Inventory 3556
Japan · 1,428 pages · 337 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
278 559 being situated as ever, prudence requires continuously remaining on guard and keeping the European force as far as possible together, as the only one upon which one can rely, and whose number, including the few Citizens residing here (half of whom are usually on expeditions), is by no means too large for our own security against native enemies, to man all posts, and at the same time to maintain the Company's prerogatives. Just as little as regarding Europeans, I would know how to dispatch any assistance of natives elsewhere; the Malays present here, who still constitute a notable number of circa four hundred head, I have to my regret discovered to be likewise little to be trusted, although their good conduct in many encounters has previously been praised; indeed, during the troubles they gave no signs at all of being loyal to the Company, which is to be attributed to the fact that they have allied themselves so greatly through marriages with Macassars and Boni people, and among them with many Princes, that they consider themselves assured, however matters might turn out here, of not being able to lose much by it. The other subjects the Company has here consist of the inhabitants of the Rice provinces; taken generally, they are a lazy, cowardly, and effeminate people, who, upon the first summons to be employed in warfare elsewhere, would far sooner flee into the mountains than be obedient or show themselves willing to do so. The Bouton and Saleyer people are no better, and those from the opposite shore, or the Kingdoms of Bima, Dompo, Tambora, Sangar, and Pekat, together make up so small a number that their aid would be of no consequence, not to mention that, despite all exhortations, they would remain away so long when called upon that their aid could no longer be of use, to which I must also add that they would expose their own Kingdoms too much to danger from the invasion of the treacherous Sumbawa people, against whom they, serving as a counterbalance, keep the Company's position on the opposite shore in safety. Notwithstanding all that has been said, I am nevertheless of the opinion that no means ought to be spared, in case word should be received that one of the eastern governorships was or was about to be attacked by an enemy fleet, to offer all possible assistance for its relief, if it can ever be risked, so as not, by wishing to preserve the one, as Your High Nobilities wisely observe, to lose both, and therefore there will be no lack on my part, if such should unexpectedly happen during my presence here, to employ all efforts toward that end, having had to make the aforesaid reflections chiefly to demonstrate that it cannot be determined strictly in advance wherein the same consists or how large it might turn out to be, as the order seems to require. And just as I, by virtue of what has been noted hereinbefore, consider myself obliged to request the required elucidation as to where such relief ought to arrive or what measures will be employed by Your Right Honourable Sirs to prevent the relief forces from falling into the hands of the enemies, I shall likewise, with respect to Macassar, await Your Right Honourable Sirs' remarks concerning the relief upon which one here, in the event of an hostile assault, if prudence might permit its dispatch, could hope; with respect to the place where the same ought to land, noting only that, since Castle Rotterdam lies on the west side of Celebes and it is apparent that the enemies, in order to make themselves masters of it, would surround it, there would not be the least difficulty in that regard, since, being notified of its arrival by signals, one will immediately be able to give direct orders to receive it out of danger. Which signals, constituting the 3rd point to be regulated amongst each other, I could indeed have determined immediately with respect to Macassar
Dutch transcription
278 559 gesteld zijnde als ooijt, de voorzigtigheijd vereijscht om zig bij Con„ „tinuatie op hoede en de magt van Europeesen zo verre mogelijk bij C elkander te houden, als d' eenigste waar op men staat kan mae„ „ken en welker getal, daar onder gereekend de weijnige Burgers die zig hier bevinden /: waar van de helft doorgaans op togten zijn:/ ter onser eigens beveiliging maar gantsch niet te groot is tegen Jnlandsche vijanden en om 'er alle posten meede te bezetten en om teffens 'sComp„s prerogativen te maintineeren. Even, zo min als omtrend Europeesen zoude ik weeten eenige assis„ „tentie van Jnlanders na elders af te steeken; de hier zijnde Ma„ „leijers, die nog al een naamwaardig getal van Circa vier honderd koppen uijtmaeken, hebbe ik tot mijn leedweesen ontdekt dat meede weijnig te vertrouwen zijn, schoon men hun goed ge„ „drag in veel rencontres, bevoorens geroemt heeft, immers heb, „ben zij in de troubles maar gantsch geen blijken gegeven de Compagnie toegedaan te zijn, het geen daar aan t' attribueeren is dat zij zig dermaaten door huwelijken aan Macassaaren en Beniers en daar onder aan veele Princen hebben vermaagt„ „schap, dat zij zig verzeekert houden, hoe de zaeken hier ook loo„ „pen mogten, 'er niet veel bij te kunnen verliesen. D' onderdaanen die de Comp=e hier verder heeft bestaan in de bewoonders der Rijst provintien; over het algemeen genomen is het een luij„ lafhartig en verwijfd volk en die veel eer op d' eerste aanmaning om zig tot den krijg elders te laeten gebruijken naar het geberg „te vlugten als gehoorsaam zijn of zig daar toe gewillig toonen zoude. D' Boutonders en Saleijereesen zijn niet beter en die van d' overwal of de Rijken Bima, Dompo, Tambora, Sangar en Pekat maeken te saemen een zo gering getal uijt, dat haare hulpe niet van belang zoude zijn, ongereekend dat z' inweer„ „wil van alle adhortatien zo lang agterweegen zouden blijven wanneer z' opgeroepen wierden dat hun hulpe niet meer te staede zoude kunnen komen, waar bij ik nog diene te voe„ „gen dat zij haar eijgen Rijken ook te veel in gevaar zouden stellen stellen voor d' invasie der verraaderlijke sumbauwareesen, tegen dewelke zij ten evenwigt streckende 's Comp„s staat op d' overwal in veijligheijd stellen Jn weerwil van alle het gezegde ben ik nogthans van gevoelen dat men geen middelen behoorde ongespaard te laeten om ingeval men tijding mogte krijgen dat een der oostersche gouvernementen door een vijandelijke vloot was of stond te worden besprongen, ter ontzet van het zelve alle mogelijke assistentie te bieden als het maar immer te waegen zij, om niet door een te willen behouden, zo als Hun Hoog Edelhedens wijs„ „selijk aanmerken, beide te verliesen, en dierhalven zal het aan mij niet manqueeren, om, bij aldien zulks geduurende mijn aanweesen alhier onverhoopt mogte gebeuren, daar toe alle devoiren aan te wen„ „den, de voorsz: bedenkingen voornamentlijk hebbende moeten mae„ „ken ten blijke dat het volstrekt niet voor uijt te bepaelen is, waar in deselve bestaan of hoe groot die zoude kunnen vallen, zo als het bevel schijnt te requireeren. En gelijk ik mij dierhalven uijt hoofde van het hier vooren genoteerde gehouden agte de vereijschte elucidatie te versoeken waar zodanigen secours zoude dienen aan te komen of wat middelen er door uw wel Edele Achtb: in het werk zullen worden gesteld om te voorkomen dat de secoursen niet in handen der vijanden vallen, zal ik insgelijks met betrecking tot Macasser uw wel Edele Achtb: aanmerkingen blij„ „ven te gemoet zien, omtrend het secours waar op men hier, bij een vijandelijke aanranding, wanneer de voorzigtigheijd dies afsending mogte toelaeten, zoude kunnen hopen; met opzigt tot de plaats, waar het zelve zoude dienen te landen, eenlijk noteerende dat ver„ „mits het Casteel Rotterdam aan de westzijde van Celebes legt en het apparent is dat de vijanden om zig daar van meester te maeken, het zelve zouden in sluijten, daar omtrend geen de minste moeijte zoude zijn dewijl men door de zeijnen van dies aankomst g'adver„ „teert, aanstonds direct ordre zal kunnen stellen om het buijten gevaar te bekomen. welke zeijnen het 3=e poinct uijtmaekende om onder elkanderen te reguleeren, zoude ik ten opzigte van Macasser wel aanstonds hebben kunnen vast stellen
English
561 279 to propose to have different flags shown in certain months, both from the main office and the subordinate offices, but I thought it proper to postpone the same until such time as I shall have received the considerations of Your Honorable Respects, all the more because I dare not flatter myself with the hope of having hit the right mark in this matter, much less of having satisfied the aim and intention of Their High Excellencies, gladly confessing my ignorance regarding all these subjects, which would also have restrained me from declaring myself regarding the 4th point, namely what capitulation, in case of surrender, ought to be stipulated, if I were not obliged to do so in order to obey the order, concerning which I then only note that, according to my humble judgment, it would be quite ill-advised to contract for the transport of the garrison of the conquered government to another, even if the same were to be obtained, which does not appear probable to me, since the enemies, having made themselves masters of the one, would without doubt also seek to conquer the others, and thus would not permit them to be reinforced in the meantime beforehand by a part of the garrison of the conquered one; and therefore I think that one would do better to stipulate to be transported to the main office, which would thereby be greatly reinforced and which, moreover, has not much to fear from enemy attacks, as even the most knowledgeable observe; but regarding which point I shall likewise await the opinion of Your Honorable Respects, trusting that these my considerations will be favorably received and that the shortcomings may be graciously excused. Wherewith then concluding, I testify with all distinguished respect to be most sincerely, beneath stood, Honorable, Rigorous and Respectable Sirs, lower, Your Honorable, Rigorous and Respectable Sirs' very willing and ready friend and servant, was signed, I=s J„s van der Voort, in the margin, Macasser in Castle Rotterdam the 17th December 1778. - Boelecomba Boelecomba Resident there To the Junior Merchant Mr. Simon Monsieur. Honorable, Pious, Discreet! Holding the information communicated by Your Honor's letter of the 11th of this month regarding both Aroe saletoenga and the rebel Tankilang as received, in the trust that Your Honor will have already written to the Resident at Saleijer about the Bonto Bangos prince who was still colluding with them, I shall only note that the reports here dictate that all the other Macassar grandees, at least the principal ones, have already abandoned the party of that vagabond and have reportedly gone to Berisallo, intending, through the mediation of Bonij, to submit, or else to renew the peace with the Company, which time will have to reveal; while in the meantime it is not beyond concern that the King of Bonij, diverted from the intention of proceeding to his inland domains, has since moved his residence to Maros and the Samparadjaija has likewise been brought thither: Fully approving the permission granted to the Regent of Tanette to depart for Saleijer, I expect, notwithstanding what is mentioned above, that Your Honor will continually remain attentive to obtain information regarding Sankilang and his remaining adherents and to share the same with me, while in the meantime I let this serve as conveyance for a sealed order from Bonij's prince to the Jennang Boelecomba, in order to have those of Boea and Lajaij still satisfy the 1086 gantangs of rice that they have remained owing. Wherewith, after greetings, I remain, beneath stood, Your Honor's good friend, was signed, P:s G„s van der voort, in the margin, Macasser in Castle Rotterdam the 20th December 1778. — Saleijer 563 280: Saleijer To the Bookkeeper Jan Hendrik Voll, Junior, Resident there Honorable, Pious The workmen who recently arrived here, now returning, except for a number of 110 to 120 heads who are retained here for the service of the Company, I let this serve to accompany them and to order Your Honor to urge the Regents to send hither again in the spring a good number of at least 150 to relieve those mentioned above, who will be provided with provisions here; not wishing to doubt that they will show themselves willing enough to do so, in consideration of the mild treatment that was shown them regarding their insurrection. Meanwhile, I also expect that Your Honor, if possible, will have a quantity of heavy timber or piles cut for the jetty, in order to be fetched by a scow in the spring, as one is very much in need of it. Boelecomba's Resident having written to me that a certain prince, being a Bento bangoer, is supposedly among the rebels, I hereby order Your Honor to make a diligent investigation as to who this is, and of what consideration he is, as well as regarding whatever further Your Honor can discover in this matter. Wherewith, after greetings, I remain, beneath stood, Your Honor's friend, was signed, P„s P:s vander voort, in the margin, Macasser in Castle Rotterdam the 20th December 1778. — After preceding customary compliments, I make known to you, my grandson, that I am very grieved to have learned from people who have come out of the mountains, of your impoverished and Translation of a Macassar letter written by the Malay Lieutenant Marsidon to the Macassar prince Craeng Sapanang. grieved
Dutch transcription
561 279 stellen om zo van het hoofd als d'onderhoorige Comptoiren in zeekere maanden onderscheijdene vlaggen te doen vertoonen dog ik hebbe ver„ „meend het zelve wel te mogen uijtstellen, tot tijd en wijlen ik uw wel Edele Achtb: Consideratien ontfangen zal hebben, te meer ik mij geen„ „sints flatteeren durf met de hoope van in deesen het regte doel ge„ „troffen veel min dan om voldaan te hebben aan het oogmerk en d' inten„ „tie van Haar Hoog Edelhedens, mijne onkunde gaarne belijdende om„ „trend alle deese onderwerpen het geen mij ook soude hebben weder hou„ „den mij te verklaren nopens het. 4„e poinct namentlijk wat Capitulatie, in Cas van overgave, zoude die„ „nen te worden bedongen, indien ik daar toe niet verpligt was, ten einde aan d' ordre te obedieeren, waar omtrend ik dan eenlijk aan„ „merkt dat het naar mijn gering oordeel gantsch niet geraden zoude weezen, te contracteeren tot transport van de bezetting van het overwonnen gouvernement naar een ander, zo het zelve al te verkrijgen was, dat mij niet waarschijnlijk voorkomt, vermits de vijanden zig van het eene meester gemaakt hebbende buijten twijf„ „fel ook d'anderen zouden tragten te winnen, en dus niet toelaeten dat die inmiddens alvoorens, door een gedeelte van het guarnisoen van het overwonnene, versterkt wierden, en dierhalven vermeene ik dat men beter zoude doen te bedingen om na het hoofd Comptoir te worden getransporteerd, dat daar door zeer zoude worden versterkt en dat boven dien niet veel voor vijandelijke aanvallen te vreesen heeft, zo als de kundigsten selfs aanmerken, dog nopens welk poinct ik almeede uw wel Edele Achtb: gevoelen zal afwagten, in vertrouwen dat deese mijne bedenkingen gunstig ontfangen en het gebreckige gratieuslijk zal mogen verschoond worden. Waar meede dan besluijtende zo betuijge ik met alle gedistingueerde agting zeer opregtelijk te zijn. /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge en Achtbaere Heeren! /:lager:/ uw wel Edele Gestrenge Achtb: zeer bereidwillige en volvaardige vriend en dienaar, /:was geteekend:/ I=s J„s van der Voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 17=e December 1778. - Boelecomba Boelecomba Resident aldaar Aan den onderkoopman M=r Simon Monsieur. Eersame, vroome, Discreete! Het bedeelde bij UE: schrijvens van den 11=e deser zo ten opzigte van Aroe saletoenga als den Rebel Tankilang voor gecommuniceert houdende in vertrouwen dat uE: den Resident te Saleijer reets sal hebben geschreeven over den Bonto Bangos prins die nog met hun heulde sal ik eenlijk noteeren dat de berigten alhier dicteeren dat alle de verdere Macassaarse groten, immers de voornaamste, de parthij van dien vagebond reets verlaeten en haar na Beri„ „sallo zouden begeven hebben, voornemens zijnde om, door bewer„ „king van Bonij, in submissie te komen, dan wel den vreede met de Comp=e te vernieuwen het geen de tijd sal moeten openba„ „ren; terwijl het inmiddens niet buijten bedenking is dat de koning van Bonij gediverteert van het voornemen om zig na zijne binnenlandsche slaten te begeeven zedert met 'er woon na maros vertrocken en de Samparadjaija insgelijks derwaarts gebragt is: De verleende permissie aan den Regent van Tanette om na Saleijer te vertrecken volkomen approbeerende; verwagte ik in weerwil van het hier voorengemelde dat uE: bij continuatie attent sal blij„ „ven om narigt nopens Sankilang en zijn overige adherenten te bekomen en mij deselve te bedeelen terwijl ik inmiddens deesen nog laat dienen ten geleijde van een gezegelde ordre van Bo„ „nijs vorst op den Jennang Boelecomba om door die van Boea en Lajaij als nog te laten voldoen de 1086. gantangs rijst die zij zijn schuldig gebleeven. Waar meede na groete blijve. /:onderstond:/ UE: goede vriend. was ge„ „teekend :/ P:s G„s van der voort, /:in margine:/ Macasser in 't Cas„ „teel Rotterdam den 20=e December 1778. — Saleijer 563 280: Saleijer Aan den Boekhouder Jan Hendrik voll, Junior, Resident aldaar Eersame, Vroome De Jongst alhier overgekomene werklieden thans te rug keerende buijten een getal van 110. â 120. koppen die alhier ten dienste van de Comp:e wor„ „den aangehouden laate ik deesen dienen ten hunnen geleide en om uE: te gelasten de Regenten aan te maanen in 't voorjaar weder een goed getal van ten minsten 150. herwaarts te senden ter aflossing van de bovengemelde, die hier zullen worden voorsien van vivres; willende ik niet twijffelen of deselve zullen zig daar toe bereidwil„ „lig genoeg toonen, uijt consideratie van de zagte behandeling die hun is aangedaan nopens hunnen opstand. Intusschen wil ik ook verwagten dat uE: zo'er mogelijkheijt toe is een parthij swaar hout of palen voor het zeehoofd zal laten kappen ten einde in het voorjaar met een schouw te worden afgehaald, also men daar om zeer verlegen is. Boelecombas Resident mij geschreeven hebbende dat zig zeker prins, zijnde een Bento bangoer zig bij de Rebellen zoude bevinden zo gelaste ik uE: een naauwkeurig ondersoek te doen wie zulks, en van wat consise„ „ratie den zelven is, mitsgaders na het geen UE: verder dientwegen ont„ „decken kan. waar meede na groete blijve. /:onderstond:/ uE: vriend /was geteekend:/ P„s P:s vander voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 20„e December 1778. — Na voor afgaande ordinaire Complimenten; so maake ik u mijn kleijn zo on bekent, dat ik seer bedroeft ben, vernoomen te hebben van men„ „schen die uijt het geberg te gekomen zijn, ruwen armoedigen en Translaat Makassaarse brief geschreeven door den Luijtenant Maleijer Marsidon aan den makassaarse prins: Craeng Sapanang. bedroefden
English
Maccasser distressed condition there. However, if you place firm trust in me, I shall do my best to seek your well-being with the Honourable Company, so that you may be assured of my fidelity to you. And if you have this confidence in me, I demand a prompt reply to this letter, and have it delivered here to me by a trusted messenger of yours. To the Right Honourable, Strict, Venerable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, etc., etc. Right Honourable, Strict, Venerable Lord! In my humble letter of the 25th of the past month of July, I had the honour to inform Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour that the old Pongauwa, the Kali, and three glarrangs of Gantarang no longer wished to recognize the regent and the Young Pongauwa there as their chiefs, because they took up arms against the Honourable Company, which undertaking was unknown to them; promising moreover that, as soon as they had come to an agreement among themselves, they would come forward with another person to propose. However, on the 25th of the past month of November, the said pongauwa, kali, together with some glarrangs and anak ciaengs, appeared before me in the name of the collective Gantarangese, requesting Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour to allow them to retain the regent again as their chief; concerning which I promised them to write, and to await the orders of Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour. Furthermore, with the favorable interpretation of Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour, I have, pursuant to the request made by the former regent of Tanette, Daeng Matallie, permitted him again to enter his land, just as he also appeared before me on the 30th of the past month to request pardon from the Honourable Company, and subsequently on the 1st of this month, having requested to fetch his family, departed for Bira; but owing to the stiff westerly storm that we have experienced here unusually severely since the 1st of this month, he had to remain held up at Tanette. Wherewith I conclude this, commending Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour's precious person, together with the Honourable Company's important interests, to God's safe keeping, subscribing myself with all due respect, [below stood:] Right Honourable, Strict, Venerable Lord, [lower:] Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour's humble Servant, [was signed:] Jan Hendrik Voll, Junior, [in the margin:] Saleyer, the 14th of December, Anno 1778. To the Right Honourable, Venerable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director there. Right Honourable, Venerable Lord and friend! Whereas Their High Mightinesses, by separate letter of the 30th of November last, have been pleased to charge me with presenting to the Prince of Madura and the Pangerang of Sumenep that their auxiliary troops will be needed on Macasser for another year, and that it would consequently be agreeable if they would order the chiefs to remain there with their subordinates for so long in the service of the Company; and, if among those over there, there might be any who have made strong appeals to return home, that they then have them replaced by others; I have conferred with both these Regents on this matter and found them very willing to write the enclosed letters to their respective chiefs to that end, of which a translated copy accompanies this for Your Honourable Venerable's information, under this requisite of the said Regents and a promise on my part, that I would request Your Honourable Venerable, as I do hereby, for a list of the deceased, with a statement of how strong each one's auxiliary troops still are, and that they shall not, against their will, be forced into any other work or service than that for which they were sent from Java. I remain, with friendly greetings and respect, [below stood:] Your Honourable Venerable's good friend. [was signed:] J. R. van der Burgh, [in the margin:] Semarang, the 15th of December 1778. Maccasser To the Right Honourable, Strict, Venerable Lord Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, etc., etc. Right Honourable, Strict, Venerable Lord! The Saleyerese workmen having arrived here safely on the 25th of December of the past year, wherewith I duly received Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour's much respected letter dated the 20th of the same month, and perceived therein Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour's orders to urge the regents to send a good number of workmen thither again, as well as to have a batch of heavy piles felled for the pier, which the regents have already accepted, as Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour will have perceived from my humble letter of the 14th of December last to Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour and Council, to which I refer. Furthermore, it shall serve for Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour's information concerning the rumours that a certain prince, being a Bonto Bangor who was said to be among the rebels, is, according to the investigation I made, the Boutonese who, during the uprising of the Saleyerese, was appointed Batara Gowa by the Gantarangese and Bonto Bangors; and subsequently, when the latter submitted, fled to the negorij Soera, a subordinate negorij of the former, situated on the east side of this island, and from there, together with a common Bonto Bangor named Rawoe, fled by Buginese prahu to Boelo Boelo; but for fear of being captured there, is said to have departed for Manipie, and onwards to Lanna. Meanwhile, concluding this, having commended Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour's precious person, together with the Honourable Company's important interests, to God's safe keeping, I style myself with all due respect, [below stood:] Right Honourable, Strict, Venerable Lord, [lower:] Your Right Honourable, Strict, Venerable Honour's humble servant, [was signed:] Jan Hendrik Voll, Junior, [in the margin:] Saleyer, the 7th of January 1779. Boelecomba
Dutch transcription
