VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3540

Coromandel · 550 pages · 64 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3540_0347 view scan ↗

English

deemed it advisable to condescend to the request of the princes regarding the re-leasing of Bimilipatnam on the proposed terms: Furthermore, in view of the gravity of the matter, I remarked that if I had even the slightest doubt that the affairs of the Company and its merchants were not in such danger as one had to deduce from the letters of the servants and the conduct of the Rajas, I would never decide to re-lease Bimilipatnam on the terms proposed by the princes, although I also had to testify that these were not disadvantageous to the Company, given the unfortunate condition of the princes and the critical times we are experiencing, which fully permit entering into such a contract. However, because according to the servants' letters it was to be feared that if we did not grant their request, the princes would resort to violent means against the Company's merchants, and perhaps even against the Company itself, to provide themselves with money, for which they were in the utmost embarrassment, I was of the opinion in this critical juncture of affairs, in which as much danger lay enclosed in refusing as in granting the princes' request, that one should choose the least dangerous of two evil or hazardous courses, in order thereby to prevent or forestall a greater evil to the interests of the Company; and accordingly, in view of the aforesaid difficulties, I proposed to the Council to lease Bimilipatnam and the twelve villages belonging thereunder, together with the village of Pollepelli and yet another village at the choice of the chiefs, from the Visianagaram Princes for the term of five years and 20000. rupees per year; as well as to authorize the chiefs to advance the entire lease price, which over five years would amount to a sum of 100000. rupees. The Council, discussing this proposal at length, noted in that regard that in this weighty matter one should rely fully on the word and fidelity with which the chiefs were bound to the service of the Company, and that this could leave no one with the slightest doubt that the affairs of the Company and its merchants there were not in such danger as the chiefs had described: this being established, little choice remained as to which side one should take in this, considering that more danger lay enclosed in refusing than in entering into the aforesaid contract; because if the princes were once to turn to violent means, the chiefs would be utterly unable, in a dilapidated fortress with their small garrison, to offer the least defense for the security of the Company's seat and trade there. Whereupon we subsequently, for the best of the Company, unanimously resolved to authorize the servants there to lease for the Company from the Visianagaram princes, on the basis of the first five-year contract, not only Bimilipatnam with the twelve villages belonging thereunder, together with the village of Pollepellij, and yet another village of their choice, for 20000. rupees per year, or for one hundred thousand rupees in five years, but also to advance this amount to their Highnesses, to be reimbursed again in five years from the lease of the aforesaid villages, provided the princes bound themselves in the contract to the following conditions, namely: Firstly, as had been stipulated in the previous five-year contract, to pay annually an interest of 4 per cent on the principal advanced to them until full payment, after the deduction, however, of 20000. rupees annually, or the stipulated lease price for one year, whereby the interest money in the first year would amount to rupees 4000. in the second rupees 3200. in the third rupees 2400. in the fourth rupees 1600. in the fifth rupees 800. which had to be paid into the Company's treasury annually together with and in addition to the aforesaid lease price of 20000. rupees. Secondly, not only to return the Sanads of the merchants, but also to remit to them by a formal deed the money that they owed to their Highnesses according to the same, with the promise never again to demand such written bonds from them, and Thirdly, during the aforesaid lease period of five years, to make no further application to the Company for any further advance of money or money's worth, no matter how greatly they might be in need of it. And as it was subsequently reflected by us that the merchants had offered to take over the lease of the aforesaid lands from the Company again, we further resolved, on the assumption that the contract would be concluded on the aforesaid terms, to authorize the chiefs to transfer the entire lease of Bimilipatnam, etc., as it would be ceded by the Princes, to the merchants for 20000 rupees per year, or for 100000. rupees in five years, provided that they paid 20000. rupees thereof into the treasury annually by ultimo August, and bore all the expenses of the Durbar; further instructing the aforementioned chiefs, who have voluntarily offered themselves thereto alongside the merchants, to have a formal deed drawn up regarding the takeover of the aforesaid lease by the frequently mentioned merchants, whereby they, under the suretyship of the chiefs, would have to hold themselves accountable in the most binding manner for all the detrimental consequences that might arise from the aforesaid commitment with the princes.

Dutch transcription

145 goedvinden in het versoek der vorsten, tot het weder in Pagt neemen van Bimili„ patnam, op den geproponeerden voet te Condescendeeren: voorts heb ik uijt aanmerking van het gewigt der saak nog geremarqueerd, dat soo ik maar de aller minste twijfeling had dat de saaken van de Maatschappij en haare kooplieden niet soo gevaarlijk stonde als men uijt der bedienden briefen het gedrag der Radjas moest opmaaken, ik nimmer besluijten sou tot het weder in pagt neemen van Bimilipatnam op den door de vorsten voorgeslagen voet, schoon ik ook betuijgen moest, dat die niet onvoor„ deelig voor de Maatschappij was, uijt hoofde den ongelukkigen toestand vande vorsten, en den criticquen tijd die wij beleeven, met wel permitteerd soodanig een Contract aan„ te gaan. Dan, wijl het volgens der Bedien„ dens dens schrijvens te vreesen was, dat de vor„ sten, soo wij hun versoek niet toestonden, geweldadige middelen omtrent Comp:s koop„ lieden, en mogelijk wel omtrent de Comp„e selfs in het werk souden stellen, om sig van j allen geld te voorsien, waarom sij den „ uijtter„ sten verleegen waren, ik in dit Criticque tijds gewugt van saaken, waar in soo veel gevaar in het wijgeren als in het toestaan van der vorsten versoek lag opgesloten, van gevoelen was, dat men van twee kwaa„ de of gevaarlijke saaken het minst gevaar„ lijkste dienden te kiesen, om daar door een grooter kwaad voorde belangens van de Maatschappij te prevenieeren of voortekoo„ men; en dien volgende, heb ik uit hoofde der voorschreeve swaarigheeden den Raad geproponeerd, om Bimilipatnam ende daar onder behoorende twaalf dorpen, nevens het dorp Pollepelli en nog een ander dorp ter 146 ter keuse van de opperhoofden, van de visia„ nagaramsche Princen in pagt te neemen voor den tijd van vijf Iaaren, en 20000. ropijen in het Iaar; mitsgaders de opper„ „hoofden tot het vooruijt verstrekken van de geheele Pagt sekat die in vijf Jaaren bedraagen sou eene somma van 100000. ropias, te qualificeeren! Den Raad over deesen voorslag in het breede raisonneerende, merkten daar omtrent aan, dat men in deese gewig„ tige saak sig volkomen dienden te ver„ laaten, op het woord en trouwe waar„ meede de opperhoofden aan den dienst der Maatschappije verbonden waren, en dat die in niemand de minste twijfeling kon overlaaten, dat de saaken vande Comp:e en haar kooplieden aldaar niet soo gevaarlijk stonden als de opperhoof„ den het beschreeven hadden: dat dit vastgesteld vastgesteld sijnde 'er wynig keuse overbleef wat partij men in deesen dienden te kiesen, gemerkt 'er in het wijgeren meer gevaar als in het aangaan van het voorschreeve Con„ tract lag opgesloten; door dien de opper„ hoofden soo de vorsten eens tot geweldaa„ dige middelen wilden overslaan, volstrekt buiten staat souden weesen, om in een ver„ vallen fortres met haar gering garnisoen de minste defensie te bieden tot befijliging van Compagnies seet en handel aldaar. waar op wij vervolgens ten best van de maatschappij, met unanime stemmen beslooten, om de Bedienden aldaar te quali„ ficeeren, om op den voet van het Eerste vijf„ Iaarig contract, niet alleen Bimilipat„ nam met de daar onder gehoorende Twaalf dorpen, nevens het dorp Pollepellij, en nog een ander dorp ter haarer keuse voor de Compagnie, van de visianagaramsche prinçen in pagt te neemen voor 20000. r0„ pias 147 pias in het Jaar, of voor Hondert duijsend Ropias in vijf Iaaren, maar ook om dit be„ draagen aan Hunne Hoogheedens voor uijt te verstrecken, om in vijf Iaaren wederom voldaan te worden, uijt de pagt dervoor,de schreeve dorpen, mits de vorsten sig bij het Contract tot de volgende voorwaer„ den kwamen te verbinden; als: Eerstelijk omgelijk by het voorige vijf Iaarig Contract bedongen geworden was, op het aan haar voor uijt verstrekte kapitaal, tot de volle betaling toe, Iaarlijk te betaalen den Jntrest van 4: p„r lent na de traheering egter Iaarlijks van 20000. Ropias, of de bedongene pagtschat voor een Iaar, waar door de Intress penningen in het Eerste Iaar bedragen soude. - . . Rop:s 4000. in het derde. in het vijfde. . . . in het tweede - - - . . . . . . „ 3200. in het vierde. . . . . . . . . „ 1600. die . . . . . . . „ 2400. . . . . „ 800. die Iaarlijks met en benevens de voormelde Pagtschat van 20'000. Ropias in Comp: kas„ sa moesten worden afgelegd. Tweedens, om niet alleen de Sanados der kooplieden terug te geeven, maar hun ook bij een formeele acte kwijt te schelden het geld, dat se volgens deselve aan hunne Hoogheedens schuldig waren, met belofte van nooijt weder diergelijke verband, schriften van hun te sullen vorderen, en Derdens: om geduurende de voorschree„ ven pagt tijd van vijf Iaaren geen nader aansoek bij de komp:e te doen, om eenige nadere voor uijt verstrekking van geld of geldswaarde, hoe seer sij er ook ommog„ ten verleegen weesen. En dewijl vervolgens door ons gere„ flecteerd wierd, dat de kooplieden aangeboo„ den hadden, om de voorsz: Landen wede„ rom in pagt van de komp:e overteneemen, soo besloten wij al verder, in veronder„ stelling 148 stelling dat het Contract op den voorsz: voet, soude geslooten worden, de opperhoofden te qualificeeren om de geheele pagt van bimi„ lipatnam ensz:, soo als die door de Prin„ cen soude worden afgestaan, aan de koop, lieden in pagt over tegeeven voor 20'000: vop: in het Iaar, of voor 100'000. Ropias in vijf Iaaren, mits sij daar van Iaarlijks onder ult„o aug=s 20'000. Ropias in Cassa betaelden, en al de ongelden van den Derbhaar droegen; onder aanschrijvens verder aan„ gedagte opperhoofden, die sig daar toe nevensi„ de kooplieden vrijwillig hebben aangeboo„ den, om van het overneemen der voorsz: pagt, door de meergemelde kooplieden een acte in forma te doen passeeren, waar bij sy sig onder borgtogt der opperhoofden op de bondigste wijse verantwoordelijk sou„ den hebben te stellen, voor al de nadeelige gevolgen, die 'er uit de voorschreevene ver„ bintenis, met de vorsten souden kunnen ontstaan

NL-HaNA_1.04.02_3540_0354 view scan ↗

English

originate. — Furthermore, we thought fit to grant the chiefs authorization, after a large portion of the lease payment had been satisfied in merchandise to the Princes, to issue bills of exchange on Iaggernaikpoeram for the remaining amount instead of on Palleacatta or Saaraspatnam (: where the supply could not endure such an expenditure :) to be paid to the holders thereof in new Nagapatnam pagodas with a 4 percent agio. — Concerning which decisions I hope that we shall be crowned with the honored approval of Your Right Excellencies, as we have taken them with a good intention for the interests of the Company to that end. Meanwhile, we have notified the chiefs of the aforesaid decisions by secret letter of the 15th of November of the recently past year; but have up to now received no answer thereto; which I therefore expect in the coming days, with the contract concluded by the chiefs with the Vizianagaram princes, on the aforementioned conditions: which I hope to have the honor of presenting to Your Right Excellencies shortly. In the meantime, in continuation of the article of native affairs, I take the liberty most respectfully to remind Your Right Excellencies that, in my humble separate letter of the 15th of October 1779, I had informed Your Honors of the dispatch of a letter dated the 5th of November 1779 to His Excellency the Nabob Mahometh Aliehan, in reply to his of the 31st of August 1779, containing communication of the resolution taken by us on the 20th of September following, regarding the affairs of Palleacatta: described more fully in my aforementioned separate letter. To this letter I finally received a reply on the 3rd of this month from His Excellency, by missive of the 21st of December prior. Containing, firstly, a friendly expression of satisfaction over the orders that had been dispatched from here to Palleacatta, to treat matters there according to the old custom, and henceforth to cause everyone to pay the customs duties due to the sarkar for grains, linens, etc. However, it subsequently pleased His Excellency to remark that it appeared to his surprise from my aforementioned letter that the boatmen had to obey the orders of the chief, without the havaldar of the sarkar having anything to say about it, considering that in the time of Sadatullah Khan it had been customary for the boatmen of the Dutch Company and those of the sarkar to be separated: And he further requests, on grounds of mutual friendship, to direct the Palleacatta chief to handle the affair of the boatmen in such manner as had previously been customary, and in all other matters to observe prudence. This letter having been produced by me in the meeting on the 10th of this month, we resolved to send a copy thereof to Palleacatta, with instructions to the chief to elucidate to us forthwith how matters stand regarding the boatmen of the sarkar and those of the Company, and whether any separation ever took place concerning this; which we fear is merely alleged by the Nabob in order thereby to become complete master over those people. On this I therefore expect a reply in the coming days; whereupon I shall answer the Nabob's letter in such manner as will accord with the nature of the matter and the privileges of the Company, which I also hope to have the honor to report to Your Right Excellencies on a subsequent occasion. Meanwhile, in accordance with the order, I take the liberty to insert herewith a brief strength of the personnel stationed here; the cannons, mortars, muskets, cutlasses, ammunition of war, gunpowder, and vessels on hand; as drawn up in the past year according to the model received here: consisting of the following: At this station there are on this day in being the following servants: Together: 1003. Whereof Europeans: 422. Native children: 48. Mohammedans and Moors: 2. From the Civil Service down to junior assistants inclusive: 27. From the clergy: 5. From the medical service: 3. From the artillery: 24. From the militia: 830. From the maritime service: 78. Tradesmen: 30. Performing various duties: 6. Together amounting to: 1003. According to the last establishment: 891. Either now more: 112. Less: — Furthermore: 26 pieces metal cannons 10 pieces metal mortars 175 pieces iron cannons 1528 pieces muskets 1410 pieces cutlasses 18449 pieces shot 1942 pieces bombs 2045 pieces hand grenades 33100 pieces musket balls 69317 ¼ lb powder, and the following vessels, namely: 2 barks, de Liefde and Eendragt 1 hooker, 's Loo 1 one-mast sloop, de Walvisch 1 pantchiallang, de Goede Verwagting 1 thoni, de Johanna Maria. And this being for the present all that I can have the honor to report herewith, for the rest I take the liberty, after having commended Your Right Excellencies to Heaven's precious keeping, to subscribe myself with the greatest respect and high esteem. At the foot was written: Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Commanding Lords, and Honorable Sirs, Your Right Excellencies' most humble and obedient servant. Was signed: R. van Vlissingen, In the margin: Nagapatnam, the 15th of January 1780. Agrees, R. van Vlissingen Secret Coromandel Resolutions For the Netherlands. From the 31st of December 1778 to The 12th of November 1779. No. 4. 8

Dutch transcription

ontstaan. — voorts, von den wij goed, de opperhoof den qualificatie te verleenen, om, na dat een groot gedeelte van de pagt schat, met koopmanschappen aan de Princen soude weesen voldaan, voor het overige bedrage wissels op Iaggernaik poeram te verleenen insteede van op Palleacatta of Saaraspat„ nam (: alwaar den voorraad, een diergelijke uitgave niet veelen kon:) om aan dies houders voldaan te worden in nieuwe nagapat„ namse pagooden met 4. pr lent opgeld. — omtrent welke besluijten ik hoop dat wij met de g'eerde goedkeuring van uwe Hoog Edelheedens, bekroond sullen worden, alsoo wij die genomen hebben met een goed oogmerk voor de belangens van de Maat„ schappij om dien oorst. Ondertusschen hebben wij van de voorschreeve besluiten de opperhoofden ken„ nis gegeeven by secreet schrijven vanden 15: gber: des Iongst afgeloopen Iaars; dog daar op op 149 op tot nog toe geen antwoord ontvangen; dat ik derhalven eerst daags te gemoet sie, met het door de opperhoofden met de Visia„ nagaramsche vorsten gesloten Contract, op de voormelde voorwaarden: het geen ik de eere hoope te hebben, uwe Hoog„ Edelheedens eerstdaags aantebieden. Inmiddens neeme ik ten vervolge van het articul van Inlandsche saa„ ken de vrijheid, uwe Hoog Edelheedens op het eerbiedigst te herinneren, dat ik bij mijne needrige apparte Letteren van den 15. October 1779, Hoog deselve heb bedeeld gehad, de afsending van Een brief in dato 5: 9ber: 1779. aan sijn Excellentsie den Nabab Mahometh Aliehan, in antwoord op den sijnen van den 31: aug:ts 1779, behelsende Communicatie van 8: het door ons genomen besluijt op den 20: septbr: daar aan volgende, aangaande de saaken van Palleacatta: breeder bij ten by mijne voormelde apparte Letteren beschree„ ven staande. op deesen brief heb ik eijndelijk den 3. deser maand antwoord ontvangen van sijn Excellentie, by missive van den 21. de„ cember bevoorens. Behelsende voor eerst, eene vriende, lijke betuijging van genoegen, over de ordres die van hier na Palleacatta afgevaardigd waren, om de saaken aldaar navolgens de oude usantie te Tracteeren, en de soldie den sercar Competeerd weegens graanen, lijwaaten ensz, voortaan door een ijder te doen betaalen. Dog vervolgens heeft het sijn Ex„ cellentie behaagd te remarqueeren, dat hem uit mijnen gemelden brief tot verwondering gebleeken was dat de Chialengeniers de ordres van het opperhoofd obedieeren moes„ ten, sonder dat den Waweldaar van den sercar, daar over iets sou te seggen hebben gemerkt 150. gemerkt het ten tijde van satoe Lachan een gewoonte geweest was, dat de chialenge„ niers van de Hollandsche komp:e en die van den Sercar, gesepareerd waren: En versoekt wijders uit hoofde vande wedertijdsche vriendschap, het Palliacat„ sche opperhoofd te gelasten, om de affaire van de Chialengeniers dusdanig te behan„ delen als bevoorens gebruijkelijk geweest is, en in alle andere saaken de voorsigtig„ heid te betragten. Deesen brief door mij op den 10: hu„ jus in vergadering geproduceerd sijnde, hebben wij besloten om kopia daar van na Palleacatta te senden, met Last aan het opperhoofd om ons ten eersten te eluci„ deeren, hoedanig het omtrent de Chialen„ geniers van den sercarendie van de komp: geleegen is, en of daaromtrent ooijt eenige se„ paratie heeft plaats gehadt? die wij vreesen dat door den Nabab slegts word voorgewend„ om . om daar door volkomen meester over dat volk te worden. Hier op verwagt ik derhalven eerstdaags rescriptie; wanneer ik 's nababs brief, soodanig b'antwoorden sal, als met den aart der saak en de Previlegien vande kompagnie sal overeenkomen, het geen ik ook de eene hoope te hebben om bij een volgende geleegendheid uwe Hoog Edelheedens te kunnen melden. ondertusschen neem ik na de ordre de vrijheid bij deese te Insereeren een korte sterkte van de alhier beschijde manschap pen; de aan handen sijnde kanons, mortieren, snaphaanen, houwers, ammunitie van oorlog, kruijt en vaarthuijgen; gelijk in anno passato op„ gemaakt na het alhier ontfange Model: bestaande 151 bestaande het een en ander in, als volgd: op dit Comptoir sijn op heeden in weesen de volgende koppen waaron Inlandse, Maho„ Dienaaren tesamen der Eur kinde metanen peesen. ven en moven. 1. 3. 179 422: 48. 2. 5. 3. 4. 27. 24. 229. 78. 30. 4. 2. 49. van de Politie tot Iong as„ sistenten inclusive. . . . vande kerkelijke. . . . . „ „ geneeskunde. . . . „ „ Arthillerij. . . . . „ „ Militie. . . . . 830. „ „ Seevaart - . . . . „ Ambagten. . .. „ „ diverse dienst doende. tesamen bedragende. . . . 1003. volgens de laaste bepaling. . . 891. of nu meerder. . . 112: minder. - - - - - voorts 26. p„s Metale Canons de„ mortieren, 10. „ 175. „ ijsere canons 17 1528. „ snaphaanen houwers 1410. „ scherp 18449. „ 1942. „ bommen 2045. „ hand granaten 3. 3100. „ snaphaan kogels 69317. ¼. lb: kruijt, en 6. - 3. 2. 5 „ En de volgende vaartuijgen; als: 2. Barken de Liefde en Eendragt 1. hoeker 's Loo 1. een mast chialoup de walvisch 1. Pantjalling de goede verwagting 1. Thonij de Johanna Maria. En dit voor het tegenwoordige alles sijnde, wat ik bij deese d' Eere kan hebben temelden; neeme ik, voor het overige de vrijheid, na uwe Hoog„ Edelheeden in 's Hemelt dierbaare hoede te hebben gerecommandeerd, mij met de meeste eerbied en hoog agting tenoemen. /:onderstond/ Hoog Edele, groot Agtbare, wijd gebiellende Heere, en wel Edele Heeren, uw Hoog Edelhee„ dens seer ootmoedige en gehoorsame dienaer /: was geteekend:/ R:n van vlissingen, /: in margine) nagapatnam den 15: Sa„ nuarij 1780. akkerdoent WHessingen Secreete Cormandelsche Resolutien Voor Nederland. zedert den 31. December 1778. tot Den 12. November 1779. No. 4. 8

NL-HaNA_1.04.02_3540_0369 view scan ↗

English

152 Register of marginal notes on the Secret Resolutions taken in the Council of Coromandel at Nagapatnam, from 31 December 1778 to 12 November Anno 1779 1778, 31 December Submission of 2 translated Malabar petitions: folio 1 to 2. Showing that Pieroemenij Chittij is the cause of the recent flight: folio 2 to 3. Decision to send those papers to Batavia: folio 3 to —. Defense statement of the Adigaar Duijnevelt regarding the accusations of certain natives: folio 3 to 4. Insertion of that paper: folio 5 to 17. What is demonstrated and requested therein: folio 17 to 19. Deliberation thereupon: folio 19 to 20. Decision to send that defense statement to Batavia: folio 20 to 21. And to request satisfaction thereupon: folio 21 to 22. Submission of a petition from the Farmer Soendra Dhakeor: folio 22 to 23. Reading and insertion of the same: folio 23 to 31. Evidence that the same fell short in 1777/8 by pagodas 3913. 7/8: folio 31 to —. Caused by the flight of the inhabitants: folio 31 to 32. Request for remission: folio 32 to 33. Decision to accept pagodas 361. 27/32 from him: folio 33 to —. And to give an account in the trade books for pagodas 3913. 7/8: folio 33 to —. Proposal for the indemnification of that farmer: folio 33 to 34. Decision to send his petition to Batavia: folio 34 to —. And also to make five proposals: folio 34 to 35. 13 March Submission of a translated letter from the plenipotentiary of Tansjoer: folio 40 to 41. Insertion of the same: folio 41 to 42. Request to lend money to his prince: folio 42 to 43. Remark thereupon: folio 43 to 45. Decision to decline that request: folio 45 to —. For what reason: folio 45 to 48. To report that the mahaldaars and cornacs have departed for Jaffna: folio 48 to —. And under which written instructions: folio 48 to 49. 25 March Submission of 2 translated letters from the Visianagaram Princes: folio 50 to 54. The emissary has been in conference up to 2 times: folio 54 to 55. Proposal made to lend the princes 4 lakh rupees: folio 55 to —. Under which promise and offer: folio 55 to 58. Evidence of the same by a certain translated document: folio 58 to —. Insertion of the same: folio 58 to 68. Unacceptability of that proposal: folio 68 to 69. And why: folio 69 to —. To inform the princes that their emissary accomplished the commission: folio 69 to 70. And what the Bimilipatnam authorities have been ordered: folio 70 to 71. If that order should be too restrictive, not to ascribe the same to any slight: folio 71 to —. Dispatch of various copies to Bimilipatnam: folio 71 to 72. In which case to take Bimilipatnam back into lease for 3 years: folio 72 to 73. 22 April Receipt of a letter in 1777 from the Minister of the prince of Kinnidi: folio 74 to 75. 153 Containing expressions of friendship: folio 75 to —. How the same was answered: folio 75 to —. Production of a translated letter from that prince: folio 75 to 76. Reading, and insertion of the same: folio 76 to 84. The prince wishes to donate a seaport to the Company: folio 84 to 85. Remark why this is done: folio 85 to —. Non-consent therein: folio 85 to 86. Decision to decline the offered seaport: folio 86 to —. To decline the requested money loan: folio 86 to 87. To recommend the Duan to the prince: folio 87 to —. And to request his friendship: folio 87 to —. 29 July Production of a translated letter written by the Nabob to Padama: folio 88 to 89. Likewise a copy of the answer thereto: folio 89 to —. Insertion of those papers: folio 89 to 94. Evidence therefrom that one had sought to give the Nabob a different impression regarding the Company's paddy and rice: folio 94 to 95. Decision to assure him of the contrary thereof: folio 95 to 96. And to request to prohibit the collection of toll for it: folio 96 to 97. On what grounds to do so: folio 97 to 98. What was expected in that regard: folio 100 to 101. Order to Padama not to cause any damage to the Sircar: folio 101 to —. 18 August Production of a translated letter from the plenipotentiary of Tansjoer: folio 102 to 103. Insertion of the same: folio 103 to 104. Notification to have the 5 tribute elephants and the gift fetched: folio 105 to —. What the emissary answered thereto: folio 105 to 107.

