VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3556

Japan · 1,428 pages · 337 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3556_0751 view scan ↗

English

carry considerable force, we doubt much less the desired success of your undertakings; provided only that everything is accompanied with prudence and resoluteness, which we especially expect regarding the capture of a certain sherif Hassan, native of Samarang, who arrived on Dondo with two Maguindanao pirate proas on this side of Palilla to the west, and brought with him about forty Tontoli people formerly abducted by those villains, and having immediately established himself ashore there, sent one of those vessels away again, probably to summon more of his comrades, of all which you can obtain further elucidation from the King of Limbotto and the outgoing Resident of Quandang, Durr. The last-mentioned, in case he, as is firmly assumed, has not yet undertaken the commission to the Palilla gold mines, as we also recommended to them some time ago, shall now carry it out together with you, as well as all that is further prescribed by us herein; whilst he shall then also have to be the second person of the entire commission, to which we now appoint him, and consequently the bookkeeper de Koning as the third commissioner. In conclusion, we wish that this expedition and commission may be crowned with Heaven's precious blessing and carried out with fortunate success, to the end that this undertaking may serve for the well-being of the Company and the fame of you who are entrusted with its care; in which expectation we remain your good friends. Was signed: J: R: Thomaszen, A: Cornabé, G: C: Meurs, H: A: Johnson, and G: W: van Renesse. In the margin: Ternaten in Castle Orange, 16 August 1779. Below: By order of the Honorable Governor and Director together with the Council of the Moluccas. Was signed: H: A: de Chalmot, provisional secretary. Thus, after this instruction had been read with attention and its entire contents maturely deliberated upon, and it was particularly noted that everything therein had been carefully regulated with the required accuracy, and nothing essential omitted to make the said military expedition of double benefit to the Company, it was unanimously approved and resolved to conform entirely thereto in all parts, and thus to let everything be carried out punctually as the Governor has been pleased to prescribe so distinctly; while His Honour also undertook, upon delivering the foregoing instruction to the skipper de Hartog and bookkeeper de Koning, to encourage those servants once again in an appropriate exhortation to prudence and bravery, and at the same time to go personally to inspect the ship Delfshaven before it weighs anchor, in order to inspect everything personally and see whether the said vessel leaves this roadstead in a proper state of defense. Lastly, the Governor gave notice that, notwithstanding all efforts made to recover the ammunition goods loaned in the past year to six kora-koras dispatched to Maba by the deceased King of Tidor: 300 lb gunpowder 6 pieces of iron cannon of 1 lb 246 round and long shot of 1 lb 30 grape shot of 1 lb, he had nevertheless, with great difficulty, recovered no more than five of the said cannon and an iron bullet mould previously loaned. It was therefore approved and resolved to write these pieces back into the books, and on the other hand to have the account of the said King of Tidor debited for the remaining, still missing ammunition goods, subject to the esteemed approval of Their High Excellencies. Thus done and resolved at Ternaten in Castle Orange, on the date aforementioned. Was signed: J: R: Thomaszen, A: Cornabé, G: C: Meurs, H: A: Johnson, G: W: van Renesse, and J: Boot. Thursday, 26 August 1779. In the morning at ten o'clock, Council of Policy. Present: The Honorable Governor and Director of the Moluccas Jacob Roeland Thomaszen, Second person, Senior Merchant Alexander Cornabé, Senior Merchant Godfried Carel Meurs, Merchant and Fiscal Hendrik Ambrosius Johnson, Junior Merchant and Solicitor Gerardus Willem van Renesse, and Junior Merchant Johannes Boot. After ordinary business had been handled, the Governor stated that he had convened the members primarily to consult on matters that needed to be treated secretly; further reminding the council members how, at the session of 17 November of the past year, as appears from the general resolution of that date, it was agreed to investigate whether the remaining thirty-six crew members of the [illegible] on 9 May by the Maguindanao

Dutch transcription

143. # 275 186 „zienlijke magt mede voeren, twijffelen wij veel minder aan een gewenschte succes uwer ondernemin„ „gen; wanneer maar alles verzeld gaat niet beleid en Cordaatheid, 't geen wij ook vooral verwagten omtrent de bemagtiging van zekeren scherif Hassan, geboortig van Samarang die met twee Mangindanauwsche Roof Praauwen aan deze zijde van Palilla om de West op Dondo aangekomen is, en circa veertig Tontoliresen, eertijds door dat Geboefte geroofd, mede gebragt, en zig aldaar ten eer„ „sten aan de wal geplaatst hebbende, een dier vaartuigen weder weggezonden heeft, denkelijk om meer zijner mak „kers te ontbieden, van welk een en ander UL: nadere elucidatie kunnen bekomen van den koning van Limbotto, en Quandanschen afgaanden Resident Durr: zullende de laatstgemelde, bij aldien hij, gelijk vast ver„ ondersteld, de Commissie naar de Palillasche Goudmijnen nog niet heeft ondernomen, gelijk wij hun zulks voor eenige tijd, almede aanbevolen hebben, dezelve als nu met UL: te zamen verrigten, zo mede al het gene, 't welk door ons bij dezen verder is voorgeschreven; ter„ „wijl hij dan ook de tweede persoon der gansche Com„ „missie, waar toe wij hem tans benoemen, zal moeten we„ „zen, en gevolgelijk de Boekhouder de Koning als derde Commissiant. Ten besluite wenschen wij dat deze Expeditie en Commissie met des Hemels dierbaren zegen, moge werden bekroond en met een gelukkig succes uitgevoerd, ten einde deze onder„ „neming kome te strekken tot wel zijn van de Maatschap„ „pij en tot roem van UL: die de zorge daar van is toever„ „troud; in welke verwagting wij ook verblijven UL: goede vrienden /:was getekent:/ J: R: Thomaszen, A: Cor„ „nabé G: C: Meurs, H: A: Johnson en G: W: van Renesse, /:in margine:/ Ternaten in't Kasteel orange den 16: Augustus 1779. /:lager:/ Ter ordonnantie van den wel Edelen Achtbaren Heer Gouverneur en Directeur nevens den Raad der Moluccos. /:was getekent:/ H: A: de Chalmot p„l secretaris. zoo 144. deliberatie en aanmerking daar over. en Conformatie met dezel„ „ven. gevolg nemen de Heer Gouverneur neemt de manen. en 't schip zelfs te gaan bezigtigen zoo is, na dat deze Instructie met attentie gele„ „zen, en over den ganschen inhoud derzelve rijpelijk gedelibereerd was, mitsgaders in 't bijzonder aange„ „merkt wierdt, dat daar in alles met de vereischte naauwkeurigheid zorgvuldig gereguleerd, en niets wezentlijks gecomitteert is, om de ged„e krijgstogt van dubbeld nut voor de Compagnie te doen zijn, unanim goedgevonden en verstaan zig daar mede in allen deelen volkomen te Conformeren, en het een en ander punc„ en dus het een en ander te laten tuelijk indiervoegen te laten gevolg nemen, als de Heer Gouverneur zoo distinct heeft gelieven voorte schrijven; terwijl zyn Edele almede Hoofden der Expeditie te ver„aannam, om by de overgave den e voorenstaande Instructie aan E den Schipper de Hartog en Boekhouder de Koning, die Bedienden nogmaals in eene toepasselijke vermaning tot voorzigtigheid en dapperheid aan te sporen, en teffens het schip Delfshaven voor het de Ankers ligten zelfs te gaan be 145. 277 2 277 137 127. „leende ammunitie goederen aan Tidors Konng: te rug gekregen. bezigtigen, ten einde over alles per¬ soonlyk inspectie te nemen, en te zien of gem Bodem in een behoorlyke staat van defensie deze Rheede verliet. A Laatstelijk door den Heer Gou¬ verneur nog te kennen gegeven zyn„ van den in den voorleden Jare ge„de hoe zyn Ed: niet tegenstaande alle aangewende pogingen ter weder¬ bekoming van de in den voorleden Jare aan ses door den versonden Ko¬ ning van Tidor naar Maba gedepecheer¬ de korrakorras afgegevene 300 lb Buskruijt 6 ps yzere Canons van 1 lb 246„ rond en lang scherp van 1 lb 30 „ druijven - - „ 1„ egter niet meer als Vifder even¬ niet meer als vijf kanons gemelde Kanons en een bevorens geleende yzere Kogelvorm met groote moeite had te rug gekregen: zo is goed gevonden en verstaan deze stukken weder by de Boeken te laten in de 14 „schrijven. op approbatie van Hunne Hoog Edelheden dus het resteende te laten in namen en daar en tegende Rekening van ged Tidors Koning voor de resterende e nog ontbrekende Amunitie goederen op de g'eerde approbatie van Hunne Hoog Edelheden te laten belas¬ ten Aldus gedaan en geresolveert te Ternaten in 't Casteel Orange dato voorschreeven (was geteekent) R: Thomaszen, A: Corna„ J: be: G: C: Meurs, H: A: John„ C. :W: van Renesse en : son Boot S de 8 147 279 2 279 138. Donderdag den 26: Augustus 1779. Den wel Edelen Achtb: Heer Gouverneur en 4 p:s Opperkoopman en hemmering aan den Raad wegens het besluit nopens van de Oda„ Directeu de koluwrste Jacob Roeland Thomaszen, Alexander Cornabé, Godfried Carel Meurs, „Opperkoopman „ Koopman en fiscaal Hendrik Ambrosius Johnson „Onderkopn: en solijt ot: Gerardus Willem van Renesse en _o. . . . . . Johannes Boot Secunde. . . . . Na dat de gemeene zaaken waren afgehan¬ „deld, gaf de Heer Gouverneur te kennen de Leden voornaamlijk te hebben geconvoceert, om raadte„ „plegen over pointen, welke secreet dienden ner„ „handeld te werden: de Raadsleden wijders errin„ van den 17: Novem„ „nerende, hoe men ter sessie „ber a: p:, blijkens gemeene Resolutie van dien da„ de overgeslvene schepelingen, tun, was overeengekomen, om onderzoek te doen of de nog overgeblevene ses en dertig sche„ „pelingen van de op den 9: Meij door de Man„ Smorgens te tien uuren, vergadering van Politie Present „gindanosche

NL-HaNA_1.04.02_3556_0758 view scan ↗

English

of whom five have died; the Honorable Johnson serving with a Report concerning the investigation of the aforementioned persons, whether the crew of the Bark the Ida, which was overwhelmed by native pirates in the Strait of Bangka, had properly performed their duty during the engagement fought at that time with those pirates; that subsequently, upon the successive return of the said seamen from Manado, of whom five have died there and at Kema, a proper and exact investigation of matters, and of the conduct of these persons, was carried out by the member of this Board, the Honorable Johnson, in the presence of the captains Adolfs and Lindeman, and that the Report of the said Honorable Johnson concerning his findings, as well as the answered interrogatories of those crewmen, had now been received, which then being produced and read, contained the following: To the Right Honorable and Respected Sir, Mr. Jacob Roeland Thomaszen, Governor and Director, together with The Council of the Moluccas. Right Honorable, Respected, Ruling Sir, and Right Honorable Sirs. The examination of the surviving and presently still living 35 crew members of the Bark the Ida, captured by the Maguindanao pirates, having been assigned to me by Your Right Honorable Honors by resolution of 17 November 1778, I have, in accordance with that honored order, caused all those seafaring servants and Citizens to appear before me, and in the presence of the captains Christiaan Adolfs and Johan Fredrik Lindeman, assisted by the sworn clerk of Police Judocus Hubertus Bax, successively examined each of them separately upon their arrival using uniform interrogatories, and found the matter from the testimony of the majority to be as I have the honor to set down below. Firstly. That they, without having had beforehand the slightest knowledge or news of the enemy's arrival, departed on 7 May 1778 with the Bark the Ida from the Manado roadstead. See articles 13 and 14 of the accompanying 31 interrogatories. Secondly. That the cargo of the said bark consisted of rice, gold, and wax, but that the quantity thereof is unknown to them. Articles 17 to 58. Thirdly. That at their departure, of the 24 guns carried by the Bark, four 8-pounders and two 3-pounders were stowed in the hold upon the layers of rice because the deck was too encumbered with water casks, pig and livestock pens, and other clutter; that of the 18 pieces which stood on deck, not a single one was loaded, nor in the least provided with the necessary items such that they could immediately, without delay, be prepared and used upon the first hostile assault; likewise that the boarding nets were not rigged, and consequently that the Bark was entirely in an undefended state. Articles 8, 14, 15, 20, 24 to 29. Fourthly. That on the 8th, or the day after their departure, having approached Spanjaards Bay towards the evening, they saw the gunner Maurits Charpantie approaching with an outrigger prahu, who, as soon as he was on board, delivered a letter from Resident Hemmekam to the Commander Niels Fries, after which he told them that the enemy was in the Strait of Bangka; but because the Commander did not make the contents of that letter known to them, and also did not order them to prepare for battle, they could not believe that Charpantie spoke the truth, which is why they took his words for mere banter. Letter 6, articles 49 to 57. Fifthly. That the next morning at about 8 o'clock, lying adrift in a dead calm, they saw the enemy coming towards them very unexpectedly, whereupon by order of the commander all diligence was first employed to make the Bark ready for battle, but that this could not be done properly because they were surprised too suddenly. Articles 58 to 69. Sixthly. That the force of the enemy consisted of seventeen large padewakangs

Dutch transcription

waar van vijf overleden zijn den E: Johuson diend van Berigt wegens het onder„ „zoek van gem: Perzonen „gendandsche Roovers in de straat Banka over„ „rompelde Bark de Ida hun pligt wel had„ „den betragt, in het ter dier tijd gehouden geregt met die zeeschummers; dat hier op, bij de successive terugkomst der gemelde zeelieden van Manado, waar van aldaar en op Ke„ „ma vijf overleden zijn, een behoorlijk en exact onderzoek van zaaken, en van het ge„ „drag dezer personen was gedaan door het lid dezer Tafel, d'E Johnson, ten over„ „staan van de schippers Adolfs en Lindeman, en dat het Berigt van gemelden E. Johnson„ wegens zijne bevinding, zo wel als de beantwoor„ „de Interrogatorien van die schepelingen, tans wa„ „ren ingekomen, welke toen geproduceert, en gelezen zijnde, het volgende behelsde: Aan den wel Edelen Achtbaren Heer M:r Jacob Roeland Thomaszen, Gouverneur en Directeur benevens Den Raad der Moluccos Wel Edele Acttbare Gebiedende Heer en wel Edele Heeren. De Examinatie der overgelevende en tant nog in leven zijnde 35. scheepelingen van de door den Magindaner verovende Bark de Ida 281 201 149. Ida, door uwel Ed:e Achtb: aan mij bij besluit van den 17: 9ber: 1778 opgedragen zijnde, hebbe ik ingevolge die geëerde ordre, alle die zeevarende dienaaren en Burgers bij mij laten verschij„ „nen, en hun in prezentie van de schippers Christiaan Adolfs en Johan Fredrik Lindeman, geadsisteert door den gezwoo„ „re kerk van Politie Judocus Hubertus Bax, successive bij hunlieder aankomst op eensluidende Interrogatorieen ieder afzonderlyk geexamineert, en de zaake uit het getuigenis der meerderheid zodaanig bevonden als ik de eere hebbe hier onder ter needer te stellen. Eerstelijk. Dat zij, zonder vooraf eenige de minste kennis ofte tijding van der vijanden aankomst gehad te hebben, den 7:e Meij 1778 met de Bark de Ida van de manadosche Rhede vertrok„ „ken zijn. vide artik: 13: en 14. der verzellende 31: Interrogatorien. Ten tweeden. Dat het cargasoen van gedagte hark in Rijs, goud en wax bestond, doch dat hun de quantiteit daarvan onbewust is art: 17:58:— Ten derden dat 'er bij hun vertrek, van de 24: stukken die de Bark inhad, om de wille dat het dek te zeer door watervaten, varkens veehokken en andere Rommelezig belemmert was, vier 8: ponders en twee van drie d: bals in 't ruim op de Rijslaagen; dat er van de 18. stuks welke te boord stonden; geen een gelaaden, nochte in 't minste van het noodige zodaanig voorzien was dat men dezelve, op de eerste vijandlijke aanranding zonder ver„ „letting terstond in gereedheid brengen en gebruiken kon; zo mee„ „de dat de rinkenetten niet waaren uitgehaald, en gevolgelijk dat de Bark in 't geheel buiten staat van defensie was. art: 8:14. 15. 20. 24. „ 29. Ten Vierden. dat zij den 8:e of 's daags na hun vertrek teegens den avond voor de spanjaarts Baaij genadert zijnde, den Busschieter Maurits Charpantie met een Rorche- praauw zaagen aankoomen, die, zo dra hij aanboord was, een brief van weegens den Resident Hemmekam aan den Gezaghebber Niels Fries overgaf, waarna hij hun verhaalde dat den vijand in straat Banka was, doch vermits den Gezaghebber hun den inhoud van die brief niet te kennen gaf, en hun ook niet ordonneerde om zich slagvaardig te maaken, konden zij ook niet gelooven dat Char„ „pantie de waarheid prak, waarom zij zyne gezegdens dan ook maar voor Raillerie aannaamen L:a 6: art: 49: 57: Ten vijfden. Dat zijlieden des anderen daags ochtends teegens 8: uuren in doodstille leggende te drijven, den vijand zeer onverwagt op hun zaagen aankoomen, wanneer 'er op order van den gezaghebber eerst alle vlijt wierdt aangewend om de Bark slagvaardigte maaken, doch dat zulks niet nabehooren geschieden kon vermits zij te schie„ „lijk overvallen wierden art: 58:69. Ten zesden dat de magt ter vijanden in zeeventien groote pade„ 139. „wakken

NL-HaNA_1.04.02_3556_0760 view scan ↗

English

150. padewakkangs (of the length of a sloop) that carried two swivel guns, apart from the lesser prahus; that they all carried a great number of oars placed above each other (among which some in three tiers) which they could handle very skillfully; that these padewakkangs were so provided from front to back with very strong, pointed, and wide-protruding pitched roofs of gaba-gaba, and at the stern with uncommonly thick, strong, and likewise wide-spreading bentings, that neither man nor mouse could be discerned upon them, the more so because the said vessels never advanced toward them other than with their bows, by all of which it was also caused that the cannonballs from the Ida, however frequently they were fired, struck against them without any effect and glanced off. art: 70: 74 and 76. - 82: and 87. Seventhly. That the enemy could handle their cannon very skillfully and shoot accurately; also that they were provided with a good quantity of powder and further ammunition, as they shot plentifully with tin, metal, and lead balls: art: 89: 92. Eighthly: That the enemy, after having cannonaded continuously for over four hours, finally bore down upon the Ida with fourteen of their large vessels side by side with their sterns and heavy bentings, and arranging themselves astern and on the starboard side of the same, simultaneously threw over their grappling irons, and lashed themselves to the bark, which by this maneuver was enclosed as if between two heavy batteries, and thereupon immediately boarded skillfully with their assegais, pedangs, and shields. Art: 94: 105. Ninthly. That since they could then no longer use their cannon, which moreover had been disabled by shot, and saw themselves unprovided with any small arms or cutlasses, which had been issued to the three vessels of Mr. De Wolff, to prevent the crossing over of the enemy who were boarding in force, they found themselves to their regret compelled, at the call of mate Hoedelette, to seek a safe retreat and save their lives, since with those few crew members who still remained and were alive, it was nevertheless no longer possible for them to preserve the bark any longer. art. 83. 106 — 113. and 115. Tenthly. That they then fled to shore in the boat, and came to an anchor in Strait Banka near the coffin, during which flight the enemy not only pursued them to the shore and into the forest, but also fired upon them with canister shot, on which occasion another burgher was wounded in his arm. art: 116: 124. Eleventhly. That they did not flee except during, and some of them after, the boarding and when they saw that there was absolutely no possibility either of preserving the bark or of saving their lives. art. 106. 108. 109. 110. 111. 157. Twelfthly. That their mates all conducted themselves very bravely and 283 151. 287 140 courageously; that the Commander Niels Fries was shot through the throat with a musket ball at the beginning of the battle, and died not long thereafter; that Houdelette immediately assumed the command, and did not flee in a small craft until after the crew members were already off the ship in the boat; that Gree was already missing during the engagement without anyone knowing where he ended up. art: 135. 150. Thirteenthly. That they saw the bark, entirely disabled and with its ropes shot to pieces, being towed by the enemy between the islands of Talize and Banka, without knowing what was subsequently done with the bark, nor where it ended up. art. 151-157. Behold, Right Honorable Sir and Sirs, all that I have been able to learn from the mouths of the crew members concerning the capture of the bark. It appears to me, subject to correction by better judgment, that the loss of the same cannot be attributed to those poor men. The overwhelming force of the enemy; the heavy bentings; the extraordinary rigging of their vessels; the multitude of dayongs or oars; the manner of assault; the enclosing of the bark between fourteen large vessels just as between two formidable batteries; the dead calm and the inability to tack; the poor condition of the shot-to-pieces sails and running rigging; the negligence of Commander Niels Fries in failing to prepare for battle out of contempt for the enemy, notwithstanding that this had been most earnestly recommended to him in a letter by Resident Hemmekam a day prior; the falling in battle of the commander, of the brave Resident Wolff, and of a large part of the crew: to these causes and other concurrent fatal circumstances, it seems to me, the loss of the precious bark can alone be imputed, and not to any cowardice on the part of the crew. For these men have, as is to be presumed from the sinking of four enemy vessels, vide L:a s art. 82, conducted themselves entirely courageously in all respects, as far as the circumstances and the confusion permitted them. Wherefore these poor men, who lost their meager belongings in this unfortunate event, and to whom no dereliction of duty can be attributed, might, with the approval of Your Right Honorable, be absolved from further accountability, with the reimbursement of their wages from the time that the same were stopped. I hope hereby to have satisfied Your Right Honorable's intention, and call myself with respect (:below stood:) Your Right Honorable's very humble and dutiful Servant (:was signed:) H: H: Johnson (:in the margin:) Ternate the 12: August 1779. Interrogatory

Dutch transcription

150. „wakken (ter lengte van een sloep) die twee Bokken voorden, buiten de mindere praauwen bestond; dat zij allen een groot getal (waar onder eenige drie laag) Riemen booven elkander voerden daar zij zeer handig me„ „de konden omgaan; dat die padewakken van vooren tot agteren met zeer sterke, spitse en breed - uitsteekende wolve daaken van Gabbe gabbe, en op steere met ongemeen dikke, sterke en almeede breed uitloopende Bentings zodaanig waaren voorzien dat er geen man nog muis op dezelve te bekennen waaren, te meer„ wijl gedagte vaartuigen nooijt dan met hunne voorsteeven op hun aanhielden, door welk een en ander dan ook veroorzaakt wierd dat de Koogels van de Ida, hoe menigvuldig die ook verschooten wierden, zonder eenig effect daer tegens opstuitte en van afgleden. art: 70: 74 an 76. - 82: en 87. Ten zevenden. dat de vijanden zeer handig met hun kanon omgaan en accuraat schieten konden; ook datze van een goede quantiteit kruit en verdere Ammunitie voorzien waeren wijl ze rijkelijk met tinne, metaale en loode koogels geschooten hebben: art: 89: 92. Ten Agsten: dat de vijanden, na ruim vier uuren bij aanhoudentheid gekannoneert te hebben, eindelijk met veertien hunnen groote vaartuigen naast elkander met hunne steeren en zwaare Bentings op de Ida afkwaa„ „men, en zich agter en aan stuurboord zij van het zelve rangeerende, teffens hun„ „ne enterhaaken overwierpen, en zich aan de Bark, die door deeze manoeu„ „vre als tusschen twee zwaare Batterijen was ingeslooten, vast maakten, en daarop terstond met hunne Assegaijen, Pedangs en schilden vaardig over„ enterden. Art: 94: 105. Ten Negenden. dat vermits zij hun Kanon dat buiten des reets onbe„ „kwaam geschooten was, toen niet meergebruiken konden, en zij zich van geen handgeweer nochte Houwers die op de drie vaartuigen van den Heer De Wolff waaren afgegeeven, voorzien zaagen om den vijand die sterk aan 't enteren was, het overkomen te beletten, zij zich tot hun leedwezen genood„ „zaakt vonden op het toeroepen van stuurman Hoedelette, een goed heen„ „koomen te zoeken, en hun leeven te redden, wijl het hun met die weinige manschappen die er nog maar van de Equipagie overig en in 't leeren waaren, tog niet meer moogelijk was de Bark langer te behouden. art. 83. 106 — 113. en 115. Ten Tienden, Dat zij toen met de schuit na land gevlugt, en in straat Banka omtrend de dood kist ter houw gekoomen zijn, in welk vlugten de vijanden hun tot aan land en in het Bosch niet alleen nagezet; maar ook met schroot beschooten hebben, bij welke geleegenheid er nog een Burger in zijn arm is gekwest geworden. art: 116: 124. Ten Elfden. Dat zij niet dan onder, en eenigen hunner na het enteren en toen zij zaagen dat 'er volstrekt geene moogelijkheid was om, nochte de Bark, nochte hun leeven te behouden, gevlugt zijn. art. 106. 108. 109. 110. 111. 157. - Ten Twaalfden. Dat hunne stuurlieden zich alle zeer dapper en couragens 283 151. 287 140 couragens gedragen hebben; dat den Gezaghebber Niels Fries in 't begin van de slag met een Koogel in de strot geschoten, en niet lang daar na, overleden is; dat Houdelette terstond het commando heeft opge„ „vat, en niet eer dan na dat de scheepelingen reets met de schuit van boord waaren, met een klein vaartuig gevlugt is; dat Gree reets onder het slaan vermist wierd zonder dat iemand weet waar hij beland zij. art: 135. 150. Ten Dertienden. Dat zij de hark heel ontreddert, en met aan stuk geschotene touwen door den vijand tusschen de Eilanden Talize en Banka hebben zien boegseeren, zonder te weeten wat 'er vervolgens met de Bark gedaan, nochte waar dezelve beland is. art. 151-157. zie daar Wel Edele Achtbare Heer en Heeren, al het geene ik uit der schepelingen mond noopens het veroveren der Bark hebbe kunnen te wee„ „ten koomen,. zo mij onder correctie van beeter gevoelen voorkomt, kan het verlies van 't zelve aan die arme menschen niet toegeschreeven wor„ „den. de overmagt van den vijand; de zwaare Bantings; de wonderlyke toe„ „taakeling hunner vaartuigen; de meenigte van daijongs of Riemen; de wij„ „ze van aanranding; het insluiten der Bark tusschen veertien groote vaartuigen even als tusschen twee formidable Batterijen; doodstilte en onbekwaamheid van wenden; de slegte gesteldheid van d' aanstecktge„ „schootene zijlen en van 't loopend touwerk; het verzuim van den ge„ „zaghebber Niels Fries van zich uit minachting van den vijand slagvaardig te maaken, niettegenstaande hem zulks door den Resident Hemmekam een dag bevoorens bij brieve ten ernstigste was aanbevoolen; het sneuvelen van den gezagheb„ „ber, van den dapperen Resident Wolff en van een groot gedeelte der Equipagie: aan deeze oorzaaken en meer andere tsamen loopende fatale omstandigheden, dunk mij, kan het verlies der kostelijke Bark alleen geimputeert worden, en niet aan eenige lacieusiteit der scheepelingen. Deezen tog hebben zich gelijk uit het zinken van vier vijandlijke vaartuigen vide L:a s art. 82. te presumeeren is, zo veel hun de omstandigheden en de confusie toelieten, allesints manmoedig gedragen. weshalven deeze arme mons„ „chen, die hun armoetje bij dit ongelukkig geval hebben ingeschooten, en aan wien geen pligtverzuim kan werden toegekend, met goedvinden van uwel Ed: Achtb: van verdere verantwoording zouden kunnen wer„ „den vrijgesprooken, met goeddoening hunner gagie van dien tijd af dat dezelve heeft stil gestaan. Ik hoope hier meede aan uwed: Achtb: intentie voldaan te hebben, en noeme mij met eerbied (:onderstond) uwel Edele Achtbaarens zeer onderdanige en trouwschuldige Dienaer (:was getekent:) H: H: Johnson (:in margine) Ternaten den 12: Augustus 1779. Interragatorium

