VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3529

Japan · 1,230 pages · 332 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3529_0472 view scan ↗

English

Visit of Goanese notables turned down, with an admonition to summon them. Court interpreter Moentoe reported to me at midday that the most prominent among them had not appeared with the Credential from the Court, and His Highness had therefore not sent the others to me. Whereupon I had the reply served that, as I had not requested them to come, I did not mind if they stayed away altogether, but that it was entirely unpleasing to me not to have received an earlier report of their remaining behind. Furthermore, with regard to the request for access for them against next Monday, letting His Highness know that I could not receive them then. Sunday the 12th. Nothing occurred. Monday the 13th, in the forenoon, the King of Goa appeared before me, who, after a discourse concerning various matters of little importance, gave it to be known that the Regent of Raboendoekan had sent to him to make known his inclination to submit to the Company, asking my pleasure in this regard. Whereupon I held before him how I had declared several times, and especially at his last visit, that during the siege of Goa I would indeed have received all those who, having sincere repentance, wished to leave the side of the enemy and ask for pardon, but would not engage with them afterwards. I now persisted in what I had said in that regard, since I could not negotiate with private persons at present, but that if the Macassars wished to consider their own well-being to renew the peace with the Company all at once, I would not show myself averse, provided the foremost notables made application at the same time; authorizing him to inform all those who might address themselves to him of this, adding however that I wished to have him admonished to permit no more Macassars to live and reside with him at Matouangie than were already there, if he did not wish to expose himself to the Company's displeasure. Spoke with him about the Regalia of Tello. Furthermore, I spoke with him about the cession by the former Queen of Tello of her Realm to that of Goa, according to the entry in the Daily Register of the 2nd and 7th of June of last year, and how the acceptance of its ornaments by the Macassars was a matter to which they were not entitled, since Tello had been ceded to the Company. But he declared he had received no ornaments and also had not had such a message delivered to me, and that consequently his emissary had said more than had been entrusted to him, besides that Tello, to his knowledge, had possessed no other Royal ornaments than merely a standard. To which I answered in turn: that I was not concerned with the ornaments, but rather to show him his mistake in meddling in an affair that did not concern the Macassars, but that it was now decided once and for all by the conquest of Goa, whereby Tello also, having previously been taken and conquered by the Company, had become its own property and thus would also remain so for the future. Inquiry about Sandrabonij answered. Request of the King of Boni on behalf of the Sandrabonians. Hereafter, having been asked by him whether those of Sandrabonij were to be brought into submission to the Company through the mediation of the Bonians, I gave him to understand that I had indeed permitted some Bonian notables to accompany them, but that I intended to negotiate with them alone without the mediation of anyone, since Sandrabonij, being a separate Realm, had to do with none other than the Company for the making of peace. Further, upon his expressed astonishment that the chief interpreter, notwithstanding the declaration of the Sandrabonians of wishing to request pardon, was having the villages burned, serving that as long as no agreement had been reached, the war had to take its course, and I would make others see this as well. In the afternoon, the Bonian Djemtongang came to me in the name of the King, again requesting access and at the same time asking that I have compassion on the Sandrabonians and that the destruction of their villages might be ceased. Whereupon I answered that it was their own fault that our men were still proceeding with the latter, as I had already shown myself prepared fourteen days ago to receive the Kingdom's notables and had subsequently fixed the past Saturday for that purpose, without them having come; that I could consequently give no contrary orders, but could grant them access against next Wednesday.

Dutch transcription

visiti van goasko„ „den voor eenige gro„ „ten afgeslagen met aanmaning te doen komen hofstolk Moentoe, mij op den middag berigten dat de voornaamst onder hun, met het Credentiaal van 't Hof„ niet meede verscheenen was, en zijn Hoogheid dierhal„ „ven d' overige niet bij mij hadde gezonden, waar op ik ten antwoord hebbe laeten dienen, dat ik hun niet aange„ zogt hebbende, om te komen, wel lijden mogte dat zij in het geheel agterbleeven, dog dat het mij gantsch niet aangenaam was, niet vroeger rapport te hebben gekreegen; van hun agterblijven, voorts ten op zigte van het versoek om acces voor deselve tegens aanstaande Maandag aan zijn Hoog hoogheijd doende weeten, dat ik hun dan niet ontfangen konde. Zondag den 12. viel niets voor Maandag den 13 verscheen des voor vemiddags bij mij den koning van Goa, die, na een discours over deeze en geene zaeken van weijnig belang, te kennen gaf, dat de Regent van Raboendoekan, bij hem gezonden hadde, om zijn geneijgd„ „heijd te kennen te geeven, ten eijnde bij de Compagnie in submissie te komen, dierwegens mijn goedvinden vragen „de waar op ik hem voorhield, hoe ik meermaelen en in son„ „derheijd bij zijn laatste visitie verklaard hadde, dat ik zijn versoek om par alle de geene die opregt berouw hebbende, de zijde der vijanden verlaten en om pardon vragen wilden, geduuren „de de belegering van goa, wel ontfangen, dog naderhand mij met dezelve niet inlaeten zoude, ik daar omtrend als nu bij mijn gezegde bleef persisteeren, vermits ik thans met geen bij sonder persoonen handelen konde, maar om z' allen te gelijk dat ingevalle de Macassaaren, haar eigen wel zijn wilden betragten om den vreede met de Comp: te vernieuwen ik mij niet afkeerig zoude toonen, mits de voor„ naamste ning 23 432 hem onderhouden over de Rijks Jn„ Signia van Tello naamste grooten als dan te gelijk aansoek deeden; hem qualificeerende om alle de geenen die zig bij hem addresseeren, mogte daar van te verwittigen met bij voeging nogthans dat ik hem wilde vermaand hebben geene Maccassaeren meer bij zig op Matouangie, ter woon en verblijf toe te Laeten, dan zig daar reets. bevonden, zo hij zig aan 's Comp=s ongenoegen niet wil„ „de bloot stellen. voorts onderhield ik hem over de afstand door de ge„ weesene koninginne van Tello van haar Rijk aan dat van Goa na het aangeteekende bij Dag Register van den 2 en 7„e Iunij des voorleeden Jaars en hoe d'acceptatie der orna„ p „menten van het zelve door de Maccassaeren een stuk was waar toe zij niet gewettigt waaren, vermits Tello aan de Com„ pagnie was afgestaan, dog hij verklaarde geen orna„ „menten ontfangen en ook zodanigen boodschap aan mij niet te hebben laeten doen, en dat oversulks zijn zendeling meer gezegt hadde dan hem betast was, behal„ „ven dat Tello, zijnes weetens geen andere Rijks ornamen„ ten bezeten had, dan enkel een standaart, daar ik wee„ „der op diende: dat het mij om de ornamenten niet te doen waare, maar wel om hem zijn misslap aan te toonen, door zig te hebben bemoeijt met een zaak die de Macassaaren net aanging, dog dat het nu eens voor al gedecideert was, door d' overwinning van goa„ waar door ook Tello, als door de Comp: bevoorens ingeno„ „nomen en geconquesteerd, haar eigen was geworden en het dus ook voor het vervolg blijven zoude Hier Arend Sandrabonij b'antwoord versoek van Bonijs koning voor de sandra„ bomiers zijne informatie om Hier na door hem gevraagd zijnde of die van sandrabonij door mediatie van de Boniers bij de Comp: in submissie stonden te worden gebragt, zo gaf ik hem te kennen, dat ik wel gepermitteerd hadde dat eenige Bonijse grooten hun zouden geleijden, maar dat ik voorneemens was alleen met hun te handelen zonder mediatie van iemand, vermits= sandrabonij een apart Rijk zijnde, met geen ander dan de Comp: te doen hadde, tot het mae„ „ken van vreede, verder op zijn betuijgde verwonde„ „ring, dat den oppertolk, niet Iegenstaende der san„ draboniers te kennen gave, van pardon te willen versoeken, de negorijen deed verbranden, dienende dat zo lange men niet over eenden, dienende dat zo lange men niet over een gekomen was, den oorlog zijn, voort„ „gang moeste hebben, en ik zulks aan anderen ook zoude doen zien. Des nademiddags kwam den Bonijs Djemtongang bij mij uijt naam van den koning andermaal acces en teffens versoekende dat ik met de sandraboniers meede lijden hebben en het vermielen van hunne negorijen mog„ „te geraakt worden waar op ik diende dat het hun eigen schuld was, dat d' onsen met het laaste nog voortgingen also ik mij reets voor veertien dagen hadde bereed getoond de Rijksgroo„ „ten 't ontfangen en daar toe vervolgens de passeerde saturdag bepaald, zonder dat zij gekomen waaren; dat ik oversulks geen contrarie ordres konde geeven, maar haar tegen aanstaande woensdag accordeeren kon„ de

NL-HaNA_1.04.02_3529_0475 view scan ↗

English

25 434 Sandrabonij received to cause the hostilities to cease Tuesday the 14th nothing of importance occurred. Wednesday the 15th Today being the appointed day for the reception of the grandees of Sandrabonij to submit to the Company, there first entered the assembly hall through the land gate the Tomilalang, Arou Oedjong, and the Soelewattang, together with the Djema Tongang and the Glarrang of Bontualacq, communicating that they had brought the same with them. And subsequently through the water gate, after having first laid down their sidearms outside of it, thirteen persons named the Craengs Taipa, Oedjang, Tajammeng, Baloesang, Manilingie, Tamadangang, Djangoa, La Embas, Manrimisie, alongside Daeng Padinging and the Glarrangs Tonasa, Parasangang Beroe, and La EmbaE. The same being seated, they submitted upon the inquiry made for that purpose regarding the so-called credentials brought by them, which were stamped with the royal seal and can be found in translation among the annexes. The same having been read, I gave them as well as their conductors to understand that the intention of the Company was to negotiate solely with them, without Bonij having anything further to do with it, other than that one had been willing to consent to let them be introduced by some of them in order to remove all their fear of ill treatment. Which statement made the Tomilalang and his party look surprised, in such a manner that they sat speechless for a good hour, when he finally, as it seemed, understanding that the design of Bonij to be able to act as mediators in this matter had been rendered illusory, urged the Sandrabonijs to speak, even declaring that he had only come to introduce them. With this result, Craeng Baloesang, who was the spokesman from the beginning, requested that the articles demanded by the Company might be read to them. Which having been done, each article being explained to them further in detail by the License Master Voll and handed over in writing in the Macassar language, they subsequently took their leave, and shortly thereafter also the Bonij grandees, whom I only instructed to report to the King on what had transpired, which they accepted. In the afternoon I was informed by the Nachoda of a vessel arrived from Boneratte that the news had supposedly arrived there of the overpowering of the Company's post at Bima by a younger brother of the well-known wanderer Tjalla Bancahoeloe, and that some seventeen days ago. Thursday the 16th two emissaries came to me complaining that the son of Daeng Pagoeling, named Noeroeng, had caused some subjects to be abducted at Siang under the pretext that they had lodged some Mandharese who had been there. Whereupon I immediately sent them back with orders to retrieve the same by force from the house where they had been brought, and to shoot Noeroeng together with his robber band should he attempt to prevent this. Meanwhile, I immediately sent to the King of Bonij to protest in the strongest terms regarding Datoe Baringang, who Noeroeng claims gave the order for that abduction, both concerning that matter and some other brutalities which his people commit at Maros, and to issue the necessary orders to remedy this, with the notification that otherwise I would obtain satisfaction myself. Upon which the interpreter De Graaf brought me a report that His Highness had promised to have Datoe Baringang summoned to him at once and to order him what is necessary regarding these matters. Friday the 17th In the afternoon, the King of Bonij informed me through the court interpreter Moentoe that he intends to return the day after tomorrow with the Samparadjaija (State Standard) from the army before Goa to the Campong Bougis and thus to return home, for which I had him thanked. Saturday the 18th In the afternoon, the Datou of Sopping came to me, requesting permission to return home and asking that I would speak with the King of Bonij when the opportunity arises to prevent Arou Mampoe, the former King of Goa, who still stays with the enemies and is married to a daughter of Datoe Lamoeroe, from entering Lamoeroe, since he feared that in such a case the village of Mario Riawa, which belongs to Sopping, would be subjected to harassment. The first of which I

Dutch transcription

25 434 sandrabonij gereci„ pieert „de de vijandelijkheeden te doen staaken Dingsdag den 14 viel niets van belang voor woensdag den 15 Heden de bepaalde dag zijnde tot re„ „ceptie van de Rijksgrooten van Sandrabonij om bij de Comp: eenige groten van in submissie te komen, zo kwamen eerst in de vergader zaal de Tomilalang Arou oedjong en de soelewattang nevens de Djema Tongang en de glarrang van Bontua„ „lacq door de Land poort, Communicatie geevende dat zij dezelve meede gebragt hadden en vervolgens door de waterpoort na alvoorens hunne heup geweeren voor deselve afgelegt te hebben, dertien persoonen met nae„ „men De Craengs Taipa, oedjang, Tajammeng, Baloe„ „sang, Manilingie, Tamadangang, Djangoa, La Emba-s, Manrimisie nevens Daeng Padinging en de glarrangs Tonasa, Parasangang Beroe en La EmbaE dezelve gezeeten zijnde, gaven z' op de ten dien eijnde gedane af„ vrage over het door hun meede gebragte zo genaamde Credentiaal zijnde door het Rijks zegel bestempeld en in translaat onder de bijlagen te vinden; Het zelve op onderhandeling met geleezen zijnde, gaf ik hun zo wel als haare condui„ seurs te verstaan, dat d' intentie van de Comp: was om alleen met hun te handelen, sonder dat Bonij daar meede iets verder te doen hadde, dan dat men wel had„ „de willen consenteeren om hun door eenige derselve te laeten introduceeren om hun alle vreese voor een kwae„ „de behandeling te beneemen, welk gezegde den Tomilalang met de zijne vreemd deed op kijken zodanig dat zij wel een uur lang spraakeloos zaten, wanneer hij eindelijk, zo het scheen, begrijpende, dat het oogmerk van Bonij om in dezen voor mediateurs te zullen kunnen ageeren; „hem illusoir tijding dat Bima af gelopen was brutaliteijten door een bonijsprins op siang gepleegd. illusoir gemaakt was, de sandrabonijs aanmaanden om te spreeken, zelfs verklaarende maar gekomen te zijn om hun 't introduceeren met dit gevolg dat Craeng Baloe„ sang; die het woord, van den beginne aanvoerde versogt dat hun de articulen die de Comp: eijschte voorgeleesen magte worden, het geen geschieden hun ieder articul af„ sonderlijk door de Licentmeester voll nog nader te verstaan gegeeven mitsgaders in geschrifte in de Macassaarse taal overhandigd zijnde, zo na„ „men z' vervolgens en kart daar na ook de Bonijse grooten afscheijd dewelke ik eenlijk in mandatis gaf den koning van het verhandelde verslag te doen, dat zij aannamen, Des nademiddags wierd mij door de Nachoda van een vaartuijg van Boneratte g'arriveerd, berigt dat aldaar de tijding zoude weesen ingeboopen van het over„ 1 rompelen van 's Comp: post te Bima door een Jonger Broeder van den bekenden swerver Tjalla Banca„ „hoeloe en zulks nu seventien dagen geleeden. Donderdag den 16 kwamen twee sendelingen bij mij klagtig vallen dat de zoon van Daeng Pagoeling met naeme Noeroeng op Siang eenige onderdaanen hadde doen rooven, onder voorgeeven dat zij eenige aldaar aan„ geweest zijn Mandhareesen zouden hebben gelogeerd; waar op ik ten eersten hebbe te rug gezonden met ordre om deselve met geweld weder weg te haelen van het huijs daar zij gebragt waaren en om Noeroeng, wanneer hij zulks mogt willen beletten met zijn roovers- rot 27 436 over bij Bonijs staat van voor goa na huis keeren tot onderde te slooten, terwijl ik voorts direct bij den doeleantie daar koning van Bonij zond om over Datoe Baringang, koning den welken Noeroeng voor geeft tot die roof ordre gegeeven te hebben, zo wel dien aangaande als eenige andere brutaliteiten die de zijnen op Marosplee„ „gen, op het allersterkste te prosesteeren en de nodige beveelen te stellen om daar in te voorsien onder aankun„ „diging dat ik mij andersints zelfs satisfactie zoude be „zorgen; op het welk den tolk de Graaf mij rapport bragt dat zijn Hoogheijd beloofd hadde, Datoe Baringang ten eersten bij zig te zullen laeten roepen en hem nopens het een en ander het nodige te gelasten. vrijdag den 17 Des na de middags liet den koning de koning van Bonij van Bonij mij door den hoftolk Moentoe weeten, voor „ te rug te komen neemens te zijn om overmogen met de samparadjaija /:Standaart van staat:/: uijt het leger voor Goa naar de Campong Bougis te rug en dus na huis te keeren, waar voor ik hem hebbe doen bedanken. Zaturdag den 18 kwam des nademiddags bij mij den Datoe soping sal Datou van sopping, versoekende om na huijs te mogen keeren, en dat ik bij gelegentheid met den koning van Bonij wilde spreeken, om te beletten dat Arou zijn versoek om„ Mampoe, de geweesen koning van goa, die zig bij de Arend Lamoeroe vijanden nog onthoud en gehuwd is met een dogter van Datoe Lamoeroe niet in Lamoeroe mogte komen, vermits hij bedugt was, dat in zodanig geval de negorij Mario Riawa, die onder soping gehoord overlast stond te lijden; welk eerste ik

NL-HaNA_1.04.02_3529_0478 view scan ↗

English

I granted and promised the latter. Furthermore, he related to me that he had learned that of the rebels, all those who were of the family of Arou Palacca were intending to submit as yet to the Company through the court of Bonij, and that Arou Mampoe had let it be known that he wished to have Sankilang surrendered as soon as he had recovered the regalia from him. Sunday the 19th. In the morning, the king of Banij sent me, through the glarrang of Bontualacq, a son of the extraordinary envoy Baroe Baroe, being one of the abducted subjects of Siang mentioned under the 16th of this month, with the assurance that Noeroeng had transported no one else, for which sending I had his Highness thanked, who shortly afterwards returned in person with the Samparadjaija from before Goa to the Campong Boegies, on which account I had him congratulated by the interpreter De Graaf. Monday the 20th. Nothing occurred. Tuesday the 21st. Several vessels arrived here from Bouton with envoys, both for the transport of some auxiliary troops numbering about 400 heads, and for the return of the commissioners for the extirpation of spice trees who returned at the same time, I having had those envoys invited for next Saturday. Wednesday the 22nd. In the early morning, I made a tour to Goa to inspect the leveling of a part of the rampart on the side of Likiong undertaken by the Madurese. Thursday the 23rd. Upon the complaints of some subjects in the province of Maros regarding the detention of their paddy fields by the Boniers, on orders, as these allege, of Datoe Baringang, I sent the bookkeeper Deefhout to the Madanrang to complain thereof in the most threatening terms and to demand their surrender, who had me promised that he would give orders thereto. Friday the 24th. Towards noon I received such a letter from the king of Bonij, as can be found among the appendices together with its translation and my fitting answer thereto, concerning those of Sandrabonij. Saturday the 25th. The Bouton envoys, mentioned under the 21st of this month, were received by me in the Castle with the customary ceremonial, having brought along the remaining 4 slaves that the kingdom still owed. Sunday the 26th. Before noon, the king of Bonij had an audience requested with me for those of Sandrabonij, which I granted for tomorrow morning. In the evening at seven o'clock, the Adatouang of Sediering came to me, making known how he had learned that he was suspected of evil intentions against the Company, though without the least reason, with the request therefore that I might put no faith in that, but... how that grandee of the realm, having asked him these and those questions regarding the march of our troops to Sandrabonij, whether more men were expected, and the like, had subsequently said that if those of Sandrabonij made peace with the Company, the Macassars would also submit, while the first-mentioned would certainly come to terms if the Company did not demand too much; That Tan Kilang would certainly be abandoned by the others and might perhaps even fall into the hands of the Company if a bounty were placed upon his head. To which he had also added an assurance that the king and he were the only ones who were sincere towards the Company, but that all the other grandees could not be trusted. Thursday the 30th. In the evening at ten o'clock, after having first had the king of Bonij informed thereof, I set out by sea for Sandrabonij, where I, arriving on Friday the 31st in the morning at eight o'clock, learned from the bookkeeper Deefhout that, having been inside Sandrabonij the day before with the Datou of Sedeering, the king and grandees of the realm had made a promise to declare themselves positively on the Company's demands regarding the war costs and homage; subsequently the aforementioned Datou likewise came

Dutch transcription

ik g'accordeerd en het laatste toegezegt hebbe. bellen in submis. „sie willen komen daan te rug gekree„ de koning van Bonij van goate rug gekomen ge andere gezanten met hulp troupen. zegt dat eenige Re„ voorts verhaalde hij mij te hebben vernomen dat van de Rebellen alle die geene welke van de famille van Arou Palacca waaren, voorneemens zouden weezen als nog door het Hof van Bonij bij de Comp: in submissie te komen en dat Arou Mampoe zig zoude hebben laeten verluijden, om sankilang te wil„ „len doen overgeeven, zo dra hij de Rijks-ornamenten van den zelven zoude hebben terug gekreegen een geroofde onder Zondag den 19 Des morgens zond den koning van Banij mij door den glarrang van Bontualacq een zoon van d' extra ordinair sindeling Baroe Baroe, zijnde een der geroofde onderdaanen van Siang, vermeld sub 16„ deeser met betuiging dat Noeroeng niemand anders vervoerd hadde, voor welke toezending ik zijn Hoogheid hebbe doen bedanken, die kort daar aan in persoon met de Samparadjaija van voor Goa naar de Campong Boegies is te rug gekeerd, wes wegens ik hem door den tolk de graaf, hebbe doen vergelucken. Maandag den 20 Js niets voorgevallen Dingsdag den 21 Arriveerden alhier verscheijden vaar„ de ordinair en een „ tuijgen van Bouton met gezanten, zo ter overbreng van Bouton gekomen van eenige hulptroupen ten getalle van circa 400 koppen als tot te rug brenging, van de teffens geretourneerde Commissianten tot extirpatie van specerij boomen, hebbende ik die gezanten tegen aanstaande zaturdag doen inviteeren Hebbe gen. 438 de wal van goa voor„ doliantie over bru brief van Bonies van Sandaabonij datoe sedeering over woensdag den 22 Hebbe ik in den vroegen morgen een tour na Goa gedaan, om de door de Madureesen aangenomen een gebeelte geslegt slegting van een gedeelte van de wal aan de kant van Likiong te bezigtigen Donderdag den 23 Hebbe ik op de klagten van eenige onder„ daanen in de provintie Maros, wegens het aanhouden van tale gedoentens door hunne padij velden door de Boniers, oplast, zo als deeze de boniers op maroes voorgeeven, van Datoe Baringang, den boekhouder Deef„ „hout bij den Madanrang gezonden, om daar over in de bedreijgenste termen te doleeren, en dies overgave te vorderen, die mij heeft doen toezeggen daar toe ordre te zullen stellen. vrijdag den 24 Tegen den middag ontfing ik zodanigen brief van den koning van Bonij, als nevens dies trans„ koning omtrend die „laat en mijn daar opgepast antwoord onder de bijla „gen te vinden is, betreckelijk tot die van sandrabonij. Zaturdag den 25 zijn de Boutonse gezanten, vermeld onder den 21=e deezer met het gebruijkelijke Ceremonieel, door mij, in het Casteel gerecipieerd, hebbende de resteerende 4 slaven mee„ „de gebragt die het Rijk nog schuldig was. Zondag den 26 Liet de koning van Bonij des voor de middag acces aan de Cantaa„ acces bij mij versoeken voor die van sandrabonij dat ik boniers toegezegt tegen morgen ochtend g'accordeerd hebbe. Des avonds ten seven uuren kwam den Adatouang van onderhandeling met sediering bij mij, te kennen geevende, hoe hij vernomen hadde hen. dat men hem van quaede voorneemens tegen de Comp: ver„ „dagt hield, dog buijten de minste reden, met versoek dier„ „halven dat ik daar aan geen geloof mogte slaan, maar mij madanrang over trocken gesprek met Datoe Bedleeuring. bonij uit lating van de Tolk mij hoe dien Rijks groot hem deese in geene de die van sandra vraegen gedaan hebbende, nopens den opmarsch onzer troupen na sandrabonij, of er nog meer volk verwagt wierd; en diergelijke, vervolgens gezegt hadde, dat als en de maccassaren die van sandrabonij met de Comp„ vreede maakten, de Ma„ „cassaeren meede in submissie zouden komen terwijl de eerst gemelde zig zeeker zoude laeten vinden, als de Comp: niet te veel eijschte Dat Tan kilang van d'andrze wel zoude werden verlaeten en mogelijk zelfs nog in handen van de Compagnie val„ „len er een pramie op zijn lijf wierd gesteld. waar bij hij nog hadde gevoegd een betuijging dat de koning en hij d' eenigste waaren, die het opregt met de Compagnie meenden, maar d' overige grooten alle niet konde vertrouwd worden. na Sandrabonij ver Donderdag den 30 Hebbe ik mij des avonds ten tien uuren, na alvoorens den koning van Bonij, daar van te doen verwittigen, over zee, na Sandrabonij begeeven„ alwaar ik des. Rapport van deeftout vrijdags den 31 's morgens ten agt uuren arriveerende, van den boekhouder Deefhout vernam, dat hij daags bevoo„ „rens met den Datou van sedeering binnen Sandra„ „bonij geweest zijnde, de koning en Rijksgrooten toe zegging hadden gedaan, om zig op 's Comp: eijsschen rae„ „kende de oorlogs kosten en homagie positive te zul„ len de clareeren vervolgens kwam den gemelde Datou insgelijks