Dutch transcription

152 Register der Margi„ naalen op de Secreete Resolutien genomen in Raade van Cor„ mandel tot Nagapat„ nam, sedert den 31. December 1778. tot den 12. November A o. 1779 1770. 31. Der. Diening van 2. translaat mallabaarse Reques„ ten - - - - - - - - - - - - - - - f:o 1. tot 2. Aantoonende dat Pieroemenij Chittij oorzaak van de Jongste uijtwijking is - - - - - - - „ 2. „ 3. „ besluijt die papieren na Batavia te zenden „ 3. „ — Deductie van den Adigaar Duijnevelt „ 3. „ 4. wegens de accusatien van zommige Inlanders - - - - - - - . . . . . „ 4. „ 5. Insertie van dat papier - - - „ 5. „ 17. wat daar bij gedemonstreerd en verzogt word„ 17. „ 19. deliberatie dierwegens - - - - - - - - . „ 19. „ 20. besluijt die deductie na Batavia te zenden „ 20. „ 21. En daar op satisfactie te verzoeken. . „ 21. „ 22. diening van een request van den Pagter Soendra Dhakeor - - - - - - - - - - - „ 22. „ 23. leezing en insertie van het zelve - - - - „ 23. „ 31. blyking dat denzelven in 177 7/8. te kort is gekomen pa/ao 3913. 7/8 - - „ - - - - - - „ 31. „ —. veroorzaakt door de uytwijking der inwoonders - - - - - - - - - - - - - - - - „ 31. „ 32. verzoek om remils - - - - - - - - - „ 32. „ 33. besluijt pra/o 361. 27/32. van hem te accepteeren „ 33. „ —. 1 en voor pro 3913. 17/8: bij de negotie boeken een reek. te geeven - – – – – — – – – „ 33. „ propositie ter schadeloos stelling van - - - „ 33. „ 34. dien pagter - - - - - - - besluijt besluijt zijn request na Batavia te zenden fo 34. tot — en teffens vijf propositien te doen - - „ 34. „ 35. den 13. Maart Diening van een translaat brief van den Albeschik van TansJoer - - - - - - „ 40. „ 41. Insentie van het zelve - - - - - „ 41. „ 42. verzoek om aan zyn vorst geld te leenen „ 42. „ 43. remarque dierwegens - - - - - - „ 43. „ 45. besluyt dat verzoek van de hand te wyzen „ 45. „ —. om wat reeden - - - - - - - - - „ 45 „ 48. te berigten dat de mahaldaars en Cornax na Jaffana vertrokken zijn - - - - „ 48. „ —. En onder welke aanschrijvens - - - - „ 48. „ 49. „ 25. Maart Diening van 2. translaat brieven van de visianagaramsche Princen - - - - - „ 50. „ 54. Den zendeling is tot 2. maalen in confe„ - - - - - - „ 54. „ 55. - 7 rentie geweest gedaane propositie om aan de princen - - - „ 55. „ — 4. lak rop.s te leenen Onder welke belofte en aanbieding „ 55. „ 58. blijking der zelve bij zeeker translaat -– - - - – – – „ 58. „ —. geschrift. - - - ƒ Insentie van het zelve - - - - - - „ 58. „ 68. onaanneemelykheyd van die propo„ – – – – – – – – – – – – – – – „ 68. „ 69. 2 . sitie „ 69.„ - En waarom Aan de princen te bedeelen dat haaren zendeling de Commissie volbragt - - „ 69. „ 70. en wat men de Bimitipatnamsche opperh: gelast heeft – – – – – – – - „ 70. „ 71. zo die last te bepaald mogte weezen, dezelve aan geen minagting toete schrijven „ 71. —„— zending van diverse Copijen na Buni„ – – – – – – – „ 71. „ 72. lipatnam ƒ ƒ in wat geval Bimilipatnam weder voor 3. Jaaren in pagt te neemen „ 72. „ 73. den 22. April Ontvangst van een brief in 1777. van. den Minsister van den vorst van kinnidi o 74. „ 75. be„ 153 behelsende betuijging van vriendschap f o 75. tit „ 75. „ — hoe dezelve beantwoord is. Productie van een translaat brief -– – – – – „ 75. „ 76. - van dien vorst - - - leezing, en insertie van 't zelve - - - - „ 76. „ 84. Den vorst wil aan de Comp. e een zee„ plaats schenken - - - - - - - - - - - „ 84. „ 85. remarque waarom zulx geschied - - - „ 85. „ — nonbewilliging daar in - - – - - „ 85. „ 86. besluijt voor de aangeboode zeeplaats - - - – – – „ 86. „ —. te bedanken De verzogte geldleening te excuseeren „ 86. „ 87. Den Duan aan den vorst te recomman„ - - - - - – – „ 87. „ —. deeren- En om zyn vriendschap te verzoeken „ 87. „ — den 29. Julij Productie van een translaat brief door den Nabab aan Tadama gesz - - - – – – „ 88. „ 89. Item Copia van het antwoord daar op „ 89. „ —. Insentie van die papieren - - - - „ 89. „ 94. blyking daar uijt dat men den Nabab no„ pens Comp. s nelij en rijft in een ander denk„ beeld hadt zoeken te brengen - - - - „ 94. „ 95. besluyt hem het tegendeel daar van te -– - – – – – „ 95. „ 96. verzeekeren- — En te verzoeken om het invorderen van thol daar voor te intendiceeren. „ 96. „ 97. Op wat fundament zulx te doen - - „ 97. „ 98. wat dierwegens verwagt werd - - - - „ 100. „ 101. Last aan Padama om den Sercan niet te doen benadeelen - – - - - - „ 101. . „ den 18. Aug. s Productie van een translaat brief van den albeschik van Tansjoer - - - „ 102. „ 103. Insentie van het zelve - - - - - „ -„ 103. „ 104. Aanzegging om de 5. recognitie eliphan„ „ten en het geschenk te laaten afhaalen „ 105. „ —. wat den zendeling daar op geantwoord heeft – – – – – – – – – – – – „105. „ 107. be„ „ 3. —

NL-HaNA_1.04.02_3540_0372 view scan ↗

English

the 12th November Resolution nevertheless to keep that acknowledgment ready f.o 107. - - the 30th August receipt of a secret letter from Bimilipatnam - - - - - - - - - - 108. 109. what is communicated therein concerning Bimilip: - - - - - - 109. 110. Deliberation and resolution in that regard . 110. 111. Order to make no further application to take Bimilip. into lease 111. 112 20th September Production of a letter and 2 declarations from the Nabab - - - - - - 113. 114. concerning the dispute that arose at Palliacatta - - - 114 - - The Nabab does not want tolls to be levied for the Company's grains - - - - - - - 114. 115. But indeed from the Merchants - - - 115. -. Deliberation and remark in that regard 115. 116. Recommendation to Tadama to prevent nothing in the collection of tolls - - - - 116- 118. And to give the Nabab no reason for displeasure - - - - - - 118. -. Resolution to notify the Nabab of this - - 118. 119. Yet what to answer regarding the cargo vessels - - - - - - 119. 121. Offer of thanks for the friendship shown to the Company - - - - - - - 121. -. Request for the continuation of the same 121. 123. Submission of a secret letter from the Bimilip. chiefs - - - - - - - - 124. - Insertion of the same - - - - - - - - - 125. 148. Astonishment over the change of administration there 149. 150. Hope that trade etc. will be continued swiftly and peacefully... - - - - 150. -. Declaration of the Chiefs that Bimilipatnam can be taken into lease again without fear - - - - - - - - - - - - - 150. 151. 154 Remark on the contradiction of an earlier letter from the servants - - - - f.o 151. to 152. And what one must trust now 152. - Fear nevertheless to take Bimilip. into lease again - - - - - - 152. 153. Although the proposals are not disadvantageous - - - - - - - - - 153. 154. Fear of violent measures by the princes in the contrary case - - - - - - - - - 154. 155 To prevent the same - - - - - 155. -. It was proposed to lease Bimilipm etc. again for 5 Years - - 155. 156. Extensive reasoning in that regard . 156. -. Remark that one must trust the word of the chiefs - - - - - - - - - - - - - 156 157. And what one indeed has to fear in case of refusal - - - - - - - - - - - - - 158. - Resolution to authorize the chiefs to enter into a 5-Year lease. 158. 159. and for how much per Year - - - - - - 159. -. As well as to advance the money and on what Conditions under the Contract 161. 162. Offer of the Merchants to lease Bimilip. etc. from the Company again 162. 163. Order to carry this into effect - 163. -. And under what conditions nevertheless - - - 163. 165. Order to the chiefs to grant bills of exchange to Jaggern. in discharge of the lease money - - - - - - - - - - - - - 159. 160. - - - - - - - - - - - - 165. -. 155 Submission of two translated Malabar petitions, 1778 Thursday the 31st December 1778. in the morning at eight o'clock, Council of Policy, Absent, The Merchant and Fiscal Martinus Koning, and The Junior Merchant and Dispenser Jan Appengh, due to indisposition. After the conclusion of the matters recorded in today's general Resolution, there were presented to the meeting by the Titular Merchant, Mintmaster, and Adigaar Willem Duijnevelt two translated Malabar Petitions drawn up by the head and minor painters of Nagapatnam and Willipalium, wherein it is fully declared and proven that the Company's Merchant Tieromenij Chittij was the chief author, indeed virtually the sole instigator and leader, of the riot and the general exodus that followed upon it, which took place in the month of April of this Year among the Malabar inhabitants of this city and the Villages sorting under it; 156 the 31st December 1778. Resolution to send those papers to Batavia, Deduction of the Adigaar Duijnevelt, thus, the content of the aforesaid Petitions having been deliberated upon with all attention, it was approved and agreed to request the Honorable Governor to present the aforementioned two Translated Petitions separately to Their High Noble Excellencies, for further proof of the punishable role that the Company's Merchant Tieroemenij Chittij played in the recent riot. Furthermore, there was submitted to the meeting by the Titular Merchant, Mintmaster, and Adigaar Willem Duijnevelt aforesaid who, at the time of the recent riot, through the most foul libels distributed in the name of the Inhabitants of this city and the Village of Willepalium, was insulted in an extreme manner in his good name, honor, and reputation concerning the accusations of some Natives, in defense of himself and his good name, a Deduction, accompanied by various appendices, which upon reading were found to be of the following content. 157 Insertion of that paper, the 31st December 1778. To the Right Honorable Commanding Sir, Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Cormandel with the Jurisdiction thereof, together with the Council Nagapatnam. Right Honorable Commanding Sir and Sirs; It is not unknown to your Right Honorable and Honors as well as to everyone, that when in the beginning of this Year the inhabitants of this city, through the instigation of some malicious persons on account, as was alleged, of a certain moderate tax that had been levied on the houses to

Dutch transcription

den 12. Nov. besluijt die recognitie egter klaar te houden f. o 107. —. — den 30. Aug. s ontfangst van een secreete brief van Bimilipatnam - - - - - - - - - - „ 108. „ 109. wat daar bij nopens Bimilip: gecom„ - - - - - - „ 109. „ 110. municeerd word. deliberatie en besluyt dierwegens . „ 110. „ 111. last om tot het in pagt neemen van Bimilip. geen aanzoek meer te doen „ 111. „ 112 „ 20. 7ber. Productie van een brief en 2: verklar„ ringen van den Nabab - - - - - - „ 113. „ 114. wegens het ontstaan different op - - - „. 114 - „ —. Palliacatta „ - ƒ ƒ Den Nabab wil geen tot laaten hef„ fen voor Comp.s graanen - - - - - - - „ 114. „ 115. Maar Wel van de Cooplieden - - - „ 115. „ —. deliberatie en aanmerking dierw. s „ 115. „ 116. Recommandatie aan Tadama om in het invorderen van tot niets te be„ – – – – „ 116– „ 118. letten - - En den Nabab geen reeden van mis noe„ – - – – – – „ 118. „ —. gen te geeven beslluijt zulx den Nabab te bedeelen - – „ 118. „ 119. dog wat omtrend de lasvaartuijgen - - - - - - „ 119. „ 121. te antwoorden - 1. dank offerte voor de betuijgde vriendschap – – – – – – – „ 121. „ —. aan de Compe 7 ƒ verzoek om de Continuatie derzelve „ 121. „ 123. Overlegging van een secreete brief der Bimilip. opperhoofden - - - - - - - - „ 124. „— Insentie der zelve - - - - - - - - - „ 125. „ 148. verwondering over de verandering van 't O – – – – – – – – – - „ 149. „ 150. bestier aldaar ƒ „ hoope dat den handel etc. vlgtig en - - - - „ 150. „. —. gerust zal worden voortgezet... Verklaaring der Opperh. om Bimilipatnam weder zonder vreeze in pagt te kunnen neemen - - - - - - - - - - - - - - „ 150. „ 151. - 154 remarque over de tegenstrijdigheijd van een vroegere brief den bediendens - - - - f. o 151. tot 452. En wat men tans vertrouwen moet „ 152. „ — vreeze egter om Bimilip. weder in – – – – – – „ 152. „ 153„ pagt te neemen - - - schoon de voorslagen niet onvoor„ - – – – – – – – – – „ 153. „ 154. deelig zijn - vreeze voor gewildadige middelen der vor„ sten in Cas contrarie - - - - - - - - - „ 154. „ 155 om dezelve voortekomen - – - - — „ 155. „ —. wierd geproponeerd om Bimilipm etc. weder voor 5. Jaaren te pagten - - „ 155. „ 156. Breedvoerige raisonnement dierwegens . „ 156. „ —. remarque dat men op 't woord der apperh. vertrouwen moet - - - - - - - - - - - - - „ 156 „ 157. En wat men al te vreezen heeft in cas van weijgering - - - - - - - - - - - - - „158. „ — bestluijt om de apperh. te qualificeeren tot het aangaan van een 5. Jaarige pagt. „ 158. „159. en voor hoe veel 's Jaars - - - - - - „159. „ —. ƒ mitsg. s het geld voor uijt te verstrek„ en op welke Conditien bij het Contract „161. „ 162. Aanbod: der Coopl. om Bimilip. etc. van de Comp: weder in pagt te neemen „ 162. „ 163. last zulx van gevolg te doen zin - „ 163. „ —. En onder welke mits nogtans - - - „ 163. „ 165. Last aan de opperh. om in voldoening der pagtschat wissels na Jaggern. te ken - - - - - - - - - - - - - - „ 159. „ 160. verleenen - - - - - - - - - - - - „ 165. „ —. te 155 Diening van twee translaat Malla„ baaische requesten, 1778 Donderdag den 31. December 1778. 's morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie, Absent, Den Koopman en Fiscaal Martinus Koning, en Den Onderkoopman en Dispencier Jan Appengh„ mits indispositie. Na het afloopen van de zaaken ter gemeene Re„ solutie van heeden beschreeven, is door den Koopman titu„ lair, Muntmeester en Adi„ gaar Willem Duijnevelt ter vergaderinge gepresen„ teerd twee Translaat Mal„ labaarsche van de Jongste uitrijking do labaarsche Requesten door de hoofden en mindere schil„ ders van Nagapatnam en Willipalium ingesteld, aantoonende dat Siervermenij oorzaar waar bij volmondig verklaard G en beweezen wordt, dat Compagnies Koopman Tie„ romenij Chittij den hoofd autheur Ja genoegzaam den eenigsten bewerker en belijden geweest is, van het opvoer en de daar op 1.. gevolgde algemeene uijtwij„ king, die 'er in de maand April deezes Jaars onder de Mallabaarsche ingezee„ tenen deezer stad en de Dorpen daar onder resor¬ teerende 156 den 31. December 1778. te zenden, Deductie van den Adijaan Deijnevelt, teerende, heeft plaats gehad; zoo is over den inhoud van de voorschreeve Requesten met alle aandagt gedelibe„ d besluit die papieren na Batavia veerd zijnde, goedgevonden en verstaan, den Heer Gouverneur te verzoeken om de meergemelde twee Translaat Requesten Hunne Hoog Edelheedens apart aante bieden, ter nadere betooging van het straf„ waardigen vol die Com„ pagnies Koopman Tieroe„ menij Chittij in het Jongste opvoer heeft ge„ speeld. Wijders wierd door den Koopman Inlander, Koopman titulair, Munt„ meester en Adigaar Wil„ lem Duijnevelt voornoemd /:die ten tijde van het Jongste oproer, door de vuijlaardig„ ste laster schriften, op den naam van de Inwooners deezer stad en het Dorp willepalium verspreijd, in zijn goede naam, eer en reputatie op eene verre„ gaande wijze is beledigd wegens de accusatien vanzommige geworden:) ter verdediging van zig zelven en zijnen goeden naam, ter vergade„ vinge overgegeeven eene Deductie, verzeld van diverse bijlaagen, die bij „1 lectuure 2. 157 Insertie van dat papier, lectuure van den volgenden inhoud bevonden zijn. Aan den wel Edelen Ge„ strengen Gebiedenden Heer, Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel met den Resorte van dien, nevens den Raad Nagapatnam. Wel Edele Gestrenge Gebiedende Heer en Heeren; Het is uwel Edele Gestren„ ge en Edelens zoo wel als een ieder niet onbekend, dat toen in het begin deezes Jaars de ingezeetenen deezer steede door opstooking van zom„ mige quaadaardige lieden om de wille, zoo voorgegeeven wierd, van zeekere matige belasting, die men op de den 31. December 1778. huijzen 2. Te

NL-HaNA_1.04.02_3540_0382 view scan ↗

English

has houses and lands, seeking to introduce it, have retreated from the city and gone to Nager, the same, or rather those who directed that exodus outside under higher order and instigation from those inside, in the name of the so-called head of the Castes, commonly baptized with the name of Canjama Chittij: namely the natives Chatteappa Chittij, Anna Chittij, Commarappa Chittij, Bimilipatnam Chidambara Poele, Wela Poele, Moergappa Poele, Swaminada Poele, and Wengadassalam Moddelij, among several others, have also accused me as Adigaar of this city of having enriched myself with the revenues of their temples or pagodas, besides several other disorderly acts alleged to have been committed by me, broadly mentioned in the scurrilous libel sent over by them on that account, an extract of which having been handed to me, against which I, as I trust, adequately accounted for myself at that time. And on that account, in order to clear myself further and in a more convincing manner of that blame, as well as to convince Your Honorable Rigorous and Honors, and furthermore everyone, of the falsehood and groundlessness of those far-reaching, audacious accusations, I immediately had all the accounts of the pagoda during my Adigaarship, of the receipts and expenditures thereof kept by the ordinary writer and bookkeeper of the pagoda, sealed and secured, with the prior knowledge and permission of the Honorable Rigorous Lord Governor; with the request that their aforesaid accusation might be proven sufficiently and satisfactorily; and in order to compel those malicious natives to do so all the sooner and with greater emphasis, I likewise placed an attachment on the so-called Maghames or certain dues assigned of old to the heathen temples, which some farmers of the city revenues are accustomed to demand and account for, over and above the ordinary toll, for and to the same. 31 December 1778. However, nothing less than this being undertaken and carried out by them, I found myself obliged to make application myself to have those accounts confronted and examined in public in the presence of the Merchants of the Honorable Company, the saukaar or banker of this place, as well as the Company's interpreter and Brahmin, item several of the prominent inhabitants of this place, and most notably six of the principal ringleaders who had the direction outside, and carried out everything according to the instruction and order they happened to receive from the city, while the remaining three of that cabal made themselves scarce, with the result that that account was closed in my favor with a credit balance of pagodas 70. 3/4. and pandauws 44. 3. 7/20., as Your Honorable Rigorous and Honors may please to observe more closely from the act granted thereof; the translation of which I have the honor respectfully to present to Your Honorable Rigorous and Honors herewith, as well as those of the other writings passed by the priests, the dancing girls, and other servants belonging to the pagoda, as proof that I have done and executed nothing to their detriment, to that of their temples, or contrary to the customs and ceremonies; the aforementioned balance having originated from the advance that I made now and then, in order to obtain and maintain an uninterrupted progress in the affairs and services of the pagodas, especially upon the assumption of my office as Adigaar, when there was nothing in stock, but on the contrary there were many debts for necessities enjoyed, but which during my administration were repaid and liquidated again; from this may Your Honorable Rigorous and Honors favorably consider whether I have made myself in the least guilty in my conduct and manner of acting. No one other than the Merchant Tieroemenij Chittij alone is the principal instigator and contriver of this abominable business and all the stirred-up accusations and unfounded complaints resulting from it; this being a very well-known matter, everyone also attributed this solely to him at the time the exodus occurred, and that this suspicion does not rest on loose grounds has been shown by the concurrent circumstances that accompanied that distressing matter, which have provided evident proofs, and which, besides what is mentioned in the writing of the artisans, has now been further confirmed by two writings which both the so-called heads of this city and those of Wellipalium, dedicated to the Honorable Rigorous Lord Governor, have handed to me for further presentation to His Honor; of which translations I have the honor respectfully to present herewith to Your Honorable Rigorous and Honors. Your Honors will most evidently observe and see therein his completely and in every respect condemnable conduct, both in debauching and causing to emigrate the greatest part of the inhabitants of this city and the village of Willepalium, as well as all the other villages belonging under this city, by specious promises of palanquin, etc., and thereafter when he was at Naver among the mob brought by him to mutiny, under pretext of intending to pacify the same and bring them inside, whereas on the contrary he reinforced that mob more and more in their wickedness, as is more broadly mentioned.

Dutch transcription

huijzen en erven heeft, trag„ ten intevoeren, zig uijt de stad en naar Nager geweeken zijn, dezelve, of wel eijgentlyk die, die uijtwijking daar buijten op hoogere ordre en instigatie van die van binnen, op de naam van het zoo genaamde hoofd der Castens gemeenlik met de naam van Canjama Chittij gedoopt werdende, dirigeerde: te weeten de In„ landers Chatteappa Chittij, Anna Chittij, Commarappa Chittij, Bimilipatnam Chidambara Poele, wela Poele, Moergappa Poele, Swaminada Poele, en wen„ gadassalam Moddelij, onder meer anderen, mij ook als Adigaar deezer stad geaccu„ seerd hebben, als dat ik mij met de voordeelen hunner tempels of pagooden verrijkt hadde, buijten meer andere onordentelijkheeden, die door mij gepleegd zoude zijn, bree„ den vermeld bij haar dier„ wegens overgezonden vuijl„ aardig libel, waar van mij een Extract ter handen ge¬ steld zijnde, te dier tyd daar tegens zoo ik vertrouwe, voldoende voldoende verantwoord hebbe. en uijt dien hoofde om mij van die blaam nader en op een overtuijgender wijze te suijveren, mitsgaders uwel Edele Gestrenge en Edelens, en voorts een ieder van de walsch= en ongegrondheijd dier verre gaande vermetele accusatien te overtuijgen, on„ middelyk alle de reekenin„ gen van de pagood, geduuren¬ de mijn Adigaarij, van den ontfang en uijtgave derzelve door de gewoone schryver en reekening houder van de pagood gehouden; met voorkennisse en permissie van den wel Edelen Gestr. Heer Gouverneur, hebbe doen verseegelen, en in verzeeke„ ring brengen; met verzoek dat voorsz. haare betigting sufficant en genoeg doende beweesen mogte werden; en om die quaadaardige Inlan„ ders, zoo veel te eerder, en met meerder nadruk daar toe te noodzaaken, inzel„ vervoegen het beslag hebbe gelegd, op de zoo genaamde Maghames of zeekere ge„ rogtigheeden de heijdensche 158. den 31. December 1778. Tempels tempels van ouds toegeweesen die eenige pagters van de stads inkomsten gewoon zijn, boven den ordinairen thol, voor en aan dezelve intevorderen, en te verantwoorden. Dog niets minder als dit door haar geentameerd en ter uijtvoer gebragt werdende, vond ik mij genoodzaakt om er zelfs aanzoek toe te doen, om die reekeningen ten over„ staan van de Cooplieden der E. Compagnie, den saukaar of bankier deezer plaatze, mitsgaders 's Comp. s Tholk en bramine, item verscheijde van de voornaame Ingezee„ tenen deezer plaatze, en wel voornamentlyk zes van de principaalste bel„ hamels, die buijten de Direc„ tie gehad, en alles na de Instructie en ordre die ze uijt de stad quamen te ont„ fangen, uijtgevoerd hebben, terwijl de overige drie van dat Complot zig te zoek ge„ maakt hebben, in het pu„ blicque te laaten confrontee ven en examineeren, met dat gevolg, dat die reekening met den 31. December 1778. met een batig saldo van pa„ gooden 70. ¾. en pandauws 44. 3. 7/20. ten mijnen faveure afgeslooten is, gelijk uwel Edele Gestrengen en Edelens zulks nader gelieven te be„ oogen bij de daar van ver„ leende acte; welkers Translaat de Eere hebbe uwel Edele Ge„ strenge en Edelens nevens deezen al zoo wel in eerbied aantebieden, als die der andere geschriften door de Priesters, de baljaar meijden en andere tot de pagood gehoorende be„ diendens gepasseerd, ten be„ wijze dat niets ten nadeele van haar, hunne tempels en tegens de Costumes en Ceremonien strijdende, gedaan en uijtgevoerd hebbe; zijnde het voormelde saldo oorspron¬ kelijk uijt het vooruijtschot dat ik nu en dan gedaan hebbe, ten eijnde een ongein„ terrumpeerden voortgang aan de zaaken en diensten der pagooden te doen erlangen en behouden, insonderheijd bij de aanvaardiging mijner dienst als Adigaar, wanneer zer niets in voorraad was, maar in tegendeel veele schulden 159. van van genootene noodwendig„ heeden geweest zijn, dog die geduurende mijn Directie weder afbetaald en geliquideerd zijn geworden; hier uijt ge„ lieven. Uwel Edele Gestrenge en Edelens gunstig te beschou„ wen, of ik in mijn gedrag en handelwijze mij in het minst schuldig hebbe gemaakt Niemand anders dan den Coopman Tieroemenij Chittij is alleen de voornaamste aanlegger en uijtvinder van dit verfoeijelijk stuk en alle daar uijt voortgevloeijde op„ Schommeling van accusatien en ongefundeerde klagten; dit een zeer wel bekende zaak zijnde heeft ook een ieder ten tijde dat de uijtwijking voor„ gevallen is, hem alleen zulx geimputeerd, en dat die verdenking op geen losse gronden steund, hebben de te zamen loopende omstandig„ heeden waarmeede die ver„ drietige zaak verzeld gingen, blijkbaare bewijsen opge„ leverd, en het geen buijten het vermelde bij het geschrift der ambagtslieden nu nader bevestigt geworden is, door twee den 31. December 1778. 160 twee geschriften, die zoo wel de zoo genaamde hoofden deezer stad, als die van wellipalium aan den wel Edelen Gestrengen Heer Gouverneur gedediceerd, mij ter verdere voordragt aan zijn wel Edele ter handen gesteld hebben; waar van de Translaaten de eere hebbe, nee„ vens deezen uwel Edele Gestr. en Edelens eerbiedig aantebie„ den. Hoogst dezelvens zullen daar bij hen evidentsten be„ oogen, en te vooren komen zijn gantsch allezints gehou„ den Condemnabel gedrag, zoo in het debaucheeren en doen uijtwijken van het grootste gedeelte der Ingeseetenen deezer stad en het Dorp Willepalium mitsgaders alle de andere Dorpen onder deeze stad ge„ hoorende, door schoonschij„ nende beloften van palenquin etc. , als daar na wanneer hij op Naver, bij de door hem aan het muyten gebragte hoop geweest is, onder voor„ geeven dezelve te zullen be„ vreedigen en binnen brengen, dewijl hij ter Contrarie die hoop meer en meer in haar quaad versterkt heeft, breeder vermeld

