Inventory 3556
Japan · 1,428 pages · 337 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
honored, in recompense for the service rendered by him during the disturbances, the many dangers which he has endured on several occasions, and the notable loss he has suffered through the falling and dying from wounds of a multitude of his slaves and pawns, for which nothing was granted to him any more than for many other incurred expenses, and through the troubles he remained for two years almost entirely deprived of all revenues attached to his office. And since I, for my own part, likewise have had to incur uncommonly many expenses of which I have not been able to keep a record, and moreover have been subject to notable damage, so that I can reckon that which I personally disbursed during the troubles at well over two thousand rd:s and more, without having enjoyed anything in return, whether in money or other emoluments, I take the liberty likewise most humbly to pray Your High Nobilities that I may be favorably indemnified in this regard, trusting that Your Highest Nobilities will be pleased to credit that I do not make too large an estimate in this respect, when I add how in the long run I was obliged to give away to many chiefs of our auxiliary troops, and especially to Arou Pantjana and the deceased former Pongauwa, such a quantity of fatherland liquors that I could scarcely obtain enough for myself, and for which they shamelessly caused requests to be made as if I traded in them; not counting that I lent five riding horses to them, which were never returned to me under the pretext of having died or gone missing; to which are now added the extraordinary expenses incurred each time that I spent whole days in the army or on expeditions; the allowances to all the chiefs of the troops, and finally a multitude of expenditures on emissaries, spies, and for heads of slain enemies, these three last-mentioned items since 30 August 1777, when rd:s 312: 24:— were reimbursed to me, which I had likewise largely disbursed from my own pocket; so that I hope for a favorable disposition regarding all these, not doubting 411 411 204. doubting that Your High Nobilities will have full knowledge that the revenues for a Governor at Macasser, who will not sacrifice his own honor to greed or usury, are not so large as to make good such extraordinary expenditures from them, as I can testify in truth. Wherewith concluding, I commend the illustrious persons of Your High Nobilities, together with the precious interests of the Company, to God's safe care and protection, and have the happiness to call myself with the very utmost respect and high esteem. was written below: High Noble, Greatly Honorable, Severe, Far-Ruling Lord, and Right Noble, Severe Lords! lower: Your High Nobilities' humble, obedient, and faithful servant, was signed: P:s G:s van der Voort, in the margin: Macasser in Castle Rotterdam, 24 October 1779. Agrees, JDremer acting Secretary N 2 Secret Daily Register ro Patric 205. 413 Secret Daily Register The Bone people demand subjects of Soupa from Sedeenring. The Bouton people may build in Campong Tempe. Complaints about a smuggling matter. Monday 19 October. The Adatouang of Sedeenring having appeared before me this forenoon to report that the Bone Madanrang had demanded from him, the Adatouang, the subjects of Soepa who had settled at Batoe Kiki, to which he had answered him that he did not detain them, yet could not force them to depart; furthermore making known that he feared Arou Soepa might sometimes commit some hostilities, and that he had been summoned by the Bone grandees of the realm to their assembly; with a request for counsel on how to behave in this matter; on which various matters I served him with the advice that he would do well to appear in the assembly and inform the Bone people that they should simply summon the subjects of Soepa, and in case their Datou should attempt anything, to remind him of the history that occurred between them well over three years ago. Furthermore, at the request of the Bouton interpreter residing here, I have permitted him to have some houses built again by the Bouton people in the burned-down Campong, with orders to ensure that no Bone people come to settle there. The harbor-master having further made a complaint to me about the Bone emissary Soeroe Doerie, as one who had not only used the audacity to bring several corges of cloths ashore from an arrived vessel without his foreknowledge, but even threatened to murder the officer who wished to inspect the packs, I therefore on Tuesday 20 sent Bookkeeper Deefhout to the King of Bonij Complaint thereabout to Bonij. to complain about that insolent conduct and to demand satisfaction, who let me know that he would order an investigation into the matter, and on Wednesday 21 through the Interpreter Moentoe had me told that the smuggled cloths had consisted of only four corges, sent hither by Arou Batoe Poetia, and that Soeroe Doerie the remaining accusation 0 answer.
Dutch transcription
vereerd, in vergelding van den dienst door hem in de onlusten be„ „toond, de meenige gevaaren die hij in verscheijde gelegentheden uijtge„ „staan en het merkelijk verlies dat hij geleeden heeft door het sneu„ „velen en sterven aan quetsuuren van een meenigte zijner slaeven en verpandelingen, waar voor hem zo min als voor veele andere gedaene onkosten iets toegelegt, en hij door de troubles twee Jaeren lang, bij na geheel, verstoken gebleeven is van alle inkomsten aan zijne bediening g'accrocheert. En vermits ik, wat mij zelfs aangaat, meede ongemeen veel on„ „kosten hebben moeten doen, van dewelke ik geen aanteekening hebbe kunnen houden, en daar en boven nog merkelijke schaede ben onderhevig geraekt; zo dat ik het geene ik werkelijk bij de troubles, van mijn eigen ingeschoten hebbe ruijm op twee duijsend rd=s en meer reekenen kan; zonder iets daer voor te hebben genoten, het zij in geld of andere emolumenten, neeme ik de vrijheijd uw Hoog Edel, „hedens insgelijks op het ootmoedigste te bidden om daar omtrend gun„ „stig te mogen worden gededomageerd, in vertrouwen dat Hoogst dezelve wil zullen gelieven te accrediteeren, dat ik hier omtrend geene te groote opgave kome te doen; wanneer ik 'er bij voege hoe ik op den duur ben verpligt geweest aan veele hoofden onser hulp troupen en insonder„ „heijd aan Arou Pantjana en den overleeden geweesen Pongauwa, een zo meenigte vaderlandsche dranken weg te schenken, dat ik z' naauwlijk zelfs genoeg bekomen konde, en om dewelke zij zo onbeschaamd lieten vragen, als of ik daar in handel dreef, onge„ „reekend dat ik: vijf rij paarden aan dezelve geleend hebbe, die mij on„ „der pretext van gecreveert of absent geraakt, nimmer weeder gegeeven zijn, waar bij nu nog komen de gedaene extra ordinaire kosten, telken reijse dat ik geheele dagen in 't leger of op ex„ „peditien ben geweest; de tractementen aan alle de hoofden der troupen en eijndelijk een meenig te uijtgaven aan zendelingen, spions en voor koppen van omgebragte vijanden, deeze drie laatst„ „gemelde posten zedert den 30=e Augustus 1777. dat mij rd:s 312: 24:— zijn gerestitueerd die ik meede ruijm uijtgeschoten had; zo dat ik omtrend alle deeze op een gunstige dispositie hoope, niet twijffelende 411 411 204. twijffelende of uw Hoog Edelhedens zullen volkomene kennisse dra„ „gen dat d' Jnkomsten voor een gouverneur op Macasser, die zijn eigene eere aan geen schraapzugt of woeker wil op offeren, niet zo groot zijn om 'er diergelijke extra ordinaire uijtgaven van goed te moe„ „ken, gelijk ik dit met waarheijd betuijgen kan waar meede ik besluijtende d' Jllustre persoonen uwer Hoog Edelhe„ „dens nevens de dierbaere belangen der Maatschappij in Godes veij„ „lige hoede en bescherming beveele en het geluk hebbe mij met d' aller uijterste eerbied en hoog agting te noemen. /:onderstond:/ Hoog Edele groot Achtbaare Gestrengen wijdgebiedende Heere en wel Edele Gestrenge Heeren ! /:lager:/ uw Hoog Edelhedens onder„ „danige, gehoorsame en getrouwe dienaar, /:was geteekend:/ P„s G:s van der voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 24„e october 1779. — Accordeert JDremer p„l Secrets N 2 Sicreete Da gregister ro Patric 205. 413 Secreete Dagregister De boniers vorderen van se„ „deenring onderdaanen van soupa. de Boutonders mogen bou„ „wen in Campong Tempe. klagten over een sluijkwerk. Maandag den 19=e October, Den Adatouang van Sedeenring, deesen voor de middag, bij mij verscheenen zijnde, ter bedeeling hoe den Bonijs Madanrang de onderdaanen van Soepa, die zig te Batoe Kiki hadden neergezet, van hem Adatouang hebbende doen op eijsschen, hij daar op aan den zelven g'antwoord hadde, dat hij de„ „selve niet aanhield dog ook niet tot vertrek konde noodsaeken; ver„ „der te kennen geevende: dat hij bedugt was dat somwijlen Arou soepa eenige hostiliteijten zoude pleegen en dat hij door de Bonijse Rijksgrooten in hunne vergadering was ontboden; met versoek om raad hoe zig hier omtrend te gedragen; op welk een en ander ik diende dat hij wel zoude doen in de vergadering te compareeren en de Bonijers te kennen te geeven dat zij de onderdaanen van Soepa maar hadden t' ontbieden, mitsgaders ingevalle hunnen Datou iets beginnen mogte hem te doen herinneren de historie voor ruijm drie Jaaren tusschen hun gepasseerd. voorts hebbe ik, op versoek van den alhier remoreerende Boutonse tolk, aan den zelven gepermitteerd weeder eenige huijsen door de Boutonders te laeten bouwen, in de afgebrande Campong met ordre om te zorgen dat zig geene Boniers daar komen needer te zetten. De Boomspagter wijders bij mij klagtig gevallen zijnde over den Bonijs zendeling soeroe Doerie, als die niet alleen de Houtheijd had gebruijkt om eenige korsjes kleedjes uijt een aangekomen vaar„ „tuijg, zonder zijn voorkennisse, aan de wal te brengen, maar zelfs den Dienaar, die de Packen hadde willen visiteeren te dreijgen om hem te vermoorden, zo hebbe ik den boekhouder Deefhout des. Dingsdag den 20=e Bij den Koning van Bonij gezonden om over dat brutaal doleantie daar over bij bonij. bedrijf te doleeren en satisfactie te vragen, die mij liet weeten on „dersoek na het zelve te zullen laeten doen, en des woensdag den 21=e Door den Tolk Moentoe died zeggen dat de geslooke kleeden maar in vier korsjes hadden bestaan, door Arou Batoe poetia herwaarts gezonden, en dat soeroe Doerie de overige beschul„ „diging 0 antwoord.
English
Thursday the 22nd The king goes to Goa. The overseas auxiliary troops return home. The Bone people build in Kampong Tempe. Complaint against this. Audience granted to various dignitaries. [illegible] denied, but I gave that servant to understand that I was better informed regarding the first matter and, being entirely certain of the threat made by the repeatedly mentioned messenger, I still expected satisfaction, or that in the future I would immediately administer justice myself. Friday the 23rd. Nothing remarkable occurred. Saturday the 24th. I had the Council members Voll and Kraane, according to custom, offer the Puasa gift to the King and the high dignitaries of Bone. Furthermore, the king had me requested that he might be permitted to go to Goa the day after tomorrow, in order to visit the graves of his ancestors, which I granted, having informed the Commander at Malenkeerie thereof. The Chiefs of the overseas troops having subsequently appeared before me to take their leave, being ready to return home again, I thanked them in fitting terms for their assistance. After this, the Captain of the Malays came to report to me that, because the Bone people were again building some houses in Kampong Tempe, he had asked them who had permitted them this, and upon the answer that it was Dato Baringang, he had ordered them to tear them down again, which they flatly refused, upon which report I, Sunday the 25th, having sent the assistant interpreter Blij to the king to complain about this and to request that His Highness would ensure that my orders were not violated, he only let me know that he would give further word on the matter. Subsequently, towards noon, he requested an audience for the Sulewatang and Gallarrang of Bontualacq, first for this afternoon, but when I had refused this, for the day after tomorrow, which I granted. Monday the 26th. The Macassar Princes Karaeng Bontolangkas and Karaeng Data, both under the Company's protection and residing at Matouangie, and furthermore also some high dignitaries who arrived here from Sanrabone, requested an audience with me, which was granted to both parties as well as yesterday to the Bone deputies, for Tuesday the 27th. In the morning, the Sulewatang and Gallarrang of Bontualacq appeared first, delivering their message: 1. A request in the King's name that his people might be permitted to build houses again in the burnt-down Kampong Tempe, as otherwise having insufficient space for habitation. 2. A communication that the messenger Duri had been dismissed from his post, with which His Highness trusted I would be pleased to be satisfied. 3. That His Highness intended to go fishing at Maros for a few days. To which was replied that I could not yet consent to the construction of houses in Kampong Tempe, but that I would inspect the place to speak further with His Highness; that I would for this time be satisfied with the satisfaction given regarding the aforementioned messenger; and for the rest wished His Highness much pleasure; after which, they having departed, The Macassar Princes Karaeng Bontolangkas, Karaeng Data, and the former second Shahbandar of Goa came to make known how, due to the death of the king, they had agreed to accept the first-mentioned as their chief, requesting my permission for this, and that the state regalia might be handed over to him, in both of which requests I consented, and in the latter specifically to remove all evil thoughts from them that others might wish to inspire in them, with the stipulation, however, that in case the former high dignitaries who had constituted the legitimate Goa Government should again make peace with the Company, this should not serve to their prejudice, but that the regalia would have to be returned to them again, against which they declared to have no objection, saying in response to my question to that end that they had not yet heard anything from them, much less that they showed any inclination thereto.
Dutch transcription
Donderdag den 22=e de koning gaat na goa. de overwalsche hulptroepen keeren na huijs. de Boniers bouwen in Cam„ „pong Tempe. doleantie daar tegen acces aan diverse groten toe„ „diging ontkende, dog ik gaf dien bediende te verstaan dat ik nopens het eerste beter onderregt en van het door meermelte soe„ „roe gedaene dreijgement volkomen verseekert weesende ik als nog satisfactie was verwagtende, of dat ik in het vervolg mij zelfs daadelijk regt verschaffen zoude. Vrijdag „ 23=e Niets sonderlings gepasseerd. Zaturdag „ 24=e Hebbe ik door de Raadsleden voll en Kraane na gewoon„ te mog Pouassa geschenk aan Bonij „te het Pouassa geschenk doen aanbieden aan den Koning en Rijksgrooten van Bonij voorts liet den koning mij versoeken om overmorgen in goa te be mogen gaan, ten einde de graven zijner voor ouderen te bezoeken, het geen ik hebbe g'accordeerd, daar van aan den Commandant op Malenkeerie hebbende doen kennisse geeven. De Hoofden der overwalsche troupen vervolgens bij mij ver„ „scheenen weesende om afscheijd te neemen, als gereed om weeder na huijs te keeren, hebbe ik hun in gepaste termen voor hunne assistentie bedankt. Hier na kwam den Capitain der Maleijers mij rapporteeren dat hij vermits de Boniers weeder eenige huijsen bouwden in de Campong Tempe aan deselve hebbende laeten vragen wie hun zulks geper„ „mitteerd! en op het antwoord dat het Datou Baringang was, hadde der doen ordonneeren om z' weeder, af te breeken zij zulks volstrektc weijgerden, op welk berigt ik Sondag den 25=e Den ondertolk Blij bij den koning gezonden hebbende, om daar over te doleeren en te versoeken dat zijn Hoogheijd wilde zorgen dat mijne ordres niet overtreeden wierden, zo liet hij mij eenlijk weeten daar op nader bescheijd te zullen geeven. laetende vervolgens tegen de middag acces versoeken voor den Soelewattang en glarrang van Bontualacq eerst tegen des nademiddags, dog toen ik sulks afgeslagen hadde, tegen overmorgen, dat ik accordeerde Maandag den 26=e Lieten de Macassaarse Princen Craeng Bontolancas en Craeng Data, beide in 's Comp„s protectie en op Matouangie woonagtig de de Craen a „gezegt. 206. 415 „te mogen bouwen in Campong Tempe. zeker sluijker van zijn bediening afgezet. de koning gaat na maros. Craeng Bontolancas is hoofd der in protectie zijnde ma„ „cassaren. woonagtig, in voorts ook eenige alhier van Sandrabonij g'arriveerde Rijksgrooten acces bij mij versoeken, het geen aan d' een en andere zo wel als op gisteren aan de Bonijse gecommitteerdens g'accordeerd zijn„ „de, tegen Dingsdag den 27=e zo verscheenen des voor de middags eerst de soelewattang en glarrang van Bontualacq houdende hunne boodschap de Bonijs versoeken huijsen 1=o een versoek uijt 's Konings naam dat aan de zijnen mogte worden gepermitteerd om weeder huijsen in de afgebrande Campong Tempe te bouwen, als buijten des geen genoegsaeme plaats ter bewooning hebbende 2=e Communicatie dat den Soeroe Doerie van zijn bediening was afge„ „zet waar meede zijn Hoogheijd vertrouwde dat ik genoegen zoude gelieven te neemen. 3=e Dat zijn Hoogheijd voorneemen was voor eenige dagen uijt vissen te gaan na Maros. waar op diende dat ik in den aanbouw van huijsen in Campong Tem „pe, immers voor als nog niet bewilligen konde, maar ik de plaats zoude opneemen om met zijn Hoogheijd nader te spreeken; Dat ik in de gegeeven satisfactie omtrent voorm. Soeroe voor ditmaal genoegen zoude neemen; en voor het overige aan zijn Hoogheijd veel plaisier „wenschte; waar na zij vertrocken zijnde, so kwamen De Macassaarse Princen Craeng Bonto Lancas, Craeng Data, en de geweesen tweede sjabandhaar van Goa te kennen geevende hoe zij mits het overlijden van den koning waaren over een gekomen om den eerst gemelden voor hun hoofd aan te neemen, daar toe mijne toestemming versoekende, en dat hem de Rijksornamenten mogten worden overge„ „geeven, in welke beijde instanties ik bewilligt hebbe en wel in de laat„ „ste om hun alle quaede gedagten te beneemen, die anderen haar zoude willen inspireeren, onder te kennen gave nogthans dat ingevalle de ge geweese Rijksgrooten, die de wettige goase Regeering uijtmaakt had„ „den, met de Comp=e weeder vreede aangingen, zulks niet tot prejuditie strecken maar deselve weeder zouden moeten worden overgegeeven, waar tegen zij niets betuijgden te hebben, op mijne ten dien eijnde gedaene vrage zeggende dat z' nog niets van deselve vernaamen, veel min dat z' daar toe eenige genegentheijd toonden. Hier t
English
Those of Sandrabonij paid a part of their debt. Victory gained over the rebels. Wednesday the 28th attached to Palacca. Friday the 30th. Hereafter appeared the Sandrabonijse grandees named Craings Balloesang and Parasangan Beroe, together with Daing Padinging, glarrang Tonasa and two emissaries, who after having first paid 1000 Spanish rixdollars in reduction of their debt, humbly requested in the name of the king and the realm to be excused from the payment of the remainder, which, however, I refused, making it known that I still expected this year the complete delivery of what was lacking of the one half amounting to ten thousand Spanish dollars, in order subsequently to be able to conclude the contract and at the same time make a determination regarding the remaining half. Furthermore, Ensign Burghof, having command of the troops at Malenkeerie, came to me, reporting how he, in accordance with my order, alongside the Adatouang of Sedeenring with a force of approximately six hundred heads, both Madurese and Sumanappers as well as other natives, had marched out yesterday and proceeded towards the mountains, encountered a band of rebels near the village of Bonto Bonto, attacked them, and, leaving behind seventeen dead and several prisoners of which he brought six with him, all being decrepit people, while the others were spirited away by the natives, had driven them to flight, adding that the lust for plunder which the common folk had displayed again on this occasion was once more the cause that the remaining rebels had escaped. Nothing of importance occurred. Saturday the 31st. Craeng Labackang, having arrived here yesterday and appeared before me this forenoon, requested orders regarding some paddy fields belonging both to Arou Palacca and to many others who had deserted to the enemies, which the Boniers wanted to appropriate, so I ordered him to oppose the latter with all rigor and to hand over all those fields to the subjects for cultivation. Sunday 1 to 3 November, nothing of special note occurred. On the 4th, the envoys and chief of the Bouton auxiliary troops who arrived here some time ago were dispatched again under the customary ceremonial, handing over a letter to the King and grandees. Furthermore, I have instructed both Ensign and Commander Burghof and the Datou of Sedeenring, in accordance with their proposal and offer, once again to inflict a sensible blow on the rebels staying under the mountains around Bonto Bonto, who continually invade the villages in the Company's southern provinces, and to that end the first-mentioned, with a corps of forty Europeans, six to seven hundred Madurese and Sumanappers, together with the peoples of the chief interpreter Brugman under the bookkeeper Deefhout, and the other with his men, are to march out from Malenkeerie this afternoon in order to be able to begin early tomorrow morning; all under the recommendation of the utmost caution and not to risk too much. On the 5th, towards noon, the fatal news arrived here that Ensign Burghof, together with a private soldier, was killed at the beginning of the attack on the rebels near Bonto Bonto, who had entrenched themselves in three redoubts; so that this report was shortly thereafter confirmed by the provisional Sergeant Lubbert, who added that our troops, on account of the death of the said Burghof, had retreated somewhat, simultaneously requesting orders on what to do further. Then, as I immediately caused a detachment of one hundred ten Europeans under Lieutenant Brandis and the Ensigns Lacherwitz and Loutrop, alongside a corps of artillerymen with four hand mortars, to march out to Malenkeerie to reinforce the aforesaid troops, with the intention of attacking anew the rebels, who were said to have few firearms, the Bookkeeper Deefhout also returned with the report that ours had already returned to Malenkeerie, or at least were on their way thither.