NL-HaNA_1.04.02_3556_0762 view scan ↗

English

Interrogation of Lucas de Keijzer on which to [respond]. Today, 17 December 1778, appeared before the undersigned skippers Johan Fredrik Lindeman and Christiaan Adolfs together with me, sworn clerk J. H. Bax, the sailor Lucas de Keijzer, who, in accordance with the honored mandate of the Moluccan Government dated 17 November last, in the presence of the skipper of the Company's ship Westfriesland, the Honorable Johan Fredrik Lindeman, and the Master of Equipage present here, Christiaan Adolfs, on the part of the Merchant and interim Fiscal in this matter, Hendrik Ambrosius Johnson, Requiring party, to examine and hear Lucas de Keijzer, recently summoned from Manado, and lately appointed as a sailor on the bark the Ida which was captured by the Maguindanao enemy, Required party, concerning the losing and abandoning of the said bark. To which he answered the following to the adjacent interrogatories presented to him by the interim Fiscal in this matter, Hendrik Ambrosius Johnson, as follows: Interrogatories. Article 1: What is your name? Lucas de Keijzer. 2: Where are you from? From Ter Goes. 3: What is your profession? Sailor. 4: How old are you? Twenty-nine years. 5: What religion do you profess? The Reformed Religion. 6: Are you a Company servant or a burgher? Company servant. 7: Were you recently appointed as such on the bark the Ida? Yes. 8: How many pieces of artillery could that bark carry? I did not pay close attention to it. 9: Of what different calibers? Of what calibers they all were I cannot rightly say; I only know that 8 were 6-pounders, others were 3- or 2-pound balls, besides some swivel guns. 10: How strong were you upon your departure from here? The exact number of heads has slipped my mind, but I guess around sixty. 11: In what year and in what month did you depart from here for Manado? In this year, but the month I have forgotten. 12: How long thereafter, or when did you arrive at Manado? That has slipped my mind. 13: When did you depart from Manado? I do not know. 14: How many pieces did you then have on board? That has slipped my mind. 15: Why were not all your pieces mounted on deck? Because the commander did not order it, and the deck was obstructed with water casks. 16: What then was between the decks? The remaining water casks and our chests. 17: What was loaded in the bark? Rice, along with some chests and boxes. 18: How much in your estimation? That I do not know. 19: Did the entire cargo belong to the Company, or did other people also have a share in it? That I cannot rightly say, but I believe that there were some goods belonging to Wolff; at least, I saw a chest with linens belonging to him. 20: Where were the remaining pieces lying? In the hold, to the best of my recollection, upon the rice. 21: Were those pieces that were mounted on deck then all loaded with ball? No. 22: Were those pieces mounted on deck then furthermore provided with everything necessary so that you could use them immediately without delay upon the first enemy encounter? No, but when the enemy was sighted, the water casks and the other things that obstructed the deck were lowered below, and the guns were hoisted up. 23: Were the necessary balls then placed near those pieces that were mounted on deck? No. 24: Was the bark upon your departure from Manado properly provided with boarding nettings? No. 25: Were you then provided with the necessary small arms and the ammunition belonging thereto? Yes, it lay in the cabin. 26: Did you then also not lack hand grenades? Yes. 27: Were you then also sufficiently provided with cutlasses? Yes. 28: Were you then also sufficiently provided with boarding axes, pikes, and all necessary tools to resist boarding? With pikes indeed, but regarding the rest I do not know. 29: Were you therefore upon your departure from Manado in a complete state of defense, and consequently completely equipped for war? I believe not before we had seen the enemy. 30: How many heads of Company servants and burgher sailors strong were you then? Yes, we were provided with everything, but nothing was prepared on deck, and so I believe the muskets and cutlasses were in the cabin, though I do not rightly know. 31: Did you not have passengers on board then as well? That has slipped my mind. 32: Who and whom? Yes. 33: Did he have no slaves with him? Mr. Wolff together with his children. 34: How many slaves, female slaves, and children did he have with him in total on the bark, to the best of your recollection? Yes. 35: How many able-bodied boys were there among them, in your estimation? To the best of my recollection, ten. 36: How many other persons did he have with him on the bark? I believe about three. 37: Did the former Resident of Kwandang, de Wolff, then also have none of his vessels close by the bark that sailed hither? I do not know if he had any other persons than slaves on board. 38: How many? Yes. 39: Which type? Three. 40: Were they also manned? Two padewakangs and one bolotu. 41: With how many fighting men each? Yes. 42: Were they also provided with artillery? I do not know. 43: Did you, during the entire time that you were at Manado, and especially some time before your departure from there, not hear any news of the Maguindanao enemy? One, I believe, had two lantakas, but whether the others had artillery, I do not know. 44: Did Resident Hemmekam not give a written instruction upon your departure according to which you had to conduct yourselves in case of an enemy attack? No. 45: Did the Resident also not verbally order you what you had to observe upon encountering the enemy? That I do not know. 46: Did he, before your departure from Manado, not personally [illegible]? Not to me; and whether he said anything or gave an instruction to the commander, the mates, and to my comrades, I do not know.

Dutch transcription

152. Interrogatorium of Lucas de Keijzer omme daar op Op heden den 17 December 1778 Com¬ Jngevolge het geeerd mandaat der Mo„ „pareerde voor de ondergetekende luksche Regering sub dato 17 Novem schippers Johan Fredrik Lindeman en Christiaan Adolfs nevens mij ber jongst leden ten overstaan van gesworen klerk J„s H„k Bax den den schipper op 's Compagnies Mattroos Lucas de Keijzer, den schip Westfriesland, den E Johan welken op de nevenstaande vraag Fredrik Lindeman en den alhier poincten die hem door den pro- zijnden Equipagie meester Christiaan interim Fiscaal in dezen Hendrik Ambrosius Johnson, wierden Adolfs, door den Koopman en pro voorgehouden, het volgende geant„ interim Fiskaal in dezen Hen„ „woord heeft: als „drik Ambrosius Johnson Requirant Den onlangs van Manado opgezor¬ „dere, en nu jongst op de door den Mangindaanschen Vijand veroverde Bark de Ida als Mattroos bescheiden geweest zijnde Lucas g. Gr de Keijzer gerequireerde te waagen en te hooren, over het verlie„ „zen en verlaten van gedeegte Bart Art:1 Hoe zijt Gij genaamd Vraag-poincten 153. 285 285 141 van ter Goes len Matroos Negen en twintig jaar de Gereformeerde Religie Compagnies Dienaar ik heber niet wel opgelet. van welke Calibers zij alle geweest zijn weet ik niet regt te zeggen, eeniglijk weet ik maar, dat 'er 8 van 6, andere van 3. of 2. pond bals nevens eenige draijbassens ge„ „weert zijn 10 Hoe sterk waart gijl, bij u ver„ het regte getal der koppen is mij ont„ „schoten, maar ik gisse in de sestig „trek van hier Van wat deferente Calibers! Hoe veel stukken geschút kon die Bark wel voeren! zijt gij, met nu jongst op de Bark„ de Jda als zodanig bescheiden geweest. 6 Wat is u beroep. Zijt gij een Compagnies Die¬ „naar of een Burger! Wat Religie belijdj Hoe oud zijt Gij. Waar zijt gij van daan 11 3 5 Ja 163. vergeten hem gezien Jn wat jaar en in wat Maand zijl. van dit jaar, dog de maand ben ik. Gijl van hier na Manado vertrokk„ aken! dat is mij ontschoten. ik Weet het niet. dat is mij onschoten 15 om dat de gezaghebber het niet gecom„ Waarom waren alle uwe stukken „mandeert heeft en het dek met Water niet te boord. Vater belemmert was 16 Wat was 'er den tusschen de Ht. Rijs nevens eenige kisten en Kasten. Wat is 'er al in de Bark geladen geweest. dat weet ik niet Hoe veel na uwe gedagten! 19 dat kan ik niet regt zeggen, maar ik geloote Behoorde de gantsche lading aan dat 'er eenig goed van Wolf geweest is; ten de Compagnie, of hadden 'er ook minsten, heb ik een kist met lijwaten van andere Wenschen deel in 20 in het ruim, na mijn best onthoud op de Rijs Waar lagende resterende stukken. 21 waaren die te boord zijnde stukken toen alle met scherp geladen neen de overige water vaten en onze kisten Wanneer zijt Gijl van Manado Vertrokken. 16 Hoe veel stukken had Gijl toen te boord! 13 Hoe lang daar na, of wanneer zijl Gyl op Manado gearriveert. 12 18 22 11 154 287 287 142. 22 stukken opgeheessen. neen, maar toen men den vijand zag wier„ Neer ja, het lag in de Cajuit Ja ik geloof, niet voor dat wij den vijand gezien hebben „den de Water vaten en het andere dat het dek belemmerde omlaag gestreeken, en de Waren die te boord zijnde Stukken toen wijders van al het nodige zoda„ „nig voorzien dat gijl: dezelve bij de eerste Vijandelyke aanvanding zonder verletting direct gebruiken Kost. 24 Was de Bark bij u vertrek van Ma„ „nado behoorlyk van vinkenetten voorzien. zijt gijlied: toen met het nodige schiet„ „geweer en het daar bij gehorende schip voorzien geweest. 26 Heeft het ulied: toen ook aan geen handgranaten ontbroken. 27. zijt gijl: toen ook genoegzaam van Houwers voorzien geweest! zijt Gijl: toen ook genoegzaam van Enterbijlen, Pieken, en al het benodigde gereedschap om het ente„ „ren te belasten, voorzien geweest! wel met pieken, dog van het overige Weet ik niet. Waaren 'er toen bij die te boord zijnde stukken de nodige kogels gesteld. 29 23 25 28 n neen 155: dat is wij ontschoten. Hoe veel Koppen Compagnies Diena„ „ren en Burgermatrosen zijt gijl: toen sterk geweest! 31 Hebt. Gijl toen ook geene passagiers aanboord gehad! 32 de Heer Wolf nevens zijne Kinderen Wie en Wie! 33 Had hij geene slaven bij zig Hoe veel slaven, slavinnen en Kin„ „deren had hij na u best onthoud wel in 't geheel bij zig op de Bark„ 34 ik geloof omtrend drie stuks ik weet niet of hij wel andere persoonen als slaven aan boord had. na mijn best onthoud tien stuks ja wij waren van alles voorzien dog niets was Zijt Gijlied dus bij ulied vertrek van er op het dek ingereedheit, en zoo ik geloof waren de geweeren en Houwers in de Capit Manado in een volkomene staat van defensie, een gevolglijk compleet ten oorlog toegerust geweest dog ik weet het niet regt. 30 Hoe veel strijdbare jongens waren er Wel onder dezelve na uwe gedag„ „ten: Hb Hoe veel andere personen had hij wel bij zig op de Bark! Had den quandangs Resident de wolff toen ook geene zijner vaar„ getuigen digte bij de Bark die her„ „waarts zeilden GF 7a ja Ja 35 29 38 t56 289 289 143. drie ree Paduakans en een bolotte niet aan mij; en of hij iets aan den gezag„ Jk weet het niet neen das weet ik niet 42. In, geloof ik dat twee rantakken had, waaren ze ook van geschut voorzien haar of de anderen geschut hadden, eet ik niet 43 Hebt gij in al den tijd dat gij te Manado zijt geweest en voornamelyk eenigen tijd voor u vertrek van daar, niet de een of andere tijding van den Man„ „gindanauschen Vijand vernomen gehad„ Heeft den Resident Hemmekam bij ul vertrek niet eene schriftelijke instruc „tie gegeven waar na gijl u in cas van vijandelijken aanval te gedragen hadt. Heeft den Resident Ul. ook niet mon„ „delijk geordonneert wat gijl: bij aanvanding van den Vijand moest in agt nemen 46 Heeft hij voor ulieder vertrek van Manado niet persoonlyk ezegt of een instructie gegeven heeft, weet ebber de stuurluij, en aan mijne maatts Met hoe veel Strijdbaze Koppen ie„ „der! Waren ze ook bemand! 40 Welke soort. Hoe veel: bij Ja „neen k niet 45 44 3

NL-HaNA_1.04.02_3556_0768 view scan ↗

English

155: that has slipped my mind. I believe about three pieces yes we were provided with everything, yet nothing Were you all thus, upon your departure from was in readiness on the deck, and as I believe, Manado, in a complete state of the muskets and cutlasses were in the cabin, defense, and consequently completely equipped yet I do not know for certain. for war? Mr. Wolf alongside his children to the best of my recollection, ten pieces had on board as slaves. I do not know whether he had other persons Did the Quandang Resident de Wolff then also not have any of his vessels close by the bark that sailed hitherward? How many other persons did he have with him on the bark? 34 How many male slaves, female slaves, and children did he, to the best of your recollection, have with him in total on the bark? How many able-bodied youths were there among them in your opinion? How many head of Company servants and civilian sailors were you strong then? 31 Did you then also have no passengers on board? 32 Who and who? 33 Did he not have slaves with him? 38 Yes yes Yes 37 gb 35 30 29 38 t8 289 289 143. three two paduakang and one bolotu no not to me; and whether he said anything to the master, I do not know. I do not know. no that I do not know I believe that two had swivel guns, were they also provided with cannon, but whether the others had cannon, I do not know. Did Resident Hemmekam upon the mates, and to my messmates, or gave an instruction, I do not know. your departure not give a written instruction according to which you had to conduct yourselves in case of enemy attack? Did the Resident also not verbally order you what you had to observe upon encounter with the enemy? Did he, prior to your departure from Manado, not personally 46 43 Did you, in all the time that you were at Manado, and particularly some time before your departure from there, not hear one or another piece of news of the Maguindanao enemy? With how many fighting hands each? Were they also manned? 40 Which type? How many? at Yes 79 41 42. 44 45 no at Manado, I believe. Yes the evening of that day we set sail in the morning. Did Resident Hemmekam write a letter to your master Niels Fries after the bark had already departed from Manado? 50 How many days after your departure was that letter brought on board to you? With what sort of vessel was it brought on board? 52 By which person was the same brought on board? by the gunner Charpantje with a small rowing prahu Did he then also send no one from his side as a deputy on board to you? Where was Bookkeeper Pieter de Koning when you departed with the bark from Manado to here? come on board with you to see whether the bark had been brought into a proper state of defense? 53 49. 51. 158. 291 291 144 53 No close to the Spaniards' Bay no, but the gunner Charpantje told us that the enemy lay in the Banka Strait Did your master Niels and that we therefore had to keep ourselves ready, Fries, immediately upon receipt yet we did not believe this because of that letter, not make the contents we thought that he only said this in thereof known to you all? jest. with the master because it was not commanded to us. the day thereafter. What flags did they I do not know for certain, yet as I recall, fly? they had red and other colored flags. How many days after your departure from the Manado Roadstead did you get the Maguindanao enemy in sight? 57. Why did you, after having received that letter from the Resident, not immediately make yourselves battle-ready? 2 Where did that letter remain? 56 At what latitude were you then with the bark? 54 still in sight of Manado or not? Were you then with the bark 55 55 58 59 169. 60 .:0 not very far it was dead calm Ahead, on the port side in the morning between 7 and 8 o'clock. no. no, but when he saw them coming, close to Banka Island on the starboard tack, close-hauled. I believe about 9 o'clock at Whereabout or at what latitude did you get them in sight? 62 How far were you then from land? 63 What kind of winds blew at that time? 64 On what tack did you then lie with those winds, on starboard or on port, or did you then sail before the wind? 65 From what side did the enemy then advance upon you? bb we cleared it and hoisted up two heavy cannon, what did you do then? and brought powder and shot close at hand. at At about what hour did you get the enemy in sight? 68. At about what hour did you receive the first fire? 69 Was that interval of time not enough to at least place yourselves in a better state of defense than you while the deck was obstructed with water casks, Did you then also have your flag hoisted? at 293 160. 295 prevented me. long dayungs Yes by the sound of the shots quite as heavy to the best of my recollection, seventeen as they appeared to me, in paduakangs 12 the largest had the length of a sloop and what size were they? the others were smaller. 73 How many shears did they carry? I could not see that, as their outward-leaning bulwarks as those of eight-pounder balls. one and two shears. How many pieces of artillery did they have? of what caliber? 76 Did they also have oars just like the galleys? What kind of oars were they, short paddle oars or long rowing oars? 78 How many oars did they have on each side? 79 G Could they handle them nimbly? I do not know for certain, but they had a very large number. 74 71 Of what sort of vessels did they consist? How many vessels strong was the enemy? 145 were in at the time of the battle? 80 70

Dutch transcription

155: dat is mij ontschoten. ik geloof omtrend drie stuks ja wij waren van alles voorzien dog niets was Zijt Gijlied dus bij ulied vertrek van er op het dek ingereedheit, en zoo ik geloof waren de geweeren en Houwers in de Capit Manado in een volkomene staat van defensie, een gevolglijk compleet ten oorlog toegerust geweest! dog Mk weets het niet regt. de Heer Wolf nevens zijne kinderen na mijn best onthoud tien stuks als slaven aan boord had. ik weet niet of hij wel andere persoonen Had den quandangs Resident de wolff toen ook geene zijner vaar getuigen digte bij de Bark die her¬ „waarts zeilden Hoe veel andere personen had hij wel bij zig op de Bark! 34 Hoe veel slaven, slavinnen en Kin „deren had hij na u best onthoud Wel in 't geheel bij zig op de Bark Hoe veel Strijdbare jongens Ware er Wel onder dezelve na uwe gedag „ten. Hoe veel Koppen Compagnies Diena „ren en Burgermatrosen zijt gijl: toe„ sterk geweest! 31 Hebt. Gijl toen ook geene passagier aanboord gehad! 32 Wie en Wie! 33 Had hij geene slaven bij zig 38 7a ja Ja 37 gb 35 30 29 38 t8 289 289 143. drie twee Paduakans en een bolotte neen niet aan mij; en of hij iets aan den gezag„ ik niet Jk weet het niet neen dat weet ik niet len, geloof ik dat twee rantakken had, waaren ze ook van geschut voorzien maar of de anderen geschut hadden, weet ik niet Heeft den Resident Hemmekam bij gezegt of een instructie gegeven heeft, weet ul vertrek niet eene schriftelijke instruc „tie gegeven waar na gijl u in cas van vijandeliken aanval te gedragen hadt. „hebber de stuurluij, en aan mijne maats Heeft den Resident Ul. ook niet mon„ „delijk geordonneert wat gijl: bij aanvanding van den Vijand moest in agt nemen. Heeft hij voor ulieder vertrek van Manado niet persoonlyk 46 43 Hebt gij in al den tijd dat gij te Manado zijt geweest en voornamelijk eenigen tijd voor u vertrek van daar, niet de een of andere tijding van den Man„ „gindanauschen Vijand vernomen gehad„ Met hoe veel strijdbare koppen ie„ „der! Waren ze ook bemand! 40 Welke soort. Hoe veel! bij Ja 79 41 42. 44 45 neen op Manado geloof M. Ja „den avond van dien dag wij 's morgens zijn onderzeil gegaan. Heeft den Resident Hemmekam aan uwen gezaghebber Niels Fries een brief geschreven na dat de Bark reets van Manado vertrokken was. 50 Hoe veel dagen na u vertrek is die brief bij ul aanboord gebragt. Met Wat voor vaartuig is die aan boord gebragt. 52 Door welken persoon is dezelve aan boord gebragt. door den Boudschieter Charpantje met een roreke prauw Heeft hij toen ook niemand zij¬ nent Negen als gecommitteerde bij ul aanboord gezonden Waar was den Boekhouder Pie¬ „ter de Koning toen gij met de Bark van Manado na herwaarts vertrek bij ul aan boord geweest om te zien of de Bark in eene behoorlyke staat van tegenweer was gebragt 53 49. 51. 158. 291 291 144 53 Neen digt bij de spanjers baij neen, maar den Busschieter Charpantje heeft ons verhaald dat den vijand in straat Banka Heeft Uwen Gezaghebber Niels lag en dat wij ons daarom moesten klaar„ thouden, dog wij geloofden zulks niet om Fries terstond na den ontfangst dat wij dagten dat hij dit maar uitjok„ van die Brief den inhoud daar kernij zeide. van aan ulied niet te kennen ge„ „geven! bij den gezaghebber om dat het ons niet gecommandeert is. den dag daarop. Wat vlaggen hebben zij ge„ ik weet het niet regt, dog zoo mij voorstaat„ hadden zij roode en andere gekleurde „voerd. vlaggen. Hoe veel dagen na u vertrek van de Manadose Rhede hebt gij den Mangindaanschen Vijanden in 't gezigt gekregen. 57. Waarom heeft Gijl u na die brief van den Resident ontfangen te hebben, niet terstond slagvaardig gemaakt. 2 Waar is die brief gebleven. 56 Op welke hoogte waart Gijl toen met de Bark! 54 nog in het gezigt van Manado of niet! Waart Gijl. toen met de Bark 55 55 58 59 169. 60 .:0 niet zeer ver het was doodstil Vooruit, aan bakboord zij smorgens tusschen 7 en 8 uuren. neen. neen,; maar toen hij ste men dezelve op „ digt bij het Eiland Banka over stuurboord zij bij de Wind. ijk geloof omtrend 9 uuren bi Waarontrent of op wat hoogte hebt gij haar in 't gezigt gekregen! 62 Hoe verwaart gij toen wel van landd. 63 Wat voor winden hebben en te dier tijd wel gewaard. 64 Over wat boeg hebt gij toen wel met die winden gelegen, over stuurboord of over bakbaard, of hebt gij toen voor de Wind gezeilt. 65 Over wat kant is toen den vijand op u afgekomen. bb ruimden wij het zelve en heijsten twee zware stuk „ wat deed gyl toen. „ken op, en bragten kruit en kogels bij de hand. bij Op wat uur ontrend kreeg Gijl den vijand in 't gezigt 68. Op wat uur ontrend kreeg gijl het eerste vuur! 69 Was dien tusschen tijd dan niet ge„ „noeg om ul ten minsten in een betere staat van defensie te stellen als gijl terwijl het dek met weter vaten belemmert was, Hebt gij, toen ook u Vlag bij gehad bij 293 160. 295 belette. lange Dajongs Ja na het gehoor van de schooten wel zoo swaar na mijn bestondhoud seventien zo mij voorkwam in Paduakans 12 de grootste hadden de lengte van een slaep en welke grootte hadden ze! de andere waren Kleinder. 73 Hoe veel Bokken voerdenze! jk het zulks niet kunnen zien door dien hunne buiten overhellende bentings mij zulks als die van agt pond bals. een en twee bokken. Hoe veel stukken geschut had¬ „den zij. van Wat Calieber. 76 Hadden zij ook riemen even als de Galleijen! Wat-soort van riemen waren het, Korte schepriemen of lange roei„ „riemen! 78 Hoe veel riemen hadden zijn aan ieder zijde! 79 G Konden zij handig daar mede omgaan. " Jk weet het met regt, maar zij hadden een zeer groot getal. 74 71 Jn welke soort van vaartuigen bestonden dezelve. Hoe veel vaartuigen was den Vijand sterk 145 bij het slaan geweest zijt! 80 70

NL-HaNA_1.04.02_3556_0774 view scan ↗

English

recognize. cannon. no. no. I did not see it. they had heavy fortifications. Were those vessels indeed provided with strong netting? 81. What were those fortifications made of? I do not know, as I cannot properly recognize them. 82. Could those fortifications withstand your cannon? It seemed so, since we could do them no harm with our cannon. 83. Did you make proper use of your firearms? No, but we did make use of the cannon on deck. 84. Did you make proper use of your hand grenades? 85. Did you make proper use of your cutlasses? 86. Did you make proper use of your pikes? 87. How strongly manned were the enemy vessels? I do not know, because the crew was concealed behind the fortifications. 88. Were there also Europeans on all or on any of those vessels? Not that we know of. 89. Were all those vessels provided with good gunners? Yes, for they hit us very well. 90. 162. 295 295 146. Could they handle the cannon fairly well and shoot reasonably accurately? They fired abundantly, and therefore whether they could handle it skillfully I do not know, but they could shoot well. 91. With what shot did they fire, with iron, lead, tin, or stone? With tin shot, as we found those inboard, and of others I do not know. 92. Were they abundantly supplied with powder and shot? I think so. 93. Were they not also provided with firearms? Not that I know of. 94. Were they also sufficiently provided with cutlasses, sabres, and pedangs? 95. Did they also use their cutlasses, sabres, and pedangs? With pedangs, since they used them during the boarding. 96. Were they also provided with good shields? Yes, the pedangs during the boarding. 97. What were those shields made of? Of wood. 98. Were they also provided with pikes? No, but with assagais. 99. Were they also armed with bow and arrow? I do not know. 100. 165. 122. Did they not fire at you with their cannon during the pursuit? After we had been engaged for a while. 123. Did they also hit you? Yes. 124. Were none of yours killed or wounded thereby? One burgher was wounded in his arm with a musket ball. 125. How far were you with your fleeing vessel from on board when the enemy boarded? Alongside the paduakan of Mr. Wolf, which lay on the port side of the bark. 126. Did the enemy cannonade and board you in sight of the shore? Yes. 127. Was the Resident of Kwandang, De Wolf, wounded? Yes, it has been. 128. When, in the beginning of the fight, or long after you had already been under fire? I do not know to say. 129. With what was he wounded? I do not know. 130. In what place was he wounded? In the groin. 131. Did he die from that? Likely yes. 132. Where did he remain with his family? 133. 166. 299 299 148. 134. Was there, after your flight, still a prahu, a bolotto, or a similar small vessel on board with which he could get away? Yes, two more prahus. 135. Did any of his slaves also escape? Yes, a small boy who fled with us and is in Manado. 136. Did Commander Niels Fries conduct himself bravely and courageously during the fight? Yes. 137. Did he keep good command during the battle? Yes, but when we went away he also went away with another vessel. 138. Did he not get wounded? Yes. 139. When, in the beginning, in the middle, or at the end of the fight? In the beginning. 140. In what place on his body was he wounded? In the neck. 141. With what was he wounded? 142. Did he die of his wound? Yes. 143. How long did he still live after receiving the wound? Only a very short time. 144. Did he continue to hold command after his wounding, or did he turn the authority over to another? Upon the wounding, Mate Hondeletten took over the command, but whether it was given to him or whether he took it himself, I do not know. 145. How did your mate Hondeletten conduct himself? Bravely. 146. Did he keep good command during the battle? Yes. 147. Did he remain on board until the very last? Yes.