NL-HaNA_1.04.02_3529_0481 view scan ↗

English

442 likewise with me, inquiring once again what the Company's utmost demand was, to which I replied that I had already told him the same, and that nothing of it could be waived, further exhorting him to urge the Sandraboners to bring matters to a speedy conclusion without keeping us waiting any longer, and to that end to bring some dignitaries of the realm to me again so that I might speak with them directly, which things he promised to do. At noon, an emissary from Craeng Anabadjing arrived, reporting that a large number of Rebels under the leadership of Sankilang and other chiefs were showing themselves around the negorij Bonto Lebang and intended to attack it, whereupon I immediately sent the chief interpreter thither with his subordinates and a company of Madurese; upon whose appearance the Rebels took to flight, though not before having burned some houses in the nearby negorij Bonto Tallo. Saturday the 1st of August. While I was waiting for the arrival of the Sandrabonese dignitaries of the realm, the Datoe of Sedeenring informed me towards noon through an emissary that he had been summoned by the Court of Bonij to Maccasser and was about to depart thither, but hoped to return as soon as possible. Sunday the 2nd. In the morning I sent the ordinary emissary Daeng Mandjareki into Sandrabonij to announce to the King and the dignitaries of the realm that, having come here with the objective of bringing the pending negotiations to a speedy conclusion, I was expecting deputies at the very earliest opportunity, with a categorical answer to the Company's demands concerning the war costs and homage; announcing at the same time that they could come outside in safety without fearing anything. But towards noon the emissary brought me in reply that they had excused themselves from coming to me on account of the absence of the Adatuang, who was said to have told them that he wished to bring them to me, and they therefore requested to have a delay until his return. Monday the 3rd. I again sent Daeng Mandjareki into Sandrabonij to urge the King and the dignitaries of the realm once more to send deputies to me, with the result that five dignitaries came to me, named Craeng Baloesang, Deeng Sisila, Glarrang Tonasa, Craeng Parasangang Beroe, and the emissary Kande, who, after taking their seats, offered one thousand Spanish dollars for the war costs, with the request that the Company might have compassion for the realm on account of their poverty. But I showed them the unreasonableness of this offer in comparison to the Company's equitable demand, and how their pretended poverty was by no means as great as they wished to make me believe, adding that by their long delay they would compel the Company to break off the negotiations and continue the war, and that I therefore wished to have them advised and exhorted once again to consider their own welfare and to offer such a sum as the Company could accept, which would certainly waive something as proof that it did not seek the utmost, much less their total ruin; to which they replied that they were not authorized to go any further, requesting therefore to make a report of what had been put before them to their masters, and so they departed with the promise to return soon according to what had been ordered them. Tuesday the 4th. After I had waited the whole morning for the arrival of the Sandrabonese deputies, the same persons from yesterday appeared towards one o'clock, first making an offer of ten thousand Spanish dollars, but which, having been rejected by me, was immediately increased to twenty thousand, whereupon I countered them that, as a token of the Company's inclination to make peace, one would indeed be satisfied with that if they paid a proportionate part of it immediately and the remainder likewise soon, and moreover, that one was also willing to reduce the homage, from the fulfillment of which they sought to excuse themselves. But to this they answered nothing and indicated with respect to the other matter that they could pay no more than one thousand Spanish dollars in cash, after having inquired whether slaves and gold or silver works would also be accepted, to which I had agreed; wherefore I gave them to understand once more in earnest terms that they did not seem to mean it sincerely and that it would therefore be better not to keep us waiting any longer; whereupon, having made various excuses again, they said they would speak once more with the King and dignitaries of the realm and bring further word, which I agreed to provided they returned in the afternoon, since I could no longer remain in the encampment but had to be at Maccasser, and intended to depart thither in the evening. I flattered myself then that they would make an acceptable offer, but towards half past four o'clock only two of the aforesaid deputies returned, along with another, Craeng Manrimissie, excusing the absence of the three others, named Craeng Baloesang, Glarrang Tonassa, and Kanda, under the pretense that they had fallen ill, subsequently requesting that fifteen hundred Spanish rix-dollars might be accepted, in such a manner that nothing else could be understood from it than that they meant this to be in satisfaction of the entire demand; which became apparent when one of them, being the speaker named Daeng Sisila, declared that Craeng Baloesang, who had been the spokesman in the forenoon, had made no mention of twenty thousand rix-dollars when reporting to the King.

Dutch transcription

442 insgelijks bij mij, nogmaals verneemende wat d' uijterste eijsch van de Comp: was, waar op ik diende hem dezelve reets gezegt te hebben, en dat men daar van niets konde laeten vallen, hem voorts aanmaanen„ de om de Sandraboniers aan te zetten een spoedig eijnde van zaeken te maeken, zonder ons langer op te houden en ten dien eijnde weeder eenige Rijksgrooten bij mij te brengen ten eijnde met hun zelfste spreeken welk een en ander hij toe zeijde. Des middags kwam een sendeling van Craeng Anabad„ „jing berigtende, dat een groot getaal Rebellen onder aanvoering van sankilang en andere hoofden zig omtrend de Negorij Bonto Lebang vertoonden en voorneemens waeren de zelve 't attacqueren, waar op ik aanstonds den oppertolk met zijn onderhorige een Compagnie Madu„ „reesen derwaarts sond; op welker verscheijning de Rebellen de vlugt genomen hebben, na het verbranden egter alvoorens van eenige huijsen inde na bij gelegene negorij Bonto Tallo. Saturdag den 1 Augustus Terwijl ik was wagtende op de komst der sandrabonijse Rijksgrooten, liet den Da„ toe van sedeenring mij tegen den middag door een zen„ „deling weeten, dat hij door het Hof van Bonij na Maccasser ontboden, derwaarts stond te vertrecken dog ten spoedigsten hoopte terug te zullen komen. O Zondag den 2: zond ik des morgens den ordinair sendeling Daeng Mandjareki binnen Sandrabonij om den hun aanbod den koning en Rijksgrooten aan te zeggen dat ik hier gekomen zijnde met oogmerk om daan gevangen on„ der handeling een spoedig beslag te doen erlangen, ten al„ „ler eersten Gecommitteerdens verwagtende was, met Cathagorisch antwoord op sComp: eijsschen betreffende de oorlogs kostende en Homagie; onder aankundig teffens dat zij met gerustheid konde buijten komen; sonder iets te vreesen. Dog den sendeling bragt mij tegen den mid„ „dag tot antwoord dat zij zig verschoond hadden om bij mij te komen mits d'absentie van den Adatuang, die hun zoude gezegt hebben, hun bij mij te willen brengen en zij dier hal„ „ven verzogten, tot zijn te rug komst uijtstel te mogen hebben. Maandag Den 3„' zond ik andermaal Daeng Mandja„ „reki binnen Sandrabonij om als nog bij de koning en Rijks groten aan te dringen om gecommitteerdens bij mij te zenden, met dit gevolg dat vijf grooten bij mij kwamen met naemen Craeng Baloesang, Deeng sisila, glarrang Tonasa, Craeng Parasangang Beroe en den sendelingen kande die nagenomen zit plaats duijsend spaans voor„ „de oorlogs kosten aanboden, met versoek dat de Comp: meedelijden met het Rijk mogte hebben ter zaeke van hunne armoede, dog ik vertoonde hun de onredelijkheid van dit bod in vergelijk van 'sComp:s billijken Eijsch, en hoe hunne voorgewende armoede in verre na zo groot niet was, als zij mij wilden doen gelooven, met bij voeging hoe zij door hun lang draalen de Comp: zoude noodsaeken om de onderhandeling af te breeken en den oorlog voort te zetten, en dat ik hun dierhalven nog maals 444 maals wilde geraeden en vermaend hebben, hun eigen wel zijn te betragten in zodanigen somma op te brengen als de Comp: accepteeren konde, welke wet iets zoude laeten vallen, ten blijke dat men het uijterste niet zogt veel min hunne totaale ruine; waar op zij weeder ge¬ diend hebbende niet verder gequalificeerdte zijn, met versoek dierhalven om van het hun voorhoudene aan hunne meesters rapport te doen zo vertrocken zij met belofte van spoedig weeder te komen volgens het hun aan„ „bevolene. Dingsdag den 4: Na dat ik den ganschen morgen op de komst der sandrabonijse gecommitteerdens gewagt had„ „de verscheenen teegens een uuren deselve van Gisteren ten eersten een aanbieding doende van tien Duijsend spaans, dog die door mij afgeslagen zijnde aanstonds verhoogd wierd tot twintig duijsend wanneer ik hem te gemoet voer de dat men zig daar meede tot een blijk van s Comp: genegent„ „heijd om vreede te maaken wel zoude vergenoegen als zij aanstonds een evenredig deel daar van, en het overige meede spoedig op bragten, mitsgaders men boven dien de homagie, van welkers voldoening zij zig tragten te verschoonen, insgelijks wel wilde verminderen, dog hier op antwoorden zij niets en garen ten aansien van het andere te kennen, dat zij niet meer van duijsend spaens Contant betaalen kanden nagevraagd te hebben of men ook slaven en goud of silver werken zoude accepteeren en ik zulks toegezegd hadde wes„ halven 30 halven ik hun in ernstige termen nogmaals te ver„ staan gaf, dat zij het niet regt scheenen te mee„ „nen en het dusbeter zoude weesen Ons niet Lan„ „ger op te houden; dan hier op weeder verscheijde excusen gemaakt hebben de zeijden zij nogmaals met de koning en Rijks grooten te zullen spreeken en nader bescheijd te brengen, dat ik accordeerde mits zij des na de middags weder kwamen, vermits ik net Langer in het Campement blijven konde maar op Maccasser moeste weesen, en 's avonds derwaarts meende te vertrecken Ik flatteerde mij thans dat zij een acceptabel aanbod zouden doen, maar tegen halff vijf uuren kwamen alleen twee van de voor„ schreeven gecomitteerdens terug nevens een ander Craeng Manrimissie het agterblijven van de drie andere met naemen Craeng Baloesang, glar„ „rang Tonassa en kanda verschoonende, onder voorgeven dat zij ziek waeren geworden, vervol„ „gens versoek doende dat vijftien honderd rijxd=s spaans mogten worden aengenomen, op zodanigen wijse dat er niets anders uijt te begrijpen was, of zij verstonden zulks tot voldoening van den gantschen Eijsch, in voegen dit bleek toen een van hun zijnde den spreeker met name Daeng sisilabe„ tuijgde dat Craeng Baloesang, die des voormiddags het woord hadde gevoerd, bij het doen van rapport aan den koning geen gewag van Twintig Duijsend rijxd=s ge„ maakt

NL-HaNA_1.04.02_3529_0485 view scan ↗

English

made, although he, Daeng Sisila, had indeed heard that such had occurred with me, but as a minor grandee of the realm he had not dared to express himself about it, nor to say it was so strange, just as I also made known to him, that I should have broken off the entire negotiation all at once; but considering that he might perhaps be of use if the fire were laid somewhat closer to the shins of the Sandraboners, by erecting two batteries right in front of the rampart, whereas hitherto, contrary to my intention, a post had only been taken up in the village of Oedjong, from where that place could hardly be breached even with the heaviest artillery, I gave them a three-day postponement to bring me a final report at Macasser, declaring that peace or war would depend upon it, since in the event that one could not come to a reasonable agreement then, I would absolutely receive them no more, with a further earnest admonition therefore to ensure that they obtained sufficient authorization to bring the matter to an end; which having been promised by them and they thereupon having departed, I ordered Major Englert to put everything in readiness immediately to take up a post on the landward side of Sandrabonij and the construction of two batteries in a suitable place in order to be able to assault that stronghold if necessary. Having subsequently departed from there again by sea towards eleven o'clock, I arrived on Wednesday the 5th in the forenoon around nine o'clock at the Castle, notifying the King of Bonij of my return. While I at the same time immediately inquired after the whereabouts of the Adatouang of Seedenaing, I received report in the afternoon that he was at Shaing, whither I sent an emissary to invite him to me. Thursday the 6th: The Prince of Tanete, Arou Pantjana, arrived here from Sagerij, who, paying me a visit in the afternoon, requested to know whether I had anything to charge him with, having come up with that purpose; but whereto I replied that as far as the principal rebels were concerned, it would be fruitless to seek them out, as they did not make a stand, and while negotiations were ongoing with those of Sandrabonij, in case no agreement could be reached, our force was sufficient to occupy that place. After this the King of Bonij informed me that he would send the Glarang of Bantualacq to Maros to curb the insolence of the Bonij princes, with the request that the subject Pappa Lolie, who had come up here yesterday with complaints about Arou Nanka, might also return, which I ordered. Friday the 7th: Having waited in vain this day for the arrival of the Sandrabonij grandees of the realm, the Prince of Tanete, Arou Pantjana, came towards evening to bring me word that the Datou of Sedeenring, who likewise longed for it, had sent an emissary thither to summon them as quickly as possible, and that the same had requested him to make his apologies to me for not yet having been able to meet me. Saturday the 8th: Nothing occurred. Sunday the 9th: I received report that the expected Sandrabonij grandees of the realm have arrived at Thaing. Monday the 10th: It was reported to me that the aforementioned grandees of the realm, having been in the Campong of the Bugis, had probably already returned again to Sandrabonij, having received orders thereto from the King of Bonij, or at least that they had betaken themselves again to Thaing. Tuesday the 11th: I sent the bookkeeper Deefhout to the King of Bonij to ask for the reasons for the departure of the Sandraboners from the Campong Bugis to Thaing, further ordering him to inform His Highness, as if in private, of everything negotiated with them during my presence at the village of Oedjong. Whereto he brought back report that the prince had declared indeed to have learned that the Sandraboners had been in the Campong Bugis and had departed again, but not to know what they had done there; and that he immediately had inquiries made of the Tomilalang by an emissary, and that servant in the presence of him, Deefhout, had reported that the Tomilalang was said to have ordered them to turn back because they were too few in number. That His Highness had said to this: now you hear yourself how things go among the Boniers; they do whatever they want, without caring about me and the Madanrang, so that we are nothing other than binding rattans; and especially Dato Baringang, who will now marry a daughter of Craeng Tamasongo the King of Goa, from which one can deduce what he intends; further expressing himself regarding the report made about what was negotiated at Oedjong, that if it concerned him, after an offer of 20 thousand Spanish dollars, he no more than I would accept one thousand

Dutch transcription

37 446 gemaakt schoon hij Daeng Sisila, wel gehoord hadde dat zulks bij mij geschied was, dog als een minde„ „dere Rijksgroot zig daar over niet hadde durven uijtlaeten, en zeggen zo vreemd, gelijk ik hem ook te kennen gaf, dat ik de gansche onderhandeling eensklaps zoude hebben afgebroken dog Considereeren „de dat hij mogelijk van vrugt zoude zijn wanneer het vuur de sandraboniers wat na der aan de scheenen wierd gelegt; door het op werpen van twee battirijen vlak voor de wal, daar men tot hier tot hier toe, tegen mij „ne intentie, eenlijk inde negorij oedjong post hadde gevat, van waar die plaats zelfs met het swaarste geschut naauwlijks te breeken was, gaf ik hun drie dagen uijtstel om mij voor het laatste op Macasser bescheijd te komen brengen, met verklaaring dat daar van de vreede of oorlog zoude afhangen vermits ik ingevalle men dan niet na de billijkheijd kon„ „de over een komen, hun volstrekt niet meer ontfangen zoude met nog malige ernstige aanmaninij dier halven om te maken dat zij genoegsaeme qualifica„ tie bekwamen om van de zaak een eijnde te ma„ „ken, het geen door hun toegezegt en zij daar op vertroc„ ken zijnde zo gaf ik aan den Majoor Englert last om aanstonds alles in gereedheijd te brengen tot het vatten van post aan de land zijde van san„ drabonij op maccasser te rug gekomen Dat ou Ledeenring bij mij genodigt van Sagerie van daar vertrocken =vervolgens tegen elfuuren weeder over zee van daar vertrocken zijnde arriveerde ik des woonsdag den 5„e Jn den voor de middag omtrend negen uuren aan het Casteel, van mij te rugkomst aan den konings van Bonij doend kennisse geeven. Terwijl ik mij teffens aanstonds informeerende na het verblijf van den Adatouang van Seedenaing des middags berigt kreeg, dat hij zig op Shaing bevond, wer waarts ik een sendeeling sond, om hem bij mij te nodigen.. Donderdag den E: Arriveerde alhier van sagerij den Arou Pontjana komt Janets Prins Arou Pantjana, die mij des na de mid„ „dags een visite geevende, versogt te mogen weeten of ik hem niets te belasten hadde, als met dat oog merk op gekomen zijnde, dog waar op ik diende dat wat de hoofd Rebellen aanging het vrugteloos zoude weesen dezelve op te zoeken, dewijl t' geen stand hielden en men met die van sandrabonij in onderhandeling zijnde, bij aldien er geen accoord konde worden getroffen, onse magt genoeg toe reikende was, om die plaats te bezetten. drabonij en het aanleggen van twee batterijen op een bek „waeme plaets ten eijnde die vastigheid des noods te kunnen aantasten - Hier - 448 boeg is geweest lang weder weg geson„ Hier na het de koning van Bonij mij weeten dat hij de glar„ „rang van Bantualacq na Maros zoude zenden om den moed wil der Bonijse Prinsen te beteugelen met versoek dat den onderdanen Pappa Lolie gisteren met klagten over Arou Nanka hier op gekomen, meede mogte te rugkeeren, dat ik gelast hebbe. vrijdag den 7=' Deezen dag te vergeefs gewagt hebbende, op de komst der sandrabonijse Rijks grooten, kwam den Tanets Prins Arou Pantjana, mij tegen den avondbood„ schappen dat den Datou van sedeenring, die insgelijx daar na verlang de een sendeling derwaarts gezonden had„ „de, om hun ten spoedigsten te ontbieden en den zelven zijn Excus versogt hadde, bij mij te maeken, van mij, nog niet te hebben konnen ontmoeten. Zaturdag den 8 I„s niets voorgevallen. Zondag den 9 ontfing ik berigt dat de verwagt wordende z zijn op chaing g'ar„ Landrabonijse Rijksgrooten op Thaing zijn aangekomen. riveerd. Maandag den 10„' wierd mij berigt dat opgemelde Rijksgroten zijn in de Campong in de Campong der Boegineesen geweest zijnde, denkelijk reets weeder na sandrabonij waaren te ruggekeerd, als daar toe door den koning van Bonij last ontfangen hebben„ „de, ten minsten dat zij zig weeder op Thaing begeeven hadden. Dingsdag den 11: zond ik den boekhouder Deefhout dog door den Tomila„ na den koning van Bonij om te vragen naer de reden den van der Sandraboniers vertrek uijt de Campang Boegis na uijtlaeting dier wegens van den koning „gang na Thaing, hem verder gelastende, om zijn Hoogheid als in zijn particulier alle het met hun verhandelde bij mijn aan weesen op de negorij oedjong ter kennisse te bren„ „gen. waar op hij tot keer berigt bragt, dat den vorst betuijgd hadde wet te hebben vernomen, dat de sandraboniers in de Cam„ „pong bougis geweest en weeder vertrocken waeren, maar niet te weeten wat zij daar gedaan hadden, en dat hij aanstonds door een sendeling bij den Tomilalang na het een en andere doen vragen en dien bediende in presentie van hem Deefhout tot rapport gebragt hadde, dat den Tomilalang hun zoude gelast hebben om te rug te keeren uijt hoofde zij te weijnig in getal waaren. Dat zijn Hoogheijd hier op hadde gezegt, nu hoord gij zelfs hoe het onder de Boniers toe gaat, zij doen alles wat z„ wil„ „len, zonder zig aan mij en den Madanrang te bekreunen, en over Datoe Barin zo dat wij niets anders zij dan bindrottingen, „ en insonder„ „heid Dato Baringang, die nu zal trouwen met een rigt van Craeng Tamasongo. /: de koning van goa:/ waar uijt „men kan op maeken, wat hij voor heeft„ sig verder op het gedaene verslag wegens het verhandelde op oedjong uijt laetende, dat hij wanneer het hem aanging, na daan„ bieding van 20 duijsend spaens, even zo min als ik duij„ „ send