NL-HaNA_1.04.02_3540_0388 view scan ↗

English

mentioned in the aforementioned differing translations of this, while feigning ignorance of everything, he is the one who had the so-called head of the Castes Canjama Chittij fetched from Triwaloer by his two creatures Anna Chittij and Bimilipatnam Chidambaram Poele and brought to Naver, and also had executed through him, for and in the name of the collective inhabitants in general, all that was agreed upon with his aforesaid ringleaders who directed the gathered mob at Naver, and subsequently prescribed and ordered from time to time, as nothing was done except by his order, so as to satisfy his intended evil design if possible, and to give free rein to his far-reaching pride, not only to acquire the name of being a zealous champion of his nation, but 161 31 December 1778. also to bring about arbitrary behavior in their conduct and further actions regarding their obligation and subordination to their authority here; and who knows what would not have happened, had not the further exodus of both the Chialengeniers and various other remaining inhabitants, especially the fishermen of the southern fishing hamlet of this city, been prevented by the wise foresight and means used and put into effect by Your Honorable and Strict Worship, as we would otherwise have been thrown into the utmost embarrassment, and they would have dictated laws to us, and possibly forced us to anything. Thus it appears from all this not obscurely by what pernicious and haughty spirit this Tieroemenij Chittij was driven, and what he has up his sleeve; to him can also rightly be imputed the supplying of armed sepoys and provisions and and other assistance rendered to the emigrants by the now deposed Triwaloer and Naver Regent Chinappa Poele, for it is certainly true that without his intercession such would not have occurred, causing those warriors, together with the pariahs and other common folk present among the crowd, to commit all kinds of wanton acts, by seizing and robbing everything, nothing excepted, that was transported to the city, as well as arresting and tormenting those who happened to act contrary to the will and intention of those prominent ringleaders, or did not comply with their desires. A behavior certainly directly contrary to the required subordination and due respect to their lawful authority, which they, even if they had had any grievances to bring forward, should not have insulted in such a despicable manner, but presented their interests in 31 December 1778. in a more civil manner as befits good and peaceful subjects: All of which I could not omit, but at the same time have considered it my duty to bring to the attention of Your Honorable and Strict Worship and Honors, and alongside this respectfully demonstrate on this occasion that Tieroemenij Chittij, through this harmful behavior and treasonous conduct, has made himself entirely unworthy of remaining a Merchant of the Honorable Company any longer, or of being trusted as such, for if he has been unfaithful in one matter, he can in future be no less so in another, which could entail far more disadvantageous and critical consequences. While I meanwhile take the humble liberty very respectfully to request Your Honorable and Strict Worship and Honors that an éclatant satisfaction may be procured and given to me for the affront that was inflicted upon me in the most sensible as well as most striking manner, by falsely 162 accusing falsely accusing me of things that could not possibly be proven against me, as all the same have now upon investigation also been found completely false and groundless, with the further humble supplication that to that end a favorable regard may be cast upon my person, and constantly maintained conduct, as well as the character and the office I have the honor to hold, especially as a Member of this assembly, which are all reasons not to be exposed in public in such a manner, as the aforesaid insolent Malabars mentioned herein have dared to do, with the further declaration that on the contrary, if this far-reaching step is passed over unpunished or with indifference, one will be exposed more and more to far more enormous and injurious conduct, to such an extent that the esteem and respect owed to superiors will be entirely 31 December 1778. 1/163 what is demonstrated and requested therein, destroyed; meanwhile flattering myself with the fair equity of Your Honorable and Strict Worship and Honors, I assume the high honor of subscribing myself with the utmost respect and due esteem. /: underneath was written:/ Honorable and Strict Ruling Lord and Lords; Your Honorable and Strict Worship and Honors' very obedient and humble Servant. /: was signed:/ W.m Duijnevelt. /: in the margin:/ Nagapatnam, 31 December 1778. And whereas by the aforesaid Deduction it is not only demonstrated and proven to the highest evidence that the merchant Duijnevelt aforesaid is accused in the most unjust continuation manner in the mentioned libelous writings of having enriched himself with the revenues of their temples or pagodas, but moreover it has also been demonstrated therein that upon examining the accounts of the Pagodas /: which was done by the most prominent Malabar inhabitants and six of his greatest accusers on the special order of the Lord Governor :/ it had appeared that the Adigaar Duijnevelt, instead of having enriched himself with the revenues of their pagodas

Dutch transcription

vermeld bij voorm: deezen versellende translaaten, terwijl zig van alles ignorant hou„ dende, hij die geene is, die het zoo genaamde hoofd der Castens Canjama Chittij, door zijne twee Creatuuren Anna Chittij en Bimilipatnam Chidambaram Poele van Triwaloer heeft laaten, haalen, en op Naver brengen, mits„ gaders door hem, voor en op de naam van de gezament¬ lijke ingezeetenen in het generaal werkstellig maken, al het geen met zijne voorsz: op Nader bij de te zaamen gerotte hoop; de directie ge„ had hebbende belhamels over een gekomen is, en ver„ volgens van tijd tot tyd heeft voorgeschreeven en geordon„ neerd, alsoo 'er niets gedaan is, of het is op zyn ordre geweest, om alzoo aan zyn voorgenomen boos op zet, was het mogelijk voldoening te geeven, en zijne verre„ gaande glovie den ruijmen teugel te vieren, niet alleen ter verwerving eener naam van een eeverig voorstander zijner natie te zijn, maar ook 161 den 31. December 1778. ook een willekeurig gedrag in derzelver doen en laaten en verdere handelwijze omtrend hun verpligting en sub ordina„ tie aan hunne overigheijd alhier te weeg te brengen, en wie weet wat niet al gebeurd zoude zijn geweest, indien door de wijze voorzorge en middelen door uw wel Edele Gestrenge gebruijkt en in het werk gesteld, niet voorgekomen was, de verdere uijtwijking soo van de Chialen„ geniers als verscheijde andere agtergebleevene ingeseetenen insonderheijd de visschers van het zuijder visschers gehugt deezer stad, dewijl men an¬ ders in de uijtterste ongele„ gendheijd zoude zijn geraakt, en zij ons wetten voorgeschree„ ven, en mogelyk tot alles genoodzaakt zoude hebben. Dus blijkt uijt allen deezen niet onduyster van welk pernitieusen en hoogmoe„ digen geeft deezen Tieroe„ menij Chittij gedreeven, werd, en wat hij al in zijn schild voerd, met regt kan hem ook geimputeerd werden, het toevoegen van gewapende sipaijs en leevensmiddelen en en andere toegebragte adsis„ tentie aan de uijtgeweekene door den tans afgezette Triwaloersen en Naversen Regent Chinappa Poele, want het is zeeker waar, dat zonder zijn intercessie zulx niet geschied zoude zijn, doen„ de door die krijgers, met de zig bij de hoop bevonden hebbende parriassen en ander gemeen volk allerhande baldadig heeden pleegen, door het doen afneemen en berooven van al het geen, niets uijtgezonderd, er na de stad vervoerd wierd, mitsg. s arresteeren en travaliseeren van die geene, die zig tegens de wil en intentie van die voornaame belhamels quamen te gedraagen, of aan haar begeerte niet voldeeden. Een gedrag zeeker direct strijdende tegens de verpligte subordi„ natie en verschuldigde eer„ bied aan hunne wettige overig„ heijd, die zij, schoon al eenige beswaarenissen in te brengen gehad mogte hebben, niet op die veragtelijke wijze ge„ insulteerd moesten hebben, maar hunne belangens op den 31. December 1778. op een Civielder wijze ingebragt gelyk goede en vreedzaame onderdaanen betaamen: Al het welke ik niet heb konnen afzijn, maar teffens van mijn pligt geagt hebbe, uwel Edele Gestrenge en Edelens onder het oog te bren„ gen, en daar nevens bij deeze gelegendheijd eerbiedig te vertoonen, dat Tieroemenij Chittij door dit schadelijk gedrag en vervaderlijke handelwijze, zig ten eenemaal onwaardig heeft gemaakt om langer Coopman van D' E. Comp s te kunnen zijn, of hem als zodanig te vertrou„ wen, want is hij in het eene ontrouw geweest, hij zal in het andere in den volgtijd niet minder kunnen zijn, die veel nadeeliger en peni„ belder gevolgen na zig sleepen kunnen. Terwijl ik intus„ schen de nadrige vrijheijd neeme uwel Edel Gestrenge en Edelens zeer eerbiedig te versoeken, dat mij een eclatante satisfactie bezorgd en gegeeven werden mag over den hoon die mij zoo sensibel als aller treffendst aangedaan is, met mij val„ 162 schelyk schelijk te accuseeren, met dingen die my onmogelyk beweesen hebben konnen werden, gelijk alle dezelve als nu bij onderzoek ook ten eenemaal valsch en ongegrond bevonden zijn geworden, met wijdere nedrige supplicatie dat ten dien eijnde een gunstig reguard geslagen mag werden op min persoon, en steeds gehouden gedrag, mitsg. s het Caracter en den dienst die de eere hebbe te bekleeden, insonderheijd als Lid van deeze vergadering, dat alle teden is, om op zoo een wijze in het publicque ten toon te werden gesteld, zoo als de voorsz: in deezen gemelde assurante mallabraren het hebben durven onderstaan te doen, met wijdere betuijging dat in tegendeel deeze verre„ gaande stap straffeloos of onverschillig gepasseerd werdende, men nog meer en meer g'exponeerd werden. zal aan veel enormer en leesiver handelwijze, in zoo verre dat de agting en eerbied die men aan de meerdere verschuldigt is, ten eenemaal den den 31. December 1778. 1/163 wat daar bij gedemonstreerd en ver„ zogt woord, den bodem zal werden in„ geslaagen, intusschen mij met de billyke regtmattig„ heijd van uwel Edele Gestr: en Edelens flatteerende, ma„ tige mij de hooge eere aan met de uitterste eerbied, en verschuldigde agting te onderschrijven. /: onderstond) wel Edele Gestrenge Gebie„ dende Heer en Heeren; uwel Edele Gestrenge en Edelens zeer gehoorzaamen en nedrigen Dienaar. /:was geteekend:/ W=m Duijnevelt. /:in margine:/ Nagapat„ nam den 31. December 1778. En dewijl bij de voorschree„ ve Deductie niet alleen ten evidensten aangetoond en beweezen word, dat den Koopman Duijnevelt voornoemt, bij de opgemel„ de laster schriften op de aller onregtvaardigste wijze vervolg wijze beschuldigt is, van zig met de inkomsten hun„ ner lempels of pagooden verreijkt te hebben, maar boven dien, daar bij nog is gedemonstreerd geworden dat bij het nazien van de reekeningen der Pagooden /: het geen door de voor„ naamste Mallabaarsche ingezeetenen, en zes van zijne grootste beschuldigen is geschied op speciaalen last van den Heer Gouver„ neur:/ was gebleeken, dat den Adigaar Duijnevelt in plaatsche van zig met de Inkomsten hunner pa„ gooden

NL-HaNA_1.04.02_3540_0395 view scan ↗

English

19. 164 deliberation concerning this, December 31, 1778. having enriched the gods, still claimed at the final balancing of accounts of her temples pa/o 73. 3/4. and pard:s 44. 3. 5/20. for money advanced: thus, concerning this, and concerning the request of the Adigaar Duijnevelt to obtain a resounding satisfaction for the restoration of his violated honor and dignity, principally from the Company's Merchant Tieroemenij Chittij, as being the chief instigator of the recent disturbance, being maturely deliberated; to send, - it was, among other things, noted that complaints had already been made to Their Right Noble Excellencies about the Company's Merchant Tieroemenij Chittij and his faction, and satisfaction had been requested for the injury they in general have done to this Council, and that it was consequently resolved to send that deduction to Batavia, better to present this complaint likewise in the most respectful manner to Their Right Noble Excellencies, rather than to take a final resolution upon it in this Council, and in accordance therewith Z1. 165 it was also approved and agreed to also request the Governor to offer the aforesaid Deduction of the Adigaar Duijnevelt, with the appendices belonging thereto, together with His Honor's secret dispatch that is to depart first, to Their Right Noble Excellencies, with a humble request to them, and to request satisfaction thereon, in the name of the entire Council, to procure for the Merchant Duynevelt aforesaid the most resounding satisfaction from the Company's Merchant Tieroemenij December 31, 1778. Chittij submission of a petition from the farmer Soendra Dhaker, Chittij and his vile faction. Subsequently, the Governor produced in the meeting a Petition from the native and inhabitant of this city, Soendroe Dhakar, as Farmer of the mouth of the river, of the revenues of the gates, of the ferry across the river, of the paddy-measuring, and of the exchange of duijten and cash, furthermore giving to understand that, although the matters contained therein did not belong to the secret business, his 23: 166 reading and insertion of the same, His Honor had nevertheless deemed it necessary to take a separate resolution on the aforesaid Petition. And this Petition having thereupon been read in the Political Council, the same was found to be of the following content: To the Honorable and Valiant Sir, Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coromandel Coast with the jurisdiction thereof, alongside the Council. Honorable and Valiant Sir and Sirs! The native and inhabitant of Nagapatnam, Soendra Dhaker, with the utmost respect takes the liberty, December 31, 1778, to represent to your Honorable and Valiant Sirs: That he, having farmed the revenues of the mouth of the river, the revenues of the gates of this city, and of the ferry across the river, the duty on the paddy-measuring, and the exchange of duijten and cash, for the year 1777/8 for a sum of pa/o 8551. 7/16., he, to his particular sorrow and detriment, received from it no more than pagodas 4637. /16., as can be seen in further detail from the annexed short extract from the tax-farming book, the authenticity of which the petitioner will if necessary confirm under oath; as well as that he has consequently suffered a shortfall on the aforesaid tax farms of a considerable amount of pag: 3913. 7/8. That the cause of this considerable shortfall cannot by the humble petitioner be rightly attributed to anything else than the unexpected and unprecedented departure of almost all the inhabitants of this city, H. 167 city, who, as is known to everyone, departed in the beginning of April and did not return until well into July: as a result of which almost all trade stood still here during the period of four months, to the marked distress of the petitioner. That, besides and beyond the damage they have hereby inflicted upon the humble petitioner, their wanton conduct during the aforesaid departure caused him no less injury, as the said rebellious inhabitants dared to give free rein to their audacity to such an extent as to occupy all roads to this city, both with the pariahs and other common folk who were with them, and with the sepoys that the then Regent of Triwaloer and Naver, Chinappa Poele, had lent them for that purpose: whereby everything brought to this city, however small, was robbed, and the bringers were beaten or subjected to other indignities, and the inhabitants who still remained in the city, December 31, 1778, inhabitants were finally also enticed to abandon it by their constant threats, so that through this, already in late April, not only trade, but even daily consumption came to a total standstill, and in such a manner that not a single shop was to be found in the city where one could buy anything, however small. This being a truth that is known to the whole world, the humble petitioner trusts that your Honorable and Valiant Sirs will gladly grant him that his loss must have been considerable: but in order to place this beyond all doubt, he most humbly requests them to take into favorable consideration: Firstly: That the aforesaid general departure, and the dead trade resulting therefrom, occurred in the best time of the year; since it lasted from April until almost the end of July; a time in which a Farmer ordinarily

Dutch transcription

19. 164 deliberatie dierwegens, den 31. December 1778. gooden verreijkt te hebben, nog bij slot van reekening van haare Tempels te pre„ tendeeren hadt pa/o 73. ¾. en pard:s 44. 3. 5/20. wegens voor uijt geschootene penningen: zoo is, hier over, en over het verzoek van den Adi„ gaan Duijnevelt om eene eclatante satisfactie te mogen erlangen, ten her„ stelling van zijne geschon„ de eer en waardigheijd, prin¬ cipaal van Compagnies Koopman Tieroemenij Chittij, als den hoofd be„ legger zijnde van het Jongste opvoer, rijpelijk gedelibe¬ reerd te zenden, - reerd zijnde, onder anderen aangemerkt, dat men be„ reeds over Compagnies koop„ man Tieroemenij Chittij en zijnen aanhang bij Hun„ ne Hoog Edelheedens ge„ klaagd, en om satisfactie verzogt hadt, over de lasie die zij in het generaal deeze vergadering hebben aan¬ bistuit die deductie na datavias gedaan, en het dienvolgen„ de beter was deeze klagte almeede op het allereerbie„ digste aan Hunne Hoog Edelheedens voor te dragen, dan daar op in deezen Raade een finaal besluijt te neemen, en is dien con„ form Z1. 165 form dan ook goedgevonden en verstaan, den Heer Gouverneur almeede te verzoeken, om de voorsz: Deductie van den Adigaar Duijnevelt met de bijlagen daar bij behoorende, nevens het eerst aftegaan secreet schrijven van zijn Edele Hunne Hoog Edelheeden aan te bieden, met nedrig en daarop Catisfactie te verzeken, verzoek aan Hoog dezelven 1„ uijt naam van den ganschen Raad, om aan den Koopman 1. Duynevelt voornoemd de eclattantste satisfactie te bezorgen van Comp. s koopman Tieroemenij den 31. December 1778 Chittij diening van een request van den papgter soendra Dhaker, Chittij en zijnen snooden aanhang. Is vervolgens door den Heer Gouverneur ter verga„ deringe geproduceerd een Request van den Inlander en Inwoonder deezer steede Soendroe Dhakar als Pagter van de mond der re„ vier, van de Inkomsten der poorten, van het veer over de revier, van de Nelij„ meeterij, en van het verwis„ 1. selen der Duijten en kasjes, onder te kennen geeving wijders dat schoon de zaa„ ken daar bij vervat, niet tot het secreete werk behoorde zijn 23: 166 leezing en insertie van 't zelve, zijn Edele egter noodig geoor¬ deeld hadt op het voorschreeven Request een apart besluijt te neemen. En hier op dat Request in Raade van Politie geleezen zijnde, wierd het zelve bevon„ den van den volgenden in„ houd te weezen. Aan den wel Edelen Gestrengen Heer, Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel met den Resorte van dien nevens den Raad. Wel Edele Gestrenge Heer en Heeren! Den inlander en inwoonder van Nagapatnam Soen„ dra Dhaker, neemt met de uijtterste eerbied de vrijheijd den 31. December 1778 aan aan uwe wel Edele Gestren„ ge en Heeren te vertoonen. Dat hij de inkomsten van de mond der revier, de inkom„ sten van de poorten deezer stad, en van het veer over de revier, de geregtigheijd der nelij meeterij, en het verwisse„ len van duijten en kasjes, voor den Jaare 1777/8. in pagt geno„ men hebbende voor eene som„ ma van pa/o 8551. 7/16. , hij daar van tot zijn bijzonder leetwee„ zen en schade niet meer in„ gekreegen heeft als pagooden 4637. /16. gelijk bij het geannex„ eerde korte uijttrekzel uijt het pagtboek, welkers egtheijd den suppliant des noods met eede zal bekragtigen nader te zien is; mitsgaders dat hij over zulks op de voorschreeve pagten te kort gekomen is een aanmerkelijk bedraagen van pag: 3913. 7/8. Dat de oorzaak van deeze Considerable te kort koming door den nedrigen suppliant nergens anders aan met regt kan worden toegeschreeven, als aan de onverwagte en ongehoorde uijtwijking van bij na alle de inwooners deezer stad H. 167 stad, die zoo als aan een ieder bekend is, in het begin van April uijtgeweeken en niet voor diep in Julij te rug gekeerd zijn: waar door genoegzaam allen handel geduurende den tijd van vier maanden alhier heeft stil gestaan, tot merkelyk beswaar van den suppliant. Dat buijten en behalven de schade die zij hier door den nedrigen suppliant hebben toegebragt, haar baldaadig gedrag, geduurende de voorsz. uijtwijking, hem geen minder nadeel veroorzaakt heeft, als hebbende de gemelde oproe„ rige inwooners, aan haare vermetelheijd zoo ver den ruij„ men teugel durven vier en van alle passasien naar deeze stad te besetten, zoo door de bij hun zijnde parreassen en an„ der gemeen volk, als door de sipaaijs die den toenmaligen Regent van Triwaloer en Naver Chinappa Poele, hun daar toe geleend hadt: waar door al het geen naar deeze stad gebragt wierd, hoe geving ook geroofd, en de aanbrengers geslaagen, of andere smaad„ heeden aangedaan geworden, en de nog in de stad gebleeven den 31. December 1778. inwooner inwooners door hunne geduu„ rige dreijgementen eijndelijk almeede tot het verlaaten van dezelve gedebaucheerd geworden zijn, dus hier door reeds in het laast van April niet alleen den handel, maar zelfs de dagelyksche consump„ tie stok stil gestaan heeft en wel zodanig, dat 'er niet een enkelde bouticq in de stad te vinden was, waar in men iets hoe geving ook kon te koop krijgen. Dit eene waarheijd zinde die aan de gansche wereld bekend is, vertrouwt den nedrigen suppliant, dat uwe wel Edele Gestrenge en Heeren hem gaarne zullen toestaan, dat zijn verlies aanmerkelijk moet geweest zijn: dog om dit egter buijten allen twijffel te stellen verzoekt hij Hoog dezelven allernedrigst om in een gunstige consideratie te neemen Eerstelijk: Dat de voorschree„ ves generaale uijtwijking, en daar uijt gevolgde neering„ loosheijd, in de beste tyd van het Jaar is voorgevallen; alzo dezelve van April en tot bij na ult. o Julij geduurd heeft; een tijd waar in een Pagter ordinair

NL-HaNA_1.04.02_3540_0403 view scan ↗

English

31. December 1778. ordinarily expected to collect 2/3 parts of his lease, because during the same the greatest supply of paddy takes place and most vessels return from the North and South. Secondly: That when entering into his lease, having principally counted on this time, as everyone is obliged to do, since the remaining months are not so good for trade, on account of the bad monsoon and the little shipping that occurs in the spring, he has had to experience to his sensible grief how greatly he miscalculated, because due to the departure of the inhabitants and the blocking of the roads practically no paddy was imported, and the owners of the vessels who had come here to trade were again obliged, through a lack of buyers, to depart from here without breaking their cargo, to the noticeable detriment of the petitioner, as can be seen in further detail by comparing the revenues of 1776/7 against 1777/8, placed opposite each other in the annexed short extract for the examination of your Right Honorable Sirs. And thirdly: That besides the aforementioned detriment, the petitioner, through the repeatedly mentioned departure, also had to forfeit the tolls and revenues that would otherwise have fallen to him from the aforementioned vessels, which, on account of the unstable form of government in Naver, which this year underwent various changes in rapid succession, had mostly all turned to this place; yet since they, because of the already mentioned departure and the malicious conduct of some ill-intentioned persons, were again obliged to depart from here without disposing of or selling anything, also to the particular detriment of the petitioner, since he had already counted on recovering for the most part from those tolls the damage silently suffered by him in the year 1776/7 on the aforementioned leases, because he had to attribute that loss to the times and his misfortune. And whereas the humble petitioner trusts that from the aforementioned it will have sufficiently appeared to your Right Honorable Sirs that not he, but the rebellious inhabitants alone are the cause of his heavy loss, he therefore takes the liberty in this extreme necessity to turn with the greatest veneration to the widely known equity of your Right Honorable Sirs, with a humble prayer to your Honors to accept from the respectful petitioner (by whom 4275. 9/32 pagodas have already been paid to the Receiver of Domains in deduction of his lease moneys) in satisfaction of his lease fee for the year 1777/8 the 361. 27/32 pagodas still held by him, or the entire remainder of all that was received by him on the aforementioned leases, and further, for the weighty reasons cited above, which all accord with the pure truth, favorably to remit and forgive him the sum of 3913. 7/8 pagodas still lacking for the complete satisfaction of his promised lease moneys, in order thereby to save him and his unfortunate family from their total ruin, or otherwise to take such other resolution upon this petition of his as Your High Honors, according to their customary righteous manner of thinking, shall judge to be proper. Below stood: Doing which, etc. And whereas from the contents of the aforementioned Petition, as well as from the short extract of the lease book, it fully appears: Firstly: That the aforementioned Farmer, on the prescribed leases in the recently expired book-year 1777/8, fell short by a considerable sum of 3913. 7/8 pagodas; And secondly: That this loss was not caused by his doing, but solely by the general departure of the inhabitants of this city and villages, whereby all trades and crafts, and thus also the revenues of the Farmer, stood completely still for nearly four months. It was therefore, taking into consideration the reasons just adduced by the petitioner, which one holds assured to accord completely with the truth, and the request made by him thereupon for a remission of 3913. 7/8 pagodas, which he, after payment of 361. 27/32 pagodas, being the remaining collected lease moneys that still remain with him, falls short on the aforementioned five leases, provisionally approved and agreed to accept into the Treasury from the Farmer, according to his offer, the aforementioned 361. 27/32 pagodas, or the remainder of the lease moneys that he still has with him, and for the remaining deficient moneys to an amount of 3913. 7/8 pagodas to have an account given to him in the trade books here, to remain running there until further orders. And furthermore, in consideration of the fact that anyone who causes damage is also obliged and bound to compensate that damage, it was, upon the proposal of the Governor, both for the indemnification of the poor petitioner just mentioned and of the Company, approved and agreed, upon transmitting the aforementioned Petition to Their High Mightinesses, to make the following proposals, namely: 1. To favorably remit the Farmer Soendra Dhakar, on account of his known innocence,

