VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3556

Japan · 1,428 pages · 337 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3556_0943 view scan ↗

English

223. 449 The Bonian magnates wish to depose Datoe Baringang as Pongauwa. Correspondence by a high priest with the rebels discovered. Datoe Baringang pretends to want to prevent the tithing at Maros. Arrival of Datoe Seping. Once again satisfaction demanded from Boni for the committed robbery and restitution of the borrowed firearms. and to get him to his side; they therefore requested orders concerning that matter, whereupon I instructed those emissaries to tell their masters that they should do their best to apprehend the aforementioned Craeng and send him hither, and that I would give them 200 Spanish rijksdaalders for that, and forty of the same Spanish rijksdaalders as a reward for each person of his retinue. After this, I was further informed by the chief interpreter that the Bonian grandees of the realm intended to strip Datou Baringang of the office of Pongauwa, but that he did not wish to relinquish it, and they would thus endeavor to compel him to do so. It was also related to me that three subordinates of the Bonian High Priest Saeijdja at Bontuala, wishing to go with letters from him to the rebels, were intercepted by some Bonians and sent to the Madanrang, presently at Maros; that grandee of the realm was said to have spoken: "behold, that one still wants to be a High Priest, and yet maintains correspondence with the enemies; I shall send those people to the Governor." Whereupon Datou Baringang, who was present there, countered him, saying: "you care much for the Company and the Governor, but I assure you that I will no longer allow Maros to be tithed, since it belongs to me as having reconquered it." To which the Madanrang had replied in turn: "it is true that you reconquered it, but nonetheless with the Company's weapons, and how could you dare to contemplate obstructing the tithing, to which the Company alone is entitled, even if it were the Bonian lands themselves, if such had been agreed upon." In the afternoon the Datou of Soping arrived here, who gave me notice of his arrival, on account of which I had him complimented by the ordinary emissary Daeng Mandjarekie. Thursday the 6th. Through the bookkeeper Deefhout, I again had satisfaction demanded from the King of Boni for the robbed goods from the house of the Chinese smith Tio Lianko, and at the same time demanded the return of the firearms borrowed at the beginning of the war as well as previously; regarding the former, His Highness let me know that Arou Ngataka was not yet here, and with regard to the firearms, that although I had not reminded him thereof, he had already contemplated having them gathered up himself in order to be returned to the Company. Arrival of Arou Pantjana; his visit with Arou Leerang and report concerning the Wadjoese. Requests further access. Discourse with the same about the war. Wednesday the 7th to Tuesday the 13th. Nothing of particular note occurred, except that on the last-mentioned day the Tanete Prince Arou Pantjana arrived here, who, having previously requested access, came to me towards noon on Wednesday the 14th, making it known that upon the news that I wished to depart for Maros, he had betaken himself hither in order to convoy me if I so desired, while he at the same time presented to me Arou Leerang, recently married to one of his sisters, who he declared would likewise in any case be at my service. Having furthermore been said by him that he had learned that the Wadjoese wished to have the two Bonian villages Tjinrana and Timoerong, to which I replied that I could not think that they would begin any hostilities over that without a prior admonition, to which they certainly had some right, of which opinion he said he was likewise; he requested to be allowed to speak with me in private on a further occasion when it might suit me, which I promised him I would let him know. Thursday the 15th, nothing occurred. Friday the 16th. Having had Arou Pantjana come to me; after having inquired beforehand when I intended to depart for Maros, he asked what my intention was concerning the war, which had already lasted two years, and whether an end would not soon come to it, as well as whether the King of Boni did not do his best thereto; whereupon I replied how I, already before the conquest of Goa, had declared both to the late King and to others that in case those who had comprised the lawful government of Macassar, or the Batoe Salappangs /:electors:/, wished to come into submission, the Company would be prepared to make peace again, and that I was still of the same opinion, but that to my surprise I saw nothing come of it. That I did not know what the King of Boni did concerning that, but indeed that many magnates sought to fish in troubled waters, as they had done throughout the entire war and were still doing, as well for that as for other reasons

Dutch transcription

223. 449 de Bonijse grooten willen Datoe Baringang als Pon„ „gauwa afzetten. Correspondentie door een hogen „priester met de Rebellen ont„ „dikt. Datoe Baringang geeft voor de vertiening op maros te willen beletten. komst van datoe seping andermaal voldoening bij bonij laten vragen voor de gepleegde roof. en restitutie van de geleende en op zijn zijde te krijgen: zij dierhalven daar omtrend ordre versogten, waar op ik die sendelingen last gaf hun meesters te zeggen dat hij hun best moesten doen om gemelde Craeng op te ligten en her„ „waarts te zenden dat ik hun daar voor 200. spaans: en voor ieder van zijn gevolg veertig gelijke rijxd„s spaans: tot een belooning zoude geeven. Hier na wierd mij nog door den oppertolk berigt dat de Bonijse Rijksgroo„ x „ten voorneemens waaren Datou Baringang het ampt van Pongau„ „wa t' ontneemen, dog dat hij het zelve niet afstaan wilde en zij dus tragten zouden om hem daar toe te noodsaaken. ook wierd mij verhaald dat drie onderhoorige van den Benijs Hoogen Priester Saeijdja te Bontuala, met brieven door hem na de Rebellen willende, door eenige Boniers opgevat en aan den Madanrang, thans op Maros, gezonden zijnde, „ dien Rijksgroot zoude gezegt hebben: „ziet dat wil nu nog een Hoogen Priester zijn en houd egter Correspondentie met „de vijanden; ik zal dat volk aan den Heer Gouverneur zenden„ dog waar op Datou Baringang, die daar present was hem hadde te gemoet gevoerd, gij houd veel van de Comp=e en den Heer Gouverneur maar ik verseekere dat ik Maros niet meer zal laeten vertienen, dewijl het mij gehoord als het weeder verovert hebbende, daar den Madanrang weeder op hadde gediend, het is waar gij hebt het herovert maar nog thans met 's Comp„s wapenen en hoe zoud gij in gedagten durven neemen de vertiening te verhinderen waar toe de Comp=e alleen geregtigt is, al was het de Bonijse Landen zelfs zo men daar toe over een gekomen was: Des nademiddags arriveerde alhier den Datou van Soping die mij van van zijn komst died kennisse geeven werwegens ik hem door den ordinair sendeling Daeng Mandjarekie hebbe doen Complimenteeren. Donderdag den 6=e Hebbe ik door den boekhouder Deefhout bij den koning van Bonij alwee„ „der voldoening laeten vragen voor de geroofde goederen uijt het huijs van den Chinees Smit Tio Lianko en teffens terug eijsschen de in het begin van den oorlog zo wel als bevoorens geleende geweeren, op welke eerste zijn Hoogheijd mij liet weeten dat Arou Ngataka nog niet hier was en ten aansien van de geweeren dat schoon ik zulks niet hadde erin„ „nert hij zelfs reets was bedagt geweest om z: te doen vergaderen ten eijnde aande Comp=e gerestitueerd te worden. woensdag geweeren. Woensdag den 7=e tot komst van Arou Pantjana zijn visite met Arou Lee„ „rang en berigt nopens de wadjo„ „reesen. versoekt nader acces. vrijdag over den oorlog. Donderdag den 15=e viel niets voor Dingsdag „ 13=e Niets van bijsondere aanmerking voorgevallen, als dat ten laest gemelde dage alhier arriveerde den Tanets Prins Arou Pantjana, die na voor af verzogt acces, des woensdag den 14=e Tegen den middag bij mij kwam te kennen geevende zig op het be„ „rigt dat ik na Maros wilde vertrecken herwaarts begeeven te hebben, ten eijnde mij, als ik zulks begierde, te Convoijeeren, terwijl hij mij tef„ „fens presenteerde Arou Leerang Jongst met een sijner susters ge„ „huwd die hij betuijgde mij in allen gevalle meede ten dienste te zullen slaan. Hier op nog door hem gezegt zijnde vernomen te hebben dat de wa„ „djoreesen de twee bonijse negorijen Tjinrana en Timoerong wil„ „den hebben, waar op ik diende dat ik niet denken konde dat zij daar om eenige vijandelijkheden zouden beginnen zonder een voor afgaande aanmaaning, waar toe zij zeeker eenig regt hadden, van welk gevoe„ „len hij zeijde insgelijks te weesen, zo versogt hij bij nader gelegentheijd mij te mogen spreeken in 't particulier, wanneer mij sulks gelegen mogt komen, dat ik hem toezeijde te zullen laeten weeten. 16=e Arou Pantjana bij mij hebbende doen komen; vroeg hij, na zig voor Arg g Discours met den zelven af g'informeerd te hebben wanneer ik na Maros meende te vertrecken, wat mijne intentie was nopens den oorlog, die nu al bereets twee jae„ „ren geduurd hadde en of daar van niet haast een eijnde zoude komen, mitsgaders of de koning van Bonij daar toe zijn best niet kwam te doen; waar op door mij gedient zijnde hoe ik bereets voor de verove„ „ring van Goa, zo aan den overleeden koning als anderen verklaard hebbende dat ingevalle de geene die de wettige Regeering van Macas„ „ser hadde uijtgemaakt of de Batoe Salappangs /:kiesheeren:/ in submissie komen wilde de Comp=e bereid zoude weesen om weeder su vreede te maeken en dat ik nog in 't zelve gevoelen was, dog daar van tot mijne verwondering niets komen zag. dat ik niet wist wat de koning van Bonij daar omtrend deed maar wel dat veele grooten in troubel water tragtende te visschen, zo als zij geduurende den gantschen oorlog gedaan hadden en nog deeden, zo om die als andere reeden 1 „ „ om hij

NL-HaNA_1.04.02_3556_0945 view scan ↗

English

224 451 He undertakes to attempt through Craeng Thaing to bring the electors into submission. Sankilang de novo in dispute with Aroe Mampoe. Saturday the 17th. Sunday the 18th. Further attempt to bring the electors of Goa into submission. reasons would hinder rather than promote unification, as had been demonstrated with regard to Sandrabonij, and that on account of all this I would be obliged de novo to use the Company's arms to subjugate the Rebels. Whereupon he further asked whether he would be permitted to send an emissary to Arou Mampoe, the late King of Goa, as it was known to me that he was a brother-in-law of his; but to which I replied that, just as I had declared to others, I could not treat with individual persons, but that in case he might know of an opportunity to persuade the Batoe Salappangs to make a joint application for the restoration of peace and the ending of a country-destroying war, which moreover, if it continued longer, would result in the complete destruction of the entire Macassar Empire, I would gladly see this happen. Whereupon he requested to make a trip to Thaing, in order to propose to Craeng Carawisie the sending of an embassy to the aforementioned grandees, which I agreed to, after which he took his leave. In the afternoon the chief interpreter reported having learned that Tankilang had once again entered into a quarrel with Arou Mampoe, and the former having subsequently declared his wish to separate himself from him, the latter was said to have replied that he might do so, provided he first surrendered the imperial regalia which he had in his possession, which he had not been inclined to do. Nothing of particular importance occurred. Monday the 19th. The Macassar Prince Craeng Bontolancas made known to me through Glarang Patjenongang that, in accordance with the agreement, having sent an emissary to Craeng Mandalle to urge him to dispose the Electors of Goa to come into submission, the same had declared to be very pleased with this report given to him, but that he could not yet give a definite answer to it, but would seek an opportunity to speak with them and then send an answer. Furthermore. Violence committed by Jennang Maros against Lomo. Some Rebels driven away at Malewang. Those of Sandrabonij excuse themselves from siding with them. Craeng Thaing promises to send an embassy to the Macassar electors. Furthermore, the Lomo of Maros appeared before me complaining that the Jennang of Bonij, on the occasion that he had a few days ago arrested a suspected murderer, who was also a Bonian, whose surrender the Jennang had demanded, which had been refused him, while the same had been sent to the chief interpreter, that chief had by force taken one of his female slaves from his house, concerning which he requested my assistance, which I promised him. Tuesday the 20th. An emissary of Craeng Anabadjing arrived, accompanied by the latter's son, to report to me that since the last attack against Malewang, in which Pankilang had been put to flight, no rebels had appeared there, except for a few who had passed nearby, up to three times, namely about eleven men once, seven once, and once a large party provided with native torches, probably with the intention of setting fires, but that they had been discovered and driven away. I ordered the said emissaries to express to their master and the people of Malewang my satisfaction with their conduct, while exhorting them to continue to behave manfully and promising to give them a reward for every Rebel they should send to me alive. Furthermore, they also related that, the aforementioned expulsion of the Rebels having become known within Sandrabonij, a rumor had arisen that in case those of Malewang should come there, they would be murdered, but that the Company's emissary Daing Manamboe, having subsequently presented himself to Craeng Baloesang, the same along with the King and other imperial grandees had declared that they were too closely allied with the Company to do such a thing, and that they would conduct a strict investigation as to where this talk had come from. Wednesday the 21st. The Tanette Prince Arou Pantjana came to report to me regarding his experiences with Craeng Thaing, that she, while expressing her joy at his arrival and the message on my behalf, had undertaken to send emissaries to the

Dutch transcription

224 451 hij neemt aan door Craeng Thaing te willen probeeren om de kiesheeren in submissie te brengen. Sankilang de novo met Aroe Mampoe in questi geraakt. Zaturdag den 17=e Sondag nader tentamen om de kiesheeren van Goa, in submissie te doen komen. reeden de vereeniging eerder tegenhouden dan bevorderen zouden, zo als ge„ „bleeken was ten aansien van Sandrabonij en dat ik uijt hoofde van dit alles genoodsaakt zoude weesen om de novo 's Comp„s wape„ „nen te gebruijken ter onderbrenging van de Rebellen. waar op hij verder vroeg of het hem wel gepermitteerd zoude zijn een sendeling aan Arou Mampoe /:de laastgeweese Koning van goa:/ te zenden, als mij bekend zijnde, dat het een swager van hem was;' dog op het welke ik diende dat ik even als ik aan anderen hadde verklaard met geen bijsondere persoonen handelen konde maar dat ingevalle hij gelegentheijd mogte weeten de Batoe Salappangs over te haalen om gezaementlijk aansoek te doen tot herstelling van den vreede en het eindigen van een land verdervenden oorlog, die daar en boven bij langer aanhouden een gantsche vernietiging van het geheele Macassaarse Rijk zoude ten gevolge hebben ik zulks gaar„ „ne zoude zien. Op het welk hij versogt een keer na Thaing te doen, ten eijnde Craeng Carawisie het doen van een bezending aan meer„ „melde grooten voor te slaan dat ik accordeerde en waar na hij zijn afscheijd nam. 'S nademiddags rapporteerde den oppertolk vernomen te hebben dat Tankilang op nieuw met Arou Mampoe inwoorden geraakt zoude weesen en den eerstgemelden daar op voorgegeeven hebbende zig van hem te willen absenteeren, deese daar op zoude gezegt hebben om zulks te kunnen doen, mits alvoorens de Rijks ornamenten over„ „geevende die hij onder zig hadde die daar toe niet genegen was geweest. Niets van sonderling belang voorgevallen. 19=e Liet den Macassaars Prins Craeng Bontolancas, mij door glar„ „rang Patjenongang bekend maeken, hoe hij navolgens afspraak een sendeling aan Craeng Mandalle gesonden hebbende om hem aan te maanen de Kiesheeren van Goa te disponeeren in sub„ „missie te komen den zelven betuijgd hadde zeer verblijd te weesen over dit hem gegeeven narigt, dog dat hij nog geen vast be„ „scheijd daar op geeven maar gelegentheijd soeken zoude om deselve te spreeken en dan antwoord zenden. „ 18= voorts Maandag „ geweld gepleegd door Jennang maros bij Lomo. Eenige Rebellen op malewang verdreeven. die van sandrabonij ex„ „cuseeren zig het met deselve te houden. Craeng Thaing belooft, een bezending te zullen doen aan de macassaer„ „se kiesheeren. voorts verscheen bij mij den Lomo van Maros klagende hoe den Jennang van Bonij, ter gelegentheijd dat hij voor weijnig dagen een suspect moordenaar, meede een Bonier zijnde, hebben„ „de doen opvatten, welker overgave hij Jennang begeerd hadde dog het welk hem geweijgert, terwijl den zelven aan den oppertolk gezonden was, dat hoofd met geweld een zijner slavinnen van zijn huijs hadde doen afhaelen, waar omtrend hij mijne hulpe verzogt die ik hem toezeijde Dingsdag den 20=e kwam een sendeling van Craeng Anabadjing, verzeld van des laastgemeldens zoon mij berigten, dat zedert de laatste attacque tegen Malewang, in welke Pankilang op de vlugt gecreeven was, zig aldaar geen rebellen vertoond hadden als eenige weijnige die daar omtrend gepasseerd waaren, tot drie reijsen als een Elf man, eens. seven en eens een groote parthij voorsien met Jn„ „landse flambouwen, denkelijk met intentie om brand te stig„ „ten dog dat z' waaren ontdekt en verjaagd. Jk gaf gemelde sendelingen last hunnen meester en de volkeren van Male„ „wang mijn genoegen te betuijgen over hun gedrag onder vermaaning van verder zig manmoedig te gedragen en be„ „lofte om hun een belooning te geeven voor ieder Rebel die zij mij levendig zouden zenden. t voorts verhaalden zij nog dat de voormelde verjaging der Rebellen binnen Sandrabonij bekend geworden 'er een gerugt was ontslaan dat ingevalle die van Malewang daar komen mogten zij ver„ „moord zouden worden, dog dat 's Comp„s sendeling Daing Manam„ „boe, zig daar op vervoegd hebbende bij Craeng Baloesang, den zel„ „ven nevens de Koning en verdere Rijksgrooten verklaard had„ „den met de Comp:e te naeuw in verbond te slaan om sulks te doen en zij scherp ondersoek zouden doen, waar die praat van daan kwam. woensdag den 21=e kwam den Tanets Prins Arou Pantjana, mij voor zijn wee„ „dervaeren bij Craeng Thaing rapporteeren dat zij onder be„ „tuijging van haare blijdschap over zijn komst en de bood„ „schap mijnentwegen, aangenomen hadde sendelingen na het

NL-HaNA_1.04.02_3556_0947 view scan ↗

English

A certain stolen Bonian sent to the king. Promise by those of Sandrabonij to settle the debt. Further exhortation ordered to be made thereto, with grievance concerning piracies committed by the king's brother. to the mountains, to the Macassar electors, in order if possible to persuade them to submit. That she had furthermore requested that orders be given to allow both her people departing for the mountains and those who might return from there to pass unhindered, to which I replied that this was unnecessary, seeing that all of them did not need to come to the north side of the Goa River and thus in sight of our post, but to the south side, and that our post had to remain clear, to prevent ill-disposed persons from abusing that permission. In the afternoon, through the under-interpreter de Graaf, I had a grandson of the Madanrang brought to the King of Bonij, who, having been abducted by a Bonian with the intent to sell him, was fortunately rescued by the fiscal's men, while the perpetrator managed to escape. After this, the envoy Daeng Manamboe, sent some time ago by the chief interpreter by my order to Sandrabonij to exhort the king and the grandees of the realm to a prompt settlement of the national debt, came to report to me that, having fulfilled this charge, two hundred Spanish reals had already been collected during his presence, and Craeng Baloesang had promised to obtain still more as soon as possible and to send it all hither. Whereupon I ordered him again to depart thither once more, not only to exhort the King and the grandees of the realm de novo to settle the aforementioned debt, and further to the swift leveling of the walls of their stronghold, but especially to complain about the conduct of the king's brother Craeng Banpanjera, who, according to reports received here, committing piracies, robbed all those who wished to enter and leave the river there of whatever they had, and even caused the people to be seized and carried off, and further to make known to the monarch that in case his brother should again be guilty of this, I would treat him as a common person, Access requested by the Bonian king postponed. Troops sent to Maros. Departed thither. Demand for a certain female slave robbed by the Jennang of Maros, and of the subjects who are still with the Bonians. Several Bonian princes departed from Maros. and for that reason have him done away with. In the afternoon, the King of Bonij had access requested of me for coming Monday, which I nevertheless postponed to a further opportunity on account of my intended departure for Maros the day after tomorrow. Thursday the 22nd. In the early morning, two companies of Madurese together with some native subjects and a corporal and eight horsemen departed overland for Maros, to serve there as my protection against all unexpected attacks upon my arrival there; having been followed in the afternoon by sea by forty soldiers and twelve artillerymen along with ten cannons and two mortars, with a patjallang and two boats. Friday the 23rd. In the early morning, I departed in the company of the Captain of Artillery Sundberg for Maros, where, arriving in the afternoon at four o'clock without yet finding any of the advance troops, I nevertheless immediately set in motion everything that could provisionally serve for our security, when finally the soldiers arrived successively, and subsequently the horsemen along with a portion of the Madurese; the rest of whom Saturday the 24th followed, when in the meantime a beginning was immediately made with the building of huts for them around the palisade of the former house of the sergeant where I took up my residence, and where in the forenoon, after having previously requested access, the Soelewattang of Bontualacq came to me, having followed me by the king's order; from whom I immediately demanded the female slave robbed by the Jennang from the house of the Lomo, and at the same time to give immediate orders that the Company's subjects who were still residing in various Bonian villages should depart from there to their own Regents, regarding which matters he promised to send someone to the Madanrang at once. In the afternoon it was reported to me that several Bonian princes who had resided in the province of Maros for a considerable