NL-HaNA_1.04.02_3529_0489 view scan ↗

English

450 Datoe Sedeering would have accepted fifteen hundred in deduction for the first term, but they ought to raise at least six thousand rds. Upon which report I immediately dispatched the first emissary Daeng Mandjarekie to Thaing, where the Sandrabaniers still are, in order to address them in the most emphatic terms regarding their remaining behind and how I would thereby be justified in breaking off all further negotiations, if I were not to have consideration for them in the reasonable suspicion that they were being misled by others, who under the pretext and pretense of seeking their welfare aimed only at their own interests, exhorting them to avoid their utter ruin by a resolute decision and at the same time, without troubling themselves about the Boniers, to come directly to the Company in order to conclude the begun negotiations; whereupon the said emissary brought back in the evening as answer, that the Sandraboniers claimed to have arrived at Thaing in the expectation of finding the Aaatouang there, in order to be led by him to me again, and upon the report that he was at Macasser, they had gone to him, whereupon the Tomilalang had summoned them and ordered them to return to Sandrabonij, informing them that the Company would not receive that which had been brought along by them, which the emissary said he had learned amounted to only 880 Spanish dollars; that they were thereby brought into extreme fear and hardly knew what to do, yet were nonetheless still awaiting the arrival of Datoe Sedeenring in order to consult with him. Wednesday the 12th. On account of the received report that Macassars and Tellonese are again attempting to nestle on the islands along the Company's northern districts, especially on Great and Small Balang and Cranrang, I ordered the Captain of the Malays not only to keep a watchful eye against this, but also immediately to cause all those who have settled on the same to be notified to move away at once, under threat of otherwise being forced to do so with violence; but on the other hand to permit the so-called Badjos or Torjeneerste to erect huts there according to their custom and to reside there with their vessels, from whom one might yet have service in case of need of the same. In the afternoon the Tanete Prince Arou Pantjana, who arrived this morning from Sagerie, paid a visit to me. 452 Thursday the 13th: nothing occurred. Friday the 14th: [illegible] Saturday the 15th. Having ridden to Goa early this morning, I gave orders there to relieve the European soldiers from Bonto Birdeeng, and merely to place a picket there at night, because the men are falling ill and Malenkerie is healthy. Furthermore, I disposed the Bimanese and other allies to the demolition of a part of the wall of Goa, directly opposite the post at Malenkeerie, as that work, on the side of Lakiong, has been stalled since the dispatch of a large part of the Madurese and Sumanappers to Sandrabonij; nonetheless they were unwilling to work for payment, but requested a memento as a token of their demonstrated loyalty to the Company, to be preserved by their descendants, which I promised to request of their High Mightinesses. Upon my return, the Captain of the Malays reported to me that on the islands Great and Small Balang there were no longer any Macassars; but on Cranrang only some Tellonese, who had requested first to notify the former queen of the order given to them to depart. Sunday the 16th: nothing of importance occurred. Monday the 17th. Towards noon the King of Bonij had me asked through the interpreter Passeere for what reason Sandrabonij was being bombarded, to which I replied that this was happening because it had committed the first hostility. In the afternoon, pursuant to the access granted this morning for that purpose, there came to me the Bonian Tomilalang Arouoedjong, the Soelewattang, Djematongang and Glarrang of Bantualacq, bringing along three grandees of Sandrabonij, for whom they claimed that the King had also caused access to be requested, although the Moorish interpreter, to whom I said had made no mention of it, had not heard it well, namely Daling Riolo, the Glarrangs Tonasa and Parasangang Beroe, together with an interpreter, who made known that they had been sent by their aforementioned King to offer in satisfaction of the Company's demand twelve catties, making eight hundred rixdollars, and twelve slaves; which offer I flatly refused, pointing out to them how they were now openly giving proof of wishing to deceive the Company, since they had not only already offered twenty thousand Spanish dollars, but even to pay down fifteen hundred of that at once, and that I therefore no longer expected them, but that the war would take its course, and they could take their measures accordingly and await the outcome, while I subsequently

Dutch transcription

450 Datoe sedeering te send of vijftien honderd in mindering voor het eerste ter mijn g'acepteerd zoude hebben, maar sij ten minsten ses duijsend rd=s behoorden op te brengen. Op welk berigt ik den eersten sendelingen Daeng boodschap aan de san„ Mandjarekie ten eersten na Thaing hebbe gedepecheerd, d„ra bonier gesonden alwaar de sandrabaniers zig nog bevinden ten einde hun, inde nadruckelijkste termen te onderhouden over hun agter blijven en hoe ik daar door geregtigt zoude zijn, om alle verdere onderhandeling afte breeken, als ik niet in billijk vermoeden, dat zij door anderen wierden misleijd, die onder den schijn en het voorgeeven van hun wel zijn te zoeken, met dan eijgen belangen b'oogden, Con„ sideratie met hun wilde gebruijken, hun doende ver„ maanen, om hun tot aale ruine door een Cordaat besluijt te ontwijken en teffensom, zonder zig aan de Boniers te bekreunen, direct bij de Compagnie te komen, ten eijnde de aangevange onderhandeling zijn beslag te geeven, waar op gemelden sendeling des avonds ten antwoord bragt, zij geeven voorna dat de sandraboniers besluijgd hadden, op Thaing gekomen wagten te zijn, in verwagting van den Aaatouang aldaar te zul„ „len vinden, ten eijnde door hem weeder bij mij te worden geleijd, en zij op het berigt dat hij op Macasser was, zig na hem toe begeeven hadden wanneer den Tomilalang haar hadde Laeten roepen en gelast maar na verandra„ „bonij te rug te keeren, met te kennen gave dat de Comp: het het door hun meede gebragte:/ het geen den zendeling zeijde: te hebben vernoomen dat maar 880: spaans bedroeg:/ net ont„ „fangen zoude; dat zij daar door in duijterste vreese vreese gebragt naauwlijks wisten wat te zullen doen„ dog nogthans de komst van Datoe sedeenring, als nog, als nog waare verwagtende, om met hem te raadplegen. woensdag den 12 Mits het ontfangen berigt dat, zig op de Eijlanden langs s Comp: voor der districten weeder Macassaeren en Telloneesen tragten te nestelen in sonder„ „heijd op groot en kleen Balang en Cranrang hebbe ik den Capitain der Maleijers gelast daar tegen niet alleen en waakend oog te houden maar ook aanstonds alle de zodanige die zig op dezelve needer gezet hebben te doen aan zeggen om ten eersten te verhuijsen onder bedreij„ „ging van hun andersints met geweld daar toe te zullen noodsoeken, dog daar en tegen aan de zo genaamde Badjos of Torjeneerste permitteeren aldaar hutjes na hun gebruijk op te slaan en er zig met hunne vaartuijgen te onthouden waar van men bij verlegentheijd om dezelve, nog dienst kan hebben. snade middags heeft den Tanets Prins Arou Pantja na, die deesen morgen van sagerie arriveerde een visi„ tie 452 sijn geen maccas„ „aren meer sen op Craprang „te bij mij afgelegd. — Donderdag den 13:' : is niets voorgevallen vrijdag den 14:' Zaturdag „ 15 Heden in den vroegen morgen na goa ge„ reden zijnde, hebbe ik aldaar ordre gesteld om d' Europeese Militairen van Bonto Birdeeng te ligten, en enkel des nagts aldaar een piquet te plaatsen, ter zaeke het volk en ziek word en Malenkerie gezanden is voorts hebbe ik de Bimaneesen en verdere overwalders gedisponeert tot om verwerping van een gedeelte van den wal van Goa, regt tegen over de post te Malenkeerie, al so dat werk, aan de kant van Lakiong, is blijven steeken zeedert de verzending van een groot gedeelte der Madureesen en suma nappers na sandrabonij, nogthans hebben zij niet voor betaling willen arbeiden, maar ver„ „sogt om een gedagte nisse ten teeken van hun betoonde trou„ „we voor de Comp: om bij hunne nakomelingen bewaard te worden het geen ik toegezegt hebbe van haar Hoog Edelhe„ dens te zullen verzoeken. Bij mijn te rug komst rapporteerde, mij de Capitain der op de bijlanden malijers dat op d' Eijlanden groot en kleene Balang geen Maccassaeren meer waeren; maar op Cranrang maar eenige Tellonee„ eenige Telloneesen, die versogt hadden de geweesene koning inne van de hun gegeevene ordre, om te vertrecken alvoorenst=e wittigen.— Zondag bonij werd beschaten visite van eenige san„ drabonijers begellegt door diverse boniers aan beiding zondag den 16: veel niets van belang voor Maandag „ 17 Tegen den middag liet den koning van Bonij reden waar om sandra mij door den Tolk Passeere vragen om wat reden en sandra„ „bonij wierd gebambardeerd, daar ik op diende dat zulks geschiede, om dat 'I het eerst vijandelijk hadde gepleegd. Des nademiddags kwamen, volgens het deesen morgen daar toe verleende acces, bij mij den Bonijs Tomilalang Arouoedjong, de soele wattang, Djematongang en glar„ „rang van Bantualacq meede brengende drie Rijksgrooten van sandrabonij, voor dewelke zij voorgaven; dat de koning meede acces hadde laeten vraegen, schoon den tolk Moor toe, die ik hun zeijde daar van geen gewagte hebben gemaakt, zulks niet wel gehoord hadde, te weeten Daling Riolo, de glarrangs Tonasa en Parasangang Beroe nevens een Tolk dewelke te kennen gaven door der eerstgemelden hunnen koning gezonden te zijn, om in voldoening van sComp: eijsch aan te bieden twaalf katjes makende Agt honderd Rijxdaalders en twaalf slaven, dog welk aanbod ik di„ die afgeslagen hebbe, rect afsloeg, hun voorhoudende hoe zij als nu opentlijk blijken gaven van de Comp: om de thuijn te willen leijden vermits zij niet alleen reets twintig Duijsend spaans aangeboden hadden, maar zelfs om daar van ten eersten vijftien Honderd afte seggen, dat ik hun dierhalven niet meer verwagten, maar den oorlog zijn voortgang nee„ „men zoude, en zij daar na kinnen maat regulen neemen mitsgaders den uijtslag afwagten konden, terwijl ik vervolgens

NL-HaNA_1.04.02_3529_0493 view scan ↗

English

40 454 The Boninese delegates who came to intercede on their behalf were answered. Requesting an audience. Subsequently, to the Boninese delegates who came to intercede on their behalf, saying that it was impossible for them to produce as much as the Company demanded, I replied that they had no business with them in the least, but that in case they wished to take their side, even if it were to assist them against the Company, it would be a matter of indifference to me, since in any case I judged it better to fight to the last man if an honorable peace could not be obtained, rather than to allow oneself to be misled into tolerating all sorts of insolence good-naturedly; but that I remained assured that the King and the well-disposed Boniers themselves disapproved of the conduct of all such grandees of the realm who tried in every way to harm the Company, and that the time would yet come to oppose it with earnestness; which terms did not seem to please them at all. The King has further word sent for the last time. After they had departed upon this, the two interpreters came to me in the name of the King to make known that His Highness had heard that I intended to depart for Sandrabonij this very evening, requesting that this be postponed until tomorrow, at the same time requesting an audience for the Tomilalang towards the morning, which I granted. Tuesday the 18th in the morning at eight o'clock appeared the Bonij was bombarded. Visit of some Sandrabonijers accompanied by various Boniers. Offer. Sunday the 16th. Nothing of importance occurred. Monday the 17th. Towards noon the King of Bonij had me asked through the interpreter Passeere for what reasons Sandrabonij was being bombarded, to which I replied that this was done because they had been the first to commit hostile acts. In the afternoon, in accordance with the audience granted this morning for that purpose, the Boninese Tomilalang Arouoedjong, the Soelewattang, Djematongang and Glarrang of Bantualacq came to me, bringing with them three grandees of the realm of Sandrabonij, for whom they alleged that the King had also requested an audience, although the interpreter Moortoe, whom I told them had made no mention of it, had not heard it correctly; namely Daling Riolo, the Glarrangs Tonasa and Parasangang Beroe, together with an interpreter, who made known that they had been sent by their aforementioned King to offer, in satisfaction of the Company's demand, twelve catties making Eight hundred Rixdollars and twelve slaves; which offer I rejected directly, pointing out to them that they were now openly demonstrating an intention to deceive the Company, since they had not only already offered twenty thousand Spanish dollars, but even to pay fifteen hundred thereof immediately; that I therefore expected nothing more from them, but that the war would take its course, and they could take their measures accordingly and await the outcome; while I subsequently 40 454 The Boninese delegates who came to intercede on their behalf were answered. Requesting an audience. Subsequently, to the Boninese delegates who came to intercede on their behalf, saying that it was impossible for them to produce as much as the Company demanded, I replied that they had no business with them in the least, but that in case they wished to take their side, even if it were to assist them against the Company, it would be a matter of indifference to me, since in any case I judged it better to fight to the last man if an honorable peace could not be obtained, rather than to allow oneself to be misled into tolerating all sorts of insolence good-naturedly; but that I remained assured that the King and the well-disposed Boniers themselves disapproved of the conduct of all such grandees of the realm who tried in every way to harm the Company, and that the time would yet come to oppose it with earnestness; which terms did not seem to please them at all. The King has further word sent for the last time. After they had departed upon this, the two interpreters came to me in the name of the King to make known that His Highness had heard that I intended to depart for Sandrabonij this very evening, requesting that this be postponed until tomorrow, at the same time requesting an audience for the Tomilalang towards the morning, which I granted. Tuesday the 18th in the morning at eight o'clock appeared the The Datu of Sedeenring will admonish the Sandrabonijers once again. the Boninese Tomilalang together with the Soelewattung, making known that they had been sent by the King and the grandees of the realm to offer, on behalf of the people of Sandrabonij in satisfaction of the Company, two thousand rixdollars and twelve slaves; but I replied that in case His Highness himself had given them such an order, which I gave them to understand I greatly doubted, I requested that he not take it amiss that I likewise rejected that offer, as being by no means sufficient. Wednesday the 19th. In the afternoon the Adatouang of Sedeering came to inform me that the Boniers, no longer wishing to meddle with those of Sandrabonij, had now left them to themselves to look after their own well-being; wherefore he requested to know how much was demanded at the utmost, and specifically in satisfaction of the first term; upon which I pointed out to him that all further stipulations would only delay the matter; that, they having offered 20,000 Spanish dollars, I had told them that one might consider oneself satisfied with that, provided they paid an adequate sum forthwith, which they themselves would therefore know how to determine [illegible] I

Dutch transcription

40 454 de bomise gecommitteerd„ die zig voor hun inte„ woord acces vragen vervolgens de Banijse gecommitteerdens, die zig voor haar kwaa„ men 't intresseeren, zeggende dat zij onmogelijk zoo veel konde op resseerenden g'ant„ brengen als de Comp: begeerde; te gemoet voerde hoe zij immers met hun in't minste niet nodig hadden, dog dat in gevalle zij hun parthij mogten willen trecken, al was het zelfs om hun tegen de Comp: te assisteeren, zulks mij onverschillig wee„ „sen zoude, dewijl ik in alleen gevallen beter oordeelde om tot den laatsten man toe te oorlogen, als men geen eerlijken vreede verkrijgen konde, dan zig te laeten misleijden in aller„ „leij brutaliteijten goedschiks te gedogen, dog dat ik mij ver„ „seekert hielden dat de koning en de welgezinde Boniers, het gedrag van alle zodanigen Rijks grooten zelfs mishaagde die de Comp: op allerlij wijse tragte afbreuk te doen en de tijd nog wel eens komen zoude, om zig daar tegen met ernst te ver„ zetten welke termen haar maar gantsch niet scheenen te bevallen. Na dat zij hier op vertrecken waeren kwamen de beijde tot „ de koning laat voor ken bij mij uijt naam van den koning te kennen geeven hoe zijn de laaste nader Hoogheid vernoemen had dat ik voorneemens zoude weesen nog deesen avond na sandrabonij te vertrecken, met versoek om zulks tot morgen uijt te stellen, teffens tegen den voor„ middag acces vragende voor de Tomilalang, het welk ik accordeerde„ Dingsdag den 18 smorgens ten agt uuren verscheen do bonij werd beschaten visite van eenige san„ drabonijers begeslegt door diverse boniers aan beiding Zondag den 16. veel niets van belang voor Maandag „ 17 Tegen den middag liet den koning van Bonij reden waar om sandra mij door den Tolk Passeere vragen om wat redenen sandra„ „bonij wierd gebambardeerd, daar ik op diende dat zulks geschiede, om dat 'I het eerst vijandelijk hadde gepleegd. Des nademiddagskwamen, volgens het deesen morgen daar toe verleende acces, bij mij den Bonijs Tomilalang Arouoedjong, de soele wattang, Djematongang en glar„ „rang van Bantualacq meede brengende drie Rijksgrooten van sandrabonij, voor dewelke zij voorgaven, dat de koning meede acces hadde laeten vraegen, schoon den tolk Moortoe, die ik hun zeijde daar van geen gewagte hebben gemaakt, zulks niet wel gehoord hadde, te weeten Daling Riolo, de glarrangs Tonasa en Parasangang Beroe nevens een Tolk dewelke te kennen gaven door der eerstgemelden hunnen koning gezonden te zijn, om in voldoening van sComp: eijsch aan te bieden twaalf katjes makende Agt honderd Rijxdaalders en twaalf slaven, dog welk aanbod ik di„ die afgeslagen hebbe, rect afstoeg, hun voorhoudende hoe zij als nu opentlijk blijken gaven van de Comp: om de thuijn te willen leijden vermits zij niet alleen reets twintig Duijsend spaans aangeboden hadden, maar zelfs om daar van ten eersten vijftien Honderd afte seggen, dat ik hun dierhalven niet meer verwagten, maar den oorlog zijn voortgang nee„ „men zoude, en zij daar na kionnen maat regulen neemen mitsgaders den uijtslag afwagten konden, terwijl ik vervolgens 40 454 de bomse gecommitteerd„ die zig voor hun inte„ „resseerenden g'ant„ woord acces vragen vervolgens de Banijse gecommitteerdens, die zig voor haar kwaa„ men 't intresseeren, zeggende dat zij onmogelijk zoo veel konde op brengen als de Comp: begeerde; te gemoet voerde hoe zij immers met hun in't minste niet nodig hadden, dog dat in gevalle zij hun parthij mogten willen trecken, al was het zelfs om hun tegen de Comp: te assisteeren, zulks mij onverschillig wee„ „sen zoude, dewijl ik in alleen gevallen beter oordeelde om tot den laatsten man toe te oorlogen, als men geen eerlijken vreede verkrijgen konde, dan zig te laeten misleijden in aller„ „leij brutaliteijten goedschiks te gedogen, dog dat ik mij ver„ „seekert hielden dat de koning en de welgezinde Boniers, het gedrag van alle zodanigen Rijks grooten zelfs mishaagde die de Comp: op allerlij wijse tragte afbreuk te doen en de tijd nog wel eens komen zoude, om zig daar tegen met ernst te ver„ zetten welke termen haar maar gantsch niet scheenen te bevallen. Na dat zij hier op vertrecken waeren kwamen de beijde tot „ de koning laat voor ken bij mij uijt naam van den koning te kennen geeven hoe zijn de laaste nader Hoogheid vernoemen had dat ik voorneemens zoude weesen nog deesen avond na sandrabonij te vertrecken, met versoek om zulks tot morgen uijt te stellen, teffens tegen den voor„ middag acces vragende voor de Tomilalang, het welk ik accordeerde„ Dingsdag den 18 smorgens ten agt uuren verscheen de Dat oe sedeenring sal de sandrabonijers ander maal aanmanen „de bonijse Tomilalang nevens de soelewattung te kennen gee„ „vende door den koning en Rijks grooten gesonden te zijn om voor die van sandrabonij tot voldoening van de Comp: twee Duijsend rijxd=s en twaalff slaeven aan te bie„ „den, dog ik diendeer op dat ingevalle zijn Hoogheid zelfs hun zodanigen last mogte hebben gegeeven, waar aan ik hun te verstaan g'af grootelijks te twijffelen, ik versogt dat het hij mij, ten goede wilde houden, dat ik die aenbieding ins„ „gelijks van de hand wees, als geensints voldoende zijnde. woensdag den 19 Des na de middags kwam den Adatouang van sedeering, mij berigten, dat de boniers zig met die van Sandrabonij, als nu niet meer willende bemoeijen aan haar zelve overgelaten hadde, om hun eigen wel weesen te betragten, weshalven hij versogt te mogen weeten, hoe veel men uijterlijk begeerde en wel in voldoening van het eerste ter mijn, waar op ik hem voorhield, dat alle nadere bepaalingen de zaak maar zoude dralende houden, dat zij 20'000. spaans aangeboden hebbende, ik hun gezegt hadde dat men zig daar meede zoude kunnen voldaan houden, bij al„ „dien zij aanstandse an evenredige somma opbragten, die zij dierhalven zelfs wel zoude weeten te bepaalen in„ ik

NL-HaNA_1.04.02_3529_0497 view scan ↗

English

47 456 The king of Bonij permitted to fetch some of his family from Sandrabonij. I did not need to express myself on such matters, but if they wished to prevent their total ruin, I was still expecting the speediest answer, which he promised to bring, and that they would therefore proceed immediately to Thaing, where he said the grandees of the realm were still present. Thursday the 20th. The king of Bonij sent word through the court interpreter Moentoe requesting permission to have some of his family, who were in Sandrabonij, fetched from there, to which end he would then send Arou Maadjang to Takalara, in which request I have condescended, provided that His Highness would employ someone else for that purpose along with Arou Maadjang. Today an envoy from Dompo arrived here, who appeared before me on Friday the 21st toward noon and handed over the letter he had brought with him. In the afternoon the Naatouang of Sedeenring came to me again in the name of the Sandraboniers, offering a sum of 500 rixdollars and 20 thails of gold along with twelve slaves, indicating that they were not able to raise more; but having rejected this offer once again, pointing out its unreasonableness, he requested to be allowed to speak with the Sandraboniers once more in order to bring the final answer by tomorrow or the day after at the latest. Saturday the 22nd. Today an envoy from Sangar arrived here. In the afternoon the Adatouang informed me that not all of the Sandraboniese grandees of the realm had arrived at Thaing yet, so that he could not yet give a definitive answer, but toward evening he came in person, notifying me that they had arrived, except for one who was still expected, yet declaring that he could not say positively what the instructions were that they had brought with them, under the promise of informing me thereof tomorrow. Sunday the 23rd. In the afternoon the aforementioned Aaatouang presented himself to me again, requesting access for the Sandraboniers; but having asked him whether they had the authorization to settle the matters finally, to which he answered that he did not know, I made it known to him that I could not receive them, or that this would at least be useless as long as one was not assured of a satisfactory offer, and that, since it appeared they could not be brought to this, one had to conclude that they were by no means sincere; as well as 4 458 The offer made by him accepted. that I would therefore reject all further negotiations finally, though I still granted time until tomorrow, but that he must not take it amiss if I were not to engage with them any further. Monday the 24th. In the forenoon the Datou of Sedeenring came to me again, who, having taken his seat, made an offer on behalf of the Sandraboniers to pay, for the first installment within eight days, three thousand rixdollars and twelve slaves, and within this year the entire remainder of the half of the sum of twenty, and thus ten thousand rixdollars, permitted by them in satisfaction of the Company's demand, requesting that a gratuitous deferral might be granted regarding the other half; whereupon, after feigning to deliberate for some time, I gave him to know that I consented to this, especially for his sake, provided that this were promptly fulfilled, but on the other hand that the article regarding the payment of an annual tribute could by no means be completely and entirely annulled, but that they would have to submit to it, adding that one would nevertheless reduce the number of slaves. Complaint made to the king of Bonij regarding outrages committed by his people on Maros. The requested return home of the troops from across the straits denied. The king's house in the Bugis campong burned down. Upon the report given to me today by the Captain of the Moors regarding newly committed acts of violence by a son of Datou Baringang at Manara in the plundering of some goods of the Company's subjects, about which I made complaints de novo to the king of Bonij, His Highness promised me that he would give orders for their restitution and that he would command Datou Baringang to summon his said son from the north. Tuesday the 25th to Sunday the 30th. Nothing of particular importance occurred. Monday the 31st. In the forenoon the assembled envoys, or rather the chiefs, of the troops from across the straits present here came to me, requesting to be allowed to return home, having accomplished the work assigned to them to demolish a part of the wall of Goa; which request I however refused, pointing out that the state of affairs did not yet allow doing without them. Toward noon a fire broke out here in the campong of the Buginese, namely, as was learned in the afternoon, in the house of the king of Bonij called Malimoengang, which was reduced entirely to ashes, without one being able with certainty