Dutch transcription
die van sandrabonij betaalden een gedeelte van hun schuld. behaalde overwinning op de Rebellen. Woensdag den 28=e tot Palacca aangeslagen. vrijdag „ 30=e Hier na verscheenen de Sandrabonijse Rijksgrooten met naemen Craings Balloesang en Parasangan Beroe, nevens Daing Padin„ „ging, glarrang: Tonasa en twee sendelingen, die na alvoorens weeder 1000. rd=s spaans te hebben afgelegt, in mindering hunner schuld, uijt naam van den koning en het Rijk ootmoedig versogten verschoond te worden van de voldoening van het overige restant, dog 't welk ik hebbe afgeslagen onder te kennen gave dat ik nog dit Jaar de Compleete opbreng verwagten zoude van het geen 'er aan d' eene helft ten bedrae„ „ge van tien duijsend spaans kwam t' ontbreeken, om vervolgens het Contract te kunnen sluijten en te gelijk nopens de overige helft een bepaeling te maeken. Voorts kwam den vendrig Burghof het Commando hebbende over de troupen op Malenkeerie nog bij mij, rapporteerende: hoe hij Conform mijne ordre, nevens den Adatouang van Bedeenring met een magt van circa ses honderd koppen zo Madureesen in Sumanappers als andere Jnlanders, op gisteren uijtgerukt en na het gebergte gemarcheert zijnde, een hoop Rebellen omtrend de negorij Bonto Bonto aangetroffen heb„ „bende deselve g'attacqueerd en met agterlaeting van seventien dooden en verscheijdene gevangenen /:waar van hij 'er ses meede bragt, zijnde alle afgeleefde menschen terwijl de overige door d' Jnlanders ver„ „duijstert waaren:/ op de vlugt gedreeven hadde, onder bijvoeging dat de zugt na buijt die het gemeen bij deese gelegentheijd weeder hadde betoond, andermaal oorsaak was geweest, dat de overige Rebellen het ontkomen waaren: niets van belang g'exteerd Zaturdag „ 31=e Craeng Labackang, gisteren hier g'arriveerd en deesen voormiddag Padij velden van Arou bij mij verscheenen, ordre versoekende nopens eenige padij velden zo aan Arou Palacca als aan veele anderen toegehoord hebbende die naar de vijanden waeren overgeloopen, die de Boniers wilden naasten, zo hebbe ik hem gelast het laatste met alle rigeur tegen te gaan en alle die velden ter bewerking aan de onderdaanen overte geeven. Zondag 1 417 vesten November tot 3=e, is niets van bijsondere aanmerking gepasseerd. 4=e zijn de gezanten en hoofd der alhier voor eenigen tijd overgekomene Boutonse hulptroupen weeder, onder het gebruijkelijk Ceremonieel gedepecheert, onder inhandiging van een brief aan den Koning en Rijksgrooten. Voorts hebbe ik zo aan den vendrig en Commandant Burghof als aan den Datou van Sedeenring, Conform beider voorstel en aan„ „bod, opgedragen, om andermaal de zig onder het gebergte om„ „trend Bonto Bonto onthoudende Rebellen, die telkens de negorijen in 's Comp„s zuijder provintien invadeeren, een gevoelige neep toe te brengen, en ten dien eijnde d' eerstgemelde met een Corps van veertig Europeesen, ses â seven honderd Madureesen en Sumanappers mitsgaders de volkeren van den oppertolk Brugman, onder den boekhouder Deefhout, mitsgaders den anderen met de zijnen, deesen nademiddag van Malenkeerie uijt te trecken, om morgen och„ „tend vroeg te kunnen beginnen; alles onder recommandatie van de uijterste voorzigtigheijd en om niet te veel te waagen. Tegen den middag kwam alhier de fataele tijding dat den vendrig Burghof nevens een gemeen militair met het begin der attacque van de Rebellen omtrend Bonto Bonto, die zig in drie bentingen verschanst hadden, gesneuveld waaren; invoegen dit berigt weijnig tijd daar aan geconfirmeerd wierd door den p„l sergeant Lubbert, die 'er bij voegde dat onse troupen, uijt hoofde van het omkomen van gemel„ „de Burghof, eenigsints terug getrocken waaren, teffens ordre versoekende wat verder te doen. Dan daar ik aanstonds een detachement van honderd tien Europee„ „sen onder de Lieutenant Brandis en de vendrigs Lacherwitz, en Loutrop nevens een Corps arthilleristen, met vier hand mor„ „tieren na Malenkeerie deed uijt marcheeren, tot versterking van voorm: troupen, met intentie om de Rebellen, welke gezegt wier„ „den weijnig schiet geweeren te hebben, op nieuw aan te lasten, kwam den Boekhouder Deefhout meede te rug met berigt dat d'onsen reets op Malenkeerie te rug gekomen, immers derwaarts op pen 5=e den 207. die van sandrabonij betaalden een gedeelte van hun schuld. behaalde overwinning op de Rebellen. Woensdag den 28=e tot Palacca aangeslagen. vrijdag „ 30=e Hier na verscheenen de Sandrabonijse Rijksgrooten Craings Balloesang en Parasangan Beroe, neve „ging, glarrang: Tonasa en twee sendelingen, die n 1000. rd=s spaars te hebben afgelegt, in mindering hunner naam van den Koning en het Rijk ootmoedig versog worden van de voldoening van het overige restant, dog afgeslagen onder te kennen gave dat ik nog dit Ja opbreng verwagten zoude van het geen 'er aan d' eene „ge van tien duijsend spaans kwam t' ontbreeken het Contract te kunnen sluijten en te gelijk nog helft een bepaeling te maeken. Voorts kwam den vendrig Burghof het Commando troupen op Malenkeerie nog bij mij, rapporteerende mijne ordre, nevens den Adatouang van Gedeenring circa ses honderd koppen zo Madureesen in Sumanap Jnlanders, op gisteren uijtgerukt en na het gebergte gen een hoop Rebellen omtrend de negorij Bonto Bonto „bende deselve g'attacqueerd en met agterlaeting van sc en verscheijdene gevangenen /:waar van hij 'er ses m alle afgeleefde menschen terwijl de overige door „duijstert waaren:/ op de vlugt gedreeven hadde, onder zugt na buijt die het gemeen bij deese gelegentheijd wee andermaal oorsaak was geweest, dat de overige Rebell waaren. niets van belang g'exteerd Zaturdag „ 31=e Craeng Labackang, gisteren hier g'arriveerd en dee Padij velden van Arou bij mij verscheenen, ordre versoekende nopens eenig zo aan Arou Palacca als aan veele anderen toege die naar de vijanden waeren overgeloopen, die de naasten, zo hebbe ik hem gelast het laatste met te gaan en alle die velden ter bewerking aan de overte geeven: .
English
417 207. auxiliary troops From the first of November until the 3rd, nothing of special note occurred. On the 4th, the envoys and chief of the Bouton auxiliary troops who arrived here some time ago were dispatched again under the customary ceremonial, with the delivery of a letter to the King and the Grandees of the realm. Furthermore, I instructed both the ensign and commander Burghof and the Datou of Sedeenring, in accordance with both their proposal and offer, to deal another sensitive blow to the rebels lingering under the mountains near Bonto Bonto, who repeatedly invade the settlements in the Company's southern provinces, and to that end the first-mentioned, with a corps of forty Europeans, six to seven hundred Madurese and Sumanappers, as well as the native forces of the chief interpreter Brugman, under the bookkeeper Deefhout, along with the other and his men, should march out from Malenkeerie this afternoon in order to be able to begin early tomorrow morning; all under the recommendation of the utmost caution and not to risk too much. On the 5th, toward noon, the fatal news arrived here that Ensign Burghof, alongside a common soldier, had fallen at the beginning of the attack on the rebels near Bonto Bonto, who had entrenched themselves in three bentings; so that this report was confirmed shortly thereafter by the provisional sergeant Lubbert, who added that our troops, on account of the death of the said Burghof, had retreated somewhat, at the same time requesting orders as to what to do further. However, as I immediately caused a detachment of one hundred and ten Europeans under Lieutenant Brandis and the ensigns Lacherwitz and Loutrop, alongside a corps of artillerymen with four hand mortars, to march out to Malenkeerie to reinforce the aforementioned troops, with the intention of attacking anew the rebels, who were said to have few firearms, the bookkeeper Deefhout also returned with the report that our men had already returned to Malenkeerie, or indeed were on their way thither. [illegible] Those of Sandrabonij paid a part of their debt. Victory gained over the rebels. Thereafter appeared the Sandrabonij grandees of the realm, Craings Balloesang and Parasangan Beroe, alongside [illegible] Tonasa and two envoys, who after having paid 1000 Spanish rixdollars in reduction of their [illegible], humbly requested in the name of the King and the realm to be excused from the payment of the remainder, which was however refused, letting it be known that I would still expect the payment this year of whatever was lacking from the first half of ten thousand Spanish rixdollars in order to be able to conclude the contract and at the same time make a determination regarding the other half. Furthermore, Ensign Burghof, holding the command of the troops at Malenkeerie, came to me, reporting that pursuant to my orders, alongside the Adatouang of Sedeenring, with about six hundred head, both Madurese and Sumanappers as well as natives, he had marched out yesterday and gone to the mountains, where, meeting a band of rebels near the settlement of Bonto Bonto, he had attacked them and, leaving behind [illegible] and several prisoners, of which he had brought six with him, all decrepit people, while the rest had been spirited away, had put them to flight; mentioning that the lust for plunder which the common folk showed on this occasion had again been the reason that the remaining rebels had escaped. Wednesday the 28th to Friday the 30th: Nothing of importance occurred. Paddy fields of Arou Palacca seized. Saturday the 31st: Craeng Labackang, who arrived here yesterday and appeared before me this morning, requesting orders regarding some paddy fields belonging to Arou Palacca as well as to many others who had deserted to the enemy, which the nearby residents were seizing, I have therefore ordered him to prevent the latter and to hand over all those fields to the Company for cultivation.
Dutch transcription
417 207. ulp troupen den eersten November tot 3=e, is niets van bijsondere aanmerking gepasseerd. 4=e zijn de gezanten en hoofd der alhier voor eenigen tijd overgekomene Boutonse hulptroupen weeder, onder het gebruijkelijk Ceremonieel gedepecheert, onder inhandiging van een brief aan den Koning en Rijksgrooten. voorts hebbe ik zo aan den vendrig en Commandant Burghof als aan den Datou van Sedeenring, Conform beider voorstel en aan„ „bod, opgedragen, om andermaal de zig onder het gebergte om„ „trend Bonto Bonto onthoudende Rebellen, die telkens de negorijen in 's Comp„s zuijder provintien invadeeren, een gevoelige neep toe te brengen, en ten dien eijnde d' eerstgemelde met een Corps van veertig Europeesen, ses â seven honderd Madureesen en Sumanappers mitsgaders de volkeren van den oppertolk Brugman, onder den boekhouder Deefhout, mitsgaders den anderen met de zijnen, deesen nademiddag van Malenkeerie uijt te trecken, om morgen och„ „tend vroeg te kunnen beginnen; alles onder recommandatie van de uijterste voorzigtigheijd en om niet te veel te waagen. den 5=e Iegen den middag kwam alhier de fataele tijding dat den vendrig Burghof nevens een gemeen militair met het begin der attacque van de Rebellen omtrend Bonto Bonto, die zig in drie bentingen verschanst hadden, gesneuveld waaren; invoegen dit berigt weijnig tijd daar aan geconfirmeerd wierd door den p„l sergeant Lubbert, die 'er bij voegde dat onse troupen, uijt hoofde van het omkomen van gemel„ „de Burghof, eenigsints terug getrocken waaren, teffens ordre versoekende wat verder te doen. Dan daar ik aanstonds een detachement van honderd tien Europee„ „sen onder de Lieutenant Brandis en de vendrigs Lacherwitz, en Loutrop nevens een Corps arthilleristen, met vier hand mor„ „tieren na Malenkeerie deed uijt marcheeren, tot versterking van voorm: troupen, met intentie om de Rebellen, welke gezegt wier„ „den weijnig schiet geweeren te hebben, op nieuw aan te lasten, kwam den Boekhouder Deefhout meede te rug met berigt dat d'onsen reets op Malenkeerie te rug gekomen, immers derwaarts op „ „ is. peditie te„ tuckig worden. die van sandrabonij betaalden een gedeelte van hun schuld. behaalde overwinning op de Rebellen. Woensdag den 28=' tot Palacca aangeslagen. Vrijdag „ 30=e Hier na verscheenen de Sandrabonijse Rijksgrooten Craings Balloesang en Parasangan Beroe, neve„ „ging, glarrang: Tonasa en twee sendelingen, die n 1000. rd=s spaans te hebben afgelegt, in mindering hunner naam van den koning en het Rijk ootmoedig versog„ worden van de voldoening van het overige restant, dog afgeslagen onder te kennen gave dat ik nog dit Ja opbreng verwagten zoude van het geen 'er aan d' eene „ge van tien duijsend spaans kwam t'ontbreeken het Contract te kunnen sluijten en te gelijk nog helft een bepaeling te maeken. Voorts kwam den vendrig Burghof het Commando troupen op Malenkeerie nog bij mij, rapporteerende mijne ordre, nevens den Adatouang van Bedeenring circa ses honderd koppen zo Madureesen in Sumanap Jnlanders, op gisteren uijtgerukt en na het gebergte ge„ een hoop Rebellen omtrend de negorij Bonto Bonto „bende deselve g'attacqueerd en met agterlaeting van se en verscheijdene gevangenen /:waar van hij 'er ses m alle afgeleefde menschen terwijl de overige door „duijstert waaren:/ op de vlugt gedreeven hadde, onder zugt na buijt die het gemeen bij deese gelegentheijd wee andermaal oorsaak was geweest, dat de overige Rebell waaren. }niets van belang g'exteerd Zaturdag „ 31=e Craeng Labackang, gisteren hier g'arriveerd en dee Padij velden van Arou bij mij verscheenen, ordre versoekende nopens eenig zo aan Arou Palacca als aan veele anderen toege die naar de vijanden waeren overgeloopen, die de naasten, zo hebbe ik hem gelast het laatste met te gaan en alle die velden ter bewerking aan de overte geeven.
English
417 Wednesday The Bouton auxiliary troops return home. Intended expedition against the rebels. The same has turned out unfavorably. The same shall be resumed. From Sunday the first of November to Tuesday the 3rd, nothing of special note occurred. On the 4th, the envoys and chief of the Bouton auxiliary troops, who had arrived here some time ago, were dispatched again under the customary ceremonial, with the delivery of a letter to the King and nobles of the realm. Furthermore, I instructed both the Ensign and Commander Burghof and the Datou of Sedeenring, in accordance with the proposal and offer of both, to deal once again a sensible blow to the rebels lingering beneath the mountains around Bonto Bonto, who continually invade the villages in the Company's southern provinces. To that end, the first-mentioned, with a corps of forty Europeans, six to seven hundred Madurese and Sumanappers, together with the men of the chief interpreter Brugman under the bookkeeper Deefhout, as well as the other with his men, were to march out from Malenkeerie this afternoon, in order to be able to begin early tomorrow morning; all under the recommendation of the utmost caution and not to risk too much. Thursday the 5th. Toward noon, the fatal news arrived here that Ensign Burghof, together with a private soldier, had fallen at the beginning of the attack by the rebels around Bonto Bonto, who had entrenched themselves in three bentings. Whereupon this report was confirmed a little while later by the provisional sergeant Lubbert, who added that our troops, on account of the death of the said Burghof, had somewhat retreated, at the same time requesting orders as to what to do further. Then, as I immediately caused a detachment of one hundred ten Europeans under Lieutenant Brandis and the Ensigns Locherwitz and Loutrop, together with a corps of artillerymen with four hand mortars, to march out to Malenkeerie to reinforce the aforementioned troops, with the intention of attacking anew the rebels, who were said to have few firearms, the bookkeeper Deefhout also returned with the report that our men had already returned to Malenkeerie, or at least were on the march thither, whereby I saw my objective thwarted. Nevertheless, I went to Malinkeerie myself to persuade the Datou of Sedeenring to march out again with our men, to which he showed himself willing, and consequently gave orders to our men to march next Sunday afternoon, in order to attack the rebels the following morning. Friday the 6th. Nothing unusual occurred. Saturday the 7th. Sunday the 8th. The aforementioned troops, having consisted of 129 Europeans and 1,000 Madurese, Sumanappers, and Papangers, not counting some men of the chief interpreter, alongside the Datou of Sedeenring, set out on the march in the afternoon. Monday the 9th. Having set out for Malenkeerie in the early morning, alongside the Captain of Artillery Sundberg, not only to be closer at hand in order to be able to give the necessary orders upon the first news regarding the undertaking of our troops against the rebels, but also, if it could be undertaken without great danger, to go thither myself, I had to wait for news in vain until around two o'clock in the afternoon, when the burgher Fabia Theunisz came to report to me, in the name of the commanding officers, how they, having arrived this morning too late to join battle due to the poor condition of the road, both because of the heavy rain that fell this night and because it had been obstructed by the rebels in some places, had postponed the same until tomorrow. To that end, they had encamped a short cannon shot to the north of the village of Bonto Bonto on a small hill named Boelekang, from where they would meanwhile also reconnoiter the situation of the rebels. Tuesday the 10th. At noon, Lieutenant Brandis and bookkeeper Deefhout arrived here, bringing the welcome news that the rebels, having been attacked this morning by our troops, were not only driven out of seven bentings in which they had been entrenched, after a stubborn resistance of about two hours, and completely put to flight, but according to estimate surely
Dutch transcription
417 Woensdag de Boutonse hulp troupen keeren na huijs. voorgenomen expeditie te„ „gen de Rebellen. deselve is ongeluckig uijtgevallen. deselve sal hervat worden. Zondag den eersten November tot Dingsdag „ 3=e, is niets van bijsondere aanmerking gepasseerd „ 4=e zijn de gezanten en hoofd der alhier voor eenigen tijd overgekomene Boutonse hulptroupen weeder, onder het gebruijkelijk Ceremonieel gedepecheert, onder inhandiging van een brief aan den Koning en Rijksgrooten. voorts hebbe ik zo aan den vendrig en Commandant Burghof als aan den Datou van Sedeenring, Conform beider voorstel en aan„ „bod, opgedragen, om andermaal de zig onder het gebergte om„ „trend Bonto Bonto onthoudende Rebellen, die telkens de negorijen in 's Comp„s zuijder provintien invadeeren, een gevoelige neep toe te brengen, en ten dien eijnde d' eerstgemelde met een Corps van veertig Europeesen, ses â seven honderd Madureesen en Sumanappers mitsgaders de volkeren van den oppertolk Brugman, onder den boekhouder Deefhout, mitsgaders den anderen met de zijnen, deesen nademiddag van Malenkeerie uijt te trecken, om morgen och„ „tend vroeg te kunnen beginnen; alles onder recommandatie van de uijterste voorzigtigheijd en om niet te veel te waagen. Donderdag den 5=e Iegen den middag kwam alhier de fataele tijding dat den vendrig Burghof nevens een gemeen militair met het begin der attacque van de Rebellen omtrend Bonto Bonto, die zig in drie bentingen verschanst hadden, gesneuveld waaren; invoegen dit berigt weijnig tijd daar aan geconfirmeerd wierd door den p„l sergeant Lubbert, die 'er bij voegde dat onse troupen, uijt hoofde van het omkomen van gemel„ „de Burghof, eenigsints terug getrocken waaren, teffens ordre versoekende wat verder te doen. Dan daar ik aanstonds een detachement van honderd tien Europee„ „sen onder de Lieutenant Brandis en de vendrigs Locherwitz, en Loutrop nevens een Corps arthilleristen, met vier hand mor„ „tieren na Malenkeerie deed uijt marcheeren, tot versterking van voorm: troupen, met intentie om de Rebellen, welke gezegt wier„ „den weijnig schiet geweeren te hebben, op nieuw aan te lasten, kwam den Boekhouder Deefhout meede te rug met berigt dat d'onsen reets op Malenkeerie te rug gekomen, immers derwaarts op 9 207. Vrijdag den 6=e Zaturdag „ 7=e marsch. moeten de actie uijt„ „stellen. hebben een naamwaar„ „dige overwinning behaal. op marsch waeren, waar door ik mijn oogmerk verijdeld zag. Nogthans begaf ik mij zelfs na Malinkeerie om den Datou van Sedeen„ „ring te disponeeren andermaal met d'onsen uijt te trecken, waar toe hij zig bereidwillig toonden, en gaf dien volgende aan d' onsen last, om aan„ „staande zondag na de middag te marcheeren, ten eijnde de volgende mor„ „gen de Rebellen aan te tasten. (viel niets sonderling voor Zondag „ 8=e zijn bovengemelde troupen bestaan hebbende in 129. Europeesen en de troupen gaan op 1000. Madureesen, Sumanappers en Papangers ongereekend eenige volkeren van den oppertolk nevens: den Datou van Sedeenring des nademiddags opmarsch gegaan. be Maandag den 9=e Mij in den vroegen morgen, nevens den Capitain der Arthillerij Sund„ „berg na Malenkeerie begeeven hebbende om niet alleen digter bij der hand te zijn, ten einde, op d' eerste tijding wegens de onderneeming onser troupen tegen de Rebellen, de nodige ordre te kunnen stellen, maar ook wanneer zulks zonder groot gevaar t' onderneemen mogte zijn, zelve derwaarts te gaan zo moest ik te vergeefs op tijding wagten, tot des nademiddags omtrend twee uuren, wanneer den burger Fabia Theunisz. mij kwam rapporteeren, uijt naam der Commandeerende officieren, hoe zij door de slegte gesteldheijd van den weg, zo mits de deesen nagt gevallene swaare regen, als dat deselve door de Rebellen op sommige plaatsen was verhakt, deesen morgen te laat g'arri„ „veerd zijnde om slag te leveren, het zelve tot morgen uijtgesteld hadden, zig ten dien eijnde een kleene Canon schoot ten noorden van de negorij Bonto Bonto op een heuveltje, genaamd Boelekang, needer geslagen hebbende, van waar zij inmiddens ook den toestand der Rebellen zouden recognosceeren. Dingsdag den 10=e op den middag kwamen alhier den Lieutenant Brandis en boek„ v5 „houder Deefhout, het aangenaam berigt brengende, dat de Re„ „bellen deesen morgen door onse troupen aangetast weesende, niet alleen uijt zeven bentings waar in zij verschanscht waaren geweest, na een hartneckige tegenstand van omtrend twee uuren verdreeven en geheel op de vlugt geslagen maar 'er na gissing wel „
English
Craing Bilaadje killed. King of Boni returns from Maros. Datoesoping arrives. Complaint to Boni regarding the detention of subjects by his people. His Highness wishes to go to the inland regions. at least seventy were killed, and among them their principal chief Craeng Bilaadje, alongside two others who were however not positively known, although they believed that the one was Craing Barombong; that our loss in total had consisted of one sergeant of the papangers, and among the few wounded there were only three Europeans, their wounds being of no significance whatsoever. Furthermore, all the houses in which a great quantity of paddy had been found were set on fire, so that we have not only achieved a complete victory thereby, but the rebels, through the death of their aforementioned chief, have been dealt as severe a blow as one could have expected. In the afternoon, our troops returned from Malenkeerie. I was also informed that the king of Boni had returned from Maros, and subsequently an envoy of Datou seping, who also returned here yesterday, came to bring me, in the name of his master, three slaves belonging to citizens here, who, having run away from their masters, had been apprehended by his people; whom I caused to be returned to their owners. Wednesday the 11th. Nothing of importance occurred. Thursday the 12th. The Boutonese envoys present, having requested access beforehand, appeared before me, and a request being made by the same that the interpreter serving here, on account of his demonstrated disobedience, might be dismissed and the one who had previously performed that service be reappointed thereto, I consented to this. Boutonese interpreter suspended. Friday the 13th. On account of the report received that the Bonian glarrang Arou Paseempa had prevented a certain subject at Maros named Madang, summoned by me as a guide to send over land troops etc. thither, from departing, I lodged a complaint about this with the King through the interpreter de Graaf, whose servant brought me word that His Highness had immediately given orders to forbid Arou Paseempa from detaining the Company's subjects. Meanwhile, His Highness had instructed him, de Graaf, to inform me that he intended to proceed to the inland regions in fourteen days, and specifically by sea, but that the Samparadjaija (state standard) would be carried thither by land, through the Southern districts. Reports concerning the rebel Sankilang. Account of Datoe sedeenring concerning the latest expedition. De Graaf, further tasked by me with a message to the Madanrang concerning a Company subject, also related to me how that grandee of the realm had told him of having received a letter from the Tellong Liempoea, stating that the rebel Sankilang, having departed over the mountains to the inland regions, was staying at the village of Manipi, and having also been at Toeroengang, had married there a daughter of the Arou, doing his best daily to gain a following anew, in which he succeeded not a little, considering that besides many of the aforementioned peoples, the Wadjoese and Mandharese were already largely on his side. Towards noon, the Datou of Sedeenring came to me, giving a report of what had occurred in the latest expedition against the rebels and at the same time confirming the deaths of Craing Bilaadje and Craeng Barombong. Saturday the 14th. In the forenoon, the king of Boni sent me, through the glarrang of Bontualacq, a note or list of names of 36 of his subjects who were said to be in Sandrabonij, requesting permission for their retrieval, as well as the return of certain fishponds to the people of Takelera, which one of the Sandrabonij grandees, namely Craeng Taijpa, was said to have taken from them; regarding all of which I informed His Highness that I would cause an investigation to be made. The King of Boni requests his subjects from Sandrabonij. Sunday the 15th. Nothing of particular importance occurred. Monday the 16th. Through the interpreter de Graaf, I again demanded satisfaction from the king of Boni for the goods plundered by the Bonians from the house of the Chinese Tio Lianko, to which His Highness let me know that he would give orders to the Tomilalang, with a further promise, upon the request also made to that end, to send an envoy to me tomorrow in order to depart for Sandrabonij alongside someone from the Company to satisfy what was noted under the date of the day before yesterday. Satisfaction demanded for the plunder from a certain Chinese.