Dutch transcription

bekennen. Kanon. neen neen jk het niet gezien. p zij hadden zware Rentings Waaren die vaartuigen wel van vinke nette voorzien! 81 Waar van waaren die Paentings gemaakt ik weet het niet, terwijl ik ze niet wel kan 82 Kouden die Bentings ulieder Kanon het leek van ja, alzo wij hun met ons kanon geen kwaad konden doen. wederstaan. 83 neen, maar wel van het op dek zijnde Hebt Gyl van Uw Schietgeweer het behoorlyk gebruikt gemaakt. 54 Hebt Gyl van uwe hand granaten het behoorlik gebruikt gemaakt Hebt Gijl van uwre Houwers het behoorlyk gebruik gemaakt.! 86 Hebt Gijl van uwe Pieken het be„ „hoorlijk gebruikt gemaakt. 37 ik weet het niet om dat de Manschappen agter de Bentings verborgen waren Hoe Sterk waren de Vijandelijke Vaar¬ tuigen wel bemant 88 Waaren 'er ook Europesen op alle of wel op eenige dier vaartuigen. zijn alle die vaartuigen van goede „ja wan't zij hebben ons vergoed ge„ Kannonniers voorzien geweest! „raakt niet dat wij voorstaat do 90 85 162. 295 295 146 niet. ze hebben rijkelijk geschoten en daarom of ze er handig ne konden omgaan weet Ronden zij nog al wel met het ik niet, maar zij konnen wel schieten. Kanon omgaan en redelijk accu„ „raat schieten! 91 met tinne kogels, alzoo wij die binnen boord Met welke kogels hebben zij ge„ gevonden hebben, en van anderen weet ik „schoten met ijzere, loode, tinne, of steene! denk ik ja niet dat ik weet met Pedangs terwijl zize bij de ente¬ „ring gebruikt hebben ja de Pedangs het enteren neen, maar van Assagaijen. van hout ik weet het niet 7 G waaren ze ook van Dieken voorzien 98 Waar van waren die schilden gemaakt „ waaren zij ook met pijl en boog gewapend waaren ze ook van goede schil„ „den voorzien Hebben ze haare Houwers, Sabels en Redangs ook gebruikt. waaren zij ook genoegzaam van Houwers, sabels en Pedangs voor„ „zien. 94 93 Waaren zij ook niet van schiet ge„ „weer voorzien! zijn zij rijkelijk van kruijt en ko„ „gels voorzien geweest. 90 100 92. 95 96 165. Ja ja geweest een burger, is met een snaphaan Kogel in zijn 'er daar door geene der uwen zijn arm gekwert gedood nog gekweet geworden. 125 Hoe verwaard gij met u vlug¬ op zij van de Paduakan van de Heer Wolf die aan bakboord zij aan de bark lag. „tend vaartuig van boord, toen den Vijand enterde! 126 Heeft den Vijand u in 't gezigt van de wal gekannoneert en geenterd 127 Js den quandangs Resident de wolf gequest geworden. 128 Wanneer, in het begin van het ge„ „vegt of lang na dat Gij reets in 't vuur was geweest 129 Waar mede is hij gekwest geworden 130 Op welke plaats is hij geweest 131 is hij daar van gestorven! 132 Waar is hij met zijne familie gebleeven. ik weet het niet: denkelijk ja in de lies ik weet het niet te zeggen na dat men een poortijd waren doenden hebben zij u onder het nazetten niet met hun Kanon geschoten. 123 hebbe ze u ook geraakt! 122 133 te na mu Z Ze 11. S ƒ 122 133 166. 299 299 148. ja, nog twee prauwen jp een kleine jongen die met ons gevlugt en ja, maar toen wij weggingen is hij ook weggegaan op Manado is. 136 Heeft hij onder het slaan eene goede Com„ „mando gehouden 137 Is hij niet gekwert geraakt. 138 Wanneer in 't begin, in 't midden of in 't einde van het gevegt 39 13 Op welke plaats van zijn lichaam is hij gekwest 140 Waar mede is hij gekwest. 141 Js hij aan zijne kwetsuur overleden 142 Hoe lang heeft hij nog geleeft na het ontfangen der Kwetsuur bij het Bwretsen heeft den stuurman Hondeletten 143 den het Commando over genomen, maar of het hem Bleef hij na zijne kwetsing nog Comman„ gegeven is dan wel of hij het zelve genomen heeft „do houden, of gaf hij 't gezag aan een ande weet ik niet over 144 dapper Hoe heef zig uwen stuurman Houdeletten gedragen 145 Heeft hij onder het slaan eene goede Com„ mando gehouden 146 js hij tot het laatste toe aan boord gebleven! met een ander Vaartuig maar zeer kort ik weet het niet Ja in de hals in het begin zijn er ook eenige slaven van hem ontkomen! 135 Heeft den Gezaghebber Niels Fries zig geduurende het geregt dapper en Courageus gedragen. Waser na u vlugt nog een prauw een bolotto of een diergelijk vaartuigje aanboord waarmede hij konde wegraaken Ja Ja Ja 134

NL-HaNA_1.04.02_3556_0778 view scan ↗

English

167. 147 until the evening [illegible] because the topmast rigging or the shroud beside [illegible] was shot away. I did not pay attention to that Where is he now? He remained. I do not know where. 148 How did your mate Gree conduct himself? Bravely. 149 Did he maintain good command during the fighting? Yes, at his post, near the guns. 150 Did he remain on board until the very last? I believe so, since he did not get into the boat with us. 151 How long, after your arrival on land, did you still have the bark in sight? Until the evening. 152 Did the bark, after its capture, also fire any joy or victory shots? They hoisted a flag, but whether it was ours I do not know; they also beat the gong, probably as a sign of victory, but did not fire. 153 Did the enemy, after they had made themselves masters of the bark, set the sails to get under sail? The sails were set, and they towed the bark; the shots had shot mostly all the running rigging to pieces. 154 Could you not discover then whether they could handle its sail and further rigging, as well as the steering and turning of the bark, rather deftly and familiarly? [illegible] 155 Did the enemy, after the capture of the bark, keep together, or did any of them separate from the others? As far as I know, they remained together. 156 What course did the enemy take then? All between the islands of Talize and Banka. Have you not heard what was subsequently done with the bark? No. Was signed: Lukas de Keijser. Below stood: Thus answered by the person requisitioned at Ternate in the Company's Hospital, date as above. Was signed: J: DF Lindeman and C: Adolfs. Below stood: Thus drawn up and on 17 December 1778 interrogated in the presence of the shipmasters Johan Fredrik Lindeman and Christiaan Adolfs, by Hendrik Ambrosius Johnson, provisional fiscal. In the middle: In my presence, signed: J: H: Bax, sworn clerk. 168 301 149 Evidence of their innocence. To what causes the loss of the bark was attributed. Whereby it became evident that the repeatedly mentioned surviving crew members did not make themselves guilty of any neglect of duty during that encounter, but on the contrary in that fatal case, as is to be presumed from the sinking of four enemy vessels, had conducted themselves courageously in every way so far as the circumstances and confusion had permitted them, and that therefore the loss of the bark could not be imputed to the cowardice of those poor people, and should on that account solely be attributed to the following causes, namely: to the superior power of the enemies; to their bentings, and the wondrous rigging of their vessels; to the multitude of dayongs, or oars; to the manner of boarding; to the enclosing of the bark between fourteen large vessels, just as between two formidable batteries; to a dead calm and the impossibility of turning the bark; to the poor condition of the sails and running rigging shot to pieces; to the neglect of the commander Niels Fries to make himself ready for battle out of contempt for the enemy, notwithstanding that this had been most earnestly recommended to him by letter one day beforehand by Resident Hemmekam; to the death in action of that commander, and of the brave Resident De Wolff, as well as a large part of the crew: thus, on account of the favorable testimony of the aforementioned present Fiscal, and many proofs of innocence of the repeatedly mentioned crew members, it was unanimously approved and understood to let their wages resume their course again, from the time that they last enjoyed their pay, in hope and confidence that Their High Nobilities will graciously be pleased to approve this disposition, the more so because the same corresponds with the Resolution taken on 7 December 1776 on account of the loss of the pantjallangs the Sara Maria and the Haasje, and approved by the well-mentioned High Rulers in Their High Nobilities' revered missive of 31 December 1777. Furthermore, reading having been taken of a written justification of the Junior Merchant and Resident Hemmekam, summoned from Manado, concerning the surprise capture of the aforesaid bark the Ida, as well as regarding the appointment of the hukum Inelewan as old hukum of Tonsea, and the sending back of the deed of the hukum Sumampouw appointed thereto by this Council, and also concerning the complaints brought against him by certain hukums, the same was found to be of the following content: 170 303 Its content. To the Honorable, Worshipful Lord Jacob Roeland Thomaszen, Governor and Director, together with the Council of the Moluccas, Honorable, Worshipful Ruling Lord and Lords, Since your Honors have been pleased to approve, while placing my possessions under seizure, to summon me from Manado, and to transfer the authority there—until I shall have satisfactorily accounted for myself concerning the surprise capture of the bark the Ida in the past year, as well as regarding the appointment of the hukum Inelewan and the sending back of the deed of Hermanus Sumampouw, who was appointed hukum by this Government, and also concerning the complaints brought against me by certain Manado hukums—to the Junior Merchant D. E. Koene Koenes, I hereby take the liberty, as the opportunity now presents itself for the first time due to intervening occupations, to set down very briefly for my discharge regarding this: 150

Dutch transcription

167. 147 tot 's avonds toe „ten. ppseert, om dat het stenge wand of de Hoofdtouw neevens geschoten was. ik heb daar niet op gelet gebleven Waar is hij tans 148 Hoe heeft zig uwen stúurman Grée gedragen! 149 Heeft hij onder het slaan eene goede Commando gehouden 150 ik geloof ja vermits hij niet met ons in de js hij tot het laatste toe aan boord gebleven! schuit gegaan is. 151 Hoe lang hebt gij na uwe komst te land, de bark nog in 't gezigt gehad. was weet ik niet zij hebben ook op de Gom geslagen 152 Heeft de Bark na dies verviering ook eenige denkelijk tot teken van Vetarie, maar niet gescho„ Vreugde of Victorie Schoten gedaan. 153 „haalt om onder zeil te gaan 154 Hebt Gij toen niet kunnen ontdekken of zij met dies zeil en verdertuig, zoo wel als met het stuu„ „ren en wenden der Bark nagal handigen onbe„ „vreemd konden omgaan zoo ik niet beter weet zijn ze bij malkanderen Heeft zig den vijand na het veroveren der bark, 155 bij elkanderen gehouden, of hebben er zig eenige van den ander gescheiden 156 alle tusschen de Eilanden Talize en Banka Wat Cours heeft den vijand toen genomen neen /:was geteekend:/ Lukas de Kejser Hebt Gij niet gehoord Wat 'er vervolgens /:onderstond:/ Aldus door den gerequi „ met de Bark gedaan is „reerde beantwoord tot Ternaten in 's /:onderstond:/ Aldus opgemaakt en den 17. Compagnies Hospitaal dato voor „ December 1778 ten overstaan van de „schreven /:was geteekend:/ J: DF schippers Johan Fredrik Lindeman en Christiaan Adolfs afgevraagt, door Lindeman en C: Adolfs (:Was geteekend:) Hendrik Ambrosius Johnson proint: fiskaal /: in 't midden„ Jn kennis van mij /.geteekend:/ J: H: Bax gezworen Klerk zij hebben een vlagge geheessen maar of het de onze de zijlen stonden bij, en zij hebben de Bark geboege, Heeft den Vijand na dat zij zig meesters van ze de schoten en meest al het lopend touwerk aan stuk de Bark gemaakt hadden, de zijlen bij ge„ ja, op zijn post. bij de Stukken. Waar ik weet het niet dapper blij toe 168 301 301 149 blijk van derzelver Onschuld aan welke oorzaken het verlies van de Bark werdt toegeschreven. Waar bij kwam te blijken, dat de meermelde over¬ „geblevene schepelingen zig bij die rencontie aan geen pligtverzuim hebben schuldig gemaakt, maar zig daaren tegen in dat fataal geval, gelijk uit het zinken van vier vijandelijke vaartui„ „gen te persumeren is, zoo veel hun de omstan„ „digheden en confusie hadde toegelaten, allezins man„ „moedig hadden gedragen, en dat derhalven het ver„ „lies van de Bark niet aan de lafhartigheid dier arme menschen konde werden geimputeert, en over zulks alleen moette werden toe geschreven aan de volgende oorzaken, als: aan de overmagt der vijanden; aan hunne Bentings, en wonder„ „lijke toetakeling hunner vaartuigen; aan de me„ „nigte van Dajongs, of Riemen; aan de wijze van aanzanding; aan het insluiten der Bark tusschen veertien groote vaartuigen, even als tus„ „schen twee formidable Batterijen; aan doodstilte en onbekwoomheid van wenden der Bark, aan de slegte gesteldheid van de aan stukken geschotene zeilen en het lopende touwerk; aan het verzuim van den gezaghebber Niels Fries van zig, uit minag„ „ting van den vijand, slagvoordig te maaken, niette„ „genstaande hem zulks door den Resident Hemmel„ „kam één dog bevorens bij brieve ten ernstigsten was 4 legage van voorsz: schepelingen 2: weder cours te laten nemen op approbatie van Hunne Hoog Edelheden. Lecture der verantwoor„ „„man Hemmekam. wegens het verlies van de Bark de Ida etc: was aanbevolen; aan het Sneuvelen van dien gezaghebber, en van den dapperen Resident de wolff, ook van een groot gedeelte der Equi„ „pagie: zoo is, uit hoofd van het gunstig getui„ „genis van den voornoemden presenten Fiscaal, en veele blijken van onschuld der meermelde sche„ „pelingen, met unanime stemmen goedgevon„ „den en verstaan derzelver bezolding wederom cours te laten nemen, zedert den tijd dat ze de laatstemaal hunne gagien hebben genoten, in hoope en ver„ „trouwen dat Hunne Hoog Edelheden deze dispositie gratieuselijk zullen gelieven te approberen, te meer„ wijl dezelve overeenkomt met de op den 7: Decem„ „ber 1776, wegens het verlies van de Pantjal„ „lings de Sara Maria en 't Haasje, genomene, en door welmelde Hooge Gebieders bij Hoogster„ „zelver gevenereerde missive van den 31: Decem„ „ber 1777, goedgekeurde Resolutie Wijders lecture genomen wezende van eene „ding van den Onderkoop„schriftelijke verantwoording van den van Manado opontboden Onderkoopman en Resident Hemmekam, wegens de overrom„ „peling van de voorzegde Bark de Ida, zo mede nopens het aanstellen van den Hoekum Inele„ „wan tot oud Hoekum van Toncea, en het te„ rig zenden : 2 170 303 303 dies inhoud „rugzenden der Acte van de door dezen Raad daar toe aangestelde Hoekum Sumampouw, en teffens over de door zommige Hoekums tegen hem ingebragte klagten, wierdt dezel„ „ve van den volgenden inhoud bevonden: Aan den wel Edelen Achtb: Heer M:r Jacob Roeland Thomaszen Gouverneur en Directeur benevens den Raad der Molukkos, Wel Edele Achtbare Gebiedende Heer en Heeren Aangezien uweld: Achtb: hebben gelieven goed te vin„ „den, om onder in beslogneming mijner bezitting, mij van Manado op te ontbieden, en het gesag aldaar, tot dat ik mij wegens de overrompeling van de Bark de Ida in den gepasseerden Jare; zo me„ „de nopens het aanstellen van den Hoecum Inelewan en het te rugzenden der acte van den door deze Regering tot Hoekum benoemde Hermanus Suiampouw, en teffens over de klagten, door zommige Manadosche Hoe„ „kums tegens mij ingebragt, satisfactoir zal hebben verandwoord, op te dragen aan den Onderkoop„ „man DE Koene Koenes, zo gebruik ik /:als daar toe mits de tusschen gekomene bezigheden, zig Jegenswoordig eerst de gelegenheid op doende) een bij deze de vrijheid, dien aangaande zeer beknopt tot mijn decharge ter neder te 150 stellen

NL-HaNA_1.04.02_3556_0782 view scan ↗

English

state that the news of the appearance of the Mangindanaoans on 17 April of the past year in the Bangka Strait is completely untrue, because on the 20th of the same month, through the dispatch of the provisional Corporal Hermanus Beur, I obtained report that not the least or slightest sign of the enemy was perceived, which report corresponds with the truth and is further confirmed by the departure of the private pantjallangs of the Chinese Onghoedjan and Gautjoeko, who departed from Manado on the 19th of the mentioned month and, without having encountered anything hostile along the way, appeared unmolested at the Ternate roadstead. Furthermore, I judge that I may maintain on good grounds that the authorities, and especially the commander Niels Fries, who up to three times had experience with the Mangindanaoan enemy, ought to have known through mature consideration how he should conduct himself in order to secure the bark and crew entrusted to him, which were properly equipped for war from Ternate, against the danger of the enemy, to which end the mentioned commander was also most strictly admonished by me upon his departure from Manado to attend most seriously to vigilance and courage upon an attack by the enemy. Also, the mentioned bark would have undertaken the return voyage hither on the appointed sailing day, had the commander Niels Fries not been compelled by contrary winds to remain lying there and to wait until a good opportunity presented itself. Besides all the aforesaid, I take the liberty to add hereto that on the day after the departure of the mentioned bark, being 8 May of the past year at nine o'clock in the morning, I first obtained news from the Sangir islands of the appearance and progress of the Mangindanaoans toward the coast of Celebes, upon which report I immediately sent the gunner Joseph Carpentier with a letter to the ship's authorities of the oft-mentioned bark, a copy of which I had the honor to send to Your Honorable Excellencies to accompany my humble letter of 15 May of the past year. I hope that Your Honorable Excellencies will be able to see clearly enough from the concise defense mentioned here above that the surprise attack on the bark Ida with its cargo is in no way to be imputed to my neglect of duty, whereas on the other hand I must confess guilt for having returned the act signed by the Governor Valckenaer along with the Council for Sumampouw, appointed by Your Honorable Excellencies as old Hoekum over Toucea instead of Inelewan, and in that respect not having obeyed and respected the orders of the Moluccan Government. However, since this was not done to set myself against the commands of the Governor and Council, but solely to avoid being despised and mocked by the men under my command, and especially by the Hoekums and other natives, I most humbly insist that this fault may graciously be pardoned me and overlooked by Your Honorable Excellencies for the reasons cited. Regarding now the complaints brought against my person by various Hoekums, as if I had mistreated them, these mostly stem from the fact that I often turned down their requests and could not possibly always accommodate them without causing great unqualified expenses for the Company, or else, if they were not reimbursed to me, for myself; in addition to which I should also note that it is indeed well enough known to Your Honorable Excellencies as well as to everyone else besides how stubborn, obstinate, and unmanageable the Manadorese are. In conclusion hereof, I therefore request once more that Your Honorable Excellencies will be pleased to absolve me from all further accountability in this regard, and to assign back to me the possession of my arrested modest belongings: Just as on the basis thereof, and on account of my sober condition, I most humbly insist that Your Honorable Excellencies be pleased to have restored to me in kind a quantity of sought-after linens that were handed over by me to the Honorable Koenes for the continuation of trade in Manado, which could then, just like the 991:38:8 rix-dollars already enjoyed by me, be charged to the Manado office with the approval of Your Honorable Excellencies. That, both for the reassurance of Your Honorable Excellencies and for the security of myself and the guarantors I posted with the Company, the findings of the Manado trade books from 1 September 1777 to the last day of October 1778 may be drawn up as soon as possible. That, in the hope of receiving a favorable recommendation from Your Honorable Excellencies for holding such an office as the Illustrious Supreme Indian Government, in their wise judgment, will be pleased to entrust to me, I may be excused from returning to Manado, and that on the basis thereof the Honorable Koenes may be required to send hither, by the first ship's opportunity, everything arrested belonging to me. I hope that Your Honorable Excellencies this my short defense to

Dutch transcription

171 stellen, dat de tijding van het verschyn der Man„ „gind mauwers op den 17: April d. o p. o in de straat Banka gansch onwaar is, want op den 20: derzelfde maand, heb ik door afzending van den p„l Corporaal Hermanus Beur be„ „rigt erlangt, dat er het minste of geringste van den vijand wierd vernomen, welk berigt met de waarheid over eenkomt en nader beves„ „tigd word, door het vertrek der particuliere Pantjallings van de Chinesen Onghoedjan en Gautjoeko die op den 19:e der gem: maand van Manado vertrokken en zonder onderweegs iets vijandelijks ontmoet te hebben, ongemo„ „lesteerd op de Ternaatsche Reede zijn verscheenen. Daarenboven oordeel ik op goed fundamente te mogen sustineren dat de overheden en wel O inzonderheid den gezaghebber Niels Fries, die tot drie malen toe, ondervinding van den Man„ „gindanauwschen Vijand gehad heeft, zulks door een rijp overleg hadde dienen te weten, hoeda„ „nig hij zig moesten gedragen, om de hen aan„ „betrouwde en van Ternaten behoorlijk ten oor„ „log toegeruste Bark en sohepelingen voor het gevaar van den vijand te beveiligen, waar toe gem: gezaghebber bij zijn vertrek van Manado„ door mij ook op het strengste is vermaant de 305 305 de waakzaamheid en manmoedigheid bij aan„ „randing van den vijand op het serieuste te behertigen. Bark op den be„ Ook zoude de gemelde „paalden zeildag de te rug Reise naar her„ hebben ondernomen, indien de Ge„ „waarts Niels Fries niet genoodzaakt 4zaghebber was geweest van door contrarie wind te blijven leggen, en zolange te wagten tot zig een goede gelegenheid op deede. Buiten al het voorschrevene gebruike ik nog de vrijheid hier bij te voegen, dat ik 'sdaags na het vertrek van gem: Bark zijnde den 8: Meij r: p:r des smorgens te negen uuren, eerst uit de Sangvrsch tijding van het verschijn en rijsvordering der Manqundanauwers na de Rust van Celebes heb erlangt, op welk berigt ik den Busschieter Jo„ „ seph Carpentier terstand met een brief aan de scheeps-overheden van dik gem: Bark heb gezonden, welkers Copia ik de eere heb gehad uwel Ed: Achtb:s, ten geleide mijner onderdanige let„ „teren van den 15:' Meij a: p:o toe te senden. Ik hope dat uwelEd: Achtb: uit de hier boven„ „gemelde beknopte verdediging klaar genoeg zul„ „len kunnen beoogen, dat de overrompeling van de Bark de Ida met deszelfs lading in geenen deelen aan mijn pligt verzuim is te imputeren, waaren, „ tegen 151. „tegen ik schuld moet bekennen, van de door den Heer Gouverneur Valckenaer nevens den Raad ondertekende Acte voor den door Hunne wel Ed: Achtb: tot oud Hoekum over Toucea, instede van Inelewan aan„ „gestelde Sumampouw, te hebben te rug gezonden, en in dat opzigt de Orders der Moluksche Regering niet te hebben geobedieert en gerespecteerd. Dog vermits dit niet geschied is, om mij te„ „gens de beveelen van den Heer Gouverneur en Raad aantekonten, maar eenlijk om niet door mijne onderhebbende manschappen, en voorname„ „lijk van de Hoekums en andere Inlanders veragt en bespot te werden, zo instere ik op 't humbelste„ dat mij deze faut gratieuselijk moge werden gepar„ „doneert en door uw wel Ed: Achtb: om de aangehaalde redenen over het hoofd gezien Betreffende nu de tegens mijn persoon door diverse Hoekums ingebragte klagten, als of ik Dezelven hadde mishandeld, deze zijn meest her„ „komstig, om dat ik hunne verzoeken dikwils van de hand heb gewezen en hun onmogelijk altijd ten wille heb kunnen zijn, zonder grote ongequa„ „lificeerde ongelden voor de Comp:e dan wel, indien„ „ze mij niet vergoed wierden, voor mijn zelve te veroorzaken, waar bij ik nog diene aantemer„ „ken, dat het immers uw wel Ed: Achtb: zo wel als een ieder buiten dien genoeg bekend is, hoe stug, eigentinnig en onhandelbaar de Mana„ doresen zijn Ten besluite dezes verzoeke ik dan als nog, dat uwelEd: Achtb: mij zullen gelieven te 307 174. 287 152 te absolveren van alle verdere verantwoor„ „ding dieswegens, en mij het besit van mijne gearresteerd armoedje weder toetewijsen: Gelijk ik op fundament van dien; ende uit hoofde van mijnen soberen toestand, op het ootmoedigst instere, dat uw wel Ed: Achtb: mij gelieven te laten restitueren in natura éen quantiteit gewilde Lijwaten, die door mij aan d E: Koenes tot voortsetting van den handel te Ma„ „nado zijn ter hand gesteld, welk alsdan even als de reeds door mij genotene Rijkd„s 991:38:8. –. met goedvinden van uw welEd: Achtb: het Comtoir Mana„ „do zoude kunnen werden aangerekend. Dat zoo tot gerustelling van uw WelEd: Achtb: als tot securiteit van mij en mijne bij de Comp: gestelde bor„ „gen, zoo spoedig doenlijk, moge werden opgemaakt, de Bevinding der Manadosche handelboekjes van primo 7ber: 1777. tot ultimo October 1778. Dat ik op hoope van door uwel Ed: Achtb: gunstig voorschrijven tot het bekleden van een zodanige be„ „diening als de Hustre Indiasche Hoofd Regering, na Hun wijs oordeel, mij zullen gelieven aan„ „te betrouwen, van het retour naar Manado mag werden geexcuseert en dat op fundament van dien, d' E Roenes mag werden gedemandeert, alle het van mij gearresteerde, bij wrtte scheepsgele„ „genheid herwaarts te zenden. Ik hope dat uwelEd: Achtb„, deze mijne korte verantwoording te