Dutch transcription

47 456 Bonijs koning toege„ staen eenige zijner famille van sandra bonij te halen ik mij daar omtrend over zulks niet behoefde uijt te laeten, maar wanneer zij hun totaale verderf voorkomen wilden, als nog ten spoedigsten antwoord was verwagtende, het geen hij beloofde te zullen brengen, en zij dierhalven aanstandf na Thaing te sullen begeeven, alwaar hij zeijde: dat de Rijksgroo„ „ten zig nog bevonden. Donderdag den 20. Liet den koning van Bonij mij door den hof tolk Moentoe versoeken om eenige van zijne famil „le, die zig in sandrabonij bevonden, van daar te mogen laeten afhaelen, ten welken eijnde, hij, als dan Arou Maadjang na Takalara, zoude zenden, in welk versoek ik hebbe gecondescendeerd, mits zijn Hoogheijd daar toe met Arou Maadjang maar een ander emploijeerde. - Heden is alhier een gezant van Dompo g'arriveerd, die op vrijdag den 21: Teegen den middag bij mij verscheen en overhandigde de door hem meede gebragte brief. Des na de middags kwam den Naatouang van se deenring weeder bij mij uijt naam van de Sandrabaniers aan„ biedende een somma van 500 rijxd=s en 20 Thailen goud nevens Twaalf slaven, onder te kennen gave dat z niet in staat waaren meerder te kunnen opbrengen, dan dit aanbod onder voorhouding vanding van dies onredelijk „heijd alweeder van de hand geweesen hebbende, versogt hij mij met de sandzaboniers andermaal te mogen spreeken spreeken om tegen morgen of overmorgen uijterlijk het laatste bescheijd te komen brengen. Zaturdag den 22. Heden is alhier een gezant van san„ „gar g'arriveert Des na de middags liet den Adatouang mij weeten dat de sandzabonise Rijksgrooten nog met alle op Thaing waeren aangekomen, zo dat hij nog geen uijtsluijten aantwoord kande geeven, dog tegen den avond kwam hij zelfs mij kennisse geevende, dat Iij: arriveerd waeren, behalven een, die nog verwagt wierd, met betuijging nogthans van niet positive te kun, „nen zeggen, wat hun last inhield die zij meede gebragt hadden, onder belofte van mij morgen daer van te zullen verwittigen. Zandag den 23 Des na demiddags liet zig opgemelde Aaatouang alweeder bij mij vinden versoekende acces voor de sandraboniers, dan hem gevraagd heb„ „bende of zij qualificatie hadden om de zaeken finaal afte doen daer hij op antwoorde zulks niet te weeten, zo gaf ik hem te kennen hun niet te kunnen acceptee„ „ren of dat zulks ten minste noodeloos zoude zijn zo lange men niet verzeekert was van een voldoende aanbiding, en dat, vermits het bleek dat zij daar toe niet te brengen waeren men oversulks vastmoes„ te stellen dat zij het geensints opregt meender mits„ gaders 4„ 458 het door hem ge„ daene aan bod g'ac„ cepteerd gaders dat ik oversulks alle verdere onderhandeling fi„ „naal af wijsen zoude dog nog tot morgen tijd ver„ „gunde maar hij mij dan net kwalijk neemen moeste dat ik mij niet verder met hun zoude in laeten Maandag den 24 Des voormiddags kwam den Datou van sedeenring, weeder bij mij die nagenomen zit plaets voor en van weegen de sandeaboniers een aan„ bodveed om voor het eerste mijn binnen agt dagen opte brengen drie Duijsend rd=s en twaalf slaeven en nog dee„ sen Iaere de gantscher rest van de helfte der door hun in voldoening van 's Comp=s eijsch gepermitteerde somma van twintig en dus tien duijsend rd=s met versoek, dat nopens doverige helft een gratuis uijtstel mogte worden gegeeven; waar op ik mij gelatende eeni. „ge tijd te peijnsen, zo gaf ik hem te kennen daar in, voornamentlijk ten zijnen gevalle, te Consen„ teeren, mits zulks prompt nagekomen wierd, dog daar en tegen dat het articul wegens het op brengen van een Iaarlijkse hamagie volstrectelijk niet geheel en alkonde vernietigt worden, maar zij zig daar aan zouden dienen 't onder worpen, met bij voeging dat men nogthans het getal der slaeven wel verminderen zoude. dole antie by bonijs koning over brutale op maros de versogte thuijs kering der overwal„ ders ontzegt koningshuis in Cam„ Op het mij heeden gegeeven berigt door den Capitain der bedrijven der zijnen Mooren wegens op Nieuw gepleegde gewelde narijen door een zoon van Datou Baringang op Manara in het rooven van eenige goedoeren van s Comp: onderdaanen waar over ik de novo bij de koning van bemij hebbe doen doleeren, heeft zijn Hoogheid mij laeten belooven ordre tot dies restitutie te zullen stellen en dat hij Datou Baringang gelasten zoude zijn gemelde zoon van de noord te ontbieden. Dingsdag den 25 tot is niets van bij sandre belang Zondag „ 30 5 voor gevallen Maandag „ 31 kwamen des voor de middags bij mij gesamentlijke gezanten of wel hoofden der alhier aan weesende overwalsche troupen versoekende om na huijs te mogen keeren, als het hun opgelegde werk tot afwerping van een gedeelte van de wal van Goa verrigt hebbende, dog welk versoekt ik ontlegt hebbe, onder voorhouding dat de gestel tenisse der zaeken nog niet toeliet om hun te kunnen missen. Tegen den middag ontstond alhier brand in de „pong boegis afgebrand Campong der Bougineesen en wel, zo als men des nademiddags verstond, in het huijs van den koning van Banij genaemd Malimoengang, 't welke geheel in de asschois gelegt, zonder dat men met zekerheid

NL-HaNA_1.04.02_3529_0501 view scan ↗

English

460 A part of the walls of Goa having been demolished. Report that the Sandraboneese will come. The rebels. Over the burning. Certainty of the cause of that misfortune having been discovered. In the afternoon, having made a trip to Goa to see to what extent the conquerors had fulfilled their promise to demolish a part of the walls, the Datoe of Sedeenring came to me there, reporting that several Sandraboneese notables were due to arrive here by sea by tomorrow, in order to fulfill their promises. Whereupon I sounded him out whether there would be no means to apprehend some of the rebels, in particular Sankilang and Craeng Biladje, offering a noteworthy gift or bounty for each of them; he promised to do his best to that end. Tuesday the 1st of September. In the morning I had the King of Bonij condoled by the court interpreter over the burning of his house. Meanwhile, having sent to inquire after the health of the King of Goa, I received a report upon the return of the messenger that he had just passed away, which was also announced to me shortly thereafter by Glarreng Patjenongang in the name of his children. Whereupon, in the afternoon, I sent a mourning gift to the house of mourning at Matouangie by the bookkeepers Whijts and Deefhout, the latter of whom was able to tell me upon his return that he had met Datou Baringang there alongside his father-in-law Craeng Bonto Panno, whom he had even seen come forward and take a seat. Wednesday the 2nd. I received word that some notables of Sandrabanij had arrived here, who subsequently also had an audience requested through the Datou of Sedeenring, and being accepted, Thursday the 3rd. Were received in the meeting hall, the proceedings being recorded in a resolution. Toward the evening, the Datoe of Sedeenring came to me requesting to have back his sash or waistband, which had been given in pawn this morning by the Sandraboneese among other things, promising to pay the value thereof within three to four days at the latest in slaves or cash, which request, being difficult to refuse, I granted. Friday the 4th until Sunday the 6th, nothing occurred. 462 Having the family of the King of Goa assured of the Company's protection. Datoe Sedienring apprehended. Held him to serious account over this. Monday the 7th. The sons of the deceased King of Goa made known to me that, having been made afraid by others of being abducted, they could indeed not believe such a thing, as they were unaware of having made themselves guilty of any offense, but they informed me thereof; upon which I had them assured, both through the messenger and an extraordinary envoy, to the contrary, that no harm would befall them. Tuesday the 8th. Nothing occurred. Wednesday the 9th. In the morning there were brought to me seventy diverse subjects, men as well as women and children, rounded up yesterday by the Datou of Seveenring, sent from Thaing to our post at Malenkeerie and handed over there to the commanding officer, the majority of whom I found to be subjects of the Company. Thursday the 10th. Nothing of importance occurred. Friday the 11th. In the afternoon, the Datou of Sedeenring came to me, making known that the slaves he had sent me the day before yesterday were not meant to serve as a reduction of the debt of the Sandraboneese, but that I could deal with them as I saw fit; but I replied to him how incomprehensible it appeared to me that he, instead of attacking the rebels still roaming here and there according to his promises, had seen fit to have the Company's own subjects taken away from their negorijs in order to send them to me as slaves, that I had never expected such a thing, and that it was all the worse since many were hidden away, against which he brought forward nothing else than that he had not known any better than that they sided with the rebels, while he pleaded ignorance of the absentees. Saturday the 12th. The Datoe having come to me again, I held him to serious account over the lingering of the Sandraboneese regarding their promises both as to the demolishing or leveling of the walls and the paying of money in reduction of the accepted settlement, and how he himself had not kept his word in providing slaves for his waistband; nevertheless, upon his proposal to be willing to urge the Sandraboneese once again, not only agreeing to this, but also that the chief interpreter shall accompany him on that mission, in such manner that I also ordered the same to him, and furthermore to make the King and the Grandees of the realm understand in the most significant terms that in case they do not forthwith show more substantial tokens of sincerity than has happened hitherto, all further negotiations will be broken off and the attacking of their stronghold will be started anew; they being subsequently still etc.

Dutch transcription

460 een gedeelte van goas wallen afgewerpen berigt dat de san„ komen de rebellen over het verbranden zekerheid d'oorsaeke van dat ongeluk heeft kunnen ont„ decken Des nade middags een tour na goa hebbende gedaan om te zien in hoe verre door de overwalders voldaan is, aan hun belofte tot afwerping van een gedeelte der wal„ „len, kwam den Datoe van se deenring aldaar bij mij, berigtende dat verscheijdene sandrabonijse grooten tegen dato van seveenring morgen over zee herwaarts stonden te komen, om aan „ dra boniers zullen hunne beloften te voldoen. Waar na ik hem gepolst hebbe of er geen middel zoude zijn belofte omtrend zijn om eenige der Rebellen in zonderheid sankilang en Craeng Biladje op te Ligten, onder aanbieding van een naam waerdig geschenk of priemie, voor ieder der zelve, promitteerde hij daar toe, zijn best te zullen doen. Dingsdag den 1=e September Des voor de middags hebbe bonij doven Ccndoleeren, ik den koning van Banij, door den tolk des graaflae van zijn huijs „ten Condoleeren, over het verbranden ven „en zuijs Terwijl ik inmiddens gezonden hebbende, om na doodvan goaskoning de welstand van koning van Goa te verneemen, met. de terugkomst van den sendeling berigt ontfing, dat den zelven zo even overleeden was, in voegen mij het selve kort daar aan, door glarrang Patje nongang Datoe Baringang en Banto Panno in het sterfhuijs van Sandrabonij hun receptie datoe sedeenring te rug gegeven nongang uijt naam van zijn kinderen wierd bekend gemaakt waar op ik des na de middags door de Boekhouders whijts en Deefhout een rouw geschenk na 't sterfhuis op Matouangie hebbe gezonden welke laatste mij bij te rug kamst wist te zeggen, dat hij aldaar hadde aan„ „getroffen Datou Baringang nevens zijnen schoon vader Craeng Bonto Panno, den welken hij zelfs voorden dag komen en doen zitten hadde. komst van eenige groten woensdag den 2„e ontfing ik berigt dat eenige grooten van sandrabanij alhier waeren g'arriveerd, die ook ver„ volgens door den Datou van sedeenring belet hebbende doen vragen en g'accepteerd zijnde op Donderdag den 3 Jn de vergader zaal gerecipieerd wierden het verhandelde bij resolutie aangeteekend. Tegen den avond kwam den Datoe van sedeenring bij mij versoe„ verpand goud aan kende om zijn slepe of buijkband, die desen morgen door den sandraboniers onder anderen in pand gegeven is, te rug te mogen hebben, met belofte de waarde van dien binnen drie a vier dagen uijterlijk in slaven of Contanten te zullen voldoen en welke instantie als niet wel te ontleggen zijnde geaccordeerd hebbe vrijdag den 4=e tot : is niets voorgevallen. Zondag „ 6 „ 1 462 de famille van goas koning doen verzee„ tectie dat oe sedienring opge„ hem daar over ernstig onderhouden Maandag den 7 Lieten de zoons van den overleeden koning van goa, mij bekend maken hoe zij door anderen bereest gemaakt 1. weesende, van opgeligt te zullen worden, zulks wel niet gelooven keren van 's Comp:s pro„ konden, als onbewust van zig aan eenig mistrijfte hebben schuldig gemaakt, maar mij daar van Lieten verwittigen, op het welk ik hun zo door den boodschapper als een appart zendeling van het te gendendeelen dat haar niets kwaads zou„ „de overkomen hebben, door verseekeren. Dingsdag den 8 viel niets voor woensdag „ 9 wierden des morgens bij mij gebragt zeventig diverte onderdanen door zo mans als vrouwspersoonen en kinderen gisteren door pakt den Datou van seveenring, van Thaing naar onse post te Malenkeerie gezonden en aldaar Commandeerende officier overgegeeven, dewelke ik voor het grootste gedeelte bevond te weesen 's Compagniers onderdaanen. Donderdag den 10 Is niets van belang gepasseerd. vrijdag aen 11: Des nade middagskwam den Datou van se„ deenring bij mij, te kennen geevende dat de slaven die hij mij eergisteren gezonden hadde niet waaren om in mindering te strecken van de schuld der sandraboniers, maar dat ik daar meede na goedvinden konde handelen; dog ik dien de daar op, hoe het mij onbegrijpelijk voorkwaam, dat hij instede van, volgens zijn beloften, de nog hier en daar swervende rebellen 't attacqueeren hadde kunnen goed vin den s Comp: eigen der sandraboniers in het slegten der wallen nader aan te maanen eigen onderdaanen van haare negorijen te doen weghaalen, om z' mij als slaven te zenden, dat ik zulks nimmer verwagt hadde, en het zelve te slimmer was, vermits er veelen verduijstert waaren, waar tegen hij niets anders inbragt, als dat hij niet beter geweeten hadde, of zij hulden met de Rebellen, terwijl hij van de absente ignorantie pretendeerde. Zaturdag den 12„ Den Aaatouang weeder bij mij geko„ en ook over het talmen men zijnde onderheild ik hem ernstig over het talmen der Sandraboniers wegens hunner toe zegging zo tot apwag„ afwerping of het slegten der wallen als het opbrengen van geldinmindering van de aangenomene voldoening, en hoe hij zelve zijn woord niet gehouden hadde in 't bezorgen van slaven voor zijn buijkband, hem vervolgens egter op zijn hem g'accordeert hun voorstel om de sandraboniers nogmaals wel te willen aanmaanen, zulks niet alleen accordeerende, maar ook dat aen oppertolk hem in die Commissie zal verzellen, in voegen ik zulks ook aan den zelven gelast hebbe, en daar en bo„ „ven om den koning en Rijksgrooten in de significants te ter„ „men te verstaan te geeven, dat ingevalle zij ten eersten geen essenteeeler blijken van op regtheijd toonen, dan tot nu toe geschied is, alle verder onderhandeling afgebroken en met het attacqueeren van hunne sterkte weeder op nieuw zal begonnen worden, zijnde zij vervolgens nog etc:

NL-HaNA_1.04.02_3529_0505 view scan ↗

English

55 264 walls of Sandrabonij attack Cassang marched brought forward departed further this evening with the chief interpreter. Sunday the 13th until, nothing of particular importance occurred Friday the 18th. Saturday the 19th. Chief interpreter Brugman returned towards with the demolition of the evening from Sandrabonij, bringing with him eleven slaves and begun. some cash handed over to him in reduction of debt by the dignitaries of the realm, whereupon he reported that the demolition of the walls had actually begun and was being continued. Sunday the 20th. The Datou of Sedeenring having also returned yesterday from Sandrabonij and having given me the same report as the chief interpreter, he at the same time requested, Dato Sedeenring towards Patalassing with the assistance of some people of the latter, to be allowed to attack the rebels who are still residing in the Macassar Patalassing, which I granted him, under the recommendation to leave the Company's subjects unmolested, while he further made a promise subsequently to advance with the chief interpreter himself from Malewang towards the mountains, in order likewise to attack and subsequently towards the all the others who are located there, to drive them away, and to burn all their settlements. Monday the 21st. Upon complaints made to me this morning by two grievance concerning outrages by some Bonij bissus impending puasa distributed in peace drabonij two Chinese living in the Malay Campong concerning brutalities committed by some Bugis bissus (circumcised persons) in willfully smashing a quantity of trade goods, and principally porcelains, I lodged a complaint thereupon with the king of Bonij through the assistant interpreter De Graaf, and demanded satisfaction; who merely let me know in reply that he would issue orders against this for the future, and that if such should happen again, one should simply chase those people away or dispatch them. let the kraan hang there. After this, the Regentess of Thaing let me know through four of her dignitaries that the puasa was to begin in the next few days, for which I expressed my thanks. in the inland areas it is Tuesday the 22nd. An emissary arrived here from Soping, who inquired after my health in the name of the Datou and at the same time reported that all was quiet in the inland areas. Wednesday the 23rd. Nothing occurred. the chief interpreter towards San- Thursday the 24th. I sent the chief interpreter again to Sandrabonij, in order to proceed from there to Malewang and subsequently with the Datou of Sadeenring towards the mountains 466 Langie the Maros regents to to supply for a new post Datou Sedeenring brings prisoners the troops from Sandrabonij returned to depart for the mountains to search for the rebels, the last mentioned having let me know in the afternoon that his march to Patalassang had been fruitless, since the rebels had taken flight before his arrival, Sedeenring towards Bowang yet that he was now about to depart for Bawang Langie and subsequently for Bawang. Meanwhile I sent the extraordinary emissary Bappa Lolie to Maros to tell the Regents told to supply the necessary to provide the timber and other things necessary for the reestablishment of the post. Friday the 25th. In the forenoon the Datou of Sedeenring came to me, bringing five captured rebels from the settlement of Bowang Langie, while he further indicated that he would proceed to Malewang tomorrow. Saturday the 26th. Today around noon our troops returned from Sandrabonij, with the exception of two companies of Madurese left there to assist the chief interpreter. Sunday the 27th and nothing of particular note Monday the 28th. . . . occurred. Tuesday the 29th. The envoys from Bouton as well as the commanders of the troops, sent hither by the Court, having paid me a visit, I told them Bonij at Thaing complaint concerning Aroe Amaling the Campong Bouton etc. burned down I told them to prepare for their return journey, pointing out how the unrest there required this. Wednesday the 30th. The Regentess of Thaing the king of Sandrabonij let me request, through three of her dignitaries, permission for the king of Sandrabonij (her son-in-law) along with his mother, to be allowed to come and lodge with her for some time, which I granted. Thursday the 1st of October. Nothing occurred. Friday the 2nd. On account of the complaint made to me this morning concerning brutalities newly committed by the Bonij Prince Aroe Amaling at Marana, having lodged a complaint thereupon with the king of Bonij through the bookkeeper Deefhout, His Highness let me know that he would cause the same to be removed from the Company's province. Saturday the 3rd. Nothing unusual passed. Sunday the 4th. In the early morning the entire Campong Bouton, a part of that of the Bugis, and also of Tempe, was reduced to ashes by a fierce fire, the true cause of which could not be discovered. Around seven o'clock the Boutonese envoys present let me know how they had thereby lost all their goods, inclusive of their provisions, with the request for other houses ..

Dutch transcription

55 264 wallen van sandrabonij Cassang attacqueeren gebragte voorttrecken met d' oppertolk nog deesen avond naderwaarts vertrocken. Zondag den 13 tot, 1 is niets van sanderling belang voor gevallen vrijdag den 18. Zaturdag „ 19 Reverteerde den oppertolk Brugman tegen den met de afwerping der avond van sandrabonij meede brengende elf slaven en begonnen. eenige Contanten hem inmindering van schuld door de Rijksgroo„ „ten ter handgesteld, waar bij hij rapporteerde, dat met het af„ werpen aer wallen werkelijk begonnen was, en voortgevae„ „ren wierd Zonderg den 20 Den Datou van sedeenring gisteren almeede van Sandrabonij te rug gekomen mij het zelve rapport gedaen hebbende, als den oppertolk, zo verzogt hij teffens om, met Dato sedenring sat Pata„ eenig volk van den laatsten gestrekt, de Rebellen die op het Maccassaerse Patalassing nog huijs houden te mogen attacquee„ „ren, dat ik hem toe gestaan hebben, onder recommandatie van 's Comp: onderdaanen ongemoeijt te Laeten, terwijl hij ver„ der toe zegging, deed, om vervolgens met aen oppertolk zelfs van Malewang na het gebergte te reucken, ten eijnde alle en vervolgens na het d'overigen die zig daar bevinden insgelijks aan te lasten, te verdrijven en alle hunne negorijen te verbranden. Maandag den 21 op de mij deesen morgen gedaene klagten van twee doleantie over moed willigheden van eenige bonijsse bisoes staande pocassa bedeelt in rust drabonij twee Chineesen in de maleijsche Campang woonagtig over gepleegde brutaliteten van eenige boegineese bisoes (:be„ sneedenen.:/ in het moed willig stuks slaan van een par„ „thij negotie waren, en voornamentlijk porcelijnen, hebbe nk daar over bij den koning van bonij, door den on„ dertolk de graaf doendoleeren, en satisfactie eijschen, die mij enkel in andwoord weeten liet voor het vervolk ordre daar tegen te sullen stellen, en dat zulks weeder gebeurende men dat volk dat maar weg zaagen of van kant moeste helpen. craengehanglaat dear Hier na liet de Regentime van Thaing mij door vier haarer groo„ „ten weeten, dat de poeassa eerst daags een aanvang stond te neemen, waar voor ik deed bedanken. in de binnen landen is het Dingsdag den 22 Arriveerde alhier een sendeling in't soping, die uit naam van den Datou na mijne gezontheid informeerde teffens berigte: dat alles in de binnen Landen stel was Woensdag den 23=e niets voorgevallen de oppertoek nasan Donderdag „ 24=e Hebbe ik den oppertolk weeder na Landrabanij gezonden, om van daar na Malewaggan vervolgens met den Datou van Sadeenring na het gebrag 466 Langie de marose regenten aen tot een nieuwe post te bezorgen dat oe sedeering brengt gevangen de troupen van san„ drabonij terug geko„ gebergte te vertrecken, om de rebellen op te zoeken, hebben „de den laest gem: mij des na de middags Laeten weeten dat zijn tot na Patalassang vrugteloos was geweest, ver„ mits de rebellen voor zijn komst de vlugt genomen sedeen ring nabowang hadden, dog dat hij nu na Bawang Langie en vervolgens na Bawang stand te vertrecken. Intusschen hebbe ik den Extra ordinair sendeling Bappa Loliena maros gezonden om de Regenten aan te zeggen, gezegt om het nodige het bezorgen van houtwerken en het verdere nodige tot restabileering van de post vrijdag den 25„ kwam den Datou van sedeenring des voormiddags bij mij meede brengen de vijf gevangene Re„ bellen van de negorij Bowang Langie, ter wijl hij verder te kennen gaf zig morgen na Malewangte zullen begeven. Zaturdag den 26 Heden tegen den middag zijn onse troupen van sandrabonij te rug gekomen, men behalven twee Compagnien Madureesen aldaar gelae„ „ten, tot assistentie van den oppertolk. Zondag den 27=te en „is niets van bijsondere aan merking voor Maandag „ 28. . . . gevallen Dingsdag „ 29 „ De gesanten van Bouton aan wel de hoofden der troupen, door het Hof herwaarts gezonden, mij een visitie gegeven hebbende, zo hebbe ik hun aan„ gezegt bonij op de haing doteantie over Aroe Amaling de Campong bonten en z: afgebrand aangezegt om zig tot te rug vertrek gereed te maken, onder voorhouding hoe d'onruste al„ daar sulks vorderde. — Woensdag den 30 Liet de Regen tinne van Shaing de koning van sandra mij door drie haerer grooten, permissie versoeken voor den koning van sandrabonij /:haar schoon zoon/ nevens zijne moeder, om voor eenige tijd bij te mo„ „gen komen Logeeren, dat ik g'accordeerd hebbe. Donderdag den 1=te october viel niets voor vrijdag Den 2=e Mits de bij mij deesen morgen gedaene klagte over op nieuw gepleegde brutaliteiten door den Bonijs Prins Aroe Amaling op Marana, daar over bij den koning van Banij, door den boekhouder Deefhout, hebbende doen doleeren, heeft zijn Hoog heid mij laeten weeten den zelven uijt's Comp: pro„ vintie te zullen doen de logeeren Zaturdag den 3 Niets sonderlings gepasseerd. zondag aen 4 Inden vroegen morgen stond is de gantsche Campong Bouton een gedeelte van die der Bougineesen en ook van Tempe, door een fellebrand, waar van men de regte oorsaak niet heeft kunnen„ ontdecken, in dassche gelegt. Tegen seven uuren lieten d' aanweesende Boutonse gezanten mij weeten hoe zij daar bij alle hunne goederen tot hun proviant inclusive verlooren hadden, met versoek om andere huijsen ..