Dutch transcription
419 208: Craing Bilaadje gesneuveld. „ Bonijs Koning reverteert van Maros. Datoesoping opgekomen. Doleancie bij Bonij over het aanhouden van onder„ „danen door de zijne. zijn Hoogheijt wil na de binnen landen. wel seventig gesneuveld waaren, en daar onder hun voornaamste hoofd Craeng Bilaadje nevens nog twee anderen, die men egter niet regt kende, schoon zij meenden dat d'eene Craing Barombong zoude weesen; dat ons verlies in het geheel bestaan had in een sergeant van de papan„ „gers en onder de weijnige gequesten maar drie Europeesen waaren, zijn„ „de hunne wonden van geen het minste belang. voorts waaren alle de huijsen in dewelke een meenigte padij was gevonden in brand gestooken, invoegen wij hier door niet alleen een volkomen overwin„ „ning behaald hebben maar de Rebellen mits het omkomen van gemelde hun hoofd, een zo gevoelige neep is toegebragt als men zoude hebben kunnen verwagten. Des nademiddags zijn onse troupen van Malenkeerie terug ge„ „komen. Ook wierd mij berigt dat den koning van Bonij van Maros was gereverteerd, en vervolgens kwam een zendeling van Datou seping, die gisteren meede alhier is te rug gekomen, uijt naam van zijn meester mij drie slaaven brengen aan burgers alhier toebehoorende, die van hun meesters weg geloopen door zijn volk waaren opge„ „pakt; dewelke ik aan hun lijfheeren hebbe doen terug geeven. Woensdag den 11=e Niets van belang voorgevallen. Donderdag „ 12=e D' aanweesende Boutonse gezanten, na voor af verzogt acces Boutonse tolk gesuspen, bij mij verscheenen en door deselve versoek gedaan zijnde dat den hier fungeerende Tolk, mits zijne betoonde disobedientie, mogt afgezet en de voor hem dien dienst waargenomen hebbende daartoe weeder aangesteld worden, hebbe ik daar in geconsenteerd. Vrijdag den 13=e Mits het ontfangen berigt dat den Bonijs glarrang Arou Paseem„ „pa, aan zeeker onderdaan op Maros Madang genaemd, door mij ont„ „boden, tot een wegwijser, om over Landvolk: enz: derwaarts te zenden; belet hadde te vertrecken hebbe ik daar over bij den Koning door den tolk de graaf doen doteeren, welker bediende mij tot berigt bragt dat zijn Hoogheijd ten eersten ordre gesteld hadde om Arou Paseempa het aanhouden van 's Comp„s onderdaenen te verbieden. Ondertusschen hadde zijn Hoogheijd hem de graaf gelast mij te ver„ „wittigen dat hij voorneemens was zig over veertien dagen na de binnen „deert. e Berigten wegens den Rebel Sankilang. Relaas van Datoe sedeen„ „ring wegens de Jongste expeditie Zaturdag den 14=e de Koning van Bonij ver„ „soek om zijne onderdanen uijt sandrabonij Maandag „ voldoening gevordert over het geroofde van zeker Chinees. binnen landen te begeeven en wel over zee dog dat de Samparadjaija /:standaart van staat:/ derwaarts zoude worden gevoerd te lande, door de Zuijder districten. De Graaf wijders door mij belast met een boodschap aan den Madan„ „rang, over een 's Comp„s onderdaan, relateerde hij mij nog hoe dien Rijks„ „groot hem verhaald hadde een brief van de Tellong Liempoea, te heb„ „ben gekreegen, houdende dat den Rebel Sankilang over het gebergte na de binnen Landen vertrocken, zig op de negorij Manipi onthield, en ook op Toeroengang geweest zijnde, daar getrouwd was met een dog„ „ter van den Arou, dagelijks zijn best doende om op nieuw aanhang te krijgen, het geen hem niet weijnig gelukte, gemerkt behalven veele van de voorm: volkeren de wadjoreesen en Mandhareesen voor een groot gedeelte reets op zijn zijde waaren. Tegen de middag kwam den Datou van Sedeenring bij mij verslag doende van het voorgevallene in de Jongste expeditie tegen de Rebellen en te gelijk Confirmeerende het sneuvelen van Craing Bilaadje en Craeng Barombong Des voor de middags zond den koning van Bonij mij, door den glar„ „rang van Bontualacq een notitie of naam lijst van 36. zijner on„ „derdaanen, die zig in Sandrabonij zouden bevinden en ter afhaal van dewelke hij Consent liet versoeken, mitsgaders de terug gave van zee„ „kere visvijvers aan die van Takelera, welke een der Sandrabonijse grooten met naemen Craeng Taijpa hen zouden hebben ontnomen, nopens welk een en ander ik zijn Hoogheijt hebbe doen weeten dat ik ondersoek zoude laeten doen. „zondag den 15=e Js niets van sonderling belang gepasseerd. 16=e Hebbe ik door den tolk de graaf bij den koning van Bonij nogmaals voldoening laeten vragen voor de goederen door de Bo„ „niers geplunderd uijt het huijs van den Chinees Tio Lianko, waar toe zijn Hoogheijd mij liet weeten ordre aan de Tomilalang te zullen geeven, met verdere toezegging op het ten dien eijnde almeede gedaan versoek, om morgen een sendeling bij mij te zullen zenden ten einde nevens een van de Comp=e na Sandrabonij te vertrecken ter Iatis voldoening van 't genoteerde onder dato eergisteren. 'snadmiddags wil van ver ze
English
209. 421 Report that Datou Baringang intends to attack Arou Pantjana. Further demand for the Sopeng subjects of Sedeenring. Deputies requested. Protest against the King's departure to the interior. Satisfaction demanded over a certain robbery. In the afternoon the Datou of Sedeenring came to communicate to me that the Bone Pongauwa Datou Baringang would not only intend to go and attack Arou Pantjana at Sagerij, but that he had even requested or exhorted him to participate; to which he had merely replied that he would consider the matter, requesting therefore to know my thoughts in this regard and also how he should conduct himself further. To this I served that he would do well to act as if he were indeed inclined to assist Datou Baringang, in order to be able to discover all the better when he intended to carry out his plan, requesting that he then give me notice thereof. Furthermore, he indicated that the Bone Madanrang had once again demanded from him the surrender of some Bone people who had been residing on Batoekiki for a long time, asking what he should answer thereto. To which I served that he could do no better than to have the Madanrang told that it was within his power to have all such people summoned and that their departure would not be opposed. Tuesday the 17th of this month, nothing occurred. Wednesday the 18th, I had an audience requested with the King of Bone for deputies for tomorrow morning, and since this was granted, on Audience with Bone for deputies. Thursday the 19th, sent as such to His Highness the Council members Voll and Kraane with written Instructions to be found among the annexes, containing: 1st, to dissuade the same, as well as the grandees of the realm, by presenting the reasons mentioned therein and other oral reasons made known to the deputies, from the intention to depart for the interior, or else to protest against it in the strongest possible terms, and then to insist on the establishment of good order for the management of affairs by such grandees as might remain here for that purpose; 2nd, to demand satisfaction and restitution as yet for the violent plundering of the house of the Chinese Tio Lianko; 32 and delivery of a parcel of rice. Answer to these matters. Audience requested for Bone deputies. Conference about the King's intended departure to the interior. 3rd, to likewise insist on the delivery of such 1086 gantangs of rice as the Jennangs Lajaija and Boea still owe for the southern tithe of 1777, and indeed for a written order to that end. To which the deputies, upon their return, reported in substance: That, although they had not been able to obtain any positive answer regarding the first point, the King and grandees of the realm had nevertheless, after much debate, finally promised to send further word; His Highness having meanwhile shown no small signs of pleasure at the Company's favorable sentiments and affection toward him. That the same, with respect to the plundering of the house of Tio Lianko, had certified that Arou Ngalaka, as the instigator of that act, had been ordered to make compensation for the stolen goods, and he had already been summoned from the north hither for that purpose. That furthermore a sealed order would be delivered to me to make the aforementioned Jennangs pay their arrears. Toward noon the interpreter Passeere came on behalf of His Highness to request an audience for the Madanrang and some other grandees for the day after tomorrow, which I granted. Friday the 20th, nothing particular occurred. Saturday the 21st, the Bone Madanrang, together with the Tomilalang Arou Oedjong, Arou Mampoe, Arou Tanette, and the Soelewattang and Glarrang of Bontualacq having appeared toward half past nine, they made known that they persisted in their previous decision to bring the King with the Samparadjaija to the interior, giving as their reason that the war here was supposedly ended. But that, since I had caused a protest to be made against that intention and had declared that all the evil consequences that might arise from that departure would be left to their account, they requested that the friendship between the Company and Bone might continue to remain as it had been in the time of the late Mr. Speelman, Governor-General, and up to the present.
Dutch transcription
209. 421 berigt dat Datou Barin„ „gang, Arou Pantjana wil attacqueeren. nader afvordering der soupase onderdanen van Sedeenring. „mitteerdens gevraagd. Protestatie tegen 's konings vertrek na de binnenlanden. 6 satisfactie gevordert over zeekere roof. 'Snademiddags kwam den Datou van Gedeenring, mij Communicee„ „ren dat den Bonijs Pongauwa Datou Baringang niet alleen voor„ „neemins zoude zijn Arou Pantjana op Sagerij te gaan attacqueeren. maar dat hij hem zelfs versogt of aangemaand hadde meede te doen; waar op hij eenlijk g'antwoord hadde zig daar over te zullen beraeden, versoekende dierhalven mijne gedagten dierwegens te mogen weeten en teffens hoe hij zig verder gedragen zoude, daar ik op diende dat hij wel zoude doen om zig te gelaeten of hij wel genegen was Datou Barin„ „gang t' assisteeren; om dier te beter te kunnen ontdecken wanneer hij zijn voorneemen wilde uijtvoeren, met versoek om mij daar van als dan kennisse te geeven voorts gaf hij te kennen dat den Bonijs Madanrang hem ander„ „maal hadde doen afvorderen d' overgave van eenige Boniers op Batoe kiki zedert lange woonagtig, vragende wat hij daar op zoude ant„ „woorden, op 't welk ik diende dat hij niet beter konde doen dan den Madanrang te laeten zeggen dat het in zijn magt stond alle de zodanige te laeten ontbieden en dat men haar vertrek niet tegengaan zoude. Dingsdag den 17=e Js. niets voorgevallen Woensdag „ 18=e Hebbe ik bij den Koning van Bonij tegen morgen achtend acces Acces bij Bonij voor gecom„ laeten versoeken voor gecommitteerdens en mits zulks g'accordeert is, des Donderdag den 19=e Als zodanig aan zijn Hoogheijd gezonden de Raadsleden voll en kraane met een schriftelijke Jnstructie onder de bijlagen te vinden, houdende p=o om den zelven en zo meede de Rijksgrooten, door voorhouding van de daar bij vermelde en andere mondelinge redenen aan de gecom„ „mitteerdens te kennen gegeeven, te diverteeren van het voorneemen om na de binnen landen te vertrecken of wel daar tegen op het aller„ „kragtigste te protesteeren, en als dan aan te dringen op het stel„ „len van goede ordre tot de maneance der zaeken aan zodanige grooten als daar toe hier mogten verblijven. 2=e om als nog Satisfactie en voldoening te vorderen over de gewelda„ „dige plundering van het huijs van den Chinees Tio Lianko. 32 en voldoening van een parthij rijst. antwoord op het een en ander. acces verzogt voor bonijs gecommitteerdens. Conferentie over 's konings voorgenomen vertrek na de binnenlanden. 3=e Om insgelijks aan te dringen op de voldoening van zodanige 1086. gan„ „tangs Rijst, als de Jennangs Lajaija en Boea aan de zuijder vertie„ „ning van 1777. nog schuldig zijn en wel om een schriftelijke ordre daar toe. Op het welke de gecommitteerdens bij te rug komst zaekelijk berigt bragten. Dat, schoon zij nopens het eerste geen positief bescheijd hadden kun„ „nen erlangen, de Koning en Rijksgrooten egter na veel debattee„ „rens eijndelijk beloofd hadden nader bescheijd te zullen zenden; zijn Hoogheijd intusschen geen geringe blijken van genoegen betoond hebbende over 's Compagnies gunstige gevoelens en genegentheijd. te hemwaarts. Dat den zelven ten opzigte van de plundering van het huijs van Tio Lianko bestuijgd hadde dat Arou Ngalaka als d' aanlegger van dat bedrijf de vergoeding van het geroofde was opgelegt en hij reets ten dien eijnde van de noord herwaarts ontboden was. Dat voorts een gezegelde ordre aan mij zoude worden bezorgt om door de voormelde Jennangs hun agterstal te doen betaelen. Tegen den middag kwam den tolk Passeere uijt naam van zijn Hoog„ „heijt acces versoeken voor de Madanrang en eenige verdere grooten tegens over morgen dat ik hebbe g'accordeerd: Zaturdag „ 21=e De Bonijs Madanrang, nevens de Tomilalang Arouoedjong, Arou Mampoe, Arou Tanette en de Soelewattang en glarrang van Bon„ „tualacq tegen half tien uuren verscheenen zijnde, zo gaven zij te ken„ „nen bij hun voorig besluijt te zijn blijven persisteeren, om den koning met de Samparadjaija na de binnen Landen te brengen, voor reeden geevende dat den oorlog alhier g'eijndigt zoude zijn dog dat zij, ver„ „mits ik tegen dat voorneemen hadde doen protesteeren en verklaaren, alle de quaede gevolgen welke uijt dat vertrek mogten ontstaan voor hunne reekening te laeten, zij versogten dat de vriendschap tusschen de Compagnie en Bonij zodanig mogte blijven Continueeren als z ten tijde van wijlen de Heer Speelman /:G:G:/ en tot nu toe ge„ D „weest was. Vrijdag den 20=e viel niets bijsonders voor waar disc
English
210 Monday Authorization for the election of a Regent of glissong Discussion with the mother of the king of Bonij Report that sankilang had wanted to attack Boelecomba Whereupon I answered that it was still far from the case that the War would be ended, so I gave them to understand that I remained fully adhering to everything that I had caused to be presented to his Highness and the Grandees of the Realm with regard to this point, and on that ground wanted to expect that they would yet abandon their resolution; but the Madanrang having declared hereupon that his Highness absolutely needed to go to the inland territories on account of the Rebel Sankilang being located there, who, he also said, had already persuaded the peoples of Touroengang, kieras, and Manipi to conspire with him, and to that end he had also already sent an emissary to those of Boelo Boelo, while he had in the meantime married a daughter of Arou Touroengang; so I replied thereto that these could not be the reasons for the intended departure, since they had decided upon it more than fourteen days ago and that news was received here barely two or three days ago; with more other arguments that made them easily understand that they would not obtain my permission, which then also made them take their leave, after I had charged them to present once again to the king that the particular esteem and affection for his person were the principal, if not the only reasons that I sought to induce him to remain here, and that I otherwise would not oppose the execution of his intention at all, indeed would not meddle in the matter in the least, and that I therefore could not expect otherwise than that he would be willing to follow my salutary advice and admonition. Sunday the 22nd, nothing of importance occurred. Monday the 23rd, pursuant to the petition made to that end by the Glarrangs of Glissong, Aijing, and Popo, I authorized them, alongside the elders of the Land, to elect a Craeng of Glssong instead of the deceased one, who during the conquest of goa was wounded by a musket shot and died. Tuesday the 24th, the Mother of the King of Bonij, Daeng Matana, on the occasion of a visit paid to my wife, having requested to speak with me, she gave to understand that his Highness had abandoned his intended departure to the inland Territories; but would request of me to go stay for some time at Maros, since his house at oedjong Fana was uninhabitable. 423 Whereupon, having engaged in conversation with her about various matters, I charged her to assure his Highness that nothing other than the well-being of his person and family had moved me to advise him against the said journey; giving her also to understand in clear terms how the conduct of most, if not all, the Grandees of the Realm clearly showed that they could have had no good intentions by inciting the prince to remove himself from here, and no less that they were also completely unfavorably disposed toward the Company, having not only shown us not the least assistance during the war with the Macassars, but even maintained good intelligence with the enemy, to such an extent that from all the Bonij Bentings entrances to goa were discovered and the powder that had been supplied to them was still found upon the conquest of that place, along with many other circumstances besides, and among others how, since the death of Matinroari Malimoengang, the last deceased king, I had not been consulted on any matters whatsoever, whereas that prince had consulted with the respective Lord Governors on all occurrences of importance, even though concerning only the Kingdom of Bonij; all of which she declared she would communicate to her son, while she further requested that some paddy fields that were previously worked by the peoples of Takalara might be restored to them again. Whereupon I promised her that I would have an inquiry made. Furthermore, it was reported to me by a confidant that the chief Rebel Sankilang was supposedly intending to depart from Manipi to Boelecomba in order to attack the post there and subsequently that of Bonthain, but that the passage thither [illegible] by Arou Salatoengang and the Tellong Limpoe-E.
