your High Excellencies to know that the said Ensign Vegele returned on the 9th of this month with the Ternatean Corri Corras from his expedition to Batchian, whither he had departed as shown by our letter of 28 August, and this officer encountered no Mangindanauw vessels either at Batchian or on the cruise around oubij, although many here nevertheless maintain that these scoundrels have not departed for their country but are still lingering here and there between Ternaten and tulla bessi in order to surprise passing vessels. Furthermore, we have the honor to report to Your High Excellencies that the capture of the Oubise Post by the Mangindanauwers has been confirmed to us by Batchian's Resident Lofman, and at the same time also by four Amboinese, named Johannes Lelouli, Paulus and Isaak Nalogi, and Simon Jacobs, which persons were driven to oubij by distress at sea and were present while the Mangindanauwers landed there for the first time on 24 June with seven prahus, whereupon these pirates attacked the Fort, from which however such brave resistance was offered to them that they were forced to retreat without having accomplished anything; but having returned two days later with fifteen well-manned vessels, the garrison had to bow to the superior strength of the robbers and take flight, but with such unfortunate success that they all fell into the hands of the enemies, after which the robbers also seized the artillery and further munitions of war, as can be seen in more detail from the Account of these four Amboinese, of which we take the liberty of offering a copy to Your High Excellencies, noting at the same time that on that occasion the Company lost two one-pounder cannons with their accessories, in addition to the small arms and gunpowder of the garrison, which, along with the other effects of that Post, is made known in the accompanying Note, which we have had written off in the books in hope of Your High Excellencies' approval. Concerning the treacherous conduct of Batchian and his secret correspondence with the Mangindanauwers, we have recently written a short paragraph to Your High Excellencies in our letter of 28 August, on which subject we can now report in continuation to Your High Excellencies that the underhanded tricks of this prince are confirmed to us from all sides by oral accounts and written reports, in proof of which statement we take the liberty of sending herewith the copy of the Young King's letter of the 2nd of this month, in which he reports to us that the notorious sadje oemar and some other confidants of the Mangindanauw king were sent with a letter to the kings of Tidor and Batchian, wherein Batchian's king is informed that Ambon would be brought under the authority of Batchian with the help of the Mangindanauwers, with which objective he had already dispatched two ships manned with Europeans and One hundred Paduakans to cruise in the Moluccos, as well as that still more other European ships were about to come over to the Moluccos, with several other hostile projects which are described at length in this letter, to which we respectfully refer, only demonstrating to Your High Excellencies that all such reports, which cannot be entirely rejected, show the danger of the Moluccos being overpowered before long by the said ill-disposed nations, which dreadful state of affairs indeed compels us to request Your High Excellencies in the most humble manner to assist us as quickly as possible with a strong reinforcement of men and vessels in order to be able to face the enemies and ill-disposed persons and save us from the danger hanging over our heads, which is moreover all the more necessary because the ship West Vriesland in these times cannot possibly be dispatched with the small crew of 70 men without putting that vessel with the Company's gold and the souls sailing upon it at stake; to which we further add that the Ternateans are beginning to become so sluggish and unwilling that very little reliance can now be placed on the assistance of corra Corras, besides the fact that the king of Ternaten cannot be persuaded to provide men for the Company's vessels, since he maintains that they are always oppressed and mistreated by the commanders of the vessels; whereby His Highness has also given us to understand that his subjects were beginning to show a great reluctance to have to leave their wives and children so repeatedly upon undertaking voyages on military expeditions, without receiving any reward for it
Dutch transcription
zullen wij ons egter met alle onse vermogens toeleggen om onse beide Molukse natien te wederhouden van elkanderen der openbaaren oorlog aan tedoen, dewijl dit een van de grootste onheilen zoude zijn die ons in dese gevaarlijke tijds omstandigheden konde over„ „komen, hoewel de verbittering der Tidoreesen reets zoo ver is gegaan dat zij met scherp geschoten hebben op de Ternaatse corra corras die nu laastelijk van hun krijstogtie na Batchian zijn teruggekomen, niet te„ „genstaande dese coura corras Compagnies vlag lieten waaijen, en de vaandrig Vegele, die op dit vlootie gedient heeft de Ternatanen wederhouden heeft om wederom te schieten of zig dies wegens op een andere wijze te wreeken. waar bij uw Hoog Edelheden gelieven te weten dat de ge„ „melde vaandrig Vegele den 9: dezer met de Ternaatse Corri Corras van zijn hogtie na Batchian terug is gekomen, wer„ „waarts hij blijkens onse brief van den 28: Augustus ver„ „trokken was, en dese officier heeft op Batchian, nog op de bekruijssing rondom oubij geene Mangindanauwse vaartuigen aangetroffen, hoewel veele hier dog sus„ „tineeren dat dese schelmen niet na hun land vertrokken zijn maar zig nog hier en daar tusschen Ternaten en tulla bessi ophouden om de passeren de vaartuigen te overompelen. Wijders hebben wij de eere uw Hoog Edelheden te berigten dat de verovering der Oubise Post door de Mangindanau„ „wers, ons door Batchians Oosthouder Lofman is bevestigt, en teffens ook door vier Amboneesen, in naame Johannes Lelouli, Paulus en Isaak Nalogi, en Simon Jacobs, welke persoonen door zeenood na ou„ „bij verdreven en present zijn geweest, terwijl de Mangin„ „danauwers aldaar op den 24: Junij voor de Eerste maal met zeven prauwen quamen te landen wanneer dese zeeschuimers het Fort hebben geattaqueert, waar uit hen 390 hen egter eene zoo dappere tegenstand geboden was dat zege„ noodzaakt waren geweest van onverrigter zaake te moeten afdienzen: dog twee dagen naderhand met vijf„ „tien wel bemande vaartuigen terug gekomen zijnde hadden de bezettelingen voor de overmagt der rovers moe„ „ten bukken ende vlugt nemen, dog met zoo een ongelukkig„ succes dat dezelve alle inhanden der vijanden waren ge„ „vallen, waar na de novers zig ook van het geschut ende verde„ „re oorlogs behoeften hadden meester gemaakt zoo als breedvoeriger gezien kan werden uit het Relaas dezer, vier Amboineesen, waar van wij de vrijheit neemen uw Hoog Edelheden een afschrift aan te bieden, teffens no„ „teerende dat de Compagnie bij die gelegentheit twee een sonder Canons met hun toebehoren is quijtgeraakt, be„ „nevens het handgeweer en buskruit der bezettelingen het geen nevens de andere effecten dier Post bij de nevensgaande Notitie is bekent gestelt het geen wij in hoope van uw Hoog Edelhedens ap„ „probatie bij de boeken hebben laten afschrijven. Over het verraderlijk gedrag van Batchians en zijn geheime correspondentie met de Mangindanauwers hebben wij uw Hoog Edelheden nu nog laastelijk in onze brief van den 28: Au„ „gustus eene kleine periode geschreven over welk onderwerp wij Hoogst dezelve thans ten vervolge kunnen melden dat de slinksche streeken van dezen vorst ons van alle kan„ „ten door mondelinge verhaalen en schrieftelijke berigten bevestigt werden ten bewijze van welk gezegde wij de vrijheit neemen het afschrift van de Jonge konings brief van den 2: dezer hier nevens te zenden, waar in hij ons melt dat de berugte sadje oemar en nog eenige vertrouwelingen van den Mangindanauwers koning met een brief aande koningen van Tidor en Batchian waar in gezonden om Batchians koning te verwettigen dat de Ambon door behulp der Mangindanauvers onder het gezag van Batchian zoude brengen 1: brengen, met welk oogmerk hij reeds twee schepen bemaand met Europeanen, en Hondert Paduakans hadde uit„ „gezonden om in de Moluccos te kruissen, zoo mede dat en nog meer andere Europeaanse schepen na de Mo„ „luccos stonden overkomen, met meer andere vijan„ „delijke projecten, die breedvoerig in dezen brief wer„ „den beschreven, waar aan wij ons eerbiedig gedragen uw Hoog Edelheden eenelijk vertoonende dat alle zulke berigten, die men niet ten eenemaal ver„ „werpen kan het gevaar aantoonen dat de Moluccos van eerlang door de gemelde quaadgeziende natien overweldigt te werden, welke akelige toestand ons wel noodzaakt uw Hoog Edelheden op het ootmoedig„ „ste te versoeken van ons op het spoedigste met een sterk secours van volk en vaartuigen te assisteeren om de vijanden en quaadgezienden het hoofd te kunnen bieden en uit ons over het hoofd hangend gevaar te redden bretitgeen buiten dien des te noodzakelijker is om dat schip west Vriesland in dese tijden inmogelijk met de geringer equipagie van 70: man verzonden kan werden zonder dien bodem met Compagnies goud, en de daar op varende zielen in de waagschaal te steelen: waar bij nog voegen dat de Ternatanen zoo traag en onwillig beginnen te worden dat men op het secours van corra Corras thans ook zeer weinig staat kan maken, behalven dat de koning van Ternaten niet bewogen kan worden om volk op Compagnies vaartuigen te geven, vermits hij sustineert dat deselve altijd van de hoofden der vaartuigen onderdrukt en mis„ „handelt werden: waar bij zijn Hoogheit ons mede te verstaan heeft gegeven dat zijne onderdanen een groote tegen„ „zien begonden te toonen om hunne vrouwen en kinderen zoo telkens, bij het ondernemen, van reizen te krijgstog„ „ten te moeten verlaten, zonder dat voor eenige belooning gaa
English
392 Yes, even scarcely enjoying their meager board, to which he could also not force them too strongly, lest he run the danger of making himself so hated among his people that some hotheads might well choose a bad side and defect to the corsairs. Thus, we foresee that the Ternatans will before long not allow themselves to be employed on any sea expeditions or for the relief of Company vessels unless they receive board and wages, which we request that your Right Noblenesses please take into consideration, and inform us what we are to do should His Highness insist upon this, as well as whether we may grant some wages to these natives when employed for the protection of the Company's possessions and vessels, and at what rate your High Mightinesses please to determine these monthly stipends. We also have the honor to inform your Right Noblenesses that the detained King Mono Arfa still remains weak and sickly, which prevents him from drawing up his written defense, which we will therefore not be able to send to your High Mightinesses before next year, if he remains alive and recovers his health; while for the rest, regarding the sending over of this former Regent, we refer to the detailed narrative concerning him that was set down in our last secret letter of 28 August. Furthermore, the Second Signatory will have the honor next year to present to your Right Noblenesses his reflections upon the considerations concerning the present state of defense, and upon your Right Noblenesses' order issued thereupon, so that in the meantime he may peruse the necessary papers in order to arrange his description all the more completely. Meanwhile, we commend your Right Noblenesses' illustrious persons to the only safe divine protection, and we simultaneously take the liberty to call ourselves with the deepest respect and veneration, below stood: High Noble, Severe, Great Honorable, Valiant, Wise, Provident, Discreet, Very Generous Lord and Noble, Severe Lords, lower: your Right Noblenesses' very humble and faithful servants, was signed: P. J. Valckenaer, and J. R. Thomaszen, in margin: Ternate in Fort Orange, 10 September 1778. Agrees: Ahoenes Secretary Incoming Secret Letters and Enclosures received from Macassar Since October to December 1778. 394 Batavia. To the High Noble, Great Honorable, Ruling Lord Reijnier de Klerk, Governor-General, together with The Noble, Severe Lords Councilors of the Dutch East Indies. To His Right Nobleness, High Noble, Great Honorable Lord, Noble, Severe Lords. Since the dispatch of my humble last letter of the 30th ultimo, the duplicate of which is respectfully enclosed herewith, having had the fortune on the 8th instant to receive your Right Noblenesses' highly respected letter of 23 July previous, I initially take the liberty to report respectfully thereupon that immediately after the conquest of Goa, I was indeed mindful, and applied every possible effort, to have the ramparts of that stronghold demolished, and to have all the trees standing in and around it felled, but that regarding both matters, and especially the former, I have not been able to succeed completely as desired up to now, given that the subjects of the Company could not be disposed thereto, having requested under all kinds of pretexts to be excused therefrom, which is nevertheless to be attributed to mere superstition and the resulting fear of misfortunes. I had, however, persuaded the Madurese and Sumenappers to throw down a large part of the rampart, so that it has also been done by them, although not entirely to the ground, yet to such an extent, along a length of some thirty roods, that one can enter there without much difficulty, even with heavy cannon. However, after I had to send the greater half of them to Sandrabonij, that work has come to a standstill up to now, as well as on another side, where the Highlanders leveled circa twenty roods, to which I could not otherwise encourage the chiefs than by a promise to request your Right Noblenesses that they might be presented with a small token of remembrance for their help in the siege of Goa, to be distributed among their families, as I take the liberty to do herewith, since they have well deserved it, even for that work, and for which they desired no payment. But given that they are now about to return home, which I could no longer refuse them, just as their further retention is not necessary, I could also not demand more of them; but on the other hand, the Madurese and Sumenappers are again busy felling the trees, among which many are extraordinarily large and heavy, after the completion of which I shall again try to induce them to further destroy the ramparts, just as I employ other means thereto; taking the liberty to note for your Right Noblenesses' reassurance that once all trees are gone and only a third, indeed a fourth part of the ramparts will have been thrown down, one will never need to fear
Dutch transcription