NL-HaNA_1.04.02_3556_0786 view scan ↗

English

deliberation regarding this will consider the justification sufficient, and for that reason will approve it as well as my humble requests joined thereto; while in this humble expectation, with the most dutiful respect and esteem, I call myself (was written below) Right Honorable Ruling Lord and Gentlemen (lower) your Right Honorable's very humble and obedient servant (was signed:) F: B: Hemmekam. (in the margin) Ternate the 24th of August 1779. And the matters set down therein having been maturely considered, and furthermore taking into account that the testimony of the remaining crew members of the Ida, concerning the news of the approach of the Maguindanao sea rovers, fully agrees with the declarations of the said accountable party, and he has otherwise properly discharged his duty as Resident in that regard, so that the loss of that bark, with its cargo, cannot be imputed to him: thus it has been approved and agreed to be satisfied with the justification of Junior Merchant Hemmekam inserted hereinbefore to that effect, and consequently to grant him, subject to the honored approval of said justification is accepted. postponed Hemmekam from the return to Manado. approved and again seat in Council the further decision of this matter and therefore Hemmekam's request is granted excused recommended favorably to their High Mightinesses. restitution of some linens! granted herewith necessity to place a capable person as Postholder on Batchian. therefore Ensign Rokzien sent thither. with orders to maintain good order on Laboea their High Mightinesses, freedom from all further accountability on that account; as well as to forgive him, likewise on account of the cited reasons in his apology, for the return of the deed signed by the former Governor Valckenaer for the aforementioned currently serving old Hoekum of Toncea, Hermanus Sumampouw; and to grant him a seat in this assembly again, as has taken place previously: but on the contrary, although it is known how stubborn, unmanageable, and headstrong the Manadorese are, nevertheless to investigate further, after the departure of the ships and vessels to Batavia, the aforesaid forwarded complaints of some of their Hoekums, alongside the further points demanded by the Instructions for the Commissioners Koeies and Mersz: and answered by the same, and to decide upon that, as well as simultaneously upon the findings of the Manado trade books from 1 September 1717 to the last day of October 1718, as soon as they shall have arrived, and then likewise to take a final decision regarding that matter. Regarding the request made in the prescribed justification by Junior Merchant Hemmekam, to be excused from returning to Manado, it has been approved and agreed to condescend; and to recommend him favorably to their High Mightinesses, as he is very capable and experienced in native affairs, and therefore comes in very useful here in these restless times, so that he may be favored by Their High Mightinesses with one or another suitable post upon a vacancy. Likewise, it has been judged equitable and resolved to grant his further request, and consequently to have returned from the trade warehouse the linens specified in an inventory forwarded hither and surrendered by him to Junior Merchant Hoenes on 7 December 1778 for the continuation of the Company's trade, namely: 80 pieces Cambays of 8 Cobidos, 10 pieces large Surat chintz blankets instead of 80 pieces brown-blue Bethilles 3 pieces small chintz blankets 9 pieces brown-blue Moeris instead of 9 pieces Berzerat 11 pieces brown-blue Baftas instead of 11 pieces fine narrow Bethilles 1 piece medium bleached Guinees instead of 1½ pieces fine Fotassen 4 pieces Niguanias, instead of 8 pieces Tapis of 4 Cobidos 2 pieces fine Bengal Fotassen 7½ pieces bunting cloth in assortment 28 pieces men's shirts 46 pieces brown-blue half Guinees 8 pieces medium bleached ditto 5 pieces brown-blue Percalles 6 pieces medium bleached Moeris 2 pieces Tapis of four Cobidos 10 pieces brown-blue Percalles After this, it having been brought into deliberation by the Governor how in these critical times, and all the more because there is not yet a permanent administrator at Batchian, it would be by no means unserviceable, nay on the contrary very necessary, that a vigilant person and at the same time one knowledgeable in the manners of the Batchianese should provisionally exercise authority there, for which reason His Honour declared that he had also proceeded to send Ensign Rokzien thither on the 23rd of this month, who resided there some years ago as Postholder to the full satisfaction of his superiors and is very respected and beloved by that nation, with orders to maintain good order on Laboea and to keep Fort Barneveld in a complete state of defense, as well as the artillery, further ammunition, and weapons.

Dutch transcription

175: delebiratie des wegens „doende verantwoording voldoende zullen aanmerken, en uit dien hoofde zoo wel approbeeren, als mijne daar ne„ „vens gevoegde onderdanige instanties; Terwijl ik in deze Ootmoedige verwagting mij met het ver„ „schuldigst respect en hoogagting noeme (:onderstond) wel Edele Achtbare Gebiedende Heer en Heeren (lager.) uw wel Edele Achtb„s zeer Onderda„ „nige en gehoorzame Dienaar (was getekent:) F: B: Hemmekam. (in margine) Ter„ „naten den 24:e Augustus 1779. En het daar bij ter nedergestelde rijpelijk overwogen, mitsgaders in aanmerking ge„ nomene hebbende, dat het verklaarde door de overgeblevene schepelingen van de Ida, nopens de tijding van de aanna„ „dering der Mangindanosche zeeschui„ „mers, volkomen accordeert met de be„ „tuigingen van den ged: verantwoorder, en hij zig overigens daar omtrent wel gekweeten heeft van zijnen pligt als Resident, dus het verlies dier Bark, met derzelver lading, hem niet ten laste kan gelegd werden: zoo is goedgevonden gezegte verantwoording is vol„ en verstaan zig voldaan te houden met de hier voorwaarts geinsereerde verantwoording van den Onderkoopman Hemmekam ten dien belan„ „ge, en hem overzulks, op de g'eerde approbatie van 176 309 309 153 „kam op Hun Hoog Edelhe„ „ken gegeven. uitgesteld Hemmehaam van 't retour naar Manado. „cen approbatie vrij gepro„ vrij tespreken van alle verdere verantwoor„ „ding dierwegens; mitsgaders denzelven teffens, almede wegens de aangehaalde redenen bij zijne Apologie, te vergeeven de terugzending der door den Heer afgega„ „nen Gouverneur Valckenaer getekende Acte van voornoemden tans fungerenden oud Hoekum van Toncea, Hermanus Sumam¬ en weder sessie in Rade „pouw; en hem weder sessie in deze verga„ „dering te verleenen, gelijk voorheen plaats heeft gehad: dog daarentegen, alschoon het bekend is hoe stug, onhandelbaar en eigenzining de Ma„ de verdere decisie dezer zaak „ nadoreesen zijn, nogtans de voorzegde overgezon„ „dene klagten van enige hunner Hoekums, nevens de verdere bij de Instructie voor de Gecommitteer„ „den Koeies en Mersz: gedemandeerde, en door de„ „zelven beantwoordde pointen, na het vertrek „der schepen en vaartuigen naar Batavia, nader te onderzoeken, en daar over, zo wel als tegelijk op de Bevinding der Manadosche Handelboekjes van Pmo September 1717. tot ult:o October 1718, zo dra dezelve zal ingekomen wezen, te disponeren, en als dan daaromtrent insgelijks een finaal besluit te nemen. Jn het bij voorschrevene Verantwoording en daarom wort Hemme van Hunne Hoog Edelheden, volkomen gedaan geoxeueert ter zijden favorabel aan „gedragen. „tie van enige Lijwaten! gedaan verzoek van den onderkoopman Heen„ „mekam, om van het retour naar Ma„ „nado te mogen werden geexcuseert, is goedgevonden en verstaan te candescen„ „deren; en denzelven, als zeer bekwaam en ervaren zijnde in de Inlandsche zaaken, en derhalven in deze onrustige tijden al„ en denzelven om reden „ hier zeer te stade komende, aan Hun„ Hunne Hoog Edelheden voor„ ne Hoog Edelheden favorabel voorte„ „dragen, om door Hoogst dezelven begun„ „stigd te mogen werden met den een of anderen Convenablen dienst bij vacuture Desgelijks is billijk geoordeeld en besloten desselfs instantie om restiki„ deszelfs verdere instantie te bewilligen, en dienvolgende uit het Negotie pakhuis te laten restitueren de door hem aan den onderkoopman tot Hoenes voortzetting van Comp.:s - handel, en bij een herwaarts gezondene overgegevene Inventaris van den 7: December 1778. gespe„ hier nevens geaccordeert „ cificeert staande Lijwaten, te weeten: 80: — p:s Cambaijen van 8: Cobidos, 10: — „ Dekens Gedattoeneerde groote sourats in stede van 80: p:s } Bethilles bruinbl: 3:- „ klyne „ 9: – „ Moeris br: bl: in stede van 9: p:s Ber zerat „ „ 11 „ Bethilles fijne smalle 11: „ „ Baftas „ „ 1:- „ Guinees gem: gebl: in stede van 1½ p:s Fatassen fijn p:s 4. s 178 tit 310 154 noodzakelijkheid om een bekwaam persoon als te leggen. daarom den Vaandrig Rokzien derwaarts ge„ „zonden. met bevel om goede or„ „der op Laboea te hou„ „der 31 4: – p:s Niguaniassen, in stede van 8: p:s Tapis van 4: Cobidos. „ vlagge doeken in zoort 2: –. „ Fotassen fijne Bengaals 7½ „ Manshemden 28:- „ Guinees br: bl: halve 46: - „ _o gem: gebl: 8. — „ Parcallen br: bl: 5: - 6:- „ Moerissen gem: gebl: 2: - „ Topis van vier Cobidos Parcallen bruin blauw 10: - „ Hier na door den Heer Gouverneur in over„ Posthouder op Batchian „ leg gebragt zijnde, hoe het in deze critieke tijden, en te meer, om dat 'er nog geen vaste Rijksbestierder te Batchian is, gansch niet ondienstig, Ja daarentegen zeer noodzakelijk zoude wezen, dat 'er een vigilant en teffens der Batohianders manieren kundig persoon aldaar vooreerst het gezag voerde, uit welken hoofde zijn Edele verklaarde ook overgegaan te zyn den Vaandrig Rokzien, die ginder voor enige Jaren als Posthouder gelegen heeft tot volko¬ „men genoegen zijner Gebieders, en bij die Na„ „tie zeer gezien en bemind is, den 23: dezer der„ „waarts te zenden, met last, om op Laboea goe„ „de orde, en het Fort Barneveld in eenen volkomen staat van defensie te houden, mits„ „gaders het geschut, verdere Amunitie, en wapenen - l:

NL-HaNA_1.04.02_3556_0790 view scan ↗

English

and to inspect the artillery, the Council members judged necessary, and therefore to leave Roksien there as Commandant. Letter from the sergeant and Batchian Postholder Lofman. to accurately inspect the weapons and examine closely whether anything was lacking in any respect, and upon noticing any defect, to remedy this with the utmost speed, sending over all that might be found unserviceable, in order that with what was lacking and necessary they might be properly provided and served regarding the arrangement on Batchian: thus, after the Council members recognized the necessity of the presence of such a person on Batchian in this conjuncture of time, and therefore had expressed their thanks to the Governor for that arrangement, which in all respects accorded with a prudent manner of proceeding, it was approved and understood not only to conform fully therewith, but also to allow the aforementioned Ensign Rokseen to remain on Batchian as Commandant until further orders. Subsequently, the aforementioned Governor produced the letter incorporated below from the sergeant and Batchian Postholder Loffman, brought here the day before yesterday at noon by the Laboerean Franciscus Castilianus: Ternaten To the Right Honorable Master Jacob Roeland Thomaszen, Governor and Director of the Moluccos. Right Honorable Sir, On this occasion, your humble servant cannot fail to communicate to Your Right Honor that on the 17th of this month a roree proa from the Papuan lands of Mixul arrived here, carrying nine persons, on which was the King Walli with his son. He had visited Kassiroeta, but not finding the settlement there anymore, the aforementioned King came hither to Laboea and reported to the Young King's Chiefs, who immediately gave me a report. Whereupon I requested the Chiefs to question him as to what his interests were here. The Chiefs then reported to me again that the reason for coming hither was that he had heard that his mother on Kassiroeta had passed away. Furthermore, he also warned that we should not be frightened, that in a short time a number of three hundred and fifty cora-coras from the Papuan lands are assembling at Salwaatie, adding that this was with the prior knowledge of the Right Honorable Gentleman of Ambon, who is also to be expected there in a short time, and that the decorations have already been prepared. This aforementioned King Walli is a native Batchianer and is on friendly terms with the old and Young King. The aforementioned has also frequently appeared before this with the Old King on Kasiroeta, as he says, and has traded with him. But your humble undersigned did not trust the aforementioned Walli if he were to continue his course back to Papua quickly. Therefore, I worked with the Chiefs here so that we might persuade him in all good faith to sail with this proa to Ternaten, in order to speak with Your Right Honor in person regarding the abovementioned situation. Furthermore, through the request of the Chiefs of the Young King's sisters, the aforementioned Walli's proa was drawn up in their settlement, and the aforementioned Walli, his son, and seven proa sailors are also under their custody and responsibility, until further orders from Your Right Honor. I must also report that most of the Batchian Moors, following the sayings of the aforementioned Walli regarding the Papuan cora-cora fleet, have had their goods carried into the forest. Therefore, I very humbly request Your Right Honor to please send me two others in place of the two deceased soldiers, along with another six for the reinforcement of the fortress until this settlement is at peace, for as long as the Batchian Moors do not have their ruler, there is no peace, which the Chiefs have frequently repeated to me. Wherewith I conclude and remain, Your Right Honor's in all dutiful obligation, Right Honorable Sir, Your Right Honor's faithful servant, was signed J. Loffman. Batchian in the fortress Barnevelt, 20 August 1779. Per the Laboerean burgher Franciscus Castilianus, from whom Your Right Honor will be able to hear about it verbally. Rescription to the Commandant Roksien thereupon. and likewise the Rescription thereto, which His Honor had judged necessary to direct to the Commandant Roksien and to dispatch this evening. Batchian To the Ensign Jacob Andries Roksien, Commandant there. Valiant, Pious! From the enclosed copy of a letter from Sergeant Loffman, you will see what he has made known to us regarding the impending arrival of the Papuans there. We have further interrogated Radja Walli here, and learned from him that only

Dutch transcription

179 en het geschut op tenemen. de Raadsleden nodzakelijk geoordeeld. en daarom Roksien als Com„ „mandant aldaar te laten. Brief van den sergeant en Pogtehian Pasthouder Lofman. Wapenen acuraat optenemen, en naauwkeu„ „rig te examineren of aan het een en an„ „der niets ontbrak, en eenig defect gewaar wordende, zulks op het spoedigste te bedeelen, onder overzending van al het geen 'er onbe„ „kwaam mogte bevonden werden, ten einde met het manquerende en nodige behoorlijk de schikkking op Batchian door te werden voorzien en geriefd: zoo is, na dat de Raadsleden de noodwendigheid der presentie van een dusdanig persoon op Batchian in deze tijds-Conjuncture ingezien, en derhalven den Heer Gouverneur dank betuigd hadden voor die in allen deelen met eene voorzigtige handel¬ „wijze over eenkomende beschikking, goed gevon„ „den en verstaan zig niet alleen daar mede ten vollen te conformeren, maar ook den voornoemden vaandrig Rokseen op Batchian als Commandant te laten blijven tot nader order. Vervolgens produceerde welmelde Heer Gou„ „reneur den hier onder ingelijfden brief van den sergeant en Batchians Posthou„ „der Loffman, op eergisteren middag alhier aangebragt 180 317 313 155. aangebragt door den Latoerees Francis„ „cus Castilianus: Ternaten Aan den wel Edelen Achtbaren Heer M:r Jacob Roeland Thomaszen Gouverneur en Directeur der Moluccos Wel Edele Achtbare Heer Bij deese geleegenthijt kan den neederigen dienaar niet manquiren, om aan uwel Ed Achtbaarens te com„ „muniseeren als dat op d: 17:te deeser Eene roree prouw uit de papien van Mixul alhier gearriveert is sterk Neegen koppen, waar op sig heeft bevonden den Koning Walli met zijn soon, derselvige op Kassiroeta aangeweest is, hebbende de Negorij al„ „daar niet meer gevonden, soo is booven gemelde Konig naar herwaarts naar de Laboea gekom„ „men en heeft gemelt sig bij des Jongen Konigs Opperhooften, die selvige mijn ter stond hebben Rapport gedaan waar op ik de opperhooften heb versoekt om hem uit te vraagen wat sijn belangen alhier waas, daarop de Opperhooften mijn weeder Rapport hebben gemagt, dat de oorsak was naar herwaarts te kommen om dat hij gehoord hadde dat zijne Moeder op Kas„ „siroeta overleden was, ten anderen heeft hij nog gewaarschout als dat wij niet verschrekken mogten, dat in korten tijd Een getaal van drie honderd en vijftig Corra Corras uit de papiien zijnd te saamen gekommen op salwaatie, daar bij segende, dat selviges met voor kennis van den wel Ed: Achtbaaren Heer van Ambon was, der ook aldaar in in korten tijd te verwagten zal zijn, en de schamboijen berijts klaar gemakt zijn. Deese gemelde Konig Walli is Een geboorene Bato„ „chianer en staat onder de vriend-schap van den ouden en Jongen Koing, ook is den gemelden voor deesen ofter„ „mals bij den Ouden koing op Kasiroeta verscheenen soo als hij segt en Negotie met hem gedreeven heeft maar den neederigen teekenaar heeft den gemelden Walli niet vertraut in dien selviger sijnen Coers Citto weeder naar de papu wolte vortsetten, daar om heb ik met de opperhooften alhier gewerkt, dat wier hem in al„ „len goeden hebben soeken te bekommen, om met deese prauw naar Ternaten te vaaren, om selbsten weegens s booven aangaande gesteltheijt met uw wel Ed: Achtb:s daar over te spreeken verders door het versoek van de Opperhooften van des Jongen Konigs sesters, is den gemelden walli sijne prauw in haare Negerij opgehalt worden, wie ook onder de berusting den gemelden walli sijn soon en seeven prouw schep„ „pers die selvige onder haare verantwoording loopen, tot verdere orders van uw wel Ed„e Agtbaarens. Nog meede moet bekent maaken als dat de meeste Batchianse Mooren, op de Gesegten van den gemelden walli wegens de papusse Corra Corras floot haare goederen Bossch warts in laaten brengen. Daarom versoeke uw wel Ed: Achtbaarens seer oud„ „moedig, om mijn dog voor de twee overleedene militairen, wierder twee andere in plaatzs te senden, benevens nog ses andere tot verstel„ „king „ 182. 315 315 156 312 „dant Roksien daarop „king van 't fortres tot solange deese Negerij in ge„ „rusthijt is, dan solange de Batchianse Mooren haaren oovergesetten niet hebben, soo is kijne gerusthijd, het welke de opperhooften oftermaals uieder mijn gesegt hebben. Woormede bekorte en verblijve uw wel Ed: Achtb:s tot alle dienstwillige verpligting. (:onderstond:) wel Edele Agtbaare Heer (lager) uw wel Edle Achtbaarens trauwscholdige Dienaar (was getekent) J„b Loffman (:in margine:) Batchian in 't fortres Barnevelt den 20: Augustus 1779 (:lager:) P:r den Laboereesen Burger E Franciscus Castilianus door uw wel Ed: Agtbaare nog mondelijks, daar van hooren konnen. rescriptie aan den Comman„ en teffens de Rescriptie op denzelven, die zijn Edele nodig geoordeeld hadt aan den Commandant Roksien interigten en dezen avond te laten afgaan. Batchian Aan den Vaandrig Jacob Andries Roksien Commandant endaar Manhafte, Vroome! Uit het inleggend afschrift van een brief van den sergeant Loffman zal uE zien wat hij ons bekend gemaakt heeft nopens de aanstaande komst der Papoeën aldaar. mij hebben Radja Walli hier nader ondervraagd; en van hem vernomen, dat er maar

NL-HaNA_1.04.02_3556_0794 view scan ↗

English

but fifty-two praus, among which are ten Ceram junks, with the notorious Radja Killeloehoe and his brother Captain Maman as their chiefs, have sailed from Salwattij to Pattanij, in order to depart from there, and at Maba and Weda having joined with yet another large number of korra-korras, up to possibly one hundred vessels together according to his thoughts, for Batchian, with the intention of placing themselves under the protection of the old king, because having been informed of the banishment of the old and young King of Tidor, he inclines thereto: The latter is also presumed by the Crown Prince of Batchian, who, as it appears to me, would also gladly see this, but we by no means do, and therefore Your Honor must feign ignorance thereof toward that prince, whenever he might reveal his desire in that respect, yet pay close attention to his movements and undertakings, in order to inform me thereof on every occasion. The aforementioned crown prince is to depart thither this evening upon the news received yesterday afternoon with the return of the Citizen Ensign Willemse, that seven Mangindanau pirate vessels, of which two are of such size as the sloop De Langmoedigheid, have already been seen near Oubij, and I have therefore provided him with as much ammunition, firearms, and other native weapons as is mentioned in the enclosed note, while he is also taking along four small barrels, or two hundred pounds of gunpowder, to be delivered to Your Honor for the defense of Fort Barneveld. Should the aforementioned Radja Killeloehoe and his brother Maman appear there, I strictly order Your Honor to apprehend both of those rogues, who have long been declared outlaws, in a subtle, concealed manner, and to send them hither under the very best security, if such can be done safely. For this, the crown prince has also received the necessary orders from me, but Your Honor should not rely merely on his assistance in that regard. A cautious distrust must have a place in this matter. I have likewise recommended the often-mentioned crown prince to return hither by mid-September, in order to escort his uncle with a fleet of Ternatan korra-korras, wherefore Your Honor must also urge him to that end, should he demonstrate having no desire to comply with that order. As long as the enemy is heard of near Oubij or thereabouts, the expedition to collect the monster nuts must be suspended, with communication that Radja Walli is no king, but merely a captain, suspended, although it would grieve me greatly if they could not be sent to Batavia this year. The departure of the Batchian queens to this place must be made impracticable under the pretext of the roaming of the Mangindanau pirates; and I also expect from Your Honor an exact report on the state of affairs there, as well as the maintenance of good order and the utmost vigilance, alongside a brave resistance in case of any hostile attack, remaining meanwhile, after friendly greetings, It was undersigned: Your Honor's good friend. Was signed: J: R: Thomaszen. In the margin: Ternaten in Castle Orange, the 26th of August 1779. Below: P:S: Herewith also goes a copy of a receipt from Sergeant Loffman, concerning the receipt of some ammunition goods, which belonged to the old King of Batchian, and must remain under Your Honor's custody until further orders. With further communication to the assembly that the Radja Walli mentioned in those two letters is not a king, as Sergeant Loffman calls him, but merely a common Batchianese man and residing for the most part on Misool who has been interrogated here, but his answer is different from what was recorded at Laboea, Batchian deemed very necessary, residing under that fictitious name, though holding the rank of captain there, and being a great confidant of the old king arrested here, sailed back and forth annually, to inform him of everything that went on and was undertaken among the four Papuan kings; to which His Honor further added that the said Radja Walli, directly upon his arrival, in the presence of the Crown Prince of Batchian and the Honorable Cornabé and Meurs, was interrogated, and he had only stated that which is mentioned in the preceding rescript; thus very different from his statement at Laboea. Which matters having been discussed, it is considered extremely necessary and resolved that the orders sent to that, that the orders and recommended precautions given by the Lord Governor in the aforementioned reply to the letter of the aforementioned Sergeant Loffman, be strictly followed; as the same fully accord with the interests of the Company. In continuation of this subject, it was further submitted by the Lord Governor to the members for consideration, whether it would not be good, and even very advisable, that the Maba and Weda chiefs still present here be allowed to undertake the return journey to their country as soon as possible, Proposal of the Lord Governor to let the Maba and Weda people return to their country with letters and gifts, what effect this would cause, in the company of someone, and that someone be sent along at the same time with friendly letters and small gifts, as well to the chiefs of Maba, Weda, Pattanij, and Geke, as to the four Papuan principal kings; under declaration that if this were done swiftly, and the aforementioned chiefs still present here recounted to them the good reception they enjoyed,