Dutch transcription

225. 453 zeeker gestolen bonier aan den koning gezonden: belofte door die van Sandra, „bonij tot aflegging der Schuld. nader aanmaning daar toe laten doen. met doleantie over zee rove„ „rijen door 's konings broeder gepleegd. het gebergte; bij de Macassaarse kiesheeren, te zinden, ten eijnde haar des mogelijk te doen overreden om in submissie te komen Dat zij nog thans verzogt hadde om ordre te geeven om zo wel haare volkeren die na het gebergte vertrecken als de geene die van daar terug keeren mogten onverhindert te laeten passeeren, dog waar op ik diende dat zulks onnodig was, gemerkt alle deselve niet aan de noordkant van de Goase rivier en dus in 't gezigt van onse post behoefden te komen, maar aan de zuijdkant, en onse post vrij blijven moeste, ter voorkoming dat kwaadgezinden van die permissie misbruijk konden maeken. Des nademiddags hebbe ik door den ondertolk de graaf aan den koning van Bonij doen brengen een kleenzoon van den Madan„ „rang, die door een Bonier opgeligt met intentie om hem te ver„ „koopen geluckig door volk van den fiscaal ontzet is, terwijl den daeder het heeft weeten t' ontkomen. Hier na kwam den sendeling Daeng Manamboe, voor eenigen tijd door den oppertolk ter mijner ordre na Sandrabonij gezonden ƒ om den koning en Rijksgrooten aan te maanen tot een spoedige d voldoening van de Rijksschuld, mij berigten dat hij aan deese last voldaan hebbende 'er bij zijn aanweesen reets weeder twee hon„ „derd spaans gecollecteerd: waaren en Craeng Baloesang beloofd hadde om zo spoedig doenlijk nog meerder te bemagtigen en het een en ander herwaarts te bezorgen. waar op ik hem weeder gelast hebbe om andermaal derwaarts te vertrecken ten eijnde de Koning en Rijksgrooten de novo tot aflegging der voorschreeven schuld niet alleen aan te maanen en voorts tot het spoedig slegten der wallen van hunne sterkte„ maar insonderheijd om te doleeren over het gedrag van 's konings broeder Craeng Banpanjera, die volgens de alhier ontfangene berigten zeeroverijen pleegende, alle de geene die de rivier aldaar in en uijt willen beroofde van het geene zij hadden en zelfs het „volk deed opvatten en vervoeren, en den vorst wijders te ken„ „nen te geeven dat ingevalle zijn broeder zig daar aan weeder mogte schuldig maeken ik met den selven als een gemeen persoon :x koning uijtgesteld. „zonden. derwaarts vertrocken. opeijssching van zekere slavin door Jennang. maros geroofd. en van de onderdanen die nog bij de boniers sijn verscheijde bonijse princen van maros vertrocken. perzoon zoude handelen en hem over zulks van kant doen helpen verzogt acces door bonijs Des nademiddags liet den koning van Bonij acces bij mij vragen tegens aanstaande maandag dat ik egter tot nader gelegentheijd hebbe uijtgesteld mits mijn voorgenomen vertrek na Maros op overmorgen Donderdag den 22=e Jn den vroegen morgen zijn twee Compagnien Madureesen ne„ Troupen na maros ge„ „vens eenige Jnlanders van d' onderdaanen en een Corporaal en agt ruijters over land na Maros vertrocken om aldaar tot mijne bedecking te dienen, tegen alle onverhoopte aanvallen, bij mijn komst aldaar; des nademiddags over zee gevolgd zijnde van 1 veertig militairen en twaalf arthilleriste nevens tien Canons en twee mortieren met een patjallang en twee boots. Vrijdag den 23=e Jn den vroegen morgen stond vertrok ik in gezelschap van den Capitain der Arthillerij Sundberg na Maros alwaar ik deE nade„ „middags ten vier uuren arriveerende sonder nog eenige van de voor uijt gesondene troupen te vinden, stelde ik nog thans aan„ stonds alles te werk wat bij provisie tot onse beveijliging die„ „nen konde, wanneer eijndelijk de militairen successive aankwa„ „men en vervolgens de ruijters nevens een gedeelte van de Ma„ „ctureesen; waar van d' overige des Zaturdag den 24=e volgde wanneer intusschen al aanstonds begonnen wierd aan het bouwen van hutten voor deselve rondsom de pagger van het geweesen huijs van den sergeant waar in ik mijn verblijf hield, en alwaar des voor de middags na voor af verzogt acces bij mij kwam den Soelewattang van Bontualacq, mij uijt 's konings Ma last gevolgd; van den welken ik aanstonds requireerde de van slavin door den Jennang geroofd van het huijs van den Lomo en om teffens als nog dadelijke ordre te geeven dat 's Comp:s onderdaanen die zig nog op deese en geene Bonijse negorijen bevonden van daar na hun eijgene Regenten kwamen te vertrecken, over welk een en ander hij beloofde ten eersten iemand bij den Madanrang te zullen senden. Des nademiddags wierd mij gerapporteerd dat verscheijdene Bo„ „nijse Princen die zig in de provintie Maros zedert een Bon geruijmen 1 : „ ::

NL-HaNA_1.04.02_3556_0949 view scan ↗

English

The subjects detained by the Boniers returned to their villages. The ground for the new post enclosed with palisades. Tuesday the 27th to the slave woman of Jennang Maros recovered. Departed from Maros. Bonian troops appeared in sight of Malenkerie. had been for a considerable time, had sailed out of the river the past night with five vessels, all crammed with people, and not a single one remained there any longer, at least as far as was known to the chiefs. Sunday the 25th, I received report that most of the subjects who had been detained for a considerable time by various Bonian princes and chiefs had left them and returned to their own villages. Monday the 26th ditto. In the early morning, a start was made on palisading the flat ground where the old post had stood, to serve for the placement of the cannon and further to remain occupied by the detachment of military personnel and the Madurese who arrived here, until such time as the new redoubt shall be completed, for which I have already had a plan put to paper. Sunday 2nd May, nothing unusual occurred during these days except that on the 28th of April the slave woman of the Lomo, abducted by the Jennang from his house, was sent to me by the Soelewattang of Bonij, for which I had thanks conveyed to him; being furthermore advanced so far with the work on the new post that the place is entirely enclosed with palisades, the cannon placed in the same, and the guardhouses for the Europeans and Madurese constructed of bamboo with atap roofs so as to be capable of occupation, which has also already been ordered. Monday the 3rd. In the early morning, having first given the necessary orders regarding what will further have to be observed by the detachment, both with respect to the post to be renewed and otherwise, I departed from Maros for Macasser, where, arriving at eleven o'clock, I received a report from the burgher Fabia Theunisz that a number of well over one thousand armed Boniers had come in sight of our post at Malenkeerie, claiming they wished to come hither, and were halted by the commander there pending my further orders, for which he sent to ask. I immediately sent the said Theunisz to the King, A certain Macassar prince arrived at Patiro. Tuesday the 4th, demanded satisfaction over robbery and murder by people of Sandrabonij. Datoe Soping's request for a part of Tello rejected. King to inquire what kind of people that was, who informed me that they were the people of Doerie and had been summoned by His Highness when he had last been at Maros, in order to investigate and decide their dispute with those of Eurekan, whereupon I gave orders to let them pass. Furthermore, I had His Highness notified of my return from Maros, for which he thanked me, while the interpreter Blij reported to me how the Soelewattang of Bontualacq in his presence had reported to His Highness that one of the glarrangs of Patanbirang, being a Macassar, had proceeded to Patiro, and His Highness had said thereupon, it is well, so long as he does not come as an enemy. Craeng Anabadjing informed me through Glarrang Alipang that the latter's son, together with another subject, wishing to go fishing with a liplip off the point, had been attacked by people of Sandrabonij, and the former had been taken prisoner and the other murdered; upon which report I immediately sent the emissary Patjelang to the King of Sandrabonij, both to demand the prisoner and satisfaction over the robbery, specifically by the surrender of the perpetrators. After this appeared the Datou of Soping, bringing with him the Tanete grandee Arou Lipoecassie, with his son-in-law the Macassar Prince Craeng Limbangparang. His message, however much I had imagined that the same would have revolved around the remarkable contents of the letter I received from him on the 19th of April past, consisted solely and mainly in a request that Craeng Limbangparang might be permitted to settle again at Mandaij, in the territory of Tello, where he had lived before the war; which petition, however, I rejected, pointing out that all of Tello had been conquered by our arms and, moreover, by virtue of the cession of that kingdom by the queen to those of Goa, had devolved upon the Company, so that I could not cede anything thereof, either in whole or in part, and thus also could not permit that anyone there

Dutch transcription

455 226. d'onderdanen bij de boniers aangehouden na haar nego, rijen gekeert het terreijn voor de nieu„ rive post met pallisaden omzet. Dingsdag den 27„e tot de slavin van Jennang maros terug gekreegen. van maros vertrocken. Bonijse troupen in't gezigt van malenkerie verscheenen. geruijmen tijd hadden bevonden in de gepasseerde nagt met vijf vaar„ „tuijgen alle opgepropt van volk de rivier uijtgevaaren waaren en 'er zig geen een meer, aldaar bevond immers voor zo verre de hoofden bekend was. Sondag den 25=en ontfing ik berigt dat de meeste onderdaenen die door diverse Bonijse Princen en hoofden, zedert een geruijmen tijd zijn aangehouden, dezelve verlaeten hadden en na hun eigene ne„ „gorijen terug gekeerd waaren. Maandag den 26=e d: Jn den vroegen morgen wierd een begin gemaakt met het palisadeeren der vlakte, waar op de oude post gestaan heeft om te dienen tot plaat„ „sing van het Canon en om voorts bezet te blijven met het Commando militairen en de madureesen alhier aangekomen, tot tijd en wijlen de nieuwe veldschans zal voltoijt weesen, waar toe reets een plan ten papiere hebbe doen brengen. Sondag „ 2=e Meij, in deese dagen is niets sonderling voorgevallen dan dat mij door den Soelewattang van Bonij op den 28„e April toegesonden wierd de slavin van den Lomo door den Jennang van desselfs huijs geroofd, waar voor ik hem hebbe doen bedanken zijnde voorts met het werk van de nieuwe post zo verre gevordert dat de plaats geheel met palisaden bezet, het Canon in deselve ge„ „plant is, en de wagthuijsen voor d' Europeesen en Madureesen van bamboesen met adap gedekt opgebouwd zijn, om bezet te kunnen worden dat ook reets besteld is. ings Maandag den 3=e Benik in den vroegen morgen, na alvoorens de nodige ordre gesteld te hebben, omtrend het geene verder; zo met betrecking tot de te vernieuwene post als andersints door het Commando zal moeten worden g'observeert, van Maros vertrocken na Macasser, alwaar ik ten elf uuren arriveerende, van den burger Fabia Theu„ „nisz. rapport ontfing dat een getal van ruijm duijsend gewapende Boniers in 't gezigt van onse post te Malenkeerie gekomen, voor„ „geevende na herwaarts te willen, door den Commandant aldaar 67 wierden tegen gehouden tot mijne nadere ordre om dewelke hij liet versoeken. Jk zond gemelden Theunisz. aanstonds na den koning 111 zeker macassaars prins te Patiro gekomen. Dingsdag den 4=e over roof: en moord door volk van sandrabonij satisfactie doen eijsschen. Datoe sopings versoek om een gedeelte van Tello afgeweezen. Koning om te verneemen wat dat voor volk dat was, die mij liet weeten dat het die van Doerie en zij door zijn Hoogheijd, toen hij zig laatst op Maros hadde bevonden, opgeroepen waaren om hun geschil met die van Eurekan t' ondersoeken en te beslissen, waar op ik last gegee„ „ven hebbe om z' te laten passeeren voorts liet ik zijn Hoogheijd mijn terug komst van Maros bekend maeken, waar voor hij mij deed bedanken, terwijl den tolk Blij mij rapporteerde hoe den soelewattang van Bontualacq in zijn presentie aan zijn Hoogheijd gerapporteerd had dat een der glar„ „rangs van Patanbirang /:zijnde een Macassaar :/ zig na Pa„ „tiro had begeeven en door zijn Hoogheijd daar op gesegt was, het is wel zo hij maar niet als vijand komt" Liet Craeng Anabadjing mij door Glarrang Alipang weeten; dat des laatstgenoemdens zoon, nevens nog een onderdaan met een liplip, uijt vissen willende gaan, voor oedjong, door volk van Sandrabonij aangevallen mitsgaders den eerst genoemde gevangen genomen en den anderen vermoord geworden was, op welk berigt ik aanstonds den sendeling Patjelang na den Koning van Pandrabonij hebbe gesonden zo om de gevangen op als satisfac„ „tie over den roof te eijsschen en wel door overgave van de daders. Hier na verscheen den Datou van Soping meede brengende den Tanets Rijksgroot Arou Lipoecassie, met desselfs Schoon zoon den Macassaars Prins Craeng Limbang parang. zijne boodschap, hoe zeer ik mij hadde voorgesteld dat deselve zoude hebben geroulleerd over den merkwaardigen inhoud van den brief die ik van hem op den 19=e April passato ontfing, bestond alleen hoofdzaekelijk in een versoek dat aan Craeng Limbang pa„ „rang mogte worden gepermitteerd zig weeder op Mandaij, in het Tellose neder te zetten, daar hij voor den Oorlog gewoond hadde, dog welke instantie ik van de hand wees; onder voorhouding dat gantsch Tello door onse wapenen overwonnen en daar en boven, mits den afstand van dat Rijk door de koninginne aan die van Goa, aan de Comp:e vervallen zijnde, ik daar van nog geheel nog ten deele iets afstaan en dus ook niet permitteeren konde dat iemand daar Cra „cas v zijn wegen „log

NL-HaNA_1.04.02_3556_0951 view scan ↗

English

227. 457 He says that Latila was supposedly summoned by Wadjo. Boni's king invited to a visit. Report of the mission by Craeng Thaeng to the Macassar electors. Visit from Tosarassa. His remarkable story regarding an intended war against the Company and Boni. went to live there, but that I was awaiting the desires of Their High Nobilities in that regard. The only other thing he conveyed, upon my specific inquiry whether he had anything else to say, was that he had heard that the Wadjorese had allegedly summoned the Boni Prince Latila, son of the late former Pongauwa Lacasie who presently stays with Craeng Thaing, with the intention of using him as a chief over some of their troops against Boni, which, just like what was mentioned in his aforementioned letter regarding the Adatouang of Tedeenring, does not have the slightest probability. Wednesday the 5th of this month in the morning, I had the King of Boni invited for a visit tomorrow through the bookkeeper Deefhout, who brought me word that His Highness had accepted to come. Furthermore, after having previously requested access, the Tanete Prince Arou Pantjana came to me, making known that he had received word from Craing Cariwisie as to how she had sent to the Batoe Salappangs, being the Macassar Government or electors, but that they were not yet together; that having requested her to let him know as soon as they might receive news that they were ready to come down, in order to fetch them and bring them to me, she had promised to do so. Having thanked him for this report, he meanwhile requested permission to depart again to Sagerie, which I granted. After this, the Boni prince Tosarassa had an audience requested with me for a secret conference, which I having granted, he appeared in the evening at seven o'clock; after taking a seat, making known: That one of his brothers-in-law, recently arrived from Passier, had recounted to him as truth: How those of Wadjo, the rebel Tankilang, the queen of Thaing, the King of Sandraboni, and the Adatouang of Sedeenring had concluded a mutual alliance to make war upon the Company here, for which those of Passier and the Mandharese would also be requested for their assistance, while one Torawee, alias Batjo Panekie, would lead the troops. That the Wadjorese had supposedly sent a Nakhoda Passe to Bancahoeloe with a letter to request the English for assistance in executing their objectives to make themselves master of Tjinrana and Timoeroeng, promising to cede both those places to them in case of capture; but that the head or rather the English governor at Bancahoelo, whom he said was named Moestakool, probably being the same one mentioned in the previous reports, had thereupon made known in reply by that same nakhoda with a letter that he could grant or promise no assistance as long as the king of Boni resided at Macassar, but in case the Wadjorese could lure him into the interior, he would send help to attack Boni, and indeed Bonthain first; while Batjo Panekie with those of Passier and the Mandharese could attack on the north side. Tosarassa furthermore added to this that the Adatouang had already caused all his gunpowder to be brought to Wadjo and had summoned all his people who until now stay at Thaing, while he was intending to make war on Soepa, which made an attempt to take Sawitoe and Boijo, both under Adja Tamparang and thus belonging to him, Datou Sedeenring, into their power. Lastly, he affirmed not having heard that those of Tanette or the Souratharese had involved themselves in the aforementioned matters. I thanked the Prince for all these reports, nevertheless pointing out that for many reasons the same appeared to me not at all probable, but that in case the outcome might confirm them, I would have to await this in the tranquil hope that the Company, which took nothing more to heart than the well-being of all its allies, not less

Dutch transcription

227. 457 hij zegt dat Latila door wadjo zoude wesen ontboven. Bonijs koning tot een visite genodigt rapport der bezending door Craeng Thaeng aan de ma, „cassaarse kiesheeren. E visite van Tosarassa. zijn aanmerkelijk verhaal „log tegen de Comp:e en Bonij. daar ging woonen, maar ik daar omtrend de begeerte Hunner Hoog Edelhedens was verwagtende. Het eenigste dat hij buijten des op mijne speciaele vrage of hij niets anders te zeggen hadde, nog te kennen gaf was dat hij vernomen hadde dat de wadjoreesen de Bonijs Prins Latila, zoon van wijlen de geweese Pongauwa Lacasie die zig thans bij Craeng Thaing onthoud, zouden bij hun ontboden hebben, met intentie om hem als hoofd over eenige hunner troupen tegen Bonij te ge„ „bruijken, het geen zo wel als het vermelde in zijn voorgewaagde brief omtrend den Adatouang van Tedeenring, geen de minste„ waarschijnlijkheijd heeft. woensdag den 5=e Des voor de middags hebbe ik den Koning van Bonij tegen morgen tot een visite laeten nodigen door den boekhouder Deefhout, die mij berigt bragt dat zijn Hoogheijd aangeno„ „men hadde te komen. voorts kwam, na voor af versogt acces, bij mij den Tanets Prins Arou Pantjana te kennen geevende van Craing Cariwisie berigt bekomen te hebben hoe zij bij de Batoe Salappangs /: de Ma„ „cassaarse Regeering of kiesheeren :/ gezonden hadde maar dezelve nog niet bij den anderen waaren; dat hij haar verzogt hebbende om zo dra zij tijding krijgen mogten dat ze gereed waaren om af te komen hem zulks te laeten weeten; ten eijnde z' af te haelen en bij mij te brengen zij zulks had belooft, voor welk berigt ik bedankt hebbende, verzogt hij inmiddens nog„ „thans weeder na Sagerie te mogen vertrecken, dat ik accordeerde Hier na liet den Bonijs prins Tosarassa belet bij mij vragen tot een geheime Conferentie 't geen ik g'accordeerd hebbende zo ver„ „scheen hij des avonds ten zeven uuren; na genomen zit plaats te kennen geevende: Dat een van zijn swagers Jongst van Passier gekomen hem wegen een voorgenomen oor„ voor de waarheijd zoude hebben verhaald: Hoc die van wadjo„ den Rebel Tankilang, de koninginne van Thaing, de Koning van Sandrabonij en den Adatouang van Sedeenring, eén onderlinge alliantie hadden gesloten om de Compagnie alhier te te b'oorlogen, waar toe ook die van Passier en de Mandhareesen ter hunner assistentie zouden worden aangezogt, terwijl eenen To„ „rawee /:alias:/ Batjo Panekie de troupen zoude op voeren. Dat de wadjoreesen eenen Anachoda Passe na Bancahoeloe zouden gezonden hebben met een brief om d' Engelschen tot assistentie te 9r versoeken in het uijtvoeren hunner oogmerken om zig van Tjin„ „rana en Timoeroeng meester te maeken, onder belofte van die beijde plaatsen, in Cas van overmeestering, aan deselve aftestaan, wil vert dog dat het hoofd of wel de Engelsche gouverneur te Bancahoelo /:die hij zeijde Moestakool te heeten, zijnde denkelijk deselve waar van de voorige berigten hebben gewaagd :/ daar op door dien selven nachoda bij een brief in antwoord hadde doen weeten geene assistentie te kunnen verleenen of toezeggen zo lang den koning van Bonij te Macasser resideerde maar ingevalle de wadjoreesen hem in de binnen Landen kunnen locken hij hulp zenden zoude om Bonij aan te tasten en wel eerst Bonthain; Terwijl Batjo Pa„ „nekie met die van Passier en de Mandhareesen aan de noordkant zouden kunnen aanvallen. wijders voegde Tosarassa hier nog bij dat den Adatouang al zijn buskruijt bereets na wadjo doen brengen en alle zijne vol„ „keren, die zig tot nog op Thaing onthouden, op ontboden hadde. Terwijl hij voorneemens was Soepa te b'oorlogen, 't welk toeleg maakte om Sawitoe en Boijo, beide onder Adja Tamparang en dus aan hem Datou sedeenring gehoorende in haar geweld te krijgen. Laatstelijk betuijgde hij nog van die van Tanette nog van de sou„ „rathereesen te hebben vernomen dat z' zig in de voorenstaan„ „de zaaken gewickeld hadden. voor alle welke berigten ik den Prins bedankte, onder voorhou„ „ding nogthans dat mij deselve om veele redenen gantsch niet waarschijnlijk voorkwamen, dog dat ingevalle d' uijtkomst Z' bevestigen mogte ik zulks zoude moeten afwagten in die geruste hoop dat de Compagnie, die niets meer dan het wel sijn van alle haare bondgenooten ter harten nam niet minder tre over

NL-HaNA_1.04.02_3556_0953 view scan ↗

English

459 2284 Visit of the king and grandees of Bonij. Wishes to depart for the inland regions. Reasons presented for this. would triumph over their enemies who wished to wage war upon Her Honour anew, just as she had done over the Macassars, the more so as they were presently amply provided with everything and ready at all times. Thursday the 6th. The king of Bonij, accompanied by the Madanrang, the Tomilalang, and a multitude of other grandees and lesser dignitaries of the realm, appeared before me this morning. Having immediately declared that he had principally come to request my permission once again to proceed to the inland regions, I expressed to him my astonishment in that regard and how incomprehensible it seemed to me, after having given so many reasons why His Highness's departure from here seemed to me utterly detrimental to his own interests and those of the realm itself, that all of them were disregarded or at least no heed was paid to them; that I well knew I could not prevent his departure if he had absolutely resolved upon it, but that, in that case, I persisted in my previous protest lodged against it and that which I had further represented to the grandees of the realm, which I deemed so weighty that I had expected nothing else but that they would have entirely abandoned the intention to convey him to his inland states. To all of which he declared that, since reports indicated that the Wadjorese demanded the Bonij villages of Tjinrana and Timoeroeng, he therefore thought it would be best to make a journey inland, out of fear that the matter might otherwise lead to evil consequences. Thereupon I asked what reasons Wadjo might have to make themselves masters of the aforementioned villages, to which the Madanrang and Tomilalang replied that they knew no reasons in that regard other than their mere pretense that the same belonged to Wadjo; further feigning ignorance of the Wadjorese complaints concerning the wanton behavior and the outrages committed by certain princes against the traders of that nation, especially at Tjinrana, committed for a long time past, which I made known to them were only too well known to me and had already occurred during the lifetime of the old King; and which behavior I consequently regarded as the true cause And exhorted to forbid his subjects to settle in Tello territory. Again urgently demanded satisfaction regarding the robbery committed against a certain Chinese. to express their utter astonishment and displeasure, and that the alleged reasons of excuse presented for that neglect, of which I had informed Their High Excellencies, appeared entirely inadmissible; that they therefore still expected that communication as soon as possible, but in case of further delay would have to conclude that Bonij no longer held any good intentions toward the Honourable Company. The Madanrang, having replied to this that he had to confess that neglect had taken place in this matter, but that an embassy would be dispatched this year, which I told him I hoped would occur without fail, I further made known to him and the prince: That since the realm of Tello, as conquered by arms and because the former queen had renounced it unasked, had returned entirely to the Company, to which it had already belonged besides for 93 years, Their High Excellencies absolutely desired to retain the same entirely for the Company, without ceding even the least part thereof to whomever it might be, and that I therefore requested His Highness to be pleased to issue orders that none of his subjects should settle there to reside or otherwise, in order to prevent difficulties, since I would have to prevent the same by force; which was answered with silence. Finally, I asked His Highness with whom the fault lay that no satisfaction had been given for the violence committed at the beginning of last year by some Boniers at the house of the Chinese Tio Lianko and the robbery of all his goods to the value of 670 Spanish rixdollars, still insisting upon it in the most serious terms, adding that I would otherwise procure satisfaction for myself by means of reciprocal force, without caring which of the princes it concerned; to which the Madanrang replied that upon his return home he would consult about it with the other grandees of the realm. Where