Dutch transcription

27. 168 den 31. December 1778. ordinair reekende 2 /3. gedeeltens van zijn pagt te zullen inkrijgen, 1 uijt hoofden er geduurende den„ zelven de grootsten aanvoer van de nelij geschied en de meeste vaartuijgen van de Noord en zuijd te rug komen. Ten tweeden: Dat hij bij het aangaan van zynen pagt, prin¬ cipaal op deezen tijd, gereekend hebbende, gelyk een ieder ver„ pligt is te doen, alzo de overige maanden niet zoo goed voor den handel zijn, uijt hoofde van de quaade mousson, en de weijnige vaart die er in het voorjaar geschied, hij tot zijne sensibele smerte heeft moeten ondervinden, hoe zeer hij zig misreekend heeft, alzoo Ter door het uijtwijken van de inwooners en het bezetten der wegen genoegzaam geen nelij ingevoerd is, en de eyge waars van de vaartuijgen, die alhier om te handelen gekomen waren, door gebrek aan koo„ pers weder verpligt geweest zijn, van hier te vertrekken zonder hunne lading te breeken, tot merkelyk nadeel van den suppliant, zoo als zulks nader te zien is, bij vergelijking van de de inkomsten van 177 2/7. tegens 1777/8.; bij het geannexeerde korte uittrekzel tot speculatie van uwel Edele Gestrenge en Hleeren tegen elkanderen overgesteld. En ten derden: Dat behal„ ven het voorschreeve nadeel den suppliant door de meergemelde uijtwijking nog heeft moeten missen, de shollen en inkomsten die hem anders zouden te beurt gevallen zijn, van de voorsz: vaartuijgen, die uijt hoofden van de onbestendige regeerings„ form op Naver, welke van dit Jaar kort na den anderen, di„ verse veranderingen onder„ gaan heeft, het meest alle naar deeze plaats gewend had„ den, nadien dezelve mits de bereeds gementioneerde uijt„ wijking, en het kwaadaardig gedrag van eenige kwalyk geintentioneerde persoonen, weder verpligt geweest zijn van hier te vertrekken zonder iets van de hand te zetten of te verkoopen: almeede tot byzonder nadeel van den suppliant, alzoo hij bereeds reekening gemaakt hadt, van uijt die ttollen voor het grootste gedeelte 1 fo 169 gedeelte te zullen recourreeren de schade door hem in A. o 1776/7. op de voorsz. pagten stil swijgend geleeden, uijt hoofde hij dat verlies aan den tid en zijn ongeluk te wijten hadt. En dewijl den nedrigen suppliant vertrouwt, dat uijt het voorenverhaalde aan uwe wel Edele Gestrenge en Heeren voldoende zal gebleeken weezen, dat niet hij, maar de opvoerige in„ wooners alleen oorzaak van zijn zwaar verlies zijn, zoo neemt hij in deezen uijt„ tersten nood de vrijheijd, van zig met de meeste veneratie te wenden tot de alom beken„ de equiteijt van uwe wel Edele Gestrenge en Heeren, met nedrige beede aan uwer wel Edelens, om van den eer„ biedigen suppliant /:door wien bereeds aan den ont„ vanger der Domeynen in mindering zijner pagtpen„ ningen afgelegd zijn pagoo„ den 4275. P/32. :/ in voldoening van zijne pagtschat voor den Jaare 1777/8. te accepteeren de nog onder hem zijnde pagoo„ den 31. December 1778. den ƒ den 361. 27/32. , of het geheel restant van al het geen door hem op de voorsz: pagten ontvangen is, en hem voorts om de hier boven aangehaalde gewigtige reedenen, die alle met de zuijvere waarheijd overeenstemmen, goedgunstig„ lijk te remitteeren en kwijt te schelden, de nog aan de Compleete voldoening van zijne uijtgeloofde pagtpen„ ningen manqueerende som„ ma van pa/o 3913. 7/8:, ten eijnde hem en zijne ongelukkige familie, daar door voor haaren totaalen ondergang te bewaaren of anders op deeze sijne supplicatie zodanig een ander besluijt te neemen als Hloog dezelven volgens haare gewoone regtmatige wyze van denken oordeelen zullen te behooren. /: onder„ stond:/ 'T welk Doende etc. En nadien uijt den in houd van het voorsz. Request, mitsgaders uijt het korte uyttrekzel van bliv 37 170 den 31. December 1778. blijking dat denzelven in 7 7/18. te„ koort is gekomen pra/o 3913. 7/8. der inwoonen, van het pagtboek volkomen consteerd Eerstelijk: dat den op„ gemelden Pagter op de voor¬ schreeve pagten, in het Jongst g'expireerde boekjaar 177 75/8. is te kort gekomen eene aanzienlijke somma van pa/o 3913. 7/8. ; En ten tweeden: Dat dit verlies niet door zijn toe„ doen, maar alleen ver„ oorzaakt geworden is veroorzaakt door de uijtwrijking door de generaale uijtwijking van de Jngezeetenen deezer stad en Dorpen, waar door alle neeringen en hand„ teeringen, en dus ook de verzoek om mmies, de inkomsten van den Pag„ ter bij na vier maanden stok stil gestaan hebben. zoo is, in aanmerking gekomen zijnde, de zo even bij gebragte reedenen van den suppliant, die men zig verzeekerd houd dat volkomen met de waarheijd over een stemmen, en het daar op door hem gedaan verzoek om remies, van pa/o 3913. 7/8. , die hij na be„ taaling van pa/o 3611/32., zijnde het restant ingekome„ pagtpenningen dat nog onder hem berust, op de voorsz: vijf pagten te kort 36 33. 171 accepteeren, baeken een reesk te geeven, propositie ter schadeloosstel„ ting van dsien pagten, kort komt, voor af goed„ beslut n 36: /: en hen te gevonden en verstaan van den Pagter, volgens deszelfs aanbieding in Cassa te accepteeren de voorsz. pag: 361. 27/32. , of het res„ tant pagtpenningen die hij nog onder zig heeft, en hem voor de overige te en voor po 391: 1/1: bij de negotie kort gekome penningen tot een bedraagen van pa/o 3913. 7/8. , bij de negotie boeken alhier een reeke„ ning te laaten geeven, om daar bij te blijven voort loopen tot nadere ordre. 1„ En is voorts, uijt aan„ : merking, dat iemand den 31. December 1778. die te zenden, en teffens 5: propositien te doen, die schaade doet, ook weder„ om verpligt en gehouden is die schade te vergoeden, op de propositie van den Heer Gouverneur, zoo tot schadeloosstelling van den armen suppliant zoo evengemeld, als de Maat„ besluit zijn roquest na Batavia schappij, goed gevonden en verstaan, bij de overzending van het voorsz. Request aan Hunne Hoog Edel„ heedens de volgende pro„ positien te doen; als: 1. / om den Pagter Soen„ dra Dhakar uijt hoofde zijner bekende onschuld goedgunstiglijk te remittee„ ren

NL-HaNA_1.04.02_3540_0411 view scan ↗

English

25. 172 the 31. December 1778. continuation, the heavy loss suffered by him on his leases of 1777/8. 2.) To impose half of that loss, or p a/o 1956. 15/16., as compensation upon the six Company Merchants here, by name: Tieroemenij Chittij, Ramalinga Poele, Patavi Rama Naijker, Moetoe Waijtilinga Moddeliaar, Goddawartij Goeroewoe Chittij, and Goddawartij Goeroemoerti Chittij, as well as Namboer wengata kistna Chittij, Condapillij Assuita, further continuation Assuita, and Condapillij wengatarama kistna Chittij, on the grounds that they were not only informed of the planned departure of the inhabitants, but moreover assisted them with money during their departure. 3./ To have the other half of the aforementioned loss compensated by the Company's Shroff Ponambalam Chittij and the principal ringleaders of the riot; namely the natives Chatteappa 173 the 31. December 1778. still further continuation Chatteappa Chittij, Anna Chittij, Commarappa Chittij, Bimilipatnam Chidembara Poele, Wella Poele, Moergappa Poele, Swaminada Poele, and Wengadassalam Moddelij, and this in equal portions. 4./ On the other hand, to favorably excuse from paying their share of the first-mentioned half the merchants Ramalinga Poele and Patavi Rama Naijker, on the grounds that these two are the only ones who still further continuation, declared candidly to the Lord Governor, as well as gave written proof thereof themselves, that at the time of the riot not only was much money collected in the city and sent to the mutineers through Tieroemenij Chittij, but also that he had approached them to supply funds as well. And 5th. To impose the share of those two merchants upon Tieroemenij Chittij as compensation, 39. 174 as having been the greatest firebrand of the recent riot: his share of the total compensation shall thereby amount to pagodas 978. 7/32., and the share of each of the other three merchants pa/o 326. 2/32., making together pa/o 1956. 17/16. Thus done and decreed in the Castle at Nagapatnam on the date aforesaid. was signed: R.r van Vlissingen, P. I. Dormieux, I. C. G: Hazelman, S.s Mossel, W: Duijnevelt, I: D. Simons, and M.s Stoffenberg. the 31. December 1778 Submission of a translated letter from the minister of Tanjore. Saturday the 13th March 1779. at eight o'clock in the morning, Meeting of the Council of Policy, All present. After the meeting was opened with the ordinary prayer, a translated Marathi letter was laid upon the table of this Council by the Lord Governor, written on the 28th February last by the minister of the Tanjore Court 41. 175 Insertion of the same, the 13: March 1779. to His Honour, being of the following content: Translation of a Marathi letter written by Batjena to Samia Poele, dated Tanjore the 28th February 1779. After the customary compliments. With the arrival of the emissary Annaatje Pandidaar, I have received your letter, and understood its content. The prince having understood from the said emissary that you have conducted yourself sincerely in the affairs of the Kingdom, His Highness has taken pleasure therein. At present the prince is very short of money, therefore, if you can arrange with the Right Honorable Lord Governor to obtain a loan of a request to lend money to his prince, lakh of pardaus, the prince will then show you greater favor. For that money, I will procure a bond confirmed with the prince's seal, in the name of whichever merchant it may be. The principal along with the interest will be paid within the term of 4. months. I have written to the Honorable Lord Governor regarding this, therefore I also request you to explain everything to His Honour, and to obtain that amount. I write this letter in the hope that you will do your best. You may hear further news from the mouth of the emissary. What more shall I write. underneath stood: For the translation according to the interpretation of the Brahmin wengeta Soebaraije Aijen- Nagapatnam the 11th March Ao 1779. was signed: A:m Dormieux, Government Translator. Whereupon, or rather upon 43. 176 the request of the minister to lend to His Highness a lakh of pardaus or, as the emissary orally stated to the Lord Governor, 100,000 pagodas at interest, having been deliberated with all attention, it was previously remarked: Remark regarding this, Firstly: That this Council was unauthorized to proceed to such a money loan on its own authority; And Secondly: That it would furthermore not be advisable to advance the 13. March 1779. continuation, such an excessive sum of money to the prince of Tanjore at present, even if it were on the security of jewels or estates, and much less on bonds confirmed with the prince's seal, on the grounds that one is not assured how long His Highness, who is at present a tributary of the English Company, will be left in the dominion of his lands, and this all the more since experience has taught this Council what trouble it would take, in the event of an unexpected revolution in that kingdom, to recover one's money

Dutch transcription

25. 172 den 31. December 1778. vervolg, ren, het door hem geleeden Zwaar verlies op zijne pag„ ten van 1777/8. 2. ) Om de helft van dat verlies of p a/o 1956. 15/16. ter vergoeding op te leggen aan de Zes Compagnies Koop¬ lieden alhier in naamen. Tieroemenij Chittij, Ramalinga Poele, Ank in Patavi Rama Naijker, Moetoe Waijtilinga Modde„ liaar, Goddawartij Goeroewoe Chittij, en Goddawartij Goeroemoer„ ti Chittij, mitsgaders Namboer wengata kist„ na Chittij, Condapillij Assuita - nader vervolg Assuita, en Condapillij wengatarama kistna Chittij, uijt hoofden zij niet alleen zijn geinfor„ meerd geweest van de voor„ genome uijtwijking der in„ wooners, maar hun daar en boven nog, geduurende „ hunne uijtwijking met geld hebben geadsisteerd. 3. / om de wederhelft van het voorschreeve verlies te doen vergoeden door 'sComp. s Saraff Ponamba„ lam Chittij en de voor„ naamste belhamels van het opvoer; namentlijk de Inlanders Chatteappa 173 den 31. December 1778. nog nader vervolg Chatteappa Chittij, Anna Chittij„ Commarappa Chittij, Bimilipatnam Chidembara Poele, Wella Poele, Moergappa Poele, Swaminada Poele, en Wengadassalam Moddelij, en zulks in eguale portien. 4. / Om daar en tegen weder van de betaaling hunnes aan„ deels in de eerstgemelde helfte goedgunstiglijk te excuseeren de Kooplieden Ramalinga Poele en Patavi Rama Naijker, uijt hoofden deeze twee de eenigste zijn, die aan nog nader vervolg, aan den Heer Gouverneur vond borstig verklaard, mitsg:s daar van zelfs een schrifte lijk bewijs gegeeven hebben, dat ten tijde van het op„ voer door wege van Tieroe„ menij Chittij niet alleen in de stad veel geld bij een verzameld en den muijte„ lingen toegezonden geworden is, maar ook dat hij hun almeede tot het fieeren van penningen hadt aan¬ gesprooken. En ten 5. Om het aan„ deel van die beijde kooplie„ den Tieroemenij Chittij ter vergoeding op te leggen, als 39. 174 als den grootsten stake brand van het Jongste opvoer geweest zijnde: zullende daar door zijn aandeel in de gansche vergoeding bedraagen pa„ gooden 978. 7/32. , en het aan„ deel van ieder der andere drie kooplieden pa/o 326. 2/32., „ uitmaakende te zaamen p a/o 1956. 17/16. Aldus gedaan en gearres„ teerd in't Casteel tot Na„ gapatnam dato voorsz. /:was geteekend:/ R.:r van Vlissingen, P. I. Dormieux I. C. G: Hazelman. . . . . . . . . . . . „ S. s Mossel, W: Duijnevelt, I: D. Simons, den 31. December 1778 . . . . . . .„ diening van en translaat brief van den Albeschik van JansJoer. Saturdag den 13. ' Maart 1779. 's morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie, Allen present. Na dat de vergadering geopend was met het ordi„ naire gebed, wierd door den Heer Gouverneur ter tafel van deezen Raade overgelegd, een Translaat Maratthijsche missive, door den Albeschik van het Tansjoursche Hof, op den 28' Februarij laastleeden fenberg. — ,en M. s Stoff„ aan aan 41. 175 Insertie van het zelve, den 13: Maart 1779. aan zijn Edele geschreeven, zijnde van den volgende in„ houd: Translaat eener Ma„ ratthijse brieff geschreeven door Batjena aan Samia Poele, gedateerd Tansjoer den 28. ' Fe„ bruarij 1779. Naar gewoone complimenten. Met de aankomst van den sendeling Annaatje Pandidaar, heb ik uw brief ontvangen, en dies inhoud verstaan. Den vorst van gemelde sen„ deling verstaan hebbende, dat uw zig opregt in de zaaken van het Rijk gedraagen heeft, heeft zijn Hoogheijd daar in genoegen geschept. Tans is den vorst zeer verlee„ gen om geld, daarom, wanneer uw bij den wel Edele Gestrenge Heer Gouverneur bewerken kan ter bekoming van een Lak verzoek om aan zijn vorst geld te leenen, Lak pardauws ter leen, zal den vorst als dan uw meer genegendheijd toedraagen. voor dat geld, zal ik een obligatie met 's vorsten zegel bekragtigd, bezorgen, op de naam van welke koopman het ook zij. Het Capitaal nevens den intrest zal binnen den tijd van 4. maanden betaal worden. Ik heb dierwegens aan de Edele Heer Gouverneur geschr ven, dierhalven verzoek ik uw ook alles aan zijn Edele te verstaan te geeven, en dat bedraagen te doen erlangen. Ik schrijf deeze brief, in hoop dat uw zijn best zal doen. Het verder nieuws kan uw uijt monde van den zendeling hooren. wat zal ik meer schriven. /:onderstond:/ voor de overzetting volgens vertaaling van den Bramine wengeta Soebaraije Aijen- Nagapatnam den 11. ' Maart Ao 1779. /: was geteekend:/ A:m Dormieux G. Translateur. Waar over, of eygentlyk over 43. 176 over het verzoek van den Albeschik, om aan zijn Hoog„ heijd, een lak pardauws dan wel, gelijk den zendeling aan den Heer Gouverneur mondeling gezegd heeft 100'000. pagooden op intrest te lee„ nen, met alle aandagt ge„ delibereerd zijnde, zoo is, voor af geremarqueerd. Ten remarque dierwegens,/ eersten: Dat deezen Raade ongequalificeerd was, om op eijge gezag tot diergelijke geldleening over te gaan; En Ten Tweeden: Dat het boven dien ook niet raadsaam zoude weezen, om tans aan den vorst van Tansjoer den 13. Maart 1779. zulk vervolg, zulk een excessive somme geld op te schieten, al was het ook op pand van Juweelen of Landerijen, en veel min nog op obligatien met 's vor„ sten zegel bekragtigd, uijt hoofden men niet verzeekerd is, hoe lang zijn Hoogheijd, /:die thans een tributair is van de Engelsche Compagnie: in de heerschappij zijner Landen zal worden gelaaten en zulks nog te meer wijl de ondervinding deezen Raade heeft geleerd, wat moeijte het zoude kosten, om bij een onverhoopte omwenteling in dat rijk, weder aan zijn geld -

NL-HaNA_1.04.02_3540_0421 view scan ↗

English

177 the 13th of March 1779. to decline, for what reasons, to obtain money; and consequently, in view of the difficulties just raised, it was approved and understood to request the Governor hereby to decline the aforesaid request of the Regent of Tanjore in the most polite manner in the world, and this principally by citing the following reasons: First: That the small supply of cash in the Company's treasury cannot permit such a considerable money loan, because continuation, one will even need that entire supply for making advances to the merchants, both of this place and the other factories, and for paying the daily expenses. Secondly: That the strict orders which this Council has received not to make any disbursement of funds on bond or mortgage without special authorization from the High Government would moreover hold them back from it, since this Council is strictly obligated 427. 178 further continuation, to obey those orders. And thirdly: That in the present state of affairs no private residents are to be found here who possess any noteworthy sums from which they could make a loan on bond to His Highness, the more so because they continually employ their small capital for the continuation of their private trade: with the expression of the Government's hope that the aforesaid reasons may satisfy His Highness. the 13th of March 1779 to report that the mahaldaars and cornacs have departed for Jaffna, satisfy. And it is further understood to request the Governor to inform the Regent in the friendliest manner that, at the request of the Prince, His Highness's mahaldaars and cornacs have already been allowed to depart for Jaffanapatnam, with instructions to the Commander and Council there to afford them the opportunity to select the seven recognition elephants which the Company still owes to His Highness. 409. 179 Thus done and resolved in the Castle of Nagapatnam on the date aforesaid. was signed: R. van Vlissingen, P. I. Dormieux, P. E. G. Hazelman, M. s Koning, S. s Mossel, W. Duynevelt, I. D. Simons, I. Appengh, and M. s Stoffenberg. Thursday the 13th of March 1779. submission of 2 translated letters from the Vizianagaram Princes, At eight o'clock in the morning, Meeting of the Council of Policy. Absent: The Merchant and Trade Bookkeeper Peracules Mossel, on account of indisposition. Thursday the 25th of March 1779. The Governor has presented to the meeting two translated Gentoo letters written to His Honour by the Vizianagaram Princes Sjitta Ramarasoe and Visia Ramarasoe, being of the following content: Translation 4 180 the 25th of March 1779. Insertion of the same, Translation of a Gentoo letter written to the Right Honourable Reinier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel and its Dependencies, by the Vizianagaram Prince Sjita Rama rasoe, dated the 27th of January Anno 1779. Which, after the customary compliments: From the beginning, it was my heart's desire to let the friendship between me and the Dutch Company increase from day to day, but having been hindered in this by various people, affairs have fallen behind as a result. Your Right Honourable is appointed there as the head over all the Company's affairs, which are properly attended to by Your Honour. I therefore wish to address myself through Your Right Honourable to the Dutch Company concerning some matters, in order to make our mutual friendship grow again in that way. I now send thither Paroe Poedie Narasima Ramoedoe, who knows our customs as well as those of the Dutch Company. And as I have told him to convey some matters to Your Right Honourable by word of mouth, I request Your Right Honourable not only to take the same to heart and to furnish me with a favourable answer regarding the matters that can be done, so that friendship may flourish, but also to let the said person depart hither as soon as possible. I have been to Madras, and after all the affairs there were settled, I returned to my place of residence. If a good answer is sent by Your Right Honourable with Narasima Ramoedoe as soon as possible, I shall then speak with the Bimilipatnam Chiefs 53. 181 the 25th of March 1779. Chiefs about it, and subsequently send a letter to Your Right Honourable, as well as handle affairs here as is proper. I request Your Right Honourable once again not to detain the frequently mentioned Narasima Ramoedoe there for long, but to let him depart hither as soon as possible. What more shall I write than that I wish always to learn of Your Right Honourable's good health. below was written: Sri, that is the signature of Sita Rama Rasoe. For the translation according to the interpretation of the Brahmin Wengeta Soebaraiyer Ayen. Nagapatnam, the 10th of March Anno 1779. was signed: A:m Dormieux, Sworn Translator. Translation of a Gentoo letter written to the Right Honourable Reinier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel and its Dependencies, by the Vizianagaram Prince Visia

Dutch transcription

# 177 den 13. Maart 1779. te wijken, om wat reedenen, geld te geraaken; en dien vol„ gende uijt hoofde van de zoo even geopperde zwarigheeden besluit dat verzoek van de hand goedgevonden en verstaan den Heer Gouverneur bij dee„ zen te verzoeken, om het voorschreeve verzoek van den Albeschik van Tansjoer op de beleefste maniere des waerelds van de hand te wijzen, en zulks principaa„ lijk onder aanhaaling van de volgende reedenen; Eerstelijk: Dat den gerin„ gen voorraad van Contanten in Comp:s geld Cassa, zulk een aanzienlijke geld leening niet kan toelaaten, uijt hoofde e vervolg, hoofde men zelfs dien ganschen voorraad zal nodig hebben, tot het doen van vooruijtver„ strekkingen aan de Kooplie„ den, zoo van deeze plaats als de overige Factorijen en het betaalen der dagelijksche guastos. Ten Tweeden: Dat de Strikt beveelen die deezen Raade erlangt heeft, om geen ver„ strekking van gelden op obli¬ gatie of hijpoteek te doen, zonder speciaale qualificatie van de Hooge Regeering aldaar„ haar boven dien daar van zou te rugge houden, nadien deezen Raade volstrekt ver„ pligt 427. 178 nader vervolg, pligt is, die ordres te gehoor„ saamen. En ten Derden: Dat in de presente tijds gesteldheijd geen particuliere ingezee„ tenen alhier te vinden zijn, die eenige naamwaardige som¬ : mes bezitten, waar uijt zij een beleening op obligatie aan zijn Hoogheijd zoude kunnen doen, te meer daar zij hun gering vermogen steeds emploijeeren tot voort„ zetting van haaren particu¬ lieven handel: met betuij„ ging werden van de hoope der Regeering dat de voorsz: reedenen zijn Hoogheijd den 13. Maart 1779 voldoen te berigten dat de mahaldaars en Copnax na Jaffana vertrokken zijn, voldoen mogen. En is voorts verstaan den Heer Gouverneur te verzoeken om den Albeschik op het vriendelijkste te berigten, dat men op het verzoek van den Vorst de Mahaldaars en Cornas van zijn Hoogheijd bereeds na Iaffanapatnam heeft laaten vertrekken, en onder welke anschijven, onder aanschrijving aan den Commandeur en Raad aldaar, om aan hun gelegendheijd te geeven, tot het uijtkippen van de zeven recognitie Elifanten die de Compagnie nog aan zijn Hoogheijd ten 409. 179 ten agten staat. Aldus gedaan en gearres„ teerd in 't Casteel tot Na„ gapatnam dato voorsz: /:was geteekend:/ R. van Vlissingen, P. I. Dormie„ uw, P. E. G. Hazelman, M. s Koning, S. s Mossel, W. Duijnevelt, I. D. Simons, I. Appengh en M. s Stof„ fenberg. Donderdag den 13. Maart 1779. diening van 2: translat brieven van de Visianagaramsche Princen, 'S morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie Absent Den Koopman en Negotie Boekhoude Peracules Mossel, mits indispositie. —. Donderdag den 25. Maart 1779 Den Heer Gouverneur heeft ter vergaderinge over„ gelegt twee translaat Jen tiefsche brieven door de visianagaramsche Prin„ een Sjitta Ramarasoe en Visia Ramarasoe aan zijn Edele geschreeven, zijnde van den volgenden inhoud. Translaat „ 4 180 den 25. Maart 1779. Insertie derzelven, Translaat eener Sentief„ sche brief, geschreeven aan den Wel Edelen Gestren„ gen Heer, Reijnier van Vlissingen, Gou„ verneur en Directeur deezer Custe Cormandel, met den Resorte van dien, door den Visiana„ garamschen Prins Sjita Rama rasoe, gedateerd 27. Januarij A. o 1779. Waar voor afgaande Com¬ plimenten van begin af aan, was mijn harten wensch om de vriendschap tusschen mij en de Hollandsche Compagnie van dag tot dag te doen accres„ seeren, dog door verscheijde menschen zulx belet geworden zijnde, zijn de zaaken er door veragterd geworden. uwel Edele Gestrenge is aldaar als hoofd aangesteld over alle 'sComp. s affaires, die door Hoogst dezelven, gelijk het behoord ook waargenomen word. Ik wensch dus mij over eenige - eenige zaaken door wegen van uwel Edele Gestrenge bij de Hollandsche Compagnie te mogen addresseeren, ten eijnde door die wweg de wederzijdse vriend„ schap weder te doen aangroeijen. Jans zend ik na derwaarts Paroe Poedie Narasima Ramoedoe, die de gewoontens weet van ons zoo wel, als van de Hollandsche Compagnie En dewijl ik aan hem gezegd heb, om mondelings uwel Edele Gestrenge eenige zaaken te kennen te geeven, zoo ver„ zoek ik uwel Edele Gestrenge dezelve niet alleen ter harte te neemen, en een goed ant„ woord wegens de zaaken die geschieden kunnen mij te bezorgen, op dat de vriendschap opbeuren mag, maar ook gemelde persoon ten spoedigsten dit heen te laaten vertrekken. Ik ben op Madras geweest en na dat alle de zaaken aldaar afgemaakt zijn, weder na mijn woonplaats vertrokken: Indien door uwel Edele Gestr. met Narasima Ramoedoe ten spoedigsten een goed antwoord gezonden word, zal ik als dan met de Bimilipatnamse Opperhoofden 53. 181 den 25. Maart 1779. Opperhoofden er over spreeken en vervolgens aan uwel Edele Gestr. een brief toeschikken, mitsgaders de zaaken alhier zoo als 't behoord tracteeren. Ik verzoek uwel Edele Ge„ strenge nogmaals meermelde Narasima Ramoedoe aldaar niet lang aan tehouden, maar ten spoedigsten dit heen laaten vertrekken. wat zal ik meer schryven als dat ik wensch uwel Edele Gestrenges welstand altoos te mogen verneemen. /:onderstond:/ sie /: dat is de handteekening van Spita Rama Rasoe. voor de overzetting volgens vertaaling van den Bramine wengeta foebaraijer Aijen. Nagapatnam den 10. Maart Anno 1779. /. was geteekend:/ A:m Dormieux G. Translr Translaat eener Pentiefse brief geschreeven aan den Wel Edelen Gestrengen Heer, Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel met den Resorte van dien, door den Visiana„ garamschen Prins Visia„