Maccasser bedroefden toestand aldaar. Egter indien u een vast vertrouwen op mij stelt so sal ik mijn best doen, om u welweesen bij d'E Comp: te zoeken, op dat uw kan verzeekert zijn van mijn getrouwigheijd voor u. en indien u dit toevertrouwen tot mij hebt, so pretendeere ik eene spoedige antwoord op deese brief, en laat mij deselve door een ver„ „trouwde zendeling van u na herwaarts besorgen Aan Den wel Edele Gestrenge, Agtbaren Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur, deser Custe Celebes &„a &, Wel Edele Gestrenge Agtbaren Heere! Bij mijn onderdanige van den 25:e der gepasseerde maand Julij, heb ik de Eere gehad uwel Edele gestrenge Agtb: gemeld, dat de oude Pongauwa, de Kalie„ en drie glarrangs van Gantarang, de regent in de Jonge Pongauwa aldaar voor haar hoofden niet meer willende erkennen, om reede, zij de wapens: tegens d' Edele Comp=e hebbe opgevat, welk onderneming hun onbekent, belovende daar bij, dat wanneerse met elkander over een sal sijn gekomen, een ander persoon kome voordragen dog op den 25„e der gepasseerde maand november is gemelde pongauwa, kalie, nevens som„ „mige glarrangs en anak Ciaengs uijt naam van de gesamentlijke Gantarangers bij mij verscheenen, versoekende uwel Edele gestr: Agtb: om de regent weder als haren hooft te moge behouden, waar over ik hun beloofde daar over te sullen schrijven en uwel Edele gestr: Agtb: ordres sal afwagten. Voorts heb ik onder gunstig welduijding van uwel Edele gestr: agtb: vol„ „gens gedane versoek van den geweesene regent van Tanette daeng Ma„ „tallie, weder gepermitteert op sijn lant te mogen komen, zo als hij ook op den 30„e der gepasseerde maand bij mijn om pardon van d' Edele Comp=e te versoeken is verscheenen, en vervolgens op den 1=e deser weder versogt na Bira om sijn familien af te halen vertrokken, dog omde stijve westelijke travaat, 't geen alhier van den 1: seser ongemeen S 99 565 281. Macasser ongemeen hebbe door gestaan, nog op Tanette heeft moete blijve ophouden. waar meede deese bekorte met uwel Edele gestrenge Agtb: dierbaere persoon benevens 's: Ed: Comp:s wigtige belangens in godes veijlige hoede te beveelen mij met alle verschulde eerbied te ondertekene, /:onderstond/ wel Edele gestrenge, Agtbaren Heere /:lager:/ uwel Edele gestr: Agtb: onderdanigen Dienaar /:was geteekend:/ Ian hendrik voll, Junior, /:in margine:/ Saleijer den 14=e December A„o 1778. Aan den wel Edele Achtbaren Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur aldaar Wel Edele Achtbaren Heer en vriend! Dewijl Hunne Hoog Edelheden, bij aparte van den 30=e November Jongst„ „leden, mij hebben gelieven op te dragen, om den prins van Madura, en den Pangerang van Sumanapp voor te houden, dat hunne hulptrou„ „pen, nog een Jaartje, op Macasser, nodig zullen zijn, en, dat het dier„ „halven, aangenaam zoude weezen, als zij de hoofden gelasteden, met hare onderhorige, zoo lange, ten dienste van de Comp=e, daar te blijven, en om, indien 'er onder de ginter zijnde, eenige mogten wezen, die sterke instan„ „tien hadden gedaan, naar huis te keeren, zij die door andere, dan lieten vervangen, heb ik die beijde Regenten onderhouden en daar toe, en ook zeer bereidwillig gevonden, aan hunne hoofden respective, ten dien eijnde, de inleggende brieven te schrijven, waar van Copia translaat, tot uw E: Achtbare narigt, dezen verzeld, onder dit requisit van ge„ „melde Regenten, en belofte van mijne zijde, dat ik uw Ed: Achtbare, gelijk ik bij dezen doe, zoude verzoeken, om eene Lijst vande overlee„ „dene, met een opgave, hoe sterk iders hulptroupen nog zijn, en dat die, tegen haren wil, tot geen ander werk of dienst, zullen genood„ „zaakt worden, als waar toe van Iava gesonden zijn. Jk blijve onder vriendelijke groete met agting. /:onderstond:/ uwel Maccasser Aan Den wel Edele, Gestrenge Agtb: Heere Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur deser Custe Celeber. &: W: : wel Edele Gestrenge Agtbaare Heere de saleijreese werklieden op den 25=e december der gepasseerde Jaar alhier be„ „houde aangeland sijnde, waar meede seer wel ontfange uwel Edele gestrenge Agtb: veel gerespecteerde letteren, de dato 20=e derselver maand, en daar uijt ontwaarde uw wel Edele gestr: Agtb: ordres, om de regenten aan te manen, weder een goed getal werklieden derwaards te zenden, als meede een parthij swaere palen voor het zee hooft te late kappen, 't geen de regenten reets aan„ „genomen, gelijk uw wel Edele gestr: agtb: bij mijn onderdanige van den 14„e december passato aan uwel Edele gestr: Agtb: en Raad sal ontwaart hebben, waar aan ik mij refereere. voorts sal ik uwel Edele gestr: agtb: ter kennisse diene, omtrent de gerugte dat zekere prins, zijnde een bonto bangor, dewelke zig bij de rebellen soude bevinden, volgens mijn gedane ondersoek, de boetonder te weesen dewelke bij den opstand der saleijereesen door de gantarangers, en bonto bangors, als batara goa aangesteld, en vervolgens wanneer laast gem: in submissie is gekomen, na de negorij soera, een onderhoorige negorij van eerst gen:, leggende aan de oostkant deser eijlant, en van daar nevens een gemeene bonto bangor gen=t rawoe met een boegineese prauw na boelo boelo gevlugt, dog uijt vreese van aldaar gevange te worden, na manipie, en voorts na Lanna soude sijn vertrokken. Terwijl deese bekorte met uwel Edele gestr: agtb: dierbare persoon bene„ „vens 's Ed: Comp„s wigtige belangens in godes vijlige goede aanbevolen te hebben met alle verschuldige eerbied mij noeme, /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge, Agtbaere Heere, /:lager:/ uwel Edele gestr: Agtb: onderdanigen die„ „naar. /:was get:d/ Jan hend:k voll, Junior /:in margine:/ Saleijer den 7:e Januarij 1779. uwel Edeles Achtbare goede vriend. /was geteekend:/ I: R: van der Burgh, /:in margine:/ Samarang den 15=e december 1778. — Boelecomba
English
567 282 Boelecomba To the junior merchant Mr. Simon Monsieur, Resident there. Honorable, pious, discreet! Seeing that it is most highly desirable that the head rebel Sankilang could be seized and delivered into our hands, I have not only turned my thoughts to this for a long time past, but have also employed means thereto which, to my regret, have thus far been fruitless. Now, however, an opportunity has presented itself to me which gives me hope of a good outcome, consisting of the offer, upon the promise of a considerable reward, made to me by the Bone prince Arou Kaijoe under the most solemn assurance of sincere loyalty and good intentions in this matter, to carry this out if possible. To which end he has proposed to proceed to Boelecomba in order to lure that vagabond to himself there under one pretext or another and thus get him into the trap, with the request to grant Your Honor authorization to offer him assistance if necessary toward achieving that desirable objective, in which I have consequently raised no objection; since it is not to be suspected that the said Prince, who no more than his wife has been willing to acknowledge the oft-mentioned rebel for the person Arou Palacca would have him pass for, would act disloyally at a time when all prospect for the rebels ever to regain the power to do the Company notable harm, far from succeeding in their previous treacherous design, has been foiled; particularly since the severe pinch inflicted upon him at Bonto Bonto on the 10th of November last, when not only the boldest, Craeng Biladje, was slain alongside two others, but whereafter a mutual division arose among the rest, to such an extent that all the princes of the blood, having abandoned Sankilang, the No. 8: he now has none but the commonest folk with him; to which is now further added the decease of Arou Palacca, the prime instigator of the entire rebellion, and the desire of almost all the remaining Macassars to see themselves delivered from the precarious and distressful circumstances in which they find themselves, which is undoubtedly also accompanied by a well-founded fear of not being left in peace in the future even in the mountains, having seen that we have dared to seek them out in Bonto Parang, which was held in ancient times to be inaccessible. Yet however much I therefore consider myself bound to give Your Honor the above-mentioned authorization, I must nevertheless not omit to insist upon what has been repeatedly written to you, always to be on your guard and watchful against all treacherous designs, which I also expect from Your Honor's conduct and prudence demonstrated hitherto. While, after greetings, I remain, underneath was written: Your Honor's good friend, was signed: Is. G. vander Voort, in the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 30th of January 1779. — Instruction for the sergeant Johan Christoffel Giod, departing in the company of the corporal Johan Fredrik Geuteman and three private soldiers, along with two Amboinese, to Bouton, for the eradi- cation of the clove and nutmeg trees that are to be traced everywhere in that Kingdom and subordinate islands. Honorable, pious! The essential purpose of the commission mentioned in the heading hereof and the duties resulting therefrom being fully known to Your Honor, it would be unnecessary for us to expound on that at length at present; we therefore only say that Your Honor is again given the customary recognition monies to the sum of one hundred and fifty 6 43. 569 283 fifty Spanish Reals to be presented to the King upon Your Honor's arrival at Bouton; with an earnest request to have Your Honor conducted to all places under the jurisdiction of that Kingdom where any clove or nutmeg trees are found or suspected to be found, in order to be eradicated root and branch and destroyed by fire; while we again append hereto the copies of the usual annexes, consisting of an extract from the Contract between the Company and the Kingdom upon which the commission rests, and one from the description by the Reverend Valentijn and six different drawings from which the clove and nutmeg trees can be recognized and which, besides, upon discovery, can be pointed out by the two Amboinese crossing over with Your Honor, of which Your Honor alongside Corporal Geuteman and the other soldiers will also have to make a study, in case one might not have those people at hand in time, or to be able to do without them. Your Honor is also again given 25 Rds. for distribution to the woodsmen, of which, as usual, proper record must be kept in the report to be made here upon Your Honor's return, which, provided Your Honor's departure is earlier than has been the case for some years past, we wish to expect will be before the breaking of the west monsoon, and upon which Your Honor consequently will have to insist de novo with the King in the most earnest terms, as we also do once again in our letter currently being transmitted with his envoys, in which we have expressed our sensible resentment over Your Honor's long detention in anno passato, in the expectation that such may not occur in the future and consequently that the second object of your dispatch may not be rendered illusory, namely to keep an eye on what transpires at Bouton at a time when navigation is open, with regard to the arrival and admission of all sorts of smugglers and illicit traders, and for the present also on account of the declared War between the kings of France and England with regard to the ships of those two nations, of which several have passed the Bouton straits for some years past, which have enjoyed many conveniences, contrary to the s 1 ex-
Dutch transcription
567 282 Boelecomba Aan den onderkoopman M=r Simon Monsieur, Resident aldaar. Eersame, vroome, Discreete! Gemerkt het ten hoogsten te wenschen zij dat den hoofd Rebel Sanki„ „lang konde opgeligt en in onse handen overgelevert worden. zo hebbe ik reets voor lange niet alleen daar over mijne gedagten laten gaan maar 'er ook middelen toe aangewend die tot mijn leedweesen dus verre vrugte„ „loos zijn geweest; thans is mij nog thans eene gelegentheijt voorgeko„ „men die mij hope geeft van een goeden uijtslag, bestaande in de aan„ „bieding, op belofte van een aansienlijke beloning, door den Bonijs prins Arou Kaijoe, onder de plegtigste verseekering van opregte trouw en welmeenentheijt in deesen aan mij gedaan, om zulks des mogelijk uijt te voeren; ten welken einde hij heeft voorgesteld zig na Boelecomba te zullen begeven om dien vagebond aldaar, onder het een of ander pretext, bij zig te locken en hem dus in de knip te krijgen, met versoek om uE: qualificatie te geven hem des nodig assistentie te bieden ter bereiking van dat wenschelijk doelwit, waar in ik dierhalven geen swarigheijt hebbe gemaakt; vermits het niet te vermoeden zij dat gemelden Prins, die zo min als zijn vrouw den meermelden Rebel hebben willen erkennen voor den geenen waar voor Arou Palacca hem willen doen doorgaan on„ „trouw zoude handelen in een tijd dat alle uijtzigt van de rebellen om ooijt weder tot vermogen te geraken om de Comp=e merkelijke afbreuk te doen, wel verre dan van in hun vorig verradelijk des„ „seijn te reusseeren, verijdelt is; voornamentlijk zedert de hem toegebragte gevoelige neep op Bonto Bonto op den 10=e November laastverweken, wanneer den allerstoutsten Craeng Biladje niet alleen nevens nog twee anderen gesneuveld maar waar op een on„ „derlinge verdeeldheijt onder d' overige onstaan is, in zo verre dat alle de princen van den bloede Sankilang verlaten hebbende den N: 8: den zelven thans niets dan van het gemeenste volk bij zig heeft; waar bij nu nog accedeert het overlijden van Arou Palacca de eerste aanstook„ „ster van den gantschen opstand, en het verlangen van meest alle de nog overig zijnde macassaaren om zig gered te zien uijt de zorgelijke en kommerlijke omstandigheden waar in zij hen bevinden, die buij„ „ten twijffel ook verzeld gaat van een gegronde vreese om ook voor het vervolg zelfs in het gebergte niet in rust gelaten te zullen worden, als gezien hebbende dat men hun in het oudstijds voor ontoeganke„ „lijk gehouden Bonto Parang wel heeft durven opzoeken. Dan hoe zeer ik mij dierhalven gehouden agte UE: de hier boven gemelde qualificatie te geven mag ik nog thans niet voor bij te inhereeren het meermaal aangeschreevene om tegen alle verraderlijke desseij„ „nen steeds op hoede en waaksaam te zijn het geen ik ook van uE: tot hier toe betoond beleijd en voorzigtigheijt verwagte. Terwijl ik na groete blijve, /:onderstond:/ UE: goede vriend, was ge„ „teekend:/: I„s G: vander Voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 30=e Januarij 1779. — Instructie voor den sergeant Iohan Christoffel Giod, vertreckende in gezel„ „schap van den Corporaal Johan Fredrik Geuteman en drie gemeene militairen, ne„ „vens twee Amboineesen, na Bouton, ter uijt„ „roeijing van de Nagel en Noteboomen, die alomme in dat Rijk en onderhoorige Eij„ „banden op te speuren zijn. Eersaame, vroome! Het weesentlijke oogmerk van de Commissie in den hoofde deses ge„ „meld en de daar uijt voortvloeijende pligten UE: ten vollen bekend zijnde zoude het onnodig zijn ons daar omtrend thans breedvoerig uijt te laten; wij zeggen dan maar alleen dat UE: weder worden mede gegeven de gewone recognitie penningen ter somma van een hondert vijftig 6 43. 569 283 vijftig spaansche Realen om bij uE: komst op Bouton aan den koning te worden aangeboden; onder een ernstig versoek om UE: te doen brengen op alle plaatsen onder het gebied van dat Rijk daar eenige nagul of Note„ „boomen gevonden worden dan wel vermoed word dat z' te vinden zijn ten eijnde met wortel en tak uijtgeroeijt en door het vuur vernield te worden terwijl wij de afschriften der gewone bijlagen weder hier nevens voegen bestaande in een uijttrecksel uijt het Contract tusschen de Compagnie en het Rijk waar op de Commissie berust en een uijt de beschrijving van D:o valentijn en ses onderscheidene afteekeningen uijt welke de nagel en noteboomen kunnen gekend en die buijten des, bij ontdecking, door de met uE: overvaarende twee amboineesen zullen kunnen aangeweesen worden, waar van uE: nevens den Corporaal Geuteman en verdere mili„ „tairen meede hun werk zullen moeten maken of men in der tijd die luijden niet aanhanden mogte hebben, dan wel om z: te kunnen missen ook worden uE: weder mede gegeven 25. Rd:s ter uijtdeeling aan de bos„ „lopers waar van na gewoonte behoorlijk aanteekening zal moeten worden gehouden in het rapport alhier te doen bij uE: terug komst het geen wij mits uE: vroeger vertrek dan zedert eenige Jaaren her„ „waarts willen verwagten dat voor de doorbrake van de west mousson zijn zal en waar op UE: gevolgelijk de novo bij den Koning in d' ernstig„ „ste termen zal moeten aandringen zo als wij ook andermaal komen te doen bij onsen thans met zijne gezanten overgaanden brief waar bij wij over UE: lange aanhouding in anno passato ons gevoelig ressen„ „timent hebben betuijgd, in die verwagting dat zulks in het vervolg niet meer geschieden en gevolgelijk niet illusoer gemaakt mag wor„ „den, het tweede oogmerk uwer afsending namentlijk om een oog te houden op het geene er te Bouton omgaat in een tijd dat de vaart open is met opzigt tot de aankomst en admissie van allerleij sluijk „en morshandelaars en voor het tegenwoordige ook ter zaake van de gedeclareerden Oorlog tusschen de koningen van vrankrijk en Engeland omtrend de scheepen van die beide natien, van welke 'er zedert eenige Jaaren verscheide Boutons engte ge„ „passeert zijn, die veele gerieflijkheden genoten hebben, tegen den s 1 uijt
English
the content of the Contracts existing between the Company and the Realm, according to which the same ought to be turned away; against all of which dealings, being contrary to the existing mutual friendship and good faith, you must therefore, in case the same should occur again in your presence, protest in the most emphatic manner, and with regard to the native interlopers of the Company's trade, especially be on guard against the arrival of Ceram people with spices, whom you, seeing an opportunity thereto, may freely attack and destroy, while you must at the same time make it your business to obtain intelligence thereof and of who the masters of the vessels are that might arrive there, which we most expressly order you as a matter of importance not to neglect: and also not to fail to urge upon the King, in appropriate terms, the return of various cannons salvaged from diverse ships wrecked in the strait and elsewhere, which, despite our numerous admonitions, have hitherto been unjustly retained, while the King and Grandees of the Realm have shamelessly left our last letter regarding that point unanswered. For the rest, we merely reiterate our order, given several times, to commit no nuisance or violence against the petty traders or the inhabitants of the settlements where you might arrive, under penalty of the utmost indignation and severe punishment, and further that in case of your demise the commission shall devolve upon Corporal Geuteman, while in conclusion we recommend to you the required vigilance and prudence, and remain further. Below stood: Your friends. Was signed: P. P. van der Voort, B. Reijke, J. Raket, C. Kraane, and A. Rosselet. In the margin: Macassar in Castle Rotterdam, the 2nd of February Anno 1779. To the King and Grandees of the Realm of Bouton. After the usual preamble. Having, by our letter of the 3rd of November last past, accompanying the auxiliary troops returned home under Radja Tamada and other chiefs, given notice to Your Highness and the Grandees of the Realm of the receipt of their letter brought hither by the Mantrie Litaijoe, who is now likewise returning in the company of the usual Commissioners for the eradication of spice trees, we let this serve in reply thereto, and thus observe in the first place that we have by no means been able to see the necessity of the prolonged detention of the Commissioners in the past year of more than fourteen full months, of which not even four were spent on the extirpation work, so that they have remained idle for the rest of the time needlessly, to the detriment of the Company; we therefore wish to expect, and have once again admonished Your High Nobility and the Grandees of the Realm, to send hither those now departing as well as those who are to be sent in the future, according to the custom of former times, before the onset of the west monsoon, and no less to offer them the required assistance in the work recommended to them, by having them brought to all places where spice trees are found, while in that confidence we again transmit to Your Highness and the Grandees of the Realm the customary recognition monies in the sum of 150 Spanish rixdollars. Just as unfounded as the reasons regarding the detention of the aforesaid commissioners, there also appears to us the excuse made concerning leaving the largest part of our letter written to Your Highness and the Grandees of the Realm in the past year unanswered, which we would rather reiterate than occupy ourselves with absurdities, wherefore we once again request and admonish, nay warn, Your Highness and the Grandees of the Realm to finally desist from admitting all sorts of illicit and smuggling traders, which we hear from all sides is increasing much more than decreasing, as we could produce a multitude of proofs thereof, and likewise that the Boutonese, upon the appearance of foreign or indeed French and English ships, do not hesitate to trade with them as well, contrary to the content of the Contracts, which are thus most unfaithfully violated.
Dutch transcription
den inhoud van de Contracten tusschen de Comp„e en het Rijk sub„ „sisteerende, volgens het welke deselve dienen te worden afgewesen; tegen alle welke met de subsisteerende onderlinge vriendschap en door goede trouwe strijdige gedoentens „ UE: dierhalven, bij aldien het selve weder bij UE: aanwesen voorkomen mogte, op het nadruckelijkste sal moeten worden geprotesteert en met opzigte tot de Jnlandsche onderkruijpers van 'sComp„s handel in sonderheijt gewaakt tegen de aankomst van Cerammers met specerijen, die UE: daar toe kans ziende vrijelijk sal mogen aantasten en vernielen, terwijl uE: teffens zijn werk zal moeten maken om daar van kennisse te erlangen en wie de voerders zijn van de vaartuijgen die aldaar mogte aankomen dat wij uE: als een poinct van aangelegentheijt wel expresselijk gelasten niet te versuijmen: en ook niet om bij den koning als nog in gepaste termen t'urgeeren op de terug gave van diverse Canons uijt diverse in de straat en elders verongelukte scheepen geborgene die in weerwil van onse meenigte adhortatien tot hier toe tegens de regtvaardigheijt zijn aangehouden, terwijl de koning en Rijksgrooten ons laast schrij„ „vens omtrend dat poinct schaamteloos hebben onb'antwoord gelaten. wij inhereeren voor het overige nog eenlijk onse meirmalen gegevene ordre om geene overlast of geweld te plegen omtrend de smalle han„ „delaars of d' Jnwoonders van de negorijen daar UE: mogten aanko„ „men, sub paene van d' uijterste indignatie en strenge straffe en voor het overige dat in cas van UE: overlijden de Commissie zal devolveeren op den Corporaal Geuteman, terwijl wij UE. ten besluijte de vereijschte waaksaamheijt en voorzigtig„ „heijd aanbeveelen en verder blijven., /:onderstond:/ uE: vrienden, /:was geteekend:/ P„s P:s van der voort, B:s Reijke. . . . . . . . . . . . . . . . J=s Raket, C„s Kraane, en A=r Rosselet, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 2=e Februarij Anno 1779. Aan de Koning en Rijksgrooten van Bouton. na gewoone voorreden. Bij ons schrijvens van den 3:e November laast verweeken, ten geleide van 571 2/284 van de nahuijs gekeerde hulp troupen, onder Radja Tamada en andere hoofden; aan uw Hoogheijd en Rijksgrooten kennisse gegeeven hebbende van den ontfangst haare brief door den Mantrie Litaijoe alhier aangebragt, die thans insgelijks weder retourneert, in gezelschap van de gewoone Commissianten tot uijtroeijing van specerij boomen, zo laaten wij deesen dienen tot dies b'antwoording, en merken dus in d' eerste plaats aan, dat wij geensints de noodsaekelijkheijd hebben kunnen zien van de langduurige aanhouding van de Commissianten in het voorleedene Jaar van meer dan veertien volle maanden, waar van 'er nog geen vier tot het extirpatie werk zijn besteed, zo dat zal den overigen tijd noodeloos tot nadeel van de Comp=e hebben stil geseten; wij willen dierhalven verwagten en uw Hoog Edelheijt en Rijks„ „grooten nogmaals vermaand hebben om de thans vertreckende zo wel als die in het vervolg slaan gezonden te worden, naar het gebruijk van vroegere tijden, voor de doorbrake der westmousson herwaarts te zenden, dog niet minder om hun, in het hen aanbevolene werk de vereijschte assistentie biedende, door hun op alle plaatsen te doen brengen daar specerij boomen gevonden worden, terwijl wij in dat vertrouwen uw Hoogheijt en Rijksgrooten weeder laeten toekomen de gewoone Recognitie penningen ter somma van 150. rd„s spaans.. Even ongegrond, als de redenen wegens het aanhouden der voormelde commissianten; komt ons almeede voor het gemaakte excus omtrend het onb'antwoord laeten van het grootste gedeelte van onsen brief aan uw Hoogheijd en Rijksgrooten in den voorleeden Jaere ge„ „schreeven, die wij liever willen inhereeren als ons met onge„ „rijmtheden ophouden, weshalven wij uw Hoogheijd en Rijks„ „grooten nogmaals versoeken en vermaanen Ja waarschuwen om dog eenmaal afte sien van d' admissie van allerleij mors= „en sluijkhandelaars, die wij van alle kanten verneemen dat veel meer toe dan afneemt, gelijk wij daar van een meenigte be„ „wijsen zouden kunnen bij brengen en zo meede dat de Boutonders bij de verschijning van vreemde of wel Fransche en Engelsche scheepen, zig niet ontsien met dezelve ook te handelen tegen den inhoud der Contracten, dewelke dus gantsch ontrouw overtreeden ide
English