392 Jaa zelfs naulijks het soberkostje te genieten waar toe hij de„ „zelve ook niet al te sterk konde dwingen, of hij liep gevaar van zig zoo gehaat hij de zijnen te maken dat zommige het hofdigen wel een quaade partij kiezen en na de ko„ „vers konden overlopen, zoo dat wij wel voorzien dat de bernatanen zig eerlang op geene zee expedities of tot secours van Compagnies vaartuigen zullen laten gebrui„ „ken als ze geen kost en gagie trekken, het geen wij ver„ „zoeken dat uw Hoog Edelheden in overweging gelie„ „ven te nemen, en ons te melden wat wij te doen hebben zoo zijn Hoogheit hier op mogt aandriengen, zoo mede of wij dese inlanders, tot bescherming van Compagnies bezittingen en vaartuigen gebruikt werdende eenige gagie mogen afgeven en waar op Hoogst dezelve deze maandgelden gelieven te bepalen. Wij hebben mede de eere uw Hoog Edelheden te ver„ wittigen dat de gearresteerde koning Mono Arfa nog zwak en ziekelijk blijft, het geen hem verhindert om zijne schriftelijke verantwoording op te maken, die wij Hoogst dezelve dus niet voor het aanstaande jaar zullen kunnen toezenden, als hij in 't leven blijft en gezont werd: terwijl wij ons voor het overige wegens de opzending van dezen gewezen Regent aan het breedvoerig verhaal gedragen, dat over denzelven ter neder is gestelt, bij onze laatste secreete brief van den 28: Augustus. Wijders zal de tweede Tekenaar de eere hebben uw Hoog Edelheden aanstaande jaar zijne Bedenkingen aan te bieden op de consideratien over den preesenten staat van defensie, en op uw Hoog Edelhedens daar op gevolgde order, ten einde Hij in middelen tijde de daar toe nodige papieren zal nalezen, om zijne beschrijvin„ „ge dies te vollediger te kunnen inrigten Jntusschen beveelen wij uw Hoog Edelhedens Illustre en Illustre Persoonen in de alleen veilige goddelijke bescher„ „minge, en wij nemen teffens de vrijheit van ons met het diepste respect en veneratie te noemen. /:onderstond:/ Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbare, Manhafte welwijze voorzienige Discreete zeer Genereuse Heer en wel Edele Gestrenge Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelhedens zeer onder„ „danige en trouwschuldige Dienaren /:was getekent/ P: J: Valckenaer, en J: R: Thomaszen /: in margine:/ Ternaten in't Casteel Orangen den 10:e September 1778: — Accordeert Ahoenes en Secrets Aankomende Secrete Brieven en Bijlaagen ontvangen van Macasser Zedert October 1o6 December 1778. 394 Batavia- Den Hoog Edelops Groot Achtb: Wydgebiedende Heere Reijnier de Klerk Gouverneur Generaal benevens De Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van nederlandsch Indië Aan zyn Hoog Edelheid Hoog Edel Groot Achtb: Heers Wel Edele Gestrenge Heeren. Sedert de afzending mijner onderdanige laatste van den 30.: ' pass:o, welkers duplicaat desen in Eerbied is bijgevoegt„ het geluk gehad hebbende op den 8. hujss te Recipieeren mor„ hoog Edelheeden hoog gerespecteerde van den 23: Iali bevorens, zo neeme ik aanvankelyk de vrijheid daar op in Eerbied te dienen, dat ik al aanstonds na de verovering van Goa, wel ben bedagt geweest, en alle mogelyke moegte aangewend hebbe, om de wallen van die sterkte te doen vrslegten, en alle de daar in - en omher gestaan hebbende Boomen te doen omvellen, dog dat ik omtrend het En Een en ander en voornamentlijk het eerste tot nu toe niet volkomen naar wensch, hebbe mogen slaagen, gemerkt de onder danen van de Comp: daar toe niet zyn te disponeeren. geweest, onder allerleij voorwendsels verzegt hebbends daar van verscheond te mogen blijven, het geen nogtans aan een enkele snperstisie, en daar uijt voortvloeijende vreese voor onheijlen te attribueeren is, De Madureesen, en Simanassers hadde ik egter overgehaald om Een groot deel vande wal om te werpen, invoegen dan ook door dezelven, schoon niet geheel tot den grond, egter in zo perre gedaan is, ter langte van in de dertig reeden, dat men daar door zelfs met swaar Canon, sonder veel moeijte kan binnen komen, dog na dat ik de grootste„ helft van hun in de Sandrabonij hebbe moeten zen„ „den; is dat werk zo wel tot nu toe blijven stoeken, als aan een andere kant, daar de Overwalders, Corce twintig roeden, hebben geslegt, waar toe ik de hoofden niet anders hebbe kunnen animeeren. Dan door Een toezegging om uw hoog Edelheeden te zullen verzoeken, dat zij net een kleen gedagtenisse mogten worden beschonken wegens hunne hulpe in de belegering van Ioa, om die onder hunne famielien te kunnen uijtdeelen, gelyk ik de orgheijd neeme te doen bij deesen, vermits zij het zelfs aan dat werk wel verdiend, en waar voor zij geen betaling begeerd hebben: dan gemerkt zij thans in huijs staan te keeren, het geen ik haar zo min langer hebbe moge wijgeren, als hare ver„ dere aanhouding noodzakelijk is, hebbe ik han ook niet meer Ronnen vergen, maar daar en tegen zyn de madureesene Snmanappers, op nieuw beezig met het omvellen der boomen, waar onder 'er veele buijten gemeen groot en waar syn na verrigting van het welke ik hun weder zo wel zal tragten te beweegen tot verdere vernieling vande volleg als ik daar toe andere middelen aanwonds; ter Wo hoogEdelh=s geruststelling de vrijheid neemende te noteeren, dat wanneer alle boomen weg en slegts maar Een derde Ia Een vierde gedeelte der wallen omgeworpen zullen zijn, men nimmer bedugting zal behoeven
English
need to fear that the Macassars will ever again be able to strengthen themselves internally in such a manner that it could be prevented with little trouble, if only a steady eye is kept upon it, not to mention that it is not even apparent that they will settle there again, at least not so long as no trees are found there, which could easily be provided against by destroying the young shoots that sprout in time. Regarding the rebels, I can only report that a troop under the former Sumbammarese Tomilalang Craeng Bilaadje, who had fortified themselves strongly in four bentings thrown up under the mountains, were driven out of these strongholds on the 2nd of this month by the chief interpreter and the datu of Lideenring, supported by two companies of Madurese, with a loss of around forty dead, and took to flight; while another troop under the rebel TanKilang, having plundered some people and many buffaloes in a negorij in the Goa district belonging under the Regentess of Thaing, was pursued by the aforementioned datu without having been able to overtake them. Of Arou Palacca and her families, who also still remain in the mountains, as little is heard as of all the other grandees, so that it still remains completely uncertain whether they will submit on the terms proposed by me to the King of Goa, who passed away on 1 September last, as I had otherwise expected from various private reports received in that regard would have been their intention, once an agreement had been reached with those of Sandrabonij, which I now have the good fortune to be able to communicate, namely that the grandees of the realm have not only already paid, besides thirty-four male and 5 female slaves, 1740 Spanish rixdollars in cash, together with some goldworks accepted as pledges for Spanish reals, but that they are also actually busy gathering more money and at the same time demolishing their city, so that there is hardly any doubt that they will fulfill their promises to pay twenty thousand Spanish rixdollars and an annual tribute of six slaves, to which number the same was reduced at their request; while in the meantime further satisfaction is awaited, regarding which they have implored to postpone the conclusion of the peace contract until after the end of the Jonassa or rest period; meanwhile, this behavior of theirs has caused me to resolve to let our troops return from there hither, except for the two companies of Madurese mentioned before, who have been left there to assist the chief interpreter, to prevent the invasion of the rebels into the negorijen of the subjects in those surroundings, besides which the said chief interpreter has been ordered to see to it that the further demolition of the walls of Sandrabonij proceeds; while I further note here, as a further proof that they seem to be sincere with the Company, that some of them under one of the chiefs assisted the chief interpreter in the aforementioned action against Craing Bilaadje. Regarding the realm of Tello, which is still devoid of inhabitants, I know nothing else to report than that I shall also try, when opportunity arises, to have the stronghold to be found there, or the main negorij surrounded by a wall, demolished; while time will have to show whether the Telloese, many of whom reside with their former Queen under the name of Mandhars and thus of her own subjects, will also submit and make a request to have this conquered land back again, concerning which I have meanwhile, as well as concerning the lands under Goa, having heard rumors, informed the King of Bonij that the Boniers must refrain from settling there, threatening to have all such persons dislodged by force, and this on the occasion that, having agreed to leave a certain negorij in the Sandrabonij district, which of old has been inhabited by Boniers who have some paddy fields, gardens, and fishponds there, several grandees of the realm, untruthfully pretending that they also owned property in other places in the Goa district which I had caused to be burned, made a request in His Highness's name to have the same and the surrounding fields back; while I furthermore, on the occasion of a fire that broke out on the 4th of this month in the kampongs of Bouton and Tempe, both belonging to the Company, but in the latter of which the Boniers had several houses that were destroyed by the fire, forbade the rebuilding of any others, and on that account also rejected the request made to that end by some grandees of the realm, as well as the instance of the Pongauwa Datou Baringang to be allowed to have wood cut in the Company's timber forest in the province of Maros, called lattene; for the rest, apart from some newly committed insolences by certain petty princes in the Company's province of Maros, about which I indeed have the most serious representations made each time, but seldom receive any other satisfaction than promises to dislodge them from there, I have had little to negotiate with this court, except only that a large number of grandees of the realm No.
Dutch transcription
396 behoeven te hebben, dat de Maccassaren zyg daar binnen ooyt weder zodanig zullen kunnen versterken, dat het met wijnig moeyte zoude te beletten zijn, als daar op maar gestadig het oog gehouden word, ongerekent dat het zelfs niet apparent is, dat zij zig daar weder zullen nederzetten, immers niet zo lange 'er geen booen gevonden worden, naer tegen gemak„ kelyk konde worden voorzien, met de Ionge telges die in der tijd uyjtspruijten te vernielen—. Nopens de Rebellen kan ik een lyk metden dat een troup onder den geweesen Sumbammarees Tomilalang Craeng Bilaadje, die zig in vier Bertings onder het gebergte opgeworpen, harden versterkt, door den opertolk in den datou van Lideenring, ondersteund door twee Com„ pagnien Matureesen op den 2=e deezer uijt deze hunne sterktens met verlies van in de veer„ „tig dooden verdraaven zynde, de vluyt genomen had„ „ven; terwijl een ander troup onder den Rebel TanKilang, op Een negorij in het Goat dis„ „trict, gehorende onder de Regentinne van Thaing eenig volk, en veele buffels geroofd hebbenden, door na den voormelden datom is gezet, zonder hun te hebben kunnen agterhaalen —. van Arou Palacca, en hare famielies, die zig almede nog in het geborgte onthouden, verneemd men zo min iets, als van alle de verdere grooten, zo dat het nog geheel onzeeker blyft, of zy, op den voet, door mij aan de zedert of wel dan 1: Sept:r pass=o overleeden Koning van Goa, voorgesteld, wal in submissie zullen komen gelyk ik anderzints uijt hoofde van verscheijde dierwegens ontvangene Particulieren Beregten, verwagt hadde, dat hunne betragting zoude zyn geweest, als nan het eens geworden zoude zyn, met die aan Sandrabonij 't geen ik tans het geluk kan„ hebben mirkooddelheedens te bedeelen, en dat de: de Ryksgrooten niet alleen reets, behalven vier en dertig slaaren 5: Slavinnen zyn voldaan rynv=e spaars 1740-. aan Contanten, nevens eenige goudwerken die men voor voor„ spaans in pand aangenoomen heeft, maar dat zij ook werkelyk beekig zyn om nog maer geld te verzamelenken teffens met het slegten van hunne stad, zo dat 'er nauwelijk aan te twijffelen zij, dat zij hunne beloften om twintig duijzend Ryxdaalders spaans op te„ brengen, en Een Iaarlyks howagen van ses slaaven, tot hoedanig getal men dezelve op hun verzoek ver„ „minderd heeft, wel zullen nakomen; terwijl men in„ „tusschen op nog eenige verdere voldoening wagtzwaar„ omtrend zij tot na het eijndigen der Ionassa of rusten geimploreerd hebben om het vreders Con„ tract te sluijten; ondertusschen heeft mij dit huw„ gedrag doen Resolveeren onse troupen daar van har„ waards te rug te laten komen, uytgesonderd de twee Compagnier Matureesen, voorwaards gemeld, die daar gelaten zijn, ter assistentie van den oppertolk, om de invasie van de Rebellen in de negorijen der onderdanen daar omstreekt te beletten, buyten het welk dan gemelden oppertolk gelast is toetezien, dat met het verder slegten der Sandrabonijse wallen werd voortgevaren; terwijl ik hier tot een nader blyk dat zij het met de Comp: schijnen te meenen nog noteeren hoe eenige van hun onder Een der hoofden den oppertolk in de voorgewaayds actie tegen Craing Bilaadjes geassisteert hebben Nopens het Ryk selle; dat als nog van inwoonde, sontbloot, is, niets anders te bedeelen weetende, dan dat ik de aldaar te vindene sterkte, of wel met Een wal omringde hoofdnegorij bij gelegentheid almede zal trylen te doen slegten; Terwijl van den tijd zal dienen te worden. 398 worden afgewagt of de Telloneesen, waar van 'er velt bij haar gewesen Koningins onder de naam van Mhaniders en dus van haar eigen onderdanen verblyf huiden, mede in submissie Romen, en verzoek zullen doon om dit overwon„ nen land weder te rug te hebben, waar omtrend ik in„ middens zo wel, als omtrend de landen onder Goa hebbende gehoord, aan den Koning van Bonij hebbe doen weeten dat de Boniers zig zullen hebben te wagten van zig daar neder te zet„ „ten, met bedrijging van alle de zodanigen met geweld te zullen doen delogeeren, en zulks ter gelegendheid dat ik geaccordeerd hebbende, om zeker negorij in het Pandrabenijsche, die van ouds door Boniers is bewend geweest; dewelke daar eenige Padij-velden, thuijnen, en v'srijvers hebben; zodanig te lateen, ver„ scheijde Ryksgrooten tegen de waarheid voorgeevende dat dezelve ook eigen dom hadde aan anderen in het Goase /:die ik alle hadde doen verbranden :/ uijt zyn Hoogheids naam verzoek beeden om dezelve en daar om her leggende velden weder te rug te hebben; terwijl ik voorts ook ter gelegendheid van Een ontstane brand op den 4. dezer in de Camponys Bouton en tempe„ beide de Comp: toebehorende, dog in welke laatste de Boniers verscheijdene huijsen hadden, die door het vuur vernield zijn, den opbouw van eenige andere ver„ boden, en over zulx ook het verzoek ten dien eijnde door eenige Ryksgrooten gedaan zo wel van de hand geweesen hebben, als de instantie van den Pongauwa Datou Baringang om in 's Comp=s houtbosch in de provintie marors, lattene genaamd, te mogen laten kappen; voor het overige hebbe ik buijten eenige op nieuw gepleegde Brutaliteijten door sommige Prinsjes in 'S Comp=s Provintie Maras, waar over ik wel telkens op het aller ernstigste laat deleeren, maar selden eenige andere satisfactie Rrijgs, dan die in belofte bestaan van dezelve van daar te zullen doen de lo¬ „geeren, wijnig met dit hoff te verhandelen gehad, dan nog eenlyk, dat een groot getal Ryksgroten No.