NL-HaNA_1.04.02_3540_0430 view scan ↗

English

the envoy has been in conference up to two times. After customary compliments. My eldest brother writes a letter to your Right Honorable Sir regarding matters that should be transacted by the Dutch Company and our realm. I request your Right Honorable Sir to treat these affairs properly. I wish to learn of your Right Honorable Sir's well-being. Underneath stood: will, which is the signature of Visia Ramarasoe. Underneath stood and was signed: as before. Furthermore, it was made known by the Honorable Governor in Council that with the Princes' letters, the Prince's Envoy Paroe Poedie Visia Ramarasoe, dated 10 December 1778, 182 proposal made to loan 4 lakh rupees to the Princes, Poedie Narasima Ramoedoe, with whom his Honor had twice been in conference concerning the matters of Bimilipatnam, had arrived here. That said envoy in the aforementioned conferences had made to his Honor two alternative proposals in the name and by order of the Visianagaram Princes: the first containing a request to loan to Their Highnesses four lakh rupees at the interest of ½ per cent per month, or 24000 rupees a year, with an offer to surrender, for 25 March 1779. continuation. that interest money, Bimilipatnam with its subordinate villages, alongside the village of Polo Pielie and several other villages to the Company for the period of three years; in which time the envoy declared that the princes undertook to pay off the aforementioned capital, or else they would agree that the Company take Bimilipatnam and the remaining villages in pledge for that duration; And the second an offer to sell Bimilipatnam and all the subordinate villages, or some No. 183 further continuation 25 March 1779 some of the same, to the Company, or to surrender them to her forever, for a certain annual sum, provided the Company bound itself in both of those cases to the following condition: 1. To loan to Their Highnesses 4 lakh rupees at ½ per cent per month. 2. That the Company must moreover bind itself to always give money on loan to Their Highnesses when needed, to be received back along with its interest; 3. That upon occasion one must assist Their Highnesses late writing. Insertion of the same. with gunpowder, bullets, and men; and 4. That the Company must grant them protection in their lands; as all this further appeared from a certain document, drafted by the aforementioned envoy and handed over to his Honor. And hereupon, a translation of the aforementioned document having been submitted to the table of this Council by the Honorable Governor, the same was found word-for-word to be of the following content: Translation 29. 184 25 March 1779 Translation of a Gentoo paper of the following content. The Courantier of the Visianagaram Princes Poesa Patie Visia Ramarasoe and Sjitta Ramarasoe, in the name of Paroe Poedie Narasima Ramoedoe, son of the former Company's merchant at Bimilipatnam Paroe Poedie Ragoe Naijagoeloe, grants this paper, by order of the aforementioned Princes, to the Right Honorable Worshipful Master Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel with the jurisdiction thereof. With the approval of Their Highnesses, the Duan Dantoe Loerie Tieroepatie Rasoe made the following known to the resident chiefs at Bimilipatnam: That Bimilipatnam and the subordinate villages, which in the time of the Right Honorable Worshipful Master Plaksteen, of blessed memory, were taken on lease for 5 years at 20000 rupees rupees a year, one now wished to give to the Company for 5 years at 15000 rupees a year, on condition that the Company must loan 3 lakh rupees to the Princes at the interest of half a per cent per month. That the lease money or 15000 rupees, at the beginning of the year, would be applied in reduction of the principal, and one would subsequently do so for up to 5 years. That the remaining principal along with its interest would be gradually paid off within those five years, but if one might not balance the debt at that stipulated time, and thus fall somewhat in arrears, the Company could then hold Bimilipatnam along with its subordinate villages as a pledge. That if the present Company merchants continue to remain in their service, they would then be obliged, according to the sanads granted by them, to deliver annually 300 pieces of guinees to the Princes, 10 pieces to Cotie Narasaija Pantaloe, and 500 pagodas to the Duan, for the reason that 63. 185 that said merchants are subjects, and at the same time people who had to bring up money annually as customado. That if the Company wished to appoint in their place the former merchants or other people, one would immediately tear the aforementioned sanad to pieces, and beyond that they would not be obliged to give anything to anyone. The chiefs, having heard all this, assured that they would write to Nagapatnam about this, announcing at the same time that if the matter were accepted there, they would not fail to inform the Princes immediately of this, who were then in Madras. On that occasion, the Duan also told the Chiefs that the Princes wished to send me to Nagapatnam, because Their Highnesses were convinced that I knew the customs well, as well of 25 March 1779 their

Dutch transcription

den zendeling is tot twee maalen in confefrentie geweest, Naar gewoone Complimenten. Mijn oudste broeder schrijft een brief aan uwel Edele Gestrenge wegens zaaken die door de Hollandsche Comp. e en ons rijk dienen verhandelt te werden. Ik verzoek uwel Edele Gestr. die affaires be„ hoorlyk te tracteeren. Ik wensch uwel Ed. Gestr. welstand te mogen verneemen /: onderstond:/ wil /: dat is de handteekening van visia Ramarasoe. onderstond en was geteekend:/ als even. Wyders wierd door den Heer Gouverneur in Raade te kennen gegeeven, dat met der Vorsten brieven her„ waarts was overgekomen 'S Prinsen Sendeling Paroe Visia Ramarasoe, ge„ dateerd 10. December 1778. Poedie 182 gedaande propositie om aan de Princen 4. flak rap. s te leenen, Poedie Narasima Ramoe„ doe, waar meede zijn Edele twee maalen was geweest in conferentie over de Zaa„ ken van Bimilipatnam. Dat gemelden zendeling in de voorsz. Conferentien aan zijn Edele hadt gedaan twee alternative propositien uijt naam en last van de Visianagaramsche Princen: behelzende de eerste een ver„ zoek om aan Hunne Hoog„ heeden vier lak ropijen te leenen, tegen den intrest van ½. p„r Cent 's maands, of 24000 ropias in het Jaar, oder welke belefte amnbedin, onder aanbieding, om voor den 25. Maart 1779. die vervolg. die intrest penningen Bimi„ lipatnam met dies onderhoo„ rige Dorpen nevens het dorp Polo Pielie en nog eenige andere dorpen aan de Comp e af te staan voor den tijd van drie Jaaren; in welken tyd den zendeling verklaarde dat de vorsten aannaamen het voorsz. Capitaal afte„ leggen, of dat zij anders zouden toestaan dat de Comp. e Bimilipatnam en de ove„ rige dorpen zoo lang in pand nam; En de tweede eene aanbieding, om Bimi„ lipatnam en al de onder„ hoorige Dorpen, dan wel eenige No. 183 nader vervolg den 25. Maart 1779 eenige van dezelve aan de Com¬ pagnie te verkoopen, of voor altoos aan haar af te staan, voor zeeker bedraagen 't Jaars mits de Maatschappij in beijde die gevallen zig verbond, tot de volgende voorwaarde. 1. / Om aan Hunne Hooghee„ den 4. lak ropijen te leenen tegens ½. p„r Cent 's maands. 2. / Dat de Compagnie zig daar en boven moest verbinden om des noods aan Hunne Hoogheeden altoos geld ter leen te zullen geeven, om weder nevens dies intrest te ontvangen; 3. / Dat men bij occagie Hunne Hoog„ heeden laaat geschrift. Insertie van het zelve, heeden assisteeren moest me kruijt, kogels en volk; en 4. ) Dat de Compagnie aan haar protectie verleenen moest in derzelver Landen blijkin, derzelve ijzeken wer gelijk dit een en ander nader bleek uijt zeeker geschrift, door den voorsz. zendeling ontworpen, en aan zijn Ed overgegeeven. En hier op een translaat van het voorsz: geschrift door den Heer Gouverneur ter tafel van deezen Raade overgelegt zijnde, is het zelven bevonden woordelijk te weezen van den volgenden inhoud: Translaat 29. 184 den 25. Maart 1779 Translaat eener Ien„ tiefse papier van in„ houde als volgd. Den Courantier van de Visianagaramsche Prinsen Poesa Patie visia Ramarasoe en sjitta Ramarasoe, in naame Paroe Poedie Narasima Rama¬ doe, zoon van den geweesen sComp:s Koopman te Bimili„ patnam Paroe Poedie Ragoe Naijagoeloe, verleend dit pa„ pier, volgens ordre van voorm. Prinsen, aan den wel Edelen Groot Agtbaaren Heer Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe Cor„ mandel met den Resorte van dien. Met goedvinden van Haar Hoogheedens heeft den Duan Dantoe Loerie Tieroepatie Rasoe aan de Heeren apper„ hoofden te Bimilipatnam het volgende te kennen gegee„ ven. „ Dat Bimilipatnam en de „onderhoorige dorpen die ten „ tijde van den wel Edelen Groot „ Agtb. Heer Plaksteen /g. g. / „voor 5. Jaaren in pagt geno„ „men waren tegens 20'000. ropias „ropias 'sJaars, nu men aan „DE. Comp. e geeven wilde voor „5. Jaaren, â 's Jaars 15000. ropias, „ onder conditie dat de Comp. e „ aan de Princen leenen moeste „ 3. lak ropias tegens den intrest „ van een half p„r Cento 's maands. „ Dat de pagtpenningen of „ 15000. rop. s met het begin van „ het Jaar, in mindering van „ het Capitaal zouden laaten „strekken, en men vervolgens „zulx tot 5. Jaaren doen zoude. „ Dat het overige Capitaal „nevens dies intrest binnen „die vijf Jaaren bij weijnig af„ „gelegd zoude worden, dog wan„ „neer men de schuld op die „bepaalde tijd niet verevenen, „ en dus iets ten agteren raaken „magte, D'E. Comp. e als dan Bi„ „milipatnam nevens dies „ onderhoorige dorpen tot een „pand houden konde. „ Dat indien de tegenswoordige „ 's Comp. s kooplieden in hun „dienst blijven continueeren, „ zij dan verpligt zouden zijn „volgens de door haar verleende „ sanados, 300. p:s guineesen 10. p. s aan „ aan de Prinsen „ cotie Narasaija Pantaloe „ en 500. pagooden aan den Duan „'s Jaars aftegeeven, om reeden dat 63. 185 „dat gemelde marchiandeurs on„ „derdaanen, en teffens menschen „zijn, die 's Jaarlijks geld tot Cos„ „tumado op brengen moesten. „ Dat wanneer de Compagnie in „ hun plaats de geweesene koop„ „lieden of andere menschen „ aanstellen wilden, men ten „eersten de voormelde Sanadoe „aan stukkend scheuren, en „ buijten dien zij niet verpligt „weezen zouden, om aan iemand „ „ iets te geeven. De opperhoofden dit alles gehoord hebbende, hebben zij verzeekerd, dat zij hier over na Nagapatnam schrijven zouden, onder aankundiging teffens, dat wanneer de zaak aldaar geaccepteerd wierd, zij niet manqueeren zouden hier van ten eersten aan de Prinsen, die zig toen op Ma„ dras bevonden hebben, ken„ nisse te geeven. Bij die occagie heeft den Duan aan de Opperhoofden ook gezegd, dat de Prinsen mij gaarne na Nagapatnam zenden wilden, om reeden dat Haar Hoogheedens over„ tuijgd waren, dat ik de gewoon¬ tens wel wiste, zo wel van den 25. Maart 1779 haar

NL-HaNA_1.04.02_3540_0438 view scan ↗

English

her, as of the Dutch Gentlemen. The chiefs hereupon ordered me to go to the Duan; After that date I arrived at Visianagaram, and subsequently at Madras before the Princes, who ordered me to present the following to Your Right Honourable: " That if one now leases Bimilipatnam and subordinate Villages to the Comp.e for 5000. ropias less than before, such would then serve to the benefit of the Comp.e, and the Princes would thereby gain a reputation that they had brought advantage to the Comp.e. " But that if the Comp. does not draw that advantage, they must then, without that good reputation, lose 5000. ropias, for the reason that there is no competent Haweldhaar or overseer, and because the chiefs carry on private trade and their servants exercise authority at their pleasure, and furthermore the strangers are treated in an unreasonable manner. " That since no vessels appear on the roadstead of Bimilipatnam and trade falls into decay as a result, the villagers of the princes as well as of the Comp.e would thus suffer great damage. " That in order to prevent everything, one will have to maintain a Haweldhaar, to the end of having oversight over Bimilipatnam and the subordinate villages. " That the Princes would indeed show him a way to remain free from damage. " That the Comp.e annually had to receive from that haweldhaar the amount that Their Honours would pay to the Princes, and that the Gentlemen Chiefs had to abandon their private trade. " That whenever the Comp. has any matters, both in Bimilipatnam and subordinate Villages, the same ought to be settled through the haweldhaar, but without him the chiefs nor their servants could order anything to the Villagers. " That the Inhabitants having committed an offense, the haweldaar ought to punish them, but he being unable to do so, one then had to make the matter known to the Chiefs. " That without that haweldaar the aforementioned Gentlemen Chiefs, nor their servants, could have anyone punished, because thereby his power would be lost. " That the princes being in great need of money, therefore now come to request from the Comp.e a sum of 4. lakh ropijen at the interest of ½. per Cento per month, or annually Rop.s 24000. " That for the aforementioned interest moneys, Their Highnesses would give to the Comp.e for 3. Years Bimilipatnam and its subordinate villages, together with the village Polo Pielie and also some other villages. " That if the village Polo Pielie were to fall under Bimilipatnam, the Comp.e would then have no dispute with the Princes over water, because in that village a canal is to be found, from which the water from the river Goeddi wadda flows down. " That the Principal or 4. lakh ropias would be paid within the time of three Years by degrees, but if one should not settle the debt at the appointed time, and thus fall somewhat in arrears, the Comp.e could then take Bimilipatnam and the aforesaid Villages as a pledge. " That the dispute between the Princes and the Company had always arisen through the actions of the present Bimilipatnam Merchants, so if the same continue in their service, the dispute would then never cease. " That if in their place the former merchants or other people, who are not required to pay a certain Costumado annually to the Princes, might be appointed, the friendship would then indeed increase. The Princes subsequently asked me whether the Company could take them under its protection on occasion: To this I replied that Bimilipatnam not belonging in ownership to the Comp.e, Their Highnesses therefore had to ensure that Their Honours become owners thereof, in order to be able to grant protection. By the princes it was replied in turn " that they would sell Bimilipatnam and all the subordinate Villages, or some of the same, to the Company, or leave them under Their Honours, taking a certain amount annually. " That the Company therefore had to give to Their Highnesses on loan 4. lakh ropias, at ½. per Cento per month, which amount will be repaid again to the Company. " That one must always bind oneself to give money on loan to Their Highnesses if necessary, and to receive the same back together with interest. " That on occasion one ought to assist Their Highnesses with powder, bullets, and men. " That finally the Company must grant them protection in their Lands. I was furthermore ordered by the Princes to ask: If the Company wished to accept all that is mentioned above, which villages Their Honours would then wish to buy! and for what price, together with how much one would give as a present; Or otherwise, if the Company wished to keep the Villages under Their Honours forever, which villages they would then wish to have; and how much they would give for them annually, and what presents they would make. The Princes finally said that after receiving the answer they would place the matter on a good footing. /:was signed:/ Paroe Poedie Narasima Ramadoe. /:below was written:/ for the translation according to the interpretation of the brahmin Wengeta Soebaraijer Aijen. Nagapatnam the 15. March 1779. Whereupon, after the aforesaid proposals were discussed at length in the Council of Cormandel: it was generally noted that both those propositions were far more unacceptable than those that were in Anno passato to

Dutch transcription

haar, als van de Heeren Hol¬ landers. De opperhoofden hebben hier op mij aanbevoolen om bij den Duan te gaan; Ik quam na dato op visia„ nagaram, en vervolgens op Madras bij de Princen, die mij geordoonneerd hebben om het volgende uwel Edele Groot Agtbaare voor te leggen „ Dat indien men thans „ Bimilipatnam, en onder„ „hoorige Dorpen aan de Comp. e „verpagt voor 5000. ropias, „minder als bevoorens, zulx „ als dan tot profijt van „ DE. Comp„e strekken zoude, „ en de Prinsen er door een „naam krijgen dat zij DE. „ Comp„e voordeel toegebragt „ hadden. „ Dog dat wanneer de Comp „dat voordeel, niet trekken „ zij dan zonder die goede „naam 5000. ropias verlie„ „sen moesten, om reeden „dat 'er geen bequaame Ha„ „weld haar of opzigter is, „ en door dien de opperhoofden „particuliere negotie drijven „ mitsg. s hun bediendens na „ welgevallen het gezag voeren, en - 63 186 „en voorts de vreemdelingen „op een onreedelijke wijze ge„ „tracteerd worden. „ Dat nadien op de rheede „ van Bimilipatnam geen „vaartuijgen komen op dagen „ en de negotie daar door in „verval raaken, de dorpelingen „van de princen zoo wel, als van de Comp e. dus groote schade „leijden zouden. „ Dat om alles voorteko„ „men men een Haweldhaar „ zal dienen te houden, ten „eijnde het opzigt te hebben. „ over Bimilipatnam en de „ onderhoorige dorpen. „ Dat de Prinsen hem wel „een weg wijzen zouden, om „ bevrijd te blijven van schade. „ Dat de Compe 's Jaarlijks „ van dien haweld haar ont„ „vangen moeste het bedraa„ „gen, dat Haar Ed. aan de „Prinsen zouden afleggen, „ en dat de Heeren Opperhoof„ „den hun particuliere ne„ „gotie moesten laaten vaaren. „ Dat wanneer DE. Comp. „eenige zaaken hebben, zoo „wel op Bimilipatnam „ als onderhoorige Dorpen, „dezelve door wegen van den den 25. Maart 1779 haweldhaar „Haweldaar dienen, afgemaakt „te worden, dog buijten hem „ de opperhoofd en nog derzelven „ dienaaren aan de Dorpelingen „ niets ordonneeren konden. „ Dat de Inwoonders iets „misdaan hebbende, den ha„ „ weldaar haar diende te straf„ „fen, dog hij er toe onvermo„ „gens zijnde, men als dan de „zaak aan de Opperhoofden „moeste te kennen geeven „ Dat zonder dien haw eldaar de voormelde Heeren Appor„ „hoofden, nog hun bediendens „niemand konden laaten straf„ „fen, wijl 'er door de magt „van hem verliesen zoude. „ Dat de princen zeer ver„ „leegen weesende om geld, dier„ „hhalven thans van D E. Comp e „komen te verzoeken eene „ somma van 4. lak ropijen „tegens den intrest van ½. p„r „ Cento smaands, of 's Jaars „ Rop. s 24000. „ Dat Haar Hoogheedens „voor de voormelde intrest pen„ „ningen, aan D E. Compe „ voor 3. Jaaren geeven zouden „Bimilipatnam, en dies on„ „derhoorige dorpen, mitsg. s „ het dorp Polo Pielie en nog „eenige andere dorpen. Dat N: 187 „ Dat wanneer het dorp Polo „ Pielie onder Bimilipatnam „quam te sorteeren DE. Comp. e „ als dan met de Prinsen geen „ disput over water hebben „ zouden, wijl in dat dorp een „ canaal te vinden is, waar „ uijt het water van de revier „ Goeddi wadda afloopt. „ Dat het Capitaal of 4: „lak ropias binnen den tijd. van drie Jaaren bij weijnig „ betaald zoude worden, dog „ wanneer men de schuld op „ de bepaalde tijd niet vereffe„ „nen, en dus iets ten agteren „raaken mogte, DE. Comp:e „ als dan Bimilipatnam „ en de voorsz. Dorpen tot „ een pand neemen konde. „ Dat het disput tusschen „de Prinsen en de Compagnie „ altoos ontstaan was, door „ toedoen van de tegenswoor„ „dige Bimilipatnamsche Cooplieden, dus wanneer „ dezelve in hun dienst Con„ „tinueeren, het geschil als „ dan nooijt cesseeren zoude. „ Dat indien in hun plaats „ de geweesene kooplieden of „ andere menschen, die niet „gehouden zijn om 's Jaars den 25: Maart 1779 een „een zeeker, Costumado aan de „ Princen te betaalen, aange„ „steld mogten worden, de „ vriendschap als dan wel „ accresseeren zoude. De Princen hebben mij vervolgens gevraagd of D' E. Compagnie haar bij gelegend¬ heijd in derzelver bescherming neemen konden: Hier op heb ik geantwoord dat Bimi„ lipatnam niet in eijgendom D'E: Comp„e toebehoorende, dus Haar Hoogheedens maa„ i ken moesten, dat Haar Ed bezitters daar van worden, ten eijnde protectie te kunnen verleenen. Door de princen wierden weder gerepliceerd „ dat zij „Bimilipatnam en alle de „ onderhoorige Dorpen, dan „ wel eenige derzelve aan „ D E. Compagnie verkoopen, „ of onder haar Ede. laaten „ zouden, onder het neemen „ van een zeeker bedraagen „ 's Jaars. Dat den 25. Maart 1779. . 188 Dat de Compagnie dierhalven aan Haar Hoog heedens ter leen geeven moesten 4. lak ropias, tegens ½. p„r Cento smaands, welk bedraagen aan de Com„ pagnie weder gerestitueerd worden zal. Dat men zig altoos verbinden moeste om des noods aan Haar Hoogheedens geld ter leen te gee„ ven, en weder het zelve snevens intrest te ontvangen. Dat men bij occagie Haar Hoogheedens diende te assisteeren met kruijt, kogels en volk. Dat eijndelik D'E. Compagnie haar protectie verleenen moesten in der zelver Landen. Ik ben wijders door de Princen geordonneerd geworden om te vraagen. Indien de Compagnie al het geen hier boven vermeld is accepteeren wilde, welke dor„ pen haar Ed. s dan zouden willen koopen! en voor welke prijs, mitsgaders hoe veel men tot een geschenk geeven zoude Of anders, wanneer de Com„ pagnie de Dorpen voor altoos onder proposittien, onder haar Ed. s wilden houden, welke dorpen zij als dan zouden willen hebben; en hoe veel er 's Jaars voorgeeven, en welke geschenken doen zouden. De Princen hebben eyndelyk gezegd dat zij na den ontvangst van het antwoord de zaak op een goede voet zouden brengen. /:was geteekend:/ Paroe Poedie Narasima Ramadoe. /:onder„ stond:/ voor de overzetting volgens vertaaling van den bra„ mine wengeta Soebaraijer: Aijen. Nagapatnam den 15. Maart 1779. onaanneemelijkheid van die Waarna over de voorschree„ ve voorslagen in Raade van Cormandel in het breede gediscoureerd zijnde: zoo is in het algemeen aangemerkt dat die beijde propositien vrij onaanneemelijker waren, dan die 'er in Anno passato aan e

NL-HaNA_1.04.02_3540_0445 view scan ↗

English

69. 189 the 25th of March 1779 and why their emissary was given the commission by the chiefs of Bimilipatnam, and that of those two, the latter was the least acceptable of all, on the grounds that it could involve the Company in a war with the English, and consequently, as much out of consideration thereof as out of the consideration that this Council, without the special consent of Their High Nobles, is not permitted to enter into such an agreement, it has been approved and agreed, regarding the aforesaid proposals of Their High Nobles, solely to instruct the chiefs to reply in general terms that the emissary Paroe Poedie Narasima Ramodie has fully disclosed to this Council the matters with which Their Highnesses had been pleased to charge him, as well as that the Bimilipatnam chiefs have been instructed as to how far they may enter into negotiations with the princes' emissaries on behalf of the Dutch Company in that regard, with the further addition that this Council trusts that, if Their Highnesses should find the aforesaid instruction somewhat too restrictive, they will be pleased to attribute it not to a lack of respect and high esteem, but to orders that cannot be transgressed. And furthermore, while transmitting authentic copies of the aforesaid letters from the Princes, and the reply of the Government, together with the aforementioned writing of the emissary, to write to the Bimilipatnam chiefs that the aforesaid propositions have been found even more unacceptable than the proposals made to them in anno passato regarding the re-leasing of Bimilipatnam, and that it has consequently been resolved, as it is resolved and decided hereby, to persist in what was resolved in that regard at the sessions of the 29th of March and 26th of July 1778, containing principally the qualification that, should the occasion arise for the chiefs to be able to lease Bimilipatnam with its dependencies again for the period of three years, provided it be for a lower price and on more reasonable conditions than could have been stipulated in the previous contract, they may proceed thereto, but otherwise not. Thus done and decreed in the Castle of Nagapatnam on the date as above. Signed as above. Thursday the 22nd of April A.o 1779, in the morning at seven o'clock. Council of Policy. All present. As soon as the matters recorded at length in the general Resolution were concluded, the Governor informed the Meeting that His Honour had received a letter in the year 1777 from a certain Patanaijgoe, who called himself First Minister of Strikeja Padi Naraijna Tewoe, Prince of Kimidi, situated 10 miles north of Bimilipatnam, dated 7 March 1777, containing in the Prince's name general professions of friendship for the Dutch Company, and that His Honour had answered this letter amiably, with the assurance that it would be highly agreeable to maintain a friendly correspondence with His Highness by means of letters; but that no further writing had since been received by His Honour. That His Honour was consequently very surprised when a few days ago there arrived here the Prince's Duan named Chamoe Patroe, who delivered to His Honour a letter written by his Prince to the Dutch Company, dated Madraspatnam the 20th of February 1779, the translation of which His Honour now produced. And the aforesaid translation having been read in the Council of Policy, it was found to be of the following content: Translation of a Gentoo letter written to the Right Honourable, Right Valiant Sir, Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel with its dependencies, by Srie wiera Srie wieradi wiera wiera sri Gajapati sri Satrapati sri Gaja pati Naraijna Dewoe Maharacoe, dated Madraspatnam the 20th of February 1779. After preliminary compliments: Following my arrival at Madras I dispatched a letter to Your Right Honourable, and a good answer having been received by me with joy, this served as proof that one is not disinclined to increase the old friendship. The Duan Chamoe Patroe, to whom I have made known all matters, now departs for that place. Upon his arrival there, and when he gets to speak to Your Right Honourable, he will disclose everything at length and to your satisfaction; I request Your Right Honourable