Dutch transcription

3 183 maar twee en vijftig Praauwen, waar onder tien Ceramsche Jonken met den berugten Radja Killeloehoe en zijnen broeder Kapitein Maman als derzelver Hoofden, van Salwattij naar Pattanij zijn gestevend, om daar, en op Maba en meda zig geconjungeert hebbende met nog een groot getal Korra Korras, tot mogelijk Een hon„ „derd vaartuigen tezamen volgens zijne gedagten, naar Batchian te vertrekken, met intentie van zig onder de bescherming van den ouden Koning te begeven, wijl hij van de verzending van den ou„ „den en Jongen Koning van Tidor geinformeert zijnde, daar toe inclineren: Het laatste wordt ook verondersteld bij den Batchianschen Kroonprins, die zulks naar het mij voorkomt, ook wel gaarne zoude zien, maar wij geenzins, en derhalven moet uE: zig daar van anwoetend houden Jegens dien Prins, wanneer hij zijn verlangen ten dien opzigte mogte openbaren, dog wel letten op zijne gangen en ondernemingen, om mij daar van bij alle gelegenheden telkens kennis te geven. De evengemelde kroonprins staat dezen avond derwaarts te vertrekken op de gisteren middag, met de terugkering van den Burger vaandrig Willemse, bekomene tijding, dat 'er reeds seven Mangindanauwsche roofvaartuigen, waar van twee van zoodanige grootte, als de sloep de Langmoedigheid, bij Oubij gezien zijn, en ik heb denzelven daarom voorzien van zoo veel Amunitie, geweeren en andere Inlandsche wapenen, als 184 317: 313 157. 317 als bij de ingeslotene notitie vermeld staat, terwijl hij nog vier vaatjes, of twee honderd ponden kruit medeneemt, om aan uE, tot defensie van het Fort Barneveld, aftegeven. Wanneer de voorschreven Radja Kille„ „loehoe en zijn Broeder Maman aldaar mogte opdragen, gelaste ik UE: ernstiglijk om die beide Schelmen, welke voorlange vogelorij verklaard zijn, op eene fijne bedekte wijze te ligten, en in de allerbeste verzekering herwaarts te zenden, zo daa zulks veilig geschieden kan. Hier toe heeft de kroonprins ook de nodige or„ „ders van mij bekomen, maar uE diend daar omtrent niet slegts op zyne hulpe staat te maken. Een voorzigtig wantrouwen moet in dit stuk plaats hebben Den meermelden Kroonprins heb ik teffens aanbevolen tegens medio september dit heen terugtekeren, om zijnen oom met een vloot Ternaatsche Korra Karras uitgeleide te doen, waaromme uE denzelven daar toe ook moet aansporen, indien hij mogte beto„ „nen geen lust te hebben in de nako„ „ming dier order op Jolange er van den Vijand bij Oubij of daaromstreeks vernomen wordt, moet de bezending ten afhaal der manster nooten werden gestaakt, 10 onder communicatie dat Radja Walli geen koning maar sleegts een Kapitein is. gestaakt, schoon het mij zeer leed zoude wezen wanneer die niet in dit Jaar naar Batavia kunnen gezonden werden. Het vertrek van de Batchiansche Konin„ „ginnen naar herwaarts moet op het voorwend„ „zel van de omzwerving der Mangindanauw„ „sche Rovers ondoenlijk gemaakt werden; en ik verwagte van uE almede eene exacte informatie van den toestand der zaken aldaar ook de onderhouding van goede order, en de uiterste waakzaamheid, nevens eenen dapperen tegenstand bij enigen vijandelijken aanval, blijvende intusschen na vriende„ „lijke groete (:onderstond:) uE: goede vriend (was getekent) J: R: Thomaszen (in margine) Ternaten in 't Kasteel Orange den 26: Augustus 1779 (la„ „ger) P: S: Nog gaat hier nevens eene Copia- Quitantie van den sergeant Loffman, wegens den ontvangst van enige Amunitie- Goederen, die den ouden Koning van Batohian hebben toebehoord, en tot nader order onder uE berusting moeten blijven met verdere communicatie aan de dat de in die beide brie„ vergadering Radja Walli, geen „ven genoemde Koning, gelijk sergeant Loffman hem maar slegts een gemeene noemd, Batchiander en meesten tijds op Mixcol woonagtig 186. 319 319 158 die alhier is ondervraagd dog zijn antwoord is verschillend met het gearresteerde op Laboea rchian zeer nodig geoordeeld. woonagtig was onder dien verdigten naam, dog aldaar de qualiteit van Kapitein bekleedde, en een groot vertrouwe„ „ling van den hier gearresteerden ou„ „den Koning zijnde, Jaarlijks over en weder voer, om hem van alles te informeren wat bij de vier Papoesche Koningen omging, en ondernomen wierdt; waar bij zijn Ed: nog voegde, dat ged: Radja Walli; direct bij zijn komst, in bij zijn van den kroonprins van Batchi„ „an, en d E:s Cornabé en Meurs, is on„ „dervraagd geworden, en hij eenlyk dat geene opgegeven hadt, twelk bij de vorenstaande Rescriptie vermeld staat; dus zeer verschillende met zijne de„ „latie te Laboea. Over welk een en ander gesproken wezende: zoo is ten de afgegaan orders naar dat„ uitersten nodig geacht en geresolveert de door den Heer Gouverneur in de evengezegde Beantwoording van den dac Voorslag van den Heer Gouverneur om de Maba en Wedarschen naar hun land te laten retourneren met brieven en geschenken. welk nit zulks zoude reroor„ „zaken. den brief van voornoemden sergeant Loffman gegevene orders en aante„ stiptelijk te laten „volene precautien gevolg neemen; alzoo dezelven volko„ „men passen met het Intrest der Maat„ „ schappije. Ten vervolge dezer stoffe wierdt voorts door den Heer Gouverneur aan de leden in overweging gegeven, of het niet goed, en zelfs zeer raadzaam zoude zijn, dat men de hier nog presente Maba„ sche en Wedasche Opperhoofden ten spoedigsten de terugreise naar hun Land liet aannomen, in gezelschap van iemant en tegelijk iemand medezond met vrien„ „delyke brieven en klijne Geschenkjes, zo wel aan de Opperhoofden van Maba, weda, Pat„ „tantij en Geke, als aan de vier Papoesche Hoofdkoningen ! onder verklaring, dat wan„ „neer zulks schielijk geschiedde, en de gemelde hier nog tegewoordig zijnde Hoofden hun genoten goed onthaal aan dezelven verhaalden, „ le

NL-HaNA_1.04.02_3556_0799 view scan ↗

English

188. and 21 321 159 Resolution to have the departure of the aforementioned Chiefs take place promptly with Corporal Jacob Semet. Petty Kings. Reading of the letters to the same and the Chiefs of Maba, Weda and Battam. related, his Honour did not doubt in the least that the aforementioned peoples would then soon come to a standstill, and their anxiety would turn into contentment; to which the Council members also gladly assented, and consequently judged the said mission to be expedient: thus it is approved and agreed not only to let the frequently mentioned Maba and Weda Chiefs depart as soon as possible, and to accompany them by the linguistically skilled Corporal Jacob Semet, experienced in their local customs, along with two Burghers, for the delivery of the letters; but also, along with that gift on departure to the Papuan Kings, to send four pieces of fine white Morrees, or rather one piece to each, as a token of friendship; while the Lord Governor took upon himself the dispatching of the aforementioned Chiefs, and at the same time submitted for reading the letters drafted by his Honour and inserted here: To the Supreme Chiefs of Maba, Weda, Pattanij and Gebe, who exercise authority there and in their subordinate Districts. Also to the four Principal Kings in Papua. Whereas the Moluccan Government, in the name of the Honourable Dutch East India Company, has been under the utter necessity of sending the old King and Raja Muda of the Kingdom of Tidor to Batavia, in order to be punished there according to their deserts, because of their unfaithfulness toward the Company, violation of the Contract that so many brave and renowned Sultans have kept so sacredly, and extreme hostilities, whereby the entire Kingdom of Tidor is also now brought under the power and Authority of the Honourable Dutch Company, just as all the Princes and subjects have already sworn the oath of allegiance and obedience, and the Moluccan Government has at the same time approved and deemed it expedient not only to appoint five Regents, among whom Prince Gaigiera, a direct descendant of the widely renowned Sultan Saifuddin, as the first and chief person, to exercise authority solely on the Island of Tidor and the other places belonging thereunder, under the superior command of the Governor and Director of the Moluccas, until another Sultan shall be appointed in the coming Year, but also to declare the whole 190. 523 323 160 whole vast Land of the Papuans, and the Districts of Maba, Weda, Pattanij and Gebe, along with all the other places united therewith, for ever and always independent of the Kingdom of Tidor, to which they now do not belong at all anymore, but rather under the power and protection of the Honourable Dutch East India Company, whose orders alone, being given through the Moluccan Government, they are to obey in the future: so it is that the Governor and Director with his Council in Castle Orange currently dispatch this letter to the Kings and Nobles of Salwattij Mixol Waijgeeuw Waijgamma the Supreme Chiefs of Maba Weda Pattanij Gebe to make known, firstly, that peace between Ternate and Tidor has been concluded and published; secondly, that all the committed outrages and evil deeds in times past, which were mostly caused and occurred at the instigation and order of the King and Raja Muda sent to Batavia, are forgiven and forgotten for ever; and further to request, as is done now, to appear on Ternate the sooner the better, in order to swear the oath of fidelity and obedience to the Honourable Dutch East India Company, Note: to each one fine piece of Morrees is presented as the adjacent gratuity. Company, as the Supreme Chiefs of Maba and Weda present here have already done, as well as to make and conclude such a Contract with the Moluccan Government as may serve for the welfare of the entire Papuan Land, and Salwattij etc., Maba, Weda, Pattanij, Gebe. Continuation in the letters of Maba, Weda and Pattanij: the collective Supreme Chiefs will then also be able to duly receive themselves all the Recognition monies that the Dutch Company has allocated yearly, but which were always extorted and taken by the Kings of Tidor, which can no longer happen in the future. Continuation in the letters of the Papuan Kings: Furthermore, herewith goes as a token of sincere friendship and purity one piece of fine white Linen. was signed: J. R. Thomaszen. In the margin: Ternate in Castle Orange, the 26th of August 1779. Lower: By order of the Right Honourable Lord Governor and Director together with the Council of the Moluccas, signed: H. A. de Chalmot, provisional secretary. with whose content it was immediately resolved to conform, as well as with the delivery to the frequently mentioned Maba and Weda Chiefs, as a gratuity for their return journey also to Pattanij, Gebe and Papua on Commission, of Thirty

Dutch transcription

188. en 21 321 159 besluit om 't vertrek der voor„ „melde Hoofden spaedig te laten geschieden. met den Korparaal Jacob semet Koningjes. lecture van de brieven aan dezelve en de Hoofden van verhaalden, zijn Edele geenzins twijffelde, of voornoemde volken zouden dan wel haast tot stelstand, en hunne ongerustheid in vernoeging veranderen; 't geen de Raads„ „leden ook gaarne toegestemd, en derhalven de gezegde bezending dienstig geoordeeld heb„ „bende: zoo is goedgevonden en verstaan niet alleen de meermelde Mabascheen wedasche Hoofden ten spoedigsten te laten vertrekken, en dezelven verzellen door den taalkundigen en in hunne landsgewoonten ervaaren. Korporaal Jacob Semet, nevens twee Burgers, ten overbreng der brieven; maar ook bij die geschenk aan de dopoerte aan de Papoesche Koningen vier stukken witte fijne Moeris, of eigentlijk aan ieder één stuk, tot een teken van vriendschap, te zenden; terwijl de Heer Gouverneur op zig nam het depecheren van voorschre„ „ven Hoofden, en teffens ter lecture over„ Maba, Weda in Battam „ gaf de ged: door zijn Ed: reeds ontwor„ „pene en hier geinsereerde brieven: Aan. de Aan de Opperhoofden van Maba, Weda, Pattanij en Gebe, die aldaar en op der„ „zelver onderhorige Districten het gezag voor„ Ook aan de vier Hoofd Koningen in de Papoe Vermits de Molukcosche Regiering uit naam der Edele Nederlandsche Oost-Indische Compagnie in de uiterste noodzakelijkheid is geweest, den ouden Koning en Radja Moeda van het Rijk van Tidor naar Batavia te verzenden, om aldaar naar ver„ „diensten gestraft te werden, wegens hunne on„ „trouwe Jegens de Compagnie, verbreking van het Contract, dat zoo veele braave en beroem, „de sulthans zoo heiliglijk hebben nagekomen, en verregaande vijandelijkheden, waar door het gansche Tidorsche Rijk ook tans gebragt is on„ „der de magt en het Gezag der Edele Nederland„ „sche Compagnie, gelijk alle de Prinsen en on„ „derdanen reeds den eed van trouwe en gehoorzaamheid hebben afgelegd, en de Moluccosche Regeering tet „fens goedgevonden en dienstig geoordeeld heeft niet alleen vijf Regenten aantestellen, waar onder de Prins Gaigiera, een regte afstamme„ „ling van den wijnberoemden Sulthan Saifoedin, als de eerste en hoofd persoon, om alleen op het Ei„ „land Tidor en de andere plaatsen, die daar onder gehoren, het gezag te voeren, onder het hooger bevel van den Gouverneur en Directeur der Moluccos, tot dat in het aanstaande Jaar een andere Sulthan zal aangesteld zijn, maar ook het gansche 190. 523 323 160 gansche uitgestrekte Land der Papoeën, en Disbricten van Maba, weda, Pattanij en Gebe, nevens alle de verdere daar mede verenigde plaatsen, voor eeuwig en altoos onafhangelijk te verklaren van het Rijk van Tidor, waar onder zij tons in 't geheel niet meer behoren, maar wel onder de magt en be„ „scherming van de Edele Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, welkers orders alleen, gegeven wordende door de Moluccosche Regeering zij in 't vervolg hebben te gehoorzamen: zoo is 't, dat de Gouverneur en Directeur met zynen Raade in't Kasteel Orange dezen brief tegen„ „woordig laten afgaan aan de Koningen en Grooten van Talwattij Mixol Waijgeeuw Waijgamma de Opperhoofden van Maba Weda Pattanij Gebe om eerstelijk bekend te maken, dat tusschen Ternaten en Tidor de vrede gesloten en gepubliceert is; ten anderen, dat voor altoos vergeven en vergeten zijn alle de gepleegde baldadigheden en kwaade gedoentens in de voorgaande tij„ „den, die meest op instigatie en bevel van de naar Bata„ „tavia verzonden koning en Radja Moeda zijn ver„ „oorzaakt en geschied; en wijders te verzoeken, gelijk nu geschied, om hoe eerder hoe liever op Ternaten te ver„ „schijnen, ten einde den eed van getrouwheid en gehoor„ „zaamheid aan de Edele Nederlandsche Oost-Indiche Compagnie 1 NB: aan ieder een fijn stuk moe„ „formeert wordt. staande douceur. Compagnie afteleggen, zoo als de hier aanwezen„ „de Opperhoofden van Maba en weda al gedaan heb„ „ben, mitsgaders zoodanig een Contract met de Moluccasche Regeering te maken en te sluiten, als tot welzijn van het geheele Papoesche Land, en Salwattij etc:) (Mabas (weda / (Pattanig) (Gebe) zal kunnen strekken. je Vervolg in de brieven van Maba, Weda en Patta„ „nij kunnende als dan ook de gezamentlijke Opper„ t „hoofden zelfs behoorlijk ontvangen alle de Recognitie penningen, die de Hollandsche Compagnie Jaarlijks„ heeft toegelegd, maar door de Koningen van Tidor altoos afgedwongen en ontnomen zijn, 't geen in den aanstaande niet meer geschieden kan. Vervolg in de brieven der Papoesche Koningen Wijders gaat hier nevens tot een opregte vriend¬ „schap en zuiverheid een stuk fijn wit Lijwaats (:was getekent) J: R: Thomaszen (in margine:) Terna„ „ten in 't Kasteel Orange den 26: Augustus 1779 (lager:) Ter ordonnantie van den wel Ed. Achtb: Heer Gouverneur en Directeur nevens den Raad der Moluccos (:getekent:) H: A: de Chal„ „ mot p„l secret„s met welkers inhoud zo wel gecor„ met welkers inhoud terstond besloten wierdt zig te conformeren, zo wel als met de afgave aan de dikwerf genoem„ als met de afgave van 't neven „ de Maba- en Wedasche Hoofden, tot een douceur voor hunne terugreise ook naar Pattanij, Gede en de Papoe in Com¬ missie, van Dertig „ris t

NL-HaNA_1.04.02_3556_0803 view scan ↗

English

192 325 1. 325 161 of returned private vessels. had undertaken. tidings received that seven Mangindanao vessels Thirty Rijksdaalders in cash, namely 15 Rd:s to those of Maba and 15 Rd:s to those of Weda, One piece of Guinees common bleached, Two pieces of flags, Half a last of Javanese rice, and Twenty-three cans of arrack. as well as for their defense fifty pounds of gunpowder and fifty pieces of bullets item with the provision of fifteen Rijksdaalders in cash five pieces of checkered rumals, and four black half baftas to the aforementioned Corporal Semet, for his further accounting. With the return of the private vessels that departed for Batavia on the 5th of the past month, belonging to the Captain, Lieutenant, and Ensign who made the journey to Batavia of the Burgher guard, van der Plas, Willemsz, and Christoffels respectively, it being reported yesterday by the second to the Lord Governor that, because near Oubij seven Mangindanao pirate vessels had been seen by him, near Oubij had seen. of which 199. to let the ships Westfriesland and the Jonge Samuel depart together two of which were seen to be of such size as the sloop De Langmoedigheid, which had caused his return, along with that of concern over these reports the aforementioned van der Plas and Christoffels: thus this report has now also been considered, and having taken into account that it would now by no means be prudent to act if one were to let the ship Westfriesland depart alone in advance for Batavia, as had been the intention, both on account of that unpleasant news, and because of what is already known here before regarding the arrival of the Papuan vessels: for those reasons it is approved and agreed with unanimity of votes to let the ships Westfriesland and the Jonge Samuel depart for Batavia not one after the other, but both together, toward the end of the upcoming month of September, when the pirates generally return to their country, to observe their Mohammedan 327 194. 327 162 Korra Korras observation by the Lord Governor, regarding the posts Dodingo and Macquian as annexed hereto. Mohammedan fast, under convoy of Ternatean however not other than under convoy of a well-armed Ternatean Korra Korra fleet, which shall have to escort those vessels until past Oubij. The Lord Governor having subsequently observed how irresponsible and very indifferent it would presently be to proceed if no care were taken for the small outer posts Dodingo and Macquian, which are absolutely not in a state of defense, and also, for lack of military personnel, cannot for the present be brought into such state to be resistant against the attacks of the Mangindanao sea rovers and wild Papuans, the more so since the surprise attack on the Oubij post in the past year gave an all too clear proof of the powerlessness of our men: to withdraw the same in such manner thus, upon His Honor's proposal, it was unanimously deemed necessary and resolved to withdraw the said posts to the extent that at each of them only see sche sc 195. Company's effects to be brought hither from there. and to have the artillery collected with a pantjalling. Report regarding the leveling of Fort Tahoela. only one soldier, alongside a gunner, shall be left, in order to be able to give prompt notice of all new tidings of any importance, and upon the approach of the enemy to take flight hither; but to summon all the other garrison members hither, and to have them convey, with the proa of the good months, the Company's effects that are under the care of the respective postholders, and likewise to order him nevertheless to leave with the remaining men one cannon, to be spiked upon the aforementioned flight, with some gunpowder, for firing signal shots; while the other artillery is to be collected shortly with a pantjalling. After resumption of a report submitted by the Captain Lieutenant of the Artillery Schuidt, regarding the leveling, or rather the rendering unusable of Fort Tahoela on Tidor, pursuant to the 329 196 329 163 taken. and fifteen rd:s reimbursed for expenses made thereon. order received for that purpose from the Lord Governor, with which performance Governor; it was approved and agreed to be satisfied with that accomplishment, and to have reimbursed to the said Captain-Lieutenant fifteen Rijksdaalders, disbursed by him to the natives during the demolition of the said fort for the purchase of fish and other trifles; and to insert that report here: To the Right Honorable Lord Jacob Roeland Thomaszen Master Governor and Director of the Moluccas Right Honorable Commanding Lord In fulfillment of Your Right Honorable's order, to ruin and render unusable the fortress Tahoela on Tidor, to spike the unserviceable cannons and throw them into the sea, and to secure the serviceable pieces in the Company's lodge, I proceeded to Tidor, and upon my arrival requested the Prince Regent to supply people for the demolition of the said fortress,

Dutch transcription

192 325 1. 325 161 van te ruggekomene par„ ticuliere vartuigen. hadden ondernomen. tijding erlangd, dat zeven Margindanschte vaartuigen Dertig Rijksdaalders aan Contant, name¬ „lijk 15: rd„s aan die van Maba„ en 15: Rd:s aan die van Wede, Een stuk Guinees gem: gebl: Twee p. s vlaggen, Een half last Javasche Rijs, en Drie en twintig kannen Arak. mitsgaders tot derzelver defensie vijftig ponden Kruit en vyftig p. s Kogels item met de verstrekking van vijftien Rijksdaaldaalders Contant vijf p. s Roemaals geruite, en vier „ Baftas zwarte halve aan den voormelden Korporaal Semet, tot zijne nadere verantwoording. Met de terugkomst van de op den 5e der gepasseerde maand naar Batavia vertrokkene particuliere vaartuigen van den Kapitein, Luitenant, en vaandrig„ die de reeze nanr Batavia der Burgerij, van der Plas, Willemsz en Christoffels respective, door den tweeden aan den Heer Gouverneur gisteren berigt zijnde, dat dewijl door hem bij Oubij se„ ontrent dubij gezien hadd en. „ ven Mangindanosche Roof-vaartuigen, waar #o 199. de schepen west frisland en de Jonge Samuel te gelijk te laten vertrekken waar van twee van zoodanige grootte als de sloep de Langmoedigheid, gezien waren, zulks zijn retour, nevens dat van gespoek oer deze berigten gemelde van der Plas en Christoffels, had„ „de veroorsaakt: zoo is ook deze fotate kijsting tans overwogen, en in aanmerking genomen hebbende, dat dat nu geenzins voorzigtig gehandeld zoude wezen, wanneer men het schip Westfriesland alleen voor af naa Batavia liet vertrekken, gelijk dat het voor „neemen is geweest, zo uit hoofde van dat onaangenaam naarigt, als wegens het geen hier tevoren reeds bekend staat nopens de komst der Papoesche Vaartuigen: om die redenen met eenparigheid van stem„ „men goedgevonden en verstaan de schepen westfriesland en de Jonge Samuel niet na elkander, maar beiden tegelijk, tegens het eind van de aanstaande maand september, wanneer de Roovers zig doorgaans naar hun land terug begeven, tot het houden van hunne mahomedaansche 327 194. 327 162 Korra Korras opmerking van den Heer Gouverneur, nopens de posten Dodingo en Macquian als hier nevens. mahomedaansche vaste, naar Batavia te onder Convooij, van Temaatsche laten vertrekken, egter niet, dan onder convoij van een welgearmeerde Ternaatsche Korra Kor„ „ra vloot welke die Bodems tot voorbij Oubij zal moeten begeleiden De Heer Gouverneur vervolgens opgemarkt hebbende, hoe onverantwoordelijk en zeer onver„ „schillig men altans zoude te werk gaan; indien er geen zorg gedragen wierst voor de kleine Buiten. Posten Dodingo en Macquian, die absolut niet in staat van defensie zijn, en ook, mits gebrek aan Militavren, vooreerst daarin niet kunnen werden gebragt, om bestand te wezen tegen de aanvallen der Mangindanosche zeeschuimers en wilde Papoeen, te meer men aan de overrom„ „peling der Oubijsche Post in den gepasseerd en Jare een al te klaare blyk van de onmagt der dezelvn intrekken in vogen onzen hadde: zoo is, op zijn Ed„s propositie, una„ „min nodig geoordeeld en besloten gemelde Posten in zoo verre intetrekken, dat op elk derzelven maar zie sche sc 195. Comp: esseten van daar te doe„ herwaarts brengen. en het geschut met een panjal„ „ling te laten afhalen. Berigt wegens het slegten van 't erort Tahoela. maar éen soldaat, nevens een Buschieter, wor„ „den gelaten, ten einde van alle nieuwe tijdingen van enig delang ten eersten naarigt te kunnen geven, en bij aannadering van den vijand zig dit heen met de vlugt te begeven; dog alle de overige bezettelingen herwaarts te ontbie„ „den, en door dezelven met de Praauw der goede maanden te doen overbrengen de onder berusting der respective Posthouders zijnde Comp:s Effec„ „ten, mitsgaders hem teffens te gelasten, om daar van egter één bij de evengezegde vlugt te vernagelen Kanon met wat Buskruit aan aan de overblijvende manschap te laten be„ „houden, tot het doen van seinschooten; ter„ „wijl het ander geschut eerstdaags met een Pantjalling Staat afgehaalde te werden. Na resumtie van een door den Kapitein Luitenant der Artillerij Schuidt ingediend Berigt, wegens het slegten, of eigentlyk de gemaakte ondruikbaarheid van het Fort Tahoela op Tidor, ingevolge van de daar 2 329 196 329 163 nomen. en vijftien rd„s voor uit gaven daar aan gerestitueert. daar toe bekomene order van den Heer waar mede genoegen wordge„ Gouverneur; is goedgevonden en verstaan met die verrigting genoegen te nemen, en aan den ged: Kapitein- Luitenant te la„ vijftien Rijksdaalders, door „ten restitueren hem aan de Inlanders, gedurende de afbra„ „ke van het gem: Fort, afgegeven tot het inkopen van visch en andere kleinigheden; mitsgaders dat Berig hier intelijven: Aan den wel Edelen Achtbaaren Heer Jacob Roeland Thomaszen M„r Gouverneur en Directeur der Moluccos Wel Edel Achtbare Gebiedende Heer In voldoening van uwel Edele Achtbaare Bevel, om op Tidor het Fortres Tahoela te ruinee„ „ren, en onbruikbaar te maken, de onbequaame Canons te vernagelen, en in zee te werpen, en de bequaame stukken in s' Comp:s Logie te be„ „zorgen, heb ik mij na Tidor vervoegt, en bij mijn arrivement den Prins Regent verzogt om volk te leveren, tot het afbreeken van gem: Fortres,