NL-HaNA_1.04.02_3529_0509 view scan ↗

English

468 houses for lodging, regarding which I have given orders both to the second interpreter Blij and to the Captain of the Malays. Furthermore, I received a report that the chief interpreter, alongside some rebels having been engaged, the Datu of Sidenreng the day before yesterday had been in battle with the rebels under Karaeng Bilaji between the villages of Lassang and Panjekokang, and had inflicted a severe blow upon them, which report was further confirmed by an emissary of the aforementioned Datu, who came to me at noon bringing a large wooden drum captured by his men. Monday the 5th nothing of importance occurred. Tuesday the 6th In the morning an emissary of the chief interpreter came to bring me a further report of the action that occurred against the rebels under Karaeng Bilaji, of which mention was made under the date of the day before yesterday, namely that they had been entrenched in four bentengs, from which they were driven and put to flight after the most stubborn resistance, leaving behind several dead, of whom ten had their heads cut off, among whom were some Anak Karaengs or young princes; that nevertheless seeking assistance nevertheless our men, not having been able to pursue the fugitives, had returned to Malewang. The Datu of Sidenreng having come to me toward noon with a further report and having given virtually the same account, added that the rebels were estimated to have suffered some forty dead and not fewer wounded, while four of ours were killed and ten to twelve wounded, but that the rapacity of our men and particularly of the Madurese was said to be the reason why they could not be pursued; he also reported that some twenty prisoners had been taken, who according to the statement of the chief interpreter were said to be subjects of the Company. In the afternoon, after having requested access in advance, the Butonese envoys or commanders of the auxiliary troops appeared before me, along with some other notables, requesting, on account of the misfortune that befell them through the recent fire, whereby 470 they had lost everything with them, to be assisted with money on loan; however, I made them a promise to accommodate them as much as possible with what is necessary in order to undertake the return journey to Buton, with renewed recommendation to make themselves ready for this as soon as possible. In the meantime, I ordered the interpreter who resides here, as well as the Captain of the Malays, to ensure that no houses are built in the aforementioned campong by whomever it might be until my further orders. Wednesday the 7th Nothing of particular note occurred. Thursday the 8th The Bone Punggawa Datu Baringang sent a request to me asking, on account of the burning down of his house in the Campong Bugis, permission to have some timber cut in the forest near the Company's village Catteene in the province of Maros; however, I declined this request, pointing out commissioners granted access brought in of Sandrabone being leveled to his emissary that his master could well obtain timber in the forests around Gowa, and I permitted him to have it cut there. In the afternoon the King of Bone, through the interpreter Passeeren, requested an audience with me for the commissioners for tomorrow morning, which I granted. Friday the 9th An emissary of the chief interpreter of Malewang brought here 22 prisoners of war, both men and women, all being subjects of the Company captured as rebels in the recent action with Karaeng Bilaji, who claim to have been abducted from their villages and carried off by them, whom, however, I had secured provisionally pending further investigation. Furthermore, the emissary reported that they were continuing not only with the leveling of the walls of Sandrabone, but also with the collection of money to satisfy the Company, and that they had assisted the chief interpreter in the recent action against Karaeng Bilaji with some men under the command of a certain Karaeng Laba 472 the Bone village Takalara shall remain as it is some Bone people and Sandrabone may go in and out The request of the Bone people regarding several villages denied Laba etc. After this, the Tomilalang, Jema Tongang, the Galarang of Bontualacq, and Aru Matsene appeared as commissioners from the Court of Bone, making known that His Highness had learned that the paddy fields, fishponds, and gardens which his subjects in the village of Takalara had possessed up to now were about to be taken away from them, with the request that these might be left to them for their sustenance; whereupon I replied that I had given no orders to take anything away from them, and that such would not happen with regard to what belonged to them. Meanwhile, I further granted the request made to me also in the King's name, to allow some members of the family of his late grandfather who were still in Sandrabone to be fetched from there. Saturday the 10th Nothing occurred. Sunday the 11th In the morning, the Galarang of Bontualacq came to me, handing over a list containing the names of the villages Takalara, Soreang, etc.

Dutch transcription

468 slagen wegens. huijsen tot Logies, waartoe ik ordre gegeeven heb„ „be zo aan den tweede tolk Blij als den Capitain der Maleijers. voorts ontfing ik: berigt dat de oppertok nevensete, eenige rebellen ge„ touang van sedeenring eergisteren met de rebellen onder Craeng Bilaaje, tusschen de negorijen Las„ „sangen Panjekokang slaags geweest en hun een gevoelige neep toegebragt hadden welke berigt nader wierd geconfirneerd door een sen„ „deling van gemelde Haatouang die op de mid„ „dag bij mij kwambrengende een groote houte trom door de zijne buijt gemaakt Maandag den 5 viel niets van belang voor Dingsdag „ 6=e Des morgen kwam een sen„ deling van den oppertolk mij nader rapport bren„ gende van de voorgevallen actie tegen de Rebel, na der berigtdier „len onder Craeng Bilaadje, waar van onder dator eergisteren is gewag gemaakt, en wel dat de zelve en vier benting verschanscht geweest daar uijt na een aller hartneckigste tegenstand ver„ drieven en op de vleugt geslagen waren, met agter laeting van verscheijde dooden waar van er tien de kop waeren afgehouden, onder welke eenige Anak Cuaigs of Prinsjes waeren geweest; dat nogthans soeken onderstand nogthans d'anse de vlugtelingen niet hebbende kunnen vervolgen, na Malewang te rug ge„ „keerd waeren. Den Datou van se dienring tegen den middag bij naverberigt mij gekomen zijnde en genoegsaam het zelve verhaal gedaan hebbende voegde er nog bij dat de Rebellen na gissing wel veertig dooden had„ „den bekomen en met minder gequesten, ter wijl 'er vier van d' onsen gesneuveld en tien a twaalff gequeste waeren, dog dat de roofzugt der onsen en voornamentlijk van de Maduree„ „sen oorsaak zoude zijn geweest dat zij niet na gejaagd hadden kunnen worden, ook be„ regte hij aat 'er in de twintig gevangen geno„ „men waeren, die na d' opgave van den opper„ „tolk onderdaanen van de Compagnie zou „den zijn snademiddags verscheenen na de Boutonders ver„ voor af verzogt acces bij mij de Boutonse gezanten of hoofden overhulp troupen, nevens eenige andere grooten versoekende om mits het hun overgekomene ongeluk door de Iongst ontstaane brand waar by „ 470 „sen in de Campong het versoekt ontzegt om op maar oshoijt bij zig alles verloren hebben, met geld ter leen g'assis„ „teerd te worden, dog ik hebbe haar toe zegging gedaan om hun zo veel mogelijk met het nodige te gerieven om de te rug reijse na Boutan te kunnen gewinnen met nog mali„ „ge recommandatie om zig daar toe ten spoedigsten gereed te maaken ondertusschen hebbe ik den tolk, die hier resideert, zo wel het bouwen van huij„ als aan den Capitain der Maleijers, ge„verboden last te zorgen dat 'er geen huijsen in voormelde Campong worden gebouwd door wie het ook zijn mogte tot mijne nadere or„ „dra. woensdag den 7=e Is niets van bij sondere aan merking gepasseerd. Donderdag den 8=en Liet den Bonijs Pangauwa Datoe Baringang mij versoeken, om mits te kappen het afbranden van zijn huijs in de Compong Bogis, eenig hout te mogen laeten kappen in het bosch bij 's Comp=s negorij Catteene in de provintie Maros, dog welk versoek ik van de hand geweesen hebben onder voorhouding aan committeerd:s toe „gezegt aan gebragt drabonij worden geslegt aan zijn zendeling dat zijn meester in de bosschen omtrend goa wel hout konde krijgen acces aanbonijs ge„ en ik hem permitteerde het aldaar te doen kappen snademiddags liet den koning van Bonij door den Tolk Passeeren belet bij mij vrac„ „gen voor de gecommitteerdens tegen morgen voor de middag het welke geaccordeerd heb„ „be. vrijdag den 9 werden alhier door een sendeling van krijgs gevangen den oppertolk van Malewang gebragt 22: zo mans als vrouwen zijnde alle onderdaanen van de Comp: bij de Iongste actie met Craeng Biladja als Rebellen op gevat, die voorgee„ „ven door hun van haare negorijen geroofden meede gevoerd zijn, dog ik bij provisie tot na„ der ondersoek hebbe doen secureeren. de wallen van dem wijders berigte den sendeling dat met slegten van de wallen van sandrabonij niet allen als nog wierd voorgevaeren maar ook met d'in vordering van geldom de Comp: te voldoen, mits „gaders dat zij den oppertolk in de Iongste actie tegen Craeng Biladje hadde g'assisteerd met eenig volk onder aanvoering van eenen Craeng Laba ƒ 472 de bonijse negorij Ta„ Kalava zal blyven zo als z' is eenige boniers en „gen en uijt gaan niers om verscheiden negorijen onzegt Laba E: Hier na verscheenen als gecommitteerdens van het Hof van Bonij de Tomilalang, Djema Tongang glarrang Bontualacq, en Aroe Mat„ „sene te kennen geevende hoe zijn Hoogheijd vernomen hadde dat van zijne onderdaanen in de Negorij Takalara stonden te worden afgenomen de padij velden vis vijvers en Thuijnen die zij tot hier toe hadde bezeten met versoek dat hun het een en ander mog„ te worden gelaeten, tot hun onderhoud waar op ik hebbe gediend dat ik geen ordre hadde gegeeven hun iets gafte niemen en zulks oak met geschieden zoude van het geene haar toe behoor„ Terwijl ik voorts accordeerde het versoek mij al „meede uijt 's koning naam voorgedragen, om eeni sandrabonijmo„ „ge van de famille van wijlen sijn groot vader, die zig nog in sandrabonij bevonden van daar te laeten afhaelen. Zaturdag den 10 niets voorgevallen zondag aen 11 Des voor demiddags kwam de glarang van Bontualacq bij mij onder overgave van een Cartabelletje Het versoek der bo„ vervattende de naemen der negorijen Takala-ra, soreang „de.

NL-HaNA_1.04.02_3529_0514 view scan ↗

English

of the houses in the campong destroyed. Bonto Manij Lempo, Tope Djawa, Teijpa, Paganakang Banga-E kalampoeng, and kadja, with a request in the name of the king that all of these, having of old belonged under Takalara, should not be separated from it. However, I informed him that regarding Takalara I had indeed been willing to consent to the ruler's request, but that all the others, having fallen under the Macassars and being already burned, the ground belonged to the Company, and I could not nor would surrender them any more than all the other conquered lands, but would even prevent anyone from settling there. Furthermore, he said that the king of sandrabonij had refused to permit the departure of the family of His Highness in sandrabonij, with a request to order him to do so by a letter, whereupon I requested their names. Further, that the king requested permission to allow houses to be rebuilt in the Campong Tempe, which recently burned down completely, which I rejected, adding that no one should undertake such a thing, as I would immediately tear them down and reduce them to ashes again through fire. Finally, in the king's name, he requested access tomorrow for all the grandees together, which I granted. Monday, the 12th of December, at half past nine in the morning, the Madanrang appeared before me, along with the Tomilalang and a large number of the other grandees of Bonij, informing me that they had come expressly to communicate that they had decided to bring their king with the samparadjaija, the state standard, to the interior lands and therefore came to request my permission for this. To which I answered that I would never give my consent to that, partly because matters related to the war were by no means settled yet, and partly because I saw not the slightest necessity in it, but judged it better for the well-being of His Highness's person as well as the realm that he remained here at the Castle to be able to deal with me regarding occurring affairs; all while refuting the reasons for their insistence to make me agree to that request, particularly that His Highness's intention was to fetch his wives and children and that the samparadjaija ought to be brought inside again, which I also held before them as a false pretext, while I further reminded them of their neglect in not sending an embassy to Batavia to inform Their High Mightinesses of the changes that occurred in the realm, regarding which they tried to excuse themselves as best as possible, further promising to report my answer to the king. Tuesday, the 13th: nothing remarkable occurred. Wednesday, the 14th: nothing remarkable occurred. Thursday, the 15th of December, in the morning, the Datoe of se veenring informed me through the burgher Fabia Theunisz that some rebels under sankilang had made an incursion into the negorij Banto, belonging under Cuaeng Thaing, and some men had marched out to pursue them, if possible. Furthermore, I received a letter from the sworn interpreter of Baloesang with an emissary, who informed me that the sandraboniers had requested a postponement of the payment of money until after the end of the Pouassa or fast. Friday, the 16th, nothing of importance occurred. Saturday, the 17th, glarrang kalnba came to complain to me that the men of the Bonij Prince Arou Paseempa had taken fishing ponds from him; concerning which, having lodged a complaint with the Madanrang, he informed me that he would give orders for their restitution, with the interpreter de graaf reporting to me alongside this that the same had expressed himself to him about various matters regarding the present situation, having said among other things that it seemed as if Bonij was no longer regarded well at all by the Company. In the afternoon, I received a visit from Datou Te deenring, who merely requested to know whether the Wadjoese, who previously resided in the Bugis campong but had been in sandrabonij since the troubles, might return to their old dwelling place, which I permitted. Sunday, the 18th, nothing occurred. Incoming Secret Letters and Enclosures from Palembang received since October to December 1772. 478. To His Excellency, The Right Honorable and Highly Esteemed Lord Reijnier De Klerk, Governor General, and The Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable and Highly Esteemed Lord, and Right Honorable Lords. Having had the fortune to be honored with Your High Mightinesses' revered separate letters of the 15th of May, 29th of June, and 18th of August 1778, I take the honor to reply respectfully to them that I will redouble my attention and always be vigilant against the conduct of the faithless court grandees, who are practically all of one and the same character. Concerning

Dutch transcription

reert van de geene zijn der huijsen in Campong slagen. Bonto Manij Lempo, Tope Djawa, Teijpa, Paga„ „nakang Banga-E kalampoeng en kadja met versoek uijt naam van den koning dat alle deselve als van ouds onder Takala-raheb„ „bende gehoord, daar van niet mogten affgescheij„ den worden dog ik gafhem te kennen hoe ik napens Takalara wel hadde willen Consonteeren in 's vorsten versoek, dog dat alle d'anderen als onder de ea„ Cassaeren hebbende gesorteert en reets verbrand zijnde, de grond de Comp=e toebehoorde, en ik die zo min als alle de verdere overwonnen landen niet konde nog zoude afstaan, maar zelfs beletten dat zig aaarie maand kwam needer te zetten. de naemen gerequi voorts zeijde hij dat den koning van sandrabonij, die in sandrabonij niet hadde willen permitteeren het vertrek van de famille van zijn Hoogheid met versoek om hem sulks bij een briefje te gelasten, waar op ik de naemen van deselve hebbe gerquireerd. hun versoek om we wijders dat de koning permissie Liet versoeken om Tempe te bouwen afge„ weeder huijsen te mogen Laeten bouwen in de Cam„ „pong Tempe, die Iongst geheel is afgebrand, dat ik van de hand geweesen hebbe, met bij voeging dat 65 474 rijks grooten g'accor„ den koning na de bin„ „gen dat ik van de hand geweesen hebbe, met bij voe„ „ging dat zulks door niemand wierd onder namen, dewijl ik z' ten eersten om verrehaa„ „len aan wel door het vuur weder zoude doen vermelen Eijndelijk versogt hij uijt 's konings acces aan de bonijs naam acces tegen morgen voor de gezament deerd: „lijke grooten dat ik hebbe g'accordeerd: Maandag den 12 Des voor de middags ten half„ Hun versoek om tien uuren verscheenen bij mij den Madanrang nen landen te bren nevens den Tomilalang en een groot getal van de verdere Rijksgrooten van Bonij te kennen geevende expres gekomen te zijn om mij te Com municeeren dat sij beslooten hadden hunnen ko„ „ning met de samparadjaija /: standaart van staat:/ na de binnen Landen te brengen en dierhalven mijne permissie daar toe kwamen versoek, waar op ik diende b'antwoord dat ik daar toe nimmer mijne toestem„ ming zoude geeven, eens deels vermits de zaken met relatie tot den orlog in verre) versuijm int zenden van g' zanten na betavia verre na nog niet waaren afgedaan, en anderdeels dat ik daar in geen de min„ „ste noodsaekelijkheijd sag maar het voor den westandt van zijn Hoogheijd persoon zo wel als het rijk beter oordeel „de dat hij hier aan het Casteel verblief; om met mij over de voorwallende zaeken te kunnen handelen, alles onder weeder legging van de redenen van aandrang om mij in dat versoek te doen bewilligen voor „namentlijk dat zijn Hoogheid intentie was om zijn vrouwen kinderen te willen afhaelen en de samparadjaija weeder binnen diende te worden gebragt het geen ik hun teffens voorheilde onwaar voorgeven te zijn, terwijl ik hun voorts welder herinnende hun herinner thet hun versum in het niet zenden van een gezantschap na Batavia om van de voorgevallene verandering in het rijk aan Haar Hoog Edelhedens kennisse te geeven, waar omtrend zij zig zo goed doenlijk tragte de te verschoenen voorts toe zeggen de van mijn antwoord aan den koning rapport te 6„ 476 te zullen doen. nagezet versoeken uijtstel van betaeling bonij over het van vijvers van Dingsdag den 13 : is niets sonderling gepasseerd woensdag „ 14:' Donderdag den 15=e Des morgens Liet den Datoe van se veenring mij door den burger Fabia Theunisz: weeten dat eenige Rebel„ „len onder sankilang een inval in de ne„ gorij Banto, gehoorende onder Cuaeng Thaing gedaanen eenige volk was uijt ge„ hun vrugteloos trocken, om hun, des mogelijk te agterhalen. voorts ontfing ik een brief van den appertolk de sandraboijers van Baloesang met een sendeling, die mij berigt gaf dat de sandraboniers verzogt hadden om uijtstel in het opbrengen van gela tot na het eendigen der Pouassa of vasten. vrijdag aen 16 viel niets van belang voor Zaturdag „ 17 kwam glarrang kalnba bij mij klagtig vallen dat het volk der Bonies doleantie bij Prins Arou Paseempa vijvers van hem weg„ wege neemen „genomen hadden waer over ik bij den Madan onderdoen en „rang hebbende doende doen doleeren liet hij mij weeten ordre tot dies restitutie te zul„ Een wad joreesen in't sandrabonij mogt weder hier komen wonen „len, doende de Tolk de graaf mij daarbij rapport hoe den zelven zig tegen hem overdeese en geene zaeken met betrecking tot de presente toestand uijtgelaeten hebbende onder anderen gezegt hadde dat het scheen of Bonij in het geheel niet meer bij de Comp: gezien was. — 's nademiddags ontfing ik een visitie van Datou Te deenring die eenlijk versogt te weeten of de wad joreesen die zig bevoo„ „rens in de campong bougies onthouden dog ze„ „dert de troubels in sandrabonij geweest wae„ „ren weeder na hun oude woonplaats mogten vertrecken dat ik hebbe toegestaan.. zondag den 18 Niets voorgevallen. Aankomende Scorel Brieven en Bijlager van Palembang ontvangen sidert October tot December 1772 478. Aan zijn Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Agtbaeren Heer Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal, beneevens De welEdele Heeren Raaden van Nederlandsche India. Hoog Edel Groot Agtbaar Heer, en WelEdele Heeren. Het geluk gehad hebbende van mij gehonoreert te hebben mogen vinden met uw Hoog Edelhedens gevenereerde aparte brieven van den 15„' Maij 29„n Iunij, en 18 Augustus 1778: zoo geeft ik mij de eer daar op eerbiediglijk te rescribeeren, dat ik mijn attentie zal verdubbelen en steeds waaksaam zijn tegens het gedrag der trouwloose Hofsgrooten, die genoegsaem allen van een en het zelfde alloij zijn. omtrend

NL-HaNA_1.04.02_3529_0524 view scan ↗

English

Regarding the offered payment on account of the tin stolen by the English Captain Parks from the king's vessel commanded by Kiaij Maas Baaham, respectfully referring to today's general missive, I shall, with further regard to this matter and in accordance with Your High Nobilities' altered pleasure, not meddle in it again, nor restrain the Court, in case it should show itself inclined to seek revenge on the English for this. With the internal state of the court and the discord in the realm (which outwardly appears peaceful, but in reality is full of discontent), I interfere as little as possible, and shall continue to do so in compliance with Your High Nobilities' revered orders: several times complaints have been brought to me about this, and attempts have been made to learn my sentiments, which I have always turned away in the most friendly manner under one pretext or another. Pursuant to Your High Nobilities' order, I proposed to the king to secure the Sungsang, or the mouth of the Palembang river, with armed vessels, in order to be able to reinforce the defense there in case of a hostile invasion; but however much I sought to make it palatable to His Highness, and to demonstrate the necessity thereof as events that might happen and would serve his own safety, I have not been able to persuade him, as he answered that the like had never happened before, and that he had caused the Sungsang to be secured by a fortification which he had caused to be erected there. I most respectfully request Your High Nobilities' revered permission to be allowed, in all submission, to demonstrate to Your High Nobilities that in such an unforeseen case, one would have little help to expect from the Palembanger: for however greatly they boast of their power and heroic courage, they are generally cowardly to the utmost and already terrified at the first rumor, nor will they engage in any combat or seek to satisfy their revenge, unless they have first employed all treacherous means that make victory certain for them and cause them to attain their goal; their cowardly nature was especially evident in the year 1774, when Radja Madjie lay before this river with 2 small ships and 7 lesser craft, and wanted to purchase provisions and refreshments for his men at Muntok, which the late emperor did not wish to permit, and to prevent which he sent off a fleet of over a hundred vessels, commanded by princes and the foremost grandees of the court, but of which not a single one had courage enough to leave the river to make the emperor's desire known to Radja Madjie, let alone, notwithstanding their great superiority, to hinder him in his undertaking. For Your High Nobilities' favorable approval of my conduct in the case with Schedemang Belo, I express hereby my gratitude, and I shall not fail to maintain the Company's privileges with all my power. After the receipt of Your High Nobilities' letter to the king of the 29th of June last, Kiaij Maas Tommongong Carta Nagara seems to have changed for the better; at least he now speaks of nothing else than preventing the smuggling trade, devising means thereto, and securing an abundant delivery of tin and pepper, regarding which I constantly urge the fulfillment of these promises; but even though his words might for once be well-meant, I fear that, if it must come from his side, his care in this regard will have little influence, because the glowing favor in which he formerly stood with the king has greatly declined and his credit at Court has so noticeably diminished that one hardly hears his name mentioned anymore, and he has not even been employed by the king for some time to come and speak with the undersigned about this or that matter; which fall the king's present favorite minion, the Kiaij Ranga Astra Diradja (the most cunning and crafty of all the grandees of the court), has known how to turn to his advantage; which minister is a most dangerous man, against whom one cannot be enough on one's guard, and to whom the prince, notwithstanding that I have already several times clearly pointed out the minister's actions to His Highness and warned him against him, gives so much ear that all Palembang is astonished by it. I have given mature consideration to conducting the cruising operations with better success, but however I consider it, High Noble Gentlemen, I see no other means than that which would fall very costly to the Company: namely, a notable increase in the cruisers and a strong manning of the same, which I hope to demonstrate further to Your High Nobilities from the nature of the river and the situation of the island of Banca. Besides through the Palembang river, one can also get from here into the Strait of Banca through three others: namely, to the west through the False river and the Salser, which are two branches of the Palembang river, the first-mentioned beginning