English
after prior request for audience on the 12th of this month, having appeared before me to give notice that they had resolved to bring their King, together with the Standard of State, or samparadjaija, back to the interior, I opposed them with such seriousness, after refuting the reasons adduced by them to that end, that I flatter myself that they will indeed desist from the execution of this resolution of theirs, which in my opinion was endowed with no good objectives, having on this occasion also reminded them of the neglect of Your Right Honours according to ancient custom and their duty, not yet having given notice of the change that had occurred in the Realm, namely the coming of the present King to the Throne, about which they excuse themselves with such frivolous pretexts that one can clearly perceive from it how little they care for the Company's friendship, to which I must also attribute that I have not yet met His Highness since his return from the army, because he, having paid me no visit, without doubt being kept from it by them, I could not properly go and wait upon him with the intention to speak about affairs, since this must then be done in state. Concerning the Realm of Ternate, nothing, and with respect to that of Soping, it only falls to report that it is very quiet there as well as in the Boni interior, as also in Wadjo. I only note here that the Boniers still according to custom, at least as far as I am aware, have given no answer to the message sent by some envoys to their Court with regard to the Macassars, done during the siege of Goa, of which I made mention in my respectful previous communication. Mandhar likewise delivers no matter to detain the much-honoured attention of Your Right Honours with, the less so since the reports merit no belief that the Boniers, displeased, as it is said, about the departure of those who had come here upon their summons without having given notice thereof, and because they no longer wished to submit to the Boni rule. With respect to Bouton, having dutifully informed Your Right Honours in my respectful letter of 8 August of the return of the Commissioners for the spice extirpation, I must now also note that the points about which I had already conferred with the King and Realm Grandees many times, and again in my last letter of 15 April 1787, have been left unanswered in their recently received letter under a frivolous pretext, so that I shall serve the same thereupon. With relation to the Company's lands and subjects, it has not been possible for me this year to have the collection of tithes done on Maros and the further Northern Provinces, however much I had wished this in order also to establish good order everywhere again myself; nevertheless, the regents have already prepared some timber and other necessities, and are further occupied therewith for a new Post, which I shall if possible still have constructed in the same manner in the coming year. At Boelecomba and Bonthain the peace remains constant. wisely to decline the renewed request of one Gusti Made Karang Assang, to come to him at Selaparang, situated on the northwest side of Salaparang, which Gusti writes in his latest of 28 September that as a head over the Sasaks, and alongside the same, he was intending to shake off the intolerable yoke of the Balinese, to which end they had requested to be assisted by the Company with ships and vessels in order to block the entrance of those of Bali; whilst they then easily saw a chance to achieve their objective, being so strong that they could easily count a hundred of their own against one of their party, but to which I have solely replied that I could not see what advantage could be derived from this for the Company, the more so as Your Right Honours would probably not decide to take post there, which nevertheless would have to serve as the only means thereto, by means of the levying of the revenues of the lands that might be ceded to Her Honourable, and he reporting that they had testified their willingness to do this up to half of the whole of Salaparang, after he had previously stated that this island was now divided between the King of Bali Gusti Moera Made Karang Assang and his brother Gusti Made Noera Karang Assang, and was ruled by two Kings, which I wrote to him is in my judgment a matter of indifference to the Company as long as those two princes remain of one mind and affairs remain on the present footing. Herewith all the principal events since the dispatch of my successive previous communications have been dealt with again.
Dutch transcription
na voor af verzogt acces op den 12. ' dezer, bij mijn verschenen zijnde, om kennisse te geven, dat zij besloten hadden hun nen Koning, nevens de Atandaard van Staat, /: of sam„ paradjaija:/ weder na de binnen landen te brengen, is mij na wederlegging van de redenen door hun ten dien eynde bygebragt, daar tegen met zo veel ernst ge„ kant hebben, dat ik mij vlyen dat zy de uijtvoering van dit hun besluijt, waarmede na wijn geveelen geen goede oog„ marken waaren bedeeld, wel zullen staaken, hebbende, ik hun bij dese gelegentheid ook herinwerd het versuijm van uw hoog Edelheedens overeenkomstig het oude ge„ bruijk en hunne pligt, nog geen kannisse te hebben gegeven van de voorgevallen verandering in het Ryk namelyk de komst aan den tegenwoordigen Koning tot den Troon, waaromhaid zij zig met zodanige nie„ tige voorwendsels verschoonen, dat men en duidelyk uijt bespeuren kan, hoe winig zij zig 's maatschappijs wiendschrap bekrenmen, waar aan ik ook diene te attribueeren dat ik zyn Hoogheid zedert desselve te rug komst uijt het leger, nog niet hebbe ontmoet vewijl hij wij geen visite hebbende gedaan, buyten tuijffel daar van door hun nederhouder zijnde, ik hem niet welvoegelijk hebbe kunnen gaan opwagten, met voorneemen om overzaaken te spreeken, dewijl zulks als dan in statie geschieden moet opent het Rijk Tirnette niets, en ten aansien van dit van Soping, Eenlyk te berigten vallende, dat het daar zo wal als in de Bonijsche Binnen landen zeer stil is, gelyk mede in Wadjo, Noteere ik hier nog maar eenlyk dat de Boniers als nog na den gebruijke, immer voor zo verre mij bewust Ds, geen andwoord hebben laten geeven 400 betrekking tot de Maccassaaren, gedurende de belege„ ring van Ioa, gedaan, waar van ik bij mijn Eerbiedigs vorige hebbe mentie gemaakt. geeven op de boodschap door eenige gezanten aan Win Hoff met Mandhaar, Levord, almed's geen stoffe uijt, om u uw hoog Edelheeden veeles eerde at„ „tentie over optehouden, te minder de Berigten geen geloof moriteeren dat de Boniers, misnoegd, zo man zegd, over het vertrek van die welke hier op hun ontbod gekomen waren, zonder daar van kennisse gegeven te hebben, en om dat zij zig de Bowysche heerschappij niet maar wilden onderwerpen; Ten Aansion van Boulon bij myne Eerbiedige van den 8 aug= Uw hoog Edelheedens schuldpligtig, kennis ge„ geeven hebbende van het Ratoir der Commis„ „sianten tot de specerij Extirpatie, moet ik tans mog noteeren, dat de Poincten waar over ik de Koning en Ryksgrooten nu al veelmaalen, en nog bij min laatste brieff van den 15: April 1787, onderhouden hadden, bij hun Iongst ontfangene schrijven, onder Een friool voorwendzel, onbeand„ woord gelaten zyn, zo dat ik op dezelve de voor zul dienen Met Relatie tot Compagnie sLandor en onderdanen is het mij niet mogelyk geweest, om dit Iaar de vertiening te laten doen, Op Maros, en deverder Noorder Provintien, hoe zeer ik zulks gewenscht hadde, om teffens over al zelf weder goede ordre te stellen, nogtans hebbende regenten. reeds eenige houtwerken en andere benodigtheeden in gereed„ heid, gebragt, en zyn daar mede nog verder bezig tot een nieuwe Post, die ik des mogelyk nog in ditooaal in het aanstaande Jaar zal doen Extruuere Boelecomba en Bonthain blijft de rutte bestendig wijze aftestaan het andermaal gedaan aanzoek van eenen Gusti Madekarang assang; om bij hem op zelle dalm te komen, gelegen aande noord West„ „kant van Salamparang, welke Justichij bij zyn Iongste van den 28. Sept:r schryft, dat als iu hoofd over de Sasachers, en nevens dezelve voornemens zoude wezen om het ondragelijke Iok der Baliers afte schudden, ten welken eijnde zij verzegt hadden, den de Comp: met scheepenen vaartuijgen geassisteerd te worden, ten einde de entrancé van die van Boot Batij te Bet„ „ten; terwyl zy dan gemakkelyk kans zagen tot berijking van hun oogmerk, als ze sterk zynde, dat zij wel hon„ „derd van de hunne tegen een van hun Porthij kon„ den rekenen, dog waar op ik eenlyk gediend hebbe, dat ik niet zien konde wat voordeel daar uijt voor de maatschappij zoude te behaalen weezen, te meer Uw hoog Edelheedens donkelyk niet zonder besluijten om daar post te vatten, dat nogtans als hot eenige middel daar toe zoude moeten strekken; mits het heffen van de Revemier der Landen die aan haar Edele mogten worden afgestaan, en hij metd, dat zij nit tot de helft van het geheel Salompa„ „rang hadden betuijgd te willen doen, na dat hij voor af hadde laten gaan dat dit eijland thans tus„ schen den Koning van Bali Gusti, Moera Ma„ de karang Assan, en zyn broeder Gusti hadde Noera Rarvang Asjang verdeeld wat, en door twee Koningen geregeerd wierd, het geen ik ham geschreven hebben, myns oordeel voor de maatschappij Een onverschillige zaak te weezen, zo lange die beij„ de vorsten Eens gekont of de zaaken op den pre„ „tonten niet zullen blyven —. Hiermede alle de voornoemste Gebeentainssen zedert de afkending myner successive vorige weder afgehandeld.
English
404 having settled that again; while with respect to many points of lesser importance I respectfully refer to the enclosed daily register, I also take the liberty to offer to Your High Nobilities, under humble prayers for a favorable pardon that this did not happen sooner, a copy of our secret resolution of 28 February, whereby, for the reasons cited therein, the recruitment ordered of us of two hundred native soldiers was postponed, noting in that regard that for now it does not appear advisable to us to proceed with this, seeing that most subjects in the southern districts are still uncommonly scattered, and the remainder, as well as those of the northern provinces, exposed too much to the invasion of the rebels still roaming here and there, would not gladly leave their possessions, and to wish to engage the Bonians or Sanetterese would be wasted effort, besides that one can place little trust in them. I nevertheless very humbly request to be informed by Your High Nobilities' earlier further order whether I shall still carry this out regarding the first-mentioned, to which I shall then apply my utmost endeavor as soon as practicable, and also to offer to Your High Nobilities, according to my humble but best knowledge, a plan for a defensive defense of the Government entrusted to me, in case of an unexpected hostile attack by European powers, the drafting of which I judged should not be hurried, seeing that the arrangement will largely depend on the condition in which one will find oneself here when the troubles shall have ceased entirely, or at least further than at present; meanwhile, however, concerning what pertains to the mutual assistance etc. of the eastern Governments in the said case, I shall send the Governors my considerations regarding Macasser at the first available opportunity. For the rest I conclude herewith, with a heartfelt prayer for the Almighty's most precious blessings upon the illustrious persons of Your High Nobilities and the weighty interests of the Company, taking the liberty to call myself with all due respect and high esteem, was signed, High Noble Honorable sirs, lower, Your High Nobilities' humble, obedient, and faithful servant, was signed, P: J: van der Voort. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, 23 October 1778. Saturday. 406 Saturday, 28 February 1778. In the forenoon at 9 o'clock Meeting Absent The Junior Merchant and Pay-Bookkeeper A: Rosselet due to indisposition Among the business concerning the general letter of Your High Nobilities of 11 December last having come forward, the very desire of the same to recruit here at a suitable opportunity two hundred native soldiers under their officers and send them to the Headquarters, and it having been taken into consideration in that regard that this would not only confirm the native here in general, and the enemies in particular, in their disadvantageous thoughts which they already hold more than too much concerning the weak state of the Company, but would also bring the allies, and especially the Bonians, to the presumption that one cannot dispense with their help even at the Headquarters; while they would at the same time be not a little encouraged thereby to further bolder undertakings than they already daily commit, besides that for the present no opportunity presents itself for such recruitment, it is for all these reasons, and in hope of favorable interpretation, approved and understood to postpone that recruitment for now or for as long until the circumstances of the times here shall have changed in such a manner that it can be carried out without danger. Was signed: Thus resolved at Macasser in Castle Rotterdam, date as above. Was signed: J: F: van der Voort; B: de Reijke; J: Raket; J: H: Voll; C: Kraane; R: Houcque. Lower: Agreed, was signed: C: Kraane, Secretary. 408 To To His Excellency etc. In dutiful fulfillment of Your High Nobilities' much-respected orders by extract resolution of 19 December of last year, we take the liberty to respectfully offer to the same herewith a brief summary of the general number of Company servants stationed here on this date, compared against the latest regulation, together with a statement of the ordnance on hand, muskets, cutlasses, ammunition, and the vessels present, arranged according to the model sent to us for that purpose, which we hope will fully satisfy the much-esteemed intention of Your High Nobilities; while for the rest we take the liberty to call ourselves with all due respect and reverence. Was signed: Title. Lower: Your High Nobilities' humble, dutiful servants. Was signed: P: J: van der Voort; B: Reijke; J: Raket; J: H: Voll; and C: Kraane. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, 23 October 1778.