NL-HaNA_1.04.02_3556_0808 view scan ↗

English

197. Fortress. The following day, the Regent was at the fortress and removed the first stone, after which I ordered all the parapets of the bastions and of the curtains to be demolished, the cistern filled in, the gunpowder magazine newly breached and filled up with stones, further had the stairs filled up, further had the stairs demolished along which one could reach the bastions, had the trees cut down, spiked one 12-lb iron cannon and one 8-lb ditto and had them thrown into the sea; however, one 6-lb cannon being serviceable, I requested the Prince Regent to have it delivered to the Company's lodge, which the Prince accepted. Finally, I had the curtain wall above and near the gate demolished to fill up the gate with it and thereby prevent entrance, so that the fortress has now been made completely unusable. I also measured the fortress and made a plan of it, showing its strength and size. I also surveyed the fortress or Company's lodge accurately and observed that it has fallen into such decay that it could not be repaired without incurring great expenses. At the end of the settlement, not far from the lodge, there is a suitable place for building a new fortress or lodge, for which the Prince Regent and other grandees of the realm offer to contribute at their own expense lime, stones, woodwork, and common craftsmen for the construction and the other dwellings and buildings belonging therein, as large as shall be indicated to them by the Honourable Company, 198 331 H. 164 331 of the Lands of Batchian to insert the same. indicated to them, in order to be able to take refuge in time of need, since Fortress Tahoela has now been made unusable and was besides a difficult and unsafe shelter. Wherewith I hope to have complied with the honoured intention of Your Right Honourable, and I take the liberty to request Your Right Honourable to have the advance paid by me in the amount of 15 rixdollars reimbursed, for the encouragement of the Tidorese who worked on the fortress. Furthermore, I have the honour to subscribe myself with all high esteem: (below stood) Right Honourable Commanding Lord (lower) Your Right Honourable's dutiful and humble servant (was signed) J. M. M. Schundt (in the margin) Ternate, in Castle Orange, the 23rd of August 1779. Reading of the deed of cession. Lastly, a reading having been taken of a written voluntary cession submitted by the Governor of all the lands of Batchian by the King of that realm to the Honourable Dutch East India Company, it was approved and resolved to insert the same into this document, and thereof, as opportunity may arise in time, 199 to make the necessary and best use: Translation of a letter written in Malay with Arabic characters, presented by the King of Batchian, Muhamat Sahudin Sjah, detained inside Castle Orange, to the Right Honourable Lord Mr. Jacob Roeland Thomaszen, Governor and Director of the Moluccas, reading as follows: I, the King of Batchian, Michamad Sahudin Sjah, Kitchil Dano Kolano, detained inside Castle Orange, hereby confess to voluntarily relinquish the right that I have had up to the present date to the lands of Batchian, assigning the same along with its inhabitants to the Dutch East India Company, in order to rule over it and deal with it in such a manner as the renowned Company shall find advisable, with a humble plea at the same time that, on account 20 ebri 325 333 165. of my high age and, in addition, manifold bodily infirmities, a means of subsistence may be granted to me, in order to be able to end the rest of my days in peace and quiet. (below stood) Ternate, in Castle Orange, the 23rd of August 1779. (lower) For the translation (was signed) C. van Dijk, sworn translator. (even lower) (below stood) written in Dutch: After the above-mentioned writing was read and reread by the Arabic scribe Hatibi Goeroe in the presence of us, the undersigned, His Highness the King of Batchian declared that its contents completely agreed with his intention and that he again declared to surrender his land and people to the Company and not to do like the King of Tidor, who, according to the testimony of Hadji Joesoef, voluntarily offered his land, people, cattle, and entire possessions to the Emperor of Mangindanao. (lower) Ternate, in Castle Orange, the 24th of August 1779. (was signed) Godfried Carel Meurs, F. B. Hemmekam, and H. A. de Chalmot. (in the margin) Read aloud by us and clearly made known (was signed) C. van Dijk and in Arabic characters Hatibi Goeroe. (below stood) Agrees (signed) J. H. Bar, sworn clerk. Thus 201 Thus done and resolved at Ternate in Castle Orange on the date written above (was signed) J. R. Thomaszen, A. Cornabé, H. A. Johnson, G. W. van Renesse, and Jo. Boot. 1 nagrtjen Willera Mmisen 335 166 nen Short Journal of the Military Ensign Johan Pieter Eberhard and the interpreter Johannes Petrus Weijdemuller concerning their proceedings on Batchian.

Dutch transcription

197. Forties, des anderen daags was den Regente op 'te Fortres, en heeft den eersten steen uitgebrooken, waar na ik alle de Borstwerings van de Bol„ „werken, en van de Gordijnen heb laaten afbreeken, de regenbak gedempt, het kruit magazijn de nuuw ingebroken, en met steenen laaten opvullen, voorts de trappen laaten opvullen, voorts te trappen laaten afbreeken, waar langs men in de Bolwerken konde koomen, de Bomen laaten kappen, Een ijzer Canon van 12 lb en een dito van 8. lb. vernagelt, en in zee laaten werpen, dog het eene Canon van 6: l: bequaam zijnde, heb ik den Prins Regent verzogt, om het zelve in 'sComp:s Logie te laaten bezorgen, 't welk den Prins aangenomen heeft Eindelijk heb ik de Gordijns muur boven en bij de Poort laaten afbreeken om daar meede de Poort optevullen en daar door den ingang te beletten, zoo dat thans het Fortres ten eenemaal onbruiklaar gemaakt is. Nog heb ik het Farties gemeenten, en daar van een Plan gemaakt, waar bij desselfs sterkte en groote te zien is. Ook heb ik naauwkeurig 't Fortres of s: Comp:s Lo„ „gie opgenomen, en ontwaart dat het zoodanig vervallen is, dat het zelve niet zonder groote Onkos„ „ten te doen, zoude kunnen gerepareert, werden. Op het eind van de Negorie niet ver van de Logie is een bequaame plaats tot het maaken van een Nieuw Fortres of Logie, waar toe den Prins Re¬ „gent en verdere Rijxgrooten aan bieden op hun eigene kosten kalk, steenen, houtwerken, en gemeene Am„ „bagtslieden, tot den opbauw, en verdere daar in gehoorende wooningen, en opstallen, te Contribueeren zoo groot als 't hun van de E: Compagnie zal werden aangetoont, 198 331 H. 164 331 der Landen van Batchian dezelve te insereren. aangetoont, om zig in tijd van nood te kunnen bergen, door dien thans het Forties Tahoela on„ „bruikbaar gemaakt is, en buiten dien een moeij„ „lijke en onveijlige schuilplaats was. Waar meede verhoope aan de geerde Inten„ „tie van uwelEd: Achtb: te hebben voldaan, zoo gebruike de vrijheid, uwelEd: Achtb: te verzoeken, het door mij verschotcke ten bedragen van rid„s 15: — te laaten restitueeren, tot het aanmoe„ „digen den Tidoreesen, die aan het Fortres ge„ „werkt hebben. Voorts hebde eer met alle Hoogagting te te„ „kenen: (:onderstond) wel Edele Achtbaare Gebiedende Heer (:lager) uwel Edele Achtbares Trouw schuldige en onderdanige Dienaar (was getekent) J: M: M: Schundt (in margine) Tematen. in 't Casteel Orange den 23: Augustus 1779. Lecture van den afstand Laatstelijk nog lecture genomen zijnde van eene door den Heer Gou„ „vemeur overgelegde schriftelijke vrij„ „willige cessie van alle de landen van Batchian door den Koning van dat Rijk aan de Edele Nederlandsche Oost= Indische Maatschappije. zoo is goedge„ „vonden en verstaan dezelve in deze. te inseren, en daar van, bij voorko„ „mende 199 „mende gelegenheid in der tyd, het nodig en beste gebruik te maaken: Translaat van een Maleisch met Arabische Karakters ge„ „schreven brief door den binnen het Kasteel Orange gearresteer„ „den Koning van Batchian Muhamat Sahudin Sjah gepresenteert aan den wel Edelen Achtb: Heer M„r Jacob Roeland Thomaszen Gouverneur en Directeur der Mo„ „lucoos, lindende aldus Ik binnen het Kasteel Orange, gearresteer„ „den Koning van Batchian Michamad Sahudin Sjah, Kitchil Dano Kolano - bekenne bij deze uit vrije wille afstand te doen van het Recht dat tot dato heden op de Landen van Batchian gehad heb, wijzende het zelve nevens dies Inwoonders aan de Nederlandsche Oostindische Compagnie toe, ten einde daar over te heerschen en daar me„ „de te handelen zoodanig, als de roem rugtige Maatschappije zulks zal geraden vinden, met ootmoedige instantie teffens, dat uithoofde van 20 ebri 325 333 165. van mijne hoge ouderdom en daar bij menigvul„ „dige Lighaams corupties mag werden ge„ „accordeert een middel van bestaan, ten einde mijne overige bevensdagen in rust en vrede te kunnen eindigen (:onderstond) Ternaten in 't Kasteel Orange den 23: Augustus 1779: (lager:) voor 't Translaat (was getekent:) C: van Dijk gesw: Translateur /:nog lager:) (:Onderstond:/ in het Hollandsch geschreven: Na dat het boven gemelde schriftuur door den Arabischen schrijven Hatibi Goeroe gelezen en her„ „lezen was in presentie van ons ondergeteken„ „den, zoo verklaarde zijn Hoogheid de Koning van Batchian, dat dies inhoud volkomen met zijn intentie overeenkwam en dat hij als nog verklaarde zijn land en volk aan de Compagnie overtegeven en niet te doen gelyk de Koning van Tidor, die zijn Land, volk, vee en geheele bezitting volgens getuigenis van Hadji Joesoef vrijwillig aan den Keiser van Mangindanao heeft aan„ „geboden. (lager) Ternaten in 't Kasteel Orange den 24:e Augustus 1779. (was getekent) God„ „fried Carel Meurs, F: B: Hemmekam en H: A: de Chalmot (in margine) door ons voorgelezen en duidelijk te verstaan gege„ „ren (was getekend:) C: van Dijk en met Ara„ „bische Karakters Hatibi Goeroe (onderstond) Accordeert (getekent) J: H: Bar gezw: Klerk. Aldus 201 Aldus Gedaan en Geresolveert tot Ternaten in 't Kasteel Orange dato voor„ J: R: Thomas„ „schreeven (was getekent) „zen, A: Cornabé, H: A: Johnson, G: W: van Renesse en J:o Boot. 1 nagrtjen Willera Mmisen 335 166 nen Kort Dagverhaal van den Vaandrig Militair Johan Pieter Eberhard, en den Bolken de Johannes Petrus Weijdemuller wegens hunne Verrigtingen op Batchian.

NL-HaNA_1.04.02_3556_0817 view scan ↗

English

357 337 167 Anno 1779 May Monday the 17th. At nine o'clock in the morning, received the instructions from the Honorable Governor, and proceeded directly on board the pantjalling De Winthont, with which we immediately set sail, in company with the young King of Batchian and four more korra-korras manned with subjects of His Highness the King of Ternaten. Tuesday the 18th. Kept a strong headwind, because of which we were forced to come to anchor before Akilamo at four o'clock in the afternoon. Wednesday the 19th. Hauled into the wind as much as possible, and fired nine signal shots to get the korra-korras on board in order to tow us, but all in vain. Thursday the 20th. Cruised back and forth along Macquian, and although we fired another six signal shots, no korra-korras came on board. Friday the 21st. Saturday the 22nd. Came to anchor at Small Tawali. Sunday the 23rd. After firing four signal shots, a korra-korra finally came on board to tow us. Monday the 24th. The korra-korra towed us steadily, whereby we not only passed the narrows of the strait, but even advanced close before Kasiroeta, eighteen jugs of arrack being gifted to the rowers for their trouble. At eleven o'clock in the forenoon, the young King came to us on board, with news that it was reported the Imam Kapita had already escaped. Short Journal, kept during the commission to Kasiroeta, by the Military Ensign Johan Pieter Eberhard and the Bookkeeper Johannes Petrus Weydemuller. Anno 1779. Tuesday escaped, whereupon we thought it best to transfer directly into the korra-korra of His Highness, to row with it to Kasiroeta; having arrived there, we immediately repaired to the Dalam of the old King, and after the young King had summoned all the grandees of the realm upon our requisition, we inquired after the said Imam Kapita, whereupon the collective court grandees declared that they did not know where he had gone. And since the Kapitein Laut Malikie held authority on Kasiroeta during the absence of the old King, and he also could give us no information about his escape, we, with the approval of the young King, deemed it advisable to place him under arrest and secure him on the pantjalling De Winthond; thus to sail with us to Ternaten and further answer to Your Honor. Around five o'clock in the afternoon, the pantjalling De Winthond dropped anchor in the roads of Kasiroeta. Meanwhile, we inspected the left-behind effects of the old King and inventoried them, as has been respectfully recorded in the attached inventory; after the performance of which we went on board the pantjalling De Winthond again. Tuesday the 25th. At our urging, the young King had six chests with the effects of the old King brought on board. Also, today three large korra-korras and forty-seven small prahus departed for Laboea with Batchianese subjects along with their goods. Wednesday the 26th. Proceeded ashore and urged the young King to transport the remaining heavy volumes of the old King to Laboea. Thursday the 27th. At ten o'clock at night, a korra-korra arrived from Ternaten, bringing a letter from Your Honor dated the 24th of this month. Friday the 28th. Rescribed to the abovementioned letter and dispatched the korra-korra back to Ternaten. Saturday May 168. 339 Anno 1779. May Friday. Saturday the 29th. Repaired ashore, and urged the young King to depart. Also today the remaining households of Kasiroeta departed for Laboea. Sunday the 30th. Had some small huts demolished to the ground by the Alforese, and the fruit trees and gardens destroyed as much as possible, after which we undertook the journey to Laboea today with the young King and the Ternatean Alforese, after we had notified them of our departure by six signal shots. Monday the 31st. Came to anchor before the island Capitein Paulus, where we fired five signal shots to get the korra-korras on board. June Tuesday the 1st. Arrived at twelve o'clock noon in the roads of Laboea, where we went ashore. Wednesday the 2nd. We repaired to the young King, who informed us that tomorrow, pursuant to Your Honor's order, he intended to cruise around the Batchianese Islands with three korra-korras; and that three korra-korras were also about to set out to protect the pantjalling Ternaten; which all Thursday the 3rd. Took place accordingly. Friday the 4th, 5th, 6th, 7th, 8th, 9th and 10th. Nothing remarkable occurred; waiting for the young King to execute the remainder of our commission. Also, today, the 10th of this month, three korra-korras arrived here under the command of the Sangaji Tahane Djarahoen, with the report that the pantjalling Ternaten had not only passed Oubi and crossed over to Bouro, but moreover had passed out of their sight west of Oubi within the space of two hours with a favorable wind. Friday the 11th. Nothing occurred. Saturday 339

Dutch transcription

357 337 167 A„o 1779 Meij Maandag den 17 's Morgens te negen uuren ontfongen de Instructies van den WelEdelen Agtbaren Heer Gouverneur, en begaven ons direct naar boort van de Pantjalling de Winthont, waarmede terstond onderzeijl gingen, in gezelschap van de jonge Koning van Batchian en nog vier korra korras bemant met Onderdanen van zijn Hoogheid de koning van Perne„ „ten. Dingsdag den 18. behielden sterke tegenwind, waardoor genoodzaakt waren 's agtermiddags te vier uuren voor Akilamo ten anker te komen. Woensdag den 19: haalden het in de wind op zoo veel men konde, en de den negen sein schooten om de korra korras aan boord te krijgen, ten einde ons te boegseeren, dog alle vrugteloos. Donderdag den 20: en kruisten over en weder Macquian en of schoon nog ses sein schoten desen, kwamen 'er egter geen korra korra's „ 21: Vrydag aan bord „ 22: kwamen op klein Tawali ten anker Saturdag „ 23. na het doen van vier sein schoten kwam eindelijk een korra Sondag korra aan boord om ons te boegseeren. Maandag. den 24: boegseerde de korra korra ons gestadig, waar door wij niet alleen het naauw van de straat gepasseert, maar zelfs tot digt voor Rasi„ „roeta geavanceert waren, zijnde aan de scheppers voor hunne gedaa ne moeite verschonken Agtien kannen Arak. Des voordemiddags te elf uuren kwam de jonge koning bij ons aan boort, met tijding dat Item berigt was, den jman Kapita bereets Kort Dagverhaal, gehouden gedurende de Commissie te Kasiroeta, door den Vaandrig Militair Iohan Pieter Eberhard, en den Boekhouder Johannes Petrus Weydemuller ge-echapeert A„o 1779. Dingsdag g'echapeert was, waar op wij goedvonden direct in de korra korra van zijn Hoogheid overtestappen, om daar mede naar Kasiroeta te schep„ „pen; alwaar gekomen zijnde, vervoegden wij ons immediaat naar den Dalm van den ouden Koning, en na dat de jonge Koning alle de Rijks¬ „groten op ons requisiet had doen bij eenkomen, informeerden wij na den ged=e Jman Kapita, daar de gezamentlijke Hofgroten op verklaar„ „den, niet te weten, waar dezelve gebleven was: En vermits den kapi„ „tein Laout Malikie, gedurende het afwezen van den ouden Koning het gezag op Kasiroeta heeft gehad, en denzelven ons ook van desselfs aufu„ „ge geen narigt konde geven, hebben wij met goedvinden van den jongen, Koning raadsaam geoordeelt denzelven in arrest te nemen, en op de Pantjalling de Winthond te secureeren; om dusdanig met ons naar Terna„ „ten overtevaren, en zig nader bij UWwelEd: Achtb: te verantwoorden. Circa vijf uuren des agtermiddags liet de Pantjalling de Winthond het anker op de rheede van Kasiroeta vallen. Jntusschen namen wij inspectie van de agtergelatene goederen van den ouden Koning, en inventariseerden dezelve, invoegen bij de nevensleg „gende Jnventaris in eerbied is ter nedergesteld; na verrigting van het welke wij ons weder aan boort van de Pantjalling de Winthond begaven den 25. liet de jonge koning op onze aansporing ses kisten met de effecten van den ouden Koning aan boort brengen. Ook zijn heden drie grote korra korras en zeven en veertig kleine prauwen met Batchiansche onderdanen nevens hunne goederen naar Laboea ver„ „trokken. Woensdag den 26: begaven ons naar de wal en spoorden den jongen Koning aan, om de resterende zware volumes van den ouden Koning naar Laboea over te transporteeren Donderdag den 27. ' snagts te tien uuren arriveerde een korra korra van Ternaten, mede brengende een brief van UWelEd: Achtb: gedateert den 24 dezer Vrijdag. den 28. Rescribeerde op bovengem: brief en depecheerden de korra korra weder terug na Ternaten. Zaturdag Mei 168. 339 A„o 1779. Meij Vrijdag. Zaturdag den 29: Vervoegden ons naar de wal, en spoorden den jongen Koning tot vertrek aan Ook zijn op heden de overige huishoudingen van Kasiroeta naar Laboea vertrokken. Sondag. den 30. lieten door de Alfoeren enige kleine hutjes tot de grond toe afbre „ken, mitsgaders de vrugtbomen en tuinen zoo veel mogelijk vernietigen, waar na wij nog heden met de jonge Koning en de Ternaatsche Alfoeren de reise naar Laboea aannamen, na dat wij dezelve door ses sein schoten van ons vertrek verwittigd hadden: Maandag. den 31. kwamen voor het Eiland Capitein Paulus ten anker, alwaar vijf sein schoten deden om de korra korrais aan boort te krijgen. Junij Dingsdag den 1=e kwamen s'middags te twaalf uuren ter rhede van Laboea, alwaar wij ons naar de wal begaven. Woensdag. den 2. vervoegden wij ons bij de jonge Koning, die ons te kennen gaf, dat morgen voornemens was ingevolge UWelEd: Achtb: ordre met drie korra Korras de Batchiansche Eilanden te gaan rond kruissen; en dat teffens drie korra korras stonden uit tegaan tot bescherming van de Pantjallang Ternaten; welk een en ander ook op Donderdag den 3. Gevolgnam. „ 4: 5: 6: 7: 8. 9 en 10. is, niets aanmerkelijks gepasseert, wagten op de jonge Koning om het resteerende onzer Commissie ten uitvoer te brengen. Ook arriveerden alhier heden den 10 dezer drie korra korra's on„ „der Commando van de Senghadje Tahane Djarahoen, met be„ „rigt dat de Pantjalling Ternaten niet alleen Oubi gepasseert en naar Bouro overgestoken, maar daar en boven binnen den tid van twee uuren met een voordelige wind bewesten Oubi uit hun gezigt was geraakt. Vrijdag. den 11. niets gepasseert. Zaturdag n 339

NL-HaNA_1.04.02_3556_0820 view scan ↗

English

Saturday the 12th, the young King returned from his cruise with the report that he had perceived no enemies at all, although he had searched through all the hiding places, but that his Highness had been informed on the island of Latta Latta by the Alfuro Captain Gana that he had met three Galilarese Alfuros near Kajoa, who had recounted to him that the two-masted sloop of the Citizen Captain Lieutenant Landau had already six days ago sailed out of the strait Patientie with thirty korra-korras under the command of the senghadje of Gammaknorra and continued its journey. Today we also sent a letter with an express prahu to the Right Honorable Lord Governor, wherein we dutifully informed his Right Honor of these matters. In the evening the young King appeared inside the Fortress, and after having duly received and entertained his Highness, we requested his Highness to provide us as soon as possible with a vessel with which we could depart for the Gold Mine, which the Prince promised would be ready within three days; stating, however, that on account of his indisposition he could not accompany us, and that for that purpose he had therefore appointed the Hoekum Aiatoen; and after his Highness had requested to leave, we politely took our leave of him, after which he returned to his residence. Sunday the 13th and 14th made the necessary preparations for our departure to the Gold Mine. Tuesday the 15th, at half past eleven o'clock at night, we undertook the journey to the Gold Mine in the company of the Hoekum Aiatoen. Wednesday the 16th, we arrived at seven o'clock in the morning before the mouth of the river Poang, where the approach to the Gold Mine begins due north, and since the difficult roads on this day had become impassable due to heavy torrential rain and fallen heavy trees lying across the river, we were forced to wait until Thursday. Anno 1779. June 169. 341 Thursday the 17th, when at half past six o'clock in the morning we undertook the journey, and after the second draftsman had already walked for three hours and had crossed several valleys and rivers, he along with Sergeant Johannes Lofman were both compelled by indisposition to have themselves taken back to the beach, all the more because the native said that the safest roads had now come to an end and the most dangerous places began after that. The First Draftsman, having thus with great difficulty and not without danger to his life had the good fortune to arrive at half past one o'clock in the afternoon at the first gold mine, made the following observations there. Firstly, that this mine is located about seven hours' walk from the beach in the same river that runs toward the beach between North and North-East, where digging is only done superficially, and this in several places, and also that this so-called mine is about twelve roeden in length; about an hour's walk south-westward lies a second such mine, which is worked in the same manner as the first mine, this mine being about fourteen roeden in length. Thereupon, the First Draftsman immediately ordered the six Gorontalese accompanying him to dig, who in the span of an hour gathered more than an eighth of a reaal of gold from the mines, which we have the honor to present herewith to Your Right Honor for honored inspection. There are also several other places where one can see that a beginning has been made with gold digging, but the diggers have claimed that they were unable to continue working there due to the heavy, deep drainage of water. The said Gorontalese Gold Diggers further declared, upon our express inquiry, that during their presence at Batchian they generally went to the gold mines only twice a year. Anno 1779. June 74 Anno 1779. Saturday the 12th, the young King returned from his cruise with the report that he had perceived no enemies at all, although he had searched through all the hiding places, but that his Highness had been informed on the island of Latta Latta by the Alfuro Captain Gana that he had met three Galilarese Alfuros near Kajoa, who had recounted to him that the two-masted sloop of the Citizen Captain Lieutenant Landau had already six days ago sailed out of the strait Patientie with thirty korra-korras under the command of the senghadje of Gammaknorra and continued its journey. Today we also sent a letter with an express prahu to the Right Honorable Lord Governor, wherein we dutifully informed his Right Honor of these matters. In the evening the young King appeared inside the Fortress, and after having duly received and entertained his Highness, we requested his Highness to provide us as soon as possible with a vessel with which we could depart for the Gold Mine, which the Prince promised would be ready within three days, stating, however, that on account of his indisposition he could not accompany us, and that for that purpose he had therefore appointed the Hoekum Aiatoen; and after his Highness had requested to leave, we politely took our leave of him, after which he returned to his residence. Sunday the 13th and 14th made the necessary preparations for our departure to the Gold Mine. Tuesday the 15th, at half past eleven o'clock at night, we undertook the journey to the Gold Mine in the company of the Hoekum Aiatoen. Wednesday the 16th, we arrived at seven o'clock in the morning before the mouth of the river Poang, where the approach to the Gold Mine begins due north, and since the difficult roads on this day had become impassable due to heavy torrential rain and fallen heavy trees across the river, we were forced to wait until Thursday. June