Dutch transcription

omtrent de geoffereerde betaling wegens het door den Engelsche Capitain Parks geroofde thin uijt's konings vaar„ thuijg gevoert door Kiaij Maas Baaham mij eerbiedigt gedragende aan gemeene letteren van heden zo zal ik ten verdere opzigte van dit geval ingevolge uw Hoog Edel„ =heden gekeerd goedvinden mij niet weder er inlaaten nog het Hof tegenhouden, bij aldien het zelve zig genegen mog„ =te toonen van hier over wraak op de Engelschen te willen oeffenen. — Met de innerlijke gesteltheid van het hof ende oneenig„ =heijd in het rijk (: het welke uijterlijk vreedsaam, dog in wer„ =dig vol misnoegen is:/ bemoeije ik mij zo weijnig als mo„ =gelijk is, en sal in observantie van uw Hoog Edelhedens gevenereerde ordre daarmeede blijven voortvaeren: verscheij„ =dene maalen heeft men hier over klagten bij mij inge„ =bragt en getragt mijn gevoelen te weeten, het welke ik altoos op het vriendelijkste onder het een en ander voort. wensel heb van de hand geweesen. Ingevolge uw Hoog Edelhedens ordre heb ik den koning voor„ =gestelt om de sousang of de mond van de Palembangsche re„ =vier met gewapende vaartuijgen te secureeren, om in cas van een vijandelijke inval tot defensie aldaar te kunnen versterken, dog hoe zeer ik ook zijn Hoogheijd het zelve zogte 480 zogte smakelijk te maken, en aan te toonen de noodzakelijk daar van als zaaken, die zoude kunnen gebeuren en tot zijn eijgen veijligheijd verstrekte, zoo heb ik hem er niet toe kun„ nen overhaelen, wijl hij andwoorde, dat diergelijks nog nim„ =mer gebeurt was, en dat hij de sousang had laten secureeren, door een sterkte, de welke hij daar heeft laaten op werpen. Ik verzoeke eerbiedigst uwer Hoog Edelhedens gevenereerde permissie om hier omtrent in alle onderwerping Hoogst deselve te mogen aantoonen, dat men in zulks een onver„ =hoopt geval, weijnig hulp van den Palembanger zoude hebben te verwagten: want hoe groot zij ook op geeven van haare magt, en helden moed, zoo zijn zij doorgants ten uijtersten lafhartig en op het eerste gerugt reeds verschrikt, ook zullen zij zig in geen gevegt in laaten of haare wzaak zoeken te koelen, ten zijze voor af alle verraderlijke middelen in het werk hebben gestelt, de welke haar de overwinnen zee„ =ker maaken en haar doel wit doen bereijken, haar lac„ =heus gedragen bloode aard heeft bijzonder gebleeken in het Iaar 1774: wanneer Radja Madjie met 2: scheepjes en 7: mindere kieltjes, voor deese revier lag, en op Muntok levens behoeftens en ververschingen voor zijn volk wilde inkoopen het geen de overledene keijser niet wilde toestaen, en om het welke te beletten hij wel een vloot van over de honderd vaar„ thuijgen =thuijgen afzond, waar over Prinsen en de voornaam ste hofs„ =grooten het bevel hadden, dog waar van geen een moeds ge„ =noeg had de revier uijtte gaan om 's keijsers begeerte aan Radja Madjie bekent te maaken, laat staan, niet tegenstaan„ =de haar groote onverwagt, om hem in zijn voorneemen te verhinderen. over uw Hoog Edelhedens gunstige goedkeuring van mijn gehouden gedrag in het geval met, schedemang Belo betuijg ik deeser mijne dankerkentenisse, en ik sal niet nalaten Comp„s voorregten met almijn vermogen te mainteneeren. — Na den ontvangst van uw Hoog Edelhedens brief aan den koning van den 29„e Iunij passato scheijnt Kiaij Maas Tommongong Carta Nagara ten goede verandert te zijn, ten minsten rijspreekt thans niet anders als van de smokkelhandel te beletten, om middelen daar toe uijt te vinden, en een rijke leverantie van thin en peper te besorgen, waaromtrent ik geduurig op de nakoming deeser beloftens steeds aandringe, dog of schoon zijne gezegdens al eens wel menent mogten zijn, zoo vrees ik, dat, als het van zijn kant moet komen, desselfs zorge deesen aangaande weijnig invloet zal hebben, wijl de blakende gunst, waar in hij van te vooren bij den koning gestaan heeft zeer gedaalt om zijn, Credit ten Hove zoo merkelijk vermin„ =dert is, dat men nauwlijks zijn naam meer hoort noemen, en 482 en zelfs zedert eenige tijd door den koning niet meer gebruijkt word om met den ondergeteekende over deese of geene zaeken te koomen spreeken, welke val des konings nu geliefste minjon den kiaij Ranga Astra Diradja /: de geslepenste enligstig =ste van alle de hofsgrooten (heeft weeten uijt te merken, welke Menister een allergevaarlijkst man is, voor wien men niet ge =noeg op zijn hoede kan zijn, en aan welken den vorst, niet tegenstaande ik zijn Hoogheijd reeds verscheijdene maalen de bedrijven van den Minister zonneklaar onder het oog ge„ =bragt en hem er voor gewaarschouwt heb, zoo veel gehoorgelt dat gantsch Palembang er over verwondert is. — over het doen der bekruijssingen met beeter succes heb ik rij pelijk mijn gedagten laaten gaan, dog hoe of ik ook over weeg Hoog Edele Heeren ik zie geen ander middel als het geene de Comp:e zeer kostbaar zoude vallen; te weeten een merke„ =lijk vermeerdering der kruijssers en sterken bemanning derselven, het geene ik hoop uw Hoog Edelhedens nader uijt de gesteltheijd der revier en de gelegentheijd van het eijland Banca te zullen antoonen. Behalven uijt de Palembangsche revier kan men nog van hier door drie andere in straat Banca komen; te weeten bewesten door de valsche revier ende salser, de watke twee armen van de Palembangsche revier, zijn beginnende eerst„ gemelde

NL-HaNA_1.04.02_3529_0528 view scan ↗

English

the aforementioned just above the shallows, the Aik, and the last-mentioned near Philippi's shallows, while to the west of this river flows the Salt River, which communicates with the Palembang river through two channels, namely the Trusang Batang on the side of Pulau Combara, and at Selat Jarang and the Fountain sandbank, where a deep and wide branch is found. Furthermore, half a mile above the lodge flows the Ogan, which is also a very wide arm of the Palembang river, which arm first runs eastwards, then bends to the west, and after that unites with the Cross River, which likewise has its source in the Palembang river, and will lie off at nearly two miles from the lodge, while higher up out of the Ogan still flows a fairly wide and deep branch called the Padang, which has its outlet into the Salser, by which means those two rivers communicate with each other, not to mention a multitude of creeks, which favor the smugglers to the utmost. The Salt River, before whose mouth no bank is found, can carry heavy ships, the False River deeply laden barks, but the Salser only penjajaps and similar light craft. The mouth of the first-mentioned is so wide that if one lies at the east point, one cannot see a ship or vessel lying at the west point, because they can shoot close under the shore and are covered by the tall trees. Meanwhile, the banks of the other two, likewise lined with tall trees, have proportionate depth, so that vessels by night, when the contraband traders usually and especially during rain or stormy weather seize their chance, can pass so close along them that they can hardly be discovered if only one cruiser is stationed there. The mouths of these rivers must necessarily be occupied or, if wind and current allow it, continually visited; the first two mentioned because the English and large smuggling vessels usually seek to unload or load there when they are not occupied, while the Salser serves for smaller craft, because from there they can easily get their goods upstream through the Padang and Ogan or Cross River, or obtain them from there through those entrances. This is done with large kajang proas, which the native smuggling vessels lying in the Salt and False rivers also use if, through the occupation of the principal entrances of the Palembang river, of which they are almost always informed by the Palembangese, they see no chance of accomplishing it themselves, or else they store their goods, if they have not disposed of them on Bangka, until a better time and opportunity on the farms situated in the aforementioned rivers. And with these proas this is easily done, since they unceasingly travel up and down the rivers by day and night for the import or export of products, foodstuffs, and other necessities, and dart along the shore owing to the depth of the riverbanks. If the Palembang river alone had to be occupied, Right Honourable Sirs, then this could easily be done with two to three cruisers, by stationing one near the Sungsang in front of Pig Island, as well as placing a suitable vessel on either side of Triangle Island or another island where there is a narrow passage. For the people of Sungsang must also be watched most strictly, since whenever they only have the opportunity, they also always let themselves be used for smuggling work. However, since the passages thither are now so numerous, it is impossible to prevent that work with the vessels at hand, which must also be employed elsewhere, of which the contraband traders consequently also know how to take great advantage. Yet the smuggling trade that is carried on in this river is vastly less than that which is committed on Bangka. This island is large in its circumference and throughout, but especially on the seaward side, everywhere set with heavy rocks and reefs, because of which the commanders of the cruisers are also generally very ignorant of the navigation on that side owing to its perilous nature. The Chinese map, which I have had copied in Dutch, in which latter version more names are known of some places that are expressed in Malay in the former, and both of which I now have the honour to present most respectfully to Your Right Honours, contains only a part of that island, because the Chinese professed to be ignorant of the south side. The tin mines situated on that side are also not of the greatest importance, but this part of the map comes to show the richest and principal places, which are marked with a small cross, and among these, Klabat, Antang, and Liat stand out in smuggling; to which I fear that Pangkalpinang, where they have only recently begun digging and which is very rich, will soon also be added on account of its great distance; whereas Muntok, which yields little tin, is principally

Dutch transcription

gemelde even boven de drogte, de Aik, en de laatsgemelde bij Philippis droogte, ter wijl bewesten deese revier stroomt der zoute revier, die met de Palembangsche gemeenschap heeft door twee Canalen te weeten de Troesang batang op sijde van Poulo Combara, en bij selat Jarang en de fonteijn plaat, alwaar een diepe en breede spruijt gevonden word: boven dien stroomt een half mijl boven de logie de ogang, het welke mede een zeer breede arm van de Pa„ lembangsche revier is, welke arm eerst naar het oosten loopt zig vervolgens naar het westen kromt en daar na vereenigt met de kruijs revier, die meede uijt de Pa„ „lembangsche zijn oorsprong neemt, en bij na twee mijlen van de logie zal aflaggen, terwijl boven uijt d'ogang nog een tamelijke breede en diepe spruijt de Padang genaamt stroomt, de welke zijn uijtwatering inde zalser heeft, waar door die twee re vieren met el„ kanderen Communicatie hebben, om nu nog niet te spreeken van een menigte kreeken, de welke de smok„ „kelhandelaars ten uijtersten begustigen; de zoute revier voor welks uijtwatering geen bank gevonden word, kan zwaare scheepen dragen, de valsche diepgeladene bar„ „ken, dog de salser niet als panjassaps en zoortgelijke ligte vaartuijgen; de mond van de eerstgem: is zoo breed dat als 484 als men aan de oosthoek legt, men geen schip of vaar„ =thuijg aan de westhoek kan sien leggen, wijl zedigton„ =der de wal kunnen schieten en door het hooge geboom„ =te bedekt zijn; terwijl de oevers van de twee andere, me„ =de door hooge boomen bezet, na evenredigheijd die diep„ =te hebben, dat de vaarthuijgen bij nagt /:wanneer de morschhandelaars ordinair en vernamentlijk bij regen of onweder haar kans waar neemen :/ zoo digt langs deselve kunnen passeeren, datse beswaarlijk, als er maar een kruijsser legt, te ontdekken zijn: de monden deeser revier =en dienen noodzakelijk bezet, of als wind en stroomhet, toelaten en ophoudelijk bezogt te worden, de twee eerst gem: om dat de Engelschaen en groote smokkel vaarthuij„ „gen daar gemeenlijk, als zij niet beset zijn, zoeken te tossen of te laden, terwijl de salse voor de kleijndere kieltjes dient wijl die van daar gemakkelijk haare goederen door de Pa„ =dang en ogang of kruijs revier na boven kunnen krij„ =gen, of door die toegangen van daar erlangen, het welk geschiet met groote Caijang prauwen, dewelke de inde zoute en valsche revier leggende inlandsche smokkel vaarthuijgen ook gebruijken, zoo zij door het bezetten den voornaamste toegangen van de Palembangsche rivier, waar van zij altijd door de Palembangers meest kennis kenniskrijgen, zelfs geen kans zien om het te volbren„ =gen of anders haare goederen zoo zij dezelve op Banca niet afgezet hebben tot betede tijd en gelegentheijd op de in de voorgem: revieren leggende hoeven bewaaren, en met dese prauwen is zulks faciet te doen, wijl dezel„ =ve onophoudelijk bij dagen nagt de revieren open afvae„ =ren ter aan of vervoer van producten levens behoeftens en andere noodwendigheden, en de welke door de diepte der oevers van de rivier langs de wal heen schieten: was de Palembangsche revier alleen te bezetten Hoog Edelen Heeren, dan kan zulks gemakkelijk met twee â drie kruijssers geschieden door een bij de sousang voor het verken eijland, mitsgaders aan weder zijde van het Drie hoeks of een ander eijland, daar een nauwe passage is, mede een diagelijk vaarthuijg te leggen; want op de sousangers moet ook ten scherpsten gepast worden, wijl die als ze de gelegentheijd maar hebben; zig als dan ook altoos tot het smokkel werk laaten gebruijken, dog wijl de toegangen daartoe nu soo menigvuldig zijn, zo is het ook onmogelijk met de aan handen zijnde vaarthuijgen /:de welke ook elders moeten geemploijeert worden:/ dat werk te beletten, het welke de morschandelaars zig derhalven ook zeer wel weeten ten nutte te maaken. Dog 486 Dog de smokkelhandel, dewelke in deese revier gedreven word is ongelijk minder danadtie op Banca gepleegt word dit eijland is ruijm in desselfs omtrek en doorgans, dog voor al aan de buijten kant, over al bezet met zwarre klippen en rheeven, waar door de gezaghebbers der kruijssers ook in het gemeen van het vaarwater aan die zij de wegens desselfs gevaarlijkheijd zeer onkundig zijn: de Chineesche kaart, de welke in het Hollandsch heb laeten na Copieeren in welke laatste meerder benamingen van zommige plaatsen welke in deese in het Maleijds uijtgedrukt zijn be„ kent staan, en welke beijde ik mij thans de eer geeft uw Hoog Edelheden eerbiedigst aan te bieden, bevat maar een gedeelte van dat eijland, wijl de Chineesche betuijg„ =de van de zuijd zijde onkundigte zijn, de thin mijnen dewelke aan die kant leggen, zijn ook van het grootste aanbelang niet, dog dit gedeelte van de kaart komt de rijkste en voornaamste plaatsen aan te toonen, dewelke met een kruijsje getekent zijn en onder deselve munten in het smokkelen uijt Clabat, Antang en Leat, waar bij ik vrees dat Pankalang Pinang, daar men kor te ling eerst heeft beginnen te graaven, en het welke zeerrijk is, om desselfs verre afstand mede schielijk zal kunnen bij ge„ voegt worden; terwijl Muntok, dat weijnig thin levert, voornament„

NL-HaNA_1.04.02_3529_0532 view scan ↗

English

principally must be regarded as the exchange primarily for the English, because the inhabitants of that place, being cunning illicit traders, continually let themselves be used as brokers for that nation, while this Muntok is also generally the rendezvous of the adventurers coming from the North, who try to sell their linens and opium there when they see no chance of bringing those goods here, which articles are then brought hither by the tin-collecting vessels returning from Banca and touching there, which conceal the same under that mineral, which is also practiced from other tin-delivering settlements; this place is generally occupied by a cruiser or continually visited, but the bay of Clabat always remains open, not only because of the ignorance of the commanders regarding the waterway thither and the entrance to the bay itself, which is said to be very dangerous, but also because of its distant location and the danger of being overrun by the murderous smugglers, while Songiat Leat can be guarded even less, both because of the same peril and because it is situated entirely on the east side of the island; but besides other unknown tricks, three are also used on Banca, about which I have complained to the king more than once, namely transferring the passes to the illicit traders when they are light vessels, which then, after having sold their goods either wholly or partly, take on a cargo of tin there, and are cautious enough both to observe the proportions of the vessels and to use the name of the owner of the pass, whereby they safely come up here; vessels from here also take passes to fetch a cargo of tin from Banca, which they actually do, but instead of returning hither with it, they take it to one or another illicit trading place, where they then sell the same, and from there return again to Banca to be laden anew with that mineral for transport hither, whereby they are always secured against the cruisers and moreover in their first voyage use the precaution of adjusting their courses accordingly; while thirdly the tin from Banca is also delivered to such vessels which depart from here for the North with rice, salt, oil, and other necessities, which await such craft behind the point of Bato Carrang, near the Iambijsche river or where the appointment is, and then exchange the cargoes with each other, which is likewise difficult for the cruisers to detect since nothing other than such necessities are transported from here to Banca, which therefore was not previously noted on the passes of the tin-fetching vessels, also because the administrators of the mines send the sustenance for the laborers, but which I am now trying to put into effect to counter this method of smuggling as much as possible, notwithstanding that I find much opposition, and besides that I have given order to the commanders to detain all tin-fetching vessels whose cargo is not recorded on the pass. Your High Excellencies having thus, as I hope, satisfactorily been shown the situation of the river and the condition of Banca with regard to the smuggling trade, I will respectfully add that in my humble opinion the cruising vessels are manned too weakly; penjajaps and similar light craft will seldom or never be overtaken, because besides their sharp sailing they are provided with oars with which they row uncommonly fast; while large vessels, which are always heavily manned, if they are caught at all, are so on their guard that if they see no chance to escape the dance, once the crew of the cruisers has boarded, they will sooner resort to murdering and running amok than let themselves be inspected, because of which the cruisers are very afraid of them; for since such a craft is generally manned with only 11 to 12 men, of whom usually half are needed for the inspection, it cannot offer much resistance in such a case either, because of which so many sad examples have occurred at this office; while on account of the said weak manning the commanders are also throughout very afraid to lie in the salt river and the Salser, because those rivers are mostly inhabited by murderous and bad rabble; on account of all these difficulties, whereby I know of no means to devise to make better use of the cruisers with the available vessels, I would rather take the liberty of letting it rest with this my respectful exposition and submitting myself to Your High Excellencies' wise views and arrangements, but since I am obliged to respect Your High Excellencies' orders, I take the freedom most humbly to report to Your High Excellencies that in my humble opinion no other means for reaching

Dutch transcription

voornamentlijk moet aangemerkt worden als de beurs voor al van de Engelschen, wijl de in woonders van die plaats door trapte morschandelaars zijnde, zig doorgants voor makelaars daar in van die natie laaten gebruij„ =ken, terwijl dit muntok ook in het algemeen de rinde vous is der van de Noord komende avanturiers, dieshar„ lijwaaten en amphioen aldaar tragten afzetten als zij geen kans zien die goederen alhier in te brengen, welke ar„ =ticulen als den na herwaarts aangebragt worden door de van Banca te rugkeerende en aldaar aangierende thin vaarthuijgen, dewelke dezelve onder dat mineraal ver„ =bergen, het welke van andere thin leverende negorijen ook wel gepracticeerd word deese plaats word doorgants door een kruijsser bezet of Continueel bezogt, dog de bogt van Clabat blijfaltijd open, niet alleen om de onkun„ de der gezaghebbers van het vaarwater daar na toe en het inkomen van de bogt zelve, die gezegt word zeer gevaarlijk te zijn, maar ook wegens desselfs verre afstand en het gevaar dat er in steekt van door de moord =zugtige smokkelhandelaars afgeloopen te zullen worden, terwijl songit leat nog minder kan bewaakt worden, zo wegens het zelfde pericul, als om dat het gantsch aan de oostsijde van het eijland gelegen is: dog buijten andere onbekende 488 onbekende kunstgreepen worden en op Banca ook drie gebruijkt; waar over ik meer als eens bij den koning gedo„ =leert heb te weten het overdoen der passen aan de morsch„ =handelaars, als het ligte vaarthuijgen zijn, dewelke als dan na haere goederen ofgeheel of gedeeltelijk afgezet te hebben aldaar een lading thin inneemen, enzistig genoeg zijn zoom de evenredigheijd van de vaarthuijgen in agt te neemen als de naam vande eijgenaar der paste gebruijken, waar door ze veijlig hier na bovenkoo„ =men: ook neemen wel de vaarthuijgen van hier passen om een lading thin van Baca te haalen, het geen zij ook wesentlijk doen, dog in steede van daar mede na herw=s te keeren; brengen zij het nade een of andere morsch plaats, alwaar zij het selve dan verkoopen, en van daar weder na Banca keeren, om op nieuw ter overbreng na herw:s met dat mineraal belaaden te worden, waar door zij altijd voor de kruijssers gececureert zijn en bovendien in haar eerste voijagie de voorsigtigheijd gebruijken om haare Coursen na in te rigten; terwijl ook ten derden het thin van Banca aangebragt word aan zodanige vaar =thuijgen, de welke van hier met rijst, zout, olij en andere noodwendigheeden na de Noord vertrekken, de welke zoodanige kieltjes agter de hoekt van Bato Carrang, bij bij de Iambijsche revier of waar de afspraak is, afwagten en als dan de ladingen tegens elkanderen verwisselen het welke mede moeijelijk voor de kruijssers te ontdekken is dewijl van hier niet anders als zoort gelijke behoeftens na Banca vervoert worden, het welke derhalven van te vooren op de passen der thin haalende vaarthuijgen en om dat de administrateurs der meijnen het onderhoud der arbeijders zenden, niet is bekent gestelt geworden dog het welke ik thans ter zoo veele mogelijke tegengang van dit smokkel middel, niet tegenstaende ik veel tegen„ „stant vind, in train zoek te brengen, en boven dien de gesaghebbers ordre heb gegeven om alle thin haalende vaartuijgen aan te houden, welkerslading op de pasoiet bekent staat. uw Hoog Edelheden dus de gelegentheijd der revier ende gesteldheijd van Banca tot de smokkelhandel, zoo ik hoop ten genoegen aangetoont hebbende, zo zal ik er nog eerbieg =diglijk bij voegen, dat na mijn gering gevoelen de kruijs vaarthuijgen te zwak bemant zijn: panjagapsen zoortgelijke ligten vaartuijgen zullen zelden of nooijt agterhaalt worden, wijl ze buijten haar scherp zeijlen met riemen voor zien zijn, waar te ongemeen snel mede roeijen; ter wijl groote vaartuijgen /:die altijd sterk 490 sterk bemant zijn :/ als ze al een geattrapeert worden, zoo„ =danig op haar hoede zijn, dat als de zelve geen kans zien om den dans te ontsnappen, het, als het volk van de kruijssers overgekoomen is, eerder op een moorden en amok speelen zullen zetten, als zig te laaten visenteeren, waar door de kruijssers zeer bevreest voor de zelve zijn want dewijl zooda„ =nig kieltje doorgants maar met 11: â 12: man bemant is, waar van gemeenlijk de helft benodigt is bij de visentatie zoo kan dezelve in zoodanig een geval ook niet veel resis„ =tentie bieden, waar door 'er zoo veel, droevige voorbeelden op dit Comptoir geexteert zijn, terwijl om gem: zwakke be„ =manning dage zaghebbers ook door gants zeer bevreest zijn om in de zoute revier en de salser te leggen, wijl die rivieren meest door moord en slegt gespuijs bewoont worden om alle deeser swarigheden wille, waar door ik geen mid„ „del weet uijt te denken om met de aanhanden zijn den vaartuijten een beter emploij der bekruijssingen te maken zoude ik mij liever willen bevrijmoedigen van het bij dit mijn eerbiedig vertoog te laten berusten en mij aan uw Hoog Edelhee„ =dens wijze gevoelens en schikkingen te onderwerpen, dog na„ dien ik verpligt den Hoogst derselver ordres te eerbiedigen, zoo neem ik onderdanigst de vrijheijd uw Hoog Edelhedens te melden, dat na mijn gering gevoelen geen ander middel ter bereijking