Ternate be violated, which in time can have no other consequence than that the Honorable Company will have to show its resentment over it. Likewise, we must therefore again insist on the surrender of the cannons, as mentioned in this as well as in earlier letters, which article, as well as the previous one, to say this in passing, indeed required no other answer than that the latter could simply have been fulfilled and the former left undone, if one did not have to make do with a pretended ignorance of the secretary, who nevertheless writes clearly enough about other matters, so that we also understood well the further contents of the letter from Your Highness and the Grandees of the Realm, and thus have seen from it with regret the still persistent troubles both in Woena and on Kalesoesoe, and especially that the mutineers at the first-mentioned place are supported by the Boniers. We therefore deem it most highly necessary that Your Highness and the Grandees of the Realm, if such, as we hope, has not already taken place, send thither as soon as possible as much force as can possibly be brought together, in order to bring the Woenarese to reason and to cause the Boniers to depart from there, all of which we wish may be carried out happily and that peace may thus be restored again. The debt of the Realm to the Company having been settled with the sending of the three slaves, who were duly received, we express our particular satisfaction on that account, and note for the rest that the two Bugis have been sent to Batavia. Below stood: Written at Macasser in Castle Rotterdam the 3rd of February 1779. To Mr. Iacob Roeland Thomaszen, Governor and Director, there. Honorable Sir! My last separate letter to Mr. Valckenaar was of the 8th of November of last year, and since then there has been duly received by me his further letter of the 21st of October preceding, which served in answer to an earlier one of the 24th of September 1776, which at present requiring no particular reply, I shall let this one serve only to inform Your Honor, in continuation of what was noted in my aforementioned last letter of the 8th of November of the past year, that we captured the strong city of Goa by storm on the 27th of June last, and that although the principal rebels escaped through the treachery of the Boniers, the state of affairs here has since changed considerably for the better, both through the submission of those of Sandrabonij, with which Realm peace is to be concluded shortly on advantageous conditions, and through several other victories, and namely the last one gained over the mutineers on the 10th of November past, in which one of the absolute principal ringleaders, together with two or three others and about seventy common men, fell, besides which more than a hundred drowned, while we had only one dead and very few slightly wounded, upon which a division also immediately arose among the other rebels, which has prompted many commoners to abandon their party, while some Grandees are beginning to make underhand overtures to be received in submission; to which I can also add the demise of Arou Palacca, the principal instrument of the treacherous revolt. I hope and wish from the heart that the troubles under Your Honor's Government may come to no less happy an end, not doubting but that Their High Excellencies will send thither as much force as is ever feasible for that purpose, I having, by their Highest order, caused to be issued to the officers of the Jonge Samuel and the sloop the Lankmoedigheijt such signal flags as Your Honor has requested, and at the same time informed them by a separate instruction, although this was not specially ordered of me, of the objective intended thereby and the use they will have to make of it; the sloop the Maagd Louisa, which, having called at Japara, struck the rocks in such a manner that it had to be completely unloaded, will also be provided with both, as soon as it may appear. Having nothing more to add to this, I declare with all respect to be truly, Below stood: Honorable Sir, Lower: Your Honor's very obedient and ready friend. Was signed: P. G. van der Voort. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam the 12th of February 1779. Secret Instruction for the officers of the ship the Jonge Samuel and the commander of the sloop the Lankmoedigheijt, departing from Macasser for Ternate. The Honorable High Indian Government at Batavia having been pleased to give orders to provide you with a signal flag, so that it has also been delivered to you, this serves to inform you that the same will have to be hoisted in sight of the Island Xulla Bessie, to be shown to the sloops of the Company and the cora-coras of the King of Ternate, which you will probably meet on the south-east side of the said island, which course will therefore need to be held, while on the same island from the village of Jalahoe situated there a similar flag will be shown, for which you will also have to keep a sharp lookout, seeing that both have been arranged in this manner by the Governor of Ternate, with the intention of causing the ships and vessels expected there to join with the aforementioned sloops and cora-coras. Below stood: Macasser in Castle Rotterdam the 14th of February 1779. Was signed: Paulus Jacobus vander Voort. To
Dutch transcription
Ternaten overtreeden worden, dat in der tijd geen ander gevolg kan hebben dan dat de E: Compagnie daar over haar gevoel zal moeten toonen. Jnsgelijks moeten wij dierhalven weeder aandringen op d' overgave van de Canons, zo bij dien, als vroegere brieven vermeld, welk articul zo wel als het voorige, om dit in het voor bij gaan te zeggen, immers geen ander antwoord behoefde dan dat het laatste maar voldaan en het eerste gelaeten hadde kunnen worden, wanneer men zig niet behoefde te behelpen met een voorgewende onkunde van den secre„ „taris, die egter over andere zaeken verstaanbaar genoeg schrijft, invoegen wij den verderen inhoud van uw Hoogheijd en Rijks„ „grooten brief ook wel begreepen en dus uijt deselve met leedweesen gezien hebben de nog al aanhoudende strubbelingen so te woena als op Kalesoesoe en insonderheijd dat de muijtelingen ter eerstgemelde plaats ondersteunt worden door de Boniers. wij oordeelen dierhalven ten hoogsten nodig dat uw Hoogheijd en Rijksgrooten, zo sulks niet bereets, naar onse hoope, geschied mogte weesen, ten aller eersten zo veel magt als maar bij den anderen te krijgen sal weezen, derwaarts zenden om de woenareesen tot reden te brengen en de Boniers van daar te doen verhuijsen, alle het welke wij wenschen dat geluckig mag worden uijtgevoerd en dat de ruste dus weeder hersteld mag worden: Met de sending der wel ontfangene drie slaeven de schuld van het Rijk aan de Comp=e verevend zijnde, zo betuijgen wij dierwegens ons bijsonder genoegen, en noteeren voor het overige dat de twee boegineesen na Batavia versonden zijn. /:onderstond:/ Geschreeven te Macasser in 't Casteel Rotterdam den 3=e Februarij 1779. Aan de Heer M„r Iacob Roeland Thomaszen, Gouverneur en Directeur, aldaar Wel Edele Achtbaere Heer! Mijne laatste aparte aande Heer Valckenaar is geweest van den 8e: November 285. 573 8=' November des voorleeden Jaars en zedert is mij wel geworden zijn wel Edele Achtbaere nadere van den 21=e october bevoorens, gediend hebbende in antwoord van eene vroegere van den 24:e Sep„ „tember 1776. welke nog thans geen sonderlinge rescriptie vereijs„ „schende zo zal ik deezen eenlijk laeten dienen om uw wel Edele Achtb: ten vervolge van het genoteerde bij voormelde mijne laatste van den 8=e November anni preteriti t'informeeren, dat wij de sterke stad Goa op den 27=e Juni Jongstleeden s:tormender„ „hand verovert hebben, en dat schoon de voornaemste Rebellen het ontkomen zijn door de trouwloosheijd van de Boniers, de toestand van zaeken alhier zedert nog merkelijk van gedaante ten goede veranderd is, zo door het in submissie komen van die van Sandrabonij, met welk Rijk den vreede eerlange op voor„ „deelige voorwaarden staat gesloten te worden, als door verscheijde andere overwinningen en wel de laatste op den 10=e november passato op de muijtelingen behaald, in welke een der aller voor„ „naamste Roervinken nevens nog twee â drie anderen en wel seventig gemeenen gesneuveld en buijten dewelke 'er nog meer dan honderd verdronken zijn, terwijl wij maar een doode en zeer weijnig ligt gequetsten hebben gehad, waar op ook aanstonds een verdeeldheijd onder d' andere Rebellen ontstaan is, die veele gemeenen heeft aangezet hun parthij te verlaeten, terwijl som„ „mige Grooten onder de hand aansoek beginnen te doen om in submissie ontfangen te worden; waar bij ik nog kan voegen het overlijden van Arou Palacca, het voornaamste werktuijg van den verradelijken opstand. Ik hoope en wensche van herten dat de troubles onder uw wel Edele Achtbaeres Gouvernement geen minder geluckig eijnde mogen neemen, niet twijffelende of Haar Hoog Edel„ „hedens zullen ten dien eijnde zo veel magt als immer doenlijk is derwaarts senden hebbende ik op Hoogst derselver ordre aan de overheden van de Jonge Samuel en de Chialoup de Lank„ „moedigheijt zodanigen zeijn vlaggen doen afgeven als uw wel Edele Achtb: heeft verzogt en hun teffens bij een aparte Jnstructie 00 Jnstructie, of schoon mij dit niet speciaal gelast was, g'informeert van het oogmerk daar meede bedoelt en het gebruijk dat zij 'er van zullen moeten maken; zullende de Chialoup de Maagd: Louisa, die op Japara aangelopen zijnde, zodanig op de klippen gesloten heeft dat geheel heeft moeten ontladen worden, van het een en andere meede worden voorsien, zo dra den zelven mogte komen opdagen. Niets meer hier bij te voegen hebbende zo betuijge ik met alle agting opregtelijk te zijn. /:onderstond:/ wel Edele Achtbaere Heer /:lager:/ uw wel Edele Achtb„s zeer dienstwillige en vol„ „vaardige vriend. /:was geteekend:/: P: G: van der Voort, /:in mar„ „gine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 12=e Februarij 1779. Secreete Jnstructie voor de overheeden van het schip de Ionge Samuel en de ge„ „zaghebber van de Chialoup de Lankmoedig„ „heijt, vertrekkende van Macasser na Ternaten. D' Edele Hooge Jndische Regeering te Batavia ordre hebbende ge„ „lieven te geeven, om uE: te voorsien van een zeinvlag, invoegen die uE: ook bezorgt is, zo diend deezen om UE: t' informeeren dat de„ „zelve in het gezigt van het Eijland Xulla Bessie zal moeten opge„ „heeschen worden, ter vertooning aan de Chialoupen van de Compagnie en de Corra Corras van den koning van Ternaten, die UE: denkelijk aan de zuijd oost kant van het gemelde Eijland, welke Cours dierhalven zal dienen te worden gehouden zal ontmoeten, terwijl op het selve Eijland van de aldaar gelegen negorij Jalahoe een gelijke vlag zal worden ver„ „toond, waar na UE: meede naauwkeurig zullen moeten laeten uijtkijken, gemerkt het een en ander in diervoegen door de Heer Ternaats Gou„ „verneur is geschikt, met intentie om de aldaar verwagt wordende scheepen en vaartuijgen, met de hier voorgemelde Chialoupen en Corra Corras te doen Conjungeeren. /:onderstond:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 14=e Februarij 1779 /:was geteekend:/ P„s J:s vander Voort. Aan
English
575 286. Macasser To the Right Honorable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes, etc., etc. Right Honorable Sir, According to your Right Honorable's writing in a letter of 20 December, I have not failed to do everything possible to obtain further intelligence concerning Tankilang and his remaining adherents, but since that time, Right Honorable Sir, I have heard nothing other than that Aroe Palakka is said to have passed away in the negorij Bonto Parrang. Regarding the Bonto Bangos prince, Right Honorable Sir, the resident of Saleijer wrote the following to me in a letter dated 7 January: I have found upon investigation that the Bento Bangos prince, who was said to be among the rebels, is the Boetonese who was appointed as Batara Goee in Bonto Bangers by the Gatarangers during the uprising of the Saleijerese, but after the latter came into submission, he fled from here together with a common Bonto Banger named Rawoe in a Buginese prahu to Boelo Boelo. I hope, Right Honorable Sir, that the reports regarding the Macassar grandees will be true, so that we may finally obtain a wished-for peace. The sealed order of Bone's monarch, Right Honorable Sir, I immediately delivered to the Jennang of Boelecomba, who was with me; the said order, Right Honorable Sir, seems it will be of use, as the said Jennang immediately promised me to take care that the people of Boea and Lajaij satisfy the 1086 gantings of rice. On 25 January last, Right Honorable Sir, the wife of Aroe Teeko informed me that Aroe Saletoenga intended to attack the negorij Toeronga if they did not resolve to hand over the woman whom Sankilang had married there some time ago; however, Right Honorable Sir, I have heard nothing further about it to this day, and I think it will amount to the plundering of some people. Nothing Saleijer. Knowing nothing more worthy of your Right Honorable, I take the liberty to call myself, with all requisite high esteem and respect, underwritten: Right Honorable Sir; lower down: your Right Honorable's humble and faithful servant; was signed: Sn Monsieur; in the margin: Boelecomba in the Company's fortress, 6 February 1779. P.S. After the closing of this letter, Right Honorable Sir, Arou Teeko arrives here, bringing along your Right Honorable's highly respected letter dated 30 January last; he has requested me, Right Honorable Sir, not to make the contents of that letter known to anyone, indeed not even to the interpreter, which I have promised him and will also observe as long as necessity does not require otherwise; tomorrow, Right Honorable Sir, he will come to me to speak about the contents of that letter; I hope, Right Honorable Sir, that it will turn out well, and I shall do everything in my power to achieve that desirable goal. To the Bookkeeper Ian Hendrik Voll, Resident there Honorable, pious friend, In order to answer what is necessary to your letters of 14 December and 7 January past, it serves in the first place that I am willing to consent to the request of the collective elders of the country to let the Regent of Gantarang remain in his post, although he rose up against the Company, as he is included under the general pardon; however, I deem it necessary that he come to take the oath of loyalty anew; while I likewise permit that the former Regent of Tanette remain living on that land, in the confidence that he will keep quiet and will not meddle in matters of government or other things that do not concern him. Looking forward to the arrival of the workmen at a suitable time in order to let those present here return home, I take for information the report regarding the prince who was appointed as Batara Goa, or set himself up as such, and has since absented himself, and 577 287 has gone to Lanna; and for the rest, after greetings, I remain, underwritten: your friend; was signed: Ps Is van der Voort; in the margin: Macasser in Castle Rotterdam, 22 February 1779. Account given at the Secretariat of Police by the Company's subjects Cawarie and Bara, together with the slave boy of the head interpreter Gerrit Brugman, named Dawa, regarding how on their voyage from Sourabaija to this place they ended up stranded at Banjermassing. That departing from Sourabaija in the month of May past, they had been compelled by strong easterly winds and the vessel springing a leak to turn back twice; and undertaking the voyage hither for the third time, after having been at sea for fifteen days and nights, their sankilang or rudder blade had broken, which had reduced them to the necessity of letting the vessel run before the wind, as they could use no rudder. That after sailing thus for seven days, they came to anchor at Tanjong Siela situated near Banjermassing, and from there went to the negorij Tobonie in order to repair their vessel or rudder blade, so that they could continue their voyage. That while they were busy with that, four of their fellow crew members—namely two slaves of the vessel's owner, the burgher Rosenquist, and two whom the skipper had hired on Java—ran away, and one having died, they, by the loss of those 5 persons, having been only eight heads strong in total, had become unable to put to sea again; but that finally three men who belonged on the small Poeloe Louts had offered to cross over with them and take them there, under the assurance that they would find enough Macassars there who would bring them to Macasser; That having sailed with those men to Poeloe Louts, there again
Dutch transcription
575 286. Macasser Aan den wel Edele Agtbaare Heer Paulus Godofredus van der Voort„ Gouverneur en Directeur der Custe Celebes &: &: wel Edele Agtbaare Heer volgens schrijvens van uw Edele Agtb: bij brief van den 20=e december heb ik niet gemanqueert om al te doen wat mooglijk was om verder narigt omtrent Tankilang benevens zijn overige adherenten te bekoomen dog heb zeedert dien tijd wel Edele Agtb: Heer niets anders gehoort als dat Aroe Palakka op de negorij Bonto Parrang zoude overleeden weezen. Omtrent d' Bonto Bangos prins wel Edele Agtb: heer heeft d' resident van saleijer mij bij brief gedateert 7=e Januarij 't volgende geschreeven: ik heb na gedaane onderzoek bevonden dat die Bento Bangos prins dewelke zig bij d' Rebellen zoude bevinden, d' boetonder te weezen dewel„ „ke bij den opstand der saleijereesen door d' gatarangers in Bonto Bangers als Batara Goee is aangesteld dog na dat laastgemelde in submissie was gekoomen van hier benevens een gemeene Bonto Banger gen=t Rawoe met een boegineese prauw na Boelo Boelo gevlugt. ik hoop wel Edele Agtbaare heer dat d' berigten omtrend d' macassaarse grooten waar zullen zijn op dat wij eindelijk eens een gewenschte vreede mogen erlangen. d'gezeegelde ordre van Bonijs vorst wel Edele Agtb: heer heb ik Jennang Boelecomba bij mij zijnde ten eersten overgegeven, gemelde order wel Edele Agtb: heer schijnt van nut te zullen weezen, alzo gemelde Jennang mij ten eersten beloofde zorge te zullen dragen dat die van Boea en Lajaij d' 1086. gantings rijst voldoen. Op den 25„e J:o L: wel Edele Agtb: heer liet de huijsvrouw van Aroe teeko mij weeten, als dat Aroe Saletoenga van voorneemens was om d'negorij Toeronga te attacqueeren in dien zij niet resolveerden om de vrouw die sankilang voor eenige tijd daar getrouwt had, overtegeeven, dog ik heb wel Edele Agtb: heer tot heeden daar verder niets van vernoomen en denk dat 't op 't plunderen van eenige menschen zal uijtkoomen. Niets Saleijer. Niets meer weetende uwel Edele Agtb: waardig zoo neeme de vrijheit met alle vereijschte hoog agting en eerbied mij te noemen, /:onder„ „stond:/ wel Edele Agtbaare Heer. /: lager:/ uwel Ed: Agtb: onder„ „daanige en trouwschuldige dienaar. /:was get:/ S=n Monsieur, /:in margine:/ Boelecomba in Comp„s vesting den 6„e februarij 1779. P: S: na 't sluijten deeses wel Edele Agtb: heer arriveert alhier Arou Teeko meede brengende uwel Edele Agtb: veel gerespecteerde letteren d' dato 30„' Januarij J: L:, hij heeft mij verzogt wel Edele Agtb: heer om den inhout dier brief aan niemand Ja zelfs niet aan d' tolk bekent te maeken, 't geen ik hem belooft heb: en ook na zal komen zoo lang d' noodzaake„ „lijkheit 't niet anders vereijscht: op morgen wel Edele Agtb: heer zal hij bij mij koomen om over den inhout dier brief te spreeken, ik hoop wel Edele Agtb: heer dat 't wel zal uijtvallen, zullende ik aldoen wat in mijn vermoogen is ter bereiking van dat wenschelijk doelwit Aan den Boekhouder Ian Hendrik voll, Resident aldaar Eersame, vroome! Om het nodige t'antwoorden op UE: brieven van den 14=e december en 7:e Januarij passato zo dient in d' eerste plaats dat ik wel wil Con„ „senteeren in het versoek der gezamentlijke oudsten des Lants om den Regent van gantarang, schoon tegen de Comp=e zijnde opge„ „staan in zijn post te laten blijven, als onder het generaal pardon zijnde begreepen, dog agte het nodig dat hij op nieuw den Eed kome af te leggen van getrouwigheijt; terwijl ik insgelijks wel lijden mag dat den gewe„ „sen Regent van Tanette op dat land blijft woonen, in vertrouwen dat hij zig stil houden en met geene zaken van Regeering of anderlints bemoeijen zal, die hem niet aangaan. De komst van de werklieden ter bekwamer tijd te gemoet ziende ten eijnde de hier aanwesende na huijs te laten keeren, neeme ik voor Com„ „municatie aan het berigt nopens den prins die tot Batara goa aangesteld of zig als zodanig opgeworpen en zig zedert g'absenteert mitsgaders 577 287 mitsgaders na Lanna begeven heeft en blijve voor het overige na groete /:onderstond:/ uE: vriend /:was geteekend:/ P„s I„s van der Voort, /in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterd:m den 22„e februarij 1779. Relaas gedaan ter secretarije van Politie door de Compagnies onderdaanen Cawarie en Bara, nevens de slave Jonge van den oppertolk Gerrit Brugman, genaamt Dawa; hoedanig zij op hunne rijse van sourabaija na herwaards op Banjermassing zijn vervallen geraakt. Dat zij in de maand Meij passato van sourabaija vertrekkende door de sterke ooste winden en het Lek werden van het vaarthuijg genoot„ „saakt waaren geweest tot twee rijse te rug te keeren; en voor de derde keer de herwaards rijse weder onderneemende, na dat zij vijftien etmalen in zee waaren geweest haar Sankilang of roer plank was gebrooken, het geen hun in de noodsakelijkheijd had gebragt het vaarthuijg voor de wind weg te laten lopen, als kunnende geen roer gebruijken. Dat zij seven dagen zo voortgezeijlt hebbende, op Tanjong Siela geleegen bij Banjermassing ter houw gekoomen en van daar na de Negorij Tobonie gegaan waren, om hun vaartuijg of Roerplank weder te herstellen, ten eijnde hunne rijse te kunnen vervolgen. Dat intusschen dat zij daar meede besig waaren, vier van hunne mede scheepelingen als twee slaven van den Eijgenaar van het vaarthuijg den burger Rosenquist en twee die den schipper op Java had ge„ t „huurd weg geloopen, en een overleeden zijnde, zij door het gemis van die 5. persoonen als in het geheel maar agt koppen sterk geweest hebbende, buijten staat waaren geraakt weder zee te kiesen; dog dat eijndelijk drie menschen die op de kleene Poeloe Louts te huijshoorden, haar ge„ „presenteerd hadden, met haar over te vaaren en haar daar te brengen, onder verzeekering dat zij aldaar Macassaren genoeg soude vinden die haar op Macasser soude brengen: Dat zij met die menschen na de Poeloe Louts gezijlt zijnde, aldaar wederom
English
were once again in need of crew to continue their voyage, and had been obliged to remain for seven days, during which time they had heard from some Buginese who had arrived there from Passier for trade that Goa had been captured by the Company, and that the Aroe Matoa of Wadjo had sent orders to the people of Passier to assemble together and come to Wadjo during this east monsoon to assist the Macassars. That being unable to obtain any crew there to bring the vessel here, they had finally resolved to accept the offer of seven persons who wished to go to Mandhaar, and to allow them to take them there with the vessel, whereupon having departed they arrived in the roadstead at Balanipa, and remained there for half a month due to the lack of an opportunity to continue the voyage hither. That in the meantime, while they were there, an emissary from the Aroe Matoa of Wadjo had come to request the Maradia of Ballanipa, as head king of the seven rivers, to convene the other Maradias, without having heard, however, to what end this was to take place, the said emissary being still at Balanipa upon their departure. That having given notice of their arrival yonder from there to the aforementioned owner of the vessel, the burgher Rosenquist, they were brought by two persons hired by them there to Parre Parre, and from there once again by other crew hired by them to Conjotongang near the river of Maros, and that a few days after their arrival there an emissary of the Governor and some people sent to fetch them arrived, and had brought them here. Below stood: Thus done and related at Macasser in Castle Rotterdam the 28th of February, Anno 1779. Was signed: with some native characters, beside which was written, placed by the relators. Lower: which I attest. Was signed: Cs Kraane, Secretary. In the middle for the translation, was signed: Ct In Blij. In the margin, in our presence, was signed: Js As Geubels and Hk Bewers. Still lower: Agrees, Signed, Cs Kraane, Secretary. To 579 288. Macasser To the Right Honourable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes, etc., etc., etc. Right Honourable Sir! It was, Right Honourable Sir, the 26th of the past month when Arou Teeko informed me that his people, coming hither from Bonthain, had met people on the way who claimed to be emissaries of Batara Goach, and that they had already been to Craeng Gantarang and now had to go to Craeng Bonthain, without saying further what business they had to perform. Craeng Gantarang, Right Honourable Sir, or at least his son Daeng Matana, who lies under severe suspicion with me that before the conquest of Goach he was by no means loyal to the Company, I did not even have questioned about it, for the reason that I know even if it were true it would merely be denied. But Craeng Bonthain, Right Honourable Sir, whom I wished to speak to in any case, I invited to come to me. Upon his arrival the following day, Right Honourable Sir, I asked him about those emissaries, but concealed the name of Arou Teeko. He declared to me, Right Honourable Sir, to know nothing of the matter, but that his emissaries whom he had sent out by my order to spy on Batara Goach had returned, bringing the news that Batara Goach was staying at the village of Lanna, and that at night someone had thrust an assegai into the house where he was from underneath the house, though he was not wounded. Furthermore, Craeng Bonthain, Right Honourable Sir, took the most solemn oaths to always remain faithful to the Company, and said, had such a thought occurred to me, Bonthain would long have been gone; what reason, since I did not do it then, would I have to do so now, when Goach is conquered and the Macassars are subjugated, and I moreover enjoy so much honour and benefit from the Company. On the 6th, Right Honourable Sir, Arou Teeko informed me in writing that yet another emissary of Batara Goach had arrived at his place, who had recounted to him that he, by order of
Dutch transcription