Dutch transcription
210 Maandag qualificatie tot verkiesing van een Regent van glissong discours met de moeder van den Waar op ik gediend hebbende, dat het er nog verre van daan was dat de Oorlog g'eijndigt zoude weesen, zo gaf ik hun te kennen, dat ik mij vol„ „komen bleef houden aan alle het geene ik zijn Hoogheijd en de Rijks„ „grooten met opzigt tot dit poinct hadde laeten voorhouden, en uijt dien hoofde verwagten wilde dat zij als nog van hun besluijt zouden, afsien, dog den Madanrang hier op betuijgd hebbende dat zijn Hoogheijd volstrekt na de binnen landen diende te gaan uijt hoof„ „de den Rebel Sankilang zig aldaar zoude bevinden, die hij tef„ „fens zeijde: dat reets de volkeren van Touroengang, kieras en Manipi hadde overgehaald om met hem te saemen te spannen, en hij ten dien eijnde ook reets een sendeling aan die van Boelo Boelo hadde gezonden, terwijl hij inmiddens met een dogter van Arou Touroengang getrouwd was, zo repliceerde ik daar op dat dit de redenen van het voorgenomen vertrek niet konden zijn, ver„ „mits zij daar toe voor ruijm veertien dagen beslooten hadden en die tijdingen naauwlijks twee â drie dagen geleeden hier ontfangen waa„ „ren; met meer andere argumenten die hun ligt deeden begrijpen dat zij mijne toestemming niet verwerven zoude, het geen haar dan ook deed afscheijd neemen, na dat ik hun inmandatis gegeeven hadde den koning nogmaals voor te houden dat de sonderlinge agting en genegentheijd voor zijn persoon de voornaamste zo niet de eenigste redenen waaren, dat ik hem zogt te beweegen om hier te blijven en ik mij andersints in het geheel niet tegen d' uijtvoering van zijn voorneemen kanten, Ja zelfs met de zaak in 't minste niet bemoeij„ „en zoude en dat ik overzulks niet anders verwagten konde of hij zoude mijn heijlzaeme raad en vermaaning wel willen nakomen. Zondag den 22=e js niets van belang gepasseerd „ 23=e Conform de ten dien eijnde gedaene instantie door de Glarrangs van Glissong, Aijing en Popo, hebbe ik hun gequalificeerd, om nevens d'oudste des Lands, een Craeng van Glssong te verkiesen in steede van den overleedenen, die bij het veroveren van goa door een snap„ „haan schoot gequest en gestorven is. Dingsdag den 24=e De Moeder van de Koning van Bonij Daeng Matana, ter gelegentheijd van eene gedaane visite aan mijn huijsvrouw, mij 423 koning van Bonij berigt dat sankilang Boe„ „lecomba had willen attac„ „queeren. mij verzogt hebbende te mogen spreeken, zo gaf zij te kennen dat zijn Hoogheijd van desselfs voorgenomen vertrek na de binnen Lan„ „den hadde afgezien; dog mij versoeken zoude om voor eenigen tijd op Maros te gaan logeeren, vermits desselfs huijs op oedjong Fana onbewoonbaar was. waar na ik met haar ingesprek geraakt over deese en geene zaeken, haar inmandatis gaf zijn Hoogheijd te verseekeren, dat niets dan het welsijn van zijn persoon en famille mij bewoogen had om hem de gezegde reijse af te raeden; haar teffens in duijdelijke termen te verstaan geevende hoe het gedrag der meeste zo niet alle Rijksgrooten klaar aantoonde dat zij geen goede oogmerken konde gehad hebben, door den vorst aan te zetten om zig van hier te verwijderen en niet minder dat zij ten opzigte van de Comp=e meede maar gantsch niet favora„ „bel gezint waaren, als ons niet alleen geduurende den oorlog met de Macassaeren geen de minste assistentie, beweesen maar zelfs met de vijanden goed verstand gehouden hebbende, in zo verre dat men uijt alle de Bonijse Bentings, toegangen na goa ontdekt en het kruijt dat men aan dezelve verstrekt bij de verovering van die plaats nog gevonden hadde, nevens veel anderen omstandigheden meer en onder anderen hoe ik zedert het overlijden van Matinroari Malimoen„ „gang /:de laatst overleeden koning :/ over geen zaeken hoe genaamt was geconsuleert daar dien vorst over alle voorvallen van aangelegent„ „heijd, schoon ook enkel Bonijs Rijk raekende, met de respective Heeren Gouverneurs hadde geraadpleegd; welk een en ander zij betuijgde aan haar zoon te zullen Communiceeren, terwijl zij voor het overige nog versogt dat eenige padij velden die door de volke„ „ren van Takalara bevoorens bewerkt waaren aan deselve weeder mog„ „te afgestaan worden. waarna ik haar beloofde ondersoek te zul„ „len laeten doen. voorts wierd mij door een vertrouweling gerapporteerd dat den hoofd Rebel Sankilang, voorneemens geweest zoude zijn van Manipi na Boelecomba te vertrecken, ten eijnde de post aldaar en ver„ „volgens die van Bonthain te attacqueeren, dog dat hem de passagie derwaarts door Arou Salatoengang en de Tellong Limpoe-E. zijn Ma di
English
2 stn 425 his encounter with Arou Mampoe. Wednesday the 25th reports concerning Wadjo. discourse with Datoe Soping regarding the condition of Boni. having been cut off from Limpoe, he had returned over the mountains and was currently at Lanna alongside Arou Mampoe, Craing Candjilo, and Craing Sapana, the first of whom he was said to have treated very poorly, holding the whip under his nose and saying to him, "what kind of fellow are you anyway; you are worth nothing, Craeng Biladje was still the only one upon whom one could rely, but he has now been killed." The said messenger also added to have learned that the brother of the Macassar Prince, named Craeng Pattoeng, was married on Lanna to a daughter of Craeng Boelecomba and that he was said to have agreed with Sankilang to take the posts mentioned hereinabove by surprise. Thursday the 26th nothing noteworthy happened. Friday the 27th, in the afternoon, after having requested access beforehand, the Datoe of Soping came to me, indicating after having taken his seat that the Patolaij of Wadjo, equivalent to Regent, having departed some time ago for Passier, had returned from there with a large quantity of war supplies, declaring nevertheless that he did not know the purpose of that supply, but he maintained that it was solely for their own defense. Hereupon entering into discourse with him regarding the intended journey of the King of Boni to the inland regions, about which I informed him at large of the reasons that had moved me to oppose the same, principally with regard to the conduct of the grandees of the realm, he declared that he himself did not know what he had to think of it and still less which of them were to be trusted, though he believed so with respect to the Madanrang, but I gave him to understand that I had no reason to form more favorable thoughts of that grandee of the realm than of many others, but on the contrary had to conclude the opposite from his entire conduct, both during the troubles and already maintained from the beginning of the sovereign's coming to the Crown, seeing that he had not only concealed the known faithless b 9 he shall speak with the king. visit of Craeng Thaing. speaking with her regarding colluding with the Rebels. acts of others from me, but had even taken steps that were not at all praiseworthy, besides that he himself kept the king from paying me a visit although he had promised me to do so, in order to speak with the same according to my desire about many matters of importance, and that for the rest he had never given me notice of any prominent matters, so that I consequently did not receive the slightest report from him regarding the condition of the Rebels, although it was more than too well known to him. All of which having been listened to with attention by the Datoe, while he professed having to agree that the grandees of the realm did not behave themselves toward the Company as was proper and as the duty of friends entailed, he asked whether I could not discover the cause thereof, to which I replied in turn that it must solely be imputed to their indifference to the essential interest of the realm, seeing that none of them aimed at anything other than his own, without even shrinking from the most punishable undertakings for that purpose, and furthermore that they, being either entirely ignorant of or having forgotten the obligation that Boni had to the Company, as having been placed in freedom by the Honorable Company from the most miserable slavery, proudly imagined that they no longer needed the Honorable Company, wherefrom a complete estrangement was consequently to be feared for the future, for which reason I requested him to speak clearly with the king once about all this, which he undertook to do. Saturday the 28th, in the forenoon at nine o'clock, according to access granted thereto yesterday, I received a visit from the Regentess of Thaing, accompanied by her son-in-law the Datoe of Ledeenring, declaring to have come solely to request that one of her close relatives, who at the beginning of the war had fled to the mountains, but had now returned, might again stay at Thaing as before, alongside some others of her subordinates who were likewise still absent in case they might likewise return, to which I replied being willing to permit both, provided that no misuse was made thereof, but that, already having discovered many indubitable proofs that some Rebels as ha 2
Dutch transcription
2 stn 425 zijn recontre met Arou Mampoe. Woensdag den 25=e berigten rakende wadjo. discours met datou soping over de gesteldheijt van Bonij. „Limpoe. E. afgesneeden zijnde, denzelven over het gebergte terug ge„ „komen en thans op Lanna was nevens Arou Mampoe, Craing Candjilo en Craing Sapana welken eersten hij zeer slegt zoude hebben bejegent, door hem, de Carwats onder de neushoudende, toe „te voegen „ wat ben jij er tog voor een; jij bent niets waard, Craeng „Biladje is nog d' eenigste geweest waar op men kon staat mae„ „ken, maar die is nu gesneuveld. Ook voegde gemelde boodschapper 'er bij vernomen te hebben dat de broeder van de Macassaers Prins Craeng: Pattoeng, genaemd, op Lanna getrouwd was met een dogter van Craeng Boelecomba en denzelven met Sankilang zoude hebben afgesproken de posten hier boven gemeld te overrompelen. Donderdag „ 26=e is mits sonderlings gepasseerd. vrijdag „ 27=e kwam des nademiddags na voor af versogt acces bij mij den Datoe van soping, nagenomen zit plaats te kennen geevende dat de Patolaij- E. van wadjo /:zo veel als Rijksbestierder:/ voor eenigen tijd na Passier vertrocken van daar gereverteerd was, met een groote kwantiteijt oorlogs behoeftens, met betuijging nog thans dat hij het oogmerk niet wist van dien aanvoer, maar hij sustineerde dat het enkel was tot eigen defensie Hier op met hem in discours geraakt zijnde over de voorgenomene reijse van den Koning van Benij na de binnen Landen, waar omtrend ik hem in 't breede informeerde van de redenen die mij hadde gemoveert om het zelve tegen te gaan, principaal met opzigt tot het gedrag der Rijksgrooten, zo verklaarde hij zelfs niet te weeten wat hij daar van moeste denken en nog veel minder welke van deselve te vertrouwen waaren, dog dat hij zulks nopens den Madanrang geloofde, dog ik gaf hem te verstaan dat ik geen reden had van dien Rijksgroot favo„ „rabeler gedagten te formeeren dan van veele anderen, maar het tegendeel uijt zijn gantsch gedrag, zo geduurende de troubes als reets van den beginne van 's vorsten komste tot den Croon gehouden, moeste opmaeken, gemerkt hij de bekende trouw„ „loose b 9 hij zal de koning onder„ „houden. visite van Craeng Thaing. haar onderhouden over het heulen met de Rebellen. „loose bedrijven van anderen niet alleen voor mij verborgen gehouden, maar zelfs stappen gedaan hadde die maar gantsch niet prijsselijk waa„ „ren, behalven dat hij zelfs den koning weeder hield om mij een visite te geeven schoon die mij zulks beloofd hadde, om naar mijn verlangen over veele zaeken van belang met den zelven te spreeken en dat hij voor 't overige mij nimmer van eenige voornaeme zaeken hadde doen kennisse geeven invoe„ „gen ik dan ook geen het minste berigt van hem kreeg wegens de gesteld„ „heijd der Rebellen, schoon hem maar meer dan te wel bekend. Alle het welke door den Datou met attentie aangehoord zijnde, terwijl hij betuijgde te moeten toestemmen, dat de Rijksgrooten zig omtrend de Comp=e niet gedroegen zo als het gehoorde en de pligt van vrienden meede bragt, zo vroeg hij of ik de oorsaak daar van niet ontdecken konde op het welke ik weeder diende dat die alleen moest g'imputeerd worden aan hunne onverschilligheijd voor het wesentlijke belang voor het Rijk, gemerkt geen derzelve iets anders dan dat van zijn eigen b'oogde zonder daar toe zelfs de strafbaarste onderneemingen te ontsien en wij„ „ders dat zij of geheel onkundig of vergeeten weesende de verpligting die Bonij aan de Comp=e hadde, als door haar Edele uijt d'elendigste slavernij in vrijheijd gesteld, trotselijk waarden, haar Edele niet meer nodig te hebben, waar uijt over zulks voor het vervolg een geheele verwijdering stond te vreesen, weshalven ik hem versogt den ko„ „ning eens over dit alles duijdelijk t'onderhouden, het welk hij aan„ „nam. Zaturdag den 28=e 's voormiddags ten negen uuren ontfing ik volgens op gisteren daar toe verleend acces, een visite van de Regentinne van Thaing, ver„ „zeld van haar schoonzoon den Datou van Ledeenring, betuijgende eenlijk gekomen te weesen om te versoeken dat een haarer naast be„ „staande, die in 't begin van den oorlog na het gebergte gevlugt, dog thans terug gekomen was, weeder als bevoorens op Thaing ver„ „blijven mogte nevens eenige anderen haerer onderhoorige, die almeede nog absent waaren ingevalle zij insgelijks mogten weeder komen, waar op ik diende het een en ander wel te willen permitteeren mits daar van geen misbruijk wierd gemaakt, dog dat ik reets veele ontwijffelbaere blijken hebbende ontdekt dat sommige Rebellen als ha 2 „
English
212. 427 Her request for some of her subjects. Craeng Patene is with her. She sent to Anabaadjing for her subjects. still continued to come down from the mountains to Thaing in order to provide themselves with victuals, etc., while these were also brought thither by some inhabitants of Thaing, I could not conceal my displeasure about this, nor fail to admonish her to make careful provision against it. And I wished she would take this as a proof of my sincerity and that I had her own well-being in mind, considering that I would otherwise give no notice of it, but would rather make use, when occasion arose, of the means I had at hand immediately to prevent this illicit correspondence. This representation at first seemed not to please her at all, but after I had further demonstrated to her that my intention was not to tell her anything that did not tend to her own good, she promised for the future to issue orders against the arrival of any rebels on Thaing and the transport of provisions by her people. Whereupon she also requested that some of her subjects, who out of fear had fled to the settlements of Malewang, Bonto Maero, and Panjakalang situated in the Company's territory of Poelembankeeng, might be returned to her; whereupon I promised to cause an inquiry to be made once she had furnished me with their names. After she had departed, I gave orders to find out who the near relative was for whom she had requested residence on Thaing, which was reported to me in the evening: being Craeng Passie, alias Patene, who formerly engaged in piracy around Sumbauwa, and probably arrived here with the since fallen Craeng Biladje. Sunday the 29th Craeng Anabadjing informed me that the former Queen of Tello, or Craeng Thaing, had sent to him with a message that she would request me to be allowed to have back her subjects who, according to what was noted under yesterday's date, were residing in the Poelembankeeng district; whereupon I sent word to him that she had indeed done so, but that I would send him further orders regarding the matter. Bonese subjects departed from Sandrabonij. Dispute over fish ponds. Two of the Macassar rebels with Boni. The ordinary envoy Daing Mandjarekie, having departed according to what was noted under the date of the 14th of this month for Sandrabonij with the envoy from Boni, being Soelewattang Matjatje, to demand the aforementioned Bonese subjects from the king and grandees and at the same time to make inquiry concerning the disputed fish ponds, which those of Takalara claim were taken from them by Craeng Taij-ipa; the former, having returned from there this morning, came to report to me that Craeng Sandrabonij, having given permission to Boni's envoy to search for the subjects, all those who were to be found there had departed from there to Takalara. Regarding the ponds, Craeng Taij-ipa had declared that they had always belonged to Sandrabonij, and that the Bonese of Takalara had merely had them on loan from a certain Craeng Banjoeangara until just before the conquest of Goa, when he had reclaimed them; against which it was asserted by Anronggoeroe Takalara that they had belonged under Takalara since the reign of the last deceased King, without any claim ever having been made on them until recently when they were taken away. Furthermore, Daeng Mandjarekie informed me that the Macassar grandees Craeng Bonto Panno, father-in-law of Datou Baringang, together with his son-in-law Craeng Bonto Nompo, had been in the settlement of Takalara and from there, having come hither, had presented themselves to the King of Boni; both having arrived at the first-mentioned place from Bonto Parang, whither the first-named is said to have gone two days before the attack in which Craeng Biladje was killed, to search for his fled subjects, who had nevertheless been scattered on that occasion; from which it may still be noted in passing that he must have been present around there himself at that time. The Datou of Sedeenring subsequently having come to me
Dutch transcription
212. 427 haar versoek om eenige harer onderdanen. Craing Patene is bij zij heeft om haar onder„ „danen bij Anabaadjing als nog bij Continuatie van het gebergte op Shaing kwamen, om zig van vivres, enz: te voorzien; terwijl die ook door sommige Thainders der„ „waarts wierden gebragt, ik mijn misnoegen daar over niet mogte verbergen nog in gebreeke blijven haar te vermaanen om daar tegen zorgvuldige voorsieninge te doen, en ik verwagte wilde dat zij zulks opneemen zoude voor een bewijs van mijne oprechtheijd en dat ik haar eigen wel zijn betragtede, gemerkt ik andersints daar van geen opening geeven maar bij gelegentheijd liever gebruijk zoude maeken van de middelen die ik bij der hand hadde om die onge„ „oorloofde Correspondentie daedelijk te beletten. deese voorstelling scheen haar in 't eerst maar gantsch niet te behaegen, dog nadat ik haar nader hadde gedemonstreerd dat mijne intentie niet was haar iets te zeggen dat niet tot haar eigen best strekte, zo be„ „loofde zij voor het vervolg, tegen de komst van eenige Rebellen op Thaing en het vervoeren van leevensmiddelen door de haare, te zullen ordre stellen. waar op zij ook nog versogt om eenige van haar onderdaanen, die uijt vreese, naar de negorijen Malewang, Bonto Maero en Panja„ „kalang in 's Comp„s gebied Poelembankeeng geleegen gevlugt waren weeder te rug gegeeven mogten worden waar na ik beloofde onder„ „soek te zullen laeten doen, als zij mij derselver naamen zoude hebben opgegeeven. Na dat zij vertrocken was, gaf ik ordre om uijt te vorschen wie de naast„ „bestaande was, voor wien zij verblijf op Thaing versogt hadde, het geen mij des avonds berigt wierd: Craeng Passie /:alias:/ Patene te wesen die zig voor deezen met den zee-roof omtrend sumbauwa heeft opgehouden, en denkelijk met den zedert gesneuvelden Cra„ „eng Biladje, herwaarts is gekomen. Zondag den 29=e Liet Craeng Anabadjing mij weeten dat de geweesene konin„ ƒ „ginne van Tello of wel Craeng Thaing bij hem gezonden hadde, S 76 met een boodschap, dat zij mij versoeken zoude haar onderdaanen, die zig na het genoteerde sub dato gisteren in het Poelembankeeng„ „se onthielden te rug te mogen hebben; waar op ik hem hebbe lae„ „ten zeggen dat zij zulks ook gedaan hadde, dog dat ik hem daar . . .. 1 haar aar gezonden. its 1 V . Bonijse onderdanen van sandrabonij vertrocken. questie over vis rijvers. twee van de macassaarse rebellen bij Bonij daar omtrend nader ordre zoude laeten toekomen. Den ordinair sendeling Daing Mandjarekie, met die van Bonij zijnde soelewattang Matjatje, ingevolge het genoteerde sub dato 14=e deeser na Sandrabonij vertrocken om de bewuste Bonijse onder„ „daanen van de koning en Rijksgrooten af te vorderen en teffens ondersoek te doen, nopens de questieuse visvijvers, welke die van Takalara voorgeeven dat hun door Craeng Taij-ipa waaren afgenomen, zo kwam den eersten, als deesen morgen van daar geretourneert, mij berigten dat Craing sandrabonij aan Bonijs sendeling permissie gegeeven hebbende om na de onderdaanen onder„ „soek te doen, alle de geene die aldaar te vinden waaren geweest van daar na Takalara vertrocken waaren. Nopens de vijvers hadde Craeng Taij-ipa verklaard, dat deselve altoos aan Sandrabonij gehoord, en de Boniers van Takalara z' enkel ter leen gehad hadden, van eenen Craeng Banjoeangara tot even voor de verovering van Goa; wanneer hij z:' weeder genaast hadde; waar en tegen door Anronggoeroe Takalara wierd voor„ „gewend dat z' onder Takalara hadden gesorteerd zedert de Re„ „geering van de laast overleeden Koning, sonder dat 'er immer pretensie opgemaakt was, dan nu Jongst dat z' weggenomen waaren. voorts wist Daeng Mandjarekie mij te zeggen dat de Macassaarse grooten Craeng Bonto Panno /:schoonvader van Datou Barin„ „gang :/ nevens zijn schoon zoon Craeng Bonto Nompo, in de ne„ „gorij Takalara geweest en van daar herwaarts gekomen, zig bij den Koning van Bonij vervoegd hadden, zijnde beide ter eerst gemelde plaats aangekomen van Bonto Parang werwaarts den eerstgemelde E zig vervoegd zoude hebben twee dagen voor d' attacque in welke Craeng Biladje gesneuveld is, om zijn gevlugte onderdaanen op te zoeken, die egter bij die gelegentheijd verstrooijt waaren ge„ „raakt; waar uijt nog thans in 't voorbij gaan aan te merken valt; dat hij daar omtrend doenmaals zelfs moet present geweest zijn. Den Datou van Sedeenring vervolgens bij mij gekomen zijnde
English
Craeng Thaing has forbidden colluding with the rebels. Retinue of Bonto Panno arrived at Thaing. Boni's King will not go to the interior. Further report that two Macassar rebels are with Boni, with a report that Craeng Thaing, yesterday upon her return there, had strictly forbidden all her subjects from having any correspondence with the rebels, on pain of rampassen, that is to say of being deprived of all their goods. I thus thanked him for that communication, and on his further intimation that he, as well as his mother-in-law, were pleased with the admonition I gave her yesterday, I further showed him how I had thereby wished to give proof of my sincere intentions toward her, and that I would demonstrate this further if she continued to heed the same. Furthermore, he attested that four men from the retinue of Craeng Bonto Panno had arrived at Thaing, whom he had ordered to remain there until further notice, requesting to know how to deal with them; whereupon I requested him, if possible, to have them arrested and delivered to me. Monday the 30th, in the forenoon, the King of Boni made known through the interpreter that, in view of my admonition against it, he had abandoned his intended journey to the interior, but intended to go to Maros for some time, while he had departed this morning for Tello to visit the graves of his ancestors; for which communication I extended thanks in appropriate terms, while I further instructed the interpreter to inform His Highness that, having received word this morning that the few houses in his former benting near Goa had been burned down by our men without my orders, I had severely reprimanded the officer on whose order this had occurred, and that I did not doubt His Highness would be satisfied with this. After this, Datou Sedeenring came to me again, communicating that the Macassar Craengs Bonto Panno and Bonto Nompo are currently at the court of Boni, and that the four subjects of the former, mentioned under yesterday's date, had already fled from Thaing before the order given by him to detain them had been executed; for which first-mentioned communication I thanked him. Communication to Boni regarding his subjects in Sandraboni, etc. One of the Macassar grandees taken under protection by Boni. Satisfaction demanded once more regarding the robbery from a Chinese. In the meantime, I sent the ordinary envoy Daeng Mandjarekie to the King of Boni to report to him, regarding his subjects and the disputed fishponds at Takalara, concerning his findings mentioned under yesterday's date, for which the ruler sent me his thanks. Tuesday the 1st of December, the glarrang of Bontuala appeared before me in the morning on behalf of the King of Boni, making known how the Macassar prince Craeng Bonto Nompo, in accordance with his request, had been accepted in submission by His Highness, after he had solemnly promised to comply with the desires of the Company and Boni. When I thereupon asked why a similar message had not been sent regarding Craeng Bonto Panno, since he had already long been with Datou Baringang, to which the glarrang served that he only had orders concerning Craeng Bonto Nompo, I instructed him to show the King how the admission of either of them was entirely contrary to and incompatible with the friendship existing between the Company and Boni; but that I would let the promise made to the former pass, or at least leave it for what it was, in the expectation that His Highness would take no others, whosoever they might be, under his protection; ordering all those who might address themselves to him for that purpose to be told that one could not deal with separate individuals, but was indeed inclined to renew the peace if they all came together, or those who constituted the lawful Macassar government. The glarrang, having thereupon testified that he had indeed expected this answer but had not dared to make it known to the King, promised to make a proper report to His Highness, with the further announcement that he was due to depart for Maros this very day. In consequence of which last report, I sent the bookkeeper Deefhout to His Highness to remind him of the promised satisfaction to the Chinese Tio Lianko, and an order to the jennangs of Ladjaija and Boea for the settlement of their debts.