Dutch transcription

Zaturdag den 12=de Kwam de jonge Koning van zijne kruistogt terug met berigt dat in het geheel geen vijanden had vernomen, of schoon Hij alle schuilhoeken had door schnuffelt maar dat zijn Hoogheid op het eiland Latta Latta door de Alfoerse Capitein Gana was ver„ „stendigd, dat drie Galillasche Alfoeren ontmoet omtrent Kajoa en hem hadden verhaald dat de tweemaste sloep van den Burger ka„ „pitein Luitenant Landau bereets om ses dagen met dertig korra korra's onder Commando van de senghadje van Gammaknorra de straat Patientie uitgezeilt en zijne reize voortgezet heeft. Ook zonden heden met een expresse prauw een brief aan den WelEd: Achtb: Heer Gouverneur waar in wij van het een en an„ „der zijn WelEd: Achtb: schuldpligtig hebben verstendigt. Des avonds verscheen de jonge Koning binnen het Fortres en na zijn Hoogheid behoorlijk ontfangen en geregaleert te hebben, verzogten wij zijn Hoogheid om ons ten spoedigsten een vaartuig te willen bezorgen waar mede wij na de Goudmijn konden ver„ „trekken, het geen den Vorst beloofde dat binnen drie dagen ge„ „reet zoude zijn; onder te kennengave nogtans dat Hij uit hoof„ „de zijner onpasselijkheid ons niet konde verzellen, en dat overzulks ten dien einde den Hoekum Aiatoen had benoemt; en na dat zijn Hoogheid verzogt had te vertrekken, namen wij beleefdelijk van hem afscheid waar na hij naar zijn woning te rug keerde. Sondag. den 13 en 14. maakten de nodige preparaties tot ons vertrek naar de Goudmijn. Dingsdag, den 15. des nagts te half twaalf uuren, namen wij, in gezelschap van den Hoekum Aiatoen de reize naar de Goudmijn aan Woensdag, den 16. kwamen des morgens te zeven uuren voor de mond van de rivier Poang, alwaar de opgang naar de Goudmijn regt noorden zyn begin neemt, en vermits de ongemakkelijke wegen dezen dag door zwa„ „re stortregen en overgevallen zware bomen dwars over de rivier ongang„ „baar waren geworden, wierden wij genoodzaakt te vertoeven tot Donderdag A„o 7„: 179. Junij 169. 341 nderdag. den 17=de Wanneer 's morgens te half zeven uuren de reize aannamen, en na dat den tweeden tekenaar bereets drie uuren gegaan en verschei„ „de dalen en rivieren overgekomen was, wierd hij nevens den sergeant Iohannes Lofman beide door indispositie genoodzaakt zig weder na strant terug te laten brengen, te meer dewijl den inlander zide dat nu de veiligste wegen een einde genomen en de gevaarlijkste plaatsen daar¬ na een aanvang namen. Den Eersten Tekenaar dus met grote moeite en niet zonder levens ge„ „vaar het geluk gehad hebbende 's agtermiddags te half twee uuren in de eerste goud mijn aantekomen heeft daar in de volgende observanties genomen. Eerstelijk dat deze mijn is gelegen omtrent zeven uuren gaans van strant af in dezelfde rivier die naar strant loopt tusschen het N=d en N=o Oost, alwaar maar oppervlakkig gegraven word, ende zulks op verscheide plaatsen, mitsgaders dat deze zogenaamde mijn lang is circa twaalf roeden; leggende omtrent een uur gaans zuid west„ „waarts nog een tweede dusdanige mijn, die even als de eerste mijn bewerkt word, zynde deze mijn omtrent veertien roeden lang. Den Eersten tekenaar heeft daar op aanstonds de hem verzellende ses Gorontaalders laten graven die in de tijd van een uur ruim een agste reaal goud uit de mijnen hebben bij een gezamelt, het geen wij de eere hebben UWelEd: Achtb: hiernevens ter geëërde speculatie aante„ „bieden. Ook zijn 'er nog verscheide plaatsen daar men zien kan dat ter een begin met goudgraven is gemaakt, dog de gravers hebben voor„ „gegeven dat zij aldaar door de zwaare diepe afwatering niet hebben kunnen voortwerken. Hebbende de gemelde Gorontaalse Goudgravers op onze expresse¬ afvrage nog verklaard, dat zij gedurende hun aanwezen te Batchi„ „an doorgaans maar twee maal 'sjaars naar de goudmijnen zijn ge„ „gaan o 1779. Junij 74 A„o 7„ 79. Zaturdag den 12=de Kwam de jonge Koning van zijne kruistogt teru„ berigt dat in het geheel geen vijanden had vernomen, of 's Hij alle schuilhoeken had door schruffelt maar dat zijn Ho„ op het eiland Latta Latta door de Alfoerse Capitein Gana wa „stendigd, dat drie Galillasche Alfoeren ontmoet omtrent Kajo hem hadden verhaald dat de tweemaste sloep van den Burg„ „pitein Luitenant Landau bereets om ses dagen met dertig korra's onder Commando van de senghadje van Gammaknorre straat Patientie uitgezeilt en zijne reize voortgezet heeft. Ook zonden heden met een expresse prauw een brief aan WelEd: Achtb: Heer Gouverneur waar in wij van het een „der zijn WelEd: Achtb: schuldpligtig hebben verstendig Des avonds verscheen de jonge Koning binnen het Fortre= na zijn Hoogheid behoorlijk ontfangen en geregaleert te verzogten wij zijn Hoogheid om ons ten spoedigsten een vaa te willen bezorgen waar mede wij na de Goudmijn konden „trekken, het geen den Vorst beloofde dat binnen drie dage„ „reet zoude zijn, onder te kennengave nogtans dat Hij uit „de zijner onpasselijkheid ons niet konde verzellen, en dat ove ten dien einde den Hoekum Atiatoen had benoemt; en na dat Hoogheid verzogt had te vertrekken, namen wij beleefdelijk hem afscheid waar na hij naar zijn woning te rug keerde. Sondag. den 13 en 14. maakten de nodige preparaties tot ons vertrek n de Goudmijn. Dingsdag, den 15. des nagts te half twaalf uuren, namen wij, in gezelse van den Hoekum Atiatoen de reize naar de Goudmijn aan Woensdag, den 16. kwamen des morgens te zeven uuren voor de mond van rivier Poang, alwaar de opgang naar de Goudmijn regt noorden begin neemt, en vermits de ongemakkelijke wegen dezen dag doo „re stortregen en overgevallen zware bomen dwars over de rivier „baar waren geworden, wierden wij genoodzaakt te vertoeven tot Donder Junij

NL-HaNA_1.04.02_3556_0823 view scan ↗

English

169. 341 Thursday the 17th. When we undertook the journey at half past six in the morning, and after the second draftsman had already walked for three hours and crossed several valleys and rivers, he, together with Sergeant Iohannes Lofman, was forced by indisposition to be brought back to the beach, the more so because the native said that the safest roads had now ended and the most dangerous places began after that. The First Draftsman, having thus with great difficulty and not without danger to his life had the good fortune to arrive at half past one in the afternoon at the first gold mine, made the following observations there. Firstly, that this mine is situated about seven hours' walk from the beach in the same river that runs to the beach between the North and North-East, where digging is done only superficially, and this at several places, and furthermore that this so-called mine is about twelve roeden long; lying about one hour's walk south-westward there is a second such mine, which is worked just like the first mine, this mine being about fourteen roeden long. The First Draftsman immediately had the six Gorontalese accompanying him dig there, who in the space of an hour gathered fully an eighth of a real of gold from the mines, which we have the honor to present herewith to Your Noble Worships for esteemed speculation. There are also several other places where one can see that a beginning has been made with gold digging, but the diggers claimed that they were unable to continue working there due to the heavy, deep drainage. The said Gorontalese gold diggers furthermore declared upon our express questioning that during their presence on Batchian they generally went to the gold mines only twice a year, Anno 1779. June 445 Anno 1779. 1 June and that twenty to thirty Batchianese accompanied them each time in order to learn gold digging and at the same time to dig with them, and furthermore that each time they worked for about a month and then returned home again, each having dug more than another in proportion to his luck, namely the one a quarter, the other three-eighths, one half, but the most that any single person obtained in the space of a month was no more than one real in weight. Friday the 12th. The First Draftsman returned from the gold mine, and we proceeded together with the korra-korra to Laboea, where we arrived that same afternoon at five o'clock. Saturday the 19th and 20th. Nothing occurred. Monday the 21st. Received from the hands of the writer Moekar a letter from Your Noble Worships dated the 18th of this month; made the necessary preparations for our departure to Kasiroeta in order to destroy what remained there and to block up the river, as well as to search for the nearby spice places and conduct an inspection of the same. Tuesday the 22nd. In the morning, the writer Tahaja Ramalan arrived with a letter from Your Noble Worships dated the 15th of this month. In the afternoon at one o'clock, in company with the Hukum Atiatoen and two Alfur korra-korras, we undertook the journey to Kasiroeta, where we arrived that evening at nine o'clock. Wednesday the 23rd. Went up the river and had the remaining houses, both of the old King and of the remaining Batchianese, torn down, which being accomplished by us, on the following day, or Thursday the 24th, according to the order, we had the river blocked up by having several trees cut down from both sides and felled across it; and since we were informed that on the south side of the said river there were two more streams through which one could sail up as well as through the mouth of the said inland water, we 343 June issued the necessary orders to have the same likewise blocked up. In the evening, departed from Kasiroeta to search for the spice places situated close to the beach, and because we were informed by the Christian Laboans who accompanied us that directly across from the small island the city inn on the solid Batchian shore there was a very nearby place where nutmeg trees grew, we proceeded thither. Friday the 25th. Went ashore early in the morning, and as soon as we stepped onto the shore, we immediately found young and medium-sized nutmeg trees close to the beach, and after having gone about half an hour further into the forest, found there during the entire way a considerable quantity of nutmeg trees, among which were two fully grown and provided with fruits, of which we have the honor to present to Your Noble Worships. This nearby spice place extends fully two hours' walk along the beach to the north, and is thus very advantageous to make necessary use thereof, unless the fruits mentioned above, being of a very small nature, might not be deemed acceptable. Saturday the 26th and 27th. We proceeded again to Laboea, and arrived there that same evening. Monday the 28th. Held a meeting at nine o'clock in the morning with the young King and the Hukum Atiatoen inside the Company's fortress, in which we presented to His Highness Your Noble Worships' further order by letter of the 15th and 18th of June to bring along to Ternate all Chinese, Macassars, Kulanese, Alfurs, and in general all subjects of His Highness the King of Ternate, as well as the slaves made known in the aforementioned letter. On which first point the Crown Prince immediately showed himself willing, to that end having the Chinese Siamko, Owalko, Tjakong, as well as the Macassar Haris with his wife and two children come directly to the fortress, whose effects consisted solely of three small Chinese chests with petty trifles; whereupon we immediately had the said Chinese, as well as the Macassar and his wife and children, brought to the pantchiallang De Winthond; His Highness further promising all Ternatans and the other subjects of the same Anno 1779. 343 170.

Dutch transcription

169. 341 Donderdag. den 17=de Wanneer's morgens te half zeven uuren de reize aannamen, en na dat den tweeden tekenaar bereets drie uuren gegaan en verschei„ „de dalen en rivieren overgekomen was, wierd hij nevens den sergeant Iohannes Lofman beide door indispositie genoodzaakt zig weder na strant terug te laten brengen, te meer dewijl den inlander zide dat nu de veiligste wegen een einde genomen en de gevaarlijkste plaatsen daar„ na een aanvang namen. Den Eersten Tekenaar dus met grote moeite en niet zonder levens ge„ „vaar het geluk gehad hebbende 's agtermiddags te half twee uuren in de eerste goud mijn aantekomen heeft daar in de volgende observanties genomen. Eerstelijk dat deze mijn is gelegen omtrent zeven uuren gaans van strant af in dezelfde rivier die naar strant loopt tusschen het N=o en N=o Oost, alwaar maar oppervlakkig gegraven word, ende zulks op verscheide plaatsen, mitsgaders dat deze zogenaamde mijn lang is circa twaalf roeden; leggende omtrent een uur gaans zuidwest„ „waarts nog een tweede dusdanige mijn, die even als de eerste mijn bewerkt word, zinde deze mijn omtrent veertien roeden lang. Den Eersten tekenaar heeft daar op aanstonds de hem verzellende ses Gorontaalders laten graven die in de tijd van een uur ruim een agste reaal goud uit de mijnen hebben bij een gezamelt, het geen wij de eere hebben UWelEd: Achtb: hiernevens ter geëerde speculatie aante„ „bieden. Ook zijn 'er nog verscheide plaatsen daar men zien kan dat 'ter een begin met goudgraven is gemaakt, dog de gravers hebben voor„ „gegeven dat zij aldaar door de zwaare diepe afwatering niet hebben kunnen voortwerken. Hebbende de gemelde Gorontaalse Goudgravers op onze expresse afvrage nog verklaard, dat zij gedurende hun aanwezen te Batchi„ „an doorgaans maar twee maal sjaars naar de goudmijnen zijn ge„ „gaan A„o 1779. Junij 445 AA„o 1779. 1 Junij „gaan, en dat hen telkens twintig â dertig Batchianders heb„ „ben verzelt, om het goudgraven aanteleeren en teffens met hen te gra„ „ven, mitsgaders dat zij ieder heer omtrent een maand lang gewerkt hebben, en dan weder naar huis gekeert zijn, hebbende een ieder na rato van het geluk meer als den ander gegraven, te weeten den eene een quart, de andere drie agste, Een half, dog het meeste dat een eenig persoon in de tyd van een maand heeft gekregen, is niet meer als een reaal aan swaarte geweest. Vrijdag. den 12. kwam den Eersten tekenaar uit de goudmijn te rug, en begaven ons gezamentlijk met de korra korra naar Laboea, alwaar nog dienzelfden nademiddag te vijf uuren aankwamen. Zaturdag, den 19 en 20=de niets voorgevallen 6 Maandag. „ 21. ontfongen uit handen van den schrijver Moekar, een brief van UWelEd: Achtb: gedateert den 18. dezer, maakten de nodige preparatien tot ons vertrek naar Kasiroeta, om aldaar het overgeblevene te verwoes„ „ten en de rivier te dempen, mitsgaders teffens de nabij gelegene specerij„ plaatsen opte speuren en van dezelve inspectie te nemen. Dingsdag den 22. 'Smorgens arriveerden de schrijver Tahaja Ramalan, met een brief van UWelEd: Achtb: gedateerd den 15 dezer. 's Nademiddags te een uuren, namen wij in gezelschap van den Hoekum Atiatoen, en twee Alfoerse korra korras de reize naar Kasiroeta aan, al„ „waar nog des avonds te negen uuren aankwamen. Woensdag, den 23. gingen rivierwaarts op en lieten de overige huizen, zo van den ouden Koning, als van de resteerende Batchianders afbreeken, het geen door ons volbragt zijnde, lieten wij des anderendaags of Donderdag: den 24. na de order de rivier dempen, door eenige bomen van wederziden te laten omkappen en dwars overvallen; en vermits wij berigt waren, dat er aan de zuidkant van ged=e rivier nog twee spruiten waren, waar door men zo wel als door de mond van gede. binnewater naar boven konde varen, stelden 343 Junij Vrijdag. stelden wi de nodige ordre om dezelve ingelijks te laten dempen. 's avonds vertrokken van Kasiroeta, om de na bij aan strant gelegene spece„ „rij plaatzen optezoeken, en dewijl ons van de Christen Laboeresen, die ons verzelden berigt wierd, dat 'er vlak over het eilandje de stadsherberg aan de vaste Batchiansche wal een zeer nabij gelegen plaats was, daar Notebomen groeiden, begaven wij ons naar derwaarts. den 25. gingen des morgens vroeg aan land, en zoo dra wij aan de wal stapten, vonden wij aanstonts digt aan strant jonge en middelmatige notebomen, en na omtrent een half uur verder boschwaarts in gegaan zijnde, vonden aldaar gedu¬ „rende de geheele weg een Considerabele menigte van Notebomen, waar onder twee volwassene en met vrugten voorzien, van dewelke wij de eere hebben UWel Edele Achtb: aantebieden. Deze nabij gelegen specerij plaats, strekt zig wel twee uuren gaans langs strant benoorden, en dus zeer voordelig om daar van een nodig gebruik te maken, ten ware de vrugten hier boven gemeld, als zeer klein van aart zijnde, niet acceptabel gekeurt mogte werden. Zaturdag, den 26 en 27. begaven wij ons weder naar Laboea, en kwamen dienzelfden avond aldaar nog aan. Maandag: den 28. hielden 's morgens te negen uuren met de jonge Koning en den Hoekum Atiatoen binnen Comp„s fortres vergadering, waar in wij zijn Hoogheid voorstel„ „den UWelEd: Achtb: nadere ordre bij brief van den 15 en 18 Junij om alle Chi¬ „nesen, Maccassaren, Kullanesen, Alfoeren, en in 't Generaal alle onderdanen van zijn Hoogheid den Koning van Ternaten naar Ternaten mede te brengen, zoo wel als de bij welmelde brief bekentgestelde slaven. Op welk eerste poinct den kroonprins zig aanstonts bereitwillig toonde, ten dien einde de Chinesen Siamko, Owalko, Tjakong, benevens den Maccas„ „saar Haris met zijn vrouw en twee kinderen direct op het Fortres latende ko„ „men, welkers effecten eenelijk bestonden in drie Chinese kistjes met geringe kleinigheden; waar op wij terstont de ged=e Chinesen, benevens den Maccassaar en zijne vrouw en kinderen naar de Pantjalling de Winthond lieten brengen; be„ „lovende zijn Hoogheid verder alle Ternatanen en de verdere onderdanen van der„ „zelver A„o 1779. ^e 343 170.

NL-HaNA_1.04.02_3556_0826 view scan ↗

English

Anno 1779. P. said Prince, as many of them as were present, to compel them to depart for Ternaten, to which end His Highness gave an earnest order to the Ternate Captain Abdul Guné, who was also present. But regarding the required slaves, the young Prince testified that he did not know of any of them being among the Batchian subjects, and therefore could not surrender any of them either; His Highness requesting at the same time that the Chinese Gim, being very closely related to him, might cross over with him in person to Ternaten, which we could not conveniently refuse the Prince. After this His Highness took his leave, and having set our departure for the coming Sunday, the young Prince went home. Tuesday the 29th and 30th made the necessary preparations for our departure. Thursday the 31st the young King and the Alfoors had their vessels put into the water. Friday the 1st Saturday the 2nd went on board and were compelled by calm and adverse currents to remain at anchor until Sunday the 3rd, when we set sail in the company of the young King, the Ternate Captain Abdul Gane, together with the Alfoor Captains Kaliber and Gana, as well as the Alfoors, Hullanesen, and other subjects of His Highness the King of Ternaten, insofar as they were present. July Tuesday the 14th arrived at the roads of Ternaten. was signed I: P. Eberhard and I: P: Weijdemmuller Agrees. June. 318 17 J.HS. 375 Mr Jacob Roeland Thomaszen Governor and Director of the Moluccas To the Honorable, Worshipful Sir Honorable, Worshipful, Commanding Sir! In accordance with the tenor of Your Honorable Worships respected instructions dated 17 May last, we departed on the same day on the pantjalling De Winthond in the company of the Crown Prince of Batchian and four Ternate kora-koras with Alfoors for Kasiroeta, and arrived there on the 24th following. Shortly before our arrival there, the aforementioned Crown Prince came on board to us, with news that the Iman Kapita had already escaped, which induced us to transfer into His Highness's kora-kora, and to row therewith to Kasiroeta as swiftly as possible. Upon our arrival there, we indeed found it to be so; but since we were informed that a vessel of the Crown Prince had already been sent ahead some days before our arrival, and the said Jerman had taken flight precisely upon the arrival of that vessel, one may easily conclude therefrom that he must have been informed by someone that we were sent to apprehend him. After this we immediately inventoried the estate left behind by the old King, had it brought partly on board the pantjalling De Winthond, and partly transported under the custody of the Crown Prince to Laboea, in such manner as Your Honorable Worship will be able to see from the attached inventory. Subsequently we caused all the Batchianese, and in general all the inhabitants of Kasiroeta, to move to Laboea, and likewise had the dwellings, both of the old King and of the grandees of the realm and other subjects, demolished and destroyed by the Alfoors, and also had the mouth of the river and two small streams situated on the south side filled in, all noted in full in our respectful journal attached hereto. In the said journal Your Honorable Worship will also find described in detail the condition of the gold mines and the nearby spice places, to which we take the liberty of referring in order to avoid prolixity, noting further on that subject only that, according to the outward appearance, the aforementioned gold mines are richly supplied with this mineral, and that the same would also yield a good quantity if a good number of skilled diggers were sent to work in those mines. After we had carried all of this into execution, we departed again from Laboea on the 3rd of this month in the company of the Crown Prince and the Alfoors who accompanied us, as well as the Hullanesen and other subjects of His Highness the King of Ternaten who stayed at Batchian, insofar as they were present, since upon our arrival there a great number of these subjects had gone into the forest. In the hope that this our assigned commission will have been completed to the satisfaction of Your Honorable Worship, we further take the liberty humbly to request that we, together with the two soldiers who accompanied us, may be favorably credited with the ordinary ration from our departure until our return here; item thirty-five rixdollars in cash and one hundred and forty cans of arrack, in the manner we have the honor respectfully to show Your Honorable Worship in the accompanying account. For the rest, we take the liberty to be, with the utmost respect and esteem, was written below Honorable, Worshipful, Commanding Sir, lower Your Honorable Worships humble and dutiful servants, was signed J: P: Eberhard and J: P: Weijdemuller. in the margin stood Ternaten, the 14 July 1779.

Dutch transcription

A„o 4779. P. „zelver Vorst, zoo veel 'er maar present waren, tot vertrek naar Ternaten te zullen noodzaken, waar toe zijn Hoogheid den Ternaatschen Capitein Abdul Guné, die mede praesent was, ernstig bevel gaf. Dog omtrent de gere„ „quireerde slaven betuigde den jongen Vorst, dat niet wist 'er een van dezelve zig onder de Batchianse onderzaten bevond, en dierhalven ook geene van de„ „zelve konde uitleveren; verzoekende zijn Hoogheid teffens dat den Chinees Gim, als zeer na aan hem geparenteert zijnde, met hem zelfs naar Ternaten mogt overvaren, het geen wij den Vorst. niet gevoeglijk hebben kunnen weigeren. Hier na verzogt zijn Hoogheid afscheid en na ons vertrek op aanstaande sondag bepaalt te hebben, begaf zig den jongen Vorst naar huis. Dingsdag. den 29 en 30. maakten de nodige praeparaties tot ons vertrek Donderdag: den 31„e liet de jonge Koning en de Alfoeren hunne Vaartuigen in het wa„ Vrijdag „ 1=e 1„ ter zetten. Zaturdag „ 2: begaven ons naar boort en waren, door stille en tegenstroom genoodraake te blijven leggen tot Zondag, den 3: wanneer wij onderzeil gingen, in gezelschap van de jonge Koning, de Ternaatse Capitein Abdul Gane, benevens de Alfoerse Kapiteins Kaliber en Gana, zo mede de Alfoeren, Hullanesen, en andere onderdanen van zijn Hoogheid de koning van Ternaten, in zoo verre dezelve present zijn ge= Julij „weest. Dingsdag. den 14. arriveerden ter rheede van Ternaten /:was getekend/ I: P. Eberhard en I: P: Weijdemmuller Accordeert Juny. 318 17 J.HS. 375 M„r Jacob Roeland Thomaszen Gouverneur en Directeur der Molukkos Aan den Wel Edelen Achtbaren Heer WelEdele Achtbare Gebiedende Heer! Na den teneur van UWel Edele Achtbares geeerde Jnstruc„ „ties de datis 17: Meij jongstleden, hebben wij ons ten zelven dage met de Pantjalling de Winthond in gezelschap van den Kroonprins van Batchian en vier Ternaatse Korra korras met Alfoeren naar Kasiroeta begeven, en zijn aldaar op den 24: daaraan gearriveert. Kort voor onze komst aldaar, kwam de ged: Kroonprins bij ons aan boord, met berigt dat den Jman Kapita bereets ge= echapeert was, het geen ons heeft bewogen, in zijn Hoogheids P Korrahorra 21: Korrakorra overteslappen, en daar mede ten spoedigsten naar Kasiroeta te scheppen. Bij onze aankomst aldaar bevonden wij het mede dusdanig, dog vermits wij verstendigt wierden, dat 'er reets enige dagen voor on„ „ze komst een vaartuig van den Kroonprins was voor afgezon„ „den, en ged: Jerman juist op de aankomst van dat vaartuig zijn spat gezet heeft, kan men daar uit ligtelijk besluiten, hij door den een of ander verstendigd moet zijn, dat wij afgezonden waren om hem te apprehenderen. Hier na hebben wij aanstonds de agtergelatene goederen van den ouden Koning opgeschreven, gedeeltelijk naar boord van de Pantjalling de Winthond laten brengen, en gedeeltelijk onder be„ „rusting van, den Kroonprins naar Laboea overgetransporteerd, invoegen UWelEd: Achtb: bij de hier nevens gevoegde Jnventaris zal kunnen beogen. Vervolgens hebben wij alle de Batchianders, en in 't generaal alle ingezetenen van Kasiroeta doen verhuizen naar Laboea d 6 6 zo mede de woningen zo van den ouden Koning als de Rijksgroten, O en verdere onderzaten door de Alfoeren laten afbreeken en vernie¬ „len, mitsgaders de mond van de rivier en twee aan de zuidkant, gelegene spruitjes laten dempen, alles in 't breede bij ons hier ne„ „vens in eerbied geaccrocheert Dag verhaal aangetekend. Bij evengemeld Journaal zal UWel Ed: Achtb: mede omstan„ „dig beschreven vinden de gesteldheid van de goudmijnen en de nabij ge„ „legen specerijplaatsen, waar aan wij de vrijheid gebruiken ons ter ver„ „mijding van prolixiteit te gedragen, dien aangaande eenlijk nog no„ „terende, dat volgens het uitterlijk aanzien voorschreven goudmijnen rijk van dit miniraal voorzien zijn, en dezelve ook een goede Quantiteit E zoude 172 Th. 347 747 zoude leveren, bij aldien er een goed getal kundige gravers in die mijnen gezonden wierden om te arbeiden. Na dat wij het een en ander ten uitvoer hadden gebragt, zijn wij op den 3: dezer weder van Laboea vertrokken in gezelschap van den Kroonprins en de ons verzeld hebbende Alfoeren, mitsgaders de Aulla„ „nesen en andere onderdanen van zijn Hoogheid de Koning van Ter¬ „naten, die rig te Batchian hebben opgehouden, en in zoo verre dezelve present zijn geweest, vermits zig bij onze aankomst aldaar een groot getal dezer onderdanen boschwaarts in hebben begeven. Jn hope dat deze onze opgedragene Commissie ten genoegen van UWel Ed: Achtb: zal zijn volbragt, gebruiken wij nog de vrijheid ootmoe„ „dig te verzoeken dat ons, benevens de twee ons verzeld hebbende mili„ „tairen, goedgunstig mag werden te goede gedaan, het ordinaire Rand„ „soen, zedert ons vertrek tot onze te rugkomst alhier; item vijf en dertig Rijksd„s aan Contanten en Een hondert en veertig kannen Arak invoegen wij de eere hebben UWelEd: Achtb: bij de nevensgaande Reke¬ „ning in Eerbied te vertonen. v Voor 't overige gebruiken wij de vrijheid met de meeste eerbied en hoogagting te zijn. /onderstont/ Wel Edele Achtbare Gebiedende Heer, /lager/ UWel„ „Edele Achtb: onderdanige en trouwschuldige Dienaren. /was getekend/ J: P: Eberhard en J: P: Weijdemuller. / in margine stond/ Ternaten den 14: Julij 1779.