wederom om volk waaren verlegen geraakt om hunne rijse te ver„ „volgen, en seven dagen hadden moeten vertoeven, in welke tusschen tijd zij van eenige boegineesen die aldaar van Passier ten handel kwamen gehoord hadde, dat goa door de Compagnie was ingenoe„ „men, en dat den Aroe Matoa van wadjo aan die van Passier had laaten ordonneeren om zig bij elkander te versamelen en in deze oostmousson na wadjo ter assistentie der Macassaren te komen. Dat zij aldaar geen volk kunnende krijgen om het vaartuijg hier te brengen, eijndelijk geresolveerd waren de presentatie van seven persoonen die na Mandhaar wilde, aan te neemen, en hun met het vaarthuijg daar na toe te laten brengen, gelijk zij dan ook vertrokken zijnde op Balanipa ter houwe gekomen, en aldaar een halve maand verblieven hadden, door gebrek aangeleegenheid om de rijse herwaards voor te setten. Dat in die tusschen tijd dat zij aldaar waaren een sendeling van den Aroe Matoa van wadjo den Maradia van Ballanipa als hoofd„ „koning der seeven rivieren was komen versoeken, dat de overige Mara„ „dias bij een soude laten komen, sonder egter te hebben gehoort tot wat eijnde zulx soude moeten geschieden, zijnde gedagte sendeling bij hun vertrek nog op Balanipa. Dat zij van daar den voormelden eijgenaar van het vaartuijg den burger Rosenquist van hun komst ginter kennis gegeven hebbende, door twee door haar daar aangenoomene persoonen op Parre Parre, en van daar wederom door ander door hun aangenoomen volk op Conjotongang bij de rivier van Maros gebragt waaren, en dat eenige dagen na hun komst aldaar een sendeling van den Heer Gouverneur en eenig volk afgesonden om haar af te haalen bij haar gekomen waaren, en haar hier gebragt hadde, /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerelateert tot macasser in 't Casteel Rotterd=m den 28=e februarij Anno 1779. /:was geteekend:/ met eenige Jnlandsche Caragters, waar bij geschreeven stond, gesteld bij de Relatan„ „te /:lager:/ quod Attestor /:was geteekend:/ C=s Kraane secret=s /:in 't midden voor de vertaling, was geteekend:/ C=t I=n Blij, /:in margine, ons present, was geteekend; J„s A„s Geubels en H=k Bewers / nog lager/ Accordeert, Geteekend, C„s Kraane Secretaris. Aan 579 288. Macasser Aan den wel Edele Agtbaare Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur der Custe Celebes &: &: &: Wel Edele Agtbaare Heer! 't was wel Edele Agtb: heer den 26:e der gepasseerde maand als wanneer Arou Teeko mij liet weeten als dat zijn volk van Bonthain na herwaarts koomende onderweegen menschen hadden ontmoet, die voorgaven zende„ „lingen van Batara Goach te weezen, en dat zij reets bij Craeng gan„ „tarang geweest waaren en nuuw na Craeng Bonthain moesten gaan, zonder verder te zeggen wat zij te verrigten hadden, Craeng gantarang wel Edele Agtb: Heer ten minsten zijn zoon Daeng Matana die bij mij onder herige suspicie legt dat voor d' verovering van goach d' Comp=e gantsch niet trouw is geweest, heb ik daar over niet eens laten vragen, om reeden ik weet schoon 't alwaar mogt weezen zulks dog genegeert zoude worden, dog Craeng Bonthain wel Edele Agtb: heer, die ik buijten dien gaarn wilde spreeken, liet ik versoeken om bij mij te komen, bij zijn arrive„ „ment des daags daar aan wel Edele Agtb: heer vroeg ik hem omtrent die zendelingen dog verzweeg d' naam van Arou Teeko, hij verklaarde mij wel Edele Agtb: heer nergens van te weeten maar dat zijn zendelingen die hij uijt mijn order ter spionneering van Batara goach uijtgezon„ „den had te rug gekoomen waaren, tijding brengende als dat Batara goach zig op d' negorij Lanna op hielt en dat op 't huijs, waar hij zig bevondt, d' snagts met een assegaij van onder 't huijs was gestoo„ „ken dog niet gequest. verders deed Craeng Bonthain wel Ed: Agtb: heer de duurste eeden om altoos d' Comp=e getrouwd te zullen blijven, weg en zeide had zulks in mij opgekomen had Bonthain lang ^ geweest, wat reeden daar ik 't toen niet gedaan heb, zou ik daar nueuw toe heb„ „ben, daar goach overwonnen en d' macassaren te ondergebragt zijn, en ik daar en boven zoo veel eer en voordeel van d' Comp=e geniet. Op den 6=e wel Edele Agtb: heer liet Arou Teeko mij schriftelijk weeten als dat 'er wederom een zendeling van Batara Goach bij hem was aangegiert die hem verhaalt had als dat hij op order van
English
had brought a letter from batara goach to Craeng gantarang, which stated that he, batara goach, when the 100 days after the death of Arou Palakka had passed, would go to Craeng Boelecomba at the Bonian Boelecomba without anything further, and also that batara goach had sent another emissary to Craeng bonthain, though without a letter, but not knowing what his message contained. Daeng Matana, Honorable Respected Sir, happened to visit me on the 9th of this month; he declared to me that he had heard nothing of Batara goach, but I related to him having heard that Batara's party intended to come to the Bonian Boelecomba after the 100 days, to which he replied, "then he perhaps thinks he is not yet entirely defeated." Although, Honorable Respected Sir, I shall be on my guard as much as possible against all unexpected attacks and shall take care to discover all conspiracies as far as possible, I believe that in this case jealousy prevails. Craeng bonthain, Honorable Respected Sir, who truly merits having more prestige than others, and since carrying his pajang has become somewhat more haughty, seems to be a thorn in the side of Arou Teeko, who is also very subject to that evil, to which are added private disputes that these people have with one another. I nevertheless thanked Arou Teeko, Honorable Respected Sir, for this notice and then also asked whether there was yet any news from his emissaries sent out to Batara Goach; to which he answered me that Batara goach had let him know that as soon as he had news from Craeng Gantarang and Bonthain, he would send an emissary to him. But I believe, Honorable Respected Sir, that Arou Teeko never intends to fulfill the promises made to your Honorable Respected Sir, but rather just to keep quiet here and otherwise let the matter run its course. As soon as I learn anything further, Honorable Respected Sir, I shall not fail to communicate this to your Honorable Respected Sir, while I now take the liberty to call myself with all respect and reverence, below stood: Honorable Respected Sir, lower: your Honorable Respected Sir's humble and faithful Servant, was signed: Sn Monsieur, in the margin: Boelecomba in the Company's fortress, the 10th of March Anno 1779. Boelecomba Boelecomba. To the junior merchant Mr. Simon Monsieur, Resident there. Honorable, pious, Discreet! Your Honor's two separate letters of the 6th of February and 10th of this month having been well received by me, I consider Your Honor's attentiveness in sending out for reports concerning the situation and intentions of the rebels in general to be very well done, expecting that Your Honor will continue therein, but no less that Your Honor, in conformity with my repeatedly given recommendations, will constantly remain on guard against all undertakings by the same and also not to be betrayed by our own subjects. By this I refer in particular not only to Craeng gantarang and his son Daeng Matana, but also to Craeng Bonthijn, for however much the same may profess to be faithful to the Company, it is certain that no natives keep their word longer than they see advantage therein, and make not the slightest difficulty about breaking the most solemn oaths made to us. And since Arou Teeko, according to Your Honor's thoughts, does not intend to fulfill his promises made to me, which I can well believe for the reasons aforesaid, Your Honor will do best not to converse with him further about it, but nevertheless to show him all outward signs of friendship. With which, after greetings, I remain, below stood: Your Honor's good friend, was signed: Ps Js vander Voort, in the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 20th of March 1779. To the Residents of Boelecomba and Bonthijn, as well as of Bima and Saleijer. Honorable, pious, Discreet! Beyond that which is written to Your Honors in the separate letter accompanying this, regarding the declared war between the crowns of 289. 581 France and Bima. France and England, Your Honors, each in your own jurisdiction, in the most cautious manner, in order not to give any impression to the Native through excessive movement that one was apprehensive of anything, must as far as feasible not only try to obtain information whether any foreign vessels have been seen anywhere by the traders, but also, as far as can be done, have inquiries made thereafter and give notice thereof to me at the very earliest, and in case Your Honors should be able to discover thereby that an enemy fleet appearing here or there might intend to head for one of the spice districts, Amboina and Banda, or else for Ternaten, Your Honors must, whenever there is even the slightest opportunity to do so, notify the Lords Governors of Amboina, who can quickly send news to Banda, and that of Ternaten thereof by a secret note, serving in such case to warn the commanders to stay out of sight of such ships, under promise of a substantial reward for a speedy and correct delivery of the letter given to them. Expecting that Your Honors will endeavor in this to fulfill the objective in which the Company's interests are most highly concerned, I remain, after friendly greetings, below stood: Your Honor's good friend, was signed: Ps Js van der Voort, in the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 20th of March 1779. Lecerg Alexander To the Lieutenant military Commander there Valiant, pious, Discreet! Looking forward with longing to a report concerning the state of affairs on the opposite shore, I let this serve to inform Your Honor that their High Excellencies have been pleased to direct me that the cruising along the beaches, for which the king of
Dutch transcription
van batara goach een brief aan Craeng gantarang had gebragt, die behelsde als dat hij batara goach. wanneer d' 100: daagen na 't over„ „lijden van Arou Palakka gepasseert waaren zig bij Craeng Boelecomba op 't bonijse Boelecomba zoude begeeven zonder meerder, als meede dat batara goach nog een zendeling: aan Craeng bonthain dog zonder brief gezonden had dog niet te weeten wat die zijn boodschap behelsde, Daeng Matana wel Edele Agtb: heer quam toevallig op den 9=e deser bij mij, hij verklaarde mij van, van batara goach niets gehoord te hebben, dog ik verhaalde hem gehoort te hebben als dat bataras packh van zins was na d' 100. dagen op 't bonijse boelecomba te komen, waar op hij antwoorde dan denkt hij mooglijk nog niet geheel overwonnen te weesen. Schoon ik wel Edele Agtb: heer op alle onverhoopte aanvallen zoo veel mogelijk op mijn hoede zal weezen en zorg zal dragen zoo veel moogelijk alle Con„ „spiratien te ontdekken zoo geloof ik dat in dit geval d' jalousij heerscht, Craeng bonthain wel Edele Agtb: heer die 't waarlijk meriteert dat hij meer dan wel andere in aanzien is, en zeedert 't voeren van zijn pa„ „jang iets hoogmoediger geworden is schijnt een distel in 't oog van Arou Teeko te weezen, die meede aan dat Euvel zeer onderheevig is, waar bij nog koo„ „men particuliere disputen die zij lieden met malkander hebben. Ik heb wel Edele Agtb: heer egter Arou Teeko voor dies kennis: geving bedankt en toen teffens afgevraagt of 'er nog geen tijding van zijne uijtgezondene zendelingen aan Batara Goach was; waar op hij mij antwoorde als dat Batara goach hem had laten weeten dat zoo dra hij tijding van Craeng Gantarang en Bonthain had, hij aan hem een zendeling zoude zenden, dog ik geloof wel Edele Agtb: heer dat Arou Teeko nimmer van voor„ „neemen is om aan d' beloften bij uwel Edele Agtb: gedaan te voldoen, maar zig alhier maar stil te houden en voor 't overige de zaak op zijn beloop te laaten. zo dra ik wel Edele Agtb: heer iets verder verneem zal ik niet in gebree„ „ken blijven uwel Edele Agtb: zulks te communiceeren, terwijl ik thans de vrijheit neem met alle agting en eerbied mij te noemen. /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heer, /:lager:/ uwel Edele Agtb„s onderdaanige, en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ S„n Monsieur /:in mar„ „gine / Boelecomba in Comp„s vesting den 10=e Maart Anno 1779. Boelecomba Boelecomba. Aan den onderkoopman M=r Simon Monsieur, Resident aldaar. Eersame, vroome, Discreete! uwE: beide aparte, brieven van den 6=e Februarij en 10=e deser mij wel gewor„ „den zijnde, houde ik uw Ed: attentie in het uijtzenden op berigt nade situ„ „atie en voornemens der rebellen in het gemeen voor zeer wel gedaan in verwagting dat UE: daar bij zal blijven Continueeren dog niet minder dat UE: zig Conform mijn meermaal gedane recommandatie steeds op hoede zal houden tegen alle onderneemingen van de selve en teffens om niet door onse eigene onderdanen verraden te worden. Jk doele hier meede in 't bij sonder niet alleen op Craeng gantarang en zijn zoon Daeng Matana maar ook op Craeng Bonthijn, want hoe zeer den selven ook betuijgd de Comp„e getrouw te wesen zo is het zeker dat geen inlanders langer hun woord houden dan zij daar bij voordeel zien, en geen de minste swaarigheijt maken om de duurste eeden aan ons gedaan te breeken. En vermits ArouTeeko, na UE: gedagten niet voornemens is om zijne be„ „loften aan mij gedaan na te komen, dat ik uijt hoofde voorsz: wel ge„ „loven kan, sal UE: best doen hem daar over niet verder te onderhouden dog hem des niet te min alle uijterlijke bewijsen van vriendschap te toonen. waarmeede na groete blijve. /:onderstond:/ uE: goede vriend. /:was geteekend:/ P„s J„s vander Voort, in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 20=e Maart 1779. Aan de Residenten van Boelecomba en Bonthijn mits„ „gaders van Bima en Saleijer. Eersame, vroome, Discreete! Buijten het geene uE: bij de desen verzellende aparte brief, met betrecking tot de gedeclareerde oorlog tusschen de kronen van 289. 581 Frankrijk zijn Bima. Frankrijk en Engeland word aangeschreeven zullen uE:, een ieder in den zijnen, op de voorzigtigste wijse, ten einde door al te grote beweging geen denkbeeld aanden Jnlander te geven of men ergens voor bedugt was, zo veel immers doenlijk, niet alleen informatie moeten tragten te bekomen of ook eenige vreemde sche„ „pen ergens door de handelaars zijn gezien, maar ook zo verre het geschieden kan daar na moeten laten verneemen en daar van ten allerspoedigsten aan mij kennisse geven, en ingevalle uE: daar bij mogte kunnen ontdecken dat eene vijandelijke vloot zig hier of daar vertoonende de wil mogten hebben na een der specerij quartieren Amboina en Banda dan wel na Ternaten moeten UE: wanneer daar toe maar eenigsints gelegentheijt zij de Heeren Gouverneurs van Amboina; die spoedig na Banda tijding kan zenden; en die van Ter„ „naten daar van bij een secreet briefje verwittigen, dienende in sodanig geval de gezaghebbers gewaarschuwd te worden om buijten het gezigt van zodanige scheepen te blijven, onder belofte van een aansienlijke belooning voor een spoedige en rigtige bestelling van de brief die haar word meede gegeeven. Jn verwagting dat uE: in desen zal tragten te voldoen aan het oogmerk waar bij 's Comp„s belangen ten hoogsten: g'interesseert zijn. blijve ik na vriendelijke groete, /:onderstond:/ UE goede vriend, was„ „geteekend:/ P„s J„s van der Voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 20=e maart 1779. Lecerg Alexander Aan den Lieutenant militair Commandant aldaar Manhafte, vroome, Discreete! Met verlangen uijtziende na berigt wegens de toestand der Za„ „ken aan de overwal, laat ik desen dienen om UE: te bedeelen dat hunne Hoog Edelhedens mij hebben gelieven aan te schrijven om de bekruijssingen langs de stranden, waar toe den koning van .
English
had vessels ready from Bima, to have this carried out, and furthermore that Your Honour will have nothing more to negotiate with respect to Balij and Salemparang than the reclaiming of the salvaged cannons from the wrecked ship Aschat; of all of which I therefore give Your Honour notice, so that you may use it for your guidance; while for the rest I refer to the general letter now departing and remain after greetings. Below was written: Your Honour's good friend. Signed: P:s G:s van der Voort. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 22nd of March 1779. To The Right Honourable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. Right Honourable Sir, I hope my humble letters of the 25th of November of last year will have reached Your Honour. This serves to communicate to Your Honour that I have sent a common soldier to Sumbauwa in order, pursuant to Your Honour's esteemed order, to urge the King and the grandees of the realm to have a good quantity of sappanwood cut, which that monarch promised me he would have cut. At the same time, I have had investigated whether a benting is really being built there, but the said soldier declared that he saw no benting, but rather a panimpang, or a pond that they have made for the King to catch fish. Furthermore, the First Regent of the realm, Neene Ranga, had me informed verbally through the aforementioned soldier that he has received a letter from Macasser ordering him to come to Macasser soon, that on this account he cannot cross over here to Bima because within a few days he is to depart coastwards, but that the co-Regent Calie Bala will come here in his place. Furthermore, the frequently mentioned soldier informed me that he saw the Macassarese prahu there, and that a prahu is also being made ready with which the aforementioned Neene Ranga will depart. Concluding with this, I have the honour to subscribe myself with the required respect. Below was written: Right Honourable Sir! Lower: Your Honour's humble and very obedient servant. Signed: A:r Lecerf. In the margin: Bima, the 19th of December, Anno 1778. I have duly received Your Honour's highly esteemed letters of the 15th of October of the previous year, and serving in humble reply, I hereby initially report that my emissary, whom I sent to Balij on the 5th of November of the previous year with a letter whose translation accompanies this, has now arrived back here, though without bringing a letter. He only declares that he personally spoke with Gusti Made Karang Assang, who had wanted to give him the two Christian women and their children there present who were also present with him to bring over here, along with the two iron pieces salvaged from Aschat, but since my emissary's vessel is very old and weak, he did not dare risk taking on those people and heavy pieces and transporting them this far. Consequently, the said Gusti Made Karang Assang verbally informed me that as soon as his prahu which he sent to Boeleleeng has returned, he will send the aforementioned women and their children, along with the two cannons, over here with it. Regarding Tjalla Bankoeloe, I am also of Your Honour's opinion, namely that when he spoke with Craeng Patene on Salamparang in the presence of my emissary, he must well have known of the conquest of Goa, although according to my emissary he was said to have known nothing of it at that time. I shall however not fail to keep a watchful eye on him as much as possible. Concerning the goods and lands here of Craeng Sappanang, I have once again inquired as much as possible, and asked the First Regent Radja Bitjara and Turelie Dengo, now become Turelie Boolo, together with the Shahbandar, how matters stand with that and why they are so very reserved about it, since they need have or expect no difficulty whatsoever regarding it. Thereupon Radja Bitjara, together with the others, replied that they had no difficulty whatsoever about it, as what Craeng Sappanang possessed here in ownership was of very little importance, but that they had sent an emissary to Mangarij to find out what goods belonging to Craeng Sappanang might be there, and as soon as their emissary has returned, the aforementioned grandees of the realm wish to give written notice thereof to Your Honour themselves. Furthermore, this serves to communicate to Your Honour that the King of Bima in the past month was betrothed to a daughter of the recently made Turelie Dongo, former Jenelie Boolo. With the collective rulers here, namely Bima, Dompo, Tambora, Sangar, and Pekat, I held a joint assembly of the land at my house on the 11th of January of last year, to whom the undersigned expressed collective thanks for their faithful services rendered to the Honourable Company in the war at Maccasser, wherein he at the same time exhorted and requested that in the future, whenever the Honourable Company might have need of them again, they would give no less proof of their loyalty as they have recently done. Whereupon the allies generally declared that they were prepared at all times to come to assistance whenever the Honourable Company might require them, and furthermore that they will not deviate from accomplishing that which behoves a faithful ally to do, which held by me
Dutch transcription
588 290. Maccasser van Bima vaartuijgen gereed had, te laten gevolg neemen en voorts dat UE: met opzigt tot Balij en Salemparang niets meer sal hebben te verhandelen als de terug vordering van de opgeviste Canons van het verongelukte schip Aschat; van welk een en ander ik uE: dierhalven kennisse geve, om zig het zelve tot narigt te laten strecken; Terwijl ik mij voor 't overige aan de thans afgaande gemeene brief refereere en na groete blijve. /onderstond:/ uE: goede vriend, /:was geteekend:/ P„s G:s van der Voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 22=e Maart 1779. Aan Den wel Edelen Agtbaren Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur deser Custe Celebes. Wel Edele Agtbaeren Heer Mijne needrige letteren van den 25=e November J: L: hoope dat uwel Edele Agtbaare zal geworden zijn, deeze dient om uwel Edele Agtb: te Communiceeren dat ik een gemeene militair naar Sumbauwa heb gezonden om ingevolge uwel Edele Agtb: g'eerde ordre den koning en Rijksgrooten aan te spooren tot het laatens kappen van een goede quantiteijt Sappanhout. het welk dien vorst mijn beloo„ „vende van te zullen laaten kappen; teffens heb ik laten onderzoe„ „ken of 'er werkelijk een benting aldaar gemaakt word, dog den gemelde soldaat verklaard geen benting gezien te hebbe, maar wel een panimpang, off een vijver die zij voor den Koning gemaakt hebben om vissen te vangen. voorts heeft den Eersten Rijksbestierder Neene Ranga, mijn door den voornoemden soldaat mondelings laaten weeten; dat hij een brief van macasser heeft ontvangen, om spoedig op Macas„ „ser te moeten komen, dat hij uijt dien hoofde alhier op bima niet kan overkoomen, dewijl hij binne korte dagen Costij waards staat te vertrekken, maar dat den meede Rijksbestierder Calie Bala, in zijn plaats alhier zal komen. wijders wijders heeft meergemelde soldaat mij bekend gemaakt dat hij de„ maccassaarse prauw aldaar gezien heeft en dat ook een prauw word klaar gemaakt waar meede den voorn: Neene Ranga zal vertrekken. waar meede deese besluijte heb ik d' eer mijn met de vereijschte eer„ „bied te onderschrijven, /:onderstond:/ wel Edelen Agtbaaren Heer! Agtb: /:lager:/ uwel Edelen „ otmoedigen en zeer gehoorsamen Dienaar /:was geteekend:/ A=r Lecerf, /:in margine:/ Bima den 19=e December Anno 1778:- uwel Edele Agtb: hoog g'Eerde letteren van den 15=e october A:o p:o heb ik behoorlijk ontvangen, en in needrig antwoord dienende zo melden hier aanvankelijk dat mijn zendeling dien ik op den 5=e November A=o p=o met een brief welker translaat hier nevens verzellende na Balij heb gezonden thans weeder alhier g'arriveerd is, doch zonder een brief meede te brengen, alleenlijk verklaard denzelven dat hij perzoonelijk met Gusti Made Karang As„ „sang heeft gesprooken, die hem de aldaar zijnde twee Christenen vrouwen en haare kinderen (:welke ook daar bij present waaren:/ hadde wille meede geeven om alhier over te brengen, nevens de twee van Aschat opgeviste ijsere stukken, doch vermits het vaarthuijg van mijn zendeling zeer oud en swak is heeft hij het niet durven hazardeeren om die Menschen en swaare stuk„ „ken in te neemen, en deselve tot hier toe te vervoeren, over zulks gemelde Gusti Made karang Assang mijn mondelings heeft laate weeten dat zo dra zijn prauw dien hij na boeleleeng heeft gezonden weeder terug gekoomen is hij met deselve, de voornoemde vrouwen en haare kinderen, nevens de twee Ca„ „nons alhier zal overzenden. van weegens Tjalla Bankoeloe, zo ben ik meede van uwel Edele Agtb: Consept, namentlijk dat wanneer hij met Cra„ „eng patene op Salamparang heeft gesprooken in presen„ „tie van mijn zendeling hij van de verovering van Goa wel Aan als vooren. zal 585 295: zal hebbe geweeten, doch volgens zeggen van mijn zendeling zoude hij te dier tijd 'er niets van geweeten hebben, ik zal egter niet mankeeren zo veel mijn moogelijk ik een waakend oog op hem blijve houden, Aangaande de goederen en Landerijen alhier van Craeng Sappanang, heb ik andermaal zo veel mijn moogelijk is geweest na vernoomen, en Aan den Eersten Rijksbestierder Radja Bitjara en Turelie Dengo, thans Turelie Boolo geworden, nevens den siabandhaar gevraagd hoe„ „danig of 't daar meede geleegen is, en waarom zij daar omtrend zo zeer agterhoudende zijn, also zij daar in het geheel geen swaarigheijd over behoefde te hebben, ofte verwagten hadden. zo antwoorde Radja bitjara nevens de anderen, dat zij daar over in het geheel geen swaarigheijd hadden, alzo het geen Craeng sappanang alhier in eijgendom gehad heeft, zeer weijnig van Jmportantie waaren, maar dat zij een zendeling hadde gezonden na de mangarij om te vernee„ „men wat goederen die Craeng sappanang toebehoorende aldaar mogte zijn, en zo haast als haare zendeling zal te rug gekoomen zijn, willen de voornoemde Rijksgrooten uwel Edele Agtb: zalver schriftelijk kennisse van geeven. wijders dient uwel Edele Agtb: ter Communicatie dat den koning van Bima in den voorleeden maand ondertrouwdt gedaan heeft met een dogter van den nu Jongst gewordene Tiirelie Dongo, geweesene Jene„ „lie Boolo, Met de gezaamentlijke vorsten alhier als Bima, Dompo, Tambora sangar en Pekat, heb ik op den 11=e Januarij J: L: gecombineerde Lands vergadering ten mijnen huijse gehouden; aan dewelke den onderge„ „teekende gezaamentlijk bedankt heeft voor haar getrouwe diensten die zij op Maccasser met den oorlog aan d'E: Compagnie gedaan hebben, daar hij bij teffens vermaand en versogt om in het vervolg wanneer d' E: Comp=e haar weeder mogte benodigt hebben, zij niet minder blijken van haare getrouwigheijd te geeven gelijk zij Jongst hebben gedaan. waar op de Bendgenooten generalijk verklaarden dat zij ten allen tijden wanneer d'E: Comp=e haar mogte requireeren bereijd waaren te hulp te koomen, voorts dat zij niet zullen afwijken te volbrengen het geen een getrouwe bondgenooten betaamd te doen, welker door mij gehoudene
English