Dutch transcription
213 429 Craeng Thaing heeft het heulen met de Rebellen verboden: gevolg van Bonto Panno op Thaing gekomen. Bonijs Koning sal niet na de binnen landen gaan. nader berigt dat twee ma„ „cassaarse rebellen bij Bonij zijnde met berigt dat Craeng Thaing, op gisteren, bij haar terug komst aldaar aan alle haare onderdaenen op het scherpste alle Corresponden„ „tie met de Rebellen hadden doen verbieden op peene van rampassen dat is van alle haare goederen beroofd te worden, zo hebbe ik hem voor die Communicatie bedankt en hem voorts op zijne verdere te kennen gave dat hij, zo wel als zijn schoonmoeder, verblijd waaren over de vermaaning die ik haar gisteren hadde gedaan, nader vertoond hoe ik daar door een blijk hadde willen geeven dat ik het met haar opregt meende in dat ik zulks ook verder toonen zoude, als zij na dezelve bleef luijsteren. wijders betuijgde hij nog dat vier man van het gevolg van Craeng Bonto Panno op Thaing waaren gekomen, die hij hadde doen aan„ „zeggen om tot nader ordre daar te blijven, met versoek om te weeten hoedanig met deselve te handelen; op het welke ik hem hebbe ver„ „zogt om z' des mogelijk te doen opligten en aan mij over te geeven. Maandag den 30=e 's voormiddags liet den koning van Bonij door den Tolk weeten dat hij van zijn voorgenomene reijse na de binnen Landen, mits mijne daar tegen gedaene vermaening, afgesien dog voorgenomen hadde voor eenigen tijd na Maros te gaan, terwijl hij deesen morgen na Tello 6 was vertrocken om de grafsleeden zijner voor ouders te bezoeken; voor welke Communicatie ik ingepaste termen hebbe doen bedanken, Terwijl ik voorts aan de Tolk last gaf zijn Hoogheijd te verwit„ „tigen hoe ik deesen morgen tijding gekreegen hebbende dat de weij„ „nige huijsingen in zijne geweesen Benting omtrend Goa, door ons volk, buijten mijn ordre afgebrand was, ik den officier op wiens bevel zulks waare geschied een ernstige reproche hadde gegeeven en dat ik niet twijffelde of zijn Hoogheijd zoude daar in genoegen neemen. Hier na kwam Datou sedeenring weeder bij mij Communiceerende dat de Macassaarse Craengs Bonto Panno en Bonto Nompo zig thans aan het hof van Bonij bevonden en dat de vier onderdaa„ „nen van de eerstgemelde vermeld onder gisteren van Thaing reets gevlugt waaren, eer de door hem gegeeven ordre om haar aan te Ct houden uijtgevoerd was, voor welke eerst gem: Communicatie ik hem zijn. Communicatie aan Bonij wegens zijne onderdanen in sandrabonij enz: Een der macassaarse groten in protectie genomen bij bonij. nog maal voldoening gevor„ „dert over den roof bij een Chinees. ik hem hebbe bedankt. Jntusschen dat ik den ordinaire sendeling Daeng Mandjarekie aan den Koning van Bonij gezonden hebbe om hem, nopens zijne onderdaanen en de questieuse visvijvers op Takalara rapport te doen van zijne bevinding vermeld onder dato gisteren, waar voor den vorst mij liet bedanken. Dingsdag den 1=e December verscheen des morgens bij mij den glarrang van Bontuala, uijt naam van den Koning van Bonij, te kennen geevende hoe den Macassaars Prins Craeng Bonto Nompo, Conform zijn versoek door zijn Hoogheijd in submissie was g'accepteerd, na dat hij heijliglijk beloofd hadde 's Comp„s en Bonijs begeerte te zullen opvolgen, na dat hier op had gevraagd waar om voor Cra„ „eng Bonto Panno niet een gelijke boodschap wierd gedaan, daar hij dog reets lange bij Datou Baringang was geweest, op het welk den glarrang diende alleen ordre omtrend Craeng Bonto Nom„ „po te hebben; zo gaf ik hem last aan den koning te vertoonen hoe d' admissie van d' een en andere volstrekt strijdig en onbestaan„ „baar was met de vriendschap tusschen de Comp=e en Bonij sub„ „sisteerende, dog dat ik de toesegging aan den eersten wel passeeren, immers laeten zoude voor het geene z' was, in die verwagting dat zijn Hoogheijd geene anderen hoe genaamt in protectie neemen zoude; alle de geene die zig ten dien eijnde bij hem addresseiren mogte doende aanzeggen dat men met geene bijsondere persoonen han„ „delen konde, maar wel genegen was, om, wanneer zo alle te gelijk kwamen, of wel de geene die de wettige Macassaerse Regeering uijtmaakten, den vreede te vernieuwen; den Glarrang hier op be„ „tuijgd hebbende dat hij dit antwoord wel verwagt dog het selve den koning niet hadde durven te kennen geeven, beloofde aan zijnig Hoogheijd behoorlijk rapport te zullen doen onder verdere te ken„ „nen gave; dat den zelven nog heden na Maros stond te vertrec„ „ken. Mits welk laatste berigt ik den boekhouder Deefhout bij zijn Hoogheijd hebbende gezonden om hem te herinneren de toegezegde voldoening aan den Chinees Tio Lianko en een ordre op de Jennangs van Ladjaija en Boea tot voldoening van hunne ge de
English
214. 431 Further message concerning the protection granted by Bonij to a Macassar; conversation with Soping about establishing a post at Soreang; the Mandharese strengthen themselves against Bonij. their debt in paddy, he sent word to me regarding the first that he urged the Tomilalang, whom it concerned, daily to attend to it, and regarding the other, as it had slipped his mind, he would attend to it at the earliest opportunity. After this, the interpreter Passeere came to me on behalf of the Madanrang with a message stating that Craeng Bonto Nompo had only been accepted by the Boniers to show the other refugees that no harm was done to him and thus to encourage them likewise to come into submission; whereupon I served him notice that I had already communicated my answer on that matter to the King through Glarrang Bontualacq. In the afternoon, after having previously requested access, I received a visit from Datou Soping, who made known that he had learned that the Boniers sought to persuade the peoples of Sawito, Bojo, and others, belonging under Adja Tamparang, to submit themselves under Soupa; but that these, not inclined to do so, had declared they would rather join with Wadjo, and that he, in case the latter should happen, thought that the Company could, with a prospect of advantage, establish a post on Zeera, situated in the bay of Soreang; but I pointed out to him that the Bonij magnates and also the petty princes themselves, through their doing, could not be moved to that, and it would therefore be very dangerous to broach such a thing, detailing extensively the multitude of proofs of faithlessness which they had shown since the accession of the present king to the throne, and that on that account one could expect nothing but disadvantageous consequences. He then said he had learned that the Mandharese, having been threatened by the Boniers with an attack in their country, had strengthened themselves, declaring that they were now awaiting what Bonij would do, concerning which he at the same time testified to be of my opinion that the Bonier, without the Company's assistance, was as powerless as they lacked the courage to undertake such a thing. Having furthermore spoken with him about various other matters, not necessary to be noted down in this, he requested his leave and departed. Subjects of Thaeng returned. Datoe Soping is about to depart. Arou Kaijoe promises, if possible, to apprehend Sankilang. Wednesday the 2nd. In the morning Craeng Thaeng let me know that about seventy of her subjects had returned yesterday from the Pamenjeang mountains, whither they had gradually taken flight some time ago. Furthermore, an envoy from Datou Soping came to inform me that his master intended to depart for some time to Lampoko. That Arou Tonra had deprived him of the only income he had still been accustomed to enjoy here from the bazaar, and at the same time also his paddy fields at Balotje, just as Magoesila or the king of Tanette had also taken those situated at Kekeang; to which that servant added that the Soping standard of state, named Backa, would nevertheless remain here as long as that of Bonij, to all of which I only had replied that I thanked his master for the information. In the evening at eight o'clock, the Bonij prince Aroukaijoe came to me in secret, who had already some time ago made known his inclination to do so through a confidant, in order to speak with me about the rebel Sankilang; so that, after some indifferent discourse, I brought the subject to that chapter, and having learned from him, in agreement with other reports, that this vagabond had fallen into discord with the other heads of the rebels, and in particular Arou Mampoe and the Craengs Candjilo and Iapana, he testified in the most solemn manner to be willing to do his best to apprehend the same, assuring his fidelity to the Company in this; in proof of which he adduced that otherwise he would not have left his wife Arou Theeko at Boelecomba, nor would he have refused the request likewise made to him by Arou Palacca to recognize Sankilang also as Batara Goa; which offer having been accepted by me with an added promise of two thousand Spanish reals if he should deliver the oft-mentioned rebel to the Company, and that Their High Excellencies would moreover surely
Dutch transcription
214. 431 nader boodschap wegens de protectie bij bonij aan een macassaar verleend: gesprek met soping over„ het leggen van een Post. te Toreang. de mandhareesen versterken zig tegen Bonij. hunne schuld aan padij; Liet hij mij omtrend het eerste zeggen den Tomilalang, die zulks aanging dagelijks aan te spooren, in het andere als hem ontschooten weesende, ten eersten te zullen Hier na kwam den Tolk Passeere nog bij mij uijt naam van den Madanrang met een boodschap houdende dat Craeng Bonto Nompo: bij de Boniers eenlijk g'accepteerd was, om d' andere uijt„ „geweekenen te doen zien, dat hem geen leed wierd aangedaen en hen dus t' animeeren om insgelijks in submissie te komen; waar op ik diende over die zaak mijn antwoord reets door glarrang Bontualacq aan den Koning te hebben laeten weeten. Des nademiddag, kreeg ik na voor af versogt acces, een visite van Datou soping, die te kennen gaf hoe hij vernomen hadde dat de Boniers de vol„ „keren van Sawito, Bojo en anderen, onder Adja Tamparang gehoo„ „rende, zogten over te haelen om zig onder soupa te begeeven; dog dat deese daar toe niet genegen, verklaard hadden zig liever bij wadjo te willen vervoegen en dat hij, ingevalle het laatste geschieden mogte, vermeende dat de Comp=e met uijtzigt van voordeel een post op Zeera, in de bogt van Soreang gelegen, zoude kunnen extrueeren, dog ik vertoonde hem dat de Bonijse Rijksgrooten en ook de vorstjes zelfs, door haar toedoen, daar toe niet te beweegen waaren en het dier„ „halven zeer gevaarlijk zoude zijn om zulks t' entameeren; onder een breed detail van de meenigte blijken van trouwloosheijd die zij, zedert de komst van den tegenwoordige koning tot den troon, betoond hadden, en dat men uijt dien hoofde niet dan nadeelige gevolgen zoude te wagten hebben. vervolgens zeijde hij vernomen te hebben dat de Mandhaeren, door de Boniers: zijnde bedreijgd met een attacque in haar land, zig versterkt hadden; onder verklaaring dat z' nu waaren afwagtende wat Bonij doen zoude, waar omtrend hij teffens betuijgde van mijn gevoelen te weezen dat de Bonier sonder 'sComp„s assistentie zo wel on„ „vermogende waeren als zij de Couragie hadden zulks t' onder„ „neemen. Met den zelven wijders nog over diverse andere zae, „ken gesproken hebbende, niet nodig om in deesen te worden aange„ besorgen. „teekend. . onderdaene van Thaing terug gekomen. Datoe soping staat te vertrecken. Arou Kaijoe belooft des. doenlijk Tankibang op te ligten. „teekend, zo versogt hij zijn afscheijd: en vertrok woensdag den 2=e Des voor de middags liet Craeng Thaeng mij weeten dat in de seven„ „tig van haar onderhoorige op gisteren uijt het gebergte Pamenjeang, waaren terug gekomen, werwaarts zij voor eenige tijd successive de vlugd genomen hadden. Tvoorts kwam een sendeling van Datou soping mij bekend maeken dat zijn meester voorneemens was voor eenigen tijd na Lampoko te ver„ „trecken. Dat Arou Tonra hem ontnomen hadde de eenigste Jn„ „komsten die hij gewoon was geweest hier nog te genieten van de bazaar en teffens ook zijn padij velden te Balotje, gelijk Magoesila of den koning van Tanette ook die te kekeang gelegen; waar bij dien bediende voegde dat de Sopingse Sandaart van staat, ge„ „naamt Backa, hier egter zo lang zoude blijven als die van Bonij, op al het welke ik eenlijk hebbe laeten antwoorden dat ik zijn meester voor het gecommuniceerde liet bedanken. Des avonds ten agt uuren kwam in stille bij mij den Bonijs prins Aroukaijoe, die al voor eenigen tijd door een vertrouwde zijn ge„ „negentheijd daar toe hadde te kennen gegeeven, ten eijnde mij te spreeken over den Rebel Sankilang invoegen ik het dan na een onverschillig discours op dat Chapiter gebragt en van hem over een komstig andere berigten vernomen hebbende, dat dien vagabond met de andere hoofden der Rebellen en wel inson„ „derheijd Arou Mampoe en de Craengs Candjilo en Iapana in on-eenigheijd was geraakt, zo betuijgde hij op d' allerplegtig„ „ste wijse wel zijn best te willen doen om den zelven op te ligten, onder verseekering van zijn getrouwheijd voor de Comp=e in dee„ „sen; ten bewijse, van het welke hij bij bragt dat hij zijn vrouw Arou Theeko, anders niet op Boelecomba zoude gelaeten nog ook afgeslaegen hebben het aansoek door Arou Palacca aan hem insgelijks gedaan, om Sankilang meede voor Ba„ „tara Goa t' erkennen; welke aanbieding door mij g'accepteerd weesende met een bijgevoegde belofte van Twee duijsend spaanse reaelen, als hij den meermelde Rebel aan de Comp:e kwam over te leveren en dat Haar Hoog Edelhedens hem daar en boven nog wel
English
Thursday the 3rd. Order from the King of Bonij for the settlement of a parcel of rice. A new Craeng of Glissong appointed. Report that Arou Palacca wishes to seek protection with Bonij. would indeed show a proof of gratitude; he thus requested that I might secretly solicit permission for him from the King of Bonij to proceed to Boelecomba, where he would have the best opportunity to lure the Rebel to himself, and then at the same time to inform the Resident of the intention, as well as to give orders to provide assistance for its execution if necessary; all of which was promised by me, after I, in order to arouse him all the more to faithfulness in this matter, had given him to understand that then the entire Macassar Empire might easily come to peace again with the Company, adding that the interest of the currently scattered grandees itself dictated that they separate themselves from him, to which they had every right on account of his deceitful pretenses, since he had thereby brought about the misfortune of them all and that of the common people; which he not only affirmed to be the truth, but that, in his opinion, the objective of the Macassars essentially tended toward making friendship with the Company once again. The Bonij Interpreter Passeere brought me in the name of the King a sealed document containing an order to the Jennang of Boelecomba to cause those of Boea and Lajaija to pay their debt of 1086 gantings of Rice; the same also made known: that the Madanrang had come up here to fetch the Samparadjaija, in order to bring it to Maros. Furthermore, it was reported to me that those of Glissong had chosen as their Craeng, in place of the deceased, his brother Daing Madjandjie, with a request for approval, which I promised once they shall have come hither together for that purpose. I also received a report through a confidant that Arou Palacca was said to have asked the Macassar grandees present with her who was currently the closest and most legitimate to the Goan crown, and having been answered by them that it was the current wife of Datou Baringang, named Craeng Bonto Songo, being a sister of Craeng Limbang Parang, she had subsequently expressed her wish requested to go to Boelecomba. Saturday the 5th. Arou Palacca had also incited Arou Mampoe to seek protection with Bonij. Utterance of Craeng Bellasarie concerning Sankilang. Monday. Message from Soping regarding the Bonij state standard. Tuesday the 8th. to place herself under the protection of Bonij. Friday the 4th. I sent the ordinary emissary Daeng Mandjareki to Maros, to request the King—under the quasi-pretense of the reports received by the Resident that the Rebel Sankilang was to proceed to Boelecomba—to permit the Bonij Prince Arou Kaijoe, for our assistance, likewise to depart thither; with further orders to the same to make a careful inquiry into what is being conducted by the state grandees at Maros. It was reported to me by a confidant that Arou Palacca was said to have urged her grandson Arou Mampoe to request protection from the Court of Bonij, and therefore to repair thither, and that she, once he had obtained it, would do likewise. That Craeng Bellasarie, being the mother of Arou Mampoe, expressed herself in very contemptuous terms regarding Sankilang, and among other things, after the latest engagement in which Craeng Biladje was killed, was said to have said: "What shall we begin now! Through that deceiver, whom nobody knows who he is, we have all fallen into distress; but what shall I say! Our queen has recognized him as her grandson, and I have had to remain silent." This confidant added that the departure of the King of Bonij, to all appearances, had the objective of being out of sight here and thus being able to deal more freely with the Rebels. The 7th. The Datou of Soping informed me, through an emissary, that the transport from here to Maros of the so-called Samparadjaija, the Bonij standard, appearing suspicious to him as being contrary to custom, he intended to pay a visit to the King there in order to inquire into the reason for that transport, and that he would give me further report concerning it, as I also have had him requested to do. Sunday the 6th. Nothing occurred. Wednesday the 9th. Nothing occurred. Thursday
Dutch transcription
215. 433 Donderdag den 3=e ordre van Bonijs Koning tot voldoening van een par„ „thij rijst. een nieuwen Craeng glis„ „song benoemt. berigt dat Arou Palacca bij Bonij protectie wil versoeken. wel een bewijs van erkentelijk zoude toonen; zo versogt hij dat ik bij den Koning van Bonij in stilte voor hem permissie mogte besolliciteeren om zig na Boelecomba te begeeven alwaar hij best geleegentheijd zoude hebben, den Rebel bij zig te locken en om als dan teffens den Resident van het voorneemen te verwittigen, mitsgaders ordre te geeven om des noods tot dies uijtvoering assistentie te bieden al het welke door mij toegesegt is, na dat ik, om hem te meer tot getrouwheijd in deesen op te wecken, te verstaan gegeeven hadde dat als dan het gantsche Macassaarsche Rijk ligtelijk weeder met de Comp=e in vreede zoude kunnen geraeken, onder bijvoeging dat het interest van de thans verstroijde grooten zelfs meede bragt dat zij zig van hem separeeren, waartoe zij uijt hoofde van zijn bedriege„ „lijke voorgeevens volkomen regt hadden, dewijl hij daar door hun aller ongeluk en dat van het gemeen hadde bewerkt, 't geen hij niet alleen betuijgde de waarheijd te zijn, maar dat, na zijn 's bedun„ „kens, het oogmerk der Macassaeren weesentlijk daar heen strek„ „te om met de Comp=e weeder vriendschap te maeken. Den Bonijs Tolk Passeere mij uijt naam van den koning een gezegeld geschrift gebragt, houdende ordre aan den Jennang van Boelecomba om die van Boea en Lajaija als nog te doen be„ „taelen hun schuld van 1086. gantings Rijst, zo gaf denzelven teffens te kennen: dat den Madanrang hier was opgekomen, ter afhaal van de Samparadjaija, ten einde deselve na Maros te brengen. voorts wierd mij gerapporteerd dat die van Glissong tot hun Craeng in steede van den overleedenen verkooren hadde desselfs broeder Da„ „ing Madjandjie met versoek om approbatie dat ik toegezegt hebbe als zij daar toe gezamentlijk herwaarts zullen zijn gekomen: ook ontfing ik door een vertrouwde nog berigt dat Arou Palacca aan de bij haar zijnde Macassaerse grooten gevraagd zoude hebben wie thans de naaste en gewettigst was tot de goase kroon en daar op door deselve gediend zijnde de tegenwoordige vrouw van Datou Ba„ „ringang, genaamt Craeng Bonto Songo, zijnde een zuster van Craeng Limbang Parang, zij vervolgens hadde betuijgd zig versogt om na Boelecomba te gaan. Zaturdag den 5=e Arou Palacca had ook Arou Mampoe aangezet om pro„ „tectie te vragen bij Bonij uijtlating van Craeng Bel„ „lasarie over Sankilang. Maandag boodschap van Soping omtrend de Bonijse rijks„ slandaart. Dingsdag den 8=e zig bij Bonij in protectie te willen begeeven. Vrijdag den 4=e Hebbe ik den ordinair sendeling Daeng Mandjareki na Maros permissie voor Aroe kaijoe gezonden, om den koning onder voorgeeven kwasie van de door den Resident ontfangene berigten dat den Rebel Sankilang zig na Boelecomba zoude begeeven, te versoeken om den Bonijs Prins Arou Kaijoe te permitteeren, ter onser assistentie, insge„ „lijks derwaarts te vertrecken; met verder bevel aan den zelven om zorgvuldig ondersoek te doen na het geene 'er door de Rijks„ „grooten op Maros word verrigt. wierd mij door een vertrouwde berigt dat Arou Palacca haaren kleen zoon Arou Mampoe zoude hebben aangemaand om bij het Hof van Bonij protectie te vragen, en zig dierhalven derwaarts te vervoegen, en dat zij, wanneer hij zulks verkreegen hadde, het insge„ „lijks zoude doen. Dat Craeng Bellasarie; zijnde de moeder van Arou Mampoe zig nopens Sankilang, in zeer smadelijke termen uijtgelaeten en onder andere na de laatste actie, waar in Craeng Biladje gesneuveld is, zoude gezegt hebben, „wat zullen wij nu beginnen! door dien bedrieger die men niet weet „wie hij is, zijn wij allen in verdriet geraekt; dog wat zal ik zeggen! „onse koningin heeft hem voor haar kleenzoon erkend en ik hebbe „moeten stilswijgen. Dien vertrouwde voegde 'er bij dat het vertrek van de koning van Bonij na alle apparentie ten doelwit hadde om hier uijt het oog te weesen en met de Rebellen dus te vrijen te kunnen handelen. 7=oe Liet den Datou van Soping mij, door een zendeling, weeten, hoe hem de vervoer van hier na Maros van de So genaamde Sampa„ „radjaija /:Bonijse standaart :/ verdagt voorkomende, als strijdig met het gebruijk, hij van intentie was om een visite aan den koning aldaar te doen, ten eijnde na de reden van dien vervoer te vernee„ „men en dat hij mij daar omtrend nader berigt zoude geeven, gelijk ik hem ook hebbe doen versoeken. Sondag den 6=e niets voorgevallen. Woensdag „ 9=e is niets voorgevallen Donderdag an zee