Dutch transcription

459 2284 visite van den koning en groten van Bonij. wil na de binnen Landen vertrecken. redenen daar voor bij ge„ „bragt. over haare vijanden zoude truumpheeren, welke haar Edele op nieuw wilde b'oorlogen als zij gedaan hadde over de Macassaaren, te meer men thans van alles ruijm voorsien en t' allen tijde gereed was. Donderdag den 6=e De koning van Bonij in geselschap van den Madanrang den Tomilalang en een meenigte andere Rijks en mindere groo„ „ten deesen voor de middag bij mij verscheenen; al aanstands be„ „tuijgd hebbende principael gekomen te zijn om andermaal mijn permissie te versoeken zig na de binnen landen te begeeven, zo gaf ik hem dierwegens mijne verwondering te kennen en hoe het mij onbegrijpelijk voorkwam, na zo veel redenen gegeeven te hebben hoe mij zijn Hoogheijts vertrek van hier tegen zijne eigene ende belangen van het Rijk selve ten uijterste nadeelig toescheen deselve alle in den wind geslagen ten minsten daar op geen agt gegeevens wierd; dat ik wel wiste zijn vertrek niet te kunnen tegenhouden, als hij daar toe absolut besloten hadde, dog dat ik, in dien gevalle, bleef persisteeren bij mijn voorig daar tegen gedaan pro„ „test en het geene ik de Rijksgrooten nog nader voorgehouden, en ik zo gewigtig hield dat ik niet anders verwagt hadde of zij zouden het voorneemen om hem na zijne binnenlandsche staaten te brengen vol„ „strekt hebben laeten vaarens; op alle het welke hij betuijgd hebbende, dat, vermits de berigten wilden, dat de wadjoreesen de Bonijse negorijen Tjinrana en Timoeroeng opeijschten, hij daar om vermeende hadde best te zullen weezen om een keer na binnen te doen, uijt bedugting dat de zaak andersints van kwade gevolgen zoude worden; zo vroeg ik welke de redenen waaren die wadjo mogte hebben om zig van voor„ „melde negorijen meester te maeken, daar den Madanrang en Io„ „milalang op dienden dierwegens geen redenen te weeten als eenlijk hun voorgeeven dat deselve aan wadjo zouden gehooren; zig voorts ignorant houdende van der wadjereesen klagten over het baldaedig gedrag en de gepleegde geweldenarijen van sommige princen om„ „trend de handelaars van die natie, insonderheijd te Tjinrana Ze„ „dert langen tijd gepleegd, die ik hun te kennen gaf dat mij maar al te wel bekend en bereets bij het leeven van den ouden Koning gedaan waaren; en welk gedrag ik oversulks voor de waare oorsaak En aangemaand om zijne onderdanen te verbieden zig in 't na Tellose neder te zetten. nogmaals ernstig satisfactie g'eijscht over de gepleegde rooff bij zeker Chinees. „wegens haar uijterste verwondering en misnoegen te betuijgen en dat de voorgewendene redenen van verschooning over dat ver„ „suijm bij gebragt, waar van ik Hun Hoog Edelhedens hadde g'adviseerd gantsch niet aanneemelijk voorgekomen zijnde; zij dierhalven als nog die Communicatie ten spoedigsten waaren ver„ „wagtende dog bij langer dilaij zouden moeten besluijten dat Bonij het in 't geheel niet meer met d' E: Comp=e ten goede meende. den Madanrang hier op gediend hebbende dat hij bekennen moest in dit stuk nalatigheijd te hebben plaats gehad, dog dat er in dit Jaar een gezandschap zoude worden afgevaardigd, 't geen ik hem zeijde zonder faut te willen hoopen gaf ik ver„ „der aan hem en den vorst te kennen. Dat vermits het Rijk Tello als door de wapenen verovert en ter zaake de geweese koninginne daar van ongevergd afstand hadde gedaan, weeder geheel aan de Comp=e gekomen was, aan dewelke het bereets buijten des 93. Jaeren gehoord hadde, Haar Hoog Edelhedens volstrekt begeerden het zelve geheel voor de Comp=e te behouden, zonder daar van zelfs het minste stuk aan wien het ook zijn mogte, af te staan en dat ik zijn Hoogheijd dierhalven versogt ordre te willen stellen dat geene zijner onderdaanen zig aldaar met'er woon of andersints kwam needer te setten ter voorkoming van moeijelijkheden vermits ik het zelve met kragt zoude die„ „nen te beletten, dat met stilswijgen b'antwoord wierd. Eijndelijk vroeg ik zijn Hoogheijd aan wien het dog haperde dat 'er geene satisfactie gegeeven wierd over het geweld in het begin des voorleeden Jaars gepleegd door eenige Boniers aan het Huijs van den Chinees Tio Lianko en de roof van alle zijne goederen ter waarde van 670: rd=s spaans daar op als nog in d'ernstigste woorden aandringende onder bijvoeging dat ik mij selve anders door middel van reciprocque geweld, voldoening zoude bezorgen, sonder mij te bekreunen wie van de princen het aanging, waar op den Madanrang diende dat hij bij zijn thuijs komst daar over met d' andere Rijksgrooten zoude raadpleegen. waar

NL-HaNA_1.04.02_3556_0955 view scan ↗

English

230. Arou Pantjana promises to do his best to divert the Wadjorese from attacking Bonij: With it having become noon, the monarch requested permission to take his leave and departed, after having once again, upon my renewed admonition to heed my advice, assured the same and expressed his renewed thanks for it. In the afternoon the Tanete Prince Aroe Pantjana came to me again, making known that Craeng Carawisie had informed him that her envoys, whom she had sent to the Electors of Goa, had not yet returned, but that upon their arrival she would inform him of their experiences; for which report I thanked him, and I entered into an extensive discussion with him concerning the dispute between Bonij and Wadjo regarding the settlements of Tjinrana and Timoeroeng; wherein I covertly made mention of the rumors, or rather what had been communicated to me by Datoe Soping, and presumably from his mouth by the Bonij Prince Tosarassa, regarding the intention of the Wadjorese to likewise wage war against the Company, and of the Datoe Sedeenring to assist them therein and thus abandon the Company; whereupon he declared as his opinion that in case I should not wish to concern myself with the first-mentioned matter, Wadjo would certainly attack Bonij, but that in the contrary case nothing would come of it, giving as the reason that, since he was a brother-in-law of Aroe Betting Pola, being married to his own sister, and his son Basso Tantjong, fathered by her, was currently present at Tosora governing in place of his uncle, and furthermore that the Adatouang of Sedeenring was a brother-in-law of Arou Branti, being Patola or Regent of the realm, it was to be expected that these notables, if the Company so desired, would well know how to divert the others from all evil intentions; which I said would be very pleasing to me, requesting that he might therefore use his good offices to that end with Aroe Betting, as he promised, while I added how I also expected the same from the Adatouang regarding Arou Brantie, 463 A certain request of Datoe Soping rejected. The King of Bonij reminded of the demanded satisfaction regarding a certain robbery. Sunday the 9th the building of houses in Campong Baroe forbidden to Bonij subjects. in the confidence that he had no other motives than to remain loyal to the Company, as he had always assured. Friday the 7th The Datou of Soping reminded me, by repeating a message, to conduct a search for one of his relatives, Mama, who was stolen, under the absurd assertion that in former times all houses had been inspected; which I rejected as impracticable, representing to the envoy Goeroe Pakaijoe that if his master would take the trouble, he might possibly obtain reliable information as to who the thief was, and that the stolen person would then also surely be found. Saturday the 8th On the occasion of sending a copy of the placard to the King of Bonij via the Bookkeeper Deefhout, prohibiting the unloading of merchant vessels at places other than before the tollhouse, with the request to order his subjects to comply with it, I at the same time reminded him of the demanded satisfaction regarding the violence committed and the robbery of goods from the house of Tio Lianko; whereupon he informed me that he would send word concerning that matter in the coming days. Sunday the 16th Nothing of particular importance occurred. Monday the 17th The King of Bonij informed me through the Interpreter Passiere that one of his subordinate chiefs had complained to him of having erected a house in the Campong Baroe, but that he had been obliged to dismantle it again by order of the Master of the Equipage, asking whether this had occurred with my prior knowledge, and if so, that His Highness's subjects might be granted the same freedom they had enjoyed during the time of his predecessor MatinroE Malimongang; whereupon I informed His Highness that the aforementioned demolition had been ordered by me, in view of the prohibition previously issued, following the recent burning down of several houses in the Campong Baroe, not to build any more there without my special permission; and that

Dutch transcription

230. Arou Pantjana belooft zijn best te doen om de wadjo„ „reesen te diverteeren bonij aan te tasten: Waar meede het middag geworden zijnde zo versogt den vorst afscheijd en vertrok na alvoorens nog thans op mijn andermalige vermaa„ „ning om dog na mijnen raad te luijsteren, het zelve verzeekert en daar voor de novo dank betuijgd te hebben. Des nademiddags kwam den Tanets Prins Aroe Pantjana weeder bij mij te kennen geevende dat Craeng, Carawisie hadde doen weeten dat haere zendelingen die zij na de Kiesheeren van goa gezonden hadde nog niet gereverteert waaren dog dat zij hem bij hunne komst van der zelver weedervaeren zoude doen kennisse geeven, voor welk berigt ik hem bedankt hebbende raakte ik met denzelven in een breedvoerig discours over de questi tus„ „schen Bonij en wadjo met opzigt tot de negorijen Tjin„ „rana en Timoeroeng; waar in ik bedektelijk mentie maakte van de gerugten of wel het geene mij door Datoe soping en denkelijk uijt zijn mond door de Bonijs Prins Tosarassa is meede gedeeld nopens de intentie der wadjoreesen om de Comp=e insgelijks te b'oorlogen en van den Datoe sedeenring om haar daar in t' assisteeren en dus de Comp:e te verlaeten, waar op hij voor zijn gevoelen verklaarde dat ingevalle ik mij met d' eerst„ „gemelde zaak niet mogte willen bemoeijen wadgjo zeekerlijk Bonij aanvallen dog dat 'er in Contrarie gevalle niets van ko„ „men zoude, de voor reeden geevende dat vermits hij een swager van Aroe Betting Pola was, als met desselfs eigen suster getrouwd en zijn daar bij geprocreerde zoon Basso Tantjong thans te Tosora present in plaats van zijn oom het bestier hadde, mitsgaders dat den Adatouang van Sedeenring een swager was van Arou Branti, zijnde Patola E. of Rijks„ „bestierder het te denken waare dat deese grooten de Comp=e zulks begeerende de overige van alle kwaede voorneemens wel zouden weeten te diverteeren; het geen ik zeijde mij zeer aan„ „genaam te zullen weezen, met versoek dat hij overzulks daar toe zijne goede officien bij Arou Betting mogte aanwen„ „den, gelijk hij beloofde, terwijl ik er nog bijvoegde hoe ik zulks van den Adatouang meede was verwagtende omtrend Arou Brantie 463 zeker versoek van Datoe soping afgeweesen. de koning van Bonij herinnert de g'eijschte satisfactie over zeekere roof. Sondag den 9=e tot het bouwen van huij„ „sen in Campong baroe aan boniers verboden. Brantie in dat vertrouwen dat hij geen andere redenen hadde als om de Compagnie toegedaan te blijven zo als hij altoos verzeekert hadde. Vrijdag den 7=e Liet den Datou van soping mij bij herhaeling van een bood„ „schap herinneren om na speuring te doen na een zijner famille Mama die gestoolen is onder een ongerijmde voorgave dat in voorige tijden wel alle huijsen waaren gevisiteert, dat ik als ondoenlijk van de hand wees, onder voorhouding aan den sendeling Goeroe Pakaijoe, dat ingevalle zijn meester de moeijte wilde doen hij mogelijk wel zeeker berigt soude krijgen wie den dief waare, en dat den gestolene dan ook wel gevonden zoude worden. Zaturdag den 8=e Ter gelegentheijd dat ik door den Boekhouder Deefhout een afschrift van het billet; verbiedende het lossen van handel vaartuijgen op andere plaatsen als voor het tolhuijs, aan den Koning van Bonij zond, met versoek om zijne onderdaanen dies nakoming te beveelen, hebbe ik hem teffens doen herinneren de g'eijschte satisfactie over het gepleegd geweld en den roof der goederen uijt het huijs van Tio Lianko, waar op hij mij liet weeten eerstdaags daar omtrend bescheijd te zullen zenden: Sondag „ 16=e Niets van bijsonder aanbelangd gepasseerd. Maandag „ 17=e Liet de Koning van Bonij mij door den Tolk Passiere wee„ „ten hoe een zijner onderhorige hoofden bij hem geklaagd hadde, een huijs in de Campong baroe te hebben opgerigt, dog dat hij het zelve op last van de Equipagie meester weeder hadde moe„ „ten laeten afbreeken, onder vrage of zulks met mijne voor„ „kennisse geschied was, en zo Ja: dat aan zijn Hoogheijts onderdaanen dezelve vrijheijd mogte worden vergunt, die zij ten tijde van desselfs predecesseur MatinroE Mali„ „mongang genoten hadden; waar op ik zijn Hoogheijd weeten liet dat de voorzeijde afbrake door mij bevolen was, mits het bevoorens gedaan verbod, na de Jongste afbranding van verscheijde huijsen in de Campong Baroe, om 'er geen meer op te bouwen, zonder mijne speciaal permissie; en dat M Craen belo zeker gee na

NL-HaNA_1.04.02_3556_0957 view scan ↗

English

231. 465 Craeng Thaing promised a reward for capturing a certain prince. Wednesday: Company subjects may obey no orders from Bonij. Tuesday the 18th, nothing occurred. that I could not grant those to Boniers, but solely to the subjects, unless His Highness could prove that such had ever been done by one of the former Governors, as the interpreter claimed, but which I said I did not know, but rather that Matinro-E. Malimoengang himself having lived in the Campong Baroe when he had been under the Company's protection, that assumed license was grounded thereon without foundation, and that even if such had been granted at that time, the same could not be claimed by any other, since at that time he could be regarded as nothing other than a private person. After this, the Androngoeroe To Maros came to inform me in the name of Craeng Thaing that the Macassar Prince Craeng Bonto Nompo was currently staying at Bonto Lebang and daily committed all kinds of robberies and murders, both against her subjects and those of the Company; whereupon I let her know that she must do her best to get him into her hands, whether alive or dead, together with his people, and that in the first case I would give four hundred Spanish dollars for him, and for each of his followers forty of the same Spanish dollars as a reward. On the 19th, there appeared before me the Soelewattang of Laboeaadja and an emissary of Craeng Simbang, making known how an emissary of the Court of Bonij had come to their masters and also to Craeng Tanralile to order them to construct the necessary houses for the placement of the Samparadjaija (state standard) and lodging for the escorts, and that since they believed they were not bound to do so, they therefore requested to know what they were to do: I had them answered that, as Company subordinates, they had no orders or commands to obey from anyone other than myself, and thus not from Bonij either, and that they therefore did not need nor were they to carry out what was demanded, but if any Bonij emissaries should come again, merely to make this known to them. Thursday the 20th to Saturday the 22nd, nothing happened except that the King of Bonij, through the interpreter Passiere, had access requested with me for the Tomilalang, which I granted for next Tuesday. Sunday the 23rd, again nothing of particular note occurred. Tuesday the 25th, in the forenoon, the Bonij Tomilalang appeared in the company of the soelewattang Matjege, in the name of the King, making known that since I had not wished to consent to His Highness's departure for the inland regions, he had resolved to have the Samparadjaija (Royal Standard) brought thither on the 17th of this current month of theirs; which I answered merely with a compliment of thanks. Furthermore, he likewise requested in the name of the King that the people of the Maros settlement Saleenrang, insofar as they consisted of His Highness's family, according to what had previously been granted to them, might be excused from performing court service under Bontoa, but rather perform such at the post, for which I promised to issue the necessary orders again, for which he expressed his thanks. And having departed upon this, the under-interpreter Blij reported to me that this grandee had informed him that Arou Mampoe and Tosarassa would likely be the escorts of the Samparadjaija, and that it might possibly be his turn to depart for Batavia among the embassy for which preparations were already being made. Wednesday the 26th, the chief interpreter departed for Maros and the other northern provinces in order, following previous custom, to post watchmen against the export of rice and paddy, there having departed with him a sergeant and 11 privates to reinforce the aforementioned command at Maros. Thursday the 27th to Wednesday the 2nd of June, nothing of particular note occurred. Thursday, ditto. 2

Dutch transcription

231. 465 Craeng Thaing een premie belooft voor het opvatten van zeker prins. woensdag „ geen beveelen van Bonij nakomen. Dingsdag den 18=e viel niets voor ik die niet geeven konde aan Boniers maar wel alleen aan de onderdaanen, ten waare zijn Hoogheijd bewijsen konde dat zulks ooijt door een der voorige Heeren Gouverneurs was gedaan, zo als den tolk voorgaf, dog het geen ik zeijde niet te weeten maer wel dat Matinro-E. Malimoengang zelve in de Campong Ba„ „roe gewoond hebbende, toen hij onder 's Comp„s protectie was geweest, die gewaande licentie daar op sonder grond gebouwd wierd en dat schoon zulks doenmaals al mogte vergunt geworden zijn, het zelve door geen anderen konde worden begeert, vermits hij te dier tijd niet anders als een privaat persoon konde worden aangemerkt. Hier na kwam den Androngoeroe To Maros mij uijt naam van Craeng Thaing bekend maeken, dat de Macassaars Prins Craeng Bonto Nompo zig thans op Bonto Lebang onthield en dagelijks allerleij roverijen en moorden pleegde, zo omtrend haare als 's Comp„s onderdaanen; op het welke ik haar deed weeten dat zij haar best moeste doen om hem het zij leevend het zij dood nevens zijn volkeren in handen te krijgen en dat ik in het eerste geval voor hem vier honderd spaans en voor ieder zijner aanhangelingen veertig gelijke spaans tot een belooning zoude geeven. 19=e verscheenen bij mij de Soelewattang van Laboeaadja en een 's Comp„s onderdaanen mogen sendeling van Craeng Simbang, te kennen geevende hoe 'er een sendeling van het Hof van Bonij, bij hunne meesters en ook bij Craeng Tanralile gekomen was om hun t'ordonneeren de nodige huijsen op te bouwen ter plaatsing van de Samparadjaija /:stand„ „daart van staat: / in Logement voor de begeleijders en dat ver„ „mits zij meenden daar toe niet gehouden te weezen zij overzulks verzogten te weeten wat hun te doen stond: Jk deed hun in ant„ „woord zeggen dat zij als 's Comp„s onderhoorigen geene ordres of beveelen van iemand anders dan mij en dus ook niet van Bonij te gehoorsamen hadden en dat zij over zulks het gerequireerde niet behoefden nog zouden hebben te volbrengen, maar wanneer er Donderdag den 20=e tot Sondag den 23„e Dingsdag „ de bonijse standdaart sal na de binnen landen ge„ „bragt worden. Maandag „ 24=e die van 's konings vrienden de saleenrang moeten dienst te maros doen. 'er word preparatie gemaakt tot een gezantschap na Batavia woensdag den 26=e Donderdag den 27=e tot er weeder eenige Bonijse sendelingen mogten komen hun dit eenlijk te kennen te geeven. Zaturdag „ 22=e niets gepasseerd dan dat den koning van Bonij door den tolk Passiere acces bij mij liet vragen voor den Tomilalang, dat ik vergund hebbe tegen aanstaande Dingsdag. weeder niets van bij sondere aanmerking voorgevallen. 25=e verscheen des voor de middags den Bonijs Tomilalang in gezel„ „schap van den soelewattang Matjege, uijt naam van den Koning, te kennen geevende dat vermits ik in zijn Hoogheijts vertrek na de binnen landen niet hadde willen. Consenteeren den zelven voorgenomen hadde de Samparadjaija /: Rijksstanddaart:/ den 17=e van deese hunne maand na derwaarts te doen brengen; het geen ik enkel met een compliment van dankbetuijging b'ant„ „woorde. voorts versogt hij insgelijks uijt naam van de koning, dat de volke„ „ren van de Marose negorij Saleenrang, voor zo verre z' uijt zijn Hoogheijts famille bestonden, na het geen haar bevoorens vergund was, mogten verschoond worden onder Bontoa hof dienst te doen, maar zulks verrigten aan de post, waar toe ik beloofd hebbe weeder de nodige ordre te zullen stellen, daar hij voor bedankte En hier op vertrocken zijnde rapporteerde mij den ondertolk Blij hoe dien Rijksgroot hem g'informeerd hadde dat Arou Mampoe en Tosarassa denkelijk de begeleijders van de Samparadjaija zouden weesen, en het mogelijk zijn beurt zoude zijn na Batavia te vertrecken, onder het gezantschap waar toe bereets preparatie wierd gemaakt. Js den oppertolk na Maros en de verdere noorder Provintien ver„ „trocken om na voorig gebruijk wagthouders te stellen tegen den uijtvoer van Rijst en Padij, zijnde met hem vertrocken een ser„ „geant en 11: gemeenen tot versterking van het Commando te Maros voormeld. niets van sonderlinge aanmerking voorgevallen woensdag „ 2=e Juni Donderdag Do 2

NL-HaNA_1.04.02_3556_0959 view scan ↗

English

Thursday the 3rd. Because of the report received from the Captain of the Malays that several houses were again being built on the island Poelo Craurang by subjects of Craing Thaing, and that among them were the Macassar prince Craeng Patene as well as Tjalla Balang, being a half-brother of Craeng Limbang Parang, I ordered Bookkeeper Deefhout to go to the said regent tomorrow and inform her to give orders that her subjects not only tear down the said houses again, but also leave the island, as it belongs to the Company. Friday the 4th. Bookkeeper Deefhout reported to me that Crang Thaing had promised to order her subjects to break camp from Poelo Cranrang and leave it at the very earliest. Saturday the 5th. The abovementioned Craing Thaing made known that having given orders to her subordinates at Poelo Cranrang to depart from there, they were also already busy tearing down the houses. Sunday the 6th. Nothing of importance occurred. Monday the 7th. In the early morning hours, I went to Malenkeerie not only to inspect the progress of the work on the demolition of the ramparts of Goa, but also to establish some order in that regard. While on that occasion I rode to Batang kaloekoe, toward which I found the road still too poor to be able to march with troops to the mountains. In the afternoon upon my return home, I found Chief Interpreter Brugman returned from Maros, reporting to me that the watchmen against the transport of rice and paddy, according to ancient custom, were posted before the rivers, and that on the vessels on which they were stationed, the best glarrangs or subordinate chiefs of the respective districts had been placed. After this, I received a visit from the Bonian prince Tosavassa, who related to me how, having made a trip to Mandhaar, he had found on his return journey at Soreang three Johore vessels, on one of which was an envoy of the king, who pretended to have been sent with a letter to the king of Bonij containing an offer of assistance should the rumors that had arrived there be true that the Bonian Kingdom was about to be hostiley attacked by the Wadjoese, Mandharese, and others, and His Highness might be served thereby; while that envoy had further added that his master, having already summoned fifteen of his subaltern princes, was having a multitude of vessels equipped for war in order to depart hither at the first news that Bonij so desired; for which report I thanked that prince. Tuesday the 8th to Tuesday the 15th. Nothing of particular note occurred that deserves recording. Wednesday the 16th. The Chief Interpreter reported to me that a certain subject of Caring Thaing by name of Daing Riboko, who had remained with the rebels, had returned to Thaing with a retinue of about thirty persons. Furthermore, I again sent Bookkeeper Deefhout to the King of Bonij to demand once more settlement and satisfaction for the violence committed against and the goods stolen from the house of the Chinese Tio Lianko, making known that until now I had taken no reprisals solely for the sake of His Highness, but that otherwise I would find myself compelled to do so, and that he should not take it amiss of us; moreover, I likewise again demanded the restitution of the muskets loaned to the Bonians. Whereupon Deefhout reported that the prince, in the presence of Arou Tanette Malolo, had said that he would have Aroe Ngatacka asked for the last time whether he would pay for the plundered goods and thus obey, or not, and that he would inform me thereof; as well as, in regard to the muskets, that Datoe Baringang, who had them under his command as Pongauwa, being currently at Lipoecassie, His Highness would order him upon his return to collect them together. In the evening, Chief Interpreter Brugman departed for Sandrabonij as ordered by me, not only to inspect whether the leveling of the ramparts there is proceeding, but also to urge the king and state dignitaries thereto, and at the same time, in the most earnest manner, toward a speedy payment of the remaining state debt. Thursday the 17th to Sunday the 20th. Nothing of special importance occurred. Monday the 21st. The burgher Fadia Theunst, who is employed as overseer over the leveling of the Goan ramparts, reported to me that besides Daing Riboko, his son had also since returned to Thaing with a retinue of about thirty persons, having thus abandoned the party of the rebels. Tuesday the 22nd to Friday the 25th. Nothing happened. Saturday the 26th. I had a number of well over one hundred thirty soldiers under three officers detached to Maleenkerij, in order to march, together with some Company Madurese and Sumanappers as well as other natives, under the Chief Interpreter toward Bonto Bonto early next Monday morning, with two field pieces and two howitzers under sixteen artillerymen. Sunday the 27th. Toward noon, there appeared before me the Sandrabonij state dignitaries Craeng Baloesang and Craeng [illegible], bringing three hundred ordinary Spanish reals in reduction of the state debt, which I indeed accepted, though with a serious admonition to acquit themselves better if they did not wish to see me take serious measures into hand to compel the king and other dignitaries thereto, and furthermore also to make better haste with the leveling of the ramparts than had occurred until now.