Dutch transcription

69. 189 den 25. Maart 1779 en waarom, haaren sandeling de Commis„ sie vy ol draijn aan de Bimilipatnamsche opperhoofden zijn gedaan, en dat van die beijde, de laaste nog het allerminst was te accepteeren, uijt hoofde die de Maatschappij kon inwik„ kelen in een oorlog met de Engelschen, en dien vol„ gende zoo uijt overweeging daar van, als uijt consideratie dat deezen Raade buijten speciaal concent van Hunne Hoog Edelheedens, een dier„ gelijk accoord niet vermag aan de brincen te bedeelen dat aante gaan, goed gevonden en verstaan op de voorsz. voorslaagen van Hunne Hoog Edelheeden eenlijk in e„ 1 to hoofden gelast heeft, in algemeene termen te ant„ woorden, dat den zendeling Paroe Poedie Narasima Ramodie, aan deezen Raade in het breede heeft opengelegt de zaaken waarmeede Hunra Hoogheeden hem hadden gelieven te belasten, mitsg. s en wat men de Bimilip. opper„ dat men de Bimilipatnam„ sche opperhoofden heeft aan„ geschreeven voor hoe ver zij daar omtrend uijt naam van de Hollandsche Maat„ schappij in onderhandeling mogen treeden met den Prinsen zendelingen, onder bijvoeging wijders dat dee„ zen Raade vertrouwt dat 38. 190 den 25. Maart 1779 zen, dezelve aan geen min„ agting toe te schrijven, Bimilipatnam, dat Hunne Hoogheeden zo die last te bepaald mogte w, zoo zij den voorschreeven last wat te bepaald mogten vin„ den, het niet aan gebrek van eerbied en hoogagting zullen gelieven toe te schrij„ ven, maar aan ordres die men niet kan overtreeden. „zendin van deven s Copien na En voorts, onder overzen„ ding van Copien authenticq van de voorsz. brieven der Princen, en het antwoord der Regeering; mitsgaders van het opgemelde geschrift des zendelings, de Bimili„ patnamsche Opperhoofden aante schrijven, dat men de voorschreeve propositien nog voor 3. Jaaren in pagt te neemen, nog onaanneemelyker heeft gevonden, dan de voorsla„ gen in Anno passo. aan haar gedaan, tot het weder in pagt neemen van Bimili„ patnam, en dat men dien„ volgende beslooten heeft, zoo als geresolveert en beslooten werd bij deezen, om te per„ sisteeren bij het geresolveer„ de dierwegens ter sessien van den 29.:' Maart en 26. Iulij 1778. , behelzende ten principaalen qualifica„ in wat geval Bimilip weder tie, om, zod aan de Opper„ hoofden occagie mogt voor„ komen om Bimilipatnam met dies onderhoorigheeden wederom #. N. 191 den 25. Maart 1779 wederom voor den tijd van drie Jaaren in pagt te kun„ nen neemen, mits voor minder prijs en op redelyjken voorwaarden als 'er bij het voorige Contract hadden kunnen bedongen worden, daar toe over te gaan, dog anders niet. Aldus Gedaan en ge„ arresteerd in het Casteel Nagapatnam dato tot voorschreeven. /:was geteekend:/ als vooren. Donderdag ontfangst van een brief in 1777. van den Minister van den vorst van kimiti Donderdag den 22. ' April A. o 1779. 's morgens: ten zeven uuren„ Vergadering van Politie. Allen present. zoo dra de zaaken bij de gemeene Resolutie in het breede beschreeven staande, waren afgeloopen; gaf den Heer Gou„ verneur aan de Vergadering te kennen, dat zijn Edele in den Jaare 1777. een brief ontvangen hadt, van zeekere Patanaij goe die zig noemden eerste Mini„ ster van Strikeja Padi Na„ raijna Tewoe vorst van Ki„ midi, leggende 10. mijlen be„ noorden Bimilipatnam ged:t #. 192 den 22. April 1779 schak, productie van een translaat brief van dien vorsz gedateerd 7. Maart 1777. behel„ beheldende betuigjing van vriend, zende uijt 's vorsten naam al„ gemeene betuijgingen van vriend¬ schap voor de Hollandsche Com„ pagnie, en dat zijn Edele dee„ zen brief minzaam beantwoord hoedezelhe eentood is hadt, onder verzeekering dat het Hoog denzelven aangenaam zou weezen, om door middel van brieven eene vriendelijke Correspondentie met zijn Hoog„ heijd te mogen onderhouden; dog dat daar op sedert geen nader schrijven bij zijn Edele was ontvangen geworden. Dat zijn Edele dienvolgende zeer verwonderd was, wanneer voor eenige dagen alhier aan„ kwam kwam 's Vorsten Duan in naa„ me Chamoe Patroe, die aan zijn Edele hadt overgegeeven een brief door zijnen vorst aan de Hollandsche Compagnie geschreeven, gedateerd Madras¬ patnam den 20. Februari 1779. waar van zijn Edele het translaat tans produceer„ de. leezing en insertie van hetzelve, En hier op het voorschreeve Translaat in Raade van Po„ litie geleezen weezende, is het bevonden van den vol„ „genden inhoud te zijn. Translaat eenen Pen„ tiefsche brief geschreeven aan den wel Edelen Ge„ Strengen Heer, Reijnier 2I. 193 den 22 April 1779 Reijnier, van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel met den Resorte van dien, door Srie wiera Srie wieradi wiera wiera sri Gajapati sri Satra pati sri Gaja pati Na„ raijna Dewoe Mahara„ Coe, gedateerd Madras„ patnam den 20. ' Februa„ rij 1779. Naar voor afgaande Complimenten Na mijn arrivement op Ma„ dras heb ik een brief aan uwel Edele Gestrenge afgezonden, waar op door mij met blijdschap een goed antoord ontfangen zijnde, strekte zulks tot een bewijs dat men niet ongeneegen is, om de oude vriendschap te doen toeneemen., Den Duan Chamoe Patroe, aan wien ik alle de zaaken te kennen gegeeven heb, vertrekt thans na derwaarts. Olij zal bij zijn aankomst aldaar, en wanneer uwel Edele Gestrengen te spreeken krigt, alles breed„ voerig, en tot derzelver genoegen openleggen; Ik verzoek iwel

NL-HaNA_1.04.02_3540_0454 view scan ↗

English

Your Right Honourable the Commander to take my desires to heart on behalf of the Honourable Company, and to settle the same for the best, so that this may serve to our mutual satisfaction. Furthermore, may it please Your Right Honourable the Commander to consider everything that the Duan shall make known to your highest self as if I had done so in person. I request Your Right Honourable the Commander's friendship. In the margin stood: the seal of the aforementioned prince impressed in black ink, wherein the following is written in Persian characters: Sri Gajapati Pri satra Patie Naraijna dewoe Maharasoe, a mighty Lord of 7000 horsemen. In the header of this stood: the signature of the aforementioned Naraijna Dewe in Odia characters. Below stood: for the translation according to the interpretation of the Brahmin wengeta Toebaraijer Aijen; Nagapatnam the 7th of April, Anno 1779. Was signed: A:m Dormieux, G. Franslr. Subsequently 29. 184 the 22nd of April 1779 Submission of a translated writing drawn up by the Duan, insertion of the same. Subsequently, the Lord Governor submitted in the assembly a translated Gentoo writing drawn up by the aforementioned Duan by order of his prince and presented to His Honour, which was found verbatim to be of the following content: Translation of a Gentoo paper that is respectfully delivered to the Right Honourable the Commander, Mr. Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Cormandel, with the dependencies thereof, by the Duan Chamoe Patroe, by order of his principal, the prince of Kiemiedie lying ten miles north of Bimilipatnam: Trie wiera vrie wieradi wiera wiera Tri gaja pati sri Satra patie sri Gaja pati Naraijna Derroe Maharaassja, dated 21 April 1779. The parents of my prince have previously always sought to maintain friendship with the Dutch Company, for the reason that the same is very magnanimous and steadfast, as well as of a better judgment than the other Companies on this Coast. Since my prince has now had the good fortune to have the Dutch Company as his friend, he will therefore always take the well-being of Their Honours to heart, just as the Company must also do with respect to the said prince. The parents of my prince in earlier days ruled not only the residence place sindoe Cattakam, but also various other lands; namely: from Mazuli to Sjadanagoe, east and west 50 miles, as well as from Moerari sjaukie which lies above Gaja to Canjiwarom, south and north 200 miles. 185 the 22nd of April 1779 The Moors having gained power after that date, and having taken away many lands thereof, the parents of the prince were obliged to abandon sjinda Cattakam and to keep kimiedie for their place of residence, on which occasion they still held only a few lands under them; namely: from Maloja to Palaconda, east and west 20 miles, and from Mahindra Paroewatam to Callingapatnam, south and north 10 miles. Of these, some lands were subsequently taken over by the English, as were the following sea places; namely: Ganjam, along a river Roesie Toelia, 6 fathoms deep of fresh water. Manasoer Cotta, along a river, 5 fathoms deep of salt water. Sjorna Poeram, along a river, 7 fathoms deep of salt water. Barwoe, along a river named Mahendrataniam, 7 fathoms deep of fresh water. Gadalapadoe, with a river 3 fathoms deep of salt water. Callingapatnam, along a river named Wamoe Sadara, 5 fathoms deep of fresh water. Presently the prince governs the lands that are mentioned below; namely: from Goenapoeram to Snoemandalam, south and north 8 miles. Poedie to Ramajentie, east and west 12 miles. among which are to be found the following sea places: Kieriedie Singie, situated 12 hours' journey east of the city of kimidie, along a river named swarna moegie, 3 fathoms deep of fresh water. Poedie, situated one hour south of kierie die singie, along a river that runs around the same, 3 fathoms deep of salt water. My aforementioned principal, having arrived at Madraspatnam, having requested the Lord Governor and some other gentlemen there to cede back to him the lands that were taken by the English, has accordingly obtained the same, although the matter is not yet fully concluded due to a lack of money. In order to increase the friendship between the prince and the Dutch Company, the former must seek to bring advantage to the latter; therefore 186. therefore it will be necessary for the Honourable Company to establish a factory in the lands of the prince, to which end His Highness offers to Their Honours as a gift one of the aforementioned sea places, Kierie diesingie, Poedie, and Soebadrapoenam, together with some of the surrounding villages, under the assurance that the Honourable Company will obtain at these places better and higher quality linens, as well as at a price 20 per cent less than at the factories of Palicol, Iaggernaijkpoeram, and Bimilipatnam. Should the Honourable Company require any further favour from His Highness, he will grant the same with all readiness; but in return, Their Honours must, on occasions when he is in distress, lend the prince some money, as well as assist him with men, etc. At present, my prince being in great distress for money on account of the affair of his lands, he very kindly requests the Honourable Company to lend him a lakh of pagodas, for which he will pledge his lands to Their Honours. the 22nd of April 1779 and

Dutch transcription

uwel Edele Gestrenge mijn be„ geertens D' E. Comp:e ter harte te doen neemen, en dezelve ten beste te schikken, op dat zulks tot onzer beijde genoegen strekken kan. Voorts gelieve uwel Edele Gestrenge al het geen dat den Duan aan Hoogst denzelven zal te kennen geeven, aantemer„ ken, of ik zulx in persoon ge„ daan hadde. Ik verzoek om uwel Edele Gestr: vriendschap /: in margine stond:/ het zegel van gemelden vorst in zwarte inkt gedrukt waar in met Persiaansche Carac„ ters het volgende geschreeven staat. Sri Gajapati Pri sa„ tra Patie Naraijna dewoe Maharasoe, een magtig Heer van 7000. Ruyters /: in het hoofd deezes stond:/ de handtee„ kening van gemelde Naraijna Dewe in oddeas Caracters. /:on„ derstond:/ voor de overzetting volgens vertaaling van den Bra„ mine wengeta Toebaraijer Aijen; Nagapatnam den 7. April Anno 1779. /: was geteekend:/ A:m Dormieux G. Franslr. Vervolgens 29. 184 den 22. April 1779 overlegging van een translaat ge„ schrift door den Duan ingesteld, insertie van het zelve, Vervolgens gaff den Heer Gouverneur in vergadering over, een Translaat Sentiefs geschrift door den voorschreeven Duan op ordre van zijnen vorst ingesteld en aan zijn Edele gepre„ senteerd, het geen woordelijk bevonden is van den volgenden inhoud te weezen. Translaat eener Pen„ tiefsche papier, dat in eerbied overgegeeven word aan den wel EEdelen Gestren„ gen Heer Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel, met den Re„ sorte van dien, door den Duan Chamoe Patroe, op ordre van zijn princi¬ paal, den vorst van Kiemiedie /: leggende thien meijlen benoorden Bi„ milipatnam:/ Trie wiera vrie wieradi wiera wiera Tri gaja„ pati De ouders van mijn vorst heb„ ben bevoorens altoos getragt, om de vriendschap met de Holland„ sche Comp. e te houden, om reeden dat denzelven zeer Edelmoedig en bestendig, mitsgaders van een beeter oordeel is, als de an„ dere Maatschappijen ter deezer Custe. Dewijl mijn vorst nu het geluk gehad heeft, de Hollandse Comp„e tot zijn vriend te hebben, dierhalven zal hij steeds het wel„ zijn van Haar Edele ter harte neemen, gelijk de Compagnie zulx ook ten opzigte van gem„te vorst doen moet. De ouders van mijn vorst heb„ ben in vroegere dagen, niet alleen de residentie plaats sindoe Cattakam, maar ook verscheyde andere Landen geregeerd; te wee„ ten: van Mazuli tot Sjada„ nagoe, oost en west 50. mijlen mitsgaders van Moerari sjaukie /:die boven Gaja legd:/ tot Canjiwarom, zuijd en Noord 200. mijlen. pati sri Satra patie sri Gaja pati Naraijna Derroe Maharaassja, gedateerd 21. April 1779. De 185 den 22. April 1779 De Mhooren na dato de magt gekreegen, en veele Landen daar van weggenomen hebbende, zijn de ouders van de vorst verpligt geweest sjinda Cattakam te abandonneeren, en kimiedie voor hun Residentie plaats te houden, bij welke gelegend„ heijd zij nog maar eenige Landen onder zig hadden; te weeten: van Maloja tot Palaconda oost en west 20. mijlen, en van Mahindra Paroewatam tot Callingapatnam zuijd en Noord 10. mijlen. Hier van zijn naderhand door de Engelschen overgenomen eenige Landen, zoo meede de on„ de volgende zeeplaatzen; als: Ganjam, nevens een revier Roesie Toelia diep 6. vaamen soet water Manasoer Cotta nevens een revier„ diep 5. vaamen zout water Sjorna Poeram, nevens een revier diep 7. vaam zout water, Barwoe, nevens een revier ge„ naamd Mahendrataniam diep 7. vaamen soetwater Gadalapadoe met een revier diep 3. vaamen zout water. Callingapatnam, nevens een revier genaamd Wamoe„ Sadara, diep 5. vaamen zoet water. Jans Thans beheerst den vorst de Landen, die hier onder ver„ meld staan; namentlijk: van Goenapoeram tot Snoe„ mandalam, Zuijd en Noord 8. mijlen. „ Poedie tot Ramajentie, oost en west 12. mijlen. waar onder te vinden zyn de volgende zeeplaatzen. Kieriedie Singie, geleegen 12. uuren gaans beoosten de stad kimidie, nevens een devier swarna moegie genaamd, diep 3. vaamen soet water. 1 „ Poedie, geleegen een uur bezuide kierie die singie, nevens een revier die rondsom dezelve loop diep 3. vaamen zout water. Mijn voormelde principaal die op Madraspatnam aange¬ komen is, aan den Heer Gou¬ verneur en nog eenige Heeren aldaar verzogt hebbende, om de Landen die door de Engelschen genomen zijn, aan hem weder aftestaan, zoo heeft hij dezelve gekreegen, alschoon de zaak door gebrek van geld nog niet ten vollen afgemaakt is. Om de vriendschap tusschen den vorst en de Hollandsche Compagnie te doen accresseeren, moet de eerste aan de laastgem: voordeel zoeken toetebrengen, dierhalven 186. dierhalven zal het noodzaakelyk weezen dat D'E. Comp„e een Comp„ toir oprigt in de Landen van den vorst, ten welken eijnde zijn Hoogheijd aan Haar Ed: tot een geschenk aanbied, een der voormelde Zeeplaatzen Kierie diesingie, Poedie en Soe„ badrapoenam, nevens eenige der daar omleggende dorpen, onder verzeekering dat DE. Comp. e op deeze plaatsen beter, en deugd„ zaamer Lywaaten, mitsgaders wegens de prijs C. C. 20. p„r Cento minder krijgen zal, als op de Comptoiren Palicol, Iagger„ naijkpoeram en Bimilipat„ nam. D E. Comp. e nog eenige gunst van zijn Hoogheijd van nooden hebbende, zal hij dezelve met alle bereijdvaardigheijd bewijzen, dog daar en tegen moeten Haar Edelens aan den vorst bij occagie dat hij in verlegendheijd is, eenige geld ter leen geeven, mitsgaders met volk etc. as„ sisteeren. Thans mijn vorst zeer verlee„ gen zijnde om geld, wegens de zaak van zijn Landen, zoo ver„ zoekt hij DE. Comp. e zeer vrien„ delyk hem een lak pagooden te leenen, waar voor hij zijn Landen onder haar Ed.e. verpanden den 22. April 1779 en

NL-HaNA_1.04.02_3540_0460 view scan ↗

English

grant a seaport, and determine the period of one year to repay that money, although such could happen before that time. I pray Your Right Honorable strictly to take favorably to heart all that is written herein, as well as to cause the friendship between the Dutch Company and the prince to increase from day to day. Was signed Chamoe Patrooe. Below stood for the translation according to the interpretation of the Brahmin Wengeta Soebaraijer Aijen; Nagapatnam, the 21st of April 1779. Was signed A:m Dormieux, Your Right Honorable's Translator. The prince wishes to grant the Company a seaport. 188. The 22nd of April 1779. Non-consent therein. Remark why such happened. And after the aforementioned writing was also read, it was remarked by the Lord Governor that the generous offer made from the side of His Highness to grant to the Company a seaport along with some villages in his realm seemed to have no other purpose than to move this Council thereby to grant His Highness a loan of one lak of pagodas upon the pledge of lands, for which that prince was very much at a loss; but that this request could by no means be granted, on the grounds that this Council was not authorized to advance Company funds to native princes, or to accept places on such conditions; especially from a prince almost unknown to the Company, and moreover Resolution to thank for the offered seaport. The requested loan of money excused. incapable of defending his own land, and accordingly, as well as from the consideration that in this critical state of affairs it would by no means suit the Company to establish any more trading posts on this Coast, it was approved and understood to thank the aforementioned prince most kindly in the name of the Company for the offered seaport in his states; and at the same time to excuse oneself to His Highness in the politest terms regarding the requested loan of money of 188. The 22nd of April 1779. To recommend the Dewan to the prince, and to request His Highness's friendship. one lak of pagodas, under the representation that such a considerable sum cannot be spared from the stock here, and that, moreover, one cannot proceed to such an advance of funds without the special consent of Their High Mightinesses. Furthermore, it was resolved to recommend the Dewan Chamoe Patroe to the prince's favor, and to request the friendship of His Highness for the Dutch East India Company. Thus done and decreed in the Castle at Nagapatnam, Nagapatnam, date as above. Was signed as before. Thursday, the 29th of July Anno 1779, in the morning at eight o'clock, Meeting of Policy, Absent: The titular merchant and Second Warehouse Master Joan Daniel Simons, on account of indisposition. Production of a translated letter written by the Nabab to Tadama, item copy of the reply thereto. Insertion of those papers. There was produced in the meeting by the Lord Governor a translated Persian letter written by the Nabab Machomet Alichan on the 18th of June of this year from Madras to the Chief of Palliacatta, the merchant Nicolaas Tadama, together with a copy of the reply written by the said Chief to the Nabab, the same reading verbatim as follows. 189. The 29th of July 1779. Translation of a Persian letter written by the Nabab Machomet Alichan to the Palliacatta Chief, the Honorable Nicolaas Tadama, dated the 18th of June 1779 from Madras. After the usual greetings. I have come to know that rice and other goods have been brought from Nagapatnam into the Dutch fort at Palliacatta, and that Your Honor sells the same to the merchants, and that they in turn provide it to the weavers upon the delivery of cloth. It is always a custom that whoever takes goods in the Dutch fort also pays the duty to the Sarkar, which Your Honor, however, has prevented this year. This seems to me not to be good. Your Honor is aware that I uphold all matters of the Dutch Company according to custom and justice. Since I live in sincere friendship with the Dutch Company, I write the aforementioned to Your Honor so that you may oblige the merchants to pay the duty on the rice and other goods to the Havildar according to the former customs. Below stood the signature of the Nabab in a mark. 190. The 29th of July 1779. To His Highness, the Lord Subah Machomet Alichan, Ruler of these Carnatic Lower Lands, holding court at Chepakum in Madraspatnam. High Noble Lord! I received Your Highness's letter of the 18th of this month yesterday. The rice that was successively brought by Company vessels and stored in the warehouses within the Dutch fort at Palliacatta, the Right Honorable Lord Governor and Council at Nagapatnam sent here in order to cede the same to the Company's merchants and the other subjects of the Dutch Company for a certain set price. The said merchants and various others belonging under the jurisdiction of our Company have been beneficiaries of that sustenance, not with the intention to

Dutch transcription

zeeplaats schenken, en de tijd van een Jaar bepaalen zal, om dat geld weder afteleg„ gen, alschoon zulx voor die tyd geschieden konde. Ik bid uwel Edele Gestrenge al het geen hier in geschreeven staat goedgunstiglyk ter harte te neemen, mitsgaders de vriend„ schap tusschen de Hollandsche Comp„e, en den vorst van dag tot dag te doen toeneemen. /:was geteekend:/ Chamoe Patrooe. /:onderstond:/ voor de overzetting volgens vertaa„ ling van den Bramine wenge„ ta Soebaraijer Aijen; Naga„ patnam den 21. ' April 1779. /:was geteekend:/ A:m Dormie„ UE. G. Transl. r den vorst wil aan de Comp:e een En na dat het voorschreeve geschrift almeede geleezen was, is door den Heer Gouver„ neur geremarqueerd, dat de gulhartige aanbieding die 'er van de zijde van zijn Hoogheijd gedaan word, om aan de Maat„ schappij een zeeplaats nevens eenige ver 1 188. den 22. April 1779 nonbewilliging daar in, eenige dorpen in zijn Rijk te schenken, geen ander oog„ merk scheen te hebben, dan remarque waarom zul gesched, om daar door deezen Raade te beweegen, om aan zijn Hoogheijd op pant van Landen een Lak pagooden ter leen te geeven, waar„ om dien vorst zeer verleegen was; dog dat in dit verzoek geenzins kon worden bewilligd, uijt hoofden deezen Raade niet geauthoriseerd was, om Comp. s gelden aan Inlandsche Vorsten op te schieten, of op zodanige voorwaarden, plaatschen te accepteeren; voor al van een Prins bij de Maatschappij ge„ noegzaam onbekend, en boven dien J plaats te bedjanken; seeren, dien onvermogend om zijn eijgen Land te beschermen, en is dien conform en teffens uijt over„ weeging dat het in deeze Cretigi gesteldheijd van tijd, de Maat„ schappij geenzins zoude conve„ nieeren om eenige meerdere Comptoiren ter deezer Custe aanteleggen, goed gevonden besluit voor de aangeboode zee,„ en verstaan, den voorschreeve vorst uijt naam van de Com„ pagnie, op het aller vriendelijk„ ste te bedanken voor de aan„ geboode zeeplaats in zijne staaten; en zig teffens bij zijn de verzogt gelb leeningt ex u„ Hoogheijd in de beleefdste termen te excuseeren wegens de verzogte geldleening van een 2 188. den 22. April 1779 den Duan aan den vorst te recommandeeren, een lak pagooden, onder ver„ tooning dat zulk een aanzien„ lijke som uijt den voorraad alhier niet kan worden gemist, en men boven dien tot zulk een opschieting van penningen niet kan overgaan buijten speciaal concent van Hunne Hoog Edelheedens. Voorts is verstaan den Duan Chamoe Patroe in se vorsten gunst te recomman„ =deeren, en om de vriendschap van zijn Hoogheijd voor en om dijn wianschapt verzeken de Hollandsche Oost Jndische Compagnie te verzoeken. Aldus gedaan en gear¬ resteerd in't Casteel tot Nagapatnam door den Nabab aan Tadama geschreeven, Donderdag den 29. Iuli A. o 1779. 's morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie, Ab sent Den koopman titulair en Tweede Pak„ huijsmeester Ioan Daniel Simons, mits indispositie. producte van een rantlaet buet Is door den Heer Gouverneur ter vergaderinge geproduceerd een Translaat Persiaansche missive door den Nabab Mac„ homet Alichan op den 18 Junij deezes Jaars uijt Madras geschreeven, aan het Opperhoofd Nagapatnam dato voorsz. /:was geteekend:/ als vooren. van 189. den 29. Julij 1779 daar op, Insertie van die papieren, van Palliacatta, den koopman item Copia van het antwoord Nicolaas Tadama, nevens een Copie van het antwoord door het gemelde Opperhoofd aan den Nabab geschreeven, luijdende dezelve woordelijk als volgd. Translaat eener Persi„ aansche Missive, dooor den Nabab Machomet Ali„ chan aan het Palliacats opperhoofd den E. Heer Nicolaas Tadama in dato 18. Junij 1779. van Maaras geschreeven. Naar gewoone groete. Ik ben te weeten gekomen dat 'er van Nagapatnam Rijst en andere goederen in het Hol„ landsche Fort op Palliacatta aangebragt zijn geworden, en dat uwel Edele dezelve aan de kooplieden verkoopt, mitsg.:s dat zijlieden die weder aan de weevers weevers op leverantie van Lij„ waaten verstrekken. 't Is altoos een gebruijk, de geene die de wharen in het Hollandsche fort neemt, dat hij de geregtig„ heijd ook aan den Cerkaar be¬ taald, het geen uwel Edele egter in dit Jaar belet heeft. Dit schijnd mij toe dat niet goed is. 't is uwel Ed. bewust dat ik alle zaaken van de Hol„ landsche Comp„e volgens gewoon te, en regt doe stand grijpen. Nadien ik met de Hollandsche Compagnie in een opregte vriendschap leef, zoo schrijf ik 't voorsz: aan uwel Edele op dat dezelve de Kooplieden verpligten kunt, om volgens de voormaalige gewoontens de geregtigheijd van de rijst, en andere goederen aan de Haweldaar te betaalen. /:on„ derstond:/ de handteekening van de Nabab in een merk. Aan 2 190 den 29. Julij 1779 Aan zijn Hoogheijd, Den Heer Souba Machomet Alichan, Beheerscher deezer Carnatica„ sche beneede Landen, Hof„ houdende te Chepakum op Madraspatnam. Hoog Edele Heer! uw Hoogheijds brief van den 18. deezer heb ik gisteren ontvangen. De vyft die successive met 's Comp. s vaartuijgen aangebragt en in de magazynen binnen het Hollandsche Fort op Pallia„ catta opgeslaagen is, heeft den wel Edelen Gestrengen Heer Gouverneur en Raad tot Naga„ patnam dit heen gezonden om dezelve aan 's Comp. s koop„ lieden en de verdere onderdaa„ nen van de Hollandsche Compe voor een zeekere bepaalde prijs over te laaten. Gemelde kooplieden en meer, andere onder het resort van onze Comp. e gehoorende, zyn genieters van dat buijkvoed zel geweest, niet met dat inzigt om