the brief Resolution held here passes herewith to Your Right Honorable, and passing on herewith to the Kingdom of Sumbauwa, it serves for Your Right Honorable's information that the second regent Kalie Bala arrived here on the 4th of February last as an envoy, also bringing a letter from the King and dignitaries there to the undersigned, the contents of which contained nothing other than that he is sent to settle some matters between the Sumbawa prince and the Allies here. Furthermore, after a few days had passed, he came to me again, so I asked him what his request or desire was, and what he came to do here, whereupon he answered me that he came to do nothing other than what is stated in the letter from his king, so I said that he must then first address the king and dignitaries of Bima, after which, when the occasion permits, I will have him called to me. Furthermore, after the course of a few days, I requested the Radja Bitjaara of Bima, the Turelie Boolo, and the Siabandhaar, together with the envoy Kalie Bala, to come to me, as they all indeed appeared, so I asked Calie Bala in the presence of the said Bimanese dignitaries whether the Sumbawanese, being the Company's allies, stand on an equal footing with the other princes here, or whether they are separate, but if the Sumbawanese are equal allies, that he then had to be fully aware of the laws and customs of these lands, as well as such alliances and contracts as the Honorable Company has made with all the kings of this opposite shore, and regarding this, whether he as envoy is prepared to submit to those laws, and if not, that I then cannot convene a combined meeting. To all of which points, upon repeated questions by me, the envoy gave me not the least answer, but remained bluntly silent, without speaking a word, wherefore I abandoned this matter and subsequently asked him, with the desire that he must speak the sincere truth, who sent Craing Biladjie and Datoe Boesing to Macasser to assist the enemy, the king alone, 61. 587 291. alone, or the regents, or whether it happened with general consent of the general assembly of the Land of Sumbawa. To which the said envoy also remained silent and could give no answer; but requested to be allowed to depart again for Sumbawa, which I would not permit, but rather that he could send a messenger with a letter to Sumbawa, and await the news here, which that envoy also did, I added one of my messengers to it with a letter, who then also departed overland for Sumbawa on the 25th of February, I shall not fail upon the return of these messengers to give Your Right Honorable further report. While furthermore with regard to the Kingdom of Dompo reporting to Your Right Honorable that the king made known to me that he has a claim on a piece of land belonging under Sumbawa, which in earlier times is said to have belonged to Dompo, namely from the village Ampang to Baatoesoerie naij, I spoke about this with the regents of Bima to inquire after the truth, who gave me as elucidation that in the year 1709 or 1710, at the time of the then Resident Notenagal, or Nagtegaal, who was here at that time, who held a combined assembly of the land, and settled this matter in such a way that Dompo had to surrender the aforementioned villages Ampang to Batoesoerienaij to Sumbawa, and from that time on Sumbawa has had the same in possession, wherefore the undersigned requests Your Right Honorable that a copy of those papers may be sent, since all the old papers here were burned at the time of the former resident Tinne; Lastly, it simultaneously serves for communication to Your Right Honorable that the Malay and Bugis merchants residing here who sail annually to Batavia, upon their return not only bring with them a good quantity of gunpowder and firearms, but also bring in more than is stated on their passes, therefore Therefore the undersigned requests Your Right Honorable to be allowed to know how I must conduct myself in inspecting such vessels and in intercepting the same, while I have searched through all the papers here, but no orders or instructions are to be found regarding that, for the rest, concerning the remaining kingdoms, such as Tambora, Sangar and Pekat, nothing noteworthy has occurred. Wherewith having reported all the essential matters of this opposite shore herein, in the hope that my actions may carry Your Right Honorable's favorable approval, I conclude this after having commended Your Right Honorable's highly esteemed person together with the Company's weighty interests to the safe protection of the Almighty, I call myself with all respect; was written below: Right Honorable Lord . lower: Your Right Honorable's dutiful servant was signed: A:n LeCer: in the margin: Bima in the Company's fortress the 1st of March 1779. Monday the 11th of January Year 1779. Combined assembly of the land held at the house of the Resident outside the Post of Bima. Present from the Kingdom of Bima The First Regent Radja Bitjara Thorelie Boolo. with still more other regents and the Shahbandar Abdus Mahamoe. has acted as interpreter on behalf of Dompo Thorelie Dompo, Jenelie Adoe. on behalf of Tambora Wakil, Thozelie Baramboe on behalf of Sangar the Young King Daim Maojong and the Shahbandar on behalf of Pekat, the king with his son Jbrahaim with still other regents. Article 1: After having made the ordinary compliment and each having taken his seat, the Lieutenant Commandant said, I have called you people here because the Right Honorable E
Dutch transcription
gehoudene korte Resolutie hier nevens tot uwel Edele Agtbaare overgaad, en hier meede overgaande tot het Rijk van Sumbauwa, zo dient uwel Edele Agtb: ter kennisse dat den tweeden Rijksbestierder Kalie Bala op den 4=e februarij J: L: als gezant alhier is aangekoomen, meede bien„ „gende een brief van den Koning en Rijksgrooten aldaar, aan den ondergeteekende, welkers inhoud niets anders behelsende als dat hij gezon„ „den word om eenige zaaken tusschen den sumbawas vorst en de Bondgenooten alhier af te maaken. voorts na dat eenige daagen gelee„ „den was quam hij weeder bij mijn, zo vroeg ik aan den zelven wat of zijn verzoek of begeerte was, en wat hij hier quam doen, waar op hij mij ten antwoord gaf, dat hij niet anders quam als het geen te doen wat in de brief van zijn koning gemeld staan, zo zeijde ik dat hij dan eerst bij den koning en Rijksgrooten van Bima moeste addresseeren, daar na wanneer de geleegendheijd permitteerd zal ik hem bij mijn laate roepen. voorts na verloop van eenige daagen verzogte ik den Radja Bi„ „tjaara van Bima, den Turelie Boolo, en den Siabandhaar, nevens den gezant kalie Bala, bij mijn te koomen gelijk zij ook alle ge„ „compareerd zijn, zo vroeg ik aan Calie Bala in presentie van gem: Bimaneese grooten, of de sumbawareesen Comp„s bondgenooten zijnde in een gelijker graad staenden met de andere vorsten alhier, dan of zij afzonderlijk zijn, doch zo de sumbawareesen gelijke bondgenooten zijn, dat hij dan ten vollen moeste bewust weesen de wetten en Constumen van deese Landen, mitsgaders zodanige ver„ „bonden en Contracten als d'E: Comp=e met alle de koningen van deesen overwal gemaakt hebben, en over zulks of hij gezant bereijd is aan die wetten te onderwerpen, en zo niet dat ik dan geen gecombineerde vergadering kan beleggen. Op alle welke poincten door mij bij herhaalde vraage, den gezant mij geen de minste antwoord gaf, maar bot stilswijgende, zonder een woord te spreeken, weshalven ik van deese materie ben afgestapt en hem vervolgens gevraagd met begeerte dat hij de opregte waar„ „heijd moet spreeken, wie of Craing Biladjie en Datoe Boesing na Macasser tot hulp bij den vijand heeft gezonden, den koning alleen 61. 587 291. alleen, of de Rijksbestierders, dan of met generaale toestemmingen der algemeene vergadering van het Land van Sumbawa ge„ „schied is. Op dewelke gemelde gezant almeede stilsweeg, en geen antwoord konde geeven; maar verzogte om weeder na Sumbawa te mogen vertrekken, het welk ik niet permitteeren wille, maar wel dat hij een zendeling met een brief na sumbawa konde zenden, en de teijding alhier afwagten, het geen dien gezant ook gedaan heeft, heb ik een van mijn zendeling daar bij gevoegd met een brief, die dan ook op den 25=e februarij overland na Sumbawa zijn ver„ „trokken, zal ik niet mankeeren bij retoer van deese sendelingen uwel Edele Agtb: nader berigt geeven. Terwijl alverder ten aanzien van het Rijk van Dompo uwel Edele Agtb: melden, dat den koning mij heeft bekend gemaakt dat hij pretentie heeft op een stuk Land die onder sumbawa gehoorende, deselve zoude in vroeger tijden aan dompo behoord hebben, te weeten van de Negorij Ampang af tot Baatoesoerie naij toe, heb ik hier over om na de waarheijd te verneemen met de Rijksbestierders van Bima gesprooken, dewelke mij tot elucidatie gaf, dat 't in A„o 1709 of 1710, ten tijde van den te dier tijd alhier geweest zijnde Resident Notenagal, of Nagtegaal, die een gecombineerde Lands vergadering heeft gehouden, en over deese zaak zodanig heeft afge„ „maakt, dat Dompo de voornoemde Negorijen Ampang tot batoe„ „soerienaij toe aan Sumbawa heeft moeten overgeeven, en van die tijd af aan heeft sumbawa deselve in possessie gehad, waaromme den ondergeteekende uwel Edele Agtb: verzoeke om een Copij van die papieren te mogen toegezonden worden, vermits alle de oude papieren alhier ten tijde van den geweesen resident Tinne verbrand zijn geworden; Laastelijk dient teffens uwel Edele Agtb: ter Communicatie dat de alhier te huijshoorende maleijdse en boegineese negotianten welke Jaarlijks na Batavia vaaren, met hun retour niet alleen een goede quantiteijd buskruijd en geweeren meede brengende maar ook meerder aanbrengen als op haare passen bekend staan, dierhalven Dierhalven verzoekt den ondergeteekende uwel Edele Agtbaere te mooge weeten hoe ik mij bij het visiteeren van diergelijke vaar„ „thuijgen, en bij agterhaalen derzelver gedraagen moet, Terwijl ik alle de papieren alhier hebbe doorsogt, maar geen orders, of Jnstructie daar omtrend te vinden zijn, voor het overige zijn omtrend de overige Rijken, als Tambora, Sangar en Pekat, niets noteerens waardig voorgevallen. waar meede al het zaakelijkheeden van deese overwal hier inne gemeld hebbende, in hoope dat mijne behandelingen uwel Edele Agtb: gunstige goedkeuringe mooge wegdraagen, zo fineere deese na uwel Edele Agtb: hoog g'agte perzoon neevens 's Comp„s swaar„ „wigtige belangens. in de vijlige proteksie des alderhoogsten aanbevoolen hebbende, noeme mij met alle eerbied; /:onder„ „stond:/ wel Edelen Agtbaaren Heer . /:lager:/ uwel Edelen Agtb: trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ A=n LeCer: /:in margine:/ Bima Jn 's Comp„s vesting den 1=e maart 1779. Maandag den 11=en Ianuarij Anno 1779. Gecombineerde Lands vergadering gehouden op het huijs van den Resident buijten de Post van Bima. Present van het Rijk van Bima Den Eersten Rijksbestierder Radja Bitjara Thorelie Boolo. met nog meer andere Rijksbestierders en den siabandhaar Abdus Mahamoe. heeft G'ageerd als tolk van wegens Dompo Thorelie Dompo, Jenelie Adoe. van wegens Tambora Wakil, Thozelie Baramboe van wegens Langar den Jongen Koning Daim Maojong en den Siaband haar van weegens Pekat, den koning met zijn zoon Jbrahaim met nog andere Rijksbestierders. Articul 1: Naar het ordinaire Compliment gedaan te hebben en ijder zijn zitplaats genomen hebbende, zeijde den Luijtenant Comman„ „dant, ik heb uwe Lieden hier geroepen omdat den wel Edelen Agtbaren E
English
584 292. The Honorable Governor and Council of Macasser have you thanked for the faithful service that you have rendered at macasser, and in the event that he might again be attacked by the enemy, to be helpful again in the same service as before, then you may indeed be assured that the Honorable Company will not abandon you in time of need. Then Bappa Bitjara of Bima stood up and placed his hand upon his kris and said, as long as the world stands Bima shall not abandon the Honorable Company, and the other Allies all said the same. Article 2. The aforementioned Lieutenant Commandant asked, when did the Honorable Company come here? Then the other Allies said, Bima must know, for they have written it all down. Then the Shahbandar of Bima asked all the Allies, did we not call the Honorable Company here? They all said together, Yes. Now, if you had always listened to the Honorable Company, you would always prosper just as Bima does, for you may be quite assured that the Honorable Company seeks nothing other than our prosperity; just take an example from the Macassarese, then you shall see how it fares with them. Further, the Lieutenant Commandant asked whether they also wished to support the Honorable Company with rice, water buffaloes, chickens, and goats just as Bima does. Then these allies answered collectively, we also wish to provide the same assistance to the Honorable Company of Rice, water buffaloes, goats, and chickens, just as Bima does. Article 3. The Lieutenant Commandant asked how far their work on the benting extends. They all answered, that has been so for a long time, we all know that; as wood is cut at Tollolij, each chief shall be obliged to bring his share down into position. Article 4. Article 4. Finally and lastly, the Lieutenant Commandant asked how matters stood with the wax and tortoiseshell, whether they had to deliver it first to the Honorable Company or sell it to another. They all answered, we must deliver it first to the Honorable Company rather than sell it to another, according to the Contract that was made at macasser in the Year Anno 1765. At the bottom stood: Thus done at the Residency of Bima on the date aforementioned. It was signed: An Lecerf. Letter written by the undersigned to the Kings of Balij and Salemparang, Gusti Moera Made karang Assang, and Gusti Moeza kanginang, gusti Made karang Assang and gusti Katoet karang. After the customary preamble! I make known that through my envoy Boemie Salankarang I have duly received my brothers' letter, and from the same I acknowledge my brothers' inclination to assist the Honorable Company against its enemy; but now that the Honorable Company, through God's blessing, has conquered the principal stronghold, and thus no longer needs help, on the contrary I thank my brothers this time for the offer made, and assure that the Honorable Company will gladly let my Brothers experience tokens of your friendship when opportunity arises. Having now learned that these two Christian women with their children are still in my brothers' lands, and have not yet returned, I therefore request that those Christian women with their children, along with the two pieces of cannon and further Company goods that might be there, be sent directly to me here; whereas 65. 293. 591 Grissee Whereas I have already expected the aforementioned cannons and the Christian women with their Children here for a long time. At the bottom stood: written at Bima in the Company's fortress, the 5th of November Anno 1778. It was signed: An LeCerf. Translation of a Bugis letter written at Batoepoete by the Arung Matoa of sideenring to the Right Honorable Governor. Preceding customary Compliments. According to the desires of Your Right Honorable and my promise made, I hereby make known to Your Right Honorable that I have heard by rumor that the Wajoqese, after the conclusion of the circumcision feast, will first speak with the Bone people about the matters of Tjinrana and Timoeroeng. And regarding my person, I further declare that I am always ready to carry out the service of the Honorable Company wherever it may be, and shall never abandon the same. To the merchant Berend willem Fockens, Resident there Honorable, Pious, Discreet: For the enclosed packet to Governor van der Burgh, and the Letters written by the chiefs of the Madurese auxiliary troops from Sumenep present here to their princes, I request a proper conveyance, and remain after friendly greetings, at the bottom stood: Your Honor's good friend, was signed: P: F: van der Voort, in the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 5th of April 1779. Samarang ƒ
Dutch transcription
584 292. Agtbaren Heer Gouverneur en Raade van Macasser u lieden laat bedanken voor de getrouwe dienst die gij lieden gedaan hebt op macasser, en bij aldien het gebeurde dat hij weeder van den vijant mogt g'attacqueerd werden om in dezelve dienst weeder gedienstig te zijn als voor heen, dan zoo kond gijlieden wel verzee„ „kerd weezen dat de E: Comp=e ulieden niet verlaaten zal in tijd van noodt, toen stond op Bappa Bitjara van Bima en zette zijn hand op zijn krist en zeijde zoo lang als de wereld staat zal Bima de E: Comp=e niet verlaaten, en de andere Bond„ „genooten zeijden alle het zelve. A„o 2. Den voorn: Luijtenant Commandant vraagde wanneer is de E: Comp=e hier gekomen, toen zeijde de andere Bondgenooten Bima moet weeten want zij hebben het altemaal geschreeven toen vroeg den Siabandhaar van Bima aan alle de Bond „genooten hebben wij niet de E: Comp=e hier geroepen; zij lieden zeijden allegaarder van Ja. Nu als gij lieden altijt naar de E: Comp=e geluijsterdt hadde zoo zoude gij lieden altijd welvaaren gelijk als Bima doet, want gijlieden kund vrij verzeekert zijn dat de E: Comp=e niet anders zoekt als ons welvaaren, neemt maar een Exempel aan de mac„ cassaaren dan zult gijlieden zien hoe het met haar gaat, wijders vraagde den Luijtenant Commandant of zijlieden ook de E: Comp=e wilde ondersteune met rijst, Buffels, hoenders en geijten gelijk als Bima, toen antwoorden deeze bondgenooten gezamentlijk wij willen ook dezelve onderstandt aan d' E: Comp=e doen van Rijst, Buffels, geijten en hoenders, gelijk als Bima doet. A„o 3. Den Luijtenant Commandant vraagde hoe ver haar werk aan de benting uijtstrecken, zij antwoorden alle, dat is al voor lange tijt dat weeten wij lieden altemaal. zoo als 'er hout gekapt word op Tollolij zal ijder hooft verpligt zijn een ijder het zeijne in laage brengen. A„o 4. Art:s 4. Eijndelijk en ten laatsten vraagden den Luijtenant Comman„ „dant, hoe dat het stond met het wax en Caret, of zij het eerder aan de E: Comp=e moeste leeveren of aan een ander verkoopen, zij antwoorden alle, wij moeten het eerder aan de E: Comp=e leeveren als aan een ander verkoopen, volgens het Contract dat op macasser gemaakt is in het Jaar Anno 1765. /:onderstond:/ Aldus gedaan ter Residentie Bima op dato voorsz: /:was geteekend:/: A=n Lecerf, Brief geschreeven door den onder„ „geteekende aan de Koningen van Balij en Salemparang Gusti Moera Made karang Assang, en Gusti Moeza kanginang, gusti Made karang Assang en gusti Katoet karang. Nae gewoone voorreeden! Maake ik bekend dat ik door mijn zendeling Boemie Salankarang mijne broeders brief wel ontfangen hebbe, en uijt dezelve mijne broeders geneegendheijd betuijge, om de E: Comp:e teegen haare vijand te assisteeren maar thans de E: Comp:e door godes zeegen de voornaamste sterkte overwonnen hebbende; en dus geen hulpe meer nodig heeft, in teegendeel bedanke ik mijne broederen ditmaal voor de gedaane aanbieding, en verzeekere dat de E: Comp:e aan mijne Broederen bij geleegendheijd de blijke van u:lieden vriendschap gaarne zal doen ondervinden. Thans vernoomen hebbe dat deese twee kristen vrouwen met haare kinderen nog op mijne broeders landen zijn, en nog niet zijn te rug gekomen, verzoeke dierhalven om die Kristene vrou„ „wen met haare kinderen nevens die twee stukken kanon, en verdere Comp„s goederen die aldaar mogten weezen, direct aan mijn alhier overzenden; terwijl 65. 293. 591 Grissee Terwijl ik de voorn: kanons en de Kristen vrouwen met haare Kinders al voor langen tijt hier verwagt hebbe. /:onderstond:/ geschreeven tot Bima in 's Comp„s vesting den 5=e November A„o 1778. /:was geteekend:/ A=n LeCerf, Translaat Boegineese brief geschreeven te Batoepoete, door den Adatouang van sideenring aan den wel Edele Agtbaare Heer Gouverneur. voor afgaande gewoone Complimente. volgens de begeertens van uw wel Edele Agtb: en mijne gedaane be„ „lofte; so maak ik per deese aan uw wel Edele Agtb: bekend, dat ik per gerugt vernoomen heb, dat de wadjoreesen na verloop van 't besneijdings feest eerst met de Boniers over de zaaken van Tjinrana en Timoeroeng zullen spreeken. En aangaande mijn persoon; so betuijge ik als nog, dat ik altijd bereid ben„ om den dienst van d'E: Comp=e waar 't ook zijn mag te volvoeren, en dezelve nooijt verlaaten zal. Aan den koopman Berend willem Fockens, Resident aldaar Eersame, vroome, Discreete: voor het inleggend paketje aan den Heer Gouverneur van der Burgh, en de Brieven der alhier aanwee„ „sende hoofden der madureese in Sumanapse hulp troupen aan hunne vorsten geschreeven versoeke ik eene goede addresse en verblijve naar vriendelijke groete, /:onder„ „stond:/ uEd: goede vriend, /:was geteekend:/ P: F: van der Voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterd=m den 5=en April 1779. Samarang ƒ
English
Samarang To the Right Honourable Sir Johannes Robbert van der Burgh, Governor and Director there. Right Honourable Sir and Friend! Your Right Honour's esteemed letter of the 15th of December last having duly reached me in duplicate on the 28th of January following, alongside the letters of the Regents of Madura and Sumanap to the chiefs of their local auxiliary troops, which I delivered to them, with the necessary communication regarding the wishes of their princes, I therefore let this serve to accompany the lists of those successively killed in action as well as deceased, which I obtained only a few days ago after repeated reminders; and furthermore a brief strength return of those still present, adding hereto that they have been employed in no other work than that for which they were sent, including the felling of a quantity of trees and the tearing down of a part of the ramparts of Goa, which they undertook voluntarily and thus without the slightest persuasion from anyone, and for which they, apart from the provision of arrack to the common men, have hitherto claimed nothing despite the extra reward offered thereby, which, as I understand, they will nevertheless accept in the future, and which I shall gladly give them to resume the last-mentioned work, which has been idle for some time owing to the constant storm and rain weather that we have had during the west monsoon. The letters that the principal of the aforementioned chiefs write to their princes, I am sending along with this, for delivery, to the Resident at Grissee, as the only opportunity that has presented itself for that address, and I must not fail at the same time to inform Your Right Honour with regard to the state of affairs here; that since the dispatch of the late-season 67. 593 294. Macasser. late-season reports, in the latter part of October, we have among other things gained another remarkable victory over the rebels. Seeing that more than seventy of them, and among them the eldest of all the chiefs named Craeng Bilaadje along with two others were killed, and more than a hundred, who wished to flee across a strong flowing river, were drowned; but although after this action a division arose among the remaining chiefs and reliable news has since been received that Azou Palacka, the principal instrument of the entire rebellion, has passed away; which gave us good reason to hope for a fortunate and prosperous end to the war, they nevertheless seem not to want to give up as yet, so that we will indeed be compelled to have them attacked anew, as I also intend to do, merely waiting for the time when the roads will be passable, and for which I pray that Heaven may grant its blessing, to the end that peace may be completely restored. Meanwhile, after humble greetings, I profess to be with all respect. It was subscribed: Right Honourable Sir and friend. Lower: Your Right Honour's good friend. Signed: P: G: van der Voort, In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 5th of April 1779. To the Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. Right Honourable Sir! The auxiliary troops belonging here, who departed from there under cover of Your Right Honour's letters of the 26th of October last, all arrived here safely on the 15th of this month; and having appeared at this fortress, I thanked them all for their assistance rendered to the Honourable Company. While they promise, whenever the Honourable Company might need them in the future, they are ready to come to assistance again. Regarding Macasser Regarding the widow Somer, along with her mother, that they might be found here, or sold as slaves, it serves for Your Right Honour's information that I have heard nothing of the matter, nor can I well believe that those women would have been here, otherwise they certainly would have addressed themselves to me at once, as I know both of them very well. This notwithstanding, I immediately had inquiries made at Bima, Dompo, Tambora, Sangar, and Pekat, but have heard nothing; it is possible that those women might be on Sumbawa, concerning which I shall spare no effort to have them searched for. Your Right Honour may further be assured that the aforementioned two women are not here on Bima, nor have they been here, for then I would have known it at once. The native letter for the kings of Balij and Salamparang I have dispatched immediately. Wherewith having the honour to call myself with all respect. It was subscribed: Right Honourable Sir. Lower: Your Right Honour's faithful servant. Signed: A:n Lecerf. In the margin: Bima, In the Company's fortress, the 25th of November Anno 1778. P.S. Corporal Batist arrived here on the 2nd of this month. To the Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes, etc., etc. Right Honourable Sir! Both Your Right Honour's ever respected letters of the 20th of this month were duly received by me on the 24th following. I shall never fail, Right Honourable Sir, to be on guard as much as possible at all times against the enemy's undertakings. I shall at the same time, Right Honourable Sir, continue to treat the Company's subjects as much as possible through politeness as well as otherwise without respect to
Dutch transcription