Dutch transcription

232: 467 Zaturdag „ 5„e Zondag „ „ Maandag„ Donderdag den 3„e Mits het ontfangen berigt van den Capitain der maleijers dat er weeder verscheijde huijsen op het Eijland Poelo Craurang wierd gebouwd door onderdaanen van Craing Thaing en zig onder dezelve bevonden den Macassaars prins Craeng Patene mits„ „gaders Tjalla Balang zijnde een halve broeder van craeng Limbang Parang, hebbe ik den Boekhouder Deefhout gelast zig op morgen bij gemelde regentinne te begeeven en haar aan te zeggen om order te stellen dat haare onderdaanen de gemelde huijsen niet alleen weeder afbreeken, maar ook het Eijland zullen hebben te verlaeten als de Compagnie gehoorende. Vrijdag den 4=e bragt den boekhouder Deefhout mij tot rapport dat Crang Thaing toezegging gedaan had haar onderdaanen te zullen ge„ „lasten om ten aller eersten van Poelo Cranrang op te breeken en het zelve te verlaaten. liet boven gemelde Craing Thaing weeten dat zij aan haere onderhoorige te Poelo Cranrang last gegeven hebbende, om van daar te vertrecken deselve met het afbreeken der huij„ „sen ook bereets bezig waaren. 6„e is niets van belang voorgevallen. Hebbe ik mij in den vroegen morgen stond na Malenkee„ „rie begeven ten eijnde niet alleen in spectie te neemen na den voortgang van het werk of de afwerping der wallen van goa maar ook eenige ordre daar omtrend te stellen. Terwijl ik bij die occasie na Batang kaloekoe ben gereeden werwaarts ik den weg nog te slegt rond om met troupen na het geberg te te kunnen marcheeren. Des na de middags bij mijn thuijs komst vond ik den opper„ „tolk Brugman van Maros gereverteerd, mij berigtende dat de wagthouders tegen den vervoer van Rijst en Padij, naar het oude gebruijk, voor de rivieren uijtgesteld en op de vaar„ „tuijgen op welke zij zig bevonden de beste glarrangs of onder„ „hoorige hoofden der respective districten geplaats waaren: Hier 7e 7„ 1 Dingsdag den 8„e tot Dingsdag „ 15„e Hier na ontfing ik een visite van den bonijs prins Tosavas = „sa die mij verhaalde hoe hij een keer na Mandhaar zijnde gegaan doen op zijn te rug rijse op soreang gevonden hadde drie johoree„ „se vaartuijgen op een van dewelke zig een gezant van den koning be„ „rond die voorgaf met een brief aan den koning van Bonij gezonden te zijn vervattende een aanbieding van assistentie wanneer de ge„ „rugten aldaar in geloopen waar mogte wezen dat het bonijs Rijk door de radjoreesen, Mandhareesen en anderen vijandelijk stond geattacqueerd te worden en zijn, Hoogheid daar meede gediend mogte zijne Terwijl dien gezant er nog hadde bijgevoegd dat zijn meester reets vijftien zijner subasterie vorstjes op ontboden hebbende een meenigte vaartuijgen ten oorlog deed uijtrusten om op d' eerste tijding dat Bonij zulks begeerde na herwaards te vertrecken voor welk berigt ik dien prins hebbe bedankt niets van bijsondere aanmerking voorgevallen dat aanteekening verdiend. woensdag „ 16„e Rapporteerde mij den oppertolk dat zeeker onderdaan van Caring Thaing met naame daing Riboko die zij bij de Rebellen onthouden hadde met een gevolg van circa dertig koppen op Thaing te rug gekomen was. voorts hebbe ik den boekhouder Deefhout alwerder na den koning van Bonij gezonden om nogmaals voldoening en satisfactie te vorderen over het gepleegde geweld aan en de geroofde goederen uijt het huijs van den Chinees Tio Lianko onder te kennen gave dat ik tot nog toe alleen om de wille van zijn Hoogheijd geen represaille genomen hadde maar ik mij daartoe andersints genoodsaakt vinden zoude en hij wij dat niet kwalijk neemen moest; waar en boven ik insgelijks weeder de restitutie hebbe doen vorderen van de geweeren aan de boniers geleend. — waar op Deefhout tot rapport bragt dat den vorst, in presen„ „tie van Arou Tanette Malolo gezegt hadde Aroe Nga„ „tacka voor de laatste reijst te zullen laten vragen of hij het zou 233 469 Donderdag den 17. e tot Zondag „ 20=e Dingsdag den 22:e tot Vrijdag „ 25=e het gespolieerde goed zoude betaalen en dus gehoorsaamen dan wel niet, en dat hij mij daar van zoude laten kennisse ge„ „ven, mitsgaders ten opzigt van de geweeren dat Datoe Barin„ „gang die dezelve als Pongauwa onder zig had, thans op Lipoecas„ „sie zijnde zijn Hoogheid hem bij te rugkomst gelasten zoude deselve bij den anderen te versamelen. Des avonds is den oppertolk Brugman na Sandrabonij vertrocken als door mij gelast om niet alleen inspectie te neemen of met het slegten der wallen aldaar word voortgevaaren maar ook de koning en rijksgrooten daartoe aan te spooren en teffens op het aller ernstigste tot een spoedige aflegging van de restand Rijks schuld. — viel niets van sonderling belang voor Maandag „ 21=e Rapporteerde mij den burger Fadia Theunst, die als opziender over het slegten der goase wallen g'emploijeerd word, dat behalven danig Riboko; ook zedert desselvs zoon met een gevolg van wica dertig koppen op Thaing: te rug gekomen was de parthij der rebellen dus verlaaten hebbende. niets gepasseert Zaturdag „ 26„e Hebbe ik een „ taal van ruijm hondert dertig militairen onder drie officieren na Maleenkerij doen detacheeren om nevens eenige Com„ „pagnien Madureesen, en Sumanappers item andere jnlanders, onder den oppertolk tegen aanstaande Maandag in den vroegen morgen te marcheeren na Bonto Bonto, met twee veld stucken en twee houwitsen onder sestien arthilleristen. — zondag den 27=e tegen den middag verscheen bij mij d' Sandrabonijse Ryksgrooten Craeng Baloesang en Craeng - - - - - - - meede brengende drie hondert ord:s spaans inmindering van de rijks schuld die ik om p. wel accepteerd hebbe dog met een ernstige vermaaning zig beter S ƒ te kwijten als zij niet mogten willen zien dat ik ernstige mid„ „delen kwam bij der hand te vatten om den koning en verdere groo„ „ten daartoe te noodsaaken, en voorts ook om beter spoed te maaken met het slegten der wallen dan tot nog toe geschied was

NL-HaNA_1.04.02_3556_0962 view scan ↗

English

to report and even to do their best to that end. In the afternoon, through the bookkeeper Delfhout, I notified the King of Bonij that I intended to conduct an expedition against the rebels in person tomorrow morning, without further details. Whereupon Delfhout reported to me that the prince had indeed asked whither I intended to depart for the aforementioned purpose, but that he had answered him that he did not know. Whereupon they declared the one and the other to His Highness. Monday the 28th. Early in the morning, alongside the Captain of the Artillery Sundberg and Surgeon Major Fusschen, I departed with the Corps of Cavalry for Maleenkerij, where I learned that our troops had already marched out at three o'clock. Following them at once, I overtook them just behind Batang kaloekoe, as they had not been able to advance further due to the rain that fell yesterday afternoon and night. I immediately gave orders to make haste, however, and arrived between ten and eleven o'clock before the negorij Patiro with the entire force, consisting altogether of one hundred forty-two infantrymen under three officers, fourteen cavalrymen, and seventeen artillerymen, seven hundred Madurese and Sumanappers making six companies, and more than 180 natives under the chief and second interpreter, as well as Craeng glissong, and thus together over one thousand heads, besides the Saleyrese and other people for carrying the ammunition and provisions. Having halted at Patiro until half past two o'clock, we marched from there along the river, which was not only, as we discovered afterwards, the wrong way, but also such a bad path that we had the greatest difficulty getting through, and after a stiff march we arrived at seven or eight o'clock at Romanhoe, where we took up quarters and remained encamped for the night. From here— Tuesday the 29th. Breaking camp again at four o'clock in the morning, we found ourselves just before eight o'clock with the entire force before Bonto bonto, the place where our men defeated and drove the rebels from their bentings on the 10th of November of last year, of which we saw only the remains, one lying right by the entrance between the mountains. Having immediately sent out some native patrols to reconnoiter while the camp was pitched and the artillery assembled, I, alongside Captain Sundberg, Surgeon Major Fuisschen, and Ensign Lautrop, personally made a tour with the cavalry, crossing over the river that flowed past our army. Arriving after a good hour of riding at Bilie bilie, where I found the chief interpreter, who had no sooner reported to us that he had discovered enemies than we also saw a party appear and some come within musket shot of our range, while we were told by the men of the said chief interpreter that a larger troop was moving along the mountains on the right side. Suspecting that this was being done to fall upon our rear and encircle us, I gave orders to Brugman to keep observing the first-mentioned, and I myself withdrew to our encampment, immediately sending two companies of Madurese to Bilie bilie for his assistance. But we had scarcely left Brugman when we heard shooting, and shortly after our return to the headquarters we received a report that the rebels had attacked first, but after the loss of two men had fled, whose heads were brought to me and which I caused to be placed on stakes. Hereupon I immediately resolved to leave the cannon, etc., whose transport further than Bonto Bonto was not possible, under a detachment of 22 infantrymen and the artillerymen, as well as a company of Madurese at Bonto bonto, and to advance deeper into the mountains with the rest of the army. Thus we set out on the march at three o'clock in the afternoon and encamped at Bili bili where the action had occurred, from where on a very high, steep hill we also saw some enemy forces on the opposite side of the river, whom I caused to be pursued in vain, especially as it was already beginning to grow dark. Meanwhile, under a house here, we found a certain old woman lying, who was able to inform us that Craing Barombong had lodged or lived in the same and had fled the day before yesterday upon the news of our arrival. In order to lose no time, I had everything made ready to march again by early the following morning, while during the night on the opposite side of the river we heard people who answered the calls of the sentries and the shouts of the natives in their manner, which made me hope that they would not await us. After the burgher Fabia Theunisz, arriving at three o'clock in the night from Macasser whither I had sent him on an errand, had informed me, while handing over some letters, how a certain servant of the Bonij pongauwa Datou Baringang, named Laute, had inquired in several places and on various occasions, in the name not only of his master but also of the King, about the strength of our army and where my intentions lay, as well as how many Europeans still remained in the castle and at Malenkeerie, we marched out on Wednesday the 30th at five o'clock again, the chief interpreter with his men having the vanguard, through a gorge of the mountains and further across the river Jone Berang, which, filled with rocks and boulders, was very difficult to pass, straight towards a benting or broad breastwork of the rebels constructed along the bank, which, however, we found abandoned, as well as the negorij in that vicinity named Soeanaga, and Patilikang situated further along, from which they had just managed to run away.

Dutch transcription

te zullen rapporteeren en zelfs daartoe hun best te doen. Des na de middags hebbe ik door den boekhouder Deefhout aan den koning van Bonij doen kennisse geven dat ik voornemens was morgen ogten in persoon een expeditie tegen de Rebellen te doen zonder meer. waarop Delfhout mij rapport bragt dat den vorst wel gevraagd hadde werwaards ik ten voorschreeven eijnde vertrecken wilde, dog dat hij hem hadde g'antwoord zulks niet te weeten. — was. waarop zij betuijgden het een en ander aan zijn Hoogheid Maandag den 28=e Ben ik in den vroegen morgen nevens den Capitain der Arthillerij Sundberg en chirurgijn majoor Fusschen met het Corps Ruijters na Maleenkerij vertrocken alwaar ik vernam dat onse troupen reets ten drie uuren waren k en uijt gemarcheerd, was deselve ten eersten volgende, hun even agter Batang kaloekoe agterhaalde, hebbende door den gisteren middag en nagt gevallene regen niet verdere kun„ nen komen, ik gaf egter aanstonds last om spoed te maeken en arriveerde tusschen tien en Elff uuren voor de negorij Pa„ „tiro met de gantsche magt, bestaande te samen uijt hondert twee en veertig jnfanteristen, onder drie officieren veertien ruijters en seventien Arthilleristen seven hondert Madureesen en Sumanappers, maekende ses Compagnien en ruijm 180: jnlanders onder den opper en tweede tolk mitsga„ „ders Craeng glissong. — en dus te samen over de duijsend koppen, behalven de saleij„ „reesen en andere volk tot het dragen van de ammunitie en proviand op Patiro halke gehouden hebbende tot half drie uuren trecken wij van daar langs de revier zijnde niet alleen, zo als wij van agteren ontwaarden de verkeerde maar ook een zo slegten wog dat wij de grootste moeijten hadden er door te komen, en kwamen naar een stijven marsch ten 234. 471 ten seven â: agt uuren te RomanhoE daar wij ons begerden en des nagts bleeven campeeren. van hier— Dingsdag den 29=e Des morgens ten vier uuren weeder opbreekende, bevonden wij ons nog even voor agt uuren met de gantsche magt voor Bonto bonto, de plaats daar de onsen op den 10=e november des voorleeden jaars de rebellen geslaegen en verdreeven hebben uijt hunne bentings, waarvan wij eenlijk de overblijfsel zagen leggende er een vlak bij den ingang tusschen de gebergtens. Aanstonds eenige inlandsche patrouilles hebbende uijtgesonden om te recognosceeren, terwijl het leger opgeslaegen en de arthil„ „lerij in elkander gezet wierd, deed ik nevens den Capitain sund„ „berg, chirurgijn majoor Fuisschen en vendrig Lautrop met de ruijters zelfs een tom passeerende over de revier die egter ons leger voorbij stroomde en komende na een groot uur rijdens op Bilie bilie, daar ik den oppertolk rond, die ons zo daa niet berigte dat hij vijanden ontdekt hadde of wij zagen er ook een parthij voor den dag en sommigen tot binnen een snaphaan schoot onder ons bereik komen, terwijl ons door het volk van gemelde oppertolk gezegt wierd, dat een grootere troup langs het gebergte heen trok aan de regter zijde, het geen ik vermoedende dat geschiede om ons van agter in den rug te vallen en te omcingelen, zo gaf ik Brugman ordre om d'eerst gemelde te blijven observeeren en trok zelve na onse leger plaats te rug ten eersten twee Compagnien Madu„ „reesen ter zijner assistentie na Bilie bilie zendende, dan wij hadden Brugman naauwlijks verlaaten of wij hoorden schieten en kreegen al kort na onse te rug komst in het hoofd quartier berigt dat de rebellen het eerst aangevallen dog na het verlies van twee maar gevlugt waaren, welker hoofden mij gebragt wierden en ik op staaken deed. stellen. Jk verseekerde hier op aanstonds om het Canon enz: welker vervoer verder dan Bonto Bonto niet mogelijk was, onder een Commando van 22: jnfanteristen en de art„ helenisten artheloristen mitsgaders een Compagnie Madureesen op Bonto bonto te laeten en met het overige leger dieper in het gebergte te ruken, invoegen wij ook des na de middags ten drie uuren op Marsch gingen ons te Bili bili legerden doar de actie was voorgevallen, van waar wij op een zeer hoogen steijlen heuvel ook nog eenig vijandelijk volk zagen aan de overzeijde van de rivier, die ik te vergeefs deed na zetten te meer het bereeds donker begon te worden ondertusschen vonden wij hier onder een huijs een zeekert oude vrouw leggen die ons wist te berigten dat Craing Barombong in het zelve gelogeert of gewoond hadde en eer„ „gisteren op de tijding van ons aankomst gevlugt was. — Om geen tijd te verliesen deed ik alles weeder marsvaardig maeken tegen de volgenden vroegen morgen, terwijl wij des nagts aan de overzeijde van de revier volk hoorde dat op het geroep der schildwag„ „ten en het geschreeuw der jnlanders na haare manier antwoord gaf het geen mij deed hoopen dat z' ons zonder afwagten Na dat den burger fabia Theunisz des nagts ten drie uuren van Macasser arriveerende werwaarts ik hem om een boodschap gezonden had, mij onder overhandiging van eenige brieven had berigt hoe zeeker bediende van den bonijs pongauwa Datou Ba„ „ringang, in naame laute op verscheijdene plaatsen en bij de„ „verse reijsen uijt naam niet alleen van zijn meester maar ook van den koning had g'informeerd naar de sterkte van ons leger en werwaards mijne intentie lag, mitsgaders, hoe veel Europeesen er nog in het casteel en op Malenkeerie gebleeven waaren, mar„ cheerden wij des. — Woensdag den 30=e ten vijff uuren weeder uijt, den oppertolk met zijn volk de voor„ „hoede hebbende, door een kloof van het gebergte en voorts over de revier Jone Berang die met klip en keijsteenen opge„ „vuld, zeer ongemackelijk te passeeren was, regt aan op een benting of breede borstweering der rebellen langs den oover gemaakt, dog die mij verlaaten vorden, en zo meede de negorij daar omtrend met naame Soeanaga, en de ver„ der op leggende Patilikang, daer zij maar even konden uijtgeloopen

NL-HaNA_1.04.02_3556_0965 view scan ↗

English

had run out, considering that some provisions and even cooked rice were still found there, besides that an old woman also confirmed this, adding that Craeng Pattoeng, one of the electors, and Craeng Mandalle, being the Tomilalang, had resided there, while she nevertheless professed ignorance as to which of the several roads we found there had been taken by them. Because it was uncertain how to overtake them, I therefore resolved rather to depart for Bonto Parang, so that after all the aforementioned negorijen were sacrificed to the fire, we set out on our way thither, passing the abandoned negorijen Pita and Monjonglo-E, where the houses were likewise burned, when we again had to cross the river Jene Berang, which here, as before, was filled with sharp cliffs and loose pebbles to a height of three to four feet and flowed so uncommonly strong that even the horses could not cross, much less the Europeans; so that we all had to be assisted by the natives, from which it may be noted in passing that the name of this river, signifying as much as impossible to pass, also matches the reality; the native saying that everyone who wishes to cross it must take a large stone out of it and thus wade through it, the falsity of which superstition we nevertheless discovered, since we got through it without any misfortune, though so much time was spent on it and the men were so exhausted by it that I could not take the road to Bonto Parang, but had to halt at the abandoned negorij Boedgoeloe lying half an hour further; from where I immediately sent some mounted men of the chief interpreter along the first-mentioned road, who after staying out for an hour and a half returned to report that they had been as far as the prominent negorij Paranglacko, but had found it abandoned, though they learned from an old woman that it had been inhabited for the most part by Wadjorese. Thursday the 1st of July, then, on the following morning at four o'clock, having set out on the march again with the army, except for some Europeans and half a company of Madurese who were left with the baggage and provisions, we passed the just-mentioned negorijen and arrived at half past eight o'clock, even before I was aware of it, at Bonto Parang, since I found nothing there but a large negorij and bazaar, though all abandoned, whereas I had nevertheless been informed that the place was uncommonly strong and that it had been the rebels' intention on that account to await us there, for which reason I had already ordered the army to close up on the march, so that we were immediately drawn up virtually in full battle order. When I first had the area reconnoitered by several troops of horse on the report that enemies had been seen in the open nearby, I sent the chief interpreter with his men even further, who then advanced as far as Lanna, finding that place likewise abandoned, but according to his report, besides an uncommonly large passer, found between three and four hundred houses, among which one that was very large and had been inhabited by Arou Palacka, Sankilang, Arou Inampoe, and others, all of which he had destroyed by fire upon my further order, and likewise on his return march the negorijen Mangempang, where according to the reports given to him Tankilang and Crang Candjilo had kept house last, and Parang Laboea, while we likewise set fire to Bonto Parang and subsequently returned to our encampment Badjoeloe, arriving there past midday, the aforementioned negorij Parang Lacko having meanwhile also been reduced to ashes. Having subsequently spent the night once more at Badjoeloe, we departed on Friday the 2nd in the early morning directly for Bili Bili by a better road than before, except just on this side of the place where the chief interpreter was in action with the rebels, as we had to pass through the gorge of the mountains, in which the ground for a good quarter of an hour's walk was covered with cobblestones to such an extent that one was in danger of falling at every step, while right at the entrance we found several bentings for entrenchments