English
The request of Craeng Thaeng for Macassar villages rejected. Answer to another concerning a certain glarrang. Boni's King will send word regarding Aroukaijoe. Reports concerning the Rebels. Thursday the 10th Various emissaries from the former Regentess of Thaing having come to me, they made known that her subjects from the villages of Bonto Ma Ero and Panjakalang, who had fled to the Company's village of Malewang, had returned; further, making a request in the name of their mistress to also be allowed back the villages of Kapoerirengang, Mangadoe, Bolo, and Pritanij, which are situated north of Ispe Jawa and thus in the district of the Macassars, they alleging that at the time of the deposition of Craeng Madjennang as Regent of Goa these were assigned to the same and had since belonged under or remained with Thaing; but which request I have for the present rejected, pointing out to the emissaries that in the time of Governor Loten a survey of the lands thereabouts had indeed been made, but never a partition of the same, and moreover that as they had recently all been inhabited by the Macassars, by the law of war they now fell to the Company: furthermore they requested to know in the name of their mistress whether she was obliged to ransom a certain Glarrang Batoe, who had been taken prisoner by the Boni Prince Aroukaijoe during the conquest of Goa, or not! To which I served the answer that Arou Kaijoe could rightfully demand such, but that I did not doubt she would be able to come to an agreement with him in that regard. Friday the 11th The Company's emissary Daeng Mandjarekie, sent by me on the 4th instant to the King of Boni at Maros, having returned today, reported to me that His Highness had declared himself unable to believe the reports concerning the alleged claim of Sankilang to depart for Boelecomba, in view of the dissensions arisen among the Rebels; but that His Highness had nonetheless promised regarding Arou Kaijoe to send me further word. Furthermore, this emissary was likewise told by the son of Glarrang Padjarekkang, who together with a glarrang Mangento, who having been with the Rebels were now staying at Tankoeroe, that the same were mostly scattered from one another and that Sankilang therefore had no more men; his force scarcely consisting of two hundred Complaints about the wife of Tosarassa. and Arou Paseempa. hundred heads, all robbers and evil-doers, with whom he had retreated to the southern village of Manoejoe, having abducted the daughter of the Craeng by force; further that the Craengs Pattoe, Bonto Majennang, and Mandalle, the latter disgruntled that he had been dismissed by Sankilang as Tomilalang, had proceeded to the southern mountains, and Aroe Palacca was found with Arou Mampoe and the Craengs Candjilo, Sapana, Manampang, Bongaja, and Baloesan at Borisallo, whose Craeng as well as the mother of Craeng Bellasarie, named Tanasangang, had died there; and that Arou Mampoe was very grievously ill. To this the aforesaid person had further added that Craeng Bellasarie after the conquest of Bonto Bonto, with tears in his eyes, in reference to the great loss suffered by the Macassars on that day, had expressed himself in these words, that all this comes from the fact that Tankilang, who, God knows who he is, pretended to be my son, whom I would never have acknowledged as such were it not that Arou Palacca had said that he was her grandson; so that I had to keep silent, meanwhile so many lands have been ruined and so many Craengs and lesser peoples brought into grief; which saying had also immediately had the consequence that many had abandoned him; who, according to what was also related to Daeng Mandjareki, had departed for Baddoe, not daring to venture further out of fear of the Boniers. Finally, Daeng Mandjareki declared that the Lomo of Maros had complained about the wife of the Boni Prince Tosarassa, who forbade the subjects to work the paddy fields, Glarrang Kanjetongang that he was not able to keep his men in order because they were incited against him by Daeng Siroea, brother of Daeng Mandjaroengie, and Glarrang Kampala likewise that Arou Paseempa forbade his men to obey him; of which the Captain of the Moors would bring me a further report. Saturday the 12th The Captain of the Moors today also returned from Maros
Dutch transcription
216 435 't versoek van Craeng Thaeng om macassaarse negorijen af„ „geweesen. antwoord op een ander rakende zeeker glarrang. Bonij's Koning zal ten op„ „zigte van Aroukaijoe be„ „scheijd zenden. Berigten omtrend de Rebellen. Donderdag den 10=e Diverse sendelingen van de geweesene Regentinne van Thaing bij mij gekomen zijnde zo gaven dezelve te kennen, dat haare onderdaanen van de negorijen Bonto Ma Ero en Panjakalang die na 's Comp„s ne„ „gorij Malewang waeren gevlugt geweest, te rug gekomen waeren; verder uijt naam van haar meesteresse versoek doende om ook te rug te mo„ „gen hebben de negorijen Kapoerirengang, Mangadoe, Bolo en Pritanij, die ten noorden Ispe Jawa en dus in het district van de Macassaeren gelegen, zij voorgeeven dat ten tijde van de afsetting van Craeng Madjennang, als Rijks-bestierder van Goa aan den zelven toege„ „weesen en zedert onder Thaing gezorteerd hadden of verbleeven waa„ „ren; dog welk versoek ik voor eerst van de hand geweesen hebbe, onder voorhouding aan de sendelingen dat 'er ten tijde van de Heer Gouver„ „neur Loten wel een meeting van de landen daar omstreeks dog nimmer een verdeeling van deselve gedaan was, mitsgaders dat ze Jongst alle door de Macassaeren bewoond geweest zijnde, na het regt des oorlogs, thans aan de Comp=e vervallen waaren: voorts verzogten zij nog uijt naam van haar meesteresse te weten of zij gehouden was zeekeren Glarrang Batoe, die door den Boniers Prins Aroukaijoe, bij de verovering van Goa, gevangen was gemaakt, uijt te lossen dan wel niet! waar op ik diende dat Arou Kaijoe zulks met regt konde eijsschen maar dat ik niet twijffelde of zij zoude zig met hem daar omtrend wel kunnen verdragen.. Vrijdag den 11=e 'SCompagnies sendeling Daeng Mandjarekie door mij den 4=e hujus bij den koning van Bonij na Maros gezonden, heden geretourneerd zijnde, rapporteerde hij mij dat zijn Hoogheijd betuijgd hadde de berigten we„ „gens het pretense voorgeeven van Sankilang, om na Boelecomba te vertrecken niet te kunnen gelooven, mits d'oneenigheden onder de Rebellen ontstaan; dog dat zijn Hoogheijd nog thans ten opzigte van Arou Kaijoe beloofd hadde mij nader bescheijd te zullen zenden. Voorts was hem zendeling door de zoon van Glarrang Padjarekkang, die zig met eenen glarrang Mangento, die bij de Rebellen geweest zijnde zig thans op Tankoeroe onthielden insgelijks gezegt dat dezelve meest van elkander verstrooijt waaren en dat Sankilang dus geen volk meer had; als bestaande zijne magt naauwlijks in twee honderd klagten over de vrouw van Tosarassa. en Arou Paseempa. „honderd koppen, alle Roovers en quaad doenders, met dewelke hij na de zuijder negorij Manoejoe geweeken was, de dogter van den Craeng met geweld geschaakt hebbende; voorts dat de Craengs Pattoe, Bonto Majennang en Mandalle, de laaste misnoegt dat hij door sanki„ „lang als Tomilalang was afgezet, zig na het zuijder geberg te begeeven hadden, en Aroe Palacca haar nevens Arou Mampoe en de Craengs Candjilo, Sapana, Manampang, Bongaja en Ba„ „loesan bevonden op Borisallo, welker Craeng zo wel als de Moeder van Craeng Bellasarie, Tanasangang genaemd aldaar overleeden waaren; en dat Arou Mampoe zeer swaer ziek was. Hier hadde de voormelde persoon nog bij gevoegd dat Craeng Bella„ „sarie zig na de verovering van Bonto Bonto, met de traanen in d'oogen, met betrecking tot het groot verlies der Macassaeren, ten dien dage geleeden, zoude hebben uijtgelaeten in deeze woorden„ dat „komt alles daar van daan dat Tankilang, die, God weet, wie hij is, zig „voor mijn zoon heeft uijtgegeeven, die ik daar voor nooijt zoude er„ „kend hebben, was het niet dat Arou Palacca gezegt had dat hij haar „kleen zoon waare; zo dat ik hebbe moeten stilswijgen, ondertus„ „schen zijn daar door zo veel Landen geruineert en zo veel Craengs „en mindere volkeren in verdriet geraakt „ welk gezegde ook aan„ „stonds van dat gevolg was geweest dat veelen hem verlaeten hadden; die na het geene aan Daeng Mandjareki meede was verhaald na Baddoe vertrocken waaren, zig uijt vreese voor de Boniers niet verder durvende begeeven. Eijndelijk verklaarde Daeng Mandjareki dat de Lomo van Ma„ „ros geklaagd had over de vrouw van den Bonijs Prins Tosa„ „rassa, die de onderdaanen verbood de padij velden te bewerken, Glarrang Kanjetongang dat hij niet in staat was de zijne in ordre te houden wijl zij door Daeng Siroea, broeder van Daeng Mandjaroengie, tegen hem wierden opgestookt en glarrang kam„ „pala insgelijks dat Arou Paseempa de zijne verbood om hem te gehoorsaemen; waar van de Capitain der Mooren mij nader rapport zouden brengen. Zaturdag den 12=e Den Capitain der Mooren heeden meede van Maros gereverteerd
English
8 43. Order to the subjects of Maros to obey their Regents, and complaint to the King regarding the Bone people. The investigation into disputes postponed. Admonition to deliver timber. Letter from Datoe Soping. Report regarding Datoe Sedeenring. Arou Kaijoe returned to Soping. Having been informed of the complaints concerning the insolence of some Bone princes, mentioned under yesterday's date, I ordered him to return there, not only, in the first place, to command the subjects most earnestly to be obedient to their lawful Regents without concerning themselves with any Bone Princes, but also to lodge a complaint with the King of Bonij about the actions of the latter and especially the aforementioned, requesting that he forbid them from committing all manner of hostilities in the future, in order to prevent estrangement that might otherwise arise from this between the Company and Bonij. Furthermore, upon the report that several Bone people had requested him to help investigate and decide anew certain disputes between them and the subjects, among which were several that had already been settled, I ordered him to inform them that I did not approve of this, but that they could address themselves to me upon my arrival in Maros, and that I would then issue the necessary orders myself as far as needed. Finally, I instructed him further to continuously urge the mountain Regents of Laboe Tangaij-a to fulfill their obligated delivery of timber, both for the pier and for the re-establishment of a post at Maros. Monday the 14th, a letter was brought to me by a servant of Datoe Soping named Goeroe Pakaijoe, with the message that his master had departed for his country. Sunday the 13th, nothing occurred. Furthermore, it was reported to me that Datou Sedeenring had reportedly departed for Sandrabonij, but that his people from Thaing had gone inland early in the morning for the past two days to intercept those of Datou Baringang and Craeny Bonto Nompo, who daily brought provisions to the Rebels in Borisallo. Tuesday the 15th, the Bone Tomilalang Aroe Oedjong came up from Maros, allegedly to notify Prince Arou Kaijoe here that he had to depart for Boelecomba, so he informed me that he had departed for Lampoko to accompany the State Standard of Soping, but that he would send him to me upon his return; for which communication I expressed my thanks. Wednesday the 16th to Saturday the 19th, nothing happened. The Saleyerese depart for home, with the exception of a portion. Promise made to the first-mentioned. The Regent of Tanette may be reinstated. Sunday the 20th to Tuesday the 22nd, nothing of particular importance occurred. Report that Craeng Sandrabonij will come here. Friday the 18th, the Chiefs of the Saleyerese laborers who had arrived here as usual, having requested to return home, this was granted by me, to the extent that a number of approximately 120 heads had to remain here for service on Goa, with the notification that I would provide them with provisions, etc. for that purpose, and that I expected an equal number in the spring to relieve them; with which they declared themselves completely satisfied, and that they would therefore not fail to comply with my wish. Having further pointed out to them the lenient conduct of the Company toward them by granting pardon for their rebellion, I ordered them to inform the Regents that anyone among them who had any request to make or anything to present could address me directly, with the promise that I would give them satisfaction and that their disputes which they might have among themselves would be decided fairly. Meanwhile, in view of the statement by the Glarrang of Tanette that the Regent's position had not yet been filled by another, I noted that the exiled Regent could also ask for his reinstatement if the collective glarrangs desired him as their chief again. Wednesday the 23rd, it was reported to me by the chief interpreter that some envoys from Sandrabonij had come to him to announce that Craeng Sandrabonij intended to come here himself in order to collect money together to satisfy the Company, since that was proceeding very slowly in his realm. Furthermore, I gave a commission to a certain trusted native chief:
Dutch transcription
8 43. ordre aan d'onderdaanen van maros om hun Regenten te gehoorsamen. en doliantie bij den koning over de Bonijers. het ondersoek na geschillen uijtgesteld. aanmaning om hout te leveren. brief van Datoe Soping berigt nopens Datoe sedeenring Arou Kaijoe is na Soping. gerevertuerd en kennisse gegeeven hebbende van de klagten over de brutaliteit van eenige Bonijse princen, vermeld sub gisteren, zo hebbe ik hem gelast om zig weeder derwaarts te begeeven ten eijnde niet alleen in de eerste plaats d'onderdaanen ten ernstigste te beveelen hunne wettige Regenten gehoorsaam te zijn, zonder zig aan eenige Bonijse Princen te stooren, maar ook bij den koning van Bonij over de gedoentens der laatstgemelde en insonder„ „heijd de zo evengenoemde te doleeren met versoek om deselve het doen van allerleij hostiliteijten, voor het vervolg, te verbieden, ter preventie van verwijdering die daar uijt andersints tusschen de Comp=e en Bonij stond gebooren te worden. voorts hebbe ik hem op het berigt dat verscheijdene Boniers hem hadsen aangezogt om eenige geschillen tusschen haar en d' onderdaanen en daar onder verscheijdene die reets waaren afgedaan op nieuw te hel„ „pen ondersoeken en te beslissen, gelast dezelve aan te zeggen dat ik zulks niet verstond, maar dat zij zig bij mijn komst op Ma„ „ros konnen addresseeren, en ik dan daar toe zo verre nodig zelfs ordre zoude stellen. Eijndelijk gaf ik hem nog inmandatis om de berg Regenten van Laboe Tangaij-a bij Continuatie aan te spooren tot de verplig„ „te leverantie van houtwerken, zo voor het zee-hoofd als tot resta„ „biliering van een post te Maros. Maandag „ 14=e wierd mij door een bediende van Datoe soping in naeme Goeroe Pakaijoe een brief gebragt, met berigt dat zijn meester na zijn Land vertrocken was. Voorts wierd mij gerapporteerd, dat Datou: sedeenring na Sandrabonij zoude weesen vertrocken, dog dat zijn volk van Thaing nu zedert twee dagen 's morgens vroeg landwaarts in uijtgegaan was, om te kruijssen op dat van Datou Baringang en Craeny Bonto nom„ „po, die dagelijks provisie bragten aan de Rebellen in Borisallo: Dingsdag den 15=e Den Bonijs Tomilalang Aroe oedjong van Maros opge„ „komen, om na zijn voorgegeeven den Prins Arou Kaijoe al„ „hier aan te zeggen om na Boelecomba te moeten vertrecken, zondag den 13=e viel niets voor zo Woensdag den 16=e tot Zaturdag de saleijereesen vertrecken Vrijdag „ 18=e na huijs met uijtsondering van een gedeelte. belofte aan d' eerst gemelde gedaan. de Regent van Tanette mag hersteld worden Zondag den 20=e tot Dingsdag „ 22=e sal hier komen.— zo liet denzelven mij weeten dat hij na Lampoko vertrocken was, ter begeleijding van de Rijksstandaart van soping, dog dat hij hem bij te rug komst bij mij zoude zenden; voor welke Communicatie ik hebbe doen bedanken. niets gepasseerd „ 19=e De Hoofden van de hier na gewoonte opgekomene Saleijereese werklieden, verzogt hebbende na huijs te keeren, is zulks door mij, voor zo verre, g'accordeerd. dat een getal van Circa 120. koppen moesten hier blijven tot den dienst op Goa, onder te kennen gave, dat ik deselve daar voor van proviand enz: voorzien zoude, en dat ik in het voor„ „Jaar een gelijk getal verwagte ter hunner aflossing; waar meede zij betuijgden volkomen voldaan te weezen, en dat z' dierhalven niet in ge„ „breeke zouden blijven aan mijne begeerte te voldoen. Hun hier op verder voorgehouden hebbende de zagte handelwijse van de Comp=e ten haaren opzigte, door het verleenen van pardon over haaren opstand, gaf ik hun last de Regenten aan te zeggen dat een ieder van hun die eenig versoek te doen dan wel iets voor te dragen had, zig direct aan mij konde addresseeren, onder toezegging van hun voldoening te zullen geeven en dat hunne verschillen die zij onder elkanderen mogten hebben na billijkheijd zouden worden beslist. Terwijl ik, mits de te kennen gave van den Glarrang van Tanette, dat de Regents plaats nog niet door een ander was vervuld diende, dat den uijtgeweeken Regent, om zijne herstelling almeede vragen konde als de gezamentlijke glarrangs hem weeder tot hun hoofd begeerden. Niets van bijsonder belang voorgevallen. woensdag „ 23=e wierd mij door den oppertolk gerapporteerd dat van Sandrabonij berigt dat Craeng sandrabonij eenige sendelingen bij hem waaren gekomen, ter bekendmaeking, dat Craeng Sandrabonij voorneemens was selfs herwaarts te komen, ten eijnde geld bij malkanderen te samelen om de Comp=e te voldoen, vermits het daar meede in zijn Rijk zeer lang„ „zaam toeging voorts hebbe ik aan zeeker vertrouwd Jnlands hoofd een Commissie :
English