Dutch transcription
404 weder afgehandeld hebbende; terwijl ik mij ter aansien van veele Poincter van minder belang eerbiedig re„ fereeren aan het bygevoegde Dagregister, neeme ik nog de oryheid Uw hoog Edelheld= onder ont„ moedige beeden van Een gunstige verschoning, dat zulks niet eer geschied is, aantelieden Een af„ schrift onser secrete Resolutie van den 28. februarij, waar bij men om de daar in aangehaalde redenen, de ons geordonneerde werving van tweehonderd Inlandsche militairen heeft, uijtgesteld, daar„ omtrend noteerende, dat het voor als wy niet naadsaam voorkomt daar toe te treeden, gemerkt de meeste onderdanen in de zuyder districten nog ongemeen verthooyd zynde, de overige zo wel, als die van de noorder Provintien, te zeer voor de Jinasie der hier en daar nog zwekrende rebellen blivd gesteld, hunne bezittingen niet gaarne zonds verlaten, en on de Boniers of Sanettereesen te willen engageeren zoude vergeeft moeijte zin, behalven dat men op dezelve wynig vertrouwen kan stellen. Ik verzoeke nogtans zeer nedrig met Uw hoog Edelheedens T'Eerder nader order te mogen worden Iommieerd of ik zulks omtrend de Eerstgemelde nog zal werkstellig maken, waar toe ik dan zo spoedig doenlijk mijn, uyterste devoir zal aanwonden, en ook om Mo„ hoog Edelheeden naar myn geringe deg beste Rhoenisse Een plan aan tebieden tot Een defensieve verdediging van het mij aanvertrouwde Gomvernement, in Cas van Een onverhoopte vyandelyke attacque„ door Europeesche Mogendheeden, welker ont„ worping ik h' oordeeld hebben, niet te moeten ver„ naasten, gemerkt de schikking veelzints zal af„ hangen van de toestand, waar in men zig hier zul verbinden, als de trubles geheel of ten minsten verder - 1 - verder dan tegenwoordig zullen gecesseerd weesen; Intusschen zal ik egter over het gene de onderlinge assistentie &=a der ooster„ sche Gouvernementen in het gemelde Kas, betreft, de Heeren Iou„ „verneurs ter eerster voorkomende gelegenheid mijne bedenkin„ „gen nopens Macasser laten toekomen. Voor het overige besluijte ik hier mede, inder hart„ grondige toebidding van des Allerhoogsten dier„ baarste zegenings over de illuste Perzonen Uwer Hoog Edelheedens en de swaarwigtige belangen der maat„ schappij de oryheid gebruijkende my met alle verschul„ digde Eerbied en hoog achting te noemen /:onderstond:/ Hoog Edel E=n /:lager:/ Uw hoog Edelheedens onderdanige, behoorsame, en betrouwen dienaar /:wt stik:/ P: I: van der Voort- /:in Marijine:/ Macasser in het Casteel Rotter„ „dam den 23. Octob:r 1778—. Saturdag. 406 Saturdag en 28. ' februarij 1778. absent des voordemiddags ten 9 uuren vergadering Den Onderkoopman en zoldy Boekhinder A: Rosselet door indispositie Onder de basoijne over de hemene brieff van uw hoog Edl„ heedens van den 11. december pass=o te voren gekomen weezende, Hoogst denselver begeerte, om hier bij bequame ge„ „legentheid Twee honderd Inlandsche Militairen onder hare officieren te werven, en na de Hoofdplaats te zender, en daar omtrend in aanmerking gekomen zijnde, dat sulks den inlander alhier in het gemeen, en de vijanden in het bijzonder in hunne nadeelige gedagten die zij be„ „reers meer dan te veel van den suacken staat van de Comp: woeder, niet alleen bevestigen, maar ook de bond„ „genooten, en wel voornamentlyk de Boniers in het vermoeder brengen zoude, dat men zalfs ter hoofdplatse haar hulp niet ontbeeren kan; Terwijl zij er teffens niet nyjnig door zonder werder aangemoedigd tot ver„ „ders Houtmoediger onderneemingen dan zij reeds da„ gelyks plaager, behalven, dat zig oor het tegenwoordige gene gelegendheid tot zodaniges werving opdoet, so is om alle dese redenen en in hope van gomstigen wel„ duijding goedgevonden en verstaan die werving voor eerst of zo lange uyttestellen tot de tijds omstan„ digheeden alhier zodanig zullen zyn veranderd, dat het zonder zonder gevaar kin werden ten uijtvoer gebragt, /:onderstond:/ Aldus Geresolveerd tot Macas„ „ser in 't Casteel Rotterdam dato vorschreven, /:was Getekent:/ I: F: van der voort: B=de Reijke; I: Raket; I: H: Voll; C: kranes; R: Houcque /:onderstond:/ Accordeerd /: was getekend :/: C=s Kraane, secretaris. 408 Op Aan zijn Edelheid Ensz: Der schutepligtige voldoening aan uw hoog Edelheedens veel gerespecteerde beveelen bij Extract Resolutie van den 19. december A„o pass=o, neemen wij de vryheid hoogst dezelve hier nevens Raverentelyk aantebieden, Een koste samentrekking van het Generaal getal der onder hadijen datum hier bescheijdene dienaaren, vergeeken tegen de Iongste bepaling, nevens Een opgava van het aanhou„ den zynde Beschit, snaphaane, houwers, scherp s de aanwekende vaartuijgen, ingerigt na het ons ter dien eijnde toegezondene Model, het geen wij ver„ „hoopen dat volkomen aan de veel G'eerde intentie van uw hoogEdelheedens zal voldoen; terwijl wij voor het overige de vrijheid neemen, ons met alle verschuldigde Eerbijed e venentie te noemen—. /:onderstond:/ Titul /:lage:/ uw hooghEdel„ heevens onderdanige vtrouwschuldige die„ „naaren /:wat Gatekent:/ P: I: vander voord; B: Reijke; J: Raket; I: W: voll; en C: kraane; /:in marijine:/ Macasser in het kasteel Rotterdam en23. October 1778.
English
153. iron cannons, as follows: In this Government there are currently in service the following servants: heads, among whom indigenous, Mahometans, together, and summoned children [illegible] of the Political to Junior Assistants inclusive: 41. 21. 20. -. — Clerical: 3. 3. —. —. — Medical: 13. 11. 2. —. — Artillery: 37. 36. 1. -. — Militia: 720. 679. 41. -. — Seafaring: 178. 145. 33. —. — Crafts: 53. 28. 25. -. various on duty: 6. 2. 1. [illegible] Indigenous Schoolmaster, Malay clerk [illegible]: 3. 1. 2. together: 1054. 925. 127. 2. According to the last establishment: 815. —. thus more: 239. —. 73. pieces of metal cannons, as follows: 2. pieces of 18. lb: 2. pieces of 12. lb: 4. pieces of 6. lb: 6. pieces of 4. lb: 1. pieces of 2. lb: 52. pieces of [illegible] lb: 10. pieces of 18. lb: 38. pieces of 12. lb: 4. pieces of 8. lb: 34. pieces of 6. lb: 13. pieces of 4. lb: 12. pieces of 3. lb: 18. pieces of 2. lb: 24. pieces of 1. lb: 2. pieces of metal howitzers 2. pieces of ditto mortar of 8. inches ditto 12. iron hand mortars 27383. round shot in sort 6514. bar shot 296. bombs of 11 inches 454. bombs of 6 inches 111. bombs of 5 inches 572. bombs of 4 inches 3955. pieces of hand grenades 50081. lb: Gunpowder 2. pieces of Metal Swivels of ¾. lb: each 2. pieces ditto ditto Macasser the 23. October 1778 /: signed :/ C.s Craane And the following Vessels: 6. Pantjollings 2. Chiampangs 2. Boats 2. boats 1336. pieces Flintlocks Grenadiers 1933. pieces ditto ditto without bayonets 1101. pieces ditto Common 2. pieces ditto fine 47. pieces Carbines 4. pieces blunderbusses small copper 24. pieces Musquetoons 79. pieces Pistols 978. pieces hangers, in sort, both with copper and iron hilts 118. pieces Swords. Further —. eight Daily Register Secret received from Macasser since June to December 1778. 410 : Secret Daily Register Sandraboniers attack on goa. Tuesday the 2: June to nothing of particular note occurred. Wednesday the 10th Thursday 11th I was informed that those of Sandraboni, all the mountain peoples from Parigie, sorting under goa, were purportedly intending to march together with them against Batang kaloekoe next Saturday, in order to unite with the Rebels there and subsequently attack our posts, of which I, out of prudence, gave notice to Major Englert in the Army. Friday the 12: nothing unusual occurred. Saturday 13: Because of the received report mentioned under the date of the day before yesterday, I rode to the army at four o'clock in the morning; but found everything there extremely quiet, while the chief interpreter, ordered to spy on the movements of the enemy at Batang kaloekoe, reported to me: that no more people had arrived there nor was any movement to be discerned. Having subsequently spoken with Major Engelert about the present state of affairs, he proposed once again the undertaking of an attack in order to gain a firm footing inside goa, for which he and also the Captain of the Artillery Sundberg testified to seeing sufficient opportunity, without risking anything, and on which subject I therefore promised to let my thoughts dwell. Sunday the 14 to nothing of particular importance occurred. Friday the 19 Tuesday 16 Wednesday 17: the king of Goa asked for an audience with me, which I granted for tomorrow before noon. The Wadjorese envoys having been granted an audience this morning with the king of Bony, his Highness communicated to me in the afternoon the contents of their message in writing, which, with its translation, is to be found among the Annexes, for which I had him thanked. Thursday the 18: Around half past nine o'clock in the morning appeared the king of goa, who after partaking of some refreshments while holding a varied discourse, requested to speak with me in private; however, having been brought into my writing room for that purpose, he brought up nothing of any note to be recorded herein, subsequently soliciting once again to be allowed to send someone into goa to bring out, if possible, some of his family who were still there against their will, to which I consented under the necessary precautions. I had access requested of the king of Bony for this afternoon or tomorrow morning, giving him to know that I wished very much to speak with him, even if only for a moment, to which he 412 had me requested to come tomorrow. In the afternoon the Court Interpreter Passiere came to inform me that the Wadjorese envoys had once again requested of His Highness to be allowed to go inside goa and asked for my approval on the matter, to which I had answered that, since I intend to pay a visit to His Highness tomorrow morning, I would give him answer myself. Saturday the 20:th In the early morning, having ridden to the Army and stayed for a while in the headquarters, I betook myself to the king of Bony, presenting to him for my part such an answer to be given to the Wadjorese envoys regarding their request to go inside goa, as is to be found in writing among the annexes, and which, being approved by the prince, I, after my return, had translated into Bugis in my presence and sent to him in the afternoon by the bookkeeper Deefhout, who brought me word toward the evening that His Highness had said he would have it presented to the envoys by the Tomilabang, and that he would have them escorted by the same to before the wall if they should incline to betake themselves inside goa, to prevent the supply of provisions as well as other things to the enemies.