Dutch transcription

235. 473 uijtloopen zijn, gemerkt men er nog eenig proviant en zelfs ge„ „kookte rijst rond, behalven dat een oud wijf zulks ook bevestigde met bijvoeging dat Craeng Pattoeng en der kiesheeren en Craeng Mandalle zijnde de Tomilalang daar hadden huijs gehouden terwijl zij zig egter ignorant hield welke van de verscheijde wegen die wij daar vonden door deselve ingeslagen waaren. Jk het onzeekere dierhalven hoe hen t agterhaalen besloot ik liever na Bonto Parang te vertrecken, invoegen wij na dat alle gem: negorijen aan het vuur waaren op g'offert derwaarts op weg sloegen passeerende de verlaatene negorijen Pita en Mon„ „Jonglo=E daar de huijsen meede verbrand wierden, toen wij de revier Jene Berang weeder moesten overtrecken, die hier als bevoorens met scherpe klip en losse keijsteenen opgevult ter hoogh van drie tot vier voeten zo ongemeen sterk stroomde dat zelfs de paarden er niet konden overkomen, veel min dan de Europee„ „sen; zo dat wij allen door de jnlanders moesten worden geholpen, waaruijt in 't voorbij gaan aan te merken valt dat de naam van deese rivier, beteekende zo veel als dat t' onmogelijk te pas„ „seeren is, ook genoegsaam de daad heeft; zeggende den jnlander dat een ieder die er over wil, een groote steen uijt deselve neemen en ze dus doorwaarden moet, de valscheijd van welk bij geloof wij egter ontdecken, vermits wij er buijten des zonder eenige ramp doorkwamen, schoon er egter zo veel tijd meede verliep en het volk er der maaten door afgemat was dat ik de weg na Bonto Pa„ „rang niet inslaan maar halke houden moest op de een half uur verder leggende verlatene negorij Boedgoeloe; van waar ik nog thans ter eersten eenig volk van den oppertolk te paard de eerst gemelde weg uijtzond die na ander half uur uijtblijven kwaamen rapporteeren, tot aan de voornaame negorij Paranglacko ge„ „weest te zijn, maar deselve verlaten gevonden, dog van een oud wijf vernomen te hebben dat deselve voor het meerendeel door wadjo„ „reesen was bewoond geweest. Donderdag den 1=e Julij dan des anderen daags morgens ten vier uuren met het leger behalven eenige Europeesen en een halve Comp:e Madureesen, die die, bij de bagagie en het proviant gelaten wierden weeder op marsch gegaan, passeerden wij die even gemelde negorijen kwamen ten half negen uuren zelfs eer ik het wist en Bonto Parang, ver„ „mits ik er niet dan een groote negorij en basaar, dog alles verlaaten rond, daar men mij nogthans had g'informeerd, dat die plaats onge„ „meen sterk en der rebellen intentie uijt dien hoofde geweest was, om ons daar in te wagten om welke reden ik het leger berreks onderweegs hadde doen bij elkander trecken, zo dat wij aanstonds genoegsaam in een volkomen slag ordre stonden, toen ten eersten door verscheijde troupen paarden, volk hebbende doen recognosceeren op het rapport dat open vijanden daar omstreeks gezien waaren, den oppertolk met zijn volk daar en boven nog verder zond, die dan zelfs tot in Lanna g'avanceerd, die plaats meede verlaaten dag er na zijn opgave, buijten een ongemeene groote passer tus„ schen de drie en vier hondert huijsen heeft gevonden waar onder een dat zeer groot was en door Arou Palacka, Sankilang Arou Inampoe en andere is bewoond geweest, die hij alle op mijne nadere ordre door het vuur heeft doen vernielen en zo meede op zijn te rug togt de negorijen Mangempang, daar na de hem gegevene be„ „rigten Tankilang en Crang Candjilo het laatste huijs gezonden hadden en Parang Laboea terwijl wij Bonto Parang insgelijks deeden in de brand stoeken en vervolgens na onse leger plaats Badjoe„ „loe te rug keerden, en daar over den middag aankwamen, de voor„ „melde negorij Parang Lacko in middens almeede in de assche gelegt weesende. — op Badjoeloe vervolgens andermaal overnagt hebbende ver„ „trocken wij op. vrijdag den 2=e Jn den vroegen morgen direct na Bili Bili door een beter weg als bevoorens, behalven nog thans even aan deese zijde van de plaats daar den oppertolk met de Rebellen in actie is geweest gemerkt wij door de kloof van het gebergte moesten, in welke de grond wel een kwartier uur gaans der maten met keijstee„ „nen bezet was, dat men stap voor stap gevaar liep te vallen terwijl w' regt in den ingang verscheidene bentings tot verschan„ „singen

NL-HaNA_1.04.02_3556_0967 view scan ↗

English

236. 475 entrenchments behind one another, which were all dilapidated, but the first-mentioned of which, being enclosed on both sides by the mountains by nature itself, if rebuilt, would be so strong that one could have resisted an entire army with the smallest forces, so that we could not wonder enough to see it abandoned, all the more so since the rebels would always have had enough time to retire without us being able to overtake them due to the bad roads. Having meanwhile, while passing through, also set fire to the dilapidated houses in the negorij Bili Bili, we arrived back at Bonto Bonto, from where most of the artillery, according to orders, had not been broken up and had been sent home, while we had the rest transported, and subsequently continuing our march, we arrived back at noon at Romanlo-E, where we had stayed the first night, and around five o'clock along a very good road at Patiro, where we halted again until the following morning, subsequently marching to Malenkerij, arriving there in complete order with the whole army around nine o'clock along the river across Thaing, where there was no lack of onlookers who had never yet seen any regular troops. Of these, I left the Madurese and Sumanappers there, and in the afternoon, marching in order with the Europeans and the remaining natives to the Castle, I arrived at my house around six o'clock, being received by the senior and junior servants, all amidst an unusually large number of onlookers. The senior merchant and second-in-command having reported to me that nothing had occurred during my absence, except that the king of Bonij had sent several times to inquire what reports his Honour might have of me, expressing his fear that I might venture too far and expose myself to too much danger. Sunday the 4th, in the forenoon, I sent the interpreter De Graaf to the king of Bonij to announce my return, and with instructions to be able to answer what was necessary if His Highness should inquire about anything, which also took place, as His Highness, while expressing thanks for the communication and declaring to be exceedingly glad about my return, as well as having longed for it very much, according to De Graaf's report, had inquired about our force or the strength of the army and how far we had been. To which he was served with the answer that there were three hundred Europeans, and having been as far as Lanna, we would even have advanced to Parigie, even if I had had to stay away another eight or more days, had one not been able to perceive clearly that the rebels would not even have awaited us there but would also have taken flight. At which saying the prince had made known his astonishment, adding that there had never been a governor who had pursued the rebels or enemies of the Company so far and had roamed about in deserts and wildernesses, making do just like a common soldier. In the afternoon, His Highness sent the interpreter Passiere to congratulate me further and at the same time let me know that he had been in great anxiety about me, which was why he had sent three times to the senior merchant to ask after me. I charged the interpreter to thank his master, adding that having marched out solely to seek out the rebels, I had not even been able to determine where I would go. Monday the 5th, an emissary from Craeeng Ana Badjeng brought me a letter on a lontar leaf written to the same by Craeeng Pattoeng, one of the former Macassar electors, in which the same gives sufficiently to know 237. 477 that he openly yearns for peace with the Company, and whose bearer had moreover reported that the Craengs Boele Sjapong, Iamasongo, Bara Snamase, and Bonto Matene agreed with him in that respect. Whereupon I charged the emissary to tell his master to let the aforementioned Craeng know in reply that in case he, with the other former electors, still wished to submit, I would receive them provided it happened as soon as possible, since otherwise, or if they were to lead me on any longer and matters remained dragging on, I would no longer listen to any petition for peace, but would use weapons to pursue and destroy them everywhere further. Besides which I ordered the chief interpreter to write the same to Craeng Anabadjeng as well. Tuesday the 6th to Thursday the 8th. Nothing occurred, except that the chief interpreter departed again this morning for Sandrabonij to urge the king and grandees of the realm further to settle the debt and demolish the ramparts. Friday the 9th, the Bonij interpreter Passiere came to me on behalf of the Madanrang, reporting that an emissary had arrived here sent by the king of Riouw to Bonij with a letter, and that his master requested permission to receive him, having had this made known to me at once in order to prevent all suspicion if I should learn of it from others, to which I replied that the reception of the said emissary would be permitted. Saturday the 10th. The king of Bonij having received the Riouw emissary and having requested our Malay scribe to translate the letter brought along by the same.

Dutch transcription

236. 475 verschansingen agter den anderen von den die alle vervallen waaren dog welke eerstgemelde door de natuur zelve, als aan wee„ „der zeijde door het gebergte beslooten zijnde weeder opgemaakt wor„ „dende, zo sterk zoude zijn, dat men met de geringste magten geheel leger zoude hebben kunnen tegenstand bieden, zo dat wij ons niet genoeg konde verwonderen dezelve verlatende zien, te meer de Rebellen altoos tijd genoeg zouden hebben gehad te reti„ „reeren, zonder dat wij hun door de slegte wegen hadden kunnen agterhaelen. — De vervallene huijsen in de negorij Bili bili inmiddens in 't door trecken almeede in de brand hebbende doen steeken arriveerde w' weeder te Bonto Bonto van waar de meester arthillerij, na de ordre, niets opgebroken en na huijs gezonden was, terwijl wij het overige deeden vervoeren en vervolgens ons marsch vervorderende op den middag weeder te Romanlo=-E: kwaamen daar wij de eerste maal vernagt hadden en tegen vijf uuren langs een zeer goede weg te Patiro, daar wij weeder halte houdende tot den volgenden morgen, vervolgens na Malenkerij trocken koomende daarin volkomen ordre met het gantsche leger tegen negen uuren langs de rivier over Thaing, alwaar het aan geen aanschouwers ontbrak, die nog nimmer eenige gereguleerde troupen gezien hadden. van dewelke ik de Ma„ dureesen en sumanappers aldaar liet blijven en des na de middags met de Europeesen en de overige jnlanders in or„ „dre na het Casteel marcheerende omtrend ten ses uuren aan mijn huijs kwam door de gequalificeerde en mindere dienaaren gerecipieerd wordende alles onder een ongemeen groot getal van aanschouwers. Hebbende den opperkoopman en secunde mij gerapporteerd dat er bij mijne absentie niets was gepasseert; dan dat den koning van Bonij verscheide reijsen hadde doen vragen wat berigten zijn E: van mij mogt hebben onder te kennen gave gave van zijne bedugting dat ik mij te vero begeeven en aan te veel gevaar exponeeren mogte. — zondag den 4=e zond ik des voormiddags den tolk de Graaf na den koning van Bonij ter bekend maaking van mijne terug komst, en onder in man„ „datis om het nodige te kunnen antwoorden als zijn Hoogheijd na het een en ander vraegen mogte, invoegen ook geschied is, alzo zijn Hoogheijd onder dankzegging voor de Communicatie en be„ „tuijging van over mijn te rug komst ten hoogsten verblijd te wee„ „sen mitsgaders er zeer na verlang te hebben, na de graafs 'z rapport zig g'informeerd had na onse magt of wel de sterkte van het leger en tot hoe verre wij wel geweest waaren daar door hem op gediend was, dat er drie hondert Europeesen en wij zelfs tot in Lanna geweest zijnde zelfs na de Parigie zoude zijn voortgetrocken al hadde ik nog agt of meer dagen moeten uijt blijven, als men niet duijdelijk had kunnen bespeuren dat de rebellen ons daer zelfs niet afgewagt maer ook de vlugt zouden genomen hebben over welk zeggen den vorst zijne verwondering te konnen hadde gegeven met bijvoeging dat er nimmer een gouverneur geweest was, die de Rebellen of vijanden van de Comp:e zo verre vervolgd en in woestijnen en wildernissen omge„ „sworven had zig even als een gemeen soldaat behelpende. Des na de middags liet mij zijn Hoogheijd door den tolk Passiere nader vergelucken en teffens weeten in groote onge„ „rustheijd over mij geweest te zijn, alwaar om hij drie reijsen bij den opperkoopman na mij hadde doen vraegen, jk gaf den tolk last om zijn meester te bedanken onder bijvoeging dat ik alleen uijt„ „getrocken om de Rebellen op te zoeken, zelefs niet hadde kunnen bepaalen werwaarts ik gaan zoude. — Maandag den 5=e wierd mij door een sendeling van Craeeng Ana badjen g, een brief„ „je gebragt op een lonthar blad aan den zelven door Craceng E Pattoeng, een der geweesene Macassaarse kiesheeren aan hem geschreeven waar bij den zelven genoegsaam te kennen geeft 237: 477 Dingsdag den 6=e tot Donderdag „ 8=e vrijdag opest na vreede met de Comp: te haaken en welker brenger daar en boven berigt hadde dat de Craengs Boele sjapong, Iamasongo, Bara Snamase en Bonto Matene het met hem indien opzigte eens waaren, waar op ik den sendeling last gaf zijn meester te zeggen om voorm: Craeng in antwoord te laaten weeten, dat ingevalle hij met de andere geweesene kiesheeren als nog in submissie komen wilden, ik hun ont„ „fangen zoude mits het dan ten spoedigsten geschiede, dewijl ik andersints of zo zij mij nog langer kwamen om den thuijn te lijden en de zaeken langer sleepende bleeven ik naar geen aansoek van vreede meer luijsteren maar de wapenen ge„ „bruijken zoude om haar overal verder te vervolgen en te verdelgen buijten het welk ik den oppertolk bevoolen heb het gesegde ook aan Craeng Anabadjeng te schrijven. niets gepasseerd dan dat den oppertolk deesen morgen weeder na Sandrabonij vertrocken is, om den koning ƒ 8 en rijksgrooten naader aan te maanen tot voldoening der schuld en het slegten der wallen. — 9=e kwaam den bonijs tolk Passiere bij mij uijt naam van den Madanrang berigtende dat alhier een sendeling was g'arri„ „veerd van den koning van Riouw aan Bonij gesonden met een brief en dat zijn meester versoeken liet om denzelven te mogen ontfangen mij het zelve ten eersten hebbende laeten bekend maaken om alle ergwaam te prevenieeren wanneer ik zulks van anderen mogte verneemen op het welke ik gediend hebbe de receptie van gemelde zendeling wel te mogen lijden. — Zaturdag den 10=e De koning van Bonij den Riouws zendeling ontfan„ „gen en ons den maleijts schrijver hebbende laeten versoe„ „ken tot het oversetten van den door denzelven meede gebragte

NL-HaNA_1.04.02_3556_0970 view scan ↗

English

Friday the 16th Sunday the 11th, the letter brought to me, the said clerk provided me with such a copy thereof as can be found alongside its translation among the appendices. Nothing special occurred. Saturday the 17th. The chief interpreter Brugman returned from the southern provinces, reporting to me that, having once again most earnestly urged the king and grandees of Sandrabonij to satisfy their debts and to level the walls, with which latter only little progress had yet been made, they had promised to apply all possible diligence to both matters. Furthermore, he, Brugman, had learned from Craeng Anabadjeng that, having sent an emissary to Craeng Pattoeng to inquire of him what he now intended, given his pretended claim of wishing to submit to the Company, the latter had let him know that Tankilang was gathering his people anew and administering the oath, and had also sent an emissary to him and to the craengs Boelesjapong, Iamasonga, Bara Mamase, and Bonto Matene with a message that he, informed of their intention to abandon him and go over to the Company, could assure them that they would not get a King of Goa down to the seventh generation, and that he would come to attack him in the near future; for which reasons they had initially sent their wives and children to a certain hiding place in the mountains, but that they intended to come to Maleewang as soon as the danger was over. Furthermore, Craeng Anabadgeng had also related that Craeng Boengaija, being a brother of Craeng Thamanpang or Barombong, alongside the son of the former King of Soping, Aron Pantjilie, were staying with about one hundred head at the Bone village of Ballo situated in the Poelembankeng region, and also that, according to Craeng Glissong, the Glarrang Tjamba, being one of the Macassar electors, had settled with his family and retinue in the small outer village of Glissong, but that Craeng Glissong, not yet having spoken with him, had promised to do so and to send further word. Meanwhile, Craeng Bonto Trompo, brother-in-law of the Bone Songauwa Datoe Baringang, having been fetched by him with his family and retinue from Montjong Linkes, had departed for the Bone village of Takalara. Sunday the 18th, nothing special occurred. Monday the 19th, it was reported to me by the extraordinary emissary Carre Mandgarekie that he had learned from good authority on Maros that Craeng Borisallo was said to have let the present regent of Gauralilie know that he was quite inclined to come over to the Company if he had assurance that he would be received in submission, and that, if Sankilang should then want to come and attack him, he would well know what he had to do. Tuesday the 20th, nothing occurred. Wednesday the 21st. An emissary of the Datoe of Soping arrived here, named Goeroe Pakaijoe, informing me on behalf of his master, with an apology for not having given me notice of it sooner, that, having proceeded to Sedeenring to speak with the Datoe, they had sent together to the Patoela-E of Wadjo to divert him or the Wadjorese from committing hostilities against Bonij, pointing out that this realm, alongside Soping and Sedeenring, had been made free peoples by the Company; ridden, but having barely dismounted from mine, while I gave orders to reconnoitre, a few shots were fired at us from muskets, which was followed by a cry of moessoe, moessoe, meaning enemies, so that I quickly gathered the vanguard of the train, who could pass the road barely one by one, and sent them out against them, who also put them to flight, but at the same time, just as I myself also discerned, though very far off, a benting on the aforementioned mountains, and saw three flags flying therein as a sign that the rebels were awaiting us; but the men being too fatigued to advance further, I had to postpone this until about three o'clock in the afternoon, when we marched straight towards it. At first I had uncommonly great difficulty in inducing the natives to attack, on account of the heavy shooting from the enemies and the throwing of such a multitude of stones that one could hear the crashing from afar, so that I had to resolve to make the Europeans advance; but they had not yet reached the top, having to crawl up the steep slope virtually on hands and feet, as I myself had also done, before the rebels abandoned their stronghold, in which we found nothing but an old standard, but which we could not behold without the greatest wonder, being constructed entirely up against the mountain and fully half an hour's walk long, and which they had probably intended to make even larger, being erected on both sides from new, heavy bamboos and thus only just made, filled in between with heavy rocks and earth, and provided with a multitude of loopholes, and moreover, on account of the difficulty of reaching it, so formidable that with a very slight force one could have repelled a few thousand; through this we also suffered three dead and four wounded, which, however, in comparison with all that has been said, is very little, when one

Dutch transcription

vrijdag „ 16=e Zondag den 11=e tot mel gebragte brief, bezorgde gem: schrijver mij daar van zodae„ „nigen Copia als nevens dies translaat onder de bijlagen is te vinden. niets bijsonder voor Zaturdag „ 17=e Reverteerde den oppertolk Brugman uijt de zuijder pro„ „vintien mij berigtende dat hij de koningen Rijksgrooten van Sandrabonij andermaal op het ernstigste aangespoord hebbende tot voldoening van hun schulden het slegten der wallen, met welk laatste nog maer weijnig gevordert was dezelve beloofd hadden tot het een en andere alle mogelijke vlijt te zullen aan„ Voorts had hij Brugman van Craeng Anabadjeng ver„ „noomen hoe deese een sendeling aan craeeng Pattoeng ge„ „zonden hebbende om hem afte vaagen wat hij thans, mits zijne pretense voorgeeven om bij de Comp:e in submissie te willen komen vansints was denzelven hadde laeten weeten dat Tankilang zijn volk op nieuw versamelt en den eed afgeno„ „men mitsgaders een sendeling aan hem en ook aan de craengs Boelesjapong, Iamasonga, Bara Mamase en Bonto Matene hadde gesonden met een boodschap dat hij van hunne in„ „tentie om hem te verlaeten en zig bij de Comp:e te begeeven, onderrigt, zij konden staat maaken tot in het sevende gelik toe geen koning van goa te zullen krijgen en dat hij hem eerstdaags zoude komen aantasten; om welke redenen zij hunne vrouwen en kinderen voor eerst na een zekere schuijlplaats in het gebergte habde gezonden, dog dat zij voorneemens waaren om zo dra het gevaer zoude over weesen op Maleewang te komen. Wijders had Craeng Anabadgeng ook nog verhaald dat vraem Boengaija, zijnde een broeder van Craeeng Thamanpang of Barombong nevens de zoon van den geweesen koning van „wenden. — Soping D W 238. 479 soping Aron Pantjilie zig met omtrend hondert koppen op de bonijse negorij Ballo in het Poelembankengse gelegen op hielden, mitsgaders dat volgens zeggen van traeng glissong de glarrang Tjamba zijnde een der Macassaarse kiesheeren zig met zijn famille en gevolg op de kleene buijten negorij van glissong had needer gezet, dog dat craeng glissong met den zel„ „ven nog niet gesproken hebbende beloofd hadde zulks te doen en nader berigt te zullen zenden. Terwijl Craeng Bonto Trompo, swager van de bonijs Songauwa Datoe Barin„ „gang met zijn famille en gevolg door hem van Montjong Linkes afgehaald na de bonijse negorij Takalara vertrocken was. — zondag den 18=e viel niets bijsonders voor Maandag „ 19=e wierd mij door den Extra ordinair sendeling Carre Mandgarekie gerapporteerd hoe hij op Maros van goederhand vernomen hadde dat Craeng Borisallo aan den presenten regent van Gauralilie zoude hebben laaten weeten wel geneegen te zijn om tot de Comp:e over te komen, als hij verseekering hadde in submissie te zullen worden ontfangen, en dat hij als dan wanneer sankilang hem mogte willen komen attacqueeren wel weeten zoude wat hij te doen hadde. woensdag „ 21=e Arriveerde alhier een zendeling van den Datoe van Soping, met naame goeroe Pakaijoe, mij uijtnaam van zijn meester onder versoek van verschooning dat hij mij daar van niet eer hadde laaten kennisse geeven, berigtende hoe denzelven zig na sedeenring begeeven hebbende om met den Datoe te spree„ „ken, zij te samen gesonden hadden bij de Patoela=E van wadgo om denselven of wel de wadgoreesen van het pleegen van vijandelijkheeden tegen Bonij te diverteeren; onder voorhoording hoe dit Rijk nevens soping en Gedeenring door de Comp:e tot vrije volkeren gemaakt waaren; Dingsdag den 20=e niets gepasseerd. op gereeden, dog nauwdlijks van het mijne gestegen zijnde, terwijl ik order gaf om te recognosceeren wierden er eenige schooten uijt snaphaanen op ons gedaan, dat gevolgd wierd van een ge„ „roep moessoe, moessoe /:vijanden :/ des ik spoedig het eerste gevolg van den treijen die genoegsaam maar een voor een den weg pas„ „seeren konden versamelende op deselve uijt sond, dewelke hun ook op de vlugt dreeven, dog te gelijk, zo als ik ook zelve op het even gemelde gebergte een benting, schoon zeer verre ont„ „waarde en daarin drie vlaggen zag waaijen ten blijke dat de Rebellen ons waaren afwagtende, dan het volk te veel ver„ „moeijd, om verder voor te rucken, moest ik sulks uijtstellen tot omtrend drie uuren na de middag wanneer wij direct daer na toe getogen, ik in 't eerst ongemeen veel moeijte had de Jnlanders tot den aanval te beweegen mits het sterk schieten van de vijanden en het werpen van een zo meenigte steenen dat men het geklater van verre hooren konde zo dat ik besluij„ „ten moeste de Europeesen te doen avanceeren, dog deselve waaren nog niet boven gekomen, moetende zo als ik zelve ook hadde gedaan genoegsaam op handen en voeten de steijlte op kruij„ „pen of de Rebellen verlieten hunne sterkte, in welke wij niets voo„ „den dan een oud vendel, dog die wij niet dan met de nijkerste verwondering konde beschouwen, als geheel boven tegen den berg aangelegd en wel Een half uur gaans lang zijnde en die zij denkelijk nog grooter hadden willen maeken, zijnde van weeder zijden van nieuwe swaare bamboesen opgehaald en dus eerst pas gemaakt tusschen beide met swaare klipsteenen en aarde gevuld, en van een menigte schietgaten voorsien mitsgaders overzulks mits de moeijelijkheid om er bij te ko„ „men, zo formidabel dat men met een zeer geringe magt eenige duijsenden zoude hebben kunnen afkeeren; wij hebben hier door ook drie dooden en vier gequesten bekomen 't geen egter in vergelijking van alle het gezegde zeer weijnig is als men