218. 439 Thursday the 24th to Monday the 28th, nothing occurred. Some realm dignitaries pay a part of the debt. Tuesday the 29th. Eight Sandraboni realm dignitaries, having arrived here yesterday, appeared before me toward noon and made known that their king had intended to come in person, but was prevented from doing so by an attack of colic, offering 293 Spanish rixdollars in cash and two slaves in reduction of the debt. Complaints about two Boni notables at Maros; grievance about this made to the King. Wednesday the 30th. The Lomo of Maros, having come here in company with the Captain of the Moors Abdul Cadier and having complained about Matoua Data and Androngoeroe Talinko, who came to prevent him from cultivating some paddy fields, regarding which the other affirmed that he had already made a grievance about this to the King of Boni; and that His Highness had said he would order the Tomilalang, upon his return to Maros as he was not present there then, to conduct the necessary investigation, I therefore charged this man, along with the envoy Daing Mandjareki, to address himself again to the ruler and to request him in my name to give orders himself immediately, without the least delay and thus also without waiting for the return of the Tomilalang, to his subordinates, both for the present and the future, to cause our people no further hindrance or nuisance in cultivating their paddy fields; under a representation of how most of the notables, far from diverting the Boni people from committing violence, increasingly made it their business to incite and support them therein, as well as to cause all manner of damage to the Company, to the extent that they had brought more harm upon the Honourable Company than the rebels themselves, and that I would therefore expect, solely through the intercession of His Highness's authority, that a change be made in this regard, or otherwise see myself compelled to employ such means for the protection of the Company's subjects as would be anything but agreeable to the Boni people. Commission assigned, tending toward a private admonition to bring one of the Macassar Princes into submission. Thursday the 31st to Monday the 4th of January 1779, nothing of particular note occurred. Tuesday the 5th, the Bouton envoys visited me to congratulate me on the beginning of this year, upon which occasion I notified them to prepare for their return. The election of a regent of Glissong approved. Wednesday the 6th. The principal chiefs of the province of Glissong together, along with the new Craeng chosen by them, named Daeng Madjandjie, having appeared before me to request the approval of this election, I consented thereto and confirmed the same as Regent, under a suitable commendation both to him and to them all. Thursday the 7th to Sunday the 10th. Nothing occurred, except that the realm dignitaries of Boni and likewise the Regentess of Thaing, having requested an audience with me on the 9th, the same was granted for Audience granted to Boni realm dignitaries and Craeng Thaing: the former come to congratulate me on the beginning of the year; report the death of Arou Palacca. Craeng Thaing also does the former. Monday the 11th, when first, toward nine o'clock, there appeared the Madanrang, the Tomilalang Arou Oedjong, Pongauwa Datou Baringang, the Soelewattang of Bontuala, Arou Tanette, Arou Kaijoe, Arou Saloetoenjoe, Arou Nanka, and some lesser persons, making known that they had come to congratulate me according to custom on the beginning of this year, affirming that the king was prevented from doing so by indisposition; after which the Madanrang, having informed me that Arou Palacca had died three days ago in Borisallo and, contrary to custom, had been placed in a coffin; for which communication I thanked him, they subsequently took their leave. While furthermore the Regentess of Thaing, accompanied by Datoe Sedeenring, being shown in, after taking her seat also delivered a sort of New Year's greeting and subsequently departed likewise without having brought forward anything of importance. Tuesday the 12th to Sunday the 17th. Nothing occurred, except that the Macassar Prince Craeng Bontolancas, having requested an audience with me and the same being granted,
Dutch transcription
218. 439 Donderdag den 24„e tot eenige Rijksgrooten voldoen een gedeelte van de Schuld. Dingsdag Maandag „ 28=' klagten over twee bonijse groten te maros: doleantie daar over bij din Koning. is niets gepasseerd. 29=e Agt Sandrabonijse Rijksgrooten, op gisteren alhier g'arriveerd, tegen den middag bij mij verscheenen zijnde, zo gaven zij te kennen dat hun koning van intentie was geweest zelfs te komen, dog door een attacque van het Colijk daar in verhinderd was onder aanbie„ „ding van rd„s spaans 293: — aan Contanten en twee slaven inmin„ „dering van de Schuld. Woensdag den 30=e Den Lomo van Maros, in gezelschap van den Capitain der Mooren Abdul Cadier herwaarts gekomen en geklaagd hebbende over Matoua Data en Androngoeroe Talinko, die hem kwa„ „men te beletten eenige padij velden te bewerken, waar omtrend den anderen betuijgde daar over reets bij den koning van Bonij te hebben gedoleerd; en dat zijn Hoogheijd gezegt hadden den To„ „milalang, bij zijn terug komst op Maros als doen daar niet present, te zullen ordonneeren om het nodige ondersoek te doen, zo gaf ik deezen last zig nevens den sendeling Daing Mandjareki weeder bij den vorst te addresseeren en hem uijt mijn naam te versoe„ „ken om ten eersten sonder het minste uijtstel en dul ook om zon„ „der na de terugkomst van den Tomilalang te wagten, zelfs ordre aan zijn onderhoorige, zo voor het tegenwoordige als toekomende te geeven, om d' onsen in het bewerken hunner padij velden geen verder hinder toe te brengen of overlast te doen; onder een vertoo„ „ning hoe de meeste grooten, wel verre van de Boniers te di„ „verteeren van het pleegen van geweld, meer en meer hun werk maakten om deselve daar toe aan te zetten en t' ondersteunen mitsgaders om de Compagnie allerleij afbreik te doen, in zo verre dat zij haar Edele meer nadeel hadden toegebragt als de Rebellen zelfs en dat ik dierhalven alleen door de intercessie van zijn Hoogheijds gezag zoude verwagten dat hier omtrend eens verandering wierd gemaakt of mij andersints genoodsaakt zien zodanige midde„ „len in het werk te stellen tot mainctinue van 's Comp„s onderdaanen Commissie opgedragen, tendeerende een onderhandsche aanmaaning om een der Macassaarse Princen in submissie te doen komen. als „ Maandag Donderdag den 31=e tot de verkiesing van een regent van glissong g'approbeert. Donderdag den 7„e tot Zondag acces g'accordeert aan Bo„ „nijse Rijksgrooten en Craeng Thaing: d' eerste komen mij filici„ „teeren met d' aanvang van het Jaar. berigten het overlijden van Arou Palacca. Craeng Thaing doet ook het eerste. Dingsdag den 12=e tot Zondag accis geaccordeert aan Craen Bontolankas C: s. „ 4=e Januarij 1779. is niets van bijsonders aanmerking voorgevallen. Dingsdag „ 5=e zijn de Boutonse gezanten bij mij geweest om mij met den aan„ gelukwensching der Bouton„ „vang van dit Jaar te vergelucken, hebbende ik hun bij deeze occasie aangezegt zig tot hun retour gereed te maeken. woensdag den 6=e De gezamentlijke voornaamste hoofden van de provintie Glissong nevens de door hun verkooren nieuwen Craeng in nae„ „me Daeng Madjandjie, bij mij verscheenen zijnde om d' approbatie van eneen deese verkiesing te versoeken, hebbe ik daar inne toegestemd en den zelven als Regent bevestigt onder een gepaste recommandatie zo aan hem als hun alle: 10=e Niets voorgevallen dan dat de Rijksgrooten van Bonij en zo meede de Regentinne van Thaing op den 9=e acces bij mij hebbende laeten ver„ „soeken, zulks g'accordeerd is tegen Maandag den 11=e wanneer eerstelijk tegen negen uuren verscheenen den Madanrang, den Tomilalang Arou oedjong, Pongauwa Datou Baringang, de Soelewattang van Bontuala, Arou Tanette, Arou Kaijoe, Arou Saloetoenjoe, Arou Nanka en eenige minderen, te kennen geevende gekomen te weesen om mij na gewoonte te vergelucken met den aanvang van dit Jaar, onder betuijging dat den koning, door onpasselijkheijd daar in belet was; waar na den Madanrang mij berigt hebbende dat Arou Palacca nu drie dagen geleeden in Borisallo overleeden en haarlijk, tegen het gebruijk in een kist gelegt was; voor welke Communicatie ik hem bedankte zo namen zij vervolgens hun afscheijd. Terwijl voorts de Regentinne van Thaing verseld van Datoe sedeenring, binnen geleijd na genomen zit plaats meede een zoort van nieuw Jaars wensch afleijde en vervolgens insgelijks ver„ „trok zonder iets van belang voortgebragt te hebben „ 17=e Niets gepasseerd dan dat den Macassaars Prins Craeng Bontolan, „cas acces bij mij hebbende laeten vragen en zulks g'accordeerd als de Boniers maar gantsch niet aangenaam zouden weezen. zijnde „se gezanten. „
English
219. 441 came to congratulate me. Made known to them a certain letter for the former King on Ceilon, and a petition. Their remarks regarding the latter. Reports from Wadjo that make Bonij troubled. The Wadjorese have settled in Tjinrana. Thursday the 21st until Departure of the Boutonese envoys. being, on Monday the 18th in the morning, appeared before me, accompanied by Craeng Data and the former shahbandar, declaring they had come solely to congratulate me on the arrival of the New Year. Having answered this with a compliment, I then made known to them that I had received a letter from Their High Excellencies in Batavia written by the former King currently on Ceilon to Arou Palacca, and that there had also been forwarded to me from elsewhere a petition presented by the same to the Lord Governor of Ceilon, in which he claimed to have left behind here upon his departure a considerable sum of money in gold Spanish mats, as it were asking them what there was to that. However, at this they began to laugh out loud, giving to understand that they could not believe he had ever possessed any cash of consequence. Tuesday the 19th. On the occasion of a private message that I had conveyed to the Madanrang through the bookkeeper Deefhout, having also asked whether he had any news of the rebels, I received the answer that the reports he received from there were very conflicting and he could report nothing certain to me in that regard, but that, on the other hand, he had received news from the interior that the Wadjorese had summoned the village of Timoeroeng to surrender, and that Bonij was therefore currently somewhat sickly, that is, troubled over it. Wednesday the 20th. I was informed by the former Lieutenant of the Malays Jntje Marsidong, as well as subsequently by the Captain of that nation, that they had received news that a number of about five hundred Wadjorese under a chief had settled at Timoeroeng, pretending not to have come to offend the Boniese, except in case of resistance, but because that place also belonged to Wadjo. Tuesday, 2 February. Nothing of particular importance occurred. Wednesday the 3rd. The Boutonese envoys present were dispatched with the customary ceremonial, carrying a letter to the King and grandees of the realm. Thursday the 4th to Friday the 12th. Nothing of importance occurred. Saturday the 13th. The chief interpreter reported that, the Sandrabonij grandee of the realm Craeng Baloesang having come up here to attend to some private matters, he had asked him on that occasion why no more money was being paid to the Company and why the further razing of the walls of Sandrabonij was not being proceeded with. To this the said grandee had replied that the latter was to be attributed both to the constant stormy and rainy weather and the illness caused thereby among the common people, and especially to the fact that the rest could not leave the paddy fields unplowed and uncultivated; whereas regarding the other matter, he had requested to send an envoy with him to receive the funds that the realm had collected again to be paid toward the reduction of the debt, which I have ordered Brugman to do. Sunday the 14th to Tuesday the 23rd. Nothing of particular importance occurred. Wednesday the 24th. The sub-interpreter De Graaf reported that he had learned from one of his pawns that the Toeratterese had sent an envoy a few days ago to the rebel Sankilang at Lanna, to ask him why he did not join them to attack the post of Bonthain, since they were ready to help him; and that Sankilang had departed thereupon, but at the request of Craeng Candjilo, to wait until the rainy weather abated, had turned back. Also, according to the said messenger, a multitude of Wadjorese under ten banners was said to have arrived at Lanna to assist the rebels. Thursday the 25th. Nothing occurred. Friday the 26th. The Adatouang of Sedeenring came to me, giving to understand that he intended to make a trip to Batoe Poete, requesting that I might grant him permission to do so, which I have done. Saturday the 27th. Nothing of importance occurred. Sunday the 28th. Monday.
Dutch transcription
219. 441 komen mij vergelucken. Hun bekend gemaakt zekeren briefje voor de geweesen koning op Ceilon: en een request. hun uijtlating over het laatste. Berigten uijt wadjo die Bonij swaar hoofdig maken. de wadjoreesen hebben zig in Tjinrana nedergezet. Donderdag den 21=e tot vertrek Per Boutonse ge„ zijnde, op Maandag den 18=e Des voor de middags bij mij verscheen, verzeld van Craeng Data en de geweesen sjabandhaar; betuijgende eenlijk gekomen te weesen om mij over den intreede van dit Jaar te vergelucken, het welk ik met een Compliment b'antwoord hebbende, zo gaf ik hun te kennen hoe ik een brief van Hun Hoog Edelhedens te Batavia ontfangen hadde door de op Ceilon zijnde geweesen Koning geschreeven aan Arou Palacca en mij voorts ook van elders toegezonden was een request door den zelven aan den Heer Ceilons Gouverneur gepresenteert waar bij hij voor„ „gaf alhier bij zijn vertrek een Considerable som aan geld in goude spaan„ „se matten te hebben agtergelaeten hun quasie vragende wat daar van was. dog waar over zij luijdskeels begonden te lachen onder te kennen gave, hoe zij niet gelooven konden dat hij immermeer eeni„ „ge Contanten van aan belang bezeten had. Dingsdag den 19=e Ter gelegentheijd van een particuliere boodschap die ik aan den Ma„ „danrang door den boekhouder Deefhout liet doen, teffens hebbende laeten vragen of hij geen narigt hadde van de Rebellen, zo kreeg ik tot antwoord dat de berigten welke hij van daar ontfing zeer vari„ „eerende waaren en hij mij dierwegens niets zeekers konde melden, dog dat hij daar en tegen tijding uijt de binnen landen harde ont„ „fangen dat de wadjoreesen de negorij Timoeroeng hadden doen op eijsschen, en Bonij dierhalven thans wat ziekelijk, dat is daar over zwaar hoofdig was. Woensdag den 20=e wierd mij door den oud: Lieutenant der Maleijers Jntje Marsidong zo wel als vervolgens door den Capitain dier natie berigt hoe zij tij„ „ding hadde gekreegen dat een getal van Circa vijf honderd wadjoreesen onder een hoofd zig op Timoeroeng hadden needer gezet, met voor„ „geeven van niet gekomen te zijn om de Boniers te beledigen, ten waare ingeval van tegenstand, maar om dat die plaats meede aan wadjo gehoorde Dingsdag „ 2„e februarij, Niets van bijsondere aangelegentheijd voorgevallen. Woensdag „ 3=e zijn d' aanweesende Boutonse gezanten onder het gebruijkelijk ƒ teremonieel f 1 Zanten. n 1„ Donderdag den 4=e tot Vrijdag „Zaturdag tot aanmaning om de „ Schuld. Zondag den 14=e tot Dingsdag „ 23„e Woensdag „ berigt dat de rebellen wa„ „ren aangezogt om Bonthijn te attacqueeren. en veele wadjoreesen bij hun waaren. vrijdag den Adatouang sal na Batoe Poetie vertrecken. zondag Ceremonieel gedepecheerd, met een brief aan de Koning en Rijks„ „grooten. „ 12=e is niets van belang gepasseerd „ 13„e Rapporteerde den oppertolk, hoe den Sandrabonijs Rijksgroot een sendeling na Sandrabonij Craeng Baloesang, ter verrigting van eenige particuliere zal„ „ken hier opgekomen zijnde, hij hem bij die gelegentheijd gevraagd hadde waar om er niet meer geld aan de Comp=e wierd betaald nog ook met het verder slegten der wallen van Sandrabonij voortgevaeren, en dat daar op door dien Rijksgroot was gediend, dat het laatste t' attribueeren was zo aan het gestadige storm en regenwoeer, en daar door veroorsaakte ziekte onder het gemeene volk, als in sonder„ „heijd dat d' overige de padij velden niet onbeploegd en onbebouwt kon„ „den laeten, terwijl hij nopens het andere verzogt hadde om hem een sendeling meede te geeven, ten eijnde de gelden die het Rijk weeder ver„ „sameld hadden om inmindering van de schuld afgelegt te worden, te ontfangen het welk ik Brugman gelast hebbe. is niets van sonderling belang voor gevallen 24=e Rapporteerde den ondertolk de graaf hoe hij van een zijner verpandelingen vernomen had dat de Toerattereesen voor eenige dagen een sendeling aan de Rebel Tankilang op Lanna zouden hebben gezonden, om hem te vragen waar om hij niet bij hun kwam om de post Bonthain t'at„ „tacqueeren, vermits zij gereed waaren om hem te helpen en dat sankilang daar op vertrocken dog op versoek van Craeng Candjilo, om te wagten tot dat het regenweer bedaarde terug gekeerd was; ook zouden 'er volgens het zeggen van gemelde boodschapper een meenig„ ƒ „te wadjoreesen onder tien vaandels op Lanna aangekomen weesen ter assistentie van de Rebellen. „ 26=e kwam den Adatouang van Sedeenring bij mij, te kennen geevende dat hij voorneemens was een keer na Batoe Poete te doen met versoek dat ik hem zulks mogte accordeeren, zo als ik ook gedaan hebbe } niets van belang gepasseerd. Zaturdag den 27=e Donderdag den 25=e viel niets voor „ 28½. Maandag
English
220. 443 serious message to the king of Bonij concerning the detention of the Company's subjects and their paddy fields: access granted to Datoe Pedeenring. his offer to prevent the troubles between Wadjo and Bonij. he was requested to do so. Tuesday the 2nd to Friday the 12th: Nothing of special note occurred. Monday the 1st of March: The Captain of the Moors arrived here from Maros, making known how he, pursuant to my orders, having reminded the king of Bonij to give orders that all the Company's subjects who were detained by force here and there by Bonijese Princes and other grandees might be given freedom to return again to their own settlements and dwelling places, and also that all the paddy fields be returned which the Bonijers had taken from them and others since the outbreak of the war, His Highness had indeed promised both and to that end, alongside him, the Captain, and the Company's emissary Carre Mandjareki, had sent the Glarsang of Bontualacq to the Madanrang; but that this grandee of the realm, far from complying with the prince's command, had merely said that it would happen when the paddy fields that the Bonijers might claim from the subjects were likewise restored; to which he had answered that he had not been sent to negotiate about that, much less qualified to investigate such claims, but that he would report the same to me. I gave him orders to return at once to Maros and to tell His Highness that I knew no better than that there was only one king of Bonij, whose orders given to his subordinates must be executed, and that I therefore still wished to expect that His Highness would carry out his promises; but that in case he should lack the means to do so, I myself would come to retrieve the subjects and to regain possession of the paddy fields taken from them by means that would not be pleasant to the Bonijers. Saturday the 13th: The Datou of Sedeenring had access requested with me, which I granted for next Monday. Sunday the 14th: Nothing occurred. Monday the 15th: In the forenoon, the Datou of Sedeenring came to me, making known that since rumors had it that the Wadjorese intended to make war on those of Bonij, or at least sought to take by force the Bonijese settlements of Tjinrana and Timoeroeng, he would gladly endeavor to do his part to prevent those troubles if the Company or I would be served thereby and he might be assured of my protection and assistance in case of need, since he had some influence over the Wadjorese through the channel of his brother-in-law Arou Branti; whereupon I answered that although the Wadjorese had been given reasonable cause for displeasure by those of Tjinrana on account of the violent treatments inflicted upon their merchants under pretext of toll collection, I nevertheless could not think that they would fall upon Bonij unawares, but that however the matter might stand, the Company could not look with favor upon their starting a war over their dispute in this matter against a realm that was most closely allied with Her Honorable, but would vigorously support the same. That Her Honorable being nevertheless always inclined to peace, I wished to hope that it might not come to that, but that peace might be preserved, the more so because even the triumphant party could never find advantage in war, but the same always brought in its wake the ruin and destruction of both sides' lands and subjects; on the basis of all which I requested him, upon his arrival in the interior, to divert the Wadjorese from committing hostilities by all amicable means and to exhort them to seek satisfaction for their grievances at the court of Bonij, to the end of settling the same by an amicable agreement. All of which he not only promised me, professing how experience in the present war had taught him that the Company was as little afraid of war as anyone was capable of offering her resistance, but also that he would inform me from time to time of whatever he might learn in the interior. After which, having wished him a safe journey, he took his leave, intending to depart at once. Tuesday the 16th to Friday the 19th: Nothing of note happened.