Samarang Aan den wel Edele Achtbare Heer Iohannes Robbert van der Burgh, Gouverneur en Directeur aldaar. Wel Edele Achtbaere Heer en Vriend! uw wel Edele Achtb: veel g'achte van den 15=en December laast ver„ „weken mij op den 28=e Januarij daar aan in duplo wel geworden zijnde nevens de Brieven der Regenten van Madura en Sumanap aan de Hoofden hunner in loco zijnde hulptroupen, die ik aan deselve hebbe inhandigt, onder de nodige Communicatie wegens de be„ „geerte van hunne vorsten zo laate ik deesen dienen ten ge„ „leide van de Lijsten der successive zo gesneevelde als overledenen, dewelke ik na herhaalde aanmaningen eerst voor weijnige dagen hebbe bekomen; en voorts van een korte sterkte der nog aanwee„ „sende, hier bijvoegende dat deselve tot geen ander werk zijn ge„ „emploijeert dan alleen tot het geene waarom zij gezonden zijn, daar onder begrepen het omhouwen van een parthij boomen en het afwerpen van een gedeelte der wallen van goa, dat zij vrijwillig en dus sonder de minste persuatie van iemand aange„ „nomen en waar voor zij zelfs, buijten de verstrecking van arak aan het gemeen, tot hier toe, niets gepretendeert hebben in weer„ „wil van de daar door aangebodene extra beloning die zij zo ik verneeme egter voor het vervolg wel accepteeren willen en ik hun gaarne geven zal, om het laastgemelde werk te hervatten, dat zedert eenigen tijd mits het gestadige storm en regen weder„ 't welk wij geduurende de westmoussen hebben gehad; stil ge„ „slaan heeft. De brieven die de voornaamste der meermelde hoofden schrijven aan hunne vorsten laat ik, nevens desen, ter bestelling afgaan aan den Resident te Grissee, als de eenigste gelegentheijd die mij tot dies addresse is voorgekomen, en mag teffens niet af zijn uw wel Edele Agtb: met opzigt tot den toestand der zaken alhier, te bedeelen; dat wij zedert d: afzending der najarige 67. 593 294. Macasser. najarige advisen, in het laast van october, onder anderen weder eene merkwaardige overwinning op de Rebellen hebben behaald. ge„ „merkt ruijm seventig van dezelve en daar onder de Houtste van alle de hoofden met naamen Craeng Bilaadje nevens nog twee anderen gesneuveld en meer dan hondert, die over een sterk stro„ „mende rivier wilden vlugten, verdronken zijn; dan ofschoon op deese actie een verdeeltheijt onder de verdere hoofden ontslaan en men zedert zeekere tijding bekomen heeft, dat Azou Palacka, het voor„ „naamste werktuijg van den gantschen opstand, overleden is; 't geen ons met reden een geluckig en voorspoedig eijnde van den oorlog deed hopen, schijnen zij het egter tot nog toe niet te willen opgeven, zo dat men wel zal genoodsaakt weesen hun de novo te doen aantasten, zo als ik ook voornemens ben, alleen wagtende na den tijd dat de wegen bruijkbaar zullen weesen, en waar toe ik bidde dat den Hemel haaren zegen mag verleenen, ten eijnde n de ruste volkomen hersteld worde. Jnmiddens betuijge ik naar humble groete met alle agting te zijn. /:onderstond:/ wel Edele Achtbare Heer en vriend. /:lager:/ uw wel Edele Achtb: goede vriend /:was geteekend:/ P: G: van der Voort, /:in margine:/ Macasser in 't Casteel Rotterd=m den 5=e April 1779. Aan den wel Edele Agtbaare Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en directeur ter Custe Celebes. Wel Edele Agtbaare Heer! De alhier te huijshoorende hulptroupen, die onder geleijde litteren van uwel Edele Agtb: van den 26=e october passato van daar vertrok„ „ken zijnde, alhier op den 15=e deeser alle behouden g'arriveerd; en Aan deese vesting verscheenen zijnde, heb ik alle voor hunne aan d: E: Compagnie beweesene adsistentie bedankt. Terwijl zij belooven wanneer d'E: Comp=e haar in het vervolg mogte benodigt hebben, zij bereijd zijnde weeder te zullen te hulp koomen, Aangaande . Macasser Aangaande de weduwe Somer, nevens haar Moeder, dat ze hier zoude te vinden weesen; of als slaaven verkogt zijn, dient uwel Edele Agt„ „baere ter kennisse dat ik daar omtrend niets van gehoort hebbe, ook kan ik niet wel gelooven dat die vrouwen hier zoude geweest zijn, anders zouden zij zeekerlijk bij mijn wel ten eersten g'addres„ „seert hebben, dewijl ik haar beijde zeer wel kennende, dit niet teegenstaande heb ik ten eersten zo wel te Bima, Dompo, Tam„ „bora, Sangar en Pekat, laate onderzoeken, doch hebbe niets vernomen, moogelijk dat die vrouwen op Sumbawa zullen zijn, waar omtrend ik geene moeijte zal spaaren om ze te zullen laate ondersoeken. uwel Edele Agtb: kund wijders verzeekerd zijn, dat de meermelde twee vrouwen alhier op Bima niet zijn, nog ook hier niet geweest, want dan hadde ik 't ten eersten wel ge„ „weeten. De Jnlandse brief voor de koningen van Balij en Salamparang heb ik ten eersten afgezonden. waar meede de Eer hebbende mij met alle eerbied te noemen. /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heer : /:lager:/ uwel Edele Agtb: Trouwschuldige Dienaar, /:was geteekend:/ A=n Lecerf, /:in mar„ „gine:/ Bima Jn 's Comp„s vesting den 25=e November A. o 1778. P: S: den Korporaal Batist is op den 2=e deeser alhier g'arriveerd. Aan den wel Edele Agtbaare Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur der Custe Celebes &„a &. Wel Edele Agtbaare Heer! Beide uwel Edele Agtb„s altoos gerespecteerde letteren van den 20:' deser zijn mij op den 24=e daar aan wel geworden. Jk zal nimmer in gebreeken blijven wel Edele Agtb: heer om altoos teegens vijands onderneeming zoo veel mooglijk op hoede te weezen, ik zal tef„ „fens wel Edele Agtb: heer Continueeren om de Comp=s onderdaanen zoo veel mij mooglijk zoo wel door beleeftheijd als andersints zonder te respect der
English
595 295: to decline the Company with that, to animate them to loyalty, but nevertheless to trust them no more than in appearance and to watch their conduct as much as possible. Arou Teeko, Honourable Worshipful Sir, still lives as before, and I imagine that although he does not fulfill the promises made to the Honourable Worshipfuls, he will nevertheless not be disloyal to the Company if such should be required here, but I shall therefore not trust him any more than certain others. As soon as the bearers of your Honourable Worshipful's missives, being Gantarangers, brought me the news verbally that on their journey to Macasser the negorij Malewang, where they had even been present themselves, had been attacked by the enemy, I immediately sent out emissaries from Bonthain as well as Tompoboloe to spy on the enemy, but without one knowing of the other, so that upon their return I can better rely thereon, or else discover their treachery. Furthermore, Honourable Worshipful Sir, whenever foreign ships or vessels might come in sight here, I shall not fail to observe your Honourable Worshipful's secret orders as much as possible; while for the rest I take the liberty to call myself with all due high esteem and respect. Was written below: F Honourable Worshipful Sir! Lower: Your Honourable Worshipful's humble and dutiful servant. Was signed: S: Monsieur, in the margin: Boelecomba in the Company's fortress the 31st March Anno 1779. Malay letter written by the PolipoeE of Soping, to the Honourable Worshipful Lord Governor. By this I make known to my brother the Lord Governor, that while I was at Pantjana, at the house of the King of Tanette, I met a certain Wadjorese Nakhoda named Poeanna Makoe, whom I asked with what intention or purpose the Patola E. had returned again to Wadjo. Whereupon the said Nakhoda answered me that an an emissary of the Adatoeang of Sedeenring had come to him at Passier to call him, and to let him know that he had abandoned the Honourable Company; likewise the Adatoeang of Sedeenring sent an emissary to the Datoe of Panmanan, having it said that he, the Datoe, together with the Wadjorese, had to go and attack the two negorijen Tjinrana and Timoeroeng, and that through that revolution the Boniers might suddenly withdraw back to their country, since the Adatoeang intended to make war on the Honourable Company, for which reason the Patola E recently sent an emissary to the Adatoeang of Sedeenring to have him summoned, and for that purpose it is also that the said Adatoeang requested of my brother the Lord Governor to be allowed to return back to his country. Upon this I further asked the said Nakhoda Poeanna Makoe whether it was truly real that the Adatoeang of Tedeenring wished to rise up against the Honourable Company! Who thereupon gave the answer: Yes, it is certainly so. God let my brother the Lord Governor live long still, and raise him to higher capacity than that which he presently occupies on Makasser. Furthermore, the Adatoeang of Sideenring sent the PatolaE: to the English to request that they together with him might make war on the Honourable Company and Bonij; the said English being to come to Maros in this month, where they would speak to each other further. When I subsequently was down at Lanpoko, the Wadjorese sent to the Mandharese to remind them of what they had said to Wadjo when they sent an emissary to Wadje, adding that Wadjo now wished to attack Bonie, and they Mandharese had to attack all negorijen that lie on the shore up to Maros. However, the Mandharese have not yet sent any answer upon this to Wadjo. Lastly, when I was at Goa and met the Adatoeang there, he said to me: we have a heavy war to expect, it will be long if it stays away another three months. Thereupon I asked: where then shall the war come from? Where 296. 597 Maros Whereupon the Adatoeang gave as answer: against the Englishman and the Wadjorese. To Mr. Gerrit Brugman, Bookkeeper and chief interpreter. Sir. I have the honour to communicate to your Honour that yesterday, by order of the Honourable Worshipful Lord Governor, I counted out the money to the sum of One hundred Spanish rix-dollars to Craeng Bontolancas, and on that occasion he related to me that he had heard by rumor that Craeng Mamampang together with the electors with him had held a meeting at Bonto Bonto and resolved to come hither, but that intention was thwarted by the discovery of an anak Craeng named Daeng Mamango, who, after he had unpacked his baggage and loaded it on the horses to set out on the road, was noticed by the Rebel Sankilang, and was immediately not only barred from that journey, but also stripped of all his goods and horses, and his person was moreover sent to Lanna to Craeng Candjilo to be kept there in exile. Fabia Theunisz was also able to relate this to me, adding that Craeng Carawisie had for that purpose sent horsemen thither to fetch Craeng Mamanpang and the other electors, but having arrived there, they received as answer from the said Craeng that they should just turn back for this journey, while the Head Rebel Sankilang was watching them closely, on account of the discovered intended flight of Daing Ma-mango, and thus they are forced to still have to wait for another opportunity. Fabia Theunisz further related that the Bonij prince Latiela, son of the deceased Lakasie, had arrived at Thaing the day before yesterday.
Dutch transcription
595 295: der Compagnie daar meede te declineeren hun lieden tot trouwe te animee„ „ren dog egter hun lieden niet meerder dan in schijn vertrouwen en zoo veel mooglijk op hun gedrag letten Arou Teeko wel Edele Agtb: heer leeft nog als vooren en ik verbeeld mij dat schoon hij aan de beloften aan wel Edele Agtb:s gedaan niet voldoet hij egter d' Comp„e zoo zulks alhier vereijschte word niet on„ „trouw zal weezen dog ik zal hem daarom niet meerder dan zom„ „mige andere vertrouwen: zoo dra d' brengers van uwel Edele Agtb„s missivens zijnde gantarangens mijn mondeling d' tijding bragten als dat op hunne reise na macasser d' negorij Malewang alwaar zij zelvs teegenswoordig geweest waaren door d' vijand g'attacqueert was heb ik ten eersten zendelingen zoo wel van bonthain als tompo„ „boeloe ter spioneering der vijand uijtgezonden dog zonder dat d'een van den ander weet op dat ik bij hunne terug komst beeter daar op kan staat maaken, dan wel hun trouwloosheit ontdekken. verders wel Edele Agtb: heer wanneer alhier vreemde scheepen of vaartuijgen in 't gezigt mogte koomen zal ik niet in gebreeke blij„ „ven om uwel Edele Agtbaren secreete order zoo veel mooglijk te observeeren: terwijl ik voor 't overige d' vrijheijt neem met alle ver„ „schuldigde hoogagting en eerbied mij te noemen. /:onderstond:/ F wel Edele Agtbaare Heer ! /:lager:/ uwel Edele Agtb„s onderdaanige en trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ S: Monsieur, /in mar„ „gine :/ Boelecomba in Comp„s vesting den 31=e Maart Anno 1779. Maleijdsche brief geschreeven door den PolipoeE van Soping, aan den wel Edele Agtbaare Heer Gouverneur Bij deese maak ik aan mijn broeder den Heer Gouverneur bekend, dat terwijl ik te Pantjana, op 't huijs van de koning van Tanette ben geweest, een zeekeren wadjoreesen Anachoda met naame Poeanna Makoe aangetroffen heb. aan wien ik gevraagt heb, met wat voor inzigt of oogmerk den Patola E. weeder in wadjo te rug gekeert was. zo heeft mij gem: Anachoda daar op ten antwoord gegeeven, dat 'er een een sendeling van den Adatoeang van sedeenring bij hem op Passier was gekomen, om denselven te roepen; en hem te laten weeten, dat hij d'E: Comp=s verlaaten hadde: zo meede heeft den Adatoeang van sedeenring, een zendeling na Datoe van Panmanan gesonden en laten seggen, dat hij Datoe 't zamen met d' wadjreesen, de twee negorijen Tjinrana en Timoeroeng moeste gaan attacqueeren, en dat door die revolutie somtijds de Boniers schielijk na hun land zouden te rug trekken, vermits Adatoeang van sins waare d' E Comp: te b'oorlogen, om welke reeden onlangs den Patola E een sendeling aan den Adatoeang van sedeenring gesonden heeft om hem te laa„ „ten op ontbieden, en ten dien eijnde is het ook, dat gem: Adatoeang aan mijn broeder den Heer Gouverneur verzogt heeft, om weeder na zijn land te rug te mogen keeren. Hier op heb ik aan gemelde Anachoda Poeanna Makoe verders ge„ „vraagt, of het weesentlijk waar was, dat den Adatoeang van Tedeen„ „ring tegens d'E: Comp:e wilde opstaan! die daar op ten antwoord gaf, Ja het is gewis zo. god laat mijn broeder den Heer gouverneur nog lange leeven, en verheffe hem tot hogere qualiteit, als denselven thans op Makasser bekleed. Nog heeft den Adatoeang van sideenring den PatolaE: na de En„ „gelschen gesonden; om te versoeken, dat ze met hem zamen d'E Comp=e en Bonij mogten b'oorlogen; zullende gem: Engelsche in deese maand te maros komen, waar ze malkander nader spreeken zouden wanneer ik naderhand beneeden op Lanpoko was; so hebben d: wadjo„ „reesen na de Mandhaar gesonden, om hun indagtig te maeken, 't geen ze aan wadjo gesegt hadden, toen so een zendeling na wadje geson„ „den hebben, met bijvoeging dat wadjo thans Bonie wilde attacquee„ „ren, en zij mandhareesen alle negorijen die aan strand leggen, tot aan maros toe moesten aanvallen. egter hebben de man„ „dhareesen hier op nog geen antwoord aan wadjo laaten toekoomen. Laastelijk wanneer ik na goa geweest ben, en den Adatoeang aldaar ontmoet heb; so heeft hij teegens mij gesegt, wij hebben een swaaren oorlog te verwagten, het zal lange zijn als het nog drie maanden uijt„ „blijft daar op vraagde ik, waar zal dog dan oorlog van daen komen daar 296. 597 Maros daar den Adatoeang ten antwoord op gaf, teegens den Engels„ „man en de wadjoreesen. Aan De Heer Gerrit Brugman, Boekhouder en oppertolk Mijn Heer. Ik hebbe d' Eere uw Ed: te communiceeren dat ik op gisteren, uijt ordre van de wel Edele Agtb: Heer gouverneur, het geld ter somma van Een honderd rijxd=s spaans, aan Craeng Bontolancas toe geteld hebbe, en bij die geleegentheijd hij mij verhaalde, per gerugt te hebbe vernomen dat Craeng Mamampang nevens de bij zig hebbende kiesheeren op Bonto Bonto, vergadering zoude gehouden en geresolveerd hebben om na herwaards te komen, dog dat voorneemen is mislukt gewor„ „den, door d' ontdecking van eenen anak Craeng genaemd Daeng Ma„ „mango, die, nadat hij, zijn bagagie afgepakt en op de paarden gelaaden hadde, om op weg te begeeven, wierd door den Rebel Sanki„ „lang ontwaard, en hem terstond niet alleen van die reijse gesluijt, op maar ook van alle zijne goederen en paarden beroofd en zijn per„ „zoon daar en boven na Lanna bij Craeng Candjilo gezonden was om aldaar in ballingschap te houden. Fabia Theunisz, wiste mij ook zulks te verhaelen en onder bij voe„ „ging dat Craeng Carawisie, ten dien eijnde volk te paard er na toe„ „gesonden hadde, om de Craeng mamanpang en verdere kiesheeren C af te haalen maar daar gekomen zijnde, kreegen zij ten antwoord van gezegde Craeng, dat z' maar voor deese reijse zouden terug kee„ „ren terwijl den Hoofd Rebel Sankilang op haar lieden sterk paste, ter oorsaake van de ontdekte voorgenomene vlugt van Daing Ma-mango, en dus zij genoodsaakt zijn, nog te moeten blijven af„ „wagten na een ander gelegentheijd. Nog vertelde Fabia Theunisz. dat den Bonijs prins Latiela zoon van den overleedene Lakasie op voor eergisteren te Thaing gekomen was
English
Maccasser was with his entire family and peoples and had settled down there, under the pretense that the Adatouang of sideenring requested him to stay there and watch over things during his absence. Craeng Carawisie has given notice of this to the Commander at Malenkeerie, further announcing that 10 days ago she received a letter from her son-in-law the Adatoeang of sedeenring, in which that which Latila pretends was also mentioned. To which message the said Commander replied that he knows nothing of this, since the Lord Governor had said nothing to him about it, so that it was up to Craing Carawiesie alone to let him stay or have him leave again, but if she would not tolerate him and he should prove unwilling in this regard, that she could then freely address the Commander, and he will not fail to offer her all possible assistance. All this being what I judged necessary to duty-bound notify your Honour for this time, with the humble request to make a report of this to the Right Honourable Lord Supreme Commander and if necessary submit this for reading, while wishing your Honour a complete recovery, I have the honour to call myself with much respect and high esteem. below stood: Sir! lower: your Honour's very humble and obedient Servant was signed: C=l I=st Blij, in the margin: Maccasser the 27th of April 1779. To the Right Honourable Lord Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. Right Honourable Sir In the hope that my separate humble letters of the 1st of this month will have reached a proper delivery, it furthermore serves for your Right Honour's information that the emissary of Callie Bala, mentioned in my previous letter, having returned on the 22nd of this month, 73. 297. 599 whereupon the undersigned had the envoy Callie Bala summoned to his residence on the 25th following, together with the Shahbandar of Bima and the Boemie Pariessie, with the scribe, to be present as witnesses, since the Sumbawanese are very little to be believed. After the undersigned had understood the intention of the Sumbawanese, he translated these articles that were asked of them, and partly answered, from the Malay; which translation is transmitted herewith, also transmitted herewith is a letter written by the King of Sumbawa to the undersigned, in which he requests to borrow money, and also for a pass to be allowed to go to Java. Also the above-mentioned Callie Bala has promised me that as soon as he had arrived on Sumbawa, he would have a large quantity of sappanwood chopped; upon which words I have sent a common soldier thither to collect the same. Furthermore humbly requesting your Right Honour, in case Sergeant Carel Lecerf could not be relieved to Batavia, that he might then go to Batavia with discontinued wages. Your Right Honour please do not take it amiss that I have not sent the Carpenter Lodewijk Blank over with the provision prahu, for which I humbly ask pardon, because 7 at the last hour that the prahu was to depart, Corporal Spits comes to me, and says that he cannot possibly take in the Carpenter, because of his multitude of tools and large chests, and therefore I have been obliged to let him go over with my prahu, requesting that another carpenter may be sent to me in his place. With which closing this, I have the honour to subscribe myself with the required reverence and high esteem, below stood: Right Honourable Sir: lower: your 1 your Right Honour's humble and very obedient servant was signed: A= Lecerf, in the margin: Bima the 38th of March 1779. In the Year 1193, named Woe, the 7th of the month Rabi al-awwal on Thursday morning appeared at the residence of the Lord Commander; the above-mentioned Calie Bala and his scribe, as well as on behalf of Bima the Shahbandar Boemie Parissie Kaij, and the scribe, all of whom having come expressly to settle the matter of Sumbawa. Then the Lord Commander first asked Calie Bala what the will and desire of the Sumbawanese are now, and whether they wish to be Allies in the same manner as the other rulers here, such as Bima, Dompo, Tambora, Sangar, and Pekat, that the Honourable Company absolutely desired to know the same. Thereupon Calie Bala answered that the Sumbawanese are all inclined to live as sincere allies with the Honourable Company, which is also the reason that he has arrived here, but requested of the Lord Commander and the Honourable Company that the customs of the Sumbawanese might not be changed, but that the same may remain on their old footing. Secondly, the Lord Commander asked Calie Bala once again what it was that the Sumbawanese then desired to be done, whether they only want to remain with their old laws and bad customs, or whether they are also inclined to be willing to submit to new laws. Thereupon Calie Bala answered that they humbly request to be allowed to remain with their old customs, although not for evil, but that they are not accustomed to do otherwise. Thirdly, the Lord Commander thanked Calie Bala Translation of Malay writing kept on the occasion when the Sumbawanese envoy Calie Bala was with the undersigned, reading as follows for
Dutch transcription
Maccasser was met zijn geheele huijsgezin en volkeren en aldaar ter needer gezet hebben, met voorgeeven dat den Adatouang van sideenring hem ver„ „sogt heeft om geduurende zijn absentie daar te blijven op passen. hier van heeft Craeng Carawisie, den Commandant te Malenkeerie ken„ „nisse gegeven, onder verdere bekentmaking, dat zij over 10. dagen een brief van haar schoon soon den Adatoeang van sedeenring ontfangen heeft, waar in het geen Latila voorgeeft ook vermeld stond. Op welke boodschap, gaf den gemelde Commandant ten„ antwoort dat hij daar van niet weet, also den Heer gouverneur hem niets van gezegt hadde, zo dat het aan Craing Carawiesie alleen stond, om hem te laeten verblijven of weeder te vertrekken, dog wanneer zij hem niet wel de gedoogen en hij daar toe onwil„ „lig mogte betoonen dat zij als dan vrij bij den Commandant konde laten addresseeren, en hij niet ingebreeke zal blijven om haar alle mogelijke assistentie te bieden Dit alles zijnde wat ik: nodig g'oordeeld hebben uw wel Edele voor ditmaal pligt schuldig kennisse te moeten geeven met nedrig ver„ „soek om de wel Edele Achtbaere Heer oppergebieder Rapport hier van te doen en des noods ter lectuure deese over te geven, terwijl ik uw wel Edele in volkomen beterschap toewensche, hebbe d' eere mij met veel respect en hoog agting te noeme. /:onderstond:/ Mijn Heer ! /:lager:/ uw wel Edele zeer ootmoedige en onderdani„ „ge Dienaar /:was geteekend:/ C=l I=st Blij, /:in margine:/ Maccas„ „ser den 27=e April 1779. Aan den wel Edele Agtbaeren Heer Paulus Godofredus van der Voort„ Gouverneur en Directeur deeser Custe Celebes. wel Edelen Agtbaeren Heer Jn hoope dat mijne apparte nedrige letteren van den 1=e deeser een rigtige bestelling zullen erlangd hebben, wijders dient uwel Edele Agtbaare ter Communicatie dat de zendeling van Callie Bala, in mijn voorige gemeld, op den 22=e deezer geretourneerd zijnde 73. 297. 599 zijnde, waar op den ondergeteekende den gezant Callie Bala, op den 25=e daar aan volgende ten zijner woonhuijse liet ontbieden neevens den Siabandhaar van Bima en den Boemie Pa„ „riessie, met den schrijver, om als getuijgen present zijn, ter„ „wijl de sumbawareesen zeer weijnig te gelooven zijn. Naar dat den ondergeteekende de intentie van de sumbawareesen verstaan hebbende, heeft hij deese articulen die aan haar gevraagt zijn, en ten deele beantwoord; uijt het maleijdse getranslateerd; welke translaat hier nevens overgaat, ook gaat hier nevens meede over een brief geschreeven door den koning van Sumbawa aan den ondergeteekende, waar bij hij verzoekt om geld te leenen, en ook om een pas om naar Java te mogen gaan. ook heeft den boven gemelden Callie Bala mijn belooft dat zoo dra hij op sumbawa g'arriveerd was, een groote quantiteijt Sappanhout zoude laaten happen; op welke gezegdens heb ik een gemeene militair derwaards gezonden, om het zelve te verzamelen. wijders verzoekende uwel Edele Agtbare ootmoediglijk, zoo bij aldien dat den sergeant Carel Lecerf niet naar Batavia konde verlost werden, om dan met afgeschreeven gagie naar Batavia mogte gaan. uwel Edele Agtbaare gelieft niet qualijk te neemen dat ik den Timmerman Lodewijk Blank, met de provisie prauw niet hebbe overgezonden, waar om ik ootmoedig Excus versoeke, want 7 op de laatste uur dat de prauw zoude vertrekken, komt den Corporaal spits bij mijn, en zegt dat hij onmogelijk den Tim„ „merman niet kan inneemen, door zijn meenigte van gereedschap„ en groote kisten, en dierhalven ben ik genoodzaakt geweest om hem met mijn prauw te laaten overgaan, verzoekende dat aan mijn een ander timmerman in zijn plaats mag toegesonden worden. waar meede deese sluijte hebbe ik de eer mijn met de vereijschte eerbied en hoogagting te onderschrijven, /:onderstond:/ wel Edelen Agtbaeren Heer: /:lager:/ uwel 1 uwel Edele Agtbaare ootmoedigen en zeer gehoorsame dienaar /:was geteekend:/ A= Lecerf, /:in margine:/ Bima den 38=e maart 1779. In het Jaar 1193. genaamt Woe, den 7=e van de maand Rabiel „awal op Donderdag morgen verscheenen ten woonhuijse van den Heer Commandant; den bovengem: Calie Bala en zijn schrijver als meede van wegens Bima den Siabandhaar Boemie Parissie Kaij, en den schrijver, alle welke Expres gekomen zijnde om de zaak van Sumbawa af te maaken. zoo vroeg den Heer Commandant, eerstelijk, aan Calie Bala, hoe„ „danig off Nuw de wille en begeerte van de sumbawareesen zijn, en of zij Bondgenooten willen zijn in gelijker maniere als de andere vorsten alhier, als Bima, Dompo, Tambora, Sangar en Pekat, dat de E: Comp:e het zelve absolut begeerde te weeten Daar op gaf den Calie Bala tot antwoord de sumbawareesen alle geneegen zijnde om als opregte bondgenooten met de E: Comp„e te leeven zulks ook de reedenen is dat hij alhier is aangekomen, doch verzogt aan d' Heer Commandant en de E: Comp=e dat de gewoonte van de sumbawareesen niet mogten verandert worden maar dezelve op haaren ouden voet mogen staan blijven. Ten tweeden vroegde Heer Commandant andermaal aan Catie Bala hoedanig of de sumbawareesen dan begeerden te hebben dat er gedaan zal worden of zij alleenlijk bij haar oude wetten; en quaa„ „de gewoontens willen blijven, dan of zij aan nieuwe wetten ook ge„ „neegen zijn te willen onderwerpen. daar op gaf Calie Bala tot antwoord dat zij ootmoedig verzaeken om bij haare oude gewoonte mogen blijven, hoewel niet ten quaden, maar dat zij het niet anders gewoon zijn te doen. Ten Derden zoo bedankte den Heer Commandant aan Calie Bala„ Translaat Maleijdse geschrift gehou„ „den bij geleegendheijd dat de sumbawa„ „sen gezant Calie Bala, bij den onder„ „geteekende is geweest luijdende aldus voor