NL-HaNA_1.04.02_3529_0536 view scan ↗

English

achieving the intended purpose is anything other than an increase in the number of cruisers and a stronger manning of the same; for, first, the river mouths must be heavily guarded, since as long as they remain open there will always be opportunity to find smuggling to and from this place, and then the passages leading thither, which are found within this river, could be left unoccupied; secondly, Muntok must also be guarded throughout the entire year, both to fend off the adventurers and to prevent all correspondence with the English; thirdly, the bay of Clabat must also have two heavily manned cruisers, to bring which into its mouth—however much the native is afraid of it—one could indeed obtain a Chinese pilot for a good reward, whereby the commanders would at the same time have the opportunity to acquire knowledge of it and of the navigable waters thereabouts; and fourthly, two more vessels would then be needed to cruise continually in the Bangka Strait and up to the Jambi river to prevent, as far as possible, illicit trade being conducted thereabouts in the manner described above; while as regards Sungailiat and Pangkalpinang, I take the liberty to submit this most respectfully to your Excellencies' consideration, since according to the monsoon one can sail to those mines practically only once a year and return from there likewise. I have thus, as clearly as possible and to the best of my understanding, laid open before your Excellencies the difficulties that arise in making a better employment of the cruisers at hand for the curbing of the smuggling trade. I hope to have complied somewhat with your venerated order; yet should I not have been so fortunate, I most respectfully beseech, by reason of my ignorance and limited understanding, your Excellencies' favorable interpretation; while I have the honor to remain with the deepest submission. Below stood: Right Honorable and Esteemed Sir and Honorable Sirs. Lower: Your Excellencies' most humble and dutiful servant. Was signed: I: De vries. In the margin: Palembang, 10 December 1778. To His Excellency The Right Honorable Esteemed Sir Reijnier De Klerk Governor-General. Together with The Honorable Gentlemen Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable and Esteemed Sir, And Honorable Sirs! In respectful compliance with your Excellencies' venerated resolution of 19 December 1777, we have the honor to present to your Excellencies the short summary of the number of servants present at this office on this date, with a comparison of the same against the latest establishment; while at the same time is indicated the ammunition goods at hand and the number of present vessels. With the deepest submission we take the liberty to call ourselves, Below stood: Right Honorable and Esteemed Sir, And Honorable Sirs. Lower: Your Excellencies' most humble and obedient servants. Was signed: I: De Vries and Ph:r Joh:s van der Stengh. In the margin: Palembang, 10 December 1778. Short Summary of the general number of servants at this office, with a comparison of the same against the latest establishment; along with a statement of the brass and iron cannon on hand, the supply of muskets, cutlasses, shot, and the number of present vessels, each sort separately, namely: At this office are present today the following servants: Heads, including native Mohammedans, European children, and sepoys. Of the administration up to bookkeeper inclusive: 3 Clerical: 1 Medical: 1 Artillery: 7 Militia: 117 Seafaring: 101 Trades: 33 Various active service: 51 Totaling: 314 Europeans: 207 Native Mohammedans, children, and sepoys: 107 According to the latest establishment: 298 Europeans: 191 Native Mohammedans, children, and sepoys: 107 Or now more: 16 Europeans: 16 Native Mohammedans, children, and sepoys: 0 Furthermore: Brass cannon: 53 pieces in sort Iron cannon: 54 pieces in sort Muskets: 157 pieces, among which are 6 blunderbusses Cutlasses: 219 pieces Shot: 17249 pieces in sort, and Powder: 6025 lb And the following vessels: Pantchiallangs, four, being: De Snoek, length 70 feet Edam, length 66 feet De Nephtun, whose length is unknown, as well as of De Wolff Chiampangs: One Lighters: One, being the lighter Zevol belonging to Batavia, and Boats: Four Below stood: Palembang, 10 December 1778. Was signed: I: De vries, and Ph:r Joh:s van der Stangh. Considering J: B. dverloor 500. No 2 Copy Leeuwenburgh 10 December Incoming Separate Letter from Japan arrived 1779 112

Dutch transcription

bereijking van het bedoelt oog merk is, als een vermeerde„ =ring der kruijssers en sterker bemanning der zelven; want; Eerstelijk dienen de monden der revieren sterk bewaakt te worden, nademaal zoo lang die open zijn als dan ook altijd gelegendheijd tot het smokkelen van en na herwaarts te vinden is, en dan konden de toegan„ gen daar toe, die binnen in deese revier gevonden wor„ =den, onbezet gelaten worden; Ten tweeden Muntok moet ook het geheele Jaar door be„ =waakt worden zoo ter afweering der avanturiers, als van alle Correspondentie met de Engelschen; Ten derd en de bogt van Clabat dient ook twee sterk be =mande kruijssers te hebben, om de welke in de monddaer van in te brengen men /:hoe zeer den Jnlander, er ook bevreest voor is:/ wel voor een goede belooning als dan een Chineesche loots zoude kunnen krijgen, waar door de gezaghebbers dan teffens gelegentheijd zoude hebben om kundigheijd daar van en het vaarwater daar omtrent te krijgen is; en Ten vierden zoude er dan nog twee vaarthuijgen nodig zijn, om in straat Banca en tot de Jambijsche revier Continueel te kruijssen ten beletting zoo veel mogelijk, dat daar omtrent op de hier voor beschreeven wijse 492 wijse geen morsch handel gepleegt word; terwijl wat son„ =git Leat en Pankalang Pinang aangaat ik mij bevrij„ moedige van zulks eerbiedigst aan uw Hoog Edelheedens overweging over te laten, wijl men na die meijnen ge„ noegsaam na dat de mouson is, maar eens in het Jaar na toe kan vaeren en ook weder van daar komen. Ik hebdus zoo klaar mij mogelijk en na mijn begrip uw Hoog Edelheeden open gelegt de zwarigheden, de„ welke zig op doen om met de aan handen zijnde kruijs„ =sers een beter emploij te maken ter betuijgeling der smok„ =kelhandel ik hoop aan Hoogst derselver gevenereerde or„ =dre eenigsints voldaan te hebben, dog dien ik zo gelukkig niet mogte zijn, zoo suppliceert ik om de wille van mijn onkunde en eng begrip eerbiedigst van uw Hoog Edelhee„ =den een gunstige welduijding; terwijl ik de eer heb met de diepste submissie te blijven. /onderstond/ Hoog Edel groot Agtbaere Heer en Wel Edele Heeren. /lager/ uw Hoog Edelhedens onderdanig„ ste en trouwschuldigste dienaar /was geteekend:/ I: De vries /in margine/ Palembang den 10 December 1778:-. Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaeren Heer Reijnier De Klerk Gouverneur Generaal. Beneevens. De welEdele Heeren Raden van Neederlandsch India. Hoog Edel Groot Agtbaar Heer, En wel Edele Heeren! In Eerbiedigs opvolging van uw Hoog Edelheedens geve„ =nereerd besluijt van den 19„e December 1777. hebben wij de eer Hoogst dezelve aan te bieden de korte zamentrekking van het getal der op dit Comptoir op dato deeses zig bevin„ dende dienaeren, met een vergelijking van derselve teegens de Iongste bepaling; terwijl teffens daar bij aangeweesen word de aan handen zijnde Ammu„ =nitie 494 =nitie goederen en het getal der aanweesende vaarthuijgen Met de diepste submissie bevrijmoedigen wij ons te noemen onderstond/ Hoog Edel Groot Agtbaar Heer, En wel Edele Heeren. /Lager:/ Uw Hoog Edelheedens onderdanigste en gehoorsaamste Dienaeren. /was geteekend/ I: De Vries en Ph:r Joh=s van der Stengh /in margine:/ Palembang den 10„e December 1778:— 9 Korte Samentrekking van 't generaal getal der Dienae„ „ren op dit Comptoir, met een vergelijking van derselve teegen de Iongste bepaling; onder opgave teffens van het aan handen sijnde Methael en ijser Canon. den voorraad van Spaphaenen, Houwers, scherp en het getal der aanweesende vaarthuijgen, ieder soort afsonderlijk te weeten. op dit comptoir zijn Heeden in weesen de volgende Dienaeren coppen te waaronder Inlandse Mahometanen zoemen Europeesen kinderen en sipaais van de Politie tot C„o asfistend inclusive „ Kerkelijke - - - - - -- _„o _„o Gineeskunde - - - -- _„o _„o Arthillerij - - - - - - _„o _„o Militie - - - - - -- _„o _„o Zeevaart - - - - - - - - - _„o _„o Ambagten - - - - - - _„o _„o diverse dinst doende. . . te zamen bedragende volgens de Jongste bepaling. - of nu meerder... voorts Methaele Canons 53: pees in zoort Yjsere. _„o 54: _„o „ _„o snaphaenen. . 157 —d„o waar onder 6 donderbussen Houwers - - - - - 219: _„o scherp - - - - - 17249: _„o in zoort en kruijt. . . . . . . 6025: lb: En de volgende vaartuijgen. Pantjallang vier als De snoek Lang 70: voeten Edam. _„o 66„ _„o De Nephtun welks lengte onbekend is, soo meede van De Wolff Chiampangs, Een Ligters, Een, zijnde de op batavia thuijshorende Ligter Zevol en Schuijten vier /onderstond/ Palembang den 10=e December 1778: /was geteekend I: De vries, en Ph t. Johs: van der Stangh: — 3: 117: 101: 1. 33: 51: 20: 1. . 32: 47: 19. —: 107: 4: 1: 7. 1. 1. 1. 1: 6: —. —. —. 1: —: 7: 3: 3: — — — — 1: 16 Aagesien J: B. dverloor 500. No 2 Copia euw Burgh in0 December Jnkomende Aparte Brief van Japan overgekomen 1779 112

NL-HaNA_1.04.02_3529_0551 view scan ↗

English

500. Separate To His Honour The High Noble Severe Highly Venerable and Well-Born Lord Reinier de Klerk, Governor-General, Together with The Right Noble Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble Severe Highly Venerable and Well-Born Lord, Right Noble Severe Lords. Since the efforts made by the undersigned have always aimed at fulfilling Your High Honours' salutary desire, coupled with a diligent zeal to effect, if possible, an increase—squarely aligning in all respects with the interests of the Honourable Company and being absolutely necessary—in the present delivery of bar copper, previously fixed by contract at 11,000 picols but thereafter reduced by the Japanese to 9,000, it appears nevertheless that this stubborn nation, which ever adheres to its customs as to a law, is for the present, despite all the assurances given by the interpreters in various years, intent on keeping strictly to the aforementioned quantity of 9,000. However, if, according to the pretenses of these linguists, one were simply to allow the matter to take its course silently and undertake no further attempts in this regard, the Emperor might of his own accord, whenever new mines—for which diligent search is currently being made—are discovered, readily grant the full quantity of the aforementioned 11,000 chests; whereas, on the contrary, continuing the applications annually in this respect would be futile and might at times provide cause for the contrary. Consequently, as in previous years, a private purchase of 700 picols at 60 guilders per picol was again made, which amount the humble undersigned respectfully requests may, after its delivery at Batavia, be favourably reimbursed to his authorized agents by Your High Honours; as well as the five hundred chests received as a counter-present, mentioned in the general missive of today's date, bringing the quantity of that mineral transported, proportionally distributed between both ships, to a total of 10,200 picols. Very humbly requesting that, for the aforementioned present of copper, a letter of thanks may be sent to the Emperor, as they set great store by such. Immediately after the receipt of Your High Honours' addressed letters, the undersigned requested and obtained a private audience with the ruling governor, and on that occasion, in the presence of the Warehouse Master Harringo, handed them to His Honour. All the interpreters, both of the Dutch and the Chinese nation, were obliged to translate this writing separately and deliver their translation to that governor, whereupon, immediately after this was done, the necessary copies thereof were transmitted to the Imperial Court in order to take the opinion of the Lords of the State Council in this matter. The answer to the same, likewise translated by the interpreters into the Dutch and Chinese languages, is now transmitted to Your High Honours under cover of this letter. Regarding the two Persian horses sent by Your High Honours as a present this year, the Governor and the Imperial Steward immediately transmitted the required drawings thereof to the Court of Yedo. And although Their Honours at first took into consideration whether the second horse would be accepted—inasmuch as the Emperor had previously demanded three of these mounts, of which two had already been sent, and they on that ground supposed whether the fourth, being superfluous, would either be accepted or returned—it seems, nevertheless, that the dispatch thereof must have caused much pleasure at Court, since at the distribution of the cassocks the Imperial Steward gave it to be understood that both of these mounts were accepted. However, the hunting hounds sent turned out to be entirely unsatisfactory, so that the Japanese, after they had been sent to the city for inspection, immediately rejected them; nevertheless, in order not to show any pettiness on the part of the Honourable Company regarding the return of presents, they accepted these animals for their own account. I most sincerely request Your High Honours that, if any of this breed matching the required fastidiousness of that Monarch can be obtained, they may be sent directly hither. In concluding this letter, I bring to Your High Honours' attention that in the writing received back on 15 October last, the reply stated that the Japanese declare they cannot deliver any more copper, but that upon the discovery of new mines they would also grant an increase, without any further application needing to be made in that regard; referring myself in this respect to the signed writing delivered by them, in which the same is more emphatically stated. In conclusion, I have made every possible effort regarding the cloves sent, which, although they had many objections against them, have nevertheless through my numerous demonstrations been accepted at the ordinary price. 1 December.

Dutch transcription

500. apart Aan zijn Edelheid Den Hoog Edelen Gestrenge Groot Agtb: wijdgeb:t Heere Reinier de Klerk. Gouverneur Generaal Benevens. De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie H„. H.„o H. Hoog Edele Gestrenge Groot Agtb: wijdgeb:e Heere wel Edele Gestrenge Heeren. Aangezien de devoiren door den ondergeteekende aangewend, steeds het doelwit b'oogt hebben uw Hoog Edelheedens Salutaire begeerte M gepaard met de naer iver om eenen in allen deelen met 'SE: comp: belang quadreerende en absolut noodzaakelijk weezende vermeerdering, in de presente leverantie van de bevoorens bij contract bepaalde dog daer na„ door de Japanders tot op 9000. verminderde 11000: picols staaf kooper zoo mogelijk was ten opsigte van laatstgenoemde quantiteijt te Effectue „ren, schijnt het egter dat deze hardnekkige en zig aan haare gewoontens steeds als een wethoudende natie, voor het Eerst niet teegenstaande alle de door de tolken in diverse Iaare gedaane verseekeringe alsolut aan m0 December geciteerde quantiteijd wil houden egter ingevalle men volgens het voor„ wenden dier taalslieden slegts stilswijgend liet voorklopen en geene verdere tentamen desweegens in 't werk stelde, den keijzer uijt zig zelve zoo wanneer men nieuwe mijnen waer na thans sterk Burgh teur 496 ondersoek No 2 Copia - ondersoek wierd gedaen ontrekt de volle quantiteijt van voorgenoemde 11000: kistjes ligt accordeeren, zoude daer in cas Contrarie de aansoeken ten dien op sigte jaarlijks gecontinueerd werdende van gteloos zijn en som wijlen oorsaak tot het teegenstaijdige zoude konnen geeven. invoegen nu wederom als in voorgaende Iaaren, met den particulier gedaan van 700. picols â ƒ 60: depicol, en welk bedragen den nedrigen teekenaar Eerbiediglijk besolliciteert, na dies uijtleevering te Batavia aan zijne gemagtigdens door uw hoog Edelheedens gunstiglijk gerembourseerd, mog worden, zoo meede de bij gemeene missive van heedigen datum gementioneerde, en in Contra present ontfange„ „ne vijf Houdert kistjes tesaamen over beijde de scheepen evenneedig verdeelt een quantiteijt van 10'200. picols van dat mineraal ver„ voerd werd. verzoekende zeer nedrig voor de Evengenoemde present koper een geschrift van dank betuiging, alzo zij daer op zeer gesteld zijn aan den keijzer mag toegezonden werden. Direct na den ontfangst uw hoog Edelheedens g'addresseerde let„ teren heeft den ondergeteekende Eene particuliere audientie bij den regeerende gouverneur verzogt en verkreegen mitsgaders dezelve bij die geleegentheijd, ten bijweezen van den Pakhuijsmeester Har„ „ringo aan zijn Ed: inhandigd hebbende alle de tolken zo van de hollandsche als Chineesche natie dit schriftuur ieder in 't bij zonder moeten translateeren en aandien regeerder zijne overzelling in handi„ „gen, waar van opstond na dies verrigting de nodige afschriften daar van na het keijzerlijke hoff zijn overgezonden, omme de gevoelens den heeren Rijsc-raaden des weegens in teneemen, gaande het antwoord op dezelve door de tolken, in de hollandsche en Chince„ „se taale meede overgezet thans onder geleijde dezes tot uw Hoog Edelheedens over Aangaende de door hoogst dezelve in dezen Jaare voorgeschenk aangezondene twee persiaansche paarden hebben den gouverneur 500. en keijzerlijke rentmeester, direct de verEijschte afteekeningen daer van naar 't Jedosche Hoff overgezonden en schoon haar Ed„s in den beginne in bedenking naamen off het tweede paart wel zoude g'accepteerd werden uijt hoofde den keijzer drie deezer rijdieren bevoorens had g'Eijscht en waer oper nu al twee gezonden waaren, en zij uijt dien hoofde voor onderstelde off het vierde als overtollig dan wel zoude aangenoomen „ wel wederom te gegeeven werden, egter schijnt het, dat de aanzending daer van, aan het hoff veel genoe„ „gen moet hebben gebaand, vermits bij het uijtdeelen der Cassak den keijzerlijke rentmeester te kennen gaff dat deze beijde rij die„ „ven waaren g'accepteerd, egter zijnde gezondene Iagthouden gantsch niet voldoende uijt gevallen, zoo dat de Japanders na dat zij ter bezigtiging na de stad gezonden waaren haar direct hebben afgekeurt, egter hebbende om d' Ecomp: geen klijnagtig om„ „trend het rug geeven van presenten te betoonen deese beesten voor haare genomen uw Hoog Edelheedens op het aller sinceerste versoekende van ingevalle en van dit ras na de verEijschte kies agtig„ „heid van dien Monarch mogte bekoomen weezen, dat dezelve direct dit heen mogen gezonden werden. onder het slot deezes mogter aandagt van uw hoog Edelheijds bekend stellende dat op den 15. october Jongstleeden met het vreede te rug erlangen schriftuur in antwoord melde, dat de Japanders verklaeren geen meerder koper te konnen leveren, dog dat zij bij het ontdekking van nieuwe mijnen ook augmentatie zoude geeven, sonder dat daer omtrend eenige verdere aansoeking diend gedaan te werden, gedragende mij ten dezen opsigte aan het door haare geteekende overhandigde schriftuu waar bij het zelve nadruklijker vermeld staat. ten besluijte dezes hebbe alle mogelijke devoiren aangewend om de aangezondene nagulen, schoon zij en veel teegen hadden egter door mijne menigvuldige betoogen dezelve voor de ordinaire imo December Burgh 498 paijs g aansoeken an Batavia lijk H ange„ igen ulier . oemde No 2 Copia teur

NL-HaNA_1.04.02_3529_0554 view scan ↗

English

Sipze Leger price converted, even with the stipulation that if the same are sent next year according to the requisition made, they will then be accepted provided that no annual custom is made of it. Wherewith the humble subscriber most respectfully solicits that his conduct of affairs regarding the one and the other may be favorably crowned with Your High Nobilities' powerful approbation. While, for the rest, having commended Your High Nobilities' persons, together with the important trade of the Company and further family, to Heaven's salutary protection, he has the honor to be with all respect: Below stood: High Noble, Severe, Highly Venerable, Far-Ruling Lord, and Right Noble, Severe Lords. Lower: Your High Nobilities' entirely humble servant. Was signed: A: W: Feith. In the margin: Japan, at the office of Nangazackij, the 20th of November 1778. Agrees. D: van Haak Acting First Sworn Clerk 500. To the Captain of the Hollanders. You have handed to me a letter written by the Lord Governor-General of Batavia, in order to deliver it to our Tinhoe. This was done; being opened, our Tinhoe understood from its contents that the Lord Governor-General of Batavia is very dissatisfied about the returning ships, that they are mostly loaded with private goods, which are not so necessary, for the reason that the Company cannot obtain its full cargo, through which the ships sometimes must sail perilously on their return journey, yes, sometimes have been lost, as has happened several times, which serves more to the damage than the profit of the Company; therefore a request was made to our Tinhoe to be able to obtain more bar copper, according to the promise of the year Sia-in, or 1746, as well as that the Lord Governor-General has always done his utmost to send us our annual requisition, if those goods were to be obtained. But we testify and cannot deny this, for which we have always been obliged to him. Regarding the voyage to Japan, as the Lord Governor-General of Batavia pleases to write that it costs the Company far too much, it is therefore better that the Lord Governor-General of Batavia abandon the Japanese waters. As for us, we have enough Chinese to whom we can sell our goods. Annually, we have taken over the goods brought by the Hollanders according to our true price, and in return at their departure handed over the demanded goods that we have indeed been able to obtain, thinking therefore to have done no more than true friends can or should do. Furthermore, the Lord Governor-General of Batavia makes known in his letter that he has always sought to promptly satisfy the Emperor's demand whenever it was at all possible to procure, which we have not meant otherwise, in order to be able to continue in the harmony of the Emperor. Regarding the delivery of bar copper, that it has greatly decreased from time to time, we testify to have always given as much as we have had.