NL-HaNA_1.04.02_3540_0468 view scan ↗

English

to carry on trade therewith, but solely for the use of their household, and the distribution of the same to those who are active in the service of our Company. If it had previously been a custom that for foodstuffs of that nature payment was made to the Sircar, then I would likely have followed that maxim, for introducing innovations is against the orders of my Lords and Masters. The contrary, however, can be proven, for everyone who has been resident at Palliacatta for some years knows that at the time of the late Chief Dormieux, in the years 1772 and 1773, not only to the Company's merchants, but even to nearly all inhabitants of Palliacatta, the paddy which had been brought by the Company's vessels was offered for sale for a certain price. Did at that time a single person belonging under our flag pay to the sircar the value of a fanam for the paddy enjoyed? No one will be able to demonstrate this to me, and therefore the person who gave this matter to Your Highness is of a mistaken notion, or ignorant regarding the privileges of our Company. I shall however, in order not to bring upon myself the displeasure of Your Highness, not fail to present the translation of Your Highness's letter, and the answer given thereto by me, at the first opportunity to my Commander, the Right Honorable and Valiant Lord Governor at Nagapatnam, who will probably immediately provide Your Highness with the required light in this matter, and will grant me orders as to how I, regarding this affair in which I cannot nor may make the least change without the prior knowledge of the Right Honorable and Valiant Lord Governor, shall have to conduct myself. With respect to other goods I can report nothing, while the same are totally unknown to me. Your Highness may be fully assured that I employ everything to the advantage of the sircar, and that indeed with the view thereby to gain the increase of Your Highness's affectionate goodwill towards the Dutch Company. It was underwritten: High Noble Lord! Lower: Your Highness's very obedient Servant. Was signed: N.s Tadama. In the margin: Palliacatta the 25th of June 1779. And since from the contents of the aforementioned letters it has become apparent to this Council that one has sought to put into His Highness's mind that in this year private rice was brought from here to Palliacatta, which one had made pass for Company's rice, it has been resolved and understood to request the Lord Governor to assure His Highness the Nabob in the most friendly manner that all the rice that was brought this year from here to Palliacatta with the Company's vessels belonged to none other than the Company, and was sent from here with no other object than to serve as provisions for the garrison and for the convenience of the merchants and other subjects of the Company belonging there, to whom one is accustomed annually to yield the aforementioned necessary food for a modest price: citing further that this Council trusts that this custom will be well known to His Highness, and that it therefore also expects from the equity which governs all his actions, that His Highness will be pleased to write to his Havildar to permit the import of that rice without collection of any toll; because the import thereof occurs according to old customs and the prerogatives granted by the former Emperors and princes of this Country to the Dutch Company, and whereby to Her both at Palliacatta and elsewhere freedom is granted for the import and export of all goods and provisions, under which at Palliacatta the free import of rice is specially mentioned. Furthermore, for the greater confirmation of this privilege, it is understood to request the Lord Governor to briefly cite in the letter to His Highness: That by the great Farman of the Emperor Orangseeph dated 24 October 1689 the Company was liberated from all tolls on all goods occurring both at Palliacatta and elsewhere; as well as from all tax on all provisions for Her own use, which should be brought by water or by land. That this Farman was subsequently confirmed by a general Parwana of the Imperial Chancellor of the Mogul Empire Achetchan, dated 8 November 1698. That besides this the Company still possesses the Parwana of the Emperor's Duan Bassaratchan, granted in the year 1690, in confirmation of the great Farman. And finally that these preeminent privileges have since been further confirmed by the Emperor himself and his Ministers, in the 34th and 39th year of the Emperor's reign, and subsequently have been respected by all Regents of the Hyderabad realm and these lower Lands up to the present day. And to add hereto in conclusion that one also expects regarding this from His Highness that His Highness will acknowledge the just cited lawful privileges of the Dutch Company, as well as as a consequence

Dutch transcription

om daar meede negotie te drij„ ven, maar alleen tot gebruijk van hun huijshouding, en uijt„ deeling van het zelve aan de„ zulke, welke werkzaam zijn in den dienst van onze Comp. e was het bevoorens een ge„ bruijk geweest, dat voor eet„ wharen van die natuur aan den Cercaar betaald wierde, dan hadt ik dien maxime waarschijnlijk opgevolgd /:want nieuwigheeden in te voeren, is tegens de ordres van mijne Heeren en Meesters :/ Het contrarie is egter te bewijzen, want ieder een die zedert eenige Jaaren op Palliacatta woon¬ agtig is, is bekend, dat ten tijde van het geweesen Opper„ hoofd Dormieux, in de Jaaren, 1772. en 1773., niet alleen aan 'sComp. s kooplieden, maar zelfs bij na aan alle ingezee¬ tenen van Palliacatta, de Nelij welke met 's Comp. s vaar„ tuijgen was aangebragt, voor een zeekere prijs is uijtgeveijlt geworden. Hleeft er toen wel een 1 191. een eenig persoon, onder onze vlag sorteerende, aan den serkaar de waarde van een fanum voor de genotene nelij betaald. Dit zal mij niemand kunnen aantoonen, en dier„ halven is den geenen, die uw Hoogheijd deeze zaak aan„ gegeeven heeft, in een verkeerd begrip; of onkundig omtrend de privilegien van onze Maat„ schappij. Ik zal egter, om het ongenoegen van uw Hoog heijd niet op den hals te haalen, niet manqueeren, het Trans„ laat van uw Hoogheijds mis„ sive, en het daar op door mij gegeeven antwoord, bij eerste gelegentheijd mijn Gebieder den wel Edelen Gestrengen Heer Gouverneur te Naga„ patnam aan tebieden, die 0„ uw Hoogheijd waarschijnelij„ ker wyze het vereyschte ligt in deezen immediaatelijk zal laaten toekomen, en aan mij ordre verleenen, hoe ik mij omtrend deeze affaire in welke ik zonder voorken„ nis van den wel Ed. Gestrengen den 29 Julij 1779 Heer nop. s Comp. s nelij en rijst in een ander denkbeeld hadf zoeken te brongen, Heer Gouverneur, geen de minste verandering kan, nog mag maaken, zal hebben te gedraagen. Ten opzigte van andere goede„ ven kan ik niets melden, terwijl mij dezelve ten eenemaal on„ bewust zijn. Uw Hoogheijd kan ten vol„ len verzeekerd zijn, dat ik alles ten voordeele van den ser kaar aanwende, en dat wel met inzigt om daar door te gewinnen de toeneeming van uw Hoogheijds toedraagende genegentheijd voor de Holland„ sche Compagnie. /:onderstond:/ Hoog Edele Heer! /. lager uw Hoogheijds zeer dienstwil„ lige Dienaar /:was geteekend:/ N. s Tadama. /. in mar„ gine:/ Palliacatta den 25. ' Junij 1779. „ blijking daar uijt dat men den Nabab En dewijl uijt den inhoud van de voorschreeve brieven, aan deezen Raade gebleeken is, dat men zijn Hoogheijd in het 6 192. den 29. Julij 1779. te verzeekeren, het denkbeeld heeft zoeken te brengen, dat 'er in dit Jaar van hier particuliere rijst op Palliacatta zou weezen aangebragt, die men voor Compagnies rijft hadt doen doorgaan, zoo is goedgevon„ den en verstaan, den Heer Gouverneur te verzoeken, om aan zijn Hoogheijd den Nabab op de allervriendelyjk ste wijze te verzeekeren, bestut ken het tegendee daar an dat al de rijst die 'er van dit Jaar met Compagnies vaar„ tuijgen van hier op Palliacat„ ta is aangebragt, niemand anders als de Compagnie heeft toebehoord, en met geen ander oogmerk :/ 25. van en te verzoeken om het invorderen van thol daar voor, te interde„ ceeren, oogmerk van hier gezonden is, als om te dienen tot ver„ strekking aan het guarnisoen en tot gerief van de Kooplie„ den en verdere onderdaanen van de Compagnie aldaar thuijs hoorende, aan wien men Jaarelijks gewoon is het voor„ schreeve noodwendig voedsel voor een modiquen prijs af te staan: onder aanhaaling wijders dat deezen Raade vertrouwt dat dit gebruijk aan zijne Hoogheijd wel zal bekend weezen, en dat zij derhalven ook van de bil„ lijkheijd die alle zijne daaden bestierd verwagt, dat Hoog„ dezelven 193 op wat fundament zulx te doen, dezelven zinen Haweldaar zal gelieven aanteschrijven om den invoer van die rijst zonder invordering van eenige tol toe te laaten; uijt hoofde den invoer daar van geschied volgens oude gewoon„ tens en de prevogativen door de voorige Keijzers en vorsten van dit Land aan de Hollandsche Compagnie verleend, en waar bij aan Haar zoo op Palliacatta als elders tot vrijheijd is toegestaan op den in- en uijtvoer van alle goederen en mond behoeften, waar onder op Palliacatta wel den 29. Julij 1779 6 speciaal huijs vervolg speciaal genoemd is den vrijen invoer van rijst. Voorts is tot meerder bevestiging van dit voorregt verstaan den Heer Gouver¬ neur te verzoeken, om bij den brieff aan zijn Hoog„ heijd kortelijk aan te haalen Dat bij het groot Ferman van den Keijzer Orang„ seeph gedateerd 24. october 1689. de Comp„e is gelibe„ reerd geworden van alle thollen op alle wharen val„ lende zoo te Palliacatta als elders; mitsgaders van alle belasting op alle mondkost voor haar eijge gebruijk 99. 194 den 29. Julij 1779 nader vervolg gebruijk, die te water of te Land zou worden aange„ bragt. Dat dit Firman vervol„ gens geconfirmeerd is door een generaale Parwanna van den Rijks Cancelier van het Mogolsche Rijk Achetchan, gedateerd 8. November 1698. Dat de Comp„e buijten dit nog bezit den Parwanna van 's Keijzers Duan Bas¬ saratchan, in den Jaare 1690. verleend, tot Confirma„ tie van het groot Firman. En eindelijk dat deeze praeminente voorregten sedert wat diemwigens venwegt werd, sedert nog door den Keijzer zelve en zijne Ministers nader bevestigt zijn, in het 34. en 39. Jaar van 's keyzers troon zitting, en vervolgens door alle Regenten van het Heijdrabatsche rijk en deeze beneeden Landen zijn ge„ respecteerd geworden tot op den tegenwoordigen dag En hier bij tot slot te voe„ gen dat men dienaangaan„ de ook van zijn Hoogheijd verwagt dat Hoog dezelven de zoo even geciteerde wettige privilegien van de Holland„ sche Compagnie zal erken„ nen, mitsgaders als een gevolg

NL-HaNA_1.04.02_3540_0477 view scan ↗

English

195 order to Tadama not to cause prejudice to the sercar, in consequence of that acknowledgment you will be pleased to give orders that at Palliacatta the Company shall be left in possession of the privileges which it has always enjoyed. Subsequently, for the prevention of all discrepancies, it was approved and understood to write to and order the Chief Tadama with all earnestness, above all to take care that the sercar not be prejudiced by the importation of private goods in the name of the Company. Thus done and resolved the 29th of July 1779 in the Castle at Nagapatnam, date as above. Was signed as before. Wednesday the 18th of August 1779. In the morning at eight o'clock, Council of Policy, Absent: The Merchant and Fiscal Martinus Koning, due to indisposition. There was produced in the meeting by the Right Honourable Governor a translated letter written to His Honour by the Albeschik of the Tanjore Court, 196. Insertion of the same, the 18th of August 1779 written, dated Tanjore the 26th of July 1779, which upon reading was found to be of the following content: Translation of a Marathi letter written to the Right Honourable, Valiant Sir Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel with the dependencies thereof, by Simha Rasoe Naragarie Pandit, alias Batjana, dated Tanjore the 26th of July 1779. After preceding compliments. I have duly received Your Honour's letter, and have understood from it that since six recognition elephants from Jaffanapatnam had arrived there, the prince's people therefore had to be sent from here to collect the same. At present the envoy Anaatje Pandidaar departs thither for that purpose, and I request Your Honour to have the elephants that are sick cured, and to send the same here according to custom. I have also given orders to the said envoy to grant a receipt according to usage. Further news Your Honour shall learn from his mouth. What more shall I write to a friend than that I request the perseverance of friendship and affection. Underneath stood: For the translation according to the translation of the Brahmin Wengeta Soebaraijer Aijen. Nagapatnam the 6th of August 1779. Was signed: A:m Dormieux, Translator. 197 The 18th of August 1779 Notification to have the 5 recognition elephants and the present collected. What the envoy replied thereto. Continuation. And after the reading of the aforesaid missive it was made known by His Honour that upon the receipt of the aforesaid letter he had indeed notified the envoy Anaatje Pandidaar that the five elephants still at hand here, along with the usual present of red cloth, etc., were ready to be received, and that he consequently had to send his Tanjore cornacs to collect those animals; but that the said envoy had replied thereto that he had orders from his Court not to receive those animals before and until he had informed the Albeschik by letter that all those animals were healthy; with further promises to His Honour to dispatch that letter the following day and to communicate the answer thereto within eight days; but that this had not occurred up to now. Thus, however detrimental the keeping of such costly animals is for the Company, especially since the same, being subject to various ailments, sometimes die very suddenly; it was nevertheless approved and understood 198 To hold ready. Resolution: that the recognition [elephants] to await the answer of the Tanjore Court with patience, without entering into any further negotiation with the envoy concerning this, since experience has sufficiently shown how little is to be gained thereby; but in the meantime nevertheless to have everything put in readiness that is required for the delivery of the aforesaid elephants, in order that those animals can be handed over to the envoy upon the first presentation of the receipt. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam, the 18th of August 1779, date as above. Was signed as before. Tuesday the 31st of August 1779. In the morning at eight o'clock, Council of Policy, All present. Receipt of the secret letter of Bimilipatnam. What is communicated therein regarding Bimilipatnam. Deliberation and resolution regarding this. By the Bimilipatnam chiefs, by secret missive of the 25th of May of this year, which was now produced and read in the meeting, notice was first given of the receipt of the secret letter of this Government of the 29th of March prior, and subsequently 199. The 31st of August 1779 communicated that although Bimilipatnam and its subordinate villages, along with other lands, had already been leased out by the Vizianagaram princes to the Kommelli Regent Ramarasoe, the latter had nevertheless left the management of Bimilipatnam and adjacent villages entirely to the care of the Chiefs; and had only desired to be permitted to keep someone there to collect the duties and to give him an accounting thereof from time to time; adding further that by this no small hope was given to them that the trade and business of the Company there could be continued just as safely and peacefully as had occurred previously. Whereupon having deliberated, it was approved and understood to answer briefly to the aforesaid letter of the Bimilipatnam Chiefs that one has seen from the same with pleasure the good harmony that appears to reside between them and the Kommelli Regent, and to them

Dutch transcription

195 last aan Tadama om den sercar niet te doen benadeelen, gevolg van die erkentenisse ordre zal gelieven te stellen dat men op Palliacatta aan de Compagnie behouden laat de voorregten die zij ter altoos heeft genoten: Vervolgens is tot voorko„ ming van alle discrepantien goedgevonden en verstaan, het Opperhoofd Tadama met allen ernst aan te schrij„ ven en te beveelen, om voor al zorg te draagen dat den sercar niet benadeeld werde, door het invoeren van par„ ticuliere goederen op den naam van de Compagnie. Aldus gedaan en gear¬ den 29. Julij 1779 resteerd ze n ven 14 productie van een translat brief E van den Albeschik van Jans Joer, resteerd int Casteel tot Nagapatnam dato voor„ schreeven. /:was geteekend:/ als vooren. Woensdag den 18:' Aug„s 1779. 'S morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie, Absent Den Koopman en Fiscaal Martinus Koning, mits indispositie. Is door den Heer Gouverneur ter vergaderinge geproduceerd een Translaat brief door den Albeschik van het Tansjoer„ sche Hoff aan zijn Edele ge„ schreeven 196. Insertie van het zelve, den 18. Augustus 1779 schreeven, gedateerd TansJoer den 26. ' Julij 1779. die bij lec„ tuure bevonden is te zyn van den volgende inhoud. Translaat eener Ma„ ratthijse brief geschree„ ven aan den wel Edelen Gestrengen Heer Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Direc„ teur deezer Custe Cor„ mandel met den Re„ sorte van dien, door Simha Rasoe Nara„ garie Pandit /:alias Batjana :/ gedateerd Tansjoer den 26. Julij 1779. Naar voor afgaande Complimenten Mij is wel geworden uwel Edele Gestrenges brief, en hebbe daar uijt verstaan, dat dewijl aldaar zes recog„ nitie nitie Eliphanten van Iaf„ fanapatnam aangebragt waren, men dus van hier het volk van den vorst zenden moeste om dezelve aftehaalen. Thans vertrekt den sendeling Anaatje Pandidaar tot dien eijnde na derwaarts, en ik ver„ zoek uwel Edele Gestrenge om de Eliphanten die ziek zijn, te laaten geneesen, mitsgaders dezelve volgens gebruijk dit heen toe te schikken. Ik heb ook aan gemelde sendeling ordre gegeeven, om volgens usantie quitantie te verleenen. Het verder nieuws zal uwel Edele Gestrenge uijt zijn monde komen te verneemen. wat zal ik aan een vriend meer schrijven, als dat ik ver„ zoek om de volharding van vriendschap en genegendheijd. /:onderstond:/ voor de over„ zetting volgens vertaaling van den Bramine wengeta Soebaraijer Aijen. Na gapatnam den 6. Aug:s 1779. /:was geteekend:/ A:m Dormieux Franslr G. En 165. 197 den 18: Augustus 1779 aanzegging om de 5: recognitie Eli„ fanten en het geschenk te laaten afhaalen geantwoord heeft. En wierd na het leesen van den voorschreeven missive door zijn Edele te kennen gegeeven, dat wel denzelven op den ont„ vangst van den voorsz. brief den sendeling Anaatje Pan„ didaar hadt aangezegd, dat de vijff alhier nog aan handen zijnde Eliphanten, nevens het gewoon geschenk van rood laaken: ensz: gereed was om ont„ vangen te kunnen worden, en dat hij dienvolgende zijne Tans„ Joursche Cornax zenden moest om die beesten af te haalen; wat den sendeling daar op dog dat gemelden sendeling daar op hadt gerepliceerd, dat hij ordre hadt van zijn Hof om vervolg om die beesten niet te ontvangen voor en al eer hij den Albeschik bij een brief kennis gegeeven hadt, dat al die dieren gezond waren: met beloften verder aan zijn Edele om dien brief des anderen daags af te zenden en het antwoord daar op binnen agt dagen te communiceeren; dog dat dit tot nog toe niet was geschied: zoo is, hoe nadeelig ook, het aanhouden van dier„ gelijke kostbaare beesten, voor de Comp. e is; voor al daar de„ zelve aan diverse ongemakken onderheevig zijnde, somtijds zeer subiet komen te sterven; egter goedgevonden en verstaan het 107 198 klaar te houden het antwoord van het Tansjoer„ sche Hof met geduld af te wagten, zonder zig daar over in eenige verdere onderhandeling met den zendeling in te laaten, nadien de ondervinding genoegzaam geleerd heeft, hoe weijnig daar bij te winnen is, dog inmiddens besluijt die reog nite gter evenwel alles in gereedheijd te laaten brengen, wat tot het overleeveren van de voorsz. Eliphanten vereijscht wordt, ten eijnde die dieren op de eerste vertooning der quitantie aan den zendeling kunnen worden afgegeeven. Aldus gedaan en gearresteerd in het Casteel tot Nagapat„ den 18. Augusttus 1779 nam van Bimilip. nam, dato voorschreeven. /:was geteekend:/ als vooren. Dingsdag den 31: Augustus 1779. 'S morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie, Allen present. ontrange van den serete brief Door de Bimilipatnam„ sche opperhoofden is bij se„ creete missive van den 25. Maij deezes Jaars, die thans in vergadering geproduceerd en geleezen is, voor af kennis gegeeven van de receptie van den secreete brief deezer Regeering van den 29. Maart bevoorens, en vervolgens gecommu„ 199. gecompmuniceerd wordt, den 31. Augustus 1779 gecommuniceerd, dat schoon wat daar bij nopens Bimilip: Bimilipatnam en dies onder„ hoorige dorpen nevens meer andere Landen door de visia„ nagaramsche Princen bereeds in pagt waren afgestaan, aan den Kommellischen Regent Ramarasoe, deezen nogtans het bestier van Bi„ milipatnam en bijleggende Dorpen, geheelijk aan de Zorge van de Opperhoofdens hadt overgelaaten; mitsgaders al„ leen maar begeerd hadt om aldaar iemand te mogen houden om de regten te verzaamelen, en hem dierwegens van tyd tot tyd reekenschap te geeven; onder deliberatie en besluijt dierws onder bijvoeging verder dat hier door aan haar niet weijnig hoop wierd gegeeven, dat den handel en ommeslag van de Maatschap„ pij aldaar, even zoo vijlig en gerust zou kunnen worden voortgezet als voor heen ge„ schied was: Waar op gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan, op den voorschreeven brief van de Bimilipatnamsche Apper„ hoofden kortelijk te antwoorden dat men uijt denzelven met genoegen gezien heeft, de goede harmonie die 'er tusschen haar en den Kommellischen Regent scheijnt te resideeren, en hun dier„

NL-HaNA_1.04.02_3540_0487 view scan ↗

English

Order to make no further application for the leasing of Bimilipatnam, therefore, on account of the interest that the Company has in it, it is earnestly recommended to cultivate his friendship by recommending their fidelity in the administration of Bimilipatnam and subordinate villages, to take the utmost care for the interest of the aforesaid Regent, and to please him as much as possible in all other matters of little importance. Furthermore, with regard to the leasing of Bimilipatnam, it was agreed to write to the aforementioned Chiefs to make not 31 August 1779 the least application anymore to the Bimilipatnam Princes, in order to convince them in fact how little interest the Company needs to place in their friendship; adding further that if, however, in the course of time any opening should be made from the side of the princes, and they might deem it better to take Bimilipatnam into lease again, in that case to conduct themselves strictly according to what was written to them from here by secret letter of 29 March of the past year. Thus done and resolved Production of a letter and 2 declarations from the Nabab at Palliacatta The Nabab does not want toll levied for Company grains, in the Castle at Nagapatnam, date as aforesaid. Was signed as before. Monday the 20th of September 1779. In the morning at eight o'clock, Council of Policy, Absent The Merchant titular Mintmaster and Adigaar Willem Duynevelt due to indisposition. There was produced by the Governor in Council a letter written to His Honour by the Nabab Mahomet Alichan, dated 31 August of this year, accompanied by two declarations, serving in answer to the letter written by His Honour to His Highness on the 7th of August following, pursuant to a resolution of this table of the 29th of July last, concerning concerning the dispute arisen over it, the dispute that had arisen between the Chief and the Havildar of Palliacatta over the toll-free importation of rice. And whereas from the contents of the aforesaid letter and accompanying declarations it appears that His Highness is by no means of 20 September 1779 the opinion to have toll levied on the paddy and rice that is brought in with Company vessels and supplied to its servants, but indeed on that which is taken from the warehouses by Company merchants in order to sell it again to others; so, this having been deliberated upon, it was noted: Deliberation and observation 1. That the toll-free importation of rice and all other foodstuffs granted to the Company or its servants at Palliacatta certainly cannot be extended to not obstruct the collection of toll, further than as far as the consumption of those servants is concerned, as otherwise an all too harmful abuse of such a privilege could be made to the detriment of the sarkar; and That, secondly, this can be further proven and deduced from the sale of spices and other merchandise that the Company imports toll-free, but of which, as soon as they are sold, toll is paid to the sarkar by the Recommendation to Tadama buyer; and consequently it was approved and agreed to write to and recommend with all earnestness the Chief of Palliacatta, the merchant Nicolaas Tadama, no longer to prevent the sarkar from levying toll henceforth on the rice and paddy that Company merchants or others shall buy from the Company in order to be sold again by them to others or to be supplied to the weavers upon delivery of piece goods, as happened recently, or seems to have happened, since such a practice is contrary 20 September 1779 is contrary to the old custom in use at Palliacatta; with the further instruction to observe prudence in everything, and not to give the Nabab the least reason for displeasure, in order thereby to prevent getting into disputes with His Highness, especially over such trifles, since this would by no means suit the Company under the present circumstances of the times. Resolution to communicate such to the Nabab, Furthermore, it was agreed to answer the aforementioned letter from His Highness in polite terms, citing what has just been resolved regarding the writing to Chief Tadama about the payment of toll by the merchants for the rice or paddy that they shall henceforth buy from the Company. 20 September 1779 Yet what to answer regarding the cargo boats. Yet regarding the further complaints of the Nabab, that the Havildar at Palliacatta had always given the necessary orders over the cargo boats whenever the sloops appeared there at the roadstead, or depart from there, but that this was now done by the Chief, it was agreed to note in the outgoing letter to His Highness that the Dutch Company, or the Chief in its name, has always had the authority over this; and that a full proof thereof can be served by the fact that money is advanced annually by the aforesaid Chief for the maintenance of the chelingas and catamarans, which would not happen if they were not directly subject to the authority of the Chief.