English
for the sincere affection of the Sumbawanese toward the Honorable Company, that they wish to remain in their old custom and to maintain it as such; furthermore, that the Lord Commandant will give notice of this to the Right Honorable Lord Governor and Council, so that, with the approval of his Right Honorable, this matter may be confirmed here with the other princes in the combined assembly. Furthermore, the Lord Commandant tabled the Contract made in the year 1765 at Macasser by the former King of Sumbawa, Datoe Jerewe, together with the other princes of this opposite shore, and confirmed with their state seals. The same was read aloud to the Sumbawanese in Malay by the Syahbandar of Bima, and its contents were clearly made known. Fourthly, after the Contract was read, the Lord Commandant and the Syahbandar of Bima asked Calie Bala whether the Sumbawanese had not violated the injunction of that Contract; furthermore, whether a penalty is set when kings happen to transgress the same; wherefore he, Calie Bala, could now freely choose and state what must now be done or shall be done to the Sumbawanese according to the laws. Thereupon Calie Bala and the Sumbawanese scribe gave as their answer that they were all inclined to submit to that Contract, furthermore testifying that they had done wrong and therefore begged humble pardon from the Lord Commandant and the Honorable Company; to which the Lord Commandant replied that they could obtain mercy from no one other than the Honorable Company. The said Calie Bala further indicated that the Sumbawanese were also inclined to follow the custom of the other princes here, but requested beforehand to be allowed to consult with his king and other dignitaries of the realm concerning this; to that end making the request that the Lord Commandant might inform the king and dignitaries of Sumbawa hereof by a letter, since otherwise he will not be believed. Fifthly, the Lord Commandant said to Calie Bala and his scribe that he was satisfied with their inclination and good promises henceforth to maintain without fail such laws and alliances as are stated in the Contract. Furthermore, the Lord Commandant requested of Calie Bala that, as soon as he shall have arrived on Sumbawa, he urge the king to depart in person for Macasser, or else send envoys on his behalf, in order to settle everything concerning the Realm of Sumbawa with his Right Honorable. Sixthly, the Lord Commandant asked the aforementioned Calie Bala who had sent Craeng Bieladjie and Datoe Boesing to the enemy, stating that he, Calie Bala, must speak the honest truth, since the Honorable Company desires to know this. The said Calie Bala replied that he could give no explanation concerning this, since his statements would not be believed, confessing that the Sumbawanese had sinned against the Honorable Company in this regard; furthermore testifying to be willing to submit to such correction as the Honorable Company shall be pleased to impose upon them. Below stood: Bima, in the Company's fortress, the 25th of March, in the year 1779. Was signed: An Lecerf and with some Malay characters. Translation of a Buginese letter written by the Adatuang of Sidenreng to the Lord Governor. Compliments as customary! Whereas your Right Honorable had requested of me that whenever I might have any news regarding the Wajorese, to give notice of it by a short letter, I hereby make known that the Wajorese are currently sending out several raiding parties, and that they have also already robbed two of the Boniers; and while I am writing this, they have once again sent out more than two hundred men on a raid. Concerning which, I would wish to know how your Right Honorable wishes to deal with me, as I have placed my trust entirely in your Right Honorable, and shall therefore also submit to everything that your Right Honorable shall be pleased to order me; while I shall never deviate from my given word to the Honorable Company, but shall always remain adhering to it. Furthermore, I also report herein that I will address all my letters to Intjena Wate, who will then subsequently hand them over to your Right Honorable. Addition. Furthermore, I request that whenever your Right Honorable might have any orders for me in my absence, merely to say so to Poeanna Basso, as I am in agreement with him; and concerning those of Taleng, please merely let the queen know of it. This letter is written out of sincere and pure affection by the Governor and Director at Macasser, Paulus Godofredus van der Voort, to the Adatuang of Sedenring, with heartfelt wishes for all blessing, prosperity, and a long life upon this earth. Furthermore, I make known that I have duly received your letter, in which you are pleased to give me notice of the raiding of some Wajorese in the Lands of Boni, which I understand very well could have bad consequences for both Realms if not settled amicably soon, and therefore it would be extremely agreeable to me if you the Wajorese
Dutch transcription
298. 601 voor de opregte geneegendheijd van de sumbawareelen aan d' E: Comp=e dat zij aan haar oude gewoonte willen blijven, en zodanig te onder„ „houden, voorts dat den Heer Commandant hier van aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Gouverneur en Raad zal kennisse geeven, ten eijnde met believen van zijn wel Edelen Agtbaare, over deeze zaak alhier met de overige vorsten ter gecombineerde verga„ „deringe te worden bekragtigd. voorts wierd door den Heer Commandant ter tafel overgeleijd het Contract in A„o 1765. op macasser door den geweezenen Koning van Sumbawa Datoe Jerewe nevens de andere vorsten van desen overwal gemaakt; en met haar Rijks zegels bekragtigd„ dezelve wierd door den Siabandhaar van Bima in het maleijds, de sumbawareesen voor geleezen en den inhoud duijdelijk te ver„ „staan gegeeven. Ten vierden naar dat de Contract geleezen was zoo vroeg den Heer Commandant en den siabandhaar van Bima aan Calie Bala of de sumbawareesen aan het gebod van die Contract niet mis„ „daan hebben, voorts dat wanneer de koningen aan dezelve qua„ „men te overtreeden off met eene straffe op staat, over zulks hij Calie Bala nuw vrijelijk konde kiesen, en zeggen wat men nuw volgens de wetten aan de sumbawareesen zal moeten doen of gedaan zal worden. Daar op gaf Calie Bala, en den sumbawareesen schrijver tot antwoord dat zij alle geneegen zijnde aan die Contract te willen onderwerpen, betuijgende verders misdaan te hebben en dierhalven aan den Heer Commandant, en de E: Comp=e ootmoedige Excus ver„ „zoeken, het welk den Heer Commandant daar op repliceerde dat zij van niemand anders als van de E: Comp=e genade konde erlangen. Den Calie Bala weijders te kennen geevende dat de sumbawaree„ „sen de gewoonte van de andere vorsten alhier meede geneegen zijnde te willen navolgen, dog verzogte alvoorens daar omtrend, met zijn koning en verdere Rijksgrooten te mogen raadplee„ „gen, ten dien eijnde verzoek doende dat de Heer Commandant aan den koning en Rijksgroten van Sumbawa bij een Brief hier hier van mogte laaten weeten, dewijl hij anders niet gelooft zal worden. Ten vijfden zijde de Heer Commandant tegens Calie Bala, en zijn schrijver dat hij voldaan was over haare geneegendheijd en goede beloften van voorthaan zonder fauten te zullen onderhouden aan zodanige wetten en verbonden als bij het Contract vermeld staan. Weijders door den Heer Commandant aan Calie Bala verzogt dat zoo dra hij op sumbawa zal zijn g'arriveerd om den koning aan te spooren om in perzoon naar Macasser te vertrecken, dan wel gezanten van zijnen't weegen over te zenden, ten eijnde om van het een en ander het Rijk van Sumbawa betreffende, bij zijn wel Edele Agtbaare te kunnen worden afgemaakt. Ten sesden vroeg den Heer Commandant aan voornoemde Calie Bala, wie of Craeng Bieladjie en Datoe Boesing naar den vijand heeft gezonden, dat hij Calie Bala de opregte waarheijd moet spree„ „ken, dewijl de E: Comp:e zulks begeerd te weeten. Den Calie Bala tot antwoord dienende dat hij hier omtrend geen reeden kan geeven, dewijl zijn gezegdens niet gelooft zal worden bekennende dat de sumbawareesen aan de E: Comp=e in dit misdaan hebben; betuijgende wijders aan zodanige Corectie te willen onderwerpen, als de Edele Compagnie zal aan haar gelieven op te Leggen /:onderstond:/ Bima in 's Comp„s vesting den 25„e Maart A„o 1779 /:was geteekend:/ A=n Lecerf en met eenige maleijdse Caracters. Translaat bougineese brief geschree„ „ven door den Adatouang van Siden„ „reng aan den Heer Gouverneur. Compliment na gewoonte! Dewijl uwel Edele Agtb: mij verzogt heeft gehad om wanneer Ik eenig narigt omtrent de wadjoreesen mogte hebben daar van 294. 603 van bij een lettertje kennis te geeven, zo maake ik door deese bekend, dat de wadjoreesen thans eenige parthijen ter strooping uijtzenden; en dat z' ook al twee van de boniers hebben geroofd: en terwijl ik deeze schrijve hebben zij weeder op nieuw, ruijm twee „hondert man ter strooping uijtgezonden. omtrent 't welke wen„ „schte ik wel te mogen weeten hoedanig dat uw wel Ed: Agtb: met mij belieft te hebben, alzo ik mijn vertrouwentheijt ten eenemaal op uw wel Ed: Agtb: gesteld hebbe, en mij dies ook zal onderwerpen aan al 't geene dat uwel Ed: Agtb: mij zal gelieven te ordonneeren. terwijl ik nimmer van mijn gegeven woord aan d' E: Comp„e zal afwijken maar steeds dezelve blijven aankleeven: voorts meld ik almeede in deeze dat ik alle mijne brieven aan Jntjena wate zal addresseeren, die z' dan vervolgens aan uwel Ed: agtb: zal overhandigen Bij voegsel. wijders verzoeke ik dat wanneer uw wel Ed: Agtb: in mijne ab„ „sentie mij iets te belasten mogte hebben zulx maar aan Poe„ „anna basso te zeggen, wijl ik met hem eens ben, en aangaande die van Taleng gelieft het zelve maar aan de koningin te laate weeten Deesen brief word uijt eene opregte en zuijvere genegentheijt geschreeven door den gouverneur en Directeur te Macasser Paulus Godofredus van der voort, aan den Adatouang van Se„ „deenring onder hertelijke toewensching van alle zegen en voorspoed en een lang leven op deese aarde. wijders make ik bekend dat ik ruwen brief wel ontfangen hebbe waar bij mij gelieft kennisse te geven van het stropen van eenige wadjoreesen in de Landen van Bonij, die ik zeer wel begrijpe ƒ dat niet spoedig in der minne gesluijt wordende van kwade ge„ „volgen voor beide Rijken zoude kunnen zijn en dierhalven zoude het mij ten uijtersten aangenaam wesen wanneer UE: de wa„ „djoreesen :
English
could dispose them to refrain from all hostile enterprises and to settle the disputes they might have with Bonij amicably rather than allowing it to come to a war, which is always disadvantageous even to the victor as it ruins agriculture, commerce, and all crafts. It is not unknown to me that some Wadjorese have long complained about the conduct of the Bonij chiefs at Tjinrana with regard to the levying of tolls, although the grandees of the realm here seem to want to know nothing of that matter; but nevertheless it is certain that Wadjo would do better to demand satisfaction in this regard rather than, by way of reprisal, entangling themselves in a war against allies of the Company, which seeks nothing more than to promote the prosperity of both the one and the other. Therefore, I do not doubt that Your Honour will be able to make Wadjo desist from undertaking hostilities, to which end I accordingly request Your Honour to do everything possible and at the same time to be assured that not only I, but also the Honourable High Indian Government at Batavia, to whom I have given notice of your assistance in subduing our enemies, place full confidence in your sincere attachment to the Honourable Company, which for that reason will also always show itself ready to let you experience its effective help in all unexpected difficulties. Approving the delivery of the letters Your Honour may be pleased to write to me via Jntjena watte, I shall, if I have any business, request you in writing about it or communicate the same to Poeanna Bassa, and also inform the people of Thaing concerning what is necessary to let the kings know. In the meantime, I request to be informed of whatever further news Your Honour might gather, while I live in the hope that all further disadvantageous consequences regarding the aforementioned difficulties may be prevented. Below stood: Written at Macasser in Castle Rotterdam, 7 May Anno 1779. To Macasser 605 300. To the Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. Your Right Honourable highly esteemed letter of 20 March last, together with a circular letter dated as above, with another of the 22nd of the same aforesaid month and the enclosure accompanying it, have been duly received by me. In response, I state that I shall endeavour as much as possible to observe Your Right Honourable esteemed orders, and for that reason the Company's pantjallang lies ready in the roads to be dispatched immediately with my own men to Amboina as soon as I receive any report of any ships that might be seen here or there. Herewith goes an indigenous letter written by Gustij moera made karang Assang to Your Right Honourable. I am currently expecting this Christian woman any day now, and as soon as I have received her, I shall send her over at the first opportunity. Regarding the pieces of cannon, that prince will mention it in his letter to Your Right Honourable, concerning which I shall await Your Right Honourable's orders here. Furthermore, it serves for Your Right Honourable's information that a few days ago, near the land of Lombok, near the island of Soediang, a prahu coming from Java and destined for Bima, aboard which were two Mantarij of Sourabaija named Ambon Sarij and Saditto, plundered the Sumbawarese named Dennoëan and brought the pieces of cannon and other weapons to the negorij of Sumbawa, and in all presumption to the King himself; and the aforementioned prahu was hauled ashore at the negorij Oetang. Therefore, I have sent the Panghoeloe of the Malays thither to make inquiries there. Wherewith closing this, I have the honour to subscribe myself with the requisite respect and high esteem. Below stood: Right Honourable Sir. Lower: Your Right Honourable's humble and very obedient servant. Was signed: An Lecerf. In the margin: Bima, 20 April 1779. To the Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes, etc., etc. Finally, Right Honourable Sir, the spies sent out by me have returned from both Tompoboeloe and Bonthain, both reporting to me that they had gone as far as the negorij of Lanna, but did not find Batara Goach with his followers there, but heard there that he along with his people had departed for Bonto Parrang because he could no longer obtain provisions at Lanna. According to the statement of these spies, that rebel is said to be still about 100 heads strong. The newly appointed Soelewattang Mero, Right Honourable Sir, who on the 12th of this month, assisted by Daeng Pagoelie, being the nephew of the Bonij Jennang of Boelecomba and who is currently acting for the aforementioned Jennang on account of his indisposition, visited me here, telling me that he intended in the next few days to go to Mero to fetch his standard, as his men were already in readiness to march out and attack the negorij of Toeroenga. Jennang Bouija, Right Honourable Sir, who was indebted for 396 gantings of rice, has, as I have already written, paid 264 gantings and will settle the remaining 132 gantings in the next few days. Daeng Pagoelie, Right Honourable Sir, then also brought me Jennang Laijja along with his wife and child, requesting that I accept those three heads for the 690 gantings he still owes, but I refused him this, as all three of them are not worth half of it, and also because Soelewattang Mero requested me to take that Jennang along into the interior to speak there with the deposed Soelewattang Mero concerning the aforementioned 690 gantings, since Jennang Laijja, Right Honourable Sir
Dutch transcription
„dpreesen konde disponeeren om van alle vijandelijke onderneemingen af te zien en de geschillen die zij met Bonij mogten hebben liever in der minne bij te leggen dan het tot een oorlog te laten komen, die altoos zelfs voor den overwinner nadeelig is als den bandbouw koop„ „handel en alle ambagten ruineerende Het is mij niet onbekend dat eenige wadjoreesen voor lange hebben geklaagd over het gedrag van de Bonijse hoofden te Tjinrana met be„ „trecking tot de heffing van thollen, schoon de Rijksgroten alhier van die zaak niet schijnen te willen. weten, maar des niet te min is het zeker dat wadje beter zoude doen dierwegens voldoening te vragen dan door represaille zig in oorlog te wickelen tegen Bondgenoten van de Comp=e die niets meer betragt dan het welvaaren zo van den een als anderen te bevorderen en dierhalven twijffele ik niet of uE: zal wadjo wel van het onderneemen van vijandelijkheden kunnen doen afsien, waar toe ik uwE: dierhalven verzoeke al het mogelijke aan te wenden en teffens verzeekert te zijn dat ik niet alleen, maar ook de Edele Hooge Jndiesche Regeering te Batavia aan dewelke ik van uwe assistentie tot onder brenging onser vijanden kennisse gegeven hebbe volkomen vertrouwen stellen in uwe opregte aankleving tot de E: Compagnie die daar om zig ook altoos bereijt zal toonen uw haare E kragtdadige hulpe in alle onverhoopte swarigheden te doen onder„ „vinden. De bezorging der brieven die uwE: mij gelieve te schrijven aan Jntjena watte voor wel houdende zal ik iets te doen hebbende uw daar om schrif„ „telijk versoeken of het selve aan Poeanna Bassa Communiceeren mits„ „gaders die van Thaing aangaande 't nodige aan de koningen laten weten. Jntusschen versoek ik van het geene ruwe verder mogte verneemen= mij kennisse te geven, terwijl ik in hoope leve dat alle verdere na, „derlige gevolgen nopens de hier vooren gemelde swarigheden zullen mogen voorgekomen worden. /:onderstond:/ Geschreeven te Macasser in 't Cas„ „teel Rotterdam den 7=e Maij Anno 1779. Aan Macasser 605 300. Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort„ Gouverneur en Directeur deeser Custe Celebes uwel Edele Agtbaare hoog g'Eerde litteren van 20:' maart J: L: benee„ „vens een Circulaire brief gedateert als even, met nog eene van den 22„e dito voorn: met de daar bij verzellende bijlaage zijn mijn wel ge„ „worden, zoo dient in antwoord dat ik zoo veel mijn moogelijk is, uwel Edele Agtbaere g'eerde ordre zal tragten te observeeren, en uijt dien hoofde de Comp„s pantjallang klaar ter rheede leggende, om zoo haast als ik een of andere Berigt van eenige scheepen die hier of daar mogte gezien worden aanstonds met mijn eijgen volk naar Amboina over te zenden. Hier neevens gaat over een Jnlandse brief geschreeven door Gustij moera made karang Assang, aan uwel Edele Agtbaare, ik ben thans alle dagen deese kristene vrouwe te verwagten, en zoo haast als ik dezelve zal ontfangen hebben, zal ik die met den eersten over zenden. wegens de stukken kanon zal dien vorst in zijn brief aan rwel Edele Agtbaare melden, waar van ik alhier de ordre van uwel Edele Agtbaare zal verwagten. wijders dient uwel Edele Agtbaare ter kennisse dat voor eenige daagen omtrent het Land van Lombok, bij het eijland soediang een prauw die van Java koomende en naar Bima gedistineerd zijnde, alwaar op zijnde twee Mantarij van Sourabaija genaamt Ambon Sarij en Saditto die den sumbawarees genaamt Dennoëan. geplunderd en de stukken Kanon, en andere waapens op de Negorij van Sumbawa gebragt, en naar alle pre„ „sumatie wel bij den Koning zelvers; en voorn: prauw op de negorij oetang op het Land gehaald: dierhalven hebbe ik den Panghoeloe der maleijers derwaards gezonden om aldaar na laten te verneemen waar meede deese sluijte hebbe ik de eer mijn met de vereijschte Wel Edelen Agtbaaren Heer! eerbied weten. na, heden Macasser eerbied en hoog agting te onderschrijven. /:onderstond:/ wel Edelen Agtbaaren Heer. /:lager:/ uwel Edele Agtbaare ootmoedige en zeer gehoorzamen dienaar, /:was geteekend:/ A=n Lecerf. /:in margine:/ Bima den 20„e April 1779. Aan den wel Edele Agtbaare Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur der Custe Celeber &: &: Eijndelijk zijn de door mij uijtgezondene spions wel Edele Agtb: Heer zoo wel van tompoboeloe als bonthain terug gekomen, beide mij rappor„ „teerende als dat zij tot op d' negorij Lanna geweest waaren dog batara goach met zijn aanhang aldaar niet gevonden, maar aldaar gehoort te hebben als dat hij benevens de zijne na bonto parrang was vertrokken dewijl hij op Lanna geen mond kost meerder konde magtig worden, volgens opgave dier spions zou die rebel nog circa 100. koppen sterk weesen. d' nieuw aangestelde Soelewattang Mero wel Edele Agtb: heer die op den 12=e deser g'assisteert met Daeng Pagoelie zijnde de Neef van de bonijse Jennang van Boelecomba en die 't thans voor gen: Jannang om zijne indispositie waarneemt, is alhier bij mij geweest mij verhaa„ „lende als dat hij eerstdaags van voorneemens was om na mero toe te gaan om zijn vendel te haalen, dewijl zijn volk reets in gereetheijd was om op te trekken en d' negorij toeroenga attacqueeren. Jennang Bouija wel Edele Agtb: Heer die 396. gantings rijst is schuldig geweest heeft zoo als ik reets geschreeven heb 264: gantings betaalt en zal d' nog resteerende 132. gantings eerstdaags voldoen: Daeng Pagoelie wel Edele Agtb: die bragt mij toen ook Jennang Laijja benevens zijn vrouw en kind met verzoek dat ik die drie koppen voor de 690. gantings. die hij nog schuldig is wilde accepteeren, dog ik heb hem zulks geweigert dewijl zij alle drie de helft niet waardig zijn, en ook om reeden soelewattang miero mij verzogt om die Jennang meede na d' binnelanden te neemen om aldaar met d' afgezette soe„ „lewattang mero over gem: 690. gantings te spreeken, dewijl Jermnang wel Edele Agtbaare Heer! Laijja:
English
Laijja says that the dismissed soelewattang drew the most benefits from it; with the approval of daeng Pagoelie, Honorable Respected Sir, I have permitted this, the more so because it would be far too harsh that he alone should have to pay, since the dismissed soelewattang mero, if what he says is true, has also enjoyed a share of it. Today, Honorable Respected Sir, the three Palopies of the returning pressed proas told me that on their journey hither, near the corner of Lijkant, they were attacked by 4 Palembang proas, and that they had fired upon them, but that they had fortunately escaped under sail (according to these people, it is said to be the Bonian prince Latila, who is married to the daughter of Craeng tiro and resides here at Calconco). Furthermore, they related, Honorable Respected Sir, that these pirates had attempted to take away a proa that lay at anchor near Jenne ponto, but that this had failed them through the assistance of the people of Jenne ponto. Not daring to neglect giving notice of this to you, Honorable Respected Sir, I take the liberty, for the rest, to call myself with all requisite high esteem and respect, was subscribed: Honorable Respected Sir! lower: Your Honorable Respected's humble and dutiful servant, was signed: S.n Monsieur, in the margin: Boelecomba in the Company's fortress, the 20th of May, Anno 1779. To the same as before! I have had the honor to send to Your Honorable Respected, with Jntje Marsidong, or the Lieutenant of the Malays, my humble letters of the 20th of April last, together with a native letter written by Gustij moera made karang Assang of Balij to Your Honorable Respected. Now there are also forwarded herewith two native letters written to the undersigned, one from gustij moera made karang Assang, the second from gustij katout Karang Assang, together with this Christian woman returned from Balij, and the housekeeper of the former Constable of Maros with her one son, and her other son Pieter Alexander van Rhee remaining here with me, since I stand as godfather and my wife as godmother to him, and he having no closer kin. Concerning this proa from Sourabaija mentioned in my previous letter of the 20th of April last, which was said to have been plundered by the Sumbawanese, it arrived here safely a few days after the dispatch of my aforesaid letters, without having received any damage to herself or the vessel; but that they had a strong attack at the settlement of Sougara Lombok, having taken flight, but that another Javanese proa was near there, which was taken away by the Sumbawanese Denoe-ang. The Panghoeloe of the Malays, whom I sent thither to make inquiries, having now returned, informs me that the King and his Grandees of Sumbawa have told him that the aforesaid Denoe-ang is a great evildoer, and that for that reason they had banished him from the land of Sumbawa for many years already, and currently could not catch him; which seems to be a well-devised pretext of the Sumbawanese, for it is firm and certain that the aforesaid Denoe-ang is staying at Jarewe, and is even assisted by the King, which they will not acknowledge. The first Regent, Nene Ranga, also lets me know through the aforesaid Panghoeloe of the Malays that he, with daing mampoenoe and makasamade, is now making ready to depart for Maccasser, and wishes to call in here. Furthermore, the undersigned requests, with the approval of Your Honorable Respected, if the Sumbawanese Grandees come to Macasser, to summon all the other Allies from here and the opposite shore to Macasser, in order to settle their affairs there completely. For the rest, there is nothing of importance to note here, except that Corporal Jan Spits has not yet arrived with the provision proa, over which I am in the greatest astonishment and embarrassment regarding money and goods. Wherewith closing this, I have the honor to subscribe myself with the requisite respect and high esteem, was subscribed: Honorable Respected Sir! lower: Your Honorable Respected's very humble and submissive, very obedient servant, was signed: A.t Lecerf, in the margin: Bima, the 26th of May, Anno 1779. Translation of the Malay letter written by Gusti Moera Made Karang Assang, Gusti Moera Kanginan, Gusti Made Karang Assam, and Gristi Katoet Karang, to the Lord Governor and Director at Macasser. After the customary preface. We make known that your letter has arrived very well, and we have received it with all requisite honor. We perceived therefrom with much joy the expression of your sincere and pure affection toward us, whereby we are stirred to love. We thank and praise God for it, praying and beseeching Him together with our Prophet Machometh that it may please Him to lengthen your life, so that all the poor and needy may continually be overshadowed and protected by the splendor and greatness of your government. Furthermore, we were affected with no less joy by the news that you imparted to us regarding the conquest of the city of Goa. We likewise thank God and wish that He may grant you long prosperity and success to triumph further over all the remaining lands and places of the King of Goa, to the end that you may thereby obtain the glory and greatness of God. As for us, we are very pure and sincere from the beginning to the end, and desire to live with you in such brotherly friendship as you have requested of us. For our part, we would be very ashamed to break the fidelity to the Company and to abandon her, for we are