NL-HaNA_1.04.02_3556_0973 view scan ↗

English

240. 483 one can infer the large number of rebels who must have been there from the construction of the aforementioned stronghold in less than three weeks' time, as they only began work on it after my return from the first campaign, or on the 3rd of this month. Demolishing it being impossible for us, because we could lose no time without facing the threat of running out of provisions, which could also not be delivered to us from the Castle, we remained there that night and marched at the break of the following day, or on Wednesday the 28th, along a most desperate road which prevented the transport of the cannon, just as we otherwise, given the displayed cowardice of the rebels, judged it unnecessary, proceeding another three hours with the army, where, as it was impossible to go any further, I had it halt, subsequently advancing further only with the mounted men, amounting together to about one hundred heads, as fast as we could ride, in hopes of overtaking some of the rebels, which objective we nevertheless could not achieve since we found the road leading to Tassese, which is said to be the place where most of them currently stay, completely impassable, so that to my regret we were forced to turn back, reducing to ashes along the way all the villages situated toward Coenjong, named Patabackang, Bonto Panno, Bilalang, Thanoedjoeng, Parang Lo= Een, and Panjekoekang, in which taken together stood more than three hundred and among them many large houses. We then arrived back at Coenjong already late in the afternoon, where the infantry, having also been ordered to turn back, had already arrived, and after having also burned the houses there, we encamped a quarter of an hour's walk on the other side of the mountains, where we remained until three o'clock in the afternoon, proceeding further on the march toward the Malewang area, or along the eastern borders of the Company's province of Soelembankeeng, into which the rebels have often come marauding, in order to see whether we might still encounter them there, which however did not happen, so that at seven o'clock, having passed by the village of Toekka which we found deserted, but where I again had a manifest posted, around eight o'clock we arrived at Ianna Craeng at or near the foot of the Iamparij mountain, where we remained to pass the night. Thursday the 29th. We broke camp again in the early morning, and after having rested for a while in the afternoon at Tammalo=s, but having encountered nothing, we arrived in the afternoon at five o'clock at Malewang. Friday the 30th. Early in the morning, together with the Captain of Artillery Sundberg and the chief interpreter, I made a trip to Patalassang and from there rode further ahead along the road toward Takelera, a Bone village in the Gowa territory near Sandrabonij, in order to make a good inspection of the said road for the purpose of executing the plan I had devised to capture two Makassarese nobles who had been reported to me as being there; after which, having returned again to Malewang, I had everything prepared to depart with the entire army the next day also to Satalassang, leaving everyone under the impression that the intention was to return home, except for Captain Sundberg and the chief interpreter, to whom I revealed my plan in the evening and gave them the necessary orders. Saturday the 31st. In the early morning we accordingly broke camp from Malewang, and having arrived at seven o'clock at Satalassang, I sent the aforementioned Captain Sundberg, together with the chief interpreter, ahead with half of the Europeans under the three officers who had commanded them all, together with the three companies of Madurese and one of the field pieces, using vessels, in order to encircle Takalara from the seaside and also on the north side by the following night, and for that purpose to divide that force in the best manner, while I retained the remaining Europeans with the three companies of Iumanappers as well as the people of Karaeng Galesong, in order to the aforementioned

Dutch transcription

240. 483 men het op het groot getal dere Rebellen, die zig daar bevonden moeten hebben, afte neemen uijt het maaken van de meermelde sterkte in minder dan drie weeken tijds, also zij daar aan eerst begonnen zijn na mijn retour van de eerste veldtogt of den 3=e de„ „ser. Het afbreeken van deselve voor ons ondoenlijk zijnde, om dat wij geen tijd versuijmen konden sonder bedrgting van gebrek aan provisie te krijgen, die ons ook niet van 't Casteel konde worden bezorgd bleeven wij daar dien nagt en marcheerden met het aan bree„ „ken van den volgenden dag of des woensdag den 28„e langs een aller desperaatste weg die het meede voeren van het Canon zo wel verhinderde als wij zulks buijten des, mits de betoonde lafhartigheid der rebellen niet nodig oordeelden, wee„ „der drie uuren met het leger voort daar ik het zelve als onmo„ „gelijk langer kunnende gaan, deed halke houden, vervolgens alleen met het volk te paard te saamen omtrend hondert koppen uijtmaakende zo hard als wij rijden konden verder voorttrec„ „kende, in hoope van eenige der rebellen t' agter haelen welk oogmerk wij egter niet bereiken konden gemerkt wij den weg loopende na Tassese, zo men wil de plaats daar zig de meeste thans onthouden volstrekt ontoeganckelijk vonden des wij tot mijn leedweesen genoodsaakt waaren te rug te keeren, onderweegen alle de negorijen naar Coenjong geleegen met naamen Patabackang Bonto Panno, Bilalang, Thanoedjoeng, Parang Lo= Een Panjekoekang in de assche doende leggen, in dewelke te samen genomen meer dan drie Hondert en daar onder veel groo„ „te huijsen stonden wij kwamen dan reets laat in den namiddag weeder te Coenjong alwaar het voet volk, als meede gelast om te rug te keeren, reets aangekomen was en na de huijsen aldaer meede verbrand te hebben legerden wij ons een quartier uur gaans aan geene zijde van het gebergte daar wij bleeven tot den drie uuren, 's namiddags, slaande voorts op marsch na het Malewangse of wel langs de oostelijkse grensen van 'sComp:s provintie soe„ „lembankeeng in welke de rebellen dikwils zijn komen stroopen om te ervaaren of wij hun daar nog mogten aan„ „treffen dat egter niet gebeurde, zo dat wij ten zeven uuren de en de Negorij Toekka voorbij gepasseerd die wij verlaeten vinden, dog alwaar ik weeder een manifelt deed aanstaan tegen agt uuren op Ianna Craeng onder of tegen den voet van het geberg te Iam„ „parij aan kwamen, daar wij bleeven vernagten. Donderdag den 29=e Baaken wij in den vroegen morgen weeder op en na der middags te Tammalo=s een poos uijtgerust, dog niets ont„ „moet te hebben, kwamen wij des na de middags ten vijff uuren te Malewang. Vrijdag den 30=e Daed ik nevens den Capitain den arthillerij Sundberg en den opper„ „tolk des morgens vroeg een tour na Patalassang en reed van daer vervolgens nog een end weegs voor de weg uijt na Takelera en bo„ „nijse negorij in het goase gebied bij Sandrabonij om goede inspec„ „tie te neemen van gemelden weg ten eijnde het bij mij gemaakte ontwerp uijt te voeren ter opligting van twee macassaarse grooten die men mij gerapporteerd hadde dat zig daer bevonden, waar na wij weeder te rug gekeert na Malewang ik alles deed gereed maaken om met het geheel leger des anderen daags meede na Satalassang te vertrecken, een ieder in 't begrip laetende dat de intentie was na huijs te keeren behalven den Capitain Sun„ „berg en oppertolk aan dewelke ik mijn project des avonds openbaarde en haar de nodige ordre ged. Zaturdag den 31=e jn den moegen morgen stond dierhalven van Malewang opge„ brooken en ten seven uuren te Satalassang aangekomen zijnde, zond ik meermelde Capitain Sundberg, nevens den oppertolk met de helft der Europeesen onder de drie officieren, die z' alle gecommandeert hadden, mitsgaders de drie Compag„ „nien Madureesen en een der veld stucken vooruijt met vaar„ „tuijgen om Takalara van de Zeekant en ook aan de noord zijde tegen de volgende nagt in te sluijten, en ten dien eijnde die magt op de beste wijse te verdeelen, terwijl ik de overige Europeesen met de drie Compagnien Iumanappers mitsgaders het volk van craing glissong aanhield om ge„ „melde M

NL-HaNA_1.04.02_3556_0975 view scan ↗

English

to occupy the said settlement from the land and east side, to which end I, on Sunday the 1st of August at half past two in the morning, marched out in all silence and, through the moonlight, notwithstanding the misleading of the guides, arrived precisely before the settlement when I heard the appointed signal of a cannon shot, so that the same was occupied in the blink of an eye in such a manner that no one could come out or in, considering that on the left wing, with the one cannon taken along by me, I could sweep the river so well against which the settlement lies, as could Captain Sundberg with the other that covered his right wing, while my right wing connected with his left wing within a short pistol shot. He was, however, already in the settlement according to agreement, but they reported to him that the prince, or Kraeng Bonto Nompo, had absented himself during the night, which however did not seem probable; although he was not found upon searching all the houses, Sundberg had nevertheless, according to orders, caused the house of the gallarrang to be occupied, wherein were his wife together with her mother and daughter and another child, as well as three slaves, whom I caused to be apprehended and transported by the chief interpreter under a secure escort by sea to Patalassang, where they arrived in the afternoon at four o'clock, just as we arrived again at noon with the rest of the train, all the vessels having also been sent thither again, and where we remained that day and night. Monday the 2nd I departed with the largest part of the army overland via Malewang for Glissong, whither the vessels with the remainder were also dispatched, and among them the chief interpreter with the state prisoners, and where we arrived together around noon and remained until three o'clock in the afternoon, when I sent a part of the Europeans together with the Sumenappers and all the cavalry back overland via Malenkerie to the castle, and returned home with the remainder by sea, arriving there at half past six. Tuesday the 3rd I caused the King of Boni to be notified, through the chief interpreter and Bookkeeper De Efhout, of my return to the castle and my experiences on the expedition, as well as the apprehension of the wife of Kraeng Bonto Nompo and company from the settlement of Takalara, with further orders that, if His Highness should again bring up the old custom that whenever a Governor marched out to war the Bonians had to join him, to point out to him how the manifold experienced proofs that the grandees of the realm had acted in bad faith during the whole of the disturbances had long since forced me to settle everything without him, which had also been carried out by them. Wednesday the 4th I sent the chief interpreter once again to the King of Boni to make known that I intended, after the levying of the tithes, to depart for Maros, and to the end not only to request him to send along prominent delegates, but also to give the same power to settle all matters occurring on that expedition with me directly without appealing to the Mandarangan or others; as well as furthermore to cause all Bonians to be warned and forbidden to store paddy on the houses; all of which the prince promised me. Having spoken with the apprehended wife of Kraeng Bonto Nompo as to whether she had any opportunity to inform her husband of her condition (having been placed provisionally by me with Commandant Passerman) and to encourage him to submit to the Company, with the aim of working through his channel, if feasible, something to our advantage, she requested me to arrange that a confidante of her sister, the wife of Ponggawa Datu Baringang, might come to her; wherefore I sent the sub-interpreter De Graaf to the King of Boni to request this, who let me know that someone would be sent tomorrow morning. Thursday the 5th the King of Boni let me know through the interpreter Passeere that, although he along with the grandees of the realm had already sent several times to Arung Ngatacka to demand of him restitution of the goods plundered by him or on his order from the house of Tio Lianko, without the same having wished to listen to this, he would nevertheless admonish him once more, but that in case he should then not obey, he would withdraw his hand from him and leave it to me to search for him, and would grant all assistance thereto. Upon which I instructed the interpreter to tell his master that I have nothing to do with searching for that prince, but still expected restitution of and satisfaction for what was plundered, adding that if His Highness, after what had been put to him repeatedly both directly and indirectly, would take and follow my advice, I would soon give him the means to exercise the authority that belongs to a King of Boni, over the grandees as well as the lesser subjects. Furthermore, Passeere brought along two women and a man to go to the wife of Kraeng Bonto Nompo, to which three I then, for this time as well as for the future, provisionally granted access to the same until my return from Maros. Friday the 6th I departed in the early morning hour, namely at half past four, for Maros, where I arrived at two o'clock in the afternoon. Saturday the 7th, according to report received since, an envoy of the King of Bima arrived at the Castle with a letter communicating the decease of Commandant Le Cerff. On

Dutch transcription

245. 485 gemelde negorij van de land en oostkant te bezetten, ten welken eijnde ik — Zondag den 1=e Augustus des morgens om half drie uuren in alle stilte op maescen ging en door het maanligt, niet jegenstaande die misleijding der gitsen, juijst, voor de negorij kwam toen ik het bestemde seijn van een canon schoot hoorde, zo dat dezelve in een omme„ „zien tijds zodaanig bezet was, dat er niemand konde uijt of inkomen gemerkt ik aan de linker vleugel met het Eene door mij meede genomen Canon de revier zo wel bestrijken konde, daar de negorij tegen aanlegt als capitain Sundberg met het andere dat zijn regter Vleugel dckte terwijl mijn regter tegen zijn linker Vleugel op een kleene pistool schoot aansloot. Hij was nogthans riets volgens afspraakt reets in de negorij dog men berigte hem dat de princen of wel craeng Bonto Nom„ „po zig des nagts g'absenteerd hadde dat egter niet waarschijn„ „lijk scheen, schoon men hem bij het doorsoeken van alle huijsen niet vond egter had sunberg na de ordre, het huijs van den glarrang doen bezetten, daar zijn vrouw nevens haer moeder en dogter en nog een kind mitsgaders drie slaven in waaren, die ik deed ligten en door den oppertolk onder een versekert sscorte over zee na Patalassang trans„ „porteeren, daar zij des na de middags ten vier uuren, zo wel als wij met den overige treijn op den middag weeder aankwamen alle de vaartuijgen ook weeder derwaards gezon„ „den zijnde en alwaar wij dien dag en snagts bleeven. Maandag den 2=e vertrok ik met het grootste gedeelte van het leger over Ma„ „lewang te land na glissong, werwaards de vaartuijgen met de overigen ook gedepecheerd wierden en daar onder den oppertolk met de staats gevangenen en alwaar wij genoeg„ „saam tegelijk tegen den middag aankwamen en verbleeven, tot drie uuren des na de middags wanneer ik een gedeelte van de Europeesen nevens de Sumanappers en alle het paarden volk te Land over Malenkerie na het casteel te rug zond en met de resteerende over zee meede na huijs keerde ko„ „men, de aldaar ten half zeven uuren aan. Dingsdag woensdag aan den koning van Bonij doen kennisse geven van mijn te rug komst aan het Casteel en weeder vaaren op den togt, mitsgaders de opligting van de vrouw van craeng Bonto Tompo c: s: uijt de negorij Takalara, met verdere ordre om wan„ „neer zijn Hoogheid weeder op haelen mogt van het oude gebruijkt om wanneer een gouverneur ten oorlog uijt trok de boniers hem conjungeeren moesten denzelven voor te houden hoe de veelvuldig ondervondene blijken dat de rijksgrooten ter qua„ „der trouw geduurende de gantsche onlusten gehandelt hadden mij voor lang hadden genoodsaakt alles zonder hem afte doen het geen dan ook door hun gedaan was. — 4=e zond ik den oppertolk andermaal bij den koning van Bonij ter bekend maaking dat ik voornemens was dat het doen der vertiening na Sharos te vertrecken en ten eijnde hem niet alleen te versoeken gecommitteerdens van aansien meede maar deselve ook magt te geven om alle voorvallende zaaken op dien togt met mij de planc afte doen sonder zig op den Madanrang of anderen te beroepen, mitsgaders om voorts alle boniers te doen waarschouwen en verbieden het bergen van Padij op de huijsen al het welke den vorst mij deed toe zeggen Met de opgeligte vrouw van Crang Bonto Trompo gesprooken hebbende of zij geen gelegentheid hadde haar man te doen kennis„ „se geven van haar toestand :/ als door mij bij den Commandant Passerman bij provisie geplaats:/ en om hem te animeeren bij de Comp:e in submissie te komen, met oogtmerk om door zijn Canaal, des doendelijks iets ten onsen voordeele te be„ „werken, zo verzogt zij mij te bezorgen dat een vertrouwde van haar zuster de vrouw van den Pongauwa Datou Ba„ „ringang mogte bij haar komen, weshalven ik den onder„ „tolk de graaf bij den koning van Bonij gezonden hebbe om zulks te versoeken die mij weeten liet dat er Dingsdag den 3=e Hebber ik door den oppertolk en boekhouder De efhout morgen 242. 487 Zaturdag „ morgen iemand zoude gezonden worden. — Donderdag den 5=e liet den koning van Bonij mij door den tolk Passeere weeten hoe hij nevens de rijksgrooten reets diverse reijsen bij aron Ngatacka gesonden hebbende om van denselven restitutie te vorderen van de door hem of ter zijner ordre geroofde goederen uijt het huijs van Tio lianko zonder dat den zelven daarna hadde willen luijsteren, hij hem egter nog eens zoude doen aanmaanen, dog dat ingeval hij dan niet gehoorsaamen mogt hij de hand van hem aftrecken en aan mij overlaaten zoude om hem te doen opzoeken, en daar toe alle assistentie wilde verloenen. op het welk ik den tolk last gaf zijn meester te zeggen dat ik met het opzoeken van dien prins niet te doen hebben maar als nog restitutie van en satisfactie wegens het geroofde verwagten wilde met bij„ „voeging dat als zijn Hoogheid, na het hem meermaal zo direct als van ter zijde voorgehoudene mijn raad inneemen en opvolgen wilde ik hem spoedig middel aan de hand zoude geven om het gezagt t' oeffenen dat een koning van Bonij toekomt zo wel over de grooten als de minder onderdaanen. voorts bragt Passeere twee vrouwen en een manspersoon meede om bij de vrouw van craeng Bonto Tompo te gaan aan welke drie ik dan zo voorditmaal als voor ditmaal als voor het vervolg bij provisie awtes bij deselve hebbe doen verleenen tot mijn te rug komst van Maros- Vrijdag den 6=e Ben ik in den vroegen morgen stond of wel ten half vijf uuren na Maros vertrocken daar ik ten twee uuren des na de middags arriveerde. 7=e Arriveerde volgens zedert bekomen berigt een gezant van den koning van Bima aan 't Casteel met een brief com„ „municeerende het overleijden van den Commandant Le Cerff. — op

NL-HaNA_1.04.02_3556_0978 view scan ↗

English

Sunday the 8th At Maros in the early morning, a start was made on the erection of the new post while I also regulated the collection of the tithes with the regents. I made a verbal agreement with the regents, both of the plains and the mountains, for the payment of 515 Spanish rixdollars in cash instead of the timber that they, according to an old custom of which the origins cannot be found, had to deliver, but in which they have been no less in arrears than that the timber from time to time has been delivered thinner and poorer, such that it could practically no longer be used. In the afternoon, the first stone of the fort on the south-west side under the bastion was laid by Catharina Johanna Bosch. Monday the 9th A start was made with the collection of the tithes, and indeed in this manner: After I had given orders for the detachment brought along by me—besides the bodyguard and the horsemen—consisting of sixty Europeans, three companies of Sumenappers, and some artillerymen with two rapid-fire cannons, to cross the river in the afternoon from in front of my dwelling, being the former house of the fallen sergeant Landorp, in order to march to the southernmost of the three settlements known by the name of Datas and there await my arrival, I rode off in the morning just past five o'clock to make the first round as usual, having all the houses in the settlements inspected to discover if any paddy might be concealed in them, which however was found only in two houses in a small quantity, until we arrived in the afternoon at the Datas, where the inspection was then also carried out, without the people of those settlements, who have otherwise always been extremely insolent, offering the slightest resistance against it. For which reason our troops have also marched off again, their appearance thus having caused not a little terror, there having been found in various houses six hundred bundles of paddy, which I seized for the Company and also received in settlement. Meanwhile, during the collection of the tithes before I came to Data, an envoy from the Ponggawa Datu Baringang appeared before me to announce that his master had arrived at Maros, being at Data Ri-Lauwt, and asked my permission to sail past the post to Mandrampesu, and at the same time to request an audience to pay me a visit in passing, all of which I granted, though I excused myself from the latter until another time. But coming home, I learned that he had not yet passed and was no longer even at Data, but had departed elsewhere, without doubt because the display of force he had seen made him take flight; nevertheless, he showed up early the following morning and sailed to Marampesu. Tuesday the 10th Nothing occurred besides the collection of the tithes. Wednesday the 11th [No entry] Thursday the 12th The Bone Ponggawa Datu Baringang, having requested an audience with me further and such having been granted for today, appeared around nine o'clock, in the company of the sulewattang of Bontuala, who alongside Aru Pasempa is commissioned to assist me in the collection of the tithes. After taking a seat, he made it known to me that he had followed me to Maros to tell the Bone people not to keep any paddy hidden in their houses, to which I replied that such was also the order of the king, whereupon he made it known that he had learned that certain reports to his detriment had been brought before me, requesting that I please not put any faith in slander, and assuring that he was faithful to the Company. To which I only had it answered that I have never paid attention to market or street talk, and thus no one needed to be afraid of falling under guilty suspicion with me, further thanking him for his offer to assist me in the collection of the tithes. After which I spoke with him for a short while about indifferent matters and then gave him his dismissal. Friday the 13th to Thursday the 19th Nothing occurred, except that the envoy of the king of Bima has returned home, having been dispatched according to orders by the Honorable Senior Merchant and Second Reijke, with instructions to tell his master that my absence did not allow for the answering of the letter brought along by him, but that the same would be sent. Friday the 20th This day was appointed for the collection of the tithes of the district of Tanralili, for which purpose I rode out at half past four with the usual retinue, leaving behind orders for Lieutenant Brandis to cross the river at three o'clock in the afternoon with the detachment of Europeans, half of the grenadier bodyguard, and the three companies of Sumenappers, and to march to the settlement of Tjidoe, the place where I was to take the midday meal. As we then arrived there towards midday after the conclusion of the collection of the tithes, we saw the aforementioned troops arrive towards four o'clock, for which reason I sent orders to them to follow me; meanwhile, with my retinue, consisting besides those belonging to the collection of the tithes of a good number of Glissongers and Polembankangers under their chiefs, immediately breaking camp and marching forth up to the settlement of Doelang, where I waited for them in order to arrange everything required for the occupation of a hostile place or an action against the same. Whereupon