Dutch transcription
220. 443 ernstige boodschap aan den ko„ „ning van Bonij over het aan„ „houden van 's Comp„s onderdaanen en hun padij velden: Dingsdag den 2=e tot Vrijdag acces aan Datoe Pedeenring g'accordeert. Maandag go zijn aanbod om de onlusten tusschen wadjo en Bonij voor Maandag den 1=e Maart: Arriveerde alhier van Maros den Capitain der Mooren, te kennen geevende; hoe hij, ingevolge mijne last, de koning van Bonij herinnert hebbende om ordre te geeven dat alle 's Comp„s onderdaanen die hier en daar door Bonijse Princen en andere grooten met dwang wierden aangehouden, vrijheijd gelaeten mogt worden weeder na hun eigen negorijen en woonplaatsen te gaan, maar, ook alle de padij velden terug gegeeven die de Boniers van deselve en anderen, zedert het uijtbarsten J. P. van den oorlog, afgenomen waaren, zijn Hoogheijd het een en ander wel beloofd en ken dien eijnde nevens hem Capitain en 's Comp„s zendeling Carre Mandjareki den Glarsang van Bontualacq na den Madan„ „rang gezonden hadde, dog dat dien Rijksgroot, wel verre van aan 's vorsten bevel te voldoen, eenlijk gezegt hadde dat het geschieden zoude als ook de padij velden die de Boniers van de onderdaanen mogten te pretendeeren hebben, insgelijks wierden gerestitueerd; op het welke door hem gediend was niet gezonden te zijn om daar omtrend te handelen veel min gequalificeerd om na diergelijke pretensien onder„ „soek te doen, maar dat hij mij het zelve zoude rapporteeren. Jk gaf hem ordre om zig weeder ten eersten na Maros te begeeven en zijn Hoogheijd te zeggen hoe ik niet beter wist of daar was maar een koning van Bonij, wiens beveelen aan zijne onderhoorige ge„ „geeven moesten uijtgevoerd worden en dat ik dierhalven als nog wilde verwagten dat zijn Hoogheijd zijne beloften zoude doen volbren„ „gen, dog dat ingevalle het hem daar toe aan mogt ontbrak, ik zelfs komen zoude om de onderdaanen terug te haelen en de hun ontnomene padij velden weeder te bemagtigen door middelen die de Boniers niet aangenaam zouden weezen. viel niets van bijzondere aanmerking voor 12=e Zaturdag „ 13=e Liet den Datou van Sedeenring acces bij mij vragen dat teegens aanstaande Maandag hebbe verleend. Zondag den 14=e Niets voorgevallen. 15=e 's voormiddags kwam den Datou van Sedeenring bij mij te kennen geevende, dat vermits de gerugten wilden dat de wadjereesen die van Bonij b'oorlogen ten minsten de Bonijse er de k bbe te komen. „ „ hem daar toe verzogt. Dingsdag den 16„e tot Vrijdag „ 19=e Bonijse negorijen Tjinrana en Timoeroeng in hun geweld zog ten te krijgen hij gaarne het zijne zoude tragten aan te wenden om die onlusten voor te komen, wanneer de Comp=e of ik daar meede ge„ „diend en hij van mijne protectie en hulpe des noods verseekerd mogte weesen, vermits hij op de wadjoreesen wel wat vermogen hadde, door het Canaal van zijn Swager Arou Branti, waar op ik diende, dat al k hoe wel de wadjoreesen door die van Tjinrana billijke reden van misnoegen gegeeven was, mits de geweldadige behandelingen haare negotianten aangedaan onder pretext van Thol heffing ik egter niet denken konden dat zij Bonij onverhoeds op het lijf zouden vallen, dog dat hoe het daar meede ook gelegen mogte weesen de een en Comp=e niet met goede oogen zoude kunnen aansien dat zij over hun geschil in deesen een oorlog zouden beginnen, tegen een Rijk dat met haar Edele op het naauwste vereenigt was, maar het zelve kragtdadig ondersteunen. Dat haar Edele nogthans de altoos tot den vreede geneijgt zijnde ik verhoopen wilde dat het daar toe niet komen, maar den vreede geconserveerd blijven mogt, te meer zelfs de triumpheerende parthij nimmer voordeel bij den oorlog vinden konden maar deselve altoos de ruine en het verderf van weederzijds Landen en onderdaanen na zig sleepte op fun„ „dament van alle het welke ik hem verzogt, om bij zijn komst in de binnen Landen de wadjreesen door alle minnelijke wegen van het acces pleegen van vijandelijkheden te diverteeren en te vermaanen om over hunne beswaarnisse bij het hof van Bonij voldoening te vragen, ten A eijnde deselve door een minnelijke vergelijk uijt den weg te ruijmen. zijn Al het welke hij mij niet alleen beloofde, onder betuijging hoe de onder„ „vinding hem in de presenten oorlog geleerd hadde dat de Comp=e voor oorlog zo min bang als iemand in staat was haar tegenstand te bieden, maar dat hij mij van tijd tot tijd van het geene hij in de binnen landen verneemen mogte zoude kennisse geeven. waarna ik hem een behouden reijs toegewenscht hebbende, zo nam hij zijn afscheijd voornemens ten eersten te vertrecken. niets bijsonders gepasseerd. aan g en Zaturdag de ge
English
225. 445 Malewang attacked by them. Powder and lead, item firearms provided to the subjects. A bounty placed on Sankilang and the others. The King of Bonij has allowed the subjects detained by his people to leave, and the paddy fields will soon be returned. Audience granted to Craeng Bontolancas. Three heads of rebels brought. Saturday the 20th, several emissaries from Craeng Anabadjing arrived here with three severed heads of rebels, bringing report that a large party of the same under six banners, having attacked the negorij Malewang yesterday afternoon, had been repelled by our people and driven into flight, with a request for some muskets with the necessary cartridges and flints, which items I caused to be delivered to them, the muskets however to the number of twelve pieces merely on loan; while I ordered the emissaries to convey to their master my satisfaction regarding the steadfastness displayed by our people, and to further encourage them thereto, with the promise of a good reward for every rebel they might bring in alive, namely 2000 Spanish dollars for their leader Sankilang and pro rata for the others. Also arrived here from Maros the Captain of the Moors with news that the King of Bonij had caused all the paddy fields to be restored by his people, which they had taken from the Company's subjects, and at the same time an order had been given to all princes and grandees to let the subjects go who were staying among them, as well as that many had already returned to their lawful Regents; for all of which I charged him to thank His Highness. Sunday the 21st, nothing occurred except that the Macassar Prince Craeng Bontolancas requested an audience, which being granted for Monday the 22nd, he appeared in the forenoon together with the former second sjabandhaar of Goa, making known his report concerning the rebels: how he had come to report to me what he had learned concerning the rebels, consisting of this: That Craeng Mandalle, one of the Electors, wishing to have nothing more to do with them, had left them, and had departed for the mountains of Bonto lo-E. That Craeng Candjilo and his son Sapana were staying in the negorij Mamampang; Sankilang at Lanna, and Arou Mampoe at Parang Laboea. That the remaining Electors were partly at Patalassang and partly at Coinjong. Admonished him to encourage the Electors to submit. Promised him financial assistance. A certain Macassar rebel requests residence in Poelembankeeng. Firearms, powder, and lead provided to those of Glissong. A bounty promised for Sankilang. The Sandraboneans claim to be gathering money to settle the debt, and that the ramparts were being razed. For which reports I thanked the aforesaid prince, with an admonition to continually encourage the Electors, for his own good, to make submission, to which he declared he would do his best. Furthermore, with a serious declaration that he found himself in such great poverty that he had nothing left to live on, he requested some financial assistance, which I promised to provide for him as soon as I was provided with some myself. Tuesday the 23rd, an emissary from Craeng Glissong arrived here with report that the Macassar prince Craeng Pattoeng, who is with the rebels, had quietly let Craeng Anabadjing know that Sankilang had fallen into a sort of frenzy and, contrary to the counsel and admonitions of the other leaders, was intending to attack Malewang once again, to which he, Craeng Pattoeng, was not only not inclined, but that he even, wishing to have nothing more to do with him at all, had requested Craeng Anabadjing to grant him a place somewhere in the district of Poelembankeeng where he could settle with his people. The said emissary also added to this that the Sandrabonean Prince Craeng Taipa had sent some auxiliary troops to those of Malewang, and that the same had also been done by his master, who at the same time requested some firearms as well as powder, lead, and flints, of which first-mentioned I caused twelve pieces to be delivered, and of the rest in proportion; I charged him to admonish his master to make his utmost efforts in order to get Sankilang into his hands, dead or alive, under the promise of one thousand Spanish dollars in the former case and 2000 in the latter, when they delivered him into my hands. Wednesday the 24th, the Sandrabonean Grandee of the Realm Craeng Baloesang having come up here on private matters, but nevertheless having appeared before me, declared that the King and Grandees of the Realm were making every effort to gather money in order to settle their debt, and that with the razing of the ramparts
Dutch transcription
225. 445 malewang door hun g'attac„ „queert. kruijt en loot item geweeren aan d' onderdanen verstrekt. een premie op Sankilang en d'overige gesteld. de Koning van Bonij heeft de onderdanen door de zijnen aangehouden laten gaan. en de padij velden soen terug geven. acces aan Craeng Bontolancas g'accordeert. Zaturdag den 20=e kwamen alhier eenige zendelingen van Craeng Anabadjing met drie afgehouwene hoofden van Rebellen, berigt brengende dat een groote parthij derzelve onder ses vendels gisteren middag de negorij Male„ „wang g'attacqueerd hebbende, door d' onsen afgeslagen en op de vlugt gedreeven waaren, met versoek om eenige snaphaanen met de nodi„ „ge patroonen en vuursteenen, welk een en ander ik aan deselve hebbe doen afgeeven, de snaphaanen egter ten getalle van twaalf stuks enkel ter leen; terwijl ik de sendelingen last gaf hun meester over de standvastigheijd door d' onsen betoond, mijn ge„ „noegen te betuijgen en om hun daar toe verder aan te spooren, met belofte van een goede belooning voor ieder Rebel die zij leevendig bren„ „gen mogten, en wel van 2000. spaans voor hun hoofd Sankilang en pro rato voor d' anderen. Ook arriveerde alhier van Maros den Capitain der Mooren met tijding dat de koning van Bonij door de zijne alle de padij velden hadde doen restitueeren, die zij 's Comp„s onderdaanen hadden afge„ „nomen en teffens aan alle princen en grooten ordre gegeeven was om d' onderdaanen te laeten gaan die zig bij hun onthielden mitsgaders dat 'er ook bereets veelen tot hun wettige Regenten terug gekeerd waaren; voor welk een en ander ik hem last gaf zijn Hoogheijd te bedanken. Sondag den 21=e viel niets voor dan dat den Macassaerse Prins Craeng Bonto„ „lancas acces liet vragen dat g'accordeert zijnde tegen Maandag den 22:e zo verscheen hij des voor de middags nevens de geweesene tweede zijn berig ten nopens de Rebellen sjabandhaar van Goa te kennen geevende: hoe hij gekomen was om mij te berigten het geen hij nopens de Rebellen verno„ „men hadde hier in bestaande: Dat Craeng Mandalle, een der Kiesheeren, niet meer met de„ „selve willende te doen hebben, hun verlaeten, en na de geberg„ „tens van Bonto lo-E. vertrocken was Dat Craeng Candjilo en zijn zoon Sapana zig onthielden op de negorij Mamampang; Sankilang op Lanna en Arou Mampoe op Parang Laboea. Dat de overige kiesheeren deels op Patalassang en drie koppen gebragt van Rebellen. deels hem vermaand de kiesheeren aan te sporen om in submissie te komen. hem onderstand van geld toegezegt. zeeker macassaars rebel verzoekt verblijf te Poe„ „lembankeeng. aan die van glissong geweeren kruijt en loot vertrekt. een premie belooft voor san„ Kilang. de sandraboniers geven voor geld te versamelen tot voldoe„ „ning van de schuld. en dat dewallen wierden geslegt. deels op Coinjong waaren. Voor welke berigten ik voornoemde prins hebbe bedankt; onder vermaaning om ten zijnen eigen beste, de kiesheeren bij Continuatie D aan te spooren in submissie te komen waar toe hij betuijgde zijn best te willen doen. voorts verzogt hij onder de serieuse betuijging van zig in eene zo groote armoede te bevinden dat hij niets meer hadde om van te kun„ „nen leeven eenige onderstand van penningen die ik hem toezeijde te zullen bezorgen zo dra ik 'er zelfs van voorsien was. Dingsdag den 23=e kwam alhier een: sendeling van Craeng Glissong met berigt hoe den macassaart prins Craeng Pattoeng, die zig bij de Rebellen bevind„ aan Craeng Anabadjing in stille hadde laeten weeten dat Sankilang in een reco zoort van rasernij vervallen en tegen de raad en vermaningen der overige hoofden voorneemens zoude weezen andermaal Malewang t' attac„ „queeren, daar hij Craeng Pattoeng niet alleen meede niet toegenegen was, maar dat hij zelfs in 't geheel met hem niet meer te doen willende hebben, Craeng Anabadjing hadde laeten versoeken om hem ergens in het Poelembankeengse een plaats te vergunnen, daar hij zig met de zijne konde neederzetten. Ook voegde gemelde zendelingen hier bij dat de Sandrabonijs Prins Craeng Taipa eenige hulptroupen aan die van Malewang gezonden den hadde en zulks ook was gedaan door zijn meesters, die teffens liet versoeken om eenige geweeren mitsgaders kruijt, loot en vuursteenen welke eerstgemelde ik ten getalle van twaalf stuks en van het an„ berigt „dere na rato hebbende doen afgeeven, gaf ik hem last zijn meester aan te maanen om zijn uijterste devoiren aan te wenden ten eijnde Tankilang dood of levendig in handen te krijgen onder belofte van duijsend spaans in het eerste en 2000. in 't laaste geval„ wanneer zij hem leverde in mijne handen. woensdag den 24=e Den Pandrabonijs Rijksgroot Craeng Baloesang alhier om particuliere zaaken opgekomen dog egter bij mij verscheenen zijnde, betuijgde denzelven dat de Koning en Rijksgrooten B de alle moeijte in het werk stelden tot het vergaderen van geld, ten eijnde hun schuld te voldoen en dat met de slegting der wallen aan 3
English
222. 447 Thursday the 25th to Wednesday Violence committed by a Bone prince. Recommendation thereupon to the subjects. And complaint concerning it to the Madanrang. Report that the Rebels wish to attack Malewang again. Friday Reports from Wadjo concerning the Bone villages of Tjinrana and Timoeroeng. The King of Bone returned from Maros. Sunday Disagreements between Sankilang and the other rebels. Monday Order to those of Malewang to apprehend a certain Macassar prince. Tuesday the 30th, nothing occurred that deserves a particular note here. Wednesday the 31st, there arrived here from Siang, Glarrang Patjelang, sent by the Lomo to inform me that the Bone Prince Daeng Maliempo had by force carried off a female person from the village of Toeroengang Bisoea, whom he refused to return; that he, the Lomo, had thereupon indeed assembled some people to recover her likewise by force, but that Daeng Maliempo was holding out against this with a large number of armed Bone people; that he, the Lomo, had not wished to attack him without my prior knowledge, but first requested my order concerning this. Whereupon I ordered the messenger to tell his master that I had more than enough times given orders and authorization to all the subjects not to endure any molestation from the Bone people but to resist them with force, rather than it being necessary to repeat the same; and that I therefore expected that he, the Lomo, would adhere to this for the future, in order to instill fear in them once and for all, which I told the messenger would certainly follow from it. With further orders nevertheless to go for the present to the Madanrang in order to complain about the conduct of Daeng Maliempo and to demand the restitution of the abducted subject. After this, a messenger came to me from Craeng Anabadjing with a report that the Rebels were said to be intending to attack Malewang anew; whereupon I only let him know that he must not only keep himself ready for a spirited defense, but also as much as possible to apprehend them, with another promise of the reward set upon them. Thursday the 1st of April, nothing occurred [illegible] walls was diligently continued, about which I made my satisfaction known to him, with a suitable recommendation. Friday the 2nd, the chief interpreter reported that he had learned that the Patola-E of Wadjo named Barantie, being a brother-in-law of the Aratung, had proposed to the other Grandees of that country to have those of Pamana and Pila E attack Bone, or rather the villages of Tjinrana and Timoeroeng; but that the aforementioned rulers had disapproved of that proposal as not being consistent with fairness to commit hostilities without a declaration of war, nor with the Contracts existing between Bone, Wadjo, and Soppeng, since it had been established thereby that anyone who had any claim against one of the others must first address the other party amicably about it. Among other things, Arou Tipoerang had added to this that in case Patolaij-E should put his intention into effect, he would leave the consequences thereof to his account, and meanwhile would not allow those of Pamana and Pilaij E to let themselves be used for that purpose. Toward evening the Bone interpreter Passier came to inform me that the King of Bone had returned from Maros, whom I, on Saturday the 3rd, caused to be congratulated on this his return by the bookkeeper Deefhout. Sunday the 4th, nothing occurred. Monday the 5th, a spy sent out a few days ago by my order to inquire into the situation of the Rebels and their movements in the mountains around Lanna, where they still mostly reside, brought a report today mainly stating that Sankilang had fallen into disagreement with the other principal chiefs, primarily because they could not agree with one another about their further undertakings; Sankilang repeatedly wanting to attack Malewang, which the others could not agree to, pretending that it would be better to take possession of Goa again, which did not suit him at all. Furthermore, two messengers came from Bonto Malewang to report to me on behalf of Daing Marapoe and Goeroe Lolo, chiefs of this district, that the Macassar Prince Craeng Bonto Nompo, brother-in-law of the Bone Pongauwa Datoe Baringang, had arrived there a month ago and was still residing there, pretending that this was with the prior knowledge of the King of Bone. But since they could not look upon his staying there with favorable eyes, as he sought to entice the subjects of the Company away and [illegible]
Dutch transcription
222. 447 Donderdag den 25„e tot woensdag gepleegd geweld door een Boniers Prins. recommandatie daar omtrend aan d'onderdanen. en doleantie daar over bij den Madanrang. berigt dat de Rebellen Malewang weder willen attacqueeren. vrijdag Berigten uijt wadjo omtrend de bonijse negorijen Tjinrana en Timoeroeng. Dingsdag „ 30=e is niets gepasseerd dat in deesen een bijsondere aanteekening verdiend. „ 31=e Arriveerde alhier van Siang Glarrang Patjelang, door den Lomo gezonden om mij bekend te maeken; hoe den Bonijs Prins Daeng Maliempo met geweld een vrouws persoon van de negorij Toeroengang Bisoea hebbende doen weghaalen die hij weijgerde weeder over te geeven, hij Lomo daar op wel eenig volk verzameld hadde om z: insgelijks door magt weeder te krijgen, dog dat Daeng. Maliempoe zig daar legen met een groot getal Boniers gewa„ „pend houdende, hij Lomo hem niet sonder mijne voorkennisse hadde wil„ „len aantasten maar alvorens liet versoeken mijne ordre daar omtrend. waar op ik den sendeling gelaste zijn Meester te zeggen hoe ik maar meer dan te veel maalen bevel en qualificatie gegeeven hadde aan alle de onder„ „daanen om geen molest van de Boniers te verdragen maar deselve gewel„ „dadig te keer te gaan, dan dat het nodig zoude weesen het zelve te herhae„ „len, en dat ik dierhalven verwagten wilde dat hij Lomo voor het vervolg het zelve nakomen zoude, ten eijnde eenmaal den schrik 'er onder te brengen die ik hem sendeling zeijde dat 'er zeekerlijk als dan op volgen zoude, met verder bevel om zig nogthans voor het tegen„ „woordige te begeeven bij den Madanrang ten einde over het gedrag van Daing Maliempoe te doleeren en de restitutie t' eijsschen van de geroofde onderdaan. Hier na kwam een sendeling bij mij van Craeng Anabadjing met berigt dat de Rebellen gezegt wierden op nieuw Malewang te zullen attacqueeren waar op ik hem eenlijk weeten liet dat hij zig tot een wackere defensie niet alleen moeste gereed houden, maar ook zo veel mogelijk om dezelve op te ligten onder andermalige belofte van de daar op gestelde premie. „ 2„e Rapporteerde den oppertolk hoe hij vernomen hadde dat de Patoe„ „la=E: van wadjo genaamd Barantie, zijnde een swager van den Adatouang aande verdere Grooten van dat Land zoude voorgesla„ „gen hebben, om door die van Pamana en Pila E, Bonij of wel Donderdag den 1=e April viel niets voor wallen ieverig wierd voortgevaeren; waar over ik hem mijn genoegen te kennen hebbe geven onder eene gepaste recommandatie. de de koning van Bonij van maros gereverteert. Zondag oneenigheden tusschen san„ „killing ende overige rebellen Maandag ordre aandie van male„ „wang om zeeker macas„ „saars prins op te ligten. de negorijen Tjinrana en Timoeroeng t' attacqueeren, dog dat de gemel„ „de vorsten dat voorstel afgekeurd hadden, als niet bestaanbaar zijnde met de billijkheijd om sonder een oorlogs declaratie vijandelijkheden te plee„ „gen nog met de Contracten tusschen Bonij, wadjo en Soping subsisteeren„ „de, vermits daar bij waare vastgesteld dat die geene die iets op een der an„ „deren te pretendeeren hadde daar over alvoorens in der minne parthij moeste aanspreeken. onder anderen was door Arou Tipoerang hier nog bij gevoegd dat ingevalle Patoelaij-E: zijn voorneemen werkstellig mogte maaken, hij de gevolgen daer van voor sijn reekening liet mitsgaders intusschen niet toestaan zoude dat die van Iamana en Pilaij E. zig daar toe lieten gebruijken. Tegen den avond kwam den Bonijs tolk Passier mij bekend maeken. dat de Koning van Maros was gereverteerd, die ik des Saturdags den 3=en over deeze zijn terug komst, door den boekhouder Deefhout, hebbe doen vergelucken. 4=e niets voorgevallen. 5=e Een spion voor eenige dagen ter mijner ordre uijtgesonden, om na de toestand der Rebellen en haere beweegingen in het gebergte omtrend Lanna, daar zij zig nog meest allen onthouden, te verneemen, bragt heden ten principaalen tot rapport dat Sankilang met de verdere voornaeme hoofden in oneenigheijd was geraakt, principaal ter oorsaake zij elkanderen niet verstaan konden over hunne verdere onderneemingen; Sankilang telkens Malewang willende attacquee„ „ren, waar toe d' andere niet konden verstaan. voorgeevende dat het dan beter waare om zig weeder van Goa meester te maeken; dat hem in 't geheel niet aanstond. Voorts kwamen twee sendelingen van Bonto Malewang mij uijt naam van Daing Marapoe en Goeroe Lolo hoofden van dit district berigten hoe de Macassaars Prins Craeng Bonto Nompo, swager vanden Bonijs Pongauwa Datou Baringang nu een maand geleeden aldaar gekomen was en 'er zig nog onthield, onder voor„ „geeven dat zulks waare met voorkennisse van den koning van Bonij. Dog vermits zij niet met goede oogen konden aansien dat hij daer verbleef, vermits hij d' onderdaanen van de Comp=e zogt af te trecken en 1 „ „ de ver ller Datoe „dekt. pries Corres ster de a laten g