NL-HaNA_1.04.02_3556_0831 view scan ↗

English

173 349 349 17 June paid for the unavoidable expenses of our Commission to Kasiroeta, namely: Arrack Cash Account of such necessary expenses as were incurred during A„o 1779 23 May To the Alfurs who with a korakora towed our pantchialling . . . . - - - - - - - kan: 12: —: — To the same for as above - - - - - - - - - 18: —:— 25 To the Batchianese who brought the goods of the old King on board - - - - - - - 16: —: — 30 To the Alfurs who burned the dwellings on Kasiroeta and dammed the rivers . . . . - - - 24: —: To the same for purchasing provisions and tobacco —: 10: — To the Gold diggers and further natives who accompanied the first draughtsman to the gold mines - - - - 30 5: — 25 To the Laboorese who showed us the spice locations, and for the hiring of an express proa on that account - . . . . . . . . . . . . . 20 7: 24 At various receptions and the holding of meetings with the Crown Prince and other Grandees of the Realm, for the upholding of the Company's honor - - - - - - - - 20. : - 2: 2¾ Sum kannen 140 rd:s 35: — underneath stood Ternate the 14 July 1779. was signed I: P: Eberhard and I: P: Weijdemuller. 24 1::: 174. 351 351 Inventory of such Goods and effects, as were found by the undersigned at Kasiroeta to have belonged to the old King of Batchian, namely: One piece Iron two-pounder cannon, with its wooden carriage without mountings. Seventy-two Flintlocks Thirty-five Blunderbusses 17 Pistols, of which one without lock Seven Pedangs Pedaks or parangs Stored in the Pantchialling the Winthond A medium-sized chest with brass mountings No 1. Three pieces gold allegias two Baftas brotias black four white four Guinees fine bleached fourteen Salogassies fine two Bethilles ordinary two Moorises ordinary One Roemals gruit fine two pieces red Armozeen One green ordinary Some bone Medicines A large chest with brass mountings No 2. Nine pieces Guinees ordinary bleached Seven Patholas two quilts two Headbands with gold ends One Soenkiet. A large chest No 3. One Native house or Bed hanging with its accessories One Gingan pinas All the Papers and letters that were left behind by the King under the custody of the Batchian Postholder Lofman. One Corge Cambays sixteen pieces Guinees Ordinary bleached One Chelasses checkered red Ten Moorises brown blue fine A Chinese chest No. 5. five Serasses eight Macassar cloths two pieces white flowered Linen A plain small chest No. 6. Ninety bunches of corals twenty-five pieces knives with yellow hilts Transferred to Labuha under the custody of the young King sixty-two Axes five Patte patlos or spades five iron pincers twenty-five long saws five Chinese ordinary twenty-five Augers One iron chipping chisel gold diggers irons three Shackle bolts One iron shackle chain A piece of Steel Eleven small augers fifteen Stonecutters chisels fifteen Caulking irons five iron door hinges four wide saws Nine Brass helmets Bamboo cartridge pouches Seven Hammers five Pickaxes Forty-eight kuda-kudas A large chest with brass mountings No 4. Eleven 175. 353 Eleven pieces Leather Cartridge pouches Eight Powder horns five Halberds four Sieken two hundred and four musket balls seventy Hourglasses One large brass wash kettle One Chinese balance scale four Brass hanging lamps, of which two belong to the queen Nyai Tjina fourteen chairs of various sorts two Baskets with nails twelve bunches with iron arrows two harpoons five pieces Tempayans five black ebony couches two cupboards with Porcelain One chest of rummage two Cabinets One cupboard One ordinary with Pirings One Kabila with flags One ordinary with some tools One bag with Pepper twelve Stands of various sorts five Parasols four Tables of various sorts three Chinese tataboangs small bowls three Tataboangs One Compass unfit One wooden Dulang three large ordinary five pieces Lirangs for a pukat One brass luyang four mirrors, of which two in pieces three brass Betel boxes with their accessories two Mats three empty casks with iron hoops seven half leaguers bamboo ordinary One Kabila with dancers' clothes two Porcelain candlesticks two Brass ordinary sixteen Spittoons, small two ordinary wall sconces The 14 One Tukat One brass censer six Porcelain cachepots One blue napkin One large Martavan One fine Sieringtjes One quiver with arrows fifty small fine pirings Bowls six stone bowls One brass native hanging lamp with fifteen wicks One unfit powder lantern sixty earthen cooking pots ten iron Pans One Japanese dulang two wooden tea boxes two Wig blocks eight Tifas three wooden sieves One iron ordinary four cast nets two Saloedis with tinder two Drums six small chests with spoiled tea One Rattle 355 317 ys Hb. 355 Slaves of the Realm Male slaves Malan Maban Dasé Rousar Dorame Boaang Sarekien Daalman Deaboko Saelpa Saboerong Waad Barlendong Monara Rossa Sahoelair slaves belonging in ownership to the old King Boenga Lobilobi Enkatta Doun rampe Aski Sero also Ritja Saween Salamat Kaber Sening underneath stood Kasiroeta the 25 May 1779. was signed I. S. Eberhard and J. P. Weijdemuller Nampa Ahad Setanke Pakober Domot Mariate Karkoelenda Tjampakka Sara aja Boeano Diam Laha maroa Lahi Sidoetoe Dalima Walo Tereati Tjotjoepo Biessa djo Saroodja Bapoepoel Padoema Poeloet Maradjo Lati Radidja Manoeroe Female slaves. The slaves of the old King consist of

Dutch transcription

173 349 349 „ 17 Junij onze Commissie naar Kasiroeta onvermijdelijk zijn, bekostigt, te weeten: Arak Contanten Rekening van zodanige noodwendige bekastigingen als'er gedurende A„o 179 23 Meij Aan de Alfoeren die met een Korrakora onze Pantjalling hebben geboegseert. . . . - - - - - - - kan: 12: —: — „ Aan dezelve voor als even - - - - - - - - - „ 18: —:— „ 25 „ „ de Batchianders die de goederen van den ouden Ko„ „ning naar boort hebben gebragt - - - - - - - „ 16: —: — „ 30 „ „ de Alfoeren die de woningen op Kasiroeta verbrand en de rivieren gedempt hebben. . . . . - - - „ 24: —: „ dezelve tot het inkopen van mondkost en tabak „ —: 10: — „ de Goudgravers en verdere inlanders die den eersten te„ „kenaar naar de goudmijnen verzelt hebben - - - - „ 30 „ 5: — „ 25 „ „ de Laboeresen die ons de specerijplaatsen hebben aange„ „wesen, en voor het huuren van eene expresse prauw 7: 24 dieswegens - . . . . . . . . . . . . . „ 20„ Bij diverse recepties en het houden van vergaderingen met den Kroonprins en verdere Rijksgroten, ter op„ „houding van Comp„s honneur - - - - - - - - „ 20. „ : - 2: 2¾ Somma kannen 140 rd:s 35: — /onderstond/ Ternaten den 14 Julij 1779. /:was getekend/ I: P: Eber„ „hard en I: P: Weijdemuller. „ 24 „ „ „ 1::: 174. 351 351 Seven twe en seventig vijf en dertig Jnventaris van zodanige Goederen en effecten, als 'er door de ondergetekenden te Kasiroeta van den ouden Koning van Batchi„ „an in waren wezen bevonden zijn, als: Een pees Yzere twepsonder kanon, met dies houte rampaard zonder beslag. Snaphanen „ Donderbussen „ 17 Pistolen, waarvan een zonder slot „ Pedangs „ Pedakken of parrings Jn de Pantjalling de Winthond geborgen Een middelmatige kist met koper beslag N„o 1. Drie pees goude allegias twee „ Baftas brotias zwarte „ _„ „ witte vier vier „ Guinesen fijn gebleekte veertien „ Salogassies fijne twee „ - Bethilles gem: twee „ Moerissen _„o Een „ Roemals gruit fijn twee stuk: rood Armazijn Een „ groen _„o Eenige Medicijnen van benen Een grote kist met koper beslag N„o 2. Negen pees Guinees gem: gebl: „ Patholas Seven „ sprijen twee twee „ Duijkbanden met goude hoofden „ Soenkiet. Een Een grote kist N„o 3. „ Jnlands huis of Kooybehangsel met dies toebehoren Een „ Gingan pinas Alle de Papieren en brieven die door den Koning agtergelaten zijn Een vyf W ses onder bewaring van den Batchians Posthouder Lofman. Een „ Een Corgie Cambaijen sestien pees Guinees Gem: gebl: Eel „ Chelassen geruite rode Tien „ Moerissen brun blauw fijne Een Chinese kist No. 5. Serassen agt „ Maccassaarse kleedjes twee stuk: wit gebloemt Lijwaat Een gemeen kistje N„o„ 6. Negentig bossen koralen vijf en twintig pees messen met geele hegten Onder bewaring van de jonge Koning naar Laboca overgebragt „ Bijlen „ Patte patlos of schoppen vijf „ ijzere knijpers drie „ lange zagen drie „ Chinese _„o „ Avegaars „ ijzere kapbijtel „ goud gravers yzers drie „. Boeijbouten Een „ ijzere boeijketting Een stuk Staal Elf „ kleine avegaars vijftien „ Steenhouwers bijtels vijftien „ Kalfaat ijzers vif vijf „ ijzere deurhengsels vijf vier „ breede zagen Negen „ Kopere helmen „ Bamboese patroontassen Seven „ Hamers vijf „ Houwelen Agt en veertig „ hoeda koedas twe en sestig vijf vijf vijf en twintig vijf vijf en twintig „ Een grote kist met koper beslag N:o 4. Elf : W 1 vyf R: Een ses 175. 353 Elf pees Leere Patroontassen Agt „ Kruithoorns vijf „ Helmbaarden vier „ Sieken „ snaphanen koegels seventig x „ Uur glasen twee „ grote kopere wasketel Een Een Chinese waagschaal „ „ Kopere hanglampen, waar van twe aan de koningin vier Njaij Tjina behoren veertien stoelen in zoort „ „ Manden met spijkers twee twaalf bossen met ijzere pijlen „ harpoenen twee „ vijf pees Tampaijangs vyf zwart ebbenhoute rustbanken „ twee „ kast met Porcelijn Een „ kist „ rommeling Een Cabinetten twee „ C „ kast Een C „ _o met Pirings Een P. c „ Kabila met vlaggen Een Een „ _o „ enige gereedschappen Een „ sak met Peper twaalf „ Knapen in zoort vijf „ Pajongs „ Tafels in zoort vier „ Chinese tattaboang „ kleine kommen drie „ Tallaboangs Een „ Compas onbequaam „ houte Doelang Een drie „ grote _„o Een vijf vyf 313 - vyf twee hondert en tiere vijf pees Lirangs tot een poekat Een „ kopere luijang vier „ spiegels, waar van twee aan stukken drie „ kopere Pinangbakken met dies toebehoren „ Matjes twee drie „ lege vaten met ijzere hoepels seven „ halve leggers „ bamboese _:o „ C „ Kabilla met danssers. kleden Een twee „ Porcelijne kandelaars twee ses Een „ Kopere — veertien Een hondert entwintig „ Toekat „ koper wierooks vat „ Porcelijne kaspotten „ blauwe servet Een „ grote Martavaan „ fijne Sieringtjes „ koker met pijlen „ kleine fijne piringtjes „ Kommen ses „ steene kommen Een „ kopere inlandsche hanglamp met vijftien pitten Een Een „ onbekwame kruitlanthaarn E sestig „ aarde kookpotten tien „ ijzere Pannen Een „ Japanse doelang twee „ houte theebakjes twee „ Paruike bollen agt „ Tifas drie „ houte tames Een „ ijzere vier „ weepnetten twee „ Saloedis met tontel twee „ Trommels „ kistjes met bedurven thee ses Een „ Ratel „ _ _„ „ _o Ruispedoors, klyne twee „ _„o muurblakers De 14 Een Een Een vijftig _„o _„o 355 317 ys Hb. 355 Rijksslaven Mansslaven Malan Maban Dasé Rousar Dorame Boaang Sarekien Daalman Deaboko Saelpa Saboerong Waad Barlendong Monara Rossa „ Sahoelair slaven den ouden Koning in eigendom toebehorende Boenga Lobilobi Enkatta Doun rampe Aski Sero so- ook Ritja Saween Salamat Kaber Sening /onderstont/ Rasiroeta den 25 Meij 1779. /was getekend/ I. S. Eberhard en J. P. Weijdemuller Nampa Ahad Setanke Pakober Domot Mariate Karkoelenda Tjampakka Sara aja Boeano Diam Laha maroa Lahi Sidoetoe Dalima Walo Tereati Tjotjoepo Biessa djo Saroodja Bapoepoel Padoema Poeloet Maradjo Lati Radidja Manoeroe Vrouweslaven. De slaven van den ouden Koning bestaan in

NL-HaNA_1.04.02_3556_0840 view scan ↗

English

336 Of the aforementioned goods, the following linens have been delivered by us today by order of the Right Honourable Lord Governor Mr Jacob Roeland Thomaszen and at the request of His Highness the King of Batchian to the same: three pieces of red checkered Chelassen four pieces of Cambaijen one piece of fine Roemaals one piece of Ternatean Bethilles two pieces of fine Salogasjes two pieces of fine bleached Guinesen four pieces of Macassar cloths two pieces of white floral linen. Below was written: Ternaten, 9 September 1779. It was signed: I. P. Eberhard and I. P. Weijdemuller. Agrees, WtoeChalmot W=t seeres=z Letters Sertil ƒ Patria 1 357 144 177. 357 Batavia To His High Honour, The High Noble, Great Honourable, Stern, and Far-Ruling Lord, Reijnier De Klerk, Governor-General, The Honourable, Stern Lords Councillors of Netherlands India. High Noble, Great Honourable, Stern, Far-Ruling Lord, and Honourable, Stern Lords! Unable to let the first occurring opportunity this year, through the departure of a vessel for Sourabaija, slip by to give Your High Honours dutiful notice of the principal events that have occurred here since my last humble dispatch of 23 October anni preteriti, I have the honour, with respect to the War, respectfully to bring to your notice how the rebels, already shortly after the last action and the severe blow dealt to them on 2 October, had again descended from the mountains and started raiding in the southern province. 3 province, I had them attacked on the 26th thereafter, however solely by the Madurese, Sumenapers, and other native troops, among whom was also the Datou of Gedeenring, around the settlement Bonto Bonto, situated at the foot of the mountains east of Goa, with such success that they suffered seventeen dead, and ours, without any loss, obtained another six prisoners of war. Subsequently, upon the proposal of the Datoe of Sedeenring, I granted him permission to pay them another visit, also having him assisted by Ensign Burghof with over forty Europeans, with a serious recommendation to this officer to exercise all possible caution and hazard nothing. When these troops thereupon marched out from our post at Malenkeerie or Goa on 4 November, intending to attack the enemy again the next day, misfortune had it that Burghof was shot dead from an ambush and the enterprise was thereby abandoned. Upon this unpleasant report, I immediately had 120 of the best European soldiers under three officers detached thither, so that they set out at once, but before they arrived at Malenkeerie, whither I had also betaken myself, the others had already returned there. Learning from their account that the rebels had entrenched themselves anew, and readily understanding that matters could not well be left as they were, lest their courage be encouraged, I immediately resolved to advance upon them again with all our might, to which the Datoe of Gedeenring showed himself no less inclined than ready, indicating that the aforementioned enterprise certainly would have succeeded if Burghof had not perished too early. Pursuant to this intention, our troops, consisting of over 150 Europeans equipped with four hand mortars and over a thousand natives, besides the people of the aforementioned Datoe, set out on the march on 8 November, with the intention, in conformity with my 176. order, to begin on the following day, when I likewise betook myself again to Malenkeerie in order to be closer at hand or indeed to place myself at their head. But the heavy rain that fell that night, added to the fact that the rebels had made the roads impassable by felling trees and bamboo thickets, prevented them from approaching Bonto Bonto before the following day, or the 10th, when, having launched the attack early in the morning after a very sharp fight—as they were much stronger in number and also provided with far more firearms than had been presumed would be found among them—they had the good fortune to capture all their bentings and put them to flight, leaving behind over seventy dead, besides more than a hundred who, trying to cross a strong-flowing river running alongside, were drowned; with the loss of only a single Papanger on our side, who subsequently destroyed by fire everything they found in and around the bentings by way of provisions, and thus achieved a complete victory. This was all the greater both because of the death in action of Craeng Bilaadje, the sloute of all chiefs, mentioned in my humble earlier dispatch, alongside two others, and because from this defeat of the rebels a dissension arose between the other chiefs, to the extent that Sankilang, who was not present there at the time, treated Arou Mampoe very insolently, and Craeng Bellasarie, the mother of the latter, expressed herself no less contemptuously towards Sankilang. On account of all of which, there was reason to hope that affairs would very soon take an entirely different turn and that the Macassars would come to their senses, especially when on 11 January the news was received that Arou Palacca had passed away, which I can impart to Your High Honours as a certain truth. Yet, notwithstanding all these favourable prospects and the underhand means that I continually employ to persuade the principal figures who support the legitimate 359 359 ime

Dutch transcription

336 Van de vorenstaande goederen zijn door ons op heden ter order van den WelEdelen Agtbaren Heer Gouverneur M„r Jacob Roeland Thomaszen; en op verzoek van zijn Hoogheid de koning van Batchian aan Den„ „zelven afgegeven, de volgende Lijwaten: drie pees Chelassen geruite rode vier „ Cambaijen Een „ Roemaals fijne Een „ Bethilles Ternataans twee „ Salogasjes fijne twee „ Guinesen fijn gebleekt vier „ Maccassaarse kleedjes twee stukk: wit gebloemt Lijwaat. /onderstond/ Ternaten den 9. September 1779. /:was getekend/ I. P. Eberhard en I. P. Weijdemuller Accordeert WtoeChalmot W=t seeres=z Brieven Sertil ƒ Patria 1 357 144 177. 357 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijdt Den Hoog Edelen Groot Achtbaren, Gestrengen, wijdgebiedende Heere. Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal De wel Edele gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele groot Achtbaare, Gestrengen, Wijdgebiedende Heere en, Wel Edele Gestrenge Heeren! D' eerst voorkomende gelegentheijd in dit Jaar, door het vertrek van een vaartuijg na Sourabaija, niet mogende laeten, voor bij slippen om uw Hoog Edelhedens schuldpligtig kennisse te geeven van het voornaamste dat alhier zedert mijne onder„ „danige laatste de dato 23=e october anni preteriti voorgevallen is, zo geeve ik mij d'eere uw Hoog Edelhedens met betrec„ „king tot den Oorlog; eerbiedig, ter kennisse te brengen, hoe de Rebellen, al kort„ na de laatste actie en de gevoelige neep hun den 2=e October toegebragt, op nieuw uijt het geberg te afgezakt en in de zuijder Benevens provintie . 3 provintie aan het stroopen gegaan zijnde, ik hun op den 26= daaraan, egter alleen door de Madureesen, Sumanap„ „pers en andere Jnlandsche troupen, waar onder ook den Datou van Gedeenring, omtrend de Negorij Bonto Bonto, gelegen aan de voet van het gebergte b'oosten Goa, hebbende doen aantasten met dat succes dat zij seventien dooden en de onsen, zonder eenig verlies nog ses krijgs gevangenen bekomen hebben; ik vervolgens op den voorstel van den Datoe van Sedeen„ „ring denzelven accordeerde hun nogmaals een bezoek te geeven, hem teffens doende assisteeren door den vendrig Burghof met ruijm veertig Europeesen, onder ernstige recommandatie aan deesen officier om alle mogelijke voorzigtigheijd te gebruijken en niets te hazardeeren en dat deese troupes daar op den 4=e November, van onse Post te Malenkeerie of Goa uijtgerukt zijnde den vij„ „and daags daar aan weeder willende attacqueeren het ongeluk gewild heeft dat Burghof uijt een hinderlaag doodgeschooten en d' on„ „derneeming daar door gestaakt geworden zijnde, ik op dit onaan„ „genaam berigt wel aanstonds 120. van de beste Europeese Mili„ „tairen onder drie officieren derwaarts deed detacheeren, invoe„ „gen deselve ook ten eersten uijttrocken, dog eer deselve op Malen„ „keerie aanquamen, werwaarts ik mij ook begeeven hadde, d'an„ „deren aldaar reets waaren terug gekeerd. uijt hun ver„ „haal nog thans verneemende dat de Rebellen zig op nieuw weeder verschanst hadden en daar bij ligt begrijpende dat het daar bij niet wel konde worden gelaten, om hunnen moed niet te doen aanwackeren, zo besloot ik aanstonds om hun nogmaals met alle magt op het lijf te komen, waar toe den Datoe van Gedeenring zig niet minder genegen als bereid toonde, onder te kennen gave dat de voorgemelde onderneeming zeeker zoude zijn gelukt als Burghof niet te vroeg was omgekomen. — Ingevolge van dit voorneemen gingen onse troupen bestaande in ruijm 150. Europeesen voorsien. van vier hand mortieren en ruijm duijsend Jnlanders behalven het volk van voorm: Datoe den 8„e November op Marsch, met intentie Conform mijne 176. mijne ordre om des daags daar aan te beginnen, wanneer ik mij insgelijks weeder na Malenkeerie begaf ten einde nader bij derhand te zijn of wel mij zelfs aan hun hoofd te stellen, maar de swaare regen dien nagt gevallen gevoegd bij dat de Rebellen door het omhacken van Boomen en Bamboes bosschen de we„og „gen onbruijkbaar hadden gemaakt, belette hun Bonto Bonto te naderen voor den volgenden dag of den 10=e wanneer zij des t morgens vroeg den aanval gedaan hebbende naar een zeer scherp ten, vegten, also dezelve veel sterker in getalle en ook van veel meer schiet geweer voorsien waaren, als men vermoede dat men bij hun vinden zoude, het geluk hadden al hun bentings te veroveren e„ en hun op de vlugt te drijven met agterlaeting van ruijm seven„ „tig dooden, behalven meer dan honderd die door eene daar langs— loopende sterk stroomende rivier wilden, verdronken zijn; al„ „leen met verlies van een enkelde Papanger aan de zijde der onsen, die vervolgens alles wat zij in en om de Bentings aan lie„ „vensmiddelen vonden door het vuur vernielden en dus een volko„ an„ „men overwinning behaalden, die nog te grooter is geweest, zo mits het sneuvelen van Craeng Bilaadje, de sloute van alle„ hoofden, bij mijne eerbiedige vroegere vermeld, nevens nog twee anderen, als dat uijt dit verlies der Rebellen een oneenigheijd zo ontstaan is tusschen d' andere hoofden, in zo verre dat Sankilang, die daar doenmaals niet present was, Arou der Mampoe zeer smaedelijk bejegend en Craeng Bellasarie, de des laestgenoemdens Moeder zig niet minder veragtelijk omtrend Sankilang uijtgelaeten heeft; uijt hoofde van alle l„ het welke men reden hadde te hoopen dat de zaeken wel haast een geheel andere keer neemen mitsgaders de Macas„ „saaren tot inkeer komen zouden, insonderheijd doen men op den 11=e Januarij de tijding kreeg dat Arou Palacca het hadde afgelegt, 't geen ik uw Hoog Edelhedens als een zeekere waarheijd kan bedeelen; dog niet Jegenstaande alle deese favorable apparentien en de middelen onder de hand die ik bij Continuatie aanwende om de voornaamste die de wettige 359 359 ime

← previousnext →