Dutch transcription

# 200 last om tot het in pagt neemen van Bimilip. geen aanzoek meer te doen, dierhalven uijt hoofden van het belang dat 'er de Maatschappij bij heeft, ernstiglyk recomman„ deert, om zijne vriendschap aan te kweeken, door in de bestiering van Bimilipatnam en onder„ hoorige dorpen, hunne trouwe aanbevolen, voor het intrest van den voorsz. Regent de uijt„ terste zorge te draagen, en hem in alle andere zaaken van weij¬ nig belang zoo veel mogelijk te believen. Voorts is met opzigt tot het in pagt neemen van Bi„ milipatnam verstaan, de voorschreeve Opperhoofden aan te schrijven, om daar toe den 31: Augustus 1779 geen „ vervolg geen het minste aanzoek meer te doen bij de Bimilipatnam„ sche Princen, ten eijnde haar met 'er daat te overtuijgen hoe weijnig belang de Maatschappij in haare vriendschap behoeft te stellen, met bijvoeging verder, dat zoo daar toe egter in het ver„ volg van tijd, van der vorsten zijde eenige apening moest worden gedaan, en zij het beter oordeelen mogten Bimilipatnam weder in pagt te neemen, zig in dat geval stiptelijk te gedraagen na het geen haar van hier is aangeschreeven bij secreete mis„ sive van den 29. Maart J„o leeden. Aldus gedaan en gearres„ teerd N. 201 productie van een brief en 2. verklaringen van den Nabab, teerd in 't Casteel tot Naga„ patnam dato voorschreeven. /:was geteekend:/ als vooren. Maandag den 20. september 179. 'S morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie, Ab sent Den Koopman titulair Muntmeester en Adigaar Willem Duijnevelt mits indispositie. Is door den Heer Gouver„ N„o neur in Raade geproduceerd een missive door den Nabab Machomet Alichan aan zijn Edele geschreeven, zijnde gedateerd 31. Augustus deezes Jaars op Palliacatta den Nabab wil geen tol laaten heffen voor Comp. s graanen, Jaars, verzeld van twee ver„ klaaringen, dienende in ant„ woord op den brief door zijn Edele volgens besluijt deezer tafel van den 29. Iulij laast„ leeden op den 7. Augustus daar aan volgende aan zijn Hoogheijd geschreeven over wegens het ontstaan different het different dat er tusschen het Opperhoofd en den Ha„ weld haar van Palliacatta gereezen was, over den tol„ vrijen invoer van rijst. En dewijl uijt den inhoud van den voorschreeven mis„ sive en bijgevoegde verklaa„ ringen consteerd, dat zijn Hoogheijd geenzins van meening #5. 202 daar over, den 20. September 1779 meening is tol te laaten hef„ fen van de nelij en rijft die met Compagnies vaartuijgen aangebragt en aan haare dienaaren verstrekt wordt, maar wel van de Coopladen, maar wel van die, welke door Comp. s kooplieden uijt de Pakhuijzen genomen wordt om ze weer aan an„ deren te verkoopen; zoo is hier over gedelibereerd zijnde aangemerkt, 1. / Dat delitenatie en aanmerking den Thol vrijen invoer van ryst en alle andere eetwaren aan de Compagnie of haare Dienaaren op Palliacatta verleend, zeekerlijk niet verder kan worden g'ex „ tendeerd om het invorderen van thol niet te besetten, tendeerd, dan tot zoo ver de Consumptie van die dienaaren betreft, wijl 'er anders van zodanig een privilegie een al te schadelijk misbruijk voor den serkaar zou kun„ nen worden gemaakt; en Dat dit ten 2„de nader kan beweezen en afgeleijdt wor„ den, uijt den verkoop van specerijen en andere koop„ manschappen die de Compag„ nie tot vrij invoerd, dog waar van zo dra ze verkogt zijn, tot aan den serkar werdt betaald door den rerommandatie aan Jadama Kooper, en dienvolgende goedgevonden en verstaan het / 203 vervolg het opperhoofd van Palliacatta den koopman Nicolaas Padama met allen ernst aan te schrijven en te recom„ mandeeren, om voortaan niet meer te beletten dat door den sercar tol geheven werdt, van de rijft en nelij die Compagnies kooplieden of andere van de Comp e. zullen koopen, om weder„ om door haar aan andere verkogt of aan de wevers op leverantie van lijwaaten verstrekt te worden, gelik Jongst geschied is, of schijnt geschied te zijn, uijt hoofden zodanig een gedoente strijdig den 20. september 1779. is misnoegen te geeven, besluit zulks den Nalab te be„ deelen, is tegens de oude gewoonte op Palliacatta in gebruijk zijn„ de; onder aanschrijving verder om tog in alles de voorzigtigheijd te betragten, en den Nabab geen reeden van en den Nabab geen de minste reeden van misnoegen te geeven, ten eijnde daar door voor te komen, dat men met zijn Hoogheijd in dis„ put geraake, voor al over diergelijke klijnigheeden, wijl dit de Compagnie in de presente tijds gestelte„ nisse geenzins zou gelijken. Voorts is verstaan den opgemelde missive van zijn Hoogheijd in beleefde termen te 19/9 204 den 20. september 1779 dog wat omtrend de los vaar„ tuijgen te antwoorden. te beantwoorden, onder aan„ haaling van het geen zoo even beslooten is, over het betaalen van tol door de kooplieden voor de rijst of nelij die zij voortaan van de Compagnie koopen zullen, het Opperhoofd Tadama aan te schrijven. Dog aangaande de verdere klagten van den Nabab, dat den Hawveld haar te Palliacatta, altoos de nodige ordre gesteld hadt over de los vaartuijgen, wanneer de sloepen daar ter rheede verscheenen, of van daar vertrekken, maar dat zulx vervolg zulks nu door het Opperhoofd wierd gedaan, is verstaan bij den afgaanden brief aan zijn Hoogheijd te noteeren, dat de Hollandsche Comp e„ of uijt haaren naam het opperhoofd daar over altoos het gezag gehad heeft; en dat daar van tot een volko„ men bewijs kan dienen dat door het voorschreeve Opperhoofd Jaarelijks geld vooruijt verstrekt wordt, tot onderhoud van de Chia„ lengen en Cattemarauws, dat niet geschieden zou, zoo. zij niet direct onder het gezag van het Opperhoofd sorteerden

NL-HaNA_1.04.02_3540_0497 view scan ↗

English

the 20th of September 1779 offer of thanks for the expressed friendship to the Company belonged, with a further request to His Highness to allow the Company to enjoy this ancient privilege. Furthermore, it was agreed to thank the Nabab most sincerely for the friendship which His Highness professed to bear toward the Dutch Company, with a request to continue therein; under the further assurance that the Dutch Company desires nothing more than to cultivate, more and more, the friendship that subsists between His Highness and the Same through proofs of high esteem and affection. Furthermore, the Governor produced at the meeting a draft letter written by his Honour on the 14th of this month to the Albeschik of the Court of Tanjore: whereupon, after reading, it was approved and agreed to note herewith from it that his Honour requested the aforementioned Albeschik for the second time to send the Cornax and Mahaldaars hither as soon as possible, as well as to instruct the emissary once again to receive the four elephants still on hand here and to pass a receipt for their receipt according to custom. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam on the date aforementioned. was signed as above. Friday submission of a secret letter from the Bimilapatnam chiefs Insertion of the same at eight o'clock in the morning, Council of Policy, All present, Friday the 12th of November 1779. After the ordinary matters, described at length in today's common Resolutions, were dealt with, the Governor submitted to the meeting a secret letter written by the Bimilipatnam Chiefs to his Honour and the Council, dated the 24th of October 1779. Being of the following content. To the 12th of November 1779. To the Right Honourable, Rigorous Sir Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel, with the dependencies thereof, etc. etc. together with the Council there. Nagapatnam. Right Honourable, Rigorous Sir and Gentlemen! However much we thought we had reason to flatter ourselves, upon the dispatch of our humble secret letter of the 25th of May last, that the arrangements then made regarding this district by the Rajas would be found to have the desired effect for the affairs of this Factory, we have nevertheless been greatly disappointed in this our expectation by the continual change since then of Hawaldaars and Renters, which, although having no direct influence on the operations of the Company, has nevertheless disturbed the inhabitants of this and the surrounding villages to such a degree that more or less the general interest has thereby been halted and impeded. Since this extraordinary manner of proceeding was put into effect by the Rajas after Their Highnesses had enquired of us what answer we had received from your Honour regarding their proposals made, and after being informed by us that we were only authorized to take into custody Bimilipatnam and dependencies for the period of three years, at fifteen thousand Rupees per year, and to advance the three-year lease moneys to the amount of forty-five thousand rupees, provided that the sanads of the merchants were properly returned or nullified, we understood but too well that the intentions of the Rajas tended toward making known through deeds, by means of the difficulties that inevitably had to flow from this constant change, that displeasure which they had already previously expressed in words, by having us told how much it grieved them that, whereas they had lived in close friendship with the Company from time immemorial and had been supported by the same on all occasions according to their needs, they now had to remain deprived in these distressed circumstances of that help which they, as a continued proof of the ancient friendship, had with so much right expected from the Company. We foresaw already at that time how necessary it would be, in order to prevent all harmful consequences, to employ the most accommodating means, and thus immediately let Their Highnesses know in response to this statement how much the 12th of November 1779 we were subject to the strict execution of your Honour's orders, and that since they could have seen most clearly from the letters of the Right Honourable, Rigorous Governor how your Honour was bound to the issuance of those orders, we thought that the Rajas in fairness could not regard your Honour's rejection as an unfriendly act on the part of the Company, nor as an unwillingness to assist Their Highnesses in their need; but that the Rajas should rather consider that order as a necessary measure in the management of the affairs of the Company, and that on this account we dared to flatter ourselves that Their Highnesses would not wish to make the first breach concerning that friendship to which they themselves appealed. Yet

Dutch transcription

den 20. september 1779 dank offerte voor de betuijgde vriendschap aan de Comp. e derzelve, sorteerden, met verzoek wij„ ders aan Hoog Denzelven om de Compagnie van dit oude voorregt te willen laaten Louisseeren. Voorts is verstaan den Nabab zeer welmeenend te bedanken voor de vriendschap die Hoog denzelven betuijgd W de Hollandsche Compagnie toe te draagen, met verzoek van daarmeede te willen continueeren; onder verzee„ verzoek om de continuatie kering wijders dat de Hol„ landsche Compagnie niets liever wenscht, dan de G vriendschap die 'er tusschen zijn Hoogheijd en Dezelve tot 205 sub„ subsisteerd, door bewijzen van hoogagting en affectie meer en meer te cultiveeren. Wijders is door den Heer Gouverneur ter vergadering geproduceerd een concept missive door zijn Edele op den 14. deezer maand aan den Albeschik van het Tansjoersche Hof ge„ schreeven: waar op na lectuure goedgevonden en verstaan is, daar uijt bij deezen te noteeren, dat zijn Edele den voorschreeven Albeschik voor de tweede reijze verzogt heeft, om de Cornax en Mahaldaars ten 183 123 206 den 28. September 1779 ten spoedigsten dit heen te zenden, mitsgaders den zendeling andermaal te gelasten, om de alhier nog aan handen zijnde vier Eliphanten te ontvangen en voor dies ontvangst 1. na gewoonte quitantie te passeeren Aldus Gedaan en Ge„ arresteerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorschreeven. /:was geteekend:/ als vooren Vrijdag overlegging van een secreete brieff der Bimilak. opperh. Insertie der zelver 's morgens ten agt uuren, Vergadering van Politie, Allen present, Vrijdag den 12. November 179. Na dat de ordinaire zaa„ ken, bij de gemeene Resolu„ tien van heeden in het breede beschreeven, waren afgehandeld, heeft den Heer Gouverneur ter vergaderinge overgelegt een secreete mis„ sive door de Bimilipat„ namsche Opperhoofden aan zijn Edele en den Raad ge„ schreeven, gedateerd 24. October 1779. Zijnde van den volgende inhoud. Aan 1 207 den 12. November 1779. Aan den wel Edelen Gestr: Heer Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel, met den Resorte van dien, etc. etc. benevens den Raad aldaar. Nagapatnam. Wel Edele Gestrenge Heer en Heeren! Hoe zeer wij bij de afvaardi„ ging van onzen nedrigen se„ creete brief van den 25. Maij laastleeden reeden meenden te hebben ons te mogen fleyen, dat de schikkingen toen om„ trend dit district door de Rajas gemaakt van het ge„ wenscht gevolg zouden bevon„ den worden voor de zaaken van dit Comptoir, zoo zijn wij nogtans in deeze onze ver„ wagting grootelyks te leur gesteld door de geduurige verwisseling t sedert van Ha„ weldaars en Pagters, dat schoon geen onmiddelyken invloed had op de verrigtingen van de Compagnie, egter de ingezeetenen van dit en den om„ omleggende dorpen der maate ontrust heeft, dat min of meer het algemeen belang daar door gestremd en belem„ merd geworden is. Dewijl deeze buijten gemeene handel„ wijze door de Rajas werk„ stellig gemaakt wierd, na dat Hunne Hoogheedens bij ons hadden laaten ver„ neemen wat bescheid wij van uwel Edele Gestrenge ontvangen hadden over hunne gedaane voorslaagen, en na door ons onderrigt te weezen dat wij alleenlijk bevoegd waren tot het in wagt nee¬ men van Bimilipatnam en onderhoorigheeden voor den tijd van drie Jaaren, tegens vijftien duijzend Ropijen s Jaars, en tot de voor tuijt¬ verstrekking der driejaarige pagt gelden ten bedraagen van vijf en veertig duijzend ropijen, mits dat de sanados der kooplieden behoorlijk wierden te rug gegeeven of vernietigd, begreepen wij niet dan te wel, dat de inzigten van van de Rajas daar heen strekte, om door de swaarigheeden die onvermijdelijk uijt deeze geduurige verandering moesten voortvloeijen, dat misnoegen door daaden te kennen te geeven, welk ze reeds te vooren met woorden hadden gedaan, door ons te doen betuijgen hoe zeer het hun ter harten ging, daar ze van onheugelijke tij„ den af met de Compagnie in een naauwe vriendschap hadden geleefd, en bij alle gelegenheeden door dezelve naar gelang van hunne be„ hoeften waren ondersteund geworden dat ze nu in deeze nood leijdende omstandigheijd moesten ontsteeken blijven van die hulpe welke ze als een aanhoudend bewijs van de aloude vriendschap met zoo veel regt van de Comp. e gehoopt hadden. wij voorzaagen al te dier tyd hoe noodzaakelijk het waare ter voorkoming van alle schadelijke gevolgen, de in„ „ schikkelykste middelen te werk te stellen, en lieten dus ten bescheijd op deeze betuijging al terstond Hunne Hoog heedens weeten, hoe zeer den 12. November 1779 tot 208 wij 6 wij onderworpen waren tot de stipte volbrenging van uwel Edele Gestrengens be„ veelen, en dat daar ze uijt de brieven van den wel Edelen Gestrengen Heer Gouverneur ten duijdelijksten hadden konnen zien, hoedanig Uwel Edele Gestrengens zelvers tot de afgave van die bevee„ len verbonden waren, wij vermeenden dat de Ratjas in billijkheijd de afwijzing van uwel Edele Gestrengens niet konden opneemen als een onvriendelijken daad van wegens de Compagnie, nog als eene onwilligheijd om Hunne Hoogheedens in der„ zelver nood behulpig te weezen; maar dat de Rajas die ordre veel eer moesten aanmer „ ken als een noodzaakelijke maatregel in de bestiering van de zaaken van de Maat„ schappij, en dat wij uijt dien hoofden ons durfden fleijen dat Hunne Hoogheedens niet zouden wenschen de eerste inbreuk te maaken omtrend die vriendschap waarop ze zig zelven beriepen. Dog

NL-HaNA_1.04.02_3540_0505 view scan ↗

English

the 12th of November 1779 299 Yet seeing that with all our precaution we were not able to induce the Rajas to a confirmed form of government in this district, we decided the most prudent course was to leave all other circumstances disregarded, and only to exert our utmost power, so far as it were feasible, to secure the interests of the Company and those of its merchants against all the harmful effects of the Rajas' designs, which has succeeded according to our wishes to such an extent that not only has the sale and collection continued until now without any noticeable impediment, but also that the merchants have now remained exempt for two years from paying the monies which they owed to the Rajas according to their sanads. But since the shortage of money has increased to such an extent that the Rajas fell into much greater distress, they finally decided they finally decided to resort to stricter measures in order to enforce the satisfaction of their demand upon the merchants; and although they at the same time had us assured that their intention was not to cause any detriment to the trade of the Company, they nevertheless sent sepoys here to demand from the merchants the full payment of the outstanding monies of their sanads from two years ago, and meanwhile had all the betilles detained there which had been procured by them in satisfaction of the demands of the Homeland, which according to ancient custom had to be chopped at Visianagaram. Upon the first report of this, we dispatched the servant Tjina Tambie to Visanagaram in order to demonstrate to the Rajas to demonstrate how this conduct conflicted with their given assurance, and how greatly the trade of the Company was immediately impeded thereby. The Rajas then used that opportunity to complain loudly about our indifferent conduct toward them, in a circumstance where they were so heavily pressed by distress, without that being able to move us to provide them with the necessary assistance on behalf of the Company. Their Highnesses then indicated that they were greatly distressed for a lakh or hundred thousand rupees, and since they had left Bimlipatnam alongside the other twelve villages belonging thereto to the Company for 17: 210 the 12th of November 1779 fifteen fifteen thousand rupees a year, that they in addition would cede the village of Pollepillij and another according to our choice to make up the missing five thousand rupees, in order to increase the lease to twenty thousand rupees a year, and thus to satisfy the capital advanced in five years, for which purpose Their Highnesses offered to enter into a five-year contract with the Company, not only to return the sanads of the merchants, but also to forgive them the two outstanding years. The Rajas declared that a singular favor would be shown to them by this assistance, and that all their lives in every circumstance in which they could be of service to the Company, they the 12th of November 1779 261 would acknowledge such with gratitude. Their Highnesses furthermore had us told that in this respect they were expecting no objection from our side, since their demand amounted to only fifty-five thousand rupees more than Your Right Honorable had already granted, against which a sufficient security was to be given to us for the proper settlement of the entire advance in the space of five years. And since the villages mentioned in this were now to be ceded for so much less lease, so that the Company could suffer not the least damage thereby, Their Highnesses declared that on that ground, and for the further reasons adduced, they considered themselves fully assured that the entering into the proposed stipulation would be entirely approved by Your Right Honorable; the more so because there was already a precedent for a five-year contract and the advance of such an amount as they now requested from the Company by way of an advance payment. We had the Rajas informed that although we did not doubt that this offer would please Your Right Honorable much better than any of their previous demands and we rejoiced alongside them that Your Right Honorable, out of consideration of the ancient friendship between the Company and the Rajas, would be inclined to consent to the proposed contract, we nevertheless could not proceed without the permission of Your Right Honorable to the 12th of November 1779. to the entering into any other stipulation than had been prescribed to us by Your Right Honorable, nor to the disbursement of more monies than we have been authorized to do. But that we would give the required report of the entire proposal of the Rajas to Your Right Honorable, and request their favorable consent to entering into the proposed five-year contract, regarding which we promised the Rajas to procure an answer within forty days by means of the English tappals. But the Rajas informed us that the distress was so great that they had to be helped without any further delay, without the matter being referred further, and if such could not happen, that they would then take recourse to other measures. N 212

Dutch transcription

den 12. November 1779 299 Dog ziende dat met al onze voor„ zorge wij niet in staat waren de Rajas te beweegen tot een bevestigde Regeerings vorm in dit district, beslooten wij het voorzigtigst middel te zijn alle andere omstan„ digheeden ongemerkt te laaten, en alleen onze uyt„ terste vermogen te werk te stellen, om zo verre het doenelijk waare, de belan¬ gens van de Maatschappij en die van derzelver Koop„ lieden te beveijligen, tegens alle de schadelyke uijtwerkzels van des Radjas oogmerken, het geen ons in zoo verre ook naar wensch gelukt is, dat niet alleen den vertier en Inzaam tot nu toe zonder eenig merkelijke verhindering is voortgezet, maar teffens dat de kooplieden nu sedert twee Jaaren zijn bevreijd ge„ bleeven van het betaalen der gelden, die ze volgens Hunne Sanadoes aan de Rajas schuldig waren. Maar t' sedert dat het geld gebrek zoo zeer is toegenomen, dat de Rajas in veel grooten verlegenheijd geraakten, beslooten beslooten ze eijndelijk stren„ ger middelen bij der hand te neemen, ten eijnde de voldoening van hunnen eijsch op de kooplieden uijt„ tewerken; en schoon ze ons teffens lieten verzeekeren dat hun voorneemen niet was den handel van de Compagnie eenig nadeel toetebrengen, zonder ze nogtans sipaaijs hier om van de kooplieden de volle betaaling der agterstallige gelden van hunne sanados sedert twee Jaaren af tevor¬ deren, en lieten inmid„ dens alle de bethilles die door denzelven bezorgd waren in voldoening der Patriasche Eijsschen, de„ welke volgens al oud gebruijk te visianagaram moesten gesjapt worden, aldaar aanhouden. Wij vaardigden op het eerste berigt hier van den dienaar Tjina Tambie naar Visana„ garam, om aan de Rajas - te te vertoonen hoedanig deeze handelwijze tegens hunne gegeevene verzeekering streijde, en hoe zeer daar door dadelijk den handel van de Comp. e gestremd wierd. De Rajas maak„ ten toen van die gelegen„ heijd gebruijk om hoogelijk te klagen over ons onver„ schillig gedrag ten hunnen opzigte, in eene omstan„ digheyd daar te zoo zeer door de Nood geprangd wierden, zonder dat zulx ons konde beweegen om van wegens de Compagnie hen de nodige onderstand toetebrengen. Hunne Hoogheedens gaven toen te kennen dat ze grootelijks verleegen waren om een lak of honderd duijzend Ro„ pijen, en dewijl Le Bimi„ lipatnam nevens de overige daar toe gehoorende twaalf dorpen aan de Compagnie ƒ hadden gelaaten, tegens 17: 210 den 12. November 1779 vyftien :- ƒ n vijftien duijzend Ropijen 's Jaars, dat ze daar en boven het dorp Pollepillij en eene andere naar onze verkiezing zouden afstaan om de ontbreekende vijf duijzend ropijen uijttemaken, ten, eijnde de pagt op twintig duijzend Ropijen 's Jaars te vergrooten, en dus het voor uijt verstrekt Capitaal in vijf Jaaren te voldoen, waar toe hunne Hoog heedens aanboden een vijf jaarig Contract met de Comp„e aantegaan, de Sanados der kooplieden niet alleen te rug te geeven, maar hen ook de twee agter„ stallige Jaaren quijt te schel„ den. De Rajas betuijgden dat hen door deezen onderstand een zonderlinge gunst bewee„ zen zoude worden, en dat ze al hun leeven in ieder omstandigheijd waar in ze de Compagnie van dienst Konden den 12. November 1779 261 konden zijn, zulks met dank„ baarheid zouden erkennen. Hunne Hoogheedens lieten ons wijders zeggen, dat ze ten deezen opzigte geen tegenwerping van onze zeijde verwagtende waren, dewijl hunnen eijsch maar vijf en vijftig duijzend ro„ pijen meerder beliep, dan uwel Edele Gestr. reeds hadden toegestaan, waar en tegen ons eene ge„ noegzaame verzeekering stond gegeeven te worden, ter behoorlijke verevening van het geheel verschot in den tijd van vijf Jaaren En dewijl de in deezen vermelde dorpen voor zoo veel minder pagt nu stonden afgestaan te worden, zo dat de Comp=e geen de minste schade daar bij kan leijden, betuijgden Hunne Hoog heedens dat ze uijt dien hoofde, en om de verdere bijgebragte reedenen reedenen zig ten vollen verzee„ kerd hielden, dat het aangaan van het voorgesteld beding door Uwel Edele Gestrengens geheelijk zouden worden goedgekeurd; te meer om dat er reeds een voorbeeld was van een vijf jaarig Contract en het verschot van zodanig een bedraagen e als ze nu van de Comp„e bij vooruijtverstrekking verzogten. Wij lieten de Rajas te kennen geeven dat schoon wij niet twijfel den of deeze aanbieding zoude uwel Edele Gestrenge veel beter gevallen, dan eenige van Hunne voorige eijsschen en wij ons nevens hen frlijden, dat uwel Edele Gestrengens uijt overweeging van de al„ oude vriendschap tusschen de Compagnie en de Rajas geneijgd zouden zijn in het voorgesteld Contract te be„ willigen, wij nogtans niet buyten het verlof van Uwel Edele Gestrenge konden treeden tot den 12: November 1779. tot het aangaan van eenig ander beding, dan ons door uwel Edele Gestrengens was voorgeschreeven, nog tot de afgave van meerder gelden, dan wij bevoegd zijn geworden te doen. Maar dat wij van het gantsche voorstel der Rajas aan uwel Edele Gestrengens het vereijscht verslag zou„ den geeven, en om derzelver gunstige toestemming ver„ zoeken tot het aangaan van het voorgestelde vijf jaarig Contract, waar om„ trend wij de Rajas beloof„ den door wegen der Engelschen tappals binnen de veertig dagen bescheijd te zullen bezorgen. Dog de Rajas lieten ons berigten dat de nood zo groot was, dat te buyten eenig verder uijtstel moesten geholpen worden, zonder dat de zaak verder overgeweezen wierd, en zoo zulks niet konde geschieden, dat ze dan tot andere maat„ regulen toevlugt zouden N 212 neemen

← previousnext →