Dutch transcription
153. „ izere kanons; als Op dit Gouvernement zyn op heeden in weesen devolgende diendaren: koppen waar onder Inlande Maho„ te sam en beropens kinden matari vande Politie tot Iong adsistenten in Cluswe. 41. 21. 20. -. — „ „ Eerstelijke - - - - - - - - 3. 3. —. —. - „ „ Genees Kunde - - — — — 13. — 11. 2. —. „ „ Arthillerj - - - 37. 36. 1. -. . - „ „ Militie - -- - 720. 679. 41. -. „ „ Zeevaard - - - - - - - 178. 145: 33 — —. „ „ Ambagten - - - - - - - - 53. 28. 25. -. diverse dienstdoende - - - - - - - - 6. 2. 1. .. Inlandse Leermeester, Maleytsche schryvenje zondeling — 3. 1. . 2. an te Simen 1054. 925. 127. 2. Volgens de laeste bepaling 815. —. dus meerder 239. —. 73. sukken Motale Ranons, als 2. p=s van 18. lb: 2. „ „ 12. „ 4. „ „ 6. „ 6. „ „ 4. „ 1. „ „ 2. „ 52. „ „ . „ 10. p=s van 18. lb: 38. „ „ 12. „ 4. „ „ 8. „ 34. „ „ 6. „ 13. „ „ 4. „ 12. „ „ 3. „ 18 „ „ 2. „ 24. „ „ 1. „ 2. p=s Motale hormitsen 2. „ _o malier van 8. d=m _:o „ 12 „ yzere handmorkiers 27383. „ Rondscharp in zoort 6514. „ Lang — „ 296. bomen van is duijm 454. „ „ 6. „ 111 - „ „ 5. „ 572 „ „ 4. „ „ 3955. P=s vandgranatens 50081. lb: Buskruijt 2. p=s Metale Bassew van ¾. lb: ieder 2. „ _o _ Macasser en 23. October 1778 /: matzet:/ C=s raame En de volgende Vaartuijgen 6. Pantjollings 2. Chiampangs Boots 2. 2. schuijten 1336. p=s Snaphanen Bimnadiers 1933. „ _o _o sonder bayonatten 1101. „ _o Gemeene 2. „ _o flijne 47. „ Carbijns 4. „ donderbissy kleene kopere 24. „ Musquatont 79. „ Pitoolen 978. „ honners, in zont, zo met kopen as Jzere gavestergen 118. „ Deegens. Voorts — —. agete Dagregister Secreet ontvangen van Macasser zedert Iunn tot December 1778. - 410 : Secreete Dag Register sandraboniers „lige attacque van goa. Diengsdag den 2: Juni tot is mits: van bysondere aanmerking voor woensdag den 10 „ gevallen. Donderdag „ 11 „ wierd mij berigt dat die van Sandra„ pretens voornemen der bonij alle de berg volkeren uyt de Parigie, onder goa sortee„ rende, voornemens zouden weezen, met hun te saamen tegen aanstaande Zaturdag na Batang kaloekoe te marcheeren, ten eynde zig met de aldaar zynde Rebellen te veree„ nigen en vervolgens onse posten te attacqueeren, waar van ik, om der voorzegtigheid aan den Majoor Englert in het Leger hebbe doen kennisse geeven vrijdag den 12: viel niets zonderling voor Zaturdag „ 13: Ben ik, mits het ontfangen berigt vermeld daarvam mits geworden onder dato eergisteren, des morgens ten vier uuren maar het leger gereeden; dog vand allis aldaar ten uijtersten stil, ter„ wijl den oppertolk gelast om de beweegingen der vijanden op Batang kaloekoe te doen bespionaeren, mij rapporteerde: dat 'er geen meer volk aldaar aangekomen nog Eenige be„ weeging te bespeuren was. Met den majoor Engelert vervolgens over de tegenswoor„ projert dot een anderma„ dige toestand van zaaken gesproken hebbende, proponeerde den selven andermaal het onderneemen van een attacque ten eynde een vaste voet binnen goa te krijgen, waar toe hy en ook den Capitain der Arthillerij Sundberg betuijgden genoegsaam kans te zien, zonder iets te re„ sigueeren vrijdag den 19 Zondag den 14 tot is mets van sonderling belang voorgevallen. Dingsdag „ 16 „ woensdag „ 17„ ziit de koning van Goa, belet by my vragen dat ik tegen morgen voor de middag geaccordeerd hebbe teoveschap der wageragp de wadjoreese gezanten, deesen morgen bij den koning van Bonij ter gehoor geweest zynde uit zyn Hoogheid mij des nademiddags den inhoud hunner boodschap in geschriften meede deelen zynde met dies translaat, onder de Bijlagen te vinden, waar voor ik hem hebbe doen bedanken. Donderdag den 18 Iegens half tien uuren des voor de middags verscheen de visite van goas koning koning van goa die na het gebruijk van Eenige refraiche„ menten onder het houden van een en verschillig discours, my apart verzogt te spreeken, dog ten dien eijnde in mijn schrijf vertrek gebragt, niets van eenige aanmerking te berde gebragt, om in deesen genoteerd te worden, vervolgens nogmaals solliciteerende iemand in goa te mogen zenden, om waare het mogelyk eenige van zyne famille, die zig daar nog tegen wil en dank bevonden buijten te krijgen, waar ik onder de nodige voor zorge geconsenteerd hebbe Hebbe ik by den koning van Bony acces te laaten vragen tegens deesen nademiddags of morgen ochtend onder te ken„ „nen gave dat ik hem zeer gaarne, al was het maar voor een oogenblik, wenschte te spreeken, waar op hij gekomt siqueeren, en overwelk onderwerp ik dierhalven toegezigt hebbe myne gedagten te zullen laaten gaan. my 412 mij liet versoeken om morgen te komen. gezanten. antwoord daar op, aan Bonijs koning gezonden Des nademiddags bewam den Hoftolk Passiere mij versoek der wadpreese berigten dat de wadjoreese gezanten andermaal bij zijn Hoogheid hadden laaten versoeken om binnen goa te mo„ gen gaan en daar op mijn goedvinden vragen, waar op ik hebbe laaten antwoorden dat ik dog voorneemens zijn„ „de morgen ochtend een visite aan zijn Hoogheijd te doen ik hem zelfs bescheijd zoude geeven. Zaturdag den 20:e Jn den vroegen morgen stond na 1 het Leger gereeden zynde en een poos in het hoofd quar„ „tien vertoefd hebbende, begaf ik my bij den koning van Bony, hem voor myn aandeel zodanig antwoord voor„ houdende, om aan de wadjoreese gezanten tewor„ den gegeeven, op hun versoek om binnen gaa te gaan, als ingeschrifte onder de bijlagen is te vinden en het geen door den vorst geapprobeerde zynde ik naar min te rug komst in min presentie in het bauginees hebbende doen vertaalen hem des nademiddags door den boek„ houder Deefhout toezond, die my tegen den avond tot be„ schid bragt, dat zyn Hoogheid gezegt hadde, het aan de gezanten door den Tomilabang te zullen doen voor„ houden en dat hij haar door den zelven zoude laaten geluijden tot voor de wal, zo zij intlineeren mogten zig„ binnen goa te begeeven, tot voorkoming van toewer van virres als andersints aan de vijanden. a
English
his Highness's promise to return the child of Soping to their masters. Meanwhile, I also received a verbal assurance from his Highness that the reply given to their masters would be offered to me for review by a counter-embassy. The Datou of Soping, through his Pabitjara or Council of State present here, in repetition of his written request by a letter received a few days ago, again asked me not to permit the Chinese Nio Panglong, known by the name of Babba Tombo, to depart for Batavia, as was his intention. However, I turned this down, making known to him that I was all the less able to detain him because of a certain lawsuit he had there, against which I nevertheless could no longer refuse his request, also made several times for some time past, for the recovery of two female persons, being, according to his statement, of his family, who had previously been pawned to the aforementioned Chinese for a sum of 92:½ Spanish rixdollars, but had since gone missing and had been transported to Batavia last year by the recently deceased burgher Wouters, and there bought back by him, Nio Panglong, and brought back here. This was out of a reasonable fear that the displeasure which that prince has already conceived up to now over the postponement of his request, and upon a refusal would undoubtedly show even further, could be of very detrimental consequences for the Company, the more so because he could rightfully demand the surrender of the said women if the advanced money is repaid, since their transport to Batavia and what followed thereupon does not concern the one who pawned them. Wherefore I ordered Nio Panlong to do the same under that condition, leaving him to maintain his recourse for what he believes he can claim on account of his purchase of the same at Batavia for a sum of five hundred rixdollars against the court interpreter Moentoe, who stood for the transfer of their sale to Wouters, with the promise to gladly be of assistance to him in that regard, with which he also declared himself to be satisfied. Upon my question what had moved him to buy back those female slaves, and at such a high price, having answered that he had done so because it was alleged against him that he himself had transported them or at least embezzled them, as has also been reported here, and which upon interrogation of the same by the chief interpreter on my order was found to be by no means improbable, besides that his whole conduct in this appears so suspect in every way that upon a meticulous investigation he could easily be convicted of intrigue and underhanded designs. Sunday the 21st. This morning the King of Bony, through Djonjongang assisted by both court interpreters, made known to me that the answer mentioned under yesterday having been presented to the Wadjorese envoys by the Tomilabang, they had declared thereupon that they could not take it upon themselves to propose the requirement to the Macassars, as it was not in accordance with their instructions, nor to send only two or three of their people inside, and that only by day, to come outside again by day, and above all not to be conducted by the Tomilabang up to the gate; that they had requested to have the freedom to proceed inside together with their retinue and to stay there for some nights. For which message I caused his Highness to be thanked, making known to the bearers that the Company was not accustomed to let others prescribe to it in its own affairs, who thereupon departed. And it being subsequently reported to me that the Wadjorese this morning had likewise returned from the army to the Bugis camp, I ordered the chief interpreter to encourage, if possible, the Matoua or chief over those of their nation residing here, alongside others of the most prominent among them, to make application to the envoys not only to admonish all their compatriots who still stay inside Goa to come outside, but also to interest themselves in them to that end, giving them the promise that this would willingly be granted, and there would be ample opportunity to inform them of it in secret and to effect the same before the Macassars could obtain intelligence of it. Monday the 22nd and Tuesday the 23rd. Nothing of special importance occurred, except that on the last-mentioned day there were brought to me for an audience three women of the family of the King of Goa, brought outside by his emissary, who related that inside, both due to a lack of provisions and considerable sickness and mortality among the garrison, conditions were uncommonly bad. Wednesday the 24th. The Matoua of the Wadjorese, Lamadang, also having sent two emissaries inside Goa this evening in accordance with the consent given for that purpose to invite some of his family and further compatriots to come outside, the same, on Thursday the 25th, returned alone again in the early morning, declaring that most of their family were partly deceased, partly very sick, and that the rest had testified that they could not move out by night because of their multitude of sick close relatives, and that they could find no opportunity to do so by day, since Arou Mampoe had a strong guard kept on them. Friday the 26th. In the afternoon and evening I
Dutch transcription
zyn hoogheid belofte om„ tkind heb aan hunne mees¬ soping te rug gegeven. Ondertusschen hebbe ik van zyn Hoogheid ook mondeling ters te geven replicq d toezegging bekomen dat mij het de gevene replicq aan der„ selver meesters, door een Contra ambassade ter resumtie zou„ „de worden aangeboden. tee pmiem person door Liet den Datou van Soping mij door zijn hier zijnde Pa„ bitjara of Rijksraad, by herhaaling van zyn schriftelyke in„ stantie bij een voor weynige dagen ontvangen brief nogmaals versoeken, dat ik den Chinees Nio Panglong, bekend onder de naam van Babba Tombo, niet permitteeren mogte, na Batavia te vertrecken, zo als zyn intentie was, dog het geen is afgeslagen hebbe, onder te kennen gave: dat ik hem te minder vermogt aan te houden wegens zeeker proces dat hij abaar hadde, waar en tegen ik nogthant niet langer hebbe kunnen ontleggen zyne zedert eenigen tijd almeede verscheijdene maalen gedaane instamtie tot de rugerlanging van twee vrouws persoonen Zynde na zyn voorgeeven van Zyne famillie; die wel eer voor een somma van 92:½ rd=s spaans onder den voormelte Chinees verpand dog zedert abjent geraakt en dvor den Jongst overleeden burgers wouters in ao passato, na Batavia vervoerd mitsgaders aldaar door hem Nio Panlong weeder ingekogt en hier terug gebragt zyn, uyt een billyke vreese dat het ingenoegen het welk dien vorst riets tot hier toe over het uijtstel van zijn versoek opgevat heeft en bij weijgering buijten twijffel nog verder, zoude kunnen betoonen voor de maatschappein, van zeer nadeelige gevolgen zoude kunnen zyn, te meer hij de overgave van 1 3 414 preijgene, op de voorge van gemelde vrouwen met regt vorderen kom als het uytge„ schoten geld te rug gegeeven word; vermits haar vervoer na Batavia met het daar op gevolgde, den geene die haar ver„ pand heeft mit raakt weshalven ik Nio Panlong het zelve onder die vorwaarde gelast hebbe, hem voor het geene hij mits de gedaane koop van derselve op Batavia voor een somma van vyjfhonderd rijxd=s vermeend te kunnen preten„ deeren, zyn guarand laatende behouden op de benijstolk Moentoe, die over het transport gestaan heeft van haar verkoop aan wouters, met toe zegging van hem diend„ wegen wel behulpzaam te willen zyn, waar meede hy ook heeft betuigd zig te vreede te houden, op myne vrage wat hem tog gemoveerd hadde die slavinnen weeder in dte koopen en wel tegen een ze horgen prijs g'omtwoord hebbende, dat hy zulks gedaan hadde, om dat hem nagegeven was, dat zij ze zelfs vervoerd ten minsten verduijstert hadde, gelijk men hier ook heeft gedebiteerd en het welk by onder„ vraging van dezelve, door den oppertolk ter mijner ordre, gants ch niet onwaarschijnlijk is bevinden, behalven dat zyn gantsche gedrag in deesen allesints zo suspect voor„ komt dat men bij een nauwkeurige rechergie hem ge„ „mackelijk van kenkelanij en sluikse oogmerken zoude kun„ „nen overtuijgen. Zondag den 21 Heden morgen liet den koning van Bony dew adjose gezanten mij dion Jema Iongang g'adsisteerd van de beide hoftolkijske Conditie, winten goa 1 be tegaan amimeere om buyten te ko„ men bekend maaken dat het antwoord vermeld onder gesteren aan de wad soreese gezanten door den Tomilabang voor gehouden zynde sy daar op verklaard hadden met op zig te kunnen neemen om het gerequireerde aan de macassaeren voor te slaan, als met over eenkomstig