Dutch transcription
81. 607 30t Laijja zegt dat die afgezette soelewattang de meeste voordeelen daar van getrokken heeft, met goedvinden van daeng Pagoelie wel Edele Agtb: Heer heb ik zulks toegestaan, te meer om dat 't al te hart zoude weesen dat hij alleen moet betaalen daar d' afgezette soelewattang mero zoo zijn zeg„ „gen waar is daar meede van genooten heeft. op heeden wel Edele Agtb: heer hebben mij d' drie Palopies van d' terug koo„ „mende gepreste prauwen verhaalt als dat zijlieden op hunne reise na herwaarts bij d' hoek van Lijkant door 4. prauwen palimbangs ge„ „attacqueert zijn en dat deselve op hun lieden geschooten hadden dog dat zij 't gelukkig met zeijlen ontkoomen waaren /:volgens zeggen van die menschen zou 't de bonise prins Latila weesen die getrouwt is met d' dogter van Craeng tiro en alhier op Calconco woonagtig. verders verhaalden zij wel Ed=e agtb: heer als dat die zeerovers een prauw die bij Jenne ponto ten anker lag hadden zoeken weg te „neemen, dog dat hun zulks door behulp van 't volk van Jenne ponto mislukt was: niet hebbende durven afzijn wel Ed=e agtb: hier van kennisse te geeven, zoo neeme voor 't overige de vrijheit met alle vereijschte hoog agting en eerbied mij te noemen, /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heer ! /:lager:/ uwel Ed=e agtb=s onderdaanige en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/. S„n Monsieur, /:in margine:/ Boelecomba in 's Comp:s vesting den 20„e meij A„o 1779. — Aan als vooren! Jk hebbe de eer gehad met Jntje Marsidong off Luijtenant der maleijer mijne needrige letteren van den 20=e April J: L: aan uwel Edele Agtb: toe te zenden, nevens een Jnlandse brief geschreeven door Gustij moera made karang Assang van Balij aan uwel Edele Agtbaare. thans gaat hier meede over twee Jnlandsche brieven geschreeven aan den ondergeteekende, een van gustij moera made karang Assang de tweede van gustij katout Karang Assang, nevens deeze van Balij terug gezondene kristen vrouw, en d' huijs„ „houdster van den geweezene Constabel van maros met hare eenen zoon en haaren anderen zoon Pieter Alexander van Rhee alhier blijvende en ang blijvende bij mijn terwijl ik als Doopvader, en mijn huijsvrouw als doopmoeder over hem staan, en geene nadere vrienden hebbende. van weegens deeze prauw van sourabaija in mijn voorige brief van den 20=e April J: L: gemeld, die door den sumbawarees zoude geplun„ „derd zijn, is eenige dagen na het afzenden van mijne voorn: letteren alhier behouden g'arriveerd zonder eenige schade aan haar of vaarthuijg gekreegen te hebben; maar dat zij een sterke attacq gehad hebben op de negorij sougara Lombok de vlugt genomen hebbende, maar dat een andere Javaanse prauw daar omtrent geweest is dewelke door den sumbawarees Denoe-ang is weg genoo„ „men, den Panghoeloe der maleijer dien ik derwaards hebbe ge„ „zonden om aldaar na te verneemen thans weeder geretourneerd zijnde, en mijn bekent maakt dat de koning en zijn Rijksgroo„ „ten van sumbawa hem gezegd hebben dat den voorn:e Denoe„ „ang een groot quaat doender is; en dat zij hem uijt dien hoofde al voor lange Jaaren van het land sumbawa gebannen hadden, en thans niet konde krijgen; het welke een wel bedagte uijt reede van den sumbawareese schijnt te zijn, want dat is vast en zeeker dat den voorn:e Denoe-ang: zigh op Jarewe op houd, en zelfs van den koning g'assisteerd word, het welke zij niet willen weeten almeede laat mijn den eersten Rijksbestierder Nene Ranga weeten door den voorn: Panghoeloe der maleijer dat hij met daing mampoenoe en makasamade thans klarigheijd: maa„ „ken om nae maccasser te vertrekken, en alhier willen aan, „gieren. wijders versoekt den ondergeteekende met goedkeuring van uwel Edele Agtbaare zo bij aldien dat de sumbauwareese Rijksgrooten op macasser koomende, om alle de andere Bond„ „genooten van hier en de overwal op macasser te ontbieden om aldaar haare zaaken ten eenemaal af te maaken. verders alhier niets van belang te noteeren valt als dat den Corporaal Jan Spits met de provisie prauw nog niet g'arri„ „veerd zijnde, waar over ik met de grootste verwondering, en verleegendheijd ben, aan geld en goederen. waar meede deese sluijte hebbe ik d' Eer mijn met de ver„ „ Eijschte t 83 609 302. „Eijschte eerbied en Hoog agting te onderschrijven, /:onderstond/:/ wel Edelen Agtbaaren Heer : /:lager:/ uwel Edele Agtbaare zeer ootmoedigen en onderdanigen zeer gehoorsaamen dienaar, /:was„ „geteekend:/ A=t Lecerf, /:in margine:/ Bima den 26:' Maij A. o 1779. Translaat Maleijsche brief geschreeven door Gusti Moera Made Karang Assang, gusti Moera Kanginan, gusti Made karang Assam, en Gristi Katoet Karang, aan den Heer Gouverneur en Directeur te Macasser. na gewoone voorreden. Macken wij bekend dat uwen brief zeer wel aangekomen is, en wij de„ „selve met alle vereijschte honneur ingehaald hebben, wij ontwaarden daar uijt met veel vreugden de uijtdruckinge van uw opregte en suijvere genegentheijd t' onswaarts, waar door wij tot liefde worden opgewekt, wij danken en looven god daar voor, Hem nevens onsen Propheet Ma„ „chometh biddende en smeekende, dat het hem behaegen mag, uw leevenstijd te verlengen, op dat alle de armen en nooddruftigen steeds door de Heerlijkheijd en grootheijd uwer bestiering mogen beschaduwt en beschermt worden. verder zijn wij met niet minder vreugde aangedaan geweest over de tijding die gij aan ons bedeeld hebt wegens de overwinning van de stad goa, wij danken god insgelijks en wenschen dat Hij uw lang welvaaren en voorspoed mag verleenen om over alle d' overige Landen en plaatsen van de koning van goa verder te truumpheeren, ten eijnde uw daar door de glorie en grootheijd van God moogt verkrijgen. ons aangaande wij zijn zeer zuijver en opregt van den beginne„ af, tot op 't eijnde toe, en begeeren met uw ook zodanig in broe„ „derlijke vriendschap te beeven, gelijk uw ons versogt heeft, wij zouden voor ons aandeel zeer beschaamd weesen, om de getrouw„ „heijd van de Comp=e te verbreeken en haar te verlaeten, want wij zijn aa ttacq ken ng
English
are very fearful of God, but if the Company wishes to deviate from its faithful promise, what can one do, as long as we demonstrate the purity and sincerity of our hearts; nevertheless God knows this of us. Regarding your request to us concerning the cannons of the stranded ship at the island of Sadapoer, which are still on Salemparang, seven in number, we state that we are unable to have the same delivered to the Commander at Bima, because the cannons are too large and cannot be loaded into small vessels, but if you wish to send your people for that purpose, the same can be retrieved from the land of Salemparang. The nonja whom you most earnestly request from us, we allow, as a sign of our pure and sincere hearts toward you, to pass over to the Commander at Bima, by the vessel and escort of Daijeeng Matanang, she being named Sareijwa, together with her two sons. Concerning your pledge contained in your said letter, that whenever misfortune should happen to us, should we have war here on Balij, you would then come to assist us as a token of a pure and sincere heart of the Company, we declare that such is also our objective, and to live in brotherly friendship with the Honorable Company; day and night praying to God that the same may remain enduring down to our children, children's children and descendants. was written: Written on the land of Balij in the Padalaman or interior, the 21st of the month Mukharam in the year 1191. Account given at the Secretariat of Policy by Maria Hoveling, widow of the ship's carpenter Gerrit Schordijk, and Famila, free native woman and former concubine of the gunner's mate Gerrit van Rhee who was killed at Maros in the year 1777, at the requisition of the 85 85 611 303. The appearers relate that during the surprise attack on the post of Maros in the year 1777, being outside in their dwellings, together with the wife of the burgher Somer, who was residing there at that time, and his mother, likewise the housekeepers of the soldiers Frans Vink and Theunis de Waart, with the daughter of the last-mentioned, as well as a natural daughter as was said of the deceased Shahbandar the Honorable Ian Hendrik Voll, named Nanna, and the two sons of the second appearer, they had taken flight to the village of Kassie Kebo to the Company's emissary Poea Simbang, where, having heard that the rebel Sankilang had departed from Maros with all his people for Parang Lowe, they had requested the said emissary to bring them or have them brought hither to Moccasser, but that instead of doing so, he had brought them all back to Maros and surrendered them to one of the rebels, Crain Candjilo, who was still staying there. That they were transported by the said Crain Candjilo from Maros to Tekere, and from there past Parang Lowe to the mountains of Lanna, from where they, the appearers, together with the two children of the second, after a stay of six months, were transported to Balij by the rebel Sankilang with a vessel whose nakoda was a Buginese and named Massa, the others having remained at Lanna. That the Commander at Bima, the Honorable Lecerf, having been informed by the second appearer by a short letter of the presence of the appearers and their children on Balij, had sent an emissary to the King and court dignitaries of Balij to request that they surrender them to him, but that they had not only refused this up to two times, but had also intended to send them back again to Goa to Sankilang, just as they had already, with the Right Honorable Sir Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, the aforementioned 1 man as well as Bima aforementioned Nakoda Massa, once been sent hither in the company of a woman named Amma Lola of Sumbawa, who was used by Sankilang as an emissary, and who resides at the village of Sambalong not far from Tanjong Karang; but having arrived before Sandrabonij and having seen a ship lying there before the river, the said nakoda had not dared to sail in, but out of fear had turned back again. That after that time having remained there or rather at Tanjongkarang for quite eight months, the king, upon the rumor that Goa had been conquered by the Europeans, had finally sent them to Bima to the Commander, from where they, the appearers, with the youngest son of the second appearer as the eldest remained with the said Commander arrived here this morning. Thus done and related in the Malay language at Macasser in Castle Rotterdam, the first of June in the year 1779, in the presence of Johannes Arnoldus Geubels and Fredrik Hooijmeijer, clerks, as witnesses called for this purpose; the minute hereof is duly signed: was written: which I attest, was signed: P:s Bremer, provisional secretary Alexander Lecerf To the Military Lieutenant Commander there Valiant, Pious, Discreet! Now replying to your letters successively received here of the 25th of November and 19th of December of the past year, as well as the 1st and 30th of March, likewise the 20th of April of this year; I find with regard to the kingdoms of Bima, Dompo, Tambora, Sangar, and Pekat nothing else to remark than that their mutual harmony and their renewed declarations of a faithful adherence to the Company being very pleasing to me, I expect that you will try to maintain them in these favorable sentiments, while in due time I shall look forward to the promised statement by those of Bima regarding
Dutch transcription
zijn zier bevreest voor God, maar als de Comp=e van haar getrouwe belofte wil afwijken, wat kan men doen, als wij maar den zuijver en opregtheijd onser harten betoonen, nogthans god weet het van ons. Omtrend uw versoek aan ons, om de Canons van het gestrande schip, bij 't Eijland Sadapoer, die nog op Salemparang zijn, ten getalle van zeven zeggen wij niet vermogens te weesen, om deselve aan den Commandant te Bima te laeten toekomen, vermits de Canons te groot zijn en niet kunnen geladen worden in kleene vaartuijg, maar zo uw volk daar toe wil zenden, kunnen deselve van 't Land salemparang afgehaald worden. De nonjha die uw ons op 't ernstigste versoekt, laeten wij, als een teeken van onse zuijvere en opregte harten t' uwwaarts, over„ „gaan tot den Commandant te Bima, per 't vaartuijg en ge„ „leijde van Daijeeng Matanang, zijnde genaemd Sareijwa nevens haar twee zoonen. Nopens uw gedaene toezegging bij gemelde uw brief vervat, dat wanneer 't ongeluk ons komt te gebeuren, w' alhier op Balij oorlog mogten krijgen, uw als dan tot een blijk van een suijver en opregte hart van de Comp=e ons zoude komen assisteeren, betuijgen wij dat zulks ook onse doelwit is en om met d' E: Comp=e in broeder„ „lijke vriendschap te leeven; dag en nagt god bidsende dat het zelve bestendig blijven mag tot op onse kinderen, kinds kinderen en nageslagten /:onderstond:/ Geschreeven op 't Land van Balij in 't Padalaman of stof, den 21=e van de maand Mukharam in 't Jaar 1191. - Relaas gedaan ter Secretarij van Politie door Maria Hoveling weduwe van den Scheepstimmerman Gerrit Schordijk, en Famila vrije Jnlandsche vrouw en geweesen Bijzit van de in Anno 1777. te Maros ge„ „sneuvelden Constabelsmaat Gerrit van Rhee, ter Requisitie van den 85 85 611 303. De Comparanten relateeren dat ze bij de overrompeling van de Post Maros in A„o 1777. buijten in haare woonhuijsen zijnde, nevens de huijsvrouw van den te dier tijd, zig aldaar bevindende burger Somer en desselfs moeder, item de huijshoudsters van de zol„ „daten Frans vink en Theunis de waart, met de dogter van laastgemelden, zo meede een natuurlijke dogter /:zo gezegt wert.) van den overleeden Sjabandhaar d' E: Ian Hendrik voll, genaamt Nanna, en de twee zoons van de tweede Comparanten, naa de negorij kassie kebo de vlugt hadden genomen bij den Compagnies zendeling Poea Simbang, alwaar ze gehoort hebbende dat den Rebel Sankilang van Maros met al zijn volk naa Parang Lowe vertrokken was, aan gemelde zen„ „deling hadden verzogt haarlieden herwaards naa Moccasser te willen brengen of te laten brengen, dog dat dezelve in steede van zulx te doen, hen alle weeder naa Maros gebragt, en aan een der Rebellen Crain Candjilo, die zig daar nog onthield, over gegeven hadde. Dat zij door gemelden Crain Candjilo van Maros naar Tekere, en van daar voor bij Parang Lowe naa het gebergte van Lanna waren vervoert geworden, van waar zij Comparanten nevens de twee kinderen van de tweede, naa een verblijf van ses maanden door den Rebel Sankilang met een vaartuijg waar van de Anachoda een boe„ „ginees en Massa genaamt was, naa Balij waren getransporteert. zijnde de andere op Lanna verbleeven. Dat de Commandant te Bima d' E. Lecerf van haar Comparanten en haar Kinders aanweesen op Balij door de tweede Comparante bij een briefje verwittigt zijnde, bij den koning en Hofgrooten van Balij door een sendeling hadde laten versoeken om haarlieden aan hem over te geven, dog dat deselve zulx tot tweemalen toe niet alleen geweigerd, maar ook van zins hadden geweest haar weder naa goa bij sankilang te rug te zenden, gelijk z' ook bereeds met den wel Edelen Agtbaeren Heer Paulus Godofredus van der voort, Gouverneur en Directeur deeser Custe Celebes. voornoemden 1 man ut & Bima voornoemden Anachoda Massa eens herwaards zijn gezonden in gezeldschap van een vrouw genaamt Amma Lola van Sumbawa, die door sankilang voor een sendeling gebruijkt werd, en op de negorij sambalong niet verre van Tanjong karang woonende is; dog tot voor sandrabonij gekomen zijnde en aldaar voor d' rivier een schip hebbende zien leggen had gemelde Anachoda met durven binnen zeij„ „len, maar was door vreese weeder terug gekeert. Dat zij na dien tijd nog wel agt maanden aldaar of eijgentlijk op Tan„ „jongkarang verbleeven zijnde, de koning op het gerugt dat goa door de Europeesen overwonnen was, haarlieden eijndelijk naar Bima aan den Commandant gezonden hadde, van waar zij Com„ „paranten met de Jongste zoon van de tweede Comparante /:als zijnde de oudste bij gemelden Commandant verbleeven:/ heeden morgen alhier g'arriveerd zijn. Aldus gedaan en gerelateerd in de maleidsche taal tot Macasser in 't Casteel Rotterdam den eersten Junij A„o 1779. ter presentie van Johannes Arnoldus geubels en Fredrik Hooijmeijer, Clercquen als getuijgen, hier toe gerequireerd, de minute deeses is behoorlijk geteekend: /: onderstond:/ quod Attestor was geteekend:/ P:s Bremer p„r sec=s Alexander Lecerf Aan den Lieutenant Militair Commandant aldaar Manhafte, vroome, Discreete! UE: successive alhier ontfangene brieven van den 25:e November en 19=e December des voorleeden mitsgaders 1=e en 30=e maart item 20=e April deses Jaars thans b'antwoordende; zo vinde ik met opzigt tot de Rijken van Bima, Dompo, Tambora, Sangar en Pekat niet anders aan te mer„ „ken dan dat mij hunne onderlinge eendragt en hunne vernieuwde betuijgingen van een getrouwe aankleving tot de Maatschappij zeer aangenaam zijnde, ik verwagten wil dat uE: dezelve bij deese favora„ „bele denkbeelden sal tragten te conserveeren, terwijl ik in der tijd de toegezegde opgave door die van Bima zal te gemoed zien nopins
English
87. 613 304. the goods which it is said that Craeng sappana would still have on the mangeraaij, which you may indeed remind the king of. Regarding Sumbauwa, it being said by you in a letter of the 19th of December that the First Regent Aene Ranga had excused himself from coming to Bima under the pretext that he had to be in macasser, having been summoned thither by a letter, with the addition that he was therefore to depart shortly as the vessel for his transport was already being made ready, it seems strange to me that you inquired so little and informed me so little as to from whom the said letter, containing his summons, came, as well as what the intention of that grandee of the realm was, since you could easily understand that this was of great concern to me; the same not having appeared nevertheless, I must assume that his objective, from which one could without doubt promise oneself much good, will have been frustrated, whether by the incoming news of the death in action of Craeng Bilaadje or for other reasons, but nevertheless I will expect further report in this regard, meanwhile concerning the Second Regent Calie Balla who, according to your letter of the 1st of March, arrived at Bima with a letter from the King and grandees of the realm addressed to you, containing nothing more than that he was sent to settle some matters between those of Sumbawa and the other allies, noting only that everything you have negotiated with him deserves so little consideration that I do not deem it necessary to express myself on it, only excepting the admonition to urge the King to depart for macasser in person or else to send a respectable embassy thither, which could nevertheless more suitably take place by letters than verbally to a grandee of the realm, whom you yourself profess not to know with what purpose he had come, into which information also ought to have been sought, which would indeed have been easy to do through the channel of those of Bima, regarding which I will therefore likewise look forward to further report, while you will once again have to exhort the King and grandees of the realm most earnestly by letter to fulfill their obligation and therefore still to come hither as soon as possible under a frank declaration that the Company, on the contrary, might very well show its sensitive resentment over their negligence in this matter and the breach of the contracts. The requested loan of money can meanwhile suitably be declined under the pretext of own necessity, but seizing from that at the same time the opportunity to admonish the king to have a substantial quantity of sappanwood cut for the coming year, under the assurance that a ship will then come, which could not be sent this year on account of the uncertainty whether a cargo was to be had, without which one would only waste needless expenses by sending a ship. But on the other hand a pass for a vessel to Java may indeed be granted, being permitted according to the order on free navigation which is enclosed herewith, from which and from the further accompanying papers it appears how one ought to proceed against those who bring gunpowder in excess of what is permitted to them or stated on the passes, regarding which I recommend to you an exact observance. The papers regarding the land to which the King of Dompo lays claim, stretching from the negorij Ampang to Batoesirie naij, are not to be found here, but since those of Bima testify that it was assigned to Sumbauwa in former times, it seems best to me, so long as no other evidence can be produced in that regard by Dompo itself, to leave the same to those of sumbawa. With respect to the plundering of the Javanese vessel on which the Soerabaijse mantiris Ambon sarig and sadito were said to have
Dutch transcription
87. 613 304. de goederen die gezegt worden dat Craeng sappana nog op de man„ „geraij zoude hebben het geen UE: den koning egter wel mag her„ „inneren: Aangaande Sumbauwa door UE: bij brief van den 19=e december gezegt wordende, dat den eersten Rijksbestierder Aene Ranga zig verschoond hadde op Bima te komen onder pretext dat hij te macasser moeste wesen alt:o door een brief derwaarts ontboden zijnde, met bijvoeging dat hij dierhalven eerstdaags stond te vertrecken also het vaartuijg tot zijn transport bereets in gereedheijt wierd gebragt, zo komt het mij vreemd voor dat uE: zig zo min g'informeert en mij bedeelt heeft van wien den gewaagde brief, houdende zijn ontbod, gekomen, als wat het oogmerk van dien Rijksgroot geweest zij, daar uE: dog ligt begrijpen konde dat mij grotelijks aangelegen lag; den 7: zelven nogthans niet verscheenen sijnde, diene ik te onderstellen, dat zijn doelwit, waar van men zig buijten twijffel met veel goeds beloven konde, zal verijdelt weesen, het zij door de ingelopene tij„ „ding van het sneuvelen van Craeng Bilaadje of uijt andere oor„ „saaken, dog des niet te min sal ik daar omtrend nader berigt verwagten, ondertusschen nopens den tweede Rijksbestier„ „der Calie Balla /:die volgens uE: schrijvens van den 1=e maart op Bima gekomen met een brief van den Koning en Rijks„ „grooten aan UE: gerigt niet anders behelsende dan hij gezon„ „den was om eenige zaken tusschen die van Sumbawa in de overige bondgenoten af te maken:/ maar eenlijk noteerende dat alles wat uE: met denzelven verhandelt heeft zo weijnig Con„ „sideratie verdient dat ik niet nodig oordeele er mij over uijt„ te laten, eenlijk uijtgezondert de aanmaning oms den Koning aan te sporen in persoon na macasser te vertrecken dan wel een gezantschap van aansien derwaarts te zenden dat nog thans gevoeglijker door brieven dan mondeling aan een Rijksgroot konde geschieden; die UE: zelfs betuijgd niet te weten, met wat oogmerk den zelven gekomen was, waar na almeede informatie hadde behoren gedaan te worden en : 19=e deses van „ in 't geen door het Canaal van die van Bima immers maekelijk te doen waare waar omtrend ik dierhalven insgelijks nader be„ „rigt sal te gemoed zien, terwijl uE: den Koning en Rijksgroten andermaal bij brieve ten aller ernstigsten zal moeten adhortee„ „ren om aan hunne verpligting te voldoen en dierhalven als nog ten spoedigsten herwaarts te komen onder eene ronde verklaa„ „ring dat de Comp=e, bij het Contrarie wel ligt haar gevoelig res„ „sentiment zoude kunnen toonen over hun versuijm in deesen en de overtreding der Contracten. De verzogte geldleening kan ondertusschen gevoeglijk ontlegt worden door voorwendsel van eigen benodigtheijt dog daar uijt teffens gelegentheijt genomen om den koning aan te maa„ „nen tegen het aanstaande Jaar een aansienlijke quantiteijt sappanhout te doen kappen, onder verzeekering dat 'er dan een schip komen zal, dat dit Jaar niet heeft kunnen gezonden wor„ „den mits d' onzeekerheijt of 'er wel een lading te krijgen was, buijten het welke men maar nodelose kosten zoude verspillen met een schip te zenden. Maar daar en tegen kan wel een pas voor een vaartuijg na Java worden verleend, als volgens d' order op de vrije vaart gepermit„ „teert zijnde die hier nevens gaan, waar uijt en uijt de desen verder verzellende papieren, blijkt hoedanig 'er dient geprocedeert tegen de zulke die buskruijt aanbrengen boven het geene hun geper„ „mitteerd is of op de passen bekend staat, waar omtrend ik uE: een exacte observantie aanbeveele. De papieren wegens het Land waar op den Koning van Dompo pretensie maakt streckende van de negorij Ampang tot Ba„ „toesirie naij, zijn alhier niet te vinden, dog vermits: die van Bima getuijgen dat het voortijds aan Sumbauwa zoude zijn toegeweesen; dunkt mij best zo lange daar omtrend door Dompo selfs geen andere bewijsen kuomen worden bijgebragt, het zelve aan die van sumbawa te laten Met op zigt tot de plundering van het Javase vaartuijg waar op zig de soerabaijse mantiris Ambon sarig en sadito zouden hebben