Dutch transcription

Zondag den 8=e op Maros wierd des morgens vroeg een aanvang gemaakt met de oprigting van de nieuwe post terwijl ik teffens met de regenten de vertiening reguleerde — Hebbe ik met de regenten zo van de vlackens als het geberg te een mondelinge over een komst gemaakt ter opbreng van 515: rijksd=s spaans in Contanten in steede van de houtwerken die zij volgens een oud gebruijk, waar van men de overige niet vinden kan hebbe moeten leveren dog waar in zij niet minder agterlijk geweest zijn als dat het hout van tijd tot tijd dun„ „ner en slegter gelevert is, zodaanig dat men het genoegsaam niet meer heeft kunnen gebruijken. — Des na de de middags is de eersten steen gelegt van de het fort aan de zuijd; westkant onder het bolwerk door Catharina Johanna Bosch. — Maandag den 9=e Js een aanvank gemaakt met de vertiening en wel in deezer voegen. — Na dat ik ordre gesteld hadde om het door mij buijten de lijfwagt en de ruijters meede genoomen commando van sestig Europeesen drie Compagnien Sumanappers nevens eenige arthilleristen, met twee geswinde Canons des na de middags van voor mijn wooning zijnde het geweesen huijs van den gesneuvelden zergeant Lan„ „dorp, over de revier te doen trecken ten eijnde tot aan de zuijde„ „lijkste van de drie negorijen bekend onder de naam van Datas te marcheeren en daar mijne komst af te wagten, reed ik des morgens even over vijf uuren of de eerste tour na gewoonte neemende, doende alle de huijsen in de negorijen visiteeren, ter ontdecking of er ook Padij op dezelve mogt geborgen weesen, die egter met dan op twee huijsen in een geringe quantiteit gevonden wierd, tot dat wij des na de middags op de Datas kwamen, alwaar de visitatie dan ook gevolg nam, sonder dat het andersints altoos ten uijter„ „sten bautaal geweest zijnde volk van die negorijen zig het minste 243: 489 woensdag „ 11e minste daar tegen kwaemen te verzetten, weshalven onse troupen ook weeder zijn afgetrocken, hun vertooning dus niets weij„ „nig schrik hebbende veroorsaakt, zijnde op diverse huijsen gevonden ses hondert bossen padij die ik voor de Comp:e aangesloagen en ook voldaan gekreegen hebbe. — Ondertusschen verscheen onder de vertiening eer ik op Data kwam een zendeling bij mij van den Pongauwa Datoe Ba„ „ringang ter bekend maeking dat zijn meester op Maros g'arriveerden, op Data Ri=Lauwt zijnde mij Consent liet versoeken om voor bij de post na Manrampesoe te vaaren en teffens belet vraegen om mij een visite te geeven in 't voorbij passeeren, welk alle ik accordeerde dog van welk laatste ik mij tegen een anderen tijd verschoonde dog te huijs komende ver„ „nain ik dat hij nog niet gepasseerd en zelfs niet meer op Data maar na elders vertrocken was buijten twijffel dat de vertoo„ „ning die hij gezien heeft hem de vlugt heeft doen neemen, nog thans is hij den volgenden vroegen morgen opgedaagd en na Marampesoe geschept. Dingsdag den 10=e E viel buijten het vertienen niets voor Donderdag „ 12=e Den bonijs pongauwa Datou Baringang nog nader antes bij mij doen vragen en zulks tegen heeden g'accordeerd hebbende verscheen hij tegens negen uuren, in geselschap van den soelewattang van Bontuala die nevens arou Pasempa gecommitteerd is ter mijner assistentie in de vertiening bij mij na genomen zitplaats te kennen gevende dat hij mij na Maros gevolgd was om de boniers te doen aanzeggen geen padij op de huijsen verborgen te houden, waarop door mij ge„ „diend weesende dat zulks ook de ordre waere van de koning zo gaf hij te kennen vernomen te hebben dat men sommi„ „ge berigten ten zijnen nadeele bij mij hadde in gebragt, met versoek dat ik tog aan geen lasteringen geloof wilde slaan en verseekering dat hij voor de Comp:e getrouw was, op het welk 1 vrijdag den 13=e tot Donderdag „ 19=e welk ik alleen deed antwoorden dat ik mij nimmer aan passer of straat praat gestoord hadde en dus niemand be„ „hoefde bevreest te weesen om schuldig bij mij in verdenking te komen, hem voorts bedankende voor zijn aanbieding om mij in de vertiening te assisteeren. waarna ik nog een korte poos met hem over onverschillige zaeken gesprooken en hem voorts zijn afscheid gegeven hebbe ijs niets voorgevallen, dan dat den gezant van den koning van Bima na huijs is gekeerd door den E: opperkoopman en secunde Reijke gedepecheerd zijn volgens ordre, met last om zijn meester te zeggen dat mijn absentie de beantwoording van de door hem meede gebragte brief niet gedoogde maar dat het zelve zoude gesonden worden. Vrijdag „ 20=e Deesen dag geschikt ter vertiening van het district Tan „ralilie, waartoe ik nevens het gewoon gevolg ten half vijf uuren uijtreed, met agterlaating van ordre aan den luijtenant Brandis om tegen drie uuren des na de mid„ „dags met het Commando Europeesen en de helft van de granadiers lijfwagt mitsgaders de drie Compagnie Suma„ „nappers over de revier te trecken, en na de negorij Tjidoe te marscheeren; de plaats daar ik des middagmaal te houden gelijk wij dan ook tegen de middag na het afloopen der vertie„ „ning daaraan kwamen, zagen wij tegen vier uuren de gemelde troupen aankomen weshalven ik ordre aan dezelve zond, mij te volgen; ondertusschen met mijn gevolgd, bestaande behalve die tot de vertiening gehooren, uijt een goed deel glissongers en Poelembankeengers onder hunne hoofden, ten eersten op breekende en voort treckende tot voor de negorij Doelang daar ik hun bleef inwagten om alles te reguleeren wat er vereijschte tot bezetting van een vijandelijke plaats dan wel een actie tegens dezelve. — Waarop

NL-HaNA_1.04.02_3556_0981 view scan ↗

English

whereupon we marched forward together into a large forest, situated mostly against the steepness of a high mountain, where it was so dark, notwithstanding the bright shine of the moon, which we had virtually right overhead, that we could barely see one another, although the entire train remained close together, until I, riding entirely in front ahead of the two guides, arrived around nine o'clock at a hill where I saw two houses in which a light was burning. In the one to which I proceeded were four Boniers, who claimed to have gone and settled there by order of the Tomilalang to plant sirih, which we also found that they had done. Having subsequently had them asked where the negorij Tocka lay, and which was the road to get out of this wilderness back onto a flat plain, which our guides finally had to profess not knowing, despite having assured me they would bring me to the first-mentioned place, the encirclement and occupation of which I had intended. Thus they said that Focka lay directly opposite us, but on the other side of the mountain, yet mostly abandoned, and that in order to come to a plain from which we could return home again, we had to march through a large forest along that mountain, but that the road was very far. Which report, added to the fatigue of the troops, then necessitated us to remain camping here for the night, as was done, this place being named Kalo Boring. Saturday the 21st we departed in the early morning along the road that was shown to us by two of the Buginese encountered yesterday, and truly runs over the mountain, and was so uncommonly steep and full of loose brushwood that we had reason to be pleased not to have taken the same at night, because of the danger that would have been attached thereto. Arriving towards nine o'clock on the other side upon the flat field, where we encamped at a certain stream named Djene Sang-a. Meanwhile on that march we found abandoned not only the one house whereof mention was made under yesterday's date, but also a little further on several others belonging to Tocha, from which the inhabitants had, however, only just departed; and such report we received of all the rest that stand or have stood there, and that at Borisallo, formerly the principal residence of the rebels, which we saw lying from afar, matters were in similar state, while the chief interpreter knew to tell me how a certain native among our retinue related to him that my intention to attack Focka, having already become known to the rebels, had made them take flight from there and from Borisallo, which could not possibly be true since no one had known anything of my purpose until after I was already on the march; nevertheless, it is to be thought that they were warned that same night. This expedition having thus ended without fruit on our side, but nevertheless to the fright and astonishment of both enemies and feigned friends, as experience has since taught, we returned home at three o'clock in the afternoon, passing through the Sodiang district, where we found the Company's part as well as the part possessed until now by the Macassars entirely bare of any free people, and the land desolate (which latter I have ceded to the subjects for cultivation), and towards half past nine o'clock we arrived back at our lodgings in Maros. Sunday the 22nd, Monday the 23rd: Nothing occurred, but the glarrang of Glissong related to me on the first-mentioned day how he, having come last Saturday from Macassar to Maros upon the report given to him that some Boniers at Campala had expressed themselves disparagingly concerning the conduct of the Company or indeed of me in particular with respect to that of their ration and especially with respect to the expedition made by me to Tocka and Borisallo, he had expressly gone ashore there to inquire who those might have been who came to oppose the Company, with the declaration that he, as one of its subjects, was immediately inclined to take up the fight, provided they could only dare to attack him; with this result, that no one gave him any answer, but an old man had come to him who had said that such people who had expressed themselves about the aforementioned matter ought to be considered as children, since it was known that the Company and Bonij were friends and but one, therefore requesting him not to be troubled by similar aforementioned sayings, for which reason he had also departed from there. Tuesday the 24th: I departed in the early morning for Siang, where I arrived at noon. Wednesday the 25th to Sunday the 29th: Nothing happened besides the collecting of the tithes. Monday the 30th: Having proceeded overland to Labackang in the early morning, while I simultaneously collected the tithes from a part of the first-mentioned place besides Boenngoro, I arrived there at noon. Tuesday the 31st: Nothing occurred besides the collecting of the tithes from the remaining part of Labackang. Wednesday the 1st of September: I departed in the afternoon by water for Sagerie, where I arrived the following morning. Thursday the 2nd: Where the Tanete Prince Arou Pantjana, having come to meet me in the river and stepped over into my vessel, immediately asked me whether I had had any encounters in collecting the tithes; which being answered in the negative, he related that among the people at Sagerie continually for some time

Dutch transcription

244. 491 waarop wij gezamentlijk voort gerukt in een groot bosch geraakten meeste tegen de steylte van een hoog gebergte gelegen alwaar het niet jegenstaande het kelder schijnsel van de maan, die wij genoegsaam regt boven het hoofd hadden, zo donker was dat wij elkander naauwelijks konden zien, schoon den geheelen treijn digt bij elkander bleef, tot dat ik als buijten de twee gitsen geheel voorrijdende, omtrend negen uuren aan een heuvel kwam daar ik twee huijsen zag in dewelke ligt was brandende, in het eene werwaarts ik mij vervoegde woorden vier boniers dewelke voorgaven zig aldaar ter ordre van den Tomilalang begeeven en neder geset te hebben om sirie te planten in voegen wij ook bevonden dat zij gedaan hadden aan dezelve vervolgens hebbende doen vragen waar de negorij Tocka lag in welke de weg was om uijt deese voestijne weeder op een effen vlakte te graaken, dat onse gitsen eijndelijk betuijgen moesten niet te weeten, niet tegenstaande zij mij verseekert hadden ter eerstgemelde plaats te zullen brengen welken oncingeling en bezetting ik voorgenomen, had zo zeijden zij dat Focka regt tegen ons over, egter aan de andere zijde van het ge„ „bergte lag dog meest verlaaten en dat wij om op een vlakte te komen van waar wij weeder na huijs konden keeren langs dat gebergte een groot bosch door trecken moesten dog den weg zeer verre was. welk berigt gevoegd bij de vermoeijdheid van de troupen ons dan noodsaakte hier den nagt te blijven campeeren zo als geschiede werdende deese plaats ge„ „naamt kalo boring. — Zaturdag den 21=e vertrocken wij in den vroegen morgen langs den weg die ons door twee van de opgisteren aangetroffen bougineesen wierd geweesen, en werkelijk over het gebergte loopt, mits„ „gaders zo ongemeen stoijl en vol kreupel los was, dat wij reden hadden van vergenoegt te zijn dezelve des nagts niet te hebben genoomen, vermits het gevaar dat daaraan zoude Zondag den 22=e Maandag „ 23=e zoude zijn verknogt geweest, komende tegen negen uuren aan de overzijde op het vlacke veld daar wij ons aanzeekere spruijt Djene Sang=a genaamd legerden. — Jntusschen hebben wij op dien marsch niet alleen het eene huijs, waar van onder dato gisteren mentie is gemaakt, maer ook wat verder op nog verscheijdene anderen tot Tocha gehoord hebbende verlaaten gevonden, uijt het welk de bewoon„ „ders egter maar even waaren vertrocken, en zodaanig berigt kreegen wij van alle de overige die daar staan of gestaan hebben, mitsgaders dat het op Borisallo, wel eer de voornaamste verblijf plaats de rebellen die wij van verre zagen leggen in solver voegen gesteld was, terwijl den oppertolk mij wist te zeggen hoe zeeker jnlander onder ons gevolg hem verhaald dat mijne intentie om Focka aan te tasten, reets bij de rebellen bekend geraakt, hun van daar en van Borisallo de vlugt hadde doen neemen, dat onmogelijk waar konde zijn vermits niemand iets van mijn oogmerk heeft geweeten dan na dat ik reets op den marsch was, nogthans is het te denken dat zij dien zelven nagt zijn gewaarschouwd. — Deese expeditie dus zonder vrugt aan onse zeijde, dog des niet te min tot schrikt en verbaesing zo van vijanden als geveijnsde vrienden afgeloopen zijnde zo als de ondervinding zedert geleert heeft keerden wij ten drie uuren des na de middags na huijs, treckende door het sodiangse, alwaar wij zo wel sComp:s als het tot hier toe door de Macassaaren bezeten geweest zijnde gedeelte geheel van nog vrijen ontbloot en het land woest vonden /:welk laaste ik aan de on„ „derdaanen ter bebouwing hebbe afgestaan :/ en kwamen tegen half tien uur weeder te snaros aan onse wooningen. viel niets voor dog den glarrang van glissong verhaalde mij ter eerst gem: dage hoe hij voorleeden zaturdag van Macasser na Maros gekomen op het hem gegeeven berigt dat 245. 493 Zondag „ 29=e Donderdag dat eenige boniers op Campala zig smadelijk over het gedrag van de Comp:e of wel van mij in het bijsonder uijtgelaten heb„ „bende ten opzigte van dien van hunne ratie en speciaal niet opzigt tot de door mij gedaene togt naar Tocka en Borisallo, hij daar expres was aangegierd om te verneemen wie die geene geweest mogte die zig tegen de Comp:e kwamen te komten met verklaaring dat hij als een van haare onderdaanen aanstonds geneegen was de parthij op te vatten mitsgaders zij het dierhalven maar onderstaan konden om hem aan te vellen, met dit gevolg, dat niemand hem eenig antwoord gegeven maar er een oud man bij hem gekomen was die gezegd hadde dat zodaanige luijden welke zig over de voorengemelde zaak uijtgelaaten hadde als kinderen mosten worden geconcide„ „reert vermits het bekend was dat de comp:e en Bonij vrien„ „den en maar een waaren hem dierhalven versoekende zig aan dier gelijke gezegdens voormeld niet te stooren waarom hij dan ook van daar vertrocken was. — Dingsdag den 24=e Den ik in den vroegen morgen na Siang vertrocken, waar ik des middags arriveerde. ijs buijten het doen der vertiening niets gepasseerd. Maandag „ 30=e In den vroegen morgen overland mij na Labackang be„ „geeven hebbende terwijl ik teffens behalven Boenngoro aen gedeelte vertiende van de eerst gemelde plaats aldaar op den middag aankwam. Dingsdag „ 31=e buijten de vertiening van het overige gedeelte van Labac„ „kang: niets voorgevallen woensdag „ 1=e September vertrek ik des na de middags te water na Sagerie siang alwaar ik den volgenden morgen arriveerde zijnde. 2=e Daar den Tanets Prins arou Pantjana mij in de rivier te gemoet gekomen en in mijn vaartuijg overgestapt zijnde mij al aanstonds vroeg of ik in de vertiening geene recontres ge„ „had hadde, dat niet neem b'antwoord zijnde, zo verhaalde hij dat onder het volk op sagerie bij Continuatie zedert eingen Woensdag „ 25„' tot tijd 1

NL-HaNA_1.04.02_3556_0984 view scan ↗

English

Friday the 3rd and Saturday the 4th: time there had been a rumor that Datoe Baringang would prevent the collection of the tithes, but that news to the contrary having arrived, and how I had ordered all the houses to be inspected, this had caused an uncommon terror among the Bugis, so that it was now quiet everywhere. Except for the collection of the tithes on both those days, with which the same was completed in peace, nothing occurred, save only that for the future I have forbidden the stacking of paddy in the middle of the fields. Sunday the 5th: it was related to me by the Bugis prince daeng Manjaroengie, who is under the Company's protection, how he had learned that the chiefs of the rebels had supposedly separated from one another, and that Sankilang was on Iasese, Arou Mampoe alongside Craing Japana at the settlement Boelo-a in the Parigie, while Craeng Candjilo was at Djondjo, situated at the foot of the so-called mountain of Bonthain. Furthermore, the ordinary emissary daeng Mandjarehi, sent by me to Tanette to urge the king and grandees of the realm once again to pay off the national debt, returned from there with the report of not having found His Highness, as he had departed for Macassar to attend a certain feast at the court of the king of Boni. Monday the 6th: in the evening at ten o'clock, alongside the entire retinue belonging to the collection of the tithes as well as the European and native troops, all the cavalry having been sent back by land, I departed from Jagerie, and after a short stay Tuesday the 7th: near the island of Klein Balang, situated opposite the river of Maros, returned to the Castle in the evening at half past six o'clock, where shortly thereafter the Boni commissioners who had assisted me in the collection of the tithes came to me, whom I thanked on that account. Wednesday the 8th: I had my return from the north announced to the king of Boni by the under-interpreter Blij, on which he congratulated me. Meanwhile, I had ordered Blij to demand from the Tomilalang a certain slave of a European, who, having been apprehended at the settlement Kalli Kalli in Maros, was sent to him, but whom he detained. Whereupon I received report that he had promised to send the same tomorrow. Thursday the 9th: I sent the chief interpreter to the king with a copy whereby Sankilang is outlawed, yet the former Macassar government is invited to submission, and furthermore had some of the same posted both in the Bugis and in the other kampongs. Furthermore, an emissary of the Tomilalang came to me on behalf of his master, reporting that the slave mentioned under yesterday's date had run away, but I sent him word that I was not satisfied with this, still expecting the return of the same or else compensation, or otherwise I would know means to obtain the one or the other. Friday the 10th: upon the report that the king of Tanette is still here in the Bugis kampong, I sent the ordinary emissary daeng Mandjarekie once again to him, not only to urge him once more toward a speedy settlement of the national debt, but also to make known my astonishment and displeasure at his unheard-of neglect in having paid not a single visit to me since his accession to the realm, much less having done that which he was further obligated to do. Whereupon I received report that that prince would speak with the grandees of his realm concerning the debt, while he had requested an excuse for his neglect, pretending that this had occurred through ignorance. Hereafter, the Regentess of Thaing, former queen of Tello, had three emissaries congratulate me on my return from the north and at the same time announce that the customary fast was at hand. For all of which I simply had thanks conveyed to her. Saturday the 11th: the Sulewatang of Maros having subsequently come to me with the report that two of the lesser Macassar chiefs had arrived at the settlement Ka-hemba with their families and slaves, who had said they wished to submit to the Company, one having been the gallarrang of Parang Lo-e and the other formerly the gallarrang of Bone Langang; whereupon the Lomo had let it be known that this was well; that immediately there had also appeared there two subjects named Soea Samba and Soea Mangoe, pretending to have been sent out by Aron Paseempa to fetch those people from the mountains where they have stayed and to bring them to him; on which account the aforementioned Sulewatang, on behalf of the Lomo, requested orders as to what to do concerning both those malicious subjects. Whereupon I ordered the under-interpreter Blij to depart for Maros this very afternoon in order to bring those people here, with further orders to inform himself well about the condition of the aforementioned rebels who had submitted and their strength, as well as what they might further know regarding the rest. Sunday the 12th: nothing occurred. Monday the 13th: having sent the under-interpreter De Graaff to the Boni Tomilalang to ask him whether he would still return the slave in question or else pay his value, the same brought me the answer that that grandee of the realm had said he could not do the former, since he had truly run away, adding that he had not known that he was to deliver the same at once to the senior merchant