met hun last, nog ook om alleen twee of drie uyt de haaren en dat nog bey dag na binnen te zenden om by dag weeder buijten te komen en voor al met om door den Tomlalang tot aan de poort gecondeuteerd te worden; dat zij begeerd hadden vrijheid te hebben om te saamen met hun gevolg zig na binnen te begeeven en aldaar eenige nagten teverblijven; voor welke bood„ „schap ik zyn Hoogheid hebbe doen bedanken, onder te kennen gava aande brengers dat de Comp net ge„ woon was, zig in haare eigene zaaken door anderen witten de laaten voorschrijven, die daar op vortrocken en mij vervol„ gens gerapporteerde zynde dat de wadpreesen duezen morgen ins„ „gelijks weeder uijt het Leger in de Borgineese Camping te rug ge„ die van hunne jngtie dekomen waaren, zo hebbe ik den oppertolk gelast om des mogelijk den mattoua of hoofd over die van hunne natie; alhier woonag„ tig, nevens andere van de voornaemste onder hun te amimeeren bij de gezanten aansoek te doen om alle hunne landslieden die zig nog binnen goa onthouden, niet alleen te vermaanen om buyten te komen, maar zig daar toe ook voor dezelve te interesseeren, hun toezegging doende dat zulks ronkelijk wel geaccordeerd worden en 'er gelegentheid genoeg weezen zoude 416 drie manassaren vrouw vruijdetoos gezonden zonde, zo om haar daar van instilta te verwittigen, als het zelve werkstellig te maaken, eer de macassaaren daar van kondschap konden krijgen. Maandag den 22: en is mits van senderling belang voorge„ Dingsdag „ 23 „vallen dan dat ten laastgemelde dage, ter vertooning bij mij uyt gaan gebragt wiorden, drie vrouwen van de famille van den koning van Goa, door zijn zondeling buijten gebragt, die verhaalden dat het binnen zo door gebrek aan leevens middelen als een Considerablie zickte en sterfte onder de bezitting, ongemeen stegt gesteld was. woensdag den 24 De Matoua der wadjoreesen Lama, dog om aewad poreesen „dang almeede hieden avond Conform het daar toe gegeeven E Consent twee sendelingen binnen goa gezonden hebbende„ Om eenige van zyn familie en verdere Landsgenooten te no„ digen om buijten de komen zyn deselve des. Donderdag den 25: Jn den vroegen morgen wader alleen te rug gekeerd verklaarende dat de meeste van hun fa mille gedeeltelyk overbeeden gedeeltelyk zeer ziek waaren en dat de overigen betuijgd hadden bij nagt niet te kunnen uijttrecken om hunne meenigte zieke naast bestaanden en dat zy daar toe bij dag geen gelegentheid konden vanden vermits Arou Mampoe sterke wagt op hun liet houden. vrydag den 26 Hebbe ik des nademiddags en 's avonds in
English
Attack against and subsequent victory over Goa all in haste one hundred European soldiers under two officers and eighty-two craftsmen and seamen on shore and from the ships Schoonzigt and Delfshaven were detached to the army before Goa, in order to make another attack against that place tomorrow morning under God's blessing, in accordance with the plan designed by me to that end and to be found among the annexes; nevertheless, I had a rumor spread here that my wife and children, together with a pleasure party, were about to come to the army, for which outwardly all preparations were also made. Saturday the 27th: Having proceeded to the army in the morning around three o'clock, where I found nearly everything ready, just after five o'clock the signal for a general cannonade was given by throwing a bomb from headquarters, whereupon the cannonade also followed, while our troops marched out immediately and, a few rods to the south of the Malenkerie gate, successfully scaled the wall, which was uncommonly steep and difficult, after the falling of the commanding Sergeant Koning and two privates, and captured the same, subsequently posting themselves in order upon it; whereupon I went inside and gave orders to advance to the right and thus drive away the enemies, who offered uncommonly furious resistance until the afternoon, when they retreated into some fortified houses houses in which Arou Palana, Arou Mapoe, Sankilang, and other chiefs were present with a large number of women, which could not be attacked without the greatest danger, because the troops could no longer endure it due to the sustained fatigue, besides which the fury of the rebels during the attacking of two other houses was so great that even the Europeans were almost overthrown, which the officers nevertheless prevented by encouraging them anew. Besides the aforementioned three dead, we have lost another eight fallen, among whom four or five have only themselves to blame for their misfortune, having stepped forward out of the ranks; which, regarding the others, despite the heavy punishment decreed against it and orders to shoot dead the first who might make himself guilty thereof, could not be prevented, and was also the cause that we could make no further progress that day nor undertake anything more, but I found myself forced to have the troops retreat with the artillery to the king's graves, in order to take up post there during the night, as was also done. Meanwhile, as our troops, advancing as aforesaid, made the enemies give way with the abandonment of the houses, which were successively destroyed by fire, there came on behalf of the king of Boni in the morning around eight o'clock to me the Tomilalang Aroe Oedjong, together with the Soelewattang and Glarrang of Bontuala, making known how Arou Palacca had sent to His Highness through her grandson Arou Kaijoe, in order to request permission to come outside and proceed to him; and that His Highness was asking for my permission thereto; whereupon I answered that, for the sake of His Highness, I was quite willing to care for her safety if there were any possibility thereof, but that she must then come directly over to me, with the promise that in that case no harm would befall her, further proposing to the deputies how it would be best to send one of their own to Arou Palacca, in order to then be able to give orders that the firing by the militia be withheld until they had spoken with her and also brought back an answer; to which they replied that they could not do so without orders from the king, which they would accordingly go and ask; thus they departed, returning shortly thereafter with a message that the prince's intention was also to have her brought to me; to which I gave the same answer again, urging them once more to carry out my proposal, but to which they seemed by no means inclined; inclined, on the contrary offering various absurd excuses which I tried in vain to refute, whereupon they again pretended to want to go and learn more of the king's pleasure; after which the Madamrang with the Glarrang of Bontuala came himself, with whom I had a similar meeting, although he himself said that the prince's intention matched mine to have Arou Palacca brought directly to me, and who then likewise departed; but in the afternoon the aforesaid Tomilalang came back for the third time, who again sought to induce me to agree to his first request to permit Arou Palacca to go outside, urging me to consider that she was as good as the king's grandmother and as such, along with her family, related to the king; but which request I once more rejected, stating that I had proposed the only means to save her and that she could still benefit from it if she wished; whereupon he finally decided upon it, having Arou Kaijoe appointed in conformity with my consent, who having arrived offered to go to Arou Palacca and also proceeded to her, after I had given orders to let them pass by our troops, at the same time permitting him to also bring along Aroe Mampoe and a few servants, of which I
Dutch transcription
attacque in qua en dies overwinning volkna goa gndetacteir alle steilte honderd Europeesen miltairen onder twee op ficieren en twee en tagtig ambagtslieden en Zeevarenden aan de wal en de scheepen schoinzigt en Delfs haven na het Leger voor Goa gedetacheert, ten eijnde morgen och„ lond weeder onder Gades zeger een attacque tegen die plaats te doen, over eenkomstig het plan, door mij ten dien eynde ontworpen, en onder de bijlagen te vinden heb„ binde ik mij nogtans alhier een gerugt deven ver spreijden dat mijn vrouw en kinderen nevens een gezelschap voor plaizier in het Leger stenden te komen, waar toe voor het uijterlijk ook alle preparatien gemaakt wierden. Zaturdag den 27: Des morgens omtrend drie uuren na het leger gedueden zynde, alwaar ik genoegsaam alles gereed vond zo wierd even over vijf uuren het seijn tot een gene„ raale Canonade gegeven, door het werpen van een bem uijt het hoofdquartier, waar op de Canonade ook volgde, terwyl onse troupes direct uijt marchierden en Eenige roeden ten zuyden vande poort van Malenkerie den wal die onge„ meen styl en moeijelijk was, na het Jneuvelen van aen Commandeerende sergeant koning en twee gemeenen geluckig beklommen en dezelve innemen zig vervolgens in ordre op de selve posteerende, doen ik my binnen begaf en ordre stelde om regts om voort te rucken en dus de vijanden te verdryven, die ongemeen en furieus resistentie bodem tot des nademiddags wanneer zy zig in eenige verschanschte huijsen 418 huijsen, in dewelke Arou: Palana, Arou Mapoe, onderhandelinge met de keniers over ptrou Sankilang en andere hoofden zig met een groot getal„ vrouwen bevonden, retireerden, die men niet konde aan tasten, sonder het grootste gevaar, vermits de troupen het niet langer konden goed maaken door de uijtgestaane fatiques, behalven dat de woede der Rebillen bij het attacqueeren van twee andere huijsen zo groot was, dat zelfs d' Europeesen bij na overhoop wierden gewor„ pen, het geen de officieren nogtans door hun op nieuw aantemoedigen hebben belit. Buijten de voorsz drie dorden hebben wy nog agt gesneuveld— anderen verlooren, onder dewelke vier a vijf hun ongeluk zelfs te wijten hebben, als mits hun vorfzuijt uyt de ge„ „lederen geweeken: zynde dat omtrend de overigen in weer„ wil van de daar tegens gestatueerde swaare straffe en ordre om den eersten die zig daaraan schuldig mogte maaken dood te schieten, niet heeft kunnen worden te gen gegaan, en ook oorsaak is geweest dat men het dien dag niet verder heeft kunnen brengen nog meer ondernemen, maat ik mij genoodsaakt vond, de trou„ „pen met de arthilleay te doen te rug trecken, tot aan de konings gaaven, ten eijnde des nagts daar post te vatten, invoegen zulks ook geschied is. Jnmiddens dat onse troupen als voor zegt voortruckende de vyanden deeden deijnsen, met verlaating van de huijse Palacca. die die simessive door het vuur vernield wierden kwamen uijt naam van den koning van Boni 'S morgens Circa tegen agt uuren by my den Pomilalang Aroe oedjong nevens de Soelewattang en glarrang van Bontuala te kennen geevende hoe aaan Palacca, door haaren kleen schoon zoon Aron Kaijoe, by zyn Hoogheid gezonden hadde ten eynde te versoeken om buyten te mogen komen en zig bij hem te begeeven; en dat zyn Hoogheid myne permissie daar toeliet vragen, waar op ik ten antwoord gaf ten geval „le van zijn hoogheid, wel te willen zorgen voor haare behoud; zo daar toe Eenige mogelijkheid mogte zijn, dog dat zij dan direct bij mij diende overtekomen met belop„ te dat haar indien gevalle geen leed weedervaaren zoude, de gecommitteerden vorder voor houdende hoe het best zoude weezen een uijt den haaren bij Arou Palacca te zenden, om als dan ordre te kunnen geeven, dat met het vruwen door de militie, zo lange wierd gewagt dat zij haar ge„ sproken en meede dan wel antwoord gebragt hadden waar op zy repliceerden, zulks buijten bevel van den ko„ „ning niet te kunnen doen, 't welk zy over zulks zouden „vragen, invoegen zy vertrocken, kort daaraan te rug kee„ „rende met een boodschap dat 's vorsten intentie ook was haar bij mij te doen brengen, op het welk ik weeder het zelve antwoord geevende, hun nogmaals tot het volbren„ gen van myn voorslag aanspoorde, maar waar toe zy geensints gereijgd . .. . . : . . . . . . .. : . - . . . .. .. . : : : : . 21 420 geneijgd scheenen, in tegendeel diverse ongerymde Excusen bij brengende die ik te vergeefs tragte te weederleggen, wanneer zy andermaal voorgaven nader 's konings goedvin„ den te willen gaan verneemen, waar na de Madamrang met de glarrang Bontuala zelfs kwom, met den welken ik een gelyke ontmoeting hadde, schoon hy zelfs zeyde dat 's vorsten intentie met de myne quadreerde om Arou Pa„ „lavca airact by mij te doen brengen en die aan ook insgelyks vertrok. dog des nademiddags kwam de voorsz Tomilalang voor de derde maal werder die my nogmaals zogt te disponee„ „ren in zyn eerste instantie te bewilligen om Aron Palacca te permitteeren om na buijten te gaan, mij voor houdende hoe ik diende te Considereeren dat zij zo veel als konings grootmoeder en over sulx nevens de haare aan den konings geparenteerd was, dog welke instantie ik nogmaals vande hand wees, net te kennen gave dat ik het Eenigste middel om haar te sauveeren hadde voor Gestelde in zy daar van als nog profiteeren konde, als zy begeerde wan„ neer hy eijndelijk daar toe bestoot Arou kaioe Con„ form myne toestemming doende appoincteren die gekomen zynde aanbood om zig by Aroii Palauca tevervoegen en zig ook na haar toe begaf, nadat ik ordre gesteld hadde om hun te laten passeeren voor by onse troupen, hem teffens permitteerende om ook Aroe Mampoe en Eenige bediendens meede te brengen, waarvan ik
English