Dutch transcription

Sipze Leger prijs omgezet selvs met zodanig beding dat zoo dezelve aanstaande Jaar volgens gedaene Eijsch aangezonden werden van ze als dan te accepteeren mitser geen Jaarlijker gebruijkt van gemaakt werd. waar mede den nedrige teekenaar hoogst dezelve Eerbiediglijk solliciteerd zijne gehoudene directie omtrend het een ander groot gunstige met uw hoog Edelheedens ver moogende approbatie mag bekroond zien. Terwijl hij overigen na uw hoog Edelhedens personen bene„ „vens de importanten handel der maatschappij en verdere fami„ „lie in Theemels heijlzaeme hoede bevoolen te hebben met alle ontsog de Eer heeft te zijn. /:onderstond:/ Hoog Edele gestrenge groot Agtb: wijtgebiedende Heere en wel Edele gestrenge Heeren /:lager:/ uw Hoog Ed: gansch ootmoedige dienaar„ /:was geteekend:/ A: w: Feith /:in margine:/ Iapan ten comptoire Nangazackij den 20: November 1778:—. Accordeert an Haak adj. Eerste gezee kleek. 500. Aan den Capitain der Hollan„ „ders. UW heeft mij een brief, van den heer Gouverneur generaal van Batavia geschreeven, ter hand gesteld, om„ „me die aan onse Tinhoe over te handigen, sulx is geschied geopent zijnde, heeft onse Tinhoe uijt den inhoud verstaen, dat den heer gouverneur Generaal van Batavia seer misnoeg is over de terug vertreckende scheepen, dat die meren deels met particuliere goede„ „ren, die zo niet benodigt zijn, geladen worden, om „reden d'Comp: zijne volle Lading niet kan bekoo„ „men, waer door de scheepen somtijds op hare terug Rijse periculeus moeten varen Ja somtijds gelijk meermaels gebeurt is gebleven zijn, het welk de Comp: meer tot schade als voor deel stercken doet; dierhalven aan onse Tinhoe versoek gedaan, om volgens de belofte van het Jaer Sia- in ofte 1746 van meer staaf koper te moge erlangen, soo mede dat den heer Gouverneur Generaal altoos zijn uijterste best gedaen heeft onse Jaarlijkse Eijsch, so die goederen waren te bekomen ons toegesonden heeft. Dog getuijgen wij en kan sulx niet ont„ imo December Burgh Neederland. kennen an s staende No. Copia decteur en prijs omgezet selvs met zodanig beding dat zoo dezelve aanst Jaar volgens gedaene Eijsch aangezonden werden van ze als dan accepteeren mitser geen Jaarlijker gebruijkt van gemaakt wer waar mede den nedrige teekenaar hoogst dezelve Eerbiedig solliciteerd zijne gehoudene directie omtrend het een ander gua gunstige met uw hoog Edelheedens ver moogende approbat mag bekroand zien. Terwijl hij overigen na uw hoog Edelhedens personen be „vens de importanten handel der maatschappij en verdere Jo „lie in Theemels heijlzaeme hoede bevoolen te hebben met al ontsog de Eer heeft te zijn. /:onderstond:/ Hoog Edele gestra groot Agtb: wijtgebiedende Heere en wel Edele gestr Heeren /:lager:/ uw Hoog Ed: gansch ootmoedige dien /:was geteekend:/ A: w: Feits /:in margine:/ Iapan ten comptoire Nangazackij, den 20: November 1778: — Accordeert D Van Haak adj. Eerste gezee kloek. Nog J Sir Veen 500. Aan den Capitain der Hollan„ „ders. UW heeft mij een brief, van den heer Gouverneur Generaal van Batavia geschreeven, ter hand gesteld, om„ „me die aan onse Tinhoe over te handigen, sulx is geschied geopent zijnde, heeft onse Tinhoe uijt den inhoudecteur verstaen, dat den heer gouverneur Generaal van Batavia seer misnoeg is over de terug vertreckende scheepen, dat die meren deels met particuliere goede„ „ren, die zo niet benodigt zijn, geladen worden, om „reden d'Comp: zijne volle Lading niet kan bekoo„ „men; waer door de scheepen somtijds op hare terug Rijse periculeus moeten varen Ja somtijds gelijk meermaels gebeurt is gebleven zijn, het welk de Comp: meer tot schade als voor deel stercken doet; dierhalven aan onse Tinhoe versoek gedaan, om volgens de belofte van het Jaer Sia- in ofte 1746 van meer staaf koper te moge erlangen, soo mede dat den heer Gouverneur Generaal altoos zijn uijterste best gedaen heeft onse Jaarlijkse Eijsch, so die goederen waren te bekomen ons toegesonden heeft. Dog getuijgen wij en kan sulx niet ont„ imo December Burgh, Neederland. kennen Copia en „kennen, waer voor wij hem altoos verpligt hebben. Aangaende de Reijs na Japan so als den heer gouver„ „neur Generaal van Batavia gelieft te schrijven, dat die de Comp: veel te staen komt, so is het beter dat den Heer gouverneur Generaal van batavia van het Japans vaer water afsie, wat ons betrefft wij hebben Chineesen genoeg daer wij onse goederen kan verkopen. sjaarlijks hebben wij de aangebragte goederen van de hollanders volgens onse ware prijs over„ genomen en daertegen bij haren vertrek de g'eijsche goederen die wij immers hebben kunnen bekomen overgehandigt, denkende dierhalven met meer ge„ daen te hebben als ware vrienden kunnen of moeten doen. wijders geeft den heer Gouverneur Generaal van batavia in sijn brief te kennen dat hij altoos getragt heeft aan des keijsers Eijsch als het maer te bemagtigen was geweest, promptelijk te heb„ „ben voldaen, welk wij niet anders gemeent heb„ „ben, om in de harmanie des keijsers te mogen bl ven Continueeren. wegens de Leverantie van het staafkoper dat die van tijd tot tijd seer vermindert is, be„ „tuijgen wij attoos soo veel gegeeven als wij heb ben

NL-HaNA_1.04.02_3529_0559 view scan ↗

English

have been able to spare, since the copper mines have yielded very little for some years, we have been advised to reduce the delivery by 300000 catties. In the year ka-sien, or 1764, we already made known to the then Captain of the Hollanders the condition of the copper mines; however, he was not troubled by this and has continually importuned us to obtain more bar copper. Yet after long insistence and out of consideration for his politeness, we obtained with great difficulty from the kang hou-hoe, or the Emperor's treasurer, in the year Bou-tjoe, the year 1767, an increase of the delivery by another 100000 catties of bar copper, thus the entire quantity was fixed by our kang hou-hoe at 900000 catties, with the promise that the Captain of the Hollanders should henceforth no longer trouble us for bar copper. Therefore, because of the scarcity of that metal, we cannot comply with the intention of the Governor-General of Batavia; according to the decision of our kang hou-hoe of the year Bouw Tjoe, the year 1767, we must conduct ourselves. Apart from the bar copper, we shall use our best endeavors to procure for the Captain of the Hollanders all those goods that he will please to request in the name of the Governor-General of Batavia. The letter that the Governor-General of Batavia wrote to our Ting hoe has been returned to the bearer thereof. Further referring ourselves to the will of the Governor-General of Batavia, whether he wishes to trade with us any longer or not; handing over this letter to your Captain of the Hollanders in order to deliver it to the Governor-General in Batavia, so that an answer may be obtained next year. Written in the 9th month of the year Bou Tjoet, or the month of October in the year 1778. Agrees. Van Haak signed, sworn clerk Copy Separate Letters Enclosures. Written and sent by the Governor and Director of Java, Johannes Robbert van der Burgh, to Their High Excellencies in Batavia. From Primo November to Ultimo December, the year 1778: for the Netherlands. No. 2 Copy Samarang, the 5th of November, the year 1778. Copy: — folio 1 Batavia. To His High Excellency, the High Noble, Right Honorable, Highly Esteemed Lord, Reijnich de Klerk, Governor-General, and the Right Honorable, Highly Esteemed Councilors of the Netherlands Indies, etc., etc., etc. High Noble, Right Honorable, Highly Esteemed Lord, and Right Honorable, Highly Esteemed Lords! Since Your High Excellencies, by highly respected Separate Dispatch of the 24th of September last, in response to my submission presented in an earlier dispatch of the 12th of that month, have been pleased to authorize me for the continued garrisoning in Western Balambangan of Klattak, Batoe Beloe, Samadjang, and also of Malang, in such manner as I had already proposed in my humble letter of the 18th of May previous, those posts will for the present not be withdrawn either, but shall be left garrisoned until such time as the good intentions of the inhabitants and the Company's secure seat in that area shall be assured, with the servants deemed necessary in my proposal of the 1st of May past, and after the limits made therein regarding the supply of some articles by Your High Excellencies' esteemed letter of the 2nd of July; in such manner as I have instructed and charged the Commander Van der Niepoort with the literal execution and observation of all this, sending him a complete extract from Your High Excellencies' aforementioned separate dispatch of the 24th of September. Always observing economy in everything where it can and may take place, it grieves me all the more to have displeased Your High Excellencies with the 165 florins estimated as necessary in my proposal of further determination of servants, vessels, etc., for the Eastern Salient dated the 1st of May last, for the monthly upkeep of each of the pantjallangs belonging for hire at Sourabaija; all the more because I thought I had followed the statement of the former Chief Equipment Master at Batavia, Coert Roseboom, in a certain report of the 29th of April 1755 that was sent circularly, which states that a sloop of 60 to 65 feet costs the Company monthly in wear and tear of standing and running rigging, sail, and gear 200 florins Indies or 165 florins Dutch currency, as these pantjallangs are fully as long and provided with a sloop's rigging. At the Courts everything is at present quiet and peaceful, and the rumors mentioned in my submission of the 12th of September, concerning

Dutch transcription

502 ben kunnen missen, Nademael de koper bergen 't sedert eenige Iaren seer wijnig hebben geleverd, so is ons te rade geworden, de Leverantie 300000 katjes te doen verminderen. wij hebben in het Iaer ka-sien ofte 1764 aan den toenmaligen Capitain der hollanders de gesteldheijd van de koper bergen reets bekent gemaakt, egter heeft hij daer aan met gestoort en heeft ons altoos lastig gevallen om meer staafkoper temoge erlangen. Dog na lange aanhouding en uit aanmerking van zijne beleeftheid, hebben wij met veele moeijte van den kang hou- hoe ofte's kijsers schatmeester verkreegen in het Jaer Bou-tjoe A=o 1767. de Leve„ rantie te doen vermeerderen met nog 100000 kat„ „jes staafkoper, dus de heele quantiteijd door onse kang hou-hoe is bepaalt geworden op 900000 katjes met belofte dat den Capitain der hollanders voortaen ons niet meer moet Lastig vallen om staafkoper, Dierhalven kun„ „nen wij, wegens de schaersheijd van dat metaal aan de Intentie van den heer Gouverneur Generaal van Batavia niet voldoen, volgens besluijt van onse kang hou-hoe van het Jaer Bouw Tjoe A„o 1767 moeten wij ons gedrage Buijten het staafkoper zullen wij onse best aanwenden, aan den Capitain der hollanders„ Neederland. timo December Burgh No ƒ Copia ecteur Een te besorgen, alle die goederen die hij uijt naem van den heer Gouverneur Generaal van Batavia„ sal gelieven te eijsschen Den brief die den heer Gouverneur Generael van Batavia aan onse Ting hoe geschreeven heeft, is weder aan den brenger van dien overge handigt gedragende ons verder aan de wille van den heer gouverneur generaal van batavia, of hij langer met ons handelen wil dan met; geven„ de aan uw Capitain der hollanders desen brief over, omme die aan den heer gouverneur Gene„ „rael tot Batavia over te handigen, om het toe„ komende Iaer een antwoord te moge erlangen. Geschreven in de 9 maand van het Jaer Bou Tjoet ofte de maend october ao 1778 Accordeert Van Haak wg E. gezu. kl. eene Copia Aparte Brieven Bijlagen. Door den Javas Gouverneur en Dircteur Johannes Robbert van der Burgh, geschreeven en gezonden aan Hunne Hoog Edelheeden „o Batavia. Seedert Primo November tot Ultimo December A„o 1778:- voor Neederland. N No 2 Copia 504 Samarang den 5„e November A„o 178. Copia: — folio 1 Batavia. Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edel, gestrenge, groot Achtbaren Heere, Reijnich de Klerk, Gouverneur Generaal, en De Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Ne= „derlandsch Jndia; enz. en z: enz: Hoog Edel, gestrenge, Groot Achtbaren Heer„ en Wel Edele Gestrenge Heeren! Dewijl uwe Hoog Edelheden bij vel gerespecteerde Aparte Missive van den 24=e september Jongstleeden, op mijne Submissie vertogen bij vroegere van den 12=e dier maand, mij hebben gelieven te qualificeeren, tot de bezethouding in wester- Balemboangang van klattak, Batoe beloe, Samadjang en ook van Malang, zoo en in diervoegen, als ik bij mijn onderdanige van den 18:e Mei bevorens reeds hadt gepro= „poneerd, zullen die posten ook voor als nog niet ingetrok„ „ken, maar tot tijd en wijlen omen van de goede intentie der Jnwoonders, en Compagnies veiligen zeet om dien ooirt zal verzeekerd zijn, bezet gelaten worden, met de bij mijn propet G No 2 Copia Samarang den 5. November A:o 1748. project van den 1=e Mei passato noodsakelijk gestelde dienderen dto;, en na de daar in gemaakte Limitatien omtrent de verstrek„ „king van eenige articulen bij uwer Hoog Edelheden g'agte Letteren van den 2=e Juli invoegen ik den gezaghebber van der Niepoort, onder toezending van een vollidig extract uijt uwer Hoog Edelheden meergem: aparte van den 24=e september, de Letterlijke executie en observantie van een en ander aan„ „bevolen en opgedragen heb. In alles waar in het plaats vinden kan en mag steeds de sunnigheid betragtende, doet het my te meer Leed uwe Hoog Edelheden te hebben mishaagd, met de bij mijn pro„ „ject nadere bepaling van Dienaeren, vaartuigen enz: voor den Oosthoek de dato 1=e Mei J: L: Calculative nodig gestelde ƒ 165. –. tot maandelijks onderhoud van ieder der te sourabaija te huirhoorende pantjallangs, te meer, ik huen in meende gevolgd te hebben, de opgave van den voorma= „ligen Opper-Equipagie-meester te Batavia Coert Roseboom, # bij zeeker berigt van den 29:e April 1755. dat Circulair ver„ „zonden is, en steld, dat een sloep van 60. â 65. voeten des maands de Compagnie kost aan flijtagie staand en Loopend d wand, zeil en treijl ƒ 200. —. Jndiesl- of ƒ 165. —. Nederlands geld„ wijs deeze pantjallangs ruim zoo lang en met een sloeps tuig voorzien zijn. Aan de Hoven is actueel aller stel en Vreedsaam, in de gerugten van de bij mijn submisse van den 12:e September, op

NL-HaNA_1.04.02_3529_0565 view scan ↗

English

506 Samarang the 5th of November 1702 folio 3. The aforementioned dangerous subjects, and their evil intentions in other places, thus far remain unconfirmed, the search for the supposed Malajoe-Coessoemo and others in the Sengersche mountains and elsewhere in the eastern corner having until today been without effect, without anything having been heard of them, and of Tappa, who was residing in the Lamalangsche mountains, nothing has been heard since his retreat from there either, and just as little, despite all possible inquiries, has any trace been discovered of where the sons and followers of the fallen pangerang Rongo are staying and hiding. The opinion maintained by some that the three foremost members of that family, who according to my latest dispatch of the 23rd of September were wounded during that action in the Damak district, have since died of their wounds and the remainder have dispersed without followers, finds more and more favor with me. Yet because these are in themselves merely bare conjectures, I do not rely upon them, but continue to have them sought out and tracked, and to keep some men at hand and on watch at the borders of Damak and other regencies on that side, while the dragoons also continue to camp at Damak, where I intend to leave them until after the leasing of the Company's domains, which is to be held here on the 21st of this month, and until the regents who are to appear there are back home again, but from which I will nevertheless for this occasion excuse one of the regents of Damak as well as the one from Tjincalsewoe, in order to be at hand if in the meantime the descendants of Rongo or other ill-disposed persons should dare to appear again and attempt a coup. Meanwhile, the new regents appointed by Your Right Excellencies in the district of Damak in place of the dismissed ones, namely the Adipattij Soero diningrat as first regent and the Tommongong Joedo Nagarra as second regent, having been installed, I take the liberty hereby to offer Your Right Excellencies my humble thanks for the favorable consideration which Your Right Excellencies were pleased to give to my nomination in favor of both these regents, and at the same time, for the refilling of their former, now vacant posts, respectfully to present the request of Tommongang Mancoe Coessoemo, currently second regent at Paccalongang, to be transferred to Pattij as second regent in place of his father, the Adipattij mentioned above, and also to request that in place of tommongong Joedo Nogorro, the second son of the adipattij Soero Diningrat, named Radien Tjitro Dewirjo, may be appointed regent of Tjincalsewoe with the title of Ingebeij, to whom, as a vigilant person, I have already provisionally entrusted the administration there because this remote little district could not well be left without a regent or chief at this time; and finally that the then also vacant position of second regent at Paccalongang may be granted by Your Right Excellencies, under the title of Tommongong and the name that he shall choose, to the present Jngabij at Torbaija, Soemo dirono, who recently acquitted and conducted himself particularly well in the Damak district during the action against the malicious mob under the sons of pangerang Rongo. For the substantial military reinforcement sent hither recently with the ship the Triton, consisting of 1 ensign, 4 sergeants, 6 corporals, and 100 soldiers (of whom one was brought in here dead), I express my gratitude to Your Right Excellencies, having immediately brought the garrisons at the Courts up to full strength from them, and sent over 40 heads to the eastern corner, where and at other places there are now actually still, or newly, about 50 soldiers lacking. I also express my gratitude to Your Right Excellencies for the 10,000 rixdollars in gold ducats properly delivered with the ship De Triton, and likewise for the authorization to negotiate the further lacking cash, preferably on assignment to the Netherlands in 1779, two-thirds in diverse specie, and one-third in round Spanish reals, and then to send them subsequently to the capital, as shall be done. I give myself the high honor, with the highest esteem and respect, to remain humbly, below stood: Title; lower stood: Your Right Excellencies' very obedient and humble servant, was signed: J. R. van der Burgh; in the margin: Samarang the 5th of November 1778. Agrees. A. Van Keij 510. Samarang the 26th of December 1778. Copy To His Right Excellency, The Right Noble, Stern, Highly Respected Gentleman, Reijnier De Klerk, Governor-General, and The Right Honorable, Stern Gentlemen Councillors of the Netherlands Indies, etc. etc. etc. Right Noble, Stern, Highly Respected Gentleman, and Right Honorable, Stern Gentlemen! Immediately after receiving Your Right Excellencies' much-respected letter of the 30th of November last, having conferred with the panembahan of Madura and the pangerang of Sumanap concerning their auxiliary troops still on Macasser, I found them willing to leave the same there in the service of the Company, and to write to the chiefs to that end the letters that I have the honor to present to Your Right Excellencies in translated copy (see Letter A), and to send the originals to Governor van der Voort, with this request, at the instance of the aforesaid panembahan and pangerang, by letters of the 15th of this month, likewise enclosed herewith in copy (see Letter B), to send me a list.

Dutch transcription

506 Samarang den 5:e November 1702 fo 3. Opgenoemde gevaarlijke Subjecten, en haare kwaase voorne„ „omens op andere plaatzen, blijven dus verre buiten Confirma„ „tie, zijnde het onderzoek na den gewaanden Malajoe- Coessoemo en andere, in het sengersche gebergte en elvers in den oosthoek, tot heeden geweest zonder effect, of dat iets van hen vernomen is, en van den zig in het La „malangsche gebergte opgehouden hebbende Tappa, word ook sedert zijn retracte van daar niets gehoord, en even min„ in weerwil van alle mogelijke navorsingen, eenig spoon, waar de zoons en aanhang van den gesneuvelde pangerang Rongo, haar op-en schuil-houden, ontdekt wordende vind bij mij ook meer en meer ingang, de sustenue die sommige voe„ „den dat de drie voornaamste van die familie, dewelke bij die actie in het Damaksche, volgens mijn Jongste departe van den 23:e september, soude zijn gekwitst geworden, zeedert aan haare wonden sullen overleeden en de overige sonder aan„ „hang verstrooit zijn; dan dewijl dit op haar zelvs ook maar bloote gissingen zijn, verlaat ik mij er niet op, maar Con„ „tinueere nog hen te laten op en naspeuren, en op de Limiten van Damak en andere Regentschappen aan die kant, eenig volk bij de hand en wagt te laaten houden, terwijl de dragonders ook nog te Damak Campeeren, en ik die daar denke te laaten, tot na de verpagting van Compagnies Domeinen, die hier den 21=e deezer staat gehouden te worden. en dat weder te huijs zullen zijn de Regenten, dewelke daar bij Copia Samarang den 5. ' November Ao 1778. bij dienen te Compareeren, dog waar van ik egter voor deese reize zal excuseeren een der regenten van Damak neevens die van Tjincalsewoe, om bij de hand te zijn, als intusschen de descendenten van Rongo, of andere kwaad gezinden mogten onderstaan weder te voorschein te komen, en een Coup te wagen. Intusschen in het district van Damak, in plaats der gedimoveerde, de door uwe Hoog Edelheden nieuw aange= „stelde Regenten den Adipattij Soero diningrat als eerste g en den Tommongong Joedo Nagarra als tweede Regent g'installeerd zijnde, neme ik de vrijheid uwe Hoog Edel= „heden bij dezen mijn submisse dank te offereeren voor de favorabele reflectie, dewelke hoogst dezelven op mijn voordragt in faveur van deeze bijde regenten hebben gelieven te slaan, en teffens ter weder vervulling van haar vorige, nu vacante posten, eerbiedig voortedragen, de instantie van o Tommongang Mancoe Coessoemo, tans tweede Regent te Paccalongang, om in steede van zijn vader den Adipattij bovengenoemd als tweede regent naar Pattij, te worden verplaats, en ook te verzoeken, dat in plaats van tommongong Joedo Nogorro, tot Regent van Tjincalsewoe met den titul van Ingebeij, mag aangesteld worden, de tweede zoon van den adi= „pattij Soero Diningrat in naame Radien, Tjitro Dewirjo„ die ik als een vegilant perzoon het bewind bij provisie daar reeds hebbe opgedraagen, om dat dit afgeleegen districtje 8 508 Samarang den 5:' November A 72 in deze tijd niet wel zonder een Regent of Hoofd gelaaten. konde worden; en eindelijk dat met de dan ook vaceerende plaats van tweede Regent te Paccalongang, onder aen titus van Tommongong, en de naam die zal verkiesen door UwE Hoog Edelheden mag worden gegratificeerd, den presenten Jngabij te Torbaija Soemo dirono, die zig Jongst in het Damaksche, bij de actie tegen den kwaadwilligen hoop onder de zoons van pangerang Rongo bizonder gekweeten en wel gedragen heeft. door het met het schip de Triton Jongst herwaards gezonden aanzienlijk renfort Militairen, van 1. vendrig, 4. Sergeants, 6: Corporaals, en 100. soldaaten /: van dewelke een hier dood is aangebragt:/ betuige ik uwe Hoog Edelheden dank, hebbende direct daar uit de guarnisoenen aan de Hoven Compleet ge= „maakt, en ruim 40. koppen naar den Oosthoek gesonden, alwaar en op andere plaatzen nu actuees nog, of op nieuw weder, omanqueeren bij de 50. Militairen. Ook betuigo ik uwe Hoog Edelheden dank voor de met het schip De Triton wel overgebragt Rd=s 10'000: -. aan goude ducaten, en zoo meede door de qualificatie om de verder ontbreekende Contanten, bij preferentie op assig„ „natie naar Nederland in 1779. te moogen Negotieeren twee- derde No. 82 fo 5. Copia Samarang den 5:' November A:o 1778. „derde aan diverse specien, en een derde aan ronde spaansche reaalen, en om die dan, zoo als geschieden zal, vervolgens naar de Hoofdplaats te zenden. - Ik geeve mij de hooge eere met de meeste hoog achting en eerbied submis te blijven. /:onderstond:/ Titul /: Lagirstone:/ Uwer Hoog Edelheden zeer gehoorzame en onderdanige dienaer /:was geteekent:/ J. R. van der Burgh /:in margine/ Samarang den 5„e November 1778. —. Accorseert. AVar Keij Iu 510. Samarang den 26=' December Ao 1778. Copij Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel, gestrenge, groot Achtbaren Heere, Reijnier De Klerk, Gouverneur generaal, en De wel Edele gestrenge Heeren Raaden van Ne„ „derlands Indie, enz: enz: enz: Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbarens Heere, en Wel Edele Gestrenge Heeren! Direct na den ontvangst van uwer Hoog Edelheeden veel gerespecteerde van den 30=e November Jongstleeden, den panembahan van Madura en den pangerang van Sumanap onderhouden hebbende over hunne nog op Macasser zijnde Hulptroupen, heb ik hen bereidwillig gevonden, dezelve daar ten dienste van de Compagnie te laaten, en daar toe aan de Hoofden te schrijven, de brieven die ik de eere heb, in Copia translaat uwe Hoog Edelheden /:vide L=a A:/ aantebieden, en in ori= „gineel den Heer Gouverneur van der voort gevonden heb, met dit versoek, op instantie van den panembahan en pangerang voormeld, bij letteren van den 15. hugus almeede in Copia hier nevens leggende /: vide L. a B. / om mij te zenden, een Lijst ƒ 7 Copia ƒ

← previousnext →