Dutch transcription

vrijdag den 3=e en 9 Zaturdag „ 4 Zondag tijd een gemompel was geweest dat Datoe Baringang W de vertiening zoude verhindert dan dat de tijding van het tegendeel gekomen zijnde en hoe ik alle de huijsen hadde doen visiteeren zulks een ongemeene schrik onder de bouiers had ver„ oorsaakt, zo dat het thans over al stil was. E is buijten het doen der vertiening op beide die dagen waar meede deselve in vreede volbragt is alleen uijtgesondert dat ik voor de aanstaande het opstappelen van de padij midden op de velden verboden hebben niets voorgevallen. — 5=e wierd mij door den in 'sComp:s protextie zijnde boniers prins daeng Manjaroengie verhaald hoe hij vernomen hadde dat de hoofden der rebellen zig van den anderen zoude gesepareerd heb„ „ben en dat sankilang op Iasese Arou mampoe nevens Craing Japana op de negorij Boelo=a in de Parigie waeren terwijl Craeng Candjilo zig bevond op Djondjo, leggende aan de voet van de zo genaamde berg van Bonthain — voorts kwam den ordinair zendeling daeng Mandjarehi door mij na tanette gezonden om den koning en rijksgrooten alwee„ „der aan te momen tot het aflossen van de rijksschuld van daer te rug met berigt zijn Hoogheid niet aangetroffen te hebben, als na Maccasser vertrocken weesende ter bijwooning van zeeker festeijn bij den koning van Bonij. — Maandag den 6=e ben ik des avonds ten tien uuren nevens het gantsche ge„ „volg zo tot de vertiening gehoord hebbende als de Europeeken en jnlandsche troupen, alle het paarden volk over land te zug gezonden zijnde van Jagerie vertrocken, en meer kort verblijf een kort verblijf Dingsdag den 7=e na aan het Eijland kleen Balang tegen over d' rivier van Maras leggende, des avonds ten halff seven uuren aan het Casteel geretour„ neert alwaar kort daar aan bij mij kwamen de bonijs gecommitteerd:s die mij in de vertiening hebbe g'assisteerd en dewelk ik dier wegens bedank hebbe woensdag 246 495 Vrijdag Woensdag den 8=e Hebbe ik mijn te rug komst van de noord door den ondertolk Blij aan den koning van Bonij doen bekend maken waar over hij mij deed vergelucken. — Ondertusschen had ik Blij oorgelast om van den Tomila„ „lang afte vorderen zeekere slaaf van een Europees die op de negorij kalli kalli te maros opgevat aan hem gezonden is, dog hij aan„ houden heeft. waarop ik berigt ontfing dat hij beloofd hadde den zelven morgen te zullen zenden. — Donderdag „ 9=e Hebbe ik den oppertolk na den koning van gezonden met een afschrift waar bij Tankilang vogel vrij verklaard dog de ge„ „weesene Mancassaarse regeering tot submissie genodigt wor„ „den, en voorts eenige van deselve zo in de bougineese als in de andere Campongs doen affigeeren. voorts kwam een sendeling van den Tomilalang bij mij uijt naam van zijn meester berigtende dat de slaaf onder dato giste„ „ren gemeld, weg geloopen was, dog ik liet hem zeggen dat ik daarmeede niet te vreede als nog de te rug gave van denzelven dan wel vergoeding verwagten of andersints wil middel weeten zoude om het een of ander te krijgen „ 10=e op het berigt dat den koning van Tanette nog hier in de Campong boegis is, zond ik den ordinair sendeling daeng Mandjarekie andermaal bij den zelven om hem niet alleen nogmaals tot een spoedige voldoening van de rijksschuld aan te maanen, maar ook mijne verwondering en ongenoegen te kennen te geven over zijn ongehoord verzuijm, van zedert zijne komst tot het rijk nog geen enhele visite bij mij afge„ „legt veel min gedaan te hebben het geen hij verder verpligt was. waar op ik berigt ontving dat dien vorst omtrend de schuld met zijne rijksgrooten spreeken zoude, terwijl hij over zijn versuijm excus versogt hadde, onder voorgeeven dat zulks door onnoselheid geschied was. Hier na liet de Regentinne van Thaing, geweesene ko„ „ninginne — d er Zaturdag den 11=e9 Zondag „ 12=e koninginne van Tello mij door drie sendelingen vergelucken met mijn te rug komst van de noord en teffens bekend maeken dat de gewoone vasten voor handen was. voor welk een en ander ik haar simpelijk hebbe doen bedanken De Soelewattang van Maros vervolgens bij mij gekomen zijnde met berigt dat op de negorij ka-hemba gekomen zijnde twee van de Macassaarse mindere hoofden met hunne huijs „gezinnen en slaven, die gesegt hadden zig aan de Comp:e te on„ „derwerpen, zijnde de eene geweest glarrang van Parang Lo=E en de andere wel eer glarrang van Bone Langang, waer op den Lomo hadde laeten weeten dat zulks wel was, aldaar, aanstonds ook verscheenen waaren twee onderdaanen met naamen Soea Samba en Soea Mangoe, onder voorge„ „ven door aron Paseempa uijtgesonden te zijn om die men„ „schen van het gebergte alwaar zij zig houden hebben, af te haelen en bij hem te brengen, weshalven, de gemelde soelewattang uijt naam van den Lomo ordre verzogt wat omtrend beijde die kwaadaardige subjectan te doen, waar op ik den ondertolk Blij hebbe gelast om nog deesen na de middag na Maros te vertrecken ten eijnde die den genieten hier te brengen, met verdere ordre om zig na de toestant der opgemelde in submissie gekoome„ „ne Rebellen en hunne sterkte zo wel t' informeeren als wat zij verder nopens de overige weeten mogten. — ge niets voorgevallen Maandag „ 13=e Den ondertolk de Graaff na den bonijs Tomilalang ge„ „sonden hebbende om hem afte vragen of hij de bewuste slaaf als nog te rug geeven dan wel dies waarde voldoen wilde bragt den zelven mij tot antwoord dat dien rijksgroot gezegt hadde het eerste niet te kunnen doen, vermits hij weesentlijk was weggeloopen met bijvoeging niet te hebben geweeten dat hij den zelven ten eersten aan den opperkoopman

NL-HaNA_1.04.02_3556_0987 view scan ↗

English

should have sent to the senior merchant or else to him, the Count, as having observed affairs here during Brugmans' absence in the tithe administration, upon which he had been waiting, adding that for the rest he did not know whether he had to pay the value, but would submit to it if the law required it, which the said chief interpreter would well know. The under-interpreter Blij, having returned from Maros, reported to me before his re-embarkation how he had departed with the Lomo and companions for Cacemba to apprehend the two subjects in question, having learned that they had already departed for Maccasser two days previously with the Matoea of Romanboe-E, a subject of Arou Paseempa, but had also returned from there, staying at Bonto Manai and thus under the protection of that prince; that he had apprehended the wife of one of them, named Soedsnangoe, together with her three children, that of the other having already fled, and brought them along, and furthermore had given orders to the Lomo and the other headmen to have the repeatedly mentioned fellows searched for still and then sent hither. Furthermore, he had interrogated the former glarrangs of Paranglo-E and Bonelengang and obtained information from them that because they could no longer hold out with the rebels in the mountains, since wandering from place to place they had to endure all kinds of misery, they had abandoned them and thus come down with the intention of submitting to the Company and obeying its orders like other faithful subjects, with the request therefore to be allowed to remain, the first mentioned at Romang Boe-E and the other at Oedjoeng Boelo belonging under Cacemba where they had their families, which had been granted to them by him subject to my further approval, with the recommendation to the headmen of the said negorijen to ensure that no molest was done to those people, the first being in the twenties and the other ten heads strong with their followers. Regarding the rebels, they had recounted to him that Iankilang, since the capture and burning of Bonto Parang by our forces, from which time they had left him, had retreated to Tasese where people claimed he was still supposed to have a thousand men with him, which was however not to be believed, and that at the time I was recently at Tocka and subsequently close to Borisallo, those who were there had taken to flight. Tuesday the 14th: The ordinary emissary Daang Mandjareki, sent by my order through the chief interpreter to the Bonian Tomilalang to notify him that according to the law he was obligated to make restitution for the slave in question as having gone missing through his negligence, let it be known that he would speak about it with the gharrang of Boutuala. Wednesday the 15th: Nothing occurred. Thursday the 16th: I sent the chief interpreter to the King of Bonij to deliver the copy of an edict by which the Torogeners or Badjo lauwts, who were subjugated under the Macassars, are invited to come over to the Company. Furthermore, to demand once more in the most earnest manner the restitution of the firearms loaned to the Realm in both the previous and recent wars, pointing out that Daton Baringang was here. Likewise, to demand once more and for the last time compensation for, and satisfaction over the robbery and the violence committed at the house of the Chinese Tiolianko, giving the prince to understand in emphatic terms regarding this how, since he had let me know that I could take satisfaction myself in this matter against Aron Ngatacka, I could not think otherwise than that this came from the grandees of the realm, who had meanwhile certainly warned him to absent himself from here and stay elsewhere, where I could not have him searched for; and that although it would grieve me to the utmost to get into embroilments with His Highness, the more so as I held myself assured of his sincerity and attachment to the Company, I nevertheless found myself compelled, and would also immediately take such reprisal over the case as I should judge expedient, if no satisfaction were yet given to me, without sparing anyone then, since I held all grandees accountable for it. Furthermore, to give His Highness notice of the case with the Tomilalang regarding the runaway slave of a European, whom he now pretends to have fled again, but that I could believe this the less because of his pretexts of not being obligated to make compensation for him, having to hold him guilty of theft on that account. Finally, to request once more the statement of the paddy that His Highness had on Maros and the other provinces. To all of which Brugman brought me the report: That

Dutch transcription

247. 497 opperkoopman hadde moeten zenden of wel aan hem de graaf als de zaaken hier geduurende Brugmans aanweesen in de vertiening waar genomen hebbende, op den welke door hem ge„ „wagt was mitsgaders dat hij voor het overige niet wist of hij de waarde moest betaalen dog zig daar aan onderwerpen zoude als het de wet meede bragt het geen gemelde oppertolk wel weeten zoude. Den ondertolk Blij van Maros gereverteert berigte mij voor zijn weeder vaaren hoe hij met den Lomo C: s: na Ca„ „cemba vertrocken om de bewuste twee onderdaanen op te ligten, vernomen hebbende dat z' reets twee dagen bevoorens met de Matoea van Romanboe-E, een onderdaan van Arou Paseempa na Maccasser vertrocken dog van daar ook weeder te rug gekomen, zig op Bonto Manai en dus onder protextie van dien priens onthilden, de vrouw van den eene met naame Soed snangoe nevens haar drie kinderen /: die van den anderen ook reets gevlugt wee„ „sende :/ doen opligten, en dezelve meede gebragt mitsgaders voorts aan den lomo en de andere hoofden ordre gegeven had om de meergemelde knapen als nog te doen opsoeken en als dan herwaards te zenden. Voorts hadde hij de geweesene glarrangs van Paranglo=E en Bonelengang onder vraagd en van dezelve berigt beko„ „men, dat z' uijt hoofde het voor hun bij de Rebellen niet langer in de gebergtens uijt te houden was, vermits z van plaats tot plaats swervende allerleijelende hadden moeten uijtslaan hun verlaaten en dus afgekomen wal„ „ren met intentie om zig aan de Comp:e te onderwerpen en als andere getrouwe onderdaanen haare beveelen te gehoorsamen, met versoek dierhalven om te mogen blijven - ƒ ƒ blijven den eerst gem: op Romang Boe-Een den anderen op oedjoeng Boelo gehoorende onder Cacemba alwaar zij haere famillien hadden, het welk haar door hem op mijne nadere approbatie was toe gestaan, onder recommandatie van de hoofden van gemelde negorijen om te zorgen dat die lieden geen molest wierd aangedaan zijnde den eersten met zijn gevolg in de twintig en den anderen tien koppen sterk Nopens de Rebellen hadden zij hem verhaald dat Ianki„ „lang zeedert het inneemen en verbranden van Bonto Parang door de onsen, van welken tijt af zij hem verlaaten hadde, naar Tasese geweeken was alwaar men wilde dat hij nog duijsend man bij zig zouden hebben dat egter niet te geloven was, en dat ten tijde ik jongst op Tocka en vervolgens digt bij Borisallo geweest was die geenen welke zig daar bevonden zig op de vlugt begeven hadden. — Dingsdag den 14: Den ordinair zendeling Daang Mandjareki ter mijner ordre door den oppertolk na de bonijs Tomilalang gezonden om denzelven aan te zeggen dat hij volgens de wet gehouden was de bewuste slaaf te verhoeden als door zijn verzuijm ab„ „sent geraakt, zo liet hij weeten daar over met den gharrang van Boutuala te zullen spreeken. Donderdag „ 16=e zond ik den oppertolk bij den koning van Bonij ter over„ „gave van het afschrift van een Placcaat bij het welk de To„ „rogeners of Badjo lauwts, die onder de Macassaaren zijn gesubjungeerd geweest, genodigt worden tot de Com„ pagnie over te komen. — voorts om nogmaals op het ernstigste restitutie te vorderen van de geweeren zo in den voorigen als jongsten oorlog aan het Rijk geleend, onder voor„ woensdag „ 15=e niets gepasseerd „houding - 248. 499 voorhouding dat Daton Baringang hier was. Om insgelijks nogtmaals en voor het laatst vergoeding van, en satisfactie te eijsschen over den roof en het gepleegd geweld aan het huijs van den Chinees Tiolianko den vorst daar omtrend in nadruckelijke termen te verstaan geevende hoe hij mij hebbende doen weeten van zelfs satisfactie dier„ „weegens tegen aron Ngatacka te kunnen neemen ik met anders denken konde ofr dit kwam van de rijksgrooten die hem ondertusschen zeekerlijk hadden gewaarschuwd om zig van hier te absenteeren en elders op te houden, daer ik hem niet konde laaten opzoeken, en dat schoon het mij ten uijtersten zoude leed doen met zijn Hoogheijd in bronie„ „lerien te geraeken te meer ik mij van zijn opregtheid en aankleeving tot de Comp:s verzeekert hield, ik mij nog„ „thans genoodsaakt vinden, en ook dadelijk zodaanigen represaille over het geval neemen zoude, wanneer mij als nog geen voldoening wierd gegeven, als ik dienstig zoude oordeelen, zonder als dan iemand te ontsien also ik alle grooten daar voor aanspreekelijk hield. — ƒ Om zijn Hoogheid wijders kennisse te geeven van het ge„ „val met den Tomilalang over de weg geloopen slaaf van een Europees die hij thans voorgeeft dat weeder gevlugt was dog dat ik zulks te minder gelooven konde om zijn preuteuse waar van niet tot vergoeding van den zelven gehouden te weesen, hem uijt dien hoofde moetende houden voor schul„ „dig aan dieverij. — Eijndelijk om nogmaals om de opgave te versoeken van de padij die zijn Hoogheijd op Maros en de andere provintien hadde. Op alle het welke Brugman mij tot berigt bragt t Dat

NL-HaNA_1.04.02_3556_0990 view scan ↗

English

That the king, with regard to the muskets borrowed during the recent war, had said he learned that they were all already gathered together except for two, and that they would be returned shortly, but that he would speak with the grandees of the realm concerning the others and furthermore also about the demanded compensation and satisfaction on account of the actions of arou Ngatacka, in order to arrange both matters. Regarding the slave abducted by the Tomilabang, he had affirmed that it was fair that he should compensate for the same and to charge him with doing so, as well as furthermore promised to provide the report of the paddy, having been prevented up to now by the celebration at his court of the wedding feast of his sister to Datoe Rioelawang, while he finally gave thanks for the Placcaat that was sent to him. Friday the 17th, nothing occurred. Saturday the 18th, having ridden in the early morning with some friends to Tello to inspect that place, I found the same, along with the surrounding land on this and also on the other side of the river along the road leading to Paranglo-E, not only entirely devastated and overgrown with scrub, but also the so-called ramparts of that stronghold so decayed that there is not the least apprehension that any enemies would dare to nestle therein, so that it would be a fruitless effort and expense to level the same further. Only, I discovered a few paddy fields that were recently cultivated there, as I later learned by Boniers, of which I was also informed that Datoe Baringang supposedly drew the tithes, which I deemed necessary, for this time, to let pass unnoticed. But on the other hand, in view of the discovery that the Boniers also place servos in the mouth of the river, I resolved to demand henceforth the customary rights for the Company as lord of the land, consisting of having fishing done in the same once each week, and to that end to let this be known to the king of Bonij, but if his people should be displeased with this, then to forbid the fishing or placing of servos and, if necessary, to prevent it. Upon my return, his said Highness had an audience requested of me for the Soelewattang of Bontuala, which was granted for five o'clock in the afternoon, and the same having appeared at that time, he made known how the son of the late dismissed Datou of Soping arou Pandjelie, named Craeng Berdanging, who was fathered with a princess of Barombong, together with one of his uncles, also a Barombong prince named Craeeng Bongaija, had come to his Highness with the request to be admitted in submission, and that his Highness had agreed to this on the condition that I also consent thereto; whereupon, having made inquiries and learned that neither of the two held any offices and together were only thirty heads strong, I ordered the soelewattang to tell his master that I would allow the same to remain with his Highness. Against which I made known to him that I could not yet agree to the request also made in his Highness's name for the release of the wife of Caaing Bonto Nompo and associates, under the assurance, however, that no harm would come to them, nor would they be sent away from here. The Tanete Prince Arou Pantjana having arrived here yesterday from Sagerie, unexpectedly having an audience requested of me this evening, which I immediately granted, he appeared, making known that he intended to make a trip to Djampoea, for which he therefore requested my permission, adding however that if I wished to employ him for one thing or another, upon being notified thereof, he would come hither with the utmost haste; for which I thanked him and furthermore granted his request. Sunday the 19th, nothing occurred. Monday the 20th, in the forenoon, after an audience had been requested beforehand, the Soelewattang of Bontuala appeared before me, who, having handed over to me in the sovereign's name the draft of a letter written in the Buginese language and addressed to Their High Mightinesses in Batavia, requested that I review the same, and that I have a translation of it made into the Malay language, and deliver both to his Highness yet this day, as the same was to be conveyed onto the vessel tomorrow morning with the customary ceremonies. After I had expressed to him, upon the first delivery, my astonishment at this so sudden handover, since up to now I had not been directly informed of the intended dispatch of an embassy to Batavia (of which he also did not breathe a word before I had asked about it), and how, according to former custom, this ought to have happened at least a month or three weeks prior, I pointed out to him that it was utterly impossible for the interpreters first to translate that letter into Dutch and subsequently into Malay, and then also to make a copy of the latter by tomorrow, and that besides, not knowing what it contained, I could not promise on my part to send it back already by then; but that I would have every haste made with the first, and if I found nothing therein about which his Highness ought to be conferred with, I would have it sent back to him at the earliest, with which that grandee departed. The said letter having subsequently been brought to me only towards evening in Dutch along with a draft in Malay, I let his Highness know through the Company's messenger daeng Mandjareki that I could not deliver it before the day after tomorrow, to which I received the reply that his Highness had affirmed that this was very well.

Dutch transcription

Dat den koning ten aansien van de in den jongsten oorlog geleende geweeren gezegt hadde vernomen te hebben dat z' alle reets bij den anderen waaren uijtgenomen twee en dat z'eer„ „lange zouden worden te rug gegeeven dog dat hij nopens de andere met de Rijksgrooten spreeken zoude en voorts ook over de gevorderde vergoeding en satisfactie wegens het be„ drijf van arou Ngatacka, ten eijnde het een en ander te besorgen. — Nopens den slaaf door den Tomilabang absent gebragt had „de hij betuijgd dat het billijk was dat hij den zelven kwam te vergoeden en om hem zulks te belasten, mitsgaders voorts beloofd de opgave van de padij te zullen bezorgen als tot hier toe verhinderd geweest zijnde door het bij hem gevierde huwelijks festeijn van desselfs zuster met Datoe Rioelawang, terwijl hij eijndelijk voor het toegesondene Placcaat had bedankt. vrijdag den 17=e niets gepasseerd. — Zaturdag „ 18=e jn den vroegen morgen met eenige vrienden gereeden zijnde na Tello ter bezigtiging van die plaats, bevond ik deselve niet al„ „leen met het onleggende land aan deese en ook aan de overzijde van de rivier, de weg na Paranglo-E uijt geheel verwoest en met kreupel bosch bewassen, maar ook de zo genaamde wal„ „len van die sterkste dermaten vervallen dat er de minste bedugting niet is, dat zig daarin eenige vijande zullen durven nestelen zo dat het vrugteloose moeijte en kosten zoude zijn om dezelve verder te slegten. eenlijk hebbe ik eenige weijnige padij vel„ „den ontdekt, die jongst aldaar bebouwd zijn geweest, zo als ik nader„ „hand vernomen hebbe door boniers, waar van men mij teffens on„ „verrigt dat Datoe Baringang tiende zoude getrocken hebben, het geen ik, voor ditmaal, nodig agte ongemerkt te passeeren dog daar en tegen hebbe ik mits de ontdecking dat de boniers ook servos stellen in de mond der revier voorgenomen dierweegens voor het vervolg de gewoone geregtigheid te vorderen voor de Comp=e als heer van den Lande, daarin bestaande om ieder werk eenmaal indeselve te doen d ƒ 249: 501 doen visschen en ten dien eijnde zulks aan den koning van Bonij te laaten weeten dog de zijnen daartoe ongenoegen zijnde, het visschen of zetten van zervos als dan te verbieden en des noods te beletten. — Bij mijn te rug komst liet gemelde zijn Hoogheid aves bij mij vraegen voor den Soelewattang van Bontuala het geen tegen vijf uuren des na de middags g'accordeert en denzelven te dier tijd verscheenen zijnde zo gaf hij te kennen hoe de zoon van wijlen den gedimoveerde Datou van Soping arou Pandjelie genaamt Craeng Berdanging den welke bij een princes van Barombong geteeld was, met een van zijn ooms meede een Ba„ rombongs prins geheeten Craeeng Bongaija bij zijn Hoog„ „heijd gekomen waaren met versoek om in submissie g'admit„ „teerd te worden en dat zijn Hoogheid zulks hadde g'accordeerd onder voorwaarde dat ik daar in meede kwam te consenteeren, waar op ik mij of informeerd en verstaan hebbende dat t' geen van beide eenige ampten bekleed hadden en te samen maar dertig koppen sterk waaren zo gelaste ik de soelewattang zijn meester te zeggen dat ik wel lijden mogt dat deselve bij zijn Hoogheid bleeven. waar en tegen ik hem te konnen goe als nog niet te kennen bewilligen in het uijt zijn Hoogheids naam almeede gedaan versoek tot ontslaging van de vrouw van Caaing Bonto Nom„ „po C: s. onder verseekering egter dat deselve geen leed weeder vaa„ ren nog ook van hier verzonden zouden worden. Den Ianets Prins Arou Pantjana gisteren van Sagerie alhier aangekomen zijnde heden avond onverwagt artes bij mij doende vragen dat ik aanstonds accordeerde zo verscheen hij te kennen gevende van intentie te zijn om een keer na Djampoea te doen, waartoe hij dierhalven mijne permissie versogt, onder bijvoeging nogthans dat wanneer ik hem tot het een of ander wilde emploijeeren hij daarvan verwettigt ten aller spoedigsten herwaards komen zoude, waar voor ik hem bedankt en voorts in zijn verzoek bewelligt hebbe zondag den 19=e niets voorgevallen Maandag „ 20=e des voor de middags verscheen na voor af verzogt aves bij —. 25. bij mij den Poelewattang van Bontuala die mij uijt s' vorsten naam overhandigt hebbende het concep van een brief in de bougineese taal geschreeven en aan Haar Hoog„ Edelheedens te Batavia gerigt, versogt deselve te resumeeren, en dat ik daar van een translaat in de maleijdsche taal wilde doen vervaardigen mitsgaders het een en ander nog deesen dag aan zijn Hoogheijd besorgen also deselve morgen ochten met de gewoone ceremonien op het vaartuijg stond te worden overgebragt; Na dat ik hem op de eerst overgave mijne ver„ wondering te kennen gegeeven hadde over deese so subite over„ „handiging vermits ik tot hier toe niet direct was g' informeerd van de voorgenomen zending van een gezantschap na Bata„ „via /:van het welke hij ook geen woord kwam te reppen: voor dat ik zulks gevragd hadde :/ en hoe zulks na voorige gebruijken ten minste voor een maand of drie weeken hadde behooren ge„ „schied te zijn, vertoonde ik hem dat het volstrekt voor de tol„ „ken ondoenlijk was dien brief eerst in het nederduijtsch en ver„ „volgens in het maleijds te doen translateeren, en dan nog een met afschrift van het laatste te maeken tegen morgen en dat ik buijten des niet weetende wat deselve inhield ook van mijne zijde niet belooven konde om z' als dan reets te rug te zullen zenden dog dat ik met 't eerste alle spoed zoude laeten maeken en wanneer ik daer bij niets vond waar over zijn Hoogheijd diende te onderhouden ik z' hom ten eersten weeder zoude laeten toe komen waarmeede dien Rijksgroot vertrok. De gemelde brief mij vervolgens eerst tegen der avond in het nederduijtsch nevens een klad in het maleijds ge„ bragt zijnde liet ik zijn Hoogheid door 'sComp:s zendeling daeng: Mandjareki weeten dat ik z' niet voor over morgen bezorgen konde waarop ik ter antwoord kreeg dat zijn Hoogheid betuijgd hadde zulks zeer wel 1

← previousnext →