answering the sounding, I therefore expected a good success. However, after having been gone for half an hour, he returned with an envoy from Arou Palacca himself, bearing a message from their Macassarese Pinisje, the substance of which entailed: That they could not ask the Company for pardon or submit, since this was contrary to the laws of the Macassars, and that they would therefore await what Providence had destined for them. They were indeed willing to parley with the grandees of the realm in order to subsequently enter into an agreement, but only requested that the Dutch might withdraw. To these remarkable terms, which serve as an open proof of the Macassars' pride even when they have already been brought to the utmost extremity, I replied to that envoy: That the Macassars, having previously been defeated four times by the Company, had each time submitted and requested pardon; that I did not know their laws had changed since then, and could therefore grant them nothing more than what was offered, without exposing myself to displeasure and disgrace; and that if they did not wish to enjoy that grace, they would have to blame themselves for the misfortunes that might further befall them, which they could well see were to be expected. Whereupon that envoy took his leave and departed, while I instructed the Tomilalang to inform the king of what had passed, as proof that I had done everything within my power for their best interests and to give His Highness satisfaction. After I had subsequently arranged various matters in the army, I returned again to the Castle, leaving the guard entrusted to the major, who also reported to me that the Madawang had sent Datou Soupa to him yesterday evening to ask when an attack would take place. He had diverted him from these thoughts by answering that he knew of no attack, but rather that he was expecting my wife together with a large company, and that this was also the reason why some Europeans had arrived. Sunday the 28th. Having ridden back to the army in the morning, I proceeded alongside Major Englert and Captain of the Artillery Smidberg inside Goa, where our troops of the day before were standing ready again, with whom the first-named advanced, to be followed by the cannon, for the transport of which the ordered natives lagged behind for a long time. But having likewise gotten on the march with it, the Bonese interpreter Passiere came to me, bringing news that all the enemies had already fled without his being able to say whither. Consequently, the truth of the former was also experienced when we arrived at the place and at the houses into which the remainder had retired yesterday, which thereupon having been set on fire alongside everything that was still to be found there, I had the entire corps withdraw to the place which I have provisionally designated for occupation. Finally, I had three volleys fired by the infantry for the victory, which were followed by 29 shots from the field redoubts. In the afternoon, the cannon of the Castle was also fired in commemoration of this victory, over which friends and enemies are astonished because of the natural strength of the place, which had been made even stronger by the incredible labor of the rebels, but now resembles a desert rather than a city or settlement. After the firing of the victory in the army, I had the bookkeeper Deefhout inform the King of Boni of the complete capture of Goa, announcing that I left it to him to withdraw his fortifications now as he saw fit, and further that I would gladly wish to meet His Highness to give him a full account of the undertaking. To that end, I requested an audience with him toward the afternoon, for which communication he sent me his thanks, nevertheless excusing himself from receiving me today. Subsequently having returned to the Castle, it was reported to me that same evening that Arou Palacca alongside Arou Mampoe were said to be in the fortification of the Bonese Tongauwa Datou Baringang. Monday the 29th. In the morning, I immediately gave orders for the departure of the ship Delfshaven alongside three of the Company's pantjallangs and sixteen to eighteen native paduakangs to Sandrabonij, in order to keep all the surrounding rivers occupied against the sailing in and out of vessels, while the chief interpreter Brugman is to go thither on one of the paduakangs, whom I have authorized to inflict all possible damage on the enemy ashore with the natives alone. Subsequently, just after noon, I received a letter from Major Englert from the army, stating that various grandees of Sandraboni, who were already said to be on Thang, had sent word through the Datou of Sedeenring requesting pardon and consequently to be received in submission. On account of this report, and in order to issue some other necessary orders, I proceeded to the army at half past three, where I met the Datou of Soping, who told me that Arou Palacca, Arou Mampoe, and Samkelang alongside their remaining adherents had fled to Bonto Parang, having been conducted thither not only by the Bonese prince Arou Kaijo
Dutch transcription
sondering beantwoord ik dierhalven een goed sivees verwagte dog den zelven kwam na een half uur uyjtgeweest te zijn, te rug met een sendeling van Arou Palacca zelfs zynde een boodschap van haar manassaarse Pinisje wiens boodschap in substantie behelsde. Dat zy niet om parden by de Comp: vragen of ain submissie komen konden, vermits zulks strijdig was met dewetten der Maccassaren, en dat zij dierhal„ ven zullende afwagten wat tot de voorsienigheid over haar beschooren hadde met de Rijksgrooten wel spreekenee wilde om vervolgens een accoord aan te gaan, dog eenlyk versogt dat de hollanders mogten te rug trecken. Op welke notable termen, die tot een openbaar bewijs van der macassaaren hoogmoed strecken zelfs als zy reeto tot het uyterste zyn gebragt ik dien sendeling te gemoet woerde Dat de Macassaaren bevoorens vier maalen door de Comp overwonnen, telkens in submisse gekomen we„ zende parden versogt hadden, ik niet wist dat hunne wetten zedert veranderd waaren, en haar dus niets meer dan het aangebodene toestaan konde, zonder my zelve, aan ongenoegen en schande bloot te stellen en dat zy van die gratie niet willende Jouisseeren, haar zelve zoude moeten wijten de ongelucken die haar verder mogtenoverkamen en zij wel zag aat teverwagten waaren. waar 422 informatie door de Bo„ mins gedaan door de attac verlaaten Waar op dien zendeling afschud nam in vertrak terwyl ik de Tomilalang in mandatis gaf den koning van het gepasseerde te verwittigen, ten blyke hoe ik alles gedaan hadde wat my mogelijk was, ten haaren beste en om zyn Hoogheid genoegen te geeven. Na dat ik vervolgens nog op deese en geene zaaken in het leger ordre hadde gesteld, vertrok ik weeder na het „ gin. Casteel laatende de wagt aan den majoor bevoolen, die mij nog berigte, hoe den madawang gisterin avond Da„ „ton Soupa by hem gezonden hebbende, om te laatenera„ gen wanneer er sog een attacque zoude geschieden, hij hem van die gedagten hadde gedevorteerd, door een antwoord van geen attacque teweeten, maar wel dat hij myjne huis„ „vrouw nevens een groot gezelschap verwagtende en zulks ook de reden was dat er Eenige Europeesen gekomen waren. zondag den 28 Jn den morgen stond werder na het leeger goa door diyande gereeden zynde, begaf ik my nevens den majoor Englert en Capitan: der arthillery Smidberg binnen goa alwaar onze troupen van daags bevoorens weeder gereed stonden, waarmeede den eerstgemelde dus oprukte, om door het Comon gevolgd te worden tot vervoer van het welk de geordonneerde Jnlanders lang agterbleeven, dog daar meede insgelijks opmarsch geraakt, kwam den Bonijs tolk Passiere bij mij tijding brengende dat al de vijanden ruets gevlugt waaren zonder dat hi vretorie geschoten aans bij den koning van Bonij gevraagd hij wist de zeggen werwaarts, invoegen men aewaarheid van het eerste ook ondervond, toen wy aan de plaats en by de huy sen kwannen in dewelke het overschot zig gisteren gereti„ reerd hadde die daar op nevens alles wat er nog tevinden was in brand gestooken zynde, liet ik het gantsche Corps terug trecken na de plaats die ik voor eerst ter bezitting bestemd hebbe; ten bestinte drie Chargies door de Jn„ fanterie op de overwinning laatende doen die van 29 schooten van de veld schansen gevolg weerden ook des nade„ middags het Canon van het Castoel is los gebrand, ter gedag„ tenisse van deeze overwinning, waar over vrienden en vijanden versteld slaan, terzaake van de natuurlijke sterkte der plaatse, die door de onbegrijpelyke arbeid der Rebellen nog vaster gemaakt, dog thans veel eer na een woestyne dan na een stad of negorij gelijkt. Na het schuiten van viclorie in het leger liet ik den koning van Bonij door den boekhouder Deefhout van de volkomen overmeestering van goa kennisse geeven, met aankundiging dat ik aan hem overliet om zyne bontings als nu maar inte trecken, na goedvinden en wijders dat ik zyn Hoogheid gaar„ ne wenschte t' ontmoeten om hem van de onderneeming een volkoemen opening te geeven ten dien eijnde tegen namiddag accos by hem doende vragen, voor welke Communicatie hij mij, liet danken zig nogtans Excuseerende om my heeden te ontvangen. ver 424 Clana. bome doen bezetten. pardon versoeken nader berijt wegens Vervolgens weeder na het Casteel te rug gekoerd zynde, wiord boryt wegens arri Pa„ my nog dien, zelven avond berigt dat Arou Palana nevens Arou Mampoe zig zouden bevinden inde benting van de Bomes Tongauwa Datou Baringang Maandag den 29 Des morgens stelde ik aanstond=s de rivier van Sandra„ ordre tot vertrek van het schip Delfshaven nevens drie 's Comp: Pantjallangs en Sestien â agtien Jnlandsche Padu„ akangs naar Sandrabonij ten eijnde alle de rivieren daar om„ streiks bezet te houden tegen het in een uytloopen van vaartuij gen terwijl met een der Paduakangs derwaarts staat meede te gaan den opertolk Brugman die ik hebbe gequalificeerd om alleen met de Jnlanders den vijand des mogelijks aan„ land alle afbreuk te doen. Vervolgens ontfing ik even na de middag een brief van de sanderabonings willen den Majoor Engtert uijt het leger houdende dat diverse rijks„ grooten van Sandraboni, die zig reets op Thang zouden bevinden door den Datou van Sedeenring, hadden laaten versoeken om parden en om gevolgelyk in submissie ontfangen te worden uyt hoofde van welk berigt en ten eijnde Eenige andere noodsaakelyke ordres te stellen, ik my ten half vier uuren na het leger begap, alwaar ik den Datou van Soping aantrop, ai my verhaalde dat Aron Palaaa van Palana Arou Mampoe, Samkelang nevens hunne overige aanhang na Bonto Parang gevlugt waaren, dirnaarts niet alleen gecon„ duiseert geworden zijnde, door den Bonijs Prins Arou Kaijo 15
English
Boni's congratulations on the capture of Goa. Sandraboni people are not to be trusted. He wants to attack the Mandharese. Haijoe, but also to the Tomilalang Aroe Mampoe. Furthermore, the Solewattang and Gallarrang of Bontoala came to me there to congratulate me in the King's name on the conquest of Goa, while they at the same time indicated that His Highness requested further to know what he was now to do; to which I replied that I had already let His Highness know yesterday that it was left to his discretion to withdraw his bentings, further proposing to the deputies that I gladly wished to pay a visit to the monarch myself, which they undertook to report; but taking their leave upon that, His Highness excused himself with the request that I might come at another time. Tuesday the 30th: In the morning, Prince Tosarassa came to me in the name of the King, making known how His Highness, having heard of the request made by some notables of Sandraboni to submit, let me know that this pretext was, in his opinion, merely feigned, and the purpose was principally to give Lankilang and others an opportunity to escape by flight, since a great deal of the rebels' goods had already been brought there; for which communication I had His Highness thanked. Furthermore, Tosarassa declared that the King had expressed himself well inclined to attack the Mandharese, to which I merely replied that, in my opinion, the right time for that had not yet come. Around midday I received a visit from the Datu of Sidenreng, who informed me that, having further considered the request of the Sandraboni notables mentioned yesterday, he had deemed it necessary to summon the King himself, or his full brother, to come likewise, because he otherwise dared not bring the others to me without the danger of exposing himself to displeasure. For which I solely thanked him, requesting him to communicate the outcome of that mission to me. Wednesday the 1st of July: Two of the Company's sloops, together with most of the paduakangs, departed for Sandraboni. Furthermore, I was informed by the chief interpreter that three Macassar notables, named Balang Banoa, Limboeng, Anrong Goeroe Pamenakang, and Anrong Goeroe Bonto Nompo, had requested pardon through him, they being with Craeng Anabadjing. Thursday the 2nd: The ship Delfshaven, together with the third pachallang and the remaining paduakangs, departed for Sandraboni, the master and the commanding officers having been ordered by me not to let any Europeans go ashore, in order to prevent accidents. Friday the 3rd: In the morning at seven o'clock, the King of Boni informed me through the Gallarrang of Bontoala that the brother of the King and the notables of Sandraboni had asked him for audience, but that His Highness had replied that he could not permit this without my consent; in answer to which I had His Highness requested to receive them and to inform me both of their request and of the names of the notables who might come. Saturday the 4th: Having ridden in the early morning with some company to the army before Goa, I went to the King of Boni around nine o'clock, informing him that, since I was already engaged in withdrawing some of our bentings, His Highness could also have those of his subordinates demolished in order subsequently to break camp. While I ordered Prince Tosarassa, who was present there, to inform His Highness that I had had no opportunity to give him notice of my intention to attack Goa, because I had not been able to come to the army in person the day before, and I had not dared to entrust the same to anyone. Having returned to headquarters after this, various notables of Sandraboni paid a visit to the monarch, who communicated their message and the names of the persons to me in writing, as can be seen under the appendices, being brought to me by the Tomilalang Aroe Oedjong, the Solewattang, and the Gallarrang, together with the Jennattang, who urged for a direct answer, which I rejected by saying
Dutch transcription
Bonijs gelukwensching over het inneeme van goa sandaabemits niet tever tronien zyn. hy wil de mand haren aantasten. Haijoe, maar ook aen den Pomilalang Aroe Mampoe Voorts kwamen aldaar bij my de Solewattang en glar„ „rang van Bontualacq om mij uijt 's konings naam met de verovering van Goa te vergelucken terwijl zy teffens te kennen gaven, dat zijn Hoogheid nader verzogt te mogen weeten wat hem nu te doen stond; op het welke ik diende dat ik gis„ teren rets hadde laaten weeten aan zijn Hoogheid over te laaten om zyne bentings na goedvinden inte trecken, verder aan de ge Committeerdens voor houdende, dat ik gaarne zelfs een vi„ site aanden vorst wonschte te geeven het geen zij aannamen te rapporteeren dan daar op afscheijd neemende, liet zijn # Hoogheid zig Excuseeren met versoek dat ik op een andere tyd komen moogte. Beniskonin den taat a Dingsdag den 30: Des morgens kewamen den Bonijs Tanis Torassa uijt naam van den koning bij mij, te ken„ nen geevende, hoe zyn Hooghid het versoek door Eenige Rijko„ grooten van Sandrabinij om in submissie te komen vernomen hebbende, mij hiet weeten, dat dit voorgeeven zijner eragters maar geveijnst en het doetwit voornamentlijk was om aan Lankilang en andere gelegentheijd te geeven door de vlugt te ontkomen, vermits aldaar reets een meenigte goederen van de Rebellen gebagt waaren, vanr welke Communicatie ik zyn Hoogheijd hebbe doen bedanken, Voorts verklaarde Tosasassa dat den koning zig had„ „de uijtgelaaten wel genegen teweezen, om de Mandhara„ „sen aantelasten, waar op ik enkel diende dat het daar toe 17 426 gezonden groten versoeken par„ na sandrabonij ge„ toe mijnes dinkens de regte tijd nog niet was. Tegen den middag ontfing ik een visite van den Datou van Sedeenaing, die my berigte dat hy het versoek der Ryksgrooten van Sandaabony vermeld sub gisteren nader overwogen hebbende nodig geacht hadde den koning zelfs dan wel zyn egte broeder te doen aanzeggen om insgelyks te moeten komen vermits hy d' overige andersints met durfde by my brengen zonder gevaar van zig aanongenoegen t' Expeneeren. waar voor ik hem eenlijk bedankende hem versogt mij den uijtslag van die bezending te communiceeren. Woensdag den 1: Iulij, zijn twee's Compagnies Cha„ vaartuijgen derwaart „loupen nevens de meeste Paduakangs na sandrabonij vertrocken. voorts wierd mij door den oppertolk berigt dat drie Ma„ eenige macassaarse Cassaarse Grooten met naemen Balang Banoa, Lim grooten versoeken „boeng, Anrong goeroe Pamenakang en Anrong Goeroe Bonto nompo bij hem hadden doen versoeken om pardon, zijn „de zij bij Craeng Anabadjing Donderdag den 2 Js het schip Delfshaven nevens de der„ de Patjallang en d' overige Paduakangs na sandrabonij vertrocken, zijnde voorts wierd mij door den oppertolk berigt dat drie Macassaar „ eenige macassaarse „se Grooten met naemen Balang Banoa, Limboeng, Anrong von n Goeroe Pamenakang en Anrong goeroe Bonto nompo bij hem hadden doen versoeken om pardon, zijnde zij bij Craeng Anabadjing Donderdag den 2 Is het schip Delfshaven nevens de der een schip en patjalling „de Patjallang en d' overige Paduakangs na Sandrabonij zonder vertrocken, zijnde den schipper en de gezaghebbers door mij gelast geene Europeesen aan de wal te doen gaan, tot voorkoming van ongelucken. de sandrabonijers addresseeren zig bij Bonij visitie aan den koning gegeeven De sandraboniers sijn bij hem geweest hun boodschap Vrijdag den 3 Des morgens ten seven uuren liet den koning van Bonij mij door den glarrang van Bontua„ „la verwittigen, dat de broeder van de koning en Rijksgroo„ „ten van Sandrabonij bij hem hadden doen acces vragen, dog dat zijn Hoogheijd g'antwoord hadde, het zelve buijten mijne toestemming niet te kunnen permitteeren, in antwoord van het welke ik zijn Hoogheijd hebbe laeten versoeken hun t' ontfangen en mij zo wel hun begeerte te laeten weeten, als de naamen der Rijksgrooten, die komen mogten. Zaturdag den 4 In den vroegen morgen met eenig ge„ „zelschap na het Leger voor Goa gereeden zijnde, begaf ik mij tegen negen uuren bij den koning van Bonij hom te kennen geevende, dat ik reets bezig zijnde met eenige onzer bentings in te trecken, zijn Hoogheijd die van zijne onderhoorige meede konde laeten slegten om vervolgens op te breeken. Terwijl ik den Prins Tosarassa, die daar present was beval om zijn Hoogheijd te verwittigen, dat ik geen gelegentheijd gehad hadde, hem van mijn voorneemen, om goa aan te tasten kennisse te geeven vermits ik daags bevoorens niet in persoon in het Leger kunnen komen, en ik het zelve aan niemand hadde durven aan vertrou„ „wen. Hier op weeder na het hoofd quartier te rug gekeerd zijn de, hebben diverse Rijksgrooten van sandra bonij een visitie bij den vorst afgelegt, die mij hunne boodschap en de namen der persoonen inscriptis deed Communiceeren, zodanig als het zelve onder de bijlagen te zien is, werdende mij gebragt door dien Tomilalang Arou oedjong, de Soekewattang en glarrang nevens de Jematongang die op een directant„ „woord urgeerden het welk ik van de hand wees met te
English
428 conveying that I would give it in writing, regarding their message. Whereupon they departed. Nevertheless, the glarrang returned on behalf of the King and the high nobles of the realm, requesting further overture and asking that the vessels I had sent to Sandrabonij should proceed no further than Glissong; but when I refused this, that at least no hostilities should be committed by them, to which I replied that for the time being they had no orders to do so. Sunday the 5th. Nothing of importance occurred. Monday the 6th. In the forenoon, I sent my answer (to be found among the enclosures) to the request of various nobles of Sandrabonij in the Macassar language to the King of Bonij, who sent word to me that he would have the same handed over to them at Thaing, where they were staying. Tuesday the 7th. In the morning at eight o'clock, following a prior request for access, there came the Bonian Tomitalang Arou Oedjong together with the glarrang of Bontuala and the Timatongang, on the request of the Bonian nobles, stating that the King had examined my answer mentioned under yesterday's date and had shown the same to the Sandrabonij nobles; that he, as well as they, could not well understand its contents, requesting therefore that I might state my sentiments, and thus what I intended to demand, to His Highness, in order to communicate the same to them. To which I replied that the answer was very clear, as I also pointed out to them, adding that I had not yet applied my thoughts to the matter itself, but had first awaited word as to whether the Sandrabonij people were truly in earnest, so that in that case I might deal directly with them; and that I would still await them in the manner I had prescribed, namely the foremost among the high nobles of the realm provided with credentials from the court. Which the delegates, after much intervention from which it was clearly noticeable that the Bonians would gladly have wished to manage this matter themselves according to their own discretion, finally agreed to arrange, promising to bring said nobles to me and to introduce such nobles as I had specified to me by next Saturday. In the evening at half past six, an emissary arrived from the interpreter named Carre Manginroeroe, reporting on the last-mentioned's activities and the state of affairs there. He reported that upon his arrival at Sandrabonij, an emissary from the King had come to make known to the interpreter that Bonij had already pardoned him and his subjects, and that an embassy would be sent to the Company to request the same. To which Brugman had reportedly replied that their intention pleased him, but otherwise he was prepared to attack Sandrabonij with all his might upon the first order. That Brugman had departed from there to the river Tjikoang, had found no enemies there, but had caused the negorijs Tjekoang, Tope Jawa, Bangah, Kadjang, Djaranika, Mangadoe, Kapoenrengan, Paganakan, and Linkes to be destroyed by fire; in the last-mentioned, which belonged to a son of the deceased first Goan Tomilabang Banto Madjennang, there had been with him his brother Crang Mandalle with some people, who had fled upon the approach of our forces. That a multitude of people were staying in Sandrabonij and many were still daily taking flight thither, whereas on the other hand, many subjects of the Company who had been dispersed had returned to their negorijs. 430 And finally, that no one was able to say where Craeng Biladje and Datoe Boesing were, having taken flight after the conquest of Goa. Wednesday the 8th. Nothing extraordinary occurred. Thursday the 9th. Craing Bantolancas and Craeng Dato came to inform me on behalf of the King of Goa that one of the Macassar nobles, named Craeng Paboendoekan, through his emissaries, the Anrong goeroe Paboendoekan and glarrang Aloe, had let him know that he wished to come into submission to the Company, at the same time asking for access to bring them to me. The latter request I informed them I was willing to permit, but that I could not declare myself further in that regard, while I granted the access for next Monday. In the evening at seven o'clock, the Bonian Prince Tosarassa came to inform me that Arou Mampoe, Craeng Candjilo, and Craeng Sapana had already applied to the King of Bonij to be received into submission; but that Arou Palacca, who was still at Lama together with Sankilang, had said that he would not proceed to do so. For this report, following the report to Goa's King that some rebels wish to come into submission, I thanked him kindly, giving him to understand that I would not show myself averse if the Macassars truly meant it, but that otherwise it was indifferent to me. Friday the 10th. Nothing happened. Saturday the 11th. Having waited this entire morning for the arrival of the high nobles of the realm of Sandrabonij, for the reception of whom all necessary preparations had been made in the Castle, there came the Bonian court interpreter
Dutch transcription
428 te kennen gave dat ik het schriftelijk geeven zoude, trend hunne stad boodschap. om nader ouverture waar na zij vertrocken Nogthans kwam den glarrang en versoek om„ weeder te rug uijt naam van den koning en Rijksgrooten versoekende dat de vaartuijgen die ik na sandrabonij gezon„ „den hadde, niet verder mogten vertrecken dan tot glissong, dog doe ik zulks afgeslagen hadde, dat 'er dan ten minste door deselve geen vijandelijk heden mogten worden gepleegd, waar op ik diende, dat z' daar toe voor als nog geen ordre hadden. Zondag den 5 Is niets van belang voorgevallen Maandag den 6 Hebbe ik des voor de middags mijn ant„ woord, onder de bijlagen te vinden, op het versoek van antwoord op hun diverse grooten van sandrabonij in de Macassaarse taale aan den koning van Bonij gezonden die mij heeft laeten weeten, het zelve aan hun te zullen doen inhandigen op Thaing alwaar zij zig onthielden. Dingsdag den 7: Des morgens ten agt uuren kwam na versoek der bonijer na voor af versogt acces, bij de Bonijs Tomitalang Arou oedjong nevens de glarrang van Bontuala en de Timatongang te kennen geevende dat de koning mijn antwoord vermeld sub gisteren ingezien en het zelve aan de Sandrabonijse Grooten hebbende doen vertoo„ „nen hij zo wel als zij dies inhoud niet wel konden be„ „grijpen versoekende dierhalven dat ik mijne sentiment en dus het geene ik vermeende te willen eijsschen aan zijn Hoogheijd mogte opgeeven om het zelve aan haar te Commu„ niceeren. waar op ik diende dat het antwoord zeer duijde„ „lijk was gelijk ik hun ook aantoonde met bij voeging dat ik mijn gedagten over de zaak zelve nog niet laeten gaan, maar alvoorens bescheijd afgewagt hadde of het de sandrabonijs regt ernst weezen mogte, om in dien gevalle met hem direct te handelen en dat ik desel„ „ve dan als nog zoude verwagten in diervoegen als ik hadde name groten bij mij te brergen ning gezonden aan den appertolk des laastgemeldens verrigten en den toe „stand aldaar hadde voorgeschreeven namentlijk de voornaamste uijt de Rijksgrooten met een Credintiaal van het hof voorsien het geen de gecommitteerdens na veel tusschen spraak, waar uijt duijdelijk te bemerken was dat de Boniers gaarne gewenscht hadden deese zaak zelfs na hun goed„ hun toezegging om vinden te dirigeeren, eijndelijk aannaamen te zullen bezorgen en dat zij zodanige grooten als ik hadde opge„ „geeven tegens aanstaande saturdag bij mij zouden intro„ duceeren. Des avonds ten half seven uuren kwam een sendeling van den appertolk met naeme Carre Manginroeroe berigtende boodschap door de ko„ dat bij zijn kamst op sandrabonij een zendeling van den zelven was gekomen ter bekendmaeking dat Banij hem en zijne onderdaanen reets gepardonneerd hadden en dat er een ambassade aan de Comp: zoude gedaan worden, om zulks insgelijks te versoeken op het welk door Brug„ „man, zoude zijn geantwoord dat hun voorneemen hem lief dog hij andersints gereed, was om sandrabonij op d'eerste ordre met zijn gantsche magt aan te lasten Dat Brugman van daar na de rivier Tjikoang ver„ „trokken geene vijanden aldaar aangetroffen maar de Negorijen Tjekoang, Tope Jawa, Bangah, kadjang, Djaranika, ma=ngadoe, kapoenrengan, Paganakan en Linkes door het vuur hadde doen vernielen; in de laestgemelde, die aan een zoon van den overleeden eersten goase Tomilabang Banto Madjennang heeft gehoord, nevens den zel„ „ven nog geweest zijnde desselfs broeder Crang Mandalle met eenige volkeren die op d' aannadering der onsen ge„ Dat in sandrabonij zig een meenigte volk onthield en veele nog dagelijks de vlugt derwaarts namen, waar en tegen veele onderdaane van de Comp: die overstroijt vlugt waaren. geweest 430 aan goas konings berigt dat eenige Rebellen in submi„ geweest zijn, na hunne negorijen waaren te rug gekeerd. En eindelijk dat niemand wist te zeggen waar Craeng Bi„ ladje en Datoe Boesing zig bevonden, als na de verovering van Goa, de vlugt genomen hebbende. woensdag den 8„e niet sonderlings voorgevallen Donderdag den 9=e kwamen Craing Bantolancas en acces g'accordeert Craeng Dato mij uijt naam van den koning van Goa bekend maeken dat een der Maccassaerse Grooten met naeme Craeng Paboendoekan door zijne zendelingen d' Anrong goeroe Paboendoekan glarrang Aloe aan hem hadde laeten weeten gaarne bij de Comp: in submis„ „sie te willen komen, teffens acces laetende vragen om deselve bij mij te brengen, welk laatste ik hun te ken„ gaf wel te mogen lijden, dog dat ik mij dierwegens niet verder verklaaren konde terwijl ik het acces tegen aanstaande Maandag hebbe g'accordeert. Des avonds ten zeven uuren kwam de Bonijs Prins Tosarassa mij verwittigen dat Arou Mampoe, Craeng sie willen komen Candjilo en Craeng Sapana bij den koning van Banij: reets aansoek hadden laeten doen, om in submissie ontfangen te worden, dog dat Arou Palacca die ne„ „vens sankilang nog op Lama was gezegt hadde, daer toe niet te zullen overgaan, voor welk berigt ik hem vriendelijk hebbe bedankt, onder te kennen gave dat ik mij niet afkeerig zoude toonen, als de Maccassaeren het regt meenden dog dat het mij andersints onver„ schillig was. vrijdag den 10 is niets gepasseerd Zaturdag den 11 Deezen gantschen morgen gewagt hebbende, op de komst der Rijksgrooten van sandra„ „bonij, ter receptie van de welke in 't Casteel alle nodi„ „ge preparatie was gemaakt, kwam den Bonijs